De toerusting en verantwoordelijkheden van gezinsvoogden. |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van de Vara Ombudsman over de macht van gezinsvoogden?1
De uitzending laat zien dat gezinsvoogden in complexe situaties lastige afwegingen moeten maken in het belang van het kind. Daarbij is het van groot belang om ouders maximaal te betrekken bij de uitvoering van de maatregel, ook als die op grond van een rechterlijke uitspraak tegen hun wil wordt genomen.
Wanneer is het tuchtrecht geregeld voor beroepen in de jeugdzorg? Waarom laat het tuchtrecht in de jeugdzorg zo lang op zich wachten? Wat gaat u doen om dit traject te versnellen?
Over de juridische uitwerking van het voornemen om tot een wettelijke regeling te komen, is intensief overleg gevoerd met de Stuurgroep Implementatie Actieplan Professionalisering. Het ging daarbij met name over de wijze waarop de wettelijke verplichting tot registratie zou worden vormgegeven en in het bijzonder om de vraag wie straks verplicht is om zich te laten registreren. Het bleek niet mogelijk te zijn een sluitende domeinbeschrijving te maken of de werkzaamheden van deze professionals waarvoor een registratie vereist is te omschrijven. Het werk van een jeugdzorgwerker of gedragswetenschapper in de jeugdzorg is bijvoorbeeld niet te typeren in de vorm van voorbehouden handelingen, zoals die opgenomen zijn in de Wet BIG. In plaats daarvan is aangesloten bij het begrip «verantwoorde zorg» zoals dat nu reeds is opgenomen in de Wet op de jeugdzorg. Voor een nadere toelichting op deze keuze verwijs ik naar de brief over Kwaliteitsbeleid voor de brede zorg voor jeugd die ik u op 2 april heb gestuurd
Ik ben voornemens u rond het kerstreces een voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg te doen toekomen, waarmee ik de professionalisering van twee beroepen in de jeugdzorg wettelijk wil borgen.
Welke extra scholing en ook eventuele permanente scholing zou een gezinsvoogd of voogd volgens u moeten volgen naast de basisopleiding? Bent u bereid om deze nascholing verplicht te stellen als de jeugdzorg over gaat naar de gemeenten?
Wanneer gezinsvoogden onder verplichte beroepsregistratie vallen wordt ook continue scholing via eisen voor herregistratie ingevoerd. De beroepsregistratie zal deel uit maken van het nieuwe stelsel zorg voor jeugd.
Deelt u de mening dat het gezinsvoogdijwerk een zeer zwaar beroep is, dat nieuwe gezinsvoogden dus voldoende tijd en ruimte moeten hebben om zich goed in te werken, en dat nieuwe gezinsvoogden bijvoorbeeld moeten beginnen met een lagere caseload en regelmatig meelopen met een ervaren gezinsvoogd? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit altijd gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind de gezinsvoogdij moeilijk en belangrijk werk waaraan kwaliteitseisen moeten worden gesteld. Mede hierom wil ik twee beroepen in de jeugdzorg professionaliseren via opleiding, registratie, ethische code en tuchtrecht. De Stuurgroep Implementatie Professionalisering in de Jeugdzorg onder leiding van mw. Ella Kalsbeek werkt uit hoe dit in de praktijk kan worden vormgegeven. Het traineeship voor jonge professionals maakt hier onderdeel van uit. Definitieve afspraken zullen hierover moeten worden gemaakt in de gesprekken tussen werknemers en werkgevers in de sector.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat ouders ook de mogelijkheid krijgen om, net als bij het verslag van de Raad voor de Kinderbescherming,een reactie mee te sturen aan de rechtbank als reactie op het hulpverleningsplan van de gezinsvoogd en dat ouders van deze mogelijkheid op de hoogte zijn? Zo nee, waarom niet?
De standaardplannen van aanpak zijn gebaseerd op de Deltamethode, waarvan het uitgangspunt is dat samen met de ouders de problemen aangepakt worden. In het voorbeeld plan van aanpak is daarom plek ingeruimd voor de mening van ouders. Inmiddels wordt op basis van aanvullende werkafspraken ook de mening van pleegouders vermeld. Ouders hebben ook het recht om hun eigen mening aan een rapport of verzoekschrift toe te voegen. Hoewel deze werkwijze al vele jaren gangbaar is, heb ik aan Jeugdzorg Nederland gevraagd deze werkwijze nogmaals onder de aandacht te brengen van de bureaus jeugdzorg.
Kunt u aangeven hoeveel tijd kinderrechters in totaal hebben voor de behandeling van een (gezins)voogdijzaak? Bent u bereid om kinderrechters meer tijd te geven voor de behandeling van zo’n zaak? Zo nee, waarom niet?
Die vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. De Rechtspraak zelf is verantwoordelijk voor het beheer en de kwaliteit van de rechtspraak. Rechtbanken werken met productgroepen. Zaken over gezinsvoogdij vallen in de productgroep civiel. De Raad voor de rechtspraak en de individuele gerechten hebben de mogelijkheid om binnen de categorie zelf te prioriteren en onderscheid te maken in de hoeveelheid te besteden tijd.
Wat gaat u doen om te komen tot een eenduidige en goede klachtenafhandeling in de jeugdzorg, conform de aangenomen motie-Langkamp?2
De door u genoemde motie is op 3 september 2008 door mevrouw Langkamp ingediend naar aanleiding van een debat over bevindingen van de Nationale ombudsman. Op 3 november 2009 heeft mijn ambtsvoorganger u per brief (TK 2009–2010, 31 839 nr. 22) geïnformeerd over de wijze waarop deze motie zou worden uitgevoerd. Vervolgens heb ik u bij brief van 7 oktober 2011 (TK 2011–2012, 31 839 nr. 134) geïnformeerd over de bijstelling van het landelijk beleidskader jeugdzorg 2009–2012, waarin ik de provincies verzoek te komen tot een eenduidige en uniforme klachtafhandeling, conform de handreiking «Goede klachtbehandeling in de jeugdzorg» van de Nationale ombudsman .
De ongebruikelijke transacties van de minister-president van Curacao |
|
Ronald van Raak |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Wat is uw opvatting over de «ongebruikelijke transacties» waarbij de huidige minister-president van Curaçao in 2009 als toenmalig lid van de Eilandsraad betrokken was?1
De benoeming van de minister-president is een landsaangelegenheid. Het past mij daarom niet daar een opvatting over te hebben. Benoeming geschiedt bij landsbesluit, door de Gouverneur onder politieke verantwoordelijkheid van de (nieuwe) minister-president. Het is aan de Staten van Curaçao om te beoordelen of de bestuurders een goede afweging hebben gemaakt bij de benoeming van de minister-president.
Wanneer was u op de hoogte van deze ongebruikelijke financiële transacties?
Mijn ambtsvoorganger heeft van de Gouverneur begin 2011 zijn waardering van de uitkomsten van de gebruikelijke screening van bewindslieden door de veiligheidsdienst Nederlandse Antillen c.q. Curaçao ontvangen en daar kennis van genomen (u bent hier per brief van 19 januari 2011, Kamerstuk 2010–2011, 32 500 IV, nr. 26 en het debat van 10 februari 2011 (Handelingen 10 februari 2011, 51-4) over geïnformeerd). Deze screening bestond uit een onderzoek door de Veiligheidsdienst en onderzoek naar gegevens van betrokkenen uit de dossiers van het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank.
Zouden de in het artikel genoemde ongebruikelijke transacties bij een screening van ministers een belemmering hebben gevormd voor de benoeming van deze minister-president?
Het Openbaar Ministerie heeft eind 2010 meldingen bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) met het hoofd van deze dienst besproken en zag toen op basis van de beschikbare informatie vooralsnog geen termen aanwezig om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. De verklaring die de procureur-generaal daarover richting de Gouverneur van Curaçao heeft gestuurd in december 2010 is door de regering van Curaçao openbaar gemaakt (persbericht 7 maart 2012 «OM heeft reeds in december 2010 de premier «gecleared» inzake MOT-meldingen»).
In hoeverre is naar uw opvatting op Curaçao nog sprake van goed bestuur?
Curaçao is een autonoom land en heeft zijn eigen mechanismen om de gemeenschappelijke waarden te waarborgen. Het is in eerste instantie aan de organen van het land om zorg te dragen voor goed bestuur. De verantwoordelijkheid van het Koninkrijk in dit verband bestaat uit invulling geven aan het waarborgen van deugdelijkheid van bestuur als bedoeld in artikel 43, tweede lid van het Statuut voor het Koninkrijk. Uitgangspunt daarbij is dat de Koninkrijksregering de landen de tijd en ruimte laat om zelf hun verantwoordelijkheid te nemen. Ingrijpen in de autonomie van een land om de deugdelijkheid van bestuur te waarborgen, moet worden beschouwd als een ultimum remedium.
Hoe gaat u invulling geven aan de taak van de Koninkrijksregering om goed bestuur op Curaçao te waarborgen?
Zie antwoord vraag 4.
Zelfdoding onder veteranen |
|
Jasper van Dijk , André Bosman (VVD), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Ken u het artikel «Zelfmoord? Bij militairen Sst!»?1
Ja.
Is het waar dat uw ministerie noch een andere organisatie cijfers bijhoudt van zelfmoord onder veteranen?
Ja. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt, als enige organisatie in Nederland, gegevens bij over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Het CBS maakt hierbij gebruik van de «melding doodsoorzaak» die is voorgeschreven in de Wet op de Lijkbezorging. Of hierbij sprake is van een veteraan wordt door het CBS niet geregistreerd. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Is het waar dat u geen verhoogd percentage zelfmoorden onder veteranen vermoedt op basis van onderzoek onder oud-Balkangangers? Zo ja, kunt u aangeven waarom u deze missie dermate vergelijkbaar acht met andere Nederlandse missies dat een dergelijke conclusie valt te trekken?
Met mijn brief van 11 mei 2011 (Kamerstuk 27 580, nr. 17) heb ik de Kamer het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over Balkan-veteranen aangeboden, getiteld «Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan deployment». Voor dit onderzoek zijn 18 000 (oud) militairen – die op de Balkan zijn ingezet – meer dan tien jaar gevolgd. In deze groep bevonden zich ook militairen die na de missie op de Balkan elders voor missies zijn ingezet. Bij dit onderzoek is geen statistisch significant hoger percentage zelfdoding geconstateerd dan bij een vergelijkbare deel van de Nederlandse bevolking. Het RIVM wijst erop dat de onderzoeksperiode langer is dan die van andere internationale onderzoeken en dat dit onderzoek daardoor meer zeggingskracht heeft gekregen.
Voor de missies naar de Balkan geldt, net als voor andere missies, dat zich bij militairen psychische klachten kunnen ontwikkelen ten gevolge van de uitzending. Dat de situatie in de Verenigde Staten verschilt met die in Nederland kan zijn terug te voeren op verschillen in uitzendduur, verschillen in begeleiding voor, tijdens en na een missie en een andere wijze waarop de zorg voor militairen en veteranen is ingericht.
Kunt u uiteenzetten waarop uw ministerie de opvatting baseert dat een hoger dan gemiddeld zelfmoordpercentage in de VS niet van toepassing is op Nederland «omdat de Nederlandse militaire uitzendingen korter zijn, de begeleiding voor, tijdens en na de missie intensiever is, en de medische zorg anders is ingericht»?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Defensie een proactieve houding zou moeten hebben bij onderzoek naar gevallen van zelfdoding door veteranen? Zo nee, waarom niet?
Een medewerker van Defensie die kampt met problemen kan zich wenden tot uiteenlopende zorgverleners. Deze zullen hem of haar proberen te helpen de problemen de baas te worden en escalatie van het probleem te voorkomen. Elke defensie-eenheid kent bovendien een Sociaal Medisch Team (SMT) dat de problematiek van de werknemer kan bespreken. Van het SMT maken onder meer de commandant, de bedrijfsarts, de maatschappelijk werker en de geestelijk verzorger deel uit. Preventie, het aanbieden van toereikende zorg en mogelijkheden voor snelle interventie door hulpverleners zijn belangrijke factoren bij het voorkomen van zelfdoding. Wanneer bekend is dat een militair door zelfdoding om het leven is gekomen, zullen hulpverleners en commandanten in overleg met het SMT nagaan of betere hulp mogelijk was geweest. Dit geldt ook voor het LZV indien het een veteraan betreft die via het LZV zorg heeft ontvangen.
In het antwoord op vraag 2 heb ik uiteengezet dat alleen het CBS informatie ontvangt over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Soms krijgt Defensie informatie over zelfdoding van oud-militairen en veteranen. Deze informatie is echter niet toereikend voor een betrouwbare registratie van zelfdoding. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Deelt u de mening dat het registeren van zelfdodingen van veteranen inzicht kan geven in de mogelijke problematiek van zelfdoding onder veteranen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat met het registeren van zelfdodingen, eventuele oorzaken hiervan kunnen worden achterhaald en op deze manier de voor- en nazorg voor uitgezonden militairen kan worden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u vanaf heden in de jaarlijkse Veteranennota informatie over zelfdoding onder veteranen opnemen?
Indien de studie zoals bedoeld in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7 leidt tot inzicht in de mate waarin zelfdoding voorkomt onder veteranen, kan deze informatie vanaf 2013 in de Veteranennota worden opgenomen.
Gesjoemel met tellen van reeën |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Gesjoemel met tellen van reeën»1 en «Reeënjacht ligt aan banden»?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het aantal door Drentse wildbeheereenheden getelde reeën tot 25 tot 30 procent afweek van de in eerste instantie opgegeven aantallen? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe deze situaties hebben kunnen ontstaan? Zo nee, op welke onduidelijkheden in tellingen van reewild is dit bericht dan gebaseerd?
Het is aan de colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies om maatregelen te nemen voor een verantwoord faunabeheer dat is gericht op de instandhouding van een gezonde en evenwichtige doelpopulatie. Het is eveneens de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten om zo nodig handhavend op te treden. De provincies hebben een aantal taken met betrekking tot het faunabeheer neergelegd bij faunabeheereenheden (FBE), maar blijven uiteraard zelf verantwoordelijk voor een verantwoord beleid.
Om die redenen ben ik niet bereid onderzoek in te stellen naar populatiedynamiek of beheermaatregelen.
Deelt u de mening dat het stelselmatig teveel tellen van reewild om op die manier machtigingen te krijgen om extra dieren te kunnen schieten onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u maatregelen treffen?
Ja, het opzettelijk teveel dieren opgeven om er meer te kunnen schieten, vind ik niet aanvaardbaar. Het is echter de verantwoordelijkheid van de Gedeputeerde Staten van de provincies om dit te onderzoeken en in voorkomende gevallen maatregelen te nemen. Zij zijn verantwoordelijk voor het faunabeheer.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze onduidelijkheden met betrekking tot het tellen van reeën ook bij andere faunabeheereenheden aan de orde zijn of zijn geweest de afgelopen jaren? Zo nee, bent u bereid om naar aanleiding van de berichtgeving over de Drentse wildbeheereenheden onafhankelijk onderzoek wildbeheereenheden hier naar in te stellen onder de overige?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe wordt gecontroleerd of faunabeheereenheden en wildbeheereenheden het reewild naar waarheid in kaart brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat jagers er belang bij hebben het aantal reeën hoger in te schatten om zo meer dieren te kunnen schieten? Zo nee, hoe verklaart u dan het gesjoemel met tellingen van reeën door de faunabeheereenheid Drenthe? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De specifiek omschreven casuïstiek in Drenthe valt binnen de verantwoordelijkheid van de Gedeputeerde Staten. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Is het waar dat jagers vanuit eigenbelang er niet bij gebaat zijn de populatie te beheren in lijn met het draagkracht van het gebied, omdat er dan minder aantallen geschoten kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Nee, jagers en wildbeheereenheden zijn niet de enigen die faunapopulaties in kaart brengen. Om een gecoördineerde en planmatige aanpak van het faunabeheer te bewerkstelligen is juist de Faunabeheereenheid (FBE) opgericht. In de FBE hebben diverse betrokken maatschappelijke partijen zitting, waaronder natuurorganisaties. Daarmee is de onafhankelijkheid en objectiviteit voldoende gewaarborgd.3
Deelt u de mening dat het in kaart brengen van wildpopulaties niet aan jagers en wildbeheereenheden moet worden overgelaten vanwege de tegenstrijdige belangen zoals blijkt uit het gesjoemel met reewildtellingen? Zo nee, waaraan ontleent u de zekerheid dat wildbeheereenheden het tellen van wild ten behoeve van het bepalen van de afschotaantallen naar waarheid uitvoeren? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u het beleid ten aanzien van tellen van wildpopulaties anders inrichten?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u uiteenzetten hoe de onafhankelijkheid van de telling van andere grote hoefdieren zoals damherten, edelherten en zwijnen gewaarborgd is? Kunt u ook uiteenzetten wat de betrokkenheid van jagers en wildbeheereenheden is bij deze tellingen en hoe belangenverstrengeling van overheidswege voorkomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre het afschot van grote hoefdieren gericht is op blijvende regulering van de populatieomvang en kunt u het succes van een dergelijke strategie duiden aan de hand van de populatieontwikkeling van de afgelopen 5 jaar gerelateerd aan afschotcijfers en uitgesplitst naar diersoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten wat de logica is van de gedachte dat de Drentse jagers na het bekend worden van het gesjoemel, in overleg met de Provincie hebben besloten met name de jacht op vrouwelijke dieren aan banden te leggen? Waren er aanwijzingen dat er in verhouding meer op vrouwelijke dieren dan op mannelijke dieren geschoten werd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u in termen van populatiedynamiek en populatiebeheersing uitleggen wat het beperken van de jacht op vrouwelijke dieren betekent voor de te verwachten aanwas van volgend jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat jagers vaak een geiten- of zeugenpot hebben waarin boetes gestort moeten worden wanneer een jager teveel vrouwelijke dieren schiet, juist omdat jagers vrouwelijke dieren zien als de garantie voor voldoende af te schieten dieren in het volgende jaar? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben daar niet mee bekend.
Bent u bereid nader onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de populatiedynamiek van grote hoefdieren in relatie tot de totstandkoming van telgegevens en de rol van de jacht c.q. schadebestrijding met het jachtgeweer daarin? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat jagers ook de rollen van dierenteller, dierenpolitieagent, veldwachter, aanklager, rechter en leverancier van de poelier op zich mogen nemen, waardoor belangenverstrengeling op de loer ligt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u deze vermenging van rollen ontvlechten en objectiveren?
Zie antwoord vraag 7.
De sluiting van brandweerposten |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat er door heel Nederland de afgelopen jaren 53 brandweerposten gesloten zijn en dat er 42 brandweerposten gesloten dreigen te worden?1
Ik ken de geluiden over het sluiten van brandweerposten. Het is echter niet aan mij om in te gaan op de precieze cijfers hieromtrent. De verantwoordelijkheid voor het sluiten van brandweerposten ligt immers bij het bestuur van de veiligheidsregio’s. Mijn verantwoordelijkheid richt zich op het naleven van de wettelijke kaders uit de wet veiligheidsregio’s, waaronder het behalen van de opkomsttijden. Ik baseer mijn beeld op het onderzoek dat de Inspectie VenJ hiernaar heeft uitgevoerd en zal u voor de zomer informeren over de concrete cijfers met betrekking tot de opkomsttijden en de landelijke dekking in Nederland.
Is het waar dat er sluitingsplannen zijn in de veiligheidsregio’s Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond, Noord- en Oost-Gelderland, Friesland, Limburg-Noord, Zuid-Oost Brabant en Zeeland? Waaruit bestaan deze plannen concreet? Kunt u per brandweerpost aangeven waarom sluiting nodig is?
Het bestuur van de veiligheidsregio stelt het brandweerbeleid, op basis van het regionale risicoprofiel, vast in het brandweerbeleidsplan. Onderdeel daarvan is het zogenaamde dekkingsplan, waarin de spreiding en het aantal brandweerposten per veiligheidsregio wordt vastgelegd. Daarin staan de middelen en maatregelen beschreven om de brandweerzorg in de veiligheidsregio te realiseren. De veiligheidsregio’s zijn daartoe verplicht op basis van de Wet veiligheidsregio’s en het Besluit veiligheidsregio’s en moeten zich houden aan de bepalingen uit de Wet.
Het regionale brandweerbeleid en het treffen van maatregelen om dat beleid zo effectief en efficiënt mogelijk uit te voeren, is een regionale bestuurlijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid. Ik stel de landelijke kaders. Omdat het vaststellen van het brandweerbeleid en de regionale dekkingsplannen door het bestuur van de regio gebeurt, is het niet aan mij om per brandweerpost aan te geven waarom sluiting nodig is.
Wat zijn de gevolgen van deze plannen voor de opkomsttijden en de veiligheid van de inwoners?
De IOOV is bezig met een grootschalig onderzoek naar de gerealiseerde opkomsttijden in Nederland. Dat onderzoek zal uitwijzen hoe het staat met de opkomsttijden in het land. Ik wil daar niet op vooruitlopen.
Hoe worden gemeenteraden betrokken bij voorstellen over mogelijke sluitingen?
Het is in Nederland zo geregeld dat het beleidsplan moet worden vastgesteld door het bestuur van de veiligheidsregio. Elke burgemeester in een veiligheidsregio maakt deel uit van het bestuur van de veiligheidsregio, dat de beleidsplannen vaststelt.
Binnen ons dualistische stelsel kan een gemeenteraad te allen tijde de burgemeester van een gemeente vragen zich te verantwoorden over het beleid in de eigen gemeente.
Wat is op dit moment de stand van zaken van het onderzoek van Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) naar de opkomsttijden van de brandweer?
Het onderzoek van de Inspectie OOV wordt in mei 2012 afgerond en de resultaten worden dan aan mij kenbaar gemaakt. Ik zal kort daarop ook de Kamer informeren over die uitkomsten en mijn reactie op het rapport geven.
Bent u bereid voorgenomen sluitingen van kazernes op te schorten tot de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn?
Het bestuur van de veiligheidsregio stelt het beleid en de samenhangende maatregelen vast. De veiligheidsregio maakt bestuurlijke afwegingen (op basis van de landelijke kaders) en besluit op basis van haar beleidsplan over de brandweerposten, het aantal en de spreiding. Het is een regionale bestuurlijke afweging welke maatregelen op welk moment moeten worden genomen. Ik ga er daarbij vanuit dat de veiligheidsregio’s de veiligheid van burger en personeel voorop hebben staan.
Zoals ik hiervoor aangaf, wil ik niet op de resultaten van het onderzoek van de IOOV vooruitlopen. Indien het onderzoek van de IOOV uitwijst dat veiligheidsregio’s zich niet houden aan de bepalingen in de Wet, dan is het aan het bestuur van de veiligheidsregio om maatregelen te treffen om die situatie te verbeteren. Ik kan het bestuur van de veiligheidsregio daarop aanspreken.
De verkoop van Holland Casino. |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kabinet doet Holland Casino in de verkoop»1 en herinnert u zich het bericht «Verkoop Holland Casino»; PvdA: «Entertainmentbedrijf geen taak overheid»?2
Ja.
Betekent het feit dat Holland Casino een staatsbedrijf is dat de verdere ontwikkeling naar een entertainmentbedrijf met onder andere een uitbreiding van theater- en horecafaciliteiten, wordt gehinderd? Zo nee, hoe verhoudt zich dit tot de regels ten aanzien van markt en overheid?
Holland Casino is een private onderneming die zelfstandig opereert. Door de pseudo-aandeelhouder wordt het behandeld als ware het een staatsdeelneming. Inzake het ontplooien van nevenactiviteiten hebben de toenmalige ministers van Financiën en van Justitie uw Kamer op 24 maart 2010 een brief3 gestuurd met hun reactie op het advies van de landsadvocaat. Graag verwijzen wij u hiernaar. De brief gaat vooral in op de vraag in welke mate vernieuwing van het casinoconcept mogelijk is zonder de Europeesrechtelijke houdbaarheid van het monopolie voor speelcasino’s in gevaar te brengen. Volgens de landsadvocaat is het mogelijk de kwaliteit van het aanbod te verhogen en het aanbod aantrekkelijker te maken, zolang het speelaanbod en de hoeveelheid reclame daarvoor in zijn totaliteit niet wordt vergroot. Revitalisering van de bestaande casino’s zou niet op Europeesrechtelijke bezwaren stuiten, ook als in de bestaande casino’s meer dan voorheen plaats wordt ingeruimd voor horecafaciliteiten of als er een (klein) theater wordt ingericht.
Is het waar dat het kabinet momenteel werkt aan een voorstel tot privatisering van Holland Casino? Zo ja, wat is de stand van zaken van dat voorstel, op welke termijn is de verkoop mogelijk en had de Tweede Kamer eerder kennis van een dergelijk voorstel kunnen nemen? Zo nee, betekent dat dan dat u op dit moment op geen enkele manier overweegt Holland Casino te verkopen?
Eén van de uitgangspunten van de van de in maart vorig jaar aan uw Kamer verzonden Beleidsvisie Kansspelen4 is om de beleidsdoelstellingen (voorkomen van kansspelverslaving, beschermen van de consument, tegengaan van fraude en witwassen en creëren van passend en attractief aanbod) zoveel mogelijk door het stellen van strikte regels en het uitoefenen van goed toezicht te bereiken en niet altijd vast te houden aan het huidige beginsel om per kansspelcategorie slechts één vergunning toe te laten. In het nieuwe kansspelbeleid zullen wij dan ook bezien hoe de markten geordend worden (één of meer vergunningen). Onze departementen werken momenteel hard aan voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en ordening van de kansspelmarkten voor casino’s en automatenhallen. De vraag of de overheid voor 100% eigenaar dient te zijn van Holland Casino is daar een afgeleide van. Een eventuele verkoop van Holland Casino zal derhalve bezien worden in samenhang met de voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en ordening van deze kansspeldeelmarkten. Een concreet voorstel tot privatisering is er nu derhalve niet.
Indien het antwoord op vraag drie bevestigend is, op welke wijze overweegt het kabinet Holland Casino dan eventueel te verkopen? Gebeurt dat via een veiling van de vergunning, een onderhandse verkoop, uitgifte van aandelen of anders?
Wij kunnen nu op deze vragen geen betekenisvolle antwoorden geven. Voor de vormgeving van voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en ordening van de kansspelmarkten zijn de in de vraag genoemde doelstellingen, alsook de bescherming van de consument tegen crimineel en frauduleus handelen onaantastbare randvoorwaarden. Marktordeningsopties die daar geen of onvoldoende rekening mee houden zijn onaanvaardbaar.
Indien verkoop wordt overwogen, vindt de verkoop van Holland Casino dan in zijn geheel plaats of worden afzonderlijke locaties afzonderlijk of in clusters verkocht? Op welke wijze wordt er bij de verkoop rekening gehouden met doelstellingen ten aanzien van het voorkomen van gokverslaving of het wiswassen van geld en met de belangen van het huidige personeel van dit staatsbedrijf?
Zie antwoord vraag 4.
Betekent een mogelijke verkoop van Holland Casino dat daarmee meer ruimte wordt gecreëerd voor entertainment en online gokken in combinatie met kansspelen binnen de vestigingen van Holland Casino?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat er zes jaar geleden al belangstelling was bij Amerikaanse gokconcerns om Holland Casino over te nemen? Zo ja, waar bleek die belangstelling uit en bestaat die nog steeds?
De afgelopen jaren hebben zich op de departementen van Veiligheid en Justitie en Financiën verschillende partijen gemeld om hun belangstelling voor het exploiteren van één of meerdere casino's in Nederland kenbaar te maken. Gelet op het huidige stelsel van de Wet op de Kansspelen en de positie van Holland Casino daarin is van onderhandelingen met deze partijen geen sprake.
Zijn u op dit moment partijen bekend die geïnteresseerd zijn in een overname van Holland Casino? Bent u al met partijen in onderhandeling?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer krijgt de Kamer een kabinetsreactie over hoe de aangenomen moties met betrekking tot een breed kansspelbeleid (behorend bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de kansspelen 32 264) worden uitgevoerd?
Zoals uw Kamer bij haar regeling van werkzaamheden van 28 februari jl. heeft verzocht, zal de reactie op de aangenomen moties op korte termijn aan uw Kamer worden gezonden.
De besteding van provinciale subsidiegelden |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Inzicht in doeltreffendheid van subsidies» van de Randstedelijke Rekenkamer?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat in 2011 de provincie Noord-Holland 40, de provincie Zuid-Holland 43, de provincie Utrecht 44 en de provincie Flevoland 53 procent van hun totale begrotingen uitgaven aan subsidies? Acht u het noodzakelijk dat deze vier provincies vorig jaar samen maar liefst een bedrag van ruim € 1,1 miljard uitgaven aan subsidies?
Hier speelt dat verantwoordelijkheden op het daartoe geëigende niveau moeten worden opgepakt. De provincies zijn als autonome bestuurslaag zélf verantwoordelijk voor de verstrekking van subsidies en het is aan de lokale volksvertegenwoordiging om hier een oordeel over te vormen Het kabinet hanteert het adagium: je gaat erover of niet. Dat is vastgelegd in het regeerakkoord en in de bestuursafspraken met de medeoverheden. De colleges van Gedeputeerde Staten (GS) leggen over het gevoerde beleid verantwoording af aan de Provinciale Staten (PS). Het is aan de PS om een oordeel te vormen over het beleid van GS. Dit hoort bij de lokale democratie die wij in kennen. In dit verband zijn ook de lokale rekenkamers in het leven geroepen die op onafhankelijke wijze bijdragen aan beter bestuur en betere publieke verantwoording. De lokale rekenkamers ondersteunen daarmee ook de lokale volksvertegenwoordigers in hun controlerende taak. Ik vind het positief dat deze rol op provinciaal niveau dan ook kritisch wordt opgepakt, en dat er met die insteek wordt gekeken naar de verstrekking van subsidies. De verantwoordelijkheden worden dan op het geschikte niveau opgepakt. Ook de rekenkamers pakken hun rol goed op. In dit geval hebben de GS van de vier provincies in hun reactie op het onderzoek ook aangegeven dat de verbetervoorstellen van de rekenkamer worden overgenomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat, ondanks een wettelijke plicht daartoe, maar een deel van de subsidies wordt geëvalueerd en dat als er wel geëvalueerd wordt de kwaliteit van die evaluaties vaak gering is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat provincies slechts van een gering deel van de subsidies weten welke prestaties geleverd zijn en zij van vrijwel geen enkele subsidie weten of de beoogde doelen zijn gerealiseerd? Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat provincies weinig inzicht blijken te hebben in de doeltreffendheid van hun subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de wijze waarop provincies blijkbaar met belastinggeld omspringen, te kwalificeren is als schandelijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid met de provincies een indringend gesprek te voeren en daarmee te bevorderen dat zij voortaan de wet gaan naleven en al hun subsidies gaan evalueren? Bent u bereid er in dat gesprek aan toe te voegen dat die evaluaties van goede kwaliteit dienen te zijn en dat provincies er goed aan zouden doen voortaan alle subsidies stop te zetten die niet blijken te voldoen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het debat in de Kamer naar aanleiding van het algemeen overleg over het Onderzoeksrapport van de Algemene Rekenkamer «Leren van subsidie-evaluaties»?
Aangezien er nog geen datum is gepland voor dit algemeen overleg, ga ik er vanuit dat met de beantwoording van de vragen 1 tot en met 6 aan de beantwoording van deze vraag voldaan.
Het advies van de Commissie voor de Milieu Effect Rapportage over goederenspoor in Oost-Nederland |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Wacht met MER goederenspoor Oost-Nederland tot noodzaak duidelijker is»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verstandig is om het advies van de Commissie voor de op te volgen en eerst fundamentele vragen over de lange termijn verwachtingen en de keuze tussen modaliteiten?
Naar aanleiding van de door de Kamer aangenomen moties tijdens het debat over het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) heb ik in de Voortgangsrapportage over PHS van 10 oktober 2011 (Kamerstuk 32 404, nr. 55 met bijlage2 aangegeven dat gekozen is voor een parallelle aanpak van de onderzoeken. Tegelijkertijd worden (A) de door uw Kamer gevraagde extra studies uitgevoerd (namelijk: meer inzet van de binnenvaart, meer gebruik van de Betuweroute, en het lange termijn perspectief van het goederenvervoer per spoor), en (B) de MER voor de goederenroutering in Oost Nederland. In par 2.4.7. van de Voortgangsrapportage is aangegeven hoe die studies in samenhang worden gepland en uitgevoerd.
In de opzet van de MER-studie is er rekening mee gehouden dat de uitkomsten van de noodzaak-onderzoeken (A) adequaat meegenomen kunnen
worden in de lopende MER-studie (B). Daarom wordt in de MER zowel onderzoek gedaan naar de effecten van het aantal goederentreinen zoals voorzien in de PHS Voorkeursbeslissing door het Kabinet van juni 2010, namelijk 2 extra goederentreinen per uur en per richting, alsook naar de effecten van 1 goederentrein per uur en per richting, en idem van nul extra goederentreinen.
Daardoor kan de MER, vanaf het moment dat besluitvorming naar aanleiding van de door uw Kamer gevraagde extra onderzoeken (A) heeft plaatsgevonden, daarop op maat gesneden worden voortgezet, en zonder tijdverlies. Die besluitvorming is gepland medio 2012 na bestuurlijk overleg met de regio.
Het advies van de CieMER om de onderzoeken ná elkaar uit te voeren neem ik niet over. Dat zou tot een onnodige vertraging van de MER-procedure leiden, en tot een langere periode van onzekerheid voor de bewoners langs de spoorlijnen van Elst tot Oldenzaal/grens.
Deelt u de mening dat de m.e.r.-procedure moet worden stopgezet en dat hoe dan ook de deadline voor het inbrengen van commentaar voor de m.e.r.-startnotitie ruim na het verschijnen van de resultaten van de voorstudies rond de alternatieven voor de spoorboog bij Deventer moet liggen? Zo nee, waarom niet?
De m.e.r.-procedure behoeft niet te worden stilgelegd, omdat er in de procedure voorzieningen zijn opgenomen om rekening te kunnen houden met tussentijdse beslissing naar aanleiding van de noodzaak-onderzoeken; zie het antwoord op vraag 2. Deze aanpak is ook beschreven in de «Notitie reikwijdte en detailniveau» (de m.e.r.-startnotitie), die al vanaf eind 2011 ter visie ligt; de commentaarperiode op dit document behoeft derhalve niet te worden verlengd. De «voorstudies rond de alternatieven voor de spoorboog bij Deventer» maken juist onderdeel uit van het m.e.r.-onderzoek; als dat deel van het onderzoek gereed is – volgens planning voorjaar 2013 – is er vanzelfsprekend ruime gelegenheid voor inspraak.
Kunt u deze vragen, gelet op de deadline die nu geldt voor het indienen van commentaar op de m.e.r.-startnotitie, vóór 15 maart beantwoorden?
Beantwoording voor 15 maart is helaas net niet gelukt, wel zeer kort daarna.
Het bericht dat toegankelijkheid van stations zeer te wensen overlaat |
|
Jacques Monasch (PvdA), Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het programma Kanniewaarzijn gezien?1
Ja.
Is het waar dat op slechts 100 van de bijna 400 stations assistentie wordt verleend door de NS, zodat het dus op 300 stations niet mogelijk is voor minder valide reizigers om te reizen?
Geen assistentieverlening op een station houdt niet in dat het voor mensen met een functiebeperking niet mogelijk is van of naar dat station te reizen. Voor mensen met een auditieve of visuele beperking is het in veel gevallen goed mogelijk zelfstandig met de trein te reizen. Mensen in een rolstoel of op een scootmobiel zijn voor het maken van hun treinreis op dit moment meestal aangewezen op assistentieverlening om in en uit de trein te kunnen komen. Op 110 van de 386 stations wordt deze service aangeboden.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat assistentie op termijn op alle stations gerealiseerd moet worden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet streeft zelfstandige toegankelijkheid voor mensen met een functiebeperking na. In het Actualisatierapport 2010 Toegankelijkheid spoor, dat ik bij mijn brief van 28 juni 2011 naar uw Kamer heb gestuurd is opgenomen hoe deze zelfstandige toegankelijkheid bereikt wordt. In grote lijnen komt het op het volgende neer: In 2015 zijn alle stations zelfstandig toegankelijk voor mensen met een visuele of auditieve beperking. Daarnaast worden stations versneld toegankelijk gemaakt voor mensen met een motorische functiebeperking. De maatregelen die voor deze groep getroffen moeten worden, zijn erg ingrijpend: de perrons moeten op de juiste hoogte worden gebracht en de perrons moeten door middel van liften of hellingbanen bereikbaar worden gemaakt.
Op het moment dat er materieel met een lage vloer langs deze perrons stopt, ontstaat er een gelijkvloerse instap. Daarmee kunnen ook reizigers in een rolstoel of op een scootmobiel zelfstandig in en uit de trein komen. Assistentieverlening is dan ook voor deze reizigers niet meer noodzakelijk: assistentieverlening is een middel dat er voor zorgt dat in de periode tot het spoorsysteem zelfstandig toegankelijk is ook reizigers met een beperking kunnen reizen.
Hoever van tevoren moet een reiziger die assistentie nodig heeft, aangeven dat hij of zij wil reizen? Deelt u de mening dat een reiziger, zeker op grote stations, maximaal een half uur van tevoren moet kunnen aangeven dat hij of zij wil reizen zodat ook voor deze groep maximale flexibiliteit wordt geboden?
Op dit moment moeten reizigers minimaal drie uur voor vertrek assistentie reserveren. In het kader van de concessie voor het hoofdrailnet 2015–2024 ga ik met NS afspraken maken over het verbeteren van assistentieverlening. Zo zal de vooraanmeldtijd voor assistentieverlening verkort worden van drie uur voor aanvang van de reis tot één uur voor aanvang. Daarnaast wordt de vooraanmeldtijd op de zeven grootste stations teruggebracht naar een kwartier: mensen kunnen zich op deze stations dus ook ter plaatse melden voor assistentieverlening aan de servicebalie.
Het aantal stations waarop assistentieverlening wordt aangeboden, zal in overleg met belangenorganisaties worden vergroot. Hierbij wordt onder andere gekeken naar afstanden tussen stations waarop assistentieverlening wordt aangeboden. Ook de nabijheid van een wooncomplex voor mensen met een beperking – zoals in Arnhem Zuid het geval is – kan een goede reden zijn om op een bepaald station assistentieverlening aan te bieden. Ik reken erop dat belangenorganisaties dit tijdens het overleg in zullen brengen.
de publicatie 'Ondernemingsraad en pensioen' |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Ondernemingsraad en Pensioen» uit de Serie Publicaties van het VU Expertisecentrum Pensioenrecht, geschreven door mr. dr. Mark Heemskerk (hierna: de auteur)?
Ja
Deelt u de mening van de auteur dat het geldend recht is dat de Ondernemingsraad (OR) instemmingsrecht op grond waarvan artikel 27, eerste lid 1 sub a, van de Wet op de ondernemingsraden heeft over zowel de pensioenovereenkomst als de uitvoeringsovereenkomst?
Ja. Ondernemingsraden hebben conform artikel 27 ten aanzien van regelingen die ondergebracht zijn bij een pensioenverzekeraar instemmingsrecht over zowel de pensioenovereenkomst als de uitkeringsovereenkomst (zie Aanhangsel van de Handelingen 2009/10, 2601 en Kamerstukken 2007/08, 31 226, nr. G).
Brengt het voorgaande u ertoe genoemd wetsartikel te verduidelijken?
Nee. Ik zie in de praktijk geen problemen met betrekking tot de huidige formulering.
Deelt u de mening van de schrijver dat de instemming van de OR de individuele medewerker niet bindt?
Ja. In beginsel bindt instemming van de OR de individuele medewerker niet. Wel kan in voorkomende gevallen in het arbeidscontract van een individuele medewerker zijn opgenomen, dat wijziging van specifieke arbeidsvoorwaarden bindend is als de OR hiermee heeft ingestemd. Dan bindt instemming van de OR de medewerker wel.
Is het waar dat aanpassing in fiscale pensioenwetgeving niet dwingend doorwerkt in de pensioenovereenkomst?
Ja. De fiscale wetgeving bepaalt alleen de (voorwaarden voor) fiscale facilitering van pensioen. Deze regelgeving staat in beginsel los van de civielrechtelijke mogelijkheden voor de vormgeving van de pensioenovereenkomst. Tegelijkertijd heeft deze wetgeving in de praktijk grote invloed op de uiteindelijke pensioenregeling. Zowel werkgevers als werknemers willen immers in aanmerking blijven komen voor toepassing van de omkeerregel. Overigens kunnen werkgevers een eenzijdig wijzigingsvoorbehoud hebben overeengekomen voor gewijzigde fiscale regelgeving.
Is het mogelijk dat aanpassing van fiscale pensioenwetgeving leidt tot compensatie-eisen door de OR en/of individuele medewerker?
Ja. Een pensioenovereenkomst is een afspraak tussen werkgevers en werknemers. Zij hebben altijd de mogelijkheid over een eerder gesloten overeenkomst te heronderhandelen. Het kan zijn dat er bij de totstandkoming van de overeenkomst afspraken zijn gemaakt over compenserende maatregelen bij wijziging van fiscale pensioenwetgeving.
De aanvallen van Japanse walvisjagers op bemanning van Sea Shepherd rond de Zuidpool |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de ontwikkelingen rond de illegale Japanse walvisjacht en de acties van Sea Shepherd Conservation Society (SSCS) gevolgd sinds de Japanse walvisvloot in december weer is uitgevaren naar Antarctica, met SSCS in haar kielzog?
Ja.
Is het u bekend dat Japanse walvisjagers een bemanningslid van Sea Shepherd Conservation Society, die een harpoenschip probeerde af te remmen, met een waterkanon van zijn jetski hebben afgestoten waardoor hij in het ijskoude water terecht kwam?1 Hoe beoordeelt u het gebruik van waterkanonnen tegen mensen op jetski’s in termen van veiligheid op zee?
Ja, ik ben daarmee bekend. Nederland hecht aan het recht op demonstratie, ook op volle zee. Wel dienen zowel de demonstraties zelf als ook de maatregelen daartegen niet de veiligheid op zee in gevaar te brengen.
Op basis van de beschikbare informatie ben ik niet in staat om een inhoudelijk oordeel te vellen over deze specifieke situatie. Een dergelijk antwoord kan alleen gegeven worden op basis van een gedegen onderzoek in een justitiële procedure. Deze kan door de betrokken partijen geïnitieerd worden.
Het Openbaar Ministerie heeft op basis van de beschikbare informatie tot dusverre geen aanleiding gezien onderzoek te verrichten naar de incidenten die in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden. Voor zover mij bekend is er ook door Sea Shepherd Conservation Society geen aangifte gedaan bij het Japanse Openbaar Ministerie van de gedragingen van de Japanse walvisjagers.
Bent u er van op de hoogte dat Japanse walvisjagers vanuit hun harpoenschip inzittenden van een rubberboot van Sea Shepherd Conservation Society hebben aangevallen met grijphaken en bamboestokken, en dat een Sea Shepherd vrijwilliger, een Franse fotograaf, en een cameraman van Animal Planet hierbij verwondingen hebben opgelopen?2 Deelt u de mening dat dit een zeer gevaarlijke tactiek is, omdat de grijphaken de opblaasbare boten kunnen lek slaan, en de grijphaken, mochten ze zich vasthaken in de kleding van de bemanningsleden, de opvarenden uit hun boot zouden kunnen rukken? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u het gebruik van grijphaken en bamboestokken tegen mensen in rubberbootjes in termen van veiligheid op zee?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Zie mijn antwoord op vraag 2.
Zou u kunnen concluderen dat waterkanonnen, grijphaken en bamboestokken bij bovengenoemde incidenten als «wapen» zijn ingezet? Zo ja, vindt u dit geoorloofd? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er met deze aanvallen door Japanse walvisjagers in minder dan een maand tijd de veiligheid op zee ernstig in gevaar is gebracht? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee waarom niet?
Beide partijen zijn al in december 2011 opgeroepen door Nederland, Australië, de Verenigde Staten en Nieuw Zeeland tot het nemen van hun verantwoordelijkheid teneinde de veiligheid op zee niet in gevaar te brengen. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Kunt u mede in het licht van bovengenoemde incidenten, uiteenzetten welk vervolg u heeft gegeven aan de gezamenlijke waarschuwing die Nederland samen met Australie, de Verenigde Staten en Nieuw Zeeland heeft afgegeven, te weten: «Wie de veiligheid op zee in gevaar brengt, kan worden aangeklaagd»?3 Heeft u inmiddels actie ondernomen om een aanklacht in te dienen tegen de Japanse walvisjagers? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? Kunt u uiteenzetten wat er – in termen van feitelijke informatie – precies voor nodig is om een deugdelijke aanklacht in te kunnen dienen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen hoe u kunt weten wat zich precies afspeelt in de wateren rond Antarctica als er geen autoriteiten vanuit Nederland of de internationale gemeenschap aanwezig zijn om te registreren wat er gebeurt? Kunt u bevestigen dat de internationale gemeenschap de registratie van de jaarlijks terugkerende schending van het moratorium op de walvisjacht volledig te danken heeft aan Sea Shepherd Conservation Society, omdat Japan zonder hun aanwezigheid nog steeds in alle stilte op walvissen zou kunnen jagen, tegen alle internationale verdragen in?
Indien zich een incident heeft voorgedaan is het lastig vast te stellen wat er precies is gebeurd. Nederland stelt zich daarom op de hoogte van de gebeurtenissen van beide kanten.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn om controle op de naleving van het moratorium op de walvisjacht te laten uitvoeren door de autoriteiten van de internationale gemeenschap? Zo ja, waarom zijn er nog steeds geen autoriteiten aanwezig in de wateren rond Antarctica om in elk geval de schending van het moratorium te registreren om Japan zo te kunnen aanklagen wegens schending van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
De walvisvangst vindt volgens Japan plaats in het kader van wetenschappelijk onderzoek, hetgeen is toegestaan onder het moratorium van de IWC. In de IWC heeft Japan medestanders die er mee instemmen om walvissen te doden voor wetenschappelijk onderzoek. Het betreft hier geen schending van het internationaal recht. Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat er geen controle is door de internationale gemeenschap in Antarctische wateren.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze u van plan bent om te gaan met mogelijke nieuwe geweldplegingen van de walvisvaarders richting demonstranten op zee? Op welke wijze werkt u samen met Nieuw-Zeeland, Australië en de Verenigde Staten, met wie u dit gezamenlijke statement heeft gemaakt, om geweld van walvisvaarders richting demonstranten op zee te voorkomen? Wat is hierbij de inzet en specifieke rol van Nederland?
Nederland heeft regelmatig contact met zowel de Japanse regering als ook Sea Shepherd Conservation Society, juist om te voorkomen dat de confrontaties in de Antarctische wateren uit de hand lopen. Tevens wordt op basis van de ontvangen informatie bezien of, gezien de zwaarte van een specifiek incident, zelfstandig onderzoek verricht dient te worden. Waar mogelijk en wenselijk zal Nederland daarbij samenwerken met een of meer andere partijen van de Gemeenschappelijke Verklaring. Daarnaast trekt Nederland met genoemde landen en andere gelijkgezinden op in internationale fora zoals de IWC en de IMO als gesproken wordt over de veiligheid op zee.
Wat is de reden dat u de gezamenlijke verklaring van Nederland, Nieuw Zeeland, Australie en de VS over de veiligheid op zee niet samen met de Japanse regering heeft uitgedaan?
Tijdens de IWC 63 is een resolutie door Japan ingediend inzake veiligheid op zee waarin het recht op vreedzame demonstratie op volle zee wordt erkend en op aandringen van Nederland, Nieuw Zeeland, Australië en de VS alle betrokken overheden o.m. aangespoord worden om de kapiteins van alle schepen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid op zee als hoogste prioriteit. De gemeenschappelijke verklaring gaat evenwel verder dan alleen de veiligheid op zee. In de verklaring wordt immers ook afstand genomen van de dodelijke walvisvangst voor wetenschappelijke doeleinden. Juist dit laatste, zo belangrijke onderdeel van de verklaring, is voor Japan een stap te ver.
Het artikel 'Saoedi-Arabië verbiedt vrouwen deel te nemen aan Olympische Spelen' |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Saoedi-Arabië verbiedt vrouwen deel te nemen aan Olympische Spelen»1 en «PVV pleit voor Arabische vrouwen bij OS»?2
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar en onverenigbaar is met het Olympisch Handvest als een land, zoals in dit geval Saoedi-Arabië, potentiële atleten niet naar de Olympische Spelen laat gaan, omdat ze bijvoorbeeld vrouw zijn? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering acht het onaanvaardbaar om bepaalde bevolkingsgroepen, zoals in dit geval vrouwen, uit te sluiten van deelname aan een evenement zoals de Olympische Spelen.
Nationale Olympische Comités (NOC’s) hebben echter het recht om zelf te bepalen wie zij uitzenden naar de Olympische Spelen. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft gelijke deelname van mannen en vrouwen hoog in het vaandel staan. Er is een speciaal programma door het IOC in het leven geroepen om NOC’s te stimuleren om gelijkheid tussen mannen en vrouwen na te streven.
Er vinden momenteel nog gesprekken plaats tussen het IOC en het Saoedisch Olympisch Comité over de mogelijkheden om Saoedische vrouwen alsnog op te laten nemen in de Olympische delegatie voor Londen 2012. Ik hoop op een positief besluit door het Saoedisch Olympisch Comité in deze.
Bent u bereid het Internationaal Olympisch Comité (IOC) op te roepen landen, die atleten niet aan de Spelen mee laten doen enkel en alleen omdat ze bijvoorbeeld vrouw zijn, geheel uit te sluiten van deelname aan de Spelen en hiervoor internationaal steun te vergaren bij uw collegae? Zo nee, waarom niet?
Neen, het IOC hanteert als autonome organisatie zijn eigen beleid in deze.
Als minister van VWS kan en wil ik me daar niet direct mee bemoeien. Nederland zal in internationaal verband wel aandacht blijven vragen voor gelijke rechten voor mannen en vrouwen.
De toespraak van de minister voor de VN Mensenrechtenraad van 29 februari 2012 |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u in een toespraak voor de VN Mensenrechtenraad gezegd dat de «receptor benadering» onderdeel uitmaakt van het Nederlands mensenrechtenbeleid?1
Ik heb het volgende gezegd over de receptorbenadering:
«Human rights are universal. But that doesn’t mean to say that all countries are identical. What matters is not how citizens» rights are safeguarded but that they are safeguarded. Communication is needed, not confrontation because respect for human rights cannot be imposed from outside. For our policy to be effective, we should respond to what countries are already doing in the field of human rights. This is what we call in The Netherlands the «receptor approach» for human rights policies.»
Zo ja, wanneer is de «receptor benadering» officieel onderdeel gaan uitmaken van het Nederlands mensenrechtenbeleid? Kunt u precies aangeven in welk beleidsdocument, brief aan de Kamer of in welke memorie van toelichting dit staat?
In de mensenrechtenstrategie heb ik aangegeven te streven naar een effectiever mensenrechtenbeleid. Ik en voorstander van het aanspreken van landen op hun mensenrechtenschendingen door het aangaan van dialoog en te concentreren op communicatie in plaats van confrontatie. Het gaat er niet om hoe, maar dat de mensenrechtensituatie verbetert. Uitvoering van de receptorbenadering wordt op dit moment verkend in een pilot zoals in de motie Van der Staaij c.s. verzocht.
Waarom heeft u nog steeds niet voldaan aan het verzoek van de Kamer om in een brief toe te lichten wat u nu verstaat onder de «receptor benadering»?
De brief is aan de Kamer verzonden.
Deelt u de mening dat u de Kamer bruuskeert, zo niet schoffeert, door te beloven eerst in een brief te zullen onderbouwen wat de «receptor benadering» precies is, om vervolgens, dit geheel nagelaten hebbend, in internationaal overleg de «receptor benadering» als staand Nederlands mensenrechtenbeleid te presenteren? Zo ja, waarom doet u dit? Zo nee, waarom niet?
De toespraak sluit aan bij hetgeen ik met de Kamer heb gewisseld.
Nu u de «receptor benadering» als Nederlands mensenrechtenbeleid heeft gepresenteerd voor de VN Mensenrechtencommissie, wilt u dan per omgaande de toegezegde brief aan de Kamer doen toekomen over dit nieuwe Nederlandse beleid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Het bericht 'Talloze lijntjes Duitse gokmaffia lopen naar Nederland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Enveloppen in Huis ter Duin. Talloze lijntjes Duitse gokmaffia lopen naar Nederland», dat ingaat op de betrokkenheid van Nederlanders bij omkoping en bedrog in het internationale voetbal?1
Ja.
Ziet u een rol voor uzelf weggelegd om een bijdrage te leveren aan het bewaken van de integriteit van de Nederlandse sport?
De sportwereld is primair verantwoordelijk voor de integriteit van de sport en geeft daar ook invulling aan. Zo zet de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB) fors in op preventieve maatregelen zoals voorlichting aan clubs, reglementswijzigingen en samenwerkingsverbanden op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Aanvullend zie ik een rol voor de regering door op nationaal en Europees niveau kennis te delen en de Nederlandse sportwereld in staat te stellen om preventieve projecten te voeren, zoals het verhogen van de weerbaarheid van scheidsrechters.
Welke bijdrage kunt u aan de sportsector leveren om de bewustwording van het gevaar van match fixing te vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het Openbaar Ministerie bij het opsporen en vervolgen van match fixing?
Indien concrete informatie voorhanden zou komen over match fixing in Nederland en er zou een verdenking van niet ambtelijke omkoping (artikel 328ter Wetboek van Strafrecht) rijzen, dan zou opsporing en vervolging door het Openbaar Ministerie ter zake van dat artikel mogelijk kunnen zijn. Tot op heden hebben de Nederlandse autoriteiten echter geen informatie verkregen die zou duiden op strafbare feiten die in dit verband in Nederland begaan zouden zijn.
Indien het buitenland in het kader van een onderzoek naar match fixing aan de Nederlandse autoriteiten een verzoek tot rechtshulp doet om behulpzaam te zijn bij buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken dan wordt conform de toepasselijke regels rechtshulp verleend. Ook een verzoek tot overlevering wordt dienovereenkomstig behandeld.
Indien het buitenland informatie over in Nederland gepleegde strafbare feiten aan de Nederlandse autoriteiten geeft of enige strafvervolging overdraagt, dan zal die informatie worden onderzocht dan wel zal het verzoek tot strafvervolging in behandeling worden genomen.
Wanneer is er sprake van een «aanleiding» zoals genoemd in het artikel (BLZ.116) voor het Openbaar Ministerie om op verzoek van sportbonden actie te ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke ontwikkelingen zijn er op dit moment in internationaal en Europese verband om match fixing een halt toe te roepen en de integriteit van de sport te beschermen?
De strijd tegen match fixing staat hoog op de agenda van de Europese Unie en van de Raad van Europa. Zo is bij de EU een werkgroep die zich bezighoudt met goed bestuur in de sport, waarbij match fixing één van de onderwerpen op de agenda is. Voorts is op 15 maart jl. tijdens een bijeenkomst van de Sportministers van de Raad van Europa besloten de onderhandelingen te starten die zouden kunnen leiden tot een Conventie ter bestrijding van match fixing.
Invoer van producten uit nederzettingen van de Westelijke Jordaanoever |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het antwoord van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 15 februari 2007 dat niet uitgesloten wordt «dat er ook bij invoer uit nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden sprake kan zijn van onjuiste dan wel onvolledige informatie op het etiket over de precieze oorsprong van het product»?1 Wat is uw informatie over deze praktijk sinds 1 januari 2007? Kunt u de gegevens daarvan aan de Kamer sturen?
Er is geen algemene etiketteringsplicht. De beoordeling of de etikettering van de betreffende goederen correct is, komt bij de controle van oorsprong niet aan de orde. Er is geen een-op-een koppeling tussen de douanerechtelijke oorsprong en de oorsprongsaanduidingen op etiketten.
In het kader van de algemene levensmiddelenwetgeving mag er geen onjuiste (vrijwillige of verplichte) herkomstvermelding op het etiket staan. Dit wordt gezien als misleiding van de consument. De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) voert hierop controles uit.
Deelt u de zorgen van het Europees Parlement over het feit dat bepaalde bedrijven blijven doorgaan met de export van uit de Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden afkomstige producten op grond van de Associatieovereenkomst EU-Israël?2 Zo ja, op welke wijze bent u voornemens daartegen maatregelen te nemen? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Het aantal gevallen waarin dat achteraf is gebleken dat ten onrechte preferentie is genoten, is uitermate gering. Dit wordt geschat op enkele gevallen per jaar. Bij invoer wordt onder andere gecontroleerd op preferentiële oorsprong en wordt bezien of ten invoer aangegeven producten al dan niet in aanmerking komen voor de tariefpreferenties die de EU krachtens het associatieverdrag met Israël toekent aan producten die van Israëlische oorsprong zijn. De douane stelt vast of aan deze criteria is voldaan aan de hand van een lijst met postcodes en plaatsaanduiding van nederzettingen. Mede op aandringen van het EP overweegt de Europese Commissie (EC) momenteel openbaarmaking van deze lijst met als doel om te voorkomen dat nederzettingenproducten gebruik maken van de tariefpreferenties.
Bent u voornemens uitvoering te geven aan de resolutie van het Europees Parlement die lidstaten vraagt «ervoor te zorgen dat hun douaneautoriteiten de technische regeling daadwerkelijk toepassen naar de geest van het arrest van het Europees Hof van Justitie op de gecumuleerde producten die naar de EU worden geëxporteerd op grond van de diagonale cumulatie als bepaald in het regionale verdrag»?3 Zo ja, op welke wijze zult u daar uitvoering aan geven? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Een gevaar van omzeiling van de controle geldt op dit moment voor de landen waarmee Israël vrijhandelsakkoorden heeft gesloten. Naast de EU en de EVA-landen zijn dat Jordanië en Turkije. De EVA-landen passen dezelfde technische regeling toe als de EU. De Europese Commissie heeft toegezegd aan Jordanië en Turkije te vragen om dezelfde technische regeling toe te passen. Dat is ook de te volgen aanpak bij uitbreiding van het aantal partnerlanden.
Deelt u de opvatting van het Europees Parlement om de Europese Commissie op te dragen samen te werken met de douaneautoriteiten van de lidstaten om een oplossing te vinden die erop gericht is de technische regeling van het Associatieakkoord tussen Israël en de EU om te zetten in een eenvoudig, efficiënt en betrouwbaar mechanisme?4 Zo ja, op welke wijze zult u daar aan werken? Indien neen, waarom niet?
Uitgangspunt van de Nederlandse Douane is dat importeurs weten van wie ze producten betrekken en waar die producten zijn verkregen. In geval van twijfel over de plaats van verkrijging kan de Douane geraadpleegd worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 werkt de Europese Commissie aan openbaarmaking van een postcodelijst, aan de hand waarvan kan worden nagegaan of producten in aanmerking komen voor preferenties. Als de postcodelijst openbaar wordt, hoeft de Douane voor dat doel niet meer geconsulteerd te worden.
Deelt u de opvatting van het Europees Parlement dat de in vraag twee genoemde praktijk «een slag in het gezicht van het internationale EU-beleid» is en dat door deze praktijk misbruik wordt gemaakt «van de uitgebreide mogelijkheden voor een legitieme preferentiële toegang tot de interne markt van de Unie»? Indien ja, op welke wijze bent u voornemens hiertegen maatregelen te nemen? Indien neen, waarom niet?
Het aantal gevallen, waarbij achteraf is gebleken dat ten onrechte preferentie is genoten, is uitermate gering. De Europese Commissie controleert de preferentiële oorsprong van producten uit Israël en de door Israël bezette gebieden.
Deelt u het verzoek van het Europees Parlement aan de Europese Commissie om een zwarte lijst op te laten stellen van bedrijven die in deze praktijken volharden en de lidstaten daarvan op de hoogte te stellen? Zo ja, op welke wijze neemt u maatregelen om een dergelijke lijst mogelijk te maken? Indien neen, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Het is aan de Europese Commissie om te bepalen of het opstellen van een zwarte lijst van bedrijven die in deze praktijken volharden zinvol en wenselijk is. Instelling van een dergelijke maatregel valt daarom onder de verantwoordelijkheden van de Europese Commissie.
Op welke wijze geeft u uitvoering aan «overweging N» uit de resolutie van het Europees Parlement waarin wordt gesteld dat de douaneautoriteiten van de afzonderlijke lidstaten de waarachtigheid moeten controleren van de opgaven betreffende de preferentiële oorsprong van producten die in de EU worden ingevoerd?5
Het is staande praktijk om achteraf te controleren bij de importeur.
Deelt u de opvatting dat, indien Nederland niet verhindert dat producten uit de Israëlische nederzettingen van de bezette Palestijnse gebieden invoert, Nederland meewerkt aan de exploitatie van de bezetting? Indien neen, kunt u dat toelichten?
Nederland volgt de internationale lijn. Er is geen verbod op de invoer van producten van nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever.
Bent u bereid om tijdens de eerste bijeenkomst in juni a.s. van de nieuwe samenwerkingsraad Nederland-Israël er bij uw Israëlische collega’s op aan te dringen dat bepaalde bedrijven die tot nu toe doorgaan met de export van uit de Israëlische nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden afkomstige producten op grond van de Associatieovereenkomst EU-Israël hiermee stoppen? Indien neen, waarom niet?
Zolang er geen aanwijzingen zijn van systematische ontwijking of ontduiking van regelgeving is er aanleiding dit aan de orde te stellen in de samenwerkingsraad Nederland-Israël.
Kent u het bericht dat slachtoffers van seksueel misbruik binnen katholieke instellingen veel langer moeten wachten op een schadevergoeding dan voorzien?1 Herinnert u zich de vragen over het aantal sterfgevallen in katholieke instellingen voor verstandelijk gehandicapte kinderen?2
Ja.
Is het waar dat de compensatiecommissie van het Meldpunt Seksueel Misbruik RKK slachtoffers half december 2011 heeft toegezegd om binnen zes weken, maar uiterlijk begin februari, uitsluitsel te geven en dat vorige week pas de aanvragers van een vertraging op de hoogte zijn gesteld?
Blijkens informatie van het onafhankelijke Meldpunt Seksueel Misbruik RKK is eind februari aan de eerste 47 aanvragers van compensatie bericht dat de behandeling van hun aanvragen meer tijd in beslag heeft genomen dan de Compensatie Commissie aanvankelijk heeft aangenomen. De voorzitter van de Compensatie Commissie heeft aangegeven dat de vertraging zeer wordt betreurd, maar een zorgvuldige beoordeling meer tijd vergt dan aanvankelijk was voorzien en dat de Compensatie Commissie haar uiterste best doet alle aanvragen zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen de toegezegde termijn van zes weken te behandelen.
Ik kan niet op basis van de vertraging in de afhandeling van de eerste compensatieverzoeken een oordeel geven over de opvolging die de Rooms-Katholieke Kerk geeft aan de aanbevelingen van de Commissie Deetman. De Rooms-Katholieke Kerk moet enige tijd worden gegund om de aangekondigde maatregelen tot uitvoering te brengen. Het is vervolgens primair aan de Commissie Deetman om bij de eerste monitoring met een oordeel te komen over de opvolging van de aanbevelingen.
Deelt u de mening dat met bovenbeschreven gang van zaken het belang van eendrachtig handelen binnen de Rooms-Katholieke Kerk om nu en in de toekomst samen met de slachtoffers door erkenning, hulp, genoegdoening en nazorg bij te dragen aan herstel van het aangedane leed, zoals verwoord in de eerste aanbeveling van de commissie-Deetman, in het geding is gekomen en daarmee naar onvoldoende wordt opgevolgd door de Rooms-Katholieke Kerk? Zo ja, welke middelen staan u ter beschikking om hier wat aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de opvatting dat de Staat onvoldoende toezicht heeft gehouden op de naleving van mensenrechten binnen de kerkelijke instellingen, gezien het feit dat uit het rapport van de commissie-Deetman blijkt dat seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk van 1945–2010 van structurele aard was en een grote omvang kende?
In mijn brief aan uw Kamer van 13 februari 2012 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33000-VI, nr. 82) en tijdens het debat naar aanleiding van het rapport van de Commissie Deetman op 31 januari en 15 februari 2012 ben ik ingegaan op de rol van de overheid zoals die in verschillende onderzoeken aan de orde komt en is gekomen. Ik memoreer hier dat de Commissie Samson onderzoek doet naar seksueel misbruik van minderjarigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in een instelling of pleeggezin zijn geplaatst, bekendheid van de overheid met deze signalen en de reactie van de overheid hierop alsook huidige mechanismen voor het signaleren van seksueel misbruik. Zoals ik tijdens het debat heb aangegeven, kunnen concrete klachten over de rol van de politie en het Openbaar Ministerie aan mijn departement worden gezonden. Over een half jaar zal worden bezien welke conclusies hieruit moeten worden getrokken.
Uit de bevindingen van de Commissie Deetman ten aanzien van de omvang en de aard van het misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk kunnen geen algemene conclusies worden getrokken over het toezicht van de Staat op de naleving van de mensenrechten. Waar het betreft seksueel misbruik in horizontale relaties, zoals bij het misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk, staat de rol van de Staat vanuit het oogpunt van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ter discussie als enig overheidsorgaan wist of behoorde te weten van seksueel misbruik en heeft nagelaten (preventieve) maatregelen te nemen. Ik verwijs u voor het juridisch kader naar de bijlage bij de brief aan uw Kamer van 31 maart 2010 van de toenmalige Ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VI, nr. 91). Mede gelet op de uitkomsten van de onderzoeken door de Commissie Deetman en de heer Steenhuis heb ik daarvoor nu geen aanwijzingen.
Hebt u concrete aanwijzingen dat de justitiële autoriteiten wetenschap hebben gehad of hadden moeten hebben van dergelijke misdragingen binnen katholieke instellingen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, kunt u dan bevestigen dat deze autoriteiten geen rol hebben gespeeld in het willens en wetens negeren van misdragingen binnen katholieke instellingen in de hele periode van 1945–2010?
Uit de mij op dit moment ter beschikking staande gegevens heb ik geen aanwijzingen dat de justitiële autoriteiten wetenschap hebben gehad van (de aard en omvang van) misbruikzaken binnen Rooms-Katholieke instellingen, anders dan de zaken die aan de politie en het Openbaar Ministerie ter kennis zijn gebracht. Evenmin heb ik aanwijzingen dat er sprake is geweest van het willens en wetens negeren van misdragingen binnen katholieke instellingen in de periode 1945–2010. In het rapport van de Commissie Deetman komen diverse van deze zaken aan de orde, waarin door de politie onderzoek is verricht en het Openbaar Ministerie tot vervolging is overgegaan.
Wat was de rol van de overheid, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) bij specifiek en actief het tegengaan van misbruik binnen de Rooms-katholieke Kerk in de periode 1945 tot 2010?
Voor zover ik heb kunnen nagaan was er bij de overheid, de politie en het Openbaar Ministerie geen afzonderlijke (beleidsmatige) aandacht voor specifiek het tegengaan van seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Daarbij dient bedacht te worden dat er in de naoorlogse decennia zowel politiek als bestuurlijk relatief weinig aandacht was voor zedenmisdrijven en de bestrijding ervan. De achtergrondstudies bij het rapport van de Commissie Deetman geven hiervan een beeld.
Voor zover van zaken melding werd gedaan bij de politie of het Openbaar Ministerie werden die als individuele zaak beoordeeld en afgehandeld. Bij grotere onderzoeken waarin katholieke instellingen een rol speelden werd met het oog op de gewenste afstand wel de rijksrecherche met het onderzoek belast. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het onderzoek naar misstanden in de Rooms-Katholieke instelling in Harreveld.
Hoe verklaart u het feit dat ondanks de grote omvang van seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke Kerk van 1945–2010 het aantal zaken dat uiteindelijk voor de rechter kwam gering is?
Het onderzoek van de Commissie Deetman heeft laten zien dat het zwaartepunt van de misbruikzaken ligt in de periode 1945–1970 en dat misbruik toen nauwelijks door slachtoffers bij de overheid werd gemeld. In het rapport van de Commissie Deetman worden als verklarende factoren onder meer genoemd de taboesfeer rondom seksualiteit, de zwijgcultuur en drempels voor slachtoffers om aangifte te doen. Dit verklaart waarom het aantal zaken dat uiteindelijk voor de rechter is gekomen gering is.
Is het waar dat priesters lagere straffen voor seksueel misbruik kregen dan andere individuen in de samenleving? Zo ja, hoe verklaart u deze voorkeursbehandeling? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De mij ter beschikking staande systemen kunnen geen inzicht bieden in de door rechters gehanteerde strafmaat in zedenzaken in het verleden, waar het gaat om de vergelijking van straffen die aan priesters of andere Rooms-Katholieke geestelijken zijn opgelegd en de straffen die in vergelijkbare gevallen aan anderen werden opgelegd. Hierbij is tevens van belang dat er weinig vergelijkingsmateriaal is omdat er destijds nauwelijks aangifte werd gedaan en er maar een beperkt aantal zaken tegen Rooms-Katholieke geestelijken aan de rechter is voorgelegd. Ik heb geen aanwijzingen dat vertegenwoordigers van de Rooms-Katholieke Kerk van de justitiële autoriteiten een voorkeursbehandeling genoten.
Waarom duurt het langer dan de in september 2011 voorziene paar maanden was voordat de uitkomst van het feitenonderzoek van het OM naar de sterfgevallen in de zwakzinnigeninstelling Sint Joseph in Heel bekend wordt? Welke aspecten?
De beschikbare onderzoekscapaciteit en het lokaliseren en benaderen van betrokkenen, alsmede het lokaliseren en ontsluiten van relevante archieven hebben ertoe geleid dat het feitenonderzoek tot begin maart 2012 heeft voortgeduurd. Procureur-generaal Moraal heeft tijdens de hoorzitting van uw Kamer op 18 januari 2012 meegedeeld dat het onderzoek naar verwachting dit voorjaar zal zijn afgerond. Momenteel wordt gewerkt aan de eindrapportage.
Is de eerdere vraag of het OM of andere delen van de rechterlijke macht al jaren eerder zouden kennis zouden hebben gehad over het aantal sterfgevallen nog steeds onderwerp van onderzoek? Zo ja, is het vinden van een antwoord op die vraag mede de reden voor de langere duur van het feitenonderzoek?
Deze vraag is nog steeds onderwerp van onderzoek, maar is niet bepalend voor de duur ervan.
Het artikel 'Politici verzwegen bewust omvang Oost-Europese misdaad' |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Politici verzwegen bewust omvang Oost-Europese misdaad»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Europese politici bewust de aard en de omvang van de Oost-Europese misdaad toegedekt hebben in de aanloop naar de toetreding van Oost-Europese landen tot de Europese Unie? Zo ja, waaruit valt dit af te leiden en in welke gevallen speelde dit? Zo nee, waarom bent u het hier niet mee eens?
Het probleem van misdaad uit Oost-Europa is in aanloop naar de respectievelijke toetredingen niet bewust verzwegen of toegedekt. Het nemen van maatregelen voor het bestrijden van georganiseerde criminaliteit maakt deel uit van het toetredingsproces tot de Europese Unie (specifiek Hoofdstuk 24 van de toetredingsonderhandelingen: rechtspraak, vrijheid en veiligheid, betreffende o.a. de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken). Zowel in de Europese Raad als in nationale parlementen is hierover gesproken.
Dat laat onverlet dat criminele bendes die opereren vanuit oostelijke Europese lidstaten inmiddels een reëel probleem vormen. De aanpak hiervan is een prioriteit van de regering, waarbij nauw wordt samengewerkt met betrokken landen en organisaties als EUROPOL.
Is dit probleem bewust verzwegen of is dit probleem onderschat?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze werd de afgelopen jaren in de Raad van Ministers het probleem van georganiseerde misdaad in Oost-Europa besproken? Op welke wijze wordt daar nu over gesproken wanneer het gaat om de evaluaties van landen die in een toetredingsproces tot de Europese Unie zitten? Op basis van welke gegevens wordt dit besproken? Is dit voor verbetering vatbaar?
Intra-Europese misdaadbestrijding heeft de volle aandacht van de JBZ-raad en is een terugkerend onderwerp op de agenda. Onder meer in het «Comité Interne Veiligheid», COSI, bespreken EU-lidstaten en de EU-agentschappen belast met rechtshandhaving regelmatig de initiatieven, acties en voortgang in de samenwerking binnen de EU op het terrein van bestrijding van georganiseerde criminaliteit.
Voor het overige verwijzen wij naar de brief over rondtrekkende criminele bendes uit Midden- en Oost-Europa die de Minister van Veiligheid en Justitie mede namens de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel binnenkort naar uw Kamer zal sturen.
Het EU-uitbreidingsproces is aan strikte regels gebonden. Landen met toetredingsperspectief moeten wat betreft bestrijding van criminaliteit voldoen aan de criteria voortvloeiend uit eerdergenoemd Hoofdstuk 24 van de toetredingsonderhandelingen. De Europese Commissie rapporteert over de implementatie van deze criteria. Daarbij worden misdaadcijfers in betrokken landen meegenomen, maar bijvoorbeeld ook de capaciteit van aanklagers en rechters om misdadigers te vervolgen en te berechten. Het kabinet zal er scherp op blijven toezien dat kandidaat-lidstaten pas kunnen toetreden tot de EU als zij hebben aangetoond dat de hervormingen die zij hebben doorgevoerd duurzaam en onomkeerbaar zijn. De eind vorig jaar door de Europese Commissie voorgestelde, en door de Raad goedgekeurde, aangepaste onderhandelingsmethodiek, waarbij in nieuwe toetredingsprocessen de onderhandelingen over Hoofdstukken 23 (over de rechterlijke macht en fundamentele rechten) en 24 als eerste geopend zullen worden, zal hier naar verwachting aan bijdragen. Nederland zal er daarbij op blijven aandringen dat het aannemen van wetten op dit terrein maar één kant van de medaille is. Belangrijker nog is de uitvoering en handhaving van wetgeving. Nederland zal de kandidaat-lidstaten blijven beoordelen op hun «staat van dienst» (track record) op dat gebied. Van het louter afvinken van wetten kan geen sprake zijn. Nederland wil zien dat de wetgeving ook leidt tot duurzame en onomkeerbare maatschappelijke en politieke transformatie in de betreffende landen.
Hoe kan in de toekomst voorkomen worden dat dit probleem zich weer voordoet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe werd in het verleden het probleem van de georganiseerde misdaad in Oost-Europese landen en de gevolgen van toetreding tot de Europese Unie door deze landen voor bestaande lidstaten op dit gebied in kaart gebracht? Is dit voor verbetering vatbaar en zo ja, hoe kan dit verbeterd worden?
Zie antwoord vraag 4.
Zal Nederland zich in de Raad inzetten voor het maken van een prioriteit van de aanpak van georganiseerde misdaad door landen in het toetredingsproces en het verbinden van consequenties voor het toetredingsproces van deze landen aan het niet boeken van voldoende vooruitgang en het opbouwen van een track record bij het bestrijden van de georganiseerde misdaad?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft Nederland inmiddels voldoende zicht op de omvang van dit probleem? Zo ja, wat is deze omvang en wat zijn de gevolgen voor Nederland? Wat valt hieraan te doen? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat er wel voldoende zicht hierop komt?
Wij verwijzen naar de hiervoor genoemde brief over rondtrekkende criminele bendes uit Midden- en Oost-Europa die uw Kamer is toegezegd. De betrokken bewindspersonen zullen in die brief deze en andere aspecten in hun samenhang presenteren en behandelen.
Is het volgens u nodig dat er een korpschef met een portefeuille Oost-Europese misdaad komt? Wat zijn hiervan de voordelen en is dit praktisch wenselijk en uitvoerbaar? Als u het hier niet mee eens bent, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de samenwerking tussen Europese opsporingsdiensten wordt verbeterd zodat meer misdrijven kunnen worden opgelost? Welke vooruitgang is hierop geboekt de afgelopen jaren en zal dit de komende jaren verder verbeteren?
Zie antwoord vraag 8.
Is het waar dat arbeidsmigranten uit Oost-Europa over het algemeen geen band hebben met de criminele bendes en dus niet verantwoordelijk zijn voor deze misdrijven?
Dat lijkt het geval te zijn. In het rapport-Koopmans inzake Lessen uit Recente Arbeidsmigratie (www.tweedekamer.nl/nieuws/kamernieuws/newspage969_rapport_tclura.jsp) wordt geconstateerd dat criminaliteit gepleegd in Nederland door mensen uit Midden- en Oost-Europa niet zo zeer is toe te schrijven aan arbeidsmigranten, maar juist aan mensen die louter met een crimineel motief naar Nederland komen.
Het dumpen van kippenvlees in Afrika |
|
Jeroen de Lange (PvdA), Arjan El Fassed (GL) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Afrikaanse kip wordt weggespeeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat lokale boeren in Afrika grote schade wordt aangedaan omdat zij de markt uit zijn en worden geprezen door het dumpen van goedkoop kippenvlees uit Europa en Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om dit tegen te gaan?
Gezien het gebrekkige concurrentievermogen van de lokale pluimveesector in veel Afrikaanse landen is het mogelijk dat de import van goedkoop kippenvlees uit Europa tot schade bij lokale producenten kan leiden. De vraag is of er sprake is oneerlijke concurrentie.
Uit het artikel blijkt dat in het geval van Ghana sprake is van een forse importstijging. Een deel van deze toegenomen import kan ook verklaard worden door hogere consumptie die gepaard gaat met de sterk toegenomen economische welvaart in Ghana (BBP stijging van 13,6% in 2011).
De regering is van mening dat ontwikkelingslanden in de eerste plaats zelf hun handelsbeleid moeten inzetten als goedkope import tot verstoring van de lokale markt leidt. Het is de verantwoordelijkheid van de overheid van het betreffende land om bij een dergelijke beslissing de verschillende binnenlandse belangen van regering, consumenten, lokale boeren en regionale markten tegen elkaar af te wegen.
In de tweede plaats is het aan overheden van landbouwexporterende landen om handelsverstoringen te voorkomen door alle vormen van exportsteun af te schaffen en de negatieve handelseffecten van de interne steun voor eigen producenten tegen te gaan. Dit vormt de inzet van de multilaterale landbouwonderhandelingen in WTO-kader die als onderdeel van de Doha ronde helaas nog steeds niet zijn afgerond. Nederland is daarover overigens van mening dat de EU alle exportrestituties uiterlijk in 2013 uit moet faseren, los van de uitkomst van de Doha-ronde.
Ontwikkelingslanden hebben binnen de huidige WTO-regels de ruimte om de eigen markt af te schermen om ongewenste gevolgen van de import van bepaalde producten teniet te doen. In de eerste plaats kunnen zij de importtarieven optrekken tot het niveau waarop zij de importtarieven voor hun producten gebonden hebben in de WTO, maar in de praktijk vaak niet heffen. Ook beschikken ontwikkelingslanden over de mogelijkheid om additionele tarieven te heffen op gesubsidieerde importproducten om het eventuele subsidievoordeel te neutraliseren. Ten slotte beschikken zij over de mogelijkheid om vrijwaringsmaatregelen in de vorm van extra heffingen of zelfs kwantitatieve maatregelen te nemen indien er sprake is van reguliere invoer (geen subsidies en geen dumping) die toch onvoorziene schade aanbrengt aan nationale producenten. Er kunnen allerlei redenen zijn zowel van binnenlandse als buitenlandse politieke aard waarom geen gebruik wordt gemaakt van het genoemde instrumentarium.
Bent u van mening dat het dumpen van kippenvlees uit Europa en Nederland in Afrika de effectiviteit van uw beleid op het gebied van voedselzekerheid beperkt en/of te niet doet? Zo ja, hoe bent u voornemens deze incoherentie aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Het is in zijn algemeenheid niet te beantwoorden of de toegenomen import van kippenvlees uit de EU in een aantal Afrikaanse landen de effectiviteit van het voedselzekerheidsbeleid beperkt. Het beleid van de Nederlandse regering is gericht op het afschaffen van oneerlijke concurrentie als gevolg van gesubsidieerde landbouwexport en het creëren van beleidsruimte voor ontwikkelingslanden om adequaat te handelen ten opzichte van invoer van belangrijke voedselproducten waarbij de voedselzekerheid op het spel staat. Daarbij dient bedacht te worden dat tegenover mogelijke schade voor de lokale pluimveesector, een welvaartseffect en daadwerkelijk koopkrachtverbetering voor stedelijke consumenten kan staan, die door de betaalbare import van kippenvlees dit product goedkoper kunnen kopen dan wanneer het door de eigen markt zou zijn geproduceerd.
Zeker is dat de lokale landbouwsector in Afrika, onafhankelijk van goedkope import, gehinderd wordt door grote structurele problemen waaronder toegang tot de eigen markt. Via onze voedselzekerheidsagenda (TK 23 605, nr. 54) proberen we de concurrentiekracht van de landbouwsector te verbeteren. Dit laat onverlet dat overheden in ontwikkelingslanden via hun handelsbeleid zelf moeten inspelen op marktverstoringen als gevolg van goedkope import.
Wordt het dumpen van kippenvlees of andere vleesproducten uit Nederland of Europa nog steeds direct of indirect gesubsidieerd? Zo ja, op welke wijze wordt het gesubsidieerd, door wie, en wat is uw opvatting daaromtrent?
Op de export van vleesproducten vanuit de EU naar Afrika zit geen exportrestituties. Zoals eerder aangegeven in de Kabinetsreactie op de Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB)-voorstellen van de Europese Commissie (TK 28 625, nr. 137) en in onze brief inzake de Nederlandse inzet ten aanzien van het GLB en ontwikkelingssamenwerking (TK 28 625, nr. 135), zet Nederland in op ambitieuze hervorming van het GLB. Dat houdt onder andere in het vervangen van interne steun door doelgerichte, ontkoppelde betalingen om de handelsverstorende werking van het GLB nog verder terug te dringen, beperking van het markt- en prijsbeleid tot een vangnetniveau, en uitfaseren van de nog resterende exportrestituties per 2013, onafhankelijk van het verloop van de WTO-onderhandelingen.
Nederland hecht veel waarde aan de coherentie van het beleid voor ontwikkelingslanden en het GLB. Overigens is het GLB, mede door de Nederlandse inzet in de laatste decennia ingrijpend gewijzigd. Zo werd in 1990 circa 90% van de totale GLB-steun voor (handelsverstorend) markt- en prijsbeleid uitgegeven. Inmiddels is dat verminderd tot circa 10%. (TK 28 625, nr. 135). Met de voorziene volledige uitfasering van resterende exportrestituties in 2013, zal de handelsverstoring van het GLB nog verder verminderen. (TK 28 625, nr. 117).
De vrijwilligersvergoeding |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Arnhem1, waarin de rechter heeft bepaald dat een aan een ANBI2 teruggeschonken vrijwilligersvergoeding aftrekbaar is, en dat het niet van belang is of de ANBI over voldoende liquide middelen beschikte om de vrijwilligersvergoeding uit te betalen?
Ja.
Deelt u de mening dat alle bezwaren tegen aanslagen waarin de teruggeschonken vrijwilligersvergoeding opgevoerd werd als aftrekpost en die zijn afgewezen op basis van het feit dat de ANBI niet over voldoende liquide middelen beschikte, nu alsnog ambtshalve dienen te worden toegekend?
Nee.
Indien u niet bereid bent tot ambtshalve toekenning van die bezwaren, hoe gaat u dan alle mensen, wiens bezwaar is afgewezen, in de gelegenheid stellen om op een eenvoudige en laagdrempelige manier kennis te nemen van het feit dat zij wederom bezwaar kunnen indienen?
Er is geen sprake van een mogelijkheid om wederom bezwaar te kunnen indienen.
Een belastingplichtige kan slechts één bezwaarschrift indienen tegen een aanslag. Wel kan hij tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gaan, als de termijn daarvoor nog niet is verstreken. Deze mogelijkheid is op de uitspraak vermeld.
Overigens is het niet zo dat ik mij verenig met het oordeel van de Rechtbank Arnhem in haar uitspraak van 21 februari 2012. Tegen die uitspraak zou de inspecteur in beginsel hoger beroep hebben ingesteld, ware het niet dat hij ter zitting van de rechtbank al heeft meegedeeld dat het beroep van de belanghebbende op de meerderheidsregel slaagt (de rechtbank heeft dat verwoord in onderdeel 3 van de uitspraak). De inspecteur heeft daaraan gevolg gegeven en de aanslag direct na de uitspraak verminderd, zodat hij daarmee de mogelijkheid van hoger beroep in processuele zin heeft geblokkeerd. Dat neemt echter niet weg dat ik deze uitspraak van de rechtbank inhoudelijk niet zal volgen. Ik houd uitdrukkelijk vast aan mijn tot op heden gevoerde beleid3. Zou bij de beoordeling van de giftenaftrek geen acht mogen worden geslagen op de financiële mogelijkheden van de instelling om een toegezegde vergoeding daadwerkelijk te kunnen uitbetalen, dan wordt de deur opengezet naar allerlei opzetjes waarin de kern van de giftenregeling, de vrijgevigheid, wordt ondermijnd. Ik merk bovendien op dat een eerdere uitspraak van de Rechtbank Arnhem in een vergelijkbare andere zaak wel in overeenstemming is met het destijds geldende beleid (zoals dat met ingang van 1 januari 2012 is opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001). Het gaat hierbij om de in mijn brief van 10 juni 2011 aangehaalde uitspraak van 19 april 20114. Uit die uitspraak blijkt dat de rechter van oordeel is dat van vrijgevigheid geen sprake kan zijn als de ANBI onvoldoende middelen heeft om de toegezegde vergoedingen te betalen.
De wens van gemeenten om het Nedersaksisch als streektaal te erkennen |
|
Eddy van Hijum (CDA), Henk Jan Ormel (CDA), Sander de Rouwe (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Margreeth Smilde (CDA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de lang gekoesterde en breed gedragen wens van de provincies Overijssel, Gelderland, Drenthe en Groningen en de gemeenten Oost- en West-Stellingwerf om het Nedersaksisch als streektaal te erkennen op het niveau III van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden?
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat de officiële aanvraag voor de erkenning van het Nedersaksisch al op 26 maart 2010 is aangeboden aan de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, maar dat een officiële reactie van het kabinet tot op de dag van vandaag is uitgebleven?1
Ja. Vertraging in de beantwoording is het gevolg van een kabinetswisseling en een zorgvuldige toetsing van de bevindingen in het onderzoeksrapport «Nedersaksisch waar het kan» van onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen. Bij deze toetsing waren de ministeries van OCW, V&J, EL&I, SZW, BZ en VWS betrokken.
Is het waar dat u recent heeft gesproken met een delegatie van deskundigen van de Raad van Europa over een hogere beschermde status voor het Nedersaksisch? Heeft deze delegatie het pleidooi voor erkenning onder deel III uit de regio’s onderschreven?2
Op ambtelijk niveau is door vertegenwoordigers van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesproken met een delegatie van deskundigen van de Raad van Europa. De delegatie heeft weliswaar geen pleidooi gehouden voor opschaling van het Nedersaksisch naar Deel III van het Europees Handvest, maar er wel bij Nederland op aangedrongen om zijn standpunt inzake een al of niet erkenning van het Nedersaksisch onder Deel III voor eind maart 2012 bekend te maken.
Staat het kabinet – zoals de staatssecretaris destijds bij het in ontvangst nemen van de aanvraag heeft aangegeven – nog steeds positief ten opzichte van de aanvraag? Welke mogelijkheid ziet u om het Nedersaksisch te erkennen op het niveau van deel III, onder de voorwaarden die destijds door het kabinet zijn gesteld? Wanneer kan de Kamer hierover een besluit verwachten?
Ik deel ten volle het uitgangspunt van de toenmalige staatssecretaris, overeengekomen met de bestuurders uit Noordoost-Nederland, dat erkenning onder Deel III van het Europees Handvest alleen zal plaatsvinden, indien het bestaande beleid van provincies en gemeenten toereikend is om het Nedersaksisch te doen kwalificeren voor Deel III van het Europees Handvest. Dit impliceert dat erkenning onder Deel III geen extra administratieve, financiële en andere lasten met zich meebrengt, noch voor het Rijk noch voor de desbetreffende decentrale overheden. De uitkomst van de inventarisatie die is uitgevoerd door de betrokken vakministeries valt in dat opzicht negatief uit. Naar aanleiding hiervan acht ik het daarom niet opportuun dat Nederland bij de Raad van Europa kenbaar maakt dat bescherming van het Nedersaksisch voortaan plaatsvindt conform ten minste 35 bepalingen van Deel III van het Europees Handvest. Bijgevolg blijft het beschermingsniveau van het Nedersaksisch ook in de toekomst vallen onder Deel II van dit verdrag van de Raad van Europa.
De uitkomst van de inventarisatie, vergezeld van een nadere analyse uitgevoerd door de vakministeries vermeld in mijn antwoord op vraag 2, is bij brief van 20 maart meegedeeld aan de decentrale overheden in Noordoost-Nederland. Brief en bijlage zijn bijgevoegd in afschrift bij deze Kamervragen.3 Ook de Raad van Europa zal dienovereenkomst worden geïnformeerd.