Kamervraag 2026Z16361

Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)

Ingediend 20 juli 2026
Beantwoord 13 augustus 2026 (na 24 dagen)
Indiener Caroline van der Plas (BBB)
Beantwoord door van Essen
Onderwerpen dieren landbouw
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16361.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2668.html
  • Vraag 1
    Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?

    Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.

  • Vraag 3
    Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?

    Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
    Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.

  • Vraag 4
    Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?

    Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
    In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.

  • Vraag 5
    Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?

    Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.

  • Vraag 6
    In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?

    Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
    Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.

  • Vraag 7
    Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?

    Zie antwoord vraag 6.

  • Vraag 8
    Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?

    De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.

  • Vraag 9
    Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?

    Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.

  • Vraag 10
    Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?

    Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.

  • Vraag 11
    Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?

    Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.

  • Vraag 12
    Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?

    Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.

  • Vraag 13
    Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?

    Zie het antwoord op vraag 9.

  • Vraag 14
    Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?

    Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
    Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.

  • Vraag 15
    Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?

    Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
    Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.

  • Vraag 16
    Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?

    Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.

  • Vraag 17
    Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?

    Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.

  • Vraag 18
    Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
  • Vraag 19
    Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
  • Vraag 20
    Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
  • Vraag 21
    Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
  • Vraag 22
    In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?

    Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.

  • Vraag 23
    Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?

    Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).

  • Vraag 24
    Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?

    Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z16361
Volledige titel: Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2668
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het voornemen van de provincie Noord-Brabant om natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in te trekken