Doorbehandelen ondanks niet-behandelverklaringen |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Doorbehandelende arts krijgt waarschuwing», dat ingaat op een casus waarin sprake was van doorbehandeling ondanks een niet-behandelverklaring?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe vaak deze situatie – doorbehandelen ondanks een niet-behandelverklaring – naar uw weten voorkomt?
Voor zover mij bekend, worden deze aantallen niet geregistreerd.
Wat is de juridische status van een niet-behandelverklaring? In hoeverre zijn artsen – onder andere via de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) – gebonden aan niet behandelen als de patiënt dit vast heeft laten leggen?
Ook in de zorg staat het zelfbeschikkingsrecht voorop. Met een niet-behandelverklaring kan de cliënt schriftelijk vastleggen dat hij geen toestemming geeft tot behandelen. In juridische zin is een niet-behandelverklaring een wilsverklaring. De grondslag voor de niet-behandelverklaring is artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek. In dit artikel is bepaald dat toestemming door de cliënt of zijn vertegenwoordiger moet worden gegeven, voordat met de behandeling mag worden gestart. Het derde lid van artikel 7:450 BW ziet op verklaringen over de behandeling die de cliënt heeft afgelegd toen hij nog wilsbekwaam was, maar die eventueel gebruikt moeten worden in een situatie waarin de cliënt dat niet meer is. De zorgverlener heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid als hij meent dat sprake is van gegronde redenen, waardoor hij meent van de niet-behandelverklaring te moeten afwijken.
Een niet-behandelverklaring betreft een keuze van de cliënt betreffende behandelbeslissingen die grote gevolgen kunnen hebben. Deze beslissingen kunnen over leven en dood gaan. Daardoor is het een document waar cliënt en zorgverlener uiterst zorgvuldig mee moeten omgaan. Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt om zo duidelijk mogelijk te zijn over zijn wil, maar ook de zorgverlener heeft een eigen verantwoordelijkheid. Uitgangspunt is dat de zorgverlener de wilsverklaring opvolgt en niet tot behandeling overgaat. Als eerder opgemerkt heeft de zorgverlener ook een eigen verantwoordelijkheid. Een zorgverlener mag niet zonder meer gevolg geven aan dit document. De zorgverlener moet zich ervan overtuigen dat de niet-behandelverklaring authentiek is en of de verklaring in de ogen van zorgverlener betrekking heeft op de aan de orde zijnde behandelingssituatie. De KNMG heeft in een handreiking «tijdig praten over overlijden» vastgelegd hoe om te gaan met de wens van de cliënt in geval van een niet-behandelverklaring. Als de zorgverlener meent dat de cliënt niet bedoeld heeft dat hij niet behandeld wil worden, kan hij gelet op bovenstaande, van de niet-behandelverklaring afwijken.
Is de niet-behandelverklaring blijvend geldig vanaf het moment van opstellen, of verloopt deze na enige tijd?
Een schriftelijke verklaring is van kracht zolang deze niet is ingetrokken of gewijzigd. Wel is het de professionele verantwoordelijkheid van de zorgverlener om conform de handreiking van de KNMG de wil van de betrokken cliënt te wegen. Daarbij moet de zorgverlener bekijken of betrokkene beoogd heeft in de aanwezige situatie niet te worden behandeld en op basis daarvan moet de zorgverlener besluiten wel of niet gevolg te geven aan de niet-behandelverklaring.
Kan de behandelende zorgverlener aansprakelijk worden gesteld voor medische schade of overlijden van de patiënt, wanneer hij zich aan de letter van de niet-behandelverklaring heeft gehouden? Kan eventueel ontstane medische letselschade door niet ingrijpen worden verhaald op de behandelende zorgverlener?
De wilsverklaring is het uitgangspunt, maar het is de professionele verantwoordelijkheid van de zorgverlener om conform de handreiking van de KNMG de wil van de betrokken cliënt te wegen en op basis daarvan te besluiten wel of niet gevolg te geven aan de niet-behandelverklaring. Wanneer een zorgverlener zijn handelwijze deugdelijk kan verantwoorden, ligt het niet in de lijn der verwachting dat deze zorgverlener aansprakelijk te stellen is voor zijn doen of nalaten. Medische letselschade uit dien hoofde is dan niet op hem te verhalen. De lijn als hiervoor geschetst, over hoe om te gaan met een niet-behandelverklaring, wordt bevestigd in tuchtrechtelijke uitspraken. Het is overigens niet aan mij, maar aan de rechter om te bepalen of de arts in een specifieke situatie correct heeft gehandeld en of schadevergoeding op zijn plaats is.
Kan de behandelende zorgverlener aansprakelijk worden gesteld voor medische schade of overlijden van de patiënt, wanneer hij in tegenstelling tot de niet-behandelverklaring toch heeft ingegrepen? Kan eventueel ontstane medische letselschade door dit ingrijpen worden verhaald op de behandelende zorgverlener?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt bij opname van patiënten in instellingen (ziekenhuizen en verpleeginstellingen) standaard aandacht besteed aan de vraag of de patiënt beschikt over een niet-behandelverklaring? Zo niet, vindt u dat dit wel onderdeel is van goed zorgverlenerschap?
Is de niet-behandelverklaring eenvoudig op te vragen voor behandelende artsen? Zo ja, waar? Zo nee, wiens verantwoordelijkheid is het dat de niet-behandelverklaring bekend is bij de behandelende zorgverleners?
Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt ervoor te zorgen dat de zorgverlener op de hoogte is of kan zijn van zijn wilsverklaring. De meeste instellingen hebben een aanpak ontwikkeld zodat men, zeker in acute situaties, zo snel mogelijk kan achterhalen of er sprake is van een niet-behandelverklaring van cliënten.
Is voor zorgverleners voldoende helder wat precies verstaan moet worden onder een niet-behandelverklaring? Herkent u het beeld dat het vermoeden bestaat dat onder zorgverleners onduidelijkheid bestaat over wat in de praktijk precies verstaan moet worden onder niet-behandel beleid, waaronder niet-reanimeerbeleid? Bent u van mening dat het voor zorgverleners helder is hoe zij moeten handelen wanneer een bewoner van een instelling met een niet-reanimeer beleid dreigt te stikken in een stukje brood of een vergelijkbare situatie? Zo nee, kan hieruit geconcludeerd worden dat de huidige niet-behandelverklaring onvoldoende handvatten biedt voor zorgverleners om hier in de praktijk mee te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kan deze situatie verbeterd worden?
Juridisch gezien is een niet-behandelverklaring goed te duiden. Het probleem is echter dat de niet-behandelverklaring in de praktijk niet altijd concreet genoeg is om alle onverwachte situaties op een adequate wijze te dekken. Het is voor de arts niet altijd duidelijk wat in het specifieke geval de status is van een niet-behandelverklaring en onder welke omstandigheden het behandelverbod al dan niet geldt. Ter ondersteuning van diens beslissing biedt de handreiking van de KNMG «tijdig praten over overlijden» professionals handvatten over hoe om te gaan met onder andere een niet-behandelverklaring.
De KNMG is op dit moment in gesprek met patiëntenorganisaties en ouderenbonden om ook een versie van deze handreiking voor cliënten te maken. Daarnaast is Verenso op dit moment samen met het Nederlands Huisartsen Genootschap en met subsidie van VWS, bezig met het ontwikkelen van een «Richtlijn reanimatiebeleid kwetsbare ouderen in verzorgingshuizen, verpleeghuizen en in de thuissituatie». In deze richtlijn zal ook worden ingegaan op het omgaan met niet-behandelverklaringen. Ik heb met Verenso afgesproken dat de richtlijn komend najaar zal worden opgeleverd.
De gang van zaken tussen het ministerie en het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Leers |
|
|
|
|
Herinnert u zich het algemeen overleg dat u met de Kamer heeft gevoerd op 12 oktober 2011 over de misstanden bij het COA?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe de destijds door u geuite verontwaardiging over de bezoldiging van mevrouw Albayrak zich verhoudt tot de constateringen die op 10 januari 2012 door het Gerechtshof in Den Haag zijn gedaan, in het bijzonder ten aanzien van de zorgvuldigheid die in deze kwestie betracht had moeten worden door de werkgever en de verklaring voor het verschil in bezoldigingsgegevens, zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 24 en 25 van het arrest?2
Kunt u nog eens helder uiteenzetten op welke wijze u als minister de afgelopen maanden en op welke momenten, contact hebt gehad met het COA en in het bijzonder met mevrouw Albayrak over haar bezoldiging? Indien nee, kunt u toezeggen dat dit punt expliciet wordt meegenomen in het reeds lopende onderzoek naar het COA?
Herinnert u zich dat u tijdens het algemeen overleg aangaf dat u heeft vastgesteld dat in ieder geval sprake was van een «inconsistentie in de informatie over de salarispositie van mevrouw Albayrak» zoals verstrekt door het COA omdat het salaris aanzienlijk boven de Balkenendenorm zou zijn en waarbij u aangaf achteraf verrast te zijn met «cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd»?1
Hoe verhoudt uw uitspraak over »volkomen» onjuiste cijfers van het COA zich tot de vaststelling van de rechter dat uit rapportages van KPMG Advisory en de Rijksauditdienst blijkt dat de informatie van het COA zoals vermeld in de brief van 27 september 2011, aansluit op de administratie van het COA?
Hoe verhoudt uw uitspraak over «volkomen» onjuiste cijfers door het COA zich tot de vaststelling van de rechter dat het verschil tussen de bezoldigingsgegevens in de brief van het COA en het ontvangen salaris kan worden verklaard door het verschil in arbeidsuren te weten tussen 36 en 40 uur?3
Kunt u toelichten welke rol u precies heeft gehad bij het op non-actief stellen van mevrouw Albayrak, mede gezien uw uitspraak in de Kamer dat «de onduidelijkheid over de cijfers» voor u «de limit» was en dat dit voor u aanleiding was om mevrouw Albayrak op non-actief te stellen?1
Wat is de reden dat u gezien de «ongerustheid en verontwaardiging» over de vermeende gang van zaken bij het COA, uw ferme uitspraken over het hoge inkomen van mevrouw Albayrak en gezien de door u destijds geconstateerde «inconsistentie in informatie», alleen heeft aangestuurd op een op non-actief stelling van mevrouw Albayrak en niet tevens op een ontslagprocedure?
Kunt u toelichten hoe uw optreden ten aanzien van de Algemeen Directeur van het COA zich formeel verhoudt tot de taak van de Raad van Toezicht van het COA om als werkgever op te treden en tot maatregelen tegen een werknemer te besluiten?
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot uw bewering in de Kamer dat u»vanaf het begin af aan bovenop de bezoldiging hebt gezeten» en dat negen maanden lang «uitgebreid overleg heeft plaatsgevonden over de vraag hoe de bezoldiging in overeenstemming kon worden gebracht» met de normering topinkomens?1
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot de excuses van uw directeur-generaal die zij namens het ministerie op 23 september 2011 en daarmee reeds voorafgaande aan het overleg met de Kamer, aan de Raad van Toezicht van het COA heeft aangeboden in verband met de onjuiste informatie van het ministerie over het salaris van mevrouw Albayrak?4
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot de e-mail van uw directeur-generaal waarin namens het ministerie wordt geadviseerd «communiceer naar buiten toe dat mevrouw Albayrak onder de voor de publieke sector geldende max inkomensnorm» zit?4
Hoe verhoudt uw uitspraak dat u «achteraf bent verrast met cijfers die volkomen anders blijken te zijn dan in eerste instantie is gezegd» zich tot de e-mail van uw directeur-generaal waarin door het ministerie wordt vastgesteld dat het inkomen van mevrouw Albayrak ongeveer tweeduizend euro hoger is dan de voor topmanagementgroep rijk gehanteerde norm, op basis waarvan voor aanpassing van het salaris, ondersteuning met advies wordt aangeboden door het ministerie?4
Herinnert u zich uw uitspraak in de Kamer dat zorgvuldig in deze kwestie aangaande het COA en mevrouw Albayrak moet worden opgetreden onder de stellingname «Eerst moeten de feiten op tafel liggen» en «Pas dan kun je tot een beoordeling komen en conclusies trekken»? Indien ja, kunt u toelichten waarom u dan niet terughoudender bent geweest in uw kwalificaties over de bezoldiging van mevrouw Albayrak, maar juist vooruitlopend op nader onderzoek of een gesprek met mevrouw Albayrak, met uw optreden en bewoordingen in de Kamer de schijn heeft gewekt dat de huidige bezoldiging van mevrouw Albayrak geheel niet conform afspraken met het ministerie zou zijn?
Kunt u aangeven wanneer de Kamer het door u tijdens het algemeen overleg van 12 oktober 2011 toegezegde overzicht, inclusief data, tegemoet kan zien waarin per datum precies wordt aangegeven waar en wanneer met u dan wel uw ambtenaren contact is geweest over de bezoldiging van mevrouw Albayrak en waarover precies is gesproken?
Kunt u toelichten welke «ingrijpende maatregelen», zoals verwoord in rechtsoverweging 31 van het arrest van het Gerechtshof Den Haag, door de ad interim bestuursvoorzitter van het COA per 1 januari 2012 zijn genomen?
Hoe verhoudt de positie van de ad interim bestuursvoorzitter van het COA zich tot de door de rechter gelaste terugkeer van mevrouw Albayrak in haar functie van Algemeen Directeur, nu de rechter constateert dat haar functie feitelijk hetzelfde is als de functie van Bestuursvoorzitter en de ad interim bestuurder dus feitelijk op de stoel van mevrouw Albayrak zit?5
Is de ad interim bestuursvoorzitter op enig moment dan wel in enige bewoordingen te verstaan gegeven dat hij waarschijnlijk voor ongeveer een jaar kan aanblijven en dat die tijd nodig is om een nieuwe bestuursvoorzitter te werven? Indien ja, bent u hiermee voornemens om mevrouw Albayrak niet haar werkzaamheden als Algemeen Directeur te laten hervatten? Indien nee, wat is uw reactie op de constatering van de rechter dat de verplichting om gedurende de op non-actiefstelling voorzieningen te treffen zodat werkzaamheden hervat kunnen worden, in dit geval bepaald onvoldoende zijn nageleefd door het COA?5
Op welke wijze zal de Raad van Toezicht van het COA bij de door de rechter gelaste hervatting van werkzaamheden door mevrouw Albayrak, waarborgen dat het lopende onderzoek naar de vermeende misstanden bij het COA onafhankelijk en onbelemmerde doorgang vindt?6
Deelt u de mening dat, in het licht van voorgaande vragen, uw informatie aan de Kamer over de bezoldiging van mevrouw Albayrak, inconsistent is gebleken? Indien nee, waarom niet?
De uitvoering van de afspraken uit het Scheldeverdrag |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat u een brief heeft ontvangen d.d. 16 januari 2012 van de Vlaamse minister-president Kris Peeters over de uitvoering van de afspraken uit het Scheldeverdrag?
Ja. De brief van minister-president Peeters heb ik op 20 januari 2012 aan uw Kamer gezonden.
Kunt u deze brief onverwijld naar de Tweede Kamer sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Ganzen in de motoren van een Boeing op de polderbaan |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat op 10 januari jl. wederom een Boeing 767 op 300 meter voor de landing op de Polderbaan ganzen in de motoren heeft gekregen?1
Ja
Kunt u aangeven hoeveel van dergelijke incidenten zich het afgelopen jaar hebben voorgedaan, welke gevolgen deze hadden en hoeveel kosten voor bijvoorbeeld het inschakelen van hulpdiensten hierdoor gemaakt zijn?
In 2011 waren er drie aanvaringen met ganzen en één bijna botsing met ganzen. Bij één aanvaring was de motor zwaar beschadigd en bij een andere de neus ingedeukt. Bij de bijna botsing kon de piloot nog net stoppen toen hij door een melding van de vogelwacht hierop werd gewezen.
In 2012 waren er tot nu toe al twee forse aanvaringen, waarvan bij één – door u aangehaald – is vastgesteld dat het om ganzen ging.
Als de motor beschadigd is of vervangen moet worden levert dat een schadepost op van 1 tot 5 miljoen euro. Verder zijn de indirecte kosten als gevolg van een vogelaanvaring (met name vertraging en compensatie) fors. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen worden naast de hulpdiensten van Schiphol de regionale hulpdiensten ingeschakeld. Dergelijke situaties hebben zich noch in 2011 noch in 2012 voorgedaan.
Welke inspanningen zijn gedaan ter voorkoming van deze incidenten?
Er wordt langs meerdere sporen gewerkt om vogelaanvaringen te voorkomen. Door de verschillen in bevoegdheden, bestemmingen en eigendom is het regiem binnen de hekken anders dan daarbuiten.
Alvorens een baan vrij te geven voor gebruik wordt door Schiphol Bird Control visueel gecontroleerd of er geen vogels in de directe nabijheid aanwezig zijn. Het vestigen van vogels wordt tegengegaan. Binnen de hekken door het gebied zo onaantrekkelijk mogelijk gemaakt. Buiten de hekken door tot een afstand van 6 km bestemmingen met een vogelaantrekkende werking te weren. Deze bestemmingen zijn alleen mogelijk met een Verklaring van geen bezwaar van de minister van Infrastructuur en Milieu.
Het foerageren van vogels wordt onaantrekkelijk gemaakt. Binnen de hekken door keuze van grassoorten en aangepast groenbeheer. Buiten het gebied is het afgelopen jaar op zo’n 100ha een effectieve pilot gedaan met het onderwerken van graanresten direct na de oogst.
Er is sprake van intensief ver- en bejagen. Binnen de hekken is Schiphol Bird Control actief met het verjagen op het moment dat er gevlogen wordt met de inzet van o.a. valkeniers, gaskanonnen, bewegende poppen, groene laser etc. Buiten de hekken ligt de nadruk op bejagen en nestbehandeling. Binnen de ontheffing die hiertoe door de provincie Noord-Holland is verleend zijn er in 2011 ongeveer 9 500 ganzen afgeschoten rond Schiphol en zo’n 4 000 nesten bewerkt. De populatie is daarmee echter nog maar beperkt gereduceerd.
Deelt u de mening dat de veiligheid van reizigers door deze incidenten ernstig in het geding is? Deelt u bovendien de mening dat alle maatregelen om de veiligheid van de reizigers van en naar Schiphol te kunnen waarborgen linksom én rechtsom uitgevoerd moeten worden?
Ja. Bij meerdere gelegenheden, zoals mijn reactie op het rapport van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid over de noodlanding van het toestel van Royal Air Maroc en in het overleg met de Kamer van 22 december jl., heb ik de urgentie van de aanpak benadrukt.
Kunt u aangeven op welke termijn alle maatregelen, inclusief het gebruik van koolzuurgas voor het doden van ganzen, beschikbaar zijn?
Aanvullend op de hiervoor beschreven maatregelen wordt gewerkt aan intensivering op alle sporen. Bijvoorbeeld de introductie van technische hulpmiddelen zodat op grotere afstanden en met meer nauwkeurigheid de aanwezigheid van grotere aantallen vogels kan worden bepaald. In 2012 zullen de eerste proeven daarmee starten en zullen de benodigde afspraken worden gemaakt over wie op basis van de informatie welke besluiten neemt.
Verder zal in 2012 een inventarisatie worden gemaakt van de ruimtelijke ontwikkelingen in de zone tussen de 6 en 13 km. Op basis daarvan zal in een AMvB worden vastgelegd op welke wijze rekening gehouden moet worden met de vogelaantrekkende werking van bepaalde bestemmingen.
Bovendien is er door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, de boeren Miscanthusgroep uit de Haarlemmermeer en Wageningen UR een Green Deal Vogelwerende Teelt Olifantgras in de omgeving Schiphol overeengekomen. Het olifantgras biedt namelijk een natuurlijke verhoging van de vliegveiligheid omdat het een minder aantrekkelijk gewas is voor ganzen. Dit onderzoeksproject start in 2012.
Tevens worden in de omgeving van Schiphol afspraken gemaakt over het direct na de oogst onderwerken van graanresten met een vergoeding van de kosten. Dit initiatief zal worden uitgebreid met als doel dat op basis van langjarige verplichtingen alle agrariërs binnen een straal van 6km de graanresten onderwerken.
Tot slot zal in 2012 het populatiebeheer worden gecontinueerd. Afschot en nestbewerking zal intensief en blijvend worden ingezet. De benodigde verplichte stappen om CO2 als biocide beschikbaar te krijgen worden doorlopen. Vooralsnog ga ik er vanuit dat het proces voor de ruiperiode zover is gevorderd dat ik gebruik kan maken van mijn mogelijkheid om een tijdelijke vrijstelling af te geven om CO2 te mogen inzetten om tot een structurele afname van het aantal ganzen te komen.
Deelt u de mening dat, met het oog op de luchtverkeersveiligheid, snel ingrijpen noodzakelijk is en dat er dus een specifieke aanpak rondom Schiphol gewenst is? Welke éxtra maatregelen worden er tot aankomende zomer, wanneer het gebruik van koolzuurgas kan beginnen, genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Het artikel ‘KLM en Transavia in botsing met Schiphol’ |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KLM en Transavia in botsing met Schiphol»?1
Ja.
Kunt u aangeven of er iets veranderd is sinds de beantwoording van onze vragen ten aanzien van de botsing tussen KLM en Schiphol over de tarieven?2
De genoemde vragen aan de minister van Financiën hadden betrekking op een voorstel van Schiphol in 2010 om de transfertarieven te verhogen en de tarieven voor van Schiphol vertrekkende passagiers te verlagen. In het hierboven genoemde artikel in de Telegraaf gaat het om het besluit van Schiphol om alle tarieven met 4% te verhogen. De tariefregulering en de positie van de Staat als aandeelhouder die in de beantwoording van de hierboven vermelde vragen worden genoemd, is niet gewijzigd.
Gelden de conclusies uit het rapport van McKinsey & Company en Boston Consultancy Groep van april 2011 nog steeds?
Dit rapport, opgesteld in opdracht van Schiphol en KLM, gaat in op marktontwikkelingen en daarnaast specifiek op de consequenties van het voorstel van Schiphol uit 2010 om de transfertarieven te verhogen en de tarieven voor vertrekkende passagiers te verlagen. Zoals in het antwoord op vraag 1 genoemd, is een dergelijk tariefvoorstel thans niet aan de orde. De beschrijving van ontwikkelingen in de luchtvaartmarkt en kansen en bedreigingen voor de mainport Schiphol en KLM lijkt mij nog steeds actueel.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Schiphol om, ondanks de passagiersgroei van het afgelopen jaar met de toezegging in 2009 om de tarieven niet te verhogen bij passagiersgroei, de prijzen te verhogen in het licht van de passage uit het Regeerakkoord waarmee toe wordt gezien op een concurrerend kostenniveau?3
De toezegging van Schiphol was dat men zich maximaal zou inspannen om een tariefsverlaging door te voeren op het moment dat het verkeer en vervoer weer substantieel is toegenomen tot het niveau van 2007. Schiphol heeft daarbij aangetekend dat noodzakelijke investeringen doorberekend moeten kunnen worden in de tarieven. Ik heb Schiphol gevraagd mij aan te geven hoe hier invulling aan wordt gegeven en wat dit betekent voor het tarievenbeleid. Schiphol heeft mij hierover nadere informatie toegezegd.
Kunt u aangeven of het huidige reguleringssysteem als transparant wordt geduid in de evaluatie van de Wet Luchtvaart? Zo ja, op welke manier is het systeem transparant? Zo nee, waarom niet?
Over de resultaten van de evaluatie van de Wet luchtvaart en het kabinetsstandpunt daarover zal ik u binnen enkele maanden informeren. Ik kan u al wel melden dat volgens onderzoeksbureau Ecorys de transparantie ten aanzien van de relatie tussen kwaliteit, investeringen en tarieven voor verbetering vatbaar is. In het kabinetsstandpunt zal worden aangegeven welke maatregelen hiertoe zullen worden genomen.
Wanneer is de evaluatie van de Wet Luchtvaart afgerond?
Het voor de evaluatie ingeschakelde onderzoeksbureau heeft inmiddels de werkzaamheden afgerond. Momenteel wordt mede op basis daarvan een kabinetsstandpunt voorbereid. Ik verwacht dat ik u de resultaten van de evaluatie en het kabinetsstandpunt begin april kan toesturen.
Bent u bekend met de plannen van Schiphol tot uitbreiden? Kunt u aangeven hoe wordt voorzien in het benodigde kapitaal?
Op dit moment heb ik hierover alleen globale informatie. De plannen zijn nog in ontwikkeling. Zo is Schiphol nog volop in gesprek met haar gebruikers over de plannen. De omvang van de investeringen en ook de financiering daarvan staan in dit stadium dus nog niet vast. Hoe dan ook is de staat als aandeelhouder van mening dat zijn deelnemingen in beginsel financieel onafhankelijk moeten opereren en dus geldt het uitgangspunt dat zij ook zelf in het benodigde kapitaal moeten voorzien voor de financiering van hun investeringen. Vandaar ook dat het van belang is dat deelnemingen hun investeringen kunnen terugverdienen.
Hoe verhouden de uitbreidingsplannen van Schiphol zich tot de eerder gedane toezegging niet grootschalig uit te breiden tot na 2014?3
Schiphol heeft destijds in 2009 aangegeven dat grote investeringen in de uitbreiding van het terminalgebouw op grond van de toenmalige marktverwachting in principe uitgesteld werden tot na 2014. Schiphol heeft toen tevens aangegeven dat men de marktontwikkeling nauwgezet volgt en dat investeringen al dan niet zullen worden heroverwogen afhankelijk van economische ontwikkelingen, de vraag van luchtvaartmaatschappijen naar piekuurcapaciteit, investeringsmogelijkheden en verwacht rendement. Ik heb van Schiphol begrepen dat het zwaartepunt van de investeringen van het zogenaamde masterplan na 2014 valt. Verder staat de fasering van dit plan nog niet vast.
Kunt u aangeven of Schiphol, gezien haar ambitie om uit breiden, investeringen in luchthaven Lelystad daarbij betrekt? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
De door Schiphol aangekondigde uitbreidingsplannen, die nog in ontwikkeling zijn, hebben betrekking op de mogelijke uitbreiding op de luchthaven Schiphol. Zoals u weet heb ik uw verzoek om nadere duiding te geven over de noodzakelijke investeringen in de luchthaven Lelystad en het bijbehorend tijdpad bij de heer Alders neergelegd en gevraagd om hier in zijn eindadvies over Lelystad aandacht aan te schenken.
De oprichting van een nationaal anti-fraudebureau |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van een hoogleraar dat de oprichting van één nationaal anti-fraudebureau Nederland zeker € 4 miljard per jaar kan besparen?1 Wat is uw reactie hierop?
De hoogleraar verwijst in zijn uitspraken naar de National Fraud Authority (NFA) in het Verenigd Koninkrijk. Ik ken de positieve berichtgeving over de NFA. Omdat fraudebestrijding een belangrijke prioriteit is van dit Kabinet kijk ik goed hoe andere landen fraudebestrijding aanpakken en welke nieuwe beleidsinstrumenten over de grens worden ontwikkeld. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat instrumenten niet altijd één op één kunnen worden overgenomen omdat de nationale systemen verschillen. Met deze kanttekening ben ik van mening dat het beleid van dit Kabinet inhoudelijk overeenkomt met de hoofddoelen van de NFA. Een belangrijk onderdeel van het Kabinetsbeleid is bewustwording en preventie. Ik wijs in dit verband onder meer op de oprichting van de fraudehelpdesk en de consumentenautoriteit en de samenwerking met het bedrijfsleven in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Het NPC fungeert als een publiek private samenwerkingsverband voor het aanpakken van criminaliteit tegen het bedrijfsleven zoals fraude. Een tweede belangrijk onderdeel van het beleid is een versterking van de repressieve aanpak van fraude en financieel-economische criminaliteit in den brede. Ook de ontwikkeling door het OM in samenwerking met de ketenpartners van een crimineel vermogen informatiebox zal een bijdrage gaan leveren aan een versterking van de aanpak van financieel-economische criminaliteit.
Bent u bekend met de totale omvang van fraude in Nederland per jaar? Denkt u, net als de hoogleraar, dat deze ongeveer € 10 miljard per jaar bedraagt? Zo nee, welke inschatting maakt u? Indien u geen schatting kunt of wilt maken van de totale omvang van fraude, bent u dan bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Een onderzoek waarin een schatting is gemaakt van de totale omvang van fraude in Nederland is het rapport «The amount and effects of money laundering» van de Utrecht School of Economics uit 2006. Volgens dit onderzoek wordt er jaarlijks tussen de 6 miljard en 12 miljard aan financieel voordeel door fraude gegenereerd.
Bent u bekend met het feit dat de National Fraud Authority in Groot-Brittanië een groot succes is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat kennis over fraude en de nieuwste opsporingstechnieken in Nederland beter gedeeld moet worden en dat de samenwerking tussen verschillende instanties die zich bezig houden met fraudebestrijding versterkt moet worden? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit te bevorderen?
Ja, ik deel die mening. Het Kabinetsbeleid richt zich daar ook op. Ik wijs in dit verband op mijn antwoord op vraag 1 en 3, en naar de brief van de toenmalige Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 november 2009 (Kamerstukken II, 2009–2010, 29 911, nr. 34) waarin uw Kamer is geïnformeerd over de samenwerking, integrale aanpak en regie in de bestrijding van georganiseerde misdaad, fraude en financiaal-economische criminaliteit. De vorming van de Nationale Politie zal een verdere bijdrage leveren aan de borging van kennis en capaciteit op het terrein van de fraudebestrijding binnen de opsporing. Eenzelfde beweging is al eerder gemaakt binnen het Openbaar Ministerie door de oprichting van het Functioneel Parket en het BOOM. Het Functioneel Parket en de politie werken intensief samen met de vier bijzondere opsporingsdiensten, die ook onderling een verdergaande samenwerking aangaan en andere overheidsdiensten, zoals de Belastingdienst en de FIU Nederland die betrokken zijn bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. Het Financieel Expertisecentrum is een voorbeeld van een structureel samenwerkingsverband waarin door overheidsdiensten kennis wordt gedeeld. Al deze diensten zijn aangesloten op het systeem van permanente screening van rechtspersonen door de dienst Justis. Door de overheid wordt intensief samengewerkt met de private sector, zoals bijvoorbeeld op het terrein van verzekeringsfraude, bancaire fraude (skimmingpoint) en faillissementsfraude2, ook om kennis en nieuwe opsporingstechnieken met elkaar te delen.
Bent u van mening dat de in 2010 bij het Openbaar Ministerie aangestelde landelijk coördinator georganiseerde en financieel-economische criminaliteit voldoende in staat is om deze rol te vervullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 is deze rol niet specifiek opgedragen aan de landelijk coördinator georganiseerde en financieel-economische criminaliteit, maar breder belegd. Naar mijn oordeel is dit op deze wijze goed geborgd.
Bent u bereid ook in Nederland één nationaal anti-fraudebureau op te richten dat systematischer dan nu gebeurt alle kennis over fraudebestrijding inventariseert, combineert en ontsluit? Welke rol zou de landelijk coördinator georganiseerde en financieel-economische criminaliteit hierin kunnen vervullen?
In mijn vorenstaande antwoorden heb ik aangegeven dat het ingezette Kabinetsbeleid op het terrein van de fraudebestrijding overeenkomt met de doelstellingen die de NFA in het Verenigd Koninkrijk nastreeft.
Het bericht dat mevrouw Albayrak bij vertrek bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers tonnen kan claimen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Leers , Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat mevrouw Albayrak bij vertrek tonnen kan claimen? Klopt het dat hier reeds individuele afspraken over zijn gemaakt? Zo ja, wie heeft deze afspraken gemaakt?1
Hoe is deze afspraak tot stand gekomen? Vindt u het wenselijk dat een in opspraak geraakte bestuurder een gouden handdruk van deze omvang krijgt?
Zijn er mogelijkheden om onder deze afspraken uit te komen? Zo ja, bent u van plan om deze toe te passen?
Klopt het dat er nu al wordt gekeken naar mogelijkheden om haar elders een baan aan te bieden bij de overheid? In hoeverre bent u van mening dat zij in eenzelfde soort functie nog voldoende gezag heeft?
Is een dergelijke individuele afspraak zoals met mevrouw Albayrak is overeengekomen normaal in de (semi-) publieke sector? Zo ja, gaat u deze gang van zaken aanpakken? Kunt u een inventarisatie maken van dergelijke regelingen bij andere (semi-) publieke instellingen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn eerdere antwoord op deze vraag (Aanhangsel Handelingen II 2011/12, nr. 1501).
De Wet Bibob |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op Kamervragen1 dat u niet op grond van artikel 28 van de Wet Bibob in kan gaan op de vraag of er sprake was van een onderzoek in het kader van die wet, terwijl in het Haarlems Dagblad de Burgemeester van Haarlem wordt bevestigd dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden? Hoe kan dit?
Zoals ik ook in mijn eerdere beantwoording heb opgemerkt, kent de Wet Bibob een strenge geheimhoudingsplicht en een gesloten verstrekkingenregime. De wetgever heeft hier in 2002 welbewust voor gekozen met het oog op de bij een Bibobtoetsing in het geding zijnde belangen. In lijn hiermee wordt – op de verschillende niveaus van het openbaar bestuur die bij de toepassing van Bibob zijn betrokken – uiterste terughoudendheid betracht in de berichtgeving over Bibobtoetsen in specifieke gevallen. Dit geldt ook voor de burgemeester van Haarlem.
Kunt u bevestigen dat bij de opening van een coffeeshop er altijd sprake is van een Bibob- procedure? Zo nee, waarom niet?
De toepassing van de Wet Bibob behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan dat een vergunning verleent. De beoogde toepassing wordt door bestuursorganen veelal vastgelegd in een beleidslijn, welke specificeert op welke toepassingsgebieden (bijvoorbeeld bij welke vergunningen), geografische gebieden of drempelwaarden voor dat bestuursorgaan de wet wordt toegepast. Deze discretionaire bevoegdheid geldt ook voor coffeeshops en kan er dus toe leiden dat gemeenten geen Bibob-screening toepassen bij de opening van een coffeeshop.
Weet u dat de burgemeester heeft aangegeven dat dit onderzoek niet heeft geleid tot een advies om de vergunningen in te trekken? Hoe is te verklaren dat uit een eerdere Bibob-onderzoek niks boven water is gekomen, terwijl inmiddels blijkt dat betrokkene wordt verdacht van illegaal gokken, hennephandel en witwassen? Hoe kan het dat dit bij eerder onderzoek nog niet naar voren is gekomen?
Ja. Zoals ik in antwoord op de eerdere Kamervragen en tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer op 15 december 2011 heb aangegeven doe ik over de inhoud van specifieke Bibob-onderzoeken geen uitspraken. Tijdens dit Algemeen Overleg heb ik wel aangegeven dat ik op basis van de informatie die het Bureau Bibob mij heeft verstrekt van mening ben dat de Bibob-procedure zowel inhoudelijk als procedureel in deze zaak goed is verlopen. Om tegemoet te komen aan eventuele zorgen naar aanleiding van deze casus zal ik de kwaliteitscommissie Bibob verzoeken om het Bibob-advies dat in deze casus is afgegeven te onderzoeken in het kader van haar jaarlijkse kwaliteitsanalyse van gedane Bibob-onderzoeken. Deze jaarlijkse analyse, waarbij de kwaliteitscommissie steekproefsgewijs Bibob-adviezen op kwaliteit toetst, zal weliswaar niet leiden tot een inhoudelijke reactie over deze casus richting uw Kamer, maar zal wel, indien daartoe toch aanleiding blijkt te zijn, leiden tot een verbetering van de werkprocessen van het Bureau Bibob.
Klopt het dat in casu eerst een Bibob-onderzoek plaats heeft gevonden dat nergens toe heeft geleid, terwijl er tevens een politieonderzoek liep waaruit nu blijkt dat betrokkene wordt beschuldigd van illegaal gokken, hennephandel en witwassen? Vindt er na een Bibob-onderzoek (permanente) monitoring van betrokkene plaats?
Signalen uit bijvoorbeeld toezicht en handhaving of een tip van het Openbaar Ministerie kunnen voor het bestuursorgaan aanleiding vormen om Bureau Bibob te vragen een nieuwe toets uit te voeren. Op basis daarvan kan een bestuursorgaan besluiten om een reeds verstrekte vergunning in te trekken en tot sluiting over te gaan. Op deze wijze vindt ook na een Bibob-onderzoek monitoring plaats. Voor wat betreft de onderhavige casus verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Het bericht dat een vermeende stroper die een vergoeding heeft ontvangen van de gemeente Putten |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vergoeding voor vermeend stroper»?1
Ja.
Is het waar dat de rechter heeft vastgesteld dat het hebben van een dode ree en een dode vogel in een vangkooi op terrein van Natuurmonumenten als lokaas niet strafbaar is? Zo nee, wat is dan de grond van de vrijspraak? Zo ja, op welke grond zijn genoemde feiten niet strafbaar?
Nee. Op het terrein van Natuurmonumenten in Putten is in november 2009 een kastval aangetroffen met daarin, als lokaas, een dode ree en een dode vogel. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt, waarin naar de relevante wetsartikelen is verwezen. Op basis van het proces-verbaal is de verdachte, conform de toepasselijke richtlijn, een transactieaanbod van € 250,00 gedaan. Aangezien de verdachte de transactie niet heeft voldaan, is het Openbaar Ministerie tot dagvaarding overgegaan.
Bij het opstellen van de dagvaarding is een fout gemaakt. De dagvaarding was gebaseerd op artikel 15, tweede lid van de Flora- en faunawet terwijl de juiste grondslag artikel 16, tweede lid van de Flora- en faunawet had moeten zijn. Tijdens de behandeling ter terechtzitting op 28 februari 2011 heeft de officier van justitie de fout geconstateerd en ontslag van alle rechtsvervolging geëist. De rechtbank heeft het OM in dit oordeel gevolgd. Derhalve is de rechtbank niet aan een inhoudelijk oordeel toegekomen over het hebben van een dode vogel en ree in de vangkooi. Van vrijspraak is dan ook geen sprake.
Is het waar dat in het opgemaakte proces-verbaal de juiste gronden stonden vermeld is en dat het Openbaar Ministerie (OM) in de tenlastelegging onjuiste gronden heeft gebruikt op basis waarvan de rechter tot vrijspraak besloot? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren en bent u bereid het OM hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 2.
Overweegt het OM hoger beroep tegen de uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft besloten geen hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank, nu er sprake was van een relatief gering strafrechtelijk belang, het strafbare feit geen misdrijf was maar een overtreding, en er sprake was van een aan het OM toe te rekenen omissie. De zaak is binnen het OM besproken om herhaling in toekomstige zaken te voorkomen.
Deelt u de mening dat het geven van vergoedingen aan personen die dode dieren als lokaas gebruiken om vossen te lokken een verkeerd signaal vormt? Zo nee, waarom niet?
De vergoeding die de gemeente heeft gegeven houdt geen verband met het gebruik van dode dieren als lokaas, maar had betrekking op de gemaakte kosten voor de rechtszaak. De gemeente en de man hebben daarbij afgesproken dat de man afziet van procedures tegen de gemeente. Het is niet aan mij om daar een oordeel over te geven.
De vergoeding van anti-homotherapie |
|
Joram van Klaveren (PVV), Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Verzekeraars en medici tegen christelijke homotherapie»?1
Zorg die voor vergoeding uit de zorgverzekering in aanmerking komt, moet gericht zijn op behandeling van een ziekte of een stoornis. Bovendien moet de behandeling voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk en dus bewezen effectief zijn. Ook moet het om een zorgvorm gaan die de betreffende beroepsbeoefenaren plegen te bieden. Homoseksualiteit of een homoseksuele geaardheid is geen ziekte en geen stoornis. Daarnaast is de reactie vanuit de beroepsgroepen klinisch-psychologen en artsen een bevestiging van het feit dat een therapie gericht op het «genezen» van homoseksualiteit geen zorg is die deze beroepsgroepen plegen te bieden. Dit alles maakt dat een therapie gericht op het «genezen» van homoseksualiteit of van een homoseksuele geaardheid niet behoort tot het pakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het is zorgverzekeraars niet toegestaan zorg te vergoeden die niet behoort tot het pakket.
Uit het inspectiebezoek dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) aan de betreffende instelling heeft gebracht blijkt echter dat er geen sprake is van het verlenen van een dergelijke therapie.
Deelt u de opvatting dat homoseksualiteit geen ziekte is?
Ja.
Klopt het dat zorgverzekeraars verplicht zijn deze anti-homotherapie te vergoeden, omdat de zorgorganisatie die deze therapie aanbiedt een erkende instelling is?
Neen. Uitsluitend behandelingen die deel uitmaken van het pakket van de Zorgverzekeringswet moeten de zorgverzekeraars vergoeden indien een verzekerde op die behandeling is aangewezen. Dit geldt ook voor toegelaten instellingen.
Betekent een dergelijke erkenning van een zorginstelling dat er straffeloos onzintherapieën kunnen worden aangeboden?
Nee, zie mijn antwoorden op de vragen 1 en 3. Overigens blijkt uit het inspectiebezoek dat de IGZ aan bedoelde instelling heeft gebracht geen sprake te zijn van onzintherapieën.
Deelt u de mening dat alleen wetenschappelijk bewezen behandelingen vanuit het basispakket vergoed dienen te worden?
Ja, dat is het uitgangspunt voor het pakket van de Zorgverzekeringswet. Zie het antwoord op vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze verwerpelijke anti-homotherapie direct uit het basispakket verdwijnt?
Zie het antwoord op vraag 1. Therapie gericht op het «genezen» van homoseksualiteit behoort niet tot het basispakket. Bovendien blijkt in dit geval geen sprake te zijn van anti-homotherapie. Als bij de IGZ alsnog melding wordt gedaan over zo’n «behandeling» dan zal de IGZ dat direct natrekken en hieraan indien nodig maatregelen verbinden.
De ongelijke behandeling van ouders die zich niet houden aan de omgangsregeling |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 279 van het Wet boek van Strafrecht (Sr)?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat er bij de nakoming van omgangsregelingen een (rechts-)ongelijkheid bestaat tussen de ouder die de zorg verleent en de ouder die de reguliere zorg niet op zich heeft genomen?
Artikel 279 Sr stelt straf op degene die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad kan ook degene die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander onttrekken bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling (HR 15 februari 2005, NJ 2005, 218). Dit arrest betrof de situatie waarbij de vader het kind niet volgens de omgangsregeling had teruggebracht bij de moeder die primair de zorg verleende. In een strafzaak waarin de Rechtbank Leeuwarden op 5 februari 2009 uitspraak heeft gedaan, was sprake van een moeder die zich niet hield aan de vastgestelde omgangsregeling doordat zij het kind niet liet meegaan met zijn vader (Rechtbank Leeuwarden 5 februari 2009, LJN BH 2027). Kernelement van het misdrijf van artikel 279 Sr is het onttrekken van het kind aan het gezag en/of opzicht. Oefenen beide ouders samen het gezag over het kind uit, dan kan – zo blijkt uit het voorgaande – artikel 279 Sr op beiden van toepassing zijn. Het gegeven dat de desbetreffende ouder de zorg voor het kind heeft doet aan die strafrechtelijke aansprakelijkheid niet af.
Herkent u zich in het beeld dat de ouder die de zorg niet heeft strafrechtelijk vervolgd kan worden en kan rekenen op inmenging van de politie als hij/zij zich niet houdt aan de omgangsregeling, bijvoorbeeld als hij/zij het kind niet tijdig terugbrengt? Herkent u zich dan ook in het beeld dat de ouder die de zorg regulier heeft en weigert aan de omgangsregeling te voldoen (bijvoorbeeld door te weigeren het kind naar de andere ouder te laten gaan) niet strafrechtelijk kan worden aangesproken?
Uit het antwoord op vraag 2 blijkt dat zowel de ouder die de zorg heeft als de ouder die de zorg niet heeft, kunnen worden vervolgd ter zake van artikel 279 Sr indien zij beiden het ouderlijk gezag over het kind uitoefenen. Artikel 279 Sr beoogt degenen die het wettig gezag of bevoegd toezicht uitoefenen over een minderjarige in staat te stellen hun taak te vervullen. Dragen beide ouders deze verantwoordelijkheid, dan is van rechtsongelijkheid als het gaat om de mogelijkheid van strafrechtelijk optreden tegen het niet nakomen van de omgangsregeling geen sprake. Hoewel de rechtspraak van de Hoge Raad derhalve ruimte laat voor optreden tegen beide ouders, ben ik van mening dat justitieel optreden van politie en openbaar ministerie bij problemen met de omgangsregeling – in het belang van het kind, maar ook in het belang van de ouders – tot het uiterste beperkt moet blijven.
Herkent u zich in het feit dat veel ouders tegen deze rechtsongelijkheid aanlopen? Zo ja, bent u bereid deze ongelijkheid weg te nemen, bijvoorbeeld door de werking van artikel 279 Sr ook voor het andere geval gelijk te trekken? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Staphorst censureert abortusinformatie CJG' |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Staphorst censureert abortusinformatie CJG»?1
Ja.
Welke relatie heeft Stichting opvoeding tot de rijksoverheid? Is er sprake van subsidie naast de afdrachten van de aangesloten gemeenten?
De Stichting Opvoeden.nl heeft als missie het bevorderen van het gezond opvoeden, opgroeien en ontwikkelen van een kind door het online aanbieden van eenduidige gevalideerde informatie voor ouders, opvoeders en jongeren. Hiertoe ontvangt de stichting subsidie van VWS. Er is geen sprake van afdrachten van de aangesloten gemeenten.
Welke opdracht heeft Stichting opvoeding?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat gemeenten eigen keuzes kunnen maken met betrekking tot de informatie die door Stichting opvoeding wordt aangereikt? Hoe is de opvatting van Stichting opvoeding te verenigen met uw beleid waarin gemeenten vrijheid hebben bij het inrichten van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG)?
Gemeenten beslissen zelf over de informatie die zij willen verstrekken aan hun inwoners. Zo beslist ook elke gemeente over de vraag of zij via een website opvoedinformatie wil verstrekken en of zij dergelijke informatie betrekt van de databank van de Stichting Opvoeden.nl. De rol van VWS is faciliterend. Ik wil stimuleren dat alle kinderen en opvoeders de beschikking hebben over actuele, gevalideerde en volledige informatie over opvoedingsvraagstukken waarmee iedere gemeente uit de voeten kan. Ik heb begrepen dat de informatie in de databank van de stichting naar de mening van de gemeente Staphorst niet evenwichtig is. Het is goed dat gemeenten richting de stichting kenbaar maken welke informatie naar hun opvatting verbetering behoeft, zodat de stichting deskundigen hiernaar kan laten kijken. De stichting heeft dan ook aangegeven dat zij onderzoekt of en zo ja welke verbeteringen mogelijk zijn. De stichting heeft verder een standpunt aangekondigd over de mogelijkheid en wenselijkheid om gemeenten selectief informatie uit de databank te laten betrekken. Omdat in het bestuur en de Raad van Toezicht van de stichting een burgemeester en drie wethouders zitting hebben, vertrouw ik erop dat de opvattingen van gemeenten zorgvuldig in de afweging zullen worden betrokken.
Bent u bereid in overleg te treden met Stichting opvoeding ten einde een model voor de website te bewerkstelligen, waarin zowel sprake is van herkenbaarheid en gevalideerde informatie als beleidsvrijheid voor gemeentelijke invulling?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat homotherapie vergoedt wordt |
|
Linda Voortman (GL), Ineke van Gent (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat zorgverzekeraars wettelijk verplicht zijn de kosten voor homotherapie te dragen omdat deze hulp onder de basisverzekering zou vallen?1
Dit bericht is onjuist.
Zorg die voor vergoeding uit de zorgverzekering in aanmerking komt, moet gericht zijn op behandeling van een ziekte of een stoornis. Bovendien moet de behandeling voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk en dus bewezen effectief zijn. Ook moet het om een zorgvorm gaan die de betreffende beroepsbeoefenaren plegen te bieden. Homoseksualiteit of een homoseksuele geaardheid is geen ziekte en geen stoornis. Een therapie gericht op het «genezen» van homoseksualiteit of van een homoseksuele geaardheid behoort daarom niet tot het pakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het is zorgverzekeraars niet toegestaan zorg te vergoeden die niet behoort tot het pakket.
Klopt het dat zorgverzekeraars wettelijk verplicht zijn deze therapie te vergoeden? Zo ja, hoe kan deze verplichting bestaan wanneer het volgens medische organisaties wordt gekenmerkt als ondeugdelijk en zelfs gevaarlijk?
Nee, zie het antwoord op vraag 1. Het is zorgverzekeraars niet toegestaan dit te vergoeden.
Deelt u de mening dat deze therapie, die door medische organisaties als ondeugdelijk en zelfs gevaarlijk wordt getypeerd, niet aangeboden zou mogen worden en al helemaal niet uit de verzekering vergoed dient te worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van bedoeld krantenbericht, heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een inspectiebezoek gebracht aan zorgorganisatie Different te Amsterdam. Doel van het bezoek was om na te gaan of bij Different sprake is van de door de media genoemde «homotherapie» (behandeling gericht op het «genezen» van homoseksualiteit). Voorts is de inspectie nagegaan of bij Different sprake is van (voorwaarden voor) het bieden van verantwoorde zorg.
Uit het onderzoek van de IGZ is op geen enkele manier gebleken dat er bij Different sprake is van het aanbieden van behandeling die gericht is op het «genezen» van homoseksualiteit. De door Different geboden aanpak is gericht op cliënten met homoseksuele gevoelens. Daarbij gaat het niet om het onderdrukken of «genezen» van de homoseksualiteit, maar op het aanvaarden van wie men is en daarin een keuze maken voor het wel of niet aangaan van een homoseksuele relatie.
De Raad van Bestuur van de Stichting tot heil des Volks waar Different een onderdeel van is, onderschrijft dat homoseksualtieit geen ziekte is. Behandeling gericht op het «genezen» van homoseksualiteit kan derhalve nooit conform de vigerende richtlijnen zijn. De betreffende instelling stelt dat in de pers een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. Als bij de IGZ alsnog melding wordt gedaan door (ex)-cliënten over behandeling gericht op het «genezen» van homoseksualiteit, dan trekt de IGZ iedere melding direct na en verbindt zij hieraan indien nodig maatregelen.
Deelt u voorts de mening dat er geen zorggeld dient te gaan naar therapieën die schadelijk kunnen zijn voor de persoon die deze ondergaat, en die erop gericht zijn te onderdrukken wie je bent?
Ik deel de mening dat er geen zorggeld dient te gaan naar therapieën die schadelijk zijn. Uit IGZ-onderzoek blijkt dit hier niet het geval.
Zijn u meer aanbieders bekend die homotherapie aanbieden? Zo ja, wordt ook bij die aanbieders homotherapie vanuit de basisverzekering vergoed?
Nee, die zijn bij mij niet bekend.
Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg de aanbieder(s) van homotherapie onderzocht? Zo nee, bent u bereid dat te vragen? Zo ja, wat is daaruit gekomen?
Ja, zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Dragen dergelijke homotherapieën bij aan het behalen van de doelstelling van het kabinet om de sociale acceptatie van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders te vergroten?
Indien dergelijke homotherapieën zouden worden aangeboden, zou dat niet bijdragen aan het behalen van bedoelde doelstelling. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is uit het inspectiebezoek van de IGZ aan Different gebleken dat er bij Different geen sprake is van het aanbieden van behandeling gericht is op het genezen van homoseksualiteit.
De financiële situatie van de Koninklijke Nederlandse Doven Sport Bond |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de financiële situatie van de Koninklijke Nederlandse Doven Sport Bond (KNDSB)?
Ja.
Deelt u de mening dat de KNDSB van groot belang is voor dove en ernstig auditief beperkte mensen die een sport willen uitoefenen?
Ja.
Wat is de reden dat de KNDSB niet is aangesloten bij de nationale sportbond NOC*NSF, maar wel bij internationale bonden als de ICSD (Deaflympics), EDSO(European Deaf Sports Organization) en de ICSC (International Committee of Silent Chess) en de WDGF (World Deaf Golf Federation)?
De KNDSB is geen lid van NOC*NSF omdat de bond (nog) niet voldoet aan de huidige lidmaatschapseisen. De KNDSB heeft zelf aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in een bijzonder lidmaatschap. De KNDSB wil wel in aanmerking komen voor het reguliere lidmaatschap. Omdat er momenteel gewerkt wordt aan nieuwe lidmaatschapseisen, die in de Algemene Ledenvergadering van november 2012 worden goedgekeurd zijn alle lopende aanvragen «on hold» gezet. Zo ook de aanvraag van de KNDSB. Na goedkeuring van de nieuwe richtlijnen kan opnieuw gekeken worden of de KNDSB lid kan worden. Er wordt ondertussen al wel bekeken wat de wensen zijn van de KNDSB en wat de wensen zijn van de sporter met een auditieve handicap.
Deelt u de mening dat het voor de KNDSB noodzakelijk is, wanneer zij verder wil professionaliseren, dat er een deel van het Nederlandse sportbudget geoormerkt moet worden voor dovensport? Zo ja, is dit mogelijk via het Olympisch Plan?
Ja. Dit gebeurt al voor een deel, bijvoorbeeld via het programma «Special Heroes». Special Heroes is een sportstimuleringsproject dat gesubsidieerd wordt door VWS en uitgevoerd wordt door Gehandicaptensport Nederland, NOC*NSF en het Speciaal Onderwijs. Doel is om alle kinderen in het speciaal onderwijs te laten ervaren hoe leuk sport en bewegen is met als uiteindelijk doel om kinderen door te geleiden naar de sportvereniging in de buurt. Special Heroes richt zich op alle clusters in het speciaal onderwijs, dus ook op cluster 2 scholen voor dove en auditief beperkte kinderen.
Het Olympisch Plan is geen financieringsbron en dus niet in staat de dovensport te financieren. Ook vanuit de lotto- middelen van NOC*NSF is een bijdrage nog niet mogelijk, aangezien de bond nog geen lid is.
Bent u ervan op de hoogte dat dove en ernstig auditief beperkte sporters zijn uitgesloten van de Paralympics, maar er wel Deaflympics (sinds 1924) zijn, voor de beste dove sporters? Is het mogelijk om hiervoor een deel van het sportbudget te oormerken?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte.
VWS bepaalt niet of de Deaflympics erkend worden als topsportonderdeel.
Het Internationaal Paralympisch Comité (IPC) besluit over de classificatie- en handicapeisen voor deelname aan de Paralympische Spelen en sluit sporters met enkel een auditieve handicap uit. Vanuit NOC*NSF worden de richtlijnen van het IPC gevolgd en is het enkel mogelijk Paralympische sporters financieel te ondersteunen of dove sporters die deel nemen aan de Olympische Spelen.
Ik ben om die reden niet bereid om een deel van het sportbudget hiervoor te oormerken.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de KNDSB over de financiële moeilijkheden waarmee deze organisatie te kampen heeft? Zo ja, zou u het verslag van dit gesprek naar de Kamer willen toezenden?
Het beleid van de georganiseerde sport, ondersteund door VWS, is om de gehandicaptensport zoveel mogelijk primair te benaderen vanuit een sportspecifiek perspectief en niet vanuit de diverse beperkingen. Dit beleid lag
aan de basis van de organisatorische integratie en heeft er de afgelopen tien jaar toe geleid dat de verantwoordelijkheid voor bijna alle takken van sport is overgedragen aan de reguliere sportbonden. Vanuit de dovensportbonden is er besloten niet te participeren in dit proces. De verzelfstandiging van de dovensport staat haaks op het beleid dat de afgelopen jaren is ingezet. Om die reden zie ik geen noodzaak om in gesprek te gaan met de KNSDB.
Een onderzoek naar overvolle treinen |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de brief van FNV Bondgenoten aan de Inspectie Leefomgeving en Transport met het verzoek een onderzoek te doen naar overvolle treinen?1
Ja.
Herkent u de zorgen die FNV Bondgenoten uit over de veiligheid van reizigers en spoorpersoneel in overvolle treinen?
Sinds oktober 2011 heeft de Inspectie een aantal meldingen ontvangen die blijk gaven van irritaties over overvolle treinen. Daarnaast is het een ervaringsgegeven dat het invoeren van een nieuwe dienstregeling onvoorzien op bepaalde trajecten en tijdstippen tijdelijk tot vollere treinen leidt dan gewoonlijk het geval was. Naar aanleiding van reizigerstellingen en klachten heeft NS maatregelen genomen door op enkele trajecten meer materieel in te zetten. Daarna zijn de klachten sterk afgenomen. Dit duidt erop dat er vooral sprake is van een aanpassing aan een nieuwe situatie en dat er geen sprake is van structurele problemen met overvolle treinen.
Een onderzoek naar de capaciteitsproblematiek steun ik niet, gezien de maatregelen die door de NS zijn genomen.
Steunt u het verzoek dat FNV Bondgenoten bij uw inspectie heeft neergelegd om een onderzoek te laten doen naar de capaciteitsproblematiek die leidt tot overvolle treinen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dan wel ontkennen dat de problemen met overvolle treinen op bepaalde tracés erger zijn geworden sinds de nieuwe dienstregeling 2012 van kracht is? Zo ja, op welke tracés is dit het geval?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er geen norm bestaat die bepaalt wat een overvolle trein precies is, behalve de «richtlijn» dat de deuren dicht moeten kunnen? Zo ja, vindt u dat een probleem en bent u van plan ervoor te zorgen dat dergelijke normen ontwikkeld worden? Zo nee, hoe zien die normen eruit?
Er zijn inderdaad geen wettelijke normen met betrekking tot overvolle treinen. Een dergelijke norm zou ook niet goed controleerbaar en handhaafbaar zijn. Het aanwezige treinpersoneel beoordeelt aan de hand van de concrete situatie of het verantwoord is om de trein te laten rijden. De veiligheid staat daarbij voorop, zo heeft de NS mij gegarandeerd.
De spoorwegonderneming heeft op grond van de EG verordening 1371/2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer, de verplichting om passende maatregelen te nemen voor de veiligheid van reizigers en personeel.
Deze maatregelen moeten in overeenstemming met de openbare autoriteiten worden genomen. In het najaar van 2011 heeft de Inspectie de spoorwegondernemingen reeds op deze nieuwe verplichting gewezen. Het is aan de spoorwegondernemingen en beheerders om daar invulling aan te geven. De Inspectie beoordeelt aan de hand van de gevraagde gegevens of de invulling voldoende is.
Daarnaast heeft de spoorwegonderneming als werkgever in zijn algemeenheid de verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat nooduitgangen en vluchtwegen vrij gehouden worden, zodat bij een situatie van direct gevaar de werknemer de mogelijkheid heeft om zich via de kortste route in veiligheid te brengen.
Uiteraard is bij volle treinen sprake van een afname van het comfort van de reizigers. Daarom heb ik met NS prestatie-afspraken gemaakt over de kans op een zitplaats; deze houdt uiteraard verband met de drukte in de treinen. De afspraken zijn als prestatie indicatoren opgenomen in het vervoerplan.
Christelijke homotherapie |
|
Anne Mulder (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verzekeraars en medici tegen christelijke homotherapie»?1
Ja.
Klopt het dat zorgverzekeraars wettelijk verplicht zijn de kosten van de christelijke homotherapie te dragen?
Neen. Zorg die voor vergoeding uit de zorgverzekering in aanmerking komt, moet gericht zijn op behandeling van een ziekte of een stoornis. Bovendien moet de behandeling voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk en dus bewezen effectief zijn. Ook moet het om een zorgvorm gaan die de betreffende beroepsbeoefenaren plegen te bieden. Homoseksualiteit of een homoseksuele geaardheid is geen ziekte en geen stoornis. Een therapie gericht op het «genezen» van homoseksualiteit of van een homoseksuele geaardheid behoort daarom niet tot het pakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het is zorgverzekeraars niet toegestaan zorg te vergoeden die niet behoort tot het pakket.
Deelt u de mening dat een therapie, gericht op het onderdrukken van de homoseksuele geaardheid, niet alleen ondeugdelijk is, maar ook schadelijk kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Een therapie gericht op het onderdrukken van de homoseksuele geaard kan inderdaad schadelijk zijn. Uit het inspectiebezoek dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) aan de betreffende instelling heeft gebracht blijkt echter dat er geen sprake is van een dergelijke therapie.
Welke maatregelen bent u voornemens te nemen om een einde te maken aan deze wettelijke verplichting voor de zorgverzekeraars?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb vermeld, is er geen sprake van een wettelijke verplichting voor de zorgverzekeraars om dergelijke therapieën te vergoeden, in tegendeel. Het is zorgverzekeraars niet toegestaan deze therapie te vergoeden.
De uitstapmogelijkheden van hett Joint Strike Fighter (JSF)-programma |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA), Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «JSF steeds lastiger voor Nederland, orders naar Noorwegen en Turkije»?1
Ja.
Is het waar, zoals in het artikel wordt gesuggereerd, dat niet het meedoen in de ontwikkelingsfase, maar daadwerkelijke afname van de toestellen voorwaarde is voor de contracten van Nederlandse bedrijven?
De deelneming aan de ontwikkelingsfase heeft voor de Nederlandse industrie als voordeel gehad dat zij een aanmerkelijke hoeveelheid aan ontwikkelingsopdrachten kon verwerven. In de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2010 van 17 maart 2011 (Kamerstuk 26 488, nr. 258) is gemeld dat de Nederlandse industrie tot en met 31 december 2010 voor een bedrag van $ 416 miljoen aan opdrachten voor de ontwikkeling van componenten en (sub)systemen had gekregen. Daarnaast zijn langlopende raamcontracten getekend voor mogelijke toekomstige productieopdrachten met een waarde van $ 590 miljoen. Zonder de Nederlandse deelneming aan de ontwikkelingsfase was dit niet in die mate gelukt. Tevens is gemeld dat tot en met 31 december 2010, op basis van de raamcontracten, productieopdrachten voor een bedrag van circa € 24 miljoen zijn uitgevoerd. In de jaarrapportage over 2011, die de Kamer voor 1 juni a.s. zal ontvangen, zullen de geactualiseerde bedragen tot en met 31 december 2011 worden opgenomen.
De Amerikaanse hoofdaannemers wegen de besluitvorming over de aanschaf van de JSF in de verschillende partnerlanden mee bij hun besluit of zij de raamcontracten zullen omzetten in de gunning van productieopdrachten. De huidige raamcontracten geven geen absolute garantie dat de daarmee beoogde productieopdrachten ook bij de desbetreffende Nederlandse bedrijven wordt geplaatst. De gunning van productieopdrachten is afhankelijk van een aantal factoren. De Amerikaanse hoofdaannemers kunnen pas een productiecontract gunnen nadat zij van de Amerikaanse overheid een opdracht hebben ontvangen om een bepaald aantal vliegtuigen te bouwen. Verder zal een toeleverancier bij de gunning van een opdracht altijd de beste prijs-kwaliteitverhouding moeten bieden (best value). Over dit best value principe is de Kamer sinds 2002 diverse malen schriftelijk geïnformeerd. Ten slotte kan de hoofdaannemer zich bij zijn beslissing over de gunning van opdrachten laten leiden door strategische overwegingen, bijvoorbeeld de aankoop van vliegtuigen door de verschillende partnerlanden of een formele toezegging daartoe. Dit geldt evenzeer bij de gunning van eventuele onderhoudscontracten.
De relatie tussen aanschafhoeveelheid enerzijds en omvang van de toeleveringscontracten anderzijds is vertrouwelijk aan de Kamer gemeld. Het is opgenomen in de Letter of Intent van Lockheed Martin die op 10 oktober 2006 vertrouwelijk aan de Kamer is gezonden (Kamerstuk 26 488, nr. 48) en de Letter of Agreement met Pratt & Whitney die op 16 oktober 2007 vertrouwelijk aan de Kamer is aangeboden (Kamerstuk 26 488, nr. 63). In de openbare aanbiedingsbrief bij deze Letter of Agreement is onder meer vermeld dat indien de planning van het aantal aan te schaffen vliegtuigen wordt gewijzigd, dit ook zijn weerslag zal hebben op de totaalwaarde van de aanbestedingen waarin de Nederlandse industrie kan participeren.
In 2002 heeft het toenmalige kabinet besloten tot deelneming aan de ontwikkelingsfase van de JSF omdat dit toestel het beste aansloot bij de Nederlandse operationele eisen. Daarnaast hebben de mogelijkheden van de Nederlandse industrie voor de verwerving van ontwikkelingsopdrachten, en in het verlengde daarvan productieopdrachten, ook een belangrijke rol gespeeld. Nederland is sinds die tijd partner in de ontwikkeling van de JSF. Zoals bekend zal een besluit over de vervanging van de F-16 worden overgelaten aan een volgend kabinet.
Klopt het dat, indien Nederland afhaakt of uiteindelijke besluit de JSF toestellen niet aan te schaffen, de huidige contracten met Nederlandse bedrijven komen te vervallen? Kunt u dit toelichten en in dit kader een appreciatie geven van het kabinetsstandpunt dat er niet voorgesorteerd wordt op de aanschaf van de JSF?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven uit welke afspraken blijkt dat deze voorwaarden zijn gesteld? Wanneer zijn die afspraken gemaakt? Geldt dit voor de bestaande miljard euro aan contracten? Voor welke omvang aan raamcontracten gelden deze voorwaarden? Hoe zit het met onderhoudscontracten?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer en op welke wijze heeft u dit gedeeld met de Tweede Kamer? Op welke wijze is meegewogen in de beslissing om mee te doen aan de ontwikkelfase van de JSF, dat de toestellen ook daadwerkelijk aangeschaft moeten worden? Op welke wijze is dit meegenomen in de kosten-baten-analyes?
Zoals in het antwoord op de vragen 2, 3 en 4 vermeld, is de Kamer op verschillende momenten gedeeltelijk vertrouwelijk geïnformeerd over de voorwaarden die gelden voor het verstrekken van orders door de Amerikaanse hoofdaannemers aan de Nederlandse industrie.
Ten behoeve van de Nederlandse deelneming aan de SDD-fase is in 2002 de business caseopgesteld. Dit is een rekenmodel waarin alle uitgaven en inkomsten bij enerzijds deelneming aan de JSF-ontwikkeling en anderzijds kopen van de plank vergelijkbaar zijn gemaakt. De business case berust op het totaal aantal te produceren toestellen, waaronder het voor Nederland geplande aantal toestellen. Om de business casevoor deelneming aan de ontwikkeling sluitend te krijgen, was een bijdrage van het bedrijfsleven nodig. Daartoe hebben de Staat en de industrie in 2002 de Medefinancieringovereenkomst (MFO) getekend. De brief van 14 januari 2005 (Kamerstuk 26 488, nr. 26) bevat een uitgebreide uiteenzetting van de MFO en de business case.
De minister van Economische Zaken heeft de Kamer op 24 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 223) geïnformeerd over het arbitrageproces inzake de business case, de resultaten van het overleg met de luchtvaartindustrie en de met de luchtvaartindustrie bereikte overeenstemming. In de defensiebegroting 2011 (Kamerstuk 32 500 X, nr. 2) is uiteengezet hoe wordt omgegaan met het tekort van de business case.
Is het waar dat Nederland niet uit het JSF-programma kan stappen en de door Nederland geïnvesteerde middelen á 850 mln niet kan worden terug gevorderd? Kunt u dit toelichten? Komen deze te vervallen wanneer Nederland besluit de JSF-toestellen niet aan te schaffen?
Zoals eerder aan de Kamer gemeld, onder meer met de jaarrapportage over 2010, kan Nederland op elk moment uit het JSF-programma stappen met inachtneming van de bepalingen in de Memoranda of Understanding (MoU’s). Volledig uitstappen is alleen aan de orde als zou worden besloten dat de F-35 geen kandidaat meer is voor de vervanging van de F-16. Nederland heeft tot op heden vier MoU’s ondertekend die ons land zou moeten opzeggen bij een besluit volledig uit het F-35 project te stappen. Het betreft het SDD-MoU uit 2002 over de ontwikkeling van de F-35, het PSFD-MoU uit 2006 over de productie, het in 2006 door Nederland en Italië getekende Production & Sustainment (P&S) MoU voor Europese samenwerking waartoe Noorwegen vervolgens in 2007 is toegetreden, en het MoU uit 2008 over de operationele testfase (IOT&E). Ook zou Nederland moeten afzien van de koop van het eerste testtoestel en tweede testtoestel. De bijdrage aan de JSF-ontwikkeling van $ 800 miljoen kan niet worden teruggevorderd. Daarnaast kunnen, conform de bepalingen daarover in de MoU’s, mogelijke kosten die door het uitstappen kunnen ontstaan voor de andere partnerlanden daarbovenop in rekening worden gebracht. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Wat zijn de uitstapkosten als Nederland besluit om uit het JSF programma te stappen? Kunt u dit specificeren en toelichten?
Met de jaarrapportage over 2010, verzonden in maart 2011, is de Kamer geïnformeerd over de uitstapkosten op dat moment. Sindsdien is een tweede toestel aangeschaft waarvoor verplichtingen zijn aangegaan. In de defensiebegroting 2012 (Kamerstuk 33 000 X, nr. 2) is voor de belangrijkste uitgavenposten een overzicht van de geraamde uitgaven voor het project Vervanging F-16 opgenomen. Opbrengsten van de verkoop van de twee toestellen na voltooiing van de productie kunnen hierop in mindering worden gebracht. Verder blijft Nederland ook bij uitstappen recht houden op royalty’s bij de productie van toestellen vanwege de bijdrage van $ 800 miljoen aan de JSF-ontwikkeling, en zullen er afdrachten van de industrie zijn. Een geactualiseerd overzicht van de uitstapkosten, gespecificeerd in uitgaven, lopende verplichtingen en eventuele opbrengsten maakt deel uit van de jaarrapportage over 2011 die voor 1 juni a.s. aan de Kamer wordt verzonden.
Klopt het dat in Italië een gereduceerd aantal bestelde JSF’s niet zal leiden tot een lager rendement van de aanvankelijke bijdrage voor de ontwikkelingsfase?2 Kunt u dit verklaren in het licht van de gesuggereerde daling van het Nederlandse rendement bij een afname of volledig schrappen van het aantal bestelde vliegtuigen?
In Italië worden op dit moment bezuinigingsmaatregelen uitgewerkt. Daarbij wordt ook het aantal aan te schaffen F-35 toestellen opnieuw vastgesteld. Op dit moment is, voor zover mij bekend, daarover nog geen besluit genomen.
In het artikel in Aviation Week waarnaar wordt verwezen, wordt gesproken over het terugverdienen van de investeringen in de ontwikkeling van de F-35 en de bouw van een assemblagefabriek (Final Assembly and Checkout Facility, FACO) in Italië. Het artikel meldt dat Italië ervan uitgaat dat deze investeringen zelfs bij een lagere bestelhoeveelheid door Italië zullen worden terugverdiend.
Zoals uiteengezet in het antwoord op de vragen 2, 3 en 4 zal de Nederlandse industrie ook bij een lagere Nederlandse bestelhoeveelheid orders ontvangen, maar zal het orderpakket waarschijnlijk geringer in omvang zijn. Verder zal de Nederlandse industrie de effecten merken indien in totaal minder JSF-toestellen zullen worden gebouwd en daarvoor ook minder productieopdrachten kunnen worden gegund.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende debat over de JSF?
Ja.
Onderzoek dat uitwijst dat wijkverpleegkundigen goedkoper en beter zijn dan verpleeghuiszorg |
|
Attje Kuiken (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wijkverpleegkundige troeft verpleeghuis af» en met het onderzoek van de NPCF en V&VN?1
Ja.
Klopt het dat de kosten van vergelijkbare zorg door wijkverpleegkundigen in de proeftuinen 44.7% lager zijn dan die van verpleeghuiszorg, dat de zorg beter is afgestemd op de cliënt, dat de betrokken professionals beter communiceren, productiever werken en het werk prettiger ervaren?
De 44,7% die in het artikel wordt genoemd betreft (enkel) een financiële vergelijking tussen twee situaties van één cliënt die in 2011 zowel thuiszorg als verpleeghuiszorg (ZZP8) nodig had. In werkelijkheid heeft de cliënt van april tot en met augustus 2011 thuiszorg ontvangen. In september 2011 is de cliënt opgenomen in het verpleegtehuis (ZZP8). In de maand november komt de cliënt weer thuis en krijgt zij tot en met december thuiszorg. Ter vergelijking is een «oude situatie» genomen. Dit betreft nadrukkelijk een inschatting van de wijkverpleegkundigen. De cliënt heeft in april 2011 thuiszorg ontvangen en is van mei tot en met december opgenomen in het verpleegtehuis. Tot en met december is sprake van een ZZP8. In november en december een ZZP10.
Uit deze vergelijking komt een verschil van 44,7%. Het moge duidelijk zijn dat hieruit geen algemene conclusies getrokken kunnen worden.
De NPCF en V&VN hebben mij het rapport van hun onderzoek aangeboden. Hierin vermelden zij de in uw vraag genoemde positieve resultaten van de proeftuinen. Deze resultaten sporen met de resultaten van het programma Zichtbare schakel uitgevoerd door ZonMw. Ook daar is in de tussenrapportage een positief beeld geschetst over het werk van de wijkverpleegkundige. BMC is ten slotte ook met positieve bevindingen gekomen, naar aanleiding van een initiatief van de Kruisvereniging West-Brabant. De essentie van al deze rapporten is gelijk.
Kunt u verklaren waarom de ervaringen van zowel cliënten als professionals zo positief zijn?
Ik ben van mening dat cliënten en professionals tevreden zijn omdat de zorg zodanig vorm krijgt dat meer vanuit perspectief van de cliënt wordt gewerkt en er meer ruimte is voor de eigen invulling van professionaliteit van de zorgverlener. De samenwerking tussen cliënt en professional staat centraal.
In hoeverre komen de resultaten van het onderzoek van de Nederlandse Patiënten en cliënten Federatie (NPCF) en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) overeen met de bevindingen uit het programma «Zichtbare schakel, de wijkverpleegkundige voor een gezonde buurt» dat wordt uitgevoerd door ZonMw en het onderzoek van adviesbureau BMC dat zich richtte op de situatie in West-Brabant? Kunt u deze onderzoeken en bevindingen naast elkaar leggen?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u zich in de stelling dat thuis blijven wonen voor veel ouderen een doel van de zorg is? Welke conclusies trekt u daaruit? Bent u bereid meer aandacht te besteden aan extramurale zorg?
Thuis blijven wonen is op zich geen doel van zorg. Het gaat in de kern om ervaren kwaliteit van leven en behoud van eigen regie. Ik herken de behoefte van ouderen om liever in de eigen thuissituatie te blijven wonen. In de brief Zorg en ondersteuning in de buurt 2, die ik samen met de minister van VWS in oktober vorig jaar aan uw Kamer heb gestuurd, besteden wij brede aandacht aan extramurale zorg. Onderdeel daarvan is de inzet van de wijkverpleegkundige. Daarin is verwoord dat wij in overleg zijn met de beroepsorganisaties om te onderzoeken hoe de wijkverpleegkundige breed in het land kan worden ingezet. Zo zal de NZa een uitvoeringstoets uitbrengen over de financiering van de wijkverpleegkundige. De resultaten uit de diverse projecten en initiatieven worden ook meegenomen bij het bepalen van de wijze waarop de rol van de wijkverpleegkundige kan worden geborgd en geïntegreerd in het zorgaanbod.
Er loopt overigens inmiddels een aantal trajecten waarbij specifiek wordt ingezet op de taken en werkzaamheden van de wijkverpleegkundige. Daarnaast wordt er door diverse organisaties en opleidinginstituten geïnvesteerd om binnen de HBO-opleidingen meer aandacht te krijgen voor het werk van de wijkverpleegkundige.
Deelt u de conclusie dat wijkverpleegkundigen, doordat zij een laagdrempelig aanspreekpunt vormen voor cliënten, ouderen een groter vertrouwen geven in hun eigen zelfredzaamheid?
Ja, deze conclusie deel ik en wordt als zodanig ook in het NPCF/V&VN-rapport verwoord.
Deelt u de conclusie van het onderzoek van NPCF en V&VN dat voor optimaal functioneren van de wijkverpleegkundigen, het functiegericht indiceren als manier van financiering dient te worden losgelaten, en dat er dient te worden gekeken naar manieren die op eenvoudige wijze zowel van AWBZ als Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) financiering gebruik maakt?
Ik kan hierover een adequaat oordeel hebben na ommekomst van de zojuist genoemde uitvoeringstoets van de Nza.
Bent u van mening dat de resultaten van dit onderzoek aanwijzen dat er meer zou moeten worden gewerkt met wijkverpleegkundigen? Zo ja, op welke manier bent u van plan om meer wijkverpleegkundigen in te zetten? Op welke termijn?
Zie antwoord vraag 5.
Het functioneren van de AIVD |
|
Marcial Hernandez (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Blunderende AIVD liet mol zelf binnen»?1
Ja.
Hoe duidt u dit artikel, waarin aangegeven wordt dat er fouten zijn gemaakt bij sollicitatieprocedures en dat er binnen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) slordig wordt omgegaan met gevoelige informatie?
De relatie die in het artikel wordt gelegd tussen de dood van een vermeend medewerker van de AIVD en het Hofstadonderzoek is niet aan de orde.
Betrokkenen in het Hofstad-onderzoek hebben indertijd inderdaad wel aangegeven dat er sprake was van beperkt beschikbare capaciteit voor het onderzoek. Dit is later ook door de CTIVD geconcludeerd in haar rapport inzake de afwegingen van de AIVD met betrekking tot Mohammed B. van 13 februari 2008 (Tweede Kamer Vergaderjaar 2007–2008, 29 854, nr. 22). In de reactie op het CTIVD rapport heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangegeven dat zij de kritische kanttekeningen die de CTIVD terzake plaatste bij het algemene functioneren van de AIVD in 2004 herkende en onderschreef. Tevens gaf zij aan dat reeds in 2007 een meerjarig programma was gestart, dat heeft geleid tot de nodige verbeteringen in het functioneren van de AIVD. Ook in antwoorden op de schriftelijke vragen die door de Kamer zijn gesteld naar aanleiding van het rapport (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 854, nr. 23) is de minister uitgebreid ingegaan op zowel personele zaken als controlemechanismen en de verbeteringen die de AIVD sinds 2004 heeft doorgevoerd.
Over het lekken van informatie door de in het artikel genoemde audiobewerker heeft de toenmalige minister de Tweede Kamer op 10 november 2004 een brief gestuurd. Daarnaast heeft de minister de CIVD meerdere malen uitvoerig vertrouwelijk geïnformeerd.
Is het waar dat er bij de AIVD dagelijks slechts tot een uurtje of vijf in de middag gewerkt kan worden met gevoelige informatie, omdat deze vóór die tijd in de kluis moet liggen en kluismedewerkers om vier à vijf uur naar huis gaan? Bent u van mening dat er een 24-uurs bereikbaarheid, toegang en opslag tot geheime informatie mogelijk moet zijn? Zo, nee waarom niet?
De AIVD is 24 uur per dag, 7 dagen per week, 365 dagen per jaar operationeel en bereikbaar. De suggestie die in het artikel wordt gedaan, als ware dat niet het geval, is dus onjuist.
Klopt het dat de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) het handelen van de AIVD en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) slechts toetst aan juridische kaders? Ziet de CTIVD daarnaast ook toe op de wijze waarop sollicitaties plaatsvinden, de manier waarop er met vertrouwelijke informatie wordt omgegaan, de toegang tot interne vertrouwenspersonen is geregeld en de interne bedrijfscultuur? Zo nee, vindt u dat de CTIVD deze taak heeft, of is dit niet nodig omdat er op een andere wijze al toezicht op de AIVD plaatsvindt?
Intern heeft de AIVD bijzondere aandacht voor de personeelszorg, het beveiligingsbeleid en reflectie op de eigen organisatie. Aandacht voor persoonlijke gedragingen en ook het veiligheidsbewustzijn zijn constanten binnen de organisatie. Medewerkers hebben daarnaast toegang tot een vertrouwenspersoon integriteit en de bedrijfsmaatschappelijk werker. De rijksbrede klokkenluidersregeling geldt uiteraard ook voor medewerkers van de AIVD; zij blijven daarbij gehouden aan de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 85 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002.
Voor wat betreft het toezichtstelsel kan het volgende worden aangegeven.
De Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten ziet toe op de rechtmatigheid van de taakuitvoering van de AIVD en de MIVD. Het toezichtstelsel is echter breder. De Kamer controleert de AIVD in de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) aan de hand van onder meer het geheim gerubriceerde jaarplan, de driemaandelijkse rapportages over de taakuitvoering en de geheime bijlage van het jaarverslag. De Kamer in brede zin voert zijn controlerende rol uit (veelal in de vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken) aan de hand van onder meer de openbare versies van het jaarplan en het jaarverslag van de AIVD. Voorts geldt dat er verschillende instanties zijn die, evenals de eerder genoemde CTIVD, externe en onafhankelijke controle op de diensten uitoefenen. Daarbij gaat het om de Algemene Rekenkamer die de rechtmatigheid van in- en uitgaven van de dienst controleert en onderzoek verricht naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid. Daarnaast onderzoekt de Rijksauditdienst het beheer en de bedrijfsvoering van de AIVD. De burger kan bovendien klachten indienen bij de Nationale ombudsman over de uitvoering van taken door de overheid en dus ook over de taakuitvoering door de AIVD. In het toezichtstelsel past tot slot de controle die de rechter uitoefent. Daarbij gaat het zowel om de bestuurs- straf- en civiele rechter.
In 2005 is in het kader van het onderzoek van het Clingendael Centrum voor Strategische Studies TNO (CCSS) vastgesteld dat het stelsel van democratische controle in Nederland op de AIVD en de MIVD dekkend is en van hoge kwaliteit. Het rapport is aangeboden aan en besproken met de Tweede Kamer.
Hoe komt het dat de CTIVD of de AIVD zelf de minister van BZK niet eerder gewaarschuwd heeft voor de cultuur binnen de AIVD (die in het aangehaalde artikel «verontrustend» wordt genoemd) en de slordige wijze van omgaan met informatie? Heeft de AIVD voldoende zelfreinigend vermogen? Beschikt de AIVD over een afdoende klokkenluidersregeling?
Zie antwoord vraag 4.
Welke van de in het artikel genoemde feiten waren reeds bekend binnen de AIVD en op welke wijze is daarop gereageerd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een nader onderzoek in te stellen en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Dat de bezuinigingen op de sociale werkplaatsen averechts werken |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat uw reactie op het rapport «Wachtlijst of Werk»?1 2
De SP stelt in haar rapport: «Als samenleving vinden we het onacceptabel dat mensen die een arbeidsprestatie kunnen leveren, thuis zitten.» Verder stelt de SP dat werken goedkoper is dan een uitkering. Juist deze uitgangspunten liggen ten grondslag aan de Wet Werken naar Vermogen (WWNV). Het kabinet wil dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan. De WWNV wil voor deze groep kansen bieden die ze in het huidige stelsel onvoldoende krijgen. Werken bij een reguliere werkgever, zonodig met loondispensatie, is voor mensen zelf beter en ook goedkoper dan een uitkering. Het kabinet wil met de WWNV bevorderen dat mensen die dat kunnen bij een reguliere werkgever aan de slag gaan en de Wsw in de toekomst beperken tot degenen die echt zijn aangewezen op beschut werk.
Deelt u de mening dat er geen sluitend arbeidsmarktbeleid is, waardoor onder andere 21 662 werkzoekenden op de wachtlijst van de sociale werkplaatsen veroordeeld worden tot lang wachten achter de geraniums in onzekerheid over het moment dat zij aan de slag kunnen in of via de sociale werkplaats?
Het kabinet is van mening dat in ons land teveel mensen die kunnen werken om uiteenlopende redenen langs de kant staan. Ongeveer honderdduizend mensen werken in Nederland in de beschutte omgeving van de sociale werkvoorziening. Dat is tweeënhalf maal zoveel als bij de invoering van de wet in 1969 was voorzien, terwijl blijkt dat minstens de helft met enige begeleiding aan de slag zou kunnen bij een reguliere werkgever.
De regering wil met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan. De WWNV moet hun kansen bieden die ze in het huidige stelsel nog onvoldoende krijgen. Met de WWNV kiest het kabinet voor een activerende aanpak, waarbij mensen die (gedeeltelijk) kunnen werken ook naar vermogen gaan werken, en werk aantrekkelijker wordt dan een uitkering. Iedereen met arbeidsvermogen die vanaf 1 januari 2013 instroomt, valt onder de nieuwe WWNV.3 De uitdaging voor alle betrokkenen – gemeenten, werkgevers en werknemers – is om veel meer mensen vanuit een uitkering aan het werk te helpen.
Deelt u voorts de mening dat door hen direct aan het werk te helpen in de sociale werkplaats u miljoenen zou kunnen besparen zoals uiteengezet in het rapport «Wachtlijst of Werk»? Zo ja, wat gaat u doen om banen te scheppen in plaats van banen te schrappen? Zo nee, wat zijn volgens u de oorzaken en oplossingen voor het oplossen van de wachtlijsten voor de sociale werkplaatsen?
Ik deel de opvatting niet dat door het direct aan het werk te helpen in de sociale werkplaats miljoenen kunnen worden bespaard, zoals uiteengezet in het rapport «Wachtlijst of Werk». De rekenvoorbeelden in het SP rapport «Wachtlijst of werk» kloppen niet. Zo voert de SP standaard voor elke alleenstaande bijstandsgerechtigde op de wachtlijst € 4300 aan structurele re-integratiekosten per bijstandsgerechtigde op, terwijl er voor mensen op de wachtlijst geen re-integratieverplichting is. Indien een gemeente er toch voor kiest re-integratiemiddelen in te zetten gaat het bovendien om incidentele- en variabele kosten. Verder zijn de werkgeverslasten voor iemand op de wachtlijst te hoog berekend en is het onduidelijk hoe de SP tot enkele hoge kostenposten komt zoals de hoge apparaatskosten en het bedrag voor extra zorgconsumptie van mensen in een uitkering. Ook wordt in de berekening van de SP geen rekening gehouden met verdringingseffecten, die zich bij deze zwaar gesubsidieerde vorm van arbeid voor zal doen.
De omvang van de wachtlijst laat zien dat het huidige systeem onvoldoende tot uitstroom uit de Wsw stimuleert. Zoals in antwoord op vraag 1 al is aangegeven wil het kabinet met de WWNV terug naar een stelsel waarin alleen degenen die echt zijn aangewezen op beschut werk een Wsw-indicatie ontvangen en dat mensen die dat kunnen bij een reguliere werkgever aan de slag gaan.
Acht u het wenselijk dat mensen jarenlang op de wachtlijst staan voor de sociale werkvoorziening en hierdoor een groot risico lopen op schulden, verminderd zelfvertrouwen, frustratie, wanhoop, gevoel van mislukking en moedeloosheid en mensen eerder vervallen in de criminaliteit, alcohol- en drugsgebruik, vereenzaming en depressiviteit? Zo nee, wat gaat u doen om op korte termijn de wachtlijsten voor de sociale werkplaatsen op te lossen?3
Nee, dat vind ik niet wenselijk. Het is ook niet nodig. Ik ben van mening dat werk de beste oplossing is. Daarom kiest het kabinet voor de aanpak zoals in de WWNV omschreven. Door meer mensen bij een reguliere werkgever aan de slag te helpen nemen de door de SP gesignaleerde risico’s af. Gemeenten hebben ook nu al mogelijkheden om mensen op de wachtlijst in reguliere banen te plaatsen. Die mogelijkheden nemen na invoering van de WWNV nog toe door het instrument loondispensatie.
Deelt u de conclusie van het SP rapport «Wachtlijst of Werk?», dat het opheffen van de wachtlijst voor de sociale werkplaatsen de samenleving miljoenen kan opleveren en dat het niet alleen sociaal, maar ook financieel-economisch verstandig is om hierin te investeren? Zo nee, waarom niet?1
Ik onderschrijf de door u geschetste conclusie niet, zie het antwoord op vraag 3.
Wel onderschrijf ik dat het van belang is dat de Wsw ook in de toekomst toegankelijk blijft voor degenen die echt zijn aangewezen op beschut werk.
Bent u bereid om een uitgebreide maatschappelijke kosten en baten analyse te laten maken van de sociale werkvoorziening in Nederland in relatie tot uw bezuinigingen en plannen voor de sociale werkvoorziening? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft een zorgvuldige afweging gemaakt van de sociale, maatschappelijke en financiële kosten bij het besluit om te komen tot een nieuwe wet voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Ik constateer bovendien dat er in de sociale werkplaatsen ruimte is voor efficiënter werken, onder meer door meer mensen extern te plaatsen, en kritisch te zijn op de bedrijfsvoering. Laatstgenoemde wordt tevens onderschreven in het rapport van de Commissie Westerlaken.
Ziet u mogelijkheden om de mensen die op de wachtlijst staan een zogenaamd voortraject te bieden voordat ze daadwerkelijk aan de slag kunnen bij een de sociale werkplaats of een reguliere werkgever, zodat mensen niet inactief thuis zitten met een uitkering? Zo nee, geeft u toe dat mensen niet aan de bak komen?
Gemeenten kunnen binnen de kaders van het participatiebudget voortrajecten financieren voor mensen die op de wachtlijst staan. Het is de gemeentelijke beleidsvrijheid om daar gebruik van te maken.
Wat is de stand van zaken inzake de uitspraak van de minister-president tijdens de Algemene Beschouwingen in 2011 dat er hard gewerkt wordt door «werkgevers, maar ook door mensen uit de Kamer» om een plan te maken om een substantieel aantal mensen met een arbeidsbeperking in dienst van reguliere werkgevers te krijgen? Wanneer kan de Tweede Kamer dit plan verwachten?4
Op 1 februari jl. heb ik de Tweede Kamer een brief gezonden waarin de maatregelen die ik neem ter bevordering van werkervaringsplaatsen voor mensen met een arbeidsbeperking zijn opgenomen.
Wat is er terecht gekomen van de uitspraak van de minister-president bij de Algemene Beschouwingen in 2011 dat het kabinet er alles aan doet om gedeeltelijk arbeidsongeschikte jonggehandicapten «desnoods met een loonkostensubsidie weer aan de slag te krijgen en hen niet op te sluiten in die uitkering»? Hoeveel jonggehandicapten zijn ondertussen via loonkostensubsidie aan de slag gekomen?4
Tijdens de Algemene Beschouwingen heeft de minister-president toegelicht dat de inzet van het kabinet is om zo veel mogelijk mensen aan de slag te laten gaan bij reguliere werkgevers.
Gemeenten krijgen in het kader van de voorgenomen WWNV een breed scala van instrumenten (een «gereedschapskist») om onder meer mensen met een arbeidsbeperking te begeleiden naar werk. Voorbeelden van deze instrumenten zijn loonkostensubsidie, detachering, proefplaatsing en werkplekaanpassingen. Het kabinet zal via de WWNV aan deze gereedschapskist het instrument loondispensatie toevoegen. De gemeente kan dit instrument inzetten voor mensen die als gevolg van een verstandelijke, lichamelijke en/of psychische beperking, dan wel om andere redenen, niet in staat zijn zelfstandig 100 procent van het minimumloon te verdienen.
Overigens heeft UWV al langer de mogelijkheid om het instrument loondispensatie in te zetten voor mensen in de Wajong. Uit cijfers van UWV in het kader van de eerste Wajongmonitor blijkt dat voor circa een derde van alle Wajongers die bij een reguliere werkgever werken de afgelopen vijf jaar loondispensatie is toegekend, het betrof ca. 7 500 toekenningen. Daarnaast kunnen 32 gemeenten in de pilot loondispensatie al gebruik maken van het instrument loondispensatie. Bij brief van 30 november 2011 is uw Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken ten aanzien van het aantal dienstverbanden en proefplaatsingen in de pilot.
Is het bericht waar dat vanwege de opnamestop bij sociale werkplaatsen leerlingen die van scholen komen voor zeer moeilijk lerende kinderen niet aan het werk komen? Hoeveel leerlingen treft dit lot in Nederland? Welke maatregelen gaat u nemen om dit probleem op te lossen?5
Leerlingen van scholen met zeer moeilijk lerende kinderen komen niet per definitie in aanmerking voor een Wsw-indicatie. Het door u genoemde bericht duidt op een heel ander aandachtsgebied: het belang van aandacht voor de overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt, maar ook tussen zorg en arbeid. Juist voor kinderen is het van belang om zo snel mogelijk aan de slag te gaan bij een reguliere werkgever, het instrument loondispensatie uit de WWNV draagt daaraan bij. De WWNV stelt gemeenten in staat een samenhangende, integrale aanpak te ontwikkelen.