De gevolgen van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de waardering van getuigenbewijs |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Vidgen/Nederland?1
Ja.
Hoe interpreteert u deze uitspraak en wat zijn de gevolgen van deze uitspraak voor de Nederlandse rechtspraktijk?
Deze Kameruitspraak is gebaseerd op een jurisprudentielijn zoals die recentelijk uiteen is gezet door de Grote Kamer van het Hof in een Britse zaak (uitspraak van 15 december 2011 in de zaak Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk). Het recht een getuige te ondervagen, zoals neergelegd in artikel 6, derde lid onder d EVRM, is gebaseerd op het uitgangspunt dat al het bewijs bij een openbare rechtszitting dient te worden gepresenteerd in de aanwezigheid van de verdachte, zodat dat bewijs kan worden betwist. Het Hof heeft evenwel aangegeven dat dit uitgangspunt niet op een starre wijze dient te worden toegepast. Het EVRM dient recht te doen aan met elkaar concurrerende belangen van de verdediging, het slachtoffer, getuigen en het algemeen belang ten aanzien van een effectieve rechtspleging. Bij de beoordeling of in een concreet geval sprake is van een schending van artikel 6 EVRM houdt het Hof rekening met drie factoren: (1) of het noodzakelijk was de verklaringen van de afwezige getuigen toe te laten tot het bewijs; (2) of de veroordelingen uitsluitend of in overwegende mate op die verklaringen zijn gebaseerd en (3) of daarbij sprake was van toereikende «counterbalancing» factoren.
In de zaak Vidgen oordeelde het Hof – in tegenstelling tot de nationale gerechten – dat de veroordeling van de verdachte in overwegende mate was gebaseerd op de belastende verklaring van een medeverdachte die de verdediging niet effectief had kunnen doen horen en dat voor de verdediging compenserende maatregelen ontoereikend waren. Kortgezegd, het Hof beoordeelt de toereikendheid van het steunbewijs in casu anders dan de nationale gerechten. Dit is in sterke mate afhankelijk van de casuïstiek. De zaaksoverstijgende gevolgen van deze uitspraak zijn dan ook beperkt. De Nederlandse rechter hanteert immers de hiervoor genoemde uitgangspunten. Echter, bij de toepassing van deze uitgangspunten kan de waardering van het steunbewijs in voorkomende gevallen uiteen lopen. De Hoge Raad zal in dergelijke gevallen een nadere concretisering geven van de beginselen zoals vermeld in de uitspraak van het Hof in de zaak Al Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk.
Hoe verhoudt zich deze uitspraak met het Nederlandse beginsel «Unus testis, nullus testis», zoals vastgelegd in art. 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering?
Deze wettelijke bewijsminimumregel houdt in dat de bewezenverklaring niet op de verklaring van slechts één getuige mag berusten. Deze regel geldt evenwel slechts voor de gehele tenlastelegging en bewezenverklaring. Onderdelen van die bewezenverklaring kunnen wel op één getuigenverklaring worden gebaseerd. Ten aanzien van personen die zich op hun verschoningsrecht beroepen, geldt dat de Hoge Raad wel eens het gebruik van het proces-verbaal uit het vooronderzoek met de daarin afgelegde verklaring van de getuige die zich later op zijn zwijgrecht heeft beroepen, als bewijsmiddel heeft geaccepteerd. Deze mogelijkheid is tegen de achtergrond van EHRM-jurisprudentie verkleind. In het bijzonder moet voor een belastende verklaring aan de verdediging de gelegenheid worden geboden om de getuige te ondervragen en om de betrouwbaarheid van diens verklaring te betwisten. Het arrest in de zaak Vidgen brengt in deze stand van zaken geen wezenlijke verandering.
Voorziet u dat deze uitspraak wijziging kan brengen in nog lopende rechtszaken of in de regeling voor kroongetuigen?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2. Daaraan valt nog toe te voegen dat er vanzelfsprekend zaken kunnen zijn waarin de aan te leggen maatstaf kan leiden tot bewijsuitsluiting. Nu evenwel slechts sprake is van invulling van een reeds bestaand toetsingskader zullen de gevolgen hiervan voor lopende zaken naar verwachting beperkt zijn. Ten aanzien van de Wet «toezeggingen aan getuigen in strafzaken» en de gelijknamige Aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal noopt deze uitspraak niet tot enige wijziging. Immers, die regeling is er op gericht de getuige juist wel te laten verklaren ter terechtzitting. De te maken afspraak wordt bovendien voorafgegaan door een rechterlijke toetsing ter zake van de betrouwbaarheid van de betreffende getuige (artikel 226h lid 3 Wetboek van Strafvordering) en voor de strafrechter geldt een verzwaarde motiveringsplicht (artikel 359 lid 4 Wetboek van Strafvordering). Na de gemaakte afspraak alsnog weigeren te verklaren is zelfs strafbaar gesteld (artikel 192 Wetboek van Strafrecht). De uitspraak in de onderhavige zaak stelt aan deze regeling geen verdergaande vereisten.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat rechtszaken in de toekomst door deze uitspraak worden beïnvloed, zodat daders mogelijk niet (meer) kunnen worden veroordeeld?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 2 en 4. Mijns inziens is in casu sprake van een incident waarin de inschatting van het EHRM afwijkt van de inschatting die door de nationale gerechten is gemaakt. Deze uitspraak van het Hof betekent geenszins dat een veroordeling van een verdachte in de toekomst nooit meer (mede) gebaseerd zou kunnen zijn op de verklaring van een ter zitting afwezige getuige.
De zoveelste gekkigheden van Eurocommissaris Malmström inzake immigratie |
|
Geert Wilders (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Leers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht1 dat Eurocommissaris Malmström pleit voor veel meer immigratie naar Europa en er blijkbaar van overtuigd is dat «Europese burgers net zo denken als zijzelf»?
Deelt u de mening dat deze eurocommissaris die de weg al kwijt was, nu helemaal is losgeslagen van de rede en de werkelijkheid en onmiddellijk dient af te treden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat nu eens te meer duidelijk is dat Nederland geen seconde langer afhankelijk moet zijn van de ongekozen Brusselse bureaucraten en uit de EU moet stappen, zodat we weer baas worden over onze eigen grenzen? Zo nee, waarom niet?
Stichting Lezen & Schrijven |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
|
|
|
|
|
|
Wat is uw beleidsmatige reactie op het artikel «Stichting prinses Laurentien krijgt aantal laaggeletterden niet omlaag»?1 Herkent u de analyse? Kloppen de stellingnames over de gestokte vooruitgang in het verminderen van laaggeletterdheid met de bij u bekende feiten?
Wat is uw reactie op de claim dat het de Stichting Lezen & Schrijven aan inhoudelijke expertise ontbreekt om de grote problemen van laaggeletterdheid te tackelen?
Wat onderneemt u om de kwaliteit van het geleverde werk van de Stichting «Lezen & Schrijven» te meten en te borgen? Welke andere expertise benut u om laaggeletterdheid aan te pakken?
Het bericht “Grieken lopen fors achter op schema” |
|
Teun van Dijck (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Jan Kees de Jager (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Grieken fors achterlopen op schema?1
Hoe beoordeelt u dat van de 300 hervormingsmaatregelen er 210 maatregelen niet zijn uitgevoerd door Griekenland?
Klopt het dat nog steeds wordt gefraudeerd met uitkeringen, zoals de 30 000 pensioenen aan (waarschijnlijk) reeds overleden personen en het gesjoemel met blindenuitkeringen, zoals aan de 700 «blinden» op het eiland Zakynthos waarvan er slechts 60 echt blind zijn?
Deelt u de mening dat de Grieken zich keer op keer niet aan de afspraken houden en dat onderhand de maat vol is?
Gaat u de aanvraag om uitstel van betaling en de uitbetaling van de volgende tranche blokkeren als Griekenland zich niet aan de afspraken heeft gehouden? Zo nee, hoe lang laat u zich nog voor de gek houden door de Grieken?
De bijgestelde verkoopplannen van het ouderencomplex Prinsehof 55+ door woningcorporatie SOR in Rotterdam |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bijgestelde verkoopplannen van woningcorporatie SOR in Rotterdam van het ouderencomplex 55+ Prinsehof aan de Dordtseweg?1
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat de verkoopplannen zich nu al ruim twee jaar voortslepen?
Ja. De woningcorporatie SOR is zonder resultaat met twee beoogde kopers in onderhandeling geweest. Zo is met de tweede potentiële koper geen akkoord bereikt, omdat deze te weinig bood in relatie tot de geldende verkoopregels, hetgeen ten koste zou gaan van het maatschappelijk bestemde vermogen van woningcorporatie SOR.
Deelt u de mening dat de verkoopplannen van woningcorporatie SOR de veelal op zeer hoge leeftijd verkerende bewoners te lang in onzekerheid laat?
Ik vind het wenselijk dat er snel duidelijkheid ontstaat voor de bewoners. Echter, de verkooptransactie die de woningcorporatie SOR voornemens is uit te voeren, dient zorgvuldig en binnen de regelgeving inzake verkoop van corporatiewoningen plaats te vinden. De woningcorporatie SOR heeft aangegeven dat zij momenteel onderhandelt over de verkoop van onder andere De Prinsenhof, waarbij een sale-leaseback constructie van 10 jaar onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst. Voor de huurders betekent dit dat zij de komende tien jaar dezelfde verhuurder houden en er voor de huurders materieel niets zal veranderen. De woningcorporatie SOR heeft aangegeven haar doelgroepbeleid (ouderenhuisvesting) te continueren.
Bent u ervan op de hoogte dat woningcorpratie SOR het onderhoud van het complex schromelijk en langdurig heeft verwaarloosd?
De woningcorporatie SOR heeft in de afgelopen periode een nieuwe CV-installatie aangelegd en lekkages opgelost. De SOR heeft aangegeven dat zij op korte termijn voegreparaties gaat uitvoeren en het gebouw buiten laat schilderen.
Bent u ervan op de hoogte dat de bewoners wederom in onzekerheid worden gelaten nu eerst voor 1 juli 2012 duidelijkheid zou worden verschaft en dat deze datum wederom is verschoven? Deelt u de mening dat dit niet langer verantwoord is?
Ik ben op de hoogte van het feit dat de bewoners voor 1 juli 2012 duidelijkheid zou worden gegeven inzake verkoop van het complex. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag drie, stel ik vast dat de woningcorporatie SOR heeft aangegeven dat zij de bewoners heeft geïnformeerd dat er mogelijk in september duidelijkheid komt.
Deelt u de mening dat de eerdere adviezen van de gemeente, het huurdersplatform en betrokken bewonerscommissies bij een mogelijke verkoop achterhaald zijn vanwege de lange duur van het verkoopproces en de onzekerheid rond de achtergrond van de mogelijke koper?
De adviezen zijn achterhaald, maar om reden dat de beoogde koper een andere koper is dan waar de gevraagde zienswijzen betrekking op hebben.
Deelt u de mening dat een nieuwe adviesronde moet plaatsvinden indien een mogelijke verkoop aan de orde is?
Ja.
Bent u bereid geen onomkeerbare stappen te nemen dan nadat u overleg met de vaste commissie Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft gehad?
Nee, ik heb eigenstandige bevoegdheid tot het nemen van besluiten onder toetsing aan de regelgeving. Er is derhalve geen voorafgaande instemming van uw Kamer vereist.
Een actieplan om de sterk stijgende jeugdwerkloosheid terug te dringen |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het recente onderzoek van de International Labour Organization (ILO) waaruit blijkt dat de jeugdwerkloosheid in Nederland sterker stijgt dan in de omliggende landen Duitsland en België, waar de jeugdwerkloosheid zelfs daalt?1 Wat is uw verklaring hiervoor?
Ja. De stijging van de jeugdwerkloosheid hangt nauw samen met de verslechtering van de economie die mede wordt veroorzaakt door de aanhoudende onzekerheid op financiële markten. Ook de ons omringende landen worden hierdoor getroffen. De mate waarin dat gebeurt verschilt echter per land en dat werkt door in de werkloosheidscijfers. De Duitse economie is bijvoorbeeld zowel in 2011 als in het eerste kwartaal van 2012 harder gegroeid dan de Nederlandse economie. Ook in België lag de economische groei in 2011 hoger dan in Nederland.
Hoewel de jeugdwerkloosheid in Nederland is gestegen, is de jeugdwerkloosheid in Nederland nog altijd relatief laag. Van alle eurolanden ligt alleen in Oostenrijk en Duitsland de jeugdwerkloosheid lager dan in Nederland. In België ligt de jeugdwerkloosheid twee keer zo hoog.
Deelt u de mening dat vooral ook de jeugdwerkloosheid onder de allochtone bevolking van 29% moet worden aangepakt (tegenover 9% onder autochtone jongeren), omdat anders een «verloren tweede generatie» ontstaat, terwijl die beter is opgeleid dan de eerste generatie?2 Zo nee, waarom niet?
De ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid, ook onder niet-westerse allochtone jongeren vraagt om alertheid. Het werkloosheidspercentage onder niet-westerse allochtonen is gemiddeld (voor 15–64 jarigen) driemaal zo groot als onder autochtonen (in het eerste kwartaal van 2012 was dit 15,2% tegenover 4,8%). Voor jongeren (15–24 jaar) geldt vrijwel dezelfde ratio (29% onder niet-westerse allochtonen tegenover 9% autochtonen). Het werkloosheidspercentage onder hoogopgeleide niet-westerse allochtone jongeren is 9,5% en niet 16%, zoals ten onrechte in de Forum Monitor vermeld wordt. Hiermee is de werkloosheid onder hoogopgeleide niet-westerse allochtone jongeren gemiddeld driemaal zo groot (en niet vijfmaal zo groot) als onder hoogopgeleide autochtone jongeren (3,3%).
In zijn algemeenheid heeft de relatief hoge werkloosheid onder niet-westerse allochtone jongeren te maken met het feit dat jongeren vaker op een flexibel arbeidscontract werken en werkzaam zijn in conjunctuurgevoelige sectoren. In het geval van recessie verliezen zij vaak als eersten hun werk, maar zij zijn ook vaak weer een van de eerste groepen die profiteren van economisch herstel. Een andere belangrijke oorzaak van de hogere werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is dat zij hun schoolcarrière relatief vaker beëindigen zonder startkwalificatie. Hun arbeidsmarktpositie is slechter dan die van jongeren met een startkwalificatie.
Bij hoger opgeleide jongeren van allochtone afkomst speelt ook een rol dat zij tijdens hun studie minder actief zijn in het verenigingsleven en minder vaak verplichte stages lopen, zodat die onderdelen niet op hun CV staan. Ook hebben zij daardoor minder contacten die relevant zijn bij het zoeken naar werk3.
Het kabinet zet stevig in op het voorkomen en bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Voor de maatregelen die het kabinet neemt, verwijs ik u naar mijn brief van 27 april 2012 (Kamerstuk 29 544, nr. 393). Deze zijn met name gericht op het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs-arbeidsmarkt en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten met het landelijk programma «Aanval op schooluitval». Het kabinet kiest hierbij voor generieke maatregelen, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van jongeren om zelf te zoeken naar een opleiding of een baan het uitgangspunt blijft. Zij moeten zelf de regie nemen om hun kansen op de arbeidsmarkt te benutten.
Deelt u de mening dat de dramatische stijging van de allochtone jeugdwerkloosheid met 7%-punt in het afgelopen jaar (tegenover 1%-punt onder autochtone jongeren) zorgwekkend is, aangezien steeds meer jongere allochtonen aan het werk willen maar zelfs hoogopgeleide allochtone jongeren vijfmaal vaker werkloos blijven dan autochtone hoogopgeleide jongeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er een algemeen actieplan tegen jeugdwerkloosheid moet komen, gebaseerd op de effectieve Finse en Zweedse aanpak waar jeugdwerklozen worden gecoacht, begeleid in de zoektocht naar werk en een scholingsaanbod ontvangen, zoals de ILO aanbeveelt? Zo nee, waarom bent u niet bereid beleidsvoorbeelden met successcores van 80% en 46% over te nemen in uw arbeidsmarktbeleid?
In Nederland is reeds in 2009 actie ondernomen en een Actieplan jeugdwerkloosheid uitgevoerd. Met het Actieplan heeft de regionale samenwerking rondom de aanpak van jeugdwerkloosheid een stevige impuls gekregen. Borging van de goede aanpakken en de tot stand gebrachte samenwerking door de regio’s is van belang. In dat kader worden er door de VNG samen met andere betrokken partijen werkconferenties georganiseerd. In de werkconferenties kunnen partijen in de regio samen aan de slag om de gezamenlijke aanpak rond jongeren in een kwetsbare positie te bestendigen en verder te ontwikkelen.
De Zweedse en Finse aanpak, waarbij alle jeugdwerklozen na een bepaalde tijdsperiode een werk- en/of scholingsaanbod krijgen («youth guarantee») is mij bekend. Het risico van een dergelijke aanpak is dat te weinig de eigen verantwoordelijkheid van jongeren wordt aangesproken. In Nederland heeft het kabinet daarom gekozen voor een aanpak waarbij de eigen verantwoordelijkheid van jongeren voorop staat. Zij moeten zelf de regie nemen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en te benutten. Het kabinetsbeleid om de Wet werk en bijstand (WWB) activerender te maken draagt hieraan bij. Een opleiding gaat voor een uitkering en werk is leidend. Het behalen van een diploma zorgt ervoor dat jongeren goed toegerust de arbeidsmarkt betreden. Jongeren worden gestimuleerd om eerst al hun scholingsmogelijkheden te benutten en daarna zelf op zoek te gaan naar een baan. Pas als hen dit zelf niet lukt, kunnen zij om ondersteuning bij de overheid vragen.
Wat doet u om de allochtone beroepsbevolking voor te bereiden op werk in de zorg- en industriesector, in de ogen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) de aankomende jaren de banenmotor voor de allochtone bevolking, zodat de Nederlandse economie profiteert van dit onbenutte arbeidspotentieel?
Het kabinet voert geen beleid specifiek voor allochtonen of autochtonen. Het beleid is gericht op generieke maatregelen die eraan bijdragen dat iedereen zoveel mogelijk naar vermogen kan participeren op de arbeidsmarkt.
Het kabinet zet als speerpunt van het beleid in op het versterken van de aansluiting tussen het onderwijs en de vraag van de arbeidsmarkt. Voor een goed werkende regionale arbeidsmarkt is het van belang dat opleidingen van goede kwaliteit zijn en goed aansluiten bij de vraag van de regionale arbeidsmarkt. Met het Actieplan MBO «Focus op vakmanschap 2011–2015» wordt hier door mijn ambtgenoot van OCW extra op ingezet.
Daarnaast heeft het kabinet in de brief van 5 juli jl. (Kamerstukken 2011/12, 29 544, nr. 405) gereageerd op het advies «Werk maken van scholing» van de Sociaal-Economische Raad over een toekomstbestendige postinitiële scholingsmarkt die optimaal aansluit bij de vraag van de arbeidsmarkt. Hierin verwijst het kabinet onder meer naar de mobiliteitsbonus die kan worden ingezet voor functiegerichte scholing voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en naar de mogelijkheid voor laagopgeleiden om alsnog een mbo-diploma te behalen.
Ook zet het kabinet in op een gezamenlijke aanpak van de overheid (SZW, OCW, EL&I), bedrijfsleven en onderwijsinstellingen om de verwachte personeelsschaarste in de technische sector tegen te gaan. Ik verwijs u hiervoor naar de brief «Aanpak arbeidsmarkttekorten techniek» van 16 april jl. (Kamerstukken 2011/12, 32 637, nr. 33.
Voor de zorgsector is de afgelopen jaren geïnvesteerd in de versterking van de regionale samenwerking tussen de zorginstellingen, het UWV en de gemeenten. Een van de hoofdpunten van de regionale samenwerking is het maken van goede afspraken over het werven en opleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (waaronder ook allochtonen en niet-uitkeringsgerechtigden). Daarnaast zijn de brancheorganisaties uit de zorg, Actiz en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) in december 2011 gestart met het meerjarige programma «Kansen voor de zorg, kansen in de zorg». Dit programma is met name gericht op vergroting van het aandeel medewerkers in de zorg van die groepen die nu zijn ondervertegenwoordigd. Dit programma wordt ondersteund door VWS, OCW, BZK en het Europees Integratie Fonds (EIF). In dit kader verwijs ik u naar de brief van 16 maart 2012 van de staatssecretaris van VWS aan uw Kamer (Kamerstukken 29 282, nr. 149).
Nieuw paspoorten die grote beveiligingsproblemen kennen |
|
André Elissen (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe pas is onveilig»?1
Ja.
Ziet u net als de ontdekker van de kwetsbaarheden ernstige bedreigingen voor de maatschappelijke veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Het betreffende artikel heeft betrekking op twee aspecten, te weten het op afstand kunnen activeren van de Rfid-chip die in de reisdocumenten is opgenomen en het kunnen kopiëren van de gegevens die in de chip zijn opgeslagen.
Ik memoreer dat over beide aspecten uw Kamer geïnformeerd is. Reeds in september 2005, dus voor de invoering in 2006 van de chip in de reisdocumenten, is in antwoord op vragen van het TK-lid De Wit2 aan de Kamer gemeld dat het door de Europese Unie voorgeschreven mechanisme dat gebruikt wordt om toegang te krijgen tot de gegevens in de chip (Basic Access Control) zwakheden kent.
In 2008 heeft de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Kamer geïnformeerd3 over het op afstand kunnen activeren van de chip in de reisdocumenten en de resultaten van onderzoek naar de mogelijkheden om dat tegen te gaan. De betreffende onderzoeksrapporten zijn met deze brief aan de Kamer aangeboden. Voor de verdere details verwijs ik naar de stukken die eerder aan uw Kamer zijn gezonden.
Ik teken hierbij aan dat de vingerafdrukken die sinds 2009 in de chip van de reisdocumenten worden opgeslagen extra beveiligd zijn. Binnen de Europese Unie is hiervoor het beschermingsmechanisme Extended Access Control (EAC) ontwikkeld. Naast bescherming van de toegang tot de vingerafdrukken middels Terminal Authenticatie, voorziet EAC in de beveiliging van de communicatie tussen chip en uitleesapparaat (d.m.v. Chip Authenticatie). Sinds de invoering van de vingerafdrukken in 2009 wordt dit toegepast. Door de toepassing van EAC kunnen alleen daartoe geautoriseerde voorzieningen de vingerafdrukken uit de chip lezen. Voor de Nederlandse reisdocumenten geldt dat thans alleen de voorzieningen van de uitgevende instanties van de reisdocumenten over een dergelijke autorisatie beschikken.
In de beantwoording van meerdere schriftelijke vragen4 is ook ingegaan op de mogelijkheid dat de gegevens die in de chip zijn opgeslagen worden gekopieerd en de mogelijkheid om dat te detecteren. Uiteraard is het zo dat controlerende instanties wel moeten controleren of het om gekopieerde gegevens gaat. Dat geldt ook voor de fysieke echtheidskenmerken van de reisdocumenten. Er kan alleen maar worden vastgesteld dat er met een document wordt gefraudeerd als goed gecontroleerd wordt of het document integer is.
Gaat u maatregelen nemen om identiteitsfraude te voorkomen? Zo ja, welke en kunt u deze nader toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om de kwetsbaarheden in de nieuwe paspoorten te verhelpen? Welke maatregelen gaat u treffen in het kader van nationale veiligheid en terrorismebestrijding?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u op lange termijn doen om te voorkomen dat er opnieuw paspoorten met beveiligingsproblemen ontworpen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Berichten dat Indonesië mogelijk van Duitsland Leopard tanks wil kopen |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Indonesië mogelijk van Duitsland Leopard tanks wil gaan kopen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit bericht in het licht van het Nederlandse wapenexportbeleid en de doelstelling voor verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van EU-lidstaten en het minimaliseren van «undercutting»? Kunt u dit toelichten?
Het bericht in Die Welt heeft betrekking op de politieke discussie in Duitsland over de verkoop van overtollige Leopard-tanks aan Indonesië. Zoals ook uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is het kabinet van mening dat de verkoop van overtollige Leopard-tanks aan Indonesië binnen de kaders van het wapenexportbeleid mogelijk is.
In artikel 4.1 van het standaardcontract voor de verkoop van overtollig defensiematerieel staat dat het parlement instemming moet verlenen. In artikel 12.3 staat dat als instemming niet wordt verleend het contract ontbonden is. Waarom zijn op basis van deze contractonderdelen de besprekingen met Indonesië na de aangenomen motie El Fassed c.s. (33 000 X, nr. 47) niet meteen gestopt? Kunt u dat toelichten?
De regering gaat ervan uit dat het democratische proces met de volksvertegenwoordiging geschiedt op grond van het wisselen van argumenten en na besluitvorming door het kabinet. Toen de bedoelde motie werd aangenomen was het kabinet over het onderhavige onderwerp nog ver verwijderd van
het innemen van een standpunt, al was het maar omdat de gesprekken met Indonesië nog in de beginfase waren en de te maken afwegingen dus nog niet compleet in beeld konden zijn. De motie is geïnterpreteerd als een indicatie van een standpuntbepaling van de volksvertegenwoordiging, vooruitlopend op het democratische proces dat later zou volgen, maar zonder dat deze de eigen afweging van het kabinet zou kunnen bepalen of inperken. Na de besluitvorming van het kabinet is de Kamer op 21 juli jl. per brief geïnformeerd. In die tussentijd is het kabinet demissionair geworden. Die bijzondere omstandigheid en de consequenties daarvan bij dit onderwerp zijn op zorgvuldige wijze in de brief tot uitdrukking gebracht.
Heeft u na het overleg met de Tweede Kamer op 21 juni jl. alsnog uit eigen beweging mogelijke contractonderhandelingen met Indonesië in formele zin afgesloten?
Zoals uiteengezet in onze brief van 3 juli jl. (Kamerstuk 22 054, nr. 201) is besloten af te zien van de verkoop van de Leopard-tanks aan Indonesië omdat een Kamermeerderheid de transactie niet steunt. Het kabinet heeft de Indonesische autoriteiten hierover geïnformeerd en de onderhandelingen zijn derhalve beëindigd. De fase in de besluitvorming waarbij formeel besloten zou dienen te worden over de afgifte van een exportvergunning is daarmee niet bereikt.
Deelt u de mening dat een meerderheid van de Tweede Kamer die zich tegen de verkoop van de overtollige tanks aan Indonesië uit heeft gesproken, dat deed op basis van tegenstrijdigheid van de verkoop met criteria 2 en 3 van het wapenexportbeleid? Zo neen, kunt u dit toelichten?
De Kamer en het kabinet hebben hierover 21 juni jl van gedachten gewisseld. De discussie is voor het kabinet met het beëindigen van de onderhandelingen met Indonesië gesloten.
Klopt het dat uw brief van 8 mei jl. over de verkoop van Leopard 2A6 tanks met toebehoren aan Indonesië2 in feite een sondering is van de Tweede Kamer, vanwege de noodzakelijke instemming van het parlement met de verkoop van overtollig defensiematerieel? Zo neen, kunt u dat in het licht van artikel 4.1 van het standaardcontract voor de verkoop van overtollig defensiematerieel toelichten?
De brief van 8 mei jl. moet gezien worden in het licht van de motie El Fassed van 13 december 2011 en de demissionaire status van het kabinet. Daarnaast past de brief in het streven de Kamer vooraf te informeren over de verkoop van overtollig defensiematerieel. Hiermee wordt met inachtneming van de motie-Van den Doel c.s. (17 december 1996, Kamerstuk 22 054, nr. 24) recht gedaan aan de controlerende taak van de Kamer. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat een door het parlement afgewezen verzoek tot verkoop van overtollig defensiematerieel in feite als «denial notification» moet gelden? Zo neen, waarom niet?
Neen. Het kabinet toetst alle aanvragen voor wapenexportvergunningen aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt. Alleen indien deze toetsing tot een negatief besluit leidt, is er sprake van een denial op basis van de EU-criteria waarover andere EU lidstaten worden geïnformeerd (denial notification).
Klopt het dat schriftelijke sonderingen waarop afwijzend wordt gereageerd, als «denial notification» moeten worden geregistreerd en vervolgens met EU-lidstaten moeten worden gedeeld, onder meer om «undercutting» te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat voor een door de meerderheid van de Tweede Kamer afgewezen verkoop van overtollig defensiematerieel niet alleen contractonderhandelingen formeel beëindigd dienen te worden, maar ook een «denial» moet worden afgegeven aan de EU-lidstaten, juist ook om bij te dragen aan verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van EU-lidstaten? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
De werkloosheid onder allochtone jongeren dramatische vormen aanneemt |
|
Geert Wilders (PVV), Léon de Jong (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Leers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Werkloosheid allochtone jongeren dramatisch»?1
Ja.
Kunt u specifiek aangeven wat de reden is dat de werkloosheidscijfers onder groepen Marokkaanse, Somalische en Turkse jongeren extreem veel hoger liggen dan onder bijvoorbeeld Chinese jongeren? Zo neen, waarom niet?
De oplopende werkloosheid onder niet-westerse allochtone jongeren hangt nauw samen met de verslechtering van de economie. De jeugdwerkloosheid en de werkloosheid onder niet-westerse allochtone jongeren in het bijzonder, is conjunctureel gevoeliger dan de algemene werkloosheid. Niet-westerse allochtone jongeren zijn vaker werkzaam in conjunctuurgevoelige sectoren en werken veelal op een flexibel arbeidscontract. Daarnaast ligt het opleidingsniveau van niet-westers allochtone jongeren veelal lager en verlaten zij relatief vaker ongediplomeerd het onderwijs. De arbeidsmarktpositie van jongeren zonder startkwalificatie is beduidend slechter dan de arbeidsmarktpositie van jongeren met startkwalificatie.
Dit is zorgelijk. In de komende jaren is iedereen nodig op de arbeidsmarkt. Zeker in de zorg en de techniek wordt een groot tekort aan goede vakmensen verwacht. Migrantenjongeren moeten hun positie verbeteren. In het onderwijs gaat dit steeds beter. Deze vooruitgang komt echter niet tot uiting op de arbeidsmarkt. Het kabinet zet daarom generiek in op het versterken van de aansluiting tussen onderwijs en de vraag van de arbeidsmarkt en het tegengaan van de verwachte personeelstekorten in de zorg en de techniek.
De positie van Chinese jongeren is beduidend anders. Zij volgen veel vaker een opleiding in de hoogste niveaus van het voortgezet onderwijs (havo/vwo) en niveau 4 in het middelbaar beroeps onderwijs. Ook nemen zij meer dan andere bevolkingsgroepen, inclusief de autochtone Nederlanders, deel aan het hoger onderwijs.
Op welke wijze zorgt de aanhoudende massale toestroom van ongeschoolde immigranten richting ons land voor het terugdringen van werkloosheid onder allochtone jongeren?
Ik herken mij niet in uw beeld over de migratie van ongeschoolde migranten. Het kabinetsbeleid is juist gericht op het zoveel mogelijk beperken van de instroom van kansarme migranten.
Hoeveel werkloze niet-westerse allochtone jongeren ontvangen in totaal een bijstandsuitkering?
Uit gegevens van het CBS blijkt dat in december 2011, het aantal niet-westerse allochtonen jongeren (onder de 27) met een bijstandsuitkering 17 870 bedroeg. (Bron:CBS Statline).
Kunt u aangeven wat volgens de Rotterdamse wethouder van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de reden is dat allochtone jongeren massaal werk weigeren om in de haven aan de slag te gaan? Denkt u eveneens dat er een relatie bestaat tussen het arbeidsethos van deze groepen en de hoge werkloosheid?
Navraag bij de Rotterdamse wethouder van Werk, Inkomen en Zorg levert de volgende informatie op. De wethouder kan de stelling, dat allochtone jongeren massaal werk weigeren in de haven niet plaatsen. Van massale werkweigering is geen sprake volgens de wethouder.
Verder wil ik u verwijzen naar de antwoorden van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 28 november 2011 op de vragen van Kamerlid Azmani over het bericht dat niemand van de Rotterdamse werkloze jongeren aan de slag wil in de haven (TK, Vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel, Kamernummer 793).
Ten aanzien van arbeidsethos geldt dat, ongeacht afkomst, het kabinetsbeleid erop gericht is dat mensen die niet willen werken of onvoldoende medewerken met de gemeente om aan het werk te gaan, geen uitkering dienen te ontvangen.
Bent u bereid de verblijfsvergunning van werkloze niet-westerse allochtonen die de Nederlandse nationaliteit niet hebben en nog geen tien jaar in Nederland gewerkt hebben in te trekken en hen het land uit te zetten?
Het kabinet behandelt niet- westerse allochtonen niet anders dan westerse allochtonen (met uitzondering van EU-burgers waar het EU-recht specifieke bepalingen kent) wat betreft de voorwaarden voor verblijf in Nederland.
Controle naleving visserijwet |
|
Nine Kooiman (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de verwarring die er onder politieagenten en groene buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA's) bestaat over de vraag of opsporingsambtenaren nu wel of niet kunnen controleren op de naleving van de bepalingen bij of krachtens de Visserijwet 1963?1
Ik heb kennis genomen van het door de vragenstellers genoemde artikel in Dier en Milieu (Dier & Milieu 2012/3). Om eventuele onduidelijkheid over bevoegdheid van opsporingsambtenaren en de aan hen toegekende bevoegdheden voor controle op de naleving van de Visserijwet 1963 weg te nemen ga ik in het navolgende uitgebreid op deze onderwerpen in.
Artikel 141 en 142 van het Wetboek van strafvordering regelen wie bevoegd is tot het opsporen van strafbare feiten. Artikel 141 regelt dat dit in ieder geval zijn de officieren van justitie, de ambtenaren van politie, aangewezen ambtenaren van de marechaussee en opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten, die derhalve ook bevoegd zijn tot opsporing van overtredingen van de Visserijwet 1963. De bevoegdheid van bijzonder opsporingsambtenaren (BOA’s) is geregeld in artikel 142 van het Wetboek van strafvordering. Het gaat om verschillende categorieën BOA’s, te weten:
Opsporing van overtredingen van de Visserijwet 1963 vindt plaats door BOA’s die bevoegd zijn tot opsporing van de strafbare feiten in Domein I, «openbare ruimte» als bedoeld in de Circulaire bijzonder opsporingsambtenaar. Het gaat in dit geval om BOA’s die zijn aangewezen op grond van artikel 142, eerste lid, onderdeel a en b, van het Wetboek van strafvordering. Artikel 142, eerste lid, onderdeel c, biedt de mogelijkheid bij bijzondere wet BOA´s aan te wijzen. Dat geschiedt bij artikel 59 van de Visserijwet 1963. Het gaat om de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane en de door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangewezen ambtenaren. Van deze laatste aanwijzingsbevoegdheid is geen gebruik gemaakt.
De in het voorgaande genoemde opsporingsambtenaren beschikken over de opsporingsbevoegdheden uit het Wetboek van strafvordering. Voor wat opsporing betreft van strafbare feiten, bedoeld in de Wet op de economische delicten, komen daar, na inwerkingtreding van de wet van 28 juni 2012 tot wijziging van de Visserijwet 1963 in verband met de bestrijding van visstroperij en het vervallen van de akte, alsmede enkele andere wijzigingen van deze en enige andere wetten (Stb 2012, nr. 346), de in de Wet op de economische delicten genoemde opsporingsmiddelen bij. En specifiek voor controle op documenten, die op grond van de Visserijwet 1963 zijn vereist, bevat artikel 55 van de wet een toonplicht.
Uit artikel 55 van de Visserijwet volgt namelijk dat opsporingsambtenaren bescheiden mogen vorderen voor zover dat voor de uitoefening van hun taak nodig is. Met de term opsporingsambtenaren worden in dit geval alle opsporingsambtenaren bedoeld. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Visserijwet in verband met de bestrijding van visstroperij en het vervallen van de akte (Kamerstukken II 2010/11, 32 574, nr. 6, p. 3), dat onlangs door de Eerste Kamer is aangenomen. In het bijzonder kan worden gewezen op de nota van wijziging (Kamerstukken II 2010/11, 32 574, nr. 7), waarmee de zinsnede «opsporingambtenaren, als bedoeld in artikel 59» (van de Visserijwet 1963) is gewijzigd in «opsporingsambtenaren», teneinde buitengewone opsporingsambtenaren hier tevens onder te scharen.
Gezien de aard van de te vorderen bescheiden en de omstandigheden waarin ten tijde van totstandkoming van het artikel behoefte heeft bestaan aan inzage in die bescheiden, mag worden aangenomen dat beoogd is met artikel 55 van de Visserijwet 1963 opsporingsambtenaren een brede bevoegdheid te geven om naleving van de wet te controleren en overtredingen op te sporen. Een opsporingsambtenaar, regulier of buitengewoon, kan een visser – bijvoorbeeld langs de waterkant –, vragen naar de op grond van de Visserijwet 1963 vereiste bescheiden. De rechtbank Amsterdam heeft deze conclusie onderstreept (LJN: BA9602, Rechtbank Amsterdam, 13/994289–06). Ik ben derhalve van mening dat opsporingsambtenaren, waaronder BOA’s en politieagenten, voldoende bevoegdheden hebben om controle uit te voeren op naleving van de Visserijwet 1963. Een aanwijzing van deze ambtenaren als toezichthouder is hiervoor derhalve niet nodig.
Klopt het dat dit een negatief effect heeft op de mate van controle op o.a. visstroperij?
Ik zal contact zoeken met organisaties waaronder de betreffende opsporingsambtenaren ressorteren, met het verzoek het bovenstaande in de organisatie kenbaar te maken. Ik zal de inhoud tevens onder de aandacht brengen bij Sportvisserij Nederland en de Combinatie van beroepsvissers. In het voorgaande is uiteengezet welke bevoegdheden politie en BOA’s ter beschikking staan bij controle op naleving van de Visserijwet 1963. Ik acht deze bevoegdheden voldoende.
Bent u van mening dat de politie niet aangewezen is als toezichthouder ingevolge de Visserijwet dus derhalve ook geen controle bevoegdheden heeft op grond van de Algemene wet bestuursrecht? Of bent u van mening dat controle wel kan plaatsvinden op grond van artikel 55 van de Visserijwet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u duidelijkheid brengen richting de betreffende politieagenten en groene BOA’s?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u een wettelijk gedekte controlerende bevoegdheid voor de politie en groene BOA’s betreffende visstroperij noodzakelijk? Zo ja, wilt u het Besluit Aanwijzing Toezichthouders Visserijwet 1963 wijzigen om te bewerkstelligen dat politiebeambten en groene BOA’s ook worden aangewezen als toezichthouders voor de Visserijwet? Zo nee, waarom niet en welke maatregel wilt u dan nemen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de inzet op controle op visstroperij qua menskracht per soort opsporingsambtenaar?
Op grond van artikel 21 van de Visserijwet 1963 is voor anderen dan een visrechthebbende toestemming van de visrechthebbende vereiste om op een water te mogen vissen. De verantwoordelijkheid voor controle op de naleving hiervan is in belangrijke mate neergelegd bij de rechthebbenden op het visrecht. Als het gaat om handhaving op illegale sportvisserij dan wordt dit voornamelijk uitgevoerd door ca. 100 BOA’s die door de hengelsportverenigingen worden ingezet en door verenigingscontroleurs. Zij vormen ook belangrijke ogen en oren in het veld om gevallen van grove stroperij door te geven, waarbij illegaal met grote hoeveelheden beroepsvistuigen wordt gestroopt.
Voor de strafrechtelijke handhaving op grootschalige visstroperij met beroepsvistuigen wordt in een regionale aanpak samengewerkt door controleurs van de nVWA, tevens met BOA’s die door de sportvisverenigingen worden ingezet, maar ook met de regiopolitie en het KLPD. Hier is bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Visserijwet 1963 in verband met de bestrijding van visstroperij en het vervallen van de akte, alsmede enkele andere wijzigingen van deze en enige andere wetten (Kamerstukken II, 32574) ook met de Tweede Kamer over gesproken.
De inzet vanuit de nVWA is hierbij gedurende de afgelopen jaren ongewijzigd gebleven en betreft ca. 4,5 fte per jaar. Door politie-ambtenaren worden jaarlijks tussen 500 en 600 processen-verbaal uitgeschreven voor overtredingen van de Visserijwet 1963.
Het bericht ‘Limburg wil opheldering lek kerncentrale’ |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het bericht «Limburg wil opheldering lek kerncentrale»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat er al jarenlang radioactief water lekt uit kernreactor Tihange 1?
Ik heb naar aanleiding van de berichtgeving rond het lek in Tihange 1 contact opgenomen met het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC), de Belgische toezichthouder.
Het FANC gaf aan dat het lek zich niet bevindt in een systeem dat van belang is voor de nucleaire veiligheid van de reactor, maar in een bassin waar gebruikte splijtstofstaven zijn opgeslagen. Dit splijtstofopslagbassin heeft een dubbele wand en het lek zit in de binnenste wand. Het water dat weglekt, wordt in de tussenruimte tussen de wanden opgevangen. Er lekt dus geen radioactief besmet water vanuit de centrale naar de omgeving. Het lek vormt dan ook geen bedreiging voor mens, dier en milieu. Ook vormt het lek geen gevaar voor de werknemers van de centrale.
Het FANC volgt de mogelijke effecten van het lek op de installatie. Er zijn ook al herstelwerkzaamheden verricht en verdere benodigde werkzaamheden voor herstel worden nu gepland.
Hoe oordeelt u over het feit dat het Belgische Federale Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) al zes jaar lang op de hoogte was van het lek, maar dat de kernreactor desondanks kon blijven draaien?
Op mijn verzoek heeft het FANC mij geïnformeerd over het lek in de kerncentrale in Tihange 1. Zoals vermeld onder vraag 2, gaat het hier om het splijtstofopslagbassin. Het gaat het dus niet over het koelsysteem van de reactor. Het FANC volgt de mogelijke effecten van het lek op de installatie.
Zoals ik bij vraag 2 al aangaf, zijn er ook al herstelwerkzaamheden verricht en verdere benodigde werkzaamheden voor herstel worden nu gepland. Ondertussen wordt het lekwater opgevangen en behandeld. Het lek wordt daarnaast goed in de gaten gehouden en vormt geen gevaar voor België en Nederland.
Ik heb geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het toezicht en oordeel van de Belgische overheid en toezichthouder.
Bent u het met de fractie van GroenLinks eens dat deze stokoude kernreactor zo snel mogelijk gesloten zou moeten worden? Gaat u daar bij de Belgische regering op aandringen?
Nucleaire veiligheid is primair een nationale verantwoordelijkheid en de aan mij door de Belgische toezichthouder geleverde informatie geeft mij geen indicatie dat er grensoverschrijdende risico´s aan de orde zouden zijn als gevolg van het lek in Tihange 1. Het is dan ook aan de Belgische overheid om een besluit te nemen over het al dan niet openhouden van de reactor. Ik zie derhalve geen aanleiding om bij de Belgische regering aan te dringen op sluiting van kernreactor Tihange 1. Ook uw Kamer deelt deze mening, getuige het verwerpen van de motie Van Tongeren (29 023, 127) die opriep tot sluiting van de centrale.
Heeft de Belgische regering u in de afgelopen zes jaar op de hoogte gesteld dat er met medeweten van het FANC, radioactief water uit de kerncentrale in Tihange lekt?
Ik ben hiervan niet op de hoogte gesteld. Het FANC heeft ook de Belgische overheid niet geïnformeerd omdat het lek volgens het FANC een operationeel probleem is zonder gevolgen voor de nucleaire veiligheid of de veiligheid van mens, dier en milieu.
In algemene zin geldt dat, mochten er omstandigheden bij een nucleaire installatie in België, maar ook in andere Europese landen, ontstaan waarvan het van belang is dat ik daarvan op de hoogte ben, ik hierover (volgens internationale afspraken) direct word geïnformeerd. Zie verder ook het antwoord bij vraag 9.
Bent u voornemens om bij de Belgische regering en bij exploitant Electrabel aan te dringen op volledige openheid van zaken over de gebreken van Tihange 1, aangezien de kernreactor slechts 36 kilometer van de Nederlandse grens af staat?
Er is reeds regulier overleg met de Belgische overheid en het FANC om elkaar te informeren over de nucleaire veiligheid. Zoals ik in vraag 2 al aangeef, heeft het FANC mij op mijn verzoek geïnformeerd over het lek in Tihange 1. Dat doet zij mede op basis van de informatie die zij van exploitant Electrabel ontvangt.
Bent u voornemens om samen met de Belgische autoriteiten een onafhankelijk onderzoek uit te laten voeren naar de effecten van het radioactieve lek op mens, dier en milieu?
De waterkwaliteit van de Maas wordt voortdurend gemonitord door een meetstation in Eijsden, waar de Maas Nederland binnenkomt. Hierbij worden onder andere metingen verricht naar de aanwezigheid van radioactiviteit. Deze metingen vinden continu plaats en zullen plaats blijven vinden. Er zijn geen afwijkende meetwaarden gevonden in de Maas.
Een apart onderzoek naar de effecten op mens, dier en milieu lijkt mij niet zinvol omdat de waterkwaliteit van de Maas al continu gecontroleerd wordt.
Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u garanderen dat andere kerncentrales vlak over de Nederlandse grens en de kerncentrale in Borssele geen gebreken vertonen?
Zowel in België als in Nederland wordt toezicht gehouden op de nucleaire veiligheid van reactoren en installaties. In Nederland houdt de Kernfysische Dienst (KFD) toezicht. In België houdt het FANC toezicht. Het FANC staat bij ons bekend als een zeer betrouwbare organisatie en is vergelijkbaar met de KFD.
Ook internationaal is er toezicht op de veiligheid van kerncentrales, bijvoorbeeld door het IAEA.
Wanneer er zich gebreken voordoen in kerncentrales net over de Nederlandse grens, dan worden er passende maatregelen genomen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij de geconstateerde mogelijke afwijkingen in reactor 3 van kerncentrale Doel. Naar aanleiding van de constateringen in Doel 3 wordt ook reactor Tihange 2, die van dezelfde fabrikant is als Doel 3, tijdens de reguliere onderhoudsstop geïnspecteerd op soortgelijke mogelijke afwijkingen.
Over afwijkingen waarvan het van belang is dat ik daarvan op de hoogte ben, word ik (volgens internationale afspraken) onmiddellijk geïnformeerd. Dit geldt ook voor afwijkingen in centrales verder van de Nederlandse grens.
Bent u bereid een structureel nucleair veiligheidsoverleg op te zetten met uw collegae uit Duitsland en België?
In het kader van nucleaire veiligheid, maar ook in het kader van crisisbeheersing, heb ik al structureel overleg met mijn collegae in België en Duitsland. Ook op Europees niveau vinden dergelijke overleggen plaats.
Er bestaan goede afspraken tussen Nederland en de buurlanden, maar ook op Europees niveau voor wat betreft informatie-uitwisseling over storingen, incidenten en tijdens ongevallen. Voor informatie-uitwisseling over incidenten en ongevallen wordt op Europees niveau bijvoorbeeld gebruik gemaakt van het ECURIE-systeem (European Community Urgent Radiological Information Exchange). Nederland en België maken hier ook gebruik van.
Storingen die in nucleaire inrichtingen buiten Nederland plaatsvinden worden gemeld via de IAEA en worden ook aan Nederland gemeld. In een aantal gevallen worden die storingen ook geanalyseerd door de KFD.
Ik vind de overleggen die ik nu met mijn collega’s voer belangrijk en zal er daarom voor zorg dragen dat ze op regelmatige basis blijven plaatsvinden.
Hoe verklaart u dat er in het rapport over de stresstest van de kerncentrale in Tihange, met geen woord gerept wordt over het lek? Wat zegt dit volgens u over de betrouwbaarheid van deze en andere stresstests? Deelt u de mening dat er in Europees verband een onafhankelijk nucleair expertisecentrum opgericht zou moeten worden, dat de veiligheid van alle kerncentrales structureel onder de loep neemt en monitort?
Nucleaire veiligheid staat internationaal hoog op de agenda. Daarom heeft de Europese Commissie na het ongeval in de Japanse kerncentrales in Fukushima besloten om alle 143 kerncentrales in Europa te onderwerpen aan een stresstest. Deze stresstest is een aanvulling op de bestaande nationale veiligheidsstudies.
De stresstest is een beoordeling van de veiligheidsmarges van nucleaire installaties. In een stresstestrapport wordt beschreven hoe een nucleaire installatie reageert op diverse extreme gebeurtenissen. Hierbij worden ook mogelijke verbeteringsmaatregelen beschreven om de veiligheid van de installatie in extreme omstandigheden te verhogen.
De situatie in Tihange 1 is geen gevolg van een extreme gebeurtenis. Om deze reden heb ik geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de gehouden stresstesten. Voorbeelden van een extreme gebeurtenissen zijn aardbevingen, overstromingen en verlies van koeling als gevolg van deze gebeurtenissen.
Een constatering zoals een lek als deze komt aan de orde tijdens een reguliere controle van de kerncentrale. Tijdens deze controle wordt er een uitgebreide inschatting gemaakt van gevolgen van het lek op milieu, werknemers, bevolking en overige delen van de installatie.
Een lek is echter niet op te merken als een extreme gebeurtenis en is zodoende niet opgenomen in de stresstest.
Op uw vraag of er in Europees verband een nucleair expertisecentrum opgericht moet worden, antwoord ik dat er op Europees en internationaal niveau al meerdere organisaties bestaan, zoals bijvoorbeeld de IAEA, WENRA, OECD/NEA en ENSREG. Ik ben van mening dat het niet nodig is hier nog een extra expertisecentrum aan toe te voegen. Binnen die organisaties wordt kennis gedeeld en kunnen ook internationale missies van experts worden uitgenodigd om bijvoorbeeld de veiligheid van een nucleaire inrichting te beoordelen.
Bent u bereid om in overleg met de Provincie Limburg en conform de wens van de Provinciale Staten van Limburg, in het Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding veiligheidsmaatregelen in te stellen voor de kernreactoren in Tihange, zoals de instelling van maatregelzones tot 50 à 80 kilometer van Tihange?
De maatregelzones rond nucleaire installaties zijn bepaald op basis van vier elementen:
De dosis die de bevolking op kan lopen wordt mede bepaald door de hoeveelheid radioactieve stoffen in de reactor (de reactorinhoud). Algemeen geldt: hoe hoger het vermogen, hoe groter de reactorinhoud, en hoe meer radioactiviteit er dus uit kan komen bij een ongeval. Bij een centrale met een hoger vermogen zijn de maatregelzones daarom ook groter.
Bij het maatgevend scenario wordt gekeken welke dosis de bevolking op kan lopen en tot op welke afstand vanaf de kerncentrale. De afstand vanaf de installatie waar de dosis gelijk is aan het interventieniveau, is de afstand tot waar het nemen van maatregelen moet worden overwogen en maatregelen dus moeten worden voorbereid. Met andere woorden: deze afstand rond de installatie is gelijk aan de grootte van de maatregelzone.
Voor Borssele zijn bij een representatief kernongeval via hiervoor genoemde methode maatregelzones berekend van 2 km voor evacuatie, 11 km voor het verstrekken van jodiumprofylaxe en 17 km voor schuilen. Deze omvang is bij implementatie afgerond naar respectievelijk 5 km, 10 km en 20 km. Deze maatregelzones zijn vastgelegd in het Responsplan Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding2.
Kerncentrale Doel (België), waarvoor ik ook maatregelzones in Nederland heb vastgesteld, heeft een groter vermogen en dus ook grotere maatregelzones. Namelijk 4 km voor evacuatie, 20 km voor jodiumprofylaxe en 39 km voor schuilen (deze laatste is bij de implementatie afgerond naar 40 km). Deze maatregelzones strekken zich uit over een deel van Nederlands grondgebied.
Omdat Tihange ongeveer dezelfde reactorinhoud heeft als Doel, kan voor Tihange dezelfde maatregelzonering worden aangehouden. Dit betekent dat de maatregelzone voor schuilen voor een zeer beperkt deel op Nederlands grondgebied valt.
Omdat het hier slechts om een klein gebied buiten de bebouwde kom gaat, hoeven er in Nederland niet speciaal maatregelen voorbereid te worden voor een eventueel ongeval in Tihange. Daarbij geldt bovendien dat de veiligheidsregio wel voorbereid is op het nemen van de maatregel schuilen omdat deze is voorbereid in verband met andere ramptypen.
Wanneer de regio echter aangeeft rond Tihange toch een maatregelzone van 40 km voor schuilen te willen, ben ik bereid deze, overigens voor een klein deel van Limburg, vast te stellen. Ik zal daartoe in overleg gaan met de regio.
Ik wil hierbij aantekenen dat het Nederlandse beleid ten aanzien van de voorbereiding van maatregelzonering voor schuilen aanzienlijk ruimer is dan bijvoorbeeld het Belgische beleid. België hanteert rond Tihange een zone van 10 km voor zowel schuilen als voor evacuatie en een zone van 20 km voor jodiumprofylaxe. De Nederlandse zonering voor schuilen is vergeleken met de Belgische zonering dus al vrij ruim.
Verder wil ik u melden dat ik contact heb gehad met de veiligheidsregio Zuid-Limburg om te luisteren waar zorgen en problemen zitten. Mede naar aanleiding daarvan heb ik mijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verzocht contact op te nemen met de Provincie om de mogelijkheid van decentrale opslag van jodiumpillen in Limburg te bespreken. Dit contact is er inmiddels geweest en aan de regio is toegezegd dat er in Limburg een decentrale opslag van jodiumpillen komt. Dit vooruitlopend op eventuele aanpassing en/of eventuele harmonisatie van zonering in EU-verband. Mijn collega van VWS zal over de concretisering van deze toezegging nauw contact onderhouden met de veiligheidsregio Zuid-Limburg.
Deelt u de mening dat we zo snel mogelijk af moeten van kernenergie en dat we onze energie uit duurzame bronnen zouden moeten halen?
Zoals aangegeven in het Energierapport 2011 ziet het kabinet een belangrijke rol weggelegd voor kernenergie in de toekomstige energievoorziening. Kernenergie past in het streven naar een CO2-arme economie en is goed voor de voorzieningszekerheid. Het belang van kernenergie is recent nog eens aangetoond door het International Energy Agency (IEA). In de World Energy Outlook 2011 concludeert het IEA dat het zonder kernenergie extreem moeilijk en kostbaar wordt om de mondiale klimaatdoelstelling te realiseren3.
Dat neemt niet weg dat het kabinet krachtig inzet op het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie. Dat doe ik met de SDE+, de Green Deal en de verplichte bijmenging van biobrandstoffen. Voor een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening zullen de komende decennia zowel hernieuwbare als conventionele energiebronnen nodig zijn. Die sluiten elkaar niet uit.
Sierkolen |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD), Ger Koopmans (CDA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Is u bekend dat de sierkolenteelt in Nederland geen beschikking kan hebben over gewasbeschermingsmiddelen die wel zijn toegelaten in koolteelten voor consumptie? Zo, ja wat is daarvan de reden?
De teelt van sierkolen valt in Nederland onder de gewasgroep bloemisterijgewassen. De beoordeling van een toelatingsaanvraag voor vollegrondsgroente (zoals consumptiekolen) wijkt deels af van die van bloemisterijgewassen (waaronder sierkolen). In het algemeen kan de blootstelling van de werknemer aan gewasbeschermingsmiddelen in bloemisterijgewassen hoger zijn dan bij vollegrondsgroente: werknemers voeren meer handelingen uit in siergewassen, zoals snijden, sorteren, opbossen e.d. dan bij vollegrondsgroenten. Om voor zowel consumptie- als sierkolen een toelating te verkrijgen moet ook voor beide een aanvraag worden gedaan. Een aanvraag voor een middel voor uitsluitend toepassing op consumptiekool, kan dan ook alleen voor dat doel toegelaten worden, en niet tevens voor sierkool.
In Nederland zijn ook enkele middelen toegelaten voor toepassing in beide gewasgroepen. Er zijn 8 middelen (5 fungiciden en 3 insecticiden) toegelaten in zowel de teelt van bloemisterijgewassen (waaronder sierkolen) als van consumptiekolen. Er zijn op dit moment enkele uitbreidingsaanvragen voor bloemisterijgewassen, waaronder ook de sierkolen vallen, in behandeling bij het Ctgb.
Klopt het dat één van de oplossingen een uitbreidingsaanvraag van een hoofdtoelating is en dat voor elke subgroep een dergelijke aanvraag doorlopen dient te worden?
Ja, het klopt dat één van de oplossingen kán zijn dat een uitbreidingsaanvraag van de hoofdtoelating wordt aangevraagd. Uitbreidingsaanvragen voor kleine toepassingen of kleine teelten (zoals sierkolen) kunnen via een vereenvoudigde procedure door het Ctgb beoordeeld worden (zie Kamerstuk 27 858, nr. 104, van 13 maart 2012).
Klopt het dat de toelatingsaanvragen voor dit soort kleine en gespecialiseerde gewassen niet of nauwelijks tot stand komen? Is de beperkende definitie kleine teelten (glastuinbouw < 500ha en vollegrondstuinbouw <1000ha) één van de redenen? Klopt het dat daardoor veel kleine sierteelt- en groentegewassen als grote teelten worden gezien?
Er zijn wel degelijk toelatingsaanvragen voor toepassingen in kleine gewassen (zie ook mijn antwoord bij vraag 1). Deze worden via een vereenvoudigde toelatingsprocedure voor kleine toepassingen beoordeeld. In mijn brief van 7 mei 2012 (Kamerstuk 27 858, nr. 108) heb ik de voortgang bij de kleine toepassingen weergegeven. Het Ctgb heeft gemeld dat er geen achterstand meer is bij de beoordeling van kleine toepassingen.
De huidige areaalgrenzen betekenen inderdaad dat sommige teelten niet als klein kunnen worden gezien. Sierkolen worden echter in Nederland wel degelijk gezien als een kleine teelt.
Klopt het dat andere EU-lidstaten deze gewassen wel als kleine teelt zien? Zo ja, kunt u aangeven om welke teelten het gaat?
Sierteelt of bloemisterijgewassen zijn als gewasgroep veelal kleine teelten in de omringende lidstaten, maar in Nederland zijn dit grote teelten. Binnen de gewasgroep sierteelt- of bloemisterijgewassen kunnen individuele gewassen wel een kleine teelt zijn (zoals bij sierkool het geval is).
Hoe gaan andere EU lidstaten om met toelatingen op het gebied van kleine toepassingen en voor zogenaamde «kleine» (gespecialiseerde, veelal hoogwaardige) teelten? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen? Waarom zijn er verschillen?
Uit een begin dit jaar gehouden enquête blijkt dat lidstaten verschillend omgaan met kleine toepassingen.
In vrijwel alle landen zijn akkerbouwgewassen en enkele fruit- en groentegewassen een grote teelt. Voor de overige gewassen zijn er verschillen tussen de lidstaten als het gaat om de beoordeling of een teelt groot of klein is. Hiervoor worden per lidstaat verschillende criteria gehanteerd. Zo zijn diverse consumptiekolen (bloemkool, spruitkool, broccoli), ijsbergsla en spinazie in Nederland een grote teelt, terwijl deze gewassen in de ons omringende landen (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België) een kleine teelt zijn. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld bessen en waspeen.
Verordening 1107/2009 biedt hiervoor ook de ruimte, omdat de Verordening geen kwantitatieve grenzen heeft aangegeven voor de omvang van kleine en grote teelten.
Voor bepaalde toepassingen hebben toelatinghouders maar beperkt economisch belang. Om te garanderen dat de diversificatie van de land- en tuinbouw niet in gevaar wordt gebracht door een onvoldoende beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen, moeten voor kleine toepassingen specifieke regels worden vastgesteld. Het Ctgb is hiervoor de uitvoerende instantie. Samen met mijn collega van IenM heb ik mede naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek in andere lidstaten geconcludeerd dat het voor een effectiever middelenpakket voor de kleine teelten in Nederland en voor het bereiken van een gelijker Europees speelveld-gewenst is om in de definitie van kleine toepassingen die het Ctgb hanteert de areaalgrootte te verruimen. Dit betekent een verruiming naar 5 000 ha voor open teelten en naar 1 000 ha voor bedekte teelten. Ik zal het Ctgb verzoeken conform het bovenstaande te handelen. Daarnaast worden in EU-verband de mogelijkheden voor een «richtsnoer kleine toepassingen» onderzocht met als doel verdere harmonisering.
Deelt u de mening dat uitbreidingsaanvragen van een hoofdtoelating, ook als de hoofdtoelating enige tijd geleden is geweest, moeten kunnen plaatsvinden?
Voor de kleine toepassingen is in de recente wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden als overgangsmaatregel opgenomen dat bij een hoofdtoelating die voor 14 juni 2011 is verleend, een uitbreidingsaanvraag wordt beoordeeld op basis van de destijds geldende criteria.
Bent u bereid gewasbeschermingsmiddelen die toegelaten zijn in de voedingsproductie, bijvoorbeeld dus kool, ook toe te staan in niet eetbare producten zoals sierkool (bloemen)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De Goederenroutering Oost-Nederland |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat in de bijlage bij de 7e voortgangsrapportage (VGR) van het actieplan «Groei op het spoor» en Programma Hoogfrequent Spoor (PHS) een planning is opgenomen van de diverse deelstudies met betrekking tot de goederenroutering Oost-Nederland en de uitvoering van Kamermoties?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat de resultaten van de vijf daarin genoemde studies (actualiseren van de Noordtak-studie, Betuweroute maximaliseren, inzet binnenvaart, Langetermijn-perspectief goederenvervoer, beschrijven varianten Zutphen-Hengelo) reeds geruime tijd beschikbaar hadden moeten zijn? Wat is er de oorzaak van dat van alle deelstudies de deadline inmiddels ruimschoots is overschreden, terwijl de uitwerking van alternatieve tracés door Oost-Nederland (IJssellijn, Twentelijn, Twentekanaallijn) gewoon door lijkt te gaan? Wanneer kan de Kamer de resultaten van deze studies verwachten?
Volgens de eerder toegezonden planning zouden de genoemde studies begin 2e kwartaal van 2012 beschikbaar komen. Feitelijk waren de diverse onderzoeken gereed in mei en juni. De rapporten met de resultaten van de goederenstudies zijn bij brief van 12 juli 2012 (Kamerstuk 32 404, nr. 57) aan de Kamer toegezonden.
Is het waar dat u besloten heeft de actualisatie van de notitie «Goederenboog Deventer Alternatieven», die uw voorganger op 14 september 2010 (Kamerstuk 32 404, nr. 3) aan de Tweede Kamer zond, niet meer nu te zullen laten verschijnen, zoals nog wel aangekondigd in de bijlage bij de Voortgangsrapportage (Kamerstuk 32 404, nr. 56) , maar deze op te nemen in de pas een jaar later te verschijnen MER (Milieu-effectrapportage)? Kunt u deze keuze toelichten? Wordt de periode van onzekerheid voor burgers hiermee niet nodeloos verlengd?
De actualisatie van de notitie «Goederenboog Deventer Alternatieven» is recent afgerond. Dit heeft geresulteerd in het rapport: «Beschrijving varianten passage Zutphen – Hengelo» (ProRail, mei 2012). Dat rapport is tegelijk met de in antwoord 2 genoemde goederenstudies gepubliceerd op de websites www.rijksoverheid.nl/phs en op www.prorail.nl/phs. Het rapport geeft een globale technische en geografische beschrijving van de vier tracévarianten tussen Zutphen en Hengelo die in de nu lopende m.e.r.-procedure worden onderzocht, en een beperkte beschrijving van de te verwachten effecten. Het rapport is bedoeld om een globaal beeld te geven van de in onderzoek zijnde tracévarianten.
Het rapport is niet bedoeld om de tracévarianten onderling te vergelijken; een onderlinge vergelijking van de tracévarianten kan pas plaatsvinden nadat een grondig effectenonderzoek is uitgevoerd ten behoeve van het MER. Het MER zal volgens de huidige planning in het voorjaar van 2013 gereed zijn, zodat op basis daarvan, en na inspraak en advisering, onderbouwde keuzes kunnen worden gemaakt.
De «periode van onzekerheid voor burgers» duurt tot de besluitvorming naar aanleiding van het MER-rapport over de effecten van de verschillende tracévarianten, die is gepland (na inspraak en advisering) medio 2013; deze periode kan, gezien de wettelijke eisen aan de m.e.r.-procedure, niet korter. De m.e.r.-procedure wordt toegepast, mede op verzoek van de Kamer (motie op Kamerstuk 32 404, nr. 21), om te borgen dat alle relevante externe effecten van de verschillende varianten in kaart worden gebracht, en de benodigde effectbeperkende maatregelen worden getroffen. Gezien het belang van de leefbaarheid rond het spoor moet uiterste zorgvuldigheid worden betracht.
Welke gevolgen heeft uw voornemen om het beveiligingssysteem ERTMS op het spoor in te voeren – waarmee naast de veiligheid ook de capaciteit van het spoor wordt vergroot – voor de goederenroutering door Nederland? Deelt u de conclusie van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie spoor dat in de uitwerking van PHS tot dusverre nauwelijks is gekeken naar de effecten van invoering van ERTMS? Kunt u aangeven welke inhoudelijke relatie er (nog) bestaat tussen PHS en de goederenroutering Oost-Nederland?
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie spoor (brief van 08-06-2012, Kamerstuk 32 707, nr. 16) zal ik een zogenaamde «roadmap» ontwikkelen voor de logisch te nemen stappen en de te nemen route naar een zorgvuldige invoering van ERTMS op het Nederlandse spoorwegnet. Ook de PHS-corridors – waaronder de goederencorridor Elst – Oldenzaal/grens – zullen onderdeel uitmaken van die «roadmap». Bij de uitwerking van PHS-maatregelen voor de Goederenroutering Oost Nederland zal zo goed mogelijk rekening worden gehouden met de komst van ERTMS.
Deelt u de mening dat door het ontbreken van door de Kamer gevraagde studies naar alternatieven, alsmede de onduidelijkheid over de gevolgen van de landelijke invoering van ERTMS, er momenteel onvoldoende basis is voor een zorgvuldige afweging over de goederenroutering? Bent u bereid om de Goederenroutering Oost Nederland als onderdeel van het Programma Hoogfrequent Spoor te heroverwegen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zijn de door de Kamer gevraagde studies naar alternatieven inmiddels bij de Kamer beschikbaar. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn keuzes over tracévarianten pas aan de orde als de milieu-effecten van de goederenroutering in kaart zijn gebracht in het kader van de nu lopende m.e.r.-procedure; volgens de huidige planning zal het MER 1e fase in het voorjaar van 2013 beschikbaar komen. Na inspraak en advisering vanuit de regio zal dan de keuze gemaakt moeten worden voor een van de vier onderzochte tracévarianten tussen Zutphen en Hengelo.
In de aanbiedingsbrief bij de rapporten met de resultaten van de genoemde goederenstudies (Kamerstuk 32 404, nr. 57) heb ik aangegeven van mening te zijn dat op basis van de resultaten van die studies een beperking van het m.e.r.-onderzoek tot 1 extra goederenpad per richting per uur, in plaats van de 2 extra goederenpaden per richting per uur uit de voorkeursbeslissing PHS, mogelijk lijkt. Echter, een dergelijke aanpassing van de uitgangspunten of een volledige heroverweging van het PHS-onderdeel Goederenroutering Oost-Nederland is momenteel niet aan de orde omdat de Kamer de Goederenroutering Oost-Nederland controversieel heeft verklaard.
De A13 -A16 |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe groot de verkeersintensiteiten en I/C-verhoudingen (Intensiteit/Capaciteit) van de volgende wegvakken zouden zijn indien de verbinding A13–A16 en de Blankenburgtunnel worden gerealiseerd:
Met mijn brief van 19 juni 2012 (IENM/BSK-2012/94964) heb ik de Kamer reeds geïnformeerd over de gemaakte verkeersberekeningen voor de A13/16 en de Nieuwe Westelijke Oeververbinding. Ik heb daarbij aangegeven dat uit de berekeningen voor de A13/16 blijkt, dat de invloed van de aanleg van de A13/16 op de trajecten rondom Ypenburg/Prins Clausplein en de A13 beperkt is, dat op een aantal trajecten rondom Ypenburg/Clausplein en de A13 zowel zonder als met de A13/16 de reistijdstreefwaarde niet wordt gehaald en er sprake is van een verkeerstoename van 5% ter hoogte van Delft Zuid.
Ook heb ik daarbij aangegeven dat uit de verkeersberekeningen voor de Nieuwe Westelijke Oeververbinding blijkt, dat de verkeersintensiteit bij Ypenburg/Prins Clausplein niet toeneemt na aanleg van de Blankenburgtunnel en dat de toename op de A13 tussen Delft Zuid en de Doenkade kleiner is dan 1%.
De I/C-verhoudingen zijn in 4 klassen verdeeld:
I/C < 0,8: ruim voldoende restcapaciteit;
I/C > 0,8: druk, voldoende capaciteit, lagere snelheden;
I/C > 0,9: kans op congestie en wachttijd door stilstand;
I/C = 1,0: wegvak is overbelast, structurele congestie.
Bij een I/C < 0,9 is er geen sprake van structurele congestie.
In totaal zijn er 159 wegvakken binnen dit deel van de A13, de drie genoemde knooppunten en de Kruithuisweg. Op 153 van deze wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 en is er dus geen sprake van structurele congestie, uitgaande van het WLO-scenario Regional Communities (RC, lage economische groei) en zichtjaar 2030.
Op 143 van de 159 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 en is er dus geen sprake van structurele congestie, uitgaande van het WLO-scenario Global Economy (GE, hoge economische groei) en zichtjaar 2030.
Hierna worden de I/C waarden per het door uw kamer benoemde wegonderdeel beschreven.
Dit deel van de A13 omvat in totaal 34 wegvakken.
Op 32 van de 34 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in het RC-scenario.
Op 24 van de 34 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in het GE-scenario.
De Kruithuisweg omvat in totaal 58 wegvakken.
Op alle wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9.
Het Kethelplein omvat in totaal 22 wegvakken.
Op 19 van de 22 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in het RC-scenario.
Op 18 van de 22 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in het GE-scenario.
Knooppunt Ypenburg omvat in totaal 19 wegvakken.
Op 18 van de 19 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in zowel het RC-scenario als het GE-scenario.
Het Prins Clausplein omvat in totaal 26 wegvakken.
Op alle wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in het RC-scenario.
Op 25 van de 26 wegvakken is de I/C-waarde lager dan 0,9 in het GE-scenario.
In bijlage 1 zijn alleen de wegvakken met een I/C-waarde van 0,9 of hoger in tabelvorm weergegeven. De weergegeven I/C-waarden zijn gebaseerd op het WLO-scenario GE en zichtjaar 2030. Als ook in het RC-scenario sprake is van een I/C-waarde van 0,9 of hoger is de I/C-waarde onderstreept.
Kunt u toelichten of deze intensiteiten passen bij de huidige capaciteit van de wegen en knooppunten?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Een directeur van sociale werkplaats Permar in Ede die meer verdient dan een minister |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Acht u het acceptabel dat een directeur van een sociale werkplaats meer verdient dan een wethouder of zelfs een minister?1
Uw vragen betreffen arbeidsvoorwaarden waarbij ik geen partij ben. Zoals ik onlangs ook in mijn beantwoording op uw Kamervragen over de situatie bij sw-bedrijf Novatec heb aangegeven2 geldt hiervoor in algemene zin dat ontslagbescherming, collectieve afspraken en specifieke afspraken tussen werkgever en werknemer aan de orde kunnen zijn. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het inrichten van de uitvoering. Permar WS (werkvoorzieningschap) is het sw-bedrijf voor de gemeenten Ede, Wageningen, Scherpenzeel, Barneveld en Renkum3. Zij vormen het bestuur en gaan over het beleid.
Vindt u het normaal dat sommige bestuurders van sociale werkplaatsen torenhoge salarissen ontvangen, terwijl werkers in de sociale werkvoorziening de eerste vijf jaar maximaal honderd procent van het wettelijk minimumloon verdienen? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 1.
Wordt het salaris van deze directeur gefinancierd met middelen bestemd voor de uitvoering van de taken van de sociale werkplaatsen, zoals de rijkssubsidiegelden voor beschutte werkplekken? Zo nee, uit welke publieke middelen wordt dit salaris dan wel gefinancierd?
Zoals u bekend ontvangen gemeenten middelen van het Rijk voor het realiseren van een taakstellend aantal Wsw plekken. Middelen voor niet gerealiseerde plekken worden teruggevorderd. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de inrichting en uitvoering van de Wsw. In algemene zin geldt dat het salaris van een directeur wordt gefinancierd binnen de totale begroting van een werkvoorzieningschap en niet ten koste gaat van het aantal te realiseren plekken. De rijksbijdrage voor het realiseren van sw-plekken is één van de drie financieringsbronnen. Daarnaast zijn er inkomsten uit onder andere productie en kan sprake zijn van een gemeentelijke bijdrage. Uit navraag bij het bestuur van Permar WS blijkt dat dit hier ook het geval is.
Op welke basis krijgt de bestuurder in kwestie dit extreem hoge salaris? Is het waar dat de sociale werkplaats Permar onder bewind van deze directeur in financieel zwaar is geraakt?
Het bestuur van Permar WS is van mening dat er geen sprake is van een extreem hoge beloning bij de bestuurder in kwestie en geeft aan dat de vergoeding van deze bestuurder het normbedrag voor topinkomens bij de overheid niet overstijgt4.
Desgevraagd meldt het bestuur van Permar WS dat de algemeen directeur niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de financiële resultaten van Permar WS voor de jaren 2011 en daarvoor. De algemeen directeur is per 1 april 2012 aangesteld in deze functie en is eind 2011 als interim directeur begonnen. Volgens het bestuur was Permar WS op dat moment al in financieel zwaar weer geraakt.
Heeft Permar melding gemaakt van de beloning in het financiële jaarverslag en dit topinkomen digitaal gemeld aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?2
De beloning van de aanstelling als algemeen directeur is niet gemeld aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Permar WS geeft aan dat de noodzaak hiertoe ontbreekt, omdat het normbedrag voor topinkomens bij publieke en semi-publieke sector niet is overschreden (zie antwoord op vraag 4). Permar WS heeft derhalve in het financiële jaarverslag van 2011 geen melding gemaakt van de beloning.
Bent u bereid om naar aanleiding van recente topbeloningen bij sociale werkplaatsen (Permar, Wezo, Vixxia, Novatec) onderzoek te doen naar het niveau en de ontwikkeling van de directiesalarissen van sociale werkplaatsen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De arbeidsvoorwaarden zijn een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast is u bekend dat per 1 maart 2006 de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (WOPT) in werking is getreden. Deze wet regelt dat organisaties die onder werking van de wet vallen, de gegevens openbaar moeten maken van functionarissen van wie de totale beloning in enig jaar boven het normbedrag uitstijgen. Het normbedrag wordt jaarlijks berekend aan de hand van het belastbaar loon voor ministers (voor 2011 was dit 193 000 euro). Uit de Rapportage Beloningsgegevens, die de Kamer jaarlijks in december wordt toegestuurd, zijn mij geen meldingen bekend die betrekking hebben op sociale werkplaatsen. Zoals reeds gemeld hebben gemeenten beleidsvrijheid in de uitvoering. Indien het normbedrag door een sw-bedrijf wordt overschreden, zal dit blijken uit de rapportage die u in december ontvangt.
Bent u bereid om in de Wet sociale werkvoorziening op te nemen dat het salaris van een directeur van een sociale werkplaats nooit meer mag bedragen dan het maximum salaris van een wethouder?
Zie antwoord vraag 6.
De extra politie-inzet tegen Ramadan-criminelen |
|
Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV), Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra politie ingezet tegen Ramadan-criminaliteit»1?
Ja.
Om hoeveel extra politie-inzet gaat het en wat zijn de totale kosten van deze extra inzet om crimineel gedrag van Ramadan-tuig tegen te gaan?
In zowel Den Haag als Utrecht wordt geen extra politiecapaciteit ingezet gedurende de Ramadan. Anders dan bijvoorbeeld bij het EK en Oud en Nieuw gaat het tijdens de Ramadan niet om extra politie-inzet, maar om capaciteitsmanagement, waarbij de roosters zodanig worden ingericht dat de inzet van de beschikbare capaciteit wordt geleverd op tijden dat daaraan het meeste behoefte bestaat.
Deelt u de mening van de politie dat er een verband bestaat tussen de Ramadan en criminaliteit? Zo nee, hoe duidt u de extra politie-inzet tijdens deze periode dan?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre nam de totale criminaliteit in 2010 en 2011 af gedurende de zomerperiode als gevolg van Marokkanen die Nederland verlaten voor hun vakantie?
Omtrent het in de vraag gesuggereerde verband zijn geen gegevens beschikbaar.
Bent u bereid alle extra kosten voor de politie-inzet in deze periode te verhalen op het Ramadan-tuig dat veroordeeld wordt?
Gelet op bovenstaande bestaat daartoe geen aanleiding.
Bizarre stijging parkeertarieven |
|
André Elissen (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Parkeren op straat 15% duurder»?1
Ja.
Bent u bereid een halt toe te roepen aan de explosieve stijging van parkeertarieven en derhalve de regie te pakken om in heel Nederland, daar waar er betaald geparkeerd wordt, één tarief te heffen van bijvoorbeeld maximaal één euro per uur? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de parkeertarieven is onderdeel van de gemeentelijke autonomie. De gemeenteraad is het best in staat op basis van de lokale situatie het juiste tarief te kiezen. Bovendien kan met de hoogte van de tarieven regulering van de parkeerdruk worden bewerkstelligd. Te hoge parkeertarieven kunnen tot minder bezoekers in een gemeente leiden. Het is dus ook in het belang van de gemeenten om de tarieven niet te hoog vast te stellen. Ik ben niet voornemens grenzen te stellen aan de hoogte van de parkeerbelasting.
Bent u bereid om grenzen te stellen aan de mate waarin gemeenten parkeertarieven verhogen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat, ondanks het feit dat gemeenten momenteel zelf over de parkeertarieven gaan (op basis van de Gemeentewet), het mogelijk is om hier in de toekomst landelijk beleid van te maken? Zo nee, waarom denkt u van niet? Zo ja, deelt u de mening dat het in feite gaat om een aanpassing van de Gemeentewet en de invoering van een parkeerwet?
Ik zie geen aanleiding om op basis van deze gegevens te komen tot een beleidswijziging met betrekking tot de gemeentelijke parkeerbelasting.
De A4 Passage en Poorters & Inprikkers (A4 PPI) |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe groot de verkeersintensiteiten en de concrete I/C verhoudingen (Intensiteit/Capaciteit) zijn op alle te onderscheiden wegvakken en bijbehorende knooppunten als de A4 poorters en inprikkers gerealiseerd zijn, waarbij in het model ook de A13-A16, de Blankenburgtunnel, de Rotterdamsebaan en de Rijnlandroute zijn gerealiseerd?
In de MIRT-Verkenning Haaglanden, die heeft geleid tot het Voorkeursbesluit A4 Passage en Poorten & Inprikkers, is een groot aantal mogelijke maatregelen bekeken. Ik verwijs u hiervoor graag naar de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (http://www.mirtverkenninghaaglanden.nl/documenten/MIRT_NRD_rapport-def-LR2.pdf).
Daaruit zijn kansrijke maatregelen geselecteerd, waarvoor verkeerskundige analyses zijn gemaakt. De resultaten ervan staan in het achtergrondrapport bij de ontwerp Rijksstructuurvisie van de MIRT-Verkenning Haaglanden: «MIRT Verkenning Haaglanden; verkeerskundige analyse NRM West 2011» (http://www.mirtverkenninghaaglanden.nl/documenten/MIRTVerkenningHaaglanden_VerkeerskundigeAnalyseNRMWest2011.pdf).
Op pagina 49 van deze rapportage staan de etmaalintensiteiten. Op pagina 51 en 52 staan de I/C-gegevens (voor GE-scenario) in een kaart gevisualiseerd.
Bij deze berekeningen is uitgegaan van een infrastructuurnetwerk waarin aanpassingen zijn gerealiseerd waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden.
De Blankenburgtunnel/Oranjetunnel en Rijnlandroute behoren hier niet toe. Dit zijn maatregelen die buiten het kader van de MIRT-Verkenning Haaglanden vallen, maar die wel van invloed kunnen zijn op het functioneren van het wegennet in de regio Haaglanden.
Om inzicht in het effect van deze projecten op de A4 Passage en Poorten & Inprikkers te krijgen, zijn gevoeligheidsanalyses uitgevoerd voor deze projecten. De resultaten van deze gevoeligheidsanalyses voor de Blankenburgtunnel en de Rijnlandroute staan op blz. 69 en 70 van de verkeerskundige analyse NRM West 2011.
Om efficiënt om te gaan met de onderzoeksmiddelen zijn maatregelen en combinaties van maatregelen, waarvan al bij globale analyse is gebleken dat deze niet effectief zijn, niet in deze verkeerskundige analyse meegenomen. Dit betreft onder andere de A/N54 en de A/N14.
De A/N54 is in de MIRT-Verkenning Rotterdam Vooruit onderzocht en is geen kansrijke maatregel gebleken. Hiervoor verwijs ik u graag naar de concept Ontwerp-Rijkstructuurvisie Bereikbaarheid regio Rotterdam en NWO (http://www.rotterdamvooruit.nl/viewer/file.aspx?fileinfoID=332 ).
De N14/A14 is niet kansrijk gebleken vanwege het ongewenste effect op de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Haaglanden, de aanzienlijke aantasting van natuurwaarden, de negatieve effecten op luchtkwaliteit en geluidshinder, en de hoge kosten (€ 2,1 miljard bij ligging op maaiveld tot € 4,8 miljard bij ondertunneling).
Naar aanleiding van vragen in het Algemeen Overleg MIRT van 28 juni jl. heb ik voor 1 september 2012 een integrale verkeersanalyse toegezegd.
In deze analyse zal worden ingegaan op de geschatte verkeerseffecten op het wegennet in de Zuidvleugel van een A/N54 en een A/N14.
Kunt u daarbij rekening houden met het feit dat hier met «concrete» I/C wordt gedoeld op de waarde in één getal en niet met een omschrijving van bijvoorbeeld: I/C ligt tussen 0,8 en 0,95?
De I/C-verhoudingen zijn in 4 klassen onderverdeeld:
I/C < 0,8: ruim voldoende restcapaciteit;
I/C > 0,8: druk, voldoende capaciteit, lagere snelheden;
I/C > 0,9: kans op congestie en wachttijd door stilstand;
I/C = 1,0: wegvak is overbelast, structurele congestie.
Bij een I/C < 0,9 is geen sprake van structurele congestie.
Exacte I/C-cijfers zouden een schijnnauwkeurigheid suggereren.
Kunt u aangeven hoe groot de verkeersintensiteiten en de concrete I/C verhoudingen (Intensiteit/Capaciteit) zijn op alle te onderscheiden wegvakken als de A4 poorters en inprikkers niet worden gerealiseerd, waarbij in het model wel de Oranjetunnel, de A54, de Rijnlandroute, de A14 (verbinding tussen Terbregseplein met A4 iets ten noorden van Leidschenveen, bekend van de aangenomen motie (Kamerstuk 31 200 A, nr. 61)) en een verbindingsweg tussen A54 en N211 zijn opgenomen en waarin de N211 en N14 kruisingsvrij zijn gemaakt en verbeterd conform alternatief 2 van de studie A4 Passage?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u garanderen dat alle weefvakken die benodigd zijn voor een veilige en goede inpassing van de A4 poorters en inprikkers daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden binnen het gestelde budget en volgens de geldende normen? Kunt u dit toelichten?
Voor de (Ontwerp) Rijksstructuurvisie A4 Passage en Poorten & Inprikkers is een schetsontwerp voor de maatregelen gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de richtlijnen die aan een veilige en goede inpassing van weefvakken worden gesteld. In de ontwerpverantwoording is in tabel 2, pagina 13 beschreven dat in het huidige schetsontwerp voor de korte structuur nog 2 weefvakken niet voldoen aan de richtlijn voor turbulentieafstanden. In de planuitwerkingsfase zal het meer globale schetsontwerp worden uitgewerkt in een gedetailleerd ontwerp waar rekening gehouden zal worden met een voldoende veilige en goed inpassing.
Op basis van het schetsontwerp is een kostenraming met een bandbreedte (onzekerheid 25%) opgesteld. De maatregelen van het schetsontwerp, zoals beschreven in de Ontwerp-Rijksstructuurvisie, zijn in deze kostenraming meegenomen. In de planuitwerkingsfase wordt de kostenraming verder aangescherpt en de bandbreedte verkleind.
Kunt u aangeven wat de verkeersgevolgen zijn op alle te onderscheiden wegvakken van de in vraag 1 a) t/m i) vermelde verbindingen als er zich een calamiteit voordoet waardoor het Prins Clausplein en/of Knooppunt Ypenburg worden afgesloten in westelijke oostelijke, noordelijke en/of zuidelijke richting en al dat verkeer noodgedwongen via de A4, Utrechtsebaan en A4 poorters en inprikkers haar weg moet vinden? Kunt u dit toelichten?
In de verkenningenfase is gezocht naar mogelijke oplossingsrichtingen voor de bereikbaarheidsproblemen, met als doel tot een keuze voor een oplossing te komen. Een vergaande analyse van de gevolgen van calamiteiten maakt geen deel uit van de verkenning. Tijdens de Planuitwerking vindt een calamiteitenanalyse plaats en wordt in overleg met de hulpdiensten een calamiteitenplan gemaakt.
Kunt u toelichten op welke wijze het systeem robuuster gemaakt kan worden door minder nieuwe snelwegen uit te laten komen op de knooppunten Ypenburg en Prins Clausplein?
Binnen de MIRT-Verkenning zijn geen nieuwe autosnelwegen opgenomen, die uitkomen op de knooppunten Ypenburg en/of Prins Clausplein.
Kunt u, mede omdat de studie «Ontwerpverantwoording»van A4 PPI in tabel 2 vermeldt dat bij de verkozen «korte variant» de beschikbare lengte van twee weefvakken kleiner is dan de benodigde lengte en bij twee wegvakken daar (nagenoeg) gelijk aan is, aangeven of er fysiek voldoende ruimte is voor de geplande weefvakken bij de aanleg van de Rotterdamse Baan en de A4 PPI, en toelichten of dit technisch haalbaar is?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u de antwoorden op het gevraagde bij 1) en 2) ook geven met de getelde verkeersintensiteiten en de bijbehorende I/C waarden in 2006, die zijn gebruikt in de studie A4 Delft-Schiedam?
Ik ga ervan uit dat u hiermee doelt op de verkeersintensiteiten uit 2006, zoals opgenomen in het Deelrapport Verkeer van de Trajectnota/MER A4 Delft – Schiedam Stap 2 uit april 2009.
De op pagina 14 van dit rapport vermelde intensiteiten uit 2006 zijn bepaald aan de hand van meetgegevens van Rijkswaterstaat. Deze meetgegevens zijn specifiek gemeten voor de in het rapport opgenomen wegvakken. Ik verwijs u graag naar de website (http://www.rijkswaterstaat.nl/images/TNMER%20Stap%202%20-%20Deelrapport%20Verkeer_tcm174–250727.pdf).
Er zijn geen gegevens van andere wegvakken voor dit jaar beschikbaar. Buiten deze wegvakken kan ik dus geen informatie over verkeersintensiteiten en I/C-waarden uit 2006 geven.
Sluiten de uitkomsten van het rekenmodel Haaglanden, dat gebruikt is bij de studies Rotterdamsebaan en A4 PPI, aan op het rekenmodel dat is gebuikt bij de studie Blankenburgtunnel? Zo nee, zijn deze verschillen relevant?
Voor zowel de Nieuwe Westelijke Oeververbinding (met als mogelijke maatregel realisatie van een Blankenburgtunnel) als A4 Passage en Poorten & Inprikkers is gebruik gemaakt van het NRM West 2011. Het NRM West 2011 is gebruikt voor prognoses op het hoofdwegennet en de aansluitingen op het stedelijke en regionaal wegennet.
De in het NRM West 2011 gehanteerde uitgangspunten voor de prognoses voor de NWO en de A4 Passage en Poorten & Inprikkers zijn volledig identiek.
Om uitspraken te kunnen doen over de verkeerskundige en milieueffecten op wegen in het stedelijk gebied van de agglomeratie Den Haag is voor de A4 Passage en Poorten & Inprikkers gebruik gemaakt van het voor dit stedelijk gebied gemaakte Haaglandenmodel. Gebleken is dat de prognoses van beide modellen voor 2 030 goed op elkaar aansluiten.
Het Haaglandenmodel is ook gebruikt voor eerdere verkeersprognoses voor de Rotterdamsebaan. De uitkomsten hiervan verschillen niet significant van de aansluitende prognoses met het NRM West 2011.
Islamitische sekseongelijkheid bij de naturalisatieceremonie |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Man legt eed moslima af»1?
Ja.
In hoeverre is een naturalisatie rechtsgeldig als de eed / belofte niet wordt afgelegd?
De hoofdregel is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven wegens de fysieke of psychische toestand van de persoon die Nederlander wordt, wordt het Nederlanderschap verleend zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.
Wat zijn de consequenties voor de betreffende moslima nu blijkt dat zij de eed niet heeft afgelegd? Op welke schaal komt deze vorm van islamitische sekseongelijkheid bij de naturalisatieceremonie voor?
Anders dan de vraag stelt, heeft de vrouw de verklaring van verbondenheid wel afgelegd. Het betrof hier een ouder echtpaar (boven de 65 jaar) waarvan zowel de vrouw, als de man Nederlander werd. Beiden moesten derhalve de verklaring van verbondenheid afleggen en beiden hebben dat ook gedaan.
Deelt u de mening dat vreemdelingen die het westerse gelijkheidsbeginsel tussen man en vrouw niet erkennen ook nooit Nederlander moeten kunnen worden? Zo neen, waarom niet?
Ieder die aan de voorwaarden voor de verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt op diens verzoek genaturaliseerd. Een van de naturalisatievoorwaarden is dat betrokkene is ingeburgerd. In het inburgeringstraject wordt uiteraard aandacht besteed aan de gelijkwaardigheid van vrouw en man. Assimilatie of uniforme identiteit is geen doel van integratie. Het behoort tot de verworvenheden van de Nederlandse samenleving dat ruimte bestaat voor diversiteit en pluriformiteit, mits binnen de grenzen van de wet en de algemene normen van onze samenleving. Indien een man erop zou staan dat hij bij de verkrijging van het Nederlanderschap voor zijn vrouw de verklaring van verbondenheid aflegt, wordt dat niet geaccepteerd.
Deelt u de mening dat dit soort fratsen niet zouden bestaan wanneer alle immigranten een assimilatiecontract zouden tekenen waarbij het niet naleven van dit contract leidt tot uitzetting? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De cijfers van Eurostat waaruit is gebleken dat Nederland ruim twee keer zoveel asielaanvragen inwilligt dan het gemiddelde van Europese lidstaten |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
Leers |
|
|
|
|
Hoe komt het volgens u dat Nederland ruim twee keer zoveel asielaanvragen inwilligt dan het gemiddelde van Europese lidstaten, zoals uit cijfers van Eurostat is gebleken?1 Wat is het verschil tussen de behandeling van de aanvragen in Nederland in vergelijking met andere lidstaten?
Om precies na te gaan wat de reden is dat Nederland een relatief hoog inwilligingspercentage heeft ten opzichte van de meeste andere Europese lidstaten, zou een uitgebreide dossiervergelijking nodig zijn tussen een groot aantal individuele dossiers van elk van die lidstaten. Daarbij zou niet alleen de precieze aard van de (beleids)beslissingen moeten worden onderzocht, maar zou tevens een vergelijking moeten worden gemaakt van het profiel van de asielzoekers en hun asielrelaas, zoals die deel uitmaken van de instroom van de lidstaten. Deze onderliggende gegevens bij de inwillingingspercentages zijn voor Nederland niet beschikbaar en reeds daarom is het niet mogelijk deze analyse te maken.
Mogelijk is het verschil in inwilligingspercentage mede toe te schrijven aan de aard van de Nederlandse asielprocedure en de aandacht voor het snel afdoen van kansloze aanvragen in de korte aanmeldcentrumprocedure. Nederland is met de introductie van de aanmeldcentra en de toenmalige 24-uursprocedure koploper geweest binnen Europa in het neerzetten van een korte procedure waarin kansloze aanvragen werden afgedaan. Dit stelsel is sindsdien met een aantal belangrijke verbeteringen steeds verder uitgebouwd. Het is zeer wel mogelijk dat daarmee Nederland weinig aantrekkelijk is voor vreemdelingen die geen bescherming tegen terugkeer behoeven, maar toch door middel van een asielprocedure toegang tot Europa zoeken. Vanuit dat perspectief is een lage instroom van asielzoekers met kansloze aanvragen wenselijk en kan een relatief hoog inwilligingspercentage (mede) worden verklaard.
Dat neemt evenwel niet weg dat het van belang is dat een vergelijkbaar asielverzoek in verschillende lidstaten tot een zelfde uitkomst dient te leiden. Dit heeft, naast de individuele waarborgen voor de asielzoeker, tevens als doel om asielshoppen maximaal tegen te gaan.
De totstandkoming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (GEAS) heeft dit als uitgangspunt. Daar waar verschillen in beoordeling bestaan heeft de Europese Commissie de taak om te waarborgen dat lidstaten voldoen aan de Europese regelgeving en heeft het Europees Asielbureau (EASO) een ondersteunende rol in het harmoniseren van het beleid. In de daartoe geëigende Europese gremia vraagt Nederland hier ook steeds aandacht voor. Ik zal daarnaast de Europese Commissie vragen onderzoek te doen naar de onderliggende redenen van de verschillen tussen de inwilligingspercentages van de lidstaten.
Als alle lidstaten van de Europese Unie aan dezelfde regels moeten voldoen bij het omgaan met asielaanvragen, hoe kan het dan dat er zo’n grote verschillen zijn in de percentages ingewilligde asielaanvragen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat, wanneer er in hetzelfde systeem zo’n grote verschillen zijn in de percentages asielaanvragen die worden ingewilligd, dit betekent dat er een onwenselijk verschil is in de uitvoering en interpretatie van de regels in de verschillende lidstaten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op de vragen 1, 2 en 6 blijkt, kan op basis van de inwilligingspercentages niet reeds de conclusie worden getrokken dat sprake is van een verschil in de uitvoering en interpretatie van de regels tussen alle lidstaten met een afwijkend inwilligingspercentage. Dat neemt niet weg dat Nederland zich al vele jaren inzet voor harmonisatie van de uitvoering en interpretatie van de regels voor zover dit eraan bijdraagt dat vergelijkbare asielaanvragen in alle lidstaten leiden tot een vergelijkbare uitkomst. Het is niet zo dat het GEAS pas aan de orde kan zijn als deze harmonisatie heeft plaatsgevonden. Het GEAS is juist een belangrijk instrument om de gewenste harmonisatie te bereiken.
Wat is het verschil tussen de Nederlandse interpretatie van de regels en de interpretaties van lidstaten die onder het gemiddelde scoren?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat er pas sprake kan zijn van het invoeren van één stelsel (GEAS) als gelijke behandeling van asielverzoeken een feit is?
Zie antwoord vraag 3.
Waar baseert de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de conclusie op dat mensen met «serieuzere verhalen» juist hier komen en niet ergens anders heen te gaan?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de trend over de afgelopen 5 jaar met betrekking tot (ingewilligde) asielaanvragen in EU-lidstaten? Loopt Nederland steeds verder uit de pas, of is de ontwikkeling meer constant?
De trend in de afgelopen vier jaren2 laat zien dat het verschil tussen het Nederlandse inwilligingspercentage in asielzaken en het gemiddelde inwilligingspercentage in de gezamenlijke EU-lidstaten in asielzaken afneemt. Zie bijgevoegde tabel3.
2008
2009
2010
2011
NL
52%
47%
46%
43%
EU-27
27%
27%
25%
25%
Verschil
25%
20%
21%
18%
Bron: Eurostat
De afname van het inwilligingspercentage staat los van een eventuele wijziging in het Nederlandse aandeel in de totale EU-asielinstroom. Deze was gedurende de periode 2008–2010 vrij constant (zie bijgevoegde tabel). In 2011 was het Nederlandse aandeel 1% lager omdat in dat jaar de asielinstroom in de EU-27 steeg waar die in Nederland daalde.
2008
2009
2010
2011
NL
6%
6%
6%
5%
Bron: Eurostat