De uitspraak van het lid Wilders (PVV) dat een immigratiedaling van 50 procent zal plaatsvinden |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP), Hans Spekman (PvdA), Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toespraak van de heer Wilders waarin hij stelt dat dankzij de PVV de immigratie van niet-westerse migranten tot 50 procent gereduceerd gaat worden?1 Wat is uw reactie op deze uitlating?
Ja.
Erkent u dat u heeft beloofd dan wel afgesproken u niet aan streefpercentages te conformeren? Zo ja, hoe verhoudt zich dit ten opzichte van de uitspraak van de heer Wilders? Zo nee, welke consequenties heeft deze belofte van de heer Wilders voor het huidige vreemdelingenbeleid?
Met de maatregelen in het regeerakkoord legt het kabinet een ambitieus pakket neer dat is gericht op ombuiging, beheersing en vermindering van de immigratie. Het effect van de gecombineerde maatregelen zal zeer substantieel zijn, zo schat dit kabinet in. Daarbij geldt uiteraard een voorbehoud: de omvang van immigratie bepalen we niet alleen in Nederland. Migratie is van een groot aantal gecombineerde factoren afhankelijk met als gevolg dat een kwantitatieve meerjarige voorspelling niet goed mogelijk is.
Zoals het kabinet verschillende keren heeft aangegeven2 is er geen sprake van streefpercentages. Realisering van het gehele pakket aan maatregelen op het gebied van asiel en migratie zal feitelijk leiden tot een zeer substantiële daling van de instroom.
Hoe gaat u voorkomen dat de PVV dergelijke onjuiste uitspraken blijft doen? Deelt u de mening dat Nederland door dergelijke aannames en uitspraken van de gedoogpartner, die niet op het regeer- en gedoogakkoord gebaseerd zijn, imagoschade lijdt? Bent u het ermee eens dat door deze uitlating Nederland ten onrechte steeds meer bekend zal staan als een land dat de instroom van niet-westerse migranten met 50 procent gaat beperken? Wat gaat u doen om dat te voorkomen?
De PVV is verantwoordelijk voor de eigen uitspraken. Het kabinet voor het gevoerde beleid. Ik ben dan ook niet bang dat Nederland imagoschade lijdt. Ik ga ervan uit dat Nederland wordt beoordeeld op basis van het regeringsbeleid en de resultaten hiervan.
Deelt u de mening dat de door de heer Wilders genoemde verwachte immigratiedaling op geen enkele wijze wordt ondersteund door de huidige immigratieaantallen en de ontwikkeling daarvan in 2010 en 2011?
De instroomgegevens over het jaar 2010 zijn voor asiel circa 15 150. Voor de reguliere instroom 2010 betrof het circa 55 980 ingediende aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier.
Voor het eerste half jaar van 2011 bedragen deze cijfers naar verwachting voor een verblijfsvergunning asiel circa 7120 en voor een verblijfsvergunning regulier circa 26 920.
De cijfers van 2010 laten (nog) geen daling van de immigratie zien. Dat er nog geen daling zichtbaar is, is niet verwonderlijk aangezien de meeste maatregelen in het regeer- en gedoogakkoord nog niet, of pas recent, in werking zijn getreden. De verwachting is dat het pakket aan maatregelen op de langere termijn wel tot een daling zal leiden. Daarbij geldt uiteraard een voorbehoud: de omvang van immigratie wordt niet alleen in Nederland bepaald. Migratie is van een groot aantal gecombineerde factoren afhankelijk met als gevolg dat een kwantitatieve meerjarige voorspelling niet goed mogelijk is.
Het bericht 'Haaren vreest boringen schaliegas' |
|
Marieke van der Werf (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Haaren vreest boringen schaliegas»?1
Ja, ik heb kennis genomen van het artikel.
Deelt u de mening dat veiligheid van mens en milieu in dit dossier te allen tijde gegarandeerd moet worden ook als het gaat om een proefboring?
Zoals reeds heb aangegeven in mijn brieven aan uw Kamer van 28 mei 2011 en 10 juni 2011 staat veiligheid voor mens en milieu voor mij voorop.
Kunt u aangeven wat de verschillen zijn tussen de Amerikaanse en de Nederlandse situatie met betrekking tot het boren naar schaliegas?
Er zijn opmerkelijke verschillen tussen de Amerikaanse en de Nederlandse situatie met betrekking tot het boren naar schaliegas. Dat begint al direct bij de aanleg van de boorlocatie. In Nederland wordt, conform de eisen van het Besluit Algemene Eisen Milieu Mijnbouw (BARMM), begonnen met het aanleggen van een vloeistofdichte boorkelder, van waaruit de boring zal plaatsvinden en de aanleg van een vloeistofdichte laag met daaromheen afvoergoten voor de opvang van eventueel verontreinigd hemelwater. Boor- en fracvloeistoffen worden opgeslagen in daarvoor geschikte tanks. Indien toch nog morsingen optreden, zullen deze via de vloeistofdichte laag en de afvoergoten worden opgevangen en worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Als extra barrière worden om elke boorlocatie peilbuizen geplaatst, waaruit jaarlijks watermonsters worden genomen en geanalyseerd.
In de Verenigde Staten verschillen de eisen per staat, maar de aanleg van een boorkelder en het aanbrengen van een vloeistofdichte vloer is niet gebruikelijk. Opslag van boorvloeistoffen en fracvloeistoffen kan plaatsvinden in uitgegraven aarden «vijvers». Tegenwoordig dienen deze vijvers voorzien te worden van een vloeistofdichte laag (PE lining), maar de dichtheid daarvan wordt niet altijd gemonitord.
Het gebruik van vijvers in plaats van stalen tanks vergroot de kans op morsingen en bovendien zal een morsing in de Amerikaanse situatie leiden tot een bodemverontreininging, terwijl dat in de Nederlandse situatie veelal niet het geval is, omdat er nog een barrière is (de vloeistofdichte voorziening).
Ook tijdens het boorproces zijn er opmerkelijke verschillen bij de aanleg van het boorgat. In de Amerikaanse situatie worden drinkwatervoerende lagen meestal slechts afgeschermd door één gecementeerde verbuizing, terwijl dat er in de Nederlandse situatie twee of drie zijn. Ook wordt in de Amerikaanse situatie aangenomen dat het cement is uitgehard na 4 uur, waarna zonder de kwaliteit van het cement te testen verder wordt geboord. In Nederland wordt na elke cementatie de kwaliteit daarvan bepaald. Een goede cementatie is namelijk essentieel ter voorkoming van lekkage achter de casing langs. Dergelijke lekkage kan niet alleen leiden tot verontreiniging van het grondwater, maar was ook de oorzaak van de ramp in de Golf van Mexico.
Andere opmerkelijke verschillen zijn bijvoorbeeld het ontbreken in de Amerikaanse situatie van een verplichting tot het opruimen van de put en de locatie na beëindiging van de gaswinning. Ook ten aanzien van vergunningen, toezicht, geluidemissies, luchtemissies en afvalverwijdering zijn er aanzienlijke verschillen tussen de Amerikaanse en de Nederlandse situatie. In al deze gevallen zijn de Nederlandse eisen stringenter.
Ziet u voor het ministerie een rol om aan draagvlak te werken? Zo ja, welke maatregelen wilt u dan nemen?
Draagvlak is voor mij een belangrijk thema en daarom laat ik ook een werkgroep in het kader van de Gasrotonde onderzoeken, op welke wijze het draagvlak bij mijnbouwprojecten kan worden vergroot. Ik verwacht de uitkomsten van deze werkgroep dit najaar.
Kunt u aangeven welke stappen worden gezet tussen proefboring en exploitatievergunning? Hoe ziet de procedure eruit? Op welke wijze is de Kamer betrokken? Kan de clausule «geen onomkeerbare stappen» van toepassing zijn op de fase tussen proefboring en vergunning?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u deels naar mijn antwoorden (d.d. 8 juni 2011 met kenmerk ETM/EM/11079376) op de vragen die zijn gesteld over proefboringen naar schaliegas en fraccen van de ondergrond ten behoeve van gaswinning. Het antwoord op vraag 1 hiervan gaat in op de stappen in het vergunningenproces.
Zoals ik reeds gedaan heb met mijn brieven aan u van 8 juni 2011 en 20 juni 2011 zal ik, indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, er voor zorgen dat de communicatie met u en ook met de andere overheden op zorgvuldige wijze plaatsvindt.
In mijn brief aan u van 20 juni 2011 heb ik aangegeven dat voordat er daadwerkelijk geboord mag worden, zal worden geborgd dat de veiligheid – op het moment dat (proef)boringen plaatsvinden – is verzekerd. Tevens heb ik aangegeven dat Cuadrilla, voorafgaand aan de indiening van het boorprogramma bij SodM, onderzocht moet hebben wat de oorzaak van de trillingen is, die optraden bij het exploreren naar schaliegas in het VK. Deze rapportage wacht ik af. Dit betekent dat ik en mijn toezichthouder de komende maanden nog verder besluiten zullen nemen. De verwachting is dat een mogelijk eerste proefboring op zijn vroegst pas begin 2012 plaatsvinden.
Over het bericht ‘Verhagen ziet vergunning kolencentrale alsnog komen’ |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het bericht «Verhagen ziet vergunning kolencentrale alsnog komen»?1
Ja.
Waarom besloot u zo kort na de uitspraak van de Raad van State al dat de bouw van de kolencentrale in de Eemshaven door kan gaan? Had u de uitspraak op dat moment al bestudeerd?
Besluiten over de doorgang van de bouw van kolencentrale zijn genomen door het bevoegd gezag, in dit geval de provincie. Ik heb slechts aangegeven er vertrouwen in te hebben dat de uitkomsten van de nadere onderzoeken geen aanleiding zullen zijn een nieuwe vergunning te weigeren, wanneer in deze onderzoeken rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de Raad van State. Of deze verwachting werkelijkheid wordt, moet ook ik afwachten.
Deelt u de mening dat een biomassacentrale een geschikt en relatief schoon alternatief is voor de in de Eemshaven geplande kolencentrale?
De vergunning is vernietigd op grond van de effecten van de bouw en het gebruik van de centrale op de natuurwaarden in de omringende gebieden. In elke vergunningprocedure voor bouwprojecten op deze locatie is een zorgvuldige afweging van effecten op natuur en milieu vereist. Het is niet aan mij om uitspraken te doen over deze afweging, noch over eventuele alternatieven voor het voorliggende bouwplan.
Deelt u de mening dat de kwetsbare natuur in het Waddengebied beschermd dient te worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om alternatieven voor de kolencentrale te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de Raad van State een goed moment is voor bezinning over de Nederlandse energiepolitiek, waarbij we onszelf de vraag moeten stellen of we een vervuilende kolencentrale willen bouwen of dat we echt werk gaan maken van schone energie?
Het energiebeleid dat de regering voorstaat is verwoord in het Energierapport 2011. Centraal hierbij staat dat het aan marktpartijen is om te investeren in energie en dat dit kabinet hecht aan diversificatie van energiebronnen, mede met het oog op voorzieningszekerheid en een betaalbare energievoorziening. Ik zie geen reden dit beleid te wijzigen. Onderdeel van het kabinetsbeleid is en blijft dat vergunningaanvragen moeten voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving, waaronder die van natuur. Duurzame energie stimuleert dit kabinet fors via onder meer de SDE+-regeling.
Bent u bereid om in gesprek te treden met RWE/Essent en het bevoegd gezag in Groningen over alternatieven voor de kolencentrale?
Een gesprek met initiatiefnemers en de provincie is niet aan de orde. Zoals ik aangaf in het antwoord op de vragen 3 en 4 is het niet aan mij om uitspraken te doen, dan wel in overleg te gaan over eventuele alternatieven.
Het bericht in dat in Mexico twee journalistes zijn vermoord en dat er dit jaar al 10 journalisten zijn gedood |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat verleden week in Mexico twee journalistes zijn vermoord en dat dit jaar al 10 journalisten zijn gedood?1
Ja.
Kunt u aangeven of deze moorden inderdaad het gevolg zijn van georganiseerde misdaad en drugskartels?
Dader en motief van de moorden zijn onbekend. Het onderzoek naar deze moorden is nog niet afgerond.
Kunt u aangeven of en op welke manier deze moorden zullen worden onderzocht?
De zaak wordt onderzocht door het Mexicaanse openbaar ministerie.
Deelt u de mening dat kritische journalisten en mensenrechtenverdedigers in Mexico op dit moment onvoldoende worden beschermd? Zo ja, op welke manier zult u zich in bilaterale contacten en binnen het strategische partnerschap tussen de Europese Unie en Mexico sterk maken voor een verbetering van de positie van deze mensen?
Kritische journalisten en mensenrechtenverdedigers opereren onder moeilijke omstandigheden en zijn regelmatig slachtoffer van geweld en bedreigingen, zoals blijkt uit de rapporten van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens en Mexicaanse mensenrechtenorganisaties.
In EU verband heeft de Nederlandse ambassade zitting in een van de vijf speciale werkgroepen die contacten onderhouden met mensenrechtenverdedigers in een bepaalde regio. Hiertoe spreekt de Nederlandse vertegenwoordiging met mensenrechtenverdedigers en autoriteiten in verschillende delen van het land.
De EU hanteert een lijst van mensenrechtenverdedigers die bijzondere aandacht verdienen en spreekt hier veelvuldig over met de Mexicaanse autoriteiten. Ook spreekt de EU zich uit tegen geweld tegen mensenrechtenverdedigers en journalisten, zo ook in het geval van deze twee journalistes.
Op bilateraal niveau biedt Nederland Mexico concrete steun bij het vergroten van capaciteit in de politiesector door middel van politietrainingen, uitgevoerd door de KLPD.
Kunt u daarbij specifiek ingaan op de activiteiten die de Nederlandse ambassade in Mexico ontplooit en zal ontplooien om de positie van deze mensen te versterken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u ingaan op de toezeggingen die de Mexicaanse overheid heeft gedaan om deze mensen te beschermen en in hoeverre deze toezeggingen in praktijk zijn gebracht?
De Mexicaanse overheid heeft preventieve maatregelen aangekondigd.
President Calderón heeft de instelling van een speciaal beschermingsmechanisme voor mensenrechtenverdedigers en journalisten binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken toegezegd. Dit is bedoeld om het werk van bestaande instanties te monitoren en te coördineren. Het mechanisme is nog niet operationeel maar is een potentieel belangrijke verbetering van de huidige situatie.
Op deelstaatniveau zijn programma’s in het leven geroepen die een betere bescherming van journalisten en mensenrechtenverdedigers moeten waarborgen. Concrete voorbeelden zijn fysieke bewaking van bedreigde personen, installeren van camera’s, maar ook het sneller opsporen van daders.
Wat is het totale aantal mensen dat dit jaar in Mexico door criminele activiteiten om het leven is gekomen en wat vindt u van de situatie in Mexico?
Er zijn nog geen officiële statistieken voor 2011. De veiligheidssituatie in bepaalde delen van Mexico baart zorgen. De strijd tegen de georganiseerde misdaad die sinds 2006 door President Calderón wordt gevoerd, heeft nog niet geleid tot de gewenste afname van geweld. Het belang van het bestrijden van georganiseerde misdaad staat buiten kijf, maar politie, justitie en maatschappelijk middenveld moeten beter met elkaar gaan samenwerken.
Is het voor Nederlandse staatsburgers nog wel veilig in Mexico?
Het ministerie van Buitenlandse Zaken adviseert burgers zich goed voor te bereiden op hun reis. Niet essentiële reizen naar bepaalde gebieden in Mexico worden ontraden. Dit geldt in het bijzonder voor Ciudad Juarez. Een volledig en actueel reisadvies staat op de website van het ministerie: http://www.minbuza.nl/nl/Reizen_en_Landen/Reisadviezen/Reisadviezen_alfabetisch/M/Mexico
De luchtkwaliteit in kinderdagverblijven |
|
Jacques Monasch (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het persbericht «Onderzoekers: luchtkwaliteit kinderdagverblijven nog onvoldoende»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een goed binnenmilieu in kinderdagverblijven van groot belang is voor de gezondheid en het welzijn van de kinderen die er verblijven?
Ja.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat de eisen aan het binnenmilieu voor bestaande bouw zeer summier zijn en onvoldoende zekerheid bieden dat de binnenlucht acceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die mening niet. Ten aanzien van de aanwezigheid van ventilatievoorzieningen wordt in de bouwregelgeving noodzakelijkerwijs onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Het is vanwege verkregen rechten op grond van de verleende bouwvergunning niet mogelijk om alle nieuwe inzichten direct door te vertalen naar eisen voor de bestaande bouw. Voor nieuwe gebouwen is dit wel mogelijk. Los van de hoogte van de gestelde eisen is van belang dat de aanwezige ventilatievoorzieningen ook adequaat worden gebruikt. Nu komt het voor dat de ventilatiesystemen op onjuiste wijze worden bediend of dat ramen te weinig worden opengezet.
Ten aanzien van de omstandigheden in ruimten gelden voor de kinderopvang naast de gebouwgebonden eisen uit de bouwregelgeving eisen op het gebied van kwaliteit en arbeidsomstandigheden. Vanuit dat perspectief wordt geen onderscheid gemaakt tussen kwaliteit en arbeidsomstandigheden in nieuwbouw en bestaande bouw. Voor alle gebouwen moet een risico-inventarisatie opgesteld worden. Hiervan maken de eventuele risico’s als gevolg van een onvoldoende binnenklimaat onderdeel uit. Bij het constateren van gezondheidsrisico’s is de ondernemer verplicht afdoende maatregelen te treffen.
Bent u van plan de objectieve beoordelingsmethode voor ventilatie-installaties, die op dit moment in ontwikkeling is, voor alle, dat wil zeggen bestaande én nieuwe, kinderdagverblijven verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet van plan om de objectieve beoordelingsmethode verplicht te stellen voor alle kinderdagverblijven. Het is belangrijk dat er een ventilatievoorziening aanwezig is die ten minste de kwaliteit heeft die de opdrachtgevende en -nemende partij van een bouwproject zijn overeengekomen. Het toetsen of aan die afspraken is tegemoetgekomen is een private kwestie. De regels van het Bouwbesluit zorgen hierbij voor een minimumniveau. Om eventuele discussies hierover te voorkomen, kan bij opdrachtverlening worden vastgelegd dat er een ventilatieprestatiekeuring door een gecertificeerd bureau wordt uitgevoerd. De ventilatieprestatiekeuring, zoals die thans al is opgesteld voor woningen, wordt momenteel ook geschikt gemaakt voor scholen en kinderdagverblijven. Het betreft een beoordelingsinstrument waarmee objectief de kwaliteit van het ventilatiesysteem voor zowel een op te leveren gebouw als een bestaand gebouw, kan worden vastgelegd.
Dit instrument is bedoeld voor private kwaliteitsborging en wordt niet verplicht gesteld. Wel wordt vanuit de rijksoverheid bepleit om dit instrument bij alle nieuwbouw en grote renovaties of aanpassingen te gebruiken.
In hoeverre zijn de middelen als onderdeel van de crisismaatregelen (ter grootte van 100 miljoen euro) ter ondersteuning van de verbetering van het binnenmilieu nog beschikbaar voor de kinderdagverblijven?
Deze middelen zijn onderdeel van de OCW-begroting. Het gehele bedrag is door OCW via de gemeenten aan bestaande scholen beschikbaar gesteld in het kader van het verbeteren van de energieprestatie en het binnenmilieu.
Welke maatregelen overweegt u verder om het binnenmilieu in kinderdagverblijven te verbeteren?
Het kabinet zet zich middels de «Nationale aanpak milieu en gezondheid 2008–2012» in voor een gezond binnenklimaat in onder andere de kinderopvang. Het is een interdepartementale aanpak waarin de ministeries van IenM, OCW, SZW en VWS participeren.
Samen met de Brancheorganisatie Kinderopvang, BOinK, Abvakabo, GGD-NL en de vereniging BWT zijn er afspraken gemaakt om te komen tot verbetering van het binnenklimaat in de kinderopvang. De eerste twee jaar wordt met name gewerkt aan bewustwording, verbeteren van ventilatiegedrag en het nemen van eenvoudige maatregelen. Voor meer ingrijpende, meestal duurdere bouwkundige maatregelen, wordt een termijn van maximaal vijf jaar gehanteerd zodat dit ingepast kan worden in het reguliere onderhoud en beheer van de gebouwen. Inmiddels wordt met financiële hulp van de rijksoverheid (SZW en IenM) een «fris en veilig» kaart ontwikkeld die een plaats moet krijgen in de gebouwen van de kinderopvang. Daarnaast worden met ondersteuning van het rijk in een vijftal praktijkvoorbeelden, representatief voor 90 procent van de kinderopvang, uitgewerkt hoe vanuit de bestaande situatie te komen tot de gewenste situatie. Inmiddels is door de Brancheorganisatie Kinderopvang een mantelcontract afgesloten voor de aanschaf van CO2-meters.
Bovengenoemde betrokken partijen werken gezamenlijk aan een implementatieplan en na twee jaar wordt binnen de kaders van de Nationale Aanpak Milieu en Gezondheid een evaluatie uitgevoerd. Met het nieuwe bouwbesluit dat per 1 januari 2012 van kracht wordt, worden aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de ventilatie en ten aanzien van het geluid dat deze installaties maximaal mogen produceren.
De manier waarop 12.000 extra handen aan het bed komen |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
|
|
|
Hoeveel medewerkers werken er nu in de zorg en hoeveel zijn dat er straks? Op welke wijze gaat u monitoren dat deze 12 000 mensen er ook daadwerkelijk komen, en wat is uw nul-meting?
Om te bereiken dat de 12 000 extra werknemers er daadwerkelijk komen, heb ik met zorgverzekeraars, werkgevers in de zorg en de beroepsvereniging het convenant «Investeringen Langdurige Zorg 2011–2015» afgesloten. Het convenant dient ter verbetering van de kwaliteit van de zorg voor cliënten met een verblijfsindicatie.
In 2009 werkten 257 0001 verplegenden, verzorgenden en sociaal-agogen in de intramurale langdurige zorg. Daarvan werkten er 159 000 in verpleeg- en verzorgingshuizen, 85 000 in de gehandicaptenzorg en 13 000 in de geestelijke gezondheidszorg. De cijfers zijn tot stand gekomen in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn, dat ik uitvoer met sociale partners, UWV Werkbedrijf en Calibris. Aanvullend hieraan wordt momenteel gewerkt aan een prognosemodel voor het ramen van de toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in de zorg. Naar verwachting is nadere informatie in het najaar beschikbaar.
De ontwikkeling van het personeelsbestand in de zorg is aan verschillende ontwikkelingen onderhevig, zoals het groeipercentage van de economie. Op voorhand is dan ook niet exact te voorspellen hoeveel medewerkers er over een aantal jaar in de zorg werken. Met het beschikbaar stellen van de extra middelen wordt het financieel mogelijk om 12 000 extra medewerkers aan te nemen bovenop de autonome groei van het zorgpersoneel. Voor het meten van de realisatie van de 12 000 extra medewerkers sluit ik aan bij het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn. Zodoende kan ik de voortgang monitoren, zonder de sector te belasten met extra administratieve lasten. Als nulmeting geldt de stand op 1 januari 2012. Over de voortgang zal ik uw Kamer jaarlijks in de arbeidsmarktbrief informeren.
Op welke wijze vindt de financiering van deze 12 000 mensen precies plaats?
Er wordt structureel € 636 miljoen toegevoegd aan de contracteerruimte 2012. Met deze extra middelen worden de ZZP-tarieven in alle sectoren met een gelijk percentage opgehoogd. Door het hogere ZZP-tarief krijgen zorginstellingen meer financiële ruimte om extra personeel op te leiden en aan te nemen. De extra middelen zijn – uit hoofde van artikel 4 van het convenant – onderdeel van de reguliere onderhandelingen tussen de zorgkantoren en zorgaanbieder. De zorgkantoren zien in dit licht toe op een effectieve en doelmatige aanwending van de middelen en kunnen waar noodzakelijk ingrijpen indien zorginstellingen zich aantoonbaar niet inspannen voor het realiseren van de doelstellingen van het convenant. Een en ander is verwoord in artikel 4 lid 5 van het convenant. Met de ondertekening van het convenant hebben alle partijen zich gecommitteerd aan de doelstelling van het convenant en hun rol bij het realiseren van deze doelstelling (artikel 6). Door aan te sluiten bij de reguliere zorginkoop voorkom ik ook dat ik de sector belast met veel extra administratieve verplichtingen.
Naast het bovenstaande zal ik toezien op de realisatie van de doelstelling van het convenant door periodiek met de betrokken convenantpartijen te overleggen over de voortgang en door de realisatie van de 12 000 extra medewerkers te meten (zie ook mijn antwoord op vraag 1).
Hoe gaat u garanderen dat het geld dat wordt vrijgemaakt werkelijk terecht komt bij meer handen aan het bed en bij minder bureaucratie, en niet wordt besteed aan het verhogen van de risicoreserves van instellingen en aan management?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat geld dat is bedoeld voor de zorg, wordt besteed aan financiering van onderwijsinstellingen, doordat in het convenant is afgesproken dat ook initiële opleidingen van nieuwe medewerkers in de zorg betaald mogen worden uit het extra budget voor de AWBZ?1
Ik vind het van groot belang dat er niet alleen extra personeel bij komt, maar dat dit extra personeel ook adequaat is opgeleid. Hiermee wordt de kwaliteit van zorg voor de cliënt verbeterd en de aantrekkelijkheid van het beroep vergroot. De extra middelen komen bij de zorginstellingen terecht (zie ook mijn antwoord op vraag 2 en 3). Ik laat het aan de zorginstellingen zelf over om, binnen de kaders van het convenant, deze middelen te investeren in medewerkers. Zorginstellingen kunnen er voor kiezen om samen met onderwijsinstellingen te investeren in het opleiden van personeel of de middelen aan te wenden voor het (intern) adequaat kunnen begeleiden van personeel dat in opleiding is, bijvoorbeeld via de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL-route). Bij dit alles zij bedacht dat personeel in opleiding ook «aan het bed» staat.
Kunt u uitleggen wat u in genoemd bericht verstaat onder «zusters» die mensen wassen en over «verpleegkundigen» die meer waardering gaan krijgen? Komen er nu meer verpleegkundigen in verpleeghuizen voor het wassen?
De doelstelling uit het convenant is helder, 12 000 extra medewerkers voor de langdurige zorg. Dit zullen medewerkers zijn van verschillend opleidingsniveau, waaronder ook verpleegkundigen. Hoe deze extra medewerkers precies worden ingezet dat is aan de instellingen zelf. Feit blijft dat deze extra medewerkers zullen worden ingezet voor het leveren van extra zorg voor cliënten die deze zorg het hardst nodig hebben. Onder deze zorg valt ook het wassen van cliënten.
Kunt u aangeven hoe kwetsbare bewoners van zorginstellingen geholpen moeten worden meer zelfredzaam te worden, zoals in het convenant is opgenomen?
In mijn ogen is de relatie tussen cliënt en zorgverlener de meest primaire relatie in de zorg. Dáár moet het gebeuren. Die relatie begint met het voeren van een dialoog die resulteert in afspraken. Die worden verwoord in een zorgplan. Het is aan beide partijen om in de bespreking over het zorgplan, waarin uiteindelijk de zorgverlening concreet wordt gemaakt, duidelijk met elkaar af te spreken welke zorgdoelen worden nagestreefd. Het bevorderen van zelfredzaamheid is nadrukkelijk zo’n zorgdoel. In de Beginselenwet zorginstellingen, die ik binnenkort bij uw Kamer wil indienen, wil ik deze afspraken centraal stellen en wettelijk verankeren. Daarbij ga ik heel concreet aangeven over welke onderwerpen afspraken moeten worden gemaakt. Bij de invulling van die afspraken hoort de wens van de cliënt (uiteraard binnen de kaders die er zijn) leidend te zijn. Dat maakt dat de cliënt ook zelf moet nadenken over zijn eigen wensen en mogelijkheden. Diverse cliëntenorganisaties hebben instrumenten gemaakt om cliënten te helpen die gedachten vorm te geven. Met de extra investeringen uit het convenant worden medewerkers geschoold. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het bevorderen van de zelfredzaamheid van cliënten door middel van het op goede wijze voeren van de dialoog over en gebruik van het zorgplan. Dit betekent dat de focus van de zorg minder komt te liggen op het overnemen van taken, naar meer op het ondersteunen van de cliënt (en diens omgeving).
Wat bedoelt u ermee dat u niet alleen jonge meiden met een VWO-diploma wilt? Is het niet zo, dat medewerkers in verpleeghuizen eerder te laag dan te hoog zijn opgeleid? Kunt u aangeven hoe hoog het percentage ongeschoolde medewerkers in de langdurige zorg is en het percentage MBO-opgeleide mensen?
Voor het leveren van goede zorg in een verpleeghuis is een adequate mix nodig van medewerkers met verschillende competenties. Dit betekent ondermeer dat het bij de werving van nieuw personeel van belang is om niet alleen te kijken naar de hoogte van het niveau van theoretische scholing. (bijvoorbeeld op VWO-niveau).
Het is belangrijk om in te zetten op mensen met ervaring, door het werven van zij-instromers. EVC kunnen een heel goede basis zijn voor goede hulpverlening.
Van de 257 000 verplegenden, verzorgenden en sociaal-agogen die in 2009 in de intramurale langdurige zorg werkten, had 89 procent een verplegende, verzorgende of sociaal-agogische opleiding afgerond (72 procent MBO, 10 procent VMBO en 7 procent HBO). De resterende groep zorgprofessionals (10 procent) heeft een andere opleiding gevolgd, zoals universitaire opleidingen en niet-zorgopleidingen binnen het VMBO, het MBO en het HBO.
Ik hoop óók mensen te enthousiastmeren voor de zorg die eerst iets anders hebben gedaan en dan voor de zorg kiezen.
Gaat u op basis van dit extra budget niet alleen werken aan een cultuurverandering bij medewerkers, maar ook aan een andere cultuur bij hun leidinggevenden, inclusief de top van de organisaties? Hoe gaat u dat aanpakken? Hoe brengt u het moreel kompas terug bij het management in de zorginstelling?
Ik vind het van belang dat de cultuur in de zorg is gericht op een zorgproces dat uitgaat van de cliënt en de medewerker. De extra investeringen uit het convenant bieden hier een bijdrage aan door medewerkers hierin te scholen. De positie van de cliënt wordt ook verbeterd door de rechten van de cliënten te verankeren in de voorgenomen Beginselenwet Zorginstellingen. Naast deze maatregelen stimuleer ik door middel van het programma In voor Zorg! instellingen om juist met deze cultuurverandering aan de slag te gaan. Hierbij komt de positie en de rol van het management expliciet aan de orde. Aan dit programma nemen inmiddels meer dan 150 instellingen deel. Instellingen worden ondersteund bij de implementatie van veranderprocessen en goede voorbeelden worden met de sector gedeeld.
Daar waar het specifiek gaat om de rol van de Raad van Toezicht en Raad van Bestuur zal ik u in een later stadium informeren waarbij ik specifiek in zal gaan op governance.
De vraag of klimaatregels überhaupt effect hebben |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Warmte van gloeilamp heeft nut»1 en «Gloeilampverbod werk averechts»?2
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat het doel van het verbod op gloeilampen, CO2-reductie, niet wordt gehaald?
Voor het reduceren van CO2 is energiebesparing één van de belangrijke maatregelen. Door effectiever met energie om te gaan, zoals een spaarlamp ten opzichte van een gloeilamp, kunnen we de energievraag verminderen. Daarmee vermindert uiteindelijk ook de CO2 uitstoot.
Het is mij bekend dat door het Emissiehandelsysteem elektriciteitsbesparing op korte termijn niet direct leidt tot extra CO2 reductie («waterbed effect»). Maar op lange termijn wel. Door de elektriciteitsvraag terug te dringen kan ook in de toekomst het emissieplafond van het Emissiehandelsysteem voldoende worden verlaagd om te komen tot een klimaatneutrale economie.
Zonder energiebesparing zal de verlaging van het Emissiehandel plafond leiden tot een aanzienlijk hogere CO2 prijs. Dit heeft nadelige effecten voor de consument en industrie. De spaarlamp en de LED lamp zorgen er bovendien voor dat de consument minder stroom gebruikt en dus goedkoper uit is.
Hoe wordt bepaald of de invoering van klimaatregels zinnig is en deelt u de mening dat de effecten van het gloeilampverbod vooraf niet voldoende beoordeeld zijn?
Bij de invoering van klimaatregels wordt zowel gekeken naar de CO2 reductie op korte én lange termijn, als naar het stimuleren van innovatie. Het uitfaseren van de gloeilamp leidt nu tot meer innovatie in energiebesparende verlichting.
Uiteindelijk is het doel bij klimaatmaatregelen een klimaatneutrale en veerkrachtige economie in 2050.
Bent u bereid, nu blijkt dat het verbod op gloeilampen, geen enkele zin heeft, het verbod per direct op te heffen? Zo nee, waarom niet?
Het besluit voor een verbod op gloeilampen is op Europees niveau genomen. Het verbod is een zinvolle en noodzakelijke stap voor energiebesparing en vervolgens CO2 reducties.
Bent u bereid om andere klimaatregels, zoals de handel in emissierechten, nader te onderzoeken op nut en noodzaak? Zo nee, waarom niet?
Voor alle regels – en klimaatregels – geldt dat wanneer er gegronde redenen zijn, deze nader onderzocht kunnen worden. Deze aanleiding doet zich nu niet voor.
De handel in emissierechten zorgt juist in belangrijke mate voor het halen van de emissiedoelstellingen van Nederland en Europa op de meest kosteneffectieve wijze.
De uitzending van Kassa over de schadelijke effecten van 3D |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de mogelijke gezondheidsrisico’s verbonden aan het kijken naar 3D-beelden, zoals deze bijvoorbeeld op 3 september 2011 in het TV-programma Kassa aan bod kwamen? Wat is uw mening hierover?
Ja, ik ben bekend met de mogelijke gezondheidsrisico’s, zoals deze in het TV-programma Kassa aan bod zijn gekomen. Verder zijn mij geen onderzoeken bekend waarin andere gezondheidsrisico’s geconstateerd zijn. Voor de groep mensen die tijdelijk last hebben van misselijkheid of duizeligheid na het kijken van 3D-beelden is dit erg vervelend.
Kunt u aangeven of er in Nederland onafhankelijk onderzoek gedaan is of wordt naar de mogelijke risico’s van het kijken naar 3D-beeld? Als er geen onderzoek wordt gedaan, waarom dan niet?
Het is mij niet bekend of er, naast het onderzoek uitgevoerd voor het TV-programma Kassa, onderzoek in Nederland plaatsvindt naar gezondheidsrisico’s van het kijken naar 3D-beeld. Er zijn bij de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit (nVWA) tot op heden geen klachten bekend. Fabrikanten raden ouders nadrukkelijk af om kinderen tot en met 6 jaar naar 3D-televisie te kijken of computerspellen in 3D-stand te spelen. Gelet op het bovenstaande ben ik geen voorstander van het uitvoeren van aanvullend onderzoek in Nederland.
Deelt u de mening dat er in Nederland op dit gebied voldoende expertise aanwezig is bij Erasmus MC, de Vrije Universiteit en TNO? Zo ja, bent u bereid stappen te nemen om een onderzoek te starten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Erasmus MC, de Vrije Universiteit en TNO hebben op verschillende terreinen expertise. Aangezien de mogelijke effecten niet alleen voor Nederlandse consumenten gelden, ben ik bereid me sterk te maken om dit op de Europese agenda te zetten. Ik ben, zoals in het vorige antwoord aangegeven, geen voorstander van eigenstandig aanvullend onderzoek in Nederland.
Ziet u een rol weggelegd voor NICAM/Kijkwijzer of anderen, om mensen voor te lichten over verantwoord omgaan met 3D? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van producenten van 3D-beeld om de consument voor te lichten over een verantwoord omgaan met 3D-beeld. Om een goed beeld te krijgen van de wijze waarop producenten deze verantwoordelijkheid invullen, heb ik de nVWA gevraagd om na te gaan of alle fabrikanten in de gebruiksaanwijzing informatie hebben opgenomen over het kijken naar 3D-beelden. NICAM/Kijkwijzer is een organisatie van de branche zelf en past in het kader van zelfregulering. NICAM/Kijkwijzer kan zelf bepalen of zij een rol wil spelen op dit onderwerp.
Het bericht dat 9% van de coffeeshops zich binnen een straal van 350 meter van een school bevindt |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Sabine Uitslag (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel waarin staat dat 9% van de coffeeshops zich binnen een straal van 350 meter van een school bevindt?1
Ja. Ik wijs er daarbij op dat voor het kabinet bij de toepassing van het afstandscriterium wordt gekeken naar scholen van voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, en dat het gaat om de reëel af te leggen afstand te voet over de openbare weg. Het onderzoek van het CBS dat aan de geciteerde berichtgeving ten grondslag ligt hanteert andere uitgangspunten. Ik kan om die reden de juistheid van het getal van 9% niet bevestigen.
Hoe is dit mogelijk, gezien het feit dat in het regeerakkoord is afgesproken dat er tenminste 350 meter tussen een school en coffeeshop moet zitten en waarin staat dat het kabinet het landelijke beleid hierin zou verscherpen en er op toe zou zien dat gemeenten het afstandcriterium zouden handhaven en de andere relevante delen van het landelijke beleid in hun vergunningen handhaven?
Het klopt dat in het regeerakkoord is opgenomen dat er een afstand van tenminste 350 meter tussen scholen en coffeeshops dient te zijn. Deze maatregel is echter nog niet van kracht. Op dit moment wordt met het Openbaar Ministerie de landelijke invoering voorbereid. Zoals gemeld in de brief over het drugsbeleid (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 24 077, nr. 259) zal dit worden gerealiseerd door middel van een aanvulling op de AHOJG-criteria in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie. Teneinde gemeenten en coffeeshops voldoende tijd te bieden zich zorgvuldig op het nieuwe beleid in te stellen, ben ik voornemens om het nieuwe afstandscriterium per 1 januari 2014 in werking te laten treden. Op dat moment komt een einde aan de situatie dat coffeeshops zich binnen 350 meter van een school bevinden.
Bent u voornemens om hier zo snel mogelijk een einde aan te maken? Hoe wilt u dit gaan aanpakken, dit mede in het licht van het artikel, waarin staat dat coffeeshophouders een proefproces starten?2
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wilt u hier de gemeentes op gaan aanspreken die hierin geen of weinig stappen op ondernemen?
Het regeerakkoord is er duidelijk over dat het afstandscriterium landelijk wordt ingevoerd, en dat gemeenten dus niet de ruimte krijgen om hier geen of weinig stappen te nemen. Doordat het afstandscriterium onderdeel zal worden gemaakt van de AHOJG-criteria kan, indien de gemeente de criteria niet handhaaft, de Hoofdofficier er in de driehoek op aandringen toch te handhaven.
Kunt u toezeggen dat de huidige situatie in 2012 wel in orde zal zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe en wanneer gaat u de Kamer hierover informeren?
Ik zal uw Kamer op korte termijn een brief sturen over de stand van zaken en concretisering van de invoering van de diverse maatregelen die het kabinet in voorbereiding heeft.
Draagwijze van veiligheidsvesten |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat agenten, op een zogenaamde «draagproef» na, hun veiligheidsvesten (formeel) nog steeds niet over de kleding heen mogen dragen?
Op 6 juni 2011 heb ik aan de VTSPN opdracht verstrekt voor de start van de Europese aanbesteding van een veiligheidsvest dat zowel boven als onder de kleding kan worden gedragen. De opdracht en de onderliggende functionele specificaties werden vooraf afgestemd in het overleg met de Politievakorganisaties.
Het nieuwe veiligheidsvest kan daarmee worden aangepast aan de wisselende functies (zowel geüniformeerd als niet-geüniformeerd) die aan politiepersoneel kunnen worden toegewezen en de behoefte die daaruit voortvloeit om het veiligheidsvest zowel boven als onder de kleding te dragen.
De Europese aanbesteding zal in de tweede helft van 2011 worden uitgevoerd. De nieuwe veiligheidsvesten zullen naar verwachting medio 2012 beschikbaar komen. Als onderdeel van de Europese aanbesteding zal een draagproef worden uitgevoerd waarbij het comfort en de veiligheid van het veiligheidsvest in de politiepraktijk wordt beproefd. Bij de uitvoering van de draagproef worden vertegenwoordigers uit het politieveld en de politievakorganisaties betrokken.
Bent u er zich van bewust dat er reeds positieve ervaringen zijn opgedaan met het dragen van veiligheidsvesten over de kleding?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u er tevens van op de hoogte dat veruit de meeste, zo niet alle, agenten een voorkeur hebben voor de het dragen van hun veiligheidsvesten over de kleding?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om per direct gehoor te geven aan de wens om het veiligheidsvest over de kleding te dragen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Opsporing van fraude in de thuiszorg door de SIOD en politie Rotterdam Rijnmond |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Fraude in de thuiszorg. Bestuurlijke rapportage van de Regionale Recherche Dienst en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingdienst» (d.d. 8 december 2008)? Zo ja, wat is uw oordeel over het rapport? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit rapport is mij bekend. Deze rapportage is opgesteld door de politie Rotterdam-Rijnmond en had als doel het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg te informeren over door de verdachten in dit onderzoek gebruikte constructie en de bevindingen die voort zijn gekomen uit het opsporingsonderzoek. De rapportage geeft het ministerie, de NZA en de Inspectie aanbevelingen, zodat dergelijke vermeende frauduleuze handelingen in het vervolg beter kunnen worden voorkomen. Het rapport heeft ertoe geleid dat er stappen zijn gezet om de gedane aanbevelingen te concretiseren. Eén van deze stappen betreft het instellen van de regiegroep verbetering bestrijding zorgfraude. Onder regie van VWS werken diverse private en publieke organisaties samen om verbeteringen in de preventie, opsporing en bestraffing van zorgfraude te realiseren. De organisaties die zijn vertegenwoordigd in deze regiegroep zijn: de toezichthouders in de zorg (NZa, IGZ en DNB), de zorgverzekeraars (het Verbond van Verzekeraars, ZN en CZ zorgverzekeraar), de bijzondere opsporingsdiensten (FIOD en SIOD) en de overheid (Belastingdienst, Openbaar Ministerie en de ministeries van Veiligheid en Justitie en VWS).
Zijn de analyse en de conclusies van het rapport ter beschikking gesteld van andere opsporingsregio’s? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
De rapportage is openbaar gemaakt op de internetsite van het Openbaar Ministerie.
Hebben de analyse en de aanbevelingen in het rapport tot vervolging van personen geleid die met Persoonsgebonden budget (PGB) of AWBZ-geld gefraudeerd hebben? Zo nee, waarom niet? De kwestie rond UenZo toch betiteld als «fraude»? Zo ja, tot welke rechterlijke uitspraak heeft dit geleid?
De fraudezaak naar aanleiding waarvan de bestuurlijke rapportage is opgesteld is nog niet afgerond. De concept tenlastelegging is begin 2011 opgesteld en verzonden naar de raadslieden en het kabinet van de rechter-commissaris. De raadslieden hebben naar aanleiding van deze concept tenlastelegging onderzoekswensen ingediend. De rechter-commissaris oordeelt over de uitvoering van deze verzoeken. Het Openbaar Ministerie zal hierna zo snel mogelijk een beslissing nemen in deze zaak.
Acht u de analyse van de fraudegevoeligheid van de PGB- en AWBZ-regelingen ook toepasbaar op de overige financieringsvormen in de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het SIOD-rapport analyseert de fraudegevoeligheid van de pgb- en AWBZ-regelingen door te wijzen op mogelijke zwakke plekken in de wijze waarop enerzijds de toegang tot zorg en anderzijds de verantwoording van gebruikte middelen is vormgegeven. Daarnaast plaatst het rapport vraagtekens bij hoe de kwaliteit van de zorg wordt gegarandeerd en hoe het streven naar meer concurrentie in de praktijk uitwerkt. De controle van deze aspecten en het toezicht daarop moeten effectief zijn.
De langdurige zorg in de AWBZ is wat betreft de aspecten toegang, verantwoording, kwaliteitsbewaking, concurrentiemogelijkheden, controle en toezicht, niet een op een te vergelijken met de op genezing gerichte zorg in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarbij komt dat ook binnen de Zvw de diverse onderdelen, zoals medisch specialistische zorg, fysiotherapie en tandheelkunde, elk hun specifieke invulling van bovengenoemde aspecten kennen. Daarom vindt er in het kader van de eerder genoemde Regiegroep verbetering zorgfraudebestrijding, een brede frauderisicoanalyse plaats. Voor de diverse onderdelen van zowel de AWBZ als de Zvw worden de risico’s op fraude momenteel in kaart gebracht.
Bent u van mening dat de analyse, de conclusies en de aanbevelingen van dienst kunnen zijn bij een fraudeonderzoek bij H+B-zorg in Den Haag? Kunt u uw antwoord toelichten?1
De informatie die is voortgekomen uit dit opsporingsonderzoek en de inhoud van de bestuurlijke rapportage geven inzicht in het verloop van dit soort binnen de AWBZ voorkomende fraude. Uiteraard is deze informatie waardevol voor de opsporing van soortgelijke frauduleuze handelingen, aangezien inzicht wordt gegeven in de werkwijze van deze fraudeurs, zodat de politie en het Openbaar Ministerie op grond hiervan gerichter onderzoek kunnen doen bij de verdenking van dergelijke fraude.
Het Openbaar Ministerie is bekend met een strafrechtelijk onderzoek naar H+B-zorg, waarin de rechtbank in 2005 vonnis heeft gewezen. Voor dat onderzoek kan de bestuurlijke rapportage niet meer van dienst zijn.
Hoeveel opsporingszaken met betrekking tot fraude met zorggelden zijn er in de afgelopen 10 jaar geweest? Kunt u een overzicht geven van het aantal veroordelingen dat voortkomt uit de opsporingszaken? «Fraude in de thuiszorg. Bestuurlijke rapportage van de Regionale Recherche Dienst en Sociale Inlichtingen- en Opsporingdienst». Auteurs: Kees Groen (RRD) en Henk Oosting (SIOD). 8 december 2008
De juridische kwalificatie van de tenlastelegging en veroordeling worden geregistreerd. In dit soort zaken is dat bijvoorbeeld «oplichting» of «valsheid in geschrifte» . «Fraude» is geen kwalificatie in de zin van het Wetboek van Strafrecht en wordt als zodanig niet geregistreerd. Bovendien wordt binnen de juridische kwalificaties niet geregistreerd op «fraude op zorggelden». Ik kan u derhalve geen overzicht geven.
Tot slot merk ik op dat, als dat mogelijk is, het Openbaar Ministerie ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel zal vorderen en dat het slachtoffer zich met een schadeverzoek in de strafzaak kan voegen.
De overbelastverklaring van de spoorlijnen Tiel/Nijmegen-Elst-Arnhem |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Spoor bij Elst vanaf eind 2013 te vol»?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat een al meer dan 100 jaar bestaande treindienst die maatschappelijk relevant is, niet meer uitgevoerd zou kunnen worden ten gevolge van een capaciteitstekort? Onderschrijft u de stellingname dat het een concessionele taak is van ProRail om te zorgen voor voldoende capaciteit van de railinfrastructuur op het hoofdrailnet?
Het is nog niet duidelijk of deze treindienst niet meer als doorgaande treindienst kan worden uitgevoerd. ProRail onderzoekt op dit moment met betrokken partijen welke mogelijkheden er zijn om alle gewenste treinen te laten rijden.
ProRail is verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van en het verdelen van de capaciteit op de spoorweginfrastructuur. Als er een capaciteitstekort is of dreigt, dan dient eerst onderzocht te worden wat de beste oplossing is. ProRail voert daartoe een capaciteitsanalyse en capaciteitsvergrotingplan uit. Die oplossing kan bestaan uit infrastructuuraanleg maar ook uit alternatieve maatregelen zoals een andere dienstregeling. Bij dit soort maatregelen vindt altijd een kostenbaten afweging plaats, waarbij de effecten voor alle reizigers bekeken worden. Over kleine infrastructurele maatregelen kan door ProRail zelf worden beslist. Voor grotere maatregelen maken het Rijk en de verantwoordelijke regionale overheden een afweging.
Herinnert u zich het schriftelijk overleg d.d. 8 december 2010 over de Wijziging Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur (Kamerstuk 29 893 nr. 112) en de notitie Slimmer, Sneller en Zuiniger op het spoor van het oud-lid Cramer d.d. 11 oktober 2008 en uw reactie daarop(Kamerstuk 29 984, nr. 164), waarin uitgebreid is stilgestaan bij de dreigende knip bij Elst?
Ja, die herinner ik me. De leden van de ChristenUnie fractie vragen om in het besluit capaciteitsverdeling op te nemen dat ProRail tot een overbelastverklaring overgaat als in de nabije toekomst een capaciteitstekort zal ontstaan. In de wijziging van het besluit capaciteitsverdeling waaraan u refereert, heb ik nadere regels opgenomen over de overbelastverklaring voor de nabije toekomst. Op verzoek van de leden van de ChristenUnie fractie in het debat op 13 januari 2011 heb ik de motivaties om tot een overbelastverklaring over te gaan in het besluit capaciteitsverdeling zelf opgenomen (art 7a, lid 2). Deze regels zijn naar verwachting vanaf januari 2012 van kracht. Vooruitlopend op deze regels heeft ProRail op basis van de Europese richtlijn 2001/14 voor het traject Tiel–Elst–Arnhem al een overbelastverklaring voor de nabije toekomst afgegeven. De overbelastverklaring voor de nabije toekomst is gepubliceerd op de website van ProRail.
Deelt u de mening dat al enkele jaren bekend is dat de spoorverbinding Tiel-Arnhem bij Elst geknipt dreigt te worden? Hoe lang is al bij u en ProRail bekend dat de Provincie Gelderland als belanghebbende en concessieverlener van deze verbinding geen knip in de regionale treindienst Tiel-Arnhem bij Elst wenst?
Ja, in de Stadsregiorail plannen uit december 2003 is opgenomen dat er in Elst een keervoorziening zal worden aangelegd, zodat de treindienst Tiel–Elst–Arnhem geknipt kan worden in Elst. In het door mijn voorganger ondertekende Tracébesluit Sporen in Arnhem is ervan uitgegaan dat de treinverbinding Tiel–Arnhem in Elst wordt opgeheven en niet doorrijdt naar Arnhem. De regionale overheden hebben in het Tracébesluit aangegeven het plan te hebben om de doorgaande treinverbinding Tiel-Arnhem te handhaven. In het ontwerp van Sporen in Arnhem is dan ook (fysieke) ruimte gereserveerd om de daarvoor benodigde aanpassingen te realiseren.
Vorig najaar heeft de provincie Gelderland in het bestuurlijk overleg tussen de regionale bestuurders en mijn ambtsvoorganger (Nationaal Mobiliteitsberaad van 23 september 2010) aangegeven de verbinding Tiel–Elst–Arnhem in aanloop naar PHS zo lang mogelijk als doorgaande treindienst in stand te willen houden.
Deelt u de mening dat als ProRail de verbindingen Tiel-Elst-Arnhem en Nijmegen-Elst-Arnhem conform de EU-regelgeving aangaande overbelastverklaringen tijdig overbelast had verklaard, het knippen van de verbinding Tiel-Elst-Arnhem in Elst niet nodig was geweest omdat dan op dit moment het capaciteitsvergrotingsplan al klaar had kunnen zijn en maatregelen tijdig gereed hadden kunnen zijn? Hoe ziet u dit in relatie tot de concessionele verantwoordelijkheden van ProRail?
Het is op dit moment nog niet duidelijk of het knippen van de verbinding noodzakelijk is. ProRail onderzoekt op basis van de overbelastverklaring samen met de betrokken regionale overheden en vervoerders alle mogelijke creatieve en innovatieve oplossingen om de doorgaande treindienst Tiel–Arnhem in stand te houden. ProRail heeft de wettelijke taak om tot een overbelastverklaring over te gaan op het moment dat ze formele capaciteitsaanvragen van alle vervoerders en/of concessieverlenende overheden van een voldoende detailniveau heeft. Dat was eind april 2011 het geval. De overbelastverklaring volgde kort daarna op 9 juni 2011.
Kunt u toelichten of en zo ja, waarom de handelswijze van ProRail naar uw mening toch in lijn is met voornoemde EU-regelgeving? Indien u dit niet vindt, welke conclusies trekt u hieruit?
De handelwijze van ProRail is in lijn met de Europese Regelgeving. Zodra ProRail formele capaciteitsaanvragen had, is ze tot overbelastverklaring overgegaan.
Deelt u de analyse dat het enkele jaren knippen van deze verbinding in Elst tot onherstelbaar reizigersverlies en een structureel lagere kostendekkingsgraad kan leiden? Zo nee, waar baseert u dat op?
Het is nog te vroeg om te concluderen dat de doorgaande treindienst Tiel–Arnhem geknipt gaat worden. ProRail onderzoekt nog welke oplossingen er zijn voor het dreigende capaciteitstekort en betrekt bij de weging van de oplossingen de effecten op (de aantallen) reizigers.
Bent u bereid ProRail met spoed een aanwijzing te geven om maatregelen te nemen zodat alle gewenste treinen tussen Arnhem en Nijmegen vanaf 2013 kunnen blijven rijden, inclusief een doorgaande verbinding Tiel-Elst-Arnhem?
Nee, ik wacht de uitkomsten af van de capaciteitsstudies die ProRail op dit moment uitvoert. Mocht uit de studies van ProRail blijken dat een grotere infrastructurele maatregel noodzakelijk is om alle gewenste personentreinen te laten rijden dan zal ik samen met de verantwoordelijke regionale overheden een afweging maken.
Schrijft u samen met ProRail de reizigers tussen Tiel en Arnhem nog steeds met een hoofdletter R?
Jazeker! ProRail is op zorgvuldige wijze en in goed overleg met de concessieverlenende overheden oplossingen aan het verkennen voor het toekomstige capaciteitsknelpunt, waarbij ze de effecten voor alle reizigers meeweegt.
Het tekort aan verpleeghuisartsen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het tekort aan verpleeghuisartsen een ernstige bedreiging is voor de gezondheidstoestand van onze ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGZ krijgt signalen dat zorgaanbieders een tekort aan specialisten ouderengeneeskunde kennen. Deze zorginstellingen vragen IGZ dan in te stemmen met alternatieve oplossingen, waarbij het uitgangspunt altijd is om verantwoorde zorg te kunnen blijven leveren.
Deelt u de mening van de heer Roos (Verenso) dat huis- en basisartsen een gevaar vormen voor de zorg aan ouderen, doordat zij niet deskundig genoeg zijn?1
Deze huis- en basisartsen vallen onder de wet BIG, waarmee naast bevoegdheid ook bekwaamheid een belangrijke rol speelt. Deze artsen worden hierop ook afgerekend.
Daarnaast regelt de kwaliteitswet zorginstellingen de verantwoordelijkheid van de instelling in deze. De instelling heeft de taak verantwoorde zorg te bieden en de kwaliteit van de zorg systematisch te bewaken, beheersen en verbeteren.
Mijn voorkeur heeft de specialist ouderengeneeskunde in te zetten op betreffend terrein, maar als deze onvoldoende beschikbaar zijn, is een verantwoord alternatief denkbaar.
Overigens moeten huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde in de zorg thuis en in verzorgingshuizen meer gaan samenwerken. Net als de KNMG vind ik dat noodzakelijk voor een sterke medische zorg voor kwetsbare ouderen. In opleidingen, stages en de dagelijkse praktijk zouden zij meer van elkaars werk kunnen leren.
Kunt u ingaan waarom er eerder geen maatregelen zijn getroffen om dit algeruimetijd bekende probleem aan te pakken? Wilt u uw antwoord toelichten?2
Het onderwerp heeft al geruime tijd mijn aandacht. Zo wordt al enige jaren specifiek getracht om meer artsen in opleiding te krijgen voor de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde. De beroepsorganisaties hebben hierin overigens een eerste verantwoordelijkheid. Sinds begin 2011 is mijn ministerie hierover in overleg met zowel Verenso als SOON. Afspraken zijn gemaakt over welke acties wie de komende tijd oppakken ter oplossing van het probleem en wanneer deze acties geëvalueerd worden. Voorbeeld van op te pakken acties is het uitwerken van een projectvoorstel voor het stimuleren van zij-instroom in de opleiding met gebruikmaking van een procedure Eerder Verkregen Competenties (EVC-procedure) door Verenso en SOON. Daarnaast werken de partijen hard aan imagoverbetering en betere bekendheid van het beroep specialist ouderengeneeskunde.
Acht u het wenselijk dat nurse practitioners worden ingezet om het tekort aan verpleeghuisartsen te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het wenselijk dat nurse practitioners voltallig ingezet worden, zonder het toezicht van een verpleeghuisarts?3
Daar waar mogelijk is taakherschikking een prima methode om de zorg werkbaar en beheersbaar te houden. Inzet van adequaat personeel moet echter altijd dusdanig zijn dat sprake is van verantwoorde zorg. Daar er een verschil is in taken en bevoegdheden tussen de specialist ouderengeneeskunde en de nurse practitioners, zal er geen sprake zijn van een volledige overname van de taken door de nurse practitioner.
Welke maatregelen gaat u treffen om de tekorten van verpleeghuisartsen op te lossen, en ouderen weer te verzekeren van deskundige artsenzorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Najaar 2010 heeft de KNMG op verzoek van Verenso en SOON een invitational georganiseerd met als vraagstelling: hoe kan de instroom in de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde worden bevorderd? Eén van de zaken die daaruit naar voren kwamen was dat (citaat eindrapportage van de invitational) «een kleine 20% van de tijd door specialisten ouderengeneeskunde wordt besteed aan oneigenlijke taken (bijv. katheteriseren) of aan taken die door verpleegkundigen kunnen worden overgenomen. Het valt op dat specialisten ouderengeneeskunde veel niet-medische taken verrichten, één van de deelnemers verwoordde het als volgt: «De familie ziet ons als hoofdzuster van de afdeling, maar over de zoek geraakte jurken en de zeep gaat het management en niet de specialist ouderengeneeskunde». Door de deelnemers werd gezamenlijk geconcludeerd dat er voldoende specialisten ouderengeneeskunde zijn, mits zij zich concentreren op het medisch domein.»
Belangrijk is dus dat de specialist ouderengeneeskunde toekomt aan zijn/haar eigenlijke taak. Ik ben dan ook erg benieuwd naar de aangekondigde richtlijn die opgesteld gaat worden om de inspraak van de specialist ouderenzorg in de zorginstelling te waarborgen.
Daarnaast is de minister van VWS in overleg met het ministerie van OCW over de mogelijkheden tot uitbereiding van het aantal opleidingsplaatsen advanced nursings practice (anp).
Ook zal ik op korte termijn met beide partijen een gesprek aangaan om deze zaak nogmaals te bespreken.
De berichten dat botonderzoek bij jonge asielzoekers niet voldoet |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de onbetrouwbaarheid van het botonderzoek bij jonge asielzoekers?1 2
Ja.
Erkent u dat de Stichting Medisch Advies Kollektief (SMAK) bestaat uit gerenommeerde medisch deskundigen? Blijft u bij uw standpunt dat u het oneens bent met haar kritiek op de wijze waarop de leeftijd bij jonge asielzoekers wordt vastgesteld? Zo ja, waarom neemt u haar deskundigenadvies niet serieus? Waar baseert u uw standpunt op?
De SMAK bestaat niet uit gerenommeerde medische deskundigen. In een recente uitspraak van de rechtbank te Dordrecht3 is geconcludeerd dat leden van de SMAK niet als specifiek deskundig worden gekenmerkt. De kritiek van de SMAK is sinds 1999 nauwelijks veranderd en is keer op keer in vele vreemdelingrechtelijke en medisch-juridische procedures weerlegd. De Raad van State en het Centraal Medisch Tuchtcollege staan het leeftijdsonderzoek in Nederland toe. Uw Kamer is hierover door de jaren heen meerdere malen geïnformeerd.
Ik deel de geuite kritiek niet, dat het leeftijdsonderzoek in Nederland niet of onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd. De argumenten die SMAK in het artikel in Trouw noemt, herken ik niet. Ik noem bijvoorbeeld het standpunt van de SMAK dat er nog te weinig wetenschappelijk onderzoek zou zijn gedaan. Er zijn inmiddels al vele – ook recente – artikelen gepubliceerd over het uitrijpen van sleutelbeenderen4. Volledig uitgerijpte sleutelbeenderen zijn in het Nederlandse onderzoek aanleiding om te concluderen dat de persoon meerderjarig is, omdat de vreemdeling in dat geval, volgens wetenschappelijke inzichten, minstens 20 jaar oud is. In de studies zijn de jongste individuen met volledig uitgerijpte sleutelbeenderen immers 20 jaar oud. Het is hiermee vrijwel uitgesloten dat een minderjarige ten onrechte als meerderjarige wordt aangemerkt.
Kunt u toelichten hoe en waarom de procedure in de loop van de tijd is aangepast? Op welke wetenschappelijke inzichten baseert u zich dan? Kunt u voorts uitleggen aan welke vele voorwaarden het ministerie dan voldoet en volgens u dient te voldoen?3
Vooral in de beginperiode van het leeftijdsonderzoek is dit onderzoek onderhevig geweest aan kritiek. Om de procedure duidelijker en zorgvuldiger in te richten, is het Protocol Leeftijdsonderzoek ontwikkeld. Dit Protocol wordt aangepast indien hiertoe aanleiding bestaat. Een ander voorbeeld is de recente aanpassing van de voorheen gestelde minimale leeftijd bij een uitgerijpte pols, op advies van de NFI-deskundige, naar aanleiding van nieuw verschenen wetenschappelijk onderzoek. In het leeftijdsonderzoek wordt nu niet langer een conclusie betreffende de minimale leeftijd van betrokkene verbonden aan de uitrijping van de pols. Wel worden hand-pols opnamen gemaakt om te beslissen of het zinvol is om sleutelbeenopnamen te maken. Immers, als hand-pols niet volledig is uitgerijpt, wordt de vreemdeling gevolgd in zijn gestelde minderjarigheid en behoeven er geen sleutelbeenfoto’s te worden gemaakt. Hiermee wordt de stralingsbelasting geminimaliseerd.
Kunt u toelichten waarom u in het krantenartikel van 1 september jl. lijkt te suggereren dat de kritiek onterecht is, omdat het botonderzoek vrijblijvendheid is? Wat is kortom het verband tussen de mate van vrijblijvendheid en de kwaliteit van een dergelijk onderzoek? Wat gebeurt er als jonge asielzoekers geen gebruik maken van die mogelijkheid, terwijl wel wordt getwijfeld aan hun leeftijd?
De vraag of er sprake is van een keuze in het aanvragen van het leeftijdsonderzoek, staat volledig los van de kwaliteit van het onderzoek op zichzelf.
Aan (evident) jonge asielzoekers wordt geen leeftijdsonderzoek aangeboden. Een leeftijdsonderzoek kan worden aangeboden aan een vreemdeling die zich aanmeldt als minderjarige en die zijn identiteit niet met documenten kan staven, én bij wie sterke twijfel bestaat ten aanzien van de gestelde minderjarigheid. Deze inschatting wordt door meerdere ambtenaren gemaakt, waarbij uiterlijk, gedrag en houding worden betrokken en een gesprek plaatsvindt. Met dit leeftijdsonderzoek kan de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid aantonen. Als de vreemdeling hieraan niet mee wil werken, wordt hij als meerderjarige aangemerkt.
Erkent u dat er al jaren kritiek is op genoemd botonderzoek en dat deze kritiek niet alleen geuit wordt door de SMAK, maar ook door de Raad van Europa en Defence For Children? Waarom neemt u de kritiek van deze laatste twee ook niet serieus?
Zoals uit mijn antwoorden mag blijken, wordt kritiek op het leeftijdsonderzoek serieus genomen en heeft deze voor zover noodzakelijk geacht werd, tot aanpassingen geleid. De kritiek zoals genoemd in de artikelen in Trouw, van SMAK en Defence for Children is mij bekend en leidt bij mij, zoals ik heb uitgelegd, niet tot het oordeel dat het leeftijdsonderzoek onbetrouwbaar is.
Overigens lijkt een deel van de kritiek voort te komen uit een misvatting dat bij het leeftijdsonderzoek de leeftijd van een (gestelde) minderjarige vreemdeling wordt «vastgesteld». De stelling, bijvoorbeeld, dat met een röntgenfoto geen exacte leeftijd valt te bepalen wordt door mij onderschreven. In Nederland wordt niet getracht om een zo nauwkeurig mogelijk leeftijdsinterval vast te stellen. Slechts wordt beoogd te bepalen of de vreemdeling mogelijk minderjarig is, of meerderjarig.
Bent u bereid om in ieder geval een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de kwaliteit van het botonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het leeftijdsonderzoek zoals dit in Nederland wordt uitgevoerd, is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en wordt steeds actueel gehouden. Bovendien is er een onafhankelijke Commissie Leeftijdsonderzoek ingesteld die toezicht houdt op het leeftijdsonderzoek in Nederland. Deze Commissie zal binnen afzienbare tijd een rapport uitbrengen over het leeftijdsonderzoek. Hiermee is naar mijn mening een onafhankelijk onderzoek van geen toegevoegde waarde.
Het niet vervolgen van vermoedde fraudegevallen bij scholen |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Frauderen zonder gevolgen»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat bij gevallen, waar vermoedens van fraude bestaan of waar financiële onregelmatigheden worden vastgesteld, veelal niet wordt overgegaan tot het doen van aangifte of onderzoek en vervolging door het Openbaar Ministerie?
Deelt u de mening dat deze gang van zaken niet overeen komt met de door u beschreven lijn met betrekking tot de verplichting voor ambtenaren om aangifte te doen bij vermoedens van fraude, zoals verzocht in de Kamerbreed aangenomen motie Çelik?2
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat dergelijke vermeende fraudegevallen met rust gelaten worden en dat er bij vastgestelde fraude juist tot onderzoek en vervolging dient te worden overgegaan? Zo ja, wat betekent dit concreet voor de inzet van uw ministerie om tot een consequente aanpak van fraudegevallen te komen bij elke school waar zich malversaties lijken voor te doen? Zo nee waarom niet?
Hoe verklaart en beoordeelt u de vaststelling1 dat de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Veiligheid en Justitie naar elkaar wijzen als het op het ondernemen van actie tegen fraudegevallen aankomt?
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met de minister van Justitie en het Openbaar Ministerie om de prioritering van deze fraudegevallen met publiek geld te verhogen en om te zorgen dat er wel onderzoek en vervolging plaatsvindt?
Deelt u de constatering in bovengenoemd artikel dat scholen dubbel slachtoffer zijn wanneer er geen aangifte plaatsvindt en er geen vervolging wordt ingezet, temeer omdat scholen de terugvordering van middelen door het ministerie uit de eigen middelen moeten opvangen? Zo ja, hoe gaat u zich er sterk voor maken dat frauderende bestuurders dergelijke bedragen zelf terug moeten betalen en niet de scholen? Zo, nee waarom niet?
De veroordeelde Palestijnse mensenrechtenactivist Ameer Makhoul |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Erkent u dat Ameer Makhoul een mensenrechtenverdediger is? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?1
De EU Guidelines on Human Rights Defenders bevatten een definitie van mensenrechtenverdedigers die is gebaseerd op de VN-verklaring inzake mensenrechtenverdedigers2. De heer Ameer Makhoul heeft zich jarenlang als mensenrechtenverdediger ingespannen voor de rechten van Arabische inwoners van Israël. Spionage voor de terroristische organisatie Hezbollah, waaraan de heer Makhoul zelf heeft verklaard schuldig te zijn, staat haaks op de rol en functie van mensenrechtenverdedigers.
Zijn er voorwaarden om als mensenrechtenverdediger door Nederland erkend te worden zodat de Guidelines on Human Rights Defenders van toepassing zijn? Kunt u deze toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten waarom u niet bereid bent om de kwestie-Makhoul bij uw consultaties met de Israëlische autoriteiten te bespreken?
Zoals beschreven in eerdere antwoorden op vragen (aanhangsel handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3372) bestaat vertrouwen in de Israëlische rechtsgang. Dat geldt ook voor deze rechtszaak.
Klopt het, dat als gevolg van harde ondervragingsmethoden die ook in Israel illegaal zijn, Ameer Makhoul een bekentenis ondertekende, die hij daarna krachtig ontkende? Indien ja, hoe kunt u dan verklaren dat de Israëlische procedures in deze zaak voldoen aan internationale normen?
De heer Makhoul is op 30 januari 2011 veroordeeld op basis van zijn eigen schuldbekentenis, afgelegd in de rechtszaal, in het kader van een «plea bargain».
In een eerder stadium – na zijn arrestatie in mei 2010 – heeft de heer Makhoul een bekentenis afgelegd die hij daarna weer introk. Bij (vermeende) schending van de wet is de Israëlische rechtsgang de aangewezen weg. De advocaten van de heer Makhoul hebben tijdens één van de rechtszittingen leden van het arrestatieteam ondervraagd over de omstandigheden rond de arrestatie. Een volgende zitting over de toegepaste verhoormethoden heeft niet plaatsgevonden aangezien het «plea bargain» de rechtszaak ten einde bracht.
Hoe beoordeelt u het feit dat Ameer Makhoul is veroordeeld zonder enig bewijs? Kunt u toelichten of dit volgens u ook een procedure is die voldoet aan internationale normen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de inkrimping van de civiele en politieke ruimte voor mensenrechtenactivisme in Israël? Bent u bereid de Israëlische autoriteiten hierop aan te spreken en te pleiten voor het in stand houden van de civiele en politieke ruimte voor mensenrechtenverdedigers in Israel? Zo neen, waarom niet?
Israël kent een levendig maatschappelijk middenveld en democratische instituties die ruimte bieden voor een open debat. Voor zover zich ontwikkelingen (zouden) voordoen die op gespannen voet staan met democratische vrijheden, wordt daarover met de Israëlische autoriteiten gesproken.
Bent u bereid om alsnog op zeer korte termijn de ondergane behandeling van Ameer Makhoul en de wijze waarop bewijs is verkregen, te bespreken met de Israëlische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Zoals beschreven in bovenstaande antwoorden zie ik hiertoe geen aanleiding.
Het bericht over de brief van Verzekeringscommissies van de samenwerkende CAM-artsenverenigingen aan Zorgvezekeraars Nederland |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de samenwerkende CAM-artsenverenigingen aan Zorgverzekeraars Nederland van 14 april 2011?1
Ja.
Klopt het dat zorgverzekeraars CAM-artsen niet rekenen tot eerstelijnszorg, in tegenstelling tot de rijksoverheid die hen wel schaart onder de eerstelijns? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ik heb kennis genomen van de brief d.d. 20 juni 2011 van Zorgverzekeraars Nederland, waarmee deze de brief van de samenwerkende CAM-artsen heeft beantwoord. Daaruit leid ik niet af dat Zorgverzekeraars Nederland een andere definitie van de eerstelijnszorg hanteert dan de rijksoverheid.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars van mening zijn dat laboratoriumonderzoek en röntgendiagnostiek, aangevraagd door CAM-artsen, alternatieven zijn, ook al is het aangevraagde onderzoek identiek aan het onderzoek van een huisarts?
Zorgverzekeraars vergoeden uit de zorgverzekeringswet (Zvw) geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden. Omdat CAM verleend door een CAM-arts niet behoort tot de geneeskundige zorg zoals huisartsen die plegen te bieden, valt de zorg van CAM-artsen niet onder de verzekerde prestaties van de Zvw en kan deze zorg niet via de Zvw worden vergoed. Dit heeft als consequentie dat het laboratoriumonderzoek en de röntgendiagnostiek die worden aangevraagd door een CAM-arts wiens zorg niet door de zorgverzekeraar uit de Zvw wordt vergoed. Uitsluitend laboratoriumonderzoek en röntgendiagnostiek die worden aangevraagd door een arts wiens geneeskundige zorg door de zorgverzekeraar uit de Zvw wordt vergoed, komt voor Zvw-vergoeding in aanmerking.
Daarnaast geldt dat in het pakket van de Zvw geen zorg wordt opgenomen waarvoor geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat dat deze effectief is. Voor de werkzaamheid en effectiviteit van CAM bestaat geen of onvoldoende wetenschappelijk bewijs en CAM is dus niet «evidence-based». Ook om die reden behoort CAM niet tot het verzekerde Zvw-pakket.
Klopt het dat zorgverzekeraars in toenemende mate bij het vergoeden van medicijnen onderscheid maken tussen een recept, voorgeschreven door de huisarts, en een(zelfde) recept door een CAM-arts? Zo ja, wat is uw mening hierover en welke maatregelen verbindt u hieraan?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening van de samenwerkende CAM-artsenverenigingen dat door de handelwijze van zorgverzekeraars rechtsongelijkheid tussen patiënten ontstaat en de keuzevrijheid wordt belemmerd?
Deze mening deel ik niet. De patiënt kan zelf bepalen tot welke arts hij/zij zich wendt bij het hebben van een vraag of klacht inzake zijn/haar gezondheid.
Is het u bekend dat CAM-artsen conform de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG)-richtlijn «de arts en de niet reguliere behandelwijze» gehouden zijn aan het doen van diagnostiek?
Op grond van de KNMG-gedragsregel «De arts en niet-reguliere behandelwijzen» is het de arts niet toegestaan geneeswijzen toe te passen met voorbijgaan aan methoden ter diagnostiek en behandeling welke algemeen in de medische wereld zijn aanvaard. Deze gedragsregel beoogt patiënten te beschermen door kwaliteitseisen te stellen aan niet-reguliere behandelmethoden.Deze kwaliteitseisen staan los van de vraag naar de bekostiging van dergelijke zorg.
Deelt u de mening dat genoemde handelwijze van de verzekeraars artsen hinderen in het conform de richtlijn uitoefenen van hun beroep?
De KNMG-gedragsregel stelt kwaliteitseisen aan niet-reguliere behandelingen. De gedragsregel geeft geen antwoord op de vraag of de zorg behoort tot het verzekerde pakket. Niet-regulier werkende artsen mogen de benodigde diagnostiek aanvragen. Het enkele feit dat deze diagnostiek niet wordt vergoed maakt dat niet anders. Zodoende worden niet-regulier werkende artsen niet gehinderd om conform de gedragsregel hun beroep uit te oefenen.
De naleving van de wet Corporate Governance op Curaçao |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Oud-premier Ys: «Modelstatuten druisen in tegen corporate governance»?1
Ja.
Is het waar dat de introductie van Wet corporate governance is opgenomen in de Rijkswet Financieel Toezicht en tot stand is gekomen na druk vanuit Nederland? Welke rol heeft Nederland gespeeld bij de totstandkoming van de Wet corporate governance?
De landsverordening Corporate Governance en het landsbesluit Corporate Governance zijn geïntroduceerd naar aanleiding van het Besluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten. Ter uitvoering van artikel 32 van dit Besluit heeft het College financieel toezicht onderzocht of de toenmalige eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten en Nederland gezamenlijke conclusies hebben getrokken ten aanzien van de te introduceren corporate governance codes. Concreet ging het om de vraag of de regelgeving die de nieuwe landen wilden introduceren voldeed aan internationaal aanvaarde normen op dat terrein.
De Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten verplicht de nieuwe landen in artikel 28 dat zij bij het inwerkingtreden van de nieuwe staatkundige verhoudingen regelgeving hebben rond het vervreemden en verkrijgen van aandelen in rechtspersonen, omtrent het dividendbeleid en omtrent de benoeming en het ontslag van bestuurders in rechtspersonen waar de landen in deelnemen. Deze regelgeving moest voldoen aan internationaal aanvaarde normen. Tevens wordt in artikel 19 van de Rijkswet gesproken over de implementatieplannen financieel beheer. De Memorie van Toelichting geeft aan dat hieronder ook het opstellen van een corporate governance code wordt verstaan.
De Rijkswet financieel toezicht is gebaseerd op artikel 38 van het Statuut. Dat wil zeggen dat de wet tot stand is gekomen in onderlinge samenwerking tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten.
Kunt u bevestigen dat de wet bedoeld is om de politiek op afstand van lokale overheid-nv’s en overheidsinstanties te plaatsen en om zodoende nepotisme en politieke patronage tegen te gaan?
De corporate governance code is gebaseerd op internationaal aanvaarde normen op dit terrein. Afstand van de politiek tot het dagelijkse beheer van rechtspersonen is hier een onderdeel van.
Is het waar dat de regering van Curaçao voornemens is om de modelstatuten van overheids-nv’s en overheidsinstanties te wijzigen zodat de regering specifieke aanwijzingen kan geven aan directie/bestuur van een overheidsonderneming en om de ontslagredenen van commissarissen weg te nemen? Wat is de stand van zaken met betrekking tot dit voornemen?
De Commissie onderzoek Curaçao besteedt in hoofdstuk 4 van haar rapport «Doe het zelf» aandacht aan de versterking van instituties en kwaliteit van bestuur en komt ook met aanbevelingen aan het adres van Curaçao. In de kern gaat het daarbij om de beginselen van de Code Corporate Governance. De verantwoordelijkheid ligt bij Curaçao (Regering en Staten) om deze in acht te nemen en daarnaar te handelen.
In welke context moet de voorgenomen wijziging van de modelstatuten volgens u geplaatst worden? Wat is het verband met de verstoorde relatie tussen de Curaçaose regering en de overheid-nv’s en overheidsinstanties die het afgelopen jaar ontstaan is? Vallen deze plannen binnen het aandachtsgebied van de Commissie-Rosenmöller?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de vrees dat mits gerealiseerd dit voornemen ertoe kan leiden dat de politiek op de stoel van directies gaat zitten en dat leden van Raden van Commissarissen hun onafhankelijkheid verliezen? Hoe beoordeelt u de voorspelling dat «directievergaderingen in Fort Amsterdam gehouden zullen worden» als de voorstellen van de Curaçaose regering in de praktijk gebracht worden?
Zie antwoord vraag 4.
Hecht u aan de handhaving en naleving van de Wet corporate governance zoals oorspronkelijk bedoeld? Deelt u de mening dat de regering van Curaçao met de voorgenomen wijziging van de modelstatuten in strijd met de geest en tekst van de Wet corporate governance handelt?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft deze kwestie in het licht van uw verantwoordelijkheden op basis van artikel 43, tweede lid van het Statuut van het Koninkrijk uw volle aandacht en ook die van de Gouverneur van Curaçao? Is het mogelijk dat de voorgenomen wijziging van de modelstatuten in strijd is met de Rijkswet financieel toezicht, het algemeen belang van Curaçao of het belang van het Koninkrijk?
De Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten verplicht tot het opstellen van een code corporate governance. De Landen voldoen aan deze eis en hebben aldus voldaan aan de wettelijke verplichtingen. Wel heeft het College financieel toezicht de minister van Financiën van Curaçao in december 2010 geadviseerd om het collectief ontslag van commissarissen van overheids-nv’s door ter zake kundigen te laten toetsen aan de Corporate Governance Code – zoals vastgesteld door Curaçao bij landsbesluit – en de internationaal aanvaarde normen die ten grondslag liggen aan de Code Corporate Governance.
Dit in lijn met de in de Rijkswet neergelegde verantwoordelijkheid van de Landen zelf. Ten aanzien van de naleving van het regels op het gebied van corporate governance, ga ik ervan uit dat op landsniveau actie wordt genomen. De Gouverneur houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen terzake.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao ertoe te bewegen om af te zien van de voorgenomen wijziging van de modelstatuten? Zo ja, bent u hiertoe bereid? Of ligt het eerder in de lijn der verwachting dat ingrijpen – als gevolg van handelen door Curaçao in deze in strijd met de Rijkswet financieel toezicht, het algemeen belang van Curaçao of het belang van het Koninkrijk – noodzakelijk zal blijken om de wijziging van de modelstatuten te voorkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Inbreuk op de privacy door LinkedIn |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen over de inbreuk op privacy door LinkedIn? 1)
Ja.
Hanteert het College bescherming persoonsgegevens (CBP) specifieke richtlijnen voor de omgang met en het beschermen van persoonsgegevens door sociale netwerksites? Zo ja, welke zijn deze regels? Zo nee, waarom niet? Bent u in dat laatste geval voor of tegenstander van nadere regelgeving?
Desgevraagd heeft het Cbp mij laten weten dat het de volgende richtlijnen hanteert met betrekking tot de omgang en het beschermen van persoonsgegevens door sociale netwerksites:
Voornoemde uitgangspunten zijn tevens terug te vinden in een gemeenschappelijk standpunt over het begrip toestemming van 13 juli 2011 van de Europese privacytoezichthouders, verenigd in de Artikel 29-werkgroep (zie met name pagina 35).1
Deelt u de mening dat, los van deze specifieke casus, het principieel onjuist is indien sociale netwerksites persoonlijke gegevens van hun gebruikers zonder (expliciete) toestemming vooraf voor reclame danwel andere commerciële doeleinden gebruiken?
Eén van de eisen die de Wbp stelt aan de verwerking van persoonsgegevens is de aanwezigheid van een grondslag voor de gegevensverwerking. De Wbp bevat een aantal rechtsgeldige grondslagen, waaronder ondubbelzinnige toestemming van de betrokkene voor de verwerking. Sociale netwerksites moeten zich bij de verwerking van persoonsgegevens te allen tijde houden aan de eisen van de Wbp.
Deelt u tevens de mening dat, indien het sociale netwerksites binnen de huidige richtlijnen van het CBP is toegestaan accountinstellingen van hun gebruikers ongevraagd te wijzigen teneinde persoonsgegevens te gebruiken voor commerciële doeleinden, dit ongewenst is? Zo ja, bent u bereid het CBP op te dragen deze te wijzingen? Zo nee, waarom niet?
Het Cbp vult haar toezicht- en handhavingsbevoegdheden nader in via handhavingsbeleid. Met betrekking tot de omgang met en bescherming van persoonsgegevens door sociale netwerksites hanteert het Cbp richtlijnen zoals in mijn antwoord op vraag 2 weergegeven. Daaruit leid ik af dat het Cbp al diverse kwalitatieve eisen stelt aan de omgang van en de bescherming van persoonsgegevens door sociale netwerksites, in het bijzonder waar het de invulling van het begrip ondubbelzinnige toestemming betreft.
Overigens heeft het Cbp een wettelijk gegarandeerde onafhankelijke positie. Gelet hierop beschik ik niet over bevoegdheden om het Cbp voor te schrijven hoe zich te gedragen in individuele toezichtszaken.
Wilt u elk van deze vragen uitdrukkelijk afzonderlijk beantwoorden?
Zie hiervoor.
Het korten op OS-budget ten behove van onderwijs |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Prospects for bilateral aid to basic education put students at risk» van het Fast Track Initiative, waarin wordt gewezen op grote, dreigende consequenties voor het onderwijs in OS-landen als gevolg van het terugtrekken van diverse internationale donoren?
Ja, dit rapport is mij bekend.
Wat is uw oordeel over dit rapport en welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan voor het Nederlandse OS-beleid, in het bijzonder op onderwijsgebied? Maakt dit rapport niet zeer aannemelijk, dat in het verleden behaalde resultaten op onderwijsgebied dreigen te verdampen?
Ter ondersteuning van mijn toezegging dat bilaterale onderwijsprogramma’s zorgvuldig worden afgebouwd, heeft Nederland als lid van de Bestuursraad van het Education for All / Fast Track Initiative (FTI) aangestuurd op onderzoek naar de huidige trends in (bilaterale) onderwijshulp.
Het rapport wijst op de mogelijk negatieve impact van individuele beslissingen van bilaterale donoren. Ik ben mij bewust van dit risico. Het rapport geeft ten onrechte de indruk dat de exit op zeer korte termijn en zonder afstemming wordt uitgevoerd. In het geval van Nederland wordt onderwijs uitgefaseerd aan de hand van een exit-strategie voor een periode van 2 à 3 jaar. Daarbij wordt nauw overlegd met de partnerlanden en andere donoren. Daarnaast stel ik € 120 miljoen beschikbaar aan het FTI om de Nederlandse afbouw te ondersteunen in de periode 2011–2014.
Nu in het bijzonder Burkina Faso, Nicaragua, Benin en Zambia extreem worden getroffen door het tegelijkertijd terugtrekken van meerdere donoren, op welke wijze kan deze «stapeling» nog worden voorkomen door onderlinge, internationale afspraken, zoals eerder is beoogd en betoogd?
Het rapport onderkent onvoldoende dat de exit niet abrupt is, maar plaatsvindt in de context van een gedegen exit-strategie, waarmee Nederland in enkele landen (Ethiopië, Mozambique, Rwanda) al ervaring heeft opgedaan. Met partnerlanden en andere donoren vindt overleg plaats. Dit proces is in volle gang. Australië en het Verenigd Koninkrijk hebben aangekondigd meer te willen investeren in de onderwijssector. Conform mijn toezegging, tijdens het Algemeen Overleg over de Focusbrief in juni, zal ik u hierover voor de Begrotingsbehandeling nader informeren.
Welke afspraken zijn / worden er thans concreet gemaakt met andere EU-lidstaten en bilaterale donoren om het tegelijkertijd terugtrekken van meerdere donoren te voorkomen? Wat is de stand van zaken hieromtrent? Voldoet dit overleg aan de verwachtingen van de staatssecretaris? Welke conclusies verbindt u aan het onverhoopt mislukken van de beoogde internationale afspraken ter zake?
In de loop van 2011 heeft regelmatig overleg plaatsgevonden tussen de Europese landen onderling en tussen de lidstaten en de Commissie over een betere werkverdeling. Daarbij wordt het belang van betere afstemming breed gedeeld, zeker nu veel landen hun bilaterale beleid herzien en het aantal partnerlanden verminderen. Hoewel veel lidstaten de analyse van het probleem delen, is er nog geen duidelijke overeenstemming over de wijze waarop deze coördinatie vorm moeten krijgen. Ook is helder dat werkverdeling en betere afstemming niet van bovenaf kunnen worden opgelegd. Flexibiliteit en respect voor nationale besluitvormingsprocedures van donoren en van partnerlanden moeten centraal staan. In het licht van de fragmentatie, overlap en gebrekkige afstemming van Europese hulpprogramma’s, is een grotere coördinerende rol voor de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) essentieel voor het verbeteren van de werkverdeling op landenniveau.
De Commissie werkt aan voorstellen op dit terrein. Het «joint programming document» voor Soedan (dat de Tweede Kamer in juni toeging) is een voorbeeld hoe betere samenwerking en afstemming concreet vorm zou kunnen krijgen.
Wettigt het rapport het oordeel, dat de wijze waarop de EU-landen hun exit- stragieën vormgeven zeer discutabel en onzeker is? Zo ja, welke consequenties heeft dit? Zo niet, op welke wijze krijgen deze exit-stragieën op dit ogenblik in uw ogen dan wel een adequate uitvoering?
Nee, dat oordeel onderschrijf ik niet. Het proces van afstemming tussen EU-landen verloopt weliswaar niet zonder problemen, maar er zijn ook successen behaald. Zo is de afbouw van Nederlandse onderwijssteun in landen als Ethiopië, Mozambique en Rwanda met goed resultaat met andere donoren afgestemd. Het rapport zoomt in op Burkina Faso, Nicaragua en Zambia, waarvoor ik, conform de Focusbrief, in juni heb besloten tot uitfasering. In deze landen worden momenteel exit-strategieën ontwikkeld voor een periode van 2 tot 3 jaar. Gedurende deze periode biedt Nederland voor Burkina Faso en Zambia nog forse financiële ondersteuning. In Nicaragua, waar Nederland de onderwijssector ondersteunt middels een silent partnership met Canada, wordt hierover nog overlegd met de overheid en lokale donorgemeenschap. Ook zal Nederland deze landen ondersteunen bij een nieuwe aanvraag voor FTI-middelen na afloop van de lopende financiering.
Daar het rapport concludeert dat veel OS-landen relatief al veel investeren in onderwijs, van welke concrete OS-landen vindt u het desalniettemin reëel om nog meer investeringen in onderwijs te vragen?
Het rapport bevestigt dat de OS-landen in het laatste decennium zelf meer hebben geïnvesteerd in onderwijs. Dat is een positieve ontwikkeling die wijst op een afname van de afhankelijkheid van externe financiering. Tegelijkertijd is er een grote variatie tussen landen. De groep OS-landen die minder dan 4% van het BNP besteden aan onderwijs, moet aangespoord worden zelf meer te investeren. Daaronder vallen onderwijspartnerlanden als Pakistan en Zambia. Er is tevens veel te winnen bij een grotere kosteneffectiviteit. De IOB impactevaluaties van onderwijs in Uganda en Zambia wijzen op grote regionale ongelijkheden, grote absentie van leerkrachten en zwak schoolmanagement. Dit zijn belangrijke obstakels voor verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, waarvan de oplossing eerder ligt bij good governance dan bij grote financiële investeringen.
Wilt u in uw antwoorden ook ingaan op de in het rapport gesignaleerde ontwikkelingen bij multilaterale instellingen, zoals toezeggingen van de Wereldbank die uiteindelijk zeer weinig substantieel blijken te zijn?
Ik constateer een blijvende interesse in onderwijs bij multilaterale instellingen als de Wereldbank. De Wereldbank heeft dit jaar een nieuwe onderwijsstrategie goedgekeurd die juist inzet op een hoger ambitieniveau. Hoewel de uitgaven van de Wereldbank voor onderwijs jaarlijks fors fluctueren, is een groei voor deze sector realistisch in het licht van de toezegging van een additionele $ 750 miljoen voor onderwijs in FTI-landen voor de periode 2010–2014, waarvan een deel is ingezet om de Nederlandse terugtrekking uit Mozambique te compenseren.