Misbruik van Ziekte door werkgevers |
|
Roos Vermeij (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werkgevers misbruiken ziekte om werknemers te ontslaan»?1
Ja
Wat is uw reactie op het in het bericht genoemde onderzoek van FNV Bondgenoten waaruit zou blijken dat werkgevers de «ziekteroute» gebruiken om te bezuinigen op loonkosten of werknemers eruit te werken?
Ik keur het niet goed dat een werknemer die na een ziekteperiode de bedongen arbeid volledig heeft hervat, administratief voor één of enkele procenten als arbeidsongeschikt geregistreerd blijft staan. De op schrift gestelde situatie is dan immers niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. De feitelijke situatie is overigens bepalend en niet de situatie op basis van de administratie van de werkgever.
Hoewel het in de praktijk wel eens zal voorkomen dat de werknemer er niet van op de hoogte is dat hij als ziek geregistreerd staat in de administratie van de werkgever, omdat de werknemer veronderstelt dat hij weer volledig hersteld is, zal dit doorgaans niet het geval zijn. Vaker zal zich de situatie voordoen dat, als de werknemer hersteld is en weer aan het werk is, de werkgever de werknemer toch nog als ziek registreert, omdat de werkgever van mening is dat de werknemer de bedongen arbeid nog niet volledig kan verrichten. In die situatie is de werknemer nog niet volledig geschikt en is het legitiem om hem als ziek te registreren, nu de werknemer (nog) niet in staat wordt geacht om de bedongen arbeid te verrichten.
De werkgever dient zich in een dergelijk geval te baseren op een door de bedrijfsarts gegeven advies inzake de mogelijkheden voor werkhervatting door de werknemer. Een dergelijke situatie dient bij de werknemer bekend te zijn en zal in het algemeen in overeenstemming zijn met zowel het advies van de bedrijfsarts als met de feitelijke situatie.
Als de werknemer het hier niet mee eens is, omdat hij bijvoorbeeld van mening is dat hij wel volledig arbeidsgeschikt is, kan dit verschil van mening met de werkgever beslecht worden door het aanvragen van een deskundigenoordeel aan een publieke instantie, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). In laatste instantie kan het geschil bovendien aan de rechter worden voorgelegd.
Bent u op de hoogte van het feit dat zonder medeweten van de werknemers er werkgevers zijn die werknemers voor 1 procent ziek houden? Deelt u de mening dat dit ongeoorloofde praktijken zijn? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Zie antwoord vraag 2.
Uit uit dit onderzoek blijkt dat werknemers niet altijd toegang hebben tot een bedrijfsarts, wat is hierover uw opvatting? Wat gaat u ondernemen opdat werknemers toegang hebben tot de bedrijfsarts?
De Arbowet verplicht werkgevers om zich voor de verzuimbegeleiding te laten ondersteunen door een bedrijfsarts. Het is aan de bedrijven om met instemming van hun Ondernemingsraad een contract af te sluiten met een bedrijfsarts of arbodienst voor onder meer de verzuimbegeleiding.
Wie houdt er toezicht op de bedrijfsartsen? Welke criteria worden gehanteerd?
Bedrijfsartsen zijn medisch specialisten die zijn ingeschreven in het BIG-register van het ministerie van VWS. Zij vallen onder de systematiek van de tuchtrechter of in geval van een arbodienst onder de verplichte klachtenregeling van de arbodienst.
Deelt u de mening dat het ongeoorloofd is wanneer verzuimbegeleiders, c.q. bedrijfsartsen medische informatie verstrekken aan de werkgevers? Zo ja, welke sancties kunnen worden opgelegd? Hoe vaak werden deze sancties de afgelopen twee jaar opgelegd?
Hoort het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) de zieke werknemer nog na afloop van de twee jaar loondoorbetaling?
Als de werknemer na afloop van de twee jaar loondoorbetaling nog ziek is en de werknemer een aanvraag indient voor een WIA-uitkering, moet de werkgever een re-integratieverslag opstellen. Daarin doet de werkgever onder meer verslag van de re-integratie-inspanningen die hij heeft verricht tijdens deze twee jaar.
De werknemer heeft de gelegenheid om zijn oordeel te geven over de door de werkgever geleverde re-integratie-inspanningen, waarna hij het re-integratieverslag samen met de WIA-aanvraag indient bij het UWV.
Hoe wordt de zieke werknemer gewezen op zijn rechten?
De werknemer kan voor informatie over zijn rechten terecht bij zijn werkgever, diens bedrijfsarts/arbodienst en het UWV. De website van het UWV en websites van andere organisaties (bijvoorbeeld van vakbonden) bevatten veel informatie over de rechten van de werknemer. Daarnaast kunnen ook rechtshulpverleners en vakbonden de werknemer hierover informeren. Verder kunnen werknemer en werkgever op het Arboportaal (http://www.arboportaal.nl/onderwerpen/arbowet--en--regelgeving/verzuim/ziekteverzuimbeleid.html ) informatie vinden betreffende ziekteverzuimbeleid in de onderneming. Bij het CBP (http://www.cbpweb.nl/downloads_pb/pb_20120711-verzuimreductie-medische-gegevens.pdf ) is informatie beschikbaar over privacy en medische persoonsgegevens.
Zijn er gevallen bekend, waarbij het UWV ontslag heeft verleend voor werknemers die al geruime tijd aan het werk zijn en zich al beter hebben gemeld bij de werkgever?
Neen, dergelijke gevallen zijn mij niet bekend.
De benoeming van de heer Meijdam door de provincie Noord-Holland in de gebiedscommissie Amstel, Gooi en Vecht |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is voor u de reden om in uw antwoord op eerdere vragen niet in te gaan op de vraag of u de conclusies van de commissie «Operatie Schoon Schip» deelt dat er onder verantwoordelijkheid van de heer Meijdam een rapport over het KNSF-terrein bij Muiden geheim is gehouden? Deelt u die conclusie nu wel of niet?1
De Commissie Schoon Schip heeft in opdracht van de Provincie Noord-Holland onderzoek gedaan naar de bestuurscultuur in Noord-Holland in de periode 2003–2011. De gang van zaken rond het KNSF-terrein bij Muiden is voor dat doel als casus beschreven. De Commissie stelt vast dat het college van Gedeputeerde Staten in de periode 2004 – 2005 een rapport over deze casus niet openbaar maakt. In die periode heeft o.a. de heer Meijdam deze kwestie in portefeuille. De Commissie concludeert dat GS daarbij onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke belangen op welke wijze zijn afgewogen2.
Ik stel vast dat het een eigenstandige verantwoordelijkheid van het provinciaal bestuur van Noord-Holland betreft om zich een oordeel te vormen over de conclusies van de Commissie.
Erkent u dat uit het KNSF-dossier ook blijkt dat in 2004 op ambtelijk niveau duidelijk is aangedrongen op openbaarmaking van het zogeheten Akro-rapport op grond van de Wet openbaar bestuur (Wob), de voordelen van openbaarmaking daarbij duidelijk werden aangegeven en dat dit advies onder verantwoordelijkheid van de heer Meijdam niet is overgenomen? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de door u aangehaalde conclusie over het onvoldoende duidelijk maken welke belangen op welke wijze zijn afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Ik stel vast dat de Commissie Schoon Schip inderdaad constateert dat het college van GS ondanks ambtelijke adviezen besluit het rapport niet openbaar te maken.
Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Erkent u dat uit het KSNF-dossier ook blijkt dat KNSF echter tegen openbaarmaking was en dit enkele malen schriftelijk meldde aan het college van Gedeputeerde Staten en dat vervolgens, ondanks heldere ambtelijke adviezen over de wenselijkheid van openbaarmaking, het college van Gedeputeerde Staten besloot tot geheimhouding van het rapport van Akro Consult? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de door u aangehaalde conclusie over het onvoldoende duidelijk maken welke belangen op welke wijze zijn afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Ik stel vast dat de Commissie Schoon Schip inderdaad constateert dat KNSF bezwaren heeft geuit tegen de openbaarmaking en dat ambtenaren deze bezwaren niet overtuigend achtten.
Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Is door u in het afwegingskader voor benoeming van leden en voorzitters van adviesraden en commissies een uitsluitingsgrond opgenomen vanwege schijn van belangenverstrengeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke momenten wordt deze toegepast?
Leden en voorzitters van adviesraden worden geselecteerd op grond van hun deskundigheid en ervaring. Daarbij wordt belang gehecht aan een mix van deskundigheid en ervaring opgedaan in de wetenschap, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en het openbaar bestuur. In het afwegingskader is om die reden niet voor te schrijven dat leden van strategische adviesraden geen belangen mogen hebben in het veld waarover de betreffende raad adviseert. Bij de raad als geheel wordt gestreefd naar een evenwichtige samenstelling. De raad zorgt bij de opstelling van adviezen dat belangenverstrengeling wordt vermeden.
De gevolgen van de energietransitie voor onze werkgelegenheid, concurrentiepositie en staatskas |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Altmaier rügt Vorgänger»1 en het TNO-rapport «Naar een toekomstbestendig energiesysteem voor Nederland» (12-03-2013)?
Ja.
Deelt u de mening van Altmaier dat Duitsland nu de consequenties ondervindt van een te snelle, geforceerde verduurzaming waardoor de betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en leveringszekerheid van hun energievoorziening nu zwaar onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Duitsland kiest met de Energiewende voor een snelle transitie naar een duurzame energievoorziening. Deze snelle transitie heeft inderdaad consequenties voor betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en leveringszekerheid. In Nederland streven we naar een kostenefficiënte overgang naar een duurzame energievoorziening.
Kunt u aangeven in hoeverre u rekening houdt met dergelijke consequenties voor Nederland, aangezien dit kabinet vooralsnog rucksichtslos doorgaat met het verduurzamen van onze energievoorziening? Zo ja, kunt u dan ook aangeven op welke punten u om deze redenen op de rem heeft getrapt als het gaat om de verduurzaming van onze energievoorziening?
Nederland kiest voor een kostenefficiënte overgang naar een duurzame energievoorziening. Om de doelstelling in 2020 te halen zetten we door middel van de SDE+ in op de uitrol van de meest kostenefficiënte duurzame technologieën. Daarnaast zetten we in op innovatie om de kostprijs van duurzame opties voor de langere termijn te verlagen.
Het TNO rapport waarschuwt voor het belang van fossiele brandstoffen voor Nederland; kunt u aangeven hoe u de circa 50 miljard aan fossiele brandstoffen gerelateerde inkomsten voor de Staat wilt opvangen als deze door uw verduurzamingstransitie drastisch afnemen en kunt u dit overzichtelijk in een tabel tot aan 2020 uiteenzetten? Zo nee, waarom niet?
Voor wat betreft de inkomsten van de Staat uit het aardgas (de aardgasbaten) verwijs ik naar de volgende tabel uit de Miljoenennota en de Begroting EZ (bedragen in mld €).
2012
2013
2014
2015
2016
2017
Transactiebasis
Niet-belastingmiddelen (op Begroting EZ)
12,70
11,75
11,80
11,95
11,50
11,05
Vennootschapsbelasting (op begroting Financiën)
1,80
1,70
1,65
1,50
1,40
1,30
Totaal
14,50
13,45
13,45
13,45
12,90
12,35
Kas-inkomsten
Niet-belastingmiddelen
11,95
12,00
11,75
11,85
11,65
11,15
Vennootschapsbelasting
1,70
1,80
1,65
1,50
1,40
1,30
Totaal
13,65
13,80
13,40
13,35
13,05
12,45
Hieruit blijkt dat de inkomsten voor de Staat uit het Nederlandse aardgas naar verwachting in de komende jaren zullen afnemen. Dit staat los van de verduurzaming van de energiehuishouding maar heeft alles te maken met afnemende aardgasvoorraden. Aangezien deze afname zich ook na 2017 voor zal doen, zullen de uit het Nederlandse aardgas voortvloeiende inkomsten voor de Staat navenant verder dalen.
In hoeverre bent u bereid om de waarschuwing van TNO op te volgen om, voordat de duurzame energietransitie wordt doorgezet, eerst de consequenties van een energietransitie voor de Nederlandse werkgelegenheid, concurrentiepositie en staatskas duidelijk uit te werken? Zo nee, kunt u dan aangeven waarom u kennelijk dit advies van TNO, dat spreekt van «dramatische consequenties bij een onzorgvuldige transitie naar een duurzaam energiesysteem», niet serieus neemt?
U kent het initiatief van de SER om te komen tot een nationaal energieakkoord gericht op duurzame groei. Het kabinet steunt dat streven. In dit verband wordt nadrukkelijk gekeken naar ondermeer de economische consequenties van de energietransitie. De intentie van alle betrokkenen is daarbij de feiten goed te betrekken en te komen tot doorrekening van de effecten van de afspraken in het akkoord. Komende zomer wordt het akkoord afgerond. Ook TNO is betrokken bij dit proces. Ik ben voorstander van een doorrekening op zowel effecten voor klimaat en energie alsook op de economische indicatoren als werkgelegenheid en concurrentiepositie.
Kunt u daarbij tevens de gevolgen voor de betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en leveringszekerheid van onze Nederlandse energievoorziening in kaart brengen? Zo nee, waarom niet?
In een transitie naar een duurzame energievoorziening zijn betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en leveringszekerheid belangrijke randvoorwaarden. In het SER-traject wordt dit, mede op verzoek van het kabinet, ook nadrukkelijk meegenomen.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg Energie op 17 april 2013 beantwoorden?
Het bericht ‘Alleen provincie mag windmolenfilm zien’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Alleen provincie mag windmolenfilm zien»?1
Ja ik ben op de hoogte van het bericht.
Deelt u de mening dat alle informatie betreffende de gevolgen van (geplande) windmolencentrales openbaar dient te zijn? Zo neen, waarom niet?
Ik deel de mening dat alle informatie betreffende de gevolgen van geplande windmolenparken openbaar dient te zijn.
Hoe beoordeelt u het door het provinciebestuur achterhouden van deze cruciale informatie?
Ik ben niet van oordeel dat sprake is van het achterhouden van cruciale informatie door het provinciebestuur aangezien de windmolenfilm i.c. een 3D visualisatie is gebruikt in de voorbereidingsfase van het MER.
Zoals bekend loopt voor Windpark N33 een procedure in het kader van de Rijks coördinatie-regeling aangezien het om een windmolenproject gaat dat groter is dan 100 MW. Alvorens een Rijksinpassingsplan kan worden op- en vastgesteld dient een Milieueffectrapportage te worden gemaakt. In deze Milieu-effectrapportage zullen verschillende opstellingsvarianten voor windmolens op milieueffecten worden beoordeeld. Bij het bepalen van deze opstellings-varianten wordt o.a gebruik gemaakt van een zgn. 3D visualisatie tool. Dit instrument is door de provincie (en betrokken gemeenten) gebruikt om verschillende ontwerp-opstellingsvarianten te bekijken. Deze inzichten zijn vervolgens door de provincie ingebracht in een ontwerp-sessie, georganiseerd door de initiatiefnemer, waarbij met behulp van deze tool is geconcludeerd dat nog nader onderzoek wenselijk was om tot een juiste keuze voor de in het MER te onderzoeken opstellings-varianten te komen. Inmiddels is een keuze gemaakt en zal volgens planning begin april het provinciaal en het gemeentelijk bestuur hieromtrent worden geïnformeerd. Tevens zullen eind april twee openbare informatieavonden voor de bevolking worden gehouden.
Kent u de inhoud van de film of wordt de inhoud ook voor u achtergehouden?
De inhoud van deze 3D visualisatie wordt zeker niet voor mij achtergehouden. Op dit moment is echter nog sprake van voorbereidingshandelingen in het kader van de op te stellen MER. Hierbij is mijn Ministerie intensief betrokken. Voor de verdere gang van zaken verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid uw invloed (gezien uw vorige functie als gedeputeerde in Groningen) op het Groningse provinciebestuur aan te wenden om de in het artikel genoemde film openbaar te maken, zodat de bewoners weten wat u en het provinciebestuur met hen voor hebben? Zo neen, waarom niet?
Het is niet nodig dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu haar invloed als voormalig Gedeputeerde van Groningen uitoefent. In de maand april worden openbare informatieavonden ingepland waar de bevolking kennis kan nemen van de verschillende opstellingsvarianten die in het MER nader op milieueffecten zullen worden onderzocht. Het is de bedoeling om de varianten daarbij aanschouwelijk te maken door de inzet van genoemde 3D visualisatie.
In Turkije opgepakte vakbondsleden |
|
Sadet Karabulut (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkish police target leftists after U.S. embassy bombing»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat de Turkse politie na het dodelijke incident bij de Amerikaanse ambassade op 1 februari 2013 167 arrestatiebevelen heeft uitgevaardigd en dat inmiddels meer dan honderd mensen, waaronder leden van de onafhankelijke vakbond KESK, zijn opgepakt? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Kunt u aangeven hoeveel van de opgepakte individuen leden van de vakbond KESK of andere vakbonden zijn?
Vóór 1 februari 2013 zaten 58 leden van KESK vast. De verdenking luidt dat zij lid zijn van een terroristische organisatie, de DHKP-C.
Op 19 februari 2013 zijn 170 personen aangehouden op dezelfde verdenking. Van deze 170 bevinden zich nog 68 personen in hechtenis; zij zijn allemaal lid van KESK. De tenlastelegging is nog niet bekend.
Kunt u verder bevestigen dat in het afgelopen jaar 59 leden van de KESK vanwege hun vakbondsactiviteiten zijn gedetineerd? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op basis van welke beschuldiging(en) en welke wetgeving de bij vraag 2 genoemde mensen gearresteerd zijn? Betreft het hier anti-terrorismewetgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat vakbondswetten in Turkije in strijd zijn met internationale standaarden met betrekking tot vakbondsrechten? Indien neen, waarom niet?2
De ILO heeft herhaaldelijk aangegeven hoe Turkije de wetgeving m.b.t. vakbonden zou moeten aanpassen om strijdigheid met de fundamentele ILO conventies 87 (vrijheid van vakvereniging) en 98 (recht op collectief onderhandelen) op te heffen. Turkije heeft inmiddels op enkele punten verbetering aangebracht. In haar laatste voortgangsrapport oordeelt de Europese Commissie dat in Turkije het recht van vereniging grotendeels in lijn is met Europese standaarden. Echter, er is nog niet voldaan aan de noodzaak om het wettelijk kader voor politieke partijen en vakbonden te veranderen.
Deelt u de opvatting van Human Rights Watch dat er grote problemen bestaan met betrekking tot de huidige anti-terrorismewetgeving in Turkije? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Turkije werkt aan de invoering van het vierde justitiële hervormingspakket.
Doel van dit pakket is onder meer om het aantal gedetineerden in voorarrest drastisch terug te brengen door de definitie van terrorisme te vernauwen tot geweld-gerelateerde daden.
Bent u bereid bij Turkije aandacht te vragen voor het belang dat vakbondswetgeving en anti-terrorismewetgeving in lijn met internationaal rechtelijke standaarden zijn? Bent u bereid te pleiten voor een eerlijk proces voor de bij vraag 2 genoemde opgepakte individuen? Indien neen, waarom niet?
Het justitiële hervormingsproces, in het kader waarvan anti-terrorismewetgeving een prominent onderwerp is, is regelmatig punt van aandacht in gesprekken met de Turkse regering, ook in het kader van het EU-toetredingsproces van Turkije. Vakbondswetgeving is eveneens regelmatig onderwerp van gesprek tussen de EU en Turkije en binnen de ILO. Nederland mengt zich niet in de Turkse rechtsgang, wel zal Nederland de processen met belangstelling volgen.
Twee Chinese tolken die door de IND op non-actief zijn gezet |
|
Harry van Bommel (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «IND zet twee tolken op non-actief»?1
Ja.
Klopt het dat de twee tolken ervan worden verdacht vertrouwelijke informatie te hebben gelekt naar de Chinese autoriteiten over Oeigoeren in Nederland en dat zij daarom op non-actief zijn gesteld? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Uit een op 14 januari 2013 ontvangen ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) is gebleken dat een Oeigoerse tolk zeer waarschijnlijk inlichtingenactiviteiten heeft verricht voor de Chinese autoriteiten. De tolk, en zijn vrouw, die eveneens tolk is, worden niet meer ingezet in asielprocedures.
Op welke manier worden tolken door de IND gescreend voordat samenwerking plaatsvindt?
De Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) valt onder de wettelijke afnameverplichting zoals is neergelegd in de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) onder art. 28 lid 1. Hieruit volgt dat de IND bij het inzetten van tolken eerst beëdigde tolken, dus registertolken, benadert. Van de afnameplicht mag worden afgeweken wanneer wegens de vereiste spoed een in het register ingeschreven beëdigde tolk of vertaler niet tijdig beschikbaar is of wanneer het register geen tolk of vertaler bevat die gekwalificeerd is voor de vereiste bron- of doeltaal. Gelet op het feit dat de IND veelal te maken heeft met vreemdelingen in minder gangbare talen, komt het relatief vaak voor dat de IND gebruik moet maken van niet-registertolken. Het Bureau beëdigde tolken en vertalers (Bbtv) beschikt daartoe naast het register over een uitwijklijst waar de IND gebruik van kan maken. Tolken en vertalers die op de uitwijklijst staan ingeschreven voldoen niet aan de kwaliteitseisen van het register, maar wel aan de kwaliteitseisen voor de uitwijklijst. Zo wordt voor inschrijving in het register in beginsel een diploma van een tolk- en/of vertaalopleiding op minimaal hbo-niveau vereist, terwijl voor de plaatsing op de uitwijklijst van iemand wordt verwacht dat hij, naast andere kwaliteitseisen, beschikt over havo-/mbo 4 werk- en denkniveau. In het IND-tolkenbestand zijn tot slot ook tolken opgenomen die niet in het register of op de uitwijklijst staan. In de meeste gevallen betreft het hier tolken in minder gangbare en schaarse talen waarvoor inschrijving niet altijd mogelijk is.
Een tolk of vertaler wordt alleen geregistreerd in het register of op de uitwijklijst indien hij een Verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Voor de beoordeling van aanvragen van een VOG geldt een terugkijktermijn van tien jaar. Een tolk of vertaler die minder dan vijf jaar in Nederland woonachtig is, dient in aanvulling op de VOG tevens een integriteitverklaring van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst te overleggen. De Minister van Veiligheid en Justitie kan inschrijving in het register weigeren indien hij niet overtuigd is dat de overgelegde integriteitsverklaring voldoende waarborg biedt inzake de integriteit.
De inschrijving in het register beëdigde tolken en vertalers dient om de vijf jaar opnieuw te worden verlengd, onder meer door overlegging van een VOG. Tussentijds kunnen instanties met een afnameplicht bij zaken van bijzondere aard en vertrouwelijkheid, een meer recente VOG verlangen. De inschrijving op de uitwijklijst is drie jaar geldig en eindigt van rechtswege. Bij een aanvraag tot verlenging dient onder meer opnieuw een VOG te worden overgelegd.
Om in het IND-tolkenbestand opgenomen te kunnen worden opgenomen, dient elke tolk een VOG te overleggen. Deze verklaring dient iedere vijf jaar te worden vernieuwd. Mocht de tolk geen VOG kunnen aanleveren, dan is dit reden voor de IND om de gegevens van de tolk uit het tolkenbestand teverwijderen. Indien er tussentijds gerede twijfel bestaat over de integriteit van een tolk, behoudt de IND zich het recht voor om de tolk op een eerder moment een nieuwe VOG aan te laten vragen.
Hoe is de IND erachter gekomen dat deze tolken informatie lekten naar de Chinese overheid en gaat de IND bij alle tolken, met wie op dit moment wordt samengewerkt, na of deze privacygevoelige informatie lekken naar buitenlandse overheden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik antwoord op vraag 2 heb geschreven, heeft de AIVD de IND over deze individuele zaak op de hoogte gebracht. De informatie van de AIVD betrof enkel deze specifieke tolken. Ik zie daarom geen aanleiding om elke tolk waar de IND mee samenwerkt aan een uitgebreid onderzoek te onderwerpen.
Hoe zal in de toekomst worden voorkomen dat tolken op deze manier hun positie misbruiken?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is beschreven, is er een systeem van screening in de Wbtv opgenomen en gelden voorwaarden op het vlak van integriteit alvorens in het IND-tolkenbestand te kunnen worden opgenomen. Screening is natuurlijk altijd een momentopname en dergelijke situaties kunnen nooit helemaal voorkomen worden.
Waarom heeft de waarschuwing van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in 2012 er niet toe geleid dat deze tolken voor de zekerheid op hun betrouwbaarheid zijn getoetst?
Dat de Chinese autoriteiten geïnteresseerd zijn in de Chinese minderheden in Nederland en deze nauwlettend in de gaten houden is bekend en blijkt ook uit jaarverslagen van de AIVD. Er waren evenwel nooit concrete aanwijzingen dat hiervoor ook IND-tolken werden ingezet.
Hoeveel zaken hebben zij precies behandeld en gaat de IND bekijken in hoeverre deze zaken opnieuw moeten worden behandeld?
Op basis van intensief dossieronderzoek is gebleken dat in ongeveer 1.000 dossiers van de betreffende tolken gebruik is gemaakt. In ongeveer 75 procent van deze dossiers is asielbescherming toegekend. De overige dossiers worden door de IND bezien.
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van heden over het landgebonden asielbeleid ten aanzien van China heb toegelicht, heb ik besloten om de asielaanvragen van Oeigoeren waarbij in het verleden tijdens de asielprocedure gebruik is gemaakt van één van de betreffende tolken en waarvan de asielprocedure nog lopende is of waarvan de beoordeling van de asielaanvraag tot een negatieve uitkomst heeft geleid, te herbeoordelen.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van het lekken van informatie (kunnen) zijn voor familie, vrienden en andere relaties in China van de Oeigoeren in Nederland? Klopt het dat familie en andere relaties van de Oeigoeren hierdoor ernstig lastig gevallen kunnen worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Familieleden van Oeigoeren die in het buitenland verblijven, krijgen niet noodzakelijkerwijs te maken met negatieve aandacht van de autoriteiten. Wel komt het voor dat familieleden van Oeigoeren die in het buitenland actief zijn op het gebied van mensenrechten of van Oeigoeren die worden gezocht, van de zijde van de Chinese autoriteiten problemen ondervinden. Het gaat dan vooral om Oeigoeren die door de Chinese autoriteiten worden verdacht van betrokkenheid bij pro-onafhankelijkheidsgroepen of andere activiteiten die worden beschouwd als terrorisme, religieus extremisme of separatisme. Men kan niet in algemene zin stellen dat familieleden (vrienden, relaties, etc.) in China van Oeigoeren in Nederland van wie informatie is gelekt, per se te maken krijgen met problemen of negatieve aandacht van de Chinese autoriteiten, maar dit kan evenmin worden uitgesloten.
Bent u bereid China aan te spreken op deze zaak en opheldering te vragen? Indien neen, waarom niet? Indien ja, welke actie gaat u ondernemen?
De minister van Buitenlandse Zaken heeft kort na het bekend worden van het bericht onmiddellijk opheldering gevraagd bij de Chinese autoriteiten die het bericht ten stelligste hebben ontkend.
Het onderzoek naar de hulp aan kinderen die betrokken zijn bij huiselijk geweld |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek «Voldoende geholpen? Onderzoek naar de hulp aan kinderen die betrokken zijn bij huiselijk geweld»?1
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat er weinig hulp op gang komt voor kinderen, er in elke stap in de hulpverlening kinderen afvallen (ook als zij wel degelijk een hulpvraag hebben) en dat onduidelijk is of de hulp wel effectief is? Zo ja, kan een centrale registratie helpen of wat bent u anders van plan hieraan te doen?
Het onderzoek naar de hulp aan kinderen die betrokken zijn bij huiselijk geweld laat zien dat in de onderzochte cases kinderen niet in alle gevallen hulp krijgen. Hoewel het onderzoek volgens de onderzoekers niet representatief is, geeft het rapport inzicht in het proces van probleeminventarisatie tot het daadwerkelijk verlenen van hulp en inzicht in waar hulp niet op gang komt. Deze inzichten sluiten aan bij het advies van de Gezondheidsraad over «Behandeling van de gevolgen van kindermishandeling» uit 2011.
Signalen dat kinderen die slachtoffer zijn van kindermishandeling niet altijd de hulp krijgen die nodig zou zijn, bereikten mij eerder. Dit kwam ook naar voren in het advies van de Gezondheidsraad. Naar aanleiding hiervan wordt door de Stuurgroep richtlijnontwikkeling Jeugdzorg een richtlijn kindermishandeling opgesteld, die naar verwachting eind 2014 gereed is. Deze richtlijn wordt ontwikkeld voor de jeugdzorg om te zorgen dat professionals weten welke hulp een mishandeld kind nodig heeft en vervolgens hoe te handelen. Deze richtlijn zal ook betrekking hebben op hulp aan kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.
Op de vraag of de geboden hulp wel effectief is, is geen eenduidig antwoord te geven. De Gezondheidsraad heeft in haar advies destijds aangegeven dat er weinig bewezen effectieve behandelmethoden zijn, en dat dit geen louter Nederlands probleem is maar dat dit wereldwijd speelt. Het is van veel interventies niet altijd mogelijk te zeggen of zij effectief zijn omdat er voor een groot aantal interventies nog onvoldoende effectonderzoek is gedaan. Via de onderzoeksprogramma’s van ZonMw wordt veel geïnvesteerd in het onderzoeken van de effectiviteit van interventies. Dit betekent echter niet dat de methoden en programma’s die (nog) niet zijn beoordeeld als bewezen effectief, ineffectief zijn. Van een groot aantal interventies is wel bekend dat zij theoretisch goed onderbouwd zijn of is aannemelijk gemaakt dat met de interventie het gestelde doel bereikt kan worden. De kenniscentra (NJI en Movisie) beschikken over een tweetal databanken waarin programma’s en methoden opgenomen zijn die inzetten op het verhelpen en/of compenseren van de gevolgen van kindermishandeling en huiselijk geweld. Met deze databanken is centrale registratie, zoals gesuggereerd in de vraag, gerealiseerd.
In de volgende voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties die ik voor de zomer naar de Tweede Kamer stuur, zal ik nader op dit onderwerp in gaan. Dit naar aanleiding van een motie ingediend door Kamerlid Bergkamp waarin zij een inventarisatie vraagt van methoden en programma’s die op dit moment in Nederland worden ingezet om kindermishandeling en huiselijk geweld te voorkomen en de psychische gevolgen te behandelen en welke daarvan in Nederland of internationaal bewezen effectief zijn. 2
Herkent u zich in de conclusie van het onderzoek dat Bureau Jeugdzorg de regie claimt, maar geen zicht houdt op het verdere verloop van de hulpverlening? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen?
De conclusie dat Bureau Jeugdzorg de regie claimt maar geen zicht houdt op het verdere verloop van de hulpverlening herken ik niet, ook niet in het rapport.
Indien Bureau Jeugdzorg betrokken is bij de hulpverlening heeft BJZ, vanuit hun casemanagement taak, de regie over het verloop van de hulpverlening aan de desbetreffende jeugdige.
Herkent u zich in de conclusie dat bij huiselijk geweld een belangrijke systeemgerichte aanpak belemmerd wordt doordat er eigenlijk nauwelijks continue coördinatie is van hulpverlening binnen het hele gezin? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen?
Het onderzoek geeft met betrekking tot de systeemaanpak aan dat hulpverlening aan kinderen vaak in isolement of met betrokkenheid van één ouder plaatsvindt. Met name hulpverlening aan plegers voltrekt zich buiten het beeld van de andere hulpverlening.
De hulpverlening aan slachtoffers van kindermishandeling richt zich in toenemende mate op het hele gezin. Deze ontwikkeling naar een systeemgerichte aanpak is volop gaande maar is nog niet afgerond.
Steeds meer is de gezinsbenadering uitgangspunt in projecten en methodieken en steeds vaker maken hulpverleners die betrokken zijn bij hulp voor gezinsleden afspraken over de coördinatie van zorg binnen het gezin.
De beweging naar een gezinsgerichte benadering ondersteun ik van harte. Deze benadering is onderdeel van het ZonMw programma effectief werken in de jeugdsector. Met de decentralisatie van de zorg voor jeugd die momenteel wordt voorbereid, krijgen gemeenten straks een brede verantwoordelijkheid en daarmee de mogelijkheid om de systeemgerichte benadering vorm te geven. Het uitgangspunt van het kabinet bij de decentralisaties is «één gezin, één plan, één regisseur».
Een systeemgerichte aanpak begint bij een integraal advies- en meldpunt. Met de decentralisatie van de zorg voor jeugd krijgt de samenvoeging van het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en het Steunpunt Huiselijk Geweld (SHG) vorm. Het AMK en SHG geven advies, onderzoeken een melding en zorgen – indien nodig – dat hulp op gang gebracht wordt.
De eerste stap naar samenvoeging is gezet met de wet Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling die 1 juli 2013 in werking treedt. Hierin is geregeld dat het SHG contact opneemt met het AMK als kinderen in een gezin aanwezig zijn waar huiselijk geweld (partner geweld) plaatsvindt en het AMK contact legt met het SHG als naast kindermishandeling ook sprake is van geweld tussen volwassenen. De brancheorganisaties van de Steunpunten Huiselijk Geweld en Jeugdzorg Nederland hebben een overeenkomst gesloten om de samenwerking tussen AMK’s en SHG’s op regionaal niveau te structureren en te stimuleren. Dit om te voorkomen dat een kind tussen het wal en het schip valt.
Deelt u de resultaten uit het onderzoek dat de jeugdhulpverlening verkokerd en aanbodgericht is en de vervolghulpvraag in de jeugdhulpverlening nog niet goed geregeld is? Zo ja, wat bent u van plan daaraan te doen?
De conclusie dat de jeugdhulpverlening verkokerd en aanbodgericht is en de vervolghulpvraag in de jeugdhulpverlening niet goed geregeld is, vind ik niet terug in het onderzoek. Dit neemt niet weg dat de integraliteit en vraaggerichtheid van de zorg voor jeugd verbetering behoeft. Juist ook om hier een bijdrage aan te leveren wordt de decentralisatie van zorg voor jeugd naar gemeenten voorbereid.
Het ontslaan van “ziek” personeel |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van FNV Bondgenoten, waaruit naar voren komt dat werkgevers proberen om werknemers die ziek zijn geweest te ontslaan door hen op papier ziek te houden, zodat zij na 2 jaar een ontslagvergoeding voor hen kunnen aanvragen?1
Ja
Deelt u de mening dat hier sprake is van misbruik van regelgeving?
Ik keur het niet goed dat een werknemer die na een ziekteperiode de bedongen arbeid volledig heeft hervat, administratief voor één of enkele procenten als arbeidsongeschikt geregistreerd blijft staan. De op schrift gestelde situatie is dan immers niet in overeenstemming met de feitelijke situatie. Overigens is de feitelijke situatie bepalend en niet de situatie die volgt uit de administratie van de werkgever.
Is het u bekend of er daadwerkelijk werknemers zijn ontslagen, die slechts op papier ziek waren, maar in werkelijkheid niet?
Er zijn mij geen gegevens bekend over de ziekteregistratie van werkgevers. De werkgever moet een werknemer uiterlijk na 42 weken ziekmelden bij het UWV. De Ziektewet (ZW) en het Burgerlijk Wetboek (BW) kennen niet het onderscheid tussen gedeeltelijke en volledige arbeidsongeschiktheid; een werknemer is wel of niet arbeidsongeschikt (ziek). Als een werknemer zijn arbeid niet volledig (maar slechts gedeeltelijk) kan verrichten, wordt hij voor de ZW en het BW als arbeidsongeschikt aangemerkt. Daarom hoeft de werkgever enkel aan het UWV te melden dat een werknemer arbeidsongeschikt is, en dus niet of er sprake is van gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheid. Hierdoor bestaan dus geen cijfers over het aantal werknemers dat gedeeltelijk arbeidsongeschikt is gemeld bij het UWV. Evenmin zijn mij dan ook cijfers bekend over het aantal werknemers, dat als gedeeltelijk arbeidsongeschikt geregistreerd staat bij de werkgever en waarvoor een ontslagvergunning wordt aangevraagd bij het UWV.
Ik zie geen aanleiding om onderzoek te doen naar deze gegevens c.q. naar compensatiemogelijkheden. De reden hiervoor is dat ons wettelijke systeem al een adequate rechtsbescherming biedt. Er geldt immers ontslagbescherming en de werknemer kan bezwaar maken als de werkgever een ontslagvergunning aanvraagt bij het UWV. De door de werknemer aangevoerde bezwaren kunnen reden zijn voor het UWV om de ontslagvergunning niet te verlenen.
De rechten van de werknemer zijn door ons systeem van ontslagbescherming adequaat gewaarborgd. Naast de ontslagbescherming kan het vragen van een deskundigenoordeel aan het UWV – waar ik in de antwoorden 5 en 6 nader op in zal gaan – hier bovendien ook nog soelaas bieden.
Zo ja, om hoeveel werknemers gaat het dan en hoe worden zij gecompenseerd voor het onterechte verlies van hun baan? Zo neen, bent u bereid te onderzoeken om hoeveel werknemers het gaat en te bezien hoe deze mensen kunnen worden gecompenseerd voor hun ontslag, dat op onterechte gronden is goedgekeurd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat er mensen op deze manier worden ontslagen?
Weliswaar kan het in de praktijk voorkomen dat de werknemer er niet van op de hoogte is dat hij als ziek geregistreerd staat in de administratie van de werkgever en de werknemer veronderstelt dat hij weer volledig hersteld is, maar doorgaans zal dit niet het geval zijn. Vaker zal zich de situatie voordoen dat, als de werknemer hersteld is en weer aan het werk is, de werkgever de werknemer toch als ziek registreert, omdat de werkgever van mening is dat de werknemer de bedongen arbeid nog niet volledig kan verrichten.
In die situatie is de werknemer nog niet volledig geschikt en is het legitiem om hem als ziek te registreren, nu de werknemer (nog) niet in staat wordt geacht om de bedongen arbeid te verrichten.
Als de werknemer het hier niet mee eens is, omdat hij van mening is dat hij volledig arbeidsgeschikt is, kan dit verschil van mening met de werkgever beslecht worden door het aanvragen van een deskundigenoordeel aan het UWV. Daarna kan het geschil bovendien aan de rechter worden voorgelegd.
Voorts is er een aantal waarborgen waardoor de werknemer door zijn werkgever geïnformeerd wordt over zijn ziektegeval. Op grond van Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar moet de werkgever namelijk in overleg met de zieke werknemer een plan van aanpak opstellen. Dit plan van aanpak moet de werkgever regelmatig evalueren met de zieke werknemer, waardoor regelmatig contact is gewaarborgd. Deze verplichtingen gelden ongeacht het percentage waarvoor de werknemer als ziek is geregistreerd.
Naar mijn mening zijn de plichten van de werkgever en de rechten van de werknemer hierdoor adequaat gewaarborgd.
Worden de werkgevers die zich met deze praktijken bezighouden gestraft? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De sluiting van het Institut Francais |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Maison Descartes weg uit historisch pand Amsterdam», waaruit blijkt dat de culturele vertegenwoordiging van Frankrijk in Nederland het monumentale pand in Amsterdam verlaat?1
Het is jammer dat het Institut Français het monumentale pand aan de Vijzelgracht, waar het sinds 1971 gevestigd is, zal verlaten. Het is begrijpelijk gezien de hoge exploitatiekosten die een dergelijk pand met zich meebrengt.
Heeft u gereageerd op deze sluiting? Zo ja, waar bestond deze reactie uit?
Het nieuws van de voorgenomen verkoop vernam ik uit de NRC van 18 maart 2013.
Wanneer kreeg u formeel te horen dat het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken definitief besloot het oude pand te verlaten? Wat waren de precieze redenen van deze beslissing?
Zie vraag 2.
Zijn er op ambtelijk of ministerieel niveau contacten geweest die suggereerden dat de Fransen van plan waren deze beslissing te nemen?
Nee, maar het was bekend dat de Fransen al lange tijd met hoge onderhoudskosten voor het pand kampen.
Zijn er op enig moment signalen uit Frankrijk geweest op ministerieel of ambtelijk niveau dat de overweging om het Institut Francais in Amsterdam te sluiten op wat voor manier dan ook te maken had met het Nederlandse besluit om het Institut Neerlandais in Parijs te sluiten? Zo ja, welke rol heeft dit gespeeld in uw overweging alsnog over te gaan tot sluiting van het Institut Neerlandais?
Nee. Frankrijk is niet voornemens het Institut Français te sluiten, de activiteiten gaan door op een andere locatie in Amsterdam. Er is geen verband met beëindiging subsidie IN.
Heeft Frankrijk na de notificatie dat het Institut Neerlandais gesloten zou worden formeel of informeel een reactie afgegeven? Zo ja, waar bestond deze uit?
Nee.
Deelt u de mening dat het Maison Descartes door haar centrale ligging een grote aantrekkingskracht had op Nederlanders? Deelt u de mening dat vanwege de historische achtergrond van deze locatie de aanwezigheid van het Institut Francais van groot symbolisch belang was?
Het Institut Français is sinds 1971 gevestigd in het pand aan de Vijzelgracht. De huidige locatie is inderdaad centraal gelegen. Amsterdam kent meer goede locaties en ik vertrouw er op dat het Institut Français een goed alternatief zal vinden.
Hoe zal de Franse culturele vertegenwoordiging in Nederland in de toekomst vorm krijgen? Heeft u hierover contacten met Frankrijk?
Mijn Franse collega en ik hebben tijdens onze recente contacten benadrukt dat culturele betrekkingen belangrijk zijn voor de bilaterale relatie tussen Nederland en Frankrijk. Over de nieuwe invulling van beleid aan Franse en Nederlandse zijde houden wij goed contact.
Deelt u de mening dat de sluiting van zowel het Institut Neerlandais als het Institut Francais op gespannen voet staat met uw aankondiging de banden met Frankrijk, ook op cultureel terrein, te «intensiveren»?2
Nee, zie verder antwoord op vraag 8.
Het bericht ‘Nederland groot en snel groeiend leverancier jihadstrijders’ en het rapport ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland’ |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland groot en snel groeiend leverancier jihadstrijders»1 en het rapport «Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland»?2
Ja.
Is het waar dat het aantal personen dat zich vanuit Europa aansluit bij de jihadstrijders in Afghanistan, Somalië en Syrië voor een groot deel Nederlandse jongeren, althans Nederlandse personen betreft? Om welke aantallen gaat het?
In de afgelopen jaren hebben zich in totaal naar schatting ongeveer honderd Nederlandse ingezetenen aangesloten bij de jihadstrijd, vooral in Syrië maar ook in gebieden als Afghanistan, Pakistan en Somalië. Precieze aantallen zijn voor Europa niet te geven, bovendien fluctueert het aantal. Het is echter niet aannemelijk dat Nederland wat jihadreizigers betreft uit de pas zou lopen met diverse andere Europese landen.
Kunt u aangeven waarom Nederlandse personen in deze groep zijn oververtegenwoordigd?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn de risico’s voor de veiligheid van Nederlandse personen en/of instellingen op het moment dat deze Nederlandse jihadstrijders terugkeren in Nederland?
Terugkerende jihadstrijders kunnen anderen inspireren tot radicalisering en jihadgang en hen daarbij faciliteren. Ze hebben de kennis hoe de gebieden te bereiken en beschikken over contacten met jihadistische groepen daar. Verder hebben vele terugkeerders strijdervaring en kennis over wapens en explosieven opgedaan. Sommigen van hen kunnen zeer radicaal, getraumatiseerd en in hoge mate geweldsbereid zijn. In dat geval kunnen zij een gevaar zijn voor personen en objecten in Nederland.
Kunt u aangeven in hoeverre deze jongeren, als zij tezamen met jihadstrijders ten strijde trekken, deelname aan een criminele organisatie kan worden verweten?
Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 en 140a Sr kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning geeft aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.
Staan de groeperingen waarbij zij zich aansluiten op de terreurlijst van de Europese Unie dan wel Nederland?
Nee.
Zijn de huidige juridische mogelijkheden afdoende hen, in geval van deelname aan de strijd via een terroristische organisatie, het staatsburgerschap te ontnemen analoog aan wat in vroeger tijden «in vreemde krijgsdienst» heette?
Nee. Bij personen die in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit kan het Nederlanderschap worden ingetrokken als de betrokkene onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. Voorwaarde is dat de betrokkene naast de Nederlandse nationaliteit ook nog een andere nationaliteit bezit. Intrekking is niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is.
De huidige regelgeving ter zake «vreemde krijgsdienst» bevat weliswaar een verliesbepaling, echter deze geldt in bedoelde gevallen niet.
Er is sprake van automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit in het geval van vrijwillige krijgsdienst bij een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk der Nederlanden dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. De Nederlandse nationaliteit vervalt niet als dit staatloosheid tot gevolg heeft. Deelname aan legers van opstandelingen, guerillagroeperingen of anderszins paramilitaire groepen valt er niet onder. Een daartoe strekkend voorstel is verworpen op 17 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 15).
Het Europees Nationaliteitsverdrag, waarbij Nederland sinds 1 juli 2001 partij is, staat alleen het opnemen toe van een verliesbepaling wegens het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden en deze mogelijkheid is in de wet opgenomen. Het in een burgeroorlog betrokken zijn bij handelingen van opstandelingen tegen een regime leidt dus niet tot verlies van het Nederlanderschap.
Welke mogelijkheden bestaan er deze personen bij terugkomst in Nederland te detineren en te vervolgen? Wat zijn de slagingskansen van een dergelijke vervolging en welke juridische waarde kan er in dat verband worden toegekend aan de ambtsberichten van de zijde van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)?
Voor het eerste gedeelte van de vraag verwijs ik u graag naar de brief aan uw Kamer met de beleidsopvolging op het 32e Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) (29 754, nr. 217). Ik verwijs u in het bijzonder naar onderdeel 2 (opsporing en vervolging) van deze brief.
De AIVD kan via ambtsberichten informatie omtrent vermeende strafbare feiten aan het Openbaar Ministerie geven. De wettelijke bevoegdheid voor het verstrekken van deze ambtsberichten is gelegen in art. 36 t/m art. 38 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002). Volgens jurisprudentie van het Hoge Raad (HR 5 september 2006, NJ 2007, 336) kan AIVD-informatie worden gebruikt als startinformatie voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Ook kan door de AIVD vergaard materiaal als bewijs in een strafzaak worden gebruikt. De strafrechter zal van geval tot geval met de nodige behoedzaamheid moeten beoordelen of het overgedragen materiaal, gelet op de beperkte mogelijkheden tot toetsing van de betrouwbaarheid, tot het bewijs kan meewerken (HR 15 november 2011, LJN BP7544).
Kunt u toezeggen dat de Nederlandse nationaliteit van deze personen, binnen de juridische mogelijkheden, zoveel mogelijk zal worden ontnomen? Is hiervoor een veroordeling noodzakelijk of kan een dergelijke intrekking ook reeds na een ambtsbericht van de AIVD volgen?
Bij personen die naast de Nederlandse nationaliteit over een tweede nationaliteit beschikken kan het Nederlanderschap worden ingetrokken als betrokkene onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. De wet eist voor de intrekking van de nationaliteit namelijk een onherroepelijke veroordeling. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van deze bevoegdheid tot intrekking, is duidelijk geworden dat een veroordeling voor een misdrijf dat een ernstige schending vormt van de internationale rechtsorde wordt beschouwd als een ernstige schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk (TK 2009–2010, 31 813, nr. 27). De schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk is de grondslag in het Europees Nationaliteitsverdrag om de bevoegdheid tot intrekking van de nationaliteit in de Rijkswet op het Nederlanderschap op te nemen. Niet op voorhand is te zeggen of in elk individueel geval sprake zal zijn van het nemen van een beschikking waarbij het Nederlanderschap wordt ingetrokken, dat hangt af van de omstandigheden van het geval.
Is het juridisch mogelijk te komen tot een sanctie op het zonder toestemming reizen naar een specifiek door de overheid aangewezen gebied, een soort omgekeerd visum dat verder reikt dan een negatief reisadvies? Welke rol speelt daarbij het ambtsbericht van de AIVD? Kan een dergelijk verbod preventieve werking hebben op de jongeren die op dit moment naar Syrië reizen? Welke wetswijzigingen zijn daarvoor noodzakelijk?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen en ziet u hierbij ook nog ruimte voor maatregelen in de preventieve sfeer?
De introductie van separate buslijnen voor joodse Israëli’s en Palestijnen |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de Israëlische regering onlangs separate buslijnen heeft geïntroduceerd, waarmee Palestijnen en joodse Israëli’s, waaronder kolonisten, gescheiden van de Westelijke Jordaanoever naar Israël reizen?1
Ja. Ik heb kennis genomen van de invoering van twee buslijnen voor Palestijnen die naar Israël reizen om daar te werken. De Israëlische autoriteiten hebben toegezegd dat de reeds bestaande buslijnen onverminderd toegankelijk blijven voor Palestijnen. Nederland gaat er vanuit dat Israël deze toezegging gestand doet.
Heeft u kennisgenomen van berichten dat Palestijnen bij checkpoints of bushaltes in bezet Palestijns gebied door Israëlische soldaten uit een reguliere bus worden gehaald, hun identiteitspapieren moeten tonen, niet mogen doorreizen en vervolgens gesommeerd worden kilometers te lopen naar een andere checkpoint of bushalte om aldaar een aparte bus te nemen?2
Ja. De regering gaat er op dit moment vanuit dat het om incidenten gaat.
Klopt het dat het gescheiden busvervoer geïntroduceerd is na aandrang van kolonisten?
Het is mij bekend dat kolonisten hebben aangedrongen op de introductie van gescheiden busvervoer. Ongeacht de motivatie die mogelijk ten grondslag ligt aan de introductie van de nieuwe buslijn houdt Nederland Israël aan de toezegging dat de reeds bestaande buslijnen onverminderd toegankelijk blijven voor Palestijnen.
Klopt het dat Palestijnen met een vergunning voor toegang tot Israël volgens de Israëlische wet het recht hebben aldaar openbaar vervoer te gebruiken?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de reactie van de Israëlische krant Haaretz, die de separate buslijnen heeft gekwalificeerd als «racistische segregatie» en «een onderdeel van een apartheid benadering»?3 Wat vindt u van deze kwalificaties?
De regering heeft hiervan kennisgenomen. De berichtgeving geeft aanleiding om de situatie kritisch te blijven volgen.
Deelt u de opvatting van Haaretz dat de segregatie bij busvervoer «deel is van een meer principiële scheiding tussen de [Israëlische en Palestijnse] bevolkingen die tot uiting komt op bijna alle terreinen», waaronder de toewijzing van bouwland, verschillende rechtssystemen, de ongelijke verdeling van hulpbronnen en discriminatoire voorschriften bij reizen?4 Wilt u uw antwoord toelichten?
De regering deelt de zorgen over de gesignaleerde verschillen in behandeling. Israël heeft als bezettende mogendheid de plicht om de belangen van de Palestijnse bevolking in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht te behartigen. Israël is daarnaast gehouden om de mensenrechten van eenieder die binnen zijn rechtsmacht valt te verzekeren. Daaronder valt het verbod op discriminatie.
Hoe beoordeelt u de introductie van separaat busvervoer door de Israëlische regering, mede in het licht van het feit dat Israël volgens samenwerkingsafspraken met de Europese Unie gehouden is democratische principes en mensenrechten te eerbiedigen?
De regering houdt Israël aan de gemaakte samenwerkingsafspraken alsook aan andere internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder humanitair oorlogsrecht en mensenrechten. De regering zal die positie ook in EU-verband blijven uitdragen.
Gaat u zich, bilateraal en in Europees verband, inzetten om de Israëlische autoriteiten te bewegen het separate busvervoer op te heffen en andere discriminatoire praktijken te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Mocht blijken dat de nieuwe buslijnen – in strijd met de toezegging door Israël – leiden tot ongelijke behandeling, dan wel inperking van de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking, dan zal Nederland bilateraal en in EU-verband ervoor pleiten dat dit systeem wordt aangepast.
De boete deze week aan de NS |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Mansveld geeft NS 2,75 miljoen euro boete»?1
Ja.
Zie ook mijn brief van 12 maart 2013, waarin ik aan uw Kamer meldde dat ik deze boete heb opgelegd (Kamerstuk 29 984 nr. 392).
Hoe kan het dat er geen vooruitgang is geboekt op klanttevredenheid als het gaat om punctualiteit van treinen en zitkans in de treinen? Welke inspanningen heeft de NS hier verricht en welke inspanningen gaat de NS verrichten om er dit jaar wel voor te zorgen dat aan deze eisen van klanttevredenheid wordt voldaan?
Het is opvallend dat onder meer op het gebied van punctualiteit de objectieve prestaties van NS op hoog niveau liggen, maar dat de klantoordelen daar steeds verder bij achterblijven. Voor de zitplaatskans is dit niet het geval.
NS heeft de o.a. voor de punctualiteit achterblijvende klantoordelen over 2011 geanalyseerd. Ik heb deze analyse bij mijn in Antwoord 1 genoemde brief van 12 maart gevoegd.
Volgens de analyse van NS zijn er, kort samengevat, vijf verklaringen voor de achterblijvende klantoordelen:
In het rapport gaat NS nader op deze verklaringen in.
Met betrekking tot de zitplaatscapaciteit meldt NS dat het handhaven van het klantoordeel zitplaatskans een grote uitdaging is. Ten eerste omdat uit onderzoek is gebleken dat klanten voor de zitplaatskans pas een hoge score geven (een cijfer boven de 7) als zij voldoende vrije ruimte om zich heen ervaren (= ca. 2 lege stoelen). Het plannen van meer zitplaatsen per persoon is echter bedrijfseconomisch niet verantwoord en zou bovendien betekenen dat de trein minder duurzaam wordt. Ten tweede is de sta-zit verhouding van het nieuwe sprintermaterieel anders dan die van het oudere materieel. NS heeft gekozen voor meer staanplaatsen in de spits om op piekmomenten meer mensen te kunnen vervoeren. Dit kan effect hebben op het klantoordeel.
In de Jaarverantwoording over de uitvoering van de vervoerconcessie 2012, die u eveneens als bijlage bij mijn eerdergenoemde brief van 12 maart heeft ontvangen, licht NS de prestaties toe. De toelichting in de verantwoording bevat onder meer verklaringen en beschrijvingen van de op de diverse zorggebieden geleverde inspanningen.
In het Vervoerplan 2013, dat ik als bijlage bij mijn eerdergenoemde brief van 12 maart heb gevoegd, zijn de prestatie-afspraken voor 2013 vastgelegd en beschrijft NS hoe het bedrijf er dit jaar voor gaat zorgen dat het bedrijf de diverse prestatie-afspraken nakomt, ook die op het gebied van klanttevredenheid.
Welke actie gaat u nemen richting de NS om er voor te zorgen dat de NS aan de eisen van klanttevredenheid gaat voldoen, want kennelijk is er onvoldoende prikkel geweest om hier aan te voldoen? Klopt dit en kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals gezegd zijn de meeste objectieve prestaties van NS goed. Sommige scores zijn nooit eerder gehaald, zoals informatie in de trein bij ontregeling.
NS heeft in het verleden soms afgesproken klantoordelen niet gehaald, maar het achterblijven van de klantoordelen bij de goede objectieve prestaties is een nieuw fenomeen. Ik vind het logisch dat NS dit eerst goed heeft willen analyseren om pas op basis daarvan te bepalen hoe de klantoordelen verbeterd kunnen worden. Bij de filosofie van de reizigers centraal hoort immers dat de behoeften en de ervaringen van de reizigers belangrijk zijn.
Volgens mij werkt de huidige sturing goed. Er zijn prestatie-afspraken. NS heeft sommige van de afgesproken scores niet gehaald. Daarvoor heb ik een boete opgelegd. En mede daarom heeft NS geanalyseerd wat de oorzaak is van de onvoldoende scores, om erachter te komen hoe het bedrijf deze kan verbeteren. Ik zie dus geen reden om aanvullende actie te ondernemen. Wel zal ik de acties van NS en de resultaten daarvan nauwgezet volgen.
Is de hoogte van de boete niet voldoende prikkelend tot het nemen van maatregelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Om te beginnen is het niet mijn doel om NS zo veel mogelijk boetes of zo hoog mogelijke boetes op te leggen. Het gaat erom dat NS de reizigers een goed, aantrekkelijk treinproduct krijgen aangeboden.
Volgens mij is de hoogte van de boete niet de belangrijkste prikkel voor NS. Het is mijn overtuiging dat de hoogte van de boete minder effect heeft dan het feit op zich dat ik een boete opleg. Het is voor NS vervelend is als bekend wordt dat ik een boete heb opgelegd vanwege matige prestaties. Elke NS-er, van de top tot aan het rijdend personeel, voelt zich hierdoor aangesproken en zal zich inspannen om toekomstige boetes te voorkomen door de reizigers nog beter te bedienen.
Overigens kan de verdere uitwerking van de Lange Termijn Spooragenda eventueel leiden tot een aanpassing van de sturingswijze. Dit zal dan tot uiting komen in de nieuwe vervoerconcessie. De Lange Termijn Spooragenda wordt het komende jaar uitgewerkt.
Het bericht "Verstandelijk beperkte jongen week vast in Amsterdamse cel" |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Verstandelijk beperkte jongen week vast in Amsterdamse cel»?1
Ja.
Klopt het dat de jongen werd opgepakt toen het busje waarin hij naar huis werd gebracht werd gecontroleerd door de politie? Vind u het verantwoord dat iemand met een verstandelijke beperking op deze manier is opgepakt?
Zoals ook is aangegeven in de antwoorden op vragen van de leden Recourt, Marcouch en Ypma werd de betreffende personenauto (een privéauto, geen schoolbusje of taxi) door de politie staande gehouden omdat deze een straat inreed waar dat niet mocht. Hierbij werd geconstateerd dat betrokkene, die passagier was in de auto, geen gordel droeg waarvoor hij een bekeuring kreeg. Hiervoor werd om zijn legitimatiebewijs gevraagd. Aangezien betrokkene zich niet kon legitimeren werd hij, zoals gebruikelijk is, meegenomen naar het politiebureau. De dienstdoende agent heeft geen reden gehad om te twijfelen aan het verstandelijke vermogen van betrokkene.
Waarom is de jongen op deze manier opgepakt, terwijl het terugkeergesprek al gepland was? Deelt u de mening dat hij beter meteen naar huis gestuurd had kunnen worden om daar zijn gesprek af te wachten?
Het terugkeergesprek was op het moment van inbewaringstelling niet gepland. Betrokkene heeft zich niet altijd gehouden aan een eerder opgelegde meldplicht. Een lichter toezichtmiddel was reeds opgelegd en leek niet te werken. Daarom is hij door de hulp officier van justitie in bewaring gesteld.
Klopt het dat de jongen vijf dagen lang niet met zijn familie heeft mogen spreken en hij in die tijd niets gegeten heeft? Is de hulp van zorgverleners ingeroepen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit is niet correct. Betrokkene heeft dagelijks, vanaf het moment van staandehouding, met zijn familieleden mogen spreken en dit ook gedaan. Ook heeft hij gegeten. Betrokkene noch zijn familie of advocaat hebben zijn beperking gemeld. Gelet op de gesprekken die hij met agenten, de hulp officier van justitie, personeel van DJI en de DT&V, heeft gehad, was er ook geen aanleiding om een beperking aan te nemen of om de hulp van zorgverleners in te roepen.
Gaat u er zorg voor dragen dat de jongen nazorg krijgt om deze traumatische gebeurtenis zo snel mogelijk te boven te komen?
Nee.
Deelt u de mening dat dit nooit had mogen gebeuren? Zo ja, wat gaat u doen om incidenten zoals dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat gelet op de berichten in de media een beeld is ontstaan waardoor u zich zorgen maakt over deze situatie. Wanneer ik kijk naar de daadwerkelijke feiten moet ik constateren dat de staandehouding correct is verlopen. Het meenemen van een persoon ter vaststelling van zijn identiteit na het begaan van een overtreding is een normale gang van zaken. Gelet op de informatie over de persoon van betrokkene die achteraf bekend is geworden, was inbewaringstelling niet het meest geëigende middel. Hierom heb ik de advocaat van betrokkene enkele dagen na de opheffing van de bewaring door de DT&V een schadevergoeding aangeboden.
Berichten vanuit Oostenrijk met betrekking tot signalen van matchfixing in Nederland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Oostenrijkse wedkantoren willen onderzoek naar wedstrijden Eredivisie»?1
Ja.
Weet u dat via het waarschuwingssysteem van Oostenrijkse wedkantoren ook Nederlandse wedstrijden naar voren zijn gekomen in verband met ongewone wedtransacties? Zo ja, waarvan bent u op de hoogte? Zo nee, waarom niet?
Ik heb dit via de media vernomen. Navraag bij de Oostenrijkse organisatie van wedkantoren heeft echter geleerd dat informatie over de bedoelde wedstrijden uit de eredivisie niet door deze organisatie is verstrekt. Voorts werd bericht dat er geen waarschuwingssysteem van Oostenrijkse wedkantoren bestaat. Aangezien de analyse van de voormalige werknemer van de UEFA gebaseerd schijnt te zijn op informatie uit dit vermeende waarschuwingssysteem, moet de bruikbaarheid hiervan voor ons eigen onderzoek naar matchfixing worden betwijfeld. Het is uiteraard aan de onderzoekers om te beoordelen welke informatie zij nuttig en betrouwbaar achten.
Sinds 2009 worden alle Eredivisie- en Jupiler League wedstrijden door UEFA geanalyseerd door het zogeheten Betting Fraud Detection System (BFDS). Bij verdachte gokbewegingen ontvangt de KNVB, via de UEFA, een rapportage. In 2011 zijn ook de wedstrijden waarover Business News Radio (BNR) bericht, door het BFDS geanalyseerd. Het betreft de wedstrijden FC Volendam – Fortuna Sittard (op 8 april 2011) en FC Eindhoven – FC Volendam (op 29 april 2011). Het BFDS heeft destijds geen verdachte gokbewegingen, voorafgaand of tijdens voornoemde, wedstrijden ontdekt. Op verzoek van de KNVB hebben deskundigen van UEFA nogmaals de twee genoemde wedstrijden bekeken. Ook in tweede instantie zijn geen afwijkende of onregelmatige bewegingen in de gokpatronen gezien.
Acht u het mogelijk dat de genoemde informatie uit Oostenrijk van belang kan zijn voor het lopend onderzoek over matchfixing in Nederland? Zo ja, hebben de onderzoekers deze gegevens tot hun beschikking of hoe kunnen zij die krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de onderzoekers naar matchfixing in Nederland contact met de in het bericht genoemde voormalige werknemer van de UEFA en onderzoeker van goksyndicaten? Zijn zij op de hoogte van zijn analyse dat een aantal Nederlandse voetbalwedstrijden verdacht zijn en nader onderzoek vergen? Zo nee, waarom niet? Kan deze analyse dan niet van belang zijn voor het onderzoek naar matchfixing in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
De invloed van nepsigaretten op jonge kinderen |
|
Myrthe Hilkens (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat aan kinderen van een basisschool een zogenaamde Shisha-pen wordt verkocht?1 Wat vindt u hiervan?
Ja, hiervan ben ik op de hoogte. Van Shisha-pennen is niet bewezen dat zij schadelijk zijn voor de volksgezondheid, noch dat zij aanzetten tot roken.
De vraag of de Shisha-pen de schadelijkheid van roken bagatelliseert, is niet onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 5.
Bent u op de hoogte van het feit dat een overgrote meerderheid in het Europees Parlement voor een verbod op productie, invoer en verkoop van eetwaren en speelgoed in de vorm van tabaksproducten heeft gestemd? Bent u van mening dat de Shisha-pen hier ook onder zou moeten vallen? Zo nee, waarom niet?
Ja, hiervan ben ik eveneens op de hoogte. Echter is er geen Europees verbod op productie, invoer en verkoop van eetwaren in de vorm van tabaksproducten.
Wel is er een Aanbeveling van de Raad (2003/54/EG) waarin Lidstaten onder meer worden aangespoord de verkoop van snoep en speelgoed die tabaksproducten gelijken te verbieden. Deze maatregel maakt deel uit van een breder pakket aan beleidsopties om het aanbod van tabak aan kinderen te beperken en reclame voor en promotie van tabaksproducten verder aan banden te leggen.
Overigens beschouw ik Shisha-pennen noch als eetwaren, noch als speelgoed.
Het zijn producten die tabaksproducten gelijken qua presentatie- en gebruiksvorm. Het verschil met tabaksproducten is dat deze producten noch tabak, noch nicotine bevatten. Bovendien vindt in Shisha-pennen geen verbrandingsproces plaats, maar slechts (elektronische) verhitting.
Nederland heeft invulling gegeven aan de Aanbeveling door verkoop van tabaksproducten aan jongeren in te perken, bijvoorbeeld door het invoeren van een minimumverpakking voor sigaretten. Momenteel wordt de leeftijdsgrens voor de verkoop van tabak verhoogd van 16 naar 18 jaar.
Bent u van mening dat zelfregulering door de branche ten aanzien van dit soort producten voldoende bescherming van jonge kinderen biedt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om de Shisha-pen te verbieden of een leeftijdsgrens voor de verkoop in te stellen. Wel zal ik het RIVM vragen een inschatting te maken van de gezondheidsrisico's van dit product. Op grond daarvan zal ik bezien of verdere maatregelen nodig zijn.
Zelfregulering door de branche, zoals advisering over leeftijdsgrenzen, kan ik in de tussentijd alleen maar aanmoedigen.
Overigens maken «niet-tabaksproducten» ook onderdeel uit van de herziening van de huidige Europese Tabaksproductenrichtlijn. Het is de bedoeling dat nicotinehoudende producten en kruidensigaretten die worden gerookt in de toekomst ten minste worden voorzien van een gezondheidswaarschuwing.
In Brussel heb ik gesignaleerd dat een product als de Shisha-pen daar niet onder valt, omdat geen verbrandingsproces plaatsvindt.
Deelt u de mening dat de Shisha-pen jonge kinderen kan aanmoedigen om te gaan roken en tenminste de schadelijkheid van roken bagatelliseert?
Zie antwoord vraag 1.
Welke mogelijkheden heeft u om de Shisha-pen te verbieden of een leeftijdsgrens te stellen voor de verkoop van de Shisha-pen? Welke van deze maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet langer toestaan van zwanendriften |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de ontheffing die in 2008 afgegeven is aan een zwanendrifter op grond van artikel 34 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren voor het houden en doden van zwanen afloopt op 31 maart 2013 en dat het na deze datum niet langer toegestaan is om zwanen te houden voor productie? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Houdt u zich aan de belofte dat u vanaf 1 april 2013 geen ontheffingen meer zult afgeven aan zwanendrifters voor het houden van zwanen voor productie?1 Zo ja, zullen er na 1 april 2013 nog zwanendrifters actief zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, er zullen geen ontheffingen meer worden verleend. Het is mogelijk dat er ook na 1 april 2013 nog zwanendrifters actief zullen zijn. De zwanen kunnen worden gehouden als siervogels. Voor deze manier van houden is geen ontheffing vereist. Het leewieken van de vogels, dat nodig is om ze te kunnen houden, is na 2018 niet meer toegestaan.
Zijn er in 2012 inderdaad onverwachtse controles bij zwanendrifters uitgevoerd zoals in uw brief staat aangegeven? Zo ja, hoeveel controles zijn er uitgevoerd en zijn hier overtredingen bij vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Ja. In 2012 zijn twee controles uitgevoerd. Daarbij zijn door de NVWA geen overtredingen vastgesteld.
Mantelzorgwoningen en groepswonen |
|
Albert de Vries (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dan komt Oma toch gewoon in de tuin wonen»?1
Ja.
Bent u bekend met de KRO radioserie «Wat doen we met oma?»2
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze, en in welke mate, mantelzorgwoningen of groepswoningen tot besparing in de AWBZ/Wmo kunnen leiden?
Met het plaatsen van mantelzorgwoningen worden mensen langer in staat gesteld zelfstandig te wonen met hulp van hun naasten. Dat kan opname in AWBZ-voorzieningen uitstellen of misschien zelfs voorkomen. Wanneer burgers door het wonen in een mantelzorgwoning meer een beroep kunnen doen op hun mantelzorgers is het mogelijk dat er minder maatschappelijke ondersteuning nodig is. In welke mate het plaatsen van mantelzorgwoningen of groepswoningen tot besparing in de ABWZ/Wmo kunnen leiden, kan ik niet kwantificeren.
Kunt u de stand van zaken geven over de thans lopende experimenten in het kader van ouderenhuisvesting, onder andere via Platform 31, en daarbij verder ingaan op kansen en belemmeringen in het kader van tijdelijke huisvesting?
Op dit moment zijn er geen lopende experimenten op dit terrein; het experimentenprogramma woonservicegebieden is recent beëindigd.
Er vindt overleg plaats met Platform 31 over een nieuw kennis- en experimentenprogramma wonen en zorg, waarbij ook MOVISIE en het Aedes-Actiz kenniscentrum Wonen-Zorg zijn betrokken. Bezien wordt of experimentele (tijdelijke) woonvormen voor ouderen (en kansen en belemmeringen daarvan) hierin kan worden meegenomen. De minister voor Wonen en Rijksdienst zal eind juni een brief aan uw Kamer zenden waarmee de toezegging over het toegezegde actieplan ouderenhuisvesting gestand wordt gedaan. In deze brief zal de minister ondermeer nader ingaan op het experimenteerprogramma.
Kunt u aangeven tot welk concreet resultaat de vereenvoudiging van regelgeving voor mantelzorgwoningen in het kader van het BOR (Beheer Openbare Ruimte) heeft geleid?
De minister van IenM zal, in het verlengde van het wetsvoorstel inzake het permanent maken van de Crisis- en herstelwet (Kamerstukken I 2011/12, 33 135), het Besluit omgevingsrecht (Bor) wijzigen. Met deze wijziging zullen mantelzorgvoorzieningen onder voorwaarden omgevingsvergunning vrij worden en, voor zover toch omgevingsvergunning nodig is, wordt er voor gezorgd dat hiervoor de reguliere en niet meer de langer durende uitgebreide voorbereidingsprocedure op van toepassing is. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XI, nr. 34) waarin werd opgeroepen om de mogelijkheden voor de plaatsing van mantelzorgvoorzieningen te vereenvoudigen.
Deelt u de mening dat vereenvoudiging van ruimtelijke regelgeving in het kader van tijdelijke huisvesting van bepaalde doelgroepen het gevaar in zich draagt dat die huisvesting een permanent karakter krijgt? Welke bestuurlijke middelen hebben de overheden tot hun beschikking om dit potentiële risico in te dammen en bent u bereid hierop toe te zien?
Bij een omgevingsvergunning waarmee voor een beperkte tijdsduur een bepaalde vorm van huisvesting (bijvoorbeeld een tijdelijke mantelzorgwoning) wordt toegestaan, dient het gebruik voor het aflopen van de gestelde termijn te zijn beëindigd. Wanneer het gebruik toch wordt voortgezet, is sprake van een overtreding waartegen het bevoegd gezag behoort op te treden. De handhavingsmiddelen hierbij zijn last onder dwangsom of last onder bestuursdwang.
Dit verandert niet door het eenvoudiger maken van de vergunningverlening. Ik zie dan ook geen bijzonder potentieel risico voor regelovertreding bij het vereenvoudigen van mogelijkheden om tijdelijk andere vormen gebruik toe te staan. Het bevoegd gezag is er voor verantwoordelijk om bij regelovertreding handhavend op te treden. Ik zie geen aanleiding om hier specifiek aanvullend op toe te zien.
Bent u bereid een inventarisatie te maken van belemmeringen in regelgeving die de aanbieders van nieuwe thuiszorgconcepten ervaren, o.a. in de sfeer van planologie, vergunningverlening, aanvraag huursubsidie, et cetera? Kunt u uw antwoord toelichten en daarbij aangeven op welke termijn u hierover de Kamer kunt informeren?
Op het terrein van mantelzorgwoningen is een handreiking voor gemeenten in de maak. In deze handreiking komen onder meer planologie en vergunningverlening aan de orde.
Ik verwacht dat deze handreiking na de zomer klaar is en deze wordt vervolgens via de VNG verspreid.
Witwassen via prepaid- en cadeaukaarten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Witwassen via cadeaukaart»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de Financial Action Task Force uit 2011 dat Nederland vatbaar is voor witwassen vanwege haar grote financiële sector, open economie en de omvang van illegale verdiensten? Kunt u een inschatting maken van het bedrag dat jaarlijks wordt witgewassen in Nederland?
Ja. Een goed ontwikkelde en betrouwbare financiële sector, zoals de Nederlandse, is niet alleen aantrekkelijk voor legaal, maar veelal om dezelfde redenen eveneens voor illegaal verkregen kapitaal. Dit is ook de reden dat Nederland een sterk anti-witwasbeleid heeft ontwikkeld, zoals ook door de FATF wordt erkend.
In haar meest recente rapport over witwassen2 gaat de United Nations Office on Drugs and Crimes (UNODC) uit van de schatting dat wereldwijd een bedrag van ca. 2,7% van het BNP wordt witgewassen. In 2011 schatte de FATF het bedrag dat jaarlijks wordt witgewassen in Nederland op ca. 1,8% van het Nederlandse BNP3. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het onderzoek mede gelden omvat die weliswaar opbrengsten zijn van laakbaar handelen, maar niet noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het plegen van misdrijven. Dit onderscheid speelt vooral bij allerlei vormen van frauduleus handelen, blijkens het onderzoek goed voor ongeveer 80 procent van het «illegale geld».
Welke maatregelen moeten aanbieders van betaal- of cadeaukaarten nemen ter voorkoming van witwaspraktijken?
Betaalkaarten is een overkoepelende term die vaak wordt gebruikt voor alle kaarten waarmee «elektronisch» geld gebruikt kan worden. Naast de prepaid kaarten (waaronder cadeaukaarten) vallen hier ook reguliere «pinpassen» of credit cards onder. In mijn antwoorden ga ik verder niet in op pinpassen of creditcards, maar alleen op prepaid kaarten.
Elektronisch geld is een betaalmiddel dat door elektronisch geldinstellingen (EGI’s) en banken kan worden uitgegeven. EGI’s en banken vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en dienen derhalve aan alle vereisten van deze wet te voldoen. Deze wettelijke vereisten houden onder meer in een gedegen cliëntenonderzoek, het actueel houden van cliëntgegevens en voortdurende controle op de relatie en transacties, en in voorkomend geval het melden van ongebruikelijke transacties.
Slechts in gevallen waarin niet of nauwelijks het risico van witwassen wordt gelopen zijn EGI’s van deze wettelijke vereisten uitgezonderd. Zo is de EGI uitgezonderd die elektronisch geld uitgeeft waarmee alleen kan worden betaald binnen de eigen bedrijfsgebouwen, binnen een beperkt netwerk van dienstverleners of voor een beperkte reeks van goederen en diensten (zoals bv. de nationale bioscoopbon).
Opgemerkt dient te worden dat cadeaukaarten naar hun aard nauwelijks interessant lijken voor crimineel gebruik; tot op heden kunnen er uitsluitend een beperkt soort goederen of diensten voor aangeschaft worden en vindt dit volgens de brancheorganisatie voor cadeaukaarten Verenigde betaalinstellingen in Nederland (VebiN), in de praktijk slechts plaats voor een maximaal bedrag van € 250,-. De meeste cadeaukaarten vallen daarom dan ook onder de bovengenoemde uitzonderingen.
Geldt voor de storting op cadeaukaarten ook dat verdachte transacties gemeld moeten worden? Zo ja, hoe wordt deze meldplicht gehandhaafd en hoeveel meldingen van verdachte stortingen zijn er over 2012 gedaan?
De Financiële Inlichtingen Eenheid (FIU) constateert een aanzienlijke toename van het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties die betrekking hebben op prepaid kaarten, voor zover dit in de meldingen wordt aangegeven door de meldingsplichtige elektronisch geldinstellingen en banken. In 2010 werden 146 meldingen gedaan, in 2011 waren dat er 1.804 terwijl in 2012 3.996 meldingen werden gedaan. Het merendeel van de meldingen in 2012 vloeide voort uit het cliëntonderzoek dat werd ingesteld door geldtransactiekantoren waarbij gestuit werd op mogelijk risico van witwassen of terrorisme financiering of op moeilijk te verklaren bevindingen.
Voor alle aanbieders van cadeaukaarten (met uitzondering van de aanbieders van kaarten met een beperkte toepassing, zoals betaling voor een beperkte reeks goederen) geldt dat zij een betaling voor een kaart die ongebruikelijk is moeten melden aan de Financiële Inlichtingen Eenheid (FIU) op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Een betaling kan ongebruikelijk zijn als er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financiering van terrorisme. Een dergelijke transactie wordt altijd als ongebruikelijk bestempeld wanneer het gaat om een contante betaling van een bedrag van € 2.000,- of meer.
Met het toezicht op de implementatie en naleving van de Wwft, waaronder de meldplicht, door de aanbieders van cadeaukaarten (elektronisch geldinstellingen en betaaldienstagenten met een Nederlandse vergunning of notificatie) is de Nederlandsche Bank (DNB) belast.
Wat is uw oordeel over de mogelijkheid om 100.000 euro of meer op een kaart te kunnen houden? Dienen dergelijke kaarten dan nog voor gewoon betalingsverkeer?
De laatste jaren is mondiaal een ontwikkeling te zien dat prepaid kaarten als volwaardig alternatief voor traditionele betaalmiddelen dienen. Dit lijkt een nuttige en logische ontwikkeling in met name het zakelijke verkeer.
Voor het saldo of het storten op prepaid kaarten bestaat geen wettelijke limiet. Het is dan ook niet uitgesloten dat kaarten met dergelijke hoge bedragen worden gebruikt in het gewone betalingsverkeer. Hoewel bij uitgifte in Nederland van prepaid kaarten vooralsnog geen sprake lijkt te zijn van hoge bedragen, acht ik het zinvol mogelijkheden op misbruik van deze kaarten nader te onderzoeken. Daarbij merk ik wel op dat een eventuele nationale aanpak in principe wel mogelijk is, maar dat de grootste zorg uitgaat naar de kaarten die in het buitenland worden uitgegeven.
Ofschoon er ook voor een cadeaukaart geen wettelijke limiet bestaat op het saldo worden in Nederland in de praktijk volgens VebiN geen cadeaukaarten uitgegeven met een saldo van meer dan € 250,-. In principe kan er tot dit bedrag geld op een cadeaukaart worden gestort (herladen), maar in de praktijk blijkt hier geen gebruik van te worden gemaakt zo blijkt uit opgave van VebiN.
Bestaat momenteel een limiet op het bedrag dat op een cadeaukaart kan worden gestort? Zo ja, hoe beziet u het voorstel deze limiet te verlagen teneinde witwaspraktijken en geldsmokkel tegen te gaan? Zo nee, bent u ertoe bereid een stortingslimiet of kaartlimiet vast te leggen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat cadeaukaarten niet onder de wettelijke definitie van liquide middelen vallen, waardoor deze niet hoeven te worden aangegeven bij een douanecontrole aan de grensovergang? Zo ja, bent u bereid te bekijken of de controle op geldsmokkel kan worden versterkt door cadeaukaarten onder de wettelijke definitie van liquide middelen te brengen?
Op grond van Verordening EU nr. 1889/2005 zijn personen die de Europese Unie binnenkomen of verlaten verplicht om aangifte te doen van liquide middelen met een waarde groter dan € 10.000, -. De cadeaukaarten (maar ook alle andere vormen van prepaid kaarten) vallen niet onder de definitie van «liquide middelen» in die Verordening. Daardoor vallen deze kaarten niet onder de aangifteplicht bij de Douane en heeft de Douane op dit moment geen wettelijke bevoegdheden om controles op prepaid kaarten uit te voeren.
Ik ben zeker bereid te bekijken of cadeaukaarten, of meer algemeen prepaid kaarten, onder de wettelijke definitie van liquide middelen gebracht kunnen worden. Dit aspect maakt onderdeel uit van het onderzoek waar ik in mijn beantwoording van uw vragen 5 en 6 reeds aan refereerde.
De sluiting van de basisschool op het asielzoekerscentrum in Gilze wegens geldgebrek |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de basisschool op het asielzoekerscentrum (AZC) in Gilze met sluiting bedreigd wordt wegens geldgebrek?1
Ja.
Klopt dit bericht? Zo ja, wat is er de oorzaak van dat er geen geld meer is om de basisschool na de zomer open te houden? Klopt het dat er al lang geld beschikbaar was om in de school te investeren, maar dat niet is gebruikt? Wat is de rol van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) hierin?
Het besluit om een school wel of niet open te houden is aan het betreffende schoolbestuur. Het schoolbestuur maakt de afweging of de diverse geldstromen toereikend zijn voor de exploitatie van een school. De gemeente heeft een beroep gedaan op de regeling Onderwijs huisvestingsbudgetten basisonderwijs asielzoekers (OHBA regeling) die voorziet in de gelden benodigd om een onderwijsvoorziening te realiseren. Het COA voert deze regeling uit en heeft hierop onlangs positief beschikt.
Klopt het dat er gemiddeld 50 kinderen op deze school zitten? Wat zijn de mogelijkheden om de school open te houden, zodat het onderwijs voor kinderen op het AZC gewaarborgd blijft? Deelt u de mening dat een school op een AZC waar zoveel kinderen verblijven onmisbaar is? Bent u bereid te bekijken op welke wijze de school in het AZC in Gilze open kan blijven?
Ja, er zitten gemiddeld 50 kinderen op deze school.
Op 10 april jl. hebben ambtenaren van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overleg gevoerd met het schoolbestuur Tangent van de Prinsenbosschool, de wethouder onderwijs van de gemeente Gilze en Rijen en het COA. Tijdens dit gesprek is geïnventariseerd welke problemen aan het voornemen van het schoolbestuur om de Prinsenbosschool te sluiten ten grondslag liggen. De problemen zijn van tweeërlei aard namelijk op het gebied van huisvesting en financiële problematiek.
De huisvestingsproblematiek is opgelost omdat de gemeente voldoende middelen van het COA heeft ontvangen om semi permanente huisvesting te laten realiseren.
Het schoolbestuur heeft aangegeven, dat de huidige reguliere en extra (bijzondere) bekostiging onvoldoende is, om de specifieke problemen die spelen op de Prinsenbosschool, het hoofd te kunnen bieden. Eerst zal goed in beeld worden gebracht hoe de financiële situatie van de Prinsenbosschool is. Daarna zal op korte termijn een overleg met het bestuur worden belegd, om te bezien welke oplossingsmogelijkheid er is. De inzet daarbij is de sluiting van de school te voorkomen.
Ook zal worden gekeken naar de financiële situatie van andere AZC-scholen met een vergelijkbare populatie als de Prinsenbosschool, zodat deze oplossing van de Prinsenbosschool ook voor deze scholen kan worden benut.
Het belangrijkste is dat kinderen, ook wanneer zij een asielprocedure doorlopen of in afwachting van vertrek in Nederland verblijven, onderwijs wordt geboden. Om praktische redenen is het inderdaad wenselijk om een school te verbinden aan een COA locatie waar veel kinderen verblijven.
Klopt het dat het geldgebrek mede te maken heeft met de intensieve begeleiding die de vele getraumatiseerde kinderen nodig hebben? Waarin verschilt dit AZC van andere AZC’s? Deelt u de mening dat asielkinderen op AZC’s extra begeleiding nodig hebben en dat die begeleiding in het onderwijs aanwezig moet blijven?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er redelijke alternatieven voorhanden indien sluiting van de school onvermijdelijk blijkt, waarbij het recht op onderwijs voor deze kinderen gegarandeerd is?
Zie antwoord vraag 3.
Een illegale verstandelijk gehandicapte jongen die in een schoolbus is opgepakt en een week in vreemdelingenbewaring heeft verbleven |
|
Loes Ypma (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Jongen met IQ van 48 week lang in cel gezet»?1
Ja.
Onder welke omstandigheden is het schoolbusje stopgezet, is deze jongen staande gehouden en vervolgens aangehouden? Was dit in het kader van strafrechtelijk onderzoek of in het kader van vreemdelingentoezicht? Welke legitieme reden was er om de jongen te vragen naar zijn identiteitsbewijs? Deelt u de mening dat het aanhouden van een busje waarin kinderen zitten die van school komen intimiderend en geen juiste wijze is om illegale vreemdelingen op te pakken?
Van het aanhouden van kinderen in een schoolbusje was geen sprake. De betreffende personenauto (een privéauto, geen schoolbusje of taxi) is door de politie staande gehouden wegens het negeren van een geslotenverklaring. De bestuurder van de auto werd hiervoor bekeurd. Omdat hierbij werd geconstateerd dat betrokkene, die passagier in de auto was, geen gordel droeg, werd deze ook bekeurd, waarvoor om zijn legitimatiebewijs werd gevraagd. Aangezien betrokkene zich niet kon legitimeren werd hij staande gehouden en meegenomen naar het politiebureau om zijn identiteit vast te stellen.
Deelt u de opvatting dat het zich slecht verhoudt tot het recht van illegale jongeren om onderwijs te volgen, om hen aan te houden kort nadat zij van school komen? Deelt u de vrees dat daardoor het risico ontstaat dat illegale jongeren niet meer naar school durven en zij hun recht op onderwijs daardoor niet meer durven uit te oefenen?
Zoals ik bij vraag 2 heb geantwoord betrof het geen gerichte controle van een jongere die uit school kwam. Het recht van illegale minderjarigen op onderwijs is en blijft gewaarborgd.
Klopt het dat de verstandelijk gehandicapte jongen na de aanhouding vijf dagen in vreemdelingenbewaring heeft verbleven, ook al had hij een nog een beroep lopen tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning? Wat waren de gronden voor deze inbewaringstelling? Is aan hem rechtsbijstand verleend bij de inbewaringstelling? Zijn de familieleden op de hoogte gesteld? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Amsterdam had signalen ontvangen van vroegere docenten van betrokkene over diens beperking. Nadat deze informatie bekend is geworden bij de DT&V is meteen de benodigde actie ondernomen.
Ik wil benadrukken dat op het moment van inbewaringstelling deze informatie niet bekend was bij de politie en evenmin gemeld is door betrokkene zelf, zijn familie of advocaat, waardoor er ook geen rekening mee gehouden kon worden bij de inbewaringstelling en tijdens de bewaring.
Reden voor de inbewaringstelling was dat betrokkene zich niet altijd heeft gehouden aan een eerder opgelegde meldplicht. Dit gecombineerd met onder meer een nuldagen vertrektermijn heeft ertoe geleid dat het risico op onttrekking aan het toezicht door de politie reëel werd geacht. Een lichter toezichtmiddel was reeds opgelegd en leek niet te werken. Daarom is hij door de hulp officier van justitie in bewaring gesteld. Betrokkene heeft uiteindelijk 6 dagen in vreemdelingenbewaring gezeten.
Gelet op de informatie over de persoon van betrokkene die achteraf bekend is geworden, was inbewaringstelling niet het meest geëigende middel. Hierom heb ik de advocaat van betrokkene enkele dagen na de opheffing van de bewaring door de DT&V een schadevergoeding aangeboden.
Ik wil bekijken hoe ik situaties als deze in de toekomst kan voorkomen. Zoals aangegeven zal ik uw Kamer voor het zomerreces de toekomstvisie vreemdelingenbewaring en de inzet van alternatieve toezichtmiddelen bij terugkeer aanbieden. Daarin zal ik nader ingaan op de omgang met kwetsbare vreemdelingen.
Op welke wijze is zijn verstandelijke handicap onderzocht, herkend en meegewogen bij de beslissing om hem in bewaring te stellen? Deelt u de mening dat het onacceptabel is om een jongen met zo’n geestelijke kwetsbaarheid in bewaring te stellen?
De verstandelijke handicap is op het moment van inbewaringstelling niet gemeld door betrokkene of zijn familie. Uit zijn antwoorden tijdens het gehoor blijkt dat destijds geen aanleiding was voor de politie om een dergelijke beperking te veronderstellen.
Ook voor iemand met een beperking geldt dat hij in bewaring kan worden gesteld wanneer hij of zij zich niet aan zijn vertrekplicht wil houden en een reëel risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, er zicht op uitzetting is en andere, lichtere, toezichtmiddelen niet tot vertrek hebben geleid. Daartegenover staat dat dan binnen bewaring extra aandacht en zorg voor de persoon aanwezig zal zijn.
Wat behelst precies het protocol om vast te stellen of een illegale vreemdeling wel of niet detentiegeschikt is? Bent u bereid om dit protocol tegen het licht te houden en te bezien of de werking ervan in de praktijk afdoende is?
Detentiegeschiktheid wordt individueel bekeken bij een inbewaringstelling. Bij het in bewaring stellen van een niet rechtmatig verblijvende vreemdeling wordt onder meer gekeken of een ander (lichter) toezichtmiddel mogelijk is, of de vreemdeling wil meewerken aan terugkeer, of er een reëel risico op onttrekking aan het toezicht is en of gedwongen vertrek mogelijk is. Bewaring is het ultimum remedium en soms zijn er geen andere middelen mogelijk, hoe moeilijk dat ook is.
Naar verwachting gaat de Adviescommissie vreemdelingenzaken in haar advies over het proces van inbewaringstelling hier ook op in. Ik verwacht dit advies binnenkort. Het advies zal ik betrekken bij de toekomstvisie vreemdelingenbewaring en de inzet van alternatieve toezichtmiddelen bij terugkeer. Daar zal ik ook de detentiegeschiktheid bij meenemen. De toekomstvisie zal voor het zomerreces aan uw Kamer worden gezonden.
Deelt u de mening dat een standaard 48-uurstoets door de rechter bij een inbewaringstelling kan voorkomen dat dit soort kwetsbare mensen in de cel terechtkomt en dat, als dit toch gebeurt, zij zo snel mogelijk worden vrijgelaten? Bent u bereid een verkenning te doen naar deze optie en de Kamer daarover te informeren?
Met u ben ik van mening dat bij detentie spoedig een rechterlijke toets moet plaatsvinden. De termijn waarbinnen en de wijze waarop deze toets moet plaatsvinden was een belangrijk onderwerp bij de totstandkoming van de gewijzigde Europese opvangrichtlijn. In dat verband is uitgebreid gekeken naar de mogelijkheid om een rechterlijke toets binnen 72 uur te realiseren. Hierover is uw Kamer ook meermaals geïnformeerd. Steeds is daarbij geconcludeerd dat een rechterlijke toets binnen 72 uur een te zware belasting van de rechterlijke macht met zich mee zou brengen. Daarbij en daardoor zou een dergelijke toets de kwaliteit van de rechtsbijstand aan de vreemdeling en van de beoordeling door de rechterlijke macht niet ten goede komen. Een 72-uurs toets is ook geen onderdeel geworden van de gewijzigde Europese Opvangrichtlijn. Nu nog zo recent naar de mogelijk en wenselijkheid van een versnelde toets is gekeken, acht ik het op dit moment niet opportuun onderzoek te doen naar een toets binnen 48 uur.
Kunt u aangeven op welke wijze bij zijn verblijf in het detentiecentrum rekening is gehouden met zijn bijzondere kwetsbare situatie? Onder welk regime heeft hij daar verbleven, en welke mogelijkheden had hij voor dagbesteding? Is de jongen tijdens zijn verblijf door artsen onderzocht? Zo ja, wat waren de bevindingen?
Doordat de beperking van betrokkene niet bekend was en ook niet bleek tijdens de bewaring, heeft DJI daar geen rekening mee kunnen houden. Hij heeft onder het gewone regime voor vreemdelingen verbleven en had dezelfde mogelijkheden voor dagbesteding als de andere vreemdelingen. Het dagprogramma duurt van acht uur ’s ochtends tot twaalf uur en van een uur ’s middags tot vijf uur ’s avonds. In deze periode zijn de deuren van de kamers open en kan gebruik worden gemaakt van de gemeenschappelijke ruimte. Daarnaast worden activiteiten aangeboden, zoals sporten, creatieve mogelijkheden, gesprekken met een geestelijk verzorger en mag een vreemdeling bezoek ontvangen.
Hij is tijdens zijn verblijf niet door artsen onderzocht. Daar was geen aanleiding toe en hij heeft er ook niet om gevraagd.
Waarom moet de burgemeester van Amsterdam er aan te pas komen om de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) ervan te overtuigen dat deze kwetsbare jongen niet in een detentiecentrum hoort en moest worden vrijgelaten? Bent u bereid om de vreemdelingendiensten, zoals de DT&V, te instrueren dat zij, naast de activiteiten gericht op de terugkeer van vreemdelingen, ook voortdurend alert moeten zijn op de kwetsbaarheid van sommige vreemdelingen en daarnaar moeten handelen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om deze zaak uitgebreid te onderzoeken en de Kamer daarover te informeren?
Met het beantwoorden van uw vragen voldoe ik aan uw verzoek. Persoonlijke informatie over betrokkene en zijn vreemdelingrechtelijke status is zo veel als mogelijk beperkt in deze antwoorden, gelet op zijn privacy.