Het sluiten van zorgvilla’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgvilla sluit plots de deuren: «We dachten dat het een phishingmail was. Dit kan toch niet?»»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Begrijpt en herkent u de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf, zoals die van ExpertCare?
Het leven voor gezinnen met een kind dat medische zorg nodig heeft, is intens en uitdagend. Ik begrijp en herken dan ook de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf. Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Hoeveel van dit soort medische dagverblijven/zorgvilla’s, zoals ExpertCare, zijn er momenteel in Nederland?
Acht leden van Binkz bieden 24-uurs kindzorg aan. Vijftien leden van Binkz hebben een verpleegkundig kinderdagverblijf.
Is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gebracht van het feit dat ExpertCare de deuren van hun dagverblijf zal sluiten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Op 27 januari 2026 heeft het Ministerie van VWS via een persbericht van ExpertCare het voorgenomen besluit vernomen om hun locaties voor medische kindzorg per 31 maart 2026 te sluiten. Het Ministerie van VWS heeft van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) begrepen dat de NZa en zorgverzekeraars voorafgaand aan dit persbericht niet op de hoogte waren van het voorgenomen besluit. Sindsdien houdt de NZa het Ministerie van VWS intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden.
Moet het worden gemeld als dergelijke organisaties als ExpertCare, die een uniek aanbod leveren en voorzien in specialistische zorg, de deur sluiten?
Ja, op grond van het continuïteitsbeleid dient een aanbieder van zorg voor zeer specifieke cliënten, zoals ExpertCare, een melding te doen bij de zorgverzekeraar(s) als de betreffende zorgaanbieder gaat sluiten. De zorgverzekeraars maken doorgaans in hun contracten afspraken hierover. Ook dienen de zorgverzekeraars hierover de NZa te informeren. Als de NZa in gesprek met zorgverzekeraars en de aanbieder geen zekerheid kan krijgen over het borgen van continuïteit van zorg, schaalt de NZa op naar het Ministerie van VWS2.
Welke concrete maatregelen zijn er getroffen, zowel door het ministerie als door ExpertCare, om de zorgvilla’s open te houden?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de financiële bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u nog om te voorkomen dat de zorgvilla’s gesloten moeten worden?
Kern van het continuïteitsbeleid is dat de continuïteit van zorg centraal staat, en niet de continuïteit van individuele zorgorganisaties3. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Zoals hierboven aangegeven, houdt de NZa toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Kunt u deze vragen ieder apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het bericht 'Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt twintig jaar cel in Hongkong' |
|
Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving dat de Hongkongse autoriteiten democratie-activist Jimmy Lai hebben veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, hetgeen, gelet op zijn leeftijd, in de praktijk kan neerkomen op een feitelijk levenslange straf?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een veroordeling op basis van het vermeende «collusion with foreign forces» geen grond heeft in de werkelijkheid en in belangrijke mate lijkt te zijn gericht op het neutraliseren van de pro-democratische oppositie in Hongkong? Zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze arbitraire veroordeling aan te kaarten bij uw Chinese ambtgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat uitvoering van de Nationale Veiligheidswet een negatief effect heeft op het democratisch proces en de rechtsstaat in Hongkong. De rechtszaak tegen Jimmy Lai maakt onderdeel uit van een bredere campagne van beperking van vrijheid van meningsuiting in Hongkong.
Onze serieuze zorgen over de veroordeling van de heer Lai en de hoge opgelegde strafmaat zijn in diplomatieke contacten overgebracht aan de Chinese autoriteiten. Daarbij is gewezen op het feit dat dit vonnis haaks staat op de verantwoordelijkheden die de Hongkongse autoriteiten hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bent u bereid om in contacten met Chinese ambtgenoten het lot van Jimmy Lai en dat van de honderden andere politieke gevangenen in Hongkong structureel en expliciet aan de orde te blijven stellen? Zo ja, bent u bereid om in publieke (online) verslaglegging of via sociale media te refereren aan de inhoud van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Hongkong wordt op verschillende niveaus in gesprekken met Chinese gesprekspartners opgebracht, zowel bilateraal en in EU-verband als in multilaterale fora. Als het mogelijk is om de inhoud van deze gesprekken te delen, dan zal ik dat doen, maar daarbij merk ik op dat veel van deze gesprekken een vertrouwelijk, diplomatiek karakter hebben. Publieke verslaglegging daarvan, al dan niet via sociale media, is niet altijd mogelijk, omdat het de vertrouwelijkheid kan schaden en niet bijdraagt aan een openhartige uitwisseling van standpunten.
Bent u bereid om verontwaardiging over deze arbitraire veroordeling publiek kenbaar te maken door nationaal of in multilateraal verband een veroordelend statement uit te brengen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland samen met EU -en gelijkgestemde landen verschillende keren zorgen uitgesproken over de voortgaande beperkingen van de persvrijheid in Hongkong en de onderdrukking van lokale media, waaronder de gedwongen sluiting van de krant Apple Daily en de arrestatie van eigenaar Jimmy Lai. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf via sociale media een verklaring af op de dag dat de strafmaat bekend werd gemaakt. Daarin betreurde EDEO de hoge strafmaat, kwalificeerde de Dienst de rechtszaak tegen hem als politiek gemotiveerd en riep hij op tot vrijlating van de heer Lai. Nederland heeft deze verklaring ondersteund.
Welke concrete acties onderneemt Nederland momenteel om de persvrijheid in China en de regio te beschermen en te bevorderen, en welke ruimte ziet u om deze inzet verder te versterken of op te schalen?
Vrijheid van meningsuiting online en offline is een van de prioriteiten binnen ons Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daardoor wereldwijd in voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van persvrijheid. Dit doen we concreet, ook met betrekking tot China en Azië, door onze steun te verlenen aan cross-regionale verklaringen en coalities, zoals de Media Freedom Coalition (MFC) en de Freedom Online Coalition (FOC). Daarnaast investeert Nederland 20 miljoen euro in de veiligheid van journalisten en mediawerkers via het centrale Mensenrechtenfondskader via het Safety for Voices programma (2023–2027). Vanuit het gedelegeerde Mensenrechtenfonds worden via ambassades projecten en evenementen georganiseerd ter bevordering van persvrijheid en veiligheid voor journalisten. Nederland blijft doorlopend samen met partners kijken hoe deze inzet, ook in China en Azië, nog meer effect kan sorteren. Vanwege de veiligheid van partners ter plekke kan het kabinet niet in detail treden over welke organisaties Nederland exact steunt.
Acht u deze veroordeling van invloed op het investeringsklimaat en de rechtszekerheid in Hongkong, en wordt dit betrokken bij het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van China en Hongkong?
Het kabinet is van mening dat handhaving van de rechtsstaat en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, belangrijke factoren vormen voor een aantrekkelijk investeringsklimaat. Bedrijven nemen dergelijke factoren in overweging bij het uitvoeren van hun investeringsplannen. De veroordeling van Jimmy Lai kan in die zin van invloed zijn op het vertrouwen in het investeringsklimaat in Hongkong. Nederland en de Europese Unie benadrukken in gesprekken met de autoriteiten van China en Hongkong de cruciale rol die rechtszekerheid speelt bij het aantrekken van investeringen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De sluiting van verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit om vier verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen op 31 maart te sluiten, waardoor circa 80 kinderen op een andere plek intensieve zorg moeten krijgen en dat er signalen zijn dat nog meer zorgorganisaties (verpleegkundig kinderdagverblijven en verpleegkundig kinderzorghuizen) onder druk staan?
Ik ben bekend met het voorgenomen besluit van ExpertCare om vier zorgvilla's voor zieke en meervoudig gehandicapte kinderen per 31 maart 2026 te sluiten. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen en heeft mij laten weten dat ExpertCare heeft aangegeven dat de villa’s langer open blijven als voor die tijd niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Daarnaast ben ik bekend met het signaal van samenwerkende partijen in de medische kindzorg dat de toegankelijkheid van medische kindzorg onder druk staat.
Is er al concreet zicht op passende alternatieve zorgplekken voor deze 80 kinderen?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben1.
De NZa houdt toezicht of zorgverzekeraars aan hun zorgplicht voldoen. De NZa is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Er wordt gekeken of alternatieve zorg beschikbaar is.
De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wie heeft uiteindelijk de verantwoordelijkheid om passende zorg te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er maar drie andere plekken in Nederland zijn waar 24/7 vergelijkbare zorg voor kinderen wordt geboden, namelijk in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn? Hoeveel capaciteit hebben zij samen? Is bij deze zorglocaties geïnformeerd of zij capaciteit en financiële ruimte hebben om kinderen op te nemen?
Binnen de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn in totaal zeven andere aanbieders die 24-uurs kindzorg leveren, waaronder locaties in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn.
In februari 2026 heeft overleg plaatsgevonden tussen Binkz, zorgverzekeraars en de NZa over de continuïteit van zorg. Daarbij is afgesproken dat per individueel kind wordt gekeken welke oplossing passend is. Dat kan een van de andere 24-uurs aanbieders zijn, maar een passende oplossing hoeft niet in alle gevallen intramuraal te zijn.
Op dit moment is bij mij niet bekend wat de exacte gezamenlijke capaciteit of financiële ruimte van deze aanbieders is. Het is aan de betrokken zorgaanbieders en zorgverzekeraars om hierover met elkaar in gesprek te gaan en te bezien welke mogelijkheden er zijn.
Deelt u dat in deze gevallen van intensieve kindzorg de afstand tussen huis en een zorglocatie niet te groot moet zijn, omdat kinderen zeer kwetsbaar zijn en tijdens het vervoer niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben? Erkent u bovendien dat niet alleen de zorg onderweg kwetsbaar is, maar dat het ook niet wenselijk is om het kind ver van hun gezin (familie) af te hebben in verband met bijvoorbeeld bezoek, maar ook dat áls er iets gebeurt met het kind in het verpleegkundig kinderzorghuis, ouders binnen een bepaalde tijd aanwezig moeten kunnen zijn?
Ik deel dat bij intensieve kindzorg zorgvuldig moet worden gekeken naar de afstand tussen het gezin en de zorglocatie. De belasting en medische kwetsbaarheid tijdens vervoer, de mogelijkheid voor ouders en familie om het kind regelmatig te bezoeken en de bereikbaarheid bij een acute situatie zijn belangrijke factoren die in die afweging moeten worden betrokken.
Tegelijkertijd is het essentieel dat het kind passende en kwalitatief goede zorg ontvangt die aansluit bij de zorgvraag, ook als dat op grotere afstand is. Het is aan de zorgverzekeraar om vanuit de zorgplicht, in overleg met ouders en aanbieder, een zorgvuldige afweging te maken waarbij zowel kwaliteit, beschikbaarheid als bereikbaarheid van zorg worden meegewogen.
Klopt het dat in veel gevallen thuiszorg als alternatief niet passend is, omdat bijvoorbeeld niet voor niets de indicatie respijtzorg is afgegeven, zodat ouders op adem kunnen komen? Klopt het dat zowel verpleegkundig kinderzorghuizen als verpleegkundig kinderdagverblijven nodig zijn om deze intensieve medische kindzorg in de eigen omgeving om deze gezinnen overeind te houden?
Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Dit betekent dat kinderen recht hebben op medische zorg, die past bij hun leven en in hun eigen omgeving wordt verleend. Het is van belang dat deze zorg gepaard gaat met passende ondersteuning. Dit vereist samenwerking tussen alle betrokkenen, waaronder het kind en zijn gezin, zorgorganisaties, scholen en gemeenten. Het is van belang dat de gewenste regie en ondersteuning geboden worden, met specifieke aandacht voor het geheel van het kind en zijn gezin. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de brancheorganisatie met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Herkent u het beeld dat de tarieven structureel te laag zijn om dit type zorg goed te bieden? Wanneer komt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met de resultaten van het kostprijsonderzoek? Vanaf wanneer kunnen kostprijsdekkende tarieven vervolgens worden ingevoerd? Wat zijn in de tussenliggende tijd passende oplossingen om te voorkomen dat er nog meer verpleegkundige kindzorghuizen of verpleegkundig kinderdagverblijven hun deuren moeten sluiten?
De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek heeft gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Voor de tussenliggende periode doet Binkz een oproep onder haar leden om contact te zoeken met de zorgverzekeraars en mogelijke financiële problemen met hen te bespreken. Binkz heeft met de NZa besproken dat aanbieders van kindzorg het kenbaar maken bij de NZa als dit niet tot passende oplossingen leidt.
Welke verantwoordelijkheid hebben de zorgverzekeraars om voor deze kinderen passende zorg te garanderen?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben.
Is het een optie dat deze verpleegkundig kinderzorghuizen open blijven zolang het nodig is om passende zorg te kunnen blijven bieden? Kunt u garanderen dat er voor alle ernstig zieke kinderen die intensieve zorg nodig hebben altijd passende zorg is?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer openblijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Zorgverzekeraars en Binkz zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de huidige zorgaanbieder, aanbieders van vergelijkbare zorg en zorgverzekeraars om te komen tot passende oplossingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting 2026 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie van Justitie?1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf. Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details van deze zaak te worden geconfronteerd.
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid, hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid kan blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid, en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf, is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6 en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Het spionageschandaal bij de NCTV |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een voormalig medewerker van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) jarenlang staatsgeheime informatie zou hebben doorgespeeld aan de Marokkaanse geheime dienst?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze zaak een van de grootste veiligheids- en spionageschandalen uit de recente Nederlandse geschiedenis is? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een medewerker met toegang tot uiterst vertrouwelijke informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) jarenlang ongecontroleerd honderden staatsgeheime documenten kon printen, meenemen en digitaliseren?
Welke concrete tekortkomingen in toezicht, interne controle en informatiebeveiliging hebben dit mogelijk gemaakt?
Kunt u aangeven welke risico’s deze informatielekken hebben opgeleverd voor de nationale veiligheid en de veiligheid van Nederlandse burgers?
Zoals geschetst Kamerbrief van 25 november 2025 is door de politie direct na de aanhouding van de verdachte gekeken naar de veiligheidsrisico’s voor zowel medewerkers als lopende onderzoeken.4 Mede naar aanleiding van deze doorlichting heeft de politie maatregelen genomen. Op dit moment loopt, mede naar aanleiding van de motie Six-Dijkstra, een onderzoek naar de schade van de mogelijk gelekte gegevens bij de NCTV.5 Zoals toegezegd in de brief van 10 november jl. zal ik uw Kamer voor zover dit mogelijk is nader informeren over relevante ontwikkelingen.
In hoeverre zijn door deze zaak lopende operaties, informatiebronnen of personen in binnen- en buitenland in gevaar gebracht?
In zijn algemeenheid geldt dat dat er in de openbaarheid niet wordt ingegaan op vragen omtrent staatsgeheime informatie of operaties. Voor de behandeling hiervan heeft de Kamer haar geëigende kanalen.
Wanneer ontving de AIVD de eerste signalen van mogelijk ongeoorloofd contact tussen de verdachte en buitenlandse inlichtingendiensten, en waarom is toen niet eerder ingegrepen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat Nederland structureel te naïef omgaat met buitenlandse inmenging en spionage, met name vanuit landen die hier een grote diaspora hebben?
Sinds 2018 zet het kabinet Rijksbreed in op tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging.6 In 2023 is deze aanpak geïntensiveerd, met onder andere maatregelen om het bewustzijn over statelijke inmenging te vergoten en de strafbaarstelling van spionageactiviteiten in Nederland uit te breiden.7 Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de Kamerbrief «Stand van zaken aanpak ongewenste buitenlandse inmenging» en de fenomeenanalyse van de AIVD en NCTV over dit thema.8
Deelt u de zorg dat ambtenaren met sterke persoonlijke, familiale of buitenlandse loyaliteiten kwetsbaar kunnen zijn voor belangenverstrengeling en het schenden van het ambtsgeheim, zoals blijkt uit recente zaken waaronder die van Fouad A.?2
De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) stelt dat privécontacten van rijksambtenaren het vertrouwen van het publiek in de overheid kunnen beïnvloeden. Hier staat tegenover dat een ambtenaar recht heeft op de bescherming van zijn of haar privéleven zolang de uitoefening van dit recht het functioneren of het functioneren van de dienst niet schaadt. Voor ambtenaren met toegang tot relevante informatie of diensten geldt dat het integriteitsrisico groter is. De Rijksoverheid zet daarom in op bewustwording over integriteitsrisico’s, onder andere via het rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning».
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of er sprake is van structurele patronen bij het schenden van het ambtsgeheim, waaronder het beschermen van bekenden, en of huidige screenings- en toezichtmechanismen daarbij tekortschieten?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vragen 2, 3 en 4. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse staat in deze zaak, gezien de verdenkingen van direct contact tussen de verdachte en hoge functionarissen van de Marokkaanse inlichtingendienst?
Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is het van belang om eerst de uitkomsten van het strafproces af te wachten.
Worden er, naar aanleiding van deze zaak, diplomatieke of veiligheidsmaatregelen overwogen ten aanzien van de samenwerking met Marokko?
Zie antwoord vraag 11.
Acht u de huidige screenings- en herbeoordelingsprocedures voor medewerkers met toegang tot staatsgeheime informatie toereikend? Zo nee, welke aanscherpingen acht u noodzakelijk?
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat collega’s inloggegevens konden uitlenen zonder dat dit direct werd gesignaleerd of gesanctioneerd?
Deelt u de opvatting dat het uitlenen van accounts en het meenemen van staatsgeheime stukken naar huis wijst op een gebrekkige veiligheidscultuur binnen de NCTV?
Welke bestuurlijke of disciplinaire gevolgen zijn er verbonden aan het falen van interne beveiligingsmaatregelen binnen de NCTV?
In hoeverre wordt momenteel rekening gehouden met mogelijke kwetsbaarheden voor buitenlandse beïnvloeding, zoals financiële voordelen, reizen of andere gunsten, bij medewerkers in gevoelige functies?
Van alle rijksambtenaren wordt verwacht dat zij in hun werk betrouwbaar, onafhankelijk en onpartijdig zijn. In artikel 8, eerste lid, onder e, van de Ambtenarenwet 2017 is opgenomen dat het de ambtenaar niet is toegestaan om zonder toestemming van de overheidswerkgever giften, vergoedingen en beloften van een derde aan te nemen of hierom te vragen, indien de ambtenaar als ambtenaar met deze derde betrekkingen onderhoudt. Als grondregel geldt dat het aannemen van geschenken slechts geoorloofd is wanneer de handelingsvrijheid van de ambtenaar er niet direct of indirect door wordt aangetast én het gedrag van de ambtenaar de toets van de openbare verantwoording kan doorstaan.11 Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is opgenomen, dient elke rijksambtenaar bij geschenken na te gaan wat de achtergrond en mogelijke bijbedoelingen van een geschenk zijn. Indien een ambtenaar zich hierdoor niet meer vrij voelt om een onpartijdige beslissing te nemen, moet een geschenk geweigerd worden. In het geval van een geschenk door een buitenlandse relatie, dient de rijksambtenaar dit te beschouwen als een geschenk aan de organisatie en bespreekt de rijksambtenaar het geschenk met de leidinggevende. In het verlengde hiervan is het Rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning» in het leven geroepen tegen ondermijning vanuit statelijke actoren, buitenlandse beïnvloeding, en criminele organisaties. Vanuit het programma is er bijvoorbeeld een toolkit ontwikkeld waarmee Rijksorganisaties een risicoanalyse kunnen uitvoeren ten aanzien van corruptie en ondermijning.
Bent u bereid om het beleid rondom het accepteren van geschenken, reizen en andere voordelen van buitenlandse partijen verder aan te scherpen voor ambtenaren met toegang tot staatsgeheimen?
Zie antwoord vraag 17.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel. Als benoemd bij de beantwoording van vragen 2 tot en met 4 heeft mijn ambtsvoorganger de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie. Voor de uitkomsten van dit rapport en de maatregelen die zijn getroffen verwijs ik u naar de eerder genoemde brief van 13 december 2024. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Kunt u toezeggen dat de Kamer volledig en transparant wordt geïnformeerd over de uitkomsten van evaluaties en eventuele hervormingen naar aanleiding van deze zaak?
Bij brief van 24 oktober 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de ADR heb gevraagd om een aanvullend onderzoek te doen bij de NCTV naar de opvolging van de aanbevelingen van het rapport van de ADR naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie en waar nodig aanvullende aanbevelingen te doen. Uw Kamer zal, zoals toegezegd in de genoemde brief en tijdens het debat met uw Kamer van 3 april 2025, vanzelfsprekend over de uitkomsten worden geïnformeerd.
Het bericht ‘Studenten uit Gaza die beurs was beloofd kunnen toch nog niet door met hun studie in Wageningen’ |
|
Annette Raijer (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Moes , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Wageningen University & Research de juridische procedure van twee in Gaza geboren studenten faciliteert door de proceskosten te vergoeden en kunt u aangeven uit welke middelen deze kosten worden betaald? Zo nee, waarom niet?1
Ik ben bekend met het bericht.
De Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) geeft een instelling ruimte om voorzieningen te treffen voor de financiële ondersteuning van een internationale student die aan de instelling is ingeschreven. Instellingen gaan zelf over de invulling die zij hieraan geven. De Wageningen Universiteit (WUR) verstrekt jaarlijks twee beurzen aan studenten uit conflictgebieden. De WUR heeft mij laten weten dat deze beurzen worden bekostigd uit een fonds dat hiervoor door de instelling is ingericht. Uit hetzelfde fonds worden nu de proceskosten betaald. De WUR geeft aan dat de middelen voor dit fonds uit de inkomsten uit instellingscollegegeld van niet EER-studenten worden gehaald. Het betreft dus geen middelen die vanuit de Rijksoverheid aan de WUR worden verstrekt. Wel is het zo dat instellingscollegegeld wordt geïnd op basis van WHW waarmee deze middelen als publiek zijn aan te merken.
Hogescholen en universiteiten hebben bestedingsvrijheid voor deze middelen, maar zijn hierbij gebonden aan dezelfde kaders die de WHW aan de besteding van de overheidsbijdrage stelt. Het is aan de WUR om te zorgen dat zij hun middelen binnen de kaders van de wet besteden. Zij rapporteren over hun bestedingen in hun jaarverslag.
Kunt u uitsluiten dat voor deze rechtszaak publiek bekostigde onderwijs- en onderzoeksbudgetten van de universiteit worden ingezet en, zo nee, acht u het wenselijk dat universiteitsgeld wordt gebruikt voor juridische procedures tegen de Staat?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek en niet op het voeren of financieren van rechtszaken om buitenlandse en consulaire besluitvorming af te dwingen?
Ik deel met u dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek. Ik heb geen reden om aan te nemen dat universiteiten van deze doelstellingen afwijken.
Kunt u aangeven of en op welke wijze de betreffende studenten vooraf zijn gescreend op veiligheidsrisico’s, waaronder mogelijke banden met extremistische of terroristische organisaties zoals Hamas?
Deze studenten hebben de reguliere procedure doorlopen. Voorafgaand aan de afgifte van een verblijfsvergunning voor studie voert de IND een openbare orde-check uit in nationale en internationale justitiële en politiesystemen, waaronder het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Aanvragers moeten een antecedentenverklaring invullen en ondertekenen. Deze omvat ook lopende zaken, niet-onherroepelijke veroordelingen en buitenlandse antecedenten. De referent (in dit geval de WUR) ziet hierop toe. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot afwijzing.
Als blijkt dat de betrokkene een gevaar voor de openbare orde en/of nationale veiligheid vormt, zal de aanvraag worden geweigerd.
Bent u bereid vast te leggen dat universiteiten geen financiële, juridische of bestuurlijke verplichtingen mogen aangaan richting personen uit conflictgebieden zolang niet vaststaat dat dit noodzakelijk, veilig en volledig getoetst is en dat dit niet leidt tot precedentwerking?
Het staat buitenlandse studenten vrij om een studie aan Nederlandse universiteiten te volgen als zij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Het in mijn vorige antwoord benoemde reguliere proces is hier een onderdeel van voor studenten die niet uit de EER of uit Zwitserland komen. Deze processen zijn in dit geval doorlopen en hiermee zijn de studenten wat mij betreft afdoende getoetst.
Ik zie op dit moment geen reden om de bestaande processen en regelgeving op dit gebied te wijzigen.
Het bericht dat de NS ICT uitbesteedt aan een Amerikaanse leverancier |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS besteedt ict deels uit aan Amerikaanse leverancier»?1
Kunt u toelichten welke ICT-processen van de NS precies worden uitbesteed?2 Zijn dit (onderdelen van) kritieke processen met gevolgen voor de continuïteit van de NS indien ze langer dan één dag uitvallen?
Klopt het dat er ook (onderdelen van) beveiligingssystemen worden uitbesteed aan een Amerikaans bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de digitale autonomie van de Nederlandse (spoor)infrastructuur?
Deelt u de opvatting van de NS dat de uitbestede processen niet missiekritisch zijn?3 Kunt u schetsen welke gevolgen het heeft voor de dienstverlening van de NS indien deze systemen wél uitvallen? Kunt u uitsluiten dat de uitvoering van de dienstverlening van NS (het laten rijden van treinen op het hoofdrailnet) in gevaar zou kunnen komen wanneer de betreffende systemen uitvallen? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, deelt u dan de zorgen over deze uitbesteding?
Kan de Amerikaanse overheid, via wet- en regelgeving zoals de CLOUD Act, Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333, toegang krijgen tot gevoelige gegevens over de Nederlandse spoorinfrastructuur? Kunt u dit met een ja of nee beantwoorden en dit met concrete verwijzing naar relevante juridische bronnen toelichten?
Biedt de groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse ICT-bedrijven de mogelijkheid voor de Verenigde Staten om druk uit te oefenen op Nederland, bijvoorbeeld door de continuïteit van de dienstverlening van de NS in gevaar te brengen?
Deelt u de mening dat de NS digitale autonomie zou moeten betrachten en af zou moeten zien van deze aanbesteding bij een Amerikaans bedrijf? Welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?
Waarom voldeed KPN niet meer als aangewezen ICT-leverancier voor deze diensten? Was het strikt noodzakelijk om de ICT uit te besteden, en zo ja, waarom aan een niet-Europees bedrijf?
Past de keuze van de NS om haar ICT uit te besteden aan een Amerikaans bedrijf binnen de ambitie van het kabinet om meer digitaal onafhankelijk te worden? Welke rol heeft de Staat als enig aandeelhouder hierin?
Hoe kijkt u aan tegen de keuze van de NS om, tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke situatie en nadat de Rijksoverheid herhaaldelijk het belang van digitale autonomie benadrukte, alsnog ICT uit te besteden aan een niet-Europees bedrijf?
Acht u de lange doorlooptijd van het contract, namelijk zes tot twaalf jaar, geschikt gezien de onzekerheid van de geopolitieke relatie met de Verenigde Staten?
Klopt het dat er geen nationale richtlijnen bestaan om Amerikaanse partijen te weren? Staat dit wel voorzien in het nieuwe cloudbeleid dat nog steeds in ontwikkeling is?
Is in deze aanbesteding voldaan aan de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), waarin staat dat er strenge eisen gesteld moeten worden aan digitale autonomie en soevereiniteit?
Is het mogelijk om via het Cloud Sovereignty Framework van de EU wél voorkeur te geven aan Europese partijen bij ICT-aanbestedingen? Waarom is daar in dit geval geen gebruik van gemaakt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden, nog voordat er onomkeerbare stappen worden gezet?
15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TikTok-gebruikers aangezet tot terreur voor IS, 15 arrestaties»?1
Over welke verblijfsstatussen beschikken de 13 Syrische verdachten, en wat is het herkomstland van de overige verdachten met de Nederlandse nationaliteit?
Kunt u bevestigen dat er al in augustus vorig jaar zicht was op deze verdachten bij de eenheden? Zo ja, waarom hebben deze gevaarlijke jihadisten al die tijd vrij rond kunnen lopen en onze samenleving in gevaar kunnen brengen? Hoeveel van dit soort tikkende tijdbommen lopen er nog steeds rond in Nederland?
Hoe konden deze Syriërs überhaupt Nederland binnenkomen, terwijl ze nu verdacht worden van het aanzetten tot islamitisch terrorisme?
Bent u bereid om deze verdachten na hun veroordeling Nederland uit te zetten, en waar van toepassing, hun verblijfsvergunning in te trekken of de Nederlandse nationaliteit af te pakken? Zo nee, waarom tolereert u dit soort bedreigingen voor onze veiligheid?
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme en dat het Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u eindelijk bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren alsmede een stop op immigratie uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten |
|
Sarah Dobbe |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en gehandicapte kinderen onverwachts gaan sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat vier specialistische zorgvilla’s voor ernstig zieke en meervoudig gehandicapte kinderen hun deuren moeten sluiten. Dit is zeer ingrijpend en buitengewoon vervelend voor de betrokken kinderen en hun ouders of verzorgers, die dagelijks afhankelijk zijn van intensieve en gespecialiseerde zorg. Ook voor de medewerkers, die zich met grote betrokkenheid inzetten voor deze kwetsbare groep, brengt dit veel onzekerheid met zich mee.
Juist bij deze vorm van zorg is continuïteit van groot belang. Wanneer die onder druk komt te staan, leidt dat begrijpelijkerwijs tot zorgen. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen zorgvuldig handelen, ouders en medewerkers goed informeren en alles op alles zetten om passende oplossingen te vinden, waarbij het belang van het kind steeds vooropstaat.
Begrijpt u dat het een enorme impact heeft als deze kinderen straks zijn aangewezen op zorgvilla’s die veel verder weg liggen of op thuiszorg, indien hier überhaupt al plek is?
Ik begrijp dat ouders en hun kinderen in onzekerheid verkeren over waar hun kind zorg kan krijgen. Ik hecht daarom grote waarde aan het belang van continuïteit van zorg, en begrijp dat de huidige situatie veel vraagt van kinderen, hun ouders en medewerkers van Villa ExpertCare.
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Deelt u de analyse dat de tarieven die door de zorgverzekeraars worden gerekend voor deze vorm van zorg tekortschieten en dat dit de reden is voor het sluiten van deze villa’s?
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting2. De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»3. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u bereid om de tarieven te laten herijken via een kostprijsonderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Is bekend of ExpertCare de afgelopen jaren verlies of winst heeft gemaakt op de zorgvilla’s?
Uit de openbare jaarverantwoordingen van Villa ExpertCare valt op te maken dat in 2022 en 2024 een negatief resultaat is behaald en in 2023 een positief resultaat. De jaarverantwoording over 2025 is nog niet gepubliceerd.
Welke alternatieven zijn er voor gezinnen die nu gebruik maken van deze zorgvilla’s en is daar voldoende capaciteit om al deze gezinnen de juiste zorg te kunnen bieden?
In februari 2026 is overleg geweest tussen de Branchevereniging integrale kindzorg (Binkz), zorgverzekeraars en de NZa. Mogelijk kan één van de zeven andere leden van Binkz die 24-uurs kindzorg leveren een oplossing bieden. Maar het hoeft niet altijd intramuraal te zijn. Er wordt voor ieder kind gekeken wat passend is.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze villa’s open kunnen blijven en dat gezinnen een goede gespecialiseerde opvangplek blijven houden?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Op dit moment is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Het bericht 'Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat ‘op te hangen aan een lantaarnpaal’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat «op te hangen aan een lantaarnpaal»»?1
Ja.
Is het correct dat een medewerker van zorgorganisatie SamenTwente op Twitter/X over een 19-jarige FVD-kandidaat voor de gemeenteraad in Utrecht heeft geschreven: «Met fascisten ga je geen debat aan. Da’s zonde van de tijd. Die moet je gewoon ouderwets ondersteboven aan een lantaarnpaal hangen. En eventueel Bella Ciao erbij zingen.»? Is de Minister bereid, eventueel gebruik makend van de «trusted flagger» status van het ministerie, bij Twitter/X na te vragen of deze tweet daadwerkelijk verstuurd is? Zo nee, waarom niet?
Het doen van bedreigingen keur ik in alle gevallen ten zeerste af. De impact van een bedreiging kan voor iemand zeer ingrijpende gevolgen hebben. Dat gezegd hebbende is het in deze situatie niet aan de Minister van BZK om te verifiëren of bepaalde uitingen al dan niet daadwerkelijk op sociale media zijn gedaan, om uitingen te controleren op echtheid of om na te gaan wie verantwoordelijk is voor de plaatsing ervan. Indien iemand van mening is dat er sprake is van een strafbaar feit kan er aangifte worden gedaan. Ook kan een bericht gemeld worden bij een platform zoals X. Strafbare illegale berichten moeten door X worden verwijderd na melding.
Voor een uitleg over de inzet van de «verkiezingen flaggerstatus» verwijs ik u naar de betreffende bijlage bij de brief van mijn voorganger van 9 januari jl. over de Tweede Kamerverkiezingen.2
Klopt het dat de medewerker van deze zorgorganisatie formeel gezien een «ambtenaar» is?
Zoals hiervoor aangegeven is het geen onderdeel van mijn verantwoordelijkheid om na te gaan wie verantwoordelijk is voor plaatsing van uitingen op sociale media.
Vindt de Minister, primair verantwoordelijk voor zowel het functioneren van de rijksdienst (ambtenarij) als het beschermen van onze democratie, het acceptabel voor een ambtenaar om publiekelijk een kandidaat van een politieke partij waar deze ambtenaar het niet mee eens is, te bedreigen? Is een dergelijke (doods)bedreiging verenigbaar met de Ambtenarenwet?
Het is in alle gevallen volstrekt onacceptabel en onder omstandigheden strafbaar om politici te bedreigen. De toenemende intimidatie van politici is een ernstige ontwikkeling die een bedreiging vormt voor een goede werking van onze democratie. Vanuit het programma Weerbaar Bestuur zet ik mij daarom in om politieke ambtsdragers te ondersteunen wanneer zij geïntimideerd of bedreigd worden.
De Ambtenarenwet 2017 schrijft onder meer voor dat een ambtenaar is gehouden zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ook schrijft de wet voor dat een overheidswerkgever zorgt voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen. Het spreekt voor zich dat een bewezen (doods-)bedreiging door een ambtenaar zich niet verhoudt tot het voorgeschreven goed ambtelijk handelen. Of en in hoeverre overschrijding van de geldende normen in een bepaalde casus aan de orde is, is ter bepaling van de werkgever van de betrokken ambtenaar.
Behoort, in de ogen van de Minister, een ambtenaar, die een (kandidaat-)politicus publiekelijk bedreigt uit zijn ambt te worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Indien een ambtenaar gedrag vertoont dat volgens de werkgever grensoverschrijdend is, kunnen daar consequenties aan verbonden worden. Welke consequenties dat zijn kan onder andere afhangen van wat daarover in een cao is afgesproken, de aard en context van het geconstateerde gedrag, of er sprake is van recidive en of er sprake is van een strafbaar feit.
Het bericht 'Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: ‘Einde aan de Oslo-akkoorden’' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël neemt het bestuur van Palestijnse steden deels over: «Einde aan de Oslo-akkoorden»»?1
Ja.
Bent u het eens met de constatering in het artikel dat met de besluiten van het Israëlische kabinet «een einde [is gekomen] aan de Oslo-akkoorden»? Zo nee, waarom niet?
Een van de besluiten ontneemt de Palestijnse Autoriteit bepaalde bevoegdheden op het gebied van toezicht en handhaving in Gebieden A en B. Dit is niet in overeenstemming met de Oslo-akkoorden, waarin is vastgelegd dat Israël geen zeggenschap heeft over burgerzaken in die gebieden. Ook zetten de plannen de fragiele situatie op de Westelijke Jordaanoever verder onder druk, juist op het moment dat alle inspanningen gericht moeten zijn op het laten slagen van het vredesplan en het werken naar een tweestatenoplossing. Het is dan ook zaak dat de besluiten niet in uitvoering worden gebracht.
Veroordeelt u, in navolging van onder andere het Verenigd Koninkrijk, de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft deze besluiten van het Israëlische veiligheidskabinet veroordeeld en zich hier publiekelijk over uitgesproken op politiek niveau en onder andere ook op 17 februari jl. in New York in een breed gezelschap van 80 VN-landen.
Heeft u uw Israëlische ambtsgenoot aangesproken op de besluiten van het Israëlische kabinet? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
In een publieke verklaring heeft Nederland Israël opgeroepen deze besluiten niet te implementeren. Daarnaast is deze boodschap bilateraal meermaals op politiek en hoog ambtelijk niveau aan Israël overgebracht, waaronder in mijn gesprek met Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 25 februari jl.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan de blijvende ondermijning van het perspectief op een Palestijnse Staat door het Israëlische kabinet? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden als onrechtmatig. Daar spreekt Nederland zich consequent en nadrukkelijk over uit, en ondersteunt dit standpunt met beleid. Zo ontmoedigt de Nederlandse overheid economische relaties met bedrijven in illegale nederzettingen, en beperkt het kabinet de samenwerking met Israël tot binnen de grenzen van 1967. Daarnaast heeft het kabinet reeds verschillende acties ondernomen naar aanleiding van unilaterale stappen van Israël die een tweestatenoplossing ondermijnen. Zo heeft het kabinet o.a. naar aanleiding van de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever het initiatief genomen tot de evaluatie van de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Ook heeft het kabinet, o.a. na het besluit tot uitbreiding van nederzettingen in E1-gebied in augustus 2025, besloten nationale maatregelen voor te bereiden om producten uit onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden te weren. Daarnaast heeft Nederland Israëlische Ministers Smotrich en Ben Gvir tot persona non grata verklaard n.a.v. uitspraken over annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet blijft met relevante partners bespreken welke inzet, waaronder in EU-verband, effectief kan zijn. Zie ook antwoord op vraag 6.
Heeft u reeds opvolging gegeven aan de aangenomen motie-Piri (Kamerstuk 23 432, nr. 620) over het opnieuw agenderen van de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord? Zo ja, kunt u toelichten hoe? Zo nee, bent u bereid dit spoedig te doen?
Met het vredesplan van president Trump is de inzet van Nederland en de EU erop gericht om dit plan te laten slagen. Dat betekent niet dat de voorgestelde EU-maatregelen, zoals het gedeeltelijk opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, van tafel zijn. Naast de ontwikkelingen op de Westelijke Jordaanoever heeft Nederland o.a. ook grote zorgen over de humanitaire situatie in Gaza. Deze zorgen heeft Nederland ook bilateraal overgebracht bij Israel en Nederland heeft in de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. overgebracht dat, indien de situatie niet verbetert, het nodig kan zijn om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen in het kader van de evaluatie van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël opnieuw te agenderen.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Verkeerde taxaties door goudwisselkantoor |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Consumentenprogramma Kassa: Goudwisselkantoor taxeert ver onder de waarde van de NOS?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat consumenten op deze wijze worden opgelicht?
In hoeverre bent u van mening dat er sprake is van een functionerende vrije markt wanneer de prijsvorming zo afhankelijk is van willekeur?
Deelt u de mening dat een eerlijke prijsvorming in deze markt in de weg wordt gezeten door een groot verschil in informatiepositie en dat regulering daartoe wenselijk is?
Waarom is de handel van goud in Nederland nog niet gereguleerd?
Wat is het verschil tussen de Nederlandse markt voor goudinkoop en de Franse, waar er wel sprake is van regulering door de overheid?
Wat is er nodig om de consumentenbescherming voor de markt voor goudinkoop, net zoals in Frankrijk en België, te verbeteren?
Welke stappen gaat u ondernemen om consumenten beter te beschermen tegen goudwisselbedrijven die oneerlijk handelen?
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
De oproep van experts om AI-uitkleedsoftware wereldwijd te verbieden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest, wereldwijd ondertekend, die oproept om AI-uitkleedsoftware te verbieden?1
Wat is uw reactie op het manifest? Kunt u inhoudelijk reageren op de specifieke oproepen aan beleidsmakers van EU-lidstaten?
Steunt u het manifest? Zo ja, op welke manieren geeft u uitvoering aan de aanbevelingen?
Hoe gaat u de motie-Van der Werf c.s. [Kamerstuk 36 800 VI-80] uitvoeren die vraagt om een onderzoek naar een verbod op dergelijke apps?
Kunt u de wettelijke maatregelen tegen uitkleedsoftware versnellen, en zo spoedig mogelijk met wetgeving komen om AI-uitkleedsoftware te verbieden?
Bent u bekend met de oproep van Spanje, gesteund door Ierland, Frankrijk en Slovenië, om AI-uitkleedsoftware te verbieden in artikel 5 van de Europese AI Act?2, 3
Deelt u de analyse van deze landen dat AI-uitkleedsoftware al is verboden in de Europese Unie? Zo niet, bent u bereid te pleiten voor een Europees verbod?
Bent u bereid om Nederland bij deze groep EU-lidstaten te voegen? Welke expertise en ondersteuning kan Nederland in deze groep bieden, bijvoorbeeld met organisaties als Offlimits aan tafel?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Het bericht 'Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao' |
|
Elles van Ark (CDA), Derk Boswijk (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
van Marum , Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de NRC-artikelen «Nederland laat illegale tanker met Venezolaanse olie toe in Curaçao» van 21 januari 2026 en «Olietankers uit Venezuela door Nederland en Curaçao aan de ketting gelegd» van 7 februari 2026?1, 2
Ja.
Klopt het dat de olietanker Regina op 15 januari 2026 Venezolaanse olie heeft gelost in Curaçao terwijl het schip voer onder een frauduleuze vlag van Oost-Timor, de verplichte Automatic Identification System (AIS)-transponder langdurig was uitgeschakeld, het schip vermeld stond op een Amerikaanse sanctielijst en het opgegeven Maritime Mobile Service Identity (MMSI)-nummer niet bij dit schip hoorde? Zo ja, hoe verklaart u dat dit schip desondanks toestemming heeft gekregen om aan te meren en te lossen?
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het betreffende land. Alle landen van het Koninkrijk zijn gehouden aan de EU sanctielijst. Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Er is bij MT Regina geen sprake van overtreding van EU-sancties bij het aanmeren van deze schepen in de havens van Curaçao.
Schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole. Daarmee is meer feitelijk vast te stellen of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Tijdens het eerste bezoek van de MT Regina aan Curaçao op 15 januari is een havenstaatcontrole uitgevoerd door de Curaçaose autoriteiten.
Verificatie van detail gegevens is complex en vereist toegang tot bepaalde informatie. Die is niet altijd ter plaatse voorhanden zoals ook in dit geval. Na de inspectie is het schip vertrokken en is het inspectierapport, voor advies en ter informatie, door Curaçao gedeeld met Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Onder coördinatie van de KMA werken de vier landen van het Koninkrijk op maritiem gebied samen3. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd maar in ad hoc situaties wordt er informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot collegiale expertise en advies gegeven.
De KMA heeft hierop Nederlandse experts (waaronder ILT) gevraagd informatie na te trekken via diverse (specialistische) bronnen. Hieruit werd bevestigd dat het schip onder andere een valse vlag voerde. Zoals verwoord in antwoord op vraag 4 van de leden Van Oosterhout en Tseggai, valt het voeren van een valse vlag niet onder de (EU) sancties.
Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Een Maritime Mobile Service Identity (MMSI) is een uniek, negen-cijferig nummer dat in de maritieme communicatie wordt gebruikt om communicatieapparatuur van schepen en kuststations te identificeren. Het MMSI-nummer wordt verstrekt door het land waar het schip geregistreerd is (vlagstaat).
De Curaçaose autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld met daarbij het advies bepaalde informatie aan boord diepgrondiger te verifiëren in geval van een nieuw havenbezoek. Dat is gebeurd op 26 januari waarop het schip is aangehouden. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Wanneer waren het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Inspectie Leefomgeving en Transport en andere betrokken Nederlandse autoriteiten voor het eerst op de hoogte van deze overtredingen en signalen, waaronder de internationale waarschuwingen van Oost-Timor aan Internationale Maritieme Organisatie (IMO)-lidstaten over frauduleuze vlagvoering?
Buitenlandse Zaken was hiervan voor het eerst op de hoogte op 21 januari. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 hierboven en antwoord op vraag 5 van de leden Van Oosterhout en Tseggai.
Hoe verhoudt de eerdere verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat Nederland pas na vragen van NRC op 21 januari 2026 kennisnam van de valse vlag en andere schendingen zich tot het feit dat de Curaçaose Maritieme Autoriteit al eerder twijfels had over de vlagvoering en hierover contact opnam met Nederland?
Onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de vier landen van het Koninkrijk samen op maritiem gebied. Dat gebeurt grotendeels regulier en gestructureerd via geplande vergaderingen maar in ad hoc situaties wordt er (bilateraal) informatie gedeeld, netwerken verbonden voor toegang tot expertise en advies gegeven. Buitenlandse zaken is geen direct betrokken partij wanneer het maritieme aangelegenheden (zoals een havenstaatcontrole) betreft, wel wordt er nauw samengewerkt wanneer het sancties en sanctienaleving betreft. Daarvan lijkt hier echter geen sprake zoals toegelicht onder vraag 2. Er was derhalve geen directe aanleiding voor contact met Buitenlandse Zaken.
Klopt het dat de Regina pas bij het tweede aanmeren op 28 januari 2026 aan de ketting is gelegd, nadat vanuit Den Haag was bevestigd dat sprake was van valse vlagvoering en vermoedelijke schendingen van Europese sanctieregels? Wat zegt dit volgens u over het eerdere toezicht en de informatie-uitwisseling?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Welke verantwoordelijkheid draagt Nederland dan wel Curaçao voor de veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de Filipijnse bemanning van de Regina, die door het aan de ketting leggen van het schip vast is komen te zitten, en welke stappen zijn hierin gezet?
De veiligheid, rechtspositie en het welzijn van de bemanning zijn internationaal geregeld op grond van het MLC-verdrag.4 De verantwoordelijkheid voor de bemanning aan boord van zeeschepen ligt primair bij de reder/scheepsbeheerder en secundair bij de vlagstaat. Bij het in gebreke blijven van voornoemde partijen, komt de kuststaat (Curaçao) in beeld.
De Maritieme Autoriteit Curaçao meldt dat zij in goed contact is met de scheepsagent. Daarnaast monitort zij de situatie met de bemanning aan boord. Enkele bemanningsleden hebben toestemming gekregen te vertrekken. De betaling, welzijn en verzorging van de bemanning zijn nog niet in gevaar.
Klopt het dat ook andere tankers die op internationale sanctielijsten staan, zoals de Volans en mogelijk de Albedo, onderweg zijn of waren naar Curaçao? Welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat opnieuw schepen met vergelijkbare risico’s worden toegelaten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend ten aanzien van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving ervan. De handhaving van sancties binnen de jurisdictie van Curaçao is echter aan de autoriteiten van Curaçao. Beide schepen komen niet voor op een EU-sanctielijst. Daarmee is er geen harde weigeringsgrond zoals toegelicht in eerdere antwoorden. De Volans komt voor op diverse andere sanctielijsten, de Albedo niet. De EU heeft echter geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch is zij gehouden aan andere sanctielijsten.
Informatie en procedures worden voortdurend bekeken, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig; in de landen zelf en tussen de vier landen van het Koninkrijk middels samenwerking onder coördinatie van de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA). Zo ook ten aanzien van de pre-arrival procedure. De autoriteiten op Curaçao evalueren met alle relevante instanties de bestaande procedure en passen deze aan waar nodig. Ook de reikwijdte en juridische mogelijkheden van ontzeggende procedures, met name op EU gesanctioneerde schepen, wordt beschouwd in samenwerking met de Kustwacht Caribisch Gebied. De KMA is hierover geïnformeerd en heeft initiatief genomen om dit proces waar mogelijk Koninkrijksbreed te harmoniseren, tenminste met de maritieme autoriteiten in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Klopt het dat oliehandelaar Trafigura door de Amerikaanse overheid is ingehuurd om Venezolaanse olie te commercialiseren en dat daarvoor een vergunning van de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC is verleend? Is de Nederlandse regering vooraf geïnformeerd over deze constructie en de daaraan verbonden juridische en politieke risico’s?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld of bekend met Nederland.
Heeft de Verenigde Staten contact met Nederland of Curaçao gezocht naar aanleiding van het aan de ketting leggen van de schepen?
Nee. De Verenigde Staten hebben dit niet formeel bij Nederland noch Curaçao aangekaart.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao en Nederland door het faciliteren van deze olietransporten en -opslag worden betrokken bij het omzeilen van sancties en mogelijk schendingen van internationaal recht?
Nadere details over commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet bekend of gedeeld met Nederland. Mocht de Amerikaanse sanctie-autoriteit OFAC voor deze transacties een ontheffing hebben verleend, dan zou er geen sprake zijn geweest van mogelijke omzeiling van sancties. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale regelgeving is overtreden.
Deelt u de opvatting van verschillende hoogleraren internationaal recht en Caribisch staatsrecht dat deze kwestie niet kan worden aangemerkt als een louter commerciële transactie, maar raakt aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen vallen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Het enkele feit dat er een buitenlandse component aan zit betekent niet dat deze kwestie aan de buitenlandse betrekkingen van het Koninkrijk raakt.
Is deze kwestie in de Rijksministerraad besproken, waar Nederland een belangrijke (meerderheids)stem heeft? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens dit alsnog te agenderen? Bent u van mening dat het in deze casus van groot belang is dat Nederland en Curaçao gezamenlijk optrekken, gezien de rijksverantwoordelijkheid voor buitenlandse betrekkingen, sanctieregimes en de naleving van internationaal recht?
Nee. Deze kwestie betreft geen Koninkrijksaangelegenheid. Er zijn geen EU-sancties op Venezolaanse olie en de betreffende schepen staan niet op een EU-sanctielijst. En, zoals gesteld in het antwoord op vraag 11, vallen commerciële transacties, toelating van schepen tot havens en inspecties van (lading van) schepen onder de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het autonome land Curaçao. Ten slotte vindt er op het juiste niveau actief samenwerking en uitwisseling van informatie plaats. Samenvattend is er geen aanleiding dit actief te agenderen op voornoemd niveau.