Een Irakees gezin dat een week geleden op straat is gezet |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Leers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten dat een Irakees gezin in dit winterweer op straat is komen te staan?1
Het betreffende Irakese gezin zou, na afwijzing van hun eerste asielaanvraag, in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel geplaatst worden alwaar zij verder aan hun vertrek zouden kunnen werken. Zij zijn echter voor hun overplaatsing naar de VBL met onbekende bestemming vertrokken. Vanuit de illegaliteit hebben zij vervolgens een herhaalde aanvraag ingediend. Het gezin werd vanwege de heersende vorst in januari in de procesopvanglocatie (POL) te Arnhem geplaatst ter voorbereiding op de behandeling van hun aanvraag, ofschoon zij geen recht op opvang of onderdak hadden aangezien het een herhaalde aanvraag betrof.
Ten tijde van de afwijzing van de aanvraag (eind januari) was er geen sprake van vrieskou. Na afwijzing van een herhaalde aanvraag hebben asielzoekers, ook als het gezinnen betreft, in beginsel geen recht op opvang of onderdak tenzij zij willen meewerken aan terugkeer, na intrekking van eventueel lopende procedures. Ook als er sprake zou zijn van een periode van vorst zal aan vreemdelingen waarvan de opvang reeds beëindigd was, in beginsel geen opvang meer bij het COA worden verstrekt.
Ik heb vernomen dat het gezin geen gevolg heeft gegeven aan hun plicht om Nederland te verlaten en onderdak heeft gevonden bij het Leger des Heils te Zwolle. Via het Leger des Heils is aan betrokkenen medegedeeld dat zij in een gezinslocatie geplaatst konden worden. Hoewel het gezin geen recht op opvang had, is door DT&V besloten dat er vanwege de extreme weersomstandigheden sprake was van een uitzonderlijke situatie. Inmiddels heeft dit ertoe geleid dat het gezin sinds 6 februari jl. in de gezinslocatie Gilze verblijft.
Hoe verhoudt een situatie als deze zich tot de inhoud van uw brief van 15 december 2010?2 Hoe komt het dat in weerwil van de uitspraak van het Gerechtshof te Den Haag dit gezin met minderjarige kinderen op straat is beland?3
Zie antwoord vraag 1.
Was in deze situatie de terugkeer geregeld en daarmee feitelijk mogelijk? In hoeverre werden zij hierbij begeleid door de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V)?
Zonder uitgebreid in te willen gaan op de inhoud van deze individuele zaak kan ik aangeven dat betrokken vreemdelingen tot nu toe niet hebben aangegeven mee te willen werken aan hun terugkeer. Hiermee zijn voorbereidingen voor gedwongen terugkeer aan de orde.
Gaat u onderzoeken wat er in deze zaak is misgegaan en hoe dit in de toekomst voorkomen gaat worden?
Op basis van de situatie zoals die in bovenstaande antwoorden is uiteengezet, zie ik geen aanleiding tot een nader onderzoek.
Is het waar dat een vreemdeling eerst zelf moet bekijken of er een alternatieve opvang is, voordat ze in de kou op straat worden gezet?4 Worden zij hierin begeleid door bijvoorbeeld het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Indien de vreemdeling aangeeft geen alternatief te hebben, kan de vreemdeling gedurende de vorstperiode nog in de opvang verblijven. Het COA begeleidt asielzoekers die in de opvang verblijven.
Welke andere opvangmogelijkheden hebben vreemdelingen indien volgens u noodopvang door de gemeente niet wenselijk is? Welke acties onderneemt u doorgaans indien een gemeente toch verantwoordelijkheid neemt en tot noodopvang van vreemdelingen overgaat?
Wanneer na een zorgvuldige beoordeling van de asielaanvraag is besloten dat een vreemdeling niet in aanmerking komt voor bescherming in Nederland, is het perspectief terugkeer. In die situatie verwacht ik van deze vreemdelingen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen. Dit betekent voldoen aan de vertrekplicht in plaats van te kiezen voor een marginaal bestaan in de illegaliteit in Nederland. Bij een verblijf in de illegaliteit zijn vreemdelingen zelf niet gebaat, en ook niet hun kinderen.
Door het Rijk zijn in de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om te voorkomen dat (afgewezen) asielzoekers op straat terecht komen. Daarnaast biedt de Nederlandse overheid vreemdelingen ondersteuning om het vertrek te organiseren. Om een goede nieuwe start te maken in het land van herkomst, biedt de Nederlandse overheid bijvoorbeeld uitgebreide ondersteuning bij zelfstandige terugkeer.
In antwoord op schriftelijke vragen van het lid Van Nieuwenhuizen van 9 december 2011 ben ik ingegaan op de vraag welke stappen ik onderneem tegen gemeenten die (structurele) noodopvang bieden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel 1124).
Het artikel “Defensie maakt puinhoop van personeelsbeleid” |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie maakt puinhoop van personeelsbeleid»?1
Ja.
Wat is de reden dat er, ondanks de duidelijke regelgeving hierover (artikel 28a Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en 3:27 Uitvoeringsregeling AMAR (VVURAMAR) met bijlage 3), zoveel problemen worden ervaren rondom de loopbaanbegeleiding en het opstellen van een Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP) van de medewerkers van Defensie?
Met mijn brief van 3 maart 2011 (kamerstuk 32 500 X, nr. 88) heb ik de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van de invoering van het flexibel personeelssysteem (FPS) bij de krijgsmacht. De werknemers van Defensie kunnen in het FPS invloed uitoefenen op hun loopbaan. Een van de instrumenten hiervoor is het persoonlijk ontwikkelingsplan (POP). Medewerkers stellen dit zelf op en kunnen daarbij worden ondersteund door loopbaanbegeleiders. De commandant van het desbetreffende operationeel commando keurt het POP goed. Met het POP kunnen zij onder meer opleidingen aanvragen, waarna defensieonderdelen toetsen of de opleiding de persoonlijke ontwikkeling van de medewerker en de loopbaankansen bevordert en – indien dit van toepassing is – de kansen op de externe arbeidsmarkt vergroot. Hierdoor is het mogelijk dat een aanvraag voor een opleiding niet wordt gehonoreerd. Ook is het mogelijk dat de uitvoering van een POP om operationele redenen moet worden vertraagd. Voorts is als gevolg van de bezuinigingen een lager opleidingsbudget beschikbaar dan in het verleden, hierdoor komt de uitvoering van opleidingen die geen onderdeel zijn van een POP onder druk te staan. Ik probeer de gevolgen hiervan zo goed mogelijk te ondervangen.
Verder ondersteunen loopbaanbegeleiders medewerkers met loopbaangesprekken. Er worden jaarlijks meer dan 6000 van deze gesprekken gehouden. Tijdens deze gesprekken worden onder meer de ambitie van de medewerker, het POP en de E-portfolio besproken. De loopbaanbegeleider wijst de werknemer bijvoorbeeld op de mogelijkheden van de E-portfolio, waarvan de vulling zijn eigen verantwoordelijkheid is, maar waarbij hij de medewerker kan ondersteunen.
Zoals ik heb uiteengezet in mijn brief van 3 maart 2011 zijn de FPS instrumenten stapsgewijs ingevoerd. Defensie werkt nu ruim een jaar met alle onderdelen van het FPS. Bij de uitvoering van de procedures kan sprake zijn van onvolkomenheden door onder meer de veranderingen in de rol en verantwoordelijkheden van zowel de werknemers als de werkgevers. Defensie zal de komende tijd extra aandacht besteden aan de voorlichting over de juiste toepassing van de instrumenten van het FPS. Ook de voorgenomen reorganisaties kunnen invloed hebben op de juiste toepassing van de instrumenten.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om deze problemen op korte termijn op te lossen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Adviescommissie ex artikel 28a lid 9 en 3:28 VVURAMAR, die moet oordelen over problemen met de uitvoering van een Persoonlijk Ontwikkel Plan (POP) nog steeds niet is ingesteld? Zo ja, binnen welke termijn zal deze commissie wel worden ingesteld?
De commissie zal 1 maart a.s. worden geïnstalleerd. De commissie zal vooralsnog alleen een rol krijgen indien problemen optreden bij uitvoering van vastgestelde POP’s. Op korte termijn wordt gesproken met de centrales van overheidspersoneel over een eventuele uitbreiding van de taken van de commissie. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van dit overleg.
Bent u bereid om, zoals de AFMP/FNV heeft voorgesteld, deze commissie niet alleen een rol te geven bij de uitvoering van reeds overeengekomen POP’s maar ook bij problemen rondom de totstandkoming van de POP?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat er bij de totstandkoming van de POP geen of weinig aandacht wordt besteed aan de vulling van het E-portfolio en de mogelijkheden van een Ervaringscertificaat (EVC)-procedure? Zo ja, welke maatregelen zult u nemen om deze mogelijkheden, die de kansen op de arbeidsmarkt van de medewerker kunnen vergroten, vaker te benutten?
De veronderstelling in de vraag dat bij de totstandkoming van de POP geen of weinig aandacht wordt besteed aan de E-portfolio en van een certificaat voor eerder verworven competenties (EVC) is niet juist. Het EVC is een instrument dat kan worden gebruikt bij het ontwikkel- en opleidingsplan van de medewerker. Zie verder het antwoord op de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat een aanvraag van een opleiding door een medewerker van Defensie momenteel eerder wordt geweigerd dan in het verleden? Is dit het gevolg van de bezuinigingen? Zo ja, komt één van de doelstellingen van het Flexibel Personeels systeem (FPS): voortdurende talentontwikkeling van het personeel, daardoor in gevaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u nog steeds garanderen, zoals afgesproken bij de invoering van het nieuwe AMAR (toelichting blz. 21) dat iedere medewerker zich via opleidingen en werkervaring kan ontwikkelen naar een hoger niveau, niet alleen voor de loopbaan bij Defensie, maar ook voor de kans op een loopbaan buiten Defensie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u garanderen dat iedere medewerker gebruik kan blijven maken van het zogenaamde «rugzakje», ofwel de maximale vergoeding per medewerker uit artikel 3:5? Indien het rugzakje tijdens de loopbaan binnen Defensie niet gebruikt kan worden, wat gebeurt er dan met het gereserveerde bedrag?
De vergoedingen voor opleidingen maken deel uit van de personele exploitatie van de afzonderlijke begrotingsartikelen van de defensieonderdelen. De personele exploitatie bestaat onder meer uit de salaris- en opleidingskosten voor personeel.
Zoals ik heb uiteengezet bij het antwoord op de vragen 7 en 8 is door de bezuinigingen het opleidingsbudget verlaagd. De opleidingen die de werknemer aanvraagt, worden getoetst zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 7 en 8. Indien een werknemer geen gebruik maakt van het opleidingsbudget kan het worden gebruikt voor de ontwikkeling van een andere medewerker.
Ongeldige vonnissen van e-Court |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vonnissen die e-Court tot nu heeft gedaan niet rechtsgeldig zijn?1 Heeft e-Court daarmee in ieder geval zijn contractanten verkeerd voorgelicht over de afdwingbaarheid van zijn uitspraken?2
De rechter heeft zich uitgesproken over de rechtsgeldigheid van de arbitrale vonnissen van e-Court. Het lijkt mij in zijn algemeenheid wenselijk en aannemelijk dat e-Court naar aanleiding van de uitspraak van de rechter haar procedure zodanig zal wijzigen dat tegemoet wordt gekomen aan de eisen die door de wet aan een rechtsgeldig arbitraal vonnis worden gesteld. Aangezien het om een private geschilbeslechtingsinstantie gaat is het niet aan mij om actie te ondernemen.
In het arbitragereglement van e-Court wordt in deel 2, artikel 8, gesteld dat voor het verkrijgen van een executoriale titel in zaken die voor arbitrage aan e-Court worden voorgelegd, verlof van de voorzieningenrechter nodig is. Op dat punt kan ik concluderen dat de informatievoorziening juist is.
Welke actie heeft u naar aanleiding van deze uitspraken ondernomen of gaat u ondernemen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat e-Court zijn praktijken pas voort mag zetten indien duidelijk is dat alle contracten met zijn relaties zullen leiden tot rechtsgeldige vonnissen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat alternatieve geschillenbeslechting alleen mogelijk moet zijn wanneer beide partijen daarmee akkoord zijn? Deelt u de mening dat de gang naar de normale rechter een optie moet blijven?
Alternatieve geschillenbeslechting is per definitie een vorm van geschiloplossing die berust op de instemming van beide betrokken partijen. Daarbij blijft de gang naar de overheidsrechter open in die zin dat bij bindend advies de rechter gevraagd kan worden of gebondenheid aan het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is (in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan). In het geval van arbitrage kan vernietiging van het arbitrale vonnis gevraagd worden op een aantal in de wet genoemde gronden. Ook is in bepaalde gevallen herroeping van het vonnis mogelijk. De tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis kan in bepaalde gevallen geweigerd worden, onder andere wegens kennelijke strijd met de goede zeden of de openbare orde.
Heeft u in uw gesprek met e-Court medio 2011 aangegeven onder welke voorwaarden e-Court gebruik kan maken van arbitrage?3 Wat vindt u ervan dat ondanks dit gesprek nog steeds door e-Court de mogelijkheid wordt geboden om het geschil te beslechten middels een bindend advies?4
De voorwaarden voor arbitrage zijn opgenomen in artikelen 1020–1076 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en zijn dus openlijk beschikbaar. Het gebruik van bindend advies is een bestaande optie voor geschillenoplossing, met de kanttekeningen die ik daar in mijn brief aan uw Kamer van 23 juni 2011 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 29 279, nr. 122) bij heb gemaakt.
Heeft u na het gesprek, zoals genoemd in uw brief d.d. 23 juni 2011, nog met e-Court aan tafel gezeten? Zo ja, wat is er toen besproken?
Ambtenaren van mijn ministerie hebben na 23 juni 2011 nog twee maal met vertegenwoordigers van e-Court om de tafel gezeten. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden in het kader van de innovatieagenda rechtsbestel, die op 31 oktober 2011 aan uw Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33 071, nr. 5). Zowel het ministerie als e-Court hebben aangegeven in gesprek te willen blijven en te onderzoeken waar kennisuitwisseling voordelen kan hebben voor innovatie van juridische procedures.
Wat is uw reactie op het bericht dat e-Court een overeenkomst heeft gesloten met Intrum Justitia, ondanks dat vast is komen te staan dat de werkwijze van e-Court in veel gevallen onrechtmatig is?5
E-Court en Intrum Justitia zijn private partijen. Het staat hen vrij om een overeenkomst te sluiten. Ik veronderstel dat zij de gevolgen van de recente uitspraak van de rechtbank onderling zullen bespreken, en acht het niet nodig mij daarin te mengen.
Deelt u de mening dat door onder andere verhoging van de griffierechten meer private alternatieven voor geschillenbeslechting zullen ontstaan? Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat dergelijke private initiatieven zich niet aan de wet houden?
Het is zeker mogelijk dat er meer private initiatieven zullen ontstaan die buitengerechtelijke geschiloplossing aanbieden. Ook het voorstel voor een Europese richtlijn over Alternative Dispute Resolution in consumentenzaken (COM2011 793) en het voorstel voor de verordening Online Dispute Resolution (COM2011 794) zullen wellicht private initiatieven stimuleren.
Ik ben van mening dat buitengerechtelijke geschilbeslechting zo veel mogelijk door zelfregulering tot stand moet komen, uiteraard met eerbiediging van de geldende wetgeving. Ter waarborging daarvan kunnen uitspraken van buitengerechtelijke geschilbeslechters in bepaalde gevallen getoetst worden door de rechter. De recente beschikkingen ten aanzien van de uitspraken van e-Court zijn een goed voorbeeld van deze toetsing.
De uitzending van ‘KRO reporter internationaal’ |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van «KRO reporter internationaal» waarin verslag wordt gedaan van het werk van private beveiligers uit Nederland die ook militaire opdrachten uitvoeren?1
Ja.
Is het waar dat er geen registratie is van in Nederland gevestigde bedrijven die gewapenderhand veiligheidstaken in het buitenland uitvoeren?
Nederlandse bedrijven die uitsluitend in het buitenland beveiligingswerkzaamheden uitvoeren vallen niet onder de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, en er vindt voor die bedrijven dan ook geen registratie of screening van medewerkers plaats op basis van die wet.
Het uitgangspunt dat voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden niet de wetgeving van het land van herkomst maar die van het land van inzet leidend is acht ik logisch en juist. Dat betekent dat buitenlandse bedrijven die in Nederland actief zijn zich dienen te houden aan de Nederlandse wetgeving terzake, en Nederlandse bedrijven die in het buitenland actief zijn aan de daar geldende wetgeving.
Indien ja, waarom worden deze bedrijven niet geregistreerd terwijl dit wel het geval is voor soortgelijke bedrijven die deze taken in Nederland uitvoeren?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er geen registratie is van schietincidenten of ander geweldsgebruik bij de inzet van werknemers van in Nederland gevestigde private beveiligers die in het buitenland opereren?
Ja.
Indien ja, deelt u de opvatting dat het wel wenselijk is dat er een registratie wordt komt van deze bedrijven en eventueel geweldsgebruik in het buitenland? Indien neen, waarom niet?
Nog afgezien van de praktische moeilijkheid om vanuit Nederland zicht te krijgen op schiet- en geweldsincidenten die zich in het buitenland voordoen rondom beveiligers die in dienst zijn van Nederlandse particuliere beveiligingsbedrijven, zie ik geen meerwaarde in een dergelijke registratie. Het is immers primair aan de justitiële autoriteiten in het land waar een incident zich voordoet om indien nodig een onderzoek in te stellen en handhavend op te treden.
Is het waar dat er geen screening plaatsvindt van personen die bij bedoelde bedrijven werkzaam zijn en dat er dus geen zicht is op eventuele criminele antecedenten van deze personen? Indien ja, vindt u dat een wenselijke situatie?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er bedrijven die in Nederland zijn gevestigd, die in het buitenland veiligheidstaken uitvoeren in opdracht van de Nederlandse overheid zonder dat de overheid deze personen of bedrijven screent op criminele antecedenten? Vindt u die situatie wenselijk?
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft raamcontracten met twee in Nederland gevestigde beveiligingsbedrijven. Alle uitgezonden beveiligers worden door de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst gescreend, waarbij onder meer naar criminele antecedenten wordt gekeken. De Nederlandse overheid gaat pas in zee met uitgezonden beveiligers als zij de desbetreffende screening succesvol hebben doorstaan.
Zoals eerder gecommuniceerd in antwoord op Kamervragen naar aanleiding van de kabinetsreactie op het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken over inzet van civiele dienstverleners in operatiegebieden van 20 juni 2008 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 X, nr. 132), hanteert het ministerie van Buitenlandse Zaken strenge toetsingscriteria voor beveiligers, waaronder buitenlandervaring in actieve dienst bij Defensie of het KLPD, aantoonbare kwalificaties, goede referenties en zorgvuldige omgang met wapens en geweldsinstructies. De geselecteerde beveiligingsbedrijven en beveiligers voldoen aan deze criteria.
Wat gaat u doen om de betrouwbaarheid van personen en bedrijven in de sfeer van beveiliging te garanderen?
Voor zover deze personen en bedrijven hun diensten op het gebied van particuliere beveiliging in Nederland aanbieden vallen zij onder de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, en wordt langs die weg hun betrouwbaarheid bewaakt. Voor zover deze personen en bedrijven buiten Nederland actief zijn is daarop van toepassing hetgeen ik heb vermeld in antwoord op vragen 2, 3 en 6.
Wie is er aansprakelijk indien bedoelde personen of bedrijven bij de uitvoering van gecontracteerde taken overtredingen of misdrijven begaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien personen en bedrijven bij de uitvoering van taken in het buitenland strafbare feiten begaan, dan hangt het primair af van de feiten en omstandigheden van de casus, alsmede van de strafwetgeving en de daarin opgenomen deelnemingsbepalingen van het desbetreffende land, wie daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. In het algemeen zullen die personen en bedrijven zelf vervolgd kunnen worden. Afhankelijk van het bewijs van wetenschap en betrokkenheid van de opdrachtgever bij de strafbare feiten, zal ook deze in het algemeen kunnen worden vervolgd. Indien ook Nederland in een concreet geval van strafbaar handelen rechtsmacht heeft, dan geldt hetzelfde.
De voortgang van de oorlog in Afghanistan |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Truth, lies and Afghanistan» van de Amerikaanse luitenant-kolonel Daniel Davis?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de luitenant-kolonel dat rooskleurige officiële uitlatingen van militaire leiders over vooruitgang in de oorlog niet overeenkomen met de werkelijke situatie in Afghanistan? Hoe beoordeelt u Davis» conclusie dat de militair-tactische situatie in Afghanistan van «slecht» naar «hopeloos» is opgeschoven? Kunt u beide antwoorden toelichten?
Het artikel geeft de mening van een Amerikaanse militair over de veiligheidssituatie en berust op enkele observaties, beperkt in regio en tijd, bij Amerikaanse eenheden. Uit diverse rapportages van internationale en non-gouvernementele organisaties, die geheel Afghanistan bestrijken, komt een genuanceerder beeld van de veiligheidssituatie naar voren. In de komende stand-van-zakenbrief wordt u nader geïnformeerd over de actuele veiligheidssituatie.
De Afghan National Security Forces (ANSF) zijn de afgelopen jaren in kwantiteit en kwaliteit gegroeid. De transitie – het geleidelijk overdragen van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid aan de Afghaanse autoriteiten en ANSF – is gaande en verloopt volgens plan. In de gebieden waar de verantwoordelijkheid is overgedragen blijkt de ANSF in staat zorg te dragen voor de veiligheid. Er zal evenwel de komende jaren nog veel moeten worden geïnvesteerd om duurzame vrede en veiligheid in Afghanistan te realiseren. De internationale gemeenschap zal het land hierbij ondersteunen en assisteren.
Is het waar dat de opstandelingen in Afghanistan vrijwel elk stuk land buiten het gezichtsbereik van ISAF-bases controleren? Indien ja, geldt dit ook voor de provincie Kunduz?
Nee, de regering is het oneens met de stelling dat de Taliban gebieden controleert buiten het gezichtsbereik van ISAF-bases. De ANSF en ISAF richten zich vooral op de bescherming van bevolkingscentra en belangrijke verkeersroutes en de Taliban is in militair opzicht en in vergelijking tot de Afghaanse veiligheidsdiensten en ISAF geenszins een gelijkwaardige speler. Derhalve oefent de Taliban niet dusdanige invloed uit op de lokale bevolking dat gesproken kan worden van «controle». In het algemeen heeft de bevolking geen enkele behoefte aan een terugkeer naar de terreur en het extremisme van het Taliban bewind van ruim tien jaar geleden. In dat licht hebben terroristische aanslagen van de Taliban waarbij onschuldige Afghaanse burgers om het leven zijn gekomen de reputatie van de Taliban niet verbeterd. Daar staat tegenover dat de steun onder de bevolking voor de Afghaanse regering te lijden heeft onder zwak Afghaans bestuur en corruptie. De komende periode zal de regering Karzai daarom nog meer daadkracht moeten tonen in het verbeteren van het openbaar bestuur om als legitieme en geloofwaardige overheid te kunnen blijven functioneren.
Is het waar dat het voorkomt dat Afghaanse veiligheidsdiensten met opstandelingen afspreken dat beide elkaar niet beschieten? Indien ja, hoe beoordeelt u deze afspraken? Hoe vaak komt dit voor? Komt dit ook voor in Kunduz?
De ANSF voeren geregeld operaties uit om de dreiging die uitgaat vanopstandelingen weg te nemen. Afspraken om elkaar niet te beschieten horen hier niet bij. Er zijn evenwel enkele incidentele gevallen bekend waarbij personen binnen de ANSF afspraken met insurgents hebben gemaakt. Deze incidenten zijn niet structureel van aard en zijn te verklaren vanuit de specifieke context van het geval, waarbij binnen een bepaalde familie of stam afspraken werden gemaakt. In Kunduz zijn dergelijke gevallen niet vastgesteld.
Het artikel 'Gemeente publiceert kraakkaart' |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeente publiceert kraakkaart»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het bestaan van de website die wordt genoemd? Wie is de host c.q. beheerder van deze website, in het artikel aangeduid als de «kraakkaart»? Wat is de bedoeling van de host c.q. beheerder met deze website? Is het waar dat deze website krakers in Amsterdam aanzet om een pand te kraken, en dat dit haaks staat op de maatregelen die in de Wet kraken en leegstand zijn vastgesteld om het kraken terug te dringen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Sinds 2007 maakt en publiceert de Kantorenloods van de gemeente Amsterdam de discussiekaart Omzet van Kantoren. Aan de hand van de discussiekaart werkt de kantorenloods gericht aan de transformatie van deze leegstaande kantoorpanden door vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Sinds het bestaan van de kantorenloods is er al meer dan 100 000m2 kantoor omgezet naar andere functies, zoals hotels, studentenhuisvesting en broedplaatsen. Momenteel wordt gewerkt aan ruim 150 000m2 transformatieprojecten.
Sinds 2010 is deze kaart ook via de website van de Kantorenloods beschikbaar (http://www.oga.amsterdam.nl/bijlagen/kantorenloods%20nov.pdf ).
Op de kaart staan circa 180 structureel leegstaande kantorenpanden. Onder structurele leegstand wordt verstaan: Langer dan 3 jaar grotendeels (>50%) structureel leegstaande kantoren. De discussiekaart biedt een geografische weergave van – gedeeltelijk – leegstaande kantoorpanden of leegkomende panden die mogelijk voor transformatie in aanmerking komen.
Aan de hand van deze kaart werkt de gemeente Amsterdam gericht aan de transformatie van leegstaande kantoorpanden. De oogmerken die de kantorenloods hiermee heeft zijn: transparantie ten behoeve van potentiële huurders en een stimulans naar eigenaars om actie te ondernemen om de leegstand te beëindigen.
Ik deel niet de opvatting dat hiermee krakers worden aangezet tot kraken. Het betreft hier openbare informatie die voor iedereen verkrijgbaar is. Bij vrijwel alle panden op deze kaart staat een groot bord voor de deur waarop ze te huur worden aangeboden. Ook in andere gemeenten wordt dergelijke informatie verzameld en aangeboden aan de markt, bijvoorbeeld in de Stadsregio Haaglanden (www.steenworp.nl).
Wat is de rol van het Wijksteunpunt Wonen bij het leegstandsbeleid van de gemeente Amsterdam, en heeft het Wijksteunpunt Wonen ook een rol bij deze website? Kunt u dit toelichten?
Op grond van informatie verkregen van de gemeente Amsterdam kan ik u het volgende mededelen.
De wijksteunpunten wonen hebben op het vlak van wonen onder meer een (algemeen) signalerende functie. Signalen en knelpunten van bewoners op het vlak van wonen die de gehele stad aangaan kunnen door de wijksteunpunten worden doorgespeeld aan de gemeente Amsterdam. De wijksteunpunten wonen ontvangen weliswaar subsidie, maar zijn onafhankelijk van de gemeente.
Het Dagelijks Bestuur van stadsdeel Centrum is per motie door de stadsdeelraad verzocht het wijksteunpunt wonen Centrum een inventarisatie naar leegstand te laten doen. Het steunpunt Centrum heeft daarop alle leegstaande panden (zowel woningen als kantoren) in kaart gebracht. Dit is een andere inventarisatie dan is gedaan voor het opstellen van de kaart van leegstaande kantoren van de kantorenloods.
Het stadsdeel Centrum meent hiermee een bijdrage te leveren aan het bestrijden van verloedering en criminaliteit. Ook wil het stadsdeel aansluiten op de inzet van de centrale stad op de bestrijding van leegstand.
Het College van B&W van Amsterdam vindt het een goede zaak dat het stadsdeel de leegstand actief aanpakt. Een leegstandinventarisatie kan aanvullend zijn op de informatie die de centrale stad over leegstaande panden bijhoudt.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Socio-economic implications of cancer survivorship: results from the PROFILES registry», dat binnenkort in het European Journal of Cancer verschijnt, de reactie van het Verbond van Verzekeraars1 en de reactie van de Geneeskundig Adviseurs Verzekeringszaken2
Ja. Zie ook mijn antwoorden op vragen van de leden Leijten en Van Gerven van 4 januari 2012 over hetzelfde onderzoek.
Bent u bekend met het feit dat verzekeraars trots melden dat verzekeringen beschikbaar zijn voor mensen met een Hiv-infectie?
Ja, ik heb de verklaring gelezen.
Hoe beoordeelt u het feit dat met name jongere ex-kankerpatiënten zoveel moeite hadden om een levensverzekering of hypotheek af te sluiten?
Ik begrijp dat het wrang is als iemand door de dokter genezen wordt verklaard, maar in het dagelijkse leven nog lang de gevolgen van deze akelige ziekte ondervindt. Ik kan niet beoordelen waarom met name de jongere groep uit het onderzoek kwam. Mogelijk betrof het vooral deze groep in het onderzoek die nog onder behandeling stond. Ook kan ik me voorstellen dat deze leeftijdsgroep relatief vaker een hypotheek aanvroeg of getroffen werd door een agressieve vorm van kanker.
Bent u bereid om er bij de verzekeraars op aan te dringen om tot standaard acceptatieprotocollen te komen voor ex-kankerpatiënten?
Voor levensverzekeringen geldt geen wettelijke acceptatieplicht, zoals die voor het basispakket van de zorgverzekering wel geldt. Overigens geldt er ook geen plicht tot het aangaan van een levensverzekering, zoals die wel geldt voor de zorgverzekering.
Een levensverzekering is per definitie gebaseerd op risicoselectie, waarbij allerlei factoren en aandoeningen worden meegenomen, niet alleen kanker. Het loslaten van dit principe zou vergaande consequenties hebben. Het lijkt mij wel terecht dat naarmate kanker steeds vaker voorkomt (100 000 nieuwe gevallen per jaar), maar tegelijk steeds meer een chronische ziekte wordt, verzekeraars rekening houden met de recentere gegevens over incidentie en overleving.
Wilt u informeren bij de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties en het Verbond van Verzekeraars of zij al tot betere en afdwingbare afspraken gekomen zijn?3
Ik begrijp uit navraag dat er intussen contact is tussen het Verbond van Verzekeraars en de Nederlandse Federatie van Kankerpatiënten. De NFK heeft een meldpunt ingesteld voor mensen die recent geweigerd zijn voor een levensverzekering of met een forse premieverhoging te maken hebben. De reacties zal de NFK inbrengen in het overleg met het Verbond van Verzekeraars en de beroepsvereniging van de medisch adviseurs.4
Indien de bereidheid tot betere acceptatie niet bestaat, ziet u dan mogelijkheden om de Wet op de medische keuringen aan te scherpen, zodat mensen wanneer ze genezen zijn, hun leven kunnen oppakken en ook gewoon toegang hebben tot verzekeringen?
Ik begrijp dat het Verbond van Verzekeraars contacten onderhoudt met verschillende patiëntenorganisaties, zoals ook blijkt uit het antwoord op vraag 5. Ook verzekeraars volgen de wetenschappelijke ontwikkelingen nauwgezet, om hun risicobeoordeling up to date te houden. Vooralsnog zie ik geen reden om de wet aan te passen.
Hoe kijkt u in dit verband aan tegen een mogelijke beperking van het aantal jaren waarover medische informatie in het verleden opgevraagd mag worden?
Ik laat de verantwoordelijkheid hiervoor in eerste instantie bij de verzekeraars.
Vergoeding van alternatieve therapieën uit het basispakket |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat zorgverzekeraars via een U-bocht alternatieve therapieën vergoeden die niet in het basispakket zitten, doordat de Stichting Europsyche een BIG-geregistreerde psychiater of klinisch psycholoog op papier als hoofdbehandelaar laat functioneren?1
Het betreffende krantenartikel is mij bekend. Zoals u weet heb ik naar aanleiding dit signaal op 7 februari 2012 de NZa en IGZ gevraagd nader onderzoek in te stellen naar deze organisatie. Voor de stand van zaken met betrekking tot de Stichting Europsyche, en de uitkomsten van de onderzoeken van NZa en IGZ, verwijs ik u naar mijn brief van 25 juni 2012 hierover, en de daarbij gevoegde onderzoeksresultaten van NZa en IGZ.
Wat is uw mening over het feit dat de stichting Europsyche via een zogenaamde verlengde arm-constructie behandelingen kan laten declareren bij de zorgverzekeraars?
Ik wil u verwijzen naar mijn antwoord van 30 mei 2012 op vraag 5 van de kamervragen van de Kamerleden Van Gerven (SP) en Leijten (SP) over vergoeding van alternatieve therapieën uit het basispakket (2012Z02132) en naar mijn brief van 25 juni 2012.
Wat is uw mening over het feit dat bij de stichting Europsyche rond de 1200 behandelaars zijn aangesloten? Kan aangegeven worden wat voor behandelaars dit zijn?
Het gaat om circa 1 200 over het hele land verspreide hulpverleners en/of praktijken van hulpverleners.
Deelt u de mening dat alternatieve behandelaars een patiënt/cliënt schade kunnen toebrengen en dat de hoofdbehandelaars van Europsyche die hiervoor tekenen deze patiënt/cliënt bewust risico laten lopen omdat zij bij het verloop van de behandeling verder niet betrokken zijn?
Een hoofdbehandelaar is verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg van de gehele behandeling, ook indien (een deel van) de behandelactiviteiten in het kader van het behandelplan worden uitgevoerd door andere beroepsbeoefenaren. De hoofdbehandelaar dient zich er vooraf van te verzekeren dat degene die behandelactiviteiten uitvoert ook bekwaam is om deze activiteiten goed uit te voeren.
Wat is uw mening over het feit dat een BIG-geregistreerde behandelaar hoogstens slechts de intake doet en vervolgens een alternatieve behandeling laat declareren? Bent u van mening dat deze BIG-geregistreerde behandelaars thuishoren in het BIG-register dat duidelijkheid biedt over de bevoegdheid van een zorgverlener?
Het is wat mij betreft zeker van belang dat de hoofdbehandelaar niet alleen bij de intake betrokken is. De IGZ heeft naar aanleiding van haar onderzoek naar Europsyche een aantal aanbevelingen gedaan ten aanzien van de kwalificatie en invulling van het hoofdbehandelaarschap. Zie daarvoor mijn brief van 25 juni 2012. Deze aanbevelingen neem ik over.
Het BIG-register dient om patiënten duidelijkheid te bieden over welke deskundigheid zij binnen de reguliere zorg van een zorgverlener mogen verwachten. Het BIG-register is ook de plek om te zien of er eventueel tuchtrechtelijke maatregelen aan de betrokkene zijn opgelegd.
Wat betekent de jaaromzet van 24 miljoen euro van de stichting Europsyche en het gegeven dat in ruil voor de diensten van de stichting 17 procent van de inkomsten wordt afgedragen naar uw mening voor de hoogte van het bedrag aan onterechte vergoedingen voor alternatieve therapieën?
Indien zorg verleend wordt die niet onder het verzekerd pakket valt, dient deze niet vergoed te worden. Vanwege de constatering dat een groot deel van de declaraties onterecht was, hebben de zorgverzekeraars de uitbetalingen aan Europsyche opgeschort.
Is het waar dat de stichting Europsyche onder de Kwaliteitswet zorginstellingen valt en derhalve niet hoeft te voldoen aan de 80/20-verhouding, zoals die wél geldt voor vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten? Bent u van mening dat de stichting Europsyche voldoet aan de Kwaliteitswet, terwijl zij voor het grootste deel van de door haar gedeclareerde behandelingen de kwaliteit niet kan garanderen omdat zij deze niet controleert? Valt de stichting Europsyche naar uw mening onterecht onder de Kwaliteitswet of schiet de Kwaliteitswet hier tekort?
Europsyche heeft een WTZi (Wet Toelating Zorginstellingen) toelating, en valt daarmee inderdaad onder de Kwaliteitswet zorginstellingen. Zorgverzekeraars stellen uit kwaliteits- en kostenoogpunt sinds 2012 in de contracten met vrijgevestigde zorgaanbieders een grens aan de inzet van hulppersoneel. Dit is de »80/20-verhouding» waar u naar verwijst. Dat betekent niet dat zorgverzekeraars geen eisen kunnen stellen aan de door Europsyche geleverde zorg. Zorgverzekeraars bepalen zelf of zij een overeenkomst met een instelling sluiten, en onder welke voorwaarden dat gebeurt. Er zijn voor zover mij bekend geen zorgverzekeraars die een contractafspraak met Europsyche hebben voor specialistische ggz.
Europsyche valt mijns inziens terecht onder de Kwaliteitswet zorginstellingen. Deze wet verplicht zorginstellingen hun eigen kwaliteit te bewaken, te beheersen en te verbeteren. De IGZ houdt toezicht op de kwaliteit van de geneeskundige zorg die instellingen voor geestelijke gezondheidszorg leveren.
Welke concrete actie onderneemt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) om de kwaliteit van de door de stichting Europsyche gedeclareerde behandelingen te controleren? Welke actie gaat de IGZ nu naar aanleiding van dit bericht ondernemen?
Ik wil u voor deze vraag verwijzen naar mijn brief van 25 juni 2012 en de daarbij gevoegde onderzoeksresultaten van de IGZ.
Zijn er op dit moment wettelijke mogelijkheden om dit soort praktijken te verbieden? Zo ja, hoe gaat u daar gebruik van maken? Zo nee, welke aanpassingen in de wet zijn noodzakelijk om dit soort praktijken te verbieden?
Europsyche moet voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Het optreden van de verzekeraars tegen Europsyche, en de goedkeuring daarvan door de rechter, toont dat het stelsel op hoofdlijnen goed functioneert. Tegelijkertijd hebben de onderzoeken van CZ, NZa en IGZ een aantal lacunes en onduidelijkheden in de publiekrechtelijke wet- en regelgeving blootgelegd. Voor de aanbevelingen van de NZa en de IGZ en de vervolgstappen die ik ga nemen verwijs ik u naar mijn brief van 25 juni 2012.
De medezeggenschap aan het Stedelijk Lyceum te Enschede |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over medezeggenschap1, waarin u schrijft dat, als het bevoegd gezag weigert de uitspraak van de Geschillencommissie na te komen, een medezeggenschapsorgaan een nalevingsvordering op grond van artikel 36, lid 1, wet Medezeggenschap op scholen (WMS), kan instellen bij de Ondernemingskamer? Kunt u bevestigen dat de procedure bij de Ondernemingskamer echter bedoeld is om naleving van een wettelijke verplichting af te dwingen en niet om nakoming van een uitspraak van de Geschillencommissie af te dwingen? Kunt u daarom uw antwoord verduidelijken?
Ja, dat herinner ik mij. De Landelijke Commissie Geschillen WMS (hierna LCG WMS) is bevoegd in instemmingsgeschillen, geschillen over de inhoud van het medezeggenschapsstatuut en medezeggenschapsreglement, adviesgeschillen en geschillen over de interpretatie van een bepaling in de WMS, het medezeggenschapsreglement of medezeggenschapsstatuut. De Ondernemingskamer bij het Gerechtshof Amsterdam fungeert als beroepsrechter voor uitspraken van de LCG WMS op grond van de artikelen 32, 33, 34 en 35 van de WMS en is bevoegd in nalevingsgeschillen. Het gaat bij nalevingsgeschillen inderdaad om naleving van wettelijke verplichtingen door het bevoegd gezag.
Vindt u het in het kader van een behoorlijke rechtsbescherming gerechtvaardigd dat een medezeggenschapsorgaan een geheel nieuwe procedure (met dure verplichte procesvertegenwoordiging) bij de Ondernemingskamer moet beginnen om nakoming van een uitspraak af te dwingen?
Ja. Dit is niet anders dan bij andere gerechtelijke procedures. Daarnaast voorziet de WMS in de verplichting een faciliteitenregeling te treffen voor de medezeggenschapstaken. Hierin kunnen afspraken worden vastgelegd over de vergoeding van juridische kosten, waaronder ook procesvertegenwoordiging.
Kunt u toelichten welke civiele rechter u bedoelt in uw antwoord, met het oog op artikel 36, leden 1 en 2 van de WMS, waarin is bepaald dat een medezeggenschapsorgaan alleen in rechte kan optreden bij de Ondernemingskamer en het feit dat een medezeggenschapsorgaan geen natuurlijk persoon of rechtspersoon is en daarom geen rechtsbevoegdheid in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft (aldus Hoge Raad, 3 december 1993, NJ 1994, 375)?
Het klopt dat een medezeggenschapsorgaan geen rechtspersoonlijkheid bezit. Daarom zal in dit geval een of meerdere leden van het medezeggenschapsorgaan als natuurlijk persoon naar de voorzieningenrechter dienen te gaan om naleving van de uitspraak af te dwingen. Dit kan door aan te voeren dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door het niet-naleven van een uitspraak van de Ondernemingskamer.
Bent u van plan om een bekostigingsmaatregel te nemen, nu duidelijk is dat het bevoegd gezag van het Stedelijk Lyceum Enschede niet van plan is de genoemde uitspraken na te komen?
Een bekostigingsmaatregel kan ik opleggen indien een bevoegd gezag de bij of krachtens de WMS gegeven voorschriften niet nakomt.
In onderhavig geval is sprake van een geschil tussen twee autonome partijen, te weten het bevoegd gezag en de ouder/leerlinggeleding van de «oude» GMR. Indien de ouder/leerlinggeleding van mening is dat er sprake is van niet-naleving van de uitspraak van de Ondernemingskamer door het bevoegd gezag kan dit voor de voorzieningenrechter gebracht worden (zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3). Het past mij als minister niet om deze rechtsgang te doorkruisen, temeer daar de uitspraak van de Ondernemingskamer in dit geval geen instructie bevat die de minister van OCW zou moeten bewaken.
Mijns inziens is er geen sprake van niet-naleving van de WMS door het bevoegd gezag van het Stedelijk Lyceum Enschede. De Inspectie heeft bovendien in november 2011 vastgesteld dat de medezeggenschap op de school op een goede manier is vormgegeven en dat wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van de WMS. Ik zie dan ook geen aanleiding of mogelijkheid tot het treffen van een bekostigingssanctie.
Deelt u de mening dat er sprake lijkt van een leemte in de rechtsbescherming voor medezeggenschapsorganen als uit de antwoorden op de vragen 1, 2 en 3 blijkt dat de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) geen rechtsmiddel heeft om het bevoegd gezag te dwingen tot nakoming van een uitspraak?
Ik deel de mening dat de GMR geen rechtsmiddel heeft om het bevoegd gezag te dwingen tot nakoming van een uitspraak niet. Alle scholen dienen zich aan de WMS te houden. Indien dat niet gebeurt kan het medezeggenschapsorgaan een nalevingsvordering instellen bij de Ondernemingskamer. Alle partijen zijn gebonden aan de uitspraak van de Ondernemingskamer. Indien een partij zich hier niet aan houdt staat de weg naar de voorzieningenrechter open.
Het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg naar het aanbieden van christelijke homotherapie |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat u bedoelt met uw uitspraak dat de aanpak van Different niet gaat om het onderdrukken of «genezen» van homoseksualiteit, maar om het aanvaarden van wie men is en op de keuze om wel of niet een homoseksuele relatie aan te gaan?1
De behandeling van Different is volgens de informatie die ik heb ontvangen van de IGZ, gericht op ondersteuning en begeleiding van cliënten die worstelen met hun homoseksuele gevoelens en hun geloof. De behandeling is niet gericht op het onderdrukken of genezen van de homoseksualiteit maar op het aanvaarden van wie je bent, het beleven van gevoelens en daarbij eigen overwegingen te maken om wel of niet een homoseksuele relatie aan te gaan.
Hoe verhoudt de conclusie van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) dat de therapie van Different niet gericht is op het behandelen of genezen van homoseksualiteit zich tot de in het inspectierapport genoemde uitspraken van een cliënt dat er binnen de instelling een klimaat heerst waarbinnen homoseksualiteit wordt geproblematiseerd en dat Different «succesverhalen» propageert over cliënten die er in slaagden hun homoseksualiteit niet langer te beleven?2
Deze uitspraak is van een cliënt die 9 jaar geleden pastorale zorg kreeg van Different. Op pastorale zorg heeft de IGZ geen toezichtstaak. De IGZ heeft daarnaar ook geen onderzoek gedaan. Op de GGZ-zorg die Different nu geeft, heeft de IGZ wel een toezichtstaak. De betreffende cliënt geeft aan dat het erg belangrijk is dat Different eerlijk is over haar zorgaanbod en de behaalde resultaten op langere termijn. De IGZ onderstreept deze opvatting in haar conclusies. De IGZ heeft Different te kennen gegeven dat homoseksualiteit een geaardheid is en geen ziekte en dat behandeling gericht op (pogingen tot) het «genezen» (of onderdrukken) van homoseksualiteit derhalve nooit conform de vigerende richtlijnen kan zijn. De Raad van Bestuur heeft aangegeven deze zienswijze te ondersteunen en stelt dat in de pers helaas een verkeerde voorstelling van zaken is ontstaan.
Op 19 januari constateerde de IGZ dat Different in veel gevallen geen gedegen diagnose stelt. De inspectie verwacht directe maatregelen om voor de clië
Deelt u de mening dat het onderzoek van de IGZ onvoldoende zicht geeft op de inhoud van de door Different aangeboden homotherapie, omdat de getuigenissen van oud-cliënten en in de media verkondigde negatieve opvattingen over homoseksualiteit door betrokkenen van Different en koepelorganisatie Stichting tot Heil des Volks niet zijn meegenomen?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid het onderzoek te verdiepen?
Nee, ik deel die mening niet. In het onderzoek van de IGZ zijn ervaringen van ex-cliënten meegenomen. Via andere kanalen dan Different zijn ex-cliënten, hangende het IGZ-onderzoek, benaderd. De langs deze weg verkregen informatie is meegewogen in de rapportage van de IGZ.
De ervaringen van ex-cliënten betreffen zover de IGZ dat nu kan beoordelen ervaringen van langer dan 5 jaar geleden, toen Different geen zorgorganisatie was, maar uitsluitend pastorale zorg leverde (zie ook het antwoord op vraag 1). Als de IGZ alsnog meldingen krijgt van (ex-) cliënten die wijzen op behandeling gericht op het «genezen» van homoseksualiteit, dan zal de IGZ deze direct onderzoeken en zo nodig maatregelen treffen, zoals ik in antwoorden op eerdere Kamervragen reeds heb toegezegd.
De IGZ monitort de komende periode de verbetermaatregelen (zie het antwoord op vraag 2) en zal binnen 2 maanden een nieuwe toets uitvoeren, gericht op deugdelijke diagnosestelling, voorlichting en gedragscodering.
De benzeenconcentratie op het meetpunt A15 Botlek |
|
Michiel Holtackers (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de benzeenconcentratie op zaterdag 4 februari 2012 tegen het einde van de dag een piek bereikte van 75 µg/m³ op het meetpunt A15 Botlek, terwijl de grenswaarde 5 µg/m³ bedraagt?1
Op zaterdag 4 februari 2012 is inderdaad een kortstondige piek gemeten in het meetnet luchtkwaliteit op het meetpunt A15 Botlek. De genoemde grenswaarde heeft betrekking op een jaargemiddelde situatie en kan daarom niet worden gebruikt bij het toetsen van een kortstondige piek.
Bent u ervan op de hoogte dat de World Health Organization schrijft dat «Benzene is carcinogenic to humans and no safe level of exposure can be recommended»?2
Ja.
De huidige EU grenswaarde is vanaf 1 januari 2010 voor milieu 5 µg/m3. Het gaat hierbij omjaargemiddelde waarden en niet om een piekbelasting die gedurende een korte tijd kan optreden.
De Europees geharmoniseerde grenswaarde voor arbeidsveiligheid kent een maximum van 3,25 mg/m3.
Heeft enig bedrijf of particulier een melding gemaakt van een incident op 4 februari 2012 of 5 februari 2012? Zo ja, kunt u de details van de melding geven (tijdstip van incident, tijdstip van melding, aard en omvang van het lek)?
Nee, er is geen melding gemaakt van een incident door een bedrijf of particulier.
Waarom bevat de website van Milieudienst Rijnmond (DCMR) geen gegevens over een incident op haar homepage of melding van een incident waarnaar onderzoek verricht wordt?
Over de benzeenpiek van zaterdag 4 februari heeft de DCMR een dag later bericht in de rubriek Actueel, te benaderen via de homepage. Op maandag 6 februari werd een follow-up gepubliceerd.
Procedure is dat de DCMR bij incidenten waarover 15 of meer klachten komen, een bericht plaatst. Naar aanleiding van de benzeenpiek en de onrust die dat gaf, is de procedure uitgebreid: bij bepaalde hoge benzeenpieken, zoals die van zaterdag 4 februari, publiceert de DCMR zo snel mogelijk een melding op de website met informatie over het onderzoek. Zo snel mogelijk betekent: binnen een uur nadat de meldkamer het signaal heeft ontvangen.
Ter ondersteuning van de communicatie over benzeen staat vanaf 16 februari ook achtergrondinformatie over benzeenemissies en -pieken op de DCMR-website.
Welke actie is ondernomen om de bron van het lek te achterhalen, indien er geen spontane melding van het incident heeft plaatsgevonden?
Op zaterdag 4 februari 2012 iser bij de DCMR luchtkwaliteit-monitoringslocatie «A15 Botlek» een korte maar hevige benzeenpiek vastgesteld.
Hoewel de gemeten benzeenconcentratie erg hoog was, was de tijdsduur kort en werd er hierbij geen formele grenswaarde of alarmdrempel overschreden.
Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar de veroorzaker van deze zeer kortdurende en hoge concentratie Benzeen.
Het onderzoek bestond uit de volgende activiteiten:
Ten tijde van de vastgestelde piek kwam de wind inderdaad vanuit zuid tot zuid-westelijke richting (180- 220°), met een snelheid van 1 tot 2 m/s.
Dat is aanleiding geweest om de bron ten zuiden van het meetpunt te rechercheren. Contact is dan ook gelegd met instanties die daar bedrijfsmatige activiteiten uitvoerden die mogelijk tot benzeenemissies hebben geleid.
Uit nader onderzoek van de DCMR blijkt dat de piek mogelijk is veroorzaakt door vorstproblemen bij een installatie van de NAM. Daarbij is aardgas bij een veiligheidsklep vrijgekomen. NAM heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen.
Een kaartje met bedrijventerreinen binnen 3 kilometer van het meetpunt treft u aan in de bijlage3 .
Klopt het dat de windrichting op het moment van het lek zuidwest was? Welke bedrijven en bedrijventerreinen, waar benzeen verwerkt wordt, liggen er ten zuidwesten van het meetpunt?
Zie antwoord vraag 5.
Is er contact geweest met deze bedrijven over een mogelijk lek? Kunt u een kaart van het gebied bijvoegen, waarop het meetpunt is aangegeven en de bedrijven(terreinen) die zich binnen drie kilometer van het meetpunt bevinden?
Zie antwoord vraag 5.
Welke gevolgen verbindt u aan dit incident voor het toezicht op het bedrijf waar dit lek zich heeft voorgedaan?
Uitgaande van het persbericht van DCMR worden de installaties gekenmerkt als mijnbouwinstallaties. Dat betekent dat de dienst Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) toezichthouder is. SodM doet nader onderzoek naar de oorzaken van de gaslekkages op de locaties.
Wilt u deze vragen op een zo kort mogelijke termijn beantwoorden, tezamen met de vragen van 26 januari 2012 inzake het artikel «Inspectie dreigt met exploitatieverbod Odfjell» en ruim voor het algemeen overleg Externe veiligheid op 6 maart 2012?
Ik doe mijn uiterste best om beide sets vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het verstrekken van biometrische gegevens aan de Verenigde Staten |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dutch Government selects Sagem Identification for secure travel documents»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de productie van Nederlandse reisdocumenten zoals paspoorten en ID-kaarten voor de komende 7 à 10 jaar heeft uitbesteed aan het bedrijf Morpho (voorheen Sagem)?
Ja, ik verwijs daarvoor naar onder meer de brief d.d. 23 september 2010 die aan de Tweede Kamer is gezonden.
Kunt u bevestigen dat de biometrische gegevens voor de Nederlandse reisdocumenten, zoals digitale gezichtsscans en vingerafdrukken, opgeslagen liggen in de databank van Morpho BV in Haarlem?2
Morpho ontvangt voor het personaliseren van de aangevraagde reisdocumenten (digitaal) de persoonsgegevens die op de documenten moeten worden vermeld. Morpho bewaart daarvoor de gegevens gedurende een beperkte periode. Zie ook de antwoorden op de vragen van het TK-lid Van Raak (TK 2009–2010, nr 2067).
Bent u zich bewust van het feit dat Morpho (voorheen Sagem) onderdeel is van de Safran Group en dat de Safran Group verschillende vestigingen in de Verenigde Staten van Amerika heeft?
Zoals uit het algemene antwoord blijkt valt Morpho niet zonder meer onder de Amerikaanse jurisdictie door het enkele feit dat zij zusterbedrijven in de Verenigde staten heeft.
Bent u zich bewust van het feit dat, vanwege deze vestigingen van de Safran Group in de Verenigde Staten, ook het bedrijf Morpho BV in Haarlem onder Amerikaanse jurisdictie valt?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u zich ervan bewust dat de Amerikaanse autoriteiten biometrische gegevens kunnen opvragen uit de databank van Morpho BV op basis van de Patriot Act?
Ik ben mij ervan bewust geworden – na kennisneming van het advies van de Landsadvocaat – dat het niet is uitgesloten dat de Amerikaanse autoriteiten jurisdictie hebben tot het vorderen van persoonsgegevens uit de databank van Morpho BV. Mocht sprake zijn van jurisdictie, dan betekent dat nog niet dat vordering van de Amerikaanse autoriteiten tot het verstrekken van die persoonsgegevens zal worden toegewezen. Zoals ik in het algemene antwoord heb aangegeven zal een dergelijk verzoek door de Amerikaanse rechter getoetst worden aan beginselen van wederkerigheid en soevereiniteit mede met inachtneming van Europese en Nederlandse regelgeving gericht op bescherming van persoonsgegevens, welke toetsing tot een afwijzende beslissing kan leiden. Voorts is Morpho bereid te onderzoeken of er verdergaande maatregelen genomen kunnen worden dat te voorkomen. Deze maatregelen zijn ook in het belang van de bescherming van persoonsgegevens waarover Morpho in het kader van andere contracten met de Staat de beschikking krijgt.
Kunt u aangeven of Morpho BV ooit verzoeken heeft gekregen van de Amerikaanse autoriteiten voor het verstrekken van biometrische gegevens? Kunt u aangeven om hoeveel verzoeken dit gaat? Kunt u aangeven of het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ooit verzoeken heeft gekregen van de Amerikaanse autoriteiten voor het verstrekken van biometrische gegevens uit de databank van Morpho op basis een rechtshulpverzoek?
Morpho heeft desgevraagd mij bericht nooit een verzoek voor het verstrekken van biometrische gegevens te hebben gekregen. Evenmin heeft het ministerie van BZK verzoeken hiertoe ontvangen van de Amerikaanse autoriteiten. Niet de minister van BZK, maar de minister van Veiligheid en Justitie is verdragsrechtelijk aangewezen als de bevoegde autoriteit voor de ontvangst van rechtshulpverzoeken.
Kunt u aangeven aan welke criteria deze verzoeken worden getoetst? Kunt u aangeven in hoeveel gevallen deze verzoeken zijn toegewezen en in hoeveel gevallen deze verzoeken zijn afgewezen?
Desgevraagd heeft mijn ambtgenoot van Veiligheid en Justitie mij meegedeeld geen rechtshulpverzoeken te hebben ontvangen die waren gericht op het verkrijgen van biometrische gegevens die zich bij Morpho in Nederland bevinden.
Als de Verenigde Staten rechtshulp zou vragen, zal aan de hand van dat verzoek worden beoordeeld of Nederland medewerking kan verlenen. Uit dat verzoek dient onder andere te blijken naar welke strafbare feiten onderzoek wordt gedaan en welke specifieke informatie in het kader van dat onderzoek vereist is. De criteria voor rechtshulpverzoeken staan vermeld in het rechtshulpverdrag tussen Nederland en de VS3 en in artikel 552h e.v. van het Wetboek van Strafvordering. De procedure voor rechtshulpverlening is met waarborgen omkleed.
De organisatie Palestinian Media Watch |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Israëlische overheidsinstanties en het Israëlische leger de controle van Palestijnse media aan particuliere organisaties hebben uitbesteed, waaronder Palestinian Media Watch?1
Ja.
Klopt het dat de directeur van Palestinian Media Watch, Itamar Marcus, vice-president is of was van het in New York gevestigde Central Fund of Israel, die radicale Israëlische organisaties subsidieert en financieel bijdraagt aan nederzettingen?2
Voor zover na te gaan is Itamar Marcus tot 2010 actief geweest als vice-president van het Central Fund of Israel.
Is het waar dat Palestinian Media Watch wordt gefinancierd door de Michael Cherney Foundation, wiens oprichter en president Michael Cherney sinds 2009 wordt gezocht door Interpol?3 Kunt u de Kamer nader informeren over de aard van het opsporingsbevel dat Interpol heeft uitgevaardigd en de relatie tussen Cherney en Palestinian Media Watch?
Uit de website van de Michael Cherney Foundation is af te leiden dat deze stichting steun geeft aan Palestinian Media Watch. Ik heb geen nadere informatie over de relatie tussen Cherney en Palestinian Media Watch. Cherney’s aanhouding wordt gevraagd in verband met verdenking van betrokkenheid bij witwassen van geld in Spanje.
Klopt het dat Palestinian Media Watch nooit informatie aandraagt over ophitsing, haatzaaien en verheerlijking van geweld door Israëlische politici, kolonisten en functionarissen en geen onderzoek doet naar een mogelijke anti-Palestijnse bias in Israëlische schoolboeken en publicaties?
Palestinian Media Watch richt zich naar eigen zeggen op de bestudering van de Palestijnse maatschappij.
Heeft de regering een accuraat beeld van ophitsing, haatzaaien en verheerlijking van geweld in Israël en de Palestijnse gebieden door zowel Israëlische als Palestijnse personen en organisaties? Berust het beeld uitsluitend op informatie beschikbaar gesteld door derden, of ook op eigen waarneming?
Het kabinet meent op basis van eigen waarneming, door bezoeken aan de regio, rapportage van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen, alsmede die van andere EU-vertegenwoordigingen, in combinatie met berichten in de media over een goed beeld te beschikken.
Klopt het dat de Palestijnse president Mahmoud Abbas in 2010 heeft voorgesteld om opnieuw de trilaterale commissie te activeren die onder het Wye River Akkoord was opgericht om zowel Israëlische als Palestijnse incidenten van ophitsing te monitoren? Is dit nog steeds het standpunt van de Palestijnse Autoriteit? Steunt de Israëlische regering de heractivering van deze trilaterale commissie?
Zowel Israël als de PA zegt voorstander te zijn van het reactiveren van de trilaterale commissie. Gevolg gevend aan de motie-Voordewind/Van der Staaij/Ten Broeke van 16 februari 2012 roept het kabinet partijen op via rechtstreekse onderhandelingen te komen tot een vredesregeling en om het trilaterale overleg Israël/Palestijnse Autoriteit/Verenigde Staten over het tegengaan van verheerlijking en vergoelijken van terrorisme te hervatten. Tevens wijst het kabinet, ook in EU-verband, partijen op hun verplichtingen om terrorisme en geweld niet te faciliteren.
Kunt u een overzicht geven van partnerlanden, in het bijzonder (post-) conflictgebieden, waarin particuliere organisaties als Palestinian Media Watch onderzoek doen naar ophitsing, haatzaaien en verheerlijking van geweld?
Voor zover na te gaan is geen sprake van particuliere organisaties als bedoelde in andere partnerlanden.
Het ontbreken van richtlijnen voor huisartsen over een gesprek over ongewenste zwangerschap |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Besluiten bij ongewenste zwangerschap»?1
Ja.
Wat is uw mening over het belang van goede zorg door huisartsen bij ongewenste zwangerschap in het licht van het gegeven dat bijna een kwart van de vrouwen die een huisarts consulteert voor een ongewenste zwangerschap nog geen keuze heeft gemaakt?
Ik deel het belang van goede zorg bij ongewenste zwangerschap. Deze zorg kan vanuit meerdere professionals gegeven kan worden. De huisarts speelt hier een belangrijke rol door de vaak langdurige relatie met de patiënt.
Deelt u de visie van Nivel-onderzoeker Gé Donker dat huisartsen de grote verantwoordelijkheid hebben om zeker te stellen dat patiënten volledig geïnformeerd zijn over alle mogelijkheden en in volledige vrijheid moeten kunnen besluiten en dat dit alleen kan na een diepgaand gesprek met hun patiënt, omdat vaststaat dat bijna iedere vrouw die naar een abortuskliniek verwezen wordt een abortus ondergaat, zodat in de fase daarvoor door de betrokkenen een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden?2
In het kader van de Wet afbreking zwangerschap ligt de verantwoordelijkheid ten aanzien van een weloverwogen beslissing bij de arts die de uiteindelijke behandeling uitvoert. Die moet zich ervan vergewissen dat de vrouw de beslissing in alle vrijheid en weloverwogen neemt. Het verbeteren van de psychosociale hulpverlening aan vrouwen is een onderdeel uit de nieuwe richtlijn abortushulpverlening. De abortusklinieken hebben in 2011 een nieuwe opleiding ontwikkeld voor psychosociale hulpverlening. Dit neemt uiteraard niet weg dat de huisarts ook een rol kan vervullen indien de vrouw die zich tot hem of haar wendt twijfels heeft. De visie dat het nemen van het besluit tot het al dan niet afbreken van de zwangerschap alleen kan na een diepgaand gesprek met de eigen huisarts, deel ik niet.
Wat is in dit licht uw visie op het gegeven dat in 60 procent van de situaties waarin nog geen beslissing is genomen over het voortzetten van de zwangerschap geen alternatieven ter sprake komen in het gesprek tussen de huisarts en de zwangere vrouw?
Bij het maken van een weloverwogen beslissing over een ongewenste zwangerschap is het noodzakelijk dat de vrouw op de hoogte is van alle alternatieven. De huisarts kan een belangrijke rol spelen bij het geven van informatie over die alternatieven. Daarbij is uiteraard wel belangrijk dat de vrouw ook open staat voor het bespreken van die alternatieven.
Deelt u de opvatting dat goede, open en deskundige voorlichting door huisartsen over alternatieve mogelijkheden voor een abortus bij ongewenste zwangerschap van groot belang is en dat in de richtlijn voor hulpverlening bij ongewenste zwangerschap uitdrukkelijk aandacht dient te zijn voor deze belangrijke rol van de huisarts?
Zie antwoord 3 en 4.
Op welke wijze wordt er op dit moment in de huisartsenopleiding aandacht gegeven aan het vergroten van gespreksvaardigheden rond ongewenste zwangerschap en het aanbieden van alternatieven? Welke mogelijkheden ziet u om training in deze gespreksvaardigheden tijdens en na de huisartsenopleiding te vergroten?
Communicatie is een essentieel onderdeel van de competenties van de huisarts. Gespreksvaardigheidstraining vormt een onderdeel van de opleiding tot huisarts en deze training heeft betrekking op alle klachten, problemen en vragen over gezondheid en ziekte die de patiënt presenteert. De inhoud van de opleiding tot huisarts wordt bepaald door de betreffende deskundigen, i.c. de beroepsgroep zelf. Deze autonomie respecteer ik. Ik heb er alle vertrouwen in dat indien de beroepsgroep wijzigingen in de (inhoud van de) opleiding nodig acht, zij die zal doorvoeren. Deskundigheidsbevordering ná de opleiding is eveneens een zaak van de beroepsgroep zelf. Alleen de beroepsgroep kan beoordelen waar een noodzaak tot aanpassing van de bij- en nascholing is.
Het veld ontwikkelt momenteel initiatieven op dit gebied, onder andere via een werkgroep binnen het Nederlands Huisartsen Genootschap. Daarbij worden ook ervaringen van abortusklinieken gedeeld met huisartsen die zich meer willen specialiseren.
Wat zijn uw concrete voornemens om de deskundigheid onder huisartsen rond het bespreken van alternatieven te vergroten?
Ik zie geen noodzaak tot enige voornemens van mijn zijde op dit vlak.
De uitvoering van Natura 2000 beleid |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Raad van State inzake het uitrijden van mest in de Eilandspolder (201012793/1/H4) en het artikel «Mest uitscheppen vanwege Noordse woelmuis»?1
Ja.
Is de veronderstelling, naar aanleiding van de uitspraken van de woordvoerder van het ministerie van EL&I, juist dat met de Programmatische Aanpak Stikstof en bijbehorende herstelmaatregelen mogelijke negatieve invloeden, zowel via uitspoeling als vervluchtiging, van het uitrijden van mest in en nabij Natura 2000-gebieden in principe gedekt worden?
De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland vernietigd om niet handhavend op te treden tegen het zonder vergunning uitrijden van drijfmest. Het betrof het uitrijden in een Natura 2000-gebied. De afdeling Rechtspraak heeft uitgesproken dat hiervoor in beginsel een vergunning is vereist op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, voor zover er geen sprake is van bestaand gebruik.
Naar mijn oordeel kunnen de gevolgen van de uitspraak beperkt blijven, zeker nu de afdeling rechtspraak niet heeft gezegd dat mestuitrijden als zodanig een project met mogelijk significante gevolgen in de zin van de Habitatrichtlijn is. Veelal zal het mestuitrijden vallen onder «bestaand gebruik», mede door de verbreding van dat begrip door het amendement-Koopmans/Aptroot, Kamerstuk 32 588 nr.16 . Daarmee valt het buiten de vergunningplicht. De afgelopen jaren zijn de eisen ten aanzien van het uitrijden van mest alleen maar verscherpt, dus van wezenlijke wijzigingen van het bestaand gebruik die negatief zijn voor de realisatie van de natuurdoelstellingen zal vrijwel nooit sprake zijn.
Voor zover mest uitrijden wel onder de vergunningplicht valt, is het zaak om de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de beheerplannen zo snel mogelijk af te ronden. Met de PAS wordt de ecologische onderbouwing gegeven dat in bijna alle Natura 2000-gebieden de combinatie van depositiedaling en het uitvoeren van herstelmaatregelen voldoende is om verslechtering door mest uitrijden te kunnen tegengaan. Vervolgens kan in de beheerplannen het mest uitrijden vergunningvrij worden gemaakt.
Deelt u de zorg van betrokken veehouders en LTO dat het uitrijden van drijfmest in de Eilandspolder onmogelijk gemaakt zal worden en dat de genoemde uitspraak van Raad van State consequenties zal hebben voor andere gebieden in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waardeert u het feit dat zelfs voor het eenmalig opvragen van natuurgegevens bij Het Natuurloket 275 euro per kilometerhok betaald moet worden in het licht van het feit dat de bewijslast voor ondermeer vergunningverlening bij de initiatiefnemer ligt en in het licht van de doelstelling van de Gegevensautoriteit Natuur, namelijk het bevorderen van de beschikbaarheid van natuurgegevens?
De Stichting GaN dient, als stichting zonder winstoogmerk, te komen tot een kostendekkende exploitatie van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daartoe brengt zij voor zogenaamde losse leveringen het genoemde standaardtarief per kilometerhok in rekening. Voor aanvragen die een groot areaal beslaan, zoals de Eilandspolder kan het Natuurloket maatwerk leveren tegen gereduceerd tarief. Daarnaast biedt een abonnement de mogelijkheid van ongelimiteerde toegang. Het beleid van de Stichting GaN is erop gericht om, zodra de toestand van kostendekkend beheer van de NDFF bereikt is, in overleg met de gebruikers te besluiten over verlaging van de tarieven of verder ontwikkeling van de dienstverlening. Ik houd scherp in de gaten of de GaN voldoende werk maakt van kostenbeheersing. Dit is naar mijn oordeel het geval en ik waardeer de huidige opzet positief.
Is het waar dat het aantal provincies en andere lagere overheden dat gegevens opvraagt, afneemt ondermeer vanwege de daarmee gemoeide kosten, waardoor de noodzaak om de prijs te verhogen weer toeneemt? Zo ja, hoe waardeert u dat?
In tegendeel, het aantal abonnees neemt maandelijks toe. Dit neemt niet weg dat de toename langzamer gaat dan oorspronkelijk is geraamd.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in ieder geval belanghebbende partijen, als vergunningaanvragers en bij het beheerplan betrokken partijen, al op korte termijn gratis en vrij toegang krijgen tot alle gegevens die in de Nationale Databank Flora en Fauna beschikbaar zijn?
Vergunningaanvragers en overige belanghebbende partijen kunnen zich richten tot de voortouwnemer van een beheerplan om relevante informatie op te vragen over de aanwezige natuurwaarden in een Natura 2000 gebied.
Bent u bereid alle in de nationale Databank Flora en Fauna beschikbare gegevens van de afgelopen twintig jaar over het voorkomen van de noordse woelmuis (H1340) en het habitattype veenmosrietland (H7140 B) in Natura 2000 gebied Eilandspolder, over het voorkomen van de noordse woelmuis (H1340), de gestreepte waterroofkever (H1082), de groene knolorchis (H1903), het habitattype veenmosrietland (H7140 B) en het habitattype blauwgrasland (H6410) in Natura 2000 gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, en over het habitattype actieve hoogvenen (H7110A) in Natura 2000 gebied Engbertsdijkvenen aan de Kamer ter beschikking te stellen?
Nee, de voortouwnemer is de aangewezen partij om relevante informatie over de aanwezigheid van natuurwaarden in een Natura 2000 gebied op te vragen. zie ook vraag 6.
Het advies om zwangere vrouwen te waarschuwen voor het Schmallenbergvirus |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Waarschuw zwangeren voor Schmallenberg»?1
Ja.
Bent u met huisarts Olde Loohuis van oordeel dat geen risico’s genomen mogen worden met kwetsbare groepen mensen in relatie tot het Schmallenbergvirus, zoals eerder wel gebeurde met betrekking tot de Q-koorts? Zo nee, waarom niet?
Uit de, ook door het European Centre for Disease Prevention and Control bevestigde risico inschatting van het RIVM blijkt dat het niet uit te sluiten is dat het Schmallenbergvirus een risico vormt voor mensen maar dat dit onwaarschijnlijk is. De adviezen van het RIVM zijn daarop gebaseerd. Op dit moment wordt zwangere vrouwen geadviseerd om geen verloskundige handelingen verrichten op bedrijven met verdenking van de aanwezigheid van het Schmallenbergvirus. Dit zijn overigens gebruikelijke hygiënemaatregelen. Zwangere vrouwen wordt standaard geadviseerd verlossingen van schapen en geiten niet uit te voeren en verlossingen van runderen te vermijden.
Deelt u de mening dat er geen eenduidige gegevens zijn over de infectieroute en de verspreiding van het Schmallenbergvirus, en dat derhalve overdracht van het virus naar mensen niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, deelt u de mening dat, gelet op het voorzorgsprincipe preventieve maatregelen om besmetting van mensen te voorkomen gerechtvaardigd zijn?
Overdracht van het virus naar mensen kan inderdaad niet worden uitgesloten en daarom zijn preventieve maatregelen vanuit het voorzorgprincipe gerechtvaardigd. Het RIVM adviseert aan zwangere vrouwen om geen verloskundige handelingen uit te voeren op bedrijven met verdenking van de aanwezigheid van het Schmallenbergvirus.
Is het waar dat artsen onvoldoende alert zijn op de risico’s van zoönoses en het ontstaan van (nieuwe) zoönoses? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De bescherming van de volks- en diergezondheid moeten met elkaar verbonden zijn. Het zijn de professionals die verbinding moeten maken. De alertheid van artsen, zowel humane als veterinair kan verder vergroot worden. Zowel door de overheid als de vele betrokken professionals, zijn de afgelopen jaren initiatieven op dit vlak genomen. Professionals uit beide domeinen, zowel regionaal als centraal, zijn op bijeenkomsten, symposia en congressen regelmatig inzichten en expertise gaan delen. Deze acties dragen bij aan de alertheid van artsen op zoönosen.
Bent u van oordeel dat zwangeren en andere kwetsbare groepen voldoende gewaarschuwd worden dat zij (en hun ongeboren kind) kwetsbaar zijn voor zoönoses, en derhalve beter uit de buurt van bijvoorbeeld stallen van veebedrijven en kinderboerderijen kunnen blijven? Zo ja, waar baseert u zich op? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om de voorlichting aan zwangeren en andere kwetsbare groepen te verbeteren?
Op de website van het RIVM zijn diverse brochures en folders te vinden over de maatregelen die vrouwen tijdens de zwangerschap kunnen nemen om infecties, ook met zoönosen, te voorkomen. Dieren op de (kinder)boerderij kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen die ook voor mensen gevaarlijk kunnen zijn. Daarom is het verstandig om bij het bezoeken van een (kinder)boerderij extra aandacht te besteden aan hygiëne. Beperk het aanraken van dieren, hooi, stro en mest, was de handen met zeep en veel water na contact met dieren en vóór het eten, eet niet tussen de dieren en eet geen voedsel dat op de grond is gevallen. Het is niet nodig dat zwangere vrouwen uit de buurt van stallen en kinderboerderijen blijven.
De stichting kinderboerderijen Nederland, waarbij veel kinderboerderijen zijn aangesloten, geeft borden uit waarin de risico’s voor zwangere vrouwen helder uitgelegd worden. De NVWA en diverse GGD’en stimuleren de kinderboerderijen uit hun regio om het keurmerk van deze stichting aan te vragen. De voorlichting op kinderboerderijen wordt dus steeds beter.
De voorlichting aan zwangere werknemers, zoals veehouders en dierenartsen, loopt via de ARBO route. Zo bevat de ARBO catalogus voor dierenartsenpraktijken van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde uitgebreide informatie voor zwangeren.
Bent u bereid de adressen van bedrijven waar het Schmallenbergvirus is vastgesteld openbaar te maken, zodat zwangere vrouwen en andere kwetsbare groepen hun eigen afweging kunnen maken met betrekking tot hun veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?
Op de website van de NVWA wordt een overzichtskaart bijgehouden waarop de met het Schmallenbergvirus besmette bedrijven zijn afgebeeld, daarbij wordt ook een lijst gepubliceerd met de plaatsen waar deze bedrijven zich bevinden.
Bent u bereid op korte termijn onderzoek in te stellen naar de mogelijke gevaren van het Schmallenbergvirus voor mensen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Zoals in de brief van de staatssecretaris van EL&I van 9 februari jl. is vermeld heeft het RIVM een onderzoeksvoorstel voorbereid om een indruk te krijgen of mensen bij blootstelling geïnfecteerd kunnen worden met het virus. Dit voorstel is besproken in een deskundigenberaad over het Schmallenbergvirus. Het advies van dit beraad zend ik u separaat toe.
Winst voor gemeenten door leges voor registratie van gastouders in het Landelijk Register Kinderopvang |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gastouders die zich laten registreren in het Landelijk Register Kinderopvang hiervoor in sommige gevallen leges moeten betalen bij de gemeente?
Het klopt dat gastouders in sommige gemeenten leges verschuldigd zijn voor de afhandeling van hun aanvraag tot exploitatie. Tot die afhandeling behoren onder andere de inname en controle van documenten door de gemeente, de aanvangsinspectie door de GGD en het opmaken en verzenden van de beschikking op de aanvraag door de gemeente. Registratie in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) is een onderdeel van de afhandeling en vindt plaats na een positieve beschikking.
Bent u op de hoogte dat in de gemeente Hoogezand-Sappemeer via deze leges alle kosten, à 456,69 euro per aangemelde gastouder, doorberekend worden aan de gastouder, terwijl deze gemeente hiervoor ook middelen ontvangt uit het gemeentefonds?
Ja.
Deelt u de mening dat dit in strijd is met de gemeentewet, waarin is bepaald dat gemeenten geen winst mogen maken over diensten, zoals u ook heeft geantwoord op eerdere vragen?1 Zo ja, bent u van plan iets hieraan te gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. In Artikel 229 eerste lid onder b van de Gemeentewet wordt bepaald dat individuele gemeenten bevoegd zijn tot het heffen van leges voor verstrekte diensten. In artikel 229b van de Gemeentewet en in de Europese Dienstenrichtlijn, artikel 13, lid 2, wordt geregeld dat de legestarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten: de tarieven mogen maximaal 100% kostendekkend zijn. Uiteindelijk is de gemeenteraad verantwoordelijk voor het vaststellen van de legeshoogte.
Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds weliswaar de middelen om toezicht en handhaving op het gebied van de kinderopvang in te richten en uit te voeren, maar indien een gemeente er niet in slaagt met die middelen uit te komen (bijvoorbeeld door relatief grote aantallen gastouders of kindercentra), is het niet in strijd met de Gemeentewet om aanvullend leges te heffen om op die manier kostendekkend te kunnen werken. Voorwaarde is wel dat de gemeente bij bezwaar tegen de hoogte van de leges volstrekte transparantie moet kunnen bieden over de in rekening gebrachte kosten.
Hoge legeskosten kunnen voor potentiële gastouders een drempel betekenen om in de kinderopvang aan de slag te gaan. Dat vind ik een ongewenst effect, gezien de waardevolle opvangvorm die gastouderopvang is. Naar mijn mening zouden gemeenten daarom in ieder geval bij de vaststelling van de kosten de bijdrage van de rijksoverheid moeten verrekenen, om zoveel mogelijk te voorkomen dat een te hoge drempel voor gastouders ontstaat. Ik ben in overleg met de VNG om te bezien hoe gemeenten hierop zijn aan te spreken.
Legesheffing is echter uiteindelijk een zaak tussen de gemeente en de aanvrager. De aan te spreken partij is de gemeenteraad in de betreffende gemeente.
Het pensioenakkoord |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het debat over het pensioenakkoord op 15 september 2011 heeft gezegd: «Ik heb tegen hen gezegd dat ik het op prijs zou stellen dat er ook van hun kant [ouderenbonden] inbreng wordt geleverd in het werk dat gedaan wordt. Ik zal hetzelfde bij de jongeren doen en proberen om bij het werk van de commissie die de heer Omtzigt noemt, iemand te betrekken die deze problematiek vanuit de invalshoek van de jongeren benadert»?1
Ja.
Op welke wijze hebben vertegenwoordigers van ouderenbonden en jongerenorganisaties geparticipeerd in de commissies en hun input kunnen leveren sinds het debat?
Zoals ik tijdens het debat over het wetsvoorstel Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW op 2 februari jl. heb aangegeven, zijn in de afgelopen periode zowel met jongeren als ouderen gesprekken gevoerd. Beide groepen krijgen dezelfde informatie en worden op dezelfde manier behandeld. In september jl. heb ik zelf met de ouderenorganisaties, die zijn verenigd in de CSO, gesproken over de uitwerking van het pensioenakkoord. In november jl. heeft vervolgens een ambtelijk gesprek plaatsgevonden met deze organisaties. Bovendien is er in december jl. op ambtelijk niveau met de ouderenorganisaties gesproken over het wetsvoorstel Wet versterking bestuur pensioenfondsbesturen. Ook is er al tweemaal gesproken met de politieke jongerenorganisaties. De eerste keer was dat in november vorig jaar, de tweede keer in januari jl. Bij het eerste gesprek met de jongeren was ik zelf aanwezig.
Begin maart vinden er vervolggesprekken plaats met zowel de jongeren- als de ouderenorganisaties. Daarna zal ik ten minste nog één keer extra met hen spreken voordat uiteindelijk de Hoofdlijnennotitie FTK naar de Kamer wordt gestuurd.
Bent u van mening dat zij op een volwaardige manier betrokken zijn bij de discussie rond het invaren van oude rechten?
Ja. De jongeren en ouderen worden uitgebreid betrokken. De contacten zijn goed en de gesprekken constructief. Het karakter van de gesprekken is het uitwisselen van informatie en het vernemen van de visie van jongeren en ouderenorganisaties. Deze organisaties nemen niet deel aan de onderhandelingen. Maar ik neem hun visie serieus en neem geen besluit voordat ik die visie gehoord heb.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Ik beantwoord deze vragen zo snel mogelijk.
Onduidelijke regels over samenwonen in de AOW |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat verschillende vestigingen van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) mensen verschillend voorlichten als het gaat om de samenwoonregels in de AOW?1
Ik heb kennisgenomen van de uitzending van de Ombudsman van 25 maart 2011. De SVB informeert mensen over samenwoonregels bij de aanvraag voor de AOW. Bij de aanvraagset zit een brochure met informatie over de AOW. In deze brochure staat informatie over de hoogte van het AOW pensioen, dat afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden. Voor een toelichting op hoe de SVB samenwonen definieert wordt verwezen naar de brochure «Samenwonen .... of niet». Deze brochure kan bij de SVB worden aangevraagd en is op de website www.svb.nlbeschikbaar. Op deze wijze wordt uniforme voorlichting gegeven over de AOW en de regels die gelden bij samenwonen. Desalniettemin constateer ik uit de uitzending dat over een concrete situatie op verschillende wijze telefonische voorlichting is verstrekt. Medewerkers van de SVB zijn gewezen op de voorhanden zijnde instructies die eenduidige voorlichting dienen te waarborgen.
Kunt u verhelderen wanneer er sprake is van een gezamenlijke huishouding? Hoeveel tijd moet je daarvoor samen doorbrengen? Hoeveel dagen? Hoeveel nachten?
Van een gezamenlijke huishouding is volgens de wet sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (huisvestingscriterium) en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (verzorgingscriterium). Als aan beide criteria is voldaan, kan een gezamenlijke huishouding worden aangenomen. In dat geval worden de ongehuwd samenwonenden qua rechten en plichten gelijkgesteld aan gehuwden. De uitvoeringsinstantie stelt op basis van objectieve feitelijke omstandigheden in het individuele geval vast of aan het huisvestingscriterium en het verzorgingscriterium wordt voldaan en er dus sprake is van een gezamenlijke huishouding. De op dit punt gevormde jurisprudentie biedt daarvoor handvatten. Kern van de jurisprudentie is dat het uiteindelijke oordeel het resultaat is van een afweging van alle factoren, die uitsluitend in het individuele geval kan plaatsvinden.
Het aantal dagen en nachten die samen worden doorgebracht zijn van belang voor de beoordeling van het huisvestingscriterium. Op grond van de jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk is het feitelijk verblijf in een woning een belangrijk criterium bij de beoordeling of er sprake is van het hoofdverblijf. Onder feitelijk verblijf wordt verstaan de tijd dat een belanghebbende feitelijk in een woning verblijft. Van belang is waar zijn gezin verblijft, zijn persoonlijke bezittingen staan en waar hij gewoonlijk de nacht doorbrengt. Meestal zal dit zijn in de woning waar hij bij de Gemeentelijke basisregistratie (GBA) staat geregistreerd. Het komt echter voor dat een persoon weliswaar op een adres staat ingeschreven, maar op dat adres weinig verblijft, terwijl hij veel tijd in een andere woning doorbrengt. Onder die omstandigheden kan het GBA-adres niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft. Als een persoon op meerdere adressen verblijft, zal de SVB aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval beoordelen waar deze persoon zijn hoofdverblijf heeft. Het adres waar de persoon het merendeel van de tijd verblijft, zal als het hoofdverblijf gelden. Ook andere factoren kunnen een rol spelen, zoals het bewaren van kleding of andere eigendommen op het adres of het voeren van de administratie op dat adres.
Ook het verzorgingscriterium wordt beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden van de belanghebbende. Het verzorgingscriterium kan worden afgeleid uit de mate van financiële verstrengeling dan wel dat anderszins voor elkaar wordt gezorgd.
Financiële verstrengeling kan ondermeer worden afgeleid uit het gezamenlijk doen van bepaalde huishoudelijke uitgaven, de aanwezigheid van gezamenlijke rekeningen of een machtiging tot het opnemen van geld van de rekening van de ander, het gezamenlijk afsluiten van verzekeringen, borg staan voor een persoonlijke lening van de ander, het hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de huur of het afsluiten van een levensverzekering met de ander als begunstigde. Wezenskenmerk van de beoordeling van de feitelijke situatie is dat hierbij het geheel van feiten en omstandigheden in beschouwing worden genomen. Wat in de ene situatie in het licht van dat geheel als een doorslaggevend feit wordt beschouwd om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, is in een andere situatie slechts van betekenis in combinatie met andere feiten. Hieruit blijkt dat de feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake is van financiële verstrengeling divers zijn en niet in één hoofdregel te vatten.
De zorg anderszins kan (elementen van) persoonlijke verzorging, mantelzorg of huishoudelijke zorg inhouden. Uit de rechtspraak blijkt dat zorg en verzorging elementen zijn die betrokken dienen te worden bij de beoordeling of voldaan is aan het verzorgingscriterium2. Ook hier geldt dat wat in de ene situatie als een doorslaggevend feit wordt beschouwd om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, in een andere situatie slechts van betekenis is in combinatie met andere feiten. Gezamenlijk koken en eten, bij de een of bij de ander, zal dus in het ene individuele geval van doorslaggevende betekenis zijn en in het andere individuele geval niet. Ook hiervoor geldt dat de feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake is van het anderszins voor elkaar zorgen divers zijn en niet in één hoofdregel te vatten.
Kunt u verhelderen wat er wordt verstaan onder een zorgrelatie? Is dat persoonlijke verzorging? Is dat mantelzorg? Is dat huishoudelijke zorg? Is dat samen koken? Is dat samen eten? Hoe vaak? En als het de ene keer bij de één en de andere keer bij de ander is?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u verhelderen wanneer er sprake is van het delen van de kosten van het huishouden? Vanaf welk bedrag is dat? Voor welke uitgaven? Alleen bij een gezamenlijke rekening? Is dat ook boodschappen doen? Samen winkelen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het voor ouderen met een AOW moeilijk kan zijn om zelf vast te stellen of zij in de ogen van de SVB samenwonen wanneer de SVB zelf al aangeeft een uitspraak over al dan niet samenwonen alleen kan geven op basis van een heel dossier?
In antwoord 1 is ingegaan op de wijze waarop de SVB voorlichting over de samenwoonregels aan cliënten verstrekt. Doordat het vaststellen van een gezamenlijke huishouding wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden in het individuele geval en de weging van deze feiten en omstandigheden van geval tot geval plaatsvindt, is het raadzaam dat ouderen hun situatie voorleggen aan de SVB. De SVB bepaalt aan de hand van de individuele situatie welke gegevens verstrekt moeten worden en de wijze waarop dat moet gebeuren.
Vindt u het redelijk dat ouderen met een AOW die twijfelen of hun situatie door de SVB wordt gezien als samenwonen met heel dossier met logeerlogboek en huishoudboekje bij de SVB langs moeten om uitsluitsel te krijgen?
Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding, dient de SVB in elk individueel geval inzicht te hebben in de feitelijke situatie van zowel het huisvestingscriterium als het verzorgingscriterium. Het is aan de belanghebbende om aan te tonen hoe zijn feitelijke situatie in elkaar steekt. Het is geen beleid van de SVB om bij twijfel een logeerlogboek en huishoudboekje bij te laten houden. In voorkomende gevallen kan dit van belanghebbende gevraagd worden, als niet op andere wijze inzicht verkregen kan worden in de feitelijke situatie.
Zijn door de invoering van de huishoudinkomenstoets in de WWB vergelijkbare situaties te verwachten voor mensen met een bijstanduitkering? Wat gebeurt er bijvoorbeeld wanneer een meerderjarig, werkend kind van gescheiden ouders waarvan er één bijstand ontvangt, omstebeurt bij zijn ouders verblijft?
Er is sprake van gezinsbijstand en een gezinsmiddelentoets als bloed- en aanverwanten in de eerste graad in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. Aangezien «het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning» bij de gezinsbijstand overeenkomt met het huisvestingscriterium bij de gezamenlijke huishouding kan worden aangesloten bij de op dit punt gevormde jurisprudentie. Er geldt bij de gezinsbijstand geen verzorgingscriterium.
Slechts één woning kan als hoofdverblijf worden aangemerkt. In beschreven situatie is het aantal dagen dat de belanghebbende bij de ene ouder of bij de andere ouder verblijft wel medebepalend maar niet doorslaggevend, omdat niet enkel op basis daarvan het hoofdverblijf kan worden vastgesteld. De uitkeringsinstantie zal mede aan de hand van andere feiten en omstandigheden moeten beoordelen in welke woning het hoofdverblijf kan worden aangenomen.
Bent u bereid om heldere, eenduidige regels op te stellen over wanneer mensen samenwonend worden beschouwd?
Zoals in antwoord 2 is aangegeven wordt op basis van objectieve feitelijke omstandigheden in het individuele geval vastgesteld of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het uiteindelijke oordeel is het resultaat van een afweging van alle factoren, die altijd betrekking heeft op het individuele geval. Het geheel van de vaststelling van de objectieve, individuele omstandigheden en de weging van alle relevante factoren in het individuele geval kan naar zijn aard niet in centrale regels met een algemeen karakter worden vervat. Wel biedt jurisprudentie handvatten voor het al dan niet aannemen van een gezamenlijke huishouding. Als een belanghebbende het niet eens is met de beoordeling van de uitkeringsinstantie over zijn individuele situatie, staat tegen het besluit bezwaar en beroep open.
Matchfixing en het verkopen van de voetbalwedstrijden |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het bedrog van Belek1 en de radiouitzending2 waarin de toenemende invloed van criminele gokbazen in de voetbalwereld aan de orde is gesteld?
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat «Matchfixing»-het doelbewust manipuleren van uitslagen door corrupte bonden en ingehuurde arbiters-momenteel aantrekkelijker is dan drugshandel?
Ik kan deze stelling van Interpol niet beoordelen omdat ik niet over voldoende gegevens beschik die deze stelling kunnen onderbouwen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat «geen enkele competitie immuun» is en dat de «grootste vijand» naïviteit is? Deelt u deze stelling? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben me ervan bewust dat match fixing een probleem is dat in elk land en in elke sport kan voorkomen en dat het een uitwas is die de sport in haar kern bedreigt. Immers, sportwedstrijden zijn juist aantrekkelijk vanwege de onzekerheid over de uitkomst. De kwalificatie dat naïviteit de «grootste vijand» is, kan ik in zijn algemeenheid bezwaarlijk onderschrijven vanwege onvoldoende inzicht in de aard en omvang van het probleem.
Heeft u kennisgenomen van de TV-uitzending3 waarin gesteld wordt dat uit de gegevens van sportradar naar voren komt dat een duidelijke meerderheid van de voetbalcompetities in Europa problemen heeft met corruptie? Hoe beoordeelt u deze bevinding? Bent u bereid dit probleem in internationaal verband aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb met interesse kennisgenomen van deze tv-uitzending. Uit de media, gegevens van sportradar en gesprekken met mijn Europese collega’s komt naar voren dat match fixing in meerdere landen en competities speelt. De strijd tegen match fixing staat hoog op de agenda van de EU en van de Raad van Europa. Binnen deze kaders draag ik bij aan de discussie door kennis uit te wisselen over de Nederlandse wet- en regelgeving die van toepassing is op de verschillende aspecten van match fixing en deel ik goede voorbeelden op het terrein van preventie en educatie.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «het is veel groter dan iedereen denkt4» waarin de leden Veenstra en van Zunderd van de integriteitscommissie van de KNVB geciteerd worden? Deelt u de zorg van de heer Veenstra dat «als we er nu niks aan doen dan kunnen we de competitie opdoeken» en «het is veel groter dan iedereen denkt»?
Ja, ik heb kennis genomen van dit artikel. Zoals aangegeven, deel ik de zorg dat match fixing een mondiale bedreiging vormt voor de sport, hoewel ik de gebezigde kwalificaties niet kan onderschrijven door het nog ontbreken van harde onderzoeksgegevens over aard en omvang van het probleem.
De sportsector zelf is primair verantwoordelijk voor preventieve maatregelen om de kans op match fixing te verkleinen. Zo zet de KNVB fors in op voorlichting, reglementswijzigingen en samenwerkingsverbanden op landelijk, Europees en mondiaal niveau.
Maakt u zich, net zoals de heer Zunderd, zorgen om de toenemende invloed van criminele gokbazen in de voetbalwereld? Zo ja, welke informatie geeft u aanleiding tot die zorgen? Zo nee, beschikt de heer Zunderd over u onbekende informatie, op grond waarvan hij zijn zorgen baseert? Bent u bereid hierover met integriteitcommissie van de KNVB te overleggen?
Ik beschik niet over harde onderzoeksgegevens die aangeven hoe groot de invloed is van criminele gokbazen in het voetbal. In het reguliere overleg dat ik met de KNVB voer, zal ik informeren naar – bij de KNVB en haar integriteitcommissie – bekende informatie die wellicht meer inzicht kan bieden over de omvang van die invloed.
Hoe beoordeelt u de inschatting van de heer van Zunderd dat het verkopen van wetstrijden, niet alleen voetbal, niet bestreden kan worden door de bond of door een nationaal politiekorps, maar dat «dit gaat richting terrorismebestrijding»?
Een aanpak vergelijkbaar met terrorismebestrijding vind ik te ver gaan. Wel is helder dat match fixing een mondiaal probleem is dat een mondiale aanpak vergt. Hierbij is een eerste en belangrijke rol weggelegd voor de sportsector en de aanbieders van kansspelen. Deze kunnen inzetten op preventie, voorlichting, monitoring en controle van verdachte activiteiten. Verder dienen de nationale (straf)wetgevingen optreden daartegen mogelijk te maken.
Ziet u voor uzelf een rol weggelegd bij het bestrijden van matchfixing? Zo ja, over welke middelen beschikt u, of gaat u ontwikkelen? Zo nee, vindt u dan dat de aanwijzingen die KNVB meent te hebben geen aanleiding geven tot (strafrechtelijk) onderzoek of nader beleid en waarom niet?
De strijd tegen match fixing vraagt om een gedifferentieerde aanpak, op nationaal en mondiaal niveau, door de sportsector, kansspelorganisaties en overheden. Ik neem mijn verantwoordelijkheid hierin door op nationaal en Europees niveau kennis te delen en door de Nederlandse sportwereld in staat te stellen om preventieve projecten uit te voeren, zoals het verhogen van de weerbaarheid van scheidsrechters.
Voor de aanpak van criminele gedragingen gerelateerd aan match fixing in ons land volstaat het nationale strafrechtelijke stelsel. Het Openbaar Ministerie is op dit moment niet bekend met concrete informatie over het omkopen van spelers of scheidsrechters in Nederland. Indien concrete informatie voorhanden zou komen en er zou een verdenking rijzen van niet ambtelijke omkoping (artikel 328ter Wetboek van Strafrecht), dan is vervolging ter zake van dat artikel zonder meer mogelijk.