Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
De datakluis met documenten over het toeslagenschandaal |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Op welke wijze is binnen het ministerie geborgd dat de wettelijke en procedurele informatieplicht richting de parlementaire enquêtecommissie volledig, tijdig en controleerbaar is nageleefd bij de omgang met de desbetreffende datakluis? Classificeert u deze borging met het huidige inzicht als afdoende en doeltreffend? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?1
Het Ministerie van Financiën heeft de informatieplicht richting de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD) met verschillende waarborgen omkleed. Het uitgangspunt is altijd volledige medewerking in het belang van het onderzoek geweest. De informatiefase en het leveren van documenten zijn met zorgvuldigheid uitgevoerd. Onderzoekskeuzes en zoekmethoden zijn vastgelegd en transparant met de enquêtecommissie gedeeld. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën de Auditdienst Rijk (ADR) als onafhankelijke derde gevraagd de inrichting en uitvoering van het gehanteerde werkproces bij de levering van stukken aan de parlementaire PEFD te onderzoeken. Het doel van het onderzoek was om inzicht te geven in het doorlopen proces om zo witte vlekken in kaart te brengen en verbeteringen in de werkwijze door te voeren voor de volgende parlementaire enquête.
Ten aanzien van de datakluis zijn, zoals ook blijkt uit het BDO-rapport: «in de periode na 2019 verschillende activiteiten ondernomen, waaronder: het formuleren van KPI's voor opschoning en vernietiging; het opstellen van plannen van aanpak per directie; het uitvoeren van inventarisaties van de inhoud van de datakluis; het ontwikkelen van pilots en voorstellen voor (gedeeltelijke) ontsluiting. Uit interviews en verslaglegging volgt dat de uitvoering van deze activiteiten per directie en periode varieerde en dat de voortgang afhankelijk was van beschikbare capaciteit, prioritering en inzicht in de data.» De kennis over de datakluis was dus aanwezig in de organisatie. De in het rapport benoemde medewerker heeft in elk geval zorgvuldig gehandeld door de datakluis onder de aandacht te brengen.
Dat de datakluis desondanks niet is meegenomen in de zoekslag voor de PEFD had nooit mogen gebeuren. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij opgenomen dat wij de aanbeveling van BDO onverkort overnemen. Dit betekent dat wij de door BDO aanbevolen vervolgonderzoeken zullen doen, waaronder een onderzoek naar signalen in het proces van informatievoorziening. Hierin zal aandacht worden besteed aan mogelijke andere signalen over de datakluis, ook bij andere zoekslagen, en aan het oppakken van deze signalen.
Hoe is vastgesteld dat de betrokken medewerker, die reeds in 2022 kennis had van de datakluis, heeft gehandeld in overeenstemming met de interne zorgvuldigheids-, informatie- en archiveringsnormen die gelden bij parlementaire informatieverstrekking?
Zie antwoord vraag 1.
Kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van actieve selectie, filtering of afbakening van informatie, die aan de parlementaire enquêtecommissie is verstrekt? Zo ja, op basis van welke toetsing is die conclusie getrokken?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze is de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het handelen of nalaten van de betrokken medewerker in dit proces vastgesteld, beoordeeld en intern gedocumenteerd? Classificeert u deze procedure met het huidige inzicht als afdoende en doeltreffend? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt de stelling dat het niet verstrekken van de documenten uit de datakluis «geen impact heeft gehad op de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie» zich tot het feit dat deze commissie de desbetreffende informatie zelf niet heeft kunnen beoordelen? Op welke objectieve en verifieerbare onderbouwing is deze conclusie gebaseerd en op welke grond meent het kabinet zich daarover uit te kunnen laten?
De bevindingen van de PEFD zijn zeer stevig. Het gaat hierbij om onder meer:
Het kabinet heeft deze conclusies volledig omarmd en maakt hier werk van. De Staatssecretaris Herstel Toeslagen zal uw Kamer in het najaar berichten over de voortgang van de aanbevelingen die de PEFD heeft gedaan. Op dit moment is er geen zicht op de gehele inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten. Wel is, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 15 april, uit steekproeven gebleken dat in de datakluis documenten zitten die geleverd hadden moeten worden aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
Graag willen we net als in de brief van 15 april 2026 benadrukken dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Classificeert u het feit dat zeven ambtsvoorgangers reeds van het bestaan van de datakluis afwisten en desondanks deze bewust of onbewust hebben achtergehouden als dermate problematisch dat daaraan straf- of bestuursrechtelijke consequenties verbonden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de feiten die blijken uit het BDO-rapport herken ik de in de vraag 6 en 7 geschetste situatie niet.
De datakluis is in 2019 ingericht omdat de Belastingdienst achterliep met het opschonen en vernietigen van gegevens van de Q-schijf in het kader van de AVG en de archiefwet. Hierover is de Kamer destijds geïnformeerd.2 De datakluis komt ook terug in het rapport van de ADR uit datzelfde jaar.
Dat als gevolg van de datakluis bepaalde, zwaarwegende, vorderingen niet zijn nagekomen en mogelijk regels zijn overtreden is zeer ernstig. Er zijn in het onderzoek van BDO geen aanwijzingen dat dit opzettelijk is gebeurd met als doel voordeel te behalen.
Kunt u aangeven waarom u niet actief wil kijken naar strafrechtelijke vervolging nu blijkt dat het complete stelsel, van ambtenaren tot bewindspersonen, jarenlang en stelselmatig zowel de Kamer als gedupeerden heeft voorgelogen, mede terwijl zij onder ede verklaarden? Zo nee, wat is er volgens u nog meer nodig om hiervoor wel in aanmerking te komen?
Zie antwoord vraag 6.
Activistische ngo's |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het maatschappelijke middenveld in Nederland voor een substantieel deel van haar inkomsten afhankelijk is van de Nederlandse overheid, waaronder tientallen miljoenen via subsidiekaders zoals Power of Voices?
De afhankelijkheid van overheidsfinanciering is per organisatie verschillend. Dergelijke gegevens zijn over het algemeen te vinden in de financiële jaarverslagen van ngo’s die worden gepubliceerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) schatte in 2024 op basis van deze gegevens dat een meerderheid van de Nederlandse ngo’s die subsidie ontvingen uit het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waaronder het programma Power of Voices, voor minder dan de helft van hun inkomsten afhankelijk was van middelen van BZ.
In het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingssamenwerking, genaamd Focus, beoogt het kabinet de onafhankelijkheid van maatschappelijke organisaties van overheidsfinanciering verder te stimuleren. Zo is er een vereiste dat organisaties minstens 25% van hun totale inkomsten van anderen dan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) moeten ontvangen. De mate van financiële onafhankelijkheid van BZ bepaalt ook hoeveel middelen organisaties maximaal kunnen ontvangen uit dit kader.
Hoe kijkt u naar de situatie dat de overheid organisaties financiert die diezelfde overheid vervolgens regelmatig voor de rechter dagen en publiekscampagnes tegen bewindspersonen opzetten? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat de overheid op deze schaal organisaties financiert die zich tegelijkertijd opstellen als ware zij politieke oppositie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid, ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten. Tegenspraak is een fundamenteel onderdeel van een gezonde democratische samenleving. Zoals ook opgenomen in het coalitieakkoord heeft het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol tussen regering en alle inwoners van Nederland en tussen regering en het bedrijfsleven.1 Binnenkort zal het kabinet in de kabinetsreactie op het rapport van het College voor de Rechten van de Mens over de maatschappelijke ruimte verder ingaan op dit onderwerp.2
Uit de BHOS-middelen wordt de pleitbezorgingsrol van het maatschappelijk middenveld dan ook gefinancierd, ook binnen Nederland, zolang dit ten goede komt van de ontwikkelingsdoelen in lage- en middeninkomenslanden. Een subsidieontvanger mag de subsidie niet gebruiken voor andere activiteiten dan waarvoor de subsidie is verstrekt. Dat betekent dat activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten die door het ministerie worden gefinancierd, moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006.3 Het ministerie heeft geen zeggenschap over activiteiten van organisaties die niet door het ministerie worden gesubsidieerd.
Hoe beoordeelt u het verweer van ngo's dat dergelijke binnenlandse campagnes bekostigd worden uit private middelen?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking onlosmakelijk verbonden is met het gedrag en de profilering van ngo's die deze programma's met overheidsgeld uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
De publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking is van vele factoren afhankelijk. Mogelijk speelt het gedrag van ngo’s hier een rol in, zowel positief als negatief. Uit onderzoek van Ipsos I&O blijkt dat in 2025 50% van de ondervraagde Nederlanders ontwikkelingssamenwerking redelijk tot heel belangrijk vindt.4 Van diezelfde groep gaf 60% aan humanitaire hulp redelijk tot heel belangrijk te vinden. Beide cijfers zijn een stijging ten opzichte van de voorgaande jaren.
Erkent u het risico dat het maatschappelijk draagvlak voor daadwerkelijke armoedebestrijding en humanitaire hulp afneemt, wanneer gesubsidieerde organisaties zich opwerpen als partijdige en activistische spelers in nationale politieke kwesties? Wat betekent dit naar uw mening voor het werk waar zij voor zijn opgericht, zoals het bestrijden van armoede en onrecht in zuidelijke landen?
Zie antwoord op vraag 4. Maatschappelijke organisaties en hun achterban gaan zelf over de doelen die zij nastreven en de manier waarop zij dit doen.
Bent u het eens dat een meer politiek neutrale opstelling van door de overheid gefinancierde organisaties wenselijk is, niet alleen vanuit een democratisch principe, maar juist ook om een bestendig publiek vertrouwen in de ontwikkelingssector en het bijbehorende draagvlak te behouden?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, dient er juist vanuit een democratisch principe, ruimte te zijn voor tegenspraak. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in het laten doorklinken van verschillende stemmen in de maatschappij.
Bent u bekend met de manier waarop in andere landen wordt omgegaan met de politieke rol van ngo’s, zoals in de Verenigde Staten waar een wettelijke scheiding is aangebracht tussen apolitiek humanitair werk en gepolitiseerd activisme?
Ja.
Wat vindt u van het Britse model, waarbij een toezichthouder meekijkt naar de politieke neutraliteit van maatschappelijke organisaties, en waarbij belastingvoordelen in het geding kunnen komen indien een organisatie zich richt op partijpolitiek of gepersonaliseerde campagnes?
Zie antwoord op vraag 9.
Ziet u buitenlandse modellen als voorbeeld voor het subsidiëren van Nederlandse ngo’s? Als het antwoord nee is, waarom niet?
Nee, ik zie dergelijke buitenlandse modellen niet als voorbeeld. In Nederland verstrekt BZ subsidies op basis van de Algemene wet bestuursrecht en de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorwaarden worden gesteld aan de te financieren activiteiten, niet aan de te financieren organisaties. Activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten, die door het ministerie worden gefinancierd moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006. Uitgesloten van subsidiering zijn activiteiten die zich (mede) richten op bekeringsdrang en activiteiten waarbij sprake is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar en/of verboden zijn.
Welke mogelijkheden ziet u binnen het nieuwe subsidiekader (2026–2030) om te bevorderen dat organisaties die subsidie krijgen van de Nederlandse overheid zich meer politiek neutraal opstellen, mede om het maatschappelijk draagvlak te beschermen of te vergroten?
Zie antwoord op vraag 9 over de basis waarop subsidies worden verstrekt. Deze voorwaarden zijn ook toegepast op de subsidies die zijn of worden verstrekt binnen het nieuwe beleidskader Focus.
Welke aanvullende instrumenten heeft het kabinet over de volle breedte ter beschikking om te zorgen voor een betere scheiding tussen gesubsidieerd ontwikkelingswerk en binnenlands politiek activisme?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om opties te verkennen om te voorkomen dat organisaties met een door de overheid gesubsidieerd profiel fungeren als partijdig activistisch platform?
Zie antwoord op vraag 2.
Is uw inschatting dat, wanneer de Nederlandse overheid vaker internationale ngo’s zou steunen, het activistische element minder groot zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 2, vindt het kabinet het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse beleid. Dat geldt voor zowel internationale als Nederlandse ngo’s ook wanneer zij financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en tijdig beantwoorden, voorafgaand aan het debat over de beleidsbrief Buitenlandse Zaken van 9 september?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
Heeft u kennisgenomen van recente uitspraken van de Israëlische Minister van Nationale Veiligheid Ben-Gvir, waarin hij stelt dat er «elke nacht 30 tot 40 mensen uitgeschakeld» zouden moeten worden, «niet alleen degenen die een directe bedreiging vormen», en dat bepaalde personen «het leven niet waard zijn»?1
Ja.
Deelt u de analyse van mensenrechtenexperts dat deze uitspraken, in combinatie met eerdere oproepen van Ben-Gvir tot massale deportatie van Palestijnen uit Gaza, moeten worden gezien in een patroon van aanzetten tot geweld en etnische zuivering? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir wijzen op een patroon van aanzetten tot geweld en gedwongen verplaatsing.
Deelt u de opvatting dat de uitspraken van Minister Ben-Gvir, als prominent lid van de regering-Netanyahu, niet los gezien kunnen worden van het gevoerde beleid van diezelfde regering, en dat zij daarmee bevestigen dat het doden en verdrijven van Palestijnse burgers geen ongelukkig neveneffect, maar doelbewust regeringsbeleid is? Zo nee, waarom niet?
De uitspraken van Ben-Gvir zijn verwerpelijk en niet acceptabel. Ik heb dit zelf ook duidelijk gemaakt aan de Israëlische Minister voor Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar. Het kabinet verklaarde eerder deze extremistische Minister Ben-Gvir tot persona non grata. We blijven daarnaast in Europees verband pleiten voor sancties tegen zowel Minister Ben-Gvir als Minister Smotrich. Bij de meest recente informele bijeenkomst van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU (Gymnich) heb ik wederom opgeroepen tot het sanctioneren van Minister Ben-Gvir naar aanleiding van deze verwerpelijke uitspraken.
Bent u bereid zich, ondanks het recente mislukken van EU-brede sanctionering van Ben-Gvir, opnieuw en met urgentie in te zetten voor EU-sancties tegen hem en Bezalel Smotrich? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland blijft voorstander van en pleiten voor Europese sancties tegen deze Ministers. Tegelijkertijd stel ik vast dat er vooralsnog in het Europese krachtenveld onvoldoende beweging zit om te verwachten dat hierover op korte termijn overeenstemming wordt bereikt.
Bent u bereid, naar voorbeeld van het reeds bestaande Nederlandse inreisverbod voor Ben-Gvir, ook een nationaal inreisverbod in te stellen voor andere regerings- en Knessetleden van zijn partij Otzma Jehoedit, die zich schuldig maken aan vergelijkbare uitspraken en medeverantwoordelijk zijn voor voorstellen zoals de doodstrafwetgeving voor Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend in uw Kamer besloot het kabinet in juli 2025 zich in te spannen om een aantal maatregelen in te stellen teneinde de regering-Netanyahu van koers te doen veranderen. Hierbij ging het onder meer om maatregelen tegen de Israëlische Minister Ben-Gvir en Minister Smotrich, die uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaaldelijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolking hebben aangewakkerd, voortdurend de uitbreiding van illegale nederzettingen bepleit en opgeroepen tot etnische zuivering in Gaza.
In het licht van de ernst van deze uitspraken steunde Nederland de voorstellen voor EU-sanctiemaatregelen jegens beide individuen, echter ontbrak hiervoor draagvlak in de Raad. Het kabinet verklaarde vervolgens Minister Smotrich en Minister Ben-Gvir tot persona non grata op grond van het nationale recht (de Vreemdelingenwet 2000), wegens het gevaar dat zij vormen voor de Nederlandse openbare orde en in het belang van internationale betrekkingen. Beide Ministers zijn in september 2025 als ongewenste vreemdelingen geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem. Dit waren uitzonderlijke stappen en de onderliggende motivering gold ten aanzien van de specifieke casus van deze twee Ministers en de omstandigheden destijds. Dat is niet zonder meer het geval ten aanzien van andere gevallen. Het kabinet weegt in elke situatie of deze omstandigheden nopen tot een dusdanig vergaand nationaal besluit, of hiervan impact op de koers van de regering Netanyahu mag worden verwacht, en of daarvoor toereikende juridische gronden bestaan. Bovengenoemde overwegingen leiden op dit moment niet tot een vergelijkbare stap op nationaal niveau tegen andere regerings- en Knessetleden van de partij Otzma Jehoedit. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich inspannen voor additionele maatregelen op EU niveau en sluit het, conform de motie Piri/Paternotte2, sancties tegen Israëlische bewindspersonen niet uit.
Moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht. |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een stilteruimte van de Universiteit Utrecht is achtergelaten met bier en Korans onder een tafelpoot?1
Ja.
Wat is u bekend over de toedracht van deze haatactie en heeft u hierover contact gehad met de Universiteit Utrecht?
Naar aanleiding van dit incident heb ik contact opgenomen met de Universiteit Utrecht (hierna: UU). Zij heeft met mij gedeeld dat de stilteruimte respectloos is achtergelaten. Zij geeft aan dit onacceptabel te vinden, ervan geschrokken te zijn en zich te kunnen voorstellen dat studenten hier ook erg van geschrokken zijn.
De UU heeft mij laten weten dat zij van de situatie heeft vernomen via de instagrampost van de Islamitische Studentenvereniging INSAN op de betreffende dinsdagmiddag. Daarop is direct actie ondernomen. Medewerkers van de UU zijn bij de stilteruimte gaan kijken. Daar troffen zij een rommelige ruimte aan met de Korans inmiddels weer opgeborgen in de kast. De UU heeft ervoor gezorgd dat de stilteruimte de ochtend erna weer was opgeruimd zodat de ruimte weer in gebruik kon worden genomen. Voorts heeft de UU contact gezocht met INSAN en een gesprek met hen over deze gebeurtenis wordt op korte termijn ingepland.
Deelt u de mening dat het ontheiligen van religieuze geschriften onacceptabel is?
Ja, dat vind ik verwerpelijk.
Kunt u zich voorstellen dat het plaatsen van Korans onder een tafelpoot en het achterlaten van bier(resten) door islamitische studenten als moslimhaat en intimidatie wordt ervaren?
Ik vind het van groot belang dat we in onze samenleving, en daarmee ook in het onderwijs, respectvol met elkaar omgaan. Hier was dat niet het geval, dit was een onacceptabele en respectloze actie. Dit soort incidenten horen zich niet voor te doen.
Wordt onderzocht of sprake was van een islamofoob motief? Zo nee, bent u bereid hier bij de Universiteit Utrecht op aan te dringen?
De UU heeft mij laten weten dat zij dit incident serieus neemt en bekijkt of zij kan achterhalen wat er precies gebeurd is. Het is tegelijkertijd ook lastig omdat de stilteruimte een vrij toegankelijke ruimte is zonder een reserverings- of boekingssysteem en er geen camera’s in of rondom de stilteruimte zijn (in verband met onder meer de privacy).
De UU doet navraag bij gebruikers van het gebouw of men iets gezien heeft, en vraagt aan gebruikers van het gebouw om alert te zijn op oneigenlijk gebruik van de stilteruimte en te melden wanneer dit gebeurt. Ook vraagt zij haar facilitair medewerkers UU-breed om de stilteruimtes vaker te controleren. Tot slot gaat zij over deze gebeurtenis in gesprek met de Islamitische Studentenvereniging INSAN, die hierover als eerste aan de bel heeft getrokken via sociale media.
Het is goed dat de UU gedegen opvolging geeft aan deze acties.
Welke maatregelen neemt de Universiteit Utrecht om herhaling te voorkomen en de veiligheid van islamitische studenten te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u zicht op de omvang van islamofobie en discriminatie van moslims binnen het hoger onderwijs? Zo ja, kunt u de beschikbare cijfers hierover met de Kamer delen?
Onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2 Ondanks dat er geen sectorspecifieke monitor is die islamofobie en moslimdiscriminatie uitsluitend binnen het hoger onderwijs meet, geven bredere onderzoeken een beeld van de omvang van islamofobie en moslimdiscriminatie binnen het (hoger) onderwijs.3
Zo rapporteert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met betrekking tot alle onderwijsrichtingen dat 45–55% van de moslimstudenten discriminatie ervaart in het onderwijs.4 Uit dit rapport blijkt ook dat 44% van de studenten met een Marokkaanse achtergrond stagediscriminatie ervaart.5 Stagediscriminatie in het hoger onderwijs kan voorkomen tijdens het sollicitatieproces en gedurende de stage zelf. Dit kan expliciet zijn, zoals het afwijzen van moslimstudenten vanwege een hoofddoek of via stereotyperende opmerkingen en micro-agressie.6
Moslimstudenten uit het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête7, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is.
Bent u bereid met universiteiten en hogescholen afspraken te maken over het voorkomen, registreren en aanpakken van moslimhaat?
Moslimhaat is onacceptabel en een probleem dat aangepakt dient te worden. Ik verwacht van instellingen dat zij hier aandacht voor hebben vanuit hun verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving. In het kader van de integrale aanpak sociale veiligheid voor alle studenten en medewerkers in het hoger onderwijs voer ik hierover regulier overleg met de sector. In dat gesprek zal ik ook aandacht vragen voor dit type incidenten bij instellingen. Vanuit OCW betrekken we de moslimgemeenschap bij relevante beleidsdossiers om te horen wat er leeft binnen de gemeenschap en om ervoor te zorgen dat alle Islamitisch Nederlandse jongeren zich veilig, gezien en gehoord voelen op de onderwijsinstellingen.8
Het stijgende aantal jongeren in de bijstand zonder duidelijke verklaringen of inzicht in oorzaken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van NRC Handelsblad «Hoe kan het toch dat het aantal jongeren in de bijstand toeneemt?»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de stijging van jongeren in de Participatiewet sterker is dan van andere leeftijdsgroepen en al dertien kwartalen op rij aanhoudt?
Hoe ontwikkelde de instroom van jongeren in de bijstand volgens u in de afgelopen vijf jaar, waar mogelijk uitgesplitst naar leeftijd, achtergrond, kwetsbare positie, voorgaande betrekking, bijstandsduur, en reden van instroom?
Deelt u de constatering van de onderzoekers in het artikel dat er geen eenduidige verklaring bestaat en wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken ontbreekt?
Heeft de regering onderzoek gedaan of laten doen naar de oorzaken van de structurele stijging van het aantal jongeren in de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Aangezien werkende jongeren relatief vaak een flexibel contract hebben en hierdoor bij tegenslag vaak als eerste hun baan verliezen, welke maatregelen neemt u om het aandeel vaste contracten onder jongeren te verhogen?
Hoeveel jongeren, die door een kort arbeidsverleden alleen recht hebben op de minimale WW-duur van drie maanden, stromen jaarlijks na afloop van deze WW-duur door naar de bijstand? Hoe verhoudt zich dit tot andere leeftijdsgroepen?
Herkent u dat met de stijging van het aantal jongeren in de bijstand ook het aantal dakloze jongeren toeneemt, en kunt u hier de meest actuele cijfers over verstrekken? Biedt de Participatiewet dienstverlening aan instromende jongeren om hun huurwoning te behouden of om een huurwoning te bemachtigen?
Herkent u dat jongeren kort na hun achttiende relatief vaak en steeds vaker in problematische schulden raken, mede door online gokken of «buy now pay later»- diensten, en dit bijdraagt aan bijstandsinstroom? Welke bewindspersoon draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de samenhang tussen online kansspelen, consumentenkrediet, schuldenbeleid en de bijstandsinstroom van jongeren?
Hoe weegt u de samenhang tussen de mentale gezondheid van jongeren en hun arbeidsmarkt- en bijstandspositie, wetende dat onderzoek van het RIVM2 en GGD GHOR laat dat bijna de helft van de jongeren de eigen mentale gezondheid als niet goed (matig of slecht) beoordeelt? Hoe wordt interdepartementale samenwerking op dit thema vormgegeven en welke resultaten levert dit op?
Welke maatregelen neemt de regering om de dertien kwartalen aanhoudende stijging van jongeren in de bijstand te keren? Hoe gaat u de Kamer periodiek informeren over de voortgang en de resultaten van het beleid?
De boerenprotesten op de snelwegen |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA), Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Was u op de hoogte van het voornemen van boerenorganisaties LTO en Farmers Defence Force (FDF) om op vrijdag 14 augustus jl. te demonstreren op meerdere snelwegen en is er sprake geweest van een formeel kennisgeving richting de lokale driehoeken?
Mij was bekend dat enkele boerenorganisaties vrijdag 14 augustus jl. zouden protesteren bij de extra vergadering van de Staten van de provincie Noord-Brabant. De gemeente ’s-Hertogenbosch is van de demonstratie in kennis gesteld.
Waarom is ervoor gekozen om deze demonstraties niet te verplaatsen, een alternatief locatie aan te bieden en/of te verbieden, gelet op het feit dat er duidelijke gronden zijn in de wet openbare manifestaties om in te kunnen grijpen bij een demonstratie in het belang van het verkeer en/of voor de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden?
De besluitvorming over het verbieden dan wel verplaatsen van demonstraties geschiedt krachtens de Wet openbare manifestaties door de burgemeester, doorgaans na overleg in de lokale driehoek. De gronden voor het verbieden dan wel ontbinden van een demonstratie zijn gelegen in art.2 van de Wom; ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het kabinet treedt niet in de afwegingen die het lokale gezag moet maken. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Wat waren de instructies voor de politie op het moment dat de demonstranten met trekkers gingen protesteren op meerdere snelwegen en er risico’s waren voor andere burgers op de weg?
Voorafgaand aan de demonstratie heeft overleg plaatsgevonden tussen het lokaal gezag (burgemeester en officier van justitie) en de politie in ‘s-Hertogenbosch. Het beleidsuitgangspunt van de lokale driehoek ’s-Hertogenbosch was duidelijk: indien men in het kader van de demonstratie met een tractor de snelweg op rijdt of de weg blokkeert, en dit evident gevaar oplevert, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Afgesproken werd het met de tractor rijden op een snelweg in principe niet te tolereren. Vanzelfsprekend is de beslissing om tot handhaving over te gaan aan de lokale driehoek.
Zijn er instructies en/of afspraken gemaakt tussen de lokale driehoeken en Rijkswaterstaat over het bovensignaleren van de wegen en/of afsluiten van de wegen? Zo niet, kunt u uiteenzetten waarom dit is niet is gebeurd?
Op 12 augustus jl. is er contact geweest tussen de eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) van de politie en Rijkswaterstaat, zowel op directieniveau als op operationeel niveau. Op verzoek van de politie heeft Rijkswaterstaat de potentiële impact op het wegverkeer in beeld gebracht en toegelicht wat het handelingskader van Rijkswaterstaat is bij verstoringen van de doorstroming of van de veiligheid op het hoofdwegennet.
Voor het beheer van het hoofdwegennet zijn er vaststaande communicatiestructuren en opschalingsprocedures. De politie staat in verbinding met Verkeerscentrum Nederland (VCNL) van Rijkswaterstaat.
Rijkswaterstaat heeft inmiddels aangifte gedaan van de gepleegde overtreding waarop de vragen betrekking hebben, zoals het rijden met een tractor op de autosnelweg (in strijd met artikel 42 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Rijkswaterstaat doet altijd aangifte als een snelweg moedwillig wordt geblokkeerd.
Op basis van welke jurisprudentie en informatie zijn de lokale driehoeken tot de afweging gekomen dat het is toegestaan om op de snelwegen te demonstreren en zij niet zullen handhaven hierop, gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet? Graag een gedetailleerd overzicht.
De vraag veronderstelt dat de afweging was dat demonstreren op snelwegen is toegestaan en dat op juridische gronden is afgezien van handhaven. Dat is onjuist. Zie daarvoor het antwoord op vraag 3. De snelweg is vanwege verkeersveiligheid en doorstroming geen plek om te demonstreren. Het rijden met een tractor of trekker op de snelweg is in Nederland verboden.
Welke voorbereidingen worden er getroffen om te voorkomen dat deze protesten nog verder escaleren en leiden tot nog meer (dodelijke) verkeersongelukken en/of ernstige wanordelijkheden? Graag een gedetailleerd overzicht.
De oorzaak van het noodlottige ongeval op de A59 is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De politie en OM in Brabant-Oost hebben aangegeven de gebeurtenissen te evalueren.
Daarnaast heb ik de afgelopen weken overleg gehad met de (plv.) korpschef, het College van procureurs-generaal van het OM en de regioburgemeesters, ook in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Uit die overleggen is een helder statement gekomen, dat 25 augustus jl. op rijksoverheid.nl is gepubliceerd:
«Het blokkeren van een snelweg of het spoor of het veroorzaken van een file is gevaarlijk. Ook moeten hulpdiensten er altijd door kunnen. Het OM heeft op 19 augustus nogmaals bevestigd dat het demonstratierecht in beginsel niet in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging. Gevaarzetting op een snelweg of het spoor is strafbaar, strafrechtelijk handhaven is dan ook aangewezen. Er wordt in beginsel strafrechtelijk opgetreden tegen gevaarzettend gedrag, zoals langzame verplaatsingen of het blokkeren van snelwegen of het spoor».
Bij de bezetting van de A12 door klimaatactivisten 29 augustus jl. is door de lokale driehoek van Den Haag ook overeenkomstig die lijn gehandeld.
Welke strafrechtelijke stappen worden er ondernomen richting eigenaren van tractoren die bewust hun kenteken hebben afgeschermd gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet?
De kentekenplicht voor motorvoertuigen volgt uit artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Daarnaast verbiedt artikel 41 lid 1 van de Wegenverkeerswet onder meer het verhinderen van de herkenning van kentekens, bijvoorbeeld door die af te plakken. Als kentekens worden afgeschermd, dan zal strafrechtelijke handhaving in beginsel aangewezen zijn. Dit uitgangspunt geldt ook voor landbouwvoertuigen die sinds 1 januari 2022 een kentekenplicht kennen. Dit feit is ook opgenomen in de OM-uitgangspunten ten aanzien de strafrechtelijke handhaving van landbouwvoertuigen op de snelwegen bij demonstraties. De vraag of (en zo ja welke) stappen concreet genomen worden, hangt telkens af van de omstandigheden van het geval. Bij het rijden met landbouwvoertuigen op de snelwegen is gezien de gevaarzetting strafrechtelijk handhaving in beginsel aangewezen. Dat geldt ook voor het afplakken van kentekens. Dat is alleen anders als de demonstratie in de vorm van het rijden op de snelweg met landbouwvoertuigen is aangemeld bij de burgemeester en deze het niet heeft verboden.
Bent u nog in gesprek met organisaties die de stikstofplannen vergelijken met de jodenvervolging?1
De vergelijking die tijdens de demonstratie van 14 augustus jl. is gemaakt door een der voormannen van een boerenorganisatie is totaal ongepast. Een analogie met de holocaust trekken voert vele malen te ver. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is thans niet in gesprek met de organisatie wier voorman de aangehaalde uitspraak heeft gedaan.
Wat vindt u van het feit dat er stickers van davidsterren met het patroon van een rode boerenzakdoek en de letter B uitgedeeld zijn tijdens de protesten?2
De uiting van een davidster met een B erop is een evidente en ongekende schoffering aan het adres van de nabestaanden en slachtoffers van de Jodenvervolging en Holocaust gedurende de Tweede Wereldoorlog. Zoals de Minister-President op 14 augustus jl. heeft gezegd betreft dit een walgelijke en bijzonder ongepaste actie.
Het door Israël insluiten van Palestijnen in Gaza met een aarden wal |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u het NRC-artikel «Israël bouwt een aarden wal en omsluit en controleert hiermee de bevolking van Gaza. Dat is in strijd met het internationaal recht» van 6 augustus 2026 en de eerdere berichtgeving van Associated Press, waarin op basis van satellietbeelden wordt beschreven dat Israël langs de zogenoemde Gele Lijn een meer dan 23 kilometer lange aarden wal aanlegt gelezen?1
Ja.
Heeft u gezien dat de Israëlische premier Netanyahu heeft aangegeven «nooit een Palestijnse staat te accepteren in Gaza of de Westelijke Jordaanoever zolang hij premier is» en «niet van plan is het Israëlische Defensieleger terug te trekken uit Gaza totdat Hamas volledig ontwapend is»?2 Wat vindt u van deze uitspraken?
Ik heb hier kennis van genomen. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. De betreffende uitspraak van de Israëlische premier nooit een Palestijnse staat te accepteren gaat daar tegen in en is dan ook zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van het vredesplan van president Trump. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803.
Kunt u bevestigen dat deze aarden wal zich inmiddels over tientallen kilometers uitstrekt, Gaza verder opdeelt en de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking nog verder beperkt? Wordt dit door de Nederlandse regering gemonitord? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest dit ter plaatse te bevestigen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza.
Bent u bereid bij uw Israëlische collega en de Israëlische ambassadeur onmiddellijk duidelijk te maken dat deze aarden wal meteen weer moet worden afgebroken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Gaza nauwgezet. Voor de toekomst van Gaza is het noodzakelijk dat resolutie 2803 van de VN-Veiligheidsraad en daarmee het vredesplan van president Trump worden geïmplementeerd. Deze boodschap brengt het kabinet regulier over in diplomatieke contacten met Israël.
Kunt u bevestigen dat de Gele Lijn in oktober 2025 in eerste instantie werd gepresenteerd als een tijdelijke militaire terugtrekkingslijn, in afwachting van verdere Israëlische terugtrekking uit Gaza? Wat vindt u ervan dat Israël helemaal niet van plan is zich terug te trekken?
Het kabinet is van mening dat de noodzakelijke stappen moeten worden gezet ter uitvoering van dit vredesplan. Over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van het Israëlische leger (IDF), zullen betrokken partijen onderling tot een overeenkomst moeten komen, zoals uiteengezet in artikel 16 van het vredesplan dat werd bekrachtigd via VNVR-resolutie 2803. In artikel 16 is opgenomen dat Israël Gaza niet zal bezetten of annexeren.
Hoe beoordeelt u de aanleg van een grootschalige fysieke barrière en bijbehorende militaire infrastructuur langs deze tijdelijke lijn? Vindt u dergelijke (semi-)permanente infrastructuur in bezet gebied verenigbaar met het tijdelijke karakter van een bezetting en met andere relevante regels van internationaal recht? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee, welke rechtsregels worden volgens u geschonden?
In beginsel geeft het humanitair oorlogsrecht ruimte om op basis van overwegingen van militaire noodzaak militaire installaties, zoals een aarden wal, te bouwen. Dat moet echter worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht, zoals het verbod op het vernietigen van goederen als daar geen militaire noodzaak voor is. Tevens zijn er verplichtingen onder het bezettingsrecht ter bescherming van de burgerbevolking waaronder het verbod op gedwongen verplaatsing, zoals ook toegelicht in het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli 2024, het verbod op annexatie en de door het IGH vastgestelde plicht van Israël om de onrechtmatige aanwezigheid in de bezette Palestijnse Gebieden zo spoedig mogelijk te beëindigen.
Heeft Israël tegenover Nederland of de Europese Unie toegelicht of deze barrière en bijbehorende infrastructuur tijdelijk dan wel permanent bedoeld is? Zo nee, bent u bereid expliciet aan Israël opheldering hierover te vragen en de Kamer daarover te informeren? Hoe verhoudt de aanleg van deze fysieke barrière zich volgens u tot het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, waarin werd vastgesteld dat Israëls onrechtmatige aanwezigheid in het bezette Palestijnse gebied zo spoedig mogelijk moet worden beëindigd?
De overwegingen rond de bouw van de wal zijn niet toegelicht door Israël. Wel heeft de IDF aan de media bevestigd dat er een barrière in het gebied van de Gele Lijn wordt gebouwd. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 moet de bouw van een aarden wal worden bezien in samenhang met andere regels van het internationaal recht. Nederland brengt regelmatig in gesprekken met Israël de onrechtmatigheid van de bezetting van de Palestijnse Gebieden op. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Dergelijke politieke afspraken doen echter geen afbreuk aan de Israëlische verplichtingen onder internationaal recht.
Vindt u de juridische beoordeling van het Internationaal Gerechtshof in zijn Advisory Opinion van 9 juli 2004 over de Muur op de Westelijke Jordaanoever leidend voor de Nederlandse en Europese beoordeling van deze nieuwe fysieke barrière in Gaza? Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3 heeft het kabinet onvoldoende informatie over deze mogelijke barrière en kan daarom geen vergelijking maken tussen deze twee zaken. Nederland en andere staten beschouwden de aanleg van de muur op de Westelijke Jordaanoever als onrechtmatig en Israëlische soevereiniteit over de Palestijnse Gebieden is nimmer erkend.
Deelt u de opvatting dat in het advies van 2004 niet alleen de fysieke constructie zelf centraal stond, maar vooral de gevolgen daarvan voor onder meer zelfbestuur (territoriale integriteit), bewegingsvrijheid, toegang tot land en de uitoefening van het Palestijnse recht op zelfbeschikking? Welke betekenis heeft dat volgens u als u het advies van toen toepast op de huidige situatie in Gaza?
Ik deel die opvatting. Zie daarnaast beantwoording op vraag 3 en 6.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de aanleg van deze barrière en infrastructuur voor de uitvoering van de verplichtingen van Nederland zoals geformuleerd door het Internationaal Gerechtshof op 19 juli 2024?
Derde staten, zoals Nederland, zijn verplicht om de situatie die voortvloeit uit de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden niet als rechtmatig te erkennen. Ook mogen zij geen hulp of bijstand verlenen aan het in stand houden van de situatie die is ontstaan door de onrechtmatige aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden. VN-lidstaten zijn bovendien verplicht om veranderingen in het fysieke karakter, de demografische samenstelling, de institutionele structuur of de status van het door Israël bezette gebied niet te erkennen, tenzij overeengekomen door de partijen door middel van onderhandelingen. Het kabinet erkent in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Het kabinet zal zich blijven uitspreken tegen de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden. Daarbij geeft het kabinet zich rekenschap van het feit dat over de voorwaarden, inclusief tijdslijn, van de terugtrekking van Israël uit Gaza politieke afspraken zijn gemaakt in het vredesplan van president Trump. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband.
Deelt u de enorme zorg dat deze barrière en de bijbehorende militaire zones kunnen bijdragen aan feitelijke annexatie, gedwongen verplaatsing, territoriale fragmentatie, genocide en langdurige opsluiting van de Palestijnse bevolking in een steeds kleiner deel van Gaza? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft benadrukken dat Israël zo spoedig mogelijk de bezetting van de Palestijnse Gebieden moet beëindigen, in lijn met het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024. Als gesteld, is het voor de toekomst van Gaza noodzakelijk het vredesplan van president Trump, als bekrachtigd in VNVR-resolutie 2803, zo snel mogelijk te implementeren.
Welke gevolgen verwacht het kabinet voor de bewegingsvrijheid van Palestijnen, de toegang tot landbouwgrond, de terugkeer naar woonplaatsen, humanitaire hulp en de wederopbouw van Gaza? Klopt het dat Israël inmiddels circa zestig procent van de Gazastrook onder militaire controle heeft en deze controle verder uitbreidt? Welke gegevens en bronnen hanteert het kabinet zelf?
Er zijn geen Nederlandse vertegenwoordigers in de gelegenheid geweest de situatie in Gaza te beoordelen, zij hebben momenteel geen toegang tot Gaza. Uit verschillende bronnen, zoals de Verenigde Naties, humanitaire organisaties en het Israëlische kabinet, blijkt dat Israël inmiddels ruim zestig procent van Gaza onder militaire controle heeft. Daarnaast heeft Netanyahu in mei jl. de opdracht gegeven om zeventig procent van Gaza te bezetten. Het is van belang dat zo snel mogelijk stappen worden gezet om het vredesplan van president Trump te implementeren.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur te ontbieden? Zo nee, waarom niet?
In bilaterale contacten wordt de onrechtmatige bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël, de humanitaire situatie in Gaza en de noodzaak dat alle partijen zich houden aan het vredesplan regelmatig opgebracht.
Is Nederland bereid extra nationale sancties te nemen om te voorkomen dat Israël deze vorm van territoriale controle, gebiedsverwerving en fragmentatie van Gaza voortzet? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet geeft de voorkeur aan inzet in Europees verband en is nu niet voornemens aanvullende nationale sancties te treffen.
Bent u bereid meer geld vrij te maken voor steun aan de Palestijnse bevolking? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt de Palestijnse bevolking onder andere door de ontwikkelingssamenwerking met de Palestijnse Autoriteit, de VN en maatschappelijke organisaties op het gebied van water, private sector-, en rechtsstaatontwikkeling en mensenrechten. Het kabinet beziet continue hoe het op de meest effectieve manier kan bijdragen aan het verbeteren van de situatie voor de Palestijnse bevolking. Zo heeft Nederland in april dit jaar een bijdrage van 5 miljoen euro aangekondigd voor het VN-fonds voor herstel van de Palestijnse Gebieden, en in juli een bijdrage van 5 miljoen euro aan het PEGASE-instrument van de EU ten behoeve van steun voor de Palestijnse Autoriteit. Nederland draagt in 2026 bij aan de humanitaire respons via de ongeoormerkte bijdragen aan belangrijke humanitaire actoren als UNRWA, WFP en UNICEF.3 Daarnaast draagt Nederland 16 miljoen euro bij aan het landen specifieke humanitaire fonds van de VN.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat Nederlandse overheidsinstanties, bedrijven, financiële instellingen of andere Nederlandse actoren bijdragen aan de instandhouding van een mogelijk onrechtmatige territoriale situatie in Gaza?
Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en neemt hierin zijn verantwoordelijkheid. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen. Samenwerking van de Nederlandse overheidsinstanties vindt altijd plaats binnen de internationaal erkende grenzen van Israël van voor 1967. Dat wil zeggen dat op geen enkele manier samen wordt gewerkt in de door Israël bezette gebieden. Het Nederlandse ontmoedigingsbeleid beperkt zich daarbij tot illegale Israëlische nederzettingen in bezet gebied.
Hoe verhoudt het huidige Nederlandse beleid zich tot de verplichtingen van derde staten zoals geformuleerd in de Advisory Opinions van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 en 2024? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verplichtingen tot niet-erkenning, niet-bijstand en samenwerking om de onrechtmatige situatie te beëindigen? Kunt u uitsluiten dat Nederland, direct of indirect, erkenning, hulp of bijstand verleent aan een situatie waarin een aanzienlijk deel van Gaza blijvend onder Israëlische controle wordt gebracht? Hoe waarborgt het kabinet in dit verband de Nederlandse verplichtingen tot niet-erkenning en niet-bijstand?
Zie de beantwoording op vraag 10. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het AIV advies van 9 december 2024, erkent het kabinet in navolging van het IGH-advies dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig is. Dit is aanvullend op de reeds jarenlang bestaande kabinetspositie dat uitbreidingen van nederzettingen, vernielingen of uithuisplaatsingen in de bezette gebieden in strijd zijn met internationaal recht. Het kabinet schaart zich eveneens achter de oproep de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband. Het kabinet zal zich hierover blijven uitspreken. Nederland geeft daarnaast via het actieve ontmoedigingsbeleid, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie die strijdig is met het internationaal recht, en zijn inzet in EU-verband voor handelsmaatregelen, invulling aan de juridische verplichtingen die voortvloeien uit het advies. In het geval van Gaza blijft het noodzakelijk dat er stappen worden gezet ten aanzien van het vredesplan van president Trump, waarbij de afspraken over het staakt-het-vuren volledig worden nageleefd. Het kabinet zet zich naar vermogen in om de situatie ter plaatse te verbeteren, bijvoorbeeld door het leveren van humanitaire hulp, en bij te dragen aan de uitvoering van het vredesplan.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering, samen met talloze wetenschappers, humanitaire organisaties en de VN, expliciet uit te spreken dat Israël genocide pleegt op de Palestijnen in Gaza? Zo ja, wanneer en hoe maakt u dit kenbaar aan de Israëlische regering en kunt u hier de Kamer over informeren? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Nederland is in de regel terughoudend met het kwalificeren van situaties als genocide.
Tegelijkertijd moet de terughoudendheid om zaken te kwalificeren als genocide zeker niet worden gezien als ontkenning van de ernst van de situatie in Gaza. In de Kamerbrief van 21 januari 20254 en van 18 juni 20255 is de Nederlandse visie over het kwalificeren van genocide in Gaza in meer detail uiteengezet.
Bent u nu wel bereid om als Nederlandse regering om, in het actuele belang van de territoriale soevereiniteit van de Palestijnen, samen met al zo’n 150 landen wereldwijd (o.a. Frankrijk, Spanje, België, Noorwegen, Canada, Oekraïne, Ierland en Zweden), de Palestijnse staat te erkennen? Zo nee, waarom blijft u daar omheen draaien?
Erkenning van de Palestijnse staat moet voor het kabinet dienstbaar zijn aan het politieke proces, waarbij beide partijen onderhandelen over hoe te komen tot een veilig Israël en een levensvatbare Palestijnse staat.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?
Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?
Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?
Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?
Zie antwoord vraag 21.
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?
De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?
Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?
De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?
Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 31.
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Ja.
Bent u bekend met het Woo-verzoek van NRC Handelsblad aangaande het besluit van toenmalig Minister Paul om het besluit van haar voorganger Van Hijum aangaande het afbouwen van de mogelijkheid om 25 procent van het minimumloon in te houden terug te draaien en de timing daarvan?
Ja.
Klopt het dat het besluit van de Minister om deze maatregel terug te draaien reeds op 30 september bekend was, dat op 7 oktober een concept-Kamerbrief aan de Minister is voorgelegd, dat hier vervolgens twee weken overheen gingen en dat op 20 oktober vervolgens intern bekend werd dat een betrokken ambtenaar met de Minister had besloten om de brief pas na de verkiezingen te verzenden, dat daags erop door een andere ambtenaar eveneens werd aangegeven dat de Minister tot na de verkiezingen wilde wachten met communiceren over het niet afbouwen van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026 en dat het communicatiebureau dat nieuwsberichten voor het ministerie verzorgt te horen kreeg dat er «nog even geen momentum is om hier iets over naar buiten te brengen», zoals uit de reconstructie van NRC aan de hand van het Woo-verzoek blijkt1? Zo nee, wat klopt er volgens u niet aan deze reconstructie en hoe is een en ander dan wél verlopen? Graag een concreet antwoord.
Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Indien de gereconstrueerde gang van zaken klopt, erkent u dan dat deze niet in lijn is met de verklaring die de Minister tijdens het Kamerdebat op 27 november gaf voor de timing rond het informeren van de Kamer over haar besluit op 30 oktober -daags na de Tweede Kamerverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het beeld is niet veranderd zoals de tijdlijn in het antwoord op vraag 2 ook laat zien.
Hoe duidt in het licht van de uitkomsten van het Woo-verzoek dat Minister Paul tijdens dit debat in antwoord op vragen van het lid Ceulemans over deze timing aangaf: «We zijn terughoudend om met beleidsinhoudelijke brieven te komen, dus niet in een reces, niet in een verkiezingsreces. Tegelijkertijd is de praktische kant van de zaak dat de ambtelijke afstemming met VRO pas op 29 oktober afgerond was» en «De suggestie wordt gewekt dat ik gepland en bewust heb gedacht: zo, die drop ik de dag na de verkiezingen. Dat is helemaal niet aan de orde. Dat is oprecht niet aan de orde.2»Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit de Woo-verzoeken is gebleken, namelijk dat expliciet wordt aangegeven dat de Minister pas na de verkiezingen de Kamer wilde informeren en communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. In zowel de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden, als ook in het debat met uw Kamer op 27 november is voornoemde terughoudendheid gemeld. Daarbij is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
Hoe duidt u in het licht van de uitkomsten van het Woo-onderzoek tevens dat Minister Paul tijdens hetzelfde debat in antwoord op vragen van het lid Patijn (PRO) aangaf: «De suggestie wordt gewekt dat ik de timing heb laten afhangen van de campagne of het feit dat er verkiezingen aankwamen. Daar heeft het werkelijk helemaal niks mee te maken.» en «Nadat ik het besluit had genomen, zijn we aan de slag gegaan om die communicatie voor te bereiden. Ik werk samen met fantastische ambtenaren, maar als ik concepten voorgelegd krijg, vind ik er ook nog wat van. Dat gaat dan heen en weer. Vervolgens vond er ambtelijke afstemming plaats met het Ministerie van VRO. Uiteindelijk waren we er op 29 oktober ambtelijk uit. Toen is er een klap gegeven op die brief en is die uitgestuurd.» Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit het Woo-verzoek is gebleken, namelijk een expliciet besluit om pas na de verkiezingen de Kamer te informeren en over de maatregel te communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. Deze weging blijkt ook uit de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden en waarin melding wordt gemaakt van voornoemde terughoudendheid. Ook in het debat noemt de Minister dat ze terughoudend is met beleidsinhoudelijke brieven tijdens een verkiezingsreces.
De politieke afstemming vond plaats tot en met 29 oktober. Toen was de Minister van VRO akkoord. De ambtelijke afstemming met VRO was op 7 oktober afgerond.
Vindt u alles afwegende dat uw voorganger de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd over de timing van haar besluit om de inhoudingsmogelijkheid terug te draaien? Zo ja, hoe kunt u dit volhouden?
Voor zover ik kan beoordelen is er geen sprake van een afweging op basis van politieke gronden om de brief pas na de verkiezingen te versturen. Zie voorts ook de eerdergenoemde brief van 20 november aan uw Kamer.
Zo nee, deelt de u de indruk dat het er alle schijn van heeft dat de Kamer door de Minister bewust onjuist geïnformeerd is over de besluitvorming rond dit dossier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Was u bekend met de gang van zaken zoals blijkt uit het Woo-verzoek van NRC aangaande het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, heeft u overwogen om het beeld dat uw voorganger hierover tijdens het Kamerdebat van 27 november schetste richting de Kamer recht te zetten? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom is dit niet alsnog gebeurd?
Ik ben op 6 juli van dit jaar geïnformeerd dat er een Woo-verzoek lag en wanneer de Woo-stukken met de indieners gedeeld zouden worden.
Kunt u aangeven of indien nodig nagaan welke gesprekken uw voorganger heeft gevoerd met welke betrokken partijen en belanghebbenden in aanloop naar haar besluit om het verbod op inhoudingen voor huisvesting terug te draaien? Kunt u de Kamer voorzien van alle beschikbare informatie hieromtrent?
In het Kamerdebat van 27 november 2025 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de standpunten van alle stakeholders duidelijk waren door de eerder uitgevoerde verkenning en ook nog eens bevestigd waren in de internetconsultatie. Er was dus geen nieuwe aanleiding om daarover met hen in gesprek te gaan.
Deelt u de conclusie dat het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over een reeds genomen besluit sterk de suggestie wekt dat dit politiek beter uitkwam? Zo nee, waarom niet en welk andere motieven zijn dan volgens u aannemelijk?
Dit beeld herken ik niet, maar ik begrijp wel dat dit beeld is ontstaan. Hierover is in de Kamer ook het debat gevoerd. De stukken uit het Woo-verzoek bevestigen de uitgangspunten bij het besluit zoals die met uw Kamer zijn gedeeld in het debat en de brief die voorafgaand aan het debat naar de Kamer is verstuurd.
Hoe is het besluit om de Kamer pas na de verkiezingen te informeren tot stand gekomen, welke personen en eventuele organisaties en andere partijen zijn hierbij -al dan niet in adviserende vorm- betrokken geweest?
In het antwoord op vraag 2 is een tijdlijn opgenomen die beschrijft hoe het besluit tot stand is gekomen.
Bent u bereid het verbod op het inhouden van huur op het minimumloon, een maatregel die volgens de Arbeidsinspectie een prikkel vormt om buitenlands in plaats van Nederlands personeel aan te stellen, alsnog snel door te voeren en niet te wachten op het eventuele aannemen van de aangekondigde wet op de huurbescherming, aangezien het nog zeker een jaar zal duren voordat deze wordt ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.3 4
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
De toegenomen winsten in de fossiele energiesector |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten in de media over toegenomen winsten in de fossiele energiesector, waaronder van de NOS1, het FD2 en The Guardian?3
Ja.
Bent u daarnaast bekend met de analyse van Oxfam Novib4 waaruit blijkt dat de zes grootste olie- en gasbedrijven ter wereld in het tweede kwartaal van dit jaar bijna dubbel zoveel winst hebben gemaakt als daarvoor? Wat vindt u van deze analyse?
Ik ben bekend met deze analyse. Het klopt dat olie- en gasbedrijven wereldwijd hogere winsten maken. Het is hierbij van belang om op te merken dat deze bedrijven wereldwijd opereren en een groot deel van hun winst behalen met oliewinning. Dat zij wereldwijd hogere winsten behalen, betekent dus niet automatisch dat zij ook in Nederland meer winst maken aangezien zij in Nederland in zeer beperkte mate olie winnen.
Kunt u een actueel overzicht geven van de crack spread5 per jaar sinds 2000?
De crack spread is het prijsverschil tussen de prijs van een vat ruwe olie en de prijs van het geraffineerde eindproduct (zoals benzine, diesel en kerosine). In onderstaande tabel is de crack spread berekend vanaf 2015. In 2026 ligt de crack spread met 26,90 dollar per vat beduidend hoger dan het gemiddelde in de afgelopen 10 jaar (6,3 dollar per vat) of dan de crack spread ten tijde van de energiecrisis in 2022 (11,30 dollar per vat). In 2025 bedroeg de productie in Nederlandse raffinaderijen circa 384 mln. vaten.
Op deze termijn was het niet mogelijk productiegegevens te ontsluiten van raffinaderijen van voor 2015. Deze productiegegevens zijn nodig om de mix van de productie van de raffinaderijen te bepalen (de output), waarmee de crack spread berekend wordt. Tot slot moet worden opgemerkt dat de gegevens over 2024 en 2025 voorlopig zijn en dat voor 2026 dezelfde productie is aangenomen als in 2025. Naar verwachting geeft dit een (lichte) onderschatting van de crack spread in 2026, omdat raffinaderijen relatief meer diesel en kerosine zijn gaan produceren en een hogere productie zullen draaien.
5,08
3,36
5,58
5,40
4,80
1,42
2,68
11,30
10,17
7,03
12,13
26,90
Kunt u bevestigen dat er op dit moment sprake is van overwinsten in de fossiele energiesector of dat er in ieder geval sterke indicaties zijn dat dit het geval is? Zo nee, hoe verklaart u de genoemde nieuwsberichten en conclusies van Oxfam Novib dan?
Nederland kan in beginsel alleen belasting heffen over de winsten van de fossiele energiesector binnen zijn eigen jurisdictie. Daarnaast verschilt de ontwikkeling van de winstgevendheid per product, per onderdeel van de productieketen en mogelijk ook per olieconcern.
Voor de productie van ruwe olie constateert het kabinet dat de prijs sinds maart fors is gestegen, terwijl het niet aannemelijk is dat de kosten van olieproductie in dezelfde mate zijn gestegen. Het ligt dus voor de hand dat de winstmarges van productie bij oliemaatschappijen (sterk) zijn toegenomen. Dit slaat vrijwel volledig in het buitenland neer, omdat de olieproductie met 2,3 miljoen vaten per jaar in Nederland zeer beperkt is; dit bedraagt slechts circa 1 procent van het eigen verbruik.
Dit is anders voor de raffinagesector. Mede dankzij de strategische ligging aan zee heeft Nederland een aantal grote raffinaderijen en een marktaandeel van circa 10% in de totale Europese raffinageproductie. Het gaat om: Shell Pernis, BP Europoort, ExxonMobil Botlek, Zeeland Refinery (Vlissingen), Vitol Europoort en Gunvor Energy Europoort. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is de crack spread in 2026 sterk toegenomen, wat bij een raffinaderij – bij een gelijke of hogere productie – tot een hogere omzet zal leiden. Omzet is echter nog geen winst, maar dit is wel een indicatie is voor een hogere winstgevendheid. Belangrijke kanttekening hierbij is dat de exacte winsten afhankelijk zijn van bedrijfsspecifieke factoren, hier in het bijzonder de geldende inkoopcontracten en verkoopcontracten. De berekende crack spread in het antwoord op vraag 3 kan dus niet 1 op 1 vertaald worden in een hogere belastbare winst van Nederlandse raffinaderijen. Vanwege de bedrijfsgevoelige informatie heeft het kabinet geen exact zicht op hoe hoog deze winstmarges in werkelijkheid zijn.
Op basis van de ACM monitor brandstofprijzen6 concludeert het kabinet tot slot dat de commerciële winstmarges bij tankstations gemiddeld genomen niet zijn gestegen. Tankstations worden geconfronteerd met hogere inkoopprijzen, die vervolgens worden doorberekend aan consumenten. Er zijn op dit moment geen concrete aanwijzingen dat pomphouders hogere winstmarges realiseren.
Hoeveel overwinsten hebben multinationals in de fossiele energie-sector gemaakt in het eerste halfjaar van 2026, uitgegaan van de definitie zoals gehanteerd in de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage 2022? Hoeveel van deze winsten zijn belastbaar in Nederland?
Vooropgesteld geldt dat de winst in Nederland van bedrijven die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting reeds belast is. Hoe hoger de winst, hoe hoger de verschuldigde vennootschapsbelasting. De extra winst die bedrijven in de fossiele energiesector in 2026 zullen maken, hangt sterk af van de specifieke inkoop- en verkoopcontracten die worden gehanteerd en de kosten die zij maken bij de productie. In de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage is overwinst gedefinieerd als de genoten belastbare winst die meer bedraagt dan 120% van de referentiewinst. De referentiewinst is vastgesteld op de gemiddelde belastbare winst of het Nederlandse inkomen over de vier boekjaren, voorafgaand aan het bijdragejaar. Toegepast op 2026 wordt de referentieperiode gevormd door de jaren 2022 t/m 2025. In het antwoord op vraag 8 wordt een inschatting gegeven van de budgettaire opbrengst wanneer een soortgelijke solidariteitsbijdrage als in 2022 zou worden ingevoerd.
Bent u het ermee eens dat het goed zou zijn om een overwinstbelasting voor de fossiele energiesector voor te bereiden, zodat op tijd tot heffing overgegaan kan worden? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet u dit in het licht van de aangenomen moties van de leden Teunissen (Kamerstuk 23 432-683) en Klaver/Paternotte (Kamerstuk 36 933-9)?
Het kabinet begrijpt het ongemak dat er bedrijven zijn die profiteren van de oorlog in het Midden-Oosten. Er zijn duidelijke signalen dat de commerciële winstmarges in de oliesector zijn toegenomen. Voor Nederlandse bedrijven gaat het voornamelijk om de raffinagesector. Het is hierbij wel belangrijk om de huidige cijfers in perspectief te plaatsen: de energiesector is sterk cyclisch en deze marges volgen op periodes waarin de raffinagesector juist aanzienlijk slechtere tijden heeft gekend. Tegelijkertijd is de winst uiteindelijk een uitkomst van de prijs die op de markt tot stand komt. Hierop ingrijpen is verstorend voor de markt, terwijl de Nederlandse raffinagesector met een marktaandeel van circa 10% in de totale Europese raffinageproductie belangrijk is voor de Europese leveringszekerheid. Ingrijpen vermindert de prikkel voor bedrijven om te investeren. Als bedrijven verwachten dat (al dan niet achteraf) extra winsten worden afgeroomd, zullen ze minder geneigd zijn om risico’s te nemen of te investeren in nieuwe energieprojecten. Dit heeft mogelijk een negatief effect op het investeringsklimaat in Nederland. Een nationale overwinstbelasting voor de oliesector moet daarom zorgvuldig worden gewogen, temeer omdat de vormgeving juridisch niet eenvoudig is en de hogere winsten al worden belast via de vennootschapsbelasting. Het kabinet heeft daarom eerder aangegeven eerst in Europees verband te willen optrekken. Ter uitvoering van de motie van de leden Klaver en Paternotte7 heeft het kabinet tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei opgeroepen tot een nadere analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven als gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft het kabinet opgeroepen op EU-niveau de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten als er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei als op de informele Energieraad van 12 en 13 mei. Tot nu toe heeft de Europese Commissie geen nadere uitgebreidere analyse gedeeld. Het kabinet geeft nog steeds de voorkeur aan een Europese analyse en aanpak, waarbij er ruimte is voor de specifieke nationale omstandigheden.
Is het kabinet al begonnen met het voorbereiden van een overwinstbelasting? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoeveel leverde de overwinstbelasting («tijdelijke solidariteitsbijdrage»), die over winsten in 2022 werd geheven, destijds op? Hoeveel zou deze zelfde heffing opleveren als hij over winsten in 2026 ook geheven zou worden, uitgaande van dezelfde definitie van overwinsten en tarieven als in 2022 en berekend op basis van de winstcijfers van de eerste twee kwartalen?
Op basis van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage is indertijd € 2,7 miljard afgedragen. Het grootste deel hiervan is betaald door de gassector. Op basis van de huidige gasprijs is het echter niet de verwachting dat een overwinstbelasting over 2026 tot een substantiële opbrengst leidt. Alhoewel de gasprijzen in 2026 hoger zijn dan in 2025, ligt de gasprijs in 2026 niet hoger dan 120% van de gemiddelde gasprijs over 2022–2025. Een belangrijke reden hiervoor is dat in het jaar 2022 de gasprijs zeer hoog was. Bovendien is de gassector nu een stuk kleiner dan voorheen i.v.m. met het sluiten van de velden en minder investeringen in productie op de Noordzee.
Omdat de oliewinning in Nederland zeer marginaal is, is vanuit die sector nagenoeg geen opbrengst te verwachten.
Onder de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage is over 2022 € 325 mln. aan belasting afgedragen door raffinaderijen. Op basis van deze gerealiseerde belastingopbrengst en onder de aanname dat de ontwikkeling van de crackspread ten opzichte van 2022 tot een hogere winst leidt, kan een eerste ruwe inschatting worden gemaakt van hoeveel een nieuwe solidariteitsbijdrage in 2026 aan belastinginkomsten zou opleveren.
Alhoewel de bruto winstmarge en de fiscale nettowinst niet een-op-een aan elkaar gerelateerd zijn, zou deze bruto marge gebruikt kunnen worden voor een eerste indicatie. In 2026 is de bruto winstmarge ten opzichte van de referentieperiode in absolute zin ongeveer twee keer zo groot als de bruto winstmarge in 2022. Als grove inschatting zou een nieuwe solidariteitsbijdrage, die met terugwerkende kracht wordt ingevoerd vanaf 1 januari 2026 een belastingopbrengst in ordegrootte van ongeveer € 500 tot € 700 mln. kunnen opleveren. Wanneer de solidariteitsbijdrage zou gaan gelden vanaf moment van aankondiging, bijvoorbeeld vanaf 1 oktober 2026, bedraagt de budgettaire opbrengst in 2026 naar verwachting ongeveer € 125 tot € 175 mln. Deze raming is onzeker, omdat het afhangt van de ontwikkeling van de crack spread en de daarmee samenhangende ontwikkelingen in het Midden-Oosten in de komende maanden.
In hoeverre is het juridisch mogelijk een dergelijke heffing opnieuw in te voeren, al dan niet met terugwerkende kracht, net als destijds?
De juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid van een dergelijke nieuwe overwinstbelasting is afhankelijk van de vormgeving van de maatregel. Daarbij is onder meer van belang dat de belastingplichtige en de belastinggrondslag zorgvuldig worden afgebakend. Bij de keuzes in de vormgeving van een nieuwe overwinstbelasting is ook van belang te bepalen voor welke periode de solidariteitsbijdrage zou gaan gelden: vanaf het moment van inwerkingtreding of met terugwerkende kracht tot een eerder tijdstip. Het kabinet acht het toekennen van terugwerkende kracht aan (belastende) belastingmaatregelen in beginsel niet wenselijk. In dit kader acht het kabinet relevant dat aan belastingmaatregelen die een verzwaring van de belastingheffing betekenen geen terugwerkende kracht mag worden gegeven, tenzij (zeer) bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen. Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van destijds, is de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage met terugwerkende kracht voor het jaar 2022 ingevoerd.7 Hoewel het kabinet deze terugwerkende kracht voor deze bijdrage gerechtvaardigd achtte, leidt deze terugwerkende kracht en een aantal andere aspecten van deze wet c.q. deze Europese verordening in zowel Nederland als daarbuiten tot veel procedures. Er is nog geen definitieve uitspraak in deze geschillen.
Hoe snel zou het kabinet daartoe over kunnen gaan en hoeveel voorbereidingstijd is nodig?
Naar aanleiding van de ernst van de energiecrisis in 2022, heeft de EC zich genoodzaakt gezien om op niveau van de Europese Unie actie te ondernemen en in te grijpen door een Europese verordening voor het invoeren van een solidariteitsbijdrage voor te stellen. Naar aanleiding van deze verordening, heeft het kabinet in september 2022 de beslissing genomen om een solidariteitsbijdrage in te voeren en is – in korte tijd – wetgeving voorbereid en is die wetgeving in datzelfde najaar in het parlement behandeld om per 1 januari 2022 in werking te treden. Dit was – gegeven de Europese verordening en de uitzonderlijke omstandigheden van destijds – een buitengewoon snel proces, waarbij zoveel mogelijk aansluiting bij de Europese verordening werd gezocht. Hoewel een Europeesrechtelijk kader voor een nieuwe nationale solidariteitsbijdrage of overwinstbelasting juridisch gezien niet noodzakelijk is, meent het kabinet dat het invoeren van een dergelijke heffing, met het oog op het creëren van een gelijk speelveld tussen marktpartijen, op basis van een nieuwe Europese verordening wenselijk is. Bovendien is het wetstechnisch eenvoudiger dan het invoeren van een nieuwe nationale maatregel, omdat moet worden aangesloten bij een Europeesrechtelijk kader.
Er is nader onderzoek nodig om te kunnen aangeven op welke termijn de Belastingdienst een nieuwe solidariteitsbijdrage zou kunnen heffen en innen. Hierbij kan het moment dat de Belastingdienst gaat heffen en innen in principe los staan van (het startmoment van) de periode waarover de solidariteitsbijdrage moet worden afgedragen. Zo moet worden vastgesteld welke IV-aanpassingen nodig zijn, of bestaande systemen nog bruikbaar zijn en welke capaciteit daarvoor benodigd is. Sinds besluit tot invoering van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage in 2022 zijn zowel de uitvoeringsomgeving als de randvoorwaarden veranderd. De destijds gerealiseerde technische oplossing sluit nog slechts beperkt aan op het huidige IV-landschap en voldoet niet vanzelfsprekend aan de huidige eisen op het gebied van architectuur, informatiebeveiliging, privacy en archivering.
Welke nieuwe inzichten heeft u de afgelopen maanden opgedaan als het gaat om overwinsten en het belasten daarvan?
Mede op verzoek van uw Kamer heeft het kabinet afgelopen voorjaar een eerste analyse gemaakt van de toegenomen marges in de Nederlandse oliemarkt. De ACM heeft daarna de monitor brandstofprijzen gepubliceerd, die nauwkeurig beschrijft hoe de marges in de oliemarkt zich ontwikkelen. Deze monitor bevestigt de analyse die het kabinet in het voorjaar heeft gemaakt: met name bij olieproductie en raffinage zijn de marges sterk toegenomen. Het kabinet heeft zich daarnaast – conform verzoek van Uw Kamer – in Europees verband ingezet om een Europese overwinstbelasting voor olie- en brandstofproductie in te voeren. Tot nu toe heeft de Europese Commissie geen nadere uitgebreidere analyse gedeeld. Het kabinet geeft nog steeds de voorkeur aan een Europese analyse en aanpak, waarbij er ruimte is voor de specifieke nationale omstandigheden.
Kunt u deze vragen vóór 1 september 2026 beantwoorden?
Het kabinet heeft gestreefd naar een zo spoedig mogelijke beantwoording.
Brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector |
|
Gidi Markuszower (PVV), Hidde Heutink (PVV) |
|
Eerenberg , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector?1
Ja.
Bent u bekend met de recente branden bij afvalverwerkers in Alkmaar (29 juli 2026) en Rotterdam-Charlois (nacht van 7 op 8 augustus 2026, opgeschaald naar Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure 2)? Kunt u bevestigen dat, zoals de sector zelf meldt, ongeveer 38 procent van de branden bij afvalverwerkers wordt veroorzaakt door batterijen en accu's in het afval?
Ja ik ben bekend met de recente branden bij deze afvalverwerkers. Het Rijk houdt zelf niet bij hoeveel afvalbranden er plaatsvinden en kan daardoor niet bevestigen welk aandeel daarvan wordt veroorzaakt door batterijen en accu’s in het afval.
Welke maatregelen overweegt u om de gescheiden inzameling van batterijen en accu's te vergroten, gelet op het beperkte effect van de huidige vrijwillige campagnes?
Voor batterijen en accu’s geldt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). De producenten van batterijen en accu’s moeten op het moment dat deze producten afval worden zorgen voor de inzameling en de verwerking. In Nederland voeren Stichting Open en AutoRecycling Nederland deze verplichtingen namens de producenten uit.
De UPV verplichting komt voort uit de Europese batterijenverordening die vorig jaar is herzien. Met de herziening van de Batterijverordening worden de regels voor inzameling aangescherpt: er worden concrete eisen gesteld aan het door de producenten op te zetten inzamelsysteem, zodat er zoveel mogelijk batterijen gescheiden ingezameld worden. Ook wordt er naast een aangescherpte inzameldoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen2, een aparte inzameldoelstelling ingevoerd voor batterijen voor lichte vervoersmiddelen3. Om de inzameldoelen te halen zijn er verschillende knoppen waar de producenten aan kunnen draaien: de toegankelijkheid van het inzamelsysteem, bekendheid van het inzamelsysteem en motivatie bij ontdoeners om hun afval op een juiste manier in te leveren, bijvoorbeeld door het geven van een retourpremie of het invoeren van statiegeld. Het is aan de producenten om hier een effectieve mix aan maatregelen te vinden. De producenten zijn in ieder geval verplicht om eindgebruikers te informeren over de juiste wijze van inzameling van afgedankte batterijen. De ILT controleert of producenten deze verplichtingen in de praktijk brengen en handhaaft wanneer dat niet het geval is.
Daarnaast zal de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2027 een onderzoek uitvoeren naar de verplichte invoering van een statiegeldsysteem, met name voor draagbare batterijen, om meer batterijen gescheiden in te zamelen.
Bent u bekend met de risico's van lachgascilinders in afvalstromen als bron van brand- en explosiegevaar, en welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat deze in reguliere afvalstromen terechtkomen?
Ja ik ben bekend met de risico’s van lachgascilinders in afvalstromen. Vanuit het Rijk wordt ingezet op preventie (verminderen van de vraag naar lachgas voor recreatief gebruik), handhaving (verminderen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik) en het ondersteunen van gemeenten om (doelmatig) afvalbeheerbeleid vorm te geven4. In aanvulling op het nationale beleid zet de Europese Commissie in op een lachgasverbod voor recreatief gebruik vanaf Q1 2027. Nederland steunt een Europees verbod, voortbouwend op het landelijk verbod.
Onderkent u broei als zelfstandige, structurele oorzaak van brandgevaar bij afvalverwerkers? Welk beleid voert u om dit te voorkomen of vroegtijdig te detecteren?
Broei in afvalhopen kan een mogelijke oorzaak zijn van brandgevaar bij afvalverwerkers. Het is aan afvalverwerkende bedrijven zelf om de risico’s op broeibranden te mitigeren. Hier zal dus geen beleid op worden gevoerd vanuit het kabinet.
Bent u bereid met de Vereniging Afvalbedrijven, Brandweer Nederland en Stichting Open te komen tot een samenhangende aanpak van deze drie brandoorzaken en de Kamer hierover dit jaar te informeren?
Samenwerking is inderdaad belangrijk om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er sinds 2018 een Taskforce Batterijbranden opgezet, gericht op het aanpakken van batterijbranden. Daarin trekken Stichting Open, de Vereniging Afvalbedrijven, de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD), de branchevereniging voor bouw- en slooprecycling BRBS, branchevereniging Transport en Logistiek Nederland en het Nationaal Recycling Forum gezamenlijk op. Het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport sluiten waar nodig aan.
Kunt u bevestigen dat het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties oploopt tot 295 euro per ton CO2 in 2030 en de afvalstoffenbelasting stijgt van 39,71 euro per 1.000 kg in 2025 naar 90,21 euro in 2028? Klopt het dat deze kosten via gemeenten worden doorbelast aan huishoudens, ook aan huishoudens die al zorgvuldig scheiden?
De genoemde belastingtarieven zijn onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt er besluitvorming plaats over een alternatieve invulling hiervan. Afvalverwerkers zijn belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie. De lasten van de CO2-heffing en afvalstoffenbelasting slaan in eerste instantie neer bij de afvalverbrandingsinstallaties (AVI), die deze (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners (bedrijven of gemeenten). De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze kostenpost via de afvalstoffenheffing (deels) doorberekenen aan hun inwoners of ervoor kiezen om dit (deels) via de algemene middelen te dekken. Afhankelijk van hoe deze lastenverzwaring lokaal wordt gedekt en in hoeverre in de betreffende gemeente gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op restafvalaanbod om zorgvuldige scheiding te belonen, kan dit ertoe leiden dat ook huishoudens die zorgvuldig afval scheiden meer moeten betalen. Dit betreft lokale politieke keuzes.
Is onderzocht welk aandeel van het afval, gelet op praktische scheidingsbeperkingen (bijvoorbeeld in hoogbouw en bij openbare afvalbakken), op korte termijn daadwerkelijk aan verbranding kan worden onttrokken? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken voordat de heffing verder wordt aangescherpt?
Rijkswaterstaat voert een jaarlijks samenstellingsonderzoek uit van het huishoudelijke restafval. Uit dit onderzoek blijkt dat het huishoudelijk restafval nog voor minstens 80% uit recyclebaar materiaal bestaat. De taak om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden in te zamelen ligt bij de gemeente. Zij hebben het meeste handelingsperspectief om de gescheiden inzameling van afvalstoffen op korte termijn te verbeteren. Via het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof- Huishoudelijk Afval (VANG-HHA) worden gemeenten ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid. Binnen het programma is ook aandacht voor afvalscheiding in de hoogbouw. In aanvulling op het uitvoeringsprogramma VANG-HHA onderzoekt het kabinet momenteel of de uitzonderingsgronden om als gemeente af te zien van de gescheiden inzameling van bioafval, welke vaak bij de hoogbouw wordt ingezet, kan worden geschrapt. Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel of afvalscheiding in Nederland kan worden gestandaardiseerd en wordt het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld. Al deze activiteiten kunnen eraan bijdragen dat minder recyclebaar materiaal verbrand wordt.
Is bij deze heffing meegewogen dat afvalverbrandingsinstallaties ook restwarmte leveren aan stadsverwarming, en dat een snelle afname van te verbranden afval tot een warmtetekort kan leiden zolang alternatieven daarvoor niet op schaal beschikbaar zijn?
Warmtelevering door AVI’s is ook in de impactanalyse van Trinomics onderzocht5. In 2018 leverden AVI’s 1,5% van de totale nationale warmtevraag. Bovendien leveren AVI’s 20% van de warmtevraag voor grote stadsverwarmingsnetwerken, dit is geconcentreerd in bepaalde regio’s die soms meer afhankelijk zijn van AVI-warmte dan deze 20%. Het onderzoek geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre een vermindering van verbranding door AVI’s ertoe zou leiden dat deze gebieden niet meer van voldoende warmte voorzien worden, of dat andere warmtebronnen de warmte van AVI’s zouden kunnen vervangen. Wel wordt door de onderzoekers aangegeven dat de efficiëntie van het gebruik van AVI-warmte zou kunnen worden verhoogd en dat er nog steeds capaciteit qua warmtelevering kan zijn als er minder afval wordt verbrand. Tot slot worden door de onderzoekers ook kansen benoemd voor innovatie en alternatieve oplossingen voor de warmtevoorziening indien er minder AVI-restwarmte zou zijn.
Bent u bereid de versnelde verhoging van de CO2-heffing op te schorten totdat voldoende schaalbare alternatieven, zowel recyclingcapaciteit als vervangende warmte- en energiebronnen, beschikbaar zijn?
De versnelde verhoging van de CO2-heffing is onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt de besluitvorming over een alternatieve invulling van deze technische invulling plaats, de resultaten hierover worden met Prinsjesdag bekendgemaakt. Het kabinet kan niet op deze besluitvorming vooruitlopen.
Bent u bereid te onderzoeken of vergunningverlening en handhaving voor afvalverwerking en recycling, nu grotendeels belegd bij gemeenten, beter op provinciaal niveau kan worden georganiseerd om ongelijke behandeling tussen gemeenten te verminderen?
Voor grote afvalverwerkers geldt op dit moment al dat zij onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten vallen. De omgevingsdiensten voeren vergunningverlenings-, handhavings- en toezichtstaken uit voor gemeenten en provincies. In het Circulair Materialenplan (CMP) geeft het Rijk toetsingskaders mee waar het bevoegd gezag rekening mee moet houden bij het nemen van besluiten (zoals vergunningen) voor afvalverwerking, het houden van toezicht en de handhaving. Deze toetsingskaders dragen bij aan een gelijk speelveld in Nederland.
Klopt het dat verbranding van geverfd/geïmpregneerd hout (C-hout) in Nederlandse bioenergiecentrales niet is toegestaan, terwijl dit hout wordt geëxporteerd naar Duitsland waar dit wel mag? Bent u bereid te bezien of dit onder de juiste emissie-eisen ook in Nederland mogelijk kan worden gemaakt?
C-hout is gevaarlijk afval omdat het schadelijke stoffen bevat, bijvoorbeeld omdat het is geverfd of geïmpregneerd. Ter bescherming van het milieu is de verwerking van C-hout onderhevig aan regels. Zo moeten bio-energiecentrales waarin C-hout wordt verbrand, om de benodigde vergunning te verkrijgen, voldoen aan eisen om te voorkomen dat de schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Zodra aan alle (vergunnings)eisen wordt voldaan, is het ook in Nederland toegestaan om C-hout te verwerken in een bio-energiecentrale. Het is uiteindelijk aan bio-energiecentrales zelf om ervoor te kiezen om de noodzakelijke investeringen te maken om aan de eisen te voldoen en de noodzakelijke vergunningen te verkrijgen.
Herkent u het signaal dat recyclingbedrijven door opeenstapeling van regelgeving worden geconfronteerd met beperkingen op inname of verwerking, terwijl die inname wettelijk of maatschappelijk noodzakelijk blijft en verwerking duur of onmogelijk wordt? Deelt u de opvatting dat dit voor deze bedrijven op termijn economisch niet houdbaar is?
Uit de vraag is niet duidelijk op welke regelgeving wordt gedoeld. Het signaal wordt in die zin niet herkend. Wel is het kabinet in bredere zin bekend met de kansen en uitdagingen van de afvalverwerkende sector, zoals recyclers. Het kabinet staat hierover in goed contact met de afvalsector, bijvoorbeeld via de verschillende ketentafels. Het Nederlandse circulaire economiebeleid is er onder andere op gericht om de recycling van afvalstoffen te bevorderen. Daarbij hoort ook het wegnemen van onnodige regeldruk. Ook Europees, waar veel afvalstoffenwetgeving wordt vormgegeven, pleit Nederland op harmonisatie van regelgeving en waar mogelijk het verminderen van regeldruk6.
Bent u bereid te onderzoeken hoe primaire grondstoffen fiscaal zwaarder belast kunnen worden en gebruik van secundaire grondstoffen kan worden gestimuleerd, om het speelveld tussen primaire leveranciers en recyclingbedrijven gelijker te maken?
Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagen van de circulaire economie en het aanpakken van knelpunten. De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken en verkenningen laten echter zien dat maatregelen aan het begin van de keten, zoals het belasten van primair grondstofgebruik, beter in Europees verband kunnen worden genomen. Een voorbeeld van een effectieve fiscale prikkel is de combinatie van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) en het carbon border adjustment mechanism (CBAM). Daar zet Nederland dan ook op in. Het kabinet blijft tegelijkertijd ook verkennen wat er daarnaast nationaal kan en is hier ook bereid een aanvullend onderzoek naar te laten doen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Circulaire economie?
Ja.
Het bericht van een man met 7 oktober shirt in de Albert Heijn in Amsterdam |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en de foto gepubliceerd op 9 augustus 2026 door onder andere het Centrum Informatie- en Documentatie Israel (CIDI),waaruit blijkt dat een man in een rood shirt, met daarop aan de achterzijde duidelijk bedrukt «October 7», ongemoeid door de Albert Heijn aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West kon wandelen en winkelen en zo openlijk steun kon betuigen aan de Hamas-terreuraanslag van 7 oktober 2023, waarbij 1.200 onschuldige Israëlische burgers werden gemarteld, verkracht en vermoord?1
Bent u het ermee eens dat deze openlijke steun voor de grootste moord op Joden sinds de Holocaust, dan wel verheerlijking van de betrokken islamitische terreurgroepen walgelijk, schandalig en volstrekt ontoelaatbaar is en dat dergelijk virulent islamitisch antisemitisme niet thuishoort in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de dader zich blijkbaar onaantastbaar waant en denkt deze daad straffeloos te kunnen plegen? Waarom heeft Albert Heijn niet ingegrepen? Wat zegt dit over Albert Heijn in het algemeen en het betreffende Amsterdamse filiaal in het bijzonder? Waarom hebben de autoriteiten niet onmiddellijk tegen deze islamitische provocatie opgetreden? Zijn ze bereid dat alsnog binnen 24 uur te doen nu?
Bent u bereid om alle middelen die de Nederlandse staat tot zijn beschikking heeft tegen de dader aan te wenden en om, als dat nog niet is gebeurd, alles op alles te zetten om de dader onmiddellijk te identificeren, op te sporen, te arresteren en te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat er voor de dader, die op zo’n schaamteloze wijze de Nederlandse waarden vertrapt, islamitische terreur viert en zich daarmee onmiskenbaar tegen de Nederlandse samenleving keert, geen plek in Nederland is én dat hij na veroordeling onmiddellijk dient te worden gedenaturaliseerd en het land uit moet worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de integratie en de opvoeding van dit sujet evident hopeloos is mislukt en dat dit ook onvermijdelijk consequenties moet hebben voor het gezin en familie waar deze dader uit afkomstig is, bestaande uit het deporteren van zijn familie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij naturalisatie en/of verblijfsrecht steun aan terrorisme of verheerlijking van 7 oktober als absolute uitsluitingsgrond te hanteren en bestaande verblijfsvergunningen op grond daarvan in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid met Albert Heijn in gesprek te gaan en dit bedrijf mede te delen dat er in Nederland geen plaats is voor bedrijven die niet optreden tegen dit soort walgelijke vormen van terreurverheerlijking
Welke maatregelen neemt u verder om te voorkomen dat dergelijke openlijke steunbetuigingen aan Hamas en haar terreur in Nederlandse openbare ruimten zich blijven voordoen? Bent u bereid om gerichte instructies te geven aan politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten en andere autoriteiten om hierop onmiddellijk en hard op te treden, inclusief arrestatie, denaturalisatie en deportatie van dader én gezin? Zo nee, waarom niet?
Bent u ook Minister-President van de joodse Nederlanders? Zo ja, kunt u, mede gelet op het gestelde in de vragen 3 en 4 en het urgente karakter hiervan, deze vragen als Minister-President binnen 48 uur beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Russia-linked accounts spread far-right narrative online during Ceuta migration crisis, analysis finds»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat dergelijke desinformatiecampagnes rondom migratie in Europa steeds sneller en gecoördineerder verlopen (in zeven talen, honderdduizenden views in enkele uren), zoals ook onderzoekers van Alliance4Europe en 411 stellen? Herkent u dat dit specifiek is te herleiden tot aan Rusland gelieerde netwerken, waaronder het Telegram-kanaal Rybar en het daaraan gekoppelde Pravda-netwerk?
Het kabinet is bekend met de algemene trend dat FIMI-campagnes in toenemende mate worden ingezet door (statelijke) actoren om strategische doelstellingen te bevorderen. FIMI staat voor Foreign Information Manipulation and Interference, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. De opkomst van artificiële intelligentie (AI) geeft deze actoren meer geavanceerde mogelijkheden om dergelijke acties te ondernemen. Grootschalige incidenten bij buurlanden en bondgenoten onderstrepen dat deze dreiging reëel is.
In algemene zin geldt dat Rusland al jaren een veelheid aan hybride activiteiten inzet, waaronder FIMI campagnes.
Erkent u dat de initiële reacties uit de lidstaten – waaronder Nederland – juist bijdragen aan de Europese verdeeldheid die het Kremlin beoogt te creëren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het kabinet daarmee onbedoeld heeft bijgedragen aan het Kremlin-narratief? Welke lessen trekt u daaruit voor toekomstige crisiscommunicatie?»
Nee, de gebeurtenissen in Ceuta waren zeer zorgelijk, uitzonderlijk en ongekend. De grootschalige irreguliere grensovergang van duizenden mensen naar Ceuta is een schending van de territoriale integriteit van Spanje en daarmee van de Europese Unie. Het snelle optreden van Spanje in samenwerking met Marokko, en de plaatsgevonden EU coördinatie in de Integrated Political Crisis Respone (IPCR) en de extra informele JBZ-raad waren noodzakelijk. Nederland heeft in de brief op 1 augustus jl. aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad gezamenlijk met 21 lidstaten hier toe opgeroepen. In lijn met de oproep in de brief heeft Spanje de grenzen versterkt en de op grote schaal terugkeer bewerkstelligd, en vond er een extra JBZ-Raad plaats.
Deelt u de mening dat social mediabedrijven een rol hebben om dit soort desinformatie-netwerken te identificeren en hun schadelijke desinformatie te mitigeren voordat zij bij een volgend incident weer worden ingezet? Ziet u, gelet op de constatering van 411, dat «That machinery» bij het volgende grensincident aan de Middellandse Zee opnieuw klaarstaat, aanleiding om hier proactief op te anticiperen in plaats van achteraf te reageren? Zo ja, hoe pakt u dit op en met welke mate van spoed?
Het kabinet acht het belangrijk dat sociale mediaplatformen hun verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, niet-authentiek gedrag en FIMI. Onder de Digitaledienstenverordening (DSA) moeten zeer grote onlineplatforms, waaronder Facebook, Instagram, X en TikTok, en zeer grote onlinezoekmachines, waaronder Google, systeemrisico’s identificeren, analyseren en beoordelen. Zij zijn verplicht om tenminste jaarlijks een risicobeoordeling uit te voeren en, waar nodig, maatregelen te nemen om de geïdentificeerde systeemrisico’s te beperken. Factoren zoals opzettelijke manipulatie kunnen deze systeemrisico’s vergroten. Wanneer dat het geval is zijn de bedrijven verplicht maatregelen te nemen om dit tegen te gaan.
Het Kabinet maakt zich al langer zorgen over buitenlandse actoren die, bijvoorbeeld via FIMI-campagnes, proberen onze samenleving en democratie te ondermijnen. Daarom is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in nauwe samenwerking met JenV, BZ en Defensie, bezig met het opzetten van een organisatie die FIMI structureel kan detecteren. In december 2026 zal de Minister van Binnenlandse Zaken de Kamer verder informeren over de stand van zaken van deze organisatie.
Bent u bekend met de signalen die op sociale media circuleren dat op 15 augustus 2026 weer mogelijk een grensoversteek zal plaatsvinden? Zo ja, hoe zet u zich in voor een gezamenlijke solidaire Europese aanpak?
Ja. Zoals inmiddels bekend is een nieuwe grootschalige poging tot grensoversteken uitgebleven. In de Kamerbrief van 3 augustus jl. (nr. 32317–1020) is uiteengezet hoe het kabinet invulling wil geven aan een Europese aanpak in reactie op gebeurtenissen als deze.
Deelt u de zorg dat, na de minstens 72 doden bij de vorige oversteek, mensen opnieuw het risico lopen te worden ingezet als instrument in een desinformatiecampagne? Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in EU-verband richting Marokko, om te voorkomen dat kwetsbare mensen zo worden gebruikt?
Het kabinet betreurt het verlies van deze mensenlevens. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten tegen irreguliere migratie en daarmee gepaard gaande levensbedreigende routes, middels een sterk Europees asiel en migratie systeem en samenwerkingsverbanden met derde landen zoals Marokko. Met de inzet tegen irreguliere migratie beoogt het kabinet ook de mogelijkheid tot instrumentalisatie van kwetsbare migranten als ook mensensmokkel tegen te gaan. Van belang is hierbij de volledige implementatie van de Schengengrenscode. Bovendien vormt het beschermen van kwetsbare migranten een belangrijk onderdeel van de intensieve samenwerking met derde landen zoals Marokko, zowel in bilateraal als in Europees verband. Hiertoe hebben ook de 22 lidstaten opgeroepen in de brief van 1 augustus jl. Verder steunt Nederland de aanpak van de Europese Commissie om FIMI tegen te gaan.
Kunt u bovenstaande antwoorden één voor één voor 15 augustus 2026 beantwoorden?
De beantwoording is u zo snel mogelijk toegekomen.
De IPC-analyse van de voedingssituatie in de Gazastrook |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze IPC-analyse van de acute ondervoedingssituatie in de Gazastrook?1 2
Kunt u bevestigen dat volgens deze analyse alle door de IPC geanalyseerde gouvernementen in de Gazastrook voor de periode van 16 april tot en met 30 juni 2026 zijn geclassificeerd op IPC AMN Fase 1 (Acceptabel) en voor de projectieperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026 op IPC AMN Fase 2 (Alert), waarbij Rafah wegens onvoldoende gegevens niet is geanalyseerd? Zo nee, waarom niet en welke classificatie hanteert u dan?
Kunt u bevestigen dat de IPC in deze analyse vaststelt dat sinds het staakt-het-vuren van oktober 2025 grootschalige hulpverlening heeft geleid tot verbeteringen in de voedselzekerheid en voedingsomstandigheden in de Gazastrook, en dat de voedingssituatie sinds begin 2026 aanzienlijk is verbeterd, terwijl de behoeften volgens de IPC hoog blijven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u in de beantwoording van de Kamervragen van 24 september 2025, in antwoord op vraag 20, heeft gesteld dat er sprake was van een hongercrisis in de Gazastrook «vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël» en dat dit «een gevolg van menselijk handelen» was? Kunt u tevens bevestigen dat u in antwoord op vraag 11 heeft gesteld: «De hongercrisis in de Gazastrook is het gevolg van menselijk handelen. Israël heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid.»? Handhaaft het kabinet deze kwalificaties en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de meest recente IPC-analyses? Zo ja, op welke actuele feiten en bronnen baseert het kabinet deze beoordeling? Zo nee, bent u bereid de eerdere beoordeling expliciet richting de Kamer te actualiseren?3
Kunt u aangeven welke bronnen het kabinet tot dusver heeft gehanteerd voor zijn kwalificaties van de voedselzekerheids- en ondervoedingssituatie in de Gazastrook en in hoeverre het zijn beoordeling bijstelt naar aanleiding van de meest recente IPC-analyses? Bent u tevens bereid deze analyses, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen acute ondervoeding (AMN) en acute voedselonzekerheid (AFI), actief onder de aandacht te brengen bij EU-partners en de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Nieuwe VN-/UNICEF-cijfers over de voedingssituatie in Gaza |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vragen van mevrouw Keijzer en de heer Markuszower d.d. 7 augustus 2026 over de recente IPC-/UNICEF-analyse over acute ondervoeding in Gaza, waarin wordt geconcludeerd dat de gemeten acute ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar aanzienlijk lager ligt dan eerdere prognoses en dat de onderzochte gebieden zijn ingedeeld in de laagste categorie van acute ondervoeding?1 2
Op welke rapportages, datasets en analyses heeft het uw ministerie zich sinds oktober 2023 gebaseerd bij de beoordeling voor de verlening van humanitaire hulp in Gaza?
Kan per belangrijke beleidsbeslissing of aanvullende humanitaire bijdrage ten aanzien van Gaza worden aangegeven welke informatiebronnen daarbij zijn gebruikt, welke indicatoren daarbij doorslaggevend waren en of deze informatie betrekking had op gemeten gegevens of prognoses?
Heeft de recente IPC-/UNICEF-analyse aanleiding gegeven om de Nederlandse humanitaire inzet te herzien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat in meerdere van u afkomstige Kamerbrieven het woord «hongersnood», «femine» of soortgelijke termen zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze uitspraken naar aanleiding van de recente IPC-/UNICEF-analyse te rectificeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de vele beelden die al langere tijd via sociale media circuleren waarop voedselmarkten, winkels, restaurants en andere voedselvoorzieningen in Gaza zichtbaar zijn en waarop een aanzienlijke beschikbaarheid van voedsel wordt getoond?3 4
Bent u van mening dat deze beelden het beeld tegenspreken dat er sprake zou zijn geweest van een algemene voedselcrisis of grootschalige voedseltekorten in Gaza? Zo nee, waarom niet en hoe beoordeelt u deze beelden in het licht deze aannames?
Hoeveel aanwijzingen zijn er volgens u nog nodig voordat Nederland erkent dat een deel van de humanitaire hulp niet of nauwelijks bij de burgerbevolking terechtkomt, maar in handen valt van Hamas, zoals niet alleen blijkt uit videobeelden5 6 7, maar ook uit verklaringen van de VN8 9 dat Hamas humanitaire hulpgoederen heeft gestolen? En hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de nieuwe VN-/Unicef-cijfers over de voedingssituatie?
Bent u van mening dat, gelet op de financiële druk waaronder veel Nederlandse huishoudens momenteel staan en het feit dat veel Nederlanders hun dagelijkse boodschappen nu al niet meer kunnen betalen, direct met iedere vorm van ontwikkelingshulp gestopt moet worden te beginnen bij humanitaire hulp aan Gaza dat aantoonbaar bij terroristen terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag (gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015 en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang, tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies? Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting, btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies. Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang. Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve middelen moet worden gefinancierd toe.
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen, vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen geen rol. In detail:
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen, als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig (fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting hierop?
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015 en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners, één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal, vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend) opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel 1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang. Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten. In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)? Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag, omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan leveren voor de jaren 2024 en verder.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van de arbeidskorting.
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.