Nederlandse investeringen in leveranciers aan het Syrische regime |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederlands geld naar leveranciers Syrisch regime»?1
Ja.
Klopt het dat bedrijven die in het bericht genoemd worden, diensten leveren of hebben geleverd waarvoor momenteel van toepassing is het verbod op verkoop, levering, overdracht en export, direct of indirect, van goederen en technologie voor monitoring van (internet)communicatie waarmee de Syrische bevolking kan worden onderdrukt, zoals genoemd in bijlage V van Verordening 36/2012?
Het leveren van dergelijke diensten vanuit de EU of door EU-onderdanen, inclusief het verlenen van technische of financiële bijstand en tussenhandeldiensten, is sinds 19 januari 2012 krachtens de genoemde verordening verboden. Er zijn thans geen aanwijzingen dat genoemde, buiten Nederland gevestigde, bedrijven dit verbod hebben overtreden of in periode daaraan voorafgaand dergelijke diensten hebben geleverd.
Geldt ook een verbod op het geven van technische of financiële bijstand bij en het leveren van tussenhandeldiensten bij deze goederen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse financiële instellingen, zoals genoemd in het onderzoek van Profundo2, investeren in bedrijven die dergelijke diensten leveren of hebben geleverd? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet hecht thans grote waarde aan een strikte naleving van EU-verordening 36/2012. Er zijn geen aanwijzingen om te veronderstellen dat de in het onderzoek van Profundo genoemde instellingen deze verordening hebben overtreden; er is daarom geen directe aanleiding voor concrete maatregelen door de overheid. Voor financiële instellingen met staatssteun gelden zoveel mogelijk dezelfde voorwaarden als voor instellingen die niet ondersteund worden met overheidsgeld.
Hoe beoordeelt u instellingen met staatssteun die nog steeds direct of indirect diensten verlenen aan producenten en leveranciers van producten zoals genoemd in EU-verordening 36/2012?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen heeft u tot nu toe genomen om naleving van EU-verordening 36/2012 en alle voorgaande sanctiemaatregelen in dit kader te controleren en af te dwingen?
Overtreding van de voorschriften in de Europese sanctieverordeningen is strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten. Dit volgt uit regelingen vastgesteld door de minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 ter uitvoering van die verordeningen.
In de Regeling toezichthoudende ambtenaren Sanctiewet 1977 zijn voor het toezicht specifieke ambtenaren aangewezen van de douane, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst – Economische controledienst (FIOD), de Algemene Inspectiedienst, de Erfgoedinspectie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de commandanten van de Nederlandse oorlogsschepen.
Verder houden de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten bestuursrechtelijk toezicht op de naleving van specifieke voorschriften met betrekking tot het financieel verkeer op grond van de Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet 1977.
In de praktijk is voor het bewerkstelligen van naleving van sancties naast controle ook voorlichting van groot belang. Daarbij speelt onder meer de douane, met name de Centrale Dienst In- en Uitvoer (CDIU), een belangrijke rol, voor zover de CDIU een uitvoerende taak vervult bij de implementatie van sanctiemaatregelen zoals bij de sancties tegen Syrië. De CDIU geeft namens de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Financiën vergunningen en ontheffingen af op grond van de Sanctiewet 1977 en is in dergelijke gevallen voor ondernemingen het eerste aanspreekpunt voor de uitleg van sanctiemaatregelen. In bijzondere gevallen handelt de CDIU pro-actief door uit eigen beweging ondernemingen aan te schrijven met voorlichting over complexe aspecten van sanctieregelgeving.
Hoe verzekert u dat sanctiemaatregelen zoals genoemd in EU-verordening 36/2012 en het verbod op het – direct of indirect – omzeilen van deze sancties worden nageleefd? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Welke stappen onderneemt u specifiek met betrekking tot de financiële instellingen genoemd in het onderzoek? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Natuurherstel Westerschelde |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de provincie Zeeland aan de Europese Commissie1 waarin de provincie inhoudelijk reageert op de brief die de Europese Commissie heeft gestuurd aan de Nederlandse regering? Wat is uw reactie ten aanzien van deze brief?2
Ja. Voor een reactie op deze brief verwijs ik naar de brief, die mijn collega van Buitenlandse Zaken op 30 juli 2012 (onder kenmerk DJZ/ER) heeft gestuurd aan de secretaris-generaal van de Europese Commissie. Een afschrift van deze brief heb ik op 3 augustus 2012 naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstuk 30 862, nr. 85).
Wat is uw reactie ten aanzien van de afwijzende houding van de Europese Commissie ten opzichte van de maatregelen die de provincie Zeeland in overleg met Nederlandse regering al heeft genomen voor natuurherstel in de Westerschelde?
Zie antwoord op vraag 1.
Deelt u opvatting van de Europese Commissie dat in de toekomst mogelijk de Eendrachtpolder, Hellegatpolder, Van Hattumpolder en Everingepolder in Zeeland alsnog onder water gezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om ervoor te zorgen dat genomen maatregelen door de provincie Zeeland alsnog gewoon doorgang kunnen vinden en dat de genoemde polders in de toekomst niet ontpolderd worden?
Zie antwoord vraag 2.
De uitspraak van de Raad van State als gevolg waarvan geen Somalische uitgeprocedeerde asielzoekers meer kunnen worden uitgezet naar Somalië |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Leers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de Raad van State over de terugkeer van uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers naar Somalië?
Ja.
Wat is uw reactie op deze uitspraak en welke gevolgen verbindt u hieraan voor uw beleid ten aanzien van de terugkeer van uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers naar Somalië?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ziet op de mogelijkheden tot gedwongen terugkeer, in situaties waarin vanaf het vliegveld door de stad Mogadishu gereisd moet worden naar andere delen van Somalië. Het uitgangspunt voor het toelatingsbeleid is vrijwillig vertrek. Uitspraken over gedwongen vertrek hebben, ook volgens de jurisprudentie van de Afdeling, in beginsel geen gevolgen voor het toelatingsbeleid.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling wordt echter evenmin van een vreemdeling langer verwacht dat hij vrijwillig terugkeert over land via de stad Mogadishu.
Indien een asielzoeker afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië op basis van het ten aanzien van Somalie geldende soepele beleid niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning zijn er, ook na de uitspraak van de Raad van State, andere mogelijkheden tot vrijwillige terugkeer naar Zuid- en Centraal-Somalië.
Waarom hield u maandenlang vast aan het uitzetten van Somalische asielzoekers naar Somalië via Mogadishu, terwijl die stad is aangemerkt als een gebied waar mensen «louter door hun aanwezigheid» een ernstig risico lopen op foltering of marteling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Zoals door mij verwoord in mijn reactie op de in de vraagstelling aangehaalde motie, heeft de regering bepleit dat het gegeven dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, niet met zich meebrengt dat een doorreis door een gedeelte van de stad onmogelijk is. Het gaat om een korte afstand door een gebied dat volgens de beschikbare informatie in handen is van regeringsgezinde groepen en de African Union Mission in Somalia (AMISOM). De betreffende route wordt dagelijks gebruikt door de bevolking van Mogadishu. Dit was ook de motivering om de motie van het lid Dijksma c.s. te ontraden. De motie is overigens ook verworpen.
De regering zal zich uiteraard conformeren aan de uitspraak van de Afdeling.
Waarom heeft u de door het lid Dijksma c.s. recent ingediende motie1, die opriep om uitzettingen naar Somalië op te schorten, ontraden, terwijl u al eerder ter zitting bij de Raad van State had erkend dat om terug te keren naar Zuid- en Centraal-Somalië door Mogadishu moet worden gereisd? Acht u dit met de kennis van nu verantwoord?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat geen grote risico’s met mensenlevens mogen worden gelopen, door te lang vast te houden aan uitzettingen naar een oorlogsgebied, terwijl vrijwel alle betrokken belangenorganisaties al lange tijd van mening zijn dat terugkeer naar dat gebied levensgevaarlijk is? Zijn die risico’s in dit geval gelopen? Hoeveel Somalische asielzoekers heeft u de laatste twee jaar uitgezet? Hoeveel pogingen heeft u daartoe ondernomen?
Conform de nationale en internationale regelgeving worden vreemdelingen niet uitgezet indien zij in het land van herkomst zullen worden blootgesteld aan situaties waarin sprake is van vervolging als beschreven in het Vluchtelingenverdrag dan wel een situatie als beschreven in artikel 3 van het EVRM. Het beleid voor Somaliërs is, zoals ook blijkt uit de beantwoording van vraag 2, met veel waarborgen omkleed. Er is de afgelopen twee jaar één asielzoeker uitgezet naar Mogadishu. Daarnaast vindt ook zelfstandige terugkeer plaats.
Bent u bereid om de asielaanvragen van Somalische asielzoekers opnieuw te bezien, nu zij niet terug kunnen keren naar hun herkomstland? Worden uitgeprocedeerde asielzoekers die niet kunnen terugkeren opgevangen? Hoe kijkt u met de kennis van nu terug op de Somalische asielzoekers die niet durfden en wilden terugkeren en vervolgens een tentenkamp opsloegen in Ter Apel?
Aangezien de uitspraak ziet op de mogelijkheid van gedwongen vertrek heeft deze uitspraak in beginsel geen betekenis voor het toelatings- en opvangbeleid voor personen uit Somalië. Voor het toelatingsbeleid is immers uitgangspunt dat de vreemdeling zelf verantwoordelijk is voor het vertrek. Dat de (on)mogelijkheid van gedwongen vertrek geen betekenis heeft voor het toelatingsbeleid is ook vaste jurisprudentie van de Raad van State.
Ik zie dan ook geen aanleiding om de asielaanvragen van Somaliërs opnieuw te bezien dan wel om het opvangbeleid ten aanzien van uitgeprocedeerde Somaliërs te wijzigen. Dit geldt ook voor de Somaliërs die in het tentenkamp verbleven alsmede voor gezinnen met kinderen. Van het aantal gezinnen met kinderen in de opvang wordt geen registratie bijgehouden die gelinkt is aan de nationaliteit. Voor wat betreft de verdere ontwikkeling van de veiligheidssituatie in Mogadishu en Zuid- en Centraal-Somalië wacht ik het nieuwe ambtsbericht af dat naar verwachting in november dit jaar zal verschijnen. Recente berichtgeving suggereert een verbetering van de veiligheidssituatie in Mogadishu. Dit vormde aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan het ministerie van Buitenlandse Zaken ten behoeve van het volgende ambtsbericht.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat Somalische asielzoekers noodgedwongen lange tijd zonder perspectief in Nederland moeten verblijven terwijl gezinnen met kinderen wortelen in ons land? Om hoeveel kinderen gaat het? Welk vooruitzicht is er voor de veiligheissituatie in Mogadishu en in Zuid- en Centraal-Somalië?
Zie antwoord vraag 6.
Het volledig schrappen van financiering van het Institut Néerlandais |
|
Marieke van der Werf (CDA), Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Boosheid bij Institut Néerlandais»?1
Kunt u toelichten waarom de subsidie per 2015 volledig gestopt wordt, terwijl eerder was aangekondigd dat de subsidie met 20% verlaagd zou worden?
Klopt het dat naar aanleiding van de eerder voorgenomen bezuiniging van 20% het Institut Néerlandais nieuwe zakelijke en culturele partners heeft gezocht en gevonden? Deelt u de mening dat dit een goede ontwikkeling is en dat dit soort nieuwe partnerschappen juist bevorderd moet worden? Bent u het eens met het standpunt van het Institut Néerlandais dat met het volledig schrappen van de subsidie dit soort initiatieven de nek wordt omgedraaid? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het ministerie van Buitenlandse Zaken al in mei van plan was om de huur op te zeggen van het pand waar het Institut Néerlandais is gevestigd? Zo ja, waarom informeert u de Kamer daar dan pas tijdens het zomerreces over?
Hoe ziet u dat de unieke functies die het Institut Néerlandais heeft, zoals het onderdak bieden aan wetenschappers, worden overgenomen door de ambassade?
Hoe is het feit dat u in debatten over internationaal cultuurbeleid het belang van Nederlandse cultuur in het buitenland voor economische doelen heeft geroemd, te rijmen met de sluiting van deze vooruitgeschoven Nederlandse culturele post?
Deelt u de mening dat met de sluiting van het Institut Néerlandais niet alleen een belangrijk Nederlands wetenschappelijk en cultureel bureau in Frankrijk verloren gaat, maar ook – gezien de lange historie van het instituut – belangrijk cultureel erfgoed?
Kunt u inzicht geven in het proces dat naar uw mening nu gevolgd moet worden tot aan de sluiting van het Institut Néerlandais?
Bent u bereid om het besluit om de financiering van het Institut Néerlandais per januari 2015 volledig te schrappen, uit te stellen tot na de verkiezingen?
In het buitenland gedetineerde uitkeringsontvangers |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Jaarlijkse rapportage over Nederlandse gedetineerden in het buitenland» van de minister van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Is het waar dat het ministerie van Buitenlandse Zaken registreert welke Nederlanders of buitenlanders met een Nederlandse verblijfsvergunning in het buitenland zijn gedetineerd, maar deze gegevens vervolgens niet op persoonsniveau mag delen met andere ministeries c.q. uitvoeringsdiensten? Kunt u dit toelichten?
Het is juist dat het ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlanders en buitenlanders met een Nederlandse verblijfsvergunning in buitenlandse gevangenissen registreert, echter alleen indien de gedetineerde om consulaire hulp verzoekt. In het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om deze gegevens met andere ministeries c.q. uitvoeringsdiensten te delen.
Klopt het dat het hierdoor niet mogelijk is uitkeringen in te trekken van personen, die volgens de wet eigenlijk geen uitkering meer zouden mogen krijgen?
Om uitkeringen in te kunnen trekken van personen die gedetineerd zijn in het buitenland, zijn uitkerende instanties afhankelijk van informatie daarover. Een uitkeringsinstantie kan er zelf, bij controlebezoeken in het buitenland, achter komen dat er sprake is van detentie in het buitenland. In deze situaties kan de uitkerende instantie de uitkering intrekken.
De wettelijk voorschreven inlichtingenplicht van de uitkeringsgerechtigde om de detentie te melden is hier onvoldoende. Burgers zullen immers niet voldoen aan deze plicht, als zij ten onrechte aanspraak willen maken op een uitkering. De detentie blijft zo verborgen voor de uitkeringsinstantie. De uitkering loopt dan ten onrechte door. Ik vind dit onacceptabel.
Kunt u -geaggregeerd per uitkeringssoort- toelichten hoeveel personen in het buitenland zijn gedetineerd, die nog steeds een Nederlandse uitkering ontvangen? Kunt u daarbij toelichten of het in een overgrote meerderheid gaat om drugsdelicten?
Gemeenten, UWV noch SVB houden van de stop gezette uitkeringen, vanwege detentie, de reden van detentie bij. Het feit dat uitkeringsontvangers in detentie verblijven is voldoende grond om de uitkering stop te zetten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft ca. 2530 Nederlanders en buitenlanders met een Nederlandse verblijfsvergunning geregistreerd, die in buitenlandse detentie verblijven. Uit onderzoek is gebleken dat ca. 65% drugs gerelateerd is (Kamerstukken 2011–2012, 30 010, nr. 18). Of zij een uitkering hebben of niet is niet van belang voor het verlenen van consulaire bijstand. Het ministerie van Buitenlandse Zaken houdt dit niet bij.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat criminelen, die in het buitenland in de bak zitten, worden beloond met een Nederlandse uitkering?
In de sociale zekerheidswetten is vastgelegd dat gedetineerden die langer dan een maand in detentie verblijven, geen recht hebben op een uitkering. Voor de WWB en de Werkloosheidswet (WW) stopt het recht op uitkering vanaf de eerste dag van detentie. Dit geldt onverkort ook bij detentie in het buitenland. Wanneer gedetineerden in het buitenland in strijd met de wet een uitkering ontvangen, is dit onacceptabel.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in het buitenland gedetineerde criminelen geen uitkering meer kunnen krijgen van de Nederlandse overheid? Zo ja, hoe gaat u dit regelen?
Zoals ik al in het antwoord bij vraag 5 aangaf hebben gedetineerden geen recht op een uitkering, ook niet bij detentie in het buitenland. Bij de handhaving van de uitsluitingsgrond is het knelpunt dat het de uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid aan de wettelijke grondslag ontbreekt de gegevens van in het buitenland gedetineerde Nederlanders en buitenlanders met een Nederlandse verblijfsvergunning van Buitenlandse Zaken te ontvangen. Dit is conform de Wet bescherming persoonsgegevens. Buitenlandse Zaken wijst Nederlanders en buitenlanders met een Nederlandse verblijfsvergunning die in het buitenland in detentie verblijven erop dat zij de uitkerende instantie in Nederland zo snel mogelijk moeten inlichten over het feit dat men gedetineerd is.
Ik ben nu bezig met een wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens. Hierin wordt de levering geregeld van gegevens van gedetineerden in het buitenland. Op basis van deze wettelijke grondslag kan de minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van in het buitenland gedetineerde Nederlanders en buitenlanders met een Nederlandse verblijfsvergunning, waarover hij beschikt en die noodzakelijk zijn voor het recht op een uitkering, verstrekken aan gemeenten, SVB en UWV. Met de voorziene wettelijke grondslag kan de uitkering, in tegenstelling tot de huidige situatie, ook op basis van het signaal van Buitenlandse Zaken worden ingetrokken.
Met de onderhavige wetswijziging bereid ik ook regelgeving voor andere gegevensuitwisselingen voor zoals:
Goudwinning op het eiland Romang in de Molukken |
|
Harry van Bommel |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Kent u het bericht «Penambangan Emas di Romang Ganggu Suplai Air» van de digitale krant Ambon Antara News?1
Ja.
Is het waar dat de goudwinningsactiviteiten van het mijnbouwbedrijf Gemala PT Borneo Utama in Romang gepaard gaan met de vervuiling van drinkwater en dat voedselgewassen zijn verwoest om de goudwinningsactiviteiten uit te kunnen breiden?
Er is op het eiland Romang een conflict tussen de lokale bevolking en het bedrijf PT Gemala Borneo Utama (GBU) dat een lokale goudmijn uitbaat. Het bedrijf GBU wordt beschuldigd van milieu schadende activiteiten. Ik beschik niet over informatie uit andere bronnen die deze beschuldiging ondersteunt of weerspreekt.
Is het waar dat de Indonesische politie en het leger 418 mensen die tegen de goudwinningsactiviteiten protesteerden hebben aangehouden? Indien ja, op grond waarvan zijn zij aangehouden? Hoeveel personen zijn nog steeds gedetineerd?
Volgens lokale NGO’s en andere bronnen zijn op 28 juni 27 inwoners van Romang door de politie opgepakt op verdenking van het vernielen van faciliteiten van het mijnbouwbedrijf GBU. In reactie hierop hebben ruim 400 inwoners van Romang zich solidair verklaard met de opgepakte inwoners en uit protest een tentenkamp opgericht op het nabijgelegen eiland Kisar waar het politiekantoor en de lokale overheid zijn gevestigd. Alle 27 arrestanten zijn na het opmaken van proces verbaal weer in vrijheid gesteld.
Bent u bereid om bij de Indonesische ambassadeur opheldering te vragen over de gevolgen van genoemde goudwinningsactiviteiten voor mens en milieu? Indien neen, waarom niet?
Gezien het bovenstaande zie ik geen aanleiding de Indonesische ambassadeur om opheldering te vragen.
Het mogelijk op straat belanden van gezinnen uit de Furmerusflat in Sneek |
|
Sadet Karabulut |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op de berichten dat veel gezinnen uit de Furmerusflat in Sneek per 23 augustus a.s. mogelijk op straat belanden?1 2
In de gemeentelijke gebiedsvisie staat dat de Furmerusflat wordt gesloopt. De afgelopen jaren zijn daarom alle huurders van de Furmerusflat door Accolade elders gehuisvest met het recht om eventueel terug te keren naar nieuwbouw op de locatie van de Furmerusflat. Sindsdien is de flat in afwachting van de sloop in gebruik gegeven aan leegstandsbeheerder Carex met als doel om mensen met een acuut woonprobleem tijdelijk te huisvesten en hiermee de locatie sociaal te blijven gebruiken. Carex geeft de woningen in tijdelijk gebruik aan bewoners, en is er geen sprake van een huurcontract maar van een bruikleencontract zonder wettelijke huurbescherming. De bewoners hebben vier maanden geleden van Carex gehoord dat zij de woning eind augustus dienen te verlaten. Overigens probeert Carex de bewoners altijd een alternatieve tijdelijke woonruimte aan te bieden. Dit is in dit geval ook gebeurd. Inmiddels hebben de bewoners van de Furmerusflat vrijwel allemaal nieuwe woonruimte gevonden.
Woningcorporatie Accolade heeft geen juridische relatie met de bewoners van de Furmerusflat. Deze bewoners mogen zich uiteraard wel als woningzoekende bij de woningcorporatie inschrijven. Afhankelijk van hun inschrijfduur en mate van urgentie komen zij op reguliere wijze voor een vrijkomende woning in aanmerking. Het is niet zo dat zij via het bruikleencontract voor tijdelijke bewoning van Carex een voorkeurspositie kunnen krijgen ten opzichte van woningzoekenden die bij Accolade op de wachtlijst staan.
In het sociaal team van de gemeente Sudwest-Fryslan en de in deze gemeente werkzame corporaties is geoordeeld dat de bewoners op basis van hun individuele situatie niet dermate urgent zijn dat zij per direct een corporatiewoning in Sneek kunnen verkrijgen.
Ik zal, gegeven de beschreven situatie en verantwoordelijkheden, de woningcorporatie niet aanspreken. In dit verband is het dakloos worden van woningzoekenden niet aan de orde.
Deelt u de mening dat het onterecht is dat betreffende gezinnen in Sneek door woningcorporatie Accolade verweten wordt dat zij bij Carex voor tijdelijke woonruimte aanklopten, terwijl Accolade deze bewoners zelf heeft doorverwezen naar Carex vanwege een wachttijd voor een sociale huurwoning van achttien maanden? Zo ja, bent u bereid woningcorporatie Accolade hierop aan te spreken en met betrokken partijen in gesprek te gaan opdat een fatsoenlijke overgangsregeling wordt getroffen die de bewoners in staat stelt een nieuw huis te zoeken in de gemeente Sneek waar zij werken en leven, en waar de kinderen naar school gaan? Zo nee, vindt u het acceptabel dat gezinnen in Nederland dakloos worden vanwege woningnood?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het standpunt van de gemeenteraad van Súdwest- Fryslân dat de mogelijkheden voor de gemeente richting woningcorporatie Accolade beperkt zijn om huisuitzetting van deze gezinnen te voorkomen? Welke mogelijkheden ziet u om huisuitzetting wel te voorkomen?
Voor de vraag over de rol van de gemeente Sudwest-Fryslan verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Indien een bewoner kiest voor het betrekken van een woonruimte met een bruikleenovereenkomst, die naar haar aard tijdelijk van aard is, zie ik geen mogelijkheden om beëindiging van een dergelijke bewoning te voorkomen.
Bonaire die wilde ezels als lastdier naar Haïti wil sturen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u er van op de hoogte dat het bevoegd gezag op Bonaire voornemens is op zeer korte termijn alle wilde loslopende ezels op Bonaire te vangen vanwege de verkeersveiligheidproblematiek en schade aan de natuur, om ze vervolgens als lastdier te transporteren naar Haïti?1 Zo ja, kunt u uiteenzetten waar de ezels precies naar toe gaan, hoe en waarvoor ze zullen worden ingezet, hoe het dierenwelzijn gewaarborgd wordt en hoeveel geld Bonaire hiervoor krijgt?
Ik heb vernomen dat er beleid wordt ontwikkeld om het probleem van de nog loslopende en verwilderde ezels op Bonaire op te lossen.
Verleent de Nederlandse overheid financiële of enige andere steun aan Bonaire om deze operatie mogelijk te maken? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat voor overheidssteun Nederland specifiek wil bieden en hoeveel deze steun zal kosten?
Neen, de Nederlandse regering heeft geen bemoeienis met het op te zetten beleidsplan.
Deelt u de mening dat er diervriendelijkere maatregelen mogelijk zijn om de vermeende problemen met wilde loslopende ezels het hoofd te bieden, zoals onder andere het aanleggen van een groennetwerk, aanwijzen van leefgebieden, het plaatsen van faunapassages, het ontoegankelijk maken van kwetsbare natuur, het plaatsen van wildroosters en het eventueel onderbrengen van ezels bij een opvang? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke diervriendelijke alternatieven er daadwerkelijk zijn onderzocht en waarom deze niet worden overwogen? Zo nee, waarom niet?
Het is de primaire verantwoordelijkheid van het openbaar lichaam Bonaire bestandsbeheer t.a.v. deze ezels te initiëren, dit vorm en inhoud te geven en vervolgens te implementeren. Het openbaar lichaam onderzoekt momenteel diverse mogelijke methoden om het aantal dieren te reguleren. In het kader van de beleidsontwikkeling wordt door het openbaar lichaam Bonaire een groot scala van alternatieven voor bestandsbeheer onderzocht. Er vindt in dit kader overleg plaats met alle partijen op Bonaire die aan de oplossing van het probleem een bijdrage kunnen leveren. Het welzijn van de dieren is een belangrijk punt van aandacht in de discussie.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat op Nederlands grondgebied uiteenlopende wetgeving ten aanzien van de bescherming van in het wild levende dieren van toepassing is, zoals op Bonaire? Zo ja, op welke wijze wilt u hier verandering in brengen? Zo nee, waarom niet?
Bij de wijziging van de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk c.q. de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel is er voor gekozen vooralsnog de Nederlands-Antilliaanse regelgeving te handhaven en Nederlandse regelgeving pas geleidelijk in te voeren. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in de Invoeringswet Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Hierdoor geldt er op de meeste terreinen in het Caribisch deel van Nederland andere wet- en regelgeving dan in het Europese deel.
Deelt u de mening dat de Nederlandse regering alles in het werk moet stellen om te voorkomen dat de ezels van Bonaire gevangen worden en op transport gesteld naar Haïti? Zo ja, bent u bereid contact op te nemen met het bevoegd gezag op Bonaire en/of eventueel maatregelen te treffen om tot een diervriendelijke oplossing te komen? Zo nee, waarom niet?
Ik wacht het voorstel af voor het bestandsbeheer dat door het openbaar lichaam Bonaire wordt opgesteld. Ik ben uiteraard bereid om op verzoek van de autoriteiten op Bonaire over dit onderwerp met hen van gedachten te wisselen.
Het onveranderd hoge aantal laaggeletterden |
|
Manja Smits (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat er ondanks aanvalsplannen en convenanten nog altijd 1,5 miljoen laaggeletterden zijn in Nederland?1
Zie hiervoor het integrale antwoord op vraag 1 van het lid Van der Ham (D66), ingezonden 17 juli 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 3309).
Deelt u de mening dat uw beleid om het aantal laaggeletterden terug te dringen heeft gefaald, nu dat aantal, net als vijf jaar geleden, nog steeds op 1,5 miljoen staat? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het integrale antwoord op vraag 1 van het lid Van der Ham (D66), ingezonden 17 juli 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 3309).
Is het beeld correct dat door mevrouw Leenhouts van de MBO-Raad wordt geschetst, dat het bij de Stichting Lezen & Schrijven draait om «PR, recepties, feestjes en oploopjes met topmannen van bedrijven»? Welk deel van het budget van de stichting is besteed aan PR, recepties, feestjes en dergelijken?
Eén van de activiteiten waarvoor Stichting Lezen & Schrijven (L&S) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) subsidie ontvangt, is het agenderen van en bekendheid geven aan het thema laaggeletterdheid. Het Forum A tot Z, een onafhankelijk, informeel platform dat bestaat uit prominente Nederlanders die belangeloos meewerken, waaronder topmannen en -vrouwen van bedrijven, speelt hierbij een belangrijke rol en wordt regelmatig door Stichting L&S voor dit doel ingezet. Ook het organiseren van de Week en de Dag van de Alfabetisering, inclusief de daarbij behorende (media)campagnes, PR en de uitreiking van de alfabetiseringsprijzen, horen hierbij. Al deze acties zijn functionele middelen om het thema laaggeletterdheid te agenderen en mensen bekend te maken met dit onderwerp. Dit is Stichting L&S goed gelukt. Zo blijkt uit onderzoek van TNS NIPO dat in 2006 nog 13% van de Nederlanders dacht dat er mensen zijn die moeite hebben om mee te doen in de samenleving vanwege een gebrekkige taalbeheersing, terwijl in 2011 dit percentage was gestegen naar 51%. Activiteiten zonder verbondenheid aan een inhoudelijk thema worden niet bekostigd met subsidie van het ministerie van OCW.
Stichting L&S heeft overigens ook eigen inkomsten. Over de besteding van deze inkomsten is geen verantwoording aan het ministerie verschuldigd (zie ook het antwoord op vraag2. Hiervoor verwijs ik u naar de jaarverslagen van Stichting L&S.
Is de bewering van de heer Hammink van Stichting ABC over uw relatie met Prinses Laurentien, voorzitter van Stichting Lezen & Schrijven, correct dat het voor u «aanzienlijk moeilijker is om de prinses iets te weigeren, dan een ander iets te ontzeggen»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik herken mij niet in deze zienswijze. Besluiten over het al dan niet subsidiëren van bepaalde activiteiten in het kader van bestrijding van laaggeletterdheid gebeurt op basis van inhoudelijke gronden en zijn weloverwogen. H.K.H. Prinses Laurentien der Nederlanden heeft naast een ruime kennis en ervaring, opgedaan als voorzitster bij Stichting L&S, ook veel internationale kennis, netwerken en expertise (o.a. Speciaal Gezant Geletterdheid voor UNESCO en voorzitster van de High-Level Expert Group on Literacy). Inbreng van haar kennis en ervaring leveren een substantiële bijdrage aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het Actieplan 2012–2015 «Geletterdheid in Nederland» (kamerstuk 28 760 nr. 22).
Deelt u de analyse van onderzoeksbureau CINOP dat de Stichting Lezen & Schrijven «onvoldoende expertise in huis heeft en geen menskracht of kennisinfrastructuur heeft» om het beleid te verbeteren rondom laaggeletterdheid? Zo nee, waarom niet?
Beleidsontwikkeling en -verbetering op het gebied van laaggeletterdheid is de taak van de overheid. Hier is ook de benodigde expertise en menskracht aanwezig. Stichting L&S en het Steunpunt Volwasseneneducatie (VE) ontvangen subsidie voor activiteiten die gericht zijn op het uitvoeren van onderdelen van het Actieplan Laaggeletterdheid, waaronder ook het programma Taal voor het Leven. Ik ben er van overtuigd dat de Stichting L&S voor deze taak de benodigde expertise, menskracht en toegang tot kennisinfrastructuren in huis heeft.
Kunt u met cijfers inzichtelijk maken wat de opbrengsten zijn van Stichting Lezen & Schrijven, nu blijkt dat het aantal laaggeletterden in elk geval niet is verminderd?
De opbrengsten van het Aanvalsplan Laaggeletterdheid zijn breed en divers, waarbij vele organisaties, gemeenten, provincies, instellingen en individuen betrokken zijn. Het rapport Opbrengsten in Beeld (kamerstuk 28 760 nr. 22 van 12 september 2011), dat ik 12 september 2011 aan de Kamer heb gestuurd en de Voortgangsrapportages die ik in de periode 2007–2010 jaarlijks in het voorjaar aan de Tweede Kamer heb gestuurd en heb besproken, geven een uitgebreid beeld van de opbrengsten van het Aanvalsplan Laaggeletterdheid dat door Stichting Lezen & Schrijven, Stichting Expertisecentrum ETV.nl en CINOP werd uitgevoerd (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid om per direct de regie over te nemen van de Stichting Lezen & Schrijven om het aantal laaggeletterden terug te dringen? Zo ja, bent u bereid om de Kamer zo snel mogelijk een stappenplan toe te sturen? Zo nee, hoe kunt u volhouden dat het subsidiegeld om laaggeletterdheid terug te dringen doelmatig wordt besteed?
Het ministerie van OCW heeft de regie over het terugdringen van het aantal laaggeletterden en niet Stichting L&S (zie ook mijn antwoord op vraag 5). Stichting L&S ontvangt subsidie van het ministerie van OCW voor het programma Taal voor het Leven en een aantal activiteiten in het kader van het Actieplan Laaggeletterdheid. Stichting L&S is daarbij één van de vele partijen die zich bezighoudt met activiteiten om laaggeletterdheid terug te dringen. Stichting L&S legt jaarlijks over besteding van de middelen en uitvoering van de activiteiten aan het ministerie van OCW zowel inhoudelijke als financiële verantwoording af.
Een actieplan om de sterk stijgende jeugdwerkloosheid terug te dringen |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het recente onderzoek van de International Labour Organization (ILO) waaruit blijkt dat de jeugdwerkloosheid in Nederland sterker stijgt dan in de omliggende landen Duitsland en België, waar de jeugdwerkloosheid zelfs daalt?1 Wat is uw verklaring hiervoor?
Ja. De stijging van de jeugdwerkloosheid hangt nauw samen met de verslechtering van de economie die mede wordt veroorzaakt door de aanhoudende onzekerheid op financiële markten. Ook de ons omringende landen worden hierdoor getroffen. De mate waarin dat gebeurt verschilt echter per land en dat werkt door in de werkloosheidscijfers. De Duitse economie is bijvoorbeeld zowel in 2011 als in het eerste kwartaal van 2012 harder gegroeid dan de Nederlandse economie. Ook in België lag de economische groei in 2011 hoger dan in Nederland.
Hoewel de jeugdwerkloosheid in Nederland is gestegen, is de jeugdwerkloosheid in Nederland nog altijd relatief laag. Van alle eurolanden ligt alleen in Oostenrijk en Duitsland de jeugdwerkloosheid lager dan in Nederland. In België ligt de jeugdwerkloosheid twee keer zo hoog.
Deelt u de mening dat vooral ook de jeugdwerkloosheid onder de allochtone bevolking van 29% moet worden aangepakt (tegenover 9% onder autochtone jongeren), omdat anders een «verloren tweede generatie» ontstaat, terwijl die beter is opgeleid dan de eerste generatie?2 Zo nee, waarom niet?
De ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid, ook onder niet-westerse allochtone jongeren vraagt om alertheid. Het werkloosheidspercentage onder niet-westerse allochtonen is gemiddeld (voor 15–64 jarigen) driemaal zo groot als onder autochtonen (in het eerste kwartaal van 2012 was dit 15,2% tegenover 4,8%). Voor jongeren (15–24 jaar) geldt vrijwel dezelfde ratio (29% onder niet-westerse allochtonen tegenover 9% autochtonen). Het werkloosheidspercentage onder hoogopgeleide niet-westerse allochtone jongeren is 9,5% en niet 16%, zoals ten onrechte in de Forum Monitor vermeld wordt. Hiermee is de werkloosheid onder hoogopgeleide niet-westerse allochtone jongeren gemiddeld driemaal zo groot (en niet vijfmaal zo groot) als onder hoogopgeleide autochtone jongeren (3,3%).
In zijn algemeenheid heeft de relatief hoge werkloosheid onder niet-westerse allochtone jongeren te maken met het feit dat jongeren vaker op een flexibel arbeidscontract werken en werkzaam zijn in conjunctuurgevoelige sectoren. In het geval van recessie verliezen zij vaak als eersten hun werk, maar zij zijn ook vaak weer een van de eerste groepen die profiteren van economisch herstel. Een andere belangrijke oorzaak van de hogere werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is dat zij hun schoolcarrière relatief vaker beëindigen zonder startkwalificatie. Hun arbeidsmarktpositie is slechter dan die van jongeren met een startkwalificatie.
Bij hoger opgeleide jongeren van allochtone afkomst speelt ook een rol dat zij tijdens hun studie minder actief zijn in het verenigingsleven en minder vaak verplichte stages lopen, zodat die onderdelen niet op hun CV staan. Ook hebben zij daardoor minder contacten die relevant zijn bij het zoeken naar werk3.
Het kabinet zet stevig in op het voorkomen en bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Voor de maatregelen die het kabinet neemt, verwijs ik u naar mijn brief van 27 april 2012 (Kamerstuk 29 544, nr. 393). Deze zijn met name gericht op het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs-arbeidsmarkt en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten met het landelijk programma «Aanval op schooluitval». Het kabinet kiest hierbij voor generieke maatregelen, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van jongeren om zelf te zoeken naar een opleiding of een baan het uitgangspunt blijft. Zij moeten zelf de regie nemen om hun kansen op de arbeidsmarkt te benutten.
Deelt u de mening dat de dramatische stijging van de allochtone jeugdwerkloosheid met 7%-punt in het afgelopen jaar (tegenover 1%-punt onder autochtone jongeren) zorgwekkend is, aangezien steeds meer jongere allochtonen aan het werk willen maar zelfs hoogopgeleide allochtone jongeren vijfmaal vaker werkloos blijven dan autochtone hoogopgeleide jongeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er een algemeen actieplan tegen jeugdwerkloosheid moet komen, gebaseerd op de effectieve Finse en Zweedse aanpak waar jeugdwerklozen worden gecoacht, begeleid in de zoektocht naar werk en een scholingsaanbod ontvangen, zoals de ILO aanbeveelt? Zo nee, waarom bent u niet bereid beleidsvoorbeelden met successcores van 80% en 46% over te nemen in uw arbeidsmarktbeleid?
In Nederland is reeds in 2009 actie ondernomen en een Actieplan jeugdwerkloosheid uitgevoerd. Met het Actieplan heeft de regionale samenwerking rondom de aanpak van jeugdwerkloosheid een stevige impuls gekregen. Borging van de goede aanpakken en de tot stand gebrachte samenwerking door de regio’s is van belang. In dat kader worden er door de VNG samen met andere betrokken partijen werkconferenties georganiseerd. In de werkconferenties kunnen partijen in de regio samen aan de slag om de gezamenlijke aanpak rond jongeren in een kwetsbare positie te bestendigen en verder te ontwikkelen.
De Zweedse en Finse aanpak, waarbij alle jeugdwerklozen na een bepaalde tijdsperiode een werk- en/of scholingsaanbod krijgen («youth guarantee») is mij bekend. Het risico van een dergelijke aanpak is dat te weinig de eigen verantwoordelijkheid van jongeren wordt aangesproken. In Nederland heeft het kabinet daarom gekozen voor een aanpak waarbij de eigen verantwoordelijkheid van jongeren voorop staat. Zij moeten zelf de regie nemen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en te benutten. Het kabinetsbeleid om de Wet werk en bijstand (WWB) activerender te maken draagt hieraan bij. Een opleiding gaat voor een uitkering en werk is leidend. Het behalen van een diploma zorgt ervoor dat jongeren goed toegerust de arbeidsmarkt betreden. Jongeren worden gestimuleerd om eerst al hun scholingsmogelijkheden te benutten en daarna zelf op zoek te gaan naar een baan. Pas als hen dit zelf niet lukt, kunnen zij om ondersteuning bij de overheid vragen.
Wat doet u om de allochtone beroepsbevolking voor te bereiden op werk in de zorg- en industriesector, in de ogen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) de aankomende jaren de banenmotor voor de allochtone bevolking, zodat de Nederlandse economie profiteert van dit onbenutte arbeidspotentieel?
Het kabinet voert geen beleid specifiek voor allochtonen of autochtonen. Het beleid is gericht op generieke maatregelen die eraan bijdragen dat iedereen zoveel mogelijk naar vermogen kan participeren op de arbeidsmarkt.
Het kabinet zet als speerpunt van het beleid in op het versterken van de aansluiting tussen het onderwijs en de vraag van de arbeidsmarkt. Voor een goed werkende regionale arbeidsmarkt is het van belang dat opleidingen van goede kwaliteit zijn en goed aansluiten bij de vraag van de regionale arbeidsmarkt. Met het Actieplan MBO «Focus op vakmanschap 2011–2015» wordt hier door mijn ambtgenoot van OCW extra op ingezet.
Daarnaast heeft het kabinet in de brief van 5 juli jl. (Kamerstukken 2011/12, 29 544, nr. 405) gereageerd op het advies «Werk maken van scholing» van de Sociaal-Economische Raad over een toekomstbestendige postinitiële scholingsmarkt die optimaal aansluit bij de vraag van de arbeidsmarkt. Hierin verwijst het kabinet onder meer naar de mobiliteitsbonus die kan worden ingezet voor functiegerichte scholing voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en naar de mogelijkheid voor laagopgeleiden om alsnog een mbo-diploma te behalen.
Ook zet het kabinet in op een gezamenlijke aanpak van de overheid (SZW, OCW, EL&I), bedrijfsleven en onderwijsinstellingen om de verwachte personeelsschaarste in de technische sector tegen te gaan. Ik verwijs u hiervoor naar de brief «Aanpak arbeidsmarkttekorten techniek» van 16 april jl. (Kamerstukken 2011/12, 32 637, nr. 33.
Voor de zorgsector is de afgelopen jaren geïnvesteerd in de versterking van de regionale samenwerking tussen de zorginstellingen, het UWV en de gemeenten. Een van de hoofdpunten van de regionale samenwerking is het maken van goede afspraken over het werven en opleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (waaronder ook allochtonen en niet-uitkeringsgerechtigden). Daarnaast zijn de brancheorganisaties uit de zorg, Actiz en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) in december 2011 gestart met het meerjarige programma «Kansen voor de zorg, kansen in de zorg». Dit programma is met name gericht op vergroting van het aandeel medewerkers in de zorg van die groepen die nu zijn ondervertegenwoordigd. Dit programma wordt ondersteund door VWS, OCW, BZK en het Europees Integratie Fonds (EIF). In dit kader verwijs ik u naar de brief van 16 maart 2012 van de staatssecretaris van VWS aan uw Kamer (Kamerstukken 29 282, nr. 149).
De veiligheid van paspoortgegevens. |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de constatering tijdens het algemeen overleg over Privacy van 3 juli 2012, dat steeds meer aanbieders van diensten en producten om kopietjes van het paspoort vragen en dit de bescherming van onze persoonsgegevens kwetsbaar maakt?
Ik herinner mij het algemeen overleg van 3 juli 2012. Ik herinner mij ook dat ik in dat algemeen overleg een dergelijke constatering niet heb gehoord, en deze zelf ook niet heb gedaan.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «CBP wijst op verbod kopiëren paspoort» van 12 juli jl?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja. Het College bescherming persoonsgegevens is onafhankelijk, ook in zijn handhavingstaken. Ik acht het niet dienstig om naar aanleiding van dit soort concrete initiatieven te reageren op de wijze waarop het College zijn taak uitoefent.
Klopt het dat het afstaan van een kopie van het identiteitsbewijs en een bankschrift steeds vaker een voorwaarde is voor het verkrijgen van bepaalde producten en of diensten? Indien ja, wat vindt u van deze praktijk en hoe verhoudt het zich tot wetgeving inzake persoonsgegevens?
Daarover bestaan geen statistische gegevens. Van belang is slechts of voor zulke producten een kopie gevraagd mag worden van het identiteitsbewijs. Zoals het CBP nog eens heeft benadrukt mag dat als regel niet, behalve in bepaalde uitzonderingsgevallen. Bankafschriften bevatten diverse persoonsgegevens. Ook het verzamelen en verder gebruiken van deze gegevens is gebonden aan de regels in de Wet bescherming persoonsgegevens.
Bent u bekend met de tekst op de site van de rijksoverheid waar vermeld wordt dat als u een telefoon wilt afsluiten u verplicht bent een kopie van paspoort af te geven? Kunt u zorgen voor een eenduidige communicatie en de tekst op www.rijksoverheid.nl aanpassen aan de richtlijnen van het Centraal Planbureau (CPB)?2
De bedoelde tekst op de website is op 18 juli jongstleden in overleg met het College bescherming persoonsgegevens (CBP) geactualiseerd.
Bent u ervan op de hoogte dat bedrijven binnen een bepaalde sector, bijvoorbeeld telefoon- en internetaanbieders, dezelfde soort persoonsgegevens vragen aan consumenten? Zo ja heeft de consument dan wel een vrije keuze als het product en of dienst niet te verkrijgen is zonder het afgeven van een kopie van het paspoort?
Voor zover bedrijven ten onrechte een kopie van het paspoort vroegen, veronderstel ik dat de bewuste bedrijven naar aanleiding van de recente richtsnoeren van het CBP hun praktijken zullen aanpassen.
Kunt u inzichtelijk maken welke bedrijven en sectoren en in welke gevallen zij vragen om een kopie van het paspoort bij het verlenen van een dienst en of het kopen van een product?
Nee, ik beschik niet over dergelijke gegevens.
Kunt u toelichten of en wanneer er een noodzaak is van dergelijke bestanden voor de bedrijfsvoering van bedrijven?
Het CBP heeft op 12 juli 2012 richtsnoeren gepubliceerd over het gebruik van een «kopietje paspoort». Op de website mijnprivacy.nl wordt dit nader toegelicht aan de hand van concrete voorbeelden en vragen en antwoorden. Kortheidshalve verwijs ik u naar deze website.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak het afgeven van een kopie van het paspoort of identiteitsbewijs heeft geleid tot identiteitsdiefstal?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of bedrijven de regels inzake bescherming persoonsgegevens naleven en of de databeveiligingsmaatregelen rondom een dergelijk bestand wel adequaat zijn?
Het CBP is belast met het toezicht op de naleving van de wetten inzake bescherming persoonsgegevens. Zie verder mijn antwoord op vraag 2 en vraag 12.
Bent u zich bewust van de risico’s van het gebruik van deze bestanden door derden inclusief politie, justitie en inlichtingendiensten en het combineren van deze bestanden met gegevens in andere bestanden?
Ja.
Bent u bekend met diensten en producten die over de grens worden aangeboden en ook persoonsgegevens opvragen? Welke regels zijn hierop van toepassing?
Zolang vrager en aanbieder van een product of dienst binnen de Europese Economische Ruimte activiteiten ontplooien, is richtlijn 95/46/EG, in combinatie met de toepasselijke nationale implementatievoorschriften, van toepassing op de met het aanbod geassocieerde gegevensverwerking van toepassing. Indien tenminste een van beide partijen zich in een derde land bevindt, dan kunnen voorschriften van buitenlands recht van toepassing zijn.
Op welke wijze gaat u erop toezien dat het verbod op kopieën paspoort voortaan wel wordt nageleefd en de consument geïnformeerd is over haar rechten dienaangaande? Deelt u de mening dat een boetebevoegdheid van de privacytoezichthouder juist in dit soort gevallen een waardevolle stok achter de deur is om naleving van privacy wetgeving te bevorderen? Indien ja, op welke wijze bent u voornemens om uitvoering te geven aan de onlangs in de Kamer aangenomen motie Recourt/Berndsen3, waarin u bent verzocht om voor 1 januari 2013 met een voorstel te komen waarin de boetebevoegdheid van het CBP wordt geregeld?
Het – overigens geenszins absolute – verbod op het maken en bewaren van een kopie van een identiteitsdocument wordt niet door mij, maar door het CBP gehandhaafd. Het CBP is onafhankelijk en stelt zelf zijn toezichts-, handhavings- en voorlichtingsprioriteiten vast, en legt daarover verantwoording af.
Ik deel de mening niet dat deze kwestie nu juist bij uitstek de noodzaak voor het uitbreiden van de bestuurlijke boetebevoegdheid in de Wet bescherming persoonsgegevens aantoont. Er zijn vele handhavingsvragen die noodzaken na te denken over de wijze van sanctionering van de Wbp. Op de door de Kamer aangenomen motie van het lid Recourt zal ik afzonderlijk reageren.
Bent u zich ervan bewust dat de gegevens op de chip van een paspoort makkelijk te kopiëren zijn met op internet verkrijgbare software?4 Wat gaat u hieraan doen?
Voor het antwoord hierop verwijs ik naar de antwoorden die de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal geven op de schriftelijke vragen van het lid Elissen over de nieuw paspoorten die grote beveiligingsproblemen kennen (vraagnummer 2012Z14564, ingezonden 17 juli 2012).
Berichten dat Indonesië mogelijk van Duitsland Leopard tanks wil kopen |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Indonesië mogelijk van Duitsland Leopard tanks wil gaan kopen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit bericht in het licht van het Nederlandse wapenexportbeleid en de doelstelling voor verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van EU-lidstaten en het minimaliseren van «undercutting»? Kunt u dit toelichten?
Het bericht in Die Welt heeft betrekking op de politieke discussie in Duitsland over de verkoop van overtollige Leopard-tanks aan Indonesië. Zoals ook uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is het kabinet van mening dat de verkoop van overtollige Leopard-tanks aan Indonesië binnen de kaders van het wapenexportbeleid mogelijk is.
In artikel 4.1 van het standaardcontract voor de verkoop van overtollig defensiematerieel staat dat het parlement instemming moet verlenen. In artikel 12.3 staat dat als instemming niet wordt verleend het contract ontbonden is. Waarom zijn op basis van deze contractonderdelen de besprekingen met Indonesië na de aangenomen motie El Fassed c.s. (33 000 X, nr. 47) niet meteen gestopt? Kunt u dat toelichten?
De regering gaat ervan uit dat het democratische proces met de volksvertegenwoordiging geschiedt op grond van het wisselen van argumenten en na besluitvorming door het kabinet. Toen de bedoelde motie werd aangenomen was het kabinet over het onderhavige onderwerp nog ver verwijderd van
het innemen van een standpunt, al was het maar omdat de gesprekken met Indonesië nog in de beginfase waren en de te maken afwegingen dus nog niet compleet in beeld konden zijn. De motie is geïnterpreteerd als een indicatie van een standpuntbepaling van de volksvertegenwoordiging, vooruitlopend op het democratische proces dat later zou volgen, maar zonder dat deze de eigen afweging van het kabinet zou kunnen bepalen of inperken. Na de besluitvorming van het kabinet is de Kamer op 21 juli jl. per brief geïnformeerd. In die tussentijd is het kabinet demissionair geworden. Die bijzondere omstandigheid en de consequenties daarvan bij dit onderwerp zijn op zorgvuldige wijze in de brief tot uitdrukking gebracht.
Heeft u na het overleg met de Tweede Kamer op 21 juni jl. alsnog uit eigen beweging mogelijke contractonderhandelingen met Indonesië in formele zin afgesloten?
Zoals uiteengezet in onze brief van 3 juli jl. (Kamerstuk 22 054, nr. 201) is besloten af te zien van de verkoop van de Leopard-tanks aan Indonesië omdat een Kamermeerderheid de transactie niet steunt. Het kabinet heeft de Indonesische autoriteiten hierover geïnformeerd en de onderhandelingen zijn derhalve beëindigd. De fase in de besluitvorming waarbij formeel besloten zou dienen te worden over de afgifte van een exportvergunning is daarmee niet bereikt.
Deelt u de mening dat een meerderheid van de Tweede Kamer die zich tegen de verkoop van de overtollige tanks aan Indonesië uit heeft gesproken, dat deed op basis van tegenstrijdigheid van de verkoop met criteria 2 en 3 van het wapenexportbeleid? Zo neen, kunt u dit toelichten?
De Kamer en het kabinet hebben hierover 21 juni jl van gedachten gewisseld. De discussie is voor het kabinet met het beëindigen van de onderhandelingen met Indonesië gesloten.
Klopt het dat uw brief van 8 mei jl. over de verkoop van Leopard 2A6 tanks met toebehoren aan Indonesië2 in feite een sondering is van de Tweede Kamer, vanwege de noodzakelijke instemming van het parlement met de verkoop van overtollig defensiematerieel? Zo neen, kunt u dat in het licht van artikel 4.1 van het standaardcontract voor de verkoop van overtollig defensiematerieel toelichten?
De brief van 8 mei jl. moet gezien worden in het licht van de motie El Fassed van 13 december 2011 en de demissionaire status van het kabinet. Daarnaast past de brief in het streven de Kamer vooraf te informeren over de verkoop van overtollig defensiematerieel. Hiermee wordt met inachtneming van de motie-Van den Doel c.s. (17 december 1996, Kamerstuk 22 054, nr. 24) recht gedaan aan de controlerende taak van de Kamer. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat een door het parlement afgewezen verzoek tot verkoop van overtollig defensiematerieel in feite als «denial notification» moet gelden? Zo neen, waarom niet?
Neen. Het kabinet toetst alle aanvragen voor wapenexportvergunningen aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt. Alleen indien deze toetsing tot een negatief besluit leidt, is er sprake van een denial op basis van de EU-criteria waarover andere EU lidstaten worden geïnformeerd (denial notification).
Klopt het dat schriftelijke sonderingen waarop afwijzend wordt gereageerd, als «denial notification» moeten worden geregistreerd en vervolgens met EU-lidstaten moeten worden gedeeld, onder meer om «undercutting» te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat voor een door de meerderheid van de Tweede Kamer afgewezen verkoop van overtollig defensiematerieel niet alleen contractonderhandelingen formeel beëindigd dienen te worden, maar ook een «denial» moet worden afgegeven aan de EU-lidstaten, juist ook om bij te dragen aan verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid van EU-lidstaten? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Het uitblijven van ‘exit-gesprekken’ met vroegtijdige schoolverlaters |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het schrikbarend is dat 20% van de vroegtijdige schoolverlaters geen gesprek met een schoolafgevaardigde heeft gehad over hun beslissing de school definitief te verlaten, zeker omdat deze risicogroep vijf keer vaker voorkomt in criminaliteitscijfers en twee keer zoveel kans heeft op werkloosheid?1 Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het een onwenselijke situatie is dat een vijfde van de voortijdig schoolverlaters met niemand in zijn of haar omgeving heeft gesproken voordat zij de opleiding definitief verlieten. Dat betekent dat zij niet met hun ouders, vrienden of met een vertegenwoordiger van de onderwijsinstelling hebben gesproken voordat zij dit besluit namen. Het is mogelijk dat zij door een gesprek voor het onderwijs behouden hadden kunnen blijven, maar zeker is dat niet. Tachtig procent van de voortijdig schoolverlaters heeft wel met iemand in zijn of haar omgeving over het voornemen om te stoppen gesproken. Buiten hun ouders wenden zij zich het vaakst tot een vertegenwoordiger van de school. De mogelijkheid voor een gesprek wordt dus wel door onderwijsinstellingen geboden, maar niet alle jongeren maken daar gebruik van.
Deelt u de mening dat er altijd een «exit-gesprek» moet plaatsvinden tussen een afgevaardigde van een school en de (potentiële) vroegtijdige schoolverlater, om de schooluitval alsnog te voorkomen dan wel een vinger te krijgen achter de redenen voor uitval en als school van deze informatie te leren? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat onderwijsinstellingen er verstandig aan doen om met iedere jongere die voortijdig met de opleiding wil stoppen in gesprek te gaan over zijn of haar motieven. Mogelijk kan de jongere alsnog voor het onderwijs behouden worden door plaatsing op een andere opleiding of andere onderwijsinstelling of door informatie over de gevolgen van stoppen voor zijn of haar arbeidsmarktkansen. Als dat niet aan de orde is, kan een gesprek over de redenen om te stoppen waardevolle informatie opleveren voor de onderwijsinstelling.
Het is aan de onderwijsinstelling om het voeren van exitgesprekken een regulier onderdeel te maken van de uitschrijfprocedure. Overigens worden jongeren na uitschrijving opgeroepen voor een gesprek met de leerplichtambtenaar of RMC-functionaris met als doel ze terug te leiden naar het onderwijs of, als dat niet mogelijk is, naar de arbeidsmarkt.
Ik wil benadrukken dat ook de betrokkenheid van ouders bij de schoolloopbaan van hun kind van groot belang is om uitval te voorkomen. In de gesprekken die met onderwijsinstellingen worden gevoerd breng ik dit in. Ik heb met de MBO-raad en Ingrado afspraken gemaakt over het bevorderen van de ouderbetrokkenheid bij school en bij het verzuim in het bijzonder.
Wilt u de doelstelling van de PvdA-fractie om het aantal vroegtijdige schoolverlaters de aankomende vier jaar met de helft terug te brengen overnemen, zodat de arbeidsmarktkansen voor een grote groep jongeren beter worden? Zo nee, waarom niet?
De doelstelling van het kabinet Balkenende II was om het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters te halveren van 71 000 in 2002 tot maximaal 35 000 in 2012. Investeren in jongeren en hun startkwalificaties loont. Met een startkwalificatie hebben jongeren betere arbeidsmarktperspectieven. Om die reden heb ik er in 2010 voor gekozen om deze doelstelling verder aan te scherpen tot maximaal 25 000 nieuwe vsv’ers in 2016 en de jaren daarna. Dit is een ambitieuze doelstelling. Op dit moment staat de teller op 38 6002. Rekening houdend met de circa 4 000 jongeren die nu onterecht als voortijdig schoolverlater meegeteld worden, is de oorspronkelijke vsv-doelstelling in feite behaald. Om nog verder te dalen naar maximaal 25 000 vsv’ers in 2016 moeten scholen en gemeenten nog forse inspanningen leveren. Een nog scherpere doelstelling acht ik niet haalbaar.
Indien u deze doelstelling om het aantal schoolverlaters te halveren steunt, waarom wilt u dan geen «exit-gesprek» tussen de school of opleiding en de vroegtijdige schoolverlater verplichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is er een verband tussen de slechte begeleiding van schoolverlaters en de stijgende jeugdwerkloosheid, voornamelijk bij allochtone jongeren (zie ook andere vragen van het lid Hamer over een actieplan om de sterk stijgende jeugdwerkloosheid terug te dringen)?
De werkloosheid onder jongeren ligt altijd hoger dan de algemene werkloosheid vanwege de jaarlijkse toestroom van schoolverlaters, het gegeven dat jongeren veelal werken op een tijdelijk contract en de conjunctuurgevoeligheid van de sectoren waarin vooral jongeren werkzaam zijn. In tijden van economische teruggang loopt de jeugdwerkloosheid altijd sterker op dan de algemene werkloosheid, maar in tijden van economisch herstel daalt de jeugdwerkloosheid ook sneller.
Niet-westerse allochtone jongeren blijken gemiddeld vaker op een tijdelijk contract werkzaam te zijn dan autochtonen. Dit kan gerelateerd zijn aan het feit dat niet-westerse allochtone jongeren relatief vaker het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten. De arbeidsmarktpositie van jongeren zonder startkwalificatie is slechter dan die jongeren met startkwalificatie. Zo zijn jongeren zonder startkwalificatie relatief vaker werkloos. Het kabinet zet daarom stevig in op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten.
Het ronselen van gehandicapte meisjes voor seks |
|
Renske Leijten |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Gehandicapte meisjes geronseld voor seks»?1 Wilt u uw antwoord toelichten?
Wanneer meisjes door loverboys worden geronseld voor seks is er sprake van mensenhandel. Het ronselen van jonge meisjes voor seks is een breder maatschappelijk probleem. Daarom is ook gekozen voor een rijksbrede aanpak. Tezamen met mijn collega-bewindslieden van Veiligheid en Justitie en OCW heb ik een actieplan rijksbrede aanpak loverboy-problematiek opgesteld . Ik heb de Tweede Kamer bij brief van 20 december 2011 over dit actieplan geïnformeerd 2.
Deelt u de mening dat het afschuwelijk is dat jonge mensen met een beperking geronseld worden voor prostitutie en gedwongen worden tot seksuele handelingen? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om deze mensen te beschermen tegen seksuele misdrijven? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik vind dit afschuwelijk. Het is dan ook essentieel de samenleving ervan te doordringen dat wij gezamenlijk tegen (seksueel) geweld en mishandeling van kwetsbare mensen moeten optreden. In de afgelopen periode zijn diverse brieven aan uw Kamer gezonden over geweld jegens kwetsbare mensen. Dit najaar zal over de laatste stand van zaken worden gerapporteerd.
In de bovengenoemde rijksbrede aanpak van de loverboy-problematiek zijn maatregelen aangekondigd op het gebied van onderzoek naar (herhaald) slachtofferschap, voorlichting en trainingen en advisering van jeugdzorginstellingen.
Meer specifiek over de situatie van meisjes met een verstandelijke beperking kan ik het volgende melden. De instellingen waar deze meisjes verblijven, hebben ten principale de rol en de taak om een veilig thuis te bieden voor de meisjes. Met voorlichting (bewustwording), begeleiding (signalering) en het versterken van de weerbaarheid kan veel worden bereikt. Op dit moment laat ik een inventarisatie uitvoeren naar bestaande instrumenten en programma’s rond preventie van seksueel misbruik en het vergroten van weerbaarheid. Dan komt in beeld waar zich eventuele lacunes bevinden en waar extra aandacht moet zijn voor verbindingen tussen de verschillende organisaties. De inventarisatie betreft de hele keten: van preventie, signaleren, aanpak tot en met nazorg. Op basis van de inventarisatie zal ik bezien welke aanvullende maatregelen moeten worden getroffen.
Is het u bekend of er goede nazorg is geboden aan de meisjes die in Limburg geronseld werden door mensenhandelaren? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Ja, de betrokken instelling heeft laten weten dat zij de meisjes in eerste instantie zelf heeft opgevangen en begeleid. Waar nodig is vervolgens via het meldpunt «Helse Liefde» passende hulp gezocht.
Hoeveel meisjes en jongens met een beperking zijn de afgelopen jaren slachtoffer geworden van loverboys en mensenhandelaren? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Het OM houdt niet bij in welke mate de slachtoffers van mensenhandel verstandelijk beperkt zijn. Wel is bij het OM bekend dat er in Noord-Limburg in 2011 en 2012 in 5 gevallen sprake is geweest van slachtoffers met een verstandelijke beperking. Dit betreft slachtoffers met een dusdanige geestelijke beperking dat ze verblijven in een zorginstelling.
In algemene zin kan worden gesteld dat de ronselpraktijken van mensenhandelaren met name zijn gericht op kwetsbare groepen, waaronder slachtoffers in economisch zwakkere posities en slachtoffers waarbij op enige wijze sprake is van verstandelijke beperkingen. Het beleid voor de aanpak van mensenhandel is dan ook voor een groot deel gericht op (de voorlichting van) deze kwetsbare groepen. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, wordt er in het actieplan voor de rijksbrede aanpak van de loverboy-problematiek al rekening mee gehouden dat mensenhandelaren zich op kwetsbare groepen richten en daar wordt beleid op gericht.
Is er aangifte gedaan van mensenhandel naar aanleiding van het ronselen in Limburg? Zo ja, worden deze aangiftes in behandeling genomen? Zo nee, kunt u een rol spelen in het bespoedigen van het doen van aangifte?
Momenteel loopt er een concrete strafzaak in Noord-Limburg en een in Zuid-Limburg. In beide genoemde zaken is aangifte gedaan, althans een melding op grond waarvan het onderzoek zich heeft ontwikkeld. Deze zijn in behandeling genomen en hebben geleid tot het traceren en aanhouden van diverse verdachten.
Zijn de slachtoffers gehoord door mensen die expertise hebben in het horen van mensen met een verstandelijke beperking om te voorkomen dat er bewijsmateriaal verloren gaat? Zo nee, waarom niet?
De Aanwijzing mensenhandel van het College van procureurs-generaal stelt dat het spreken met en horen van slachtoffers van mensenhandel dient te geschieden door verhoorders die specifieke expertise en competenties hebben. De politie laat de verhoorders in mensenhandel- en zedenzaken hiervoor certificeren. In de Limburgse zaken zijn de slachtoffers gehoord door gecertificeerde rechercheurs in een daarvoor geschikte verhoorstudio te Eindhoven.
Zijn de mensenhandelaren opgepakt die verantwoordelijk zijn voor het ronselen van gehandicapte meisjes in Limburg? Hoeveel daders zijn er inmiddels gepakt en welke straf hebben zij ontvangen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
In de lopende zaken in Limburg Noord en Zuid zijn zeven verdachten aangehouden. Deze zaken moeten nog inhoudelijk door een rechter worden behandeld.
Is het u bekend of daders in zorginstellingen werken of vooral buiten de zorginstellingen mensen met een beperking ronselen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Er is bij mijn weten niet onderzocht waar daders die mensen met een beperking ronselen werken. Het beleid is er op gericht mensen met een beperking in het algemeen weerbaarder te maken tegenover iedereen die mogelijk misbruik van hen kan maken. Het gaat dan niet alleen om loverboys, maar ook om mogelijk misbruik door zorgverleners, medebewoners, familieleden en bekenden. Als de lopende zaken tot een afronding zijn gekomen, wil ik bezien of nadere actie nodig is.
Worden alleen begeleiders van zorginstellingen in Limburg geïnformeerd op welke manier mensenhandelaren hun bewoners willen ronselen of geldt dit voor alle zorginstellingen in Nederland?1 Wilt u uw antwoord toelichten?
In het onder 4 genoemde actieplan voor de rijksbrede aanpak van de loverboy-problematiek zijn trainingen, adviezen en actuele kennisoverdracht opgenomen aan jeugdzorginstellingen in in principe heel Nederland.
Op welke wijze is nazorg ingezet voor de geronselde mensen, maar ook voor het personeel van de zorginstellingen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie voor de nazorg aan de geronselde mensen het antwoord op vraag 3. De betrokken zorginstelling heeft een intern traumateam voor opvang na calamiteiten, waaronder ook ervaringen met loverboys. Uiteraard kan desgewenst ook externe hulp worden ingeroepen.
Is het u bekend of ook in andere regio’s mensen met een beperking geronseld worden door loverboys en mensenhandelaren? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Er zijn geen concrete cijfers, maar het loverboys-probleem speelt in het hele land en is in eerste instantie opgemerkt en aangepakt in «de vier grote steden»: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Ik ga er dan ook van uit dat deze problematiek niet alleen bij instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking in Limburg speelt. Het is nu primair zaak om de weerbaarheid van potentiële slachtoffers te vergroten en de daders aan te pakken. Dit biedt de beste preventie voor slachtoffers. Ik zie geen aanleiding tot het uitvoeren van een inventariserend onderzoek. Zie voorts het antwoord op vraag 4.
Welke aanpak wordt momenteel gebruikt door justitie, politie en zorginstellingen om het ronselen van mensen met een beperking tegen te gaan?
Naast voorlichting over seksualiteit en seksueel misbruik en versterking van de weerbaarheid is er een aantal projecten zoals «Pretty Woman», Fier Fryslan en trainingen van Rutgers WPF. De koepelorganisatie VGN heeft een handreiking «seksualiteit en seksueel misbruik» uitgebracht en is dit jaar betroken bij een leernetwerk seksualiteit. Zie voorts het antwoord op vraag 4 en 15.
Heeft iedere zorginstelling beleid om mogelijk ronselen vroegtijdig te signaleren? Zo nee, hoe gaat u regelen dat iedere zorginstelling alert is op de kwetsbaarheid van hun bewoners of deelnemers aan dagbesteding enz.?
Het is mij niet bekend of alle zorginstellingen beleid hebben om ronselen vroegtijdig te signaleren. Wel weet ik dat zorginstellingen en met name de orthopedagogische centra, zeer alert zijn op contacten die loverboys leggen met cliënten. Zorginstellingen onderhouden hierover ook contacten met de politie.
Wat is de stand van zaken van de aanpak van seksueel misbruik aan de hand van het rapport «Beperkt weerbaar»? Wilt u uw antwoord toelichten?
Op 7 februari 2012 heb ik een brief naar de Tweede Kamer gezonden met daarin een actieplan. De aangekondigde acties zijn voor een groot deel opgehangen aan de uitkomsten van een inventariserend onderzoek. Dat onderzoek komt naar verwachting in september beschikbaar.
De te ondernemen acties rond «Beperkt Weerbaar» worden vervlochten in de bredere GIA ( Geweld In Afhankelijkheidsrelaties) aanpak. In de voortgangsrapportage GIA van dit najaar zal ik hierover rapporteren.
Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat ondanks de aandacht voor kwetsbaarheid van mensen met een verstandelijke beperking, blijkend uit het rapport «Beperkt weerbaar», het ronselen – tot en met het inzetten van beperkten in de prostitutie – heeft kunnen plaatsvinden? Welke maatregelen worden genomen ten opzichte van preventie, nazorg, aangifte, opsporing en berechting?
Zoals u weet heeft de aanpak van mensenhandel een hoge prioriteit bij dit kabinet. In de kabinetsbrief van 26 april 20123 is toegelicht welke maatregelen in dit kader zijn getroffen. In deze brief is tevens toegelicht dat de hoge prioriteit die de aanpak van mensenhandel heeft er zelfs toe kan leiden dat er meer slachtoffers worden aangetroffen, zoals bleek uit de cijfers van het aantal slachtoffers van mensenhandel over het jaar 2011. Hoewel mensenhandel nooit geheel zal kunnen worden uitgebannen, wordt door middel van genoemde maatregelen -waarvan een groot deel dus (zoals blijkt uit het antwoord op vraag 4) is gericht op kwetsbare groepen- er wel naar gestreefd om zoveel mogelijk slachtoffers te voorkomen.
Erkent u dat het afschaffen van de instroom van mensen in zorgzwaartepakket (zzp) 1 tot en met 3 in de intramurale zorg juist mensen met een beperking extra kwetsbaar maakt om geronseld te worden voor prostitutie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze kwetsbaarheid te verminderen?
Nee. In het Algemeen Overleg met uw Kamer op 4 juli 2012 over de tweede voortgangsrapportage Hervorming Langdurige Zorg is aandacht gevraagd voor de randvoorwaarden van invoering per 1 januari 2013 voor onder anderen kinderen en jeugdigen (en cliënten met zorgzwaartepakket VG3. In september zal ik u nader over de concrete uitwerking hiervan informeren.
Hoe worden mensen met een beperking beschermd tegen loverboys en mensenhandelaren zodra de begeleiding vanuit de AWBZ overgeheveld wordt naar gemeenten? Erkent u dat hier een groot risico wordt gelopen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Veel mensen uit deze doelgroep zijn in beeld bij de gemeente. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning krijgen zij namelijk voorzieningen van de gemeente. Als de gemeente verantwoordelijk wordt voor de extramurale begeleiding, dan nemen de mogelijkheden voor een integrale aanpak toe. Zoals u weet, besluit een nieuw kabinet over de decentralisatie van de begeleiding naar gemeenten.
Hoeveel aangiftes van seksuele misdrijven van mensen met een beperking zijn de afgelopen jaren gedaan en hoe vaak leidde dit tot begeleiding? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord op vraag 4.
De gevolgen van een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de waardering van getuigenbewijs |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Vidgen/Nederland?1
Ja.
Hoe interpreteert u deze uitspraak en wat zijn de gevolgen van deze uitspraak voor de Nederlandse rechtspraktijk?
Deze Kameruitspraak is gebaseerd op een jurisprudentielijn zoals die recentelijk uiteen is gezet door de Grote Kamer van het Hof in een Britse zaak (uitspraak van 15 december 2011 in de zaak Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk). Het recht een getuige te ondervagen, zoals neergelegd in artikel 6, derde lid onder d EVRM, is gebaseerd op het uitgangspunt dat al het bewijs bij een openbare rechtszitting dient te worden gepresenteerd in de aanwezigheid van de verdachte, zodat dat bewijs kan worden betwist. Het Hof heeft evenwel aangegeven dat dit uitgangspunt niet op een starre wijze dient te worden toegepast. Het EVRM dient recht te doen aan met elkaar concurrerende belangen van de verdediging, het slachtoffer, getuigen en het algemeen belang ten aanzien van een effectieve rechtspleging. Bij de beoordeling of in een concreet geval sprake is van een schending van artikel 6 EVRM houdt het Hof rekening met drie factoren: (1) of het noodzakelijk was de verklaringen van de afwezige getuigen toe te laten tot het bewijs; (2) of de veroordelingen uitsluitend of in overwegende mate op die verklaringen zijn gebaseerd en (3) of daarbij sprake was van toereikende «counterbalancing» factoren.
In de zaak Vidgen oordeelde het Hof – in tegenstelling tot de nationale gerechten – dat de veroordeling van de verdachte in overwegende mate was gebaseerd op de belastende verklaring van een medeverdachte die de verdediging niet effectief had kunnen doen horen en dat voor de verdediging compenserende maatregelen ontoereikend waren. Kortgezegd, het Hof beoordeelt de toereikendheid van het steunbewijs in casu anders dan de nationale gerechten. Dit is in sterke mate afhankelijk van de casuïstiek. De zaaksoverstijgende gevolgen van deze uitspraak zijn dan ook beperkt. De Nederlandse rechter hanteert immers de hiervoor genoemde uitgangspunten. Echter, bij de toepassing van deze uitgangspunten kan de waardering van het steunbewijs in voorkomende gevallen uiteen lopen. De Hoge Raad zal in dergelijke gevallen een nadere concretisering geven van de beginselen zoals vermeld in de uitspraak van het Hof in de zaak Al Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk.
Hoe verhoudt zich deze uitspraak met het Nederlandse beginsel «Unus testis, nullus testis», zoals vastgelegd in art. 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering?
Deze wettelijke bewijsminimumregel houdt in dat de bewezenverklaring niet op de verklaring van slechts één getuige mag berusten. Deze regel geldt evenwel slechts voor de gehele tenlastelegging en bewezenverklaring. Onderdelen van die bewezenverklaring kunnen wel op één getuigenverklaring worden gebaseerd. Ten aanzien van personen die zich op hun verschoningsrecht beroepen, geldt dat de Hoge Raad wel eens het gebruik van het proces-verbaal uit het vooronderzoek met de daarin afgelegde verklaring van de getuige die zich later op zijn zwijgrecht heeft beroepen, als bewijsmiddel heeft geaccepteerd. Deze mogelijkheid is tegen de achtergrond van EHRM-jurisprudentie verkleind. In het bijzonder moet voor een belastende verklaring aan de verdediging de gelegenheid worden geboden om de getuige te ondervragen en om de betrouwbaarheid van diens verklaring te betwisten. Het arrest in de zaak Vidgen brengt in deze stand van zaken geen wezenlijke verandering.
Voorziet u dat deze uitspraak wijziging kan brengen in nog lopende rechtszaken of in de regeling voor kroongetuigen?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2. Daaraan valt nog toe te voegen dat er vanzelfsprekend zaken kunnen zijn waarin de aan te leggen maatstaf kan leiden tot bewijsuitsluiting. Nu evenwel slechts sprake is van invulling van een reeds bestaand toetsingskader zullen de gevolgen hiervan voor lopende zaken naar verwachting beperkt zijn. Ten aanzien van de Wet «toezeggingen aan getuigen in strafzaken» en de gelijknamige Aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal noopt deze uitspraak niet tot enige wijziging. Immers, die regeling is er op gericht de getuige juist wel te laten verklaren ter terechtzitting. De te maken afspraak wordt bovendien voorafgegaan door een rechterlijke toetsing ter zake van de betrouwbaarheid van de betreffende getuige (artikel 226h lid 3 Wetboek van Strafvordering) en voor de strafrechter geldt een verzwaarde motiveringsplicht (artikel 359 lid 4 Wetboek van Strafvordering). Na de gemaakte afspraak alsnog weigeren te verklaren is zelfs strafbaar gesteld (artikel 192 Wetboek van Strafrecht). De uitspraak in de onderhavige zaak stelt aan deze regeling geen verdergaande vereisten.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat rechtszaken in de toekomst door deze uitspraak worden beïnvloed, zodat daders mogelijk niet (meer) kunnen worden veroordeeld?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 2 en 4. Mijns inziens is in casu sprake van een incident waarin de inschatting van het EHRM afwijkt van de inschatting die door de nationale gerechten is gemaakt. Deze uitspraak van het Hof betekent geenszins dat een veroordeling van een verdachte in de toekomst nooit meer (mede) gebaseerd zou kunnen zijn op de verklaring van een ter zitting afwezige getuige.
Stichting Lezen & Schrijven |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
|
|
|
|
|
|
Wat is uw beleidsmatige reactie op het artikel «Stichting prinses Laurentien krijgt aantal laaggeletterden niet omlaag»?1 Herkent u de analyse? Kloppen de stellingnames over de gestokte vooruitgang in het verminderen van laaggeletterdheid met de bij u bekende feiten?
Wat is uw reactie op de claim dat het de Stichting Lezen & Schrijven aan inhoudelijke expertise ontbreekt om de grote problemen van laaggeletterdheid te tackelen?
Wat onderneemt u om de kwaliteit van het geleverde werk van de Stichting «Lezen & Schrijven» te meten en te borgen? Welke andere expertise benut u om laaggeletterdheid aan te pakken?
Nieuw paspoorten die grote beveiligingsproblemen kennen |
|
André Elissen (PVV) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe pas is onveilig»?1
Ja.
Ziet u net als de ontdekker van de kwetsbaarheden ernstige bedreigingen voor de maatschappelijke veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Het betreffende artikel heeft betrekking op twee aspecten, te weten het op afstand kunnen activeren van de Rfid-chip die in de reisdocumenten is opgenomen en het kunnen kopiëren van de gegevens die in de chip zijn opgeslagen.
Ik memoreer dat over beide aspecten uw Kamer geïnformeerd is. Reeds in september 2005, dus voor de invoering in 2006 van de chip in de reisdocumenten, is in antwoord op vragen van het TK-lid De Wit2 aan de Kamer gemeld dat het door de Europese Unie voorgeschreven mechanisme dat gebruikt wordt om toegang te krijgen tot de gegevens in de chip (Basic Access Control) zwakheden kent.
In 2008 heeft de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Kamer geïnformeerd3 over het op afstand kunnen activeren van de chip in de reisdocumenten en de resultaten van onderzoek naar de mogelijkheden om dat tegen te gaan. De betreffende onderzoeksrapporten zijn met deze brief aan de Kamer aangeboden. Voor de verdere details verwijs ik naar de stukken die eerder aan uw Kamer zijn gezonden.
Ik teken hierbij aan dat de vingerafdrukken die sinds 2009 in de chip van de reisdocumenten worden opgeslagen extra beveiligd zijn. Binnen de Europese Unie is hiervoor het beschermingsmechanisme Extended Access Control (EAC) ontwikkeld. Naast bescherming van de toegang tot de vingerafdrukken middels Terminal Authenticatie, voorziet EAC in de beveiliging van de communicatie tussen chip en uitleesapparaat (d.m.v. Chip Authenticatie). Sinds de invoering van de vingerafdrukken in 2009 wordt dit toegepast. Door de toepassing van EAC kunnen alleen daartoe geautoriseerde voorzieningen de vingerafdrukken uit de chip lezen. Voor de Nederlandse reisdocumenten geldt dat thans alleen de voorzieningen van de uitgevende instanties van de reisdocumenten over een dergelijke autorisatie beschikken.
In de beantwoording van meerdere schriftelijke vragen4 is ook ingegaan op de mogelijkheid dat de gegevens die in de chip zijn opgeslagen worden gekopieerd en de mogelijkheid om dat te detecteren. Uiteraard is het zo dat controlerende instanties wel moeten controleren of het om gekopieerde gegevens gaat. Dat geldt ook voor de fysieke echtheidskenmerken van de reisdocumenten. Er kan alleen maar worden vastgesteld dat er met een document wordt gefraudeerd als goed gecontroleerd wordt of het document integer is.
Gaat u maatregelen nemen om identiteitsfraude te voorkomen? Zo ja, welke en kunt u deze nader toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om de kwetsbaarheden in de nieuwe paspoorten te verhelpen? Welke maatregelen gaat u treffen in het kader van nationale veiligheid en terrorismebestrijding?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u op lange termijn doen om te voorkomen dat er opnieuw paspoorten met beveiligingsproblemen ontworpen worden?
Zie antwoord vraag 2.
De bijgestelde verkoopplannen van het ouderencomplex Prinsehof 55+ door woningcorporatie SOR in Rotterdam |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bijgestelde verkoopplannen van woningcorporatie SOR in Rotterdam van het ouderencomplex 55+ Prinsehof aan de Dordtseweg?1
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat de verkoopplannen zich nu al ruim twee jaar voortslepen?
Ja. De woningcorporatie SOR is zonder resultaat met twee beoogde kopers in onderhandeling geweest. Zo is met de tweede potentiële koper geen akkoord bereikt, omdat deze te weinig bood in relatie tot de geldende verkoopregels, hetgeen ten koste zou gaan van het maatschappelijk bestemde vermogen van woningcorporatie SOR.
Deelt u de mening dat de verkoopplannen van woningcorporatie SOR de veelal op zeer hoge leeftijd verkerende bewoners te lang in onzekerheid laat?
Ik vind het wenselijk dat er snel duidelijkheid ontstaat voor de bewoners. Echter, de verkooptransactie die de woningcorporatie SOR voornemens is uit te voeren, dient zorgvuldig en binnen de regelgeving inzake verkoop van corporatiewoningen plaats te vinden. De woningcorporatie SOR heeft aangegeven dat zij momenteel onderhandelt over de verkoop van onder andere De Prinsenhof, waarbij een sale-leaseback constructie van 10 jaar onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst. Voor de huurders betekent dit dat zij de komende tien jaar dezelfde verhuurder houden en er voor de huurders materieel niets zal veranderen. De woningcorporatie SOR heeft aangegeven haar doelgroepbeleid (ouderenhuisvesting) te continueren.
Bent u ervan op de hoogte dat woningcorpratie SOR het onderhoud van het complex schromelijk en langdurig heeft verwaarloosd?
De woningcorporatie SOR heeft in de afgelopen periode een nieuwe CV-installatie aangelegd en lekkages opgelost. De SOR heeft aangegeven dat zij op korte termijn voegreparaties gaat uitvoeren en het gebouw buiten laat schilderen.
Bent u ervan op de hoogte dat de bewoners wederom in onzekerheid worden gelaten nu eerst voor 1 juli 2012 duidelijkheid zou worden verschaft en dat deze datum wederom is verschoven? Deelt u de mening dat dit niet langer verantwoord is?
Ik ben op de hoogte van het feit dat de bewoners voor 1 juli 2012 duidelijkheid zou worden gegeven inzake verkoop van het complex. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag drie, stel ik vast dat de woningcorporatie SOR heeft aangegeven dat zij de bewoners heeft geïnformeerd dat er mogelijk in september duidelijkheid komt.
Deelt u de mening dat de eerdere adviezen van de gemeente, het huurdersplatform en betrokken bewonerscommissies bij een mogelijke verkoop achterhaald zijn vanwege de lange duur van het verkoopproces en de onzekerheid rond de achtergrond van de mogelijke koper?
De adviezen zijn achterhaald, maar om reden dat de beoogde koper een andere koper is dan waar de gevraagde zienswijzen betrekking op hebben.
Deelt u de mening dat een nieuwe adviesronde moet plaatsvinden indien een mogelijke verkoop aan de orde is?
Ja.
Bent u bereid geen onomkeerbare stappen te nemen dan nadat u overleg met de vaste commissie Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer heeft gehad?
Nee, ik heb eigenstandige bevoegdheid tot het nemen van besluiten onder toetsing aan de regelgeving. Er is derhalve geen voorafgaande instemming van uw Kamer vereist.
De zoveelste gekkigheden van Eurocommissaris Malmström inzake immigratie |
|
Geert Wilders (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Leers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht1 dat Eurocommissaris Malmström pleit voor veel meer immigratie naar Europa en er blijkbaar van overtuigd is dat «Europese burgers net zo denken als zijzelf»?
Deelt u de mening dat deze eurocommissaris die de weg al kwijt was, nu helemaal is losgeslagen van de rede en de werkelijkheid en onmiddellijk dient af te treden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat nu eens te meer duidelijk is dat Nederland geen seconde langer afhankelijk moet zijn van de ongekozen Brusselse bureaucraten en uit de EU moet stappen, zodat we weer baas worden over onze eigen grenzen? Zo nee, waarom niet?
De werkloosheid onder allochtone jongeren dramatische vormen aanneemt |
|
Geert Wilders (PVV), Léon de Jong (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Leers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Werkloosheid allochtone jongeren dramatisch»?1
Ja.
Kunt u specifiek aangeven wat de reden is dat de werkloosheidscijfers onder groepen Marokkaanse, Somalische en Turkse jongeren extreem veel hoger liggen dan onder bijvoorbeeld Chinese jongeren? Zo neen, waarom niet?
De oplopende werkloosheid onder niet-westerse allochtone jongeren hangt nauw samen met de verslechtering van de economie. De jeugdwerkloosheid en de werkloosheid onder niet-westerse allochtone jongeren in het bijzonder, is conjunctureel gevoeliger dan de algemene werkloosheid. Niet-westerse allochtone jongeren zijn vaker werkzaam in conjunctuurgevoelige sectoren en werken veelal op een flexibel arbeidscontract. Daarnaast ligt het opleidingsniveau van niet-westers allochtone jongeren veelal lager en verlaten zij relatief vaker ongediplomeerd het onderwijs. De arbeidsmarktpositie van jongeren zonder startkwalificatie is beduidend slechter dan de arbeidsmarktpositie van jongeren met startkwalificatie.
Dit is zorgelijk. In de komende jaren is iedereen nodig op de arbeidsmarkt. Zeker in de zorg en de techniek wordt een groot tekort aan goede vakmensen verwacht. Migrantenjongeren moeten hun positie verbeteren. In het onderwijs gaat dit steeds beter. Deze vooruitgang komt echter niet tot uiting op de arbeidsmarkt. Het kabinet zet daarom generiek in op het versterken van de aansluiting tussen onderwijs en de vraag van de arbeidsmarkt en het tegengaan van de verwachte personeelstekorten in de zorg en de techniek.
De positie van Chinese jongeren is beduidend anders. Zij volgen veel vaker een opleiding in de hoogste niveaus van het voortgezet onderwijs (havo/vwo) en niveau 4 in het middelbaar beroeps onderwijs. Ook nemen zij meer dan andere bevolkingsgroepen, inclusief de autochtone Nederlanders, deel aan het hoger onderwijs.
Op welke wijze zorgt de aanhoudende massale toestroom van ongeschoolde immigranten richting ons land voor het terugdringen van werkloosheid onder allochtone jongeren?
Ik herken mij niet in uw beeld over de migratie van ongeschoolde migranten. Het kabinetsbeleid is juist gericht op het zoveel mogelijk beperken van de instroom van kansarme migranten.
Hoeveel werkloze niet-westerse allochtone jongeren ontvangen in totaal een bijstandsuitkering?
Uit gegevens van het CBS blijkt dat in december 2011, het aantal niet-westerse allochtonen jongeren (onder de 27) met een bijstandsuitkering 17 870 bedroeg. (Bron:CBS Statline).
Kunt u aangeven wat volgens de Rotterdamse wethouder van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de reden is dat allochtone jongeren massaal werk weigeren om in de haven aan de slag te gaan? Denkt u eveneens dat er een relatie bestaat tussen het arbeidsethos van deze groepen en de hoge werkloosheid?
Navraag bij de Rotterdamse wethouder van Werk, Inkomen en Zorg levert de volgende informatie op. De wethouder kan de stelling, dat allochtone jongeren massaal werk weigeren in de haven niet plaatsen. Van massale werkweigering is geen sprake volgens de wethouder.
Verder wil ik u verwijzen naar de antwoorden van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 28 november 2011 op de vragen van Kamerlid Azmani over het bericht dat niemand van de Rotterdamse werkloze jongeren aan de slag wil in de haven (TK, Vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel, Kamernummer 793).
Ten aanzien van arbeidsethos geldt dat, ongeacht afkomst, het kabinetsbeleid erop gericht is dat mensen die niet willen werken of onvoldoende medewerken met de gemeente om aan het werk te gaan, geen uitkering dienen te ontvangen.
Bent u bereid de verblijfsvergunning van werkloze niet-westerse allochtonen die de Nederlandse nationaliteit niet hebben en nog geen tien jaar in Nederland gewerkt hebben in te trekken en hen het land uit te zetten?
Het kabinet behandelt niet- westerse allochtonen niet anders dan westerse allochtonen (met uitzondering van EU-burgers waar het EU-recht specifieke bepalingen kent) wat betreft de voorwaarden voor verblijf in Nederland.