De efficiëntie van de Nederlandse schuldhulpverlening |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Effectiviteit schuldhulp zwaar onder vuur»1 en «Onzichtbare miljoenen, zichtbare schulden»?2
Ja.
Kloppen de in de artikelen genoemde cijfers zoals dat van de honderd mensen die zich met schulden melden er slechts acht van hun schulden af komen, dat voor 70 procent van de aanvragers geen oplossing voor hun schuldproblemen te realiseren is binnen het bestaande schuldhulpproces en dat via de gemeentelijke kredietbank (GKB) en de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen samen nog geen 5 procent van alle aanmeldingen voor schuldhulpverlening wordt opgelost? Zo nee, wat zijn volgens u dan de juiste cijfers?
Uit het jaarverslag 2010 van de NVVK blijkt dat 38 procent van de trajecten om een saneringskrediet, schuldbemiddeling, herfinanciering of betalingsregeling te realiseren, succesvol is en ook daadwerkelijk leidt tot de opstart van een schuldbemiddeling of saneringskrediet. In 2007 was dit percentage 22%. Volgens de NVVK liggen er meerdere redenen ten grondslag aan een niet succesvolle uitkomst. Niet geslaagde pogingen kunnen worden toegeschreven aan onvermijdelijke uitval (omdat schuldeisers weigeren mee te werken), zelfgekozen uitval (omdat de schuldenaar niet aan de voorwaarden wil voldoen), of om ongewenste uitval (omdat de schuldenaar niet aan de voorwaarden kan voldoen).
Volgens het NVVK jaarverslag 2010 zijn de minnelijke en wettelijke schuldregelingen ongeveer even succesvol. Van de opgestarte minnelijke trajecten (met een looptijd van maximaal 3 jaar) rondt 70% van de schuldenaren deze succesvol af met een schuldvrije toekomst als resultaat. Volgens de Monitor Wsnp 7de meting (over het jaar 2010) start 71% van de schuldenaren na het Wsnp traject met een schone lei. Daarnaast is er bij de overige beëindigingen een klein deel waarbij de schulden volledig worden afbetaald. Het slagingspercentage Wsnp ligt daarmee op 73,5%.
Heeft u zicht op het aantal aanvragen voor schuldhulpverlening dat niet in behandeling wordt genomen? Zo ja, om hoeveel aanvragen gaat het en welke redenen liggen ten grondslag aan de weigering? Deelt u met ons de opvatting dat het onwenselijk als mensen worden uitgesloten van schuldhulpverlening, terwijl er geen verwijtbare redenen zoals een gebrekkige medewerking van de schuldhebber zijn geweest? Zo nee, waarom niet?
De meest recente cijfers over het aantal aanvragen voor de minnelijke schuldhulpverlening dat niet in behandeling wordt genomen, staan in het jaarverslag 2009 van de NVVK. Hierin staat dat er in 2009 53 250 aanvragen zijn ingediend waarvan er 10 125 niet zijn geaccepteerd. Er kunnen meerdere redenen ten grondslag liggen aan de afwijzing. Voorbeelden hiervan zijn onvoldoende motivatie of medewerking door de schuldenaar, recidive of fraude.
Op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt schuldhulpverlening een op de wet gebaseerde taak van gemeenten. De gemeenteraad stelt een plan op dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van de betreffende gemeente. Het college van B en W beslist in concrete gevallen over het al dan niet verlenen van schuldhulpverlening. In artikel 3, lid 2 en 3 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is opgenomen dat het college in ieder geval schuldhulpverlening kan weigeren in geval een persoon al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening of in geval een persoon fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en die persoon in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd. Het is wenselijk dat het college van B en W de wijze waarop zij omgaat met de bevoegdheid om in concrete gevallen een natuurlijke persoon de toegang tot de schuldhulpverlening te ontzeggen, vastlegt in beleidsregels.
Een beslissing van het college van B en W tot het doen van een aanbod of tot het weigeren van schuldhulpverlening is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen een dergelijke beslissing is dan ook bezwaar en beroep mogelijk.
Op basis van het voorgaande is duidelijk dat het college van B en W in concrete gevallen beslist over het aanbieden, dan wel weigeren van schuldhulpverlening en dat deze beslissing vatbaar zal zijn voor bezwaar en beroep. Ik vertrouw erop dat dit tot evenwichtige uitkomsten zal leiden.
Volgens de Monitor Wsnp werd in 2010 16,6% van de Wsnp-verzoeken afgewezen, 9,7% werd ingetrokken en 4,6% werd niet ontvankelijk verklaard.
Kunt u daarnaast inzicht geven in het totaal van publieke middelen dat omgaat in de Nederlandse schuldhulpverlening? Is het mogelijk om hierbij een onderscheid te maken in de kosten voor minnelijke schuldhulpverlening en de schuldhulpverlening die via de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen verloopt?
Het kabinet houdt geen gegevens bij over gemeentelijke uitgaven aan schuldhulpverlening. Deze gegevens zijn ook niet elders op geaggregeerd niveau beschikbaar. Voor de financiering van schuldhulpverlening staan gemeenten meerdere bronnen ter beschikking. De belangrijkste financieringsbronnen zijn de algemene uitkering in het gemeentefonds en, in de periode 2009–2011, de specifieke uitkering schuldhulpverlening waarmee € 110 miljoen aan gemeenten is toegekend.
De kosten voor de WSNP bedroegen in 2010 circa € 36 miljoen. Dit betreft de subsidies voor bewindvoerders, de organisatiekosten en de kosten van de rechtspraak.
Deelt u de conclusie dat de efficiëntie en transparantie van de schuldhulpverlening te laag is? Welke maatregelen bent u dan bereid te treffen om de efficiëntie en transparantie van de schuldhulpverlening te verbeteren? Zo nee, waarom bent u dan van mening dat de efficiëntie en transparantie van de schuldhulpverlening voldoende is?
In 2007 is een onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van schuldhulpverlening door gemeenten. Uit dit onderzoek «Schulden? De gemeente helpt» (Kamerstukken II, 2008/09, 24 515, nr. 140) blijkt dat de effectiviteit beperkt is en varieert per gemeente. Om de effectiviteit te vergroten is, mede naar aanleiding van het genoemde onderzoek, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening tot stand gekomen. Deze wet zal per 1 juli 2012 in werking treden en biedt een wettelijk kader voor integrale schuldhulpverlening onder regie van gemeenten. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening legt een bodem in de gemeentelijke schuldhulpverlening en creëert daarmee een stevige basis voor effectieve en kwalitatieve gemeentelijke schuldhulpverlening.
De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geeft op landelijk niveau invulling aan de systeemverantwoordelijkheid van de regering voor de schuldhulpverlening door gemeenten.
Daarnaast worden gemeenten ondersteund bij het verbeteren en effectiever maken van hun schuldhulpverlening met het ondersteuningsprogramma «Op weg naar effectieve schuldhulp».
Bent u van mening dat het minnelijk traject moet worden versterkt om een beter slagingspercentage te realiseren en de doorstroom naar de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen te verminderen? Welke maatregelen wilt u hiervoor dan nemen? Zo nee, waarom vindt u dit niet wenselijk?
Ja, het is inderdaad wenselijk dat het minnelijke traject wordt versterkt. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening strekt hiertoe. Gemeentelijke schuldhulpverlening die effectiever en kwalitatief beter is, zal er aan bijdragen dat het beroep op de Wsnp, omdat een buitengerechtelijke schuldregeling niet mogelijk is, wordt beperkt.
Het bericht 'Ministerie straft mosselvissers' |
|
Johan Houwers (VVD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ministerie straft mosselvissers?»1
Ja.
Hoe lang heeft het geduurd voordat Zeeuwse mosselvissers op de hoogte werden gesteld over de status van hun vergunningsaanvraag om mosselzaad te verschepen naar de Waddenzee?
De vergunningaanvraag is door de Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur (hierna: P.O. Mosselcultuur) namens 47 mosselvissers op 1 maart 2012 ingediend. Op 27 maart 2012 is de betreffende vergunning onder diverse voorwaarden verleend. De betrokken vissers zijn tijdens dit proces door de P.O. Mosselcultuur in de aanloop en tijdens de vergunningverlening, op de hoogte gehouden. De transporten zijn vervolgens op 2 april 2012 gestart.
Kon de mosselvissers met behulp van gegevens uit de black box een tocht naar de Waddenzee worden bespaard als zij eerder waren geïnformeerd dat zij buiten de afgesproken coördinaten hadden gevist?
Nee. De betreffende black-box data zijn na aandragen ervan door de P.O. Mosselcultuur, door toezichthouders van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, tezamen met de medewerkers van de P.O. Mosselcultuur direct zorgvuldig geanalyseerd alvorens contact op te nemen met de betrokken vissers. Om 18.30 uur kwamen de meldingen binnen en om 21.30 uur was de analyse gereed en zijn de vissers direct gebeld.
Acht van de betrokken vissers bevonden zich op het moment van melden door de toezichthouders van het ministerie nog in de provincies Zeeland en Zuid-Holland en hebben op basis van de aangegeven informatie, zelf er voor gekozen niet door te varen naar de Waddenzee. Één visser was enige tijd telefonisch niet bereikbaar voor deze toezichthouders en kon daarom pas drie kwartier later worden bericht.
Deelt u de mening van de vissers dat de inspectie adequater had kunnen optreden? Zo nee, waarom niet?
Nee, de toezichthouders van het ministerie hebben, in samenspraak met medewerkers van de P.O. Mosselcultuur, uiterst zorgvuldig en nauwkeurig de black box-data geanalyseerd en onmiddellijk na vaststelling van eenduidige conclusies daarover, telefonisch contact gezocht met de betrokken vissers. Dit nauwkeurig en in detail analyseren van de data vergt, logischerwijs, enige tijd. Ik hecht sterk aan een dergelijke zorgvuldigheid, zeker gezien de belangen die aan de zijde van de betrokken vissers hiermee gemoeid zijn.
Aan welke spelregels moeten de mosselvissers precies voldoen om toegelaten te worden tot dit project? Bent u van mening dat de vissers voldoende op de hoogte waren gesteld over de toelatingseisen en andere aanverwante zaken? Zo nee, waarom niet?
De «spelregels» staan vermeld in de op 27 maart 2012 afgegeven vergunning; de voorschriften die aan deze vergunning zijn verbonden zijn in nauw en intensief overleg met de P.O. Mosselcultuur, als vertegenwoordiger van de vergunninghouders, tot stand gekomen. De P.O. Mosselcultuur heeft de mosselvissers hierover inhoudelijk geïnformeerd en geïnstrueerd.
Is het waar dat de regels op dit gebied in Nederland strikter worden toegepast dan in landen zoals Duitsland, Engeland en Ierland? Zo ja, bent u bereid om de regelgeving zodanig aan te passen dat er sprake is van een gelijk speelveld?
De betreffende transporten zijn vergunningplichtig op grond van de Natuurbeschermingswet 1998; deze vergunningplicht vloeit rechtstreeks voort uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn. De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 8 april 2012 nog geoordeeld dat dit volledig geharmoniseerde EU-wetgeving is.
Mij is niet bekend dat de regels in andere, omringende landen minder strikt zouden worden toegepast dan in Nederland het geval is. Nederland opereert overeenkomstig de geldende regels.
Overigens geldt het door mij vergunde verplaatsingsregime, dat in goed overleg door alle belanghebbenden (P.O. Mosselcultuur, natuurorganisaties en het ministerie van EL&I) is overeengekomen, vooralsnog uitsluitend voor de periode van 2 april tot en met 19 april 2012.
Thans vindt overleg plaats over een structurele regeling voor schelpdiertransporten vanaf 2013.
Matchfixing |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De Finse Fiks. Ook het minst corrupte land van Europa in de greep van de gokmaffia»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat ook Finland, het land dat volgens de meest recente cijfers van de gerenommeerde Transparancy International Index het minst corrupte land van heel Europa is, in de greep is van de gokmaffia?
Ik ben niet bekend met de specifieke problematiek in Finland, anders dan via het door u genoemde artikel. Ik ben me wel bewust van het feit dat match fixing een bedreiging is voor de sport die in elk land en in elke sport kan voorkomen.
Is het waar dat de stadions in Finland niet meer vol zitten omdat het voetbal de dreun van het matchfixing niet meer te boven is gekomen?
Ik kan deze stelling niet beoordelen omdat ik niet op de hoogte ben van de specifieke situatie in Finland.
Is het waar dat jonge voetballers uit arme landen de grens over worden gelokt met mooie beloftes over een voetbalcarrière, terwijl deze spelers in werkelijkheid door de voetbalmaffia ingezet worden bij het matchfixen? Hoe beoordeelt u de stelling dat hier sprake is van «moderne slavernij»? Sluit u uit dat deze praktijken zich ook in Nederland voordoen?
Mij zijn geen gevallen bekend waarbij jonge spelers uit arme landen in Nederland worden misbruikt voor match fixing, maar ik kan dit niet uitsluiten. De stelling dat bij dergelijke praktijken sprake is van moderne slavernij kan ik niet in algemene zin beoordelen. Er wordt, voor zover mij bekend, geen onderzoek gedaan naar aard en omvang van eventueel misbruik van deze jonge spelers in Nederland. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat dergelijke praktijken zich in Nederland voordoen zie ik ook geen aanleiding om een dergelijk onderzoek te starten. Wel monitort de Koninklijke Nederlandse VoetbalBond (KNVB) bij elke transfer de betrokkenheid van spelersmakelaars.
Klopt het bericht dat makelaars voor luttele bedragen het spelerspaspoort kopen van deze uit arme landen afkomstige spelers, om vervolgens deze jongens «te laten doen wat zij willen»? Houdt u er rekening me dat deze praktijken zich ook in Nederland voordoen? Wordt er onderzoek gedaan naar de aard en omvang van de «moderne slavernij» in het voetbal en de rol die makelaars mogelijk bij deze praktijken vervullen? Zo ja, welk onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u, ook na deze aanvullende berichten, nog steeds niet bereid om extra tijd en geld vrij te maken voor een onderzoek naar de fixbendes?2
Zie antwoord vraag 4.
Blijft u van mening dat het primair de verantwoordelijkheid is van spelers om niet toe te geven aan de verleidingen, of ziet u voor u zelf een rol bij het voorkomen en opsporen van dergelijke delicten, nu blijkt dat criminelen een serieuze bedreiging vormen voor het voetbal en de vaak jonge en vaak uit arme landen afkomstige spelers? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ik blijf van mening dat het primair de verantwoordelijkheid van spelers is om niet toe te geven aan de verleidingen om veel geld te verdienen door mee te werken aan frauduleuze praktijken. Daarnaast heeft de KNVB een grote verantwoordelijkheid in het behouden van de integriteit van de sport. De KNVB zet fors in op diverse preventieve maatregelen. Aanvullend heeft de regering een rol om op nationaal en Europees niveau kennis te delen en de sportsector in staat te stellen preventieve projecten te voeren. Voor de aanpak van criminele gedragingen gerelateerd aan match fixing volstaat het nationaal strafrechtelijk stelsel.
Koeien die dansend de wei in gaan |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Werd u ook zo vrolijk van de nieuwsberichten, foto’s en commercials van koeien die dartelend de eerste keer de wei in gingen?1
De initiatieven van de zuivelsector om weidegang te bevorderen en daar meer publicitaire aandacht aan te geven vind ik een positieve ontwikkeling. Weidegang komt op diverse punten tegemoet aan de behoefte van de koe om haar natuurlijk gedrag te kunnen vertonen. En ja, ik werd ook vrolijk van de beelden.
Deelt u de mening dat de uitbundigheid waarmee de dieren de eerste keer de wei in gaan levendig bewijs is dat het jaarrond opstallen van koeien niet in het belang van de koeien is?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat vermindering van de weidegang als gevolg van de schaalvergroting in de melkveehouderij een zorgelijke ontwikkeling is, die ten koste gaat van maatschappelijk draagvlak, dierenwelzijn, diergezondheid en bedrijfseconomische perspectieven van melkveehouders? Zo nee, waarom niet?
Weidegang is een belangrijk thema van de partners in de Duurzame Zuivelketen. Friesland Campina en andere zuivelbedrijven hebben in 2011 mooie initiatieven met stimulerende maatregelen ontplooid om verreweg het grootse gedeelte van de Nederlandse melkkoeien tijdens de zomermaanden in de wei te laten grazen. Juist omdat een goede uitstraling ook in het belang van de zuivelketen is. Verplichten van weidegang acht ik ongewenst, het is aan de partners in de keten om aan weidegang invulling te geven, zoals ook gebeurt.
Deelt u de mening dat weidegang gezonder is voor de koeien, dat het beter is voor de bedrijfseconomie, dat de uitstraling van het boerenbedrijf verbetert en dat het mooier is voor het landschap?2 Zo ja, bent u bereid om weidegang verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel 'Hoe bedrijven sollicitanten misleiden met spookvacatures |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe bedrijven sollicitanten misleiden met spookvacatures»?1
Ja.
Bent u bekend met het fenomeen dat bedrijven en uitzendbureaus spookvacatures plaatsen om een lege winkelruit of vacaturesite te voorkomen? Zo ja, wat vindt u van deze «spookvacatures»?
Ik ben bekend met het fenomeen «nepvacatures» of «spookvacatures». Zoals ook mijn ambtsvoorganger heeft gemeld, is dit ongewenst indien de werkgever de intentie heeft om de werkzoekende op een verkeerd spoor te zetten. Echter, het komt ook veelvuldig voor dat werkgevers vacatures bekend maken die niet altijd alleen zijn bedoeld voor de invulling van een concrete personeelsbehoefte op dat moment, maar gericht op hun personeelsbehoefte op de langere termijn. Dit fenomeen wordt ook wel «permanente vacature» genoemd, omdat de werkgever door de tijd heen sollicitanten wil genereren.
De begrippen «nepvacatures» en «spookvacatures» dienen dan ook genuanceerd te worden gebruikt. Er wordt in veel gevallen wel degelijk perspectief op de langere termijn geboden. In het bijzonder bedrijven met een groot personeelsverloop (vaak grote bedrijven) en uitzendorganisaties hebben een permanente personeelsbehoefte, waardoor het bekendmaken of opnemen van een cv bij deze organisaties een effectieve vorm van solliciteren is.
Minister Donner heeft destijds in beantwoording op mijn Kamervragen aangegeven dat brancheorganisaties als de ABU (Algemene Branche Uitzendbureaus) een oplossing voor dit probleem zouden moeten vinden. De brancheorganisaties hebben hier vervolgens geen gehoor aan gegeven. Vindt u het wenselijk dat door dit wijzen naar elkaar niemand de verantwoordelijkheid oppakt en het probleem blijft liggen? Bij wie ligt nu de verantwoordelijkheid om dit probleem aan te pakken?
Het proces van werving en selectie is een private aangelegenheid. De verantwoordelijkheid ligt dan ook bij de onderneming.
Bent u bereid om met de verschillende belangenorganisaties om tafel te gaan zitten om hier afspraken over te maken en tot een oplossing te komen?
De branche geeft zelf ook aan dat zij het de verantwoordelijkheid vindt van de ondernemingen zelf. Ik zie dan ook geen toegevoegde waarde in een gesprek met de betrokken organisaties.
Zo ja, wilt u in dit gesprek aankaarten dat de branche in ieder geval onderzoek naar het fenomeen «spookvacatures» gaat doen, aangezien omvang en aard van de problematiek nog niet exact bekend is?
Zoals hiervoor gemeld, zie ik niet de toegevoegde waarde in van een gesprek hierover.
Ziet u het als een mogelijkheid dat bedrijven en uitzendbureaus bij vacatures expliciet een waarschuwing in de vacaturetekst plaatsen wanneer de desbetreffende baan er op dit moment nog niet is?
Het is aan de ondernemingen zelf om dit op te pakken. De sector zelf heeft ook al initiatieven genomen om het sollicitatieproces inzichtelijker te maken. Zo bestaat er een sollicitatiecode waarin normen zijn opgenomen voor een transparante en eerlijke werving en selectieprocedure. Deze code is ontwikkeld door de Nederlandse Vereniging voor Personeelsmanagement & Organisatieontwikkeling (NVP) in overleg met de Stichting van de Arbeid. De code is ook te vinden op de site van de Kamer van Koophandel. Naleving is niet verplicht.
In deze code zijn basisregels opgenomen die arbeidsorganisaties en sollicitanten in acht behoren te nemen bij de werving en selectie ter vervulling van vacatures.
Hoe kijkt u aan tegen een informatieplicht voor uitzendbureaus zodat een sollicitant altijd weet wat de uitkomst van zijn sollicitatie is ook al is deze online gedaan?
Dit vind ik niet nodig, omdat er al initiatieven uit de sector zijn genomen, zoals de genoemde sollicitatiecode. Hierin is bijvoorbeeld opgenomen dat de arbeidsorganisatie de sollicitant zo spoedig mogelijk (binnen enkele weken) na de sluitingsdatum bericht of hij wordt afgewezen, wordt uitgenodigd of dat zijn sollicitatie wordt aangehouden (onder vermelding van de termijn waarbinnen nader bericht volgt).
Het bericht 'Bondgenoot zette aan tot antiwesterse rellen' en andere mediaberichten over de missie in Kunduz |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bondgenoot zette aan tot antiwesterse rellen?»1
Ja.
Wat is uw reactie op de dubbele loyaliteit van een lid van de Provinciale Raad in Kunduz, voormalig mullah Khosh Mohammed, die enerzijds een prominente rol speelt in het provinciale bestuur en geacht wordt een bondgenoot te zijn van het Westen en anderzijds heeft aangezet tot antiwesterse rellen omdat hij dit ziet als zijn religieuze plicht?
Ik betreur de gewelddadige protestacties in Kunduz en ben bezorgd over de onrust die de incidenten onder de bevolking hebben veroorzaakt. Er zijn geen bewijzen dat Khosh Mohammed een actieve rol heeft gespeeld bij het aanjagen van de onlusten.
Bent u bereid om de samenwerking met dit lid van de Provinciale Raad direct op te zeggen? Zo nee, welke consequenties verbindt u aan deze aanzet tot antiwesterse rellen?
De missie onderhoudt samen met lead-nation Duitsland intensief contact met alle leden van de Raad. In gesprekken met de Raad wordt met de leden gesproken over hun verantwoordelijkheden als volksvertegenwoordiger.
Deelt u de visie van defensiedeskundige Ko Colijn, die in het bovenstaande bericht het volgende stelt: «De gemiddelde Afghaan heeft geen andere keus dan te gokken op de partij die uiteindelijk blijft of wint, en dat is dus eerder de Taliban dan de internationale troepenmacht ISAF, want die missie stopt en die van de Taliban nooit?» Zo nee, waarom niet?
De bevolking heeft geen behoefte aan terugkeer naar de terreur en het extremisme van het Taliban bewind van ruim tien jaar geleden. Voortdurende terroristische aanslagen van de Taliban waarbij onschuldige Afghaanse burgers om het leven zijn gekomen hebben de reputatie van de Taliban beschadigd. De steun onder de bevolking voor de centrale regering heeft wel te lijden onder zwak Afghaans bestuur en corruptie. De komende periode zal de regering Karzai daarom meer daadkracht moeten tonen in het verbeteren van het openbaar bestuur.
Daarnaast is het van belang dat de NAVO en de rest van de internationale gemeenschap blijven benadrukken dat zij ook na 2014 betrokken zijn bij het land. De bevolking moet erop kunnen rekenen dat de internationale gemeenschap hen na 2014 niet aan hun lot overlaat.
Kunt u uitvoerig motiveren hoe u bijgaande stelling interpreteert dat uit de volksopstand, die veroorzaakt werd door de koranverbranding, een diepgewortelde haat tegen het Westen en haar aanwezige militairen blijkt, zoals ook gemeld wordt in rapporten van het Amerikaanse leger en wordt bevestigd door de broedermoorden op Westerse militairen door Afghaanse overheidsfunctionarissen die door diezelfde Westerse militairen zijn opgeleid?2
De incidenten maken duidelijk hoe belangrijk het is de lokale bevolking te betrekken bij de activiteiten van de internationale gemeenschap in Afghanistan en de Afghaanse cultuur en gebruiken te respecteren. Evenals de NAVO is de geïntegreerde politietrainingsmissie hiervan goed doordrongen.
Deelt u de mening dat In het opinieartikel «Er is geen civiele missie in Afghanistan, die is er nooit geweest» uitstekend beredeneerd wordt dat Afghanistan een oncontroleerbare puinhoop is door o.a. collaboratie van Afghaanse soldaten met de Taliban, het doden van NAVO-militairen, de fout geschetste aard van de missie (geen wederopbouw, maar oorlogsmissie), het als een inktvlek verspreide geweld ook in het voorheen rustige noorden, corruptie, rivaliserende stammen en het dubbelspel van Pakistan.3 Wat is uw reactie op bovenstaand artikel, de genoemde argumenten en de conclusie van de auteur dat «het tijd is om te vertrekken»?
De situatie in Afghanistan is complex en zorgelijk, maar de afgelopen jaren is veel bereikt op het gebied van opbouw van het veiligheidsapparaat, sociaaleconomische ontwikkeling en mensenrechten. Om zeker te stellen dat deze positieve ontwikkelingen niet teniet worden gedaan, is betrokkenheid van de internationale gemeenschap bij Afghanistan nodig. Tegelijkertijd is de doelstelling dat de Afghaanse overheid volledige verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van het land en dat internationale aanwezigheid en steun wordt afgebouwd.
In hoeverre staat u ondanks recente ontwikkelingen nog steeds achter de conclusie, zoals blijkt uit antwoorden van de regering op eerdere vragen over een geheim NAVO rapport over samenwerking tussen de Taliban en de Afghaanse regering, dat het transitieproces volgens plan verloopt en dat in de gebieden waar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid reeds is overgedragen aan de Afghaanse veiligheidsdiensten het vigerende veiligheidsniveau is gehandhaafd?4 Worden de grote problemen wederom gebagatelliseerd?
Ik sta achter deze conclusie.
Kunt u aangeven hoeveel Westers geld bijdraagt aan de salarissen van de Afghaanse agenten die worden opgeleid in Kunduz? Deelt u de mening dat hiermee feitelijk hun loyaliteit wordt gekocht en dat de Afghaanse agenten bij de stopzetting van deze Westerse geldstroom zich zullen afkeren van de Afghaanse regering?
Uit het Law and Order Trust Fund (LOTFA) dat in 2002 werd opgericht, worden politiesalarissen betaald, infrastructuur en materieel bekostigd en opleidingen verzorgd. Dit fonds wordt door de internationale gemeenschap voorzien van middelen en wordt namens de donoren beheerd door UNDP. De salarissen worden overgemaakt via het electronic payroll system van de Afghaanse overheid. Het LOTFA heeft geen invloed op de werknemer- en werkgeverrelatie; er kan dus niet worden gesproken van het kopen van loyaliteit.
Nederland draagt dit jaar EUR 10 miljoen bij aan het LOTFA. Het gaat hierbij niet om een specifieke bijdrage aan salarissen voor de politie in Kunduz.
Bent u bereid om onze Nederlandse politietrainers en militairen zo snel mogelijk terug te trekken uit de puinzooi die Afghanistan heet en het sprookje van een succesvolle wederopbouwmissie in dit woestijnland te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
De geïntegreerde politietrainingsmissie levert tot en met 2014 een belangrijke bijdrage aan de capaciteitsopbouw van de civiele politie en de versterking van de rechtstaat en ik zie geen reden deze voortijdig te beëindigen.
Hoe staat u tegenover de eis van de Verenigde Staten dat andere NAVO-lidstaten een financiële bijdrage moeten leveren voor de Afghaanse strijdkrachten en politie na 2014?5 Deelt u de mening dat in de uitgeklede defensiebegroting, de uitgaven in de post crisisbeheersingsoperaties (HGIS), hiervoor de ruimte ontbreekt en Nederland ook financieel de handen moet aftrekken van Afghanistan? Zo nee, waarom niet?
Na de transitie in 2014 zijn de Afghaanse veiligheidsdiensten (ANSF) verantwoordelijk voor de veiligheid in Afghanistan. De verdere stabilisering en ontwikkeling van Afghanistan hangen af van de mate waarin zij deze taak effectief uitvoeren. Daarom is het cruciaal dat de internationale gemeenschap de ANSF blijft ondersteunen. Nederland zal hieraan een financiële bijdrage leveren. Zoals toegezegd aan de Kamer, zal u binnenkort hierover nader worden geïnformeerd.
Wilt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het weigeren van hulp aan gewonde dieren door de dierenpolitie omdat de eigenaar onvindbaar is |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het ook zo merkwaardig dat een gewond schaap al meer dan twee dagen door hulpdiensten aan zijn lot wordt overgelaten, enkel omdat de eigenaar van het dier onvindbaar is?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat de meldster door medewerkers van het meldnummer 144 «Red een Dier» van het kastje naar de muur is gestuurd, terwijl deze als centraal meldpunt zou moeten fungeren? Bent u voornemens om de medewerkers van de het meldnummer hierover aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Het meldnummer 144 is een centraal ingericht meldpunt voor alle meldingen van dieren in (acute) nood. Met dieren in nood worden alle mishandelde, verwaarloosde en gewonde dieren bedoeld.
De centralisten van het meldnummer 144 beoordelen aan de hand van een aantal criteria waar een melding naar toe moet gaan. Dat kan de dierenpolitie, de Dierenbescherming of de Dierenambulance zijn. De centralisten van het meldnummer zijn dus niet verantwoordelijk voor de opvolging van de doorgezette meldingen. Dat zijn de organisaties aan wie de meldingen worden doorgegeven. Deze beoordelen welke vervolgactie en welke inzet wordt ondernomen naar aanleiding van de desbetreffende melding. In geval van acute nood is het protocol bij het meldnummer 144, dat de melding wordt overgedragen naar het noodhulpproces van de regio waar het incident plaatsvindt. Deze overdracht vindt plaats middels het doorverbinden van de melder naar de meldkamer van de regiopolitie of de veiligheidsregio (brandweer).
Het aanspreken van de medewerkers van het meldnummer 144 is derhalve niet opportuun.
Is het correct dat de dierenpolitie en andere hulpdiensten alleen dieren hulp mogen bieden wanneer de eigenaar bekend en vindbaar is? Zo ja, hoe verhoudt zich het niet willen ingrijpen van de dierenpolitie tot de specifieke taak om hulp te bieden en de wettelijke plicht van eenieder om hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen?2 Zo nee, bent u bereid om het meldnummer 144 hierover te informeren?
Het is niet correct dat de dierenpolitie en hulpdiensten alleen dieren hulp mogen bieden wanneer de eigenaar bekend en vindbaar is. Zo wordt er bijvoorbeeld ook hulp geboden aan onder meer gewonde dieren in het wild en aan zwerfdieren.
De medewerkers bij het meldnummer 144 zijn hiervan op de hoogte en zullen deze meldingen dan ook door blijven zetten naar organisaties die voor afhandeling daarvan zorgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er, aldus een woordvoerder van het Korps landelijke politiediensten, honderden soortgelijke lastige gevallen zijn die in een grijs gebied vallen en dus door de hulpdiensten aan hun lot worden overgelaten? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De woordvoerder van het KLPD heeft met deze opmerking proberen aan te geven dat er in de praktijk nog wel eens verwarring is over de wijze waarop een melding moet worden opgevolgd door de betreffende instanties. De hulpverleningskant wordt dit jaar verbeterd, conform het convenant dierenhulpverlening.
De financiering van grote sportevenementen |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de internationale organisatie TAFISA Nederland heeft gevraagd in 2014 de First European Sport for All Games 2014 in Friesland te organiseren?
Ja.
Is het waar dat de First European Sport for All Games 2014 één van de grootste breedtesportevenementen in de wereld is? Deelt u de mening dat het om een belangrijk sportevenement gaat? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet?
De First European Sport for All Games in 2014 in Friesland worden voor het eerst georganiseerd. Er kan daarom nog geen uitspraak gedaan worden over de grootte en daadwerkelijke impact van dit evenement.
Bent u bekend met het feit dat eerdere edities van de First European Sport for All Games 2014 5 000–7 500 deelnemers trokken uit meer dan 100 landen en honderdduizenden bezoekers? Bent u bekend met het feit dat het gaat om de «open» Europese Spelen, die qua aard en omvang vergelijkbaar zijn met eerder gehouden World Games? Deelt u de mening dat het evenement, gezien de omvang, bijdraagt aan de vereiste «track record» van grootschalige evenementen die nodig zijn voor het mogelijk binnenhalen van de Olympische Spelen 2028?
De European Sport for All Games in 2014 in Friesland betreffen een eerste editie van het evenement. Deelnemersaantallen en andere gegevens zijn dan ook nog niet bekend. Wel zijn de gegevens van eerdere edities van de World Sport for All Games bij mij bekend. De meest recente editie was in Zuid-Korea. Er deden toen ruim 10 000 deelnemers mee uit 101 landen. Van deze deelnemers kwam zo’n 25% uit het buitenland.
Of de «open» Europese Spelen qua aard en omvang vergelijkbaar zijn met de eerder gehouden World Games, moet nog blijken.
Vanwege de aard van het evenement, waarbij lokale niet-olympische traditionele en demonstratiesporten centraal staan, zal het evenement naar verwachting een beperkte bijdrage leveren aan het track record voor de Olympische Spelen 2028.
Het evenement kan wel een goede bijdrage leveren aan de doelstellingen van het Olympisch Plan gericht op een vitale en sportieve samenleving. De betreffende sporten zijn laagdrempelig en toegankelijk voor een breed publiek (voor Nederland bijvoorbeeld kaatsen en klootschieten). Het evenement kan een groot aantal lokale deelnemers trekken. Er worden verder rondom het evenement activiteiten georganiseerd voor de lokale bevolking, waarbij verbindingen worden gelegd tussen de sport en cultuur, gezondheid, economie, toerisme en onderwijs.
Deelt u de mening dat dit evenement bijdraagt aan de doelstellingen van het Olympisch Plan, zoals het oorspronkelijk bedoeld is, namelijk door middel van het stimuleren van breedtesport te komen tot een meer vitale samenleving op diverse vlakken? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 3.
Is het waar dat de First European Sport for All Games 2014 niet voor medefinanciering door het Rijk in aanmerking komt omdat u alleen topsportevenementen wil financieren voor sporten waarvoor Nederland een Top-10 ambitie heeft? Op welk moment gaat u deze plannen met de Kamer delen? Deelt u de mening dat het besluit om alleen nog maar topsportevenementen te financieren voor sporten waarvoor Nederland een Top-10 ambitie heeft, eerst nog in de Kamer moet worden besproken? Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat u, voordat u met de Kamer over dit onderwerp van gedachten heeft gewisseld, onomkeerbare beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Binnen het huidige evenementenbeleid ondersteunt het Rijk de voorbereiding en organisatie van topsportevenementen, zoals EK’s, WK’s alsmede Olympische/ Paralympische Kwalificatie Toernooien. Dit geldt voor die takken van sport waarvan de Nederlandse atleten tot de beste van de wereld behoren of daar binnen vier jaar zicht op hebben. Deze evenementen kunnen zowel betrekking hebben op de doelgroepen jeugd (junioren), senioren en gehandicapten. Het evenementenbeleid is vastgelegd en gemeld aan de Kamer in de nota Tijd voor Sport (TK 2004–2005, 30 234 nr. 2) en het uitvoeringsprogramma Samen voor Sport (TK 2005–2006, 30 234 nr. 6). De First European Sport for All Games passen niet binnen de criteria van dit beleid.
Ik heb de ontwikkeling van een nieuw kader voor het evenementenbeleid (nog) niet uitgebracht. Wij waren daar druk mee bezig, maar gezien de demissionaire status van dit kabinet heb ik besloten dit aan het volgend kabinet te laten. Totdat er nieuw beleid is vastgesteld geldt het huidige evenementenbeleid.
Kleine ondernemers die de volledige ketenboete voor illegale arbeidskrachten in hun maag gesplitst krijgen |
|
Martijn van Dam (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat kleine ondernemers de volledige ketenboete voor het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning moeten betalen, omdat opdrachtgevers contractueel hebben vastgelegd dat zij hun individuele boete kunnen verhalen op deze kleinere ondernemers, dan wel simpelweg de individuele boetes doorbelasten of verrekenen met betalingen aan deze kleinere ondernemers, ook als er daarover contractueel niets geregeld is?
Het komt voor dat opdrachtgevers met (onder)aannemers contracten afsluiten waarin wordt vastgelegd dat eventuele boetes voor illegale arbeid door de opdrachtgevers worden verhaald op de (onder)aannemer. Hoe vaak dit gebeurt is niet bekend. Als er geen contractuele afspraken zijn gemaakt, is het de vraag in hoeverre doorbelasten of verrekenen alsnog plaatsvindt. Dat hangt af van eventuele afspraken die partijen daarover overeenkomen op het moment dat het zich voordoet.
Deelt u de opvatting dat opdrachtgevers met deze contractbepalingen en/of door deze verrekeningen, de beoogde neerslag van de ketenboete voor inzet van illegale arbeidskrachten omzeilen en kleine ondernemers ten onrechte de hele ketenboete in hun maag gesplitst krijgen? Zo neen, waarom niet?
De Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kent een breed werkgeversbegrip. Een opdrachtgever die het werk via een (onder)aannemer uitbesteedt, wordt voor de werkzaamheden die de (onder) aannemer laat verrichten – net als de (onder) aannemers zelf – aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Werkgevers in de hele keten zijn beboetbaar als er sprake is van illegale tewerkstelling. Formeel-juridische constructies waarbij opdrachtgevers of intermediairs zich achter andere werkgevers kunnen verschuilen worden hiermee voorkomen. Dit brede werkgeversbegrip heeft als doel de illegale arbeid terug te dringen. Alle partijen in de keten worden door het brede werkgeversbegrip gestimuleerd hieraan bij te dragen.
Het is staand beleid dat voor zover de opdrachtgever niets verweten kan worden, hem geen boete wordt opgelegd. De opdrachtgever/werkgever kan daaraan bijdragen door zelf nauwlettend erop toe te zien dat de Wav wordt nageleefd. Als hij daaraan voldoet, is het mogelijk dat hij geen of een lager boetebedrag opgelegd krijgt, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. De beoordeling van de «mate van verwijtbaarheid» gebeurt aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Partijen kunnen bij de bestuursrechter in bezwaar en beroep gaan tegen opgelegde boetes.
In de wetgeving is de verantwoordelijkheid van alle partijen duidelijk geregeld. Partijen zijn in beginsel echter vrij om contracten aan te gaan onder voorwaarden die ze met elkaar overeenkomen. Een opdrachtnemer heeft de mogelijkheid om, indien een boete aan hem wordt doorbelast, de opdrachtgever voor de civiele rechter te dagen. De opdrachtnemer kan daarbij wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, die is vastgesteld in het boetetraject en heeft geleid tot de opgelegde boete. Het eventueel kunnen doorbelasten van een boete ontslaat de opdrachtgever immers niet van zijn wettelijke plicht om illegale tewerkstelling bij de onderaannemer tegen te gaan. De civiele rechter heeft de mogelijkheid het doorbelasten te verbieden dan wel te matigen.
Deze toets door de rechter biedt een zekere veiligheidsklep op het doorbelasten door opdrachtgevers. Wettelijke maatregelen om doorbelasting te voorkomen acht ik nu niet nodig, mede ook omdat dit de contractvrijheid van partijen aantast.
Deelt u de opvatting dat opdrachtgevers dergelijke bepalingen niet meer in hun contracten mogen opnemen (althans dat dergelijke bepalingen onjuist geacht moeten worden), omdat de ketenverantwoordelijkheid voor het inzetten van legale werknemers zo wordt afgeschoven en kleinere ondernemers onevenredig treft? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen zodat de gehele keten, en niet vooral de kleine ondernemers, weer de eigen verantwoordelijkheid neemt voor de inzet van legale werknemers?
Zie antwoord vraag 2.
De berichtgeving over de NOvA en het toezicht op de advocatuur |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht in Mr. over het toezicht op de advocatuur en de constatering over een dreigend conflict tussen u en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA)?1
Op dit moment ligt voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State een ontwerp van een tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot aanpassing van de Advocatenwet, de Wet op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde (32 382). Deze nota van wijziging regelt onder meer de herziening van het toezicht op de advocatuur. Een eerder concept is in juli 2011 ter consultatie toegezonden aan verschillende organisaties, waaronder de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), en is gelijktijdig in internetconsultatie gebracht2. Aan de totstandkoming van deze nota van wijziging is een langdurig en zorgvuldig traject vooraf gegaan, waarbij op meerdere momenten op ambtelijk en bestuurlijk niveau overleg met de NOvA is gevoerd3. Er is daarbij rekening gehouden met de wensen en belangen van de advocatuur, zonder daarbij andere, publieke belangen uit het oog te verliezen. Daarbij moet met name worden gedacht aan het algemeen belang bij toezicht dat onafhankelijk, uniform, integraal en effectief is. Het is niet mogelijk gebleken om in het consultatiedocument een model neer te leggen dat ook de steun van de NOvA heeft. De NOvA heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op het consultatiedocument. Om de NOvA in de gelegenheid te stellen om in alle zorgvuldigheid tot een reactie te komen, is de consultatietermijn – op verzoek van de NOvA – verlengd. De NOvA heeft vervolgens aangegeven grote bezwaren te hebben tegen de in het consultatiedocument opgenomen nieuwe regeling van het toezicht. Naar aanleiding van de reacties op het consultatiedocument, onder meer van de zijde van de NOvA, is de regeling op onderdelen aangepast. Hiervan hebben de NOvA en anderen nog geen kennis kunnen nemen, gelet op het vertrouwelijke karakter van het voorstel in de fase waarin het ter advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State ligt.
Is het waar dat u afwijzend hebt gereageerd op een voorstel van de NOvA om de zaak voor beide partijen goed te regelen? Zo ja, waarom bent u niet bereid om met de NOvA om tafel te gaan? Zo nee, gaat u alsnog in op hun voorstel om samen te zoeken naar een oplossing?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat u van de NOvA heeft geëist dat zij geen onomkeerbare stappen nemen? Zo ja, waar doelt u precies op en waarom bent u van mening dat deze eis legitiem is? Zo nee, welke reactie heeft u dan wel gegeven?
In algemene zin geldt dat zolang een wetsvoorstel nog niet door het parlement is aanvaard en de tekst van de wet derhalve nog niet vaststaat, door instanties die uiteindelijk uitvoering moeten geven aan de wet alleen voorbereidende handelingen kunnen worden getroffen. De NOvA heeft mij aangegeven dat de professionalisering en harmonisering van het huidige (dekenale) toezicht binnen de advocatuur als urgent en noodzakelijk wordt ervaren en dat hiertoe verschillende acties in gang gezet zijn. In reactie daarop heb ik de NOvA bericht dat, zolang de reeds in gang gezette professionalisering en harmonisering van het dekenale toezicht (binnen de bestaande wettelijke kaders) in de pas loopt met het consultatiedocument, ik een dergelijke versterking van het toezicht van harte ondersteun. Mede met het oog op het nog te volgen parlementaire proces, paste het om in het kader van het gevoerde overleg met de NOvA erop te wijzen dat het in onze politiek-bestuurlijke verhoudingen niet vrij staat om te trachten een onomkeerbare situatie te bereiken. Het kan immers een situatie betreffen die niet strookt met de inrichting van een toezicht dat voldoet aan de eerdergenoemde eisen, en waarover zowel uw Kamer als de Eerste Kamer zich nog moeten uitspreken.
Hebt u een reactie gegeven op het rapport «Het bestaande is geen alternatief»?2 Zo ja, kunt u hiervan een afschrift naar de Kamer sturen? Zo nee, bent u bereid om deze reactie alsnog te geven en de Kamer hierover te informeren?
In de toelichting op de nota van wijziging waarmee het nieuwe toezicht wordt vormgegeven, zal worden ingegaan op het rapport «Het bestaande is geen alternatief», alsmede op het alternatieve wetsvoorstel dat de NOvA mij eind 2011 heeft toegezonden. Overigens wordt ook in het concept van de toelichting op het hierboven bedoelde consultatiedocument al ingegaan op het bedoelde rapport. In die toelichting kon nog geen reactie worden gegeven op het alternatieve wetsvoorstel, aangezien dat document op het moment van aanvang van de consultatie nog niet bekend was. De NOvA heeft een concept voor een verordening op de centrale organisatie van lokaal (dekenaal) toezicht in voorbereiding. Voor zover mij bekend, heeft het college van afgevaardigden van de NOvA nog geen verordening op dit punt definitief vastgesteld. Zolang verordeningen nog niet zijn vastgesteld, en conform het huidige artikel 28, derde lid, van de Advocatenwet aan mij zijn medegedeeld, onthoud ik mij van een oordeel hierover.
Wat is uw reactie op het voorstel voor een nieuwe Advocatenwet dat de NOvA per brief d.d. 29 december 2011 aan u heeft verzonden? Wat is uw reactie op de conceptverordening op de centrale organisatie centraal toezicht dat de NOvA per brief d.d. 22 maart 2012 aan u heeft verzonden?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat voldoende draagvlak onder de NOvA, en daarmee de advocatuur, van essentieel belang is om uiteindelijk goed toezicht in te stellen en te effectueren?
Het goede functioneren van toezicht op advocaten is gediend met voldoende draagvlak voor dat toezicht binnen de advocatuur en de NOvA. Bij de keuze omtrent de inrichting van het nieuwe toezicht dient echter niet alleen acht te worden geslagen op de belangen en wensen vanuit de advocatuur, doch ook op publieke belangen. Het publieke belang is gediend met toezicht op de advocatuur dat onafhankelijkelijk, uniform, integraal en effectief is. Voorop staat dat de advocatuur binnen onze rechtsorde een bijzondere positie inneemt, welke zich onder meer kenmerkt door bepaalde privileges (zoals een beperkt procesmonopolie). Ten behoeve van hun cliënten beschikken advocaten over een geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht. Voor deze bijzondere positie en het vertrouwen dat in de advocatuur wordt gesteld, dient maatschappelijk draagvlak te bestaan. Voor dit draagvlak en vertrouwen is van belang dat het toezicht voldoet aan de eerder genoemde kenmerken.
Bent u voornemens om het dreigende conflict of in ieder geval de dreigende patstelling af te wenden door in gesprek te gaan met de NOvA? Zo ja, wanneer gaat u dit gesprek aan en met welke insteek? Zo nee, waarom niet?
Met de NOvA wordt periodiek overleg gevoerd op ambtelijk en bestuurlijk niveau over zowel dit onderwerp als andere onderwerpen die de advocatuur aangaan. Dit reguliere overleg zal onverminderd worden voortgezet. Zoals eerder al is opgemerkt, ligt een ontwerp voor de regeling van het nieuwe toezicht thans ter advisering bij de Raad van State voor. Nadat de Afdeling advisering van de Raad van State advies heeft uitgebracht, zal ik bezien of en in hoeverre nader overleg met de NOvA in de rede ligt.
De geheimhoudingsplicht ten aanzien van de notulen van de onderraad |
|
Mariko Peters (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert de minister van VWS zich haar uitspraak in het debat over de Informatievoorziening Olympische Spelen: «Ik zou u graag de notulen van de onderraad willen sturen, maar dat schijnt niet te mogen»?1
Ja.
Herinnert de minister zich dat zij even later zei: «Het ministerie van Algemene Zaken heeft daarop de volgende verklaring gegeven: De gevraagde informatie, te weten de conclusies van de Raad voor Zorg, Welzijn en Onderwijs (RZWO) worden niet verstrekt. De redenen hiervoor zijn: 1. Bepalingen omtrent de geheimhoudingsplicht in het Reglement van Orde van de ministerraad, waaronder ook begrepen de onderraden. 2. Zelfs in de Wet op de parlementaire enquête is vastgelegd dat de minister niet verplicht is informatie uit de ministerraad en de onderraden te overhandigen»?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat in het Reglement van Orde voor de ministerraad in artikel 26 is geregeld dat de geheimhoudingsplicht niet bestaat «voor zover de raad of de minister-president namens de raad ontheffing van de geheimhouding verleent»?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt de minister de mening dat het er niet om gaat of zij al dan niet verplicht is om de informatie te verstrekken, nu zij zelf heeft aangegeven die graag te willen sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de reden hiervoor ligt in artikel 26 van het Reglement van Orde voor de ministerraad. Dit artikel waarborgt de vertrouwelijkheid van de beraadslagingen van de vergaderingen van de ministerraad en zijn onderraden. Deze geheimhoudingsplicht ten aanzien van hetgeen ter vergadering besproken wordt of geschiedt rust mede op de leden van de raad. Bewaring van deze vertrouwelijkheid is een belang van de staat dat de informatievoorziening aan het parlement begrenst (Kamerstukken II 2001/2, 28 362, nr. 2). Dit geldt ook voor het genoemde onderdeel van de notulen van de onderraad.
Deelt u de mening dat in verband met de controlerende taak van het parlement de informatieplicht van de regering zo ruim mogelijk geïnterpreteerd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 4.
Is de minister nog steeds van mening dat zij de Kamer graag de notulen van de onderraad wilt sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 4.
Is de minister-president bereid de ontheffing van de geheimhouding te verlenen, voor het gedeelte dat op de Olympische Spelen betrekking heeft? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid bovenstaande vragen dit keer wel te beantwoorden, en niet, zoals op 10 april 2012, een antwoord te geven op een niet gestelde vraag? Zo nee, waarom niet?
Ik beschouw uw vragen hiermee als beantwoord.
Een storing in het C2000 communicatiesysteem |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de oorzaak van de storing in het communicatiesysteem C2000 in de regio Haaglanden?1
De storing waarvan de Telegraaf melding maakte op d.d. 12 april 2012 betrof geen storing in het C2000 netwerk. De storing waarover gesproken wordt betreft een technisch mankement aan de functie statusboxen op een aantal bedienplekken van de meldkamer in de regio Haaglanden. De functie statusboxen geeft een centralist op de meldkamer een overzicht van hulpverleners die op dat moment beschikbaar zijn om in te zetten voor een nieuwe melding.
Waar normaal automatisch statusberichten binnenkomen bij de centralist op de meldkamer moesten die nu tijdelijk handmatig worden ingevoerd. De betreffende onderdelen op de bedienplekken zijn dezelfde dag nog vervangen waardoor de statusberichten weer automatisch werden ingevoerd. Overigens is deze functie een zogeheten special, hetgeen betekent dat de regio’s zelf kunnen kiezen of ze daarvan gebruik willen maken. Zowel de eenheden op straat als de centralisten hebben normaal kunnen communiceren via C2000.
Hoe lang hebben hulpdiensten niet via dit systeem met elkaar kunnen communiceren? Wat zijn hiervan de gevolgen geweest?
Zoals hierboven gemeld hebben alle hulpdiensten de hele tijd via C2000 gecommuniceerd.
Welke gevaren heeft dit opgeleverd voor de samenleving en de hulpverleners?
Het technisch mankement aan de functie statusboxen heeft niet geleid tot gevaren voor de hulpverleners en de samenleving.
Is het waar dat er geen back-upsysteem is dat dit belangrijke communicatiesysteem in geval van storingen overeind kan houden? Waarom niet?
In C2000 zijn diverse back-up voorzieningen aanwezig. In dit geval betrof het, zoals eerder aangegeven, geen storing in het netwerk, maar in een speciale applicatie die verder geen gevolgen heeft voor het gebruik van C2000.
Deelt u de mening dat het communicatiesysteem C2000 dusdanig belangrijk is dat het altijd moet werken en er dus ook een back-up moet zijn in geval van storing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit op te pakken?
Ik deel de mening dat de hulpdiensten in principe altijd bereikbaar moeten zijn vanuit de meldkamer. In C2000 zijn daarom diverse back-up voorzieningen aanwezig.
Komen dergelijke storingen vaker voor?
Storingen aan de zogeheten specials komen voor. De gevolgen van dergelijke storingen blijven beperkt tot de meldkamer.
Wat gaat u doen om uitval van het systeem in de toekomst te voorkomen?
Zoals hierboven vermeld is het systeem niet uitgevallen.
De internethandel in (wilde) dieren |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat u hebt gezegd dat Marktplaats de handel in (wilde) dieren niet moet faciliteren omdat dit niet zou mogen, in reactie op het bericht over de levendige handel in (wilde) dieren via internet?1 Zo neen, wat was dan de strekking van uw reactie?
Ik heb aangegegeven dat Marktplaats de handel in exotische dieren niet zou moeten faciliteren. Aan handel in diersoorten, waarin de handel verboden is, mag een website sowieso niet meewerken. Mijn mening is dat consumenten geinformeerd moeten worden over welke dieren gehouden mogen worden en welke (mogelijke) risico’s hieraan kleven.
Kunt u bevestigen dat volgens de huidige wetgeving dieren gehouden mogen worden als huisdier zolang het dier in gevangenschap is geboren, dus ook (wilde) dieren die daar duidelijk niet geschikt voor zijn, zoals sneeuwuilen, zeearenden, stinkdieren, kangoeroes en pythons? Zo ja, wat stelt uw toezegging om Marktplaats een lijst toe te sturen met dieren die niet verhandeld en gehouden mogen worden in de praktijk dan voor?
Beschermde dieren mogen worden gehouden, wanneer de legale herkomst is aangetoond. Voor uitheemse dieren heeft dit betrekking op legale invoer met een CITES-invoervergunning en voor inheemse dieren heeft dit betrekking op in gevangenschap geboren exemplaren, waarvoor CITES-certificaten zijn verstrekt door de Dienst Regelingen. Voor bepaalde soorten die op Bijlage A van de EU-Basisverordening van CITES staan geldt een bezitsverbod op grond van de Flora- en Faunawet; dit betreft met name apensoorten en katachtigen.
De lijst waar ik op doelde is de lijst die hoort bij de EU-CITES-basisverordening. Deze lijst staat al vermeld op de informatiepagina van Marktplaats.nl. Hieruit blijkt welke soorten men legaal mag verhandelen en houden.
Ook staat op Marktplaats.nl informatie over de aanschaf van een huisdier, onder andere over gedrag, huisvesting en malafide dierenhandel.
Deelt u de mening dat het feit dat een dier in gevangenschap geboren is niets zegt over of een dier wel of niet wild is en wel of niet geschikt is om als huisdier gehouden te worden, rekening houdend met de natuurlijke gedragingen en behoeftes van het dier? Zo ja, deelt u de mening dat het niet inzichtelijk is voor een consument welke dieren wel of niet geschikt zijn om als huisdier gehouden te worden? Zo neen, waarom niet? Wat is dan uw definitie van een wild dier?
Ja. Het feit dat het toegestaan is om een dier als huisdier te houden, betekent niet dat het dier geschikt is om als huisdier te houden.
Op www.martkplaats.nl staan overigens wel tips waar een consument uit kan afleiden waar hij zich rekenschap van moet geven als hij overweegt een (wild) dier aan te schaffen als huisdier.
Onderschrijft u de analyse dat het mogen houden van (wilde) dieren zolang deze in gevangenschap zijn geboren en het mogen verhandelen van deze dieren via aanbiedingssites als Marktplaats impulsaankopen in de hand werken en de illegale roof van wilde dieren uit de natuur stimuleren? Zo neen, waarom niet?
Legale verkoop van beschermde dieren mag alleen als de legale herkomst van de betreffende dieren wordt aangetoond. Fokken van beschermde dieren vermindert de druk op illegale roof van wilde dieren uit de natuur. Het mede door het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gefinancierde Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren geeft onafhankelijke informatie om consumenten bewust te maken van hun verantwoordelijkheid voor een (wild) dier en impulsaankopen te voorkomen.
Kunt u uiteenzetten hoeveel handhavingscapaciteit er momenteel nodig is en wordt ingezet om te kunnen voorkomen dat er wordt gefraudeerd in de handel in dieren op internet? Welk deel van de opsporingscapaciteit richt zich specifiek op de (illegale) internethandel en elke expertise en capaciteit is er, met het oog op illegale internethandel in dieren, binnen de opsporingsdienst aanwezig?
Bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA zijn drie rechercheurs gespecialiseerd in internetrecherche. De internetrecherche van de NVWA richt zich op alle domeinen waaronder de illegale handel in dieren. Bij het team Natuur van de divisie Landbouw&Natuur van de NVWA werken drie inspecteurs die zich speciaal bezig houden met de illegale internethandel in beschermde soorten. Deze rechercheurs en inspecteurs hebben specifieke opleidingen gevolgd op terrein van internetrecherche. Zij hanteren bij hun onderzoeken anonieme methoden [MK: heet dat zo?] en technieken die forensisch geborgd zijn.
Zijn er recente cijfers bekend over de omvang van de internethandel in (wilde) dieren op verkoopsites zoals Marktplaats en hoe de internethandel samenhangt met de illegale handel in dieren? Zo ja, kunt u deze ter beschikking stellen? Zo neen, waarom niet en bent u bereid hier een onderzoek naar in te stellen?
Ik beschik niet over recente cijfers over de omvang van de internethandel in (wilde) dieren op verkoopsites. Naast de website Marktplaats zijn er – voorzover bekend – nog ongeveer 100 sites waar dieren te koop worden aangeboden.
Dit maakt een goede schatting moeilijk. Om een indruk van de omvang te geven kan ik meedelen dat bijvoorbeeld op 18 april door de NVWA ongeveer 8 000 van dergelijke advertenties alleen al op Marktplaats zijn geteld. Uit onderzoek van de NVWA valt wel af te leiden dat de (illegale) dierenhandel via internet niet wezenlijk verschilt van de reguliere handel.
Kunt u uiteenzetten welke rol het Tor-netwerk en soortgelijke netwerken spelen in de illegale dierenhandel? Zo neen, waarom niet en bent u bereid hier een onderzoek naar in te stellen?
De NVWA verricht onderzoek op het gehele internet naar cybercrime. Daarbij wordt ook gerechercheerd in gesloten netwerken. Daaruit is tot nu toe niet gebleken dat het Tor-netwerk een rol speelt bij de illegale dierenhandel.
Deelt u de mening dat het een beetje onzinnig is om elke internetadvertentie door een medewerker van de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) te laten controleren, om speciale deskundigen in dienst te moeten nemen die een bij de geboorte aangebrachte pootring kunnen onderscheiden van een namaak pootring en om speciale ecologen in dienst te moeten nemen om het verschil te kunnen zien tussen een ernstig bedreigde soort die mogelijk illegaal wordt verhandeld en een veelvoorkomende verwante soort om zo de illegale handel in dieren aan banden te kunnen leggen, terwijl via een korte positieflijst veel gemakkelijker duidelijkheid ontstaat over wat wel en niet is toegestaan, dit ook makkelijker te handhaven is en het bovendien het belang van dierenwelzijn van gehouden dieren en het gevaar voor de volksgezondheid meeweegt, dierziekteverspreiding tegengaat en voorkomt dat uitheemse dieren ontsnappen en zich als exoot gaan vestigen met alle natuurgevolgen van dien?
De handhaving van de EU-CITES-verordening vereist dat er controles plaatsvinden op de legale handel in beschermde diersoorten. Overigens is ook de handhaving van een positieflijst een complexe aangelegenheid.
Nu u kennelijk deze praktijken afkeurt2, deelt u dan ook de mening dat de huidige wetgeving niet toereikend is om de handel in (wilde) dieren die niet geschikt zijn als huisdier te verbieden en op welke wijze en termijn gaat u de wetgeving aanpassen zodat de verkoop van (wilde) dieren niet meer mogelijk is?
Nederland is partij bij het CITES-verdrag dat tot doel heeft om de handel in bedreigde diersoorten te beperken en waar nodig uit ecologisch oogpunt te verbieden. In het kader van de Wet dieren ben ik bezig om vanuit het oogpunt van het welzijn van zoogdieren de positieflijst voor gehouden zoogdieren op te stellen. Zoogdiersoorten die niet op de lijst staan, zullen niet mogen worden gehouden. Uiteraard komt er overgangsrecht voor het houden van zoogdieren die niet op de lijst staan, maar op het moment van inwerkingtreding van de regelgeving al werden gehouden.
Kunt u bevestigen dat u eerder heeft toegezegd een positieflijst voor zoogdieren op te stellen3, maar dat u in reactie op de media-aandacht rondom de internethandel in dieren heeft gezegd al voor het einde van deze week te komen met een positieflijst? 34o ja, kan de Kamer de door u toegezegde positieflijst inderdaad aan het einde van de week tegemoet zien?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 1. De positieflijst voor zoogdieren treedt volgens planning op 1 januari 2013 in werking.
Deelt u de mening dat een positieflijst voor enkel zoogdieren niet toereikend is voor dit probleem? Zo ja, wanneer gaat u naast een positieflijst voor zoogdieren ook een positieflijst voor vogels, amfibieën, reptielen en vissen opstellen? Zo neen, waarom niet?
Vooralsnog wordt er een positieflijst voor zoogdieren opgesteld. Zowel het opstellen van als het werken met de positieflijst, inclusief de handhaving, is complex. Bij gebleken goede ervaringen met deze lijst met zoogdiersoorten zal ik overwegen om de positieflijst uit te breiden naar andere diergroepen.
Kunt u uiteenzetten hoe het staat het met de uitvoering van de motie Ouwehand5 over het onmogelijk maken van het houden van ooievaars als huisdier, bijvoorbeeld in het kader van de nog in te voeren positieflijst?
Zie mijn antwoord op vraag 11.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk een verbod op de handel in dieren op internet in te stellen? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, handel in dieren is toegestaan voorzover dit binnen de bestaande wet- en regelgeving plaatsvindt. Dit geldt voor internethandel en voor de reguliere handel.
De contacten met de alcohol- en tabakslobby |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging over openbaarheid van alle contacten van uw ministerie met de alcohol- en tabakslobby?1 Wanneer mag de Kamer het overzicht van alle contacten met de alcohol- en tabakslobby verwachten?
De contacten van de tabakslobby heb ik gemeld in de beantwoording op Kamervragen van de leden Van Gerven en Leijten (beiden SP) van 1 december 2011. Hiermee heb ik invulling gegeven aan mijn toezegging om inzicht te geven in de contacten met de tabaksindustrie. Ik zie dit ook als invulling van het FCTC-verdrag.
Ik heb geen toezegging gedaan om inzicht te geven in de contacten met de alcoholindustrie, en ik vind het ook onwenselijk om dit te doen. Zoals ik eerder heb aangegeven, kunt u mij afrekenen op het resultaat van mijn beleid. Om dit beleid te ontwikkelen, is het noodzakelijk dat mijn ambtenaren contact hebben met alle partijen die een belang hebben. Alleen op deze manier is een goede afweging van alle relevante informatie mogelijk. Ik heb het volste vertrouwen in de professionaliteit en integriteit waarmee mijn ambtenaren zich in contacten met maatschappelijke partijen opstellen. Als ik bij uiteenlopende beleidsonderwerpen alle tussenstappen die worden gemaakt in de ontwikkeling van het beleid (telefoongesprekken, vergaderingen, briefwisselingen, emails, concept-notities enz.) aan de Tweede Kamer moet melden, wordt het functioneren van mijn ambtenaren en daarmee van mij als minister ernstig belemmerd.
Bent u het nog steeds eens met uw voorganger, minister Klink, dat de notulen van het overleg met directeuren uit de alcoholindustrie openbaar gemaakt moeten worden?2 Zo nee, waarom niet?
Mijn voorganger minister Klink heeft in het AO Alcoholbeleid d.d. 19 juni 2008 aangegeven dat de verslagen van het directeuren overleg alcohol via de Wob zijn opgevraagd en ook zijn verstrekt. Er is dus helemaal geen sprake van geheimzinnigheid. Deze situatie is niet gewijzigd. Dit directeurenoverleg bestaat overigens niet alleen uit vertegenwoordigers van de alcoholindustrie, maar ook van de retail, de horeca, de GGD, de gemeenten en het Trimbos-instituut.
Wanneer krijgt de Kamer de notulen van het onlangs gehouden overleg met directeuren uit de alcoholindustrie?
Van het onlangs gehouden overleg is geen verslag gemaakt. Dit betrof een strategische sessie. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in een werkplan dat ook de Tweede Kamer wordt toegestuurd.
Wat is de status van het overleg met directeuren uit de alcoholindustrie?
Het overleg met de partijen zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een informeel overleg.
De dreigende ontmanteling van het Gemini Ziekenhuis inn Den Helder |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de dreigende ontmanteling van het Gemini Ziekenhuis in Den Helder, gezien de plannen van de directie?1
Het bestuur van het Gemini Ziekenhuis in Den Helder beraadt zich al enige tijd over de toekomst van het ziekenhuis. Het ziekenhuis ziet zich genoodzaakt om de zorg in de toekomst houdbaar te organiseren. Het ziekenhuis heeft mij laten weten dat er een voorgenomen besluit is over het toekomstige functieprofiel van het ziekenhuis. Op grond van de informatie die ik heb ontvangen, kan ik niet concluderen dat het gaat om een ontmanteling van het ziekenhuis.
Is het waar dat van alle klinische functies slechts verloskunde overblijft? Zo nee, welke klinische functies zullen verdwijnen? Bent u van mening dat er nog goede, volwaardige ziekenhuiszorg resteert voor de Kop van Noord-Holland en Texel? Wilt u uw antwoord toelichten?
Volgens de informatie die ik van het ziekenhuis heb ontvangen voorziet het toekomstige functieprofiel in 7x24 uur acute zorg, geboortezorg, planbare zorg, chronische zorg en poliklinische zorg. De spoedeisende zorg wordt conform de kwaliteitseisen voor een basis-SEH ingericht en heeft de beschikbaarheid van alle primaire medische specialismen. De aanpassing voor de toekomst zit in de klinische functie bij een ingewikkelde operatieve ingreep, die intensieve gespecialiseerde zorg vereist voor de patiënt. Deze patiënten zullen worden doorverwezen naar het Medisch Centrum Alkmaar.
Gelet op dit toekomstige functieprofiel ben ik van mening dat er goede ziekenhuiszorg resteert voor de Kop van Noord-Holland en Texel.
Is het waar dat de plannen van de directie, evenals bij de ziekenhuizen in Dokkum en Meppel, wederom zijn gebaseerd op een sloopscenario van KPMG/Plexus onder leiding van voormalig minister Bos?
Het ziekenhuis heeft laten weten uit oogpunt van betere kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg tot concentratie en verdeling van het zorgaanbod in de regio te moeten komen. Ik begrijp dat ziekenhuizen bezig zijn met de toekomst en samen met de zorgverzekeraar en zorgaanbieders in de omgeving kijken hoe de zorg in de regio houdbaar georganiseerd kan worden. Het is aan de ziekenhuizen zelf door wie men zich laat adviseren.
Hoe beoordeelt u de rol van KPMG/Plexus bij de ontwikkeling van de schaalvergroting in de ziekenhuiszorg? Vindt u het in een democratie passen dat private bureaus meer invloed hebben op een cruciale regionale voorziening dan de bewoners van de regio? Wilt u uw antwoord toelichten?
De opdracht voor het onderzoek door KPMG-Plexus is verstrekt door het Gemini Ziekenhuis en is daarmee een interne aangelegenheid van het ziekenhuis zelf. Het is niet aan mij om informatie over de inhoudelijke strekking, de kosten en betrokkenheid van onderzoekers aangaande dit onderzoek te verstrekken . Een eventuele verstrekking van deze informatie omtrent het onderzoek valt binnen de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, in dit geval het Gemini Ziekenhuis.
Hoeveel kosten de adviezen van KPMG/Plexus een ziekenhuis per uur en klopt het dat de heer Bos ruim 400 000 euro per jaar ontvangt voor vier dagen werk in de week? Vindt u dure adviesbureaus en topsalarissen een juiste besteding van zorgpremiegelden? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn tot op heden de kosten van de aan het Gemini Ziekenhuis en Medisch Centrum Alkmaar verstrekte adviezen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is het nut van deze adviezen als de uitkomst van een dergelijk onderzoek bij voorbaat vast staat, namelijk dat na een fusie het kleinere ziekenhuis wordt uitgekleed? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Houdt u uw mening staande dat de voortdurende schaalvergroting in de zorg onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ligt met het oog op de kleinschaligheid en bereikbaarheid het niet meer voor de hand dat de fusie tussen het Medisch Centrum Alkmaar en het Gemini Ziekenhuis ongedaan wordt gemaakt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik ben geen voorstander van schaalvergroting als hier geen noodzaak toe is. Ik wil dat er genoeg mogelijkheden voor de patiënt zijn om te kunnen kiezen. Schaalvergroting kan de keuzemogelijkheden van patiënten beperken. Ik zie echter wel dat met oog op de houdbaarheid van het zorgaanbod in de toekomst ziekenhuizen goed moeten kijken of de kwaliteit voldoende gegarandeerd kan worden.
Ten aanzien van fusies in de zorg is het nu al zo dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) op basis van de Mededingingswet toetst of een fusie de mededinging tussen zorginstellingen niet teveel beperkt. In aanvulling daarop wil ik de fusietoetsing in de zorg aanscherpen met andere aspecten, Hiertoe zal de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de bevoegdheid krijgen om, voorafgaand aan de NMa-toets, fusies te toetsen op kwaliteits- en bereikbaarheidsaspecten.
Overigens is het relevant om in deze casus te constateren dat de bereikbaarheid van spoedeisende hulp binnen 45 minuten niet in gevaar is. Het Gemini Ziekenhuis blijft ook in de toekomst de spoedeisende hulp in Den Helder aanbieden.
Heeft u begrip voor de grote onrust onder de bevolking van Den Helder en Texel waar in enkele weken tijd al 21 000 handtekeningen zijn gezet tegen de afbraak van het Gemini Ziekenhuis? Zo nee, waarom niet?2
Ik begrijp dat de bevolking van Den Helder en Texel zich zorgen maakt over de toekomst van het ziekenhuis. Uit de informatie die ik heb ontvangen, kan ik niet opmaken dat het gaat om een afbraak van het Gemini Ziekenhuis. Ik vind het van belang dat het ziekenhuis actief alle betrokkenen en dus ook de bevolking duidelijke informatie verschaft over de toekomst van het ziekenhuis.
Bent u bereid om u in te spannen om de afbraak van het Gemini Ziekenhuis tegen te gaan? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Vermeende kartelafspraken |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het onderzoek in Duitsland naar vermeende kartelafspraken tussen de grote oliebedrijven aangaande de benzineprijs?1
Ja.
Kunt u nagaan en toelichten of de scope van het onderzoek in Duitsland ook betrekking heeft op Nederland of andere Europese landen?
Het onderzoek waarnaar u verwijst betreft een onderzoek van de Duitse mededingingsautoriteit, de Bundeskartellamt. De Bundeskartellamt is dit onderzoek gestart naar aanleiding van klachten uit de markt over het prijsgedrag van de vijf grootste oliemaatschappijen in Duitsland.2 Het onderzoek beperkt zich tot Duitsland.
Kunt u aangeven of er bij de regering en/of de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) op enigerlei wijze een vermoeden bestaat van kartelvorming rond de benzineverkoop in Nederland?
De NMa houdt de Nederlandse benzinemarkt nauwlettend in de gaten. Indien er sprake is van kartelvorming rond de benzineverkoop in Nederland, vormt dit een overtreding van de Mededingingswet. Uit eerdere onderzoeken van de NMa naar de benzinemarkt (de zogenoemde benzinescans uit 2005/2006) zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen van dergelijke overtredingen. Vanwege het onderzoeksbelang doet de NMa evenwel geen uitspraken over (mogelijke) lopende onderzoeken naar overtredingen van de Mededingingswet.
Kunt u aangeven of de inkoopprijsontwikkeling van benzine die vrij gevestigde pomphouders afnemen van de grote oliemaatschappijen, opmerkelijke patronen bevat die zouden kunnen duiden op kartelafspraken?
Vorig jaar heb ik naar aanleiding van een aangenomen motie van de leden Van Bemmel (PVV) en Dijksma (PvdA) een onafhankelijk onderzoek laten verrichten naar de werking van de benzinemarkt en de opbouw van de brandstofprijs. Een belangrijke conclusie uit dit onderzoek was dat de hoogte van de prijzen aan de pomp voor Euro95, diesel en lpg, alsook de veranderingen in deze prijs, zeer sterk gecorreleerd zijn met de ruwe olieprijs op de termijnenmarkt. Zie hierover ook mijn brief van 1 november 2011.3
Het is aan de NMa om te beoordelen of patronen of gedragingen in de markt duiden op mogelijke kartelafspraken tussen de oliemaatschappijen.
Kunt u toelichten welke stappen er door u gezet worden om te komen tot een lagere benzineprijs en daarbij specifiek toelichten welke initiatieven de regering onderneemt jegens de grote oliemaatschappijen?
Een substantieel deel van de uiteindelijke prijs aan de pomp wordt gevormd door accijnzen, heffingen en BTW (circa 60%). Uit het onderzoek waarnaar ik in het antwoord op vraag 4 heb verwezen, blijkt daarnaast dat de waarde van de ruwe olie op de termijnenmarkt alsook de raffinage daarvan een substantieel deel van de uiteindelijke prijs aan de pomp bepaalt. De prijsvorming van ruwe olie ligt buiten de beïnvloedingsmogelijkheden van de regering en is voorts zeer gevoelig voor economische, politieke, weerkundige, monetaire en voorraadrisico's. Zoals ik ook in mijn brief van 1 november 2011 heb aangegeven, speelt ten slotte ook de mate van concurrentie tussen tankstations een rol bij de totstandkoming van de pompprijs. Het is daarbij aan de NMa om eventuele overtredingen van de Mededingingswet aan te pakken.
Nieuwe partijen kunnen in Nederland vrij toetreden tot de benzinemarkt. Een recent voorbeeld hiervan is de aankoop door Lukoil van een aantal Nederlandse tankstations. Voor een deel van deze markt, de tankstations langs het hoofdwegennet, heeft de regering vanaf 2002 het veilinginstrument geïntroduceerd waarbij jaarlijks rechten worden geveild om een tankstation («motorbrandstofverkooppunt») voor 15 jaar te mogen exploiteren. Dit geeft marktpartijen een aanvullende mogelijkheid om op de Nederlandse benzinemarkt toe te treden of hun aanwezigheid uit te breiden. Om de informatiepositie van potentiële kopers bij deze veilingen verder te versterken, heeft de regering momenteel een wetsvoorstel in voorbereiding. Dit verplicht de zittende huurders bepaalde commercieel relevante omzetgegevens van een te veilen huurrecht voor exploitatie van een tankstation aan te leveren ten behoeve van het biedboek.
Het artikel "Industrie wordt gestraft voor goed milieugedrag" |
|
René Leegte (VVD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Industrie wordt gestraft voor goed milieugedrag»?1
Ja
Kunt u een afschrift van uw antwoord op de brief, die de voorzitter van VNO-NCW recentelijk aan u heeft gestuurd, aan de Kamer doen toekomen?
Ja. Het antwoord is bijgevoegd2.
Deelt u de mening dat, als schone bedrijven uit Nederland verdwijnen en de productie plaats vindt in andere landen met minder efficiënte productiemethoden, dit zowel een verslechtering voor de Nederlandse economie is als een verslechtering voor het mondiale milieu? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze u er voor zorg draagt dat schone industrieleiders geen onnodige schade zullen ondervinden als gevolg van concurrentieverminderende milieumaatregelen?
Omdat het artikel in de Telegraaf gaat over CO2-emissiehandel vanaf 2013, beperk ik mij bij de beantwoording tot dat beleidsinstrument.
Het artikel stelt overigens ten onrechte dat de overheid per 2013 met een CO2-handelssysteem de uitstoot wil indammen. Het emissiehandelssysteem bestaat al sinds 2005. De toewijzingssystematiek van gratis rechten voor de handelsperiode die start in 2013 is verbeterd ten opzichte van de voorgaande handelsperioden, juist om er zorg voor te dragen dat schone industrieleiders geen onnodige schade ondervinden.
De toewijzing van gratis rechten in de nieuwe handelsperiode is Europees geharmoniseerd en gebaseerd op productbenchmarks. Deze benchmarks zijn gebaseerd op de 10% meest efficiënte bedrijven in termen van broeikasgasuitstoot per hoeveelheid product. Bedrijven die minder efficiënt produceren dan de benchmark krijgen per hoeveelheid product dus te weinig gratis rechten en zullen rechten moeten bijkopen, emissiereducerende maatregelen treffen of gespaarde rechten moeten inzetten. De schone industrieleiders die de benchmark bepalen krijgen genoeg rechten en ondervinden hiermee dus een concurrentievoordeel ten opzichte van hun meer vervuilende concurrenten.
Daarnaast is in de toewijzingssystematiek rekening gehouden met bedrijven waar een risico bestaat op koolstoflekkage, doordat de CO2-prijs tengevolge van concurrentie op de wereldmarkt niet doorberekend kan worden. Deze bedrijven zullen gedurende de hele handelsperiode 100% van de berekende rechten gratis krijgen toegewezen.
Voor de producten waarvoor geen productbenchmark kon worden opgesteld, zijn terugvalopties voor de toewijzing van emissierechten vastgesteld. De casus die beschreven is in het artikel is binnen de systematiek van het handelssysteem een bijzonder geval omdat hier sprake is van een toewijzing voor procesemissies die niet onder een benchmark vallen. De suggestie in het artikel dat het betreffende bedrijf geen gratis rechten krijgt toegewezen is onjuist.
Het bedrijf krijgt, mede dankzij de inzet van Nederland bij de totstandkoming van de Europese toewijzingsregels, een groot deel van de rechten die het nodig heeft om zijn emissies af te dekken. Het bedrijf krijgt tot 2020 ruim 100 000 gratis rechten per jaar. Het is wel correct dat deze rechten niet voldoende zullen zijn om alle emissies af te dekken. Dat is een gevolg van het feit dat er geen gratis rechten worden verstrekt voor de productie van elektriciteit.
Omdat geen enkele elektriciteitproducent in Europa gratis rechten krijgt voor de productie van elektriciteit zal de aankoop van emissierechten door deze producenten in de elektriciteitsprijs worden verdisconteerd.
De kosten voor de aankoop van rechten die het bedrijf nu moet maken omdat men zelf elektriciteit opwekt, had het bedrijf anders ook moeten maken bij de inkoop van elektriciteit. Het betreffende bedrijf heeft dan ook geen concurrentienadeel ten opzichte van Europese concurrenten die niet deelnemen aan het ETS, deze hebben dezelfde kosten via een hogere elektriciteitsprijs die aan hen wordt doorberekend.
Omdat voor niet Europese concurrenten geldt dat elektriciteitsproducenten geen emissierechten hoeven te kopen werkt de Commissie aan richtsnoeren voor staatssteun waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden lidstaten de mogelijkheid hebben om de in de elektriciteitsprijs doorberekende kosten te compenseren. Zie ook de bijgevoegde antwoordbrief aan VNO-NCW.
De juistheid van de verkeersveiligheidscijfers |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de applicatie van VIA over de verkeersveiligheid en de informatie die deze applicatie verschaft?1
Ja.
In hoeverre onderschrijft u de kwaliteit van deze statistieken?
Voor het aantal ernstig verkeersgewonden baseer ik mij op de cijfers van de Stichting Wetenschappelijke Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). De SWOV maakt geen uitsplitsing naar gemeentelijk niveau, omdat daarvoor te weinig betrouwbaar cijfermateriaal beschikbaar is voor een wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing.
Ik waardeer het initiatief van VIA om met een nieuwe rekenmethode de verkeerssituatie per gemeente inzichtelijk te maken. De informatie van VIA kan bijdragen aan het vergroten van het inzicht van de verkeersveiligheid per gemeente. De kwaliteit van de statistieken is wel voor verantwoordelijkheid van VIA. Gemeenten baseren zich nu op de registratie van het aantal ernstig verkeersgewonden door de politie, die haar beperkingen kent. De minister van Veiligheid en Justitie heeft onlangs uw Kamer per brief (29 398 nr. 319) geïnformeerd op welke wijze de politieregistratie wordt verbeterd.
Kunt u de verschillen tussen de statistieken van VIA en de statistieken die het ministerie hanteert verklaren? Kunt u hier een toelichting op geven?
VIA gebruikt de cijfers uit de politieregistratie en past daar, met behulp van gegevens uit het Landelijke Medische Registratie (LMR), een ophoogfactor op toe. Naast dat de SWOV geen ophoging heeft gemaakt per gemeente, is een belangrijk verschil dat VIA een andere selectie van de ernstig gewonden gebruikt, waardoor er verschillen ontstaan in het aantal ernstig verkeersgewonden tussen VIA en de SWOV.
Kunt u onderstaande conclusies van VIA2 toelichten, vergelijken met uw eigen data en vanuit uw ambities voor een veiliger verkeer nader beschouwen?
Over de conclusies van VIA kan ik geen oordeel geven, omdat ik niet over een uitsplitsing beschik van het aantal ernstig verkeersgewonden naar gemeenten, anders dan de door de politie geregistreerde ernstig verkeersgewonden.
Een onderdeel van de VIA-applicatie is het gebruik van snelheidsmetingen van TomTom. Hieruit blijkt dat op een groot aantal wegen gemiddeld te hard wordt gereden. Dit gebeurt vooral op 30 en 50-km-wegen. Het ministerie houdt niet systematisch gegevens bij van gereden snelheden op het onderliggende wegennet. Ik kan daarom geen inhoudelijke reactie gegeven op deze cijfers. De conclusies ondersteunen wel ons beleid om de verkeersveiligheid op 30 en 50 km-wegen te verbeteren. Recent heb ik daarom weer de campagne gestart «Hou je aan de snelheidslimiet. Veilig thuiskomen heb je zelf in de hand.» Deze campagne moet bijdragen aan het verminderen van het aantal automobilisten dat te hard rijdt binnen de bebouwde kom, met name op 30 en 50 km-wegen.
Deelt u de mening dat de verkeersveiligheid minder groot is dan jarenlang werd gedacht? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee. Ik heb een goed beeld van de ontwikkeling van de verkeersveiligheid door de jaarlijkse publicatie van het aantal verkeersdoden door het CBS en Dienst Verkeer en Scheepvaart van Rijkswaterstaat en het aantal ernstig verkeersgewonden waarvoor ik mij baseer op analyses van de SWOV. In het najaar meld ik u het aantal ernstig verkeersgewonden van 2011. Zoals ik geantwoord heb bij vraag 3, zijn er verschillen in berekening van het aantal ernstig verkeersgewonden.
Vliegveld Valkenburg |
|
Ingrid de Caluwé (VVD), Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de kleine luchtvaart (General Aviation) op veel plekken in Nederland verdrongen wordt door andere activiteiten?
De accommodatie van General Aviation (GA) is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk en de Provincie. Wat de mogelijkheden voor GA in het luchtruim betreft, werkt het Rijk momenteel aan de Luchtruimvisie. Uitgangspunt bij deze Luchtruimvisie zijn de nationale beleidskaders, zoals neergelegd in de Luchtvaartnota. In de Luchtvaartnota heeft het kabinet de keuze gemaakt om selectief ruimte te houden op de luchthavens van nationale betekenis voor de General Aviation, en dan met name voor maatschappelijke vluchten (vluchten ten behoeve van openbare orde, veiligheid en gezondheidszorg) en functiegroepen binnen de GA die gericht zijn op de verbetering van de toegang tot Nederland door de lucht en versterking van de netwerkkwaliteit van de luchtvaart binnen Nederland.
Voor de luchthavens van regionale betekenis is de Provincie bevoegd gezag. Ontwikkelingen en accommodatie van GA op deze luchthavens, of elders in de Provincie, is daarmee de verantwoordelijkheid van de Provincie en zou dan ook op dat niveau moeten worden aangekaart. Daarbij heeft de GA mij, bij monde van de KNVvL, aangegeven dat het lastig is om niet met één, maar met twaalf overheden het overleg aan te gaan. Ik heb daarover de GA te kennen gegeven dit onderwerp met de Provincies te bespreken.
Overigens is er regelmatig contact en overleg tussen Rijk en Provincie over luchtvaart. In dit overleg wordt ook met de sector gesproken, en daaruit heb ik geen signalen ontvangen dat de General Aviation op veel plekken in Nederland verdrongen wordt.
Bent u bekend met de ontwikkeling van het gebied Vliegkamp Valkenburg door het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) van het Ministerie van Financiën en met eventuele vertragingen in dat gebied?
Ja, ik ben bekend met de ontwikkeling van het gebied van het voormalig Marine Vliegkamp Valkenburg door het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) van het Ministerie van Financiën. De planning van dit project gaat ervan uit dat de eerste woningen op dit terrein in 2015 kunnen worden gebouwd.
Is het waar dat het handelen van het RVOB leidt tot bedrijfsbeëindiging van de vliegclub per 1 juli 2012 op het voormalig Vliegkamp Valkenburg en dat daarmee een einde komt aan het voortbestaan van het recreatief vliegen op die locatie?
Na het vertrek van het ministerie van Defensie op 1 januari 2007 was helder dat de luchthaven een andere bestemming zou krijgen. Dat is ook aan de vliegclubs die op het voormalig Vliegkamp Valkenburg vliegen medegedeeld. Toen is reeds aangekondigd dat het recreatief vliegen eind 2011 of medio 2012 zou eindigen. Vervolgens heeft het RVOB op 1 juli 2010 alle vliegclubs die hier recreatief vliegen aangegeven dat er per 1 juli 2012 geen mogelijkheden meer waren om op het voormalig Vliegkamp Valkenburg te vliegen en werden vanaf die datum de bestaande gebruiksrelaties opgezegd.
Is het waar dat het RVOB wel de huurovereenkomsten met de overige huurders wil verlengen tot het moment dat er daadwerkelijk gebouwd wordt?
Ja, dat klopt. Nu de werkzaamheden op het terrein aanvangen (per 1 juli 2012) hebben de vliegclubs te horen gekregen dat het niet meer mogelijk is dat zij hun activiteiten daar uitoefenen. Dat geldt echter (nog) niet voor de overige huurders. Deze huurders huren ruimte in de bestaande gebouwen op het terrein. Het verhuren van de bestaande gebouwen op het voormalig vliegveld staat de voorbereidende werkzaamheden (bouw- en woonrijp maken en daaraan voorafgaande onderzoeken in het veld) niet in de weg. Om die reden is de huurovereenkomst met deze partijen met 3 jaar verlengd.
Bent u bereid het RVOB te bewegen om de vliegclub, gelijk met de andere huurders, de mogelijkheid te geven hun activiteiten te verlengen tot het moment dat er daadwerkelijk gebouwd gaat worden?
Zoals hierboven aangegeven, zullen per 1 juli a.s. werkzaamheden worden verricht op het terrein van voormalig Vliegkamp Valkenburg en wel op dat gedeelte dat nu nog wordt gebruikt voor recreatief vliegen. Dit zijn voorbereidende werkzaamheden, voordat kan worden gestart met de bouw van de eerste woningen. Het gaat hierbij om werkzaamheden als het detecteren en zo nodig ruimen van niet gesprongen explosieven en onderzoek naar verhardingen. Met het uitvoeren van deze werkzaamheden is een aanzienlijk financieel belang gemoeid, waarbij de voorwaarde (in verband met de subsidietoekenning) is dat deze werkzaamheden in 2012 dienen te worden uitgevoerd. Daarnaast is nog dit jaar een aanbesteding gepland voor de ontmanteling van een deel van het vliegveld. Werkzaamheden die in dat kader zullen starten hebben betrekking op grootschalig grondwerk, het verwijderen van verhardingen van de bestaande landingsbanen en het uitvoeren van bodemsaneringen. Met het vroegtijdig in gezamenlijkheid aanbesteden van deze werkzaamheden wordt een aanzienlijk economisch belang voorzien. Het is vanwege deze werkzaamheden niet mogelijk om de activiteiten van de vliegclubs per 1 juli 2012 voort te zetten.
Ziet u mogelijkheden om, op basis van conclusies van de in opdracht van de provincie Zuid-Holland uitgevoerde onderzoeken, een klein groen vliegveld voor zweefvliegen in te passen in het bestemmingsplan van het gebied?
Het inpassen van een vliegveld in het bestemmingsplan van het betreffende gebied is geen Rijksverantwoordelijkheid, maar primair de verantwoordelijkheid van de gemeente. De Provincie kan in uitzonderlijke gevallen ervoor kiezen een inpassingsplan te maken of door middel van een luchthavenbesluit de luchthaven te bestemmen. Uit de onderzoeken van de Provincie blijkt echter dat dit heel lastig is, en conflicteert met andere opgaven in de regio. In september 2008 heeft de gemeenteraad van de gemeente Katwijk het Integraal Structuurplan Nieuw Valkenburg vastgesteld. Ten tijde van het opstellen van dat plan is geconstateerd dat er vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen mogelijkheden zijn om binnen het project locatie Valkenburg een zweefvliegveld te realiseren. De aanwezigheid van een zweefvliegveld zou een conflict betekenen met allerlei andere opgaven die op het gebied van toepassing zijn. Ook in de plannen voor de Groene Buffer op Wassenaars grondgebied is niet in een zweefvliegveld voorzien.
Inmiddels is de projectorganisatie locatie Valkenburg bezig met het opstellen van het concept Masterplan als uitwerking van het Integraal Structuurplan van de gemeente Katwijk. Het uitgangspunt dat binnen het project geen zweefvliegveld kan worden gerealiseerd, is binnen de planvorming ongewijzigd.
Welke mogelijke alternatieven heeft u ten aanzien van deze situatie, die het einde van 80 jaar vliegen op deze locatie inluidt?
De accommodatie van General Aviation op regionaal niveau is een Provinciale verantwoordelijkheid. Van de Provincie Zuid-Holland heb ik begrepen dat zij de intentie hebben om de mogelijkheden voor zweefvliegsport te behouden, en hier ook (alternatieve) locaties voor te zoeken. In een klein zoekgebied dicht rond de huidige locatie, waarbij ook voor het zweefvliegterrein Langeveld naar een alternatief is gezocht, is dit helaas niet gelukt. De Provincie heeft aangegeven dat zij nog in een groter zoekgebied willen kijken, wel onder nog nader te bepalen voorwaarden en in overleg met het Luchtsportcentrum Valkenburg. Het zoeken naar een andere locatie is echter niet eenvoudig gezien ook andere ruimtelijke opgaven in de regio, maar hier wordt door de Provincie wel serieus naar gekeken.
Kort volgen op de spoorcorridor OV-SAAL (Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad) |
|
Arie Slob (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kort volgen op Flevolijn niet haalbaar»?1
Ja.
Heeft het door de gemeente Almere en de provincie Flevoland gevraagde spoedoverleg over de ontstane impasse inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat zijn hiervan de resultaten?
Nee, overleg met de regionale bestuurders vindt binnenkort plaats om hen in een bestuurlijk overleg over de stand van zaken bij te praten omtrent kort volgen.
Kent u de stellingname in de factsheet van NS in het bijlagenrapport van de commissie Kuiken2 dat de resultaten van de onderzoeken tot nu toe aangeven dat «kort volgen» geen afdoende oplossing is voor OV-SAAL korte termijn en dat een alternatief nodig is? Wat betekent deze veranderde mening van NS voor het project OV-SAAL op de korte termijn en op de middellange termijn (2020)?
Ja, ik ken de betreffende factsheet. Op dit moment worden op mijn verzoek door ProRail de resultaten van de uitwerking van kort volgen door de sector en de
betekenis daarvan voor OV SAAL vastgelegd in een rapportage. Op basis daarvan ga ik met de partijen in gesprek en zal bovendien in de maand mei de second opinion -zoals bedoeld bij vraag 4- worden uitgevoerd. Vervolgens zal ik de balans opmaken en verdere vervolgstappen bepalen.
Herinnert u zich de motie Slob/Van Gent3 over een second opinion aangaande kort volgen met betrekking tot reistijd, reistijdbetrouwbaarheid en olievlekwerking, hersteltijd na verstoringen en handhaving veiligheidsniveau? Kunt u het met deze motie gevraagde rapport naar de Kamer sturen vóór het debat met de commissie Kuiken, aangezien de motie opriep de second opinion uiterlijk voorjaar 2012 uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben op de hoogte van de genoemde motie. Het gevraagde rapport kan ik u echter nog niet toesturen omdat het nog niet beschikbaar is. Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven zal de second opinion plaatsvinden op basis van het rapport vanuit de sector. Daar wordt nu hard aan gewerkt en alle inspanningen zijn er op gericht de second opinion conform de motie nog in het voorjaar (voor het zomerreces) aan uw Kamer voor te kunnen leggen.
Klopt het dat er inmiddels door u, de NS en/of ProRail ook vraagtekens zijn gezet bij de voorgestelde kosten, de doorlooptijden en de benodigde verandering van wet- en regelgeving in relatie tot «kort volgen»? Kunt u aangeven wat de oorspronkelijk voorziene kosten, doorlooptijden en veranderingen van wet- en regelgeving, die horen bij «kort volgen», waren en of deze nog steeds gelden?
Op basis van de tot nu toe bij mij beschikbare informatie heb ik op dit moment geen aanleiding te veronderstellen dat de actuele stand van zaken een geheel ander licht op de door u genoemde aspecten doet werpen. Desalniettemin heb ik de uitlatingen van de diverse partijen in het kader van de commisie Kuiken ter kennis genomen en zal ik hier uiteraard aandacht aan besteden. De onder 3 en 4 genoemde rapportage zal nader inzicht verschaffen. Ik zal bij het aanbieden van de resultaten van de second opinion nader op de door u gevraagde punten in gaan.
Deelt u de mening dat deze zaken ook in een second opinion getoetst zouden moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan dit plaatsvinden?
Op dit moment zie ik die noodzaak niet maar laat dit uiteindelijk ook afhangen van de uitkomsten en conclusies vanuit de sector.
Kunt aangeven wat de gevolgen zijn voor de dienstregeling op de Flevolijn/Hanzelijn wanneer «kort volgen» onvoldoende effectief is op de korte termijn en op de middellange termijn?
Zoals reeds aangegeven in de nota van beantwoording bij het Tracebesluit SAAL korte termijn zal reeds dit jaar met de implementatie van kort volgen door middel van een seinoptimalisatie op de Flevolijn worden begonnen. Het gaat om een seinoptimalisatie binnen de bestaande kaders van onder meer wet- en regelgeving. Daarmee wordt een belangrijke eerste stap van kort volgen gezet en wordt voldoende capaciteit geboden om het beoogde aantal treinen te kunnen faciliteren voor de korte termijn (2016). Verdergaande stappen van kort volgen op de korte termijn helpen om aanvullend gewenste kwaliteitsverbeteringen, zoals extra reistijdwinsten, te kunnen realiseren. Zonder de verdergaande stappen zou een deel van de treinen enkele minuten minder reistijdwinst krijgen.
Ik ga er dat van uit op basis van de op te leveren resultaten (zie antwoord op vraag 3) en de second opinion binnenkort ook conclusies voor de middellange termijn getrokken kunnen worden.
Klopt het dat op basis van de meest recente inzichten de capaciteitsvraag in de Schipholtunnel als gevolg van onder meer OV-SAAL en het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer alleen met het Europese treinbeveiligingssysteem ERTMS kan worden opgelost en dat kort volgen hiervoor niet voldoende is?
Mij is niet bekend dat op dit traject alleen ERTMS een oplossing zou zijn voor de benodigde capaciteit. Ik ga er van uit dat ook door middel van de voor PHS en OV SAAL voorziene maatregelen voldoende capaciteit kan worden geboden. Niet alleen kortere opvolgtijden maar met name ook de maatregelen die in het kader van OV SAAL korte termijn worden gerealiseerd, zoals de dubbele vorkaansluiting bij Riekerpolder en de viersporigheid op de Zuidtak, leveren een belangrijke verbetering van de capaciteit en betrouwbaarheid in de corridor Hoofddorp-Amsterdam.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 worden op mijn verzoek de resultaten van de uitwerking van kort volgen door de sector en de betekenis daarvan voor OV SAAL vastgelegd in een rapportage en wordt tevens een second opinion uitgevoerd. Vervolgens zal ik de balans opmaken en verdere vervolgstappen bepalen.
Bent u bereid deze vragen vóór het debat van de Tweede Kamer met de commissie Kuiken (onder voorbehoud voorzien voor de week van 23 april) te beantwoorden?
Ja, bij deze.