Gevangenisstraffen voor dissidenten in Iran |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat oppositiepoliticus Ali Shakouri-Rad in Iran tot 4 jaar cel is veroordeeld voor het «verspreiden van leugens over Iran»?
Dit wordt door Iraanse staatsmedia gemeld.
Is tevens de prominente mensenrechtenadvocaat Abdolfattah Soltani tot 18 jaar cel veroordeeld omdat hij propaganda tegen het regime zou hebben verspreid?
De heer Soltani is volgens Iraanse staatsmedia tot 18 jaar cel veroordeeld, omdat hij de staatsveiligheid in gevaar zou hebben gebracht.
Wijzen deze veroordelingen op een steeds verdergaande repressie van de oppositie door het regime in Teheran?
Het Iraanse regime oefent toenemende repressie uit tegenover de oppositie, dissidenten en mensenrechtenactivisten.
Zo ja, deelt u de mening dat dit aanleiding moet zijn voor een intensivering van de EU- inspanningen om het Iraanse regime onder druk te zetten vanwege de mensenrechtensituatie?
Zo ja, welke mogelijkheden ziet u voor de EU voor een hardere opstelling tegenover het Iraanse regime in het algemeen en de verantwoordelijke leiders persoonlijk in het bijzonder, vanwege de onaanvaardbare mensenrechtensituatie?
Zoudt u aan EU-Hoge Vertegenwoordiger (HV) Ashton willen verzoeken op korte termijn dergelijke opties aan de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) voor te leggen, zodat de Raad snel tot concrete EU maatregelen kan besluiten? Zo nee, waarom niet?
Het geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie dat vaak onbestraft blijft |
|
Karin Straus (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen Geweld tegen hulpverlener psychiatrie vaak onbestraft,1 en Slaan, schoppen, buiten en spugen in de kliniek?2
Ja.
In hoeverre klopt het dat er sprake is van 2600 gewelddadige incidenten in de afgelopen vijf jaar, waarvan driekwart van de medewerkers geen aangifte doet? Hoe komt het dat er zo weinig aangifte wordt gedaan?
De in vraag 1 genoemde krantenartikelen zijn gebaseerd op onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). De 1 534 respondenten konden meerdere antwoorden geven op de vraag naar hun beweegredenen om geen aangifte te doen (www.geweldindepsychiatrie.nl, factsheet 2). De meest genoemde redenen zijn: aangifte doen was niet nodig (36%), het incident was niet ernstig genoeg (25%), het incident is intern afgehandeld (20%), niet aan gedacht om aangifte te doen (16%), geweld is een risico van het vak (14%) en aangifte doen is zinloos (11%). Deze resultaten vertonen grote overeenkomsten met de redenen die zijn opgegeven door werknemers met een publieke taak om geen aangifte te doen van agressie en geweld. Zie hiervoor het onderzoek vanuit het programma «Veilige Publieke Taak» (VPT) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2-meting; Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 684, nr. 327).
De uitkomsten van het VU-onderzoek bevestigen dat extra maatregelen nodig zijn om tot een adequate reactie te komen op gewelddadige incidenten in de zorg. Dat is ook de reden waarom wij onlangs het «Actieplan Veilig werken in de zorg» hebben opgesteld met sociale partners in de zorg en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Recent is dit plan aan uw Kamer aangeboden. Daarin hebben wij op de zorgsector gerichte maatregelen opgenomen om de juridische aanpak van de veroorzaker te verbeteren, inclusief een verhoging van de aangiftebereidheid. Het stellen van een duidelijke grens binnen de instelling vormt de basis van de juridische aanpak. Deze grens geeft medewerkers een extra steun in de rug en is een legitimatie om op te treden bij grensoverschrijdend gedrag. In het Actieplan zetten wij dan ook in op het vertalen van de algemene normen van het programma VPT naar de contexten van de verschillende zorgbranches, zodat deze bruikbaar worden bij het ontwikkelen van agressiebeleid op organisatieniveau.
Is het waar dat van de 704 zaken waarbij wel aangifte wordt gedaan, slechts 12 procent van de verdachten in verzekering wordt gesteld en slechts 10 procent van deze zaken leidt tot strafvervolging? Hoe komt het dat er zo weinig tot strafvervolging wordt overgegaan?
In de Eenduidige landelijke afspraken over opsporing en vervolging door politie en openbaar ministerie bij agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak (ELA; Kamerstukken II, 2009–2010, 28 684, nr. 267) is onder meer opgenomen dat als er sprake is van een strafbaar feit en de verdachte direct bekend is, altijd opsporingshandelingen dienen te volgen zoals aanhouding. Ook dient een verdachte van ernstige vormen van agressie en geweld niet eerder te worden heengezonden dan nadat contact is opgenomen met het openbaar ministerie (OM). Bij minder ernstige vormen van geweld wordt indien mogelijk gelijk een dagvaarding uitgereikt. Verder is opgenomen dat vervolging plaatsvindt, tenzij het opportuniteitsbeginsel om een ander besluit vraagt.
Wij beschikken niet over aanwijzingen dat geweld in de psychiatrie een lagere prioriteit heeft bij het OM omdat patiënten al zijn opgenomen. Evenmin hebben wij aanwijzingen dat de prioriteit die verleend wordt aan geweld tegen hulpverleners in de psychiatrie per parket verschilt.
De afspraken uit de ELA worden in 2012 geëvalueerd. Wij kunnen niet op de resultaten daarvan vooruitlopen. In het Actieplan hebben wij de afspraak gemaakt de zorg in de evaluatie nader te beschouwen. Wij verwijzen naar het Actieplan voor maatregelen om de juridische aanpak van de veroorzakers van agressie en geweld door de politie en het OM verder te verbeteren.
Herkent u het beeld uit de conclusie van het onderzoek van de Vrije Universiteit (VU) dat de strafrechtelijke afhandeling van geweld in de psychiatrie veelal tekortschiet? Zo ja, hoe denkt u dat deze afhandeling in de toekomst te verbeteren en hiermee de veiligheid van personeel en patiënten te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat geweld tegen hulpverleners ook in de gesloten ggz-instellingen niet onbestraft mag blijven?
Ja, agressie en geweld tegen zorgverleners is ontoelaatbaar en verdient een krachtige aanpak. Om die reden hebben wij het «Actieplan Veilig werken in de zorg» opgesteld. Daarin lichten wij toe welke maatregelen wij nemen om tot een verdere vermindering van agressie en geweld in de zorg te komen en tot een optimale afhandeling als zich toch agressie of geweld voordoet.
Herkent u het beeld dat geweld in de psychiatrie een lagere prioriteit heeft bij het Openbaar Ministerie (OM) omdat patiënten reeds zijn opgenomen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het beeld dat deze prioriteit verschilt per arrondissementparket van het OM? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een verschil in de afhandeling van gewelddadige incidenten tussen patiënten die behandeld worden op basis van een rechterlijke machtiging en patiënten die worden behandeld op basis van vrijwilligheid? Zo ja, acht u dit wenselijk?
Wij beschikken niet over aanwijzingen dat dit onderscheid leidt tot verschillen in de afhandeling van gewelddadige incidenten door GGZ-instellingen of politie en OM. De ELA gelden voor de volledige geestelijke gezondheidssector zonder onderscheid te maken tussen patiëntengroepen.
Is er sprake van een verschillende de afhandeling van gewelddadige incidenten tussen de ggz- instellingen onderling? Zo ja, wat is hier de oorzaak van?
De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) biedt het algemeen juridisch kader waarbinnen de werkgever zijn verantwoordelijkheid voor een adequaat veiligheids- en gezondheidsbeleid voor de werknemer dient uit te voeren. Binnen de GGZ is er door werkgevers- en werknemers een arbocatalogus vastgesteld, waarin richtlijnen en instrumenten zijn opgenomen met betrekking tot agressie en geweld. Er is de afgelopen jaren veel anti-agressiebeleid ontwikkeld en er zijn inmiddels veel instrumenten beschikbaar. De mate waarin maatregelen en instrumenten daadwerkelijk door werkgevers en medewerkers worden toegepast, moet echter nog verbeterd worden. Ook blijken de grenzen van het toelaatbare voor medewerkers niet altijd duidelijk te zijn. Dit zijn belangrijke redenen waarom wij samen met sociale partners tot een Actieplan zijn gekomen en daarin onder meer inzetten op de vertaling van de algemene normen van het programma VPT naar de contexten van de verschillende zorgbranches.
Kent u het vernieuwde convenant «Politie – GGZ 2012» dat Politie en ggz recentelijk hebben gesloten afgesloten met daarin onder andere afspraken over het doen van aangifte van strafbare feiten binnen ggz-instellingen? Verwacht u dat deze afspraken een bijdrage gaan leveren aan het terugdringen van geweld tegen zorgverleners, maar ook geweld tegen mede patiënten? Wat is de stand van zaken van de regionale uitwerking van de protocollen3 in het convenant?
Wij verwachten inderdaad dat de afspraken uit het convenant een bijdrage gaan leveren aan het terugdringen van geweld in de geestelijke gezondheidszorg. GGZ Nederland heeft het convenant via diverse gremia breed verspreid onder haar leden. In juni zal er een congres georganiseerd worden rondom het convenant. Daar zullen (goede) uitwerkingsvoorbeelden van het nieuwe convenant Politie-GGZ worden gedeeld. De politie heeft op regionaal niveau een begin gemaakt met het operationaliseringstraject waarin de onderwerpen uit het convenant worden uitgewerkt. Een belangrijk onderdeel van het Actieplan is om concrete regionale afspraken tussen zorgwerkgevers, de politie en het OM te stimuleren, zodat de juridische aanpak van veroorzakers van agressie tot meer resultaten leidt.
de gevolgen van de wijziging van de ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen naar de dag van de verjaardag |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u ook signalen ontvangen dat meerdere vroegpensioenregelingen niet zijn aangepast aan de wijziging van de ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen naar de dag van de verjaardag? Kunt u een actueel overzicht geven van het aantal aangepaste en niet aangepaste vroegpensioenregelingen? Hoeveel mensen maken gebruik van de vroegpensioenregelingen die nog niet zijn aangepast?
Het wijzigen van de ingangsdatum AOW is voor tweederde deel van de mensen met een lopende VUT- en prepensioenregeling geen probleem. Voor hen loopt het prepensioen door tot het moment waarop de AOW-uitkering begint, ook in de nieuwe situatie.
Voor het derde deel voor wie het wel een probleem kan zijn is, in de praktijk sprake van een divers beeld bij pensioenuitvoerders en VUT-fondsen. Er zijn pensioenuitvoerders die geen maatregelen treffen of overwegen, maar ook uitvoerders die dit wel doen.
Zo zijn er initiatieven om een uitkering uit vervroegd ouderdomspensioen te laten doorlopen tot de 65e verjaardag. Soms is er door de pensioenuitvoerder voor gekozen om dit automatisch te doen voor nog ingaande vervroegde ouderdomspensioenen. De kosten hiervan komen straks geleidelijk ten laste van het ouderdomspensioen van de betrokkene of worden gefinancierd door een hogere premie. Daarnaast zijn er ook fondsen die de gevolgen van het verschuiven van de ingangsdatum AOW voor de deelnemer beperken doordat er een aparte VUT-stichting is met voldoende reserves, waardoor de kosten hiervan niet ten laste komen van de deelnemer.
Tevens zijn er initiatieven om een deel van het ouderdomspensioen te ruilen tegen vroegpensioen en het vroegpensioen daarmee te laten doorlopen tot de 65e verjaardag.
Dit geeft er in mijn ogen blijk van dat er initiatieven worden genomen om de financiële consequenties voor deelnemers te beperken.
Een overzicht van welke vroegpensioenregelingen aangepast zijn en welke niet is niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen die een vroegpensioenregeling hebben, worden geconfronteerd met een inkomensgat tussen het einde van de vroegpensioenregeling en het begin van de AOW-uitkering, terwijl zij dat niet van te voren niet wisten? Zo nee, waarom niet?
Begin 2011 ben ik begonnen met het opstellen van de wet waarin geregeld wordt dat de ingangsdatum AOW wordt verschoven. Hiermee sluit de ingangsdatum aan bij de leeftijd waarop het recht op AOW ontstaat. Een belangrijk doel van deze wetswijziging is een bijdrage leveren aan de bezuinigingsdoelstelling van dit kabinet. Oorspronkelijk zou het wetsvoorstel op een vast verandermoment in werking treden, te weten 1 januari. Om zorgvuldigheidsredenen heb ik de inwerkingtreding 3 maanden uitgesteld, zodat alle betrokken partijen meer tijd hadden om zich voor te bereiden.
Door deze wetswijziging wordt vanaf 1 april 2012 het recht op AOW-ouderdomspensioen met gemiddeld een halve maand uitgesteld. Dit betekent dat mensen gemiddeld eenmalig € 415 bruto minder AOW uitgekeerd krijgen.
Dit inkomensgat voor mensen met een VUT- of prepensioenuitkering weegt niet voor iedereen even zwaar. Het gaat hier immers ook om mensen met een aanvullend pensioen. De ingangsdatum van het aanvullend pensioen blijft aansluiten op het vroegpensioen, ook als de AOW later ingaat en de vroegpensioenregeling niet wordt aangepast. Gezien de in Nederland relatief omvangrijke tweede pijler in vergelijking met de eerste pijler, is het effect voor de deelnemer dan gering. Uiteindelijk is het aan de sociale partners om een afweging te maken of en hoe het missen van gemiddeld twee weken AOW gerepareerd moet worden.
De Sociale Verzekeringsbank stuurt toekomstige AOW-gerechtigden een half jaar voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd een AOW-aanvraagformulier. De SVB heeft voor de mensen die in april voor het eerst te maken krijgen met de wetswijziging van de wijziging op de hoogte gebracht, toen het wetsvoorstel in de Tweede Kamer was aangenomen. Betrokkenen zijn dus ongeveer een half jaar van tevoren geïnformeerd.
Kunt u aangeven waarom de prepensioenfondsen geen gebruik maken van de financiële buffer waarover zij beschikken om tot een oplossing te komen? Heeft de korte voorbereidingstijd voor de prepensioenfondsen hierbij een rol gespeeld, of bent u nog steeds van mening dat de voorbereidingstijd voldoende was? Z ja, welke redenen heeft u dan om aan deze opvatting vast te houden?
Er is niet altijd een aparte financiële buffer bij het prepensioenfonds. Prepensioenregelingen maken vaak integraal onderdeel uit van de pensioenregeling. Bij pensioenfondsen met een thans lage dekkingsgraad, is er dan geen buffer die ingezet kan worden om het effect van de verschoven ingangsdatum van de AOW op te vangen. In de praktijk is sprake van een divers beeld bij pensioenuitvoerders naar aanleiding van de verschoven ingangsdatum van de AOW. Voor dit beeld verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
Wanneer pensioenfondsen niet met een oplossing zijn gekomen, ligt dit naar mijn mening niet aan de korte voorbereidingstijd. De eerste gesprekken met pensioenfondsen dateren van begin 2011. Oorspronkelijk zou het wetsvoorstel op een vast verandermoment in werking treden, te weten 1 januari 2012. Om zorgvuldigheidsredenen heb ik de inwerkingtreding 3 maanden uitgesteld, zodat alle betrokken partijen meer tijd hadden om zich voor te bereiden.
Waarom heeft u om de huidige problemen te voorkomen niet direct afspraken met de prepensioenfondsen gemaakt ten aanzien van de vroegpensioenregelingen? Verwacht u dat de prepensioenfondsen binnenkort alsnog zelf tot een oplossing zullen komen voor mensen met een vroegpensioenregeling? Zo nee, waarom niet?
De eerste gesprekken met pensioenfondsen dateren van begin 2011. Pensioenfondsen waren dus ruim op tijd op de hoogte van de wijziging en hadden hier op kunnen anticiperen. Daarnaast heb ik na het aannemen van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer een bericht gestuurd aan de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. Met hen is afgesproken dat zij dit zullen verspreiden onder hun leden. Pensioenfondsen en verzekeraars kunnen dit dan weer gebruiken in hun communicatie met deelnemers en verzekerden. Uiteindelijk is het al dan niet aanpassen van vroeg- en prepensioenregelingen een zaak van sociale partners.
Bent u bereid om op korte termijn het gesprek aan te gaan met prepensioenfondsen om tot een oplossing te komen en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet? Overweegt u dan andere maatregelen en om welke maatregelen gaat het dan hierbij?
Zie antwoord vraag 4.
Het verbod op glyfosaat |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) van 4 mei 2011, waarin het professioneel gebruik van het glyfosaathoudende gewasbeschermingsmiddel Roundup Evolution alleen «onder certificaat» is toegestaan?
Ja.
Wordt in de Nota duurzame gewasbescherming die u in voorbereiding heeft een verbod ingesteld op het gebruik van glyfosaat voor niet-commerciële doeleinden, zoals verwoord in de motie Grashoff van 13 september 2011?1 Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat bij een verbod op glyfosaat het certificaat leidt tot onevenredige hoge administratieve lasten?
Nee. Het certificaat is uitsluitend verplicht bij professioneel gebruik van glyfosaathoudende gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen. Dat gebeurt meestal door dienstverlenende loonbedrijven, hoveniers en groenvoorzieners. Indien zij administratieve lasten willen vermijden, kunnen zij kiezen voor niet-chemische alternatieven, die een gelijkwaardig resultaat en een vergelijkbare winstmarge opleveren.
Deelt u de mening dat bij een verbod op glyfosaat haast geboden is om duidelijkheid voor de uitvoerende ondernemers en opdrachtgevers te scheppen over de certificatieplicht en de ingangsdatum van het verbod?
Ja.
Bent u bereid het verbod voor professionals zo spoedig mogelijk in te voeren met een overgangstermijn van maximaal twee jaar?
De uitvoering van uw motie en een eventueel verbod zijn onderdeel van de tweede Nota duurzame gewasbescherming en het bijbehorende Nederlands actieplan duurzame gewasbescherming. Ik streef ernaar beide documenten begin juni 2012 aan de Tweede Kamer voor te leggen. Het is juist om het gehele toekomstig gewasbeschermingsbeleid dan in onderlinge samenhang te bespreken.
Bent u bereid het verbod voor particulieren in te voeren voor 1 januari 2013?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u er van op de hoogte dat het Ctgb op 23 februari 2012 het bestrijdingsmiddel Roundup Powermax op basis van glyfosaat heeft toegelaten? Zo ja, hoe verhoudt de toelating van dit middel zich tot het aanstaande verbod op het gebruik van glyfosaat?
De Europese «Verordening betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen», bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel tot de markt wordt toegelaten en mag worden gebruikt, mits het aan de daar gestelde voorschriften voldoet. Het Ctgb beoordeelt dat.
De Europese Richtlijn duurzaam gebruik gewasbescherming bepaalt vervolgens dat beperkingen aan dat toegelaten gebruik moeten worden gesteld, teneinde een duurzaam gebruik te realiseren.
Het Ctgb heeft het gewasbeschermingsmiddel toegelaten. Indien vervolgens de beperking uit een verbod voor een bepaalde toepassing bestaat, mag het gewasbeschermingsmiddel niet worden gebruikt.
Een dergelijke beperking tast de toelating niet aan, omdat het gewasbeschermingsmiddel aan de voorschriften uit de Europese verordening blijft voldoen. Omwille van het duurzaam gebruik wordt aan dat toegelaten gewasbeschermingsmiddel een beperking gesteld.
Bent u bereid met het Ctgb in gesprek te gaan over de toelating van glyfosaat voor niet-commerciële doeleinden?
Ik zie geen reden voor dat gesprek.
Hierboven heb ik aangegeven dat het Ctgb een gewasbeschermingsmiddel moet toelaten, indien het aan de gestelde voorschriften voldoet. De Europese Verordening biedt geen mogelijkheden om de toelatingsmogelijkheden voor «glyfosaat voor niet-commerciële doeleinden» te beperken3.
Liegende politieagenten |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat liegende politieagenten mogelijk nog aan het werk zijn?1 Welke onderzoeken lopen er inmiddels tegen deze agenten? Is het waar dat in afwachting van het onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) er nog geen intern integriteitsonderzoek is gestart? Zijn deze politieagenten hangende het onderzoek geschorst? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht is in de media verschenen naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank te Amsterdam in een strafzaak tegen twee verdachten die politieagenten zouden hebben mishandeld. De rechtbank oordeelde dat de betrokken opsporingsambtenaren in strijd met de werkelijkheid hebben geverbaliseerd. De rechtbank is tot haar conclusie gekomen mede op basis van videomateriaal dat door de verdediging is ingebracht en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is getoond. Het OM deelt niet de conclusie van de rechtbank dat sprake is geweest van doelbewust onjuist verbaliseren (liegen). In dit verband is ook van belang dat de verbalisanten over de gewraakte verschillen niet zijn gehoord. Het OM heeft om deze reden beroep aangetekend tegen deze uitspraak.
De strafzaak is als gevolg van het hoger beroep nog onder de rechter. Het gerechtshof zal de situatie opnieuw beoordelen. Het Openbaar Ministerie en de politie achten het niet gepast om hangende de beroepsprocedure een eigen onderzoek in te stellen. Voor maatregelen richting de betrokken verbalisanten zien het Openbaar Ministerie en de politie op dit moment geen reden.
Hoe vaak heeft in de afgelopen vijf jaren een intern integriteitsonderzoek door de korpsen zelf en/of door de Rijksrecherche plaatsgevonden? Hoe zijn die integriteitsonderzoeken afgerond? Hoe vaak is het OM bij deze onderzoeken betrokken? Heeft dat ooit geleid tot een daadwerkelijke strafvervolging en / of strafrechtelijke veroordeling?
Zoals ik in het Algemeen Overleg Weerbaarheid van 21 december 2011 meldde zijn er jaarlijks circa 1 400 interne onderzoeken bij de politie, waarvan een derde integriteitschending oplevert. Interne onderzoeken worden uitgevoerd door de bureaus integriteit en veiligheid (BIV) bij de regiokorpsen. De Rijksrecherche voert geen interne integriteitonderzoeken uit binnen politie-onderdelen. Indien uit een intern integriteitonderzoek van de politie een strafrechtelijke verdenking ontstaat en het Openbaar Ministerie erbij wordt betrokken, is de Rijksrecherche niet de eerst aangewezen organisatie om dergelijke zaken te onderzoeken. De afdelingen BIV van het korps zelf of eventueel van een naburig korps kunnen onder leiding van een lokale officier met voldoende distantie een dergelijk strafrechtelijk onderzoek uitvoeren. Slechts in uitzonderlijke gevallen waarin bijvoorbeeld de integriteit van de overheid op zeer ernstige wijze wordt aangetast én sprake is van een misdrijf, kan worden besloten tot de inzet van de Rijksrecherche.
Van de 1400 onderzoeken wordt jaarlijks bij ongeveer 450 onderzoeken het OM betrokken. Jaarlijks volgt als gevolg van integriteitsonderzoeken gemiddeld 65 keer ontslag.
Deelt u de mening dat politiefunctionarissen, als vertegenwoordigers van het geweldsmonopolie van de overheid en gezien het gewicht dat een ambtsedig opgemaakt proces verbaal in de rechtspleging heeft, een onberispelijke dienstuitoefening absoluut vereist is? Deelt u de mening dat indien de onberispelijke dienstuitoefening van politiefunctionarissen in het geding is altijd onderzoek moet volgen en de betrokken functionarissen lopende dat onderzoek geschorst dienen te worden?
De integriteit van de politie en van de individuele politieambtenaar is van groot maatschappelijk belang. Dat is aanleiding aan het onderwerp integriteit zowel in preventieve als in repressieve zin uitgebreid aandacht te schenken en dienovereenkomstige maatregelen te treffen. Dit neemt de mogelijkheid van integriteitsschendingen niet volledig weg. In voorkomende gevallen worden die incidenten voortvarend onderzocht. Politieambtenaren zijn onderworpen aan de bepalingen van het strafrecht en de strafvordering, waarbij in enkele gevallen hogere strafbedreigingen gelden indien misdrijven als politieambtenaar worden gepleegd. In het geval van een strafbaar feit vindt het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie plaats. Daarnaast kunnen politieambtenaren ook aan tuchtrechtelijke onderzoeken en daaruit voortvloeiende maatregelen worden onderworpen. Het handelen van politieambtenaren kan tuchtrechtelijk worden onderzocht zodra er sprake is van plichtsverzuim. Strafbare feiten kunnen in de regel als plichtsverzuim worden aangemerkt.
In het geval van ernstig plichtsverzuim kan de Korpsbeheerder de bevoegdheid toepassen strafontslag op te leggen. Indien het aannemelijk is dat het tuchtrechtelijk onderzoek tot een dergelijk besluit zal leiden worden de feitelijke werkzaamheden van de betrokken politieambtenaar beëindigd. In die gevallen wordt de maatregel tot schorsing en/of buitenfunctiestelling toegepast. De betreffende ambtenaar is in dat geval niet meer bevoegd zijn functie uit te voeren. Ook wordt hen de toegang tot dienstruimten en informatiesystemen ontzegd en/of onmogelijk gemaakt.
Bent u bereid om vanaf nu jaarlijks te rapporteren aan de Kamer over integriteit en integriteitsschendingen bij de politie? Zo nee, waarom niet?
Ik heb eerder toegezegd hierover te rapporteren. Ik ben voornemens de jaarlijkse rapportage op te nemen in het jaarverslag Nederlandse Politie. Voor het jaar 2011 zal ik over integriteitschendingen nog separaat rapporteren. Zoals toegezegd zal verslaglegging vervolgens plaatsvinden in het jaarverslag Nederlandse Politie.
De uitbraak van het Rhinopneumonievirus onder paarden |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de ontwikkelingen gevolgd rond de uitbraak van het Rhinopneumonievirus onder paarden?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat paardeneigenaren zich zorgen maken over het virus, dat kan leiden tot luchtwegontsteking, maar in ernstiger varianten ook tot aantasting van het zenuwstelsel?
Ja.
Op welke wijze worden paardeneigenaren gewaarschuwd voor de risico’s op besmetting van hun dier met het Rhinopneumonievirus? Acht u dit voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke aanvullende acties zouden er volgens u ondernomen moeten worden om ervoor te zorgen dat paardeneigenaren voldoende op de hoogte zijn van relevante informatie?
Paardenhouders worden via diverse kanalen geïnformeerd over de risico’s van Rhinopneumonie. Veel dierenartsen besteden aandacht aan de ziekte op hun website en informeren houders met vragen over de ziekte. Ook via de website van de Sectorraad Paarden (SRP) en het Nationaal Hippisch Kenniscentrum (NHK) worden paardenhouders op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen en de preventie- en beheersmaatregelen die mensen kunnen nemen.
Daarnaast is in de sectoragenda infectieuze ziekten de inrichting van een helpdesk/gezondheidsloket voorzien. Hier zullen signalen en aanvullende informatie ten aanzien van contact structuren centraal binnenkomen. Deze signalen, die breder zijn dan alleen Rhinopneumonie, worden onder leiding van de SRP besproken en geanalyseerd op een gezondheidsoverleg. Aan het gezondheidsoverleg nemen deel de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), het ministerie van EL&I, de Faculteit Diergeneeskunde, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Veterinair Instituut (CVI). Indien nodig kan de SRP aanvullend onderzoek laten doen. Het gezondheidsoverleg adviseert de SRP in deze. De SRP neemt verantwoordelijkheid voor de communicatie en informatie naar de sector.
Deelt u de mening dat er in ieder geval een meldplicht zou moeten komen voor gevallen waarbij een besmettelijk virus als het Rhinopneumonie virus is geconstateerd, zodat er zicht komt op plekken die paardeneigenaren het beste kunnen mijden om het risico op besmetting van hun dier zoveel mogelijk te beperken? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen hoe paardeneigenaren dan aan de informatie kunnen komen die ze nodig hebben om risico’s op besmetting van hun dier zoveel mogelijk te beperken?
Ik denk dat het goed is dat er een centraal meldpunt en communicatiekanaal komt voor gezondheidsproblemen en risicoplaatsen. Een dergelijk loket of helpdesk is voorzien in de sectoragenda infectieuze ziekten van 22 december 2011 (TK 29 683, nr. 110) en wordt op dit moment door de SRP in samenwerking met de paardendierenartsen opgericht. Hierbij zie ik geen rol voor de rijksoverheid weggelegd. De individuele houder in samenwerking met zijn dierenarts en sectororganisaties zijn heel goed in staat de ziekte te beheersen, zoals in de afgelopen jaren gebleken is bij eerdere uitbraken van Rhinopneumonie en zoals ook nu uit het optreden van de SRP en individuele houders blijkt. Een zwaar instrument als een wettelijke meld- en of bestrijdingsplicht is gereserveerd voor ziekten waarbij:
Hoe beoordeelt u het vervoer van paarden naar verzamelplekken zoals markten en wedstrijden wanneer een dergelijk virus rondwaart? Welke maatregelen acht u noodzakelijk om verspreiding van het virus te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet verstandig of verantwoord paarden te vervoeren naar verzamelplaatsen of evenementen wanneer paarden ziek zijn of wanneer men weet dat er op die locatie Rhinopneumonie uitgebroken is.
Iedere eigenaar is primair zelf verantwoordelijk voor de gezondheid van zijn paard. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de houder zich goed te laten informeren over de gezondheidsrisico’s met betrekking tot deelname aan een evenement. Desgewenst kan een eigenaar advies inwinnen bij zijn dierenarts.
De SRP ondersteunt eigenaren hierbij door uitbraken centraal te communiceren via de website van de SRP en eigenaren te adviseren over risico’s en preventiemaatregelen.
Het tekort aan capaciteit bij de College bescherming persoonsgegevens |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tekort voor aanpak datalek bij bedrijven»?1
Ja.
Was u op de hoogte van het gegeven dat meer dan de helft van de zaken bij het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) blijven liggen? Heeft u hierover contact gehad met het Cbp?
Mijn departement heeft geregeld contact met het CBP over de budgettaire en capacitaire kaders. In die gesprekken is van de zijde van het CBP niet een dergelijke mededeling gedaan.
Acht u het mogelijk dat het Cbp de zaken waar zij nu niet aan toekomt in de toekomst wel zal kunnen afhandelen? Zo ja, hoe zou dat moeten gebeuren?
De handhaving van regels moet altijd gebeuren binnen de kaders van de beschikbare middelen. Dat geldt ook voor het CBP. Het CBP stelt, met behulp van een risicogestuurde aanpak, prioriteiten en pakt op die manier de belangrijkste zaken aan.
Is het waar dat u wil dat bedrijven zichzelf melden bij het Cbp wanneer gevoelige gegevens openbaar zijn geworden? Zo ja, hoeveel zaken komen er dan naar verwachting extra binnen bij het Cbp?
Ja. Over een concept van de voorgenomen wetswijziging van de Wbp in verband met de invoering van een meldplicht voor datalekken is begin dit jaar een publieke consultatie gehouden. Zoals in het daarbij gevoegde concept van de Memorie van Toelichting wordt vermeld zal de meldplicht naar schatting leiden tot 66 duizend meldingen per jaar. Verwacht mag worden dat het overgrote deel van deze meldingen het CBP geen enkele aanleiding geeft tot een onderzoek of tot handhavingsmaatregelen. De veranderingen in de werklast voor het CBP die de meldplicht datalekken met zich meebrengt zullen werkende weg worden vastgesteld. Mocht sprake zijn van significante consequenties dan kan dat aanleiding zijn om nadere gesprekken te voeren met het CBP. Ik verwijs ook naar mijn brief aan uw Kamer van 27 oktober 2011 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 32 761, nr. 4).
Wat is uw antwoord op de vraag van de directeur van het Cbp waar de meldingen goed voor zijn als het niet de menskracht heeft om naar ernstige en schadeveroorzakende datalekken te kijken?
Zoals vermeld in mijn antwoord op vraag 3 is het niet mogelijk om alles te handhaven. Ik heb er vertrouwen in dat het CBP door het hanteren van een risicogestuurde aanpak, waarbij het CBP prioriteit legt bij de aanpak van overtredingen van de Wbp waarbij sprake is van een relatief groot risico voor de bescherming van persoonsgegevens, ook in de toekomst in staat zal blijven een effectief handhavingsbeleid te realiseren.
Nu het Cbp de bevoegdheid heeft om boetes op te leggen aan organisaties, mag het de geïnde boetes investeren in de eigen organisatie om zo het tekort aan menskracht op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik eerder heb gemeld aan uw Kamer, laatstelijk tijdens het AO van 7 maart 2012 en het VAO van 15 maart 2012, ben ik samen met de Minister van Financiën aan het onderzoeken of er een brede bestuurlijke boete kan worden ingevoerd. Hierbij wordt ook de mogelijkheid van financiering van het CBP door boete-inkomsten bezien. Overigens bepalen de begrotingsregels dat uitgaven en inkomsten van de overheid gescheiden zijn. Dat houdt in dat een instantie de inkomsten uit boetes niet rechtstreeks kan gebruiken om uitgaven te dekken.
De forse rekening die patiënten ontvangen door vrije tarieven in de mondzorg |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Tandartsrekening doet pijn; Forse nota patiënt door vrije tarieven»1 en het artikel «Verzekering dekt tandarts zelden helemaal»2 waarin verslag wordt gedaan van de nadelige gevolgen van de vrije tarieven voor patiënten?
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevindingen van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF)? Is het waar dat uit een vergelijking van gehanteerde tarieven van 1150 tandartsen is gebleken dat van de 177 soorten behandeling tandartsen voor 155 behandelingen méér vragen dan de verzekeraars maximaal vergoeden?
Bij verschillende gelegenheden heb ik met uw Kamer gesproken over de verschillen tussen de prijzen die tandartsen in rekening brengen en de vergoedingen die zorgverzekeraars daar tegenover stellen. Daarbij heb ik eveneens gewezen op de prille startfase waarin het experiment met vrije prijsvorming in de mondzorg zich nu bevindt en gewaarschuwd voor overhaaste conclusies. Dat geldt wat mij betreft ook nu rondom de door u aangehaalde berichten van de NPCF, maar ook met betrekking tot de inmiddels verschenen berichtgevingen over orthodontie.
Met waardering die ik voor de diverse publicaties heb, laat ik mij primair leiden door de rapportages van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Onlangs heeft de NZa haar tweede marktscan uitgebracht. Ten opzichte van de eerste scan is de prijsontwikkeling van meer prestaties bekeken. De NZa concludeert dat de meeste prijzen vallen binnen de zogenaamde conversiebandbreedte. Dat wil zeggen dat de prijzen van de meeste prestaties uit 2012 omgerekend corresponderen met de bandbreedte van de oude prijzen uit 2011.
Voorts houd ik vast aan mijn eerder gedane uitspraken om geen bijbetalingen binnen het basispakket te dulden. Zorgverzekeraars en tandartsen hebben hierover op mijn initiatief heldere afspraken gemaakt. In mijn brieven van 31 januari 2012 en 15 februari 2012 heb ik u over de resultaten van dit overleg geïnformeerd.
Zoals ik u eerder heb gemeld zal de NZa in juni haar monitor uitbrengen, waarin zij naast de prijzen ook zal ingaan op volumegegevens, serviceverlening, innovatie, kwaliteit en spreiding van aanbod.
Welke actie gaat u ondernemen richting tandartsen, dan wel richting verzekeraars, om patiënten niet de dupe van het experiment vrije tandartstarieven te laten worden?
Zie antwoord vraag 2.
Het stimuleren van duurzame eiwitconsumptie |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Iedereen aan de Vegaworst, dan wordt die vanzelf wel goedkoper»?1
Ja.
Is het waar dat plantaardige vleesvervangers nog aanmerkelijk duurder zijn dan vergelijkbare vleesproducten?
Er is een grote variatie in producten en prijzen. Het is daardoor niet mogelijk hier een eenduidig antwoord op te geven.
Deelt u de mening van de in het artikel genoemde levensmiddelen technoloog van de Wageningen Universiteit dat vlees te goedkoop is in relatie tot vleesvervangers en dat het wenselijk zou zijn via het «de vervuiler betaalt principe» dit prijsverschil te verkleinen of te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Op korte termijn zie ik hiervoor geen mogelijkheden. Zie hiervoor o.a. mijn reactie (TK 32 708, nr. 6) op het door uw Kamer geïnitieerde onderzoeksrapport van Blonk Milieuadvies c.s. «De economische dimensie van de verduurzaming van voedsel». Ik volg met belangstelling de internationale zoektocht naar de mogelijkheden van het internaliseren van externe kosten, onder andere door de Europese Commissie. Zie hiervoor ook TK 32 708, nr. 12 en het BNC-fiche EK 22 112/33 072 over Het stappenplan voor een efficiënt hulpbronnengebruik in Europa.
Is het waar dat de «externe kosten» van vlees, zoals kosten van dierziekten grondreiniging en waterzuivering niet of zeer beperkt worden doorberekend in de kostprijs van vlees? Zo nee, op welke wijze worden deze kosten dan integraal doorberekend aan de eindgebruiker in het kader van «de vervuiler betaalt»? Zo ja, bent u bereid maatregelen te treffen om de externe kosten van vlees integraal onderdeel te maken van de winkelprijs?
Mijn beleid is gericht op het stellen van wettelijke randvoorwaarden op het terrein van milieu, diergezondheid en dierenwelzijn aan de veehouderijproductie in Europees verband. Deze wettelijke eisen worden gefaseerd ingevoerd en aangescherpt om ondernemers de gelegenheid te geven economisch verantwoord de bedrijfsvoering te kunnen aanpassen. Door deze wettelijke maatregelen zullen de externe kosten dalen. Daarnaast ontstaan er steeds meer marktinitiatieven waarbij bovenwettelijke duurzaamheidmaatregelen worden genomen waarvoor een markt bestaat en de consument bereid is een meerprijs te betalen. Hier ligt een belangrijke rol voor de retail en de out of home sector.
Kunt u aangeven wat de integrale kostprijs van vlees is in relatie tot de huidige winkelprijs, voor wat betreft kip, rund en varken? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hier een onderzoek naar in te stellen? Zo ja, kunt u exact zijn in uw beantwoording?
Zoals aangegeven in het eerder genoemde rapport «De economische dimensie van verduurzaming voedsel» uit 2011 is het nu niet mogelijk om met zekerheid een reële prijs van voedsel te bepalen. Op verzoek van mijn ministerie brengt het LEI deze zomer nog een studie uit over dit onderwerp: «Kosten van negatieve externe effecten van de productie, verwerking en consumptie van voedsel».Het gaat hier om een nadere verkenning van de mogelijkheden om corrigerend op te treden bij negatieve externe effecten. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zal ik bezien welke vervolgstappen nodig en mogelijk zijn.
Is het nog steeds het standpunt van het kabinet dat vlees het meest vervuilende onderdeel van ons voedselpakket is? Zo nee, sinds wanneer is dit standpunt gewijzigd?2
Deze vraag heb ik beantwoord in mijn brief van 16 juni 2011 (uw referentie 2011Z10741), mij zijn geen nieuwe wetenschappelijke inzichten bekend hierover.
Kunt u aangeven welke stimuleringsregelingen het kabinet neemt om het prijsverschil tussen plantaardige vleesvervangers en vlees te verkleinen?
Hiertoe neemt het kabinet geen stimuleringsmaatregelen.
Ziet u overeenkomsten in het overbruggen van de kostprijsverschillen tussen niet duurzame energie en duurzame energie enerzijds en de overbrugging van prijsverschillen tussen duurzame en niet duurzame eiwitbronnen voor menselijke consumptie anderzijds? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Mijn beleid is gericht op de algemene verduurzaming van de voedselketen, zoals ik in het plenair debat met de Tweede Kamer op 18 januari 2012 uiteen heb gezet.
Ziet u mogelijkheden om via de invoering van een belasting op onduurzame eiwitproducten het prijsverschil tussen vlees en vleesvervangers te verkleinen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, mijn beleid is er op gericht de gehele keten te verduurzamen. Ik doe dit bij voorkeur door bedrijven die op de goede weg zijn in het zonnetje te zetten, in plaats van de producenten van gangbare producten te straffen.
Kunt u aangeven waaruit de huidige inzet van het kabinet bestaat om een duurzame eiwittransitie tot stand te brengen en kunt u ook inzicht bieden in uw plannen voor de nabije toekomst terzake? Zo nee, waarom niet?
Onder de topsector Agrofood is een TKI (Topconsortium Kennis en Innovatie) rond eiwitinnovaties opgenomen in de Innovatiecontracten. Eiwitonderzoek is hiermee een duidelijk speerpunt geworden voor onderzoek vanuit publiek-private samenwerking. De topsector agro-food faciliteert koplopers met een «zgn. versnellingsaanpak» die erop gericht is bedrijven samen te brengen om marktsuccessen met innovatie te vergroten. In februari 2012 heeft dit geleid tot de versnellingsagenda eiwitinnovaties van het bedrijfsleven zelf en is dit aangeboden aan DG B&I als vertegenwoordiger van topsectorenbeleid.
Bent u bereid een actief stimuleringsbeleid voor de productie en consumptie van plantaardige vleesvervangers vorm te geven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Het bedrijfsleven dat zich richt op de productie van plantaardige vleesvervangers kan een beroep doen op het TKI eiwitinnovaties van de topsector Agrofood.
De overheid stimuleert de consumptie van plantaardige vleesvervangers niet. Het is naar mijn mening de eigen verantwoordelijkheid van de consument om al dan niet te kiezen voor plantaardige vleesvervangers
Het gegeven dat EU-consumentenuitgaven in het laatste kwartaal van 2011 niet zijn gestegen |
|
Nebahat Albayrak (PvdA), Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-consumentenuitgaven over het vierde kwartaal van 2011 niet gestegen»?1
Ja.
Wat is de verklaring voor het dalende consumentenvertrouwen in Nederland?
Volgens het CBS2 speelt tal van factoren een rol bij het consumentenvertrouwen, zoals de beurskoersen, inflatie, werkloosheid en huizenprijzen.
Het verloop van het consumentenvertrouwen vertoont volgens het CBS samenhang met de ontwikkeling van de aandelenkoersen, omdat huishoudens direct aandelen bezitten. Huishoudens zien bij aandelenkoersdalingen hun vermogen slinken. Wie zich daardoor minder rijker voelt zal geneigd zijn minder te consumeren. Dit wordt grosso modo bevestigd door de cijfers. Halverwege 2011 is de AEX merkbaar gedaald. In lijn daarmee daalde ook het consumentenvertrouwen.
Aandelenkoersen zijn ook op indirecte wijze een belangrijke factor voor de stemming van de consument. Huishoudens bezitten via hun pensioenaanspraken ook indirect beleggingen. Wanneer de dekkingsgraad van een pensioenfonds onder het vereiste minimum ligt zou dat voor onzekerheid bij consumenten kunnen zorgen, aldus het CBS. De huidige problemen rondom de dekkingsgraad van veel Nederlandse pensioenfondsen zou daarom het consumentenvertrouwen kunnen drukken.
Prijsontwikkelingen kunnen ook van invloed zijn op het sentiment. Inflatie maakt consumptie duurder en leidt daardoor tot koopkrachtverlies. Dit kan het oordeel van consumenten over hun eigen financiële situatie aantasten.
Het CBS noemt verder de werkloosheid als factor die het consumentenvertrouwen parten kan spelen. Werklozen zijn vaak pessimistischer dan werknemers en zelfstandigen. Halverwege 2011 begon de werkloosheid te stijgen. Waar in juni 2011 de werkloosheid nog op 4,1% van de beroepsbevolking stond, zat in december 4,9% zonder baan (beide cijfers volgens de internationale definitie). Het CPB stelt in het Centraal Economisch Plan 2012 dat toenemende werkloosheid zorgt voor onzekerheid over de consumptiemogelijkheden voor de komende jaren.
Werknemers die minder uren werken zijn volgens het CBS gemiddeld ook pessimistischer. In zover de recessie gepaard gaat met minder (over)uren werk, lag het dus in lijn van de verwachting dat het consumentenvertrouwen laag zou zijn.
Het CBS ziet ook een invloed van de woningmarkt. Dit bevestigt het CPB in het Centraal Economisch Plan 2012. Sinds het uitbreken van de Grote Recessie zijn de huizenprijzen, met minieme onderbrekingen, gestaag gedaald. Daarmee wordt de kans groter dat zij die hun huis nu willen verkopen hier verlies op maken. Dit levert onzekerheid over de aflosbaarheid van de hypotheek en drukt mogelijk het consumentenvertrouwen.
Deelt u de mening dat het merkwaardig is dat er in Nederland sprake is van een daling van de consumentenuitgaven terwijl er tegelijkertijd in buurland Duitsland sprake is van een groei in de consumentenuitgaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is volgens u de reden?
Nee, ik vind het niet merkwaardig dat in Nederland de consumentenuitgaven dalen, terwijl de consumentenuitgaven in Duitsland groeien. De recente economische ontwikkelingen vielen voor Duitsland gunstiger uit dan voor Nederland. De Duitse economie herstelde sneller van de crisis dan de Nederlandse en terwijl de werkloosheid in ons land opliep daalde het werkloosheidpercentage in Duitsland.
Het CPB wijst hierbij op de succesvolle arbeidsmarkthervormingen die Duitsland aan het begin van deze eeuw heeft doorgevoerd en dat de Duitse export meer gericht is op de vraag uit snel groeiende opkomende landen zoals China. Bij het verschil in consumentenuitgaven speelt verder een rol dat de woningprijzen zich in Nederland beduidend negatiever hebben ontwikkeld. Mede daardoor ligt het Duitse consumentenvertrouwen hoger. Het is dus begrijpelijk dat de consumentenuitgaven zich in Duitland positiever ontwikkelen dan in Nederland.
Kunt u aangeven wat de relevantie is van het door u gevoerde beleid in verband met de daling van het consumentenvertrouwen in Nederland?
Het consumentenvertrouwen is de meeste EU-landen laag, zo blijkt uit enquêtes van de Europese Commissie. Daarmee lijken de economische omstandigheden de eerste oorzaak van de daling van het consumentenvertrouwen. Immers, landen hebben tegelijkertijd te maken gekregen met een afzwakking van hun economie.
Het kabinet werkt daarom hard om het vertrouwen in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te borgen. Deze crisis laat zien dat het voor Nederland cruciaal is om vertrouwen te behouden. Vertrouwensverlies wordt in de huidige markten snel afgestraft, daarom zijn maatregelen onvermijdbaar. Maar het draait niet alleen om financiële markten, maar ook om het vertrouwen van bedrijven en consumenten. We moeten met extra maatregelen perspectief bieden. Geen perspectief op hogere schulden, maar op gezonde overheidsfinanciën die ruimte bieden voor een krachtige private sector. Dit vormt een stevige vertrouwensbasis voor burgers en bedrijven om te consumeren en investeren. Het zorgt er ook voor dat we onszelf kunnen blijven financieren tegen een lage rente.
Het bericht dat aansluiting op het Landelijk Schakelpunt een minimale kwaliteitseis is |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «ZN: «Aansluiting LSP minimale kwaliteitseis»»?1
Zorgverzekeraars verwijzen bij het vaststellen van contracten naar de kwaliteitseisen van de beroepsgroep. Als de beroepsgroep (de zorgaanbieders) heeft aangeven dat uitwisseling via het LSP als kwaliteitseis wordt gezien dan kunnen zorgverzekeraars dit opnemen. Het is dus uiteindelijk de beroepsgroep zelf die beslist of aansluiting op het LSP als kwaliteitseis voor de beroepsgroep geldt.
Deelt u de mening dat deze onzinnige eis voorbarig is daar er nog geen veldnorm of richtlijn is vastgesteld ten aanzien van aansluiting op het LSP?
Op dit moment is er nog geen sprake van een eis tot aansluiting op het LSP. De beroepsgroep stelt zelf de kwaliteitseisen vast. Zorgverzekeraars kunnen in de contracten afspraken maken over veilige en gestandaardiseerde elektronische communicatie tussen zorgaanbieders onderling. De zorgverzekeraars hebben hierbij aangegeven de eis niet in de contracten op te nemen voordat deze is vastgesteld door de beroepsgroep.
Vindt u dat zorgverzekeraars zich met kwaliteitsnormen mogen bemoeien?
Zie het antwoord op vraag 1. Verder verwijs ik u voor een toelichting op het gebruik van kwaliteitsnormen door zorgverzekeraars naar mijn brief van 21 oktober 2011 (Kamerstuk 29 689, nr. 361).
Bent u bereid erop toe te zien dat er geen eis tot aansluiting op het LSP komt zolang er geen veldnorm is vastgesteld?
Zie het antwoord op vraag 2.
De problemen bij KPN bij de ingebruikname van het BAPI-certificaat |
|
Helma Neppérus (VVD) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het artikel «KPN onderschat vervanging Diginotar-certificaten» gelezen?1
Ja.
Bent u bekend met de hier in geschetste problematiek bij de invoering van het BAPI-certificaat?2
Meteen na het Diginotar-incident begin september 2011 is in samenspraak met alle betrokken partijen gestart met een plan voor de migratie van BAPI-certificaten. Voor het migratietraject is de Belastingdienst een samenwerking met KPN aangegaan (zie ook het antwoord op vraag 6. De certificaten worden direct bij KPN aangeschaft door fiscaal dienstverleners en individuele ondernemers. Vanaf einde december konden certificaathouders zich als abonnee bij KPN melden. Tot nu toe hebben ruim 13 000 abonneehouders zich gemeld; in totaal gaat het om maximaal 16 000 overstappers. Er zijn 2 500 certificaten aangevraagd, waarvan er inmiddels ruim 2 000 zijn uitgegeven; deze moeten vervolgens door de gebruikers in hun software worden geïnstalleerd. De softwarepakketten die in gebruik zijn bij fiscale dienstverleners en individuele ondernemers moeten zijn aangepast om de installatie van nieuwe certificaten aan te kunnen. 98% van de softwarepakketten is daarvoor nu gereed.
KPN heeft aanvankelijk opstartperikelen gekend. Intussen is de productie opgeschaald en is de communicatie geïntensiveerd. De veiligheid is echter nimmer in het geding geweest. Er is geen enkele indicatie dat het aanvraag- en uitgifteproces van deze certificaten op enige manier onveilig is.
Geplande einddatum voor de omwisseloperatie is 1 juni 2012. Ik ben voortdurend in overleg met de sector over de voortgang van de operatie. Begin april zal opnieuw overleg plaatsvinden. Als nodig zou zijn om de einddatum van 1 juni enigszins op te schuiven, dan ben ik daartoe bereid. Dat betekent dat het gebruik van de oude Diginotar-certificaten nog met dezelfde periode wordt verlengd. De na het incident getroffen beheersmaatregelen zorgen weliswaar voor voldoende veiligheid, maar het is van belang tot een afsluiting te komen.
Er is dus geen reden om aan te nemen dat fiscale dienstverleners en bedrijven om reden van een certificatenprobleem niet aan hun aangifteverplichting zouden kunnen voldoen. Mocht zich dat desondanks voordoen, dan heb ik reeds eerder toegezegd coulance te betrachten. Fiscale dienstverleners en VNO-NCW hebben aangegeven met deze coulanceregeling te kunnen instemmen.
Voor de leden van de VVD-fractie staat, zoals eerder ook aangegeven, de veiligheid van de aangiften voor burgers en ondernemers centraal, is deze veiligheid gewaarborgd, ondanks de problemen bij de invoering van het nieuwe BAPI-certificaat van KPN?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat ondernemers veilig kunnen communiceren met de Belastingdienst en geen vertraging oplopen bij het indienen van hun aangiften door invoering van het nieuwe BAPI-certificaat? Zo ja, binnen welke termijn verwacht u dat de problemen zijn opgelost?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het heel vervelend is als ondernemers bij hun maandelijkse aangifte onnodig vertraging oplopen en zo zelfs buiten hun schuld te laat zijn met het doen van aangifte? Zo ja, wat denkt u hier aan te gaan doen gezien het grote aantal klachten hierover? Hoe kunnen deze mensen nu aangifte doen, als het BAPI-certificaat de enige mogelijkheid is en kennelijk nog niet naar behoren functioneert?
Zie antwoord vraag 2.
Is er bij de keuze om KPN het beveiligingscertificaat te laten ontwikkelen gebruik gemaakt van aanbesteding? Is er ondanks de spoed waarmee deze keuze gemaakt moest worden ook gekeken naar andere kandidaten? Waarom is de keuze op KPN gevallen?
Door de Belastingdienst is meteen na het DigiNotar-incident een verkenning gedaan naar solide en betrouwbare partijen die op korte termijn de certificaatdienstverlening aan fiscaal dienstverleners en ondernemers ten behoeve van het aanleveren van aangiften via BAPI zouden kunnen overnemen van DigiNotar. Uitgangspunt daarbij was dat met het oog op een spoedige migratie de BAPI-architectuur zoveel mogelijk ongewijzigd moest blijven. Als gerede partij kwam KPN/Getronics naar voren. Deze partij bleek ook bereid om de dienstverlening van DigiNotar over te nemen.
Van belang is te benadrukken dat KPN de vervangende BAPI-certificaten direct aan fiscale dienstverleners en ondernemers levert, net zoals DigiNotar placht te doen. Er is geen opdrachtgever-opdrachtnemer relatie tussen de Belastingdienst en KPN. Derhalve is ook geen sprake van een aanbestedingsplichtige opdracht.
Wel heeft de Belastingdienst op zich genomen om het proces van vervanging van de BAPI-certificaten bij fiscale dienstverleners en ondernemers maximaal te faciliteren. Dat betekende het beschikbaar stellen van BAPI-specificaties, het onderhouden van de contacten met en het communiceren naar fiscale dienstverleners, ondernemers(organisaties) en softwareleveranciers. Daarnaast heeft de Belastingdienst bij KPN bedongen dat de BAPI-certificaten tegen dezelfde prijs worden geleverd als de oude DigiNotar certificaten, teneinde nadeel bij marktpartijen als gevolg van het DigiNotar-incident te voorkomen of in elk geval zoveel mogelijk te beperken.
Wordt er overwogen om meerdere fabrikanten van beveiligingscertificaten in te schakelen, naast KPN, om zo de risico’s te spreiden en een optimale dienstverlening mogelijk te maken?
Op 21 maart jl. heeft op het Ministerie van Financiën een bijeenkomst plaatsgevonden met (software)leveranciers die producten leveren op het gebied van autorisatie en authenticatie, daaronder begrepen (beveiligings)certificaten. In deze bijeenkomst is de toekomstvisie van de Belastingdienst op het gehele terrein van autorisatie en authenticatie uiteengezet en is aangegeven hoe de Belastingdienst zich de migratie voorstelt van huidige situatie naar gewenste eindsituatie. Een onderdeel daarvan is het BAPI-kanaal. Tijdens deze bijeenkomst bleken de leveranciers geïnteresseerd in de visie en in verdere participatie in de toekomst. Twee leveranciers gaven te kennen met de Belastingdienst te willen overleggen over het ook gaan leveren van BAPI-certificaten. Met hen is overleg geweest. Het is nu aan deze leveranciers om te bepalen of ze de certificaten daadwerkelijk willen gaan aanbieden. Als het tot een aanbod komt, zal dit geen betekenis meer hebben voor de huidige migratie-operatie. Het in samenwerking tussen de aanbieders en de Belastingdienst komen tot een aanbod vergt in ieder geval twee tot drie maanden voorbereidingstijd. Daarbij komt dan nog de doorlooptijd die nodig is om de softwarepakketten in de markt er geschikt voor te maken – voor zover de softwareleveranciers hier markt voor zien. Zoals gezegd is afronding van de migratie-operatie op dit moment gepland per 1 juni a.s. (eventueel kan deze datum nog iets opschuiven; zie het antwoord op de vragen 2 tot en met 5).
Zoals uit het voorgaande blijkt, is er geen sprake van exclusiviteit voor KPN en sta ik open voor elke aanbieder die aan de gestelde kwaliteitscriteria voldoet. Het is evenwel aan de markt zelf om met een aanbod te komen.
Een meldplicht voor de nerveuze vorm van Rhinopneumonie bij paarden |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de bij u bekende sterfte van paarden door de nerveuze vorm van Rhinopneumonie in 2012?1
Tot op heden zijn er drie bevestigde gevallen van de neurologische vorm van Rhinopneumonie in Nederland en één geval van abortus bij een paard. Het betreft bedrijven in Heumen, Berg en Dal, Woubrugge en Ede.
Is het waar dat deze infectie meer stal- dan streekgebonden is en dat het virus zich met name via rechtstreeks contact of over zeer korte afstand door de lucht verspreidt?
Ja, het virus verspreidt zich alleen via direct contact. Het virus is door het beperken van externe contacten goed binnen de grenzen van een houderij te houden.
Wat is uw mening over organisaties en bedrijven die de adviezen van de Sectorraad Paarden (SRP) en de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportbond (KNHS) naast zich neerleggen en toch evenementen met paarden organiseren?
Het ontvangen van vreemde paarden op een bedrijf of deelnemen aan een wedstrijd brengt altijd risico’s met zich mee. Wetende dat er op een aantal plaatsen in Nederland Rhinopneumonie is vastgesteld en dat er nog bij een aantal locaties onderzoek loopt is het niet verstandig paarden vanuit een verdachte of besmette locatie te ontvangen. Wedstrijden of evenementen organiseren waar paarden van deze locaties deelnemen vormt een risico voor de houderij en andere deelnemers aan het evenement.
Bent u bereid om een meldplicht in te stellen voor eigenaren en houders van paarden en dierenartsen als het vermoeden bestaat dat een paard lijdt aan de nerveuze vorm van Rhinopneumonie?
Ik denk dat het goed is dat paardenhouders elkaar via een centraal loket informeren over uitbraken, risico’s en te nemen maatregelen. Een dergelijk loket of helpdesk is voorzien in de sectoragenda infectieuze ziekten van 22 december 2011 (TK 29 683, nr. 110) en wordt op dit moment door de SRP in samenwerking met de paardendierenartsen opgericht. Hierbij zie ik geen rol voor de rijksoverheid weggelegd. De individuele houder in samenwerking met zijn dierenarts en sectororganisaties zijn heel goed in staat de ziekte te beheersen, zoals in de afgelopen jaren gebleken is bij eerdere uitbraken van Rhinopneumonie en zoals ook nu uit het optreden van de SRP en individuele houders blijkt. Een zwaar instrument als een wettelijke meld- en of bestrijdingsplicht is gereserveerd voor ziekten waarbij:
Wilt u bevorderen dat er door de sector zelf, na de diagnose nerveuze vorm van Rhinopneumonie, een onderzoek wordt gedaan naar de oorsprong van de infectie en de mogelijke contactrisico’s zodat een gericht advies gegeven kan worden om verdere verspreiding zoveel mogelijk te voorkomen?
In de sectoragenda infectieuze ziekten is de inrichting van een helpdesk/gezondheidsloket voorzien. Hier zullen signalen en aanvullende informatie ten aanzien van contact structuren centraal binnenkomen. Deze signalen, die breder zijn dan alleen Rhinopneumonie, worden onder leiding van de SRP besproken en geanalyseerd op een gezondheidsoverleg. Aan het gezondheidsoverleg nemen deel de GD, de Rijksoverheid, de Faculteit Diergeneeskunde, het RIVM en het CVI. Indien nodig kan de SRP aanvullend onderzoek laten doen. Het gezondheidsoverleg adviseert de SRP in deze. De SRP neemt verantwoordelijkheid voor de communicatie en informatie naar de sector.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De dramatische daling van het aantal vaste contracten en de gevolgen voor Nederland |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er in 2011 97 procent minder vaste contracten zijn aangeboden en praktisch niemand meer een vaste baan krijgt?1
Ja
Deelt u de mening dat de enorme groei van de tijdelijke contracten een indicatie is dat de flexibele schil in Nederland is doorgeschoten en werknemers steeds meer als inwisselbare productiemiddelen ten dienste van het bedrijf worden gezien, in plaats van mensen die een bepaalde inkomenszekerheid voor hun toekomst nodig hebben? Zo nee, waarom niet?
Er is in 2011 een zekere toename van het aantal tijdelijke contracten, ook van tijdelijke contracten van langere duur (langer dan een jaar) met uitzicht op een vast contract. Gezien de huidige stand van de economie is dat ook verklaarbaar. Nederland verkeert in een recessie. Als gevolg daarvan daalt het aantal vaste contracten. Hierbij moet aangetekend dat het aantal nieuwe vaste contracten volgens het CBS minder sterk terugloopt dan de UWV-cijfers uit «Vacatures in Nederland 2011» lijken te suggereren. Als de economie weer daadwerkelijk aantrekt, zal ook het aandeel vaste contracten weer stijgen. Verder wijs ik erop dat door de jaren heen de omvang van het aantal werknemers met een flexibel contract redelijk stabiel gebleven. Er is wel een toename van het aantal werknemers met een tijdelijk contract met uitzicht op een vast dienstverband. Als de vooruitzichten goed zijn, zullen deze contracten naar verwachting worden omgezet in vaste contracten.
Deelt u de mening dat het bedrijfsleven zich over-verzekerd tegen het veronderstelde marktrisico in de globaliserende economie en meer en meer irrationele onzekerheid op werknemers wordt afgeschoven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de sterke tendens van tijdelijke contracten en zzp’ers een groot probleem voor gewone werknemers kan gaan worden, aangezien vrijwel alle mensen inkomenszekerheid nodig hebben om een gezin te onderhouden, een hypotheek te krijgen of een auto te kopen? Zo nee, waarom niet?
Bij het antwoord op de vragen 2 en 3 heb ik aangegeven dat het aantal tijdelijke contracten beperkt toeneemt. Wel is er een grotere toename van het aantal tijdelijke contracten met uitzicht op een vast dienstverband. Als het gaat om inkomenszekerheid, is het vooruitzicht op de langere termijn van belang. Daarvoor is van belang in hoeverre er sprake is van doorstroming naar een vast contract. Uit onderzoek2 blijkt dat van de werknemers die in 2009 een flexibel contract hadden, ongeveer een kwart na een jaar is doorgestroomd naar een vast contract met vaste uren. Tijdelijke contracten met uitzicht op vast werk zijn in dit cijfer buiten beschouwing gelaten, omdat hierover nog geen data beschikbaar zijn. Dit zorgt naar verwachting voor een onderschatting van de doorstroomkans van werknemers met een tijdelijk contract, omdat deze groep het beste perspectief op vast werk heeft. Het CBS is gestart met het verzamelen van gegevens over de doorstroom van deze groep. De betreffende cijfers zullen naar verwachting begin 2013 beschikbaar zijn.
Overigens merk ik op dat UWV niet stelt dat het vaste contract er zelden van komt na een tijdelijk contract met uitzicht op een vast dienstverband. De UWV-cijfers hebben slechts betrekking op de wijze waarop vacatures worden vervuld en niet op de doorstroom van tijdelijk naar vast.
Deelt u de mening dat «langlopende contracten met uitzicht op een vast contract» te vaak een valse term blijkt te zijn, omdat het Uitvoering Werknemers Verzekeringen (UWV) aangeeft dat vaste contract er zelden van komt? Zo nee, waarom niet? Hoe vaak wordt een tijdelijke contract omgezet naar een vast contract?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat werkgevers zich richten op jonge werknemers onder 25 jaar bij het aanbieden van tijdelijke contracten, aangezien zij welwillender tegenover deze onzekere positie staan, maar waardoor de oudere generatie werknemers buiten de boot valt waarvan Nederland het menselijke kapitaal nodig heeft om de vergrijzing op te vangen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Ik vind het logisch dat jongeren vaker een tijdelijk contract hebben dan ouderen. Vaak gaat het om bijbaantjes of om een tijdelijk contract als opstap naar een vaste arbeidsrelatie. Ik zie ook niet in waarom ouderen buiten de boot zouden vallen door het bestaan van de mogelijkheid om een tijdelijk contract overeen te komen. De arbeidsparticipatie van ouderen is de afgelopen jaren juist gestegen. Het overgrote deel van de oudere werknemers heeft bovendien een vast contract (95%). Ook voor oudere werklozen bieden flexibele contracten mijns inziens kansen. Als een potentiële werkgever nog niet geheel overtuigd is van de capaciteiten van de werknemer (of van het al dan niet structurele karakter van de werkzaamheden), biedt een tijdelijk contract uitkomst.
Is het waar dat er minder wordt geïnvesteerd in scholing en training van tijdelijke krachten dan van vaste krachten, zowel door de werkgever als door de werknemer zelf, waardoor men kan concluderen dat een doorgeschoten flexibele schil op lange termijn de arbeidsproductiviteit van de Nederlandse economie schaadt? Zo nee, waarom niet?
Werknemers met een flexibel contract nemen beperkt minder deel aan scholing en training dan werknemers met een vast contract. In de periode 2004–2008 nam per jaar gemiddeld 11,5% van de vaste werknemers3 deel aan scholing, tegenover 9,5% van de flexibele werknemers.4 Bij 8,9% van de vaste werknemers was sprake van scholing die door de werkgever is bekostigd en 1,5% van deze groep financierde de scholing zelf. Bij flexibele werknemers was in 4,9% van de gevallen sprake van door de werkgever bekostigde scholing; 3,3% financierde de scholing zelf.5 Gelet op het beperkte verschil in scholingsdeelname tussen vaste en flexibele werknemers maak ik mij geen zorgen over de gevolgen van de (mijns inziens niet doorgeschoten) omvang van de flexibele schil op de arbeidsproductiviteit.
Het gerucht dat u plannen heeft om de 10-uursnorm voor het Persoonsgebonden budget te verlagen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Kent u het artikel van «per Saldo» waarin u wordt geciteerd over het pgb?1
Ja.
Is het waar dat u erover denkt de 10-urengrens te verlagen? Zo nee, hoe komt dat citaat dan in het artikel? Zo ja, wanneer gaat u de Kamer informeren over de wijzigingen van uw pgb-standpunt?
De 10-urengrens geldt niet voor de pgb-regeling, maar voor de Vergoedingsregeling persoonlijke zorg. Ik heb geen plannen om deze 10-urengrens voor de vergoedingsregeling te verlagen. Ik zie in dit artikel hierover geen citaat. In het artikel doet Per Saldo verslag van een bijeenkomst op 5 maart jl. Op deze dag hebben mijn ambtenaren en ik in Nijkerk met ruim 100 mensen persoonlijke gesprekken gevoerd, onder meer met mensen met een pgb of hun ouders. In deze gesprekken is binnen de huidige beleidskaders onder andere gesproken over de ervaringen van deze mensen in de zorg.
Wanneer ontvangt de Kamer de eerste evaluatie van de invoering en het effect van de pgb-maatregel?
Ik heb in mijn pgb-brief van 1 december 2011 (TK, vergaderjaar 2011–2012, nr. 25 657, nr. 87) aangegeven, de Kamer ieder kwartaal te informeren. Ik baseer mij bij deze kwartaalrapportages op de uitkomsten van verschillende evaluatie-activiteiten die vanaf 1 januari 2012 zijn gestart. Dat zijn bijvoorbeeld de resultaten van een peiling onder mensen die dit jaar een AWBZ-indicatie hebben ontvangen, de bij Per Saldo ingerichte helpdesk, een peiling onder zorgkantoren en de signalen die ik ontvang vanuit het pgb-expertisecentrum. De eerste evaluatie over de maanden januari tot en met maart kunt u naar verwachting april a.s. tegemoet zien.
Autodiefstal met stoorzender |
|
Hero Brinkman (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Diefstal met stoorzender»?1
Ja.
Klopt dit bericht? Kunt u aangeven hoe groot dit probleem is?
Het is bekend dat deze methodiek wordt gebruikt. Er zijn geen cijfers bekend over de omvang van dit probleem.
Deelt u de mening dat bezit van dergelijke «carlock jammers» evenals «jammers», voor het storen van GPS volgsystemen van auto’s, verboden moeten worden, gezien zij enkel gebruikt worden voor diefstal van auto’s?
Een dergelijk verbod is al van kracht.
Een carlock-jammer is een jammer die specifiek gebruikt wordt voor het blokkeren van elektronische autosloten. Dit type jammer valt onder dezelfde wetgeving als GSM- en GPS-jammers. Het adverteren, gebruiken, in bezit hebben en verhandelen van jammers is een overtreding van de Telecomwet.
Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft sinds 2010 de aanpak van jammers geïntensiveerd. Het Agentschap werkt samen met politie, douane en private partijen . Deze samenwerking richt zich op de aanpak van de handel in en het gebruik van jammers en de opsporing hiervan. Ook samenwerking met andere Europese landen vormt daarom een onderdeel van de aanpak van het Agentschap Telecom.
Verder is sinds 1 januari 2012 een nieuwe Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet (2011R031) in werking getreden, met onder meer verhoogde boetebedragen voor het adverteren, gebruiken, in bezit hebben en verhandelen van jammers.
Klopt de informatie dat vaak Oost-Europese bendes zijn betrokken bij de diefstal van (vaak dure) auto’s? Zo ja, hoe gaan politie en justitie dit probleem aanpakken? Zijn er goede afspraken gemaakt met andere landen voor opsporing en teruggave van deze gestolen voertuigen? Zo ja, welke en met wie?
Uit de zeer recent door mij ontvangen rapportage over Midden- en Oost-Europese rondtrekkende dadergroepen in Nederland blijkt dat er sprake is van een serieus te nemen verschijnsel: bepaald meer dan incidenteel zijn dergelijke bendes – en soms ook die uit andere landen – actief in ons land. Deze groeperingen houden zich onder andere bezig met de diefstal van voertuigen en voertuigonderdelen. Voor meer informatie over de problematiek en aanpak van rondtrekkende criminele bendes uit Midden- en Oost-Europa verwijs ik naar mijn brief aan de Tweede Kamer over Bestrijding van georganiseerde criminaliteit, nr. 29911/64 van 26 maart 2012.
Gestolen auto’s worden gesignaleerd in het Nationaal Schengen Informatiesysteem alsook wereldwijd via Interpol. Bij het aantreffen van een gestolen voertuig wordt dit gemeld aan het land waar de diefstal heeft plaatsgevonden en zal – mede afhankelijk van de toepasselijke nationale wetgeving en de civielrechtelijke positie van betrokken partijen – teruggave van het gestolen voertuig – kunnen plaatsvinden.
EHEC-besmetting bij herten |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meerderheid Duitse herten besmet met EHEC bacterie», waaruit blijkt dat het overgrote deel van de Duitse herten en reeën besmet is met de EHEC bacterie?1
Ja. Deze constatering moet wel in het juiste perspectief worden geplaatst. De naam EHEC doet vermoeden dat de genoemde bacteriën ernstige ziekte bij de mens zouden kunnen veroorzaken zoals de EHEC die in Duitsland in het voorjaar van 2011 tot een grote uitbraak leidde. De daarvoor benodigde combinatie van eigenschappen was echter afwezig bij de bacteriën die bij het recente Duitse onderzoek bij herten en reeën zijn gevonden. Dit onderzoek spreekt dan ook over «Shiga-toxine producerende E.coli-bacteriën» (STEC) waarvan de meeste bacteriën geen of een veel minder ziekmakend vermogen hebben.
STEC bacteriën behoren tot de darmflora van veel gehouden en wilde diersoorten en worden ook aangetroffen in het milieu. Het is dus niet verwonderlijk dat er ook bij herten STEC bacteriën gevonden worden. Een klein deel van de STEC is wel in staat om mensen ziek te maken. Als er voldoende monsters worden onderzocht kunnen er daarom vaak wel enkele ziekteverwekkende STEC worden gevonden. Wild vormt daarop geen uitzondering.
Wordt het vlees van herten en reeën uit Duitsland ook in Nederland verhandeld? Zo ja, kunt u aangeven om welke hoeveelheden het gaat, en op welke wijze dit vlees gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van EHEC en andere pathogenen? Zo nee, waarop baseert u dit?
Ja, vlees van hert en ree uit Duitsland komt ook in Nederland op de markt.
Het is niet duidelijk om welke hoeveelheden het gaat. Het vlees wordt conform de geldende EU-regels in Duitsland door de officiële dierenarts onderzocht op mogelijke afwijkingen die het vlees ongeschikt maken voor menselijke consumptie. Als er bij dit onderzoek een verdenking ontstaat op de aanwezigheid van ziekteverwekkers kan aanvullend onderzoek worden verricht. Wildvlees mag alleen nadat het is goedgekeurd op de Europese markt worden gebracht.
Kunt u aangeven op welke wijze de post mortem keuringen van geschoten dieren en hun vlees in Nederland plaatsvindt? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord ten aanzien van de eisen die hieraan gesteld worden en de garanties die deze keuringen bieden voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De keuring na het slachten (post-mortem keuring) van vrij wild vindt plaats conform de Europese hygiëneregels. Meer specifiek conform artikel 5 van Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees parlement en de raad van 29 april 2004, houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong. In dit artikel worden de beginselen beschreven van de officiële controles van vers vlees, met inbegrip van vlees van vrij wild. Ten aanzien van de specifieke eisen verwijs ik naar bijlage I, sectie IV, hoofdstuk 8 van dezelfde verordening en het antwoord op de vragen 6 en 7.
Kunt u uiteenzetten of, en op welke wijze, keuringen van geschoten dieren en hun producten plaatsvinden, wanneer jagers deze dieren meenemen voor eigen consumptie of deze rechtstreeks aan particulieren, restaurants of poeliers leveren? Zo ja, kunt u hierbij ook uitleggen hoe de voedselveiligheid en de volksgezondheid worden gegarandeerd? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheid te onderzoeken om te komen tot onafhankelijke keuringen waarbij álle (producten van) in het wild levende dieren worden gekeurd op de afwezigheid van pathogenen?
Productie van onbewerkte levensmiddelen voor eigen consumptie (zoals in het wild verzamelde bramen, paddenstoelen, maar ook geschoten wild) zijn uitgesloten van de reikwijdte van de Europese hygiëneregels. De consument heeft een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreft de veilige consumptie en bereiding van dit soort levensmiddelen en kan deze ook nemen, aangezien hij volledig op de hoogte is van de «productie» van dit soort levensmiddelen.
Ook de zogenaamde rechtstreekse leveringen vallen buiten de scope van de Europese hygiëneregels.
Deze vallen echter wel onder de Regeling Vleeskeuring (Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3655, houdende regels ter zake van vleeskeuring). In artikel 9 en 9a worden specifieke regels gesteld ten aanzien van rechtstreekse leveringen om de veiligheid van deze producten te waarborgen.
Worden door jagers voorzorgsmaatregelen getroffen (beschermende kleding, handschoenen, ontsmetting van transportmiddelen en honden e.d.) om besmetting met en verspreiding van pathogenen te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen zijn dat? Zo nee, bent u bereid dergelijke voorzorgsmaatregelen verplicht te stellen?
Om besmetting met en verspreiding van pathogenen te voorkomen is een aantal zaken van belang, zoals het juist plaatsen van het schot, het hygiënisch ontweiden, gevolgd door transport en koeling. Iedere jager is verplicht een basisopleiding te volgen waarin onder meer een praktijkexamen schietvaardigheid is opgenomen.
Wild dat door jagers aan derden wordt geleverd moet zijn beoordeeld door een Gekwalificeerd Persoon (GP). Om wild ter plaatse aan een eerste onderzoek te kunnen onderwerpen moeten GP’s over voldoende kennis beschikken op het terrein van de pathologie van vrij wild, de productie en het hanteren van vrij wild en vlees van vrij wild.
In samenwerking met de NVWA wordt een opleiding verstrekt om jagers tot GP op te leiden. Daarin komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod:
Ik zie geen reden om extra voorzorgsmaatregelen vast te stellen.
Worden naar uw oordeel consumenten van vlees afkomstig van in het wild levende dieren voldoende beschermd tegen pathogenen, zoals EHEC, Salmonella, Campylobacter, Staphyloccus aureus, Clostridium perfringens, Listeria monocytogenes en Trichinella spiralis? Zo ja, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen en op welke termijn?
Vlees van wild kan, net zoals vlees van landbouwhuisdieren en andere levensmiddelen, besmet zijn met ziekteverwekkers.
Daarom moet ook het vlees van wild net als alle andere levensmiddelen, voordat het op de markt mag worden gebracht, aan de geldende Europese en nationale hygiëneregels voldoen. Hieronder valt onder andere een eerste beoordeling door de gekwalificeerde jager, de keuring door de officiële dierenarts en specifiek laboratoriumonderzoek zoals bijvoorbeeld het Trichinella-onderzoek bij wilde zwijnen. Als er bij de keuring een verdenking ontstaat op de aanwezigheid van ziekteverwekkers kan aanvullend onderzoek worden verricht.
Daarnaast dient ook de consument van het vlees afkomstig van wild zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Hij dient eventuele (rest)risico’s te vermijden door kruisbesmetting in de keuken te voorkomen en het vlees goed te verhitten bij de bereiding.
Door bovenstaande maatregelen worden de voedselveiligheidsrisico’s in voldoende mate beheerst.
Kunt u aangeven welke risico’s het eten van met ziekmakende bacteriën en parasieten besmet vlees van geschoten dieren uit het wild meebrengt voor de consument? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uitleggen wie verantwoordelijk is voor de voedselveiligheid van producten afkomstig van in het wild levende dieren, en wie aansprakelijk is indien consumenten van die producten besmet raken met pathogenen, zoals EHEC, Trichinella spiralis e.d.? Zo ja, kunt u dit aangeven voor de hele keten van jager, (gekwalificeerde) keuringsinstantie, (veterinair) laboratorium, groothandel, restauranthouder/poelier, consument of overheid? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
De verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid van een levensmiddel berust in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf, dat het levensmiddel produceert of bewerkt. Dit geldt ook voor de productieketen van vlees afkomstig van wild. Bedrijven moeten zich aan de geldende wettelijke hygiëneregels houden. Ook hanteren ze zogenaamde hygiënecodes en/of private voedselveiligheidssystemen om zo veilig mogelijk te produceren. De NVWA houdt toezicht op de hele keten.
Voor wat betreft de aansprakelijkheid wil ik verwijzen naar de artikelen 6:185 en verder van het Burgerlijk wetboek, waarin de kaders zijn opgenomen omtrent aansprakelijkheid voor producten.
Deelt u de mening dat de EHEC-uitbraken van 2011 (en 2012) ernstig waren, en reden vormen om consumptie van met pathogenen besmette producten te voorkomen? Zo ja, bent u bereid de consumptie van vlees van in het wild levende dieren te verbieden, nu blijkt dat dit vlees aangemerkt moet worden als een serieuze bron van besmetting met pathogenen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de EHEC uitbraak in 2011 in Duitsland was ernstig. Uitbraken van voedselgerelateerde ziekten kunnen een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Daarom is het nastreven en behouden van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid een van de fundamentele doelstellingen van de Europese levensmiddelenwetgeving. Het voorkomen van consumptie van gecontamineerde levensmiddelen speelt daarbij een belangrijke rol.
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 6 en 7 worden de (microbiologische) risico’s van levensmiddelen afkomstig van in het wild levende dieren net zoals bij vlees van landbouwhuisdieren in voldoende mate beheerst. Ik zie daarom geen aanleiding om de consumptie van vlees van in het wild levende dieren te verbieden.
Het bericht 'Hoge boete weerhoudt studenten van master' |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is het beter of slechter voor de Nederlandse economie als studenten afzien van het volgen van een masteropleiding?1
Een bewuste keuze van studenten voor een vervolgopleiding is goed voor de Nederlandse economie. Na afronding van een bacheloropleiding, los van de vraag of dat een hbo of een universitaire bacheloropleiding is, is het van belang dat een student bewust kiest welke vervolgstap voor hem of haar het beste is. De langstudeermaatregel beoogt daaraan bij te dragen. Dus als bachelor-studenten zeggen: «ik weet nog niet zeker of ik wel een masteropleiding wil volgen, ik ga eerst werken», dan vind ik dat een bewuste keuze van de student. Deze studenten kunnen altijd later nog besluiten of ze een masteropleiding willen gaan doen.
In het aangehaalde artikel is een beeld neergezet dat 8% van alle bachelorstudenten door de langstudeermaatregel zou afzien van een masteropleiding. Ik kan mij dat moeilijk voorstellen. Desgevraagd hebben de onderzoekers in alle openheid inzage gegeven in de onderliggende (geaggregeerde) gegevens. Daaruit is de onderstaande tabel samengesteld. De onderzoekers hebben de juistheid ervan bevestigd.
Ja
Ja
82
6%
130
6%
Nee
105
7%
47
2%
Weet niet
196
14%
105
5%
Totaal
383
27%
282
13%
Ja
Nee
388
28%
1 748
78%
Nee
247
18%
89
4%
Weet niet
386
27%
111
5%
Totaal
1 021
73%
1948
87%
Totaal
1 404
100%
2 230
100%
Tabel 1: Gerapporteerde gegevens, bewerking OCW.
Hieruit komt het beeld naar voren dat slechts 2% van de wo-bachelorstudenten nu aangeeft dat ze niet van plan zijn om een master of andere vervolgopleiding te doen én dat dit komt door de langstudeerdersmaatregel. Groter is het percentage studenten dat aangeeft niet te weten of ze een master of andere vervolgopleiding gaan doen én dat dit door de langstudeerdersmaatregel komt (5% van de wo-bachelorstudenten). Nog los van de vraag wat studenten daadwerkelijk gaan doen, geeft deze uitkomst niet het beeld dat de langstudeerdersmaatregel een grote belemmering voor het volgen van een master zou zijn.
Hoeveel economische schade loopt de Nederlandse economie op door de door u gewaardeerde «bewuste keuze» van duizenden jongeren om niet door te studeren?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Hoeveel werkgevers beschouwen een universitaire bacheloropleiding als een afgeronde opleiding waarmee afgestudeerden een goede baan kunnen bemachtigen?
Op dit moment gaat slechts een zeer beperkt deel van de studenten met een universitaire bachelorgraad de arbeidsmarkt op. Wel is het zo dat tal van studenten met een wo-bachelorgraad een eigen onderneming, studiegerelateerde bijbanen of onderzoeks- of ontwerpopdrachten weten te genereren.
Acht u het voortijdig stoppen met een vwo-opleiding ook een «bewuste keuze», of hecht u er bij andere opleidingsvormen wel aan dat studenten deze voltooien?
Ik hecht er bij alle opleidingsvormen aan dat leerlingen en studenten deze voltooien. Ik ga ervan uit dat leerlingen en studenten ook daaraan hechten. Overigens is de bachelor een aparte opleiding en is er ook in dit artikel geen sprake van het voortijdig stoppen van deze opleiding.
Het bericht dat er veel meer q-koortsslachtoffers zijn |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat uit bloedonderzoek van Sanquin blijkt dat het aantal besmettingen met de q-koortsbacterie Coxiella burnetii, ruim tien keer groter is dan eerder door u gedacht?1 Hoe heeft u indertijd zo’n verkeerde inschatting van zaken kunnen maken?
Er is geen sprake van een verkeerde inschatting. Het bloedonderzoek van RIVM-Sanquin maakt schatting van het aantal besmettingen mogelijk. Dat is niet hetzelfde als het aantal ziektegevallen en zeker niet het aantal gemelde ziektegevallen. Voor veel infectieziekten, ook voor Q-koorts, geldt dat slechts een deel van de mensen die geïnfecteerd raakt ook daadwerkelijk ziek wordt. Van de mensen die wel klachten krijgen, zullen velen niet naar de huisarts gaan. Q-koorts wordt alleen gemeld als mensen met klachten de huisarts bezoeken en de huisarts de diagnose laat bevestigen door laboratoriumonderzoek. Er is voor infectieziekten vrijwel altijd een groot verschil tussen het aantal besmettingen, het aantal zieken en het uiteindelijk aantal meldingen.
In hoeverre is de Kamer in deze altijd op tijd van de juiste gegevens voorzien?
Het recente Sanquin – RIVM onderzoek was erop gericht om een nauwkeuriger schatting te geven door het werkelijk aantal besmettingen te relateren aan het aantal meldingen. Ik heb op 16 september 2011 in antwoord op Kamervragen op dit onderzoek gewezen (Tweede Kamer, 2010–2011, aanhangsel 3686).
Waren er in een eerder stadium al tekenen ontvangen vanuit de eigen organisatie of van derden dat er een onderschatting zat in de weergave van de grootte van het q-koortsepidemie? Zo ja, wanneer, met welke inhoud en door wie? Wat is er met deze tekenen gedaan?
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 1, is er geen sprake geweest van een onderschatting. Het is algemeen bekend dat het aantal gemelde ziektegevallen lager ligt dan het aantal besmettingen.
Er is tijdens de epidemie juist op in gezet om de alertheid van patiënten en artsen over Q-koorts te vergroten, zodat zoveel mogelijk mensen met symptomen konden worden gemeld.
Wat zijn de nieuwste inzichten over de werkzaamheid van het q-koortsvaccin bij geiten?
Op 14 juni 2011 heeft het RIVM een deskundigenberaad belegd over Q-koorts. Door deskundigen is toen vastgesteld dat er tot op dat moment op geen enkele bedrijf abortusproblematiek is gemeld die veroorzaakt is door de Q-koortsbacterie. Onderzoek naar de effectiviteit van de vaccinatie onder de geruimde geiten laat zien dat vaccinatie een sterke reductie van de uitscheiding van C. burnetii geeft. Tevens heeft het lammerseizoen van 2011, door het uitblijven van klinische verschijnselen van Q-koorts bij melkgeiten (abortus), de werkzaamheid van het vaccin in de totale gevaccineerde populatie dieren in de praktijk verder onderbouwd.
Wat zijn de cijfers over nieuwe besmettingen? Waarop zijn deze cijfers gebaseerd en hoe betrouwbaar zijn deze? Zijn deze cijfers van nieuwe besmettingen gecheckt door middel van representatief bloedonderzoek op bloeddonoren waarvan bekend is dat ze eerder nog geen q-koorts hadden?
Het aantal nieuwe besmettingen is niet vast te stellen. Het RIVM publiceert wel maandelijks een update van het aantal meldingen van patiënten met acute Q-koorts. Daaruit blijkt dat in 2011 82 patiënten gemeld zijn tegen 504 meldingen in 2010. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aantal nieuwe besmettingen ook sterk is afgenomen.
Het vaststellen van het aantal besmettingen (infecties) in de bevolking kan alleen door middel van grootschalig onderzoek waarin bij de deelnemers ten minste twee keer bloed wordt afgenomen. Voor een inschatting van het aantal besmettingen kan gebruik worden gemaakt van het onderzoek van Sanquin.
Wat is de directe schade van het q-koortsepidemie betreffende enerzijds medische kosten, gebaseerd op de nieuwste cijfers? Als dit niet bekend is, bent u dan bereid hiernaar onderzoek te doen?
Er is geen landelijke inschatting gemaakt van medische kosten en de economische schade als gevolg van Q-koorts.
De huidige inschatting van het aantal besmettingen dat ten grondslag lag aan het aantal gemelde ziektegevallen geeft geen aanleiding om nu een inschatting te maken van de medische kosten en de gevolgkosten van de Q-koortsepidemie.
Wat is de inschatting van de economische schade die voortkomt uit de q-koortsepidemie naar aanleiding van de nieuwste besmettingsgegevens, (dus schade m.n. doordat mensen niet meer of minder kunnen werken, of overlijden)? Als dit niet bekend is, bent u dan bereid hiernaar onderzoek te doen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid-nu blijkt dat de aantallen mensen met chronische q-koorts 1 tot 2% van 50 000 besmette individuen bedraagt – een q-koortsfonds in te stellen waar alle q-koortsslachtoffers gebruik van kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Het RIVM en het UMC Utrecht hebben onlangs onderzoek verricht naar het aantal patiënten met chronische Q-koorts. Op basis van dit onderzoek is het aantal patiënten met chronische Q-koorts dat nu door zorgverleners wordt behandeld geschat op 250 patiënten. Dat aantal zal naar verwachting nog oplopen in de komende jaren.
In mijn brief «Visie op schadefondsen» (Tweede Kamer, 2011–2012, 31 765, nr. 5) heb ik mijn standpunt ten aanzien van een Q-koortsfonds toegelicht.
De bezuinigingen op jongerenwerkers |
|
Nine Kooiman |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in veel gemeentes flink op het jongerenwerk wordt bezuinigd, en in een aantal plaatsen het jongerenwerk zelfs geheel verdwijnt?1
Het is aan het lokaal bestuur om te besluiten wie welke rol vervult en dus ook hoeveel wordt geïnvesteerd in lokaal jongerenwerk.
Erkent u dat jongerenwerk, mits goed uitgevoerd, vaak positieve effecten heeft voor de betreffende jongeren, de ervaren overlast en criminaliteit in de buurt afneemt en de veiligheidsbeleving van buurtbewoners vaak toeneemt?
Het jongerenwerk vervult van oudsher een speciale rol in de relatie jongere, buurt en welzijn.
Het kan een belangrijke rol spelen bij (vroegtijdige) signalering en ondersteuning van jongeren met problemen in de wijken. Problemen thuis en op straat gaan vaak hand in hand. Daarom geldt als uitgangspunt dat de benodigde ondersteuning zo dicht mogelijk bij kinderen en jongeren, in het gezin, op school en in de buurt in samenhang wordt georganiseerd. Ook in de aanpak van problematische jeugd is dit uitgangspunt leidend. Vroegtijdig en stevig ingrijpen voorkomt verder afglijden in hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag. Wij merken daar wel bij op dat inzet van het jongerenwerk een van de interventies is die kunnen worden ingezet, en niet het enige beschikbare middel.
Deelt u de vrees van onderzoeker Witte, gespecialiseerd in jeugd- en veiligheidsbeleid, dat je problemen kunt verwachten als de jongerenwerkers uit de wijken verdwijnen? Zo niet, op basis van welke onderzoeken of ervaringen heeft u een andere mening?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 en 4 is het aanbod van jongerenwerk niet het enige relevante aspect bij de aanpak van hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag onder jongeren «op straat». Daarvoor is bijvoorbeeld ook een goede samenwerkende keten van jeugd- en jongerenwerk, politie en openbaar ministerie nodig. Het bevoegde gezag heeft hierin een cruciale rol. Afhankelijk van de lokale speerpunten en problematiek, zal een burgemeester, samen met politie en OM, een plan van aanpak maken op het terrein van jeugd- en jongeren. In een dergelijk plan van aanpak zullen keuzes tot uiting moeten komen als het gaat om in te zetten middelen en capaciteit. Wij hebben er vertrouwen in dat de lokale autoriteiten hierbij tot goede en verantwoorde keuzes komen.
Erkent u dat jongerenwerkers vaak een nuttige buffer zijn tussen de wijkagent en samenleving, zoals criminoloog Ferwerda stelt? Erkent u dat jongerenwerkers met name van groot belang kunnen zijn om te voorkomen dat jongeren van het «hinderlijke» of «overlastgevende» type afglijden naar de criminaliteit, en er bijvoorbeeld voor te zorgen dat meelopende broertjes en zusjes niet hetzelfde foute pad op gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de vrees dat deze forse bezuinigingen op jongerenwerk in veel gemeenten een negatief effect zullen hebben op de ernst en omvang van overlast en criminaliteit? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Blijft het kabinet zich op het standpunt stellen dat gemeenten exclusief verantwoordelijk zijn voor het al dan niet inzetten van jongerenwerkers, ook als nu of in de nabije toekomst zou blijken dat door deze bezuinigingen op jongerenwerk overlast en criminaliteit zullen toenemen?
Zoals vermeld in antwoord op vragen 3 en 5 hebben wij er vertrouwen in dat de lokale autoriteiten tot goede en verantwoorde keuzes zullen komen over de inzet van het jongerenwerk en de andere beschikbare middelen voor de aanpak van hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag onder jongeren. Meer nog dan voor de Rijksbegroting is dat immers in het belang van de betreffende gemeenten zelf.
Erkent u dat een toename van overlast en criminaliteit op de langere termijn veel hogere kosten voor de rijksbegroting met zich mee zullen brengen dan het bedrag dat nu door deze bezuinigingen in de gemeentes wordt bespaard? Welke mogelijkheden ziet u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat, gelet op de stelselwijziging jeugdzorg, gemeenten moeten inzetten op preventie, zoals het jongerenwerk, zodat jongeren geen zwaardere zorg nodig hebben? Zo ja, bent u bereid met de Vereniging Nederlandse Gemeenten te overleggen en afspraken te maken over de inzet van het jongerenwerk in de gemeenten?
Eerdere ondersteuning en zorg op maat is één van de doelstellingen van de stelselherziening zorg voor jeugd. Gemeenten worden verantwoordelijk voor alle vormen van zorg voor jeugd, zowel preventieve ondersteuning als zwaardere vormen van zorg. Doordat regie en financiering naar één bestuurslaag (gemeente) gaan, kunnen gemeenten zelf prioriteiten stellen en is er een stimulans om meer te investeren in preventie.
In het ondersteuningsprogramma dat het rijk samen met de VNG aan gemeenten bieden in de aanloop naar de stelselherziening jeugd zal veel aandacht besteed worden aan de beoogde zorginhoudelijke vernieuwing die onder andere gericht is op versterken van preventie. Het is echter aan de gemeenten om afspraken te maken over de vraag hoe de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet. Het behoort niet tot onze verantwoordelijkheden om afspraken te maken met gemeenten over de inzet van jongerenwerk.