Het bericht ‘Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-bericht «Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland»?1
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlands bedrijf zo lang ongemerkt illegaal producten kon exporteren naar Rusland via Azerbeidzjan die rechtstreeks nodig zijn voor de illegale oorlogsvoering ter waarde van tientallen miljoenen euro’s?
In algemene zin geldt dat sanctieomzeiling onacceptabel is. Daarom heeft de aanpak van sanctie-omzeiling de hoogste prioriteit voor het kabinet. Daarbij wordt ingezet op analyse van handelsstromen, samenwerking, handhaving en aanvullende sanctiemaatregelen waar nodig. De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de in-, door- en uitvoer van goederen is de verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de Douane risicogericht handhaaft. Als er een verhoogd risico op sanctieomzeiling wordt geconstateerd, dan worden de gehanteerde risicoprofielen hierop aangescherpt. De Douane werkt nationaal en internationaal samen met andere (uitvoerings-)organisaties, de Europese Commissie en andere lidstaten om signalen die mogelijk op omzeiling wijzen uit te wisselen.
Desalniettemin blijft het tegengaan van omzeiling van de sanctiemaatregelen tegen Rusland via derde landen een grote uitdaging in de handhaving. Dit komt door de lange en complexe handelsketens, maar ook de omvang van handelsstromen vanuit Nederland. Over individuele bedrijven, specifieke handhavingsaanpak en de door de Douane onderkende risico’s doet het Kabinet geen uitspraken.
Is het bedrijf inmiddels gestopt met de illegale import? Op welke manier wordt dit gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het bedrijf gesanctioneerd, zo ja, wat is de sanctie? Zo nee, waarom niet?
Het schenden of omzeilen van EU-sancties geldt als een economisch delict. Wanneer vanuit de handhavingstaak van de Douane geconcludeerd wordt dat een bedrijf sancties heeft overtreden, wordt de zaak voorgelegd aan het OM voor strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de Douane in 2025 422 handhavingsonderzoeken afgerond waar onder andere onderzoek is gedaan naar de naleving van de sanctiewetgeving. In 2025 zijn 16 onderzoeken overgedragen aan het Functioneel Pakket van het OM.
Wordt er meteen via het ImportGenius databedrijf uitgezocht of er meer illegale goederen worden geëxporteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gebruikt diverse informatiebronnen om handelsstromen richting Rusland te onderzoeken en omzeiling op te sporen.
Heeft het bedrijf Valvoline AZ nog anderszins banden met Nederland?
Het kabinet gaat niet in op individuele bedrijven. Wanneer signalen over sanctieomzeiling naar specifieke entiteiten in derde landen aan het licht komen neemt de Douane gepaste actie om dit naar de toekomst toe te voorkomen. Daarnaast vinden uiteraard ook eventuele handhavingsacties binnen Nederland plaats.
Het bericht 'Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen' |
|
Björn Schutz (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen»?1
Bent u ervan op de hoogte dat in de treinen van de NS-reclame is uitgezonden van China Media Group (CMG)?
Deelt u de mening dat het Centrale Propaganda Departement onder andere gericht is op buitenlandse beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat buitenlandse mogendheden toegang hebben tot advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, zoals het openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat staatsbedrijven, zoals de NS, een voorbeeldfunctie hebben om buitenlandse mogendheden geen reclameruimte te bieden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kunnen staatsbedrijven, zoals de NS, afstemmen en schakelen met een contactpersoon binnen de rijksoverheid over zaken als buitenlandse inmenging en beïnvloeding? Zo ja, tot wie kunnen zij zich richten en is dat op dit moment ook gebeurd? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken of hier behoefte aan is?
In hoeverre kunnen commerciële partijen, zoals DSBP-consultants, schakelen met contactpersonen binnen de rijksoverheid over ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding?
Bestaan er richtlijnen of kaders vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over samenwerking met buitenlandse propagandakanalen? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer en zijn deze ook gedeeld met de NS? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan om in gesprek te treden met de NS over bovenstaande zaak en het advertentiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de NS zich niet kan verschuilen achter het argument dat het advertentiebeleid formeel is nageleefd?
Zijn er bij u andere gevallen bekend van de afgelopen twaalf maanden waarbij buitenlandse mogendheden gebruik maken van advertentieruimte van de NS?
Het bericht 'Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is»?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja.
De gasprijzen zijn sterk gestegen door de huidige situatie in het Midden-Oosten. De meeste Nederlandse consumenten zijn echter op korte termijn beschermd tegen prijsschokken doordat ze een vast contract hebben waarmee de prijs voor langere tijd vastligt. Voor huishoudens met een dynamisch contract of die een nieuw energiecontract moeten afsluiten, kunnen de gestegen gasprijzen wel impact hebben.
Bent u bekend met het bericht «TNO: niet alle gasputten Groningen dichtmetselen, acuut tekort denkbaar»?2 Hoe beoordeelt u de uitspraken van TNO?
Ja. Het kabinet heeft kennisgenomen van de opvatting van TNO. Het kabinet ziet geen aanleiding om terug te komen op het besluit om de gaswinning uit het Groningenveld te beëindigen; een besluit dat met een zeer ruime meerderheid door zowel de Tweede als de Eerste Kamer is genomen.
Erkent u dat het heropenen van het Groninger gasveld zou betekenen dat de energierekening omlaag gaat voor Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Het heropenen van het Groningenveld betekent niet dat de energierekening voor Nederlanders omlaag gaat. Op de Nederlandse gashandelsplaats, de Title Transfer Facility (TTF), is in 2025 meer dan 77.000 TWh verhandeld en 442 TWh afgeleverd.3 Hiermee is in dat jaar meer verhandeld op de Nederlandse gashandelsplaats dan Nederland in ca. 250 jaar verbruikt, terwijl het afgeleverde volume een omvang heeft van slechts ca. 1,5 keer het Nederlandse jaarverbruik. Omdat er zoveel gas wordt verhandeld op de TTF zullen volumes uit het Groningenveld geen invloed hebben op de prijs van de verschillende producten en contracten die daar verhandeld worden. Toen het Groningenveld werd gesloten had dat evenmin effect op de gasprijs.
Deelt u de mening dat het in tijden van geopolitieke instabiliteit en oorlog onwenselijk is om afhankelijk te zijn van het importeren van gas uit het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland is sinds 2018 een netto-importeur van gas, net als andere landen in de Europese Unie. Nederland heeft daarbij het voordeel dat het over goede interconnecties met buurlanden beschikt alsmede over twee terminals voor de invoer van vloeibaar aardgas (LNG). Dat maakt het mogelijk dat op diverse manieren, via pijpleiding en scheepsvaart, in onze importbehoefte wordt voorzien.
Daarnaast zet Nederland met het op 23 april 2025 gesloten «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie» in op de optimalisatie van de gaswinning op de Noordzee. Voor gaswinning op land zijn er op 16 januari 2026 aanvullende afspraken gemaakt die bijdragen aan meer duidelijkheid over gaswinning uit kleine velden op land tijdens de transitieperiode en de voorwaarden waaronder deze gaswinning daar nog kan plaatsvinden.
Klopt het dat het gasveld in Groningen het grootste in Europa is?
Ja, dat klopt, uitgaande van de oorspronkelijke inhoud en zolang Rusland niet tot Europa wordt gerekend.
Erkent u dat de gasvoorraad in Groningen door de recente geopolitieke ontwikkelingen veel meer waard is geworden? Bent u bereid dit te benutten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken?
De eventuele waarde van het gas dat nog in het Groningenveld aanwezig is, speelt voor het kabinet geen rol. Het kabinet zal niet tot heropening overgaan.
Acht u het in het Nederlands belang om de gasputten in Groningen vol te storten met cement en daarmee de mogelijkheid uit te sluiten een beroep te kunnen doen op de gasvoorraad in geval van nood? Bent u bereid om het volstorten met cement stop te zetten, of in ieder geval te pauzeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Groningenveld is sinds 19 april 2024 bij wet gesloten om de aardbevingsproblematiek in Groningen bij de bron aan te pakken en recht te doen aan het veiligheidsbelang van de inwoners van Groningen, die nog altijd de negatieve gevolgen ondervinden van de voormalige gaswinning. Nu het Groningenveld gesloten is, is de NAM als laatste vergunninghouder verplicht om de productielocaties te ontmantelen. Het zorgvuldig afsluiten maakt hier om veiligheidsredenen onderdeel van uit.
Bent u bereid om de gaswinning in Groningen, zelfs al zij het maar tijdelijk, te hervatten om de energiezekerheid van Nederland veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals aangegeven bij de vorige vraag is het Groningenveld is bij wet gesloten en is het stopzetten van de winning een duidelijke belofte aan de Groningers waarmee een overweldigende meerderheid van zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft ingestemd. Daarbij zou het hervatten van gaswinning uit het Groningenveld niet per definitie leiden tot het veiligstellen van de energiezekerheid van Nederland. Het gas komt namelijk terecht op de Europese en internationale gasmarkt en kan dus ook naar andere landen stromen bij aankoop door buitenlandse marktpartijen. Het kabinet staat dan ook voor de beëindigde gaswinning en de ontmanteling van het Groningenveld.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het debat over Iran, en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Beantwoording binnen de gebruikelijke termijn is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Zo’n 1700 politiemedewerkers keken in dossier over Lisa: ‘Onacceptabel’' |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS waarin wordt gemeld dat circa 1.700 politiemedewerkers hebben gekeken in het dossier inzake het onderzoek naar de dood van Lisa, zonder dat daarbij sprake was van een aantoonbare functionele noodzaak?1
Ik ben bekend met het bericht.
Kunt u bevestigen hoeveel medewerkers daadwerkelijk inzage hebben gehad in het betreffende dossier, over welke periode deze inzage heeft plaatsgevonden en om welke categorieën gegevens het daarbij ging? Was het gehele dossier inzichtelijk?
Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» of in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging. De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Waarom was deze zaak niet enkel toegankelijk voor personen met noodzaak daartoe? Welke tekortkomingen in toegangsbeheer of controle ziet u, zeker ten aanzien van zaken met een grote maatschappelijke impact zoals deze?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep (autorisatiebeleid en opleiding). Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Deelt u de opvatting dat aandacht en bewustwording alleen niet kan voorkomen dat politiemedewerkers meekijken en structurele technische waarborgen dan ook noodzakelijk zijn om privacy te beschermen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Is het (technisch) mogelijk dergelijke zaken af te sluiten en enkel toegankelijk te maken voor een noodzakelijk aantal personen? Welke mogelijkheden ziet u voor strengere autorisaties of verplichte motivering bij inzage in gevoelige dossiers?
Per systeem is de afweging gemaakt over de mate van afscherming. Indien nodig kunnen binnen systemen ook dossiers geheel worden afgeschermd. Veel systemen zijn juist bedoeld om politiemensen te informeren, bijvoorbeeld vanwege hun eigen veiligheid, maar ook om de heterdaadkracht direct na de melding te vergroten. In de praktijk blijkt iedere dag hoe effectief dat is en dat moet behouden blijven. Inzage in een geheel onderzoek-dossier vergt een aparte autorisatie in het informatiesysteem van de recherche en is per zaak voorbehouden aan een selecte groep medewerkers.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Hoe wordt momenteel gemonitord wie welke dossiers raadpleegt? Is daarbij ook sprake van actieve controle of slechts van controle achteraf zoals bij dit dossier naar aanleiding van een melding?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhoudt dit incident zich tot eerdere signalen of onderzoeken over ongeoorloofde inzage binnen de politie? Is hier sprake van een incident of van een herhaling?
De politie heeft doorlopend aandacht voor ongeoorloofde inzage in de politiesystemen en rapporteert hierover in haar jaarverslag. De korpsleiding heeft mij geïnformeerd dat er in dit geval een onderzoek gestart is omdat er zeer concrete signalen waren over onterechte bevragingen en omdat er vertrouwelijke informatie over het onderzoek in de media is beland.
Kunt u de vragen individueel beantwoorden en deze antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over politie de Kamer doen toekomen?
Ja.
Een Amerikaanse aanbesteding voor ICT van de Belastingdienst |
|
Jan Struijs (50PLUS), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Digitale autonomie en de uitbesteding applicatiediensten omzetbelasting door de Staat»1 en de desbetreffende aanbesteding van de Belastingdienst?2
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht en de aanbesteding?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Kamerbrief die u op 17 maart jl. over dit onderwerp heeft ontvangen.
Op welke gronden is gekozen om (het beheer en het onderhoud van) de software van de omzetbelasting bij FAST Enterprises in te kopen, namelijk het softwarepakket «GenTax»?
Het systeem voor de omzetbelasting is sterk verouderd en dringend toe aan modernisering. Daarover is uw Kamer in de laatste jaren veelvuldig geïnformeerd. De Belastingdienst is in 2020 gestart met het traject om het verouderde omzetbelastingsysteem te moderniseren. In 2021 heeft de Belastingdienst een marktconsultatie gedaan, waaruit bleek dat er oplossingen in de markt beschikbaar zijn. In 2022 is na extern advies besloten om een aanbesteding te starten en een pakketoplossing uit de markt aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen. Uit het advies bleek dat een oplossing uit de markt sneller en tegen lagere kosten zou kunnen worden gerealiseerd dan wanneer de Belastingdienst zelf een systeem zou bouwen.
In 2023 is de Belastingdienst een aanbestedingsprocedure (een concurrentiegerichte dialoog) gestart. Na het doorlopen van een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf Fast Enterprises. Dit bedrijf scoorde het beste op de aangegeven criteria uit de vooraf via TenderNed openbaar gemaakte aanbestedingsstukken. Voorbeelden van criteria zijn: gebruiksvriendelijkheid, gegevensbeheer, informatiebeveiliging en datamigratie.
Op welke manier is er, ten tijde van de aanbesteding, rekening gehouden met digitale autonomie als voorwaarde voor aanbestedingen van overheids-ICT? Zou u dit in de huidige politieke context anders beoordelen?
Het traject is gestart in een andere (geo)politieke context. Het versterken van de nationale digitale autonomie door het beperken van de afhankelijkheid van niet-Europese technologie speelde destijds een beperktere rol in de afwegingen. Er is bewust gezocht naar bewezen technologie en gekeken naar de ervaringen van andere Europese landen.
De aanbesteding is zorgvuldig doorlopen conform de Europese aanbestedingsregels. De gevolgde Europese aanbestedingsregels maken het niet mogelijk om niet-Europese landen uit te sluiten indien hier handelsverdragen mee zijn gesloten.
Tegelijkertijd ziet dit kabinet ook dat Nederland kwetsbaar is geworden door afhankelijkheid van een klein aantal buitenlandse (tech)spelers en kijkt daarom met veel aandacht naar de digitale, en open strategische, autonomie van Nederland. In Europees verband wordt daarom gesproken over het herzien van de aanbestedingswet- en regelgeving, en een eventueel EU-voorkeursprincipe bij aanbestedingen in specifieke sectoren.
Indien de keuze voor FAST Enterprises de digitale autonomie niet bevordert, kunt u dan onderbouwen waarom dit alsnog de voorkeursoptie is?
In 2020 startte de Belastingdienst het traject voor de modernisering van het verouderde omzetbelastingsysteem. Een marktconsultatie in 2021 wees uit dat er geschikte pakketoplossingen beschikbaar waren in de markt. In 2022 is na een onderzoek uitgevoerd door McKinsey besloten om een aanbesteding te starten om een bewezen pakketoplossing voor de omzetbelasting aan te schaffen in plaats van zelf een nieuw systeem te bouwen.3 Uit het onderzoek bleek dat het aanschaffen van een systeem sneller te realiseren is dan zelf bouwen. Een tweede onafhankelijk onderzoek heeft dit beeld bevestigd.
De Belastingdienst heeft een zorgvuldige Europese aanbestedingsprocedure doorlopen in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog. Het stond Nederlandse en Europese bedrijven uiteraard vrij om hieraan deel te nemen, dat hebben zij ook gedaan. Na het doorlopen van deze aanbestedingsprocedure is de opdracht gegund aan het Amerikaanse bedrijf, Fast Enterprises. Zoals ik reeds aangaf in het antwoord op vraag 3 scoorde dit bedrijf het beste op de van te voren aangegeven criteria in de aanbestedingsstukken. Daarnaast sluiten de gevolgde Europese aanbestedingsregels Amerikaanse bedrijven niet uit.
Kunt u onderbouwen waarom er niet is gekozen om de software van de omzetbelasting intern te ontwikkelen en beheren of dit in te kopen bij een Nederland of Europees bedrijf?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe garandeert u dat de relatie met FAST Enterprises niet door de Verenigde Staten gebruikt zal worden als drukmiddel, in het licht van de Nationale Veiligheidsstrategie van de VS?3 Kunt u inzicht geven in alle maatregelen die zijn genomen om dit risico te voorkomen?
Ik kan u die garantie niet geven. Het volledig uitsluiten van dit risico is bij een afhankelijkheid van een externe leverancier niet mogelijk. Het kabinet is doorlopend met de Verenigde Staten in gesprek om dergelijke vergaande maatregelen te voorkomen.5 In een extreem geval, kan de leverancier onder statelijke druk gedwongen worden om te stoppen met het leveren van diensten. In de recente geschiedenis is dit alleen onder zeer specifieke sanctiewetgeving gebeurd. De risico’s rondom continuïteit in relatie tot de Amerikaanse leverancier dienen te worden afgewogen tegen de risico’s die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem waarover ik u in de oplegbrief heb geïnformeerd. Deze risico’s acht ik groter en reëler dan dat de relatie met de leverancier als drukmiddel wordt ingezet.
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Op basis daarvan worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse laat ik parallel onderzoeken op welke termijn en onder welke voorwaarden de Belastingdienst het beheer en onderhoud van de infrastructuur van het systeem kan overnemen van Fast Enterprises. Dit kan als een alternatieve route dienen in het geval uit de risicoanalyse blijkt dat de restrisico’s, na het treffen van de beheersmaatregelen, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht. Het zorgvuldig uitwerken van deze alternatieve route vergt tijd. Ik zal uw Kamer hierover informeren voor het zomerreces.
Ik zal hierbij ingaan op een aantal maatregelen die nader worden uitgewerkt. De Belastingdienst werkt met Fast aan de invulling van deze mitigerende maatregelen. Zo zal de leverancier gaan werken op locatie in Apeldoorn onder toezicht van medewerkers van de Belastingdienst die worden opgeleid om het systeem te beheren. Er wordt door de leverancier, eenmaal in productie, geen beheer op afstand vanuit de Verenigde Staten gevoerd. De Belastingdienst heeft de infrastructuur ingericht als een «onvertrouwde» omgeving binnen de infrastructuur van de Belastingdienst. De omgeving is gezoneerd en koppelingen of verbindingen met andere systemen worden gecontroleerd.
De Belastingdienst is in gesprek met de leverancier over het treffen van aanvullende beheersmaatregelen. Het gaat daarbij onder meer, maar niet uitsluitend, om te bewerkstelligen dat er wordt gewerkt met medewerkers die niet onder Amerikaanse jurisdictie vallen. Ook is de Belastingdienst in gesprek met de leverancier om de escrow-regeling die is opgenomen in de overeenkomst met Fast een ruimere toepassing te geven. Dit is een regeling die dient als waarborg op de continuïteit van de dienstverlening. Er wordt een kopie van de broncode en documentatie in bewaring gegeven bij een Nederlandse onafhankelijke derde partij. In geval van het niet nakomen van dienstverleningsafspraken wordt deze broncode en documentatie vrijgegeven. De Belastingdienst gaat een proces inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers in dat geval over de benodigde expertise beschikken en werkzaamheden kunnen uitvoeren.
Kan de Belastingdienst gedurende de looptijd van het contract wel of niet volledig zelfstandig en zonder bijdrage van FAST Enterprises: 1) reageren op incidenten in GenTax; 2) bugfixes doorvoeren in GenTax; en 3) GenTax aanpassen zodat het voldoet aan nieuwe regelgeving?
Nee, deze handelingen kan de Belastingdienst niet volledig zelfstandig uitvoeren. Dit onderwerp is wel onderdeel van de kritische blik op de beheersmaatregelen en de nadere uitwerking hiervan. Zoals hiervoor aangegeven is de Belastingdienst een proces aan het inrichten om te zorgen dat de Belastingdienstmedewerkers de benodigde expertise hebben om continuïteit te waarborgen ingeval van niet nakomen van dienstverleningsafspraken.
Kunt u precies aangeven wat de werkzaamheden en de taken zijn van het projectteam van FAST Enterprises dat op Nederlandse bodem diensten zal leveren, zowel vóór als na de implementatie van GenTax?4
De implementatie betreft een integrale oplossing waarbij Fast het beheer gaat voeren op het totale systeem (software en infrastructuur). De infrastructuur staat in Apeldoorn, maar wordt beheerd door Fast (door middel van een housing-oplossing geleverd door de Belastingdienst). Zoals in de specificatie van de opdracht beschreven zal het projectteam van Fast, op Nederlandse bodem, werkzaamheden uitvoeren die samenhangen met de realisatie, configuratie en implementatie van GenTax. Dit gebeurt onder toezicht van Belastingdienstmedewerkers (vier-ogenprincipe). De Belastingdienst werkt met Fast aan wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven.
Het projectteam van Fast ondersteunt daarnaast de voorbereiding en uitvoering van de migratie naar de nieuwe oplossing en begeleidt de organisatorische inbedding daarvan. Ook verzorgt Fast de opleidingsmaterialen die nodig zijn om medewerkers met het nieuwe systeem te laten werken.
Na de implementatie is Fast verantwoordelijk voor het onderhoud van de oplossing, waaronder het herstellen en verbeteren van functionaliteit en het doorvoeren van productupdates. Verder draagt het projectteam van Fast op dit moment zorg voor het technisch applicatiebeheer en de beschikbaarheid en werking van de oplossing op basis van de overeengekomen service levels. Fast biedt daarnaast ondersteuning bij vragen en verstoringen en blijft, waar nodig en binnen de functionele kaders van de oplossing, configuratiewijzigingen doorvoeren wanneer wet- en regelgeving verandert.
In geval van wijzigingen in wet- en regelgeving ondersteunt Fast bij de configuratie hiervan. Deze wijzigingen voert Fast niet zelfstandig uit. Hiervoor geldt het voortbrengingsproces waarbij Fast bij het configureren samenwerkt met de Belastingdienst. De configuratie van het systeem moet worden goedgekeurd door de Belastingdienst. Dat gebeurt via een proces van definities, verschillende testen, goedkeuren en acceptatie.
Verder werkt Fast doorlopend aan verbeteringen van het Gentax-pakket. Deze verbeteringen kunnen zowel betrekking hebben op de implementatie van nieuwe Europese wet- en regelgeving als functionele en technische verbeteringen van het Gentax-pakket zelf. Het doorvoeren van deze verbeteringen vindt plaats onder regie van de Belastingdienst.
Valt FAST Enterprises volledig en uitsluitend onder Nederlandse en Europese jurisdictie? Zo niet, heeft u dan in kaart gebracht welke gevolgen deze aanbesteding heeft voor de digitale autonomie van Nederland?
Nee, Fast Enterprises is een Amerikaans bedrijf en valt daarmee onder Amerikaanse jurisdictie. Daarmee komen de gegevens waartoe de leverancier, na implementatie, toegang krijgt in potentie binnen reikwijdte van extraterritoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en de FISA Amendments Act.
De Belastingdienst is met de leverancier in gesprek over de mogelijkheid dat zij een onafhankelijke Europese entiteit oprichten met de intentie om het contract met de Belastingdienst, dat valt onder Nederlands recht, daarheen te verhuizen. Dit wordt momenteel juridisch nader verkend.
Welke analyses zijn uitgevoerd op het risico op spionage, dataweglek en het vergroten van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten door deze keuze? Kunt u deze aan de Kamer doen toekomen (al dan niet vertrouwelijk), en de uitkomsten op hoofdlijnen delen?
De Belastingdienst voert als onderdeel van het programma een risicoanalyse conform de IRAM (Information Risk Assessment Methodology) uit. Dit is een internationaal erkende methodiek om informatierisico's systematisch in kaart te brengen en te beoordelen. Deze analyse is nog niet afgerond; op basis van de uitkomsten worden maatregelen uitgewerkt en geïmplementeerd, en vervolgens op hun effectiviteit getoetst. Het nieuwe systeem wordt niet in gebruik genomen voordat de beheersmaatregelen aantoonbaar effectief zijn ingericht.
Aangezien de IRAM nog wordt uitgevoerd, kan ik de uitkomsten op dit moment nog niet met uw Kamer delen. Zodra de analyse is afgerond, ben ik bereid de resultaten en de daaruit voortvloeiende maatregelen vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aan te bieden.
Kunt u alle relevante notities, adviezen, (risico)analyses en documenten, die betrokken zijn bij de keuze voor FAST Enterprises, in volledigheid met de Kamer delen?
Tijdens de regeling van werkzaamheden op 3 maart jl. heeft uw Kamer verzocht om alle relevante stukken en notities die de keuze onderbouwen te ontvangen. Dit verzoek heb ik ontvangen. Omdat ik het belangrijk vind uw Kamer voor het debat van 19 maart te informeren, is de zoekslag met prioriteit uitgevoerd. Daardoor kan ik uw Kamer documenten doen toekomen die bezien op de aanbesteding, advisering, informatievoorziening en besluitvorming vanuit verschillende fasen binnen de overstap naar een ander OB-systeem. De documenten zijn bijgevoegd bij de Kamerbrief over het systeem voor de omzetbelasting die u op 17 maart jl. heeft ontvangen.
Wanneer er nieuwe relevantie informatie naar boven komt, waarmee een nieuw licht wordt geschenen op de reeds gedeelde inlichtingen, wordt dit op korte termijn met u gedeeld.
Onder welke voorwaarden is het in eigen beheer en onderhoud nemen van de applicatiediensten voor de omzetbelasting een haalbare oplossing? Welke aanvullende middelen of capaciteit is nodig om dit te realiseren?
De Belastingdienst heeft dit jaar op hoofdlijnen een aantal andere scenario’s verkend. Eén van deze scenario’s is dat de Belastingdienst het beheer van de infrastructuur overneemt (van housing naar hosting). Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en in de Kamerbrief die u heeft ontvangen laat ik de mogelijkheid tot het zelfstandig beheren van de infrastructuur gelijktijdig en als onderdeel van de risicoanalyse parallel onderzoeken en zal ik uw Kamer hier voor het zomerreces over informeren. Voor een besluit wordt genomen of een toezegging wordt gedaan voor een andere variant dan het continueren van de huidige koers geldt wel dat de impact in beeld moet worden gebracht en expliciet worden gewogen inclusief de daarbij behorende dekking.
In het geval dat er voor een andere koers wordt gekozen dan de huidige zullen de risico’s en gevolgen die samenhangen met het langer in stand houden van het huidige verouderde systeem toenemen. Dat betekent dat het gevolgen kan hebben voor de tijdige implementatie van Europese wet- en regelgeving zoals de ViDA. Als deze wetgeving niet tijdig wordt geïmplementeerd kan dit leiden tot ingebrekestellingen van de Europese Commissie en problemen voor het (Nederlandse) bedrijfsleven.
Heeft de Belastingdienst een duidelijke sourcingstrategie voor het inkopen van ICT-diensten? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Ja de Belastingdienst heeft een ICT-sourcingstrategie opgesteld. Deze strategie is erop gericht om een onderbouwde keuze te maken bij de aanschaf van software. De voorkeur is om bewezen standaardoplossingen uit de markt te gebruiken, zodat de Belastingdienst marktconform kan werken. Deze strategie is eerder in oktober 2024 met uw Kamer gedeeld.7
De Belastingdienst zal het sourcingbeleid herzien en waar nodig actualiseren. Daarbij zal rekening worden gehouden met recente (geo)politieke en technische ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u om alsnog van deze leverancier af te zien, gezien de veranderende politieke situatie en de uitgesproken wens van de Kamer om digitale afhankelijkheden af te bouwen?
Het is mogelijk om de overeenkomst (onder voorwaarden) met de leverancier te ontbinden. Ik zie dat niet als een reëel scenario. Voor de systemen van de omzetbelasting geldt dat de modernisering niet langer kan wachten. Dit systeem is inmiddels rond de veertig jaar oud, de kennis wordt schaarser, de risico’s op storingen en uitval groter en de mogelijkheid om nieuw beleid uit te voeren is zeer beperkt. De keuze voor deze oplossing is weloverwogen gemaakt. De Belastingdienst heeft de aanbestedingsprocedure zorgvuldig doorlopen en de gunning is in maart 2025 definitief verleend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 zet ik het traject voort en laat ik parellel onderzoeken door de Belastingdienst of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Waarom is het McKinsey-rapport «Kopen of zelf bouwen?,» dat betrokken is geweest bij de keuze om de software van de omzetbelasting in te kopen, niet meer Openbaar?5 Kunt u het rapport opnieuw Openbaar maken?
Het rapport staat nog steeds online. De link uit het artikel is verouderd. Het is in te zien via: Open overheid.
Welke ambities zijn er om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere middelen dan de omzetbelasting, aangezien in het McKinsey-rapport wordt gesteld dat uitbreiding een voordeel is van het inkopen van een extern pakket?
Op dit moment zijn er geen plannen om het gebruik van GenTax uit te breiden naar andere belastingmiddelen.
Uit welk advies bleek dat ook het beheer en onderhoud van de applicatiediensten uitbesteed moest worden? Op welke momenten is de Kamer geïnformeerd dat beheer en onderhoud bij een niet-Europees bedrijf zou worden belegd?
Hierover is geen extern advies ingewonnen.
De Tweede Kamer is periodiek geïnformeerd over de voortgang van de aanbesteding. Tijdens het commissiedebat Belastingdienst in maart 2025 is aangegeven dat de gunning aan Fast Enterprises had plaatsgevonden. Aangezien het ongebruikelijk is om uw Kamer op dit detailniveau te informeren over aanbestedingen, bent u niet specifiek geïnformeerd over het uitbesteden van het beheer en onderhoud van applicatiediensten.
Zijn de waarschuwing en het advies van het Adviescollege ICT uit 2024 naar behoren opgevolgd?6 Zo nee, om welke redenen is dit niet nageleefd?
Ja. Het Adviescollege ICT heeft in april 2024 advies uitgebracht over het programma modernisering omzetbelasting. In dit advies onderschreef het Adviescollege de keuze van de Belastingdienst voor een pakketoplossing, maar werd de Belastingdienst geadviseerd de voorbereiding op een aantal punten te versterken. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 7 mei 2024 geïnformeerd over de wijze waarop de Belastingdienst deze adviezen zou opvolgen.10 Deze adviezen zijn opgepakt en benut door de Belastingdienst voor het verdere verloop van het traject.
Kunt u nauwkeurig toelichten in welke mate medewerkers van FAST Enterprises toegang krijgt tot de gegevens die verwerkt worden bij het heffen van de omzetbelasting? Welke garantie is er dat data via deze medewerkers toegankelijk wordt voor Amerikaanse overheidsdiensten?
Fast Enterprises zal de servers gaan beheren die geplaatst worden in het datacenter van de Belastingdienst in Apeldoorn. Daardoor krijgt Fast Enterprises, als de OB-regeling(en) in productie zijn genomen, toegang tot data van belastingplichtigen. De mate waarin medewerkers van Fast toegang krijgen tot data die in deze servers staat hangt af van hun autorisatie. Het uitgangspunt is dat medewerkers van Fast tijdens de productiefase geen toegang hebben tot productiedata en daartoe alleen tijdelijk toegang verkrijgen wanneer dit nodig is om hun beheerwerk te verrichten.
Fast Enterprises heeft een geheimhoudingsverklaring ondertekend. Deze verklaring voorkomt niet dat de Amerikaanse Staat voorgenoemde data kan vorderen op basis van extra territoriale wetgeving zoals de CLOUD Act en FISA Amendments Act. Er worden maatregelen genomen om dit risico te mitigeren, zoals het inrichten van het eerdergenoemde vier-ogen principe en infrastructurele beperkingen om data uit het systeem te kunnen halen, en logging en monitoring.
Deelt u de zienswijze dat het feit dat de servers van de Belastingdienst in Nederland blijven onvoldoende is om de risico’s voor de vertrouwelijkheid en cyberveiligheid weg te nemen, als een Amerikaanse partij straks toegang krijgt tot de servers?
Het gegeven dat de servers in het datacenter van de Belastingdienst staan is op zichzelf niet afdoende om alle risico’s weg te nemen. Daarom gaat de Belastingdienst ook aanvullende maatregelen nemen, zoals aangegeven in de brief die u bij met deze antwoorden heeft ontvangen, om deze risico’s tot een acceptabel niveau terug te brengen.
Bent u bereid om een kort, onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheid om het project alsnog stop te zetten, met behoud van de continuïteit van de belastingheffing?
Het stopzetten van het project acht ik niet verstandig, de redenen daarvoor heb ik uitgebreid toegelicht in de Kamerbrief die u heeft ontvangen. Een onderzoek met als uitgangspunt het stopzetten van dit traject lijkt mij prematuur gezien het feit dat de risicoanalyse en de uitwerking van beheersmaatregelen nog gaande zijn. Zoals aangegeven in de Kamerbrief die u heeft ontvangen en in mijn antwoord op vraag 7 laat ik, als onderdeel van de risicoanalyse, door de Belastingdienst parellel onderzoeken of het beheer en onderhoud van de infrastructuur door de Belastingdienst kan worden overgenomen.
Ik acht het zorgvuldiger om eerst het uitwerken van deze route en het afronden van de risicoanalyse af te wachten en vervolgens de uitkomsten hiervan te beoordelen. Voorafgaand aan de ingebruikname van het nieuwe systeem zullen alle beheersmaatregelen worden getoetst op hun effectiviteit. Ik ben bereid deze toetsing door een onafhankelijke partij te laten doen en de resultaten met uw Kamer te delen.
Kunt u een actueel overzicht geven van de planning van het lopende implementatietraject?
De Belastingdienst heeft gekozen voor een stapsgewijze implementatie. Deze planning is door mijn ambtsvoorganger op 13 november 2025 met uw Kamer gedeeld.11
Juli 2026
Juli 2027
4. Kleine ondernemersregeling (NL-KOR): de btw-vrijstelling voor ondernemers met een jaaromzet in Nederland tot en met € 20.000;.
Juli 2028
Kunt u toezeggen om geen onomkeerbare stappen te zetten in de migratie van de diensten naar FAST Enterprises, totdat volledig is uitgesloten dat de digitale autonomie hierdoor wordt ondermijnd en de Kamer zich hierover heeft kunnen uitspreken?
Er wordt op dit moment nog geen gebruik gemaakt van het nieuwe systeem. Het huidige systeem functioneert ongewijzigd. Wel wordt er doorgewerkt aan de voorbereiding van de ingebruikname om te voorkomen dat er vertraging optreedt en de risico’s met betrekking tot de continuïteit van het systeem daarmee toenemen. Daarbij merk ik op dat de gunning in maart 2025 definitief is geworden en het contact met Fast Enterprises is getekend. De Belastingdienst is als contractpartij gehouden aan de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Het opzeggen of niet nakomen van het contract zal juridische en financiële consequenties met zich meebrengen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief en in de antwoorden op vraag 7 en 13 zal ik u voor het zomerreces en dus voor de ingebruikname van het systeem informeren over het uitwerken van de alternatieve route en de risicoanalyse.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval te voldoen aan de aanvullende informatieverzoeken voordat het commissiedebat Belastingdienst van 19 maart 2026 plaatsvindt?
Ja, de vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1
Ja.
Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?
Nederland en de EU werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren.
Hoewel het bekend is dat terroristen mogelijk misbruik kunnen maken van migratiestromen is het overgrote deel van de migranten niet betrokken bij terrorisme. Dat dergelijke door de Poolse grensautoriteiten onderkende tunnels door migranten kunnen zijn benut is hoe dan ook een kwalijke zaak. Het kabinet onderstreept dan ook het belang van de inzet door landen aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Lidstaten zijn daarbij verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen.
Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?
Het is bekend dat Iran en aan Iran gelieerde groepen in Europa doorgaans via clandestiene netwerken, terroristische of criminele proxy’s en (online) gerekruteerde individuen opereren, maar niet via logistiek complexe infrastructuur zoals tunnels. De oplopende spanningen hebben de hoogste aandacht van alle veiligheidsdiensten.
Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?
Ondanks de strenge procedure en inspanningen kan er nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Nederland heeft een sterke en brede aanpak om signalen van terrorisme tijdig te onderkennen en personen die worden verdacht van misdrijven met een terroristisch oogmerk op te sporen, te vervolgen en, indien toepasselijk, te bestraffen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 blijft het kabinet zich onverminderd inzetten om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen.
Binnen de asiel- en nareisprocedure bestaan daarnaast verschillende maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?
Volgens cijfers van Frontex werden in 2025 10.846 irreguliere grenspassages aan de oostelijke landgrens van de EU waargenomen, dit is 37% minder dan in 2024.3 Over het aantal migranten dat vervolgens doorreist naar Nederland, en het aantal daarvan dat (al dan niet gedwongen) terugkeert zijn geen cijfers beschikbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de afgelegde reisroute niet in de cijfers wordt geregistreerd, en er voorts ook geen koppeling mogelijk is met de terugkeercijfers.
Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Binnen de geldende internationale en Europese juridische kaders doet het kabinet dan ook wat kan om dit te bewerkstelligen. Een belangrijk sluitstuk van het migratiebeleid richt zich reeds op het bewerkstelligen van effectieve terugkeer, al dan niet door gefaciliteerde zelfstandige terugkeer middels terugkeer- en herintegratieondersteuning van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) of via gedwongen vertrek indien vreemdelingen vertrekplichtig zijn en niet meewerken aan zelfstandig vertrek. Zoals u ook kunt lezen in het regeerakkoord steunt het kabinet de nieuwe EU-terugkeerverordening waarmee onder andere de mogelijkheden voor gesloten opvang voorafgaand aan gedwongen vertrek worden verruimd. Het kabinet is hierbij tevens voorstander van het verruimen van het zogeheten bandencriterium, waardoor het gemakkelijker wordt op EU-niveau terugkeerafspraken te maken met landen buiten Europa. Bij afspraken over terugkeer- en transithubs waarborgt Nederland dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden.4
Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?
Het kabinet vindt de hybride dreiging door instrumentalisering van migratiestromen door Belarus onaanvaardbaar en heeft zich dan ook altijd voorstander getoond voor het sanctioneren van het Belarussische regime in Europees verband. Zo sprak de Europese Raad zich gezamenlijk al in 2021 uit tegen de hybride aanvallen aan de grenzen van de EU, en stelde daar gepast op te reageren richting het Belarussische regime.5 Zo werd de sanctieregeling aangepast waardoor ook opgetreden kan worden wanneer migranten worden ingezet voor politieke doeleinden, en zijn er om deze reden Europese sancties uitgevaardigd tegen Belarus. Sindsdien zijn er – mede in relatie tot de oorlog in Oekraïne – reeds verscheidene sanctiepakketten uitgevaardigd tegen het Belarussische regime en andere betrokkenen, ook in reactie op de hybride aanvallen tegen EU-landen.6
Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die asielbescherming behoeven moeten die conform Europese en internationale verplichtingen ook kunnen krijgen. Een algehele asielstop is dus niet de juiste oplossing. Het kabinet staat voor een nieuw modern migratiemodel met meer grip migratie, een verlaging van de instroom en verhoging van de terugkeer van asielmigranten, fatsoenlijke opvang en sneller meedoen, en sturing op arbeidsmigranten. Het EU-migratiepact dat op 12 juni in werking treedt is een grote stap om meer grip te krijgen over wie er naar Nederland komt. Zoals toegelicht onder vraag 7 vormt een effectief terugkeerbeleid een sluitstuk van ons migratiebeleid, en zal de nieuwe EU-terugkeerverordening het Europese terugkeerbeleid effectiever maken en de nationale autoriteiten meer opties geven om terugkeer te effectueren. Daarnaast zet het kabinet onverkort in op nationale maatregelen en brengen we de asielketen op orde, spant het kabinet zich internationaal in voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, en werkt het kabinet – zowel billateraal als in Europees verband – intensief samen met landen langs de migratieroutes met als doel het beperken van irreguliere migratie en het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het bieden van bescherming aan migranten.
Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
De financiële envelop voor onderwijs |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat de verdeling van de envelop voor onderwijs al klaar is, zoals valt te lezen in de beslisnota horende bij de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord «Aan de slag», maar dat deze van de Minister van Financiën niet mag worden gedeeld met de Kamer? Zo ja, waarom mag deze informatie niet met de Kamer worden gedeeld? Kunt u deze verdeling alsnog aan de Kamer doen toekomen?1
Bureau Kabinetsformatie heeft op 30 januari 2026 de verdeling van de investeringen op het terrein van OCW gedeeld met de Ministeries van OCW en Financiën. In de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord is toegezegd dat wij uw Kamer nog verder informeren over deze verdeling, omdat de precieze invulling van deze envelop nog extra uitwerking vereist. Er wordt onder andere nog gekeken naar de uitvoerbaarheid, de randvoorwaarden, de kosten van de uitvoering van de maatregelen die niet in de budgettaire tabel staan, de doelmatigheid, de verdeling tussen sectoren en instrumenten en de financiële doorrekening. Daarmee kan het uiteindelijke voorstel zoals wij dat aan uw Kamer zullen sturen met onze beleidsbrief afwijken van de tabel zoals die door Bureau Kabinetsformatie is verstrekt. Deze beleidsbrief bevat informatie van het kabinet over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord, de brief ontvangt uw Kamer in april.
De tabel zoals deze is opgesteld door Bureau Kabinetsformatie is hieronder toegevoegd. Deze tabel is in lijn met de ambities van het coalitieakkoord. Het gaat hier deels om het een-op-een volledig terugdraaien van de bezuinigingen van kabinet Schoof. Daarbij is het mogelijk dat sommige teruggedraaide bezuinigingen terugkeren in een nieuwe vorm met een ander instrument. Daarnaast gaat het om nieuwe investeringen op de OCW-begroting voor het onderwijs, wetenschap en media.
Terugdraaien bezuiniging beperken school en omgeving
120.615
120.615
120.615
120.615
120.615
Herstellen en hervormen brede brugklassubsidie
57.686
57.686
57.686
57.686
57.686
Terugdraaien SPUK-korting (oa GOAB en VSV/RMC)
85.296
85.296
85.296
85.296
85.296
Doorzetten regionaal investeringsfonds mbo
14.600
34.609
33.667
28.526
28.526
Meer tijd voor schoolontwikkeling op teamniveau
350.000
350.000
350.000
350.000
350.000
Verhogen uitwonende basisbeurs met 110 mln.
5.000
25.000
45.000
110.000
Maximeren rente studiefinanciering op 2,5%
40.000
Bevordering zij-instroom
79.324
88.074
88.074
88.074
88.074
Beter en regelmatig inspectietoezicht
5.000
11.000
21.000
30.000
Intensivering Fonds onderzoek en wetenschap via bestaand instrumentarium (sectorplannen, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksinfrastructuur en Europese samenwerking)
224.479
332.720
370.662
447.803
433.803
Taakstellende intensivering lumpsum internationalisering (verhoging bedrag per student)
68.000
121.000
158.000
156.000
156.000
Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep
45
45
45
45
45
Versterking van persveiligheid en -vrijheid
5
5
5
5
5
Klopt het dat het geld dat naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gaat in de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 de bezuinigingen van kabinet Schoof niet dekken? Klopt het dat er de facto dan alsnog bezuinigd wordt op de begroting van OCW gezien er sprake is van een netto-krimp? Klopt het dat de uitspraak «we gaan investeren in onderwijs» van het lid Paternotte dan feitelijk onjuist is?2, 3, 4
Een deel van de bezuinigingen van kabinet Schoof is eerder teruggedraaid met de amendementen Bontenbal c.s.5 en Eerdmans c.s.6 Zoals in de tabel met de verdeling van de envelop bij vraag 1 te lezen is, heeft kabinet Jetten ervoor gekozen om naast het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen ook nieuwe investeringen te doen. In totaal wordt structureel € 1,55 miljard geïnvesteerd door kabinet Jetten op de OCW-begroting. In onderstaande tabel is te zien dat het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter is dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof. Dat geldt voor de jaren 2027 t/m 2030 en structureel. De reeksen van kabinet Schoof zijn de nettoreeksen na de verwerking van de eerdergenoemde amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.
Bij de hoogte van de prijsbijstelling in 2025 zij aangetekend dat de prijsbijstelling bij Voorjaarsnota 2025 met de helft is gekort vóórdat deze werd toegevoegd aan de departementale begrotingen. Deze korting is niet verwerkt in onderstaande tabel. Ook met deze korting is het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof.
– 1.126.000
– 1.265.000
– 1.357.000
– 1.373.000
– 1.278.000
1.437.000
187.500
168.000
156.000
141.000
– 25.000
– 30.000
– 64.000
– 112.000
– 112.000
1.050.000
1.250.000
1.350.000
1.450.000
1.550.000
Bedragen x € 1.000
De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting, deze was bij Voorjaarsnota 2025 structureel € 2,1 miljard. Voor de vergelijking van intensiveringen en bezuinigingen door twee kabinetten zijn deze factoren niet meegenomen in bovenstaande vergelijking tussen de kabinetten Schoof en Jetten.
Gezien er te weinig geld gaat naar de begroting van OCW om alle bezuinigingen van het kabinet Schoof terug te draaien, kunt u puntsgewijs per bezuiniging aangeven of deze helemaal, gedeeltelijk of niet wordt teruggedraaid:
Zoals af te lezen is uit de tabel bij vraag 1 draait het kabinet een aantal bezuinigingen terug (zowel uit het Hoofdlijnenakkoord als de verwerking van de ingediende amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.). Daarnaast is ervoor gekozen om ook nieuwe investeringen te doen. Over de invulling en verdeling wordt u geïnformeerd bij de beleidsbrief.
Wanneer er bij de vorige vraag sprake is van gedeeltelijk of niet terugdraaien van de voorgenomen bezuiniging, kunt u motiveren waarom u hiervoor kiest?
Het wel of niet (geheel) terugdraaien van bezuinigingen en de keuze voor nieuwe investeringen, zoals weergegeven in de tabel bij vraag 1, zijn de uitkomst van keuzes tijdens de formatie. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de specifiekere uitwerking van de investeringsenvelop met de beleidsbrief.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor het verhogen van de uitwonende basisbeurs? Met welk bedrag gaat de uitwonende beurs per maand omhoog en per wanneer?
Zoals in de tabel bij vraag 1 te zien is wordt er structureel een bedrag van € 110 miljoen gereserveerd voor het verhogen van de uitwonendenbeurs. Momenteel wordt de precieze invulling nog uitgewerkt.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor nieuwe beleidsposten op de OCW-begroting? Welke nieuwe beleidsposten zullen dit zijn?
De volgende posten uit de tabel bij vraag 1 bevatten (deels) nieuwe beleidsposten:
Kunt u deze vragen met spoed maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden zodat de Kamer goed geïnformeerd het debat kan voeren?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de gedelegeerde verordening van de Europese Commissie (EC) van 2 februari 2026 tot wijziging van Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 inzake noodslacht van gedomesticeerde hoefdieren buiten het slachthuis (Kamerstuk 28 286, nr. 1429)?1
Ja
Klopt het dat deze wijziging expliciet beoogt interpretatieverschillen tussen lidstaten te harmoniseren en te voorkomen dat vlees van dieren die niet transportwaardig zijn, maar geen risico vormen voor de volksgezondheid, onnodig uit de voedselketen verdwijnt?
Ja
Kunt u bevestigen dat deze verordening rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten en geen omzetting in nationale regelgeving vereist?
Ja
Waarom bent u voornemens om middels een aanpassing van het Besluit aanwijzing dierenartsen ex. artt. 30 en 31 Verordening officiële controles de aanwijzing van practici als officiële dierenarts te beperken tot slechts een deel van de gevallen die op grond van de aanpassing van de Verordening (EG) nr. 853/2004 straks in aanmerking komt voor noodslacht?
De aanpassing van dit Besluit is tijdelijk en heeft als einddatum 1 januari 2027. De tijdelijke aanpassing is noodzakelijk omdat de praktiserende dierenartsen die nu noodslachtingen keuren nog onvoldoende vertrouwd zijn met de uitgebreidere categorieën dieren die straks op grond van de verordening van 2 februari 2026 aangeboden mogen gaan worden voor antemortem keuring en de bredere toetsingskaders die gaan gelden.
Een noodslachting is het slachten van een voor het overige gezond dier buiten een slachthuis, dat door een ongeval (zoals een gebroken poot) niet meer levend naar een slachthuis vervoerd kan worden, maar wel geschikt is voor menselijke consumptie. De gewijzigde verordening verruimt die voorwaarden. Het wordt mogelijk om dieren die slachtwaardig zijn, maar niet transportwaardig, in aanmerking te laten komen voor een noodslachting. Het wordt niet langer een vereiste dat het dier een ongeval heeft gehad. De wijziging van de Verordening zorgt ervoor dat meer dieren op het bedrijf van herkomst kunnen worden geslacht in het kader van nood in plaats van dat deze dieren afgevoerd worden via het destructiebestel.
Volgens de EU-regelgeving zijn officiële dierenartsen bevoegd om antemortem- en postmortemkeuringen uit te voeren en daarover besluiten te nemen. In Nederland zijn voor de uitvoering van de antemortemkeuring bij noodslacht ook private dierenartsen bevoegd middels het Besluit aanwijzing dierenartsen.
Private dierenartsen die deze keuring uitvoeren, moeten weten waar zij extra op moeten letten. In de wijziging van Vo (EG) 853/2004 worden de toetsingskaders voor het keuren van dieren in het geval van noodslacht uitgebreid naar bredere toetsingskaders uit de transport- en controleverordeningen waarnaar in gewijzigde Bijlage III van Verordening (EG) nr. 853/2004 wordt verwezen. Dit betekent dat dierenartsen die deze keuring uitvoeren ook kennis nodig hebben van deze wettelijke vereisten en van de werkzaamheden en omstandigheden in het slachthuis, en dit is op dit moment nog niet zo.
Zo lang dit nog niet goed geregeld is, is de voedselveiligheid niet voldoende geborgd. Daarom zorgt de NVWA in 2026 voor uitwerking van kaders, werkwijzen en ondersteuning, met als doel dat de private dierenartsen zodanig gefaciliteerd worden dat zij dieren die voor noodslacht worden aangeboden per 1 januari 2027 op uniforme wijze ante mortem kunnen keuren. Tot deze datum wordt de aanwijzing van private dierenartsen tijdelijk beperkt tot de «oude» categorie.
De aanpassing van het Besluit aanwijzing dierenartsen beperkt niet de officiële dierenartsen. Deze blijven in alle gevallen bevoegd om antemortem en postmortem keuringen uit te voeren en daarover besluiten te nemen.
Waarom kiest de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ervoor om de toepassing van deze verruiming feitelijk uit te stellen, terwijl de EC juist harmonisatie en ruimere toepassing beoogt?
Er is geen sprake van uitstel. De verruiming gaat in op het moment dat de verordening van de Europese Commissie in werking treedt. Er mag dan in meer gevallen dan voorheen noodslacht op het bedrijf plaatsvinden.
Op welke juridische grondslag kan een ministerieel besluit de feitelijke werking van een rechtstreeks toepasselijke Europese verordening beperken?
De nieuwe verordening voorziet in een verruiming van de voorwaarden waaronder noodslacht op het bedrijf is toegestaan. Die regels zijn rechtstreeks werkend. Zij kunnen en worden dus niet beperkt door Nederland. Naast de regels over noodslacht op het bedrijf gelden ook de regels over de uitvoering van de vleeskeuring, waaronder de antemortemkeuring. De hoofdregel is dat deze keuring wordt uitgevoerd door de officiële dierenarts, dus een ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (zie bijlage III, sectie I, hoofdstuk VI, punt 2, van verordening 853/2004, en artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2019/624). Artikel 30 van de officiële controleverordening (2017/625) laat de bevoegde autoriteit ruimte om dergelijke controles door natuurlijke personen, bijvoorbeeld private dierenartsen die niet zijn aangesteld door de NVWA, te laten uitvoeren. Dat is voor de huidige noodslacht geregeld in een ministerieel besluit. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Begrijpt u dat het beperken van noodslacht tot uitsluitend «ongeval»-situaties, terwijl dat criterium in de Europese regelgeving juist is losgelaten, de indruk wekt dat Nederland restrictiever beleid voert dan Europees vereist en dat daarmee dus een nieuwe nationale kop op Europees beleid ontstaat?
Nee. Zie mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Zo ja, hoe verhoudt dan het toevoegen van een nationale beperking bovenop rechtstreeks toepasbare Europese regelgeving zich tot de plannen van het huidige kabinet om regeldruk te verminderen, in het bijzonder voor ondernemers in de agrarische sector?
Zie mijn antwoord op de vragen 4 en 6.
Zo ja, kunt u dan toelichten waarom ondanks de, in het coalitieakkoord beschreven, ambitie om nationale koppen te schrappen, mogelijk een nieuwe nationale kop op Europese beleid wordt gezet?
Zie het antwoord op de vragen 4 en 6.
Waarom wekt de NVWA in het hun nieuwsbericht van 23 februari 2026 de indruk dat slechts dierenartsen in dienst van de NVWA officiële dierenarts zijn, terwijl het aan de Minister is om te bepalen welke dierenartsen worden aangewezen als officiële dierenarts en de Minister middels het Besluit aanwijzing dierenartsen ex artt. 30 en 31 Verordening officiële controles er ook expliciet voor heeft gekozen om practici aan te wijzen als officiële dierenarts?2
Officiële dierenartsen zijn dierenartsen die door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen (artikel 3, onderdeel 32, en artikel 5, tweede lid, van verordening 2017/625). Bevoegde autoriteiten mogen alleen dierenartsen die geslaagd zijn voor een proef die voldoet aan de voorschriften in bijlage II van Vo (EU) 2019/624 benoemen als officiële dierenarts. In Nederland voldoen alleen dierenartsen van de NVWA die hiervoor een uitgebreide theoretische en praktische opleiding hebben gehad aan deze voorwaarden.
In aanvulling daarop mag de bevoegde autoriteit de uitvoering van controletaken ook beleggen bij natuurlijke personen (artikel 30 van verordening 2017/625). Dat is voor de antemortemkeuring bij noodslacht op het bedrijf geregeld. Hierbij is er sprake van aanwijzing van private dierenartsen tot natuurlijke personen die bepaalde taken in verband met officiële controles mogen uitvoeren, zij worden geen officiële dierenartsen. Zie verder mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om te onderzoeken of in Nederland praktiserend dierenartsen voor meer taken als officiële dierenarts kunnen worden aangewezen en welk effect dit zou hebben op de kosten voor het uitvoeren van deze taken in vergelijking met de kosten die de NVWA in rekening brengt?
Het uitgangspunt is dat officiële controles en andere officiële activiteiten door de bevoegde autoriteit zelf worden uitgevoerd. Met name ingeval van capaciteitsgebrek bij de bevoegde autoriteit of vanwege benodigde bijzondere deskundigheid, kan er reden zijn om de uitvoering van taken te beleggen bij een private instantie of een natuurlijke persoon. Mits is voldaan aan de vereisten die verordening 2017/625 stelt en het te beschermen belang, in dit geval de voedselveiligheid, geborgd blijft. De aanwijzing van de private dierenartsen voor het uitvoeren van de antemortem keuring van noodslachtingen is een voorbeeld hiervan en komt voort uit het capaciteitsprobleem bij de NVWA. Waar dat aan de orde is, is hierin nu voorzien. Ik acht een dergelijk onderzoek dan ook niet nodig.
Waaruit blijkt dat praktiserend dierenartsen (die geregistreerd staan in het Diergeneeskunderegister en geborgd zijn via de Stichting Geborgde Dierenarts) hun verantwoordelijkheid voor voedselveiligheid niet adequaat zouden kunnen dragen en de NVWA kan stellen dat de voedselveiligheid nog niet zou zijn voldoende geborgd onder de nieuwe werkwijze?
Artikel 30 van de officiële controleverordening (2017/625) laat de bevoegde autoriteit ruimte om controles door natuurlijke personen, bijvoorbeeld private dierenartsen die niet zijn aangesteld door de NVWA, te laten uitvoeren. Mits is voldaan aan de vereisten die verordening 2017/625 stelt en het te beschermen belang, in dit geval de voedselveiligheid, geborgd blijft. De kennis die private dierenartsen nodig hebben om de verruimde keuring uit te voeren is volgens de bevoegde autoriteit, in deze de NVWA, nog niet op voldoende niveau. Dit vereist opleiding en ondersteuning vanuit de NVWA zodat private dierenartsen deze nieuwe keuringswerkzaamheden adequaat kunnen uitvoeren.
Impliceert het standpunt van de NVWA dat hun vertrouwen in deze geborgde dierenartsen tekortschiet? Zo nee, waarom worden hun bevoegdheden dan tijdelijk beperkt?
Nee. De NVWA heeft juist veel vertrouwen in private dierenartsen, waardoor zij deze officiële taak ook heeft belegd bij deze dierenartsen. Voor zover bekend is Nederland een van de weinige lidstaten die hiervan gebruik maakt in het kader van keuring bij noodslachtingen.
De NVWA wil de private dierenartsen, in het belang van de bescherming van voedselveiligheid, optimaal faciliteren zodat zij ook de AM-keuring van de nieuwe groep dieren kan uitvoeren. De NVWA heeft tijd nodig om kaders, afspraken en ondersteuning in te regelen voordat de bevoegdheden voor private dierenartsen verder kunnen worden uitgebreid. Dus de bevoegdheden van private dierenartsen worden niet tijdelijk beperkt, deze blijven hetzelfde in 2026 en worden in 2027 verruimd.
Deelt u de opvatting dat als voedselveiligheid het grootste issue zou zijn, dat juist kan worden geborgd door samen met de Stichting Geborgde Dierenarts aanvullende instructies te organiseren, in plaats van de verruiming uit te stellen?
Dit is een van de opties die in 2026 nader uitgewerkt wordt door de NVWA. De eerste gesprekken met de Stichting Geborgde Dierenarts zijn gepland.
Speelt het capaciteitsprobleem bij de NVWA een rol bij het uitstellen van de verruimde toepassing? Zo ja, waarom wordt dit organisatorische probleem afgewenteld op veehouders, de veelogistieke sector en praktiserend dierenartsen?
Er is geen sprake van uitstel, de nieuwe verordening die voorziet in de verruiming is rechtstreeks werkend. Dieren die in 2026 aangeboden worden voor noodslacht, en geen ongeluk gehad hebben, kunnen antemortem gekeurd worden door een officiële dierenarts. De verwachting is wel dat een groei in aanvragen voor antemortem keuring van dieren die aangeboden worden voor noodslacht onder de nieuwe voorwaarden niet in zijn geheel gehonoreerd kan worden. De NVWA beoordeelt aanvragen volgens haar planningskader, waarbij de bedrijven met de grootste publieke belangen, zoals grote slachthuizen, voorrang krijgen. Ik vind dit vervelend voor de sector maar benadruk dat het om een tijdelijke situatie gaat die nodig is om de voedselveiligheid te borgen.
Welke concrete stappen zet u om ervoor te zorgen dat de nieuwe Europese regels niet pas «in de tweede helft van 2026», maar zo spoedig mogelijk in de praktijk worden gebracht?
De nieuwe Europese regels worden in de praktijk gebracht zodra de gedelegeerde verordening van de Europese Commissie van 2 februari 2026 tot wijziging van Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004 inzake noodslacht van gedomesticeerde hoefdieren buiten het slachthuis van kracht wordt. Mijn doel is om begin 2027 alle aanvragen te kunnen honoreren. De antemortemkeuring van noodslachtingen op primaire bedrijven zal namelijk per 1 januari 2027 door private dierenartsen worden uitgevoerd. Deze datum is dan ook in de wijziging van het Besluit aanwijzing dierenartsen opgenomen.
Bent u bereid om in overleg met de sector en de Stichting Geborgde Dierenarts binnen drie maanden een uitvoerbare implementatie vast te stellen, zodat dieren die niet transportwaardig zijn maar wel geschikt voor consumptie, niet langer onnodig uit de voedselketen verdwijnen?
Nee, dat ben ik niet, want dat is niet nodig. Zie het antwoord op mijn vorige vragen.
Kunt u een overzicht ter beschikking stellen aan de Kamer van de Ante-Mortum (AM)-keuringskosten door officiële dierenartsen in dienst van de overheid voor noodslachting en de Mobiele Dodingsunit (MDU) in Nederland en de aangrenzende Duitse en Belgische regio’s? Hoe kunnen de verschillen in kosten worden verklaard, als die er zijn?
De tarieven voor de NVWA staan op de website: NVWA-tarieven toezicht op keuren / AM keuring / PM keuring 2026 | NVWA
Ik beschik niet over informatie over de keuringskosten in aan Nederland
Het bericht ‘Bijna helft van docenten heeft te maken met fysiek geweld door leerlingen en ouders: Tijdens zwangerschap in mijn buik getrapt’ |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat uit het onderzoek van EenVandaag en CNV blijkt dat bijna de helft van de docenten te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat dit dus geen uitzondering meer is maar een structureel probleem?1
Ik heb kennis genomen van het onderzoek en betreur dat bijna de helft van de docenten die hebben gereageerd, aangeven dat ze te maken hebben gehad met fysiek geweld. Ik vind elke vorm van geweld tegen docenten onacceptabel.
Hoe verklaart u dat leraren in Nederland, één van de rijkste en best georganiseerde landen ter wereld, niet eens veilig hun werk kunnen doen?
Verreweg de meeste scholen slagen er in om een veilig schoolklimaat te creëren, ondanks dat verruwing in de samenleving en in de wijken ook de school binnenkomt. Uit de laatste Landelijke Veiligheidsmonitor po/vo blijkt dat in schooljaar 2021/2022 3 procent van het po-personeel eenmaal per maand of vaker fysiek geweld heeft meegemaakt (een lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor). Voor vo-personeel is dat 1 procent, wat geen significante stijging is ten opzichte van het jaar ervoor.2 Maar laat er geen twijfel over bestaan: elk geval van geweld tegen onderwijspersoneel is er één te veel. Leraren en overig onderwijspersoneel moeten het werk altijd op een veilige manier kunnen uitvoeren.
Deelt u de mening dat geweld tegen docenten automatisch moet leiden tot aangifte en stevige sancties, in plaats van interne afhandeling of het bagatelliseren van incidenten? Zo nee, waarom niet?
De school moet een veilige plek zijn om te leren én te werken. Daarom roept het kabinet schoolbesturen ook op om altijd aangifte te doen bij een vermoeden van een strafbaar feit. Dat kan een schoolbestuur ook doen namens een slachtoffer. Het bagatelliseren of in de doofpot stoppen van incidenten is uiteraard geen goede werkwijze; een schoolbestuur verzaakt dan zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving en kan besturen sanctioneren indien zij hun zorgplicht onvoldoende invullen.
Het zorgdragen voor een veilige omgeving voor personeel, leerlingen en studenten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van scholen en schoolbesturen. Stichting School & Veiligheid biedt scholen en besturen hierbij ondersteuning, niet alleen met handreikingen, maar ook met een adviespunt en een 24/7 calamiteitenteam.
Het kabinet zet in op de goede randvoorwaarden voor veilig onderwijs. Zo ligt op dit moment het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs in de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel krijgen scholen beter zicht op veiligheid, worden slachtoffers beter ondersteund als zich een incident voordoet en zorgen we dat scholen hun veiligheidsbeleid beter coördineren en evalueren, bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon en veiligheidscoördinator aan te stellen. De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2027.
Wat gaat u concreet en aantoonbaar doen tegen schoolbesturen die geweldsincidenten in de doofpot stoppen of hun docenten na bedreiging en mishandeling in de steek laten en welke sancties volgen als zij hun wettelijke zorgplicht niet nakomen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat docenten die aangifte willen doen, soms worden afgeremd door hun eigen schoolbestuur uit angst voor imagoschade of minder aanmeldingen en vindt u dat acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Als onderwijspersoneel zich niet veilig voelt om aangifte te doen dan is dat onacceptabel. De angst voor imagoschade mag daarbij geen rol spelen. Het aanstellen van een vertrouwenspersoon kan bijdragen aan de meldingsbereidheid, want een vertrouwenspersoon is er voor om slachtoffers van incidenten bij te staan. Met het al genoemde Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt het aanstellen van een interne én een externe vertrouwenspersoon verplicht. Ik roep besturen op om meldingen altijd serieus op te pakken en om altijd aangifte te doen bij vermoedens van strafbare feiten. Dat mag ook namens een medewerker.
Bent u bereid om te onderzoeken of definitieve verwijdering van gewelddadige leerlingen sneller en consequenter moet worden toegepast, zodat de veiligheid van personeel voorop komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Er is geen plek voor agressie in het onderwijs. Elke vorm van geweld, intimidatie of ander ongewenst gedrag is wat mij betreft onacceptabel. Het is nu ook al mogelijk om leerlingen te schorsen of in het zwaarste geval te verwijderen van school. Ook kan ouders de toegang tot de school worden ontzegd. Bij vermoedens van strafbare feiten is aangifte doen ontzettend belangrijk. Een besluit tot schorsing of verwijdering is aan de school. Stichting School & Veiligheid heeft expertise op dit vlak en ondersteunt scholen hierbij. Ik acht het dan ook niet nodig om hier onderzoek naar te doen, en vind het veel belangrijker dat scholen de weg naar goede ondersteuning weten te vinden
Bent u zich ervan bewust dat in een tijd van historisch lerarentekort bijna een kwart van de docenten overweegt het onderwijs te verlaten, mede door geweld en bedreigingen en begrijpt u dat het huidige, halfzachte optreden direct bijdraagt aan het verder leeglopen van onze scholen? Zo nee, hoe kunt u dit falen nog langer ontkennen? Zo ja, welke harde, concrete maatregelen worden op zeer korte termijn genomen om leraren daadwerkelijk te beschermen en wanneer zien we daar resultaat van?
Ik vind het buitengewoon ernstig dat docenten en ander onderwijspersoneel enige vorm van fysiek geweld ervaren en daarbovenop, dit niet altijd kunnen melden. Ieder incident is er één te veel. Het is belangrijk dat schoolbesturen achter hun personeel staan, incidenten serieus nemen en waar nodig aangifte doen. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs komt het kabinet met een stevig en omvattend pakket maatregelen om de veiligheid op scholen verder te vergroten. Dat wetsvoorstel bespreek ik binnenkort met uw Kamer. En hoewel het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, roep ik schoolbesturen op om nu al aan de slag te gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel. Zo kunnen scholen alvast beginnen met het registreren van alle veiligheidsincidenten en het melden van ernstige feiten bij de inspectie. Ook kunnen ze alvast aan de slag met het aanstellen van vertrouwenspersonen.
Het bericht dat 1.700 agenten in het dossier van vermoorde Lisa uit Abcoude te neuzen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat maar liefst 1.700 politieagenten het dossier van de vermoorde Lisa uit Abcoude hebben ingezien? Zo ja, klopt dit bericht? Over welke periode heeft deze inzage plaatsgevonden? En in welke systemen vonden deze inzagen plaats? Is hier uit te splitsen naar inzagen in het dossier met onder meer verhoren, aangiftes, sporen en/of in de melding en de daarop volgende updates van de ontwikkeling van de melding, het signalement van de verdachte en andere info die tot de opsporing en aanhouding van de verdachte kon leiden?
Ik ben bekend met het bericht. Ik heb uw Kamer in mijn Kamerbrieven van 9 maart en 20 maart jl. nader geïnformeerd over deze kwestie. Daarin heb ik aangegeven dat in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. wisselend is gesproken over of er inzage is geweest in «politiesystemen» en in het «dossier». Hier had enkel moeten staan dat het om politiesystemen ging.De geraadpleegde systemen bieden onder meer inzicht in het berichtenverkeer van de meldkamer, de eerste bevindingen van de politiemedewerkers ter plaatse en de eerste onderzoekshandelingen. Er wordt niet gedoeld op het gehele dossier.
De politie voert gesprekken met betrokken medewerkers. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
In hoeveel van deze inzagen was sprake van een functionele noodzaak?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat een dergelijk groot aantal politiefunctionarissen ongeoorloofde toegang heeft kunnen krijgen tot dit dossier? Welke autorisatiestructuur en toegangsbeperkingen waren van toepassing op dit dossier? Is sprake geweest van systeemfouten, tekortschietend toezicht of cultuurproblemen binnen de organisatie?
Politiemedewerkers moeten de ruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit hun werk te doen; daar hoort bij dat er systemen zijn die bij een incident of melding snel relevante informatie beschikbaar stellen en de heterdaadkracht vergroten. Dat neemt niet weg dat politiemedewerkers zorgvuldig moeten omgaan met de informatie waartoe zij toegang hebben.
De autorisatie voor de diverse politiesystemen is gebaseerd op een zorgvuldige afweging ten aanzien van nut en noodzaak. Dat betekent dat autorisaties voor bijvoorbeeld een systeem waarin uitgebreide opsporingsinformatie is opgenomen beperkt zijn en zelfs per onderzoek en medewerker worden toegewezen. Andere systemen zijn juist gericht op het zo breed en snel mogelijk verspreiden van relevante informatie over bijvoorbeeld daders, zodat de heterdaadkracht direct na een melding wordt vergroot.
Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek, neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen van systemen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging.
Op welk moment is intern geconstateerd dat sprake was van ongeoorloofde inzage? Wie heeft dit vastgesteld en welke directe maatregelen zijn toen genomen? Waarom is dit niet eerder gesignaleerd of voorkomen?
Begin september 2025 kwamen er concrete signalen over onterechte bevragingen binnen. Dat leidde uiteindelijk tot een landelijk oriënterend onderzoek.
Het past bij een professionele organisatie om, als daar aanleiding toe is, ook bereid te zijn zichzelf te onderzoeken. Daarom geeft de politie nu opvolging aan het onderzoek.
Welke sancties worden ondernomen tegen politiefunctionarissen die zonder functionele noodzaak inzage hebben gehad in dit dossier? Kunt u aangeven welke sancties in vergelijkbare gevallen eerder zijn opgelegd?
Wanneer er onterechte bevragingen zijn, zal dit op de binnen de politie gebruikelijke wijze worden opgepakt. Het is aan het bevoegd gezag om passende maatregelen te treffen als uit de te voeren gesprekken met politiemedewerkers blijkt dat er geen sprake was van een functionele noodzaak.
Kunt u aangeven wat de impact van dit gedrag van deze politiefunctionarissen is geweest voor de nabestaanden van Lisa? Heeft u ze gesproken? Heeft de politieleiding ze gesproken?
Het spijt mij heel erg dat de nabestaanden van Lisa geconfronteerd zijn geweest met de grote hoeveelheden berichtgeving van de afgelopen tijd. De politie en ikzelf staan met de nabestaanden in contact via hun advocaat. Er staat een gesprek met hen gepland.
Welke maatregelen kent de politie in de praktijk om ongeoorloofde inzage te voorkomen? Vindt u deze beperkingen effectief? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet? Wilt u dat onderbouwen?
De politie kent verschillende maatregelen om de kans op ongeoorloofde inzage te verkleinen. Zo wordt ingezet op de bewustwording rondom de regels over het raadplegen van systemen. De toegang en autorisaties zijn per systeem ook anders ingericht, afhankelijk van de informatie die in het systeem staan. Autorisaties worden door leidinggevenden toegekend op basis van functie.
Tevens zet de politie in op het gebruik van protective monitoring. De korpsleiding heeft mij laten weten dat de politie per 1 januari 2025 landelijk is gestart met de invoering van protective monitoring. Protective monitoring is een systeem waarmee de logbestanden van de politiesystemen geanalyseerd worden, met als doel het vroegtijdig detecteren van afwijkend, risicovol en onrechtmatig gebruik van politiegegevens. Deze proactieve controle is momenteel actief op meerdere politiesystemen en wordt nog verder uitgebreid. Protective monitoring is nog niet volledig dekkend en daardoor is deze proactieve controle nog niet op alle politiesystemen mogelijk. Door middel van protective monitoring wordt permanent gelet op ongewone bevragingen van systemen en maakt tevens onderdeel uit van de aanpak van corruptie.
De korpsleiding beziet naar aanleiding van het onderzoek of het beleid ten aanzien van het raadplegen van systemen en de bekendheid daarvan binnen het korps aanpassing vraagt.
Zijn er in de afgelopen vijf jaar eerder signalen geweest van ongeoorloofde wijze van inzagen in dossiers? Zo ja, om hoeveel gevallen ging het? Hoe is tot op heden met deze meldingen omgegaan? Waarom is niet eerder actie ondernomen door de politieleiding?
In het jaarverslag van de politie is terug te vinden hoeveel disciplinaire maatregelen er zijn opgelegd die te relateren zijn aan de verkeerde omgang met informatie; 183 in 20242.
Welke aanvullende maatregelen neemt u zich thans voor om de informatiebeveiliging te optimaliseren zodat herhaling wordt voorkomen?
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 3 maart jl. neemt de korpsleiding de bekendheid van de regels over het raadplegen onder de loep. Ook wordt bekeken of aanvullende maatregelen nodig zijn op het gebied van informatiebeveiliging. Ik blijf hierover met de politie in gesprek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het interne onderzoek en eventuele vervolgstappen?
Zoals ook met u gedeeld in mijn brief van 20 maart jl., heeft de korpschef mij gemeld dat er vanuit de korpsleiding een persoonlijke herstelbrief komt voor de medewerkers die eerder een brief ontvingen in het kader van het raadplegen van de systemen. Daarnaast worden er laagdrempelige bijeenkomsten georganiseerd waar politiemedewerkers worden uitgenodigd om met de korpsleiding in gesprek te gaan. Vakbonden en medezeggenschap worden hierbij uitgenodigd. Deze gesprekken zijn gericht op het herstel van vertrouwen. Zoals ook aangekondigd in mijn brief van 9 maart, worden ook de gesprekken tussen leidinggevenden en betrokken politiemedewerkers gevoerd. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en staan in het kader van bewustwording. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
Het bericht 'Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking' |
|
Daan de Kort (VVD), Björn Schutz (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat bushaltes voor iedereen toegankelijk moeten zijn, mede gelet op het feit dat Nederland tien jaar geleden het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft geratificeerd?
Ja, bushaltes zouden voor iedereen toegankelijk moeten zijn.
Bent u zich ervan bewust dat veel mensen met een beperking volledig afhankelijk zijn van het Openbaar vervoer en dat toegankelijke mobiliteit een essentiële voorwaarde vormt om volwaardig te kunnen deelnemen aan andere maatschappelijke domeinen, zoals onderwijs, werk en sport?
Ja, toegankelijke mobiliteit is voor mensen met een beperking van groot belang om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de toegankelijkheid van het Openbaar vervoer te verbeteren, in het bijzonder voor mensen met een visuele beperking en voor mensen met een mobiliteitsbeperking?
Het Rijk heeft in 2022 het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 (verder te noemen Bestuursakkoord) gesloten met de decentrale ov-autoriteiten, dat zijn de provincies en vervoersregio’s, ProRail, en vervoerders.2 In het akkoord zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer verder te verbeteren voor reizigers met een beperking. De afspraken hebben onder andere betrekking op de toegankelijkheid van reisinformatie, stations, voertuigen, en bus- en tramhaltes. Alle partijen hebben een eigen rol in het realiseren hiervan. Het Rijk heeft € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de afspraken en volgt de uitvoering ervan.
Bent u van mening dat bij de aanbesteding van nieuwe Openbaarvervoerlocaties expliciete en afdwingbare toegankelijkheidseisen moeten worden opgenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes en stations toegankelijk moeten zijn.
Deelt u de opvatting dat bij renovatie of herinrichting van bestaande ov-locaties de toegankelijkheid aantoonbaar moet worden verbeterd? Zo ja, hoe gaat u dit waarborgen?
Ja, de regelgeving verplicht provincies en gemeentes als wegbeheerders, haltes die dat nog niet zijn toegankelijk te maken wanneer er reconstructie of groot onderhoud plaatsvindt.
In lijn met de afspraken in het Bestuursakkoord hebben de decentrale ov-autoriteiten uitvoeringsprogramma’s opgesteld waarin zij aangeven hoe zij uitvoering geven aan afspraken uit het akkoord, waaronder het toegankelijk maken van haltes. Het Rijk heeft € 28 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de programma’s. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bewaakt de voortgang van de afspraken in het Bestuursakkoord en bespreekt het periodiek met de decentrale ov-autoriteiten.
In het Bestuursakkoord is verder afgesproken dat het Rijk wegbeheerders stimuleert en motiveert om meer haltes toegankelijk te maken door kennisdeling te bevorderen, goede voorbeelden te delen en de samenhang te bevorderen met andere verbeteringen van toegankelijkheid in het fysieke domein. In 2023 zijn de totale kosten voor het toegankelijk maken van de resterende bus- en tramhaltes geraamd op circa € 760 miljoen.3 Dit maakt het een lange termijnopgave.
Over de toegankelijkheid van treinstations heeft het Rijk afspraken gemaakt met ProRail. Via het Implementatieplan Toegankelijkheid wordt gewerkt aan het toegankelijk maken van treinstations. Daarnaast zijn er EU-verordeningen van toepassing op de toegankelijkheid van treinstations en rijdend treinmaterieel.
Op welke wijze bent u voornemens ervaringsdeskundigen structureel te betrekken bij het verbeteren van de toegankelijkheid van bushaltes en andere Openbaarvervoerlocaties?
In de Wet Personenvervoer 2000 is bepaald dat concessieverleners, dat zijn het Rijk en decentrale ov-autoriteiten, consumentenorganisaties betrekken. Dit gebeurt onder andere in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (LOCOV) en de Regionale Overleggen Consumentenorganisaties Openbaar Vervoer (ROCOV’s). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overlegt daarnaast regelmatig over de uitvoering van het Bestuursakkoord met consumentenorganisaties die over ervaringsdeskundigheid beschikken. Ook wordt, in het kader van de motie Paulusma, met hen gesproken over de ondersteuning van ervaringsdeskundigen die betrokken zijn bij het realiseren van toegankelijk openbaar vervoer.4
Bent u bereid om in overleg te treden met het Interprovinciaal Overleg (IPO) om provinciebesturen te bewegen bij de verlening en herziening van ov-concessies nadrukkelijker en bindender toegankelijkheidseisen op te nemen? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde voertuigen, haltes, stations en reisinformatie toegankelijk moeten zijn. De provincies en vervoersregio’s zijn hier bij de verlenging en herziening van ov-concessies aan gehouden. Met de ondertekening van het Bestuursakkoord hebben zij het belang van toegankelijkheid opnieuw onderkend. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft periodiek overleg met DOVA, het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten, over de uitvoering van de afspraken in het Bestuursakkoord.
Gelet op het feit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de inrichting van bushaltes, bent u bereid om tevens in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te bevorderen dat bij aanleg, herinrichting en onderhoud van bushaltes toegankelijkheid structureel wordt verbeterd en conform het VN-verdrag handicap wordt geborgd? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven?
In het Bestuursakkoord is afgesproken dat de decentrale ov-autoriteiten met de wegbeheerders werken aan het verder toegankelijk maken van bushaltes. Zij bekijken samen in welk tempo en met welke prioritering haltes toegankelijk gemaakt kunnen worden, gegeven de daarvoor beschikbare middelen. Het ministerie voert zoals gezegd periodiek overleg met het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten waarbij ook wordt gesproken over het verder toegankelijk maken van bushaltes.
De uitspraak van zijn collega minister Heinen dat box 3 op de schop gaat |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van uw collega Minister Heinen over uw portefeuille dat box 3 opnieuw op de schop gaat1?
Het artikel uit de Volkskrant waarnaar verwezen wordt, is mij bekend.
Wat gaat u concreet wijzigen aan het wetsvoorstel en per wanneer?
Zoals ik ook heb geschreven in mijn brief van vrijdag 6 maart 2026 zet het kabinet de invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 door. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet werkt aan het zo snel mogelijk invoeren van een vermogenswinstsystematiek na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 2028. In de tussentijd zal het kabinet opties in kaart brengen waarmee het wetsvoorstel verbeterd kan worden. Deze opties zullen vooral gericht zijn op het realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak.
Het kabinet onderzoekt onder andere het invoeren van achterwaartse verliesverrekening zoals voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen2 en de motie Eerdmans/Bikker over achterwaartse verliesverrekening.3
Indien een aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 mogelijk is en van dekking kan worden voorzien, loopt dit mee in het pakket Belastingplan 2027. Over het traject van de doorontwikkeling van het nieuwe box 3-stelsel tot een vermogenswinstsystematiek ontvangt uw Kamer voor de zomer een brief.
Hoeveel gaat dit exact kosten (cumulatief, in honderden miljoenen nauwkeurig) aan budgettaire derving?
Er worden meerdere mogelijke aanpassingen onderzocht voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Eventuele budgettaire consequenties daarvan moeten in kaart worden gebracht. Voor de achterwaartse verliesverrekening is de budgettaire derving in kaart gebracht bij de appreciatie van de ingediende moties en amendementen.4
Wie gaat ervoor betalen? Kunt u garanderen dat de rekening niet terechtkomt bij gewone werkende mensen, dus dat de dekking volledig wordt gevonden in het domein vermogen/winst?
Een mogelijke aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zal meelopen in het pakket Belastingplan 2027. Op die manier kan een wijziging zorgvuldig worden voorbereid en kan de budgettaire verwerking worden betrokken in de augustusbesluitvorming. Voorstellen ter verbetering van het stelsel die gepaard gaan met een budgettaire derving zullen conform de begrotingsregels van dekking voorzien worden. Daarbij houdt het kabinet uiteraard ook zoveel mogelijk rekening met de aangenomen motie Eerdmans/Bikker.
Wat gaf de doorslag voor uw collega Minister Heinen om deze draai te maken? Welke informatie lag nog niet op tafel tijdens de uitvoerige wetsbehandeling en nu inmiddels wel?
Het kabinet heeft gereageerd op onrust die is ontstaan nadat het wetsvoorstel is aangenomen. Daarbij waren er ook veel signalen over de effecten van vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. De Minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor het totale uitgaven- en inkomstenkader en daarbij is ook het politieke en maatschappelijke draagvlak voor wetsvoorstellen met grote budgettaire consequenties van belang. Het kabinet gaat graag met uw Kamer in gesprek over verbeteringen aan het huidige wetsvoorstel, met het oog op het realiseren van breed politiek en maatschappelijk draagvlak.
Kunt u deze vragen, een voor een, binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat wanbetalende Oekraïners lastig aan te pakken zijn door maas in de wet. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanbetalende Oekraïners zijn lastig aan te pakken door maas in de wet: Kostbaar en omslachtig»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoeveel Oekraïense ontheemden die een eigen bijdrage moeten betalen hebben dit geweigerd? Hoeveel van deze wanbetalers zijn er tot nu toe mee weggekomen zonder enige serieuze consequentie? Hoe hoog is het totale bedrag dat daardoor niet is ingevorderd?
Er is geen landelijk beeld van het aantal ontheemden uit Oekraïne dat een eigen bijdrage dient te betalen en deze (nog) niet heeft betaald. Een landelijk totaalbedrag is daardoor niet bekend. Gemeenten hebben wel voor hun eigen gemeente inzichtelijk welke ontheemden de eigen bijdrage (nog) niet heeft betaald.
Het is belangrijk dat gemeenten de eigen bijdrage kunnen innen. Op verschillende manieren probeert het Rijk gemeenten hierbij te ondersteunen. Naast algemene communicatie is een handreiking geschreven om gemeenten te ondersteunen bij de invoering. Bekend is dat enkele gemeenten zijn gestart met gerechtelijke procedures om inning van de eigen bijdrage af te dwingen. Juridische kosten die gemeenten maken als gevolg van deze procedures worden door het Rijk vergoed.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat Oekraïners, die al geen zorgpremie en eigen risico hoeven te betalen, zelfs weigeren hun minimale eigen bijdrage voor opvang te betalen, terwijl de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler voor alles opdraait? Zo nee, waarom vindt u voorkeursbehandeling voor wanbetalende Oekraïners acceptabel?
Ontheemden uit Oekraïne die werken en/of eigen inkomsten hebben, dienen sinds 1 juli 2024 een eigen bijdrage voor hun opvang in de gemeentelijke opvang te betalen. Het is onwenselijk dat ontheemden met werk en/of eigen inkomsten geen eigen bijdrage betalen. Ontheemden met werk of eigen inkomsten dragen met het betalen van de eigen bijdrage bij aan de kosten voor opvang, net zoals andere vluchtelingen en asielzoekers. Deze regels staan opgenomen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en daar hoort iedereen zich aan te houden. Daarnaast is de eigen bijdrage per 1 oktober 2025 verhoogd om het bedrag passender te maken voor de voorzieningen die worden geboden. Met de verhoging is eveneens aansluiting gezocht bij het maximale bedrag dat asielzoekers in de COA-opvang betalen indien zij inkomsten genieten. In de gevallen waar ontheemden dit weigeren kunnen gemeenten deze alsnog innen via een gerechtelijke procedure.
Waarom is er nog geen wetsvoorstel ingediend om het vorderen van de eigen bijdrage van Oekraïners door gemeenten makkelijker te maken, zoals de PVV al een jaar geleden heeft voorgesteld onder andere via een dwangbevel? Bent u bereid alsnog met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen om dit te regelen?
De huidige werkwijze is dat gemeenten een eigen bijdrage kunnen innen via een gerechtelijke procedure indien niet (tijdig) wordt betaald. Bekend is ook dat enkele gemeenten deze procedures gestart zijn.
Op dit moment is er geen wettelijke grondslag voor gemeenten om de eigen bijdrage te innen per dwangbevel. In de verzamelbrieven d.d. 4 juli 2025 en 25 november 2025 is aan uw kamer gecommuniceerd dat in de voorbereiding van het lange termijn beleid voor ontheemden uit Oekraïne voor de periode na afloop van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), ook de mogelijkheid tot het dwangbevel is meegenomen.
De gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten voor de Europese energiezekerheid en de Nederlandse gasvoorziening |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de huidige situatie in het Midden-Oosten, waaronder de Iraanse aanvallen op energiefaciliteiten in Qatar en de blokkering van de Straat van Hormuz, en de effecten die dit conflict heeft op de wereldwijde prijzen voor fossiele brandstoffen?
Kunt u toelichten waarom de Nederlandse gasvoorraad op dit moment historisch laag is in vergelijking met voorgaande jaren en met andere Europese landen, en hoe dit zich verhoudt tot de toegenomen geopolitieke risico’s voor de energiezekerheid?
Herkent u de uitspraak van een woordvoerder van Gasunie op 24 februari jl. dat Nederland zich geen zorgen hoeft te maken over de gasvoorraden zolang er zich geen uitzonderlijke omstandigheden voordoen zoals het sluiten van de Straat van Hormuz? Deelt u de zorg dat deze omstandigheid zich nu feitelijk voordoet en wat zijn naar uw oordeel de gevolgen hiervan voor de Nederlandse leveringszekerheid op korte termijn?
Heeft u inzicht in de mogelijke gevolgen voor de leveringszekerheid indien de gasprijzen verder stijgen of de aanvoer langdurig wordt verstoord? Zo ja, beschikt u over een concreet plan om deze risico’s op te vangen en bent u bereid de hoofdlijnen hiervan met de Kamer te delen?
Overweegt u om, in navolging van andere landen en in Europees verband, strategische olie- en gasreserves aan te leggen of uit te breiden als buffer tegen geopolitieke verstoringen van de energieaanvoer? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de analyse dat de Europese afhankelijkheid van externe energiebronnen en het gebrek aan interne Europese coördinatie de positie van Europa verzwakt bij geopolitieke conflicten die de energiezekerheid raken? Zo ja, welke stappen onderneemt Nederland om de positie te verbeteren?
Het AggregateEU-platform voor gezamenlijke Europese gasinkoop bestaat sinds de energiecrisis na de Russische invasie van Oekraïne, maar wordt tot op heden slechts beperkt benut; waarom wordt dit mechanisme niet beter benut als reactie op de huidige crisis, en wat zijn volgens u de concrete obstakels hiervoor?
Zijn er op dit moment concrete afspraken met buurlanden over onderlinge bijstand bij energietekorten, en wat houden deze afspraken in? Zo nee, bent u bereid dergelijke afspraken alsnog te maken?
Welke lessen trekt u uit de huidige situatie voor de versnelling van de energietransitie, en hoe voorkomt u dat kortetermijndruk op leveringszekerheid leidt tot nieuwe fossiele afhankelijkheden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
De raming van tienduizenden extra asielopvangoplekken. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er bijna 38.000 extra opvangplekken voor asielzoekers gerealiseerd moeten worden vóór halverwege 2027?1
Hoe verhoudt deze enorme uitbreiding van asielopvang zich tot de belofte van het nieuwe kabinet om de asielinstroom te beperken?
Waarom worden gemeenten gedwongen opvangplekken te realiseren, terwijl veel gemeenten al kampen met een groot tekort aan woningen voor de eigen inwoners?
Bent u bereid de spreidingswet in te trekken, nu blijkt dat deze wet leidt tot een verdere toename van de druk op gemeenten en de samenleving?
Deelt u de mening dat Nederland de grenzen moet sluiten zolang er geen oplossing is voor de huidige opvangcrisis?
Hoe verklaart u dat zijn voorganger weigerde deze ramingen te publiceren?
Hoeveel van de huidige 77.500 opvangplekken worden bezet door mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen zo snel mogelijk uit Nederland worden gezet?
Bent u het eens met de stelling dat de spreidingswet een ondemocratisch instrument is dat gemeenten en haar inwoners verplicht tot iets waar zij niet om hebben gevraagd?
Bent u het eens met de stelling dat Nederland haar eigen burgers – met name daklozen, mensen op de wachtlijst voor sociale huurwoningen, spoedgevallen door scheiding, maar ook starters – voorrang moet geven boven asielzoekers?
Bent u bereid het Nederlandse asielbeleid volledig te herzien en in lijn te brengen met de wens van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, die volgens meerdere peilingen een strenger asielbeleid wenst?
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Ja.
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen.; verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat het sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof en dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.2
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Het gaat om situaties waarbij de Matching Autoriteit constateert dat de identiteit die zij op dat moment als leidend heeft bepaald, afwijkt van de tenaamstelling van het vonnis. Deze afwijkingen kunnen voortkomen uit schrijffouten, naamswijzigingen, betere identiteitsgegevens die pas later in het strafproces beschikbaar komen, identiteitsfraude of langdurige onzekerheid over de identiteit.
Hieronder is per gevalstype het percentage waarin afwijkingen voorkomen in de 867 geconstateerde zaken indicatief aangegeven:
Deze percentages kunnen wijzigen. Op grond van nadere toetsing kan blijken, dat een zaak tot een ander gevalstype behoort. Deze percentages geven daarmee een voorlopig beeld van de thans beoordeelde zaken.
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
De problematiek kent verschillende oorzaken. Om te beginnen aan de voorkant van de keten. Daar kunnen verdachten onjuiste of onvolledige gegevens verstrekken die op dat moment niet kunnen worden geverifieerd. Ook kunnen fouten in de registraties ontstaan vanwege verschrijvingen of administratieve vergissingen. Later in het proces, zo leert de praktijk, komen er pas voor het eerst kwalitatief betere identiteitsgegevens beschikbaar (zoals vingerafdrukken). De registraties worden dan indien nodig geactualiseerd. Dat vergt nader ID-onderzoek. Een dergelijk onderzoek neemt veel tijd in beslag en duurt soms langer dan de periode van vervolging/berechting. Hierdoor kunnen fouten lange tijd in de registraties blijven staan en komt pas na het vonnis informatie beschikbaar op basis waarvan wordt geconstateerd dat de tenaamstelling onjuist is. In andere gevallen wordt bij de vervolging (uitbrengen dagvaarding) en berechting (vonnis) niet altijd gewerkt met de meest actuele tenaamstelling, en wordt de identiteit van de verdachte op die momenten niet daadwerkelijk geverifieerd. Bovendien kent de strafrechtketen op dit moment geen structureel herstelproces om deze fouten proactief te herstellen.
Het voorkomen van nieuwe fouten is één van de vier pijlers van de aanpak. Dat laat onverlet dat hier sprake is van een ketenbreed vraagstuk: de oorsprong ligt vaak vroeg in het proces, maar ook in latere fasen moeten signalen tijdig worden onderkend, geverifieerd en verwerkt. Daarom wordt samen met ketenpartners in kaart gebracht waar processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat onzekerheid rondom de identiteit van een verdachte inherent is aan het strafproces. Dat houdt verband met het kernbeginsel dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan de eigen veroordeling, maar ook aan de wisselende betrouwbaarheid van de op dat moment beschikbare identiteitsgegevens. Een volledig foutloze keten is niet realistisch; er zal sprake blijven van menselijke invoerfouten en situaties waarin, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van gegevens, identiteiten in de praktijk niet zijn vast te stellen.
Het belang van de strafrechtspleging vergt dat er wordt gewerkt met de beste op dat moment beschikbare gegevens. Daarom wordt ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de migratieketen en de burgerketen zijn betrokken.
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
De Strafrechtketendatabank (SKDB) verwerkt identiteitsgegevens mede op basis van authentieke of gezaghebbende bronregistraties, waaronder in elk geval de Basisregistratie Personen en, voor zover relevant, de Basisvoorziening Vreemdelingen. Wijzigingen in dergelijke bronregisters kunnen doorwerken in de SKDB om identiteitsgegevens te actualiseren en ketenprocessen te ondersteunen. Of en hoe die doorwerking vervolgens effect heeft in andere ketenprocessen of registraties, hangt af van de aard van de wijziging, de betrokken systemen en de noodzakelijke beoordeling van de gevolgen daarvan.
Een beperkt aantal van de aan de SKDB gekoppelde organisaties valt onder de werking van de AVG. Voor andere organisaties geldt dat de Wet Politiegegevens (Wpg) of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing zijn, die overigens vergelijkbare bepalingen kennen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de te verwerken persoonsgegevens. Die stelsels kennen ieder eigen regels over de juistheid, zorgvuldigheid en – waar nodig – correctie van persoonsgegevens. De geautomatiseerde doorwerking van brongegevens ontslaat betrokken organisaties dus niet van hun verantwoordelijkheid om, binnen het voor hen geldende wettelijke kader, onjuistheden te corrigeren wanneer die blijken.
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat systeemtechnische beperkingen nooit zouden mogen leiden tot het in stand houden van onjuiste strafrechtelijke registraties. Juist om die reden heeft de Matching Autoriteit de wettelijke taak (Wivvg) de leidende administratieve identiteit van verdachten en veroordeelden te bepalen. Deze identiteit wordt binnen de strafrechtketen gedeeld en vervolgens in alle fasen van het strafproces gebruikt. Door het centraal beheer en onderhoud van identiteitsgegevens in de strafrechtketen en het eenduidig gebruik hiervan in de keten(-systemen), kunnen de uniformiteit van gegevens, dataconsistentie en de mogelijkheid tot integraal herstel (na constatering onjuiste tenaamstelling) worden geborgd. Dat neemt niet weg dat herstel in de praktijk per systeem en per rechtsgevolg verschillende handelingen kan vergen. Juist daarom is van belang dat onjuiste registraties niet alleen technisch, maar ook juridisch en procesmatig zorgvuldig kunnen worden hersteld. Om die reden is begin dit jaar een wijziging in de systemen gerealiseerd waardoor het mogelijk is geworden om geautomatiseerd doorgevoerde wijzigingen weer terug te draaien.
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Er bestond inderdaad onzekerheid omtrent de herstelbevoegdheden. Deze onzekerheid is inmiddels in belangrijke mate verduidelijkt door het ontwikkelde Toetsings- en handelingskader dat de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen expliciet maakt. Dat kader is conform toezegging in Q1 definitief vastgesteld en wordt in de komende tijd verder geoperationaliseerd in de uitvoeringspraktijk. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht. Dit kader is gebaseerd op een door deskundigen in- en extern gevalideerde juridische grondslag. Daarbij geldt als uitgangspunt dat correctie van registraties onder omstandigheden mogelijk is, maar dat wijziging van een onherroepelijk rechterlijk oordeel uitsluitend door de rechter zelf kan worden gedaan.
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
In de Kamerbrief van 10 november 20253 is melding gemaakt van vier gevallen waarin foutieve tenaamstelling aan de orde was. In twee van die gevallen zijn personen bij identiteitscontrole gedetineerd geweest; nadat bleek dat zij niet de dader waren, zijn zij in vrijheid gesteld. Of er in meer zaken sprake is geweest van benadeling van burgers zal moeten blijken uit de lopende analyse van de overige zaken waarin er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.
Ook is aangegeven dat in 8 gevallen waarin binnen de onderzochte groep een VOG-aanvraag aan de orde was, de nieuwe informatie niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Op de door u gestelde vraag kan geen antwoord worden gegeven, omdat cijfermateriaal vanaf 2010 niet beschikbaar is. Het gevraagde, namelijk onjuist verwerkte persoonsgegevens, is daarbij een ander begrip en veel breder dan een «onjuiste tenaamstelling». Daarnaast kan een verzoek tot correctie betrekking hebben op verschillende onderdelen van de registratie van (persoons-)gegevens in de SKDB en niet uitsluitend op de correctie van de personalia van een betrokkene. Dat neemt niet weg dat ik zal bezien hoe de registratie van dergelijke signalen, verzoeken en afdoeningen vanaf nu eenduidiger kan plaatsvinden, zodat hierover in de toekomst beter kan worden gerapporteerd.
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het is van groot maatschappelijk belang dat de identiteit van verdachten in het strafproces juist wordt vastgesteld, om te voorkomen dat onschuldigen nadeel ondervinden of dat daders hun straf ontlopen. Uit de rapportage van de Algemene Rekenkamer (ARK) in mei 2025 en de daarop volgende brieven aan uw Kamer5 blijkt dat het in het verleden niet altijd goed is gegaan
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
Daarbij wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van nieuwe gevallen en het beoordelen van bekende zaken, maar ook op het zo veel mogelijk in beeld brengen van gevallen waarin burgers concreet nadeel hebben ondervonden. Waar daar aanleiding toe bestaat, wordt bezien of en hoe betrokkenen actief kunnen worden benaderd en welke passende herstel- of schadetrajecten openstaan. Daarnaast kunnen burgers die menen nadeel te ondervinden van een onjuiste overheidsregistratie zich melden via onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties; bezien wordt hoe deze route in dit dossier zo toegankelijk mogelijk kan worden gemaakt.