De WOTS-procedure en de voortgezette tenuitvoerlegging |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het beleid omtrent de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS)?1 Hoe vaak komt het voor dat de trage afhandeling van het WOTS-verzoek in het buitenland ertoe leidt dat er onvoldoende straf resteert om nog in Nederland ten uitvoer te kunnen leggen?
Ja. Jaarlijks worden enkele tientallen verzoeken afgewezen wegens het ontbreken van een strafrestant. Een strafrestant kan om verschillende redenen ontbreken. Een daarvan is dat de (totale) WOTS-procedure meer tijd in beslag neemt dan er nog aan straf ten uitvoer te leggen valt.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse gedetineerden als gevolg van een trage afhandeling in het andere land niet kunnen worden voorbereid op hun terugkeer in de samenleving, met alle negatieve mogelijke gevolgen, zoals verhoogd recidiverisico, van dien? Welke mogelijkheden ziet u om te overleggen met die landen waar WOTS-verzoeken traag afgehandeld worden?
Vanzelfsprekend is het wenselijk dat Nederlandse gedetineerden goed op hun terugkeer in de samenleving worden voorbereid. Dit doel wordt echter niet bereikt door WOTS-verzoeken toe te wijzen als een strafrestant ontbreekt. Reclasseringsprogramma’s ter voorbereiding op terugkeer in de samenleving worden immers vanuit detentie verzorgd. Is na overbrenging naar Nederland geen sprake meer van detentie, dan kan de genoemde voorbereiding niet worden geboden.
Een zekere behandelduur van WOTS-verzoeken valt niet te voorkomen. De wijze en duur van de behandeling behoort tot de autonomie van de betrokken landen en hangt direct samen met de wijze waarop het bestuur en de rechtsgang in een land zijn geregeld. Ook in Nederland vergt de afdoening van een WOTS-verzoek vaak de nodige tijd. Ik ben dan ook terughoudend om andere landen hierop aan te spreken.
Waarom wordt van Nederlandse gedetineerden in Venezuela het WOTS-verzoek afgewezen met de motivering dat tussen Nederland en Venezuela alleen de omzettingsprocedure wordt toegepast? Waarom kan van voortgezette tenuitvoerlegging geen sprake zijn? Wanneer is er sprake van bijzonder klemmende omstandigheden op grond waarvan hiervan kan worden afgeweken?2
De omzettingsprocedure geniet sinds de totstandkoming van de WOTS de voorkeur en is in de systematiek van de WOTS ook leidend. Waar mogelijk past Nederland, met instemming van uw Kamer, dan ook sinds jaar en dag deze procedure toe. Veroordeelden in een land waarmee Nederland de omzettingsprocedure toepast, kunnen in voorkomende gevallen op grond van klemmende omstandigheden worden overgebracht overeenkomstig de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Van klemmende omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een jeugdige leeftijd, hoge ouderdom of een slechte gezondheidstoestand. Dit komt sporadisch (naar schatting minder dan tien keer per jaar) voor.
Verwacht u dat een toegewezen verzoek om de buitenlandse straf om te zetten naar Nederlandse maatstaven zal worden afgewezen als Nederland toch voornemens is de gehele buitenlandse straf ten uitvoer te leggen? Zo ja, op grond waarvan? Is niet eerder de verwachting gerechtvaardigd dat een land wél kan instemmen met voortgezette tenuitvoerlegging, zeker wanneer het verzoek om de straf om te zetten reeds is toegewezen?
Tegen toepassing van de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging vallen geen bezwaren te verwachten door het land van veroordeling.
Kunt u een omschrijving geven van de huidige situatie in de gevangenis in Caracas? Is het waar dat het ambassadepersoneel geen toestemming meer krijgt op bezoek te gaan en de Nederlandse gedetineerden dus niet meer ziet en spreekt? Wat vindt u hiervan?
De situatie in de gevangenissen van Venezuela is in het algemeen zorgwekkend. De voorzieningen zijn beperkt en de cellen zijn vaak overvol. Er vinden regelmatig schietpartijen plaats waarbij doden en gewonden vallen.
Bezoeken van de ambassade of het honorair consulaat worden regelmatig op aanwijzing van de Venezolaanse autoriteiten afgelast in verband met de veiligheid. In zulke situaties tracht de ambassade via andere kanalen contact te houden met of informatie te krijgen over de Nederlandse gedetineerden.
Het is niet juist dat het ambassadepersoneel geen gedetineerden meer mag bezoeken. Recent werd het bezoekbeleid onaangekondigd gewijzigd door de lokale autoriteiten waardoor bezoeken in de periode mei tot en met augustus geen doorgang konden vinden. De bezoeken zijn inmiddels geleidelijk hervat.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat ook Nederlandse gedetineerden in Venezuela de zorg krijgen die zij nodig hebben, zeker als het gaat om het eveneens in de Venezuelaanse gevangenis verblijvende kleine kind van een Nederlandse gedetineerde vrouw? Welke mogelijkheden ziet u deze gedetineerden toch op grond van de WOTS-procedure hun strafrestant in Nederland uit te laten zitten? Bent u bereid hiertoe zo nodig te overleggen met de autoriteiten in Venezuela? Zo nee, waarom niet?
Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de Venezolaanse autoriteiten om zorg te dragen voor het welzijn van gedetineerden. Ook in Venezuela steunt Nederland gedetineerden met de gebruikelijke consulaire bijstand (gift, bezoeken, attenties). Kinderen die geboren worden in gevangenschap hebben uiteraard de aandacht van de ambassade, maar ook in die gevallen zijn de Venezolaanse autoriteiten primair verantwoordelijk, samen met de ouders van het kind.
Voor de mogelijkheden om het strafrestant in Nederland uit te zitten verwijs ik naar mijn antwoorden op de voorgaande vragen. Indien een veroordeelde niet voldoet aan de criteria om voor overbrenging in aanmerking te komen, kan worden bezien of daarop een uitzondering mogelijk is. Het betreft hier een individuele en geen categorale toetsing.
Miljoenenfraude met levensverzekeringen |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Ronald Plasterk (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in de Volkskrant van 29 september 2011, over miljoenenfraude met levensverzekeringen?
Ja.
Was de arrestatie van de directeur van de Amerikaanse herverzekeraar aanleiding om in Nederland onderzoek te doen naar Quality Investments? Zo ja, wat is de stand van dat onderzoek dan wel de uitkomst daarvan? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het lopend strafrechtelijk onderzoek kunnen geen inhoudelijke mededelingen over de achtergrond van de verdenking worden gedaan.
Is het waar dat de totale schade voor gedupeerden in deze zaak inderdaad 200 mln. dollar is? Zo nee, hoeveel is die schade dan wel? Hoeveel gedupeerden zijn er?
Quality Investments heeft tussen 1 juli 2007 en heden producten verkocht aan vermogende beleggers. Dat gebeurde vooral in Nederland en België, maar ook in andere Europese landen. Het vermoeden is dat de verdachten in georganiseerd verband grote sommen geld hebben aangetrokken door het verstrekken van onjuiste informatie over de werkelijke constructie van haar beleggingsproduct. Vermoed wordt dat honderden beleggers samen meer dan $200 miljoen hebben afgegeven via Quality Investments.
Voor hoeveel is er in deze zaak beslag op goederen en geld gelegd? Kan daarmee voldoende aan gedupeerden tegemoet worden gekomen? Zo nee, voor welk bedrag is beslag gelegd?
Met het doel zoveel mogelijk geld voor gedupeerden veilig te stellen, is tijdens de internationale actiedag op 27 september 2011 wereldwijd voor miljoenen euro's beslag gelegd op onroerend goed, auto's, dure horloges, boten en een vliegtuig. Naar verwachting kan hiermee echter niet iedereen volledig worden gecompenseerd.
Heeft het tv-programma Business Class op enige wijze aandacht geschonken aan Quality Investments? Zo ja, was daar sprake van objectieve informatie of is er voor het krijgen van zendtijd door Quality Investments (QI) betaald? Was er met de kennis van nu sprake van onjuiste informatie? Is er met deze informatie mogelijk bijgedragen aan strafbare feiten dan wel misleidende reclame? Zo ja, aan welke?
Gelet op het lopend strafrechtelijk onderzoek kunnen hierover geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
Was eerdere negatieve berichtgeving voor u aanleiding om het bedrijf en zijn oprichter onderwerp van een onderzoek te laten worden? Zo ja, wat was de uitkomst van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft vanaf eind 2008 onderzoek gedaan naar Quality Investments. Aanvankelijk was dit een onderzoek in het kader van de Wet op het financieel toezicht (Wft), omdat het bedrijf een vergunning had aangevraagd. De vergunning is niet verleend, omdat Quality Investments niet aan de vergunningvereisten voldeed.
Na afwijzing van de vergunningaanvraag heeft de AFM op basis van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) gekeken wat de AFM verder kon doen. De AFM vermoedde dat Quality Investments onjuiste informatie verstrekte en bepaalde essentiële informatie achterhield. De AFM heeft in haar onderzoek vastgesteld dat Quality Investments feitelijk onjuiste informatie verstrekte over de structuur van de beleggingsproducten. Er waren ook bewijzen voor het samenwerken met een dubieuze partij (PCI). De AFM heeft Quality Investments met gebruikmaking van de Whc een voornemen voor het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd, om Quality Investments te dwingen informatie over de structuur van de investering en de samenwerking met PCI bekend te maken. Quality Investments heeft in juni 2010 op haar website de feitelijk onjuiste informatie gecorrigeerd en heeft openheid van zaken gegeven over haar samenwerking met PCI. Doordat Quality Investments deze informatie openbaar maakte, was het doel van de (voorgenomen) last onder dwangsom bereikt en is de last niet definitief door de AFM opgelegd en gepubliceerd.1
Waarom valt deze belegging buiten van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)-toezicht? Zou dat moeten veranderen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom bent u van mening dat dit niet hoeft te veranderen?
Quality Investments presenteerde zich als beleggingsinstelling. De AFM heeft geconstateerd dat het ging om het aanbieden van effecten. Deze activiteiten zijn gereguleerd in de Wft. Een beleggingsinstelling heeft een vergunning van de AFM nodig, en voor het aanbieden van effecten is een door de AFM goedgekeurd prospectus nodig, tenzij sprake is van een vrijstelling of uitzondering.
Omdat Quality Investments participaties vanaf € 50 000 aanbood, viel zij niet onder het toezicht van de AFM. De grens van € 50 000 is afgeleid uit de prospectusrichtlijn (2003/71/EG). In de herziene prospectusrichtlijn is de grens inmiddels verhoogd naar € 100 000. Bij de Wijzigingswet financiële markten 2010 (Stb. 2011, 248) is in artikel 5:3 van de Wft opgenomen dat de grens zal worden verhoogd naar € 100 000 omdat de grens van € 50 000 te laag wordt geacht om te voorkomen dat niet-professionele beleggers toch in van toezicht vrijgestelde producten beleggen. Dit artikel treedt per 1 januari 2012 in werking.
Overigens vallen aanbieders die zijn vrijgesteld van de Wft (bijvoorbeeld omdat ze participaties van meer dan € 50 000 aanbieden) wel onder de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc).
De arrestatie van Derwisjen en advocaten in Iran |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een zestigtal personen – veelal Derwisjen van de Gonabadi Orde – recent zijn gearresteerd in Iran?1
Ja.
Wat is uw opvatting over het gegeven dat de Iraanse autoriteiten personen die aanhanger van de Gonabadi Orde zijn, op stelselmatige basis arresteren?
Nederland is tegen onderdrukking van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Bent u bereid de oproep van Amnesty International te ondersteunen die onmiddellijke vrijlating van deze personen eist? Zo nee, waarom niet?
Evenals Amnesty International heeft Nederland zorgen over de arrestatie van Derwisjen in Iran. Nederland pleit, bilateraal en multilateraal, voor vrijlating van personen die in Iran worden vastgezet op grond van hun godsdienst of levensovertuiging.
Bent u eveneens bereid u expliciet uit te spreken over het lot van drie advocaten die vastzitten in de beruchte Evin gevangenis waar martelingen aan de orde van de dag zijn? Zo nee, waarom niet?
Nederland ondersteunt de verklaring van EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton op 15 september 2011, waarin het vervolgen van deze mensenrechtenadvocaten sterk wordt veroordeeld en Iran wordt opgeroepen mensenrechtenverdedigers onmiddellijk vrij te laten en hen in staat te stellen hun rechten uit te oefenen.
Bent u bereid zowel in bilaterale contacten, als via de Europese Unie en de relevante VN instrumenten, de Iranese autoriteiten blijvend aan te spreken op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland spreekt de Iraanse overheid op haar verplichtingen ten aanzien van de bescherming van mensenrechten aan, zowel bilateraal als multilateraal.
Het bericht dat Nederland een gezamenlijk EU-standpunt Midden-Oosten blokkeert |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland blokkeert gezamenlijk EU-standpunt Midden-Oosten»?1
Ja.
Is het overleg over het gezamenlijk EU-standpunt op 28 september jl. afgeproken?
Het overleg is op 26 september beëindigd, toen – na aanvang van de zitting van de Mensenrechtenraad over het desbetreffende agendapunt – bleek dat geen gemeenschappelijke EU-verklaring mogelijk was.
Is het overleg over het gezamenlijk EU-standpunt afgebroken omdat Nederland zich niet kon vinden in de tekst van de gezamenlijke verklaring? En zo nee, waarom dan wel?
Het overleg is beëindigd omdat de 27 lidstaten van de EU geen consensus konden bereiken over een gemeenschappelijke tekst.
Welke redenen zijn er voor Nederland om zich te verzetten tegen een gezamenlijke EU-verklaring?
De concepttekst van de EU-verklaring was niet evenwichtig en sloot niet aan op de inhoudelijke ontwikkelingen van het EU-overleg in New York tijdens de lopende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). De concepttekst stond op gespannen voet met het doel om tot hervatting van deze onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen te komen.
Deelt u de mening dat het betreurenswaardig is dat er geen gezamenlijke EU-verklaring tot stand is gekomen?
Ja.
Kunt u achtereenvolgens aangeven wat de bezwaren zijn tegen het noemen van een «tweestatenoplossing», het veroordelen van de Israëlische blokkade van de Gazastrook, het veroordelen van de recente Palestijnse terreuracties tegen Israëliërs, het zich uitspreken tegen standrechtelijke executies door Hamas in de Gazastrook en het zich uitspreken tegen geweld van Israëlische kolonisten tegen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever in een mogelijke gezamenlijke EU-verklaring?
De tweestatenoplossing is staand Nederlands beleid. De concepttekst van de EU-verklaring was echter niet evenwichtig en sloot niet aan op de inhoudelijke ontwikkelingen van het EU-overleg in New York tijdens de lopende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). De concepttekst stond op gespannen voet met het doel om tot hervatting van deze onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen te komen. Zoals bekend hecht de Nederlandse regering zeer aan het bereiken van de tweestatenoplossing door middel van onderhandelingen gebaseerd op de zgn EU-parameters:
Kunt u aangeven wat de bezwaren zijn tegen het melden van de arrestatie door Israël van vreedzaam demonstrerende mensenrechtenactivisten, alsmede het noemen van vernietiging van Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem en op de Westoever in een mogelijke gezamenlijke EU-verklaring?
Nederland wilde deze kwesties via tekstsuggesties evenwichtiger tot uitdrukking gebracht zien. De wijze waarop de positie van mensenrechtenverdedigers in Israël en de Palestijnse Gebieden werd gepresenteerd, deed geen recht aan de mogelijkheden binnen het Israëlisch rechtsstelsel. Ook de verwoording van de onrechtmatige huizensloop op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem was onevenwichtig.
Nederland beschouwt de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem als illegaal. Op 28 september jl. heb ik een verklaring afgegeven waarin ik het besluit om 1 100 nieuwe wooneenheden in Oost-Jeruzalem te bouwen betreur, omdat het contraproductief is voor het vredesproces. Ik heb de Israëlische regering opgeroepen dit besluit terug te draaien.
Kunt u aangeven op welke wijze u zich inspant een hervatting van de gesprekken tussen de Israël en de Palestijnen te bevorderen?
Nederland spant zich multilateraal en bilateraal in. In VN-kader streeft Nederland naar afgewogen verklaringen, waarbij ik erop toezie dat deze bijdragen aan hervatting van de onderhandelingen en niet vooruitlopen op de uitkomst van de onderhandelingen. In EU-verband steunt Nederland de inspanningen van Hoge Vertegenwoordiger Ashton in de afgelopen periode en roept haar op deze voort te zetten.
De minister-president en ik hebben in de aanloop naar de AVVN nauw contact gehouden met Israëlische en Palestijnse bewindslieden. Deze inspanningen worden gecontinueerd.
Deelt u de mening van de Amerikaanse president Barack Obama de grenzen van Israël uit 1967 als basis te gebruiken voor de grenzen van een nieuwe Palestijnse staat? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dat is immers een van de vier parameters voor de onderhandelingen, zoals hierboven in het antwoord op vraag 6 weergegeven.
Deelt u de mening dat het recht op demonstratie een onvervreemdbaar recht is? Deelt u de mening dat het recht op vrijheid van meningsuiting een onvervreemdbaar recht is? Welke acties onderneemt u om de naleving van deze mensenrechten te bevorderen?
Ja, dat zijn onvervreemdbare. De vrijheid van meningsuiting is ook een van de prioriteiten van de notitie «Verantwoordelijk voor Vrijheid». Voor de uitwerking daarvan verwijs ik u graag naar deze notitie.
De toename van de wachtlijsten voor de schuldhulpverlening |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «In 2012 wachtlijst voor schuldhulp»?1
Ja.
Deelt u de verwachting van de Vereniging voor Schuldhulpverlening en Sociaal Bankieren (NVVK) dat de wachtlijsten voor de schuldhulpverlening aanzienlijk zullen toenemen? Zo nee, waarom niet? Wat is uw inschatting voor de ontwikkeling van de wachttijden voor de schuldhulpverlening voor de komende jaren?
Op 12 april 2010 heb ik de Tweede Kamer een onderzoek over de wachttijden op 1 januari 2010 bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gestuurd (Kamerstukken II 2009/10, 24 515 nr. 185). De gemiddelde wachttijd over alle gemeenten was op 1 januari 2010 32 kalenderdagen. Op 3 december 2010 heb ik het onderzoek «Tijdelijke middelen schuldhulpverlening, tussenrapportage 2010» aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2010/11, 24 515 nr. 192). Uit deze rapportage blijkt dat gemeenten aangeven dat met de inzet van de tijdelijke middelen schuldhulpverlening de wachttijden redelijk tot sterk zijn gedaald en waar de wachttijden niet zijn gedaald de tijdelijke middelen hebben bijgedragen aan het voorkomen van het oplopen van wachttijden. In de eindrapportage van dit onderzoek, die begin 2012 aan u zal worden gezonden, wordt opnieuw aandacht besteed aan dit onderwerp.
Het is voor mij niet mogelijk om een gefundeerde inschatting te maken van de ontwikkeling van de wachttijden in de komende jaren.
Ik hecht er in dit verband aan te wijzen op de inhoud van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening op het punt van de wachttijden, zoals dat op dit moment in behandeling is bij de Eerste Kamer. Indien het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, zijn de maximale wachttijden in de wet verankerd. Mijn verwachting is dat gemeenten zich aan de wet zullen houden.
Onderschrijft u nog steeds de doelstelling van de voorgestelde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dat cliënten binnen vier weken of binnen drie werkdagen in spoedeisende gevallen terecht kunnen bij de gemeente voor hulp? Indien blijkt dat deze termijnen na het in werking treden van de genoemde wet worden overschreden als gevolg van de te verwachten grotere druk op de schuldhulpverlening, bent u dan bereid om maatregelen te treffen om de wachttijden weer terug te brengen? Zo ja, welke maatregelen overweegt u dan? Indien niet, waarom niet?
Uiteraard onderschrijf ik de doelstelling met betrekking tot wachttijden, zoals die is opgenomen in artikel 4 van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening.
Ik ga ervan uit dat gemeenten zich zullen houden aan de dan in de wet vastgelegde maximale wachttijden. Indien een gemeente zich onverhoopt niet houdt aan deze wettelijke verplichting, is het aan de gemeenteraad om het college van B en W daarop aan te spreken.
Deelt u de zorg van de NVVK dat schuldenaren als gevolg van toenemende wachtlijsten vaker terecht zullen komen bij particuliere schuldhulpverleners die zich niet houden aan de wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Partijen die voor schuldbemiddeling een vergoeding mogen vragen zijn limitatief opgesomd in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet (Wck). Particuliere ondernemers, die niet onder deze vrijstelling vallen, is het niet toegestaan schuldbemiddeling aan te bieden tegen betaling. Hierop wordt toezicht gehouden door de Belastingdienst Holland-Midden. Zoals ik eerder heb toegezegd zal ik samen met de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de Tweede Kamer nog dit jaar informeren over de toezicht- en handhavingpraktijk, waaronder over het aantal meldingen over malafide schuldbemiddelaars en wat daarmee is gedaan.
Kunt u een inschatting maken van het aantal actieve particuliere schuldhulpverleners dat zich niet houdt aan de wet- en regelgeving en het aantal schuldenaren dat door deze particuliere schuldhulpverleners gedupeerd raken? Hoe gaat u er voor zorgen dat de controle op de particuliere schuldhulpverleners intensiever wordt zodat de malafide bureaus niet meer onbelemmerd hun gang kunnen gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de Kamer informeren over de inzet van de Nederlandse regering tijdens de vierde Review Conferentie van de «Convention on Certain Conventional Weapons» CCW), die plaatsvindt van 14 tot 25 november 2011 in Genève?
Nederland zal tijdens de Toetsingsconferentie van de CCW aandringen op universalisering van de Conventie en rapporteren over de nationale implementatie. Het belangrijkste onderwerp is het conceptprotocol VI inzake een deelverbod op clustermunitie. Nederland wil een Protocol VI met zo groot mogelijke reikwijdte, waarin een totaalverbod van clustermunitie expliciet als einddoel wordt opgenomen.
Deelt u de mening dat het draft Protocol VI, dat wordt besproken tijdens de Conferentie in Genève, geen antwoord biedt op het humanitaire leed dat clustermunitie veroorzaakt en urgentie mist vanwege het feit dat clustermunitie met een «failure rate» van 1% en clustermunitie geproduceerd na 1980 worden toegestaan, en er bovendien een transitieperiode van 12 jaar wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt clustermunitie als een wapen dat onaanvaardbaar humanitair leed veroorzaakt. Een Protocol inzake een deelverbod op clustermunitie kan de kans op humanitair leed verkleinen. Landen als Rusland, de VS, China, India en Pakistan bezitten wereldwijd het overgrote deel van de bestaande voorraden clustermunitie. Deze landen hebben aangegeven vooralsnog niet toe te zullen treden tot de Conventie inzake Clustermunitie (CCM) en voeren hier militair-strategische redenen voor aan. Juridische gebondenheid van deze landen aan een beperkende norm voor het gebruik van dit wapen is een stap vooruit ten opzichte van de huidige situatie.
Deelt u de mening dat Nederland als partij bij de Conventie van Cluster Munitie (CCM), geen steun kan verlenen aan een draft Protocol VI van de Convention on Certain Conventional Weapons (CCW) dat minder vergaand is dan de tekst van de CCM? Zo ja, kunt u toezeggen dergelijke tekst niet te zullen ondersteunen tijdens de aankomende Review Conferentie? Zo nee, waarom niet?
Protocol VI kan in de praktijk een positief effect hebben, ook al gaat de tekst van het Protocol minder ver dan de CCM.
Bent u bereid om de norm van de CCM te promoten en het gebruik van clustermunitie te ontmoedigen, zoals wordt verplicht onder artikel 21 van het CCM, en samen met andere CCM landen aldus tijdens de Review Conferentie van de CCW te pleiten voor nationale maatregelen om clustermunitie uit te bannen? Deelt u de mening dat dit meer in lijn ligt met de universalisatie verplichtingen onder de CCM dan de totstandkoming van een nieuwe en lagere internationale norm binnen het internationaal humanitair recht?
Nederland benadrukt de wenselijkheid van universalisering van de CCM in multilaterale fora en in bilaterale contacten met staten die nog geen partij zijn. Nederland zal zich inzetten voor een toevoeging in Protocol VI die de norm van een totaalverbod op clustermunitie onderschrijft.
Als tijdens de Review Conferentie blijkt dat er geen consensus binnen de CCW is over een draft Protocol VI, bent u dan bereid zich tijdens de Review Conferentie van de CCW in te zetten voor de totstandkoming van een politieke verklaring waarin de CCW lidstaten hun zorg uitspreken over clustermunitie die onaanvaardbaar leed te weeg brengt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze verklaring na afloop van de Review Conferentie met een appreciatie naar de Kamer sturen?
Nederland streeft ernaar de onderhandelingen over Protocol VI succesvol af te ronden. Indien dit niet lukt, zal Nederland een breed gedragen politieke verklaring overwegen.
De bezuiniging in de huisartsenzorg |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u nog steeds de mening dat een sterke eerstelijnszorg voorkomt dat burgers onnodig in de duurdere tweedelijnszorg terechtkomen en dat geïntegreerde eerstelijnszorg voor de behandeling van chronisch zieken en de uitvoering van eenvoudige ingrepen daarom essentieel is?1
Ja.
Over welke uitgaven van huisartsen heeft u het als u het over «structurele overschrijdingen» heeft? Kunt u die uitgaven specificeren?
Het kader huisartsenzorg bevat alle premiegefinancierde uitgaven aan huisartsgeneeskundige zorg, oftewel alle huisartsenzorg die is verzekerd binnen de basisverzekering. Voorbeelden van de uitgaven die vallen binnen dit kader zijn inschrijftarieven, reguliere consulten en visites, de ANW-zorg geleverd door de huisarts en bijzondere betalingen zoals M&I-verrichtingen. Dit kader laat in 2009 en in 2010 een overschrijding zien.
Daarnaast is er nog een apart kader voor multidisciplinaire zorg, waar de huisartsen ook een aandeel in hebben. Het betreft hier ondermeer de drie keten-DBC’s voor chronische aandoeningen en de uitgaven die vallen onder de beleidsregel «Samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten». Ook de uitgaven op het gebied van multidisciplinaire zorg hebben in 2010 het budgettaire kader overschreden.
In hoeverre gaat het hier over uitgaven, die volgens de beleidsmaatregel «geïntegreerde eerstelijnszorg» van het ministerie van VWS nu in de eerste lijn moeten plaatsvinden in plaats van in de tweede lijn?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 reeds heb aangegeven, gaat het hier ook om uitgaven voor de beleidsregel «Samenwerking ten behoeve van geïntegreerde eerstelijnszorgproducten». Deze beleidsregel heeft tot doel om door samenwerking tussen multidisciplinaire zorgaanbieders een betere prijs/kwaliteitverhouding in de eerstelijns zorgverlening rondom de patiënt te realiseren. Het gaat hierbij dus niet alleen om zorg die nu in de eerste lijn moet worden geboden in plaats van in de tweede lijn.
Deelt u mijn zorg dat huisartsen, als gevolg van uw bezuinigingen, zullen stoppen met de noodzakelijke investeringen die nodig zijn om uw beleidsmaatregel te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Huisartsen zijn als zelfstandige beroepsbeoefenaren uiteraard zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij hun praktijk runnen. De afgelopen jaren is binnen de financiële kaders van huisartsen rekening gehouden met de toename van zorggebruik. Daarnaast is er financiële ruimte gecreëerd voor het extra werk dat huisartsen zouden gaan verrichten, zoals bij de drie keten-DBC’s. Maar de overschrijding bij de huisartsen- en multidisciplinaire zorg gaat deze groeiruimte te boven. Deze extra uitgaven haal ik nu terug.
Ik vind het onterecht om te suggereren dat er geen geld beschikbaar zou zijn voor investeringen. Er is de komende jaren ruimte voor de huisartsenzorg om (financieel) te groeien. Daarnaast kan een huisarts afspraken maken met een verzekeraar over nieuwe investeringen als deze leiden tot een kostenbesparing elders in het systeem.
Ik wil echter wel eerst met de huisartsen goede afspraken maken over wat deze investeringen opleveren en wat er gebeurt wanneer er wederom meer wordt uitgegeven dan is afgesproken. Ik heb de Landelijke Huisartsen Vereniging uitgenodigd om hierover in gesprek te gaan en ik hoop dat zij hiertoe bereid is.
Zo ja, bent u dan nog steeds van mening dat uw financiële beleid bijdraagt aan het opzetten van een betere en goedkopere eerstelijnszorg?
Met het pakket aan maatregelen versterk ik de financiële houdbaarheid van ons zorgstelsel in zijn geheel. Ik heb daarbij gezocht naar de balans tussen enerzijds het vergroten van de eigen verantwoordelijkheid van de patiënt, en aan de andere kant de zorgaanbieders en zorgverzekeraars te laten bijdragen aan het oplossen van de financiële problematiek. Het eenzijdig neerleggen van alle overschrijdingen bij de patiënt/verzekerde vind ik niet fair. Ook de beroepsbeoefenaren die flink hebben kunnen groeien, kunnen door efficiënte verbeteringen een deel van deze overschrijding (boven op de groei) voor hun rekening nemen. Daarnaast gaan de zorgverzekeraars meer risico lopen over de uitgaven in de tweede lijn, waardoor zij een grotere prikkel krijgen om zorg binnen de eerste lijn te houden. Zo draagt ook de huisartsensector voor een deel bij aan het oplossen van de financiële problematiek. Een toelichting op deze maatregel kunt u teruglezen in mijn brief van 10 juni 2011 (kenmerk: CZ/FBI-3068069).
Het artikel "Mestbeleid op de schop" |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mestbeleid op de schop»?1
Ja.
Hoe verhoudt uw wens om mest te laten verwerken zich tot de wens tot verduurzaming en behoud van gemengde familiebedrijven?
Mijn visie op het toekomstig mestbeleid biedt meer ruimte aan verduurzaming en ondernemerschap, ook voor gezinsbedrijven.
Hoe staat u tegenover de methode van het bedrijf «Run2You», één van de bedrijven die mestkorrels maakt van stalmest? Onderschrijft u deze methode? Zo ja, bent u bereid om dit landelijk uit te meten?
Elke methode van verwerking die een bijdrage levert aan de realisatie van de doelstellingen van het (toekomstig) mestbeleid juich ik van harte toe. Het is de taak en de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om de betreffende installaties in de markt te zetten.
Wat voor economische gevolgen heeft het als Nederland geen mest meer kan exporteren naar Duitsland?
Ik zie geen aanleiding voor een dergelijke situatie. Ik verwijs u in dit verband naar mijn recente beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp (Aanhangsel der Handelingen II 2010–2011, nr. 3554, antwoord 2).
Bent u bereid om de innovatie van mestvergisters te onderzoeken, bijvoorbeeld door snel meer producten van restafval als co-materiaal toe te staan? Zo neen, waarom niet?
Het Versnellerteam Groen Gas benoemt in haar publicatie2 een groot aantal knelpunten die de ontwikkeling van groen gas in de weg staan. Eén van de knelpunten betrof de zogenoemde positieve lijst covergisting waaraan ik onlangs veertien stoffen heb toegevoegd3. Tevens heb ik besloten om naast de huidige positieve lijst een alternatieve systematiek te ontwikkelen waarbij het bedrijfsleven moet kunnen aantonen dat de gebruikte stoffen geen nadelige gevolgen voor het milieu hebben, waarna die – onder voorwaarden – in de covergister worden gebruikt. Met deze alternatieve systematiek komen meer stoffen beschikbaar (zie Kamerstukken II, 2010–2011, 28 385, nr. 210).
Het bericht “Meisje van 5 jaar loopt geslachtsziekte op” |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meisje van 5 jaar loopt geslachtsziekte op?»1
Ja.
Bent u bereid om voor de situaties waarin sprake is van een minderjarig slachtoffer de lijst met ernstige ziektes uit te breiden, zodat in deze gevallen een verdachte ook gevraagd kan worden celmateriaal af te staan?2 Zo ja, bent u bereid dit met een nota van wijziging bij genoemd wetsvoorstel te regelen? Zo nee, waarom niet?
Het voorstel van wet verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken waaraan in deze vraag wordt gerefereerd, is eind november 2009 wet geworden (Stb. 2009, 475) en op 1 juli 2010 in werking getreden (Stb. 2010, 151). Ten behoeve van de waarheidsvinding en in het belang van het slachtoffer kan de verdachte die niet vrijwillig zijn bloed of ander celmateriaal wil afstaan, daartoe worden gedwongen om te kunnen vaststellen of hij drager is van dezelfde (geslachts)ziekte als het slachtoffer en de veroorzaker is van die ziekte. In het op die wet gebaseerde Besluit bloedtest in strafzaken zijn in artikel 2 drie ernstige besmettelijke ziekten aangewezen, te weten human immunodeficiency virus, hepatitis B en hepatitis C. Ik acht het gewenst om te bevorderen dat aan deze ziekten, drie geslachtsziekten worden toegevoegd, te weten syfilis, chlamydia en gonorroe. De wetenschap dat zowel de verdachte als het slachtoffer besmet is met een of meer van deze ziekten, kan een bijdrage leveren aan het bewijs van seksueel misbruik.
De uitzetting van een Afghaans asielzoekersgezin en de verwijdering van hun oudste zoon uit zijn schoolklas |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Hans Spekman (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de uitzetting van de in het bericht genoemde Afghaanse familie Sultani?1
Ja.
Klopt het dat de minderjarige asielkinderen Feroz (geboren: 1998), Weys (geboren: 2000) en Arezo (geboren: 2004) hun gehele danwel vrijwel gehele leven in Nederland verblijven?
Bent u bekend met het thematisch ambtsbericht van 29 maart 2011 aangaande schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes) in Afghanistan?1 Erkent u dat hierin staat vermeld dat schoolgaande kinderen met gevaarlijke risico’s en uitdagingen worden geconfronteerd, die bij meisjes nog groter zijn dan bij jongens?
Erkent u dat alle drie de kinderen dusdanig verwesterd zijn, dat zij niet zullen kunnen aarden in Afghanistan of hierbij in ieder geval problemen zullen ondervinden? Zo nee, welke waarde hecht u dan onder andere aan de inhoud van bovengenoemd ambtsbericht?
Bent u bekend met de brief van een levensgevaarlijke Afghaanse organisatie aan de vader van het gezin, waarin wordt vermeld dat hij zal worden vermoord indien hij zijn bijna 8-jarige dochter niet zal uithuwelijken aan een 24-jarige man? Zo ja, welke consequenties hecht u aan deze brief? Erkent u dat uitzetting een schending zal opleveren van artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), aangezien het gezin, en met name de vader, een reëel risico loopt op folteringen, onmenselijke of vernederende handelingen of bestraffingen?
Deelt u de mening dat het uitzetten van in ieder geval de verwesterde dochter veiligheidsrisico’s met zich meebrengt, die leiden tot schending van onder andere artikel 3 EVRM? Zo nee, waarom denkt u dan dat betreffend ambtsbericht niet van toepassing is op onderhavig geval?
Deelt u de mening dat de dochter voldoet aan de Sahar-regels, vastgesteld in uw brief d.d. 8 april 2011?2 Zo ja, gaat u daarmee over tot het toekennen van een verblijfsvergunning? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de oudste zoon zonder vooraankondiging en op dwingende wijze binnen één dag van de Regionale Scholengemeenschap Ter Apel is verwijderd? Zo nee, hoe dan? Zo ja, waarom heeft u zich niet gehouden aan de normale procedure, zoals omschreven in artikel 13 tot en met 15 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs?
Ten aanzien van een verwijdering van de oudste zoon van diens school zijn mij geen feiten bekend. Mij is bericht dat de Dienst Terugkeer en Vertrek noch de Vreemdelingenpolitie met dit voorval van doen hebben gehad.
De activiteiten van multinationals in belastingparadijzen |
|
Pauline Smeets (PvdA), Ed Groot (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Shell actief in belastingparadijzen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat multinationals volledige transparantie moeten nastreven over belastingbetalingen in de landen waar zij actief zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat de opbrengsten van olie-, gas- en mijnbouwbedrijven meer ten goede moeten komen aan de landen waar olie, gas en delfstoffen worden gewonnen?
Uiteraard is de Nederlandse regering van mening dat landen optimaal gebruik van hun natuurlijke rijkdommen zouden moeten maken ten behoeve van hun economische en maatschappelijke ontwikkeling. In diverse internationale fora worden ontwikkelingslanden daarom bijgestaan in de ontwikkeling van ondermeer hun investeringsbeleid, goed bestuur en belastingheffing. Voorbeelden van dergelijke fora zijn het VN Comité voor Handel en Ontwikkeling (UNCTAD), de OESO, IMF en EITI, die samenwerkingprojecten uitvoeren met diverse Afrikaanse landen. Grondstofrijke (ontwikkelings-)landen zijn echter soeverein in hun keuzes omtrent nationale grondstoffenwinning en de opbrengsten die zij daaruit genereren.
Wat is uw opvatting over het gegeven dat Nederland als vestigingsplaats het op één na aantrekkelijkste land is voor bedrijven in de olie-, gas- en mijnbouwsector vanwege het belastingklimaat?2
In de afgelopen decennia is het beleid van opeenvolgende kabinetten steeds gericht geweest op het in stand houden en verbeteren van een solide investerings- en ondernemersklimaat. Ook dit kabinet zet dit beleid voort. Het Nederlandse netwerk van belastingverdragen is gericht op het voorkomen van dubbele belastingheffing en is zodoende een belangrijk instrument in dit beleidskader. Daarbij levert de deelnemingsvrijstelling een belangrijke bijdrage aan het vestigingsklimaat voor nationaal en internationaal opererende ondernemingen. Onderscheidende factoren zijn daarnaast de stabiliteit van het Nederlandse fiscale klimaat en de betrouwbaarheid en efficiency van de Nederlandse belastingdienst.
Ook het instrumentarium dat is gericht op de ontwikkeling van meer R&D-activiteiten, de WBSO, de innovatiebox in de vennootschapsbelasting en de in het belastingplan 2012 voorgestelde RDA, leveren een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat in het algemeen, aan de kenniseconomie in het bijzonder en daarmee aan de Nederlandse internationale concurrentiepositie.
Dit alles biedt zowel aan binnenlandse als buitenlandse investeerders een optimaal klimaat om in Nederland ondernemingsactiviteiten te ontplooien met alle positieve gevolgen daarvan op de nationale economie en daarmee op de werkgelegenheid. Het beleid en het instrumentarium zijn overigens generiek van karakter; er is geen bijzondere fiscale faciliteit voor olie-, gas en mijnbouw.
Zoals vastgelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011 bestaat in het Nederlandse internationale fiscale verdragsbeleid bijzondere aandacht voor de belangen van ontwikkelingslanden. Belastinginkomsten spelen immers een cruciale rol bij de financiering door ontwikkelingslanden van overheidsuitgaven in de strijd tegen armoede. Het verstevigen van de fiscale stelsels en de belastingadministraties dragen bij aan de zelfredzaamheid van deze staten. Nederland heeft er voor gekozen op fiscaal gebied in te zetten op een integrale benadering waarbij zowel de nationale als internationale factoren die hogere belastinginkomsten door ontwikkelingslanden belemmeren, centraal staan. Bovendien zal Nederland bij het sluiten van belastingverdragen met ontwikkelingslanden rekening houden met de kwetsbare financiële positie van ontwikkelingslanden, en is Nederland daarbij bereid gerichte maatregelen op te nemen om verdragsmisbruik tegen te gaan en ruimte te bieden voor bronheffingen op geldstromen naar Nederland.
Steeds meer landen kopiëren het fiscale instrumentarium van Nederland. Het is daarom zaak het Nederlandse bestel up-to-date te houden. Vanzelfsprekend moeten daarbij de internationale kaders in acht worden genomen. De Nederlandse fiscale wetgeving voldoet in dat opzicht aan alle internationaal geldende criteria.
Deelt u de mening dat Nederland een slechte voorbeeldfunctie vervult door zo hoog op deze lijst te eindigen? Zo ja, bent u bereid om deze slechte reputatie te herstellen en zo ja, op welke wijze gaat u dat doen?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat u Shell aanspreken op het inzichtelijk maken van de belastingopbrengsten en afdrachten van olie-, gas- en delfstoffen in de landen waar Shell actief is? Zo nee, waarom niet?
De overheid heeft in de wet vastgelegd waarover en op welke wijze ondernemingen dienen te rapporteren en heeft daar bovenop verwachtingen in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen over verslaglegging door ondernemingen zoals dit is verwoord in het betreffende hoofdstuk van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. Deze aanbevelingen gelden ook voor Shell.
De regering spreekt bedrijven niet individueel aan op hun betalingen aan landen waarin zij opereren. Los van de ogenschijnlijke willekeur die daar vanuit gaat, zou dit niet in overeenstemming zijn met de huidige Nederlandse positie omtrent dit onderwerp, zoals verwoord bij het antwoord op vraag 8 en 9.
Gaat u Shell eveneens aanspreken op transparantie over de belastingverdragen die van toepassing zijn in de desbetreffende landen? Zo nee, waarom niet?
Belastingverdragen worden afgesloten tussen landen en zijn in het geval Nederland partij is altijd openbaar. Dit geldt dus ook voor de verdragen waar Shell gebruik van maakt.
Deelt u de mening dat, vanwege het vrijwillige karakter van de Extractive Industries Transparency Initiative (EITI) en in navolging van Amerikaanse wetgeving, Europese wetgeving nodig is die olie- en mijnbouwbedrijven verplicht om per land en per project te rapporteren hoeveel belasting en royalty’s zij afdragen aan overheden? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voorstander van transparantie en streeft naar internationale afspraken die gelden voor alle internationaal opererende bedrijven. Voor landen met een relatief internationaal georiënteerd bedrijfsleven, zoals Nederland, is een gelijk speelveld immers van groot belang. Bovendien komt het de effectiviteit van een maatregel ten goede indien zij op zo breed mogelijke schaal wordt ingevoerd.
Deze twee kenmerken komen terug in het EITI, dat succesvol is doordat grondstofrijke landen samenwerken met bedrijven en NGO’s om op een geleidelijke en gezamenlijke wijze financiële informatie publiek te maken, rekening houdend met de omstandigheden in elk gastland. Dit betekent dat gastlanden rapporteren wat zij ontvangen, en alle daar actieve bedrijven moeten rapporteren wat zij voor hun activiteiten betalen aan de overheid. Door deze tweezijdige rapportage worden transparantie en goed bestuur bevorderd en wordt corruptie tegengegaan. Nederland ondersteunt het EITI, onder meer via een nieuwe meerjarige bijdrage aan het secretariaat van het EITI voor de periode 2011–2014.
Op dit moment zijn diverse internationale transparantie-initiatieven (country-by-country reporting) aan de orde, zoals de aanpassingen die de Europese Commissie in oktober 2011 heeft voorgesteld in de EU Transparency and Accounting Directive en de toepassingsregels van de paragrafen 1502 en 1504 van de Dodd-Frank Act waar de Securities and Exchange Committee (SEC) momenteel aan werkt. Ook in de OECD Informal Task Force on Tax and Development staat het onderwerp country-by-country reporting op de agenda als één van vier speerpunten in het kader van het bevorderen van belastingheffing in ontwikkelingslanden («domestic resource mobilization»). Onder meer wordt in een werkgroep, waarin naast overheden ook NGO’s en het bedrijfsleven participeren, gekeken naar cost-benefit-inschattingen rond grotere fiscale transparantie. Nederland hecht waarde aan een coherent beleid dat rekening houdt met de belangen van ontwikkelingslanden en zal de voorstellen van de EU op dit punt met een positieve grondhouding analyseren.
Welke concrete stappen zet u om multinationals te dwingen tot volledige openheid en transparantie over de inkomsten in de landen waar zij actief zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Microplastics in consumentenproducten die het water vervuilen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inventarisatie van Stichting de Noordzee naar het voorkomen van plastic deeltjes, zogenaamde microplastics, in consumentenproducten?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het overgrote deel van scrubs en peelings dat momenteel op de markt te verkrijgen is microplastics bevat? Zo ja, hoe beoordeelt u dat?
Ja, uit gegevens van de Nederlandse Cosmetica Vereniging blijkt dat in deze producten vaak gebruik gemaakt wordt van microplastics als scrubdeeltjes. Alle cosmeticaproducten die op de markt worden gebracht moeten aan de eisen uit de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG voldoen. De fabrikant is verplicht om het veilig gebruik van het product wetenschappelijk te onderbouwen. Wat de gevolgen zijn voor het (mariene) milieu is nochtans onduidelijk (zie vraag 3).
Kunt u aangeven wat het effect op mariene ecosystemen is van de ophoping van dit soort microplastics?
Onder de vlag van de OSPAR Regionale Zeeconventie wordt ruim 10 jaar aandacht besteed aan het monitoren en de aanpak van zwerfvuil op zee, recent ook aan de microplastics problematiek. Het internationale onderzoek naar microplastics in het zeemilieu en de mogelijke effecten daarvan bevindt zich nog in een pril stadium. De aanwezigheid van microplastics (< 5 mm) is aangetoond in sedimenten en water van de Noordzee en in het weefsel en organen van diverse soorten in het mariene milieu (plankton, kreeftachtigen, vissen en vogels), soms echter alleen op laboratorium schaal (mosselen). Microplastics zijn niet afbreekbaar en kunnen zich ophopen in organismen. De deeltjes kunnen doorgegeven worden via de voedselketen en zijn potentieel toxisch mede als gevolg van additieven en verontreinigende stoffen. Het is nog niet bekend op welke schaal deze problematiek zich op de Noordzee voordoet.
Deelt u de zorgen over de effecten hiervan op onder andere vissen, zeezoogdieren en uiteindelijk ook op de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
De risico’s voor de volksgezondheid en het milieu zijn in het algemeen moeilijk te bepalen. Er zijn studies gepubliceerd waarin mogelijke effecten worden verondersteld onder meer in relatie tot toxische effecten van fijne plastic deeltjes. De wetenschappelijke onderbouwing hiervan is echter nog beperkt.
Deelt u de mening dat het gebruik van microplastics bijdraagt aan het probleem van de plastic soep die zich ophoopt in onze oceanen? Zo ja, deelt u de mening dat het belangrijk is om het probleem bij de bron aan te pakken?
Ja, het introduceren in het zeemilieu van microplastics moet zoveel mogelijk worden voorkomen en daarvoor is een brongerichte aanpak gewenst. Daarbij moet bedacht worden dat alle plastic in zee uiteindelijk uiteenvalt in microplastic-deeltjes; het gaat dus niet alleen om geproduceerde microplastics.
In het kader van de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie laat ik op dit moment de huidige toestand van het zeemilieu en effecten van het vigerend beleid beoordelen. Op basis daarvan neemt het kabinet komend voorjaar een ontwerpbesluit over de goede milieutoestand van de Noordzee in 2020, en de daarbij behorende doelen en beleidsopgave. Het kabinetsbesluit over de Mariene Strategie zal onder meer ingaan op de problematiek rondom afval in zee, waaronder microplastics.
Ten behoeve van het kabinetsbesluit, heb ik door Deltares en het IVM een studie laten verrichten naar de laatste stand van kennis over microplastics en aanbevelingen gevraagd voor verdere kennisontwikkeling. Dit rapport wordt deze maand gepubliceerd.
Bent u bereid zich in te zetten voor een (Europees) verbod op de verkoop van cosmetica en verzorgingsproducten waarin microplastics zijn verwerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u zich hiervoor inzetten?
Eventuele beperkingen voor het op de markt brengen van cosmetische producten dienen op Europees niveau te worden afgesproken. Op Europees niveau zijn in de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG, regels gesteld voor cosmetische producten. Daaronder vallen onder meer eerdergenoemde scrubsen verzorgingsproducten. Uitgangspunt van de verordening is het garanderen van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid. In de verordening zijn geen milieuaspecten meegenomen zodat effecten op het milieu geen grond kunnen zijn voor het opleggen van beperkingen. Ik ben evenwel bereid dit onderwerp bij de Europese Commissie aan de orde te stellen in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie met het doel na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor het terugdringen van de emissie van microplastics.
Bent u bereid de aanwezigheid van microplastics in consumentenproducten aan te kaarten in de verschillende internationale gremia die zich bezighouden met het probleem van de plastic soep, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, de Honolulu Strategie en de Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter? In hoeverre is er bij deze programma’s al aandacht besteed aan dit probleem?
Ja. Nederland heeft het probleem van plastic soep en microplastics reeds geagendeerd in Europees en mondiaal verband. Vanuit de Europese Commissie lopen diverse trajecten om plastic afval op zee aan te pakken. Onder de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie is het probleem van (plastic) afval meegenomen als één van de elf elementen waarvoor een beleidsopgave voor 2020 moet worden geformuleerd en geïmplementeerd. Ook de microplastics problematiek komt hierbij aan de orde. In het voorjaar van 2012 zal het kabinet hierover een ontwerpbesluit nemen. Zie tevens vraag 5.
In mondiaal kader heeft Nederland het onderwerp «plastic soep» geagendeerd bij het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP). Daarbij is aandacht gevraagd voor microplastics. UNEP heeft het onderwerp in het jaarboek 2011 als een van de belangrijkste «emerging issues» geïdentificeerd. In het kader van de VN-top over Duurzame Ontwikkeling (RIO + 20), die in juni 2012 in Rio de Janeiro wordt gehouden, is Nederland penvoerder voor de Europese inzet van één van de twee belangrijkste onderwerpen van de conferentie: groene economie. Het mariene milieu en afval in de oceanen is opgenomen in de EU reactie die op 1 november jongstleden bij de VN is ingediend.
In de Honolulu Strategie, die momenteel wordt uitgewerkt door experts uit bedrijfsleven, wetenschap, NGO’s en overheden, worden microplastics als aandachtspunt opgenomen en worden consumentenproducten genoemd als één van de oorzaken van vervuiling. De Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter is opgesteld door vertegenwoordigers van de plastic industrie. In de tekst wordt niet ingegaan op microplastics in consumentenproducten.
De brief van de directeur-generaal Cultuur en Media gericht aan culturele instellingen van 16 september jl. |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief betreffende het «voornemen beëindiging subsidie per 1 januari 2013», welke op 16 september jl. is verstuurd door uw directeur-generaal Cultuur en Media aan diverse culturele instellingen in de basisinfrastructuur (BIS)?
Ja.
Klopt het dat de aangeschreven instellingen volgens dit schrijven tot vier weken na dagtekening van de brief de tijd hebben om een verzoek in te dienen tot wijziging van de aanwending van subsidie voor 2012?
Ja.
Deelt u de mening dat niet zomaar andere bestedingsdoelen voor de subsidies 2009–2012 kunnen worden bedacht, zonder dat de Kamer daarover heeft gesproken? Zo nee, waarom niet?
De brief biedt instellingen de mogelijkheid tot afspraken te komen om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier kunnen frictiekosten na 2012 worden voorkomen, of zoveel mogelijk worden beperkt. De Kamer is hier over geïnformeerd in de brief Meer dan kwaliteit (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, nr. 1), die op 27 juni met uw Kamer is besproken: «Overigens kan met deze instellingen desgewenst ook worden gekomen tot afspraken om de subsidie voor het restant van de periode 2009–2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier kunnen frictiekosten na 2012 worden voorkomen, of zo veel mogelijk worden beperkt.» Ook in mijn brief van 25 augustus (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, nr. 42) heb ik uw Kamer meegedeeld dat deze instellingen in september worden bericht.
Heeft u over dit voornemen contact gehad met de medeoverheden? Bent u bereid om geen onomkeerbare stappen te nemen tot beantwoording van deze schriftelijke vragen?
Dit voornemen heb ik aangekondigd in de brief Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op cultuurbeleid(Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 820, p. 40). Over deze brief heb ik overleg gevoerd met de andere overheden. Voor 1 november ontvangt uw Kamer de beleidsregel frictiekosten. Op Prinsjesdag 2012 maakt het kabinet de individuele subsidiebesluiten bekend. De nieuwe subsidieperiode start op 1 januari 2013.
Het dreigende ontslag van een homoseksuele docent op een gereformeerde school |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over het dreigende ontslag van een homoseksuele docent op een gereformeerde school?1
Ja.
Is het waar dat deze docent geschorst is en ontslagen dreigt te worden vanwege zijn relatie met iemand van hetzelfde geslacht? Zo ja, wat is uw mening daarover? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het is waar dat deze leerkracht door het schoolbestuur is geschorst. Voor het overige kan ik hierover geen uitspraken doen omdat dit aan de rechter is.
Deelt u de mening dat mensen homoseksueel mogen «zijn» en mogen «doen»? Zo ja, hoe legt u dit uitgangspunt uit ten aanzien van de schorsing en het dreigende ontslag van een homodocent op een gereformeerde school?
Ja, die mening deel ik. Wat betreft uw tweede vraag merk ik op dat ik hierover geen uitspraak kan doen, aangezien het aan de rechter is om te oordelen over het besluit tot schorsing.
Is het voor u ook niet een doorn in het oog dat bijzondere scholen homoseksuelen mogen weigeren of ontslaan, terwijl iedereen gelijk behandeld dient te worden krachtens art.1 van de Grondwet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Er is sprake van een hardnekkig misverstand aangezien noch op een openbare school noch op een bijzondere school leraren of ander personeel geweerd of ontslagen mogen worden vanwege homoseksuele geaardheid of een homoseksuele relatie. Artikel 1 van de Grondwet is onder andere uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). De in artikel 5, tweede lid, onder c, van de Awgb opgenomen uitzondering laat niet toe dat onderscheid wordt gemaakt op grond van het «enkele feit» van homoseksueel zijn. Daaronder valt ook het hebben van een homoseksuele relatie en het samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht.
Deelt u de mening dat van het ontslaan van een homodocent vanwege zijn homoseksuele geaardheid en relatie ook een verkeerd signaal uitgaat voor leerlingen die nog uit de kast moeten komen? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat op elke school in Nederland leerlingen uit de kast moeten kunnen komen en zichzelf moeten kunnen zijn. Daarbij wil ik nogmaals benadrukken dat het ingevolge de Awgb niet is toegestaan aan scholen om een homoseksuele leerkracht of leerling te weren vanwege het enkele feit van zijn homoseksuele geaardheid of het hebben van een homoseksuele relatie. Minstens even belangrijk is dat pesten en discriminatie van leerlingen op welke grond dan ook onacceptabel is en dat geldt ook voor leerlingen die lesbisch, homoseksueel, biseksueel of transgender zijn (LHBT-leerlingen). Om die reden investeert het ministerie van OCW stevig in de sociale veiligheid op scholen, zoals beschreven in de brief «Veiligheid in en rond het onderwijs» van 28 februari 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 29 240, nr. 44).
Deelt u de mening dat gezien de hoge suïcidecijfers onder homojongeren (die vijf keer hoger liggen dan de cijfers van heterojongeren) het onwenselijk is dat er signalen worden afgegeven waaruit blijkt dat men beter niet voor zijn homoseksuele geaardheid kan uitkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat suïcide onder homojongeren een serieus probleem is, dat de volle aandacht verdient van dit kabinet. Vanuit VWS is er vanuit de beleidsverantwoordelijkheid voor het bevorderen van de seksuele gezondheid veel aandacht voor seksuele weerbaarheid, zeker waar het gaat om jongeren. Doel hiervan is onder andere dat jongeren hun wensen en grenzen op het terrein van seksualiteit durven aangeven – dat gaat dus ook om het uitkomen voor bijvoorbeeld homoseksualiteit – en dat anderen dat respecteren. Het ministerie van VWS voert daarnaast suïcidepreventiebeleid uit en brengt jaarlijks verslag uit aan de Tweede Kamer over de uitvoering van dit beleid door middel van de zogeheten Jaarrapportage Vermindering suïcidaliteit. In aanvulling op dit beleid van VWSheb ik recent besloten om een subsidie te verlenen aan Movisie, het COC en Schorer om de weerbaarheid van LHBT-jongeren te vergroten en zo suïcidaal gedrag te voorkomen.
Deelt u de mening dat het ontslaan van een homodocent op basis van seksuele geaardheid een verkeerd signaal is naar homoseksuele leerlingen die acceptatie zoeken in hun omgeving en met name op school? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe veilig zullen homojongeren zich op school voelen, indien homoseksuele docenten niet worden geaccepteerd op bijzondere scholen?
Uiteraard is het belangrijk dat ook homoseksuele jongeren het gevoel hebben dat zij zichzelf kunnen zijn. In dat licht bezien biedt de enkele feit-constructie ook hen rechtsbescherming. Daarnaast vind ik het belangrijk dat schoolbesturen ook actief uitdragen en bevorderen dat docenten veilig hun werk kunnen doen en niet gepest of geïntimideerd worden op welke grond dan ook. Dit geldt zeker ook voor LHBT-docenten en jongeren. Zie in dat kader ook het antwoord op vraag 5.
Gaat het kabinet prioriteit geven aan de acceptatie en veiligheid van homoseksuelen of aan het tegengaan van de mogelijkheid van het bijzonder onderwijs om homodocenten te discrimineren?
Ook in het bijzonder onderwijs mogen homoseksuele leerkrachten niet gediscrimineerd worden. Zie ook het antwoord op vraag 4. Het kabinet heeft in het regeerakkoord opgenomen dat het de emancipatie van LHBT-ers wil bevorderen en daartoe concreet beleid zal ontwikkelen. Dat geldt niet alleen voor de acceptatie en veiligheid van LHBT-ers op scholen, maar ook voor die van LHBT-ers op straat en in wijken. In de hoofdlijnenbrief emancipatie (Kamerstukken II, 2010/11, 27 017, nr. 74) staan de beleidsintenties op dit punt helder beschreven. Binnenkort zal ik u via de toegezegde voortgangsrapportage emancipatie nader informeren over de uitvoering daarvan.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van de enkel-feitconstructie? Wanneer kunnen we dit standpunt verwachten?
Tijdens de behandeling van wetsvoorstel 31 832 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens mij aangegeven dat het kabinet met een standpunt komt over de enkele feit-constructie, uiterlijk in het kader van de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel dat ertoe strekt, de enkele feit-constructie uit de Awgb te schrappen (wetsvoorstel 32 476 van Van der Ham c.s. ingediend op 7 september 2010). Daarbij zullen ook het tekstvoorstel van het vorige kabinet en de uitkomst van de internetconsultatie over het concept-wetsvoorstel Integratiewet Awgb worden betrokken.
De 'vrijwillige' bijdrage die ROC's vragen aan scholieren die volwassenonderwijs volgen |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Onderschrijft u het oordeel van scholierenorganisatie het LAKS, dat Regionale Opleidingscentra (ROC)s zich willens en wetens niet aan de wet houden bij de «vrijwillige» bijdrage die deze vragen aan scholieren die volwassenenonderwijs volgen?1
Ik heb kennisgenomen van het persbericht van LAKS. In beginsel is het de scholen toegestaan een vrijwillige bijdrage te vragen van hun studenten. Studenten zijn echter nooit verplicht om akkoord te gaan met een vrijwillige bijdrage. De hoogte en de aanwending ervan mag de school zelf bepalen, met dien verstande, dat een besluit daarover de instemming behoeft van de deelnemersraad.
Roc’s mogen niet de toegang weigeren c.q. inschrijving weigeren op grond van het niet-betalen van een vrijwillige bijdrage. De wet stelt immers, dat de inschrijving voor een opleiding niet afhankelijk gesteld kan worden van andere geldelijke bijdragen dan het les- of cursusgeld. De inspectie heeft bij LAKS nadere informatie opgevraagd en zal na het verkrijgen van de informatie beoordelen of hier sprake is van niet-naleving van de wet. Ingeval van niet-naleving van de wet zal de inspectie het bevoegd gezag hierop aanspreken en maatregelen eisen.
In de onderwijspraktijk is echter een verwevenheid ontstaan van de vrijwillige bijdrage met leermiddelen die studenten noodzakelijkerwijs dienen aan te schaffen om de opleiding goed te kunnen afronden. In mijn antwoorden op de vragen van de leden Çelik, Smits en Beertema d.d. 24 juni (Kamervragen (aanhangsel) 2010–2011, 2962–2964) heb ik aangegeven, dat in de praktijk een grijs gebied is ontstaan, mede door de ontwikkelingen op ict-gebied, waardoor niet altijd duidelijk is welke schoolkosten voor rekening van de overheid/scholen is, welke schoolkosten voor noodzakelijke leermiddelen voor rekening van de student zijn en wat tot de vrijwillige bijdrage gerekend mag worden.
Naar aanleiding van de vele klachten en onduidelijkheden over schoolkosten en vrijwillige bijdragen in het mbo ben ik nu bezig met het opstellen van een richtlijn die helderheid gaat geven aan zowel de mbo-scholen als studenten en ouders over schoolkosten te betalen door de studenten, schoolkosten te betalen door de school/overheid en vrijwillige bijdragen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met JOB, MBO Raad en de inspectie. Deze richtlijn biedt de scholen, studenten en ouders straks meer helderheid over wat wel en wat niet mag en geeft de inspectie houvast in de beoordeling van extra schoolkosten en vrijwillige bijdragen die gevraagd worden aan studenten. Zonodig zal ook de wetgeving hierop aangepast worden. Ik beoog de scholen, studenten en ouders uiterlijk maart 2012 te informeren over de richtlijn «extra schoolkosten/vrijwillige bijdrage» opdat voor het volgende schooljaar hiermee rekening gehouden kan worden.
Klopt het dat de vrijwillige bijdrage die ROC’s vragen aan hun scholieren kan oplopen tot boven de 200 euro en dat dit bedrag in een aantal gevallen zelfs ter plekke bij de receptie van scholen dient te worden afgerekend?
De hoogte en de aanwending van de vrijwillige bijdrage mag de school zelf bepalen, met dien verstande dat een besluit daarover de instemming behoeft van de deelnemersraad. De inspectie gaat op basis van de informatie van LAKS na wat er aan de hand is in deze specifieke individuele situaties. Omdat het om een vrijwillige bijdrage gaat, kan dan ook niet geëist worden dat deze ter plekke betaald wordt.
Hoe beoordeelt u de melding van een scholier dat het ROC zijn inschrijving niet wilde voltooien als hij de vrijwillige bijdrage niet ter plekke zou betalen?
Dit mag niet. De school mag de inschrijving niet afhankelijk stellen van het betalen van de vrijwillige bijdrage. De inspectie zal nader onderzoek doen op basis van de informatie van LAKS. Als de inspectie constateert dat de instelling in strijd handelt met de wet kan in het uiterste geval een bekostigingssanctie worden opgelegd.
Gaat u stappen ondernemen tegen de betrokken ROC’s? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet? Hoe vaak moeten Kamerleden hierover vragen stellen zodat bij de ROC’s de ernst van de zaak doordringt en zij zich gaan houden aan de wet?
De inspectie gaat dit verder onderzoeken. Het hangt echter mede af van de concreetheid van de informatie die LAKS beschikbaar heeft of de inspectie nader onderzoek kan doen bij de betreffende Roc’s. Verder werk ik samen met JOB, MBO Raad en inspectie aan de richtlijn die voor de toekomst duidelijk maakt wie waarvoor financieel verantwoordelijk is.
Ondermaats onderwijs op particuliere vwo-scholen |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat particuliere vwo-scholen vaak relatief simpele schoolexamens afnemen, waardoor leerlingen het centraal eindexamen met hoge cijfers ingaan? Klopt het dat deze leerlingen daar duidelijk lager scoren dan gemiddeld, waarbij hun cijfers worden gecompenseerd door de eerdere resultaten van de schoolexamens?1
Op 14 april 2009 (TK 2008–2009, 31 289, nr. 58) heb ik u geïnformeerd over de zogenoemde zelfstandige exameninstellingen. Aanleiding was een rapport van de Inspectie van het onderwijs over deze instellingen. Ik heb toen aangegeven dat de inspectie onder meer intensief toezicht zou blijven houden op het verschil tussen de eindcijfers voor het schoolexamen en de cijfers voor het centraal examen. Het toezicht op de kwaliteit van de toetsing is geïntensiveerd en de instellingen hebben vervolgens aantoonbaar hun kwaliteitscontrole en borging van de toetsen verbeterd.
Tevens heb ik aangekondigd dat het gemiddeld verschil tussen de schoolexamencijfers en de cijfers van het centrale examen over drie examenjaren niet groter mag zijn dan 0,5. Dit is voor alle instellingen een extra stimulans om de gestarte verbeterslag voort te zetten. Bij de zelfstandige exameninstellingen die naar het oordeel van de Inspectie niet snel genoeg verbeteren, zal streng kunnen worden ingegrepen. Immers, na het van kracht worden van het betrokken wetsvoorstel (TK, 2010–2011, 32 558), kan een sanctie verbonden worden aan de overtreding op dit punt. De sanctie betreft het intrekken van de examenlicentie voor twee jaren. De examens worden in dat geval afgelegd als staatsexamen onder verantwoordelijkheid van het College voor Examens. De school betaalt de kosten daarvan.
Het gemiddelde cijfer voor het centraal eindexamen ligt in alle vakken momenteel onder het niveau van het bekostigd voortgezet onderwijs, maar boven het niveau van het bekostigd volwassenen onderwijs. Een groot deel betreft een specifieke groep leerlingen die, naar het zich laat aanzien, qua leerlingkenmerken overeenkomt met de populatie deelnemers van het bekostigd vavo. Zoals het Onderwijsverslag aangeeft zijn bovendien de gemiddelde cijfers voor het centraal eindexamen de laatste drie jaar enigszins toegenomen.
Het Onderwijsverslag laat tevens zien dat de laatste drie jaar de verschillen tussen het gemiddelde cijfer voor het schoolexamencijfer en het eindexamencijfer voor de schoolsoorten mavo en havo onder de norm van «groot verschil» zijn gekomen en daarmee voldoen aan de gestelde eisen. Voor de schoolsoort vwo is ook een verbetering waarneembaar, maar deze ontwikkeling verloopt langzamer dan voor het mavo en het havo. Het toezicht op de vwo schoolsoort is in de meeste instellingen derhalve geïntensiveerd.
Betekent dit dat diploma’s in feite te koop zijn?
Neen, zie mijn antwoord op vraag 1. Ook deze leerlingen moeten er voor werken om de school succesvol te doorlopen.
Vindt u het acceptabel dat de examenkandidaten bij deze scholen met de aldus opgekrikte hogere cijfers meer kans maken ingeloot te worden bij studies?
Neen, en ook voor de kandidaten is dit niet wenselijk, aangezien de kans op uitval groot is. Daarom heb ik de Inspectie gevraagd, intensief toezicht te houden. De instellingen weten dat ze het risico lopen de licentie voor het afnemen van examens te verliezen.
Ziet u het als een oplossing als de betrokken particuliere scholen niet langer meer zelf de (school)examens afnemen en de leerlingen alleen nog maar mogen voorbereiden op een staatsexamen?
Als de scholen en instellingen die zelfstandig examen mogen afnemen en diploma’s uitreiken voldoende kwaliteit leveren en geen groot verschil hebben tussen het schoolexamen en centraal examencijfer, dan zie ik deze vorm van particulier onderwijs als een welkome aanvulling op het bestaande onderwijsaanbod.
Bent u van oordeel dat de LUZAC-colleges de problematiek van het grote gemiddelde verschil tussen schoolexamencijfers en centraal examencijfers al adequaat hebben verholpen? Zo nee, op welke punten laat hun aanpak nog te wensen over?
Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2.
Het nieuws dat het pgb nóg goedkoper is dan het Kabinet dacht |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel1 waarin staat dat het Persoonsgebonden budget (pgb) nóg goedkoper is dan het Kabinet dacht?
Ja.
Is er met de vaststelling van het subsidieplafond rekening gehouden met het gegeven dat er jaarlijks rond de 10% budget wordt teruggestort door spaarzame budgethouders?
Het gegeven dat mensen met een pgb niet altijd hun hele budget opmaken, is bekend en als zodanig ook met uw Kamer gedeeld. Zo staat in de pgb-brief van 21 juni jl. (TK, vergaderjaar 2010–2011, 30 597, nr. 196) dat een belangrijk ervaringsgegeven is dat ongeveer 10% van het pgb niet wordt uitgegeven en dat hier in de raming en in de huidige bekostiging rekening mee wordt gehouden.
Mag het niet gebruikte pgb-budget onder bepaalde condities «meegenomen» worden naar de begroting van het volgende jaar?
Nee, dat kan niet, noch op het niveau van de cliënt noch op het niveau van de Rijksbegroting. Tot en met 2004 was het mogelijk dat mensen met pgb die aan het eind van het kalenderjaar budget over hadden, 10% daarvan konden meenemen naar het volgende jaar. Vanwege grote administratieve problemen bij zorgkantoren uit hoofde van deze regeling is deze afgeschaft.
De pgb-regeling is een premiesubsidie en valt onder het Budgettair Kader Zorg (BKZ). Dit kader en de daarop van toepassing zijnde regels voor het stringente begrotingsbeleid cq. de regels budgetdiscipline laten het in beginsel niet toe dat budgetten worden doorgeschoven naar latere jaren.
Zou de hoogte van het niet-gebruikte pgb kunnen oplopen als daar bepaalde maatregelen voor genomen worden, bijvoorbeeld het door de zorgkantoren beter toezien op de verantwoording?
Het niet besteden van een deel van het pgb kan meerdere oorzaken hebben. Zo kan het zijn dat budgethouders (tijdelijk) minder uren zorg inkopen of dat zij voordelige tarieven met hun zorgaanbieder hebben afgesproken. De budgethouder kan hierover naar eigen inzicht afspraken met zijn zorgverleners maken. Het veranderen of verder aanscherpen van de verantwoordingssystematiek zal hierop geen invloed hebben. Ik zie ook geen andere maatregelen die het niet-gebruikte pgb kunnen laten toenemen, zonder de keuzevrijheid van de budgethouder aan te tasten.
Klopt het dat het pgb op basis van de berekening van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) 63% kost van het tarief voor zorg in natura? Kan de Kamer die berekening ontvangen voor de behandeling van de begroting VWS?
Nee, dit klopt niet. Een eventueel verschil in kosten tussen pgb en zorg in natura is op basis van CVZ-gegevens niet te maken. Bij een vergelijking tussen beide zorgvormen is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de vergoedingen (de tarieven) en de daadwerkelijk te maken kosten. De pgb-tarieven voor mensen met een extramurale AWBZ-indicatie zijn circa 75% van de maximumtarieven van de zorg in natura. Dit zegt niet direct iets over een eventueel verschil in kosten tussen zorg in natura en pgb-gebruik. Hierbij is het van belang om rekening te houden met de mate van onderbesteding bij het pgb (circa 10%), gemaakte tariefafspraken tussen zorgkantoor en zorgaanbieders onder de maximumtarieven van de NZa en de hoeveelheid zorg die wordt afgenomen.
Het artikel “Rampweek voor Syntus: alwéér seinstoring” |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Rampweek voor Syntus: alwéér seinstoring»?1
Ja.
Kent u uw antwoorden op de vragen van 18 juni 2010 over dit onderwerp?2
Ja
Kunt u aangeven of het betreffende baanvak nog steeds het slechtst gewaardeerde baanvak van Nederland is? Zo ja, hoe verklaart u dit? Wat gaat u doen om dit op te lossen? Zo nee, hoeveel baanvakken worden er slechter gewaardeerd?
Er heeft een aanzienlijke verbetering van de prestaties plaatsgevonden sinds juni 2010 (punctualiteit toen rond de 75%, aantal uitgevallen treinritten rond de 10%). Zowel het aantal vertragingen als het aantal uitgevallen dan wel opgeheven treinritten op het baanvak is aanzienlijk teruggedrongen. Inmiddels wordt er een punctualiteit behaald van gemiddeld rond de 90% en is het aantal uitgevallen treinritten teruggebracht tot minder dan 3%. Er is sprake van een situatie die weinig afwijkt van het landelijk gemiddelde.
In 2010 werd het baanvak Arnhem-Winterswijk volgens de OV-klantenbarometer het slechtst gewaardeerd van alle lijnen. Het «Algemeen klantenoordeel van alle onderzoeksgebieden» bedroeg 5,9 (Bron: OV Klantenbarometer, maart 2011).
Deze meest recente cijfers van OV Klantenbarometer (publicatiedatum maart 2011) geven echter geen actueel beeld; de enquêtes zijn al in het najaar van 2010 afgenomen. Op dat moment was de verbetering van de prestatie van het baanvak nog niet structureel merkbaar. Met de situatie van zomer 2010 nog in het hoofd is het logisch dat het klantoordeel op deze lijn nog steeds erg laag was. Er zijn geen recentere reizigerswaarderingscijfers beschikbaar.
Kunt u een overzicht geven van de storingen op het baanvak Arnhem–Winterswijk vanaf juni 2010? Ziet u ten opzichte van juni 2010 verbeteringen in de prestaties? Zo ja, is het mogelijk deze lijn nog verder door te trekken? Zo nee, waarom niet? Is het mogelijk om aan te geven waardoor de storingen zijn veroorzaakt? Is er nog steeds sprake van «kinderziektes»?
Er is een duidelijke verbetering van de prestaties zichtbaar sinds juni 2010, zoals ik in vraag 3 heb aangegeven. Deze prestatieverbetering is het gevolg van een groot aantal maatregelen die zijn getroffen ter verbetering van de robuustheid en punctualiteit. Hiervoor heeft ProRail samen met de vervoerder en de provincie Gelderland in september 2010 een lijnteam opgericht met de volgende aanpak:
Ondanks de aanzienlijke verbetering van de prestaties sinds juni 2010 zijn ProRail, Syntus en de Provincie van mening dat de prestatie voor de reiziger verder omhoog moet. Daarom werken zij vanuit het genoemde lijnteam samen aan het verder terugdringen van het aantal vertraagde en uitgevallen treinen. Voor de nabije toekomst zijn onder andere de volgende maatregelen voorzien:
Heeft ProRail ondertussen het baanvak Arnhem–Winterswijk vernieuwd? Zo ja, wat is dan de reden van de vele storingen? Zo nee, waarom niet?
Op het baanvak is een groot aantal maatregelen getroffen, zoals onder vraag 4 is toegelicht. Er heeft geen totale vernieuwing plaatsgevonden.
Zoals aangeven bij de beantwoording van vraag 3 is er hierdoor een aanzienlijke verbetering van de prestaties zichtbaar sinds juni 2010. De verstoringen die nu nog plaatsvinden, zijn grofweg door 40% materieel, 30% infra, 20% weer en derden, 10% proces/onbekend
De verschillende betrokken partijen werken vanuit het genoemde lijnteam samen aan het verder terugdringen van deze verschillende categorieën van storingen en daarmee het verbeteren van de prestaties voor de reiziger.
Deelt u de mening dat het vertrouwen van reizigers in de Achterhoek in het openbaar vervoer op deze manier verder geschonden wordt? Op welke wijze kunt u ervan bijdragen om het vertrouwen te herstellen?
Vertrouwen van reizigers in het openbaar vervoer valt of staat met een betrouwbare en punctuele uitvoering van de dienstregeling. Zowel ProRail als Syntus werken voortdurend aan het verbeteren van de betrouwbaarheid en de punctualiteit. Daarnaast worden thans activiteiten door beide partijen ontplooid die eveneens bijdragen aan het verhogen van een betrouwbare en punctuele dienstregeling.
Bent u voornemens ProRail en Syntus op te roepen gedupeerde reizigers tegemoet te komen?
Ik beschouw dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ProRail en Syntus.
Voor zover ik kan beoordelen stellen zij ook alles in het werk om in gemeenschappelijkheid de reizigers tegemoet te komen.
Wat is uw beoordeling van de genomen maatregelen om gestrande reizigers zo snel mogelijk met alternatief vervoer te kunnen vervoeren? (Zie uw antwoord op vraag 6 van de eerder genoemde vragen)
Op grond van de verleende concessie is Syntus verplicht voor vervangend busvervoer te zorgen, dat binnen een uur ter plaatse moet zijn. Voor incidentele verstoringen is dat een adequate oplossing.
Welke maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat de storingen zich voor blijven doen?
Ik heb er het volste vertrouwen in dat beide partijen er alles aan zullen doen om het aantal verstoringen blijvend terug te dringen.
Wie is er nu verantwoordelijk voor de verstoringen: Syntus of Prorail?
Zie ook het antwoord op vraag 5. Als het gaat om infrastructuurstoringen is ProRail verantwoordelijk. Als het gaat om materieel verstoringen is Syntus verantwoordelijk. Daar komt bij dat er ook sprake is van verstoringen als gevolg van derden. Hierbij moet u denken aan vandalisme, zogenaamde spoorlopers, en aanrijdingen. In goed overleg wordt in deze gevallen door beide partijen naar een oplossing gezocht die tot gevolg heeft, dat activiteiten worden ontplooid die bijdragen aan het herstel van de betrouwbaarheid van de infrastructuur en de treindienst.
Niet-reanimeerpenningen voor kwetsbare ouderen |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er oudere patiënten zijn die worden gereanimeerd, terwijl dit onnodig en ongewild zou zijn?1
Ja. Ik verwacht dat Verenso dit alles verwerkt in de «Richtlijn reanimatiebeleid kwetsbare ouderen in verzorgingshuizen, verpleeghuizen en in de thuissituatie» die zij medio 2012 hoopt op te leveren.
Weet u dat de kans op schadelijke gevolgen en medische klachten na een geslaagde reanimatie bij kwetsbare ouderen erg hoog is, en de kwaliteit van leven na de reanimatie dus waarschijnlijk lager ligt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het met Verenso eens dat het voor een hulpverlener die een patiënt niet geregeld ziet, zoals een ambulancebroeder of huisarts, moeilijk is in te schatten of de patiënt nog gereanimeerd wil worden?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van de suggestie om kwetsbare ouderen, na een gesprek met een arts, een niet-reanimeerpenning te geven, waardoor ambulancebroeders of huisarts weten of zij in noodgevallen moeten reanimeren of niet?
Indien een cliënt, na het gesprek met een arts, van mening is dat – gezien zijn kwetsbare gezondheidssituatie – reanimatie extra risicovol is en hij op grond hiervan dus de keuze maakt dat hij niet gereanimeerd wil worden, moet die keuze te allen tijde worden gerespecteerd.
Vervolgens vind ik dat de situatie waarbij deze cliënt tegen zijn keuze in onverhoopt wel gereanimeerd wordt, maximaal moeten worden voorkomen. Een niet-reanimeerpenning kan in dit verband een goede suggestie zijn, maar ik weet dat binnen zorginstellingen soms ook andere oplossingen worden gekozen, die ook prima werkbaar blijken. Ik verwacht dat Verenso in de «Richtlijn reanimatiebeleid kwetsbare ouderen in verzorgingshuizen, verpleeghuizen en in de thuissituatie» ook ten aanzien van dit punt met een zinvolle en praktisch goed toepasbare aanbeveling zal komen. Met Verenso heb ik afgesproken dat zij de richtlijn medio 2012 zullen opleveren.
De praktijken van privékliniek Geertgen uit Elsendorp |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de privékliniek Geertgen, die mensen die zwanger willen worden of een kind willen, aanzet tot donorschap?1
De kliniek Geertgen past aldus de website waarnaar deze vraag verwijst, een systeem van coöperatieve wederkerigheid toe.
Onlangs heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) haar standpunt «Gameetdonatie in een systeem van faire wederkerigheid» uitgebracht. In dit standpunt geeft de NVOG in haar conclusie aan (zie hiervoor ook www.nvog.nl) dat terughoudendheid is geboden omdat het een kwetsbare patiëntengroep betreft, deze stellen zich in een afhankelijkheidspositie bevinden en daarmee de vraag rijst of zij wel in volledige vrijheid een beslissing kunnen nemen over eventuele gameetdonatie. De NVOG is daarom van mening dat er procedurele waarborgen moeten komen om deze vrijheid te garanderen. Zolang deze waarborgen ontbreken meent de NVOG dat medewerking aan spiegeldonatie van gameten in een systeem van faire wederkerigheid onzorgvuldig en derhalve ongewenst is.
Ik waardeer het initiatief van de NVOG tot het opstellen van een standpunt over een dergelijk gevoelig onderwerp. Het standpunt roept echter, juist waar het gaat over de vraag in hoeverre mensen in deze situatie in vrijheid kunnen beslissen, nog veel vragen op. Tegelijkertijd zien we dat de problemen door draagmoederschap in het buitenland, waarnaar steeds meer Nederlandse stellen hun toevlucht zoeken, toenemen. Daarom wil ik mij beraden op deze problematiek. Ik zal de Kamer in het eerste kwartaal van 2012 een bredere analyse schetsen en mijn standpunt hierover doen toekomen. Deze tijd neem ik omdat grote zorgvuldigheid op dit onderwerp is vereist, mede gezien de samenhang met andere vraagstukken rondom donatie.
Vindt u het geoorloofd dat mensen, waarbij een grote kinderwens bestaat, zo tot een handelwijze worden gedwongen waar de privékliniek voordeel aan heeft doordat deze kliniek extra behandelingen kan verrichten? Is dit geen misbruik maken van de moeilijke situatie waarin deze mensen verkeren?
Zie antwoord vraag 1.
Wat uw oordeel over het volgende geval waarbij een patiënt door Geertgen een medisch zwaardere behandeling krijgt aangeboden als zij eicellen doneert terwijl een lichtere ingreep op medische gronden is geïndiceerd?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de financiële voordelen voor deze privékliniek bij deze handelwijze?
Meer behandelingen zal leiden tot een hoger omzet voor de kliniek. Ik heb er geen zicht op of en in hoeverre dat leidt tot financieel voordeel.
Past deze handelwijze binnen de Nederlandse wetgeving, zeker ook gezien het feit dat deze kliniek geen vergunning heeft voor In Vitrofertili-satie (IVF) behandelingen?3 Zo neen, wat gaat u daartegen ondernemen?
De ivf-vergunning regelt niets over eiceldonatie. De vraag of de handelswijze van Geertgen past binnen de Nederlandse wetgeving en in het bijzonder binnen artikel 5 Embryowet, maakt onderdeel uit van mijn beraad.
Is de handelwijze van Geertgen niet in strijd met artikel vijf van de Embryowet?3
Zie antwoord vraag 5.
Wat voor personeelsleden werken bij Geertgen? Zijn zij bevoegd? Is er sprake van dat zij ooit te maken hebben gekregen met een of andere tuchtmaatregel als waarschuwing, berisping, boete, schorsing of doorhaling?
Op de website van de kliniek Geertgen wordt aangegeven dat er verschillende disciplines in het centrum werken, waaronder gynaecologen, een embryoloog en verpleegkundigen. Voor alle artsen van Geertgen is nagegaan of zij een BIG-registratie hebben dan wel of er een doorhaling is opgelegd door een tuchtcollege voor de gezondheidszorg. Bovendien is nagegaan of deze personeelsleden beperkingen zijn opgelegd in de zin van schorsing, opleggen van voorwaarden of gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid. Hieruit is gebleken dat de artsen werkzaam bij de kliniek Geertgen over een BIG-registratie beschikken. Aan geen van hen is een beperking opgelegd. De persoonsgegevens van de verpleegkundigen op de website zijn te beperkt om gegevens in het BIG-register te kunnen vinden. Ik zie geen aanleiding nadere onderzoekingen te doen om die gegevens alsnog te achterhalen.
Is het waar dat Geertgen bepaalde behandelingen in het buitenland (België) laat doen om de Nederlandse wetgeving te ontduiken? Zo ja, om welke behandelingen gaat het dan en wat is daarover uw oordeel?
Op grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (WBMV) is het buiten het menselijk lichaam tot stand brengen van embryo’s vergunningplichtig. Dit is de verrichting die Geertgen in Düsseldorf laat uitvoeren, omdat de kliniek zelf geen vergunning heeft voor het verrichten van deze handeling.
Geertgen overtreedt daarmee niet de WBMV.
Klopt het dat het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven de samenwerking met Geertgen heeft opgezegd? Zo ja, wat was daarvan de reden?
Ik heb niet bij Geertgen navraag gedaan naar de redenen voor het beëindigen van de samenwerking met het Catharina ziekenhuis en vind dat ook niet op mijn weg liggen.
Wat is het oordeel van de Inspectie voor de Gezondheidszorg ten aanzien van zowel kwalitatieve als ethische aspecten van de behandelingen van Geertgen?
De IGZ volgt de kliniek Geertgen al vele jaren, daarbij uiteraard toetsend aan alle relevante wetgeving. Recent contact met Geertgen heeft ertoe geleid dat de IGZ Geertgen heeft aangesproken op het ontbreken van externe kwaliteitstoetsing. Geertgen heeft tot december 2011 de tijd gekregen om dit op orde te brengen. Buiten dit heeft de IGZ geen andere feiten geconstateerd die aanleiding gaven tot maatregelen. Vanzelfsprekend blijft de IGZ de betreffende kliniek in de gaten houden, net als zij dat bij andere zorginstellingen doet.
Wat is het standpunt van de beroepsvereniging, de Nederlandse Vereniging van Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), in deze?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2 en 3.
Deelt u de mening, dat wanneer het gaat om verzekerde zorg, slechts medische redenen doorslaggevend mogen zijn bij de behandeling van patiënten en dat iedereen op zijn of haar beurt moet wachten tenzij er sprake is van een medische noodsituatie, dus dat voorkruipzorg uit den boze is? Wilt u uw standpunt toelichten?
Ik sta op het standpunt dat medische criteria leidend moeten zijn bij het bepalen van de behandelvolgorde in geval van begrensde behandelmogelijkheden. Dit vloeit ook voort uit de Kwaliteitswet zorginstellingen die bepaalt dat aanbieders gehouden zijn verantwoorde zorg te leveren. Op de vraag in hoeverre dit standpunt voor de vragen over Geertgen relevant is kom ik terug in mijn hierboven toegezegde standpunt.
Ook de in de vraag gebruikte term voorkruipzorg lijkt niet erg van toepassing. Die term is enige jaren geleden ontstaan vanuit situaties waarin verzekeraars met ziekenhuizen afspraken hadden gemaakt over een snelle behandeling voor de eigen verzekerden en situaties met bedrijvenpoli die een snelle behandeling van werknemers in het vooruitzicht hadden gesteld.
Mogelijk zijn wel bepaalde elementen uit de discussies over voorkruipzorg bij het systeem dat Geertgen hanteert aan de orde. Ik zal hierop terugkomen in mijn standpunt.
Bent u bereid in te grijpen bij Geertgen? Zo neen, waarom niet? «Een maatschappelijk vernieuwend beleid door coöperatieve wederkerigheid tussen Behandelcentrum Geertgen en de patiënt in donatie van geslachtscellen»
De beoordeling of er reden is in te grijpen bij Geertgen laat ik aan de IGZ over. Het antwoord op vraag 10 geeft wat dit betreft de stand van zaken weer.
«Een maatschappelijk vernieuwend beleid door coöperatieve wederkerigheid tussen Behandelcentrum Geertgen en de patiënt in donatie van geslachtscellen»
Een paar met een onvervulde kinderwens, veroorzaakt door een ernstige oligozoöspermie, bezoekt het spreekuur van een fertiliteitscentrum. Ze willen gaan voor donorinseminatie met onbekende donor en niet voor ICSI, een variant van IVF.
Het IVF centrum heeft geen donorbank en daarom maken zij een afspraak in Geertgen. Zij willen gaan voor inseminatie met donorzaad, maar krijgen daar te horen dat ze eerder behandeld kunnen worden zonder wachtlijst, als zij bereid is ook eicellen af te staan. Het afstaan van eicellen kan niet tijdens een inseminatie behandeling en daarom wordt IVF aangeraden. Daarbij kun je de helft van de eicellen gebruiken voor eigen voortplanting met donorzaad en kun je de andere helft doneren. Het paar wil graag snel door met de behandeling en kiest daarom voor de optie van IVF met donorzaad, waarbij de vrouw een deel van de eicellen doneert aan derden. Daartoe moet ze dus wel IVF ondergaan en niet de eenvoudigere behandeling «inseminatie». Eigenlijk ondergaat ze dus een zwaardere en duurdere behandeling (IVF) terwijl medisch gezien er slechts een indicatie bestaat voor de goedkopere en minder belastende behandeling (IUI). Dat vooral dus omdat ze daarmee de wachtlijst ontloopt.