Bent u bekend met de berichtgeving1 dat Defensie na uitgebreid overleg heeft geoordeeld dat vijf windturbines van circa 250 meter hoog bij Windpark Buitenpolders geen belemmering vormen voor de militaire vliegveiligheid, terwijl vier van de vijf turbines binnen het beperkingengebied van 15 kilometer rond Vliegbasis Gilze-Rijen liggen? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, wanneer is dit oordeel afgegeven, betreft dit een voorlopig of definitief oordeel, welke concrete onderzoeken, risicoanalyses en militaire adviezen liggen hieraan ten grondslag en bent u bereid deze met de Kamer te delen?
Ja, Defensie is bekend met de berichtgeving. De veronderstelling dat Defensie heeft ingestemd met een uitgewerkt windparkproject is niet terecht.
Defensie is, daarbij ondersteund door het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen jaren als belanghebbende uitgebreid betrokken geweest bij de studies voor het vaststellen van het zoekgebied voor het plaatsen van windmolens in de gemeente Waalwijk. Defensie heeft in dit gebied haar relevante belangen nadrukkelijk ingebracht. De gemeente heeft de belangen van Defensie betrokken in de besluitvorming.
Defensie blijft ook in de volgende fasen van de ruimtelijke procedure als belanghebbende betrokken om te beoordelen of het defensiebelang niet wordt geschaad. Deze beoordeling is mogelijk zodra vanuit de gemeente en/ of de zonneparkbeheerder met Defensie wordt gedeeld waar welke turbines worden gepland.
Welke veiligheidsrisico's brengen de vijf windturbines van circa 250 meter hoog volgens Defensie met zich mee voor militairen, militaire luchtvaartuigen en de operationele inzet vanaf Vliegbasis Gilze-Rijen, gelet op het feit dat deze windturbines ongeveer 100 meter hoger zijn dan de hoogte waarbij binnen het beperkingengebied een afzonderlijke vliegveiligheidsbeoordeling door Defensie is vereist? Welke gevolgen heeft dit oordeel voor de huidige en toekomstige militaire inzet, waaronder laagvliegoefeningen, helikopteroperaties en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, en zijn aan dit oordeel voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte, exacte locatie of operationele beperkingen? Zo ja, welke?
Defensie beoordeelt ruimtelijke projecten, zoals een windpark, zowel op veiligheidsaspecten, als op de mate waarin operationele- en oefenmogelijkheden daardoor worden beïnvloed.
In relatie tot deze ontwikkeling is voor Defensie vooral de vliegroute van en naar het helikopter laagvlieggebied «Maas/Waal» voor de helikopters van Gilze-Rijen van belang. In dit gebied heeft de gemeente Waalwijk geen windturbines gepland.
De aanwezigheid van het genoemde 15 km beperkingengebied (de zgn. «Outer Horizontal Surface») betekent niet op voorhand dat er geen windprojecten mogelijk zijn. Nadere beoordeling van het definitieve plan zal dit moeten uitwijzen. Tevens moet standaard elk windproject worden beoordeeld op de mate waarin radarbeelden worden verstoord.
Is Defensie bij de beoordeling van Windpark Buitenpolders volledig zelfstandig en uitsluitend op basis van militaire en vliegveiligheidskundige overwegingen tot haar oordeel gekomen, of hebben andere ministeries, provinciale of gemeentelijke overheden of initiatiefnemers invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Door medeoverheden of andere partijen is geen invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van onze militairen altijd zwaarder moet wegen dan klimaat- en duurzaamheidsbeleid? Kunt u bevestigen dat Defensie nooit concessies zal doen aan de veiligheid van militairen of de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht om de realisatie van windturbines of andere duurzame energieprojecten mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie hebben operationele inzetbaarheid en veiligheid van personeel, zowel militair als burger, prioriteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom beoordeeld of deze de operationele gereedstelling raken van de krijgsmacht of een risico vormen voor de veiligheid van het defensiepersoneel. Waar mogelijk werkt Defensie zoveel mogelijk mee aan het vinden van duurzame oplossingen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
Het artikel uit de Volkskrant: ‘Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1050 euro’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Volkskrant: «Minima in Amsterdam krijgen 85 euro extra steun, een paar kilometer verderop is het 1.050 euro»?1
Ja.
Deelt u de mening dat in Nederland de bestaanszekerheid van mensen niet postcode-afhankelijk mag zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja waarom wel?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat mensen kunnen rondkomen ongeacht hun postcode. In de voortgangsbrief over de hervormingsagenda inkomensondersteuning die op 9 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden, is toegelicht dat het kabinet streeft naar een toereikend en toegankelijk stelsel voor het sociaal minimum dat naadloos aansluit op alle andere regelingen in de sociale zekerheid.
De individuele Inkomenstoeslag kan tussen gemeenten honderden euro’s per maand per persoon schelen. Is dit volgens u acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat zou volgens u wel een acceptabel verschil zijn?
Het is een bewuste keuze geweest om gemeenten binnen de kaders van de wet ruimte te geven voor een eigen invulling van hun minimabeleid. Het is daarmee onvermijdelijk dat verschillen optreden tussen gemeenten. Deze verschillen zitten zowel in de verschillende regelingen die gemeenten aanbieden als in de voorwaarden die aan deze regelingen verbonden zijn. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Dit maakt voor mensen het aanbod en de aanvraag van regelingen overzichtelijker.
Omdat de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uitmaakt van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid is het niet wenselijk om uitspraken te doen over acceptabele verschillen tussen gemeenten op basis van één regeling, zonder het bredere minimabeleid te kennen waarin de verschillen tot stand zijn gekomen. Zo wordt in het artikel gesproken over de gemeente Amsterdam die een lage Individuele Inkomenstoeslag toekent, maar bijvoorbeeld een uitgebreide Stadspas kent en de gemeente Diemen die een hoge Individuele Inkomenstoeslag verstrekt, maar geen Stadspas heeft.
Bent u het eens met de voorzitter van de Commissie Sociaal Minimum dat minima gelijk behandeld moeten worden, ongeacht hun woonplaats? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals is aangegeven in het coalitieakkoord vindt het kabinet het van belang dat er een basisniveau komt van aanvullende gemeentelijke regelingen. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn hierbij niet wenselijk. Bij het vormgeven van het basisniveau wil het kabinet wel nadrukkelijk oog houden voor gemeentelijke beleidsvrijheid en de mogelijkheden voor maatwerk op lokaal niveau.
Waarom heeft u sinds het advies van deze Commissie drie jaar geleden, nog geen concrete stappen gezet hierop?
Het kabinet heeft in de afgelopen periode stappen gezet om het gemeentelijk armoedebeleid te verbeteren en te vereenvoudigen, in lijn met de aanbevelingen van de commissie Sociaal Minimum. In de eerste voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die de Minister van SZW op 10 maart jl. aan uw Kamer heeft aangeboden, is beschreven welke stappen in de afgelopen periode zijn gezet om te komen tot beter en eenvoudiger armoedebeleid. Zo heeft Divosa op verzoek van de VNG een verkenning gedaan om te komen tot toegankelijker en effectiever gemeentelijk armoedebeleid, heeft SZW in een ambtelijke exercitie verkend welke regelingen beter landelijk kunnen worden uitgevoerd of worden geharmoniseerd en hebben Nibud en KWIZ een analyse gemaakt van de effectiviteit van het gemeentelijk armoedebeleid. Deze verkenningen worden betrokken bij de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om te komen tot vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Met de VNG wordt gesproken over verbetering en vereenvoudiging van het armoedebeleid, inclusief de lokale basisdienstverlening. De intentie is om hierover bestuurlijke afspraken te maken.
Bent u het met de SP en de onderzoekers van het Instituut voor Publieke Economie eens dat deze inkomenstoeslag landelijk en uniform verstrekt zou moeten worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten in de uitkomst van de ondersteuning zijn hierbij niet wenselijk. Een landelijke en uniforme verstrekking van de individuele inkomenstoeslag past echter op dit moment niet bij de ruimte die gemeenten hebben bij de invulling van hun minimabeleid.
De Individuele Inkomenstoeslag vormt bij uitstek het instrument om op individueel niveau iets te betekenen voor mensen die langdurig niet kunnen werken. Dit zijn vaak mensen zonder of met een beperkt arbeidsvermogen. Zij zijn niet in staat om een inkomen te verdienen waarmee zij onafhankelijk worden van de bijstand en hebben daarmee geen perspectief op een betere situatie.2 Ik ben aan het onderzoeken hoe ik deze groep mensen binnen de kaders van de Participatiewet tegemoet kan komen in de inkomensondersteuning. Ik verken of en op welke wijze de Individuele Inkomenstoeslag daarbij een passende rol kan spelen.
Deelt u ook de mening dat de duur voordat de inkomenstoeslag toegekend wordt, die tevens enorm kan verschillen per gemeente, overal gelijk zou moet zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoe kan het volgens u dat de verschillen tussen gemeenten dermate groot kunnen zijn terwijl de duur en laagte van het inkomensniveau van mensen hetzelfde zijn? Heeft dit volgens u te maken met de onvoldoende middelen en geld die sommige gemeenten hebben om meer of eerder inkomenstoeslag toe te kennen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de eerdere antwoorden ook is aangegeven maakt de Individuele Inkomenstoeslag onderdeel uit van het hele palet aan maatregelen die gemeenten in samenhang kunnen inzetten in hun minimabeleid. Gemeenten worden niet apart gefinancierd voor de Individuele Inkomenstoeslag. Ze worden via het gemeentefonds gefinancierd voor een breed takenpakket en ze kunnen daarbinnen keuzes maken over hoe ze de beschikbare middelen willen inzetten. Ook kan een gemeente ervoor kiezen om eigen middelen in te zetten voor het beleid dat ze voert.
Bent u het met de SP en de onderzoekers eens dat deze grote verschillen tussen gemeenten het vertrouwen in de overheid schaadt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Te grote en niet uitlegbare verschillen tussen gemeenten zijn niet wenselijk. Ook is het niet wenselijk dat het ondersteunende stelsel erg ingewikkeld is waardoor mensen niet weten waar ze aan toe zijn. In het coalitieakkoord is daarom de ambitie opgenomen om in overleg met gemeenten te werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Deelt u de mening dat inwoners van gemeenten die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag, automatisch benaderd moeten worden door de betreffende gemeente dat zij hier recht op hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bij de wetsbehandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans is een amendement van de leden Lahlah en Van Kent aangenomen dat ambtshalve toekenning van de Individuele Inkomenstoeslag mogelijk maakt. Dit onderdeel treedt op 1 januari 2027 in werking. Dit betekent dat gemeenten, als alle benodigde gegevens aanwezig zijn, de toeslag kunnen verstrekken zonder dat er een aanvraag nodig is. Dit helpt om het niet-gebruik van de Individuele Inkomenstoeslag terug te dringen.
Welke concrete maatregelen gaat u binnen de komende drie maanden nemen om de verschillen tussen gemeenten te verkleinen en het recht op inkomensondersteuning voor mensen met een laag inkomen te verbeteren?
In de Kamerbrief over de voortgang van de hervormingsagenda inkomensondersteuning van 9 juli jl. is aangegeven welke stappen het kabinet wil zetten om te komen tot vereenvoudiging van het stelsel van inkomensondersteuning. Hierbij is onder meer het wetsvoorstel proactieve dienstverlening van belang dat bijdraagt aan het tegengaan van niet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen. Het kabinet kijkt uit naar de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.
Daarnaast gaat het kabinet, mede op basis van de eerdergenoemde verkenningen, in gesprek met VNG en Divosa om invulling te geven aan het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Inzet is om te komen tot bestuurlijke afspraken over het vereenvoudigen en verbeteren van het gemeentelijk armoedebeleid. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden (eind 2026) zal het kabinet nader ingaan op de stand van zaken.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
Het bericht: "Merwedebrug dicht voor vrachtwagens, brugconstructie niet veilig" |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer een actueel overzicht geven van alle rijkskunstwerken waarvan de veiligheid (mogelijk) onder druk staat?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld1. De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.2
In de ProRail-rapportage is aangegeven dat de algemene staat van de Nederlandse spoorweginfrastructuur gemiddeld genomen wordt beoordeeld als «ruim voldoende». De technische prestaties zijn beheersbaar, de betrouwbaarheid is goed en de veiligheid van de assets blijft geborgd. Ondanks de beoordeling «ruim voldoende» laat de ontwikkeling over de afgelopen vijf jaar een neerwaartse trend zien. Daarnaast verwacht ProRail dat de opgave in de komende tien tot vijftien jaar verder zal toenemen, met name voor (beweegbare) bruggen, bovenleidingsystemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (in samenhang met ERTMS-programma).
Hoeveel bruggen verkeren in een vergelijkbare situatie als de Merwedebrug?1
Zie beantwoording vraag 1. In juli 2025 waren er 80 kunstwerken (waarvan 72 bruggen en viaducten) met (gewichts- of doorvaart)beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwegen. In de beleidsbrief van 24 april jl. is aan de Kamer daarbij onder meer aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken.
In het afweegproces4 vormen constructieve en waterveiligheid het vertrekpunt voor de verdere prioritering van de instandhoudingsopgaven en de ontwikkelingsopgaven binnen het MIRT.
Is het geld dat van nieuwe aanleg naar onderhoud is verschoven voldoende om alle noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren?
Nee, ondanks de schuif van middelen van aanleg naar instandhouding en de investeringen van het huidige en vorige kabinetten zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen. In totaal is er sprake van een tekort van € 80 miljard tot 2040. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken. Daarin zijn scherpe, maar noodzakelijke keuzes nodig. Over het afweegproces is de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd.
Heeft u volledig en voldoende inzicht in de technische staat van alle rijksbruggen en -viaducten? Zo nee, hoe gaat u dit verbeteren?
Naast de objecten die al onder een verhoogd inspectieregime staan, worden alle kunstwerken periodiek geïnspecteerd (regulier inspectieprogramma) en er vinden tijdens regulier onderhoud schouwen plaats. Indien nodig worden aanvullende technische inspecties en herberekeningen uitgevoerd. Dit inspectieprogramma van Rijkswaterstaat voldoet aan gangbare eisen die gesteld worden aan een inspectieprogramma en is zeer vergelijkbaar met inspectieprogramma's van andere beheerders. Volledigheid is niet te garanderen, maar door het uitvoeren van het inspectieprogramma is er voldoende inzicht in de staat van het areaal.
Hoeveel bruggen en viaducten worden op dit moment extra gecontroleerd vanwege mogelijke veiligheidsproblemen?
Zie beantwoording vraag 2. In de jaarlijkse rapportage over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat is aangegeven dat er 104 objecten zijn die onder een verhoogd inspectieregime staan, waarvan 72 bruggen en viaducten.
Kunt u uitsluiten dat de komende jaren meer bruggen onverwacht moeten worden afgesloten of beperkt?
Nee, zie beantwoording vraag 2 en 4.
Welke economische schade ontstaat als belangrijke bruggen tijdelijk dicht moeten voor vrachtverkeer of ander verkeer?
De economische schade hangt af van vele factoren, zoals de beschikbaarheid van economische alternatieven, de waarde van de getroffen economische activiteiten, etc. Reistijdverlies is een belangrijke indicator waarover jaarlijks wordt gerapporteerd, zie daarvoor de rapportage rijkswegennet 2025.5
Daarnaast heeft het Kennisinstituut Mobiliteit van IenW in 2023 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten als gevolg van files. Deze zijn voor het hoofdwegennet berekend op circa € 2,7–3,5 miljard euro per jaar6. Een meer gedetailleerd inzicht van de economische schade als gevolg van de andere gevraagde factoren valt niet te geven.
Is er genoeg personeel en capaciteit bij Rijkswaterstaat en bouwbedrijven om alle noodzakelijke onderhouds- en vervangingsprojecten op tijd uit te voeren?
De instandhoudingsopgave is groter dan de beschikbare capaciteit bij Rijkswaterstaat en aannemers. Zoals in het meerjarenplan instandhouding 1 juli 2025 is gemeld ziet Rijkswaterstaat kansen om de productie verder te verhogen.7
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit in de uitvoering en markt (door onder andere schaarse arbeidskrachten) zijn helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen en uit te voeren. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl. is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om die scherpe keuzes te maken: enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Welke maatregelen zijn noodzakelijk (conform moties Heutink) om sneller, makkelijker en goedkoper te kunnen aanbesteden om te zorgen dat we sneller meters kunnen maken?2
Rijkswaterstaat werkt met een portfolioaanpak waarmee gelijksoortige objecten gebundeld naar de markt worden gebracht. Hiermee wordt het aantal aanbestedingen verminderd (makkelijker), worden tenderkosten en planvoorbereidingskosten bespaard (goedkoper) en worden leren en innoveren tijdens de looptijd van het portfolio gestimuleerd (beter). Rijkswaterstaat maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheden die de aanbestedingswet biedt en werkt met de best passende contractvormen om de samenwerking met de markt en daarmee het tempo in de uitvoering hoog te houden. Mogelijk biedt de herziening van de Europese aanbestedingsregels hiervoor aanvullende aanknopingspunten.
Waarom beschikt de Kamer nog altijd niet over een openbaar overzicht van de technische staat en de risico’s van alle rijksbruggen, zodat zij samen met u kan beoordelen waar de grootste veiligheids- en bereikbaarheidsrisico’s liggen?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Dit wordt ook altijd aan de Kamer toegezonden.
Gaat het kabinet nu eindelijk zorgen dat onze infrastructuur niet nog verder achteruit holt en eens flink investeren in infrastructuur?
Ja, dat is wat we aan het doen zijn met de basis weer op orde brengen. Hierover is de Kamer 19 juni jl. geïnformeerd9.
Het artikel ‘Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig»1
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dat het door u overgenomen advies van het Capaciteitsorgaan om het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 met elf te verhogen lang niet genoeg is om de tekorten op te vangen en geen oplossing vormt op de korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS onderkent het belang van het opleiden van voldoende medisch specialisten om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgvraag. Tegelijkertijd streven we naar het voorkomen van tekorten of overschotten op de langere termijn. Daartoe zijn de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan over de benodigde instroom in (medische) vervolgopleidingen leidend.
Het Ministerie van VWS volgt de raming van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische vervolgopleidingen, waarin wordt aangegeven dat het aantal opleidingsplaatsen voor neurologen moet toenemen. In lijn met deze raming wordt het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie in 2027 met elf verhoogd. Het Capaciteitsorgaan maakt bij het opstellen van de raming gebruik van de input van beroepsgroepen, opleidingsinstellingen, zorgverzekeraars en werkgevers die vertegenwoordigd zijn in de zogenoemde «kamers». De kamers en werkgroepen komen tot een inhoudelijk oordeel over de benodigde instroom in de opleidingen. Daarbij wordt rekening gehouden met ontwikkelingen, zoals de vergrijzing van de beroepsgroep, veranderingen in de deeltijdfactor en verschuivingen in de zorgvraag (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing of nieuwe behandelmethoden). Het Capaciteitsorgaan richt zich op structurele ontwikkelingen op de lange termijn, waarbij varkenscycli worden voorkomen ten behoeve van een stabiele opleidingsinfrastructuur. Varkenscycli kunnen ontstaan wanneer er teveel wordt gestuurd op ontwikkelingen op de korte termijn. De Capaciteitsplannen zijn gericht op een stabiele opleidingsinfrastructuur voor de lange termijn. We gaan daarom uit van de raming van het Capaciteitsorgaan.
Over drie jaar wordt een nieuwe raming verwacht. Vanwege de duur van de opleiding kan een verhoging van het aantal opleidingsplaatsen echter niet direct bijdragen aan het oplossen van knelpunten op de korte termijn. Voor het aanpakken van de knelpunten op de korte termijn is het daarom ook van belang om de bestaande capaciteit zo goed mogelijk te benutten en te behouden. Voor de maatregelen die hierop zijn gericht, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 en/of de jaren erna verder te verhogen? Zo ja, naar hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS weegt de ramingen van het Capaciteitsorgaan in een driejaarlijkse cyclus. Tegelijkertijd is er in het coalitieakkoord vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 miljoen. Het streven is om begin 2027 een beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen en wat dit betekent voor het aantal opleidingsplekken die beschikbaar zijn gesteld voor medisch specialisten in 2028 en 2029.
Welke maatregelen gaat u nemen om tot oplossingen op de korte termijn te komen?
Voor oplossingen op de korte- en middellange termijn wordt, naast het verhogen van de opleidingscapaciteit, ingezet op het zo goed mogelijk benutten en behouden van de bestaande capaciteit door anders te werken. Het kabinet werkt hier samen met de sector aan via de zorgakkoorden. Zo kan onder meer gedacht worden aan het verminderen van de administratieve lasten, regionale samenwerking en de inzet van digitale ondersteuning en slimme zorglogistiek. De vertaling naar specifieke maatregelen op regionaal en lokaal niveau vraagt om inzet van alle betrokken partijen, waaronder zorgaanbieders en (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep.
SG-beraad |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de secretarissen-generaal (SG) van de ministeries op structurele basis bijeenkomen in het SG-beraad en dat daar interdepartementale afstemming plaatsvindt over lopende beleidsdossiers? Zo nee, hoe kwalificeert u de feitelijke werkzaamheden van dit overleg?
Hoe vaak vindt het SG-beraad gemiddeld plaats, hoeveel bijeenkomsten waren er het afgelopen jaar?
Welke functionaris is eindverantwoordelijk voor het bijeenroepen en structureren van het SG-beraad en wie stelt de agenda vast?
Op basis van welke concrete criteria worden onderwerpen wel of niet geagendeerd voor het SG-beraad en wie kan besluiten een onderwerp eventueel niet te behandelen?
Kunt u de gebruikelijke volgorde schetsen waarin beleidsdossiers ambtelijk worden afgestemd – inclusief gremia zoals het SG-beraad – voordat deze aan bewindspersonen of de ministerraad ter besluitvorming worden voorgelegd?
Welke rol speelt ambtelijke afstemming, inclusief het SG-beraad, bij het bepalen welke beleidsopties of varianten uiteindelijk aan bewindspersonen worden voorgelegd?
In welke vorm worden uitkomsten van het SG-beraad verwerkt in stukken richting bewindspersonen (bijvoorbeeld via beslisnota’s, annotaties of afgestemde varianten)?
Kan het SG-beraad, naast een coördinerende en informerende rol, soms ook een besluitvormende invloed uitoefenen op beleidsdossiers? Zo ja, hoe is deze rol staatsrechtelijk en bestuursrechtelijk verankerd, mede gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid en het uitgangspunt dat politieke besluitvorming plaatsvindt door bewindspersonen en de ministerraad?
Kunt u, bij benadering, aangeven of het aantal dossiers dat jaarlijks via ambtelijke gremia zoals het SG-beraad wordt afgestemd, enkele tientallen, honderden of het merendeel van de beleidsdossiers betreft?
Klopt het dat in het ambtelijke voortraject keuzes worden gemaakt welke beleidsopties wel en niet worden uitgewerkt of aan bewindspersonen worden voorgelegd? Zo ja, op basis van welke overwegingen vindt deze selectie plaats? Speelt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierbij nog een rol?
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
De berichten over de situatie in de straat van Hormuz |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u een duidelijk beeld van de gevolgen van de crisis in de straat van Hormuz voor de kosten en beschikbaarheid van inputs voor de Nederlandse landbouw (zoals diervoeding en kunstmest)?
Het kabinet heeft Wageningen Social & Economic Research gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van een afsluiting van de Straat van Hormuz voor de Nederlandse voedselvoorziening, waaronder de beschikbaarheid en kosten van landbouwinputs zoals diervoeder en kunstmest. De resultaten van deze analyse zijn begin juli met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd monitort het kabinet de ontwikkelingen in en rond de Straat van Hormuz nauwlettend en onderhoudt het ministerie hierover nauw contact met sectorpartijen.
Heeft u ook breder de afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw in beeld van inputs van buiten de EU en de gevolgen voor de landbouw en de Nederlandse strategische autonomie en economie wanneer dit soort inputs tijdelijk of langdurig zouden wegvallen?
Het kabinet heeft de belangrijkste strategische afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw van inputs uit derde landen in beeld en monitort deze. Het verminderen van deze strategische afhankelijkheden vormt de tweede pijler van de aangekondigde Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd kunnen, afhankelijk van de aard en duur van een verstoring, ook bij andere producten en grondstoffen knelpunten ontstaan. Een onderbreking van de aanvoer kan leiden tot schaarste en prijsstijgingen van strategische inputs zoals energie en kunstmeststoffen, met mogelijke gevolgen voor de kosten en continuïteit van de landbouwproductie. De uiteindelijke impact is afhankelijk van de duur van de verstoring en de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers of producten.
Op welke wijze bereidt u zich voor op dit soort scenario’s?
Het kabinet bereidt zich op dergelijke scenario's voor door analyses uit te voeren, strategische afhankelijkheden in kaart te brengen, ontwikkelingen in internationale toeleveringsketens nauwlettend te volgen en contact te onderhouden met sectorpartijen. Op basis daarvan kan het kabinet, indien nodig, tijdig maatregelen treffen om de gevolgen voor de voedselvoorziening en de landbouwproductie zoveel mogelijk te beperken.
Bovendien werkt het kabinet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en relevante (publieke) stakeholders aan een Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid, dat naar verwachting begin 2027 aan u zal worden aangeboden. Dit is het overkoepelende kader voor het handelen in crisissituaties rondom voedselzekerheid en beschrijft de rol, taken en verantwoordelijkheden.
Hoe voorziet u dat Nederland de komende tijd meer onafhankelijk kan worden van dit soort inputs en hoe past dit binnen de verdere stappen die op het terrein van LVVN worden gezet, zoals de stikstofplannen, het nieuwe achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de eiwitstrategie?
Begin juli heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer geïnformeerd over de contouren van zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Het structureel verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden vormt één van de drie pijlers waarop deze agenda is gebaseerd. De agenda zal integraal worden bezien in relatie tot de genoemde LVVN-terreinen, waarbij aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende beleidsopgaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Voedselzekerheid op 23 september 2026?
Ja.
Het artikel waaruit blijkt dat de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar verwachting zal opschalen naar feitelijk watertekort |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van het artikel?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte.
Hoe beoordeelt u de ernst van de huidige droogte, mede gelet op het uitzonderlijke lage waterpeil en de zeer lage afvoer van de Rijn? Kunt u een actueel overzicht van het neerslagtekort en de grondwaterstanden van de Rijn en de Maas toevoegen aan uw antwoord?
Op 16 juli is besloten op te schalen van een dreigend (niveau 1) naar een feitelijk watertekort (niveau 2). De omstandigheden van de huidige droogte wordt uitgebreid beschreven in de Kamerbrief2 die op 16 juli is verstuurd om de Kamer te informeren over de opschaling.
De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. De rivierafvoeren zijn historisch laag. Zo is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s welke afkomstig is uit 1976 onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op, en is vergelijkbaar met het droge jaar 2018. Actuele informatie over afvoeren, (grond)waterstanden en (regionale) maatregelen is te vinden op de online droogtemonitor3.
Op basis van welke criteria schaalt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) op naar «feitelijk watertekort» en wat zijn hiervan de directe en indirecte gevolgen voor de samenleving?
De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek waterverdeling en droogte4. De huidige situatie (feitelijk watertekort) vraagt om besluiten die over regio’s, watersysteemfuncties en belanghebbenden heen gaan en die bestuurlijk goed afgestemd moeten worden. Deze afstemming is de rol van het Management Team Watertekorten (MTW). Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Voorbeelden van directe gevolgen van de watertekorten zijn dat de scheepvaart op verschillende locaties te maken heeft met dieptebeperkingen, met langere wachttijden (doordat in een aantal sluizen waterbesparend wordt geschut) of stremmingen (door een te laag waterpeil of te grote zoutindringing). Ook ondervinden natuur en landbouw verdergaande effecten van de droogte, omdat niet alleen de beschikbaarheid van oppervlaktewater beperkt is maar ook de grondwaterstanden steeds verder zakken. Voor de landbouw heeft de droogte invloed op de gewasgroei, met name in gebieden waar geen wateraanvoer mogelijk is, en daar waar onttrekkingsverboden van kracht zijn. De drinkwater- en energievoorziening staan voorlopig niet onder druk.
Voorbeelden van indirecte effecten zijn dat door de beperkingen voor de scheepvaart bedrijven moeite krijgen met de bevoorrading omdat grondstoffen of producten later binnenkomen. Daarnaast kunnen bedrijven tijdelijk kiezen voor vrachtwagens in plaats van schepen, wat zorgt voor extra drukte op de weg.
Verder neemt bij lagere afvoeren de vervuiling van het water toe (door minder verdunning) en stijgt de watertemperatuur. Het risico op bijvoorbeeld vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden neemt daarbij toe, sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Bij aanhoudend hoge watertemperatuur is er risico dat het lozen van koelwater op de rivieren sterk moet worden beperkt of gestaakt.
Welke criteria en omstandigheden zorgen voor nog verdere opschaling, als dat mogelijk is, en wat zijn dan de gevolgen? Wilt u elke mogelijke overtreffende trap van deze ladder in het antwoord betrekken?
De criteria voor ieder niveau van opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek waterverdeling en droogte5.
Op 16 juli is een Kamerbrief gestuurd om u te informeren dat op 1 juli Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar het huidige niveau van een «feitelijk watertekort» (niveau 2). Verdere opschaling kan plaatsvinden wanneer sprake is van een dreigend nationaal watertekort met maatschappelijke gevolgen. In algemene zin betreft het:
Dit leidt tot (het hoogste) niveau 3: «(dreigende) crisis watertekort». De Minister van IenW besluit tot opschaling naar niveau 3, op advies van de dgRWS (in de rol van portefeuillehouder crisisbeheersing van het Ministerie van IenW c.q. voorzitter MTW). De laatste keer dat dit gebeurde was in 2003. Er is dan sprake van grote maatschappelijke gevolgen en mogelijke, daarmee samenhangende, politiek-bestuurlijke gevoeligheden. Bijvoorbeeld als de leveringszekerheid van de energie- of drinkwatervoorziening in het geding komt. Hiermee wordt ook de nationale interdepartementale crisisorganisatie actief onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Besluitvorming vindt dan ook plaats op het hoogste ambtelijke of zelfs ministerieel niveau. De LCW en MTW leveren in dit geval advies aan de nationale crisisorganisatie.
Kunt u per regio aangeven welke onttrekkings-, beregenings- en sproeiverboden momenteel gelden of worden voorbereid en welke gevolgen deze maatregelen (zullen) hebben voor boeren, tuinders en overige ondernemers?
In de online droogtemonitor6 zijn de actieve maatregelen voor elke regio weergegeven; ook voor onttrekkingsverboden van grond- en oppervlaktewater. De waterschappen en Regionale Droogte Overleggen (RDO) leveren deze informatie zelf aan bij Rijkswaterstaat voor de droogtemonitor.
De gevolgen van de onttrekkingsbeperkingen zijn gebiedsafhankelijk. Bijvoorbeeld door eventuele lokale verschillen in neerslag, de mate waarin wateraanvoer mogelijk is en de mate waarin ondernemers zelf waterbesparende maatregelen hebben getroffen.
Welke preventieve maatregelen zijn er genomen om droogte in 2026 zoveel als mogelijk het hoofd te bieden, dan wel af te wenden?
In de Kamerbrief van 16 juli zijn enkele van de genomen maatregelen opgenomen. Zo hebben waterbeheerders vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Bij bekende knelpunten zoals de sluis Eefde in het Twentekanaal zijn tijdelijke pompinstallaties geplaatst en is er preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren.
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte. Zo is bijvoorbeeld de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA) uitgebreid. De KWA is een voorziening om zoetwater naar West-Nederland te leiden, op het moment dat de aanvoer van zoetwater vanuit de Rijn door droogte te beperkt is. Deze KWA is nu ook in werking. Daarnaast zijn er maatregelen genomen om te zorgen dat als er water is, dit in de bodem kan infiltreren en niet of minder snel wordt afgevoerd. Vooral in gebieden waar geen water aanvoer is, is dit van belang.
Ook is na de droogte van 2003 door de Rijksoverheid (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, nu Infrastructuur en Waterstaat) in samenwerking met waterbeheerders de Verdringingsreeks ontwikkeld en vastgelegd in artikel 3.14 van het Bkl. Deze verdelingsvolgorde bepaalt welke functies het beschikbare oppervlaktewater krijgen als er watertekorten optreden. De leveringszekerheid van drinkwater en energie staan hoog in deze verdringingsreeks, net zoals het behoud van de stabiliteit van keringen en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur.
Deelt u de mening dat het kabinet opnieuw vooral lijkt te reageren wanneer de droogte al is opgetreden, terwijl al maanden bekend was dat de uitgangspositie door lage grondwaterstanden, beperkte sneeuwval en droogte in de stroomgebieden ongunstig was? Zo ja, waarom is er dan niet voldoende preventief gehandeld? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals bij vraag 6 aangegeven wordt door het Rijk al jaren gewerkt om Nederland voor te bereiden op zoetwaterschaarste. Dit doen we zowel uitvoeringsmaatregelen in het watersysteem, als door onderzoek naar de ontwikkeling van de duur en frequentie van droogte en watertekorten. In de droge jaren 2018 en 2022 hebben de genomen maatregelen (zoals de KWA) effect gehad, en bewijzen ook nu weer hun nut. Verder monitoren Rijkswaterstaat en het KNMI de voorspellingen in het gehele stroomgebied van de rivieren continu. Onder andere hierom is tijdig besloten de buffer van het IJssel- en Markermeer te vergroten en hebben waterschappen hun peilen opgezet ter voorbereiding op mogelijke droogte.
Op 31 mei 2024 is de Kamer geïnformeerd7 over de nieuwe inzichten rondom zoetwaterbeschikbaarheid. Daaruit blijkt dat de zoetwateropgave de komende jaren flink toeneemt. Tot nu toe hebben we in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. De inzet op optimalisatie van het watersysteem en zoveel mogelijk faciliteren van de watervraag wordt voortgezet. Op 22 juni 2026 heb ik de Kamer geïnformeerd8 over welke maatregelen ik wil nemen in het hoofdwatersysteem, mede om de zoetwaterbeschikbaarheid te verbeteren. Dit is echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden via het aanpassen en transformeren van de ruimtelijke inrichting aan de waterbeschikbaarheid. Denk aan het voortzetten van het beter vasthouden van water (en verhogen van grondwaterstanden), maar ook aan veranderingen in bedrijfsvoering en locatiekeuze van watervragende activiteiten.
Kunt u ondubbelzinnig garanderen dat de beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater deze zomer én in de komende jaren nergens in Nederland in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel, al blijft het belangrijk om (het hele jaar door) bewust en zuinig met drinkwater om te gaan.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening de komende jaren steeds meer onder druk staat. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt grotendeels bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Voor de lange termijn kijkt het Rijk samen met de drinkwatersector hoe zij zich het best kan ontwikkelen om toekomstbestendig te zijn en ook op lange termijn voldoende, kwalitatief goed drinkwater kan leveren in Nederland. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
De uitbreiding van Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat de Amerikaanse regering een nieuwe campagne is gestart tegen het Internationaal Strafhof (ICC), waarbij onder meer aanvullende sancties, visumbeperkingen en diplomatieke druk worden overwogen tegen personen die betrokken zijn bij het werk van het Hof?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen hebben deze aangekondigde Amerikaanse maatregelen volgens u voor lopende onderzoeken van het Internationaal Strafhof, waaronder onderzoeken naar de oorlogen in Oekraïne, Sudan en de Palestijnse gebieden?
De onderzoeken die het Internationaal Strafhof uitvoert, vormen een essentieel onderdeel van de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Hof. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Momenteel gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden. Wel bestaat een risico dat partijen, zoals non-gouvernementele organisaties, minder bereid zijn informatie te delen met het Hof uit angst voor de gevolgen.
Welke concrete maatregelen neemt Nederland als gastland om het Hof en zijn medewerkers te beschermen tegen de aangekondigde Amerikaanse maatregelen, aangezien Nederland als gastland heeft verklaard achter het Internationaal Strafhof en zijn medewerkers te staan?
Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren. Als gastland heeft Nederland daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. Nederland staat dan ook in zeer nauw contact met het Hof en heeft zich de afgelopen jaren op verschillende terreinen ingezet voor de mitigatie van de gevolgen van de Amerikaanse sancties. Deze inzet zal de komende tijd onverminderd worden voortgezet.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig.
Welke concrete diplomatieke stappen heeft Nederland sinds de aankondiging van deze campagne richting de Verenigde Staten ondernomen? Acht u de tot nu toe genomen stappen afdoende? Zo ja, waarom?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS, en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door. Onze zorgen over deze VS campagne tegen het Internationaal Strafhof worden sinds de aankondiging in deze gesprekken overgebracht. We blijven ons tegelijkertijd inzetten voor de dialoog met de VS ter voorkoming van verdere escalatie.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en verdragspartijen bij het Statuut van Rome. Nederland staat in voortdurend contact met gelijkgezinde partners om te bespreken welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig, inclusief door gezamenlijke outreach. Tijdens de komende UN High Level Week in New York zal in overleggen met gelijkgezinde partners de toegenomen druk op en campagne tegen het Hof aan bod komen.
Hoe beoordeelt u de aankondiging van de Amerikaanse regering andere landen te willen bewegen hun steun aan het Internationaal Strafhof in te trekken en landen die afhankelijk zijn van Amerikaanse veiligheids- of ontwikkelingssteun onder druk te willen zetten om zich tegen het Hof uit te spreken? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor de internationale steun voor het Internationaal Strafhof en de internationale rechtsorde en welke concrete inzet pleegt Nederland om die steun te behouden en te versterken?
Het kabinet heeft kennis genomen van de VS-boodschappen. De VS-positie is niet nieuw, maar de toon is wel zorgelijk evenals de directe druk op alle verdragspartijen. Nederland is in nauw overleg met andere verdragspartijen bij het Statuut van Rome om te kijken of, en zo ja, welke concrete maatregelen er na de aankondiging volgen en welke stappen ondernomen moeten worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Het is belangrijk om samen met gelijkgezinde partners achter het Hof te blijven staan. Ondanks uitdagingen, zoals de diplomatieke inzet van de VS om het Hof te ondermijnen, is het belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Hoe beoordeelt u de bredere gevolgen van deze Amerikaanse sancties voor de geloofwaardigheid van het internationaal recht en in het bijzonder voor de bescherming van slachtoffers van internationale misdrijven?
Het Internationaal Strafhof belichaamt het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap. Ernstige en grootschalige mensenrechtenschendingen en internationale misdrijven zoals agressie, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, mogen niet onbestraft blijven. Juist voor slachtoffers is het van groot belang dat daders ter verantwoording worden geroepen. Mede daarom staat Nederland pal achter het Hof en keurt het acties die het Hof ondermijnen ten zeerste af. Ondanks reeds opgelegde VS sancties, gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor concrete gezamenlijke maatregelen om de gevolgen van de Amerikaanse sancties voor het Internationaal Strafhof te beperken en het onafhankelijke functioneren van het Hof te beschermen? Zo nee, waarom niet?2
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld, pleit het kabinet al geruime tijd in Europees verband voor maatregelen ter bescherming van het onafhankelijk functioneren van het Hof en ter mitigatie van sancties, en blijft het kabinet dit doen. In EU-verband worden hierop belangrijke stappen gezet. Dit werk is echter gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Wel zichtbaar is de publieke steun die vanuit de EU duidelijk is, bijvoorbeeld in de conclusies van de Europese Raad (juni 2026) en de verklaringen van de Europese Commissie en Hoge Vertegenwoordiger Kallas (op International Justice Day 2026). Nederland heeft deze initiatieven sterk aangemoedigd en gesteund.
Bent u bereid aanvullende financiële, diplomatieke of praktische ondersteuning aan het Internationaal Strafhof te bieden als de aangekondigde Amerikaanse maatregelen het functioneren van het Hof verder belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Indien de Verenigde Staten overgaan tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof verder belemmeren, zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof diplomatiek en praktisch te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig en mogelijk.
Daar waar de Europese Commissie de bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Internationaal Strafhof heeft geduid als «We willen straffeloosheid bestrijden. Bedreigingen aan het adres van functionarissen van het hof zijn onaanvaardbaar»3, acht u de huidige Nederlandse inzet voldoende om het Hof daadwerkelijk te beschermen? Zo ja, welke concrete resultaten heeft deze inzet tot dusver opgeleverd?
Nederland deelt het door de Europese Commissie geuite standpunt dat bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Hof onaanvaardbaar zijn. Het kabinet acht de huidige Nederlandse inzet in lijn met de verantwoordelijkheid van Nederland als gastland en verdragspartij en blijft deze inzet voortdurend evalueren en bijstellen waar nodig.
Het voornaamste concrete resultaat is dat de Nederlandse inzet er aan heeft bijgedragen dat het Hof ondanks de opgelegde sancties tegen functionarissen van het Internationaal Strafhof, tot dusverre in staat is geweest verreweg de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het Hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien de Verenigde Staten daadwerkelijk overgaan tot verdere sancties, visumbeperkingen of andere maatregelen tegen het Internationaal Strafhof of personen die werkzaam zijn voor of betrokken zijn bij het Hof?
Nederland heeft ook naar aanleiding van de Amerikaanse sancties van 18 augustus jl. publiekelijk verklaard de sancties af te keuren en als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers te staan. Ook heeft Nederland benadrukt dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. We voeren al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken zetten we onverminderd voort. Het is belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en te blijven inzetten op een diplomatieke oplossing.
Bij verdere sancties of andere maatregelen tegen het Hof zal Nederland, afhankelijk van de aard en omvang daarvan, in nauwe samenwerking met het Hof en de overige verdragspartijen inzetten op passende maatregelen om de effecten zo veel mogelijk te mitigeren. Hier kan nu nog niet op vooruit worden gelopen. Indien dit aan de orde komt, wordt de Kamer hierover zoals gebruikelijk geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Ja, het kabinet is daarmee bekend. Het kabinet heeft uiteraard begrip voor het ongeduld van zowel patiënten als behandelaars, en vindt ook dat doorlooptijden van vergoedingsprocedures niet langer dan nodig zouden moeten zijn. Tegelijk zijn de kosten van dit middel per behandeling € 131.847,06, en is het macrokostenbeslag € 15,7 miljoen in jaar 3 na introductie. Dergelijke uitgaven en kosten moeten wel verantwoord zijn, en dus in verhouding staan tot de gezondheidswinst die een behandeling met dit geneesmiddel oplevert. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de reden van Zorginstituut Nederland, dat de Minister van VWS onafhankelijk adviseert over de pakketwaardigheid van sluisgeneesmiddelen, om extra informatie te vragen voor een goed oordeel over de kosteneffectiviteit.
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Daratumumab heeft voor de indicatie AL-amyloïdose op 21 juni 2021 een Europese marktregistratie verkregen. Verreweg de meeste tijd tussen de marktregistratie en een positief pakketadvies is de tijd die de leverancier heeft genomen voor indiening van het eerste vergoedingsdossier bij het Zorginstituut: ongeveer drie jaar. Daarnaast heeft de beoordeling langer geduurd dan gebruikelijk. De reden hiervan is dat er twee beoordelingen nodig zijn gebleken. Het tijdsverloop van de eerste beoordeling is als volgt.
Datum ontvangst dossier
4 juni 2024
Datum compleet dossier
22 juli 2024
Datum start consultatie
18 oktober 2024
Datum reactie leverancier consultatie
6 november 2024
Datum advies
16 januari 2025
Dat betekent dat de eerste beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 178 dagen heeft geduurd. Om dit in perspectief te plaatsen: het streven is om een beoordeling van intramurale geneesmiddelen binnen 120 dagen afgerond te hebben.2 Het Zorginstituut wijst er daarbij op dat de leverancier in dit geval tijdens de beoordeling tijd heeft aangevraagd voor het aanleveren van extra informatie (een zogeheten klokstop). Deze klokstop betrof 29 dagen, waarmee de netto beoordelingstijd uitkomt op 178–29=149 dagen.
Het Zorginstituut heeft in het advies van 16 januari 2025 geconcludeerd dat daratumumab in combinatie met cyclofosfamide bortezomib en dexamethason (Dara-CyBorD) voor de behandeling van AL-amyloïdose voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De aangeleverde informatie door de leverancier gaf echter onvoldoende inzicht of de prijs van Dara-CyBorD kosteneffectief was. Daarom luidde het advies van het Zorginstituut om Dara-CyBorD niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering.
Uiteindelijk heeft de leverancier een aanvraag voor een herbeoordeling gedaan. De herbeoordeling betrof enkel het farmaco-economisch dossier. Het tijdsverloop hiervan was als volgt.
Datum ontvangst dossier
18 september 2025
Datum compleet dossier
10 november 2025
Datum start consultatie
18 december 2025 (gerekend vanaf 1 januari i.v.m. Kerstvakantie)
Datum reactie leverancier consultatie
27 maart 2026
Datum advies
5 augustus 2026
Dat betekent dat de tweede beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 283 dagen heeft geduurd. In dit geval bedroeg de klokstop 85 dagen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Het Zorginstituut heeft in januari 2025 geconcludeerd dat Dara-CyBorD voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en dus effectief is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het geneesmiddel ook kosteneffectief is. Daartoe is informatie nodig over de verhouding tussen de gezondheidswinst en de kosten van het middel. In het eerste dossier was deze informatie onvoldoende. De herbeoordeling betrof enkel de beoordeling van de kosteneffectiviteit, dat het middel effectief is stond immers al vast. Het kabinet begrijpt nogmaals het ongeduld, en wijst er in dat verband op dat de leverancier de tijd tussen registratie en vergoeding had kunnen verkorten door eerder een dossier in te dienen en al bij de eerste beoordeling een model aan te leveren dat meer in lijn was met de studieresultaten.
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Het kabinet merkt ten eerste op dat Dara-CyBorD het leven van patiënten weliswaar kan verlengen, maar geen genezing brengt. Ten tijde van de eerste beoordeling was er nog geen klinisch relevant effect op de overleving aangetoond. De laatste publicatie over de effectiviteit van DaraCyBorD laat zien dat na 5 jaar ongeveer 10% minder patiënten overleden zijn ten opzichte van de vergelijkende behandeling.
Desalniettemin begrijpt het kabinet dat de vraag gesteld kan worden in hoeverre gezondheidsverlies als gevolg van vertraagde toegang wordt meegewogen en zo ja, of dat dan moet opwegen tegen de gezondheidswinst die een snelle vergoeding van een geneesmiddel zou opleveren. Deze afweging wordt niet gemaakt. Wel is het zo dat het betalen van een niet-kosteneffectieve prijs, dat wil zeggen een prijs waarvoor we – op het geheel bezien – onvoldoende gezondheidswinst terugkrijgen, ook schade zou toebrengen, aan patiënten elders of in de toekomst. Omdat met dat geld, dat we nu eenmaal maar één keer kunnen uitgeven, elders meer gezondheid had kunnen worden gewonnen. Het kabinet wijst in dit verband op de studie die het onderzoeksbureau Equalis in 2023 in opdracht van het Zorginstituut heeft gedaan naar de sluis. Equalis stelt dat de sluis tot een netto gezondheidswinst leidt, ondanks het gezondheidsverlies als gevolg van een latere toelating.3 Tot slot hecht het kabinet eraan om te benadrukken dat de inzet van zowel de beoordelaars bij het Zorginstituut als de onderhandelaars bij het Ministerie van VWS erop gericht is om patiënten zo snel als mogelijk toegang te geven tot effectieve geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Het kabinet vindt uiteraard dat patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot een effectief middel, zoals in dit geval door het Zorginstituut is vastgesteld. Het kabinet zie ook dat ontwikkelingen zoals enerzijds steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, en anderzijds steeds meer onzekerheid over de (kosten)effectiviteit door beperktere data een uitdaging betekent voor het pakketbeheer. Dat is de reden dat het kabinet werkt aan een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG), waarover het kabinet uw Kamer regelmatig informeert.
Binnen dit stelsel is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. De kern van TSG is een betere risicobeheersing en een betere voorspelbaarheid over de te volgen procedure.
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Zoals bij vraag 2 bericht, heeft de Minister van VWS op 5 augustus 2026 het advies van het Zorginstituut ontvangen4. Het Zorginstituut adviseert dat een prijsonderhandeling nodig is voor pakkettoelating. Het kabinet hoopt nu zo snel mogelijk met de leverancier tot een prijsafspraak te komen zodat de behandeling kan instromen in het basispakket. Daar is alle tijd en inzet nu op gericht.
Een gefilterd boekenpakket voor schoolbibliotheken |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Lezen is verplaatsingskunde, en dat verdwijnt nu langzaam van school» van Janneke Schotveld en met het bericht van NBD Biblion over een apart boekenpakket voor protestants-christelijke scholen?1 2
Ja.
Klopt het dat scholen vanaf komend schooljaar via een standing order een collectie kunnen afnemen waaruit boeken met onder meer magie, mythische wezens en de evolutietheorie zijn gefilterd?
Op 18 juni maakte NBD Biblion bekend christelijke scholen vanaf de zomer van 2026 een speciaal boekenpakket aan te bieden, zonder elementen als magie, horror of mythische wezens of thema’s zoals de evolutietheorie. Naar aanleiding van maatschappelijke discussie heeft de organisatie op 26 juli jl. een bericht gepubliceerd met de mededeling dat het aanbieden van het boekenpakket voorlopig gepauzeerd is en dat NBD Biblion het gesprek over het pakket wil aangaan met haar partners.3
Hoe beoordeelt u dat deze titels als «niet-passend» worden aangemerkt en aanvankelijk met een rood kruis werden gemarkeerd?
Uit de onderwijsvrijheid vloeit voort dat scholen inrichtingsvrijheid hebben. De school kiest voor de leermethode en leermiddelen. In zoverre hebben zij de ruimte om de eigen collectie van de schoolbibliotheken te bepalen. De vrijheid van richting kan met zich meebrengen dat bijzondere scholen daarbij keuzes baseren op de eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie. Tegenover die vrijheid staat dat scholen de wettelijke plicht hebben om aan de landelijke kerndoelen te voldoen. Hieronder valt ook een breed en rijk aanbod van kinder- en jeugdliteratuur (kerndoel 1A) en de evolutietheorie (kerndoel 32B). Ook zijn scholen gehouden aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder meer van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis bijbrengen over verschillen in bijvoorbeeld godsdienst, levensovertuiging of seksuele gerichtheid. Scholen moeten deze thema's dus verplicht behandelen, ongeacht welke boeken er in de schoolbibliotheek staan.
Welke rol speelt NBD Biblion binnen het programma de Bibliotheek op school en welke publieke middelen zijn hiermee gemoeid?
NBD Biblion heeft geen formele rol binnen het programma de Bibliotheek op school. NBD Biblion fungeert als dienstverlener, voor bibliotheken en scholen, die centraal boeken inkoopt, uitleenklaar maakt en van metadata voorziet. NBD Biblion ontvangt hiervoor geen directe overheidssubsidies. Voor het programma de Bibliotheek op school subsidieert het Ministerie van OCW de stichting Lezen. Scholen en bibliotheken betalen NBD Biblion uit hun eigen budgetten.
Vindt u het wenselijk dat een organisatie met een publieke functie in het bibliotheekstelsel meewerkt aan het vooraf wegfilteren van boeken op ideologische gronden?
NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. De stichting is opgericht door bibliotheken, boekverkopers en uitgevers om bibliotheken te ondersteunen.
De Koninklijke Bibliotheek (KB), de Samenwerkende provinciale ondersteuningsinstellingen Nederland (SPN) en de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) hebben recent het Gezamenlijke Collectieplan 2026–2030 gepubliceerd. Het vaststellen van dit plan is een wettelijke taak van de KB. In dit plan staat: «Als bibliotheken erkennen we het recht van ieder individu of groep om bibliotheekmateriaal voor persoonlijk gebruik te weigeren, maar kennen we geen enkel individu of groep het recht toe om de vrijheid van anderen om van datzelfde materiaal gebruik te maken te beperken.» Daarnaast zijn er handreikingen van onder meer Stichting Lezen voor de Bibliotheek op school en provinciale ondersteuningsinstelling Pro Biblio over de vorming van en het gesprek over collecties. Daarmee stimuleren de bibliotheken juist een rijk en divers leesaanbod.
Hoe verhoudt dit pakket zich tot de doelen van het Masterplan basisvaardigheden, waarin een rijke, gevarieerde schoolbibliotheek centraal staat?
In het Masterplan basisvaardigheden staat het structureel verbeteren van de onderwijsprestaties van leerlingen op het gebied van taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid centraal. Om dit doel te bereiken ontvangen scholen extra financiële middelen, krijgen zij ondersteuning van onderwijscoördinatoren in begeleide leernetwerken en worden zij gestimuleerd om evidence informed te werken. Een schoolbibliotheek past binnen de aanpak van het Masterplan basisvaardigheden, maar behoort niet tot de centrale doelstelling. De collectie van een schoolbibliotheek moet volgens het programma de Bibliotheek op school actueel en gevarieerd zijn; het aanbod komt in samenwerking tussen scholen en bibliotheken tot stand.
Deelt u de opvatting dat lezen kinderen juist in aanraking moet brengen met perspectieven die zij van huis uit niet meekrijgen?
Ja, dit hangt samen met de kerndoelen en de burgerschapsopdracht. In kerndoel 1A van de kerndoelen Nederlands staat: «De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving». Het gaat hierbij om het «aanbieden van een veelzijdig en actueel aanbod van jeugdliteratuur, binnen een vaste leesroutine». Kerndoel 32B van de kerndoelen voor het voortgezet onderwijs Mens en Natuur luidt: «de leerling toont inzicht in het voortbestaan van leven op aarde», het gaat hierbij om het «verklaren van het ontstaan van biodiversiteit door evolutie: mutaties, natuurlijke selectie en soortvorming». De wettelijke burgerschapsopdracht schrijft voor dat scholen zich herkenbaar richten op het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid en de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.4
Hoe weegt u het belang van het kind op brede ontwikkeling en informatievrijheid, zoals vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag, tegenover de wens van schoolbesturen om aanbod te filteren?
Het Kinderrechtenverdrag en de wens van schoolbesturen voor een aangepast boekenaanbod hoeven elkaar niet uit te sluiten, zolang de school zich aan het wettelijk curriculum houdt. De kerndoelen en examenprogramma’s garanderen dat leerlingen een brede ontwikkeling krijgen. Daarbij betekent een gefilterd boekenaanbod in de schoolbibliotheek niet dat leerlingen verder geen toegang hebben tot informatie via bijvoorbeeld openbare bibliotheken, de boekhandel of internet.
Hoe verhoudt het wegfilteren van de evolutietheorie uit het boekenaanbod zich tot de wettelijke kerndoelen voor het primair onderwijs, waarin natuur en techniek inclusief evolutie zijn opgenomen, en tot de burgerschapsopdracht die scholen verplicht leerlingen kennis te laten maken met verschillende achtergronden en opvattingen?
Alle scholen moeten de kerndoelen volgen en zich aan de wettelijke burgerschapsopdracht houden. Als scholen hun leerlingen niet via literatuur in aanraking brengen met de evolutietheorie of met verschillende opvattingen, bijvoorbeeld ten aanzien van seksuele gerichtheid, dan moeten deze onderwerpen op een andere manier aan de orde komen in het lesprogramma. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Welke gevolgen verwacht u voor de leesmotivatie en woordenschat van leerlingen op scholen die dit pakket afnemen?
Deze scholen dienen zich te houden aan de kerndoelen en burgerschapsopdracht en zullen op een andere manier in de les aandacht besteden aan wetenschappelijke theorieën en verschillende seksuele gerichtheden. Het is mijn verwachting dat de leerlingen zich vergelijkbaar zullen ontwikkelen als op openbare scholen.
Bent u bereid met NBD Biblion in gesprek te gaan over de wenselijkheid van dit pakket en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Zoals gezegd is NBD Biblion geen publieke organisatie. Daarom is er voor mij geen aanleiding om het gesprek hierover met de stichting aan te gaan. NBD Biblion moet dit gesprek met haar partners voeren en heeft aangekondigd dit ook te zullen doen (zie het antwoord op vraag 2).
Kunt u in kaart brengen hoeveel scholen zich hebben aangemeld en of vergelijkbare gefilterde pakketten voor andere denominaties in voorbereiding zijn?
Nee, dat breng ik niet in kaart. NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. Bij een eventuele aanschaf van een speciaal boekenpakket voor christelijke scholen gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst tussen NBD Biblion en scholen of bibliotheken.
Welke instrumenten heeft u om te waarborgen dat elke leerling, ongeacht de school, toegang houdt tot een breed en pluriform boekenaanbod?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
Het bericht "Onbevoegde docenten en een extreem laag slagingspercentage: nieuw inspectierapport brengt Haga Lyceum verder in de problemen" |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Na ongeveer 25 inspectierapporten, vastgesteld wanbeheer, geen verbetering van de onderwijskwaliteit en drie schooljaren op rij waarin hooguit 37 procent van de mavoleerlingen slaagt: waarom is deze school nog open?1
Het uitgangspunt van het Nederlandse onderwijsstelsel is dat scholen die voldoen aan de eisen die wetgeving aan onderwijsinstellingen en hun besturen stelt, ruimte en bekostiging krijgen om onderwijs te verzorgen.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) ziet toe op de naleving van deze wettelijke eisen. Wanneer de inspectie tekortkomingen constateert, beschikt zij over interventiemogelijkheden die gericht zijn op duurzaam herstel van de onderwijskwaliteit. Als dit instrumentarium in een specifieke toezichtscasus niet toereikend blijkt, kan die casus onder regie van het ministerie geplaatst worden. De inspectie heeft bovenstaande casus vanwege de ernst van de bevindingen uit het rapport naar het bestuurlijk handelen van 18 juni 2026 opgeschaald naar fase E van de escalatieladder, de hoogste fase met regie bij het ministerie.
Het ministerie beschikt over aanvullende interventiemogelijkheden, die verder gaan dan enkel bewerkstelliging van herstel van de onderwijskwaliteit. Op grond van Artikel 2.95 WVO 2020 kan de Minister besluiten een schoolsoort of leerweg op te heffen (bij openbare scholen) of de bekostiging daarvan te beëindigen (bij bijzondere scholen). Dit is een uiterste maatregel, die enkel ingezet kan worden als aan strikte wettelijke voorwaarden wordt voldaan: de inspectie moet een herhaald eindoordeel Zeer zwak hebben vastgesteld, gebaseerd op onvoldoende leerresultaten; de inspectie moet geconstateerd hebben dat het bevoegd gezag niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel onvoldoende verbeteringen heeft doorgevoerd; en het bevoegd gezag moet de mogelijkheid hebben gehad om hierop zijn zienswijze in te dienen. Aan deze wettelijke voorwaarden is in deze casus niet voldaan. Op dit moment zijn de in dit antwoord beschreven mogelijkheden wettelijk niet aan de orde.
De inspectie zal dit najaar een herstelonderzoek uitvoeren naar de onderwijskwaliteit op alle drie de afdelingen van het Cornelius Haga Lyceum. De uitkomst van dat herstelonderzoek wacht ik af.
Naar aanleiding van het inspectierapport naar het bestuurlijk handelen bereid ik op dit moment vervolgstappen voor. Daarbij staat voorop dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum zo snel mogelijk weer kunnen rekenen op onderwijs van goede kwaliteit. De inspectie en het ministerie houden de ontwikkelingen op basis van genoemd inspectierapport en de opvolging van de eerder opgelegde herstelopdrachten nauwlettend in de gaten. Zodra ik een definitief besluit heb genomen over de vervolgstappen informeer ik uw Kamer.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert.
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000 statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders. Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes: minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving en voorspoedig in te burgeren.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten. Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen te nemen.
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens. Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling van statushouders hier ook een effect op hebben.
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende huisvesting kan worden gerealiseerd.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er 51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari 2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer 2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire of extra toegang tot deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Mirjam Sterk (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten gemiddeld duurder zijn om te realiseren dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer toegankelijkheidseisen.
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
De doelstelling van 290.000 ouderenwoningen bestaat uit nultredenwoningen, zorggeschikte en geclusterde woningen. Uit de Kamerbrief verstuurd op 6 juli blijkt dat er plannen zijn voor ongeveer 215.000 van de 290.000 woningen.1 De planvorming en bouw van nultredenwoningen ligt ruim op koers. Het klopt dat bij geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen de planvorming en realisatie achterblijft. Met de in bovenstaande Kamerbrief aangekondigde € 420 mln. die binnen de Realisatiestimulans beschikbaar is voor zorggeschikte en geclusterde woningen zet het kabinet vol in op schaalvergroting en versnelling van de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Nee, het klopt niet dat dit uitsluitend voor ouderenhuisvesting beschikbaar is. Voor de periode 2026 tot en met 2030 staat er € 758 mln. op de begrotingen van VWS en BZK voor het doen van betalingen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) is in totaal € 294,6 mln. beschikbaar op ouderenhuisvesting. Hiervan is € 115,8 mln. al verplicht aan toegekende aanvragen. Voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) staat er nog € 43,8 mln. op de begroting van BZK voor ouderenhuisvesting, waarvan € 4 mln. al verplicht is aan toegekende aanvragen. Binnen de post opslagen onder de Realisatiestimulans is € 420 mln. beschikbaar voor zorggeschikte en geclusterde woningen voor ouderen en aandachtsgroepen.
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Het klopt dat er in de jaren 2026 t/m 2028 € 294,6 mln. op de begroting van VWS staat om goedgekeurde aanvragen te kunnen betalen. Per 1 juni 2026 is voor € 115,6 mln. aan aanvragen toegekend voor 7.866 zorggeschikte woningen. Dat is gemiddeld € 14.690 per zorggeschikte woning. Op basis van het gemiddelde bedrag per woning wordt met het budget van € 294,6 mln. bijgedragen aan de bouw van ongeveer 20.050 zorggeschikte woningen in de sociale huur.
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Niet alle 290.000 ouderenwoningen hebben financiële ondersteuning nodig3. De planvorming en realisatie van nultredenwoningen ligt op koers. Vanuit de SZGW wordt alleen financiële ondersteuning geboden bij zorggeschikte woningen met een sociale huurprijs, omdat meerkosten in dit segment niet of nauwelijks in de huurprijs kunnen worden terugverdiend. Dit gaat om 50% van de 41.000 zorggeschikte woningen. Voor de 94.000 geclusterde woningen in het betaalbare segment (ca. 75%) verwachten we dat ondersteuning gewenst is om tot realisatie van ontmoetingsruimten te komen. Zie verder antwoord 16.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Het klopt dat er in totaal nog € 43,8 mln. voor de SOO op de begroting van BZK staat in de jaren 2027 en 2029. Dit betekent echter niet dat er in die jaren loketten open zijn. Tot 18 december 2026 staat de vierde tranche van de SOO open met een subsidieplafond van € 39,8 mln. Uitbetaling van 90% van het subsidiebedrag vindt in 2027 plaats. Uitbetaling van de resterende 10% vindt over de daaropvolgende jaren (uiterlijk 7 jaar) plaats op basis van oplevering. Met de resterende € 4 mln. wordt de resterende 10% van toegekende aanvragen uit eerdere tranches betaald.
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Hoeveel ontmoetingsruimten er maximaal kunnen worden gerealiseerd, is afhankelijk van de subsidiebedragen die worden aangevraagd. Dit is weer afhankelijk van de bouwkosten van de ontmoetingsruimte (met een maximum van € 2.500 per m2) en van het aantal woningen in de geclusterde woonvorm (tot een maximum van € 100.000 bij 5 t/m 20 woningen, € 150.000 euro bij 21 t/m 50 woningen en € 175.000 euro bij meer dan 50 woningen per aanvraag). In de eerste drie tranches (2022 t/m 2025) zijn hiermee aanvragen toegekend voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen voor ca. 73 miljoen euro5. Een deel van deze aanvragen (41) is later ingetrokken.
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Er is reeds subsidie toegekend aan aanvragen voor 531 ontmoetingsruimten bij naar schatting 29.000 geclusterde woningen. Op basis van de eerdere tranches, schat ik in dat met de beschikbare bedragen in 2026 aanvragen te kunnen toekennen voor ca. 290 ontmoetingsruimten in ca. 16.000 geclusterde woningen. Binnen de extra € 420 miljoen die beschikbaar is gesteld verwacht ik alle resterende ontmoetingsruimten in geclusterde woningen te kunnen financieren binnen de doelstelling voor 290.000 ouderenwoningen.
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Met de SOO wordt bijgedragen aan de bouwkosten van een ontmoetingsruimte. Een voorwaarde hierbij is dat de aanvrager voorziet in activiteiten en een exploitatieplan voor minimaal 5 jaar. De bewoners mogen daarbij ook zelf in de exploitatie van de ruimte voorzien. Vanuit de SOO zijn geen middelen beschikbaar voor de structurele personele bezetting of begeleiding van ontmoetingsruimten. Ook onder het vorige kabinet waren hiervoor geen middelen beschikbaar. Wel was binnen de envelop ouderenzorg een deel van de middelen voorzien voor het stimuleren van gemeenschapsvorming in woonvormen voor ouderen. De nadere invulling en uitwerking daarvan waren onder het vorige kabinet nog niet afgerond. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Dit is bij de start van de eerste tranche van deze regeling (2022) niet onderzocht. Het doel van deze regeling is om meer ontmoetingsruimten in geclusterde woonvormen voor ouderen te realiseren, en richt zich op de investeringskosten van het vastgoed. In sommige gevallen kan inzet op begeleiding of beheer van de ontmoetingsruimte gewenst zijn, en kan dit leiden tot structurele uitgaven. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderzoekt of financiële ondersteuning geboden kan worden aan gemeenschapsvorming.
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Voor de Realisatiestimulans is in totaal ca. € 2,5 mld. euro beschikbaar gesteld in 2026 t/m 2030. Daarbinnen is een opslag van € 420 mln. beschikbaar in de jaren 2028, 2029 en 2030 voor geclusterde en zorggeschikte woningen.
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Ja, dat klopt. Binnen de Realisatiestimulans is een opslag van € 420 mln. opgenomen voor zorggeschikte en geclusterde woningen. Deze middelen zijn beschikbaar voor de realisatie van deze woningtypes, die inzetbaar zijn voor zowel ouderen als aandachtsgroepen en niet specifiek bestemd per doelgroep. Het gaat om de aandachtsgroepen die vermeld staan in het besluit Versterking regie volkshuisvesting.
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Nee, dit klopt niet. De vaste bijdrage van € 7.000 uit de Realisatiestimulans geldt voor iedere betaalbare woning waarvan de bouw is gestart. Het gaat daarbij om andere activiteiten waaraan een bijdrage wordt verleend om woningen betaalbaar te houden. Met de € 420 mln. voor zorggeschikte en geclusterde woningen is een extra bijdrage voorzien om tegemoet te komen in de specifieke meerkosten van deze woningen, zoals de ontmoetingsruimte en het rolstoelgeschikt maken van de woning. Dit budget staat onder een post opslagen onder de budgetpost Realisatiestimulans. De bijdrage van € 420 mln. is aanvullend ten opzichte van de reeds beschikbare middelen uit de SZGW en de SOO.
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
De opslag van € 420 mln. binnen de Realisatiestimulans voor zorggeschikte en geclusterde woningen staat op de begroting van BZK tot en met 2030. Ik werk momenteel uit via welke regelingen deze middelen worden besteed. Op de bestemming van de genoemde 7 miljard heb ik u reeds antwoord gegeven bij beantwoording van uw vragen van 9 juni 2026.
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen van lid Keijzer van 9 juni 2026 al heb aangegeven dient het bedrag van € 7 miljard voor woningbouw nog verdeeld te worden.
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Mijn verwachting is dat de doelstelling voor geclusterde en zorggeschikte woningen haalbaar is met de extra stimulans van € 420 mln. Ik werk momenteel uit via welke regelingen de beschikbare middelen worden ingezet en welke bedragen daarbij horen. Dit kan leiden tot bijstellingen in de berekeningen. Ik kan daarom nu geen exacte raming geven. Bij de uitwerking van de regelingen voor geclusterde en zorggeschikte woningen zal ik inzicht geven in hoeveel geclusterde en zorggeschikte woningen met de beschikbare middelen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zal ik uw Kamer een inschatting geven van de verdeling tussen ouderen en aandachtsgroepen. Ik verwacht uw Kamer te informeren over de regelingen in het najaar.
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Zie het antwoord op vraag 16.
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Dat is niet juist. Dit kabinet zet de komende jaren juist € 420 miljoen extra in om de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen verder te stimuleren.
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Ik zie de noodzaak om voldoende financiële ondersteuning te bieden om 290.000 ouderenwoningen te realiseren. Zie verder de antwoorden op vragen 16 en 21.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de middelen die beschikbaar zijn voor budgetposten SZGW, SOO en onder de Realisatiestimulans. Daarnaast had het kabinet Schoof oorspronkelijk € 600 mln. gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de ouderenzorg (envelop ouderenzorg), waaronder de moderne verzorgingshuizen. Hiervan resteerde ten tijde van het vorige kabinet nog € 470 mln. (zie vraag 22). Deze middelen zijn naar de algemene middelen gegaan en als zodanig betrokken bij het uitwerken van het huidige coalitieakkoord. Over de middelen voor de kwaliteit van de ouderenzorg – inclusief huisvesting voor ouderen – van het vorige kabinet heeft geen besluitvorming plaatsgevonden. De middelen onder de Realisatiestimulans zijn wel direct bestemd voor huisvesting. Daarmee zijn nu meer middelen beschikbaar in het kader van de huisvesting.
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 9, 10 en 12 van uw vragen van 9 juni 2026. De middelen die onder het vorige kabinet waren gereserveerd voor de kwaliteit van de ouderenzorg konden ook worden ingezet voor de moderne verzorgingshuizen. Uit het onderzoek van PWC bleek dat bij de terugkeer van moderne verzorgingshuizen vooral kosten zouden ontstaan met betrekking tot het bijbehorende zorg- en welzijnsconcept, door een aanzienlijke toename van de zorginzet. Het huidige kabinet betrekt de doelgroep van de moderne verzorgingshuizen bij het actualiseren van de woningbouwopgave en onderzoekt of de ondersteuning van gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende afspraken bij het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Voor de bouw van geclusterde en zorggeschikte woningen zijn middelen beschikbaar via de SOO, de SZGW en onder de post opslagen bij de Realisatiestimulans.
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
In de beantwoording van de feitelijke Kamervragen over de Miljoenennota 2026 (vraag 47) is gedetailleerd beschreven op welke wijze de middelen uit de envelop ouderenzorg zijn aangewend. Een deel van de middelen uit de envelop ouderenzorg uit het coalitieakkoord Rutte IV is tijdelijk ingezet voor de afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg. Het vorige kabinet heeft € 150 mln. ingezet voor dekking van problematiek op de Rijksbegroting. De resterende middelen zijn vervolgens in het coalitieakkoord «Aan de slag» komen te vervallen. In de bijlage is de vrijgevallen reeks voor ouderenzorg weergegeven.
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Ik verwacht geen vertraging op de realisatie van de bouwopgave door het stopzetten van het plan van de moderne verzorgingshuizen. Er lagen immers al woondealafspraken over de 290.000 ouderenwoningen. Er heeft een verkenning plaatsgevonden door PwC over mogelijke terugkeer van de verzorgingstehuizen. Er zijn geen verdere afspraken gemaakt over de inzet van de envelop ouderenzorg. Er zijn dus ook geen wijzigingen aangebracht in de bouwprogrammering. De woonbehoefte van de doelgroep voor moderne verzorgingshuizen wordt meegenomen in het actualisatieproces van de bouwopgave in de woondeals. Door de beschikbaarheid van onder meer de realisatiestimulans acht ik het nog steeds realistisch om vast te houden aan doelstelling van 290.000 ouderenwoningen.
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?