Een arrest van het Europees Hof van Justitie over het hyperlinken en embedden van reeds openbaar gemaakt materiaal |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak-Svensson e.a?1
Ja.
Deelt u de mening dat de verduidelijking van de auteursrechtelijke status van hyperlinken en embedden door het Hof ertoe moet leiden dat Buma/Stemra stopt met zijn «embedheffing» en dat de publieke omroep niet langer beperkingen stelt aan het embedden van zijn video's? Zo ja, bent u bereid om Buma/Stemra en de publieke omroep daarop te wijzen?
Het Hof van Justitie heeft in de uitspraak bepaald dat het plaatsen op een website van aanklikbare links naar werken die op een andere site vrij beschikbaar zijn, geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van de auteursrechtrichtlijn vormt. Daarnaast heeft het Hof bepaald dat het een lidstaat niet is toegestaan ruimere bescherming aan rechthebbenden te bieden dan is bepaald in artikel 3 lid 1 van de auteursrechtrichtlijn.
Buma heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie uit eigen beweging aan de betrokken streaming portals laten weten dat niet langer een licentie is vereist voor het aanbieden van content via embedded en/of framed hyperlinks, indien de site waarnaar gelinkt wordt een openbaar karakter heeft.
De NPO heeft gemeld ingevolge artikel 2.141 Mediawet 2008 genoodzaakt te zijn beperkingen te stellen aan commercieel hergebruik van het op de website van de NPO openbaar gemaakt materiaal. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het Commissariaat voor de Media verzocht met de NPO in overleg te treden over de consequenties van het arrest. Het Commissariaat voor de Media ziet toe op juiste naleving van de Mediawet door de NPO.
Een islamitische terrorist die poseert met afgehakt hoofd |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Foto. Jihadist Khalid uit Almere poseert met hoofd»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de totale afschuw over de moordlustige foto van de islamitische terrorist?
Ik heb met afschuw kennis genomen van de foto.
Op welke manier is de getoonde terrorist in het vizier van de Nederlandse autoriteiten?
Betrokkene was in het bezit van een verblijfsvergunning. Op 26 juli 2011 is hij aangehouden op basis van art 134a Wetboek van Strafrecht door de nationale recherche. Op 9 augustus 2011 is zijn voorlopige hechtenis door de raadkamer van de rechtbank niet verlengd vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren.
Vervolgens is betrokkene uitgereisd naar Syrië. Zijn verblijfsrecht is beëindigd en er is hem door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) een inreisverbod opgelegd voor de duur van 20 jaar. Het OM heeft eind 2013 besloten de zaak te seponeren in verband met onvoldoende nationaal belang. Betrokkene heeft immers niet de Nederlandse nationaliteit en hem is een inreisverbod opgelegd. Als betrokkene toch terugkeert naar Nederland zal het OM bezien of er aanknopingspunten zijn om hem bijvoorbeeld voor oorlogsmisdrijven te vervolgen.
Hoe kan het dat deze terrorist zich in Nederland bevond zonder dat hij is opgepakt, gezien het feit dat zijn verblijfsvergunning is ingetrokken?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u inmiddels de meerwaarde van administratieve detentie in de strijd tegen het islamitisch terrorisme?
Een bestuursrechtelijke maatregel om terugkeerders preventief in hechtenis of administratieve detentie te nemen is onder de huidige wetgeving niet mogelijk. Er zijn andere relevante bestuurlijke instrumenten beschikbaar zoals het beëindigen van het verblijfsrecht, het opleggen van een inreisverbod, het stoppen van toeslagen en uitkeringen, paspoortmaatregelen en het bevriezen van financiële tegoeden. Deze instrumenten worden toegepast waar dat mogelijk is.
Verder beschikt het OM over een voldoende wettelijke instrumentarium om samen met de politie, daar waar mogelijk, strafrechtelijk op te treden. Strafvervolging is bijvoorbeeld ook mogelijk bij de voorbereiding van terroristische misdrijven. In dat kader kan voorlopige hechtenis worden toegepast als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.
Ik acht het creëren van een aanvullende detentiemogelijkheden ten behoeve van terrorismebestrijding dan ook niet noodzakelijk.
Het bericht dat de spoedeisende hulpposten in Sittard-Geleen en Weert mogelijk dicht gaan |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reageert op het bericht dat de spoedzorg mogelijk verdwijnt in twee Limburgse ziekenhuizen?1 2
In het Hoofdlijnenakkoord van juli 2011 is afgesproken dat zorgverzekeraars, waar nodig om redenen van kwaliteit en doelmatigheid, overgaan tot selectieve zorginkoop. In navolging van deze afspraken heeft Zorgverzekeraars Nederland begin 2013 het rapport «Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg» gepubliceerd. Verzekeraars zetten vanuit kwaliteits- en doelmatigheidsoverwegingen in op specialisatie en concentratie van complexe acute zorg. Dit betreft traumazorg, spoedeisende neurologische zorg, spoedeisende cardiologische zorg, spoedeisende vaatchirurgische zorg en spoedeisende geboortezorg. Op basis van deze visie zijn er door zorgverzekeraars regionale scenario’s ontwikkeld voor de toekomst, op basis van de huidige ziekenhuislocaties en de locale zorgvraag. In elke regio is een coördinerend verzekeraar die zorg draagt voor het verloop van het proces. Ook in de regio Limburg zijn er scenario’s ontwikkeld die momenteel met de betrokken partijen worden besproken. Het is de bedoeling dat er uiteindelijk in gezamenlijkheid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, rekening houdend met belangen van alle betrokken partijen, een regioplan wordt vastgesteld. Het uiteindelijke doel is betere kwaliteit van de spoedeisende zorg voor de burger. Dit zal vervolgens in de loop van een aantal jaren tot uitvoering worden gebracht via de contractering tussen zorgverzekeraars en ziekenhuizen.
In welk stadium en hoe concreet zijn de plannen om de genoemde spoedeisende hulpposten te sluiten?
Bovengenoemde plannen zijn nog in concept en worden nog besproken met de partijen uit de regio. Er valt dus nog niets te zeggen over welke ziekenhuizen welke acute zorg zullen gaan aanbieden. De concentratie is met name gericht op de complexe acute zorg stromen, slechts een beperkt deel van het ziekenhuisaanbod. Spoedeisende Hulpen (SEH’s) zullen daardoor in sommige gevallen een ander profiel krijgen. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de huidige dubbele infrastructuur van Huisartsenposten (HAP) en SEH’s afgebouwd wordt, door integratie of betere samenwerking van HAP en SEH. Het nieuwsbericht dat er mogelijk SEH’s sluiten is voorbarig.
Hoe verhouden deze plannen zich tot uw verzekering dat er van sluiting van de spoedeisende hulp (SEH) geen sprake zou zijn?3
De verwachting is dat SEH’s bij basisziekenhuizen op sommige plekken anders ingericht zullen worden. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de huidige dubbele infrastructuur van HAP en SEH’s afgebouwd wordt, door integratie of betere samenwerking van HAP en SEH. Zo kan het bijvoorbeeld doelmatiger zijn om in de nachtelijke uren, bij een gering aanbod aan patiënten, niet zowel de SEH als de HAP naast elkaar open te houden, maar alleen de HAP. Via triage op de HAP kunnen patiënten nog steeds worden opgenomen in het ziekenhuis.
Bent u van mening dat een gemeente als Sittard-Geleen met ruim 90.000 inwoners zonder SEH kan? Hoe valt het te rijmen dat een SEH voor het Atrium en Orbis Ziekenhuis voldoende zou zijn; ziekenhuizen die samen een adherentie van een half miljoen mensen hebben, waarvan destijds werd gesteld dat deze adherentie te groot is voor 1 SEH?4
De plannen zijn nog te prematuur om hier op in te gaan. Mochten er in de toekomst toch plannen gemaakt worden om de acute zorg in de regio anders in te richten, dan dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft.
Bent u van mening dat het St. Jans Gasthuis, een ziekenhuis met bijna 300 bedden en als primair adherentiegebied de gemeenten Weert, Nederweert, Leudal en Cranendonck kent die samen 120.000 inwoners tellen zonder SEH kan? Is het wat u betreft acceptabel dat bijvoorbeeld inwoners van Weert voortaan meer dan twintig kilometer moeten reizen om een SEH te bereiken?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Betekent het verdwijnen van een SEH bij het St. Jans Gasthuis niet de doodsteek voor dit ziekenhuis?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u van mening dat «het ziekenhuis van de 21e eeuw» – zoals het Orbis ook wel wordt genoemd – zonder spoedeisende zorg kan? Is dat uw definitie van een hypermodern ziekenhuis?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Is het wat u betreft acceptabel dat zorgverzekeraars CZ en VGZ de spoedzorg in de regio Limburg uitkleden? Kunt u uw antwoord toelichten? Wie vertegenwoordigen deze verzekeraars eigenlijk? Is hier niet sprake van een democratisch tekort, aangezien de bevolking geen voorstander is van het verdwijnen van ziekenhuizen en SEH's?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u de Kamer het regioplan toezenden waarin het voornemen staat om de spoedzorg in Sittard-Geleen en Weert te sluiten?
De plannen zijn nog in concept en worden nog besproken met de partijen uit de regio. Er valt dus nog niets te zeggen over welke ziekenhuizen welke acute zorg zullen gaan aanbieden. Bovendien zijn de regioplannen de verantwoordelijkheid van partijen en is het niet aan mij deze aan de Tweede Kamer te zenden.
In welke regio’s bestaan er op dit moment (concept-)regioplannen van zorgverzekeraars, waarin wordt gekoerst op het sluiten dan wel samenvoegen van afdelingen voor spoedeisende zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
In alle 11 regio’s zijn er door zorgverzekeraars regionale scenario’s ontwikkeld voor de toekomst, op basis van de huidige ziekenhuislocaties en de locale zorgvraag. De concentratie richt zich met name op de complexe acute zorg, maar in stedelijk gebied waar veel SEH’s dicht bij elkaar zitten is het mogelijk dat er basis SEH’s (gedeeltelijk)sluiten of anders ingericht worden. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de huidige dubbele infrastructuur van HAP en SEH’s afgebouwd wordt, door integratie of betere samenwerking van HAP en SEH. Zo kan het bijvoorbeeld doelmatiger zijn om in de nachtelijke uren, bij een gering aanbod aan patiënten, niet zowel de SEH als de HAP naast elkaar open te houden, maar alleen de HAP. Via triage op de HAP kunnen patiënten nog steeds worden opgenomen in het ziekenhuis.
Kunt u de Kamer deze (concept-)plannen voor elke regio doen toekomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u bij elk plan aangeven hoe ver de uitvoering ervan gevorderd is?
Bovengenoemde plannen zijn nog in concept en worden nog besproken met de partijen uit de regio. Er valt dus nog niets te zeggen over welke ziekenhuizen welke acute zorg zullen gaan aanbieden. Bovendien zijn de regioplannen de verantwoordelijkheid van partijen en is het niet aan mij deze aan de Tweede Kamer te zenden.
Op welke wijze zijn huisartsen en andere zorgverleners betrokken bij de plannen om twee locaties voor spoedzorg in Limburg te sluiten? Zijn zij gelukkig met deze voornemens? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 1. In de planning van het traject wordt nadat met alle ziekenhuizen is gesproken natuurlijk ook met huisartsen, ambulancevervoerders en patiëntenorganisaties gesproken.
Welke actie gaat u ondernemen om te voorkomen dat de plannen van de zorgverzekeraars om de SEH's te sluiten doorgang vinden?
Indien er voornemens zijn om de acute zorg in een regio anders in te richten, dienen de zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht, samen met de relevante ziekenhuizen, de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s), in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid binnen de wettelijk gestelde 45 minutennorm in de regio geborgd blijft. Ik heb wettelijk gezien alleen een rol als de bereikbaarheid van cruciale zorg binnen 45 minuten met de ambulance of de veiligheid van de zorg in het geding lijkt te komen. Ik ben verantwoordelijk voor de continuïteit van cruciale zorg, en niet de continuïteit van elk specifiek ziekenhuis.
De miljoenenboete van het St. Antoniusziekenhuis na foute declaraties |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht miljoenenboete St. Antonius na foute declaraties?1
Ja.
Klopt het dat het terugbetalen van het teveel gedeclareerde bedrag aan de benadeelde zorgverzekeraars in dit specifieke geval onderdeel is van de boetebepaling door de Nederlandse Zorgautoriteit (Nza)?
Foutieve declaraties, ongeacht of deze het gevolg zijn van bewust dan wel onbewust handelen, zijn onwenselijk en onrechtmatig. Ik ben derhalve van mening dat foutieve declaraties terugbetaald moeten worden. Over de terugbetalingsverplichting merk ik het volgende op.
Als ziekenhuizen onrechtmatig geld gedeclareerd en ontvangen hebben, ontstaat er op basis van het civiele recht een terugbetalingsverplichting richting de betreffende zorgverzekeraars. Die terugbetalingsverplichting is er bestuursrechtelijk niet en is om die reden geen onderdeel van het boetebesluit van de NZa. De civielrechtelijke afhandeling van de terugbetaling kan wel de bepaling van de boetehoogte beïnvloeden. Als de schade door de overtreder hersteld is, kan dat een reden zijn voor matiging van de boete.
De vrijheid van de verzekeraar om met een ziekenhuis afspraken te maken over de terugbetaling wordt begrensd door wat de verzekeraar rechtmatig als zorgkosten kan verantwoorden met het oog op de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Verzekeraars overtreden immers zelf artikel 35 van de Wmg als ze onrechtmatige declaraties uitbetalen. Een afspraak tussen een zorgverzekeraar en zorginstelling over de terugbetaling van foutieve declaraties is een privaatrechtelijke afspraak.
Een dergelijke afspraak is om die reden niet per definitie openbaar. Uiteraard kunnen de betreffende partijen er wel zelf voor kiezen de afspraak openbaar te maken.
Welke ruimte hebben zorgverzekeraars bij het maken van afspraken met zorginstellingen, waar fouten gemaakt zijn in de declaratie van zorgkosten of frauduleuze handelingen hebben plaatsgevonden, over de hoogte van het terug te betalen bedrag? Worden deze afspraken openbaar gemaakt? Zo ja, welke termijn staat hiervoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat onterecht gedeclareerde kosten door zorginstellingen, veroorzaakt door fouten, fraude, of opportunistisch handelen, in het belang van de premiebetaler te allen tijde volledig terugbetaald dienen te worden aan de benadeelde zorgverzekeraars? Is deze wenselijke praktijk momenteel reeds verplicht? Zo ja, hoe controleert u deze praktijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Groeiende kritiek op medische uitzendingen ZVK’ |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Groeiende kritiek op medische uitzendingen ZVK»?1 Heeft u ook kennisgenomen van de open brief (gedateerd 6 februari 2014, betreftfende zorg in Caribisch Nederland) die door Han de Bruijne aan u is gestuurd over het functioneren van het Zorgverzekeringskantoor Caribisch Nederland (ZVK)?
Inmiddels heb ik kennisgenomen van de open brief in de krant. De brief is bij mijn weten echter nooit naar mij gestuurd; hij is althans niet bij VWS ontvangen.
Herkent u zich in het beeld dat in het artikel/de brief over het Zorgverzekeringskantoor Caribisch Nederland geschetst wordt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de bureaucratie terug te dringen en de dienstverlening te verbeteren? Zo nee, welke berichtgeving is onjuist?
Ten dele. De systematiek rondom medische uitzendingen vanuit de BES naar ziekenhuizen in andere landen is complex. Het inregelen vraagt tijd, waardoor de dienstverlening van het ZVK op een aantal vlakken efficiënter kan. Het ZVK is momenteel met een flinke verbeterslag bezig, die in de loop van 2014 zijn beslag moet krijgen. Daarbij maak ik de kanttekening dat de Auditdienst Rijk het ZVK bij de procedures intensief controleert op rechtmatigheid en om goedkeurende accountantsverklaringen te krijgen zal een zekere mate van bureaucratie onvermijdelijk zijn. In Caribisch Nederland is dergelijke controlecultuur tot nog toe niet erg gebruikelijk
In 2013 heeft het ZVK ruim 7000 medische uitzendingen verzorgd voor de 3 eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar oa. Aruba, Curaçao, Colombia en Nederland. In totaal heeft het ZVK 53 klachten ontvangen. Op Bonaire waren dat er 36 waarvan15 ongegrond en 4 nog in behandeling, op Sint Eustatius werden er 10 ingediend waarvan 3 ongegrond en nog 2 in behandeling en op Saba 7 klachten waarvan 3 ongegrond en ook nog 2 in behandeling. De klachten hadden betrekking op ingediende declaraties, op Coomeva maar ook op de dienstverlening van ZVK.
De arts vraagt voor de patiënt toestemming aan om uit te mogen zenden. Het ZVK beslist daarop en verwittigt hierover de arts. Deze informeert de patiënt waarna het ZVK met de patiënt contact opneemt voor de verdere afhandeling van diens medische uitzending.
Hierbij moet het ZVK een aantal zaken regelen, zoals vliegtickets, het hotel, eventuele begeleiding en betaling van daggeldvergoeding voor patiënt met eventuele begeleider voor een vastgesteld aantal dagen. Daarbij moet de datum van vertrek en terugkeer bekend zijn, datum van de eerste afspraak in het ziekenhuis en het aantal dagen van een eventuele opname in het ziekenhuis. Er moet gecontroleerd worden of de patiënt inderdaad is gegaan, of de uitzending eventueel langer gaat duren, of de verwijzend specialist door de behandelend specialist in het andere land geïnformeerd is over een eventuele verlenging en of de verwijzend specialist dat heeft doorgegeven aan het ZVK (vanwege verplichte controle op de rechtmatigheid van de verblijfsvergoeding en verplaatsing van ticket retourvlucht etc.).
Wat is de precieze rol van Comeeva in de organisatie van medische uitzendingen vanuit Caribisch Nederland? Hoe beoordeelt u het functioneren van Comeeva?
Coomeva is een ziektekosten verzekeraar in Colombia die door het ZVK is gecontracteerd om voor uitgezonden inwoners van de BES eilanden in Colombia logistieke zaken te regelen. Zoals het maken afspraken met de ziekenhuizen, bespreken hotels, regelen taxivervoer ter plaatse. Uit een survey gehouden onder 110 patiënten blijkt dat 94% van de patiënten een wachttijd heeft van minder dan 5 dagen tussen aankomst en de eerste afspraak. De kwaliteit van het hotel wordt als redelijk tot uitstekend ervaren door 94%. Het regelen van het vervoer wordt door 88% als goed gewaardeerd. Dus over het algemeen geldt dat de meeste geïnterviewde patiënten tevreden zijn met de dienstverlening.
Veel gehoorde klacht is dat het verblijf in Colombia lang is. Er wordt hard gewerkt dit zoveel mogelijk te bekorten (zie antwoord vraag 5).
Welke maatregelen zijn het afgelopen jaar doorgevoerd om de medische uitzendingen vanuit Caribisch Nederland naar Colombia of andere omliggende landen te verbeteren? Hebben deze maatregelen het gewenste effect gehad?
Afgelopen periode is een aantal maatregelen genomen om de logistiek te verbeteren en de verblijfsduur van de uitzending te bekorten. Er zijn twee keer per week vluchten via Curaçao op Medellin. Een van de verbeteringen is om geen uitzendingen meer met de vrijdagvlucht te doen; dit voorkomt onnodige wachttijd in het weekend en de dagen erna. Een andere maatregel is dat er alleen patiënten worden uitgezonden die vooraf een afspraak met het ziekenhuis hebben. Nogmaals wijs ik op de uitkomsten van het onderzoek van het bij vraag 3 genoemde onderzoek. Daaruit blijkt dat verzekerden in het algemeen tevreden zijn over de zorg en de logistiek. Daarnaast wijs ik op het belevingsonderzoek welke ook positief oordeelde over de zorg.
Hieruit komen enkele aandachtspunten naar voren die verbetering behoeven. Zo geeft 29% aan het daggeld niet tijdig te hebben ontvangen en 26% vindt dat ze niet voldoende zijn geïnformeerd door het ZVK. Er wordt thans hard door het ZVK gewerkt aan verbetering op deze punten.
Wordt er bij de globale scan van het niveau van zorg in de omringende landen van het BES-gebied, en het uiteindelijk selecteren van ziekenhuizen, ook rekening gehouden met de algehele organisatie van medische uitzendingen vanuit Caribisch Nederland? Is het onderzoek van Coomeva, waarover u eerder schreef, inmiddels in de markt gezet?2
Nee, de scan naar het niveau van de zorg in de omringende landen van het BES- gebied geeft een vergelijking weer van de verschillende behandelingen in verschillende ziekenhuizen van verschillende landen. Op voorhand is daarbij geen rekening gehouden met de algehele organisatie van de medische uitzendingen door het ZVK. Er zijn immers ook landen bij waarheen thans geen uitzendingen plaatsvinden.
Het onderzoek is inmiddels in de markt gezet. We verwachten eind van het jaar de beschikking te hebben over de uitkomsten.
Heeft de afname van het aantal medische uitzendingen vanuit Caribisch Nederland gevolgen voor de kwaliteit van de medische uitzendingen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Nee.
Is er een groot verschil in tevredenheid over de medische uitzendingen tussen Bonaire enerzijds, en Sint Eustatius en Saba anderzijds? Zo ja, welke verklaringen heeft u voor deze verschillen?
Het is onbekend of er een groot verschil is in tevredenheid over de medische uitzendingen van Bonaire vergeleken met Saba en Sint Eustatius. Het belevingsonderzoek geeft een gering verschil aan over de kwaliteit van de totale zorg, welke op Sint Eustatius in het algeheel met 76% als goed tot zeer goed wordt beleefd en in Saba en Bonaire 56% scoort. De reden voor deze verschillen en het aandeel van de uitzendingen daarin is onbekend.
Kunt u de Kamer een afschrift sturen van uw antwoord op de brief van de heer De Bruijne?
Er is geen brief van de heer de Bruijne ontvangen. Deze antwoorden op uw vragen over zijn brief in de krant kunt u beschouwen als het antwoord.
Opwaardering van de N57 en N59 |
|
Carla Dik-Faber (CU), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen die er in Zeeland en Zuid-Holland bestaan over de verkeersveiligheid en doorstroming op de N57 en N59?1
Ja.
Klopt het dat op Goeree Overflakkee vijf keer zoveel verkeersslachtoffers vallen als het gemiddelde in de rest van Nederland?
Neen, dit klopt niet. De risicocijfers (het aantal ernstige slachtoffers per miljoen gereden voertuigkilometers) van de N57 en de N59 op Goeree Overflakkee zijn gemiddeld, vergeleken met soortgelijke rijkswegen in andere regio’s. Zie ook mijn antwoord op de vragen van de leden Berndsen en Verhoeven (beiden D66) over onveilige wegen op Goeree-Overflakkee van 3 augustus 2012 (TK 2011–2012, aanhangnummer 3273).
Welke plannen hebben beide provincies al ontwikkeld om de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van de betreffende gebieden te verbeteren?
Het is mijn ambitie om de rijkswegen voor het jaar 2020 op het niveau van 3 sterren EuroRAP (European Road Assessment Programme) te brengen. In Zeeland wordt hier uitvoering aan gegeven. De rijkswegen op Goeree Overflakkee zijn al op dat niveau. Voor de aanpak van het onderliggend wegennet verwijs ik u naar de plannen van de provincies. De provincie Zuid-Holland heeft zijn plannen verwoord in het Meerjarenprogramma Infrastructuur 2014–2018. De provincie Zeeland heeft dit gedaan in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Zeeland 2014–2018. Deze plannen worden onder verantwoordelijkheid van de provincies ten uitvoer gebracht.
Welke financiële middelen hebben beide provincies reeds gereserveerd voor investeringen in de N59 en N57?
De investeringen in de rijkswegen N59 en N57 komen alleen uit de Rijksbegroting. De provincies dragen daar niet aan bij.
Welke mogelijkheden ziet u om vanuit het Rijk een financiële bijdrage te leveren aan oplossing van deze problematiek?
In 2011 heb ik op de Rijksbegroting € 10 mln gereserveerd om de N57/N59 op het niveau van drie sterren EuroRAP te brengen. Uit het pakket Meer Veilig investeer ik daarnaast nog € 8 mln voor extra veiligheidsmaatregelen op deze wegen. Met deze € 18 mln heb ik voldoende middelen gereserveerd om de verkeersveiligheid op de rijkswegen N57 en N59 te verbeteren. Volgens de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse (NMCA) doet zich op deze wegen geen bereikbaarheidsprobleem voor. Ik zie daarom geen noodzaak tot een extra financiële bijdrage.
Welke mogelijkheden ziet u om oplossing van de problematiek rond de N57 en N59 een hogere prioriteit te geven?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden zijn er om lopende projecten rond de N59 en N57 – die bijvoorbeeld beogen om op het gebied van verkeersveiligheid te voldoen aan het niveau van 3 sterren volgens de methodiek van het EuroRAP (European Road Assessment Programme) – de status van MIRT-project te geven?2 Welke voordelen zijn hieraan verbonden?
De verbetering van de verkeersveiligheid op de rijkswegen N59 en de N57 is al een MIRT-project. De maatregelen worden betaald uit het Infrastructuurfonds artikel 12.03.01 (realisatie). Hiervoor heb ik € 18 mln beschikbaar gesteld, € 10 mln uit MIRT-geld en € 8 mln uit het pakket Meer Veilig.
In de begroting staan de maatregelen aan deze wegen als een apart project genoemd tussen de aanleg wegenprojecten in de realisatiefase.
Omdat voor de verkeersveiligheidsmaatregelen geen tracéwetprocedure doorlopen behoeft te worden, is hiervoor geen projectblad opgenomen in het MIRT-projectenboek. Desgewenst kan ik in het volgende MIRT-Projectenboek voor dit project ook een apart blad opnemen.
Het bericht dat de medicijncheck in slechts 10% van de gevallen plaats heeft |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de medicijncheck in slechts 10% van de gevallen plaats heeft? Is dit bericht waar? Zo neen, wat is dan het werkelijke percentage? Wat vindt u daarvan?1
Ik neem aan dat u met de term «medicatiecheck» de periodieke medicatie-beoordeling aanduidt waarbij zowel de apotheker, als de huisarts als de patiënt zelf een rol heeft en die is gebaseerd op de richtlijn Polyfarmacie bij ouderen. Apothekers zijn zonder meer gehouden bij elke aflevering van geneesmiddelen medicatiebewaking toe te passen, doseringscontrole uit te voeren en te controleren op eventuele contra-indicaties. De periodieke medicatiebeoordeling is een periodieke integrale beoordeling van alle voorgeschreven en gebruikte medicatie.
Ik heb zelf geen onderzoek laten uitvoeren naar de mate waarin periodieke medicatiebeoordeling wordt gecontracteerd of uitgevoerd. Ik heb begrepen dat de Unie KBO haar jaarlijkse enquête onder haar leden heeft uitgevoerd op dit terrein, op basis waarvan dit percentage wordt aangegeven.
Ik ben ervan overtuigd dat de uitvoering van een periodieke medicatiebeoordeling zoals bedoeld in deze richtlijn, de medicatieveiligheid en daarmee de gezondheid van een patiënt kan verbeteren en mogelijk ook zorgkosten bespaart. Ook de partijen in het Bestuurlijk Overleg Farmacie onderkennen dit. Daarom is de standaardisering van de medicatiebeoordeling opgenomen in de kwaliteitsagenda van het Bestuurlijk Overleg Farmacie en wordt gekeken naar een meer verfijnde uitwerking van de richtlijn om (hoog)risicopatiënten te selecteren. Daarnaast heeft overleg plaatsgevonden met de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) over een betere implementatie van de richtlijn. Volledige naleving van de richtlijn betekent echter dat 1,2 miljoen medicatiebeoordelingen per jaar zouden moeten worden uitgevoerd. Daarvoor ontbreekt op dit moment de capaciteit. Ook zullen veel apotheekhoudenden zich de specifieke kennis voor het uitvoeren van periodieke medicatiebeoordelingen nog eigen moeten maken. Daarom zal er sprake zijn van een ingroeimodel. In het overleg met de IGZ hebben partijen verder aangegeven dat de periodieke medicatiebeoordeling per 1 januari 2015 op een juiste wijze gecontracteerd kan zijn bij apothekers en huisartsen. De IGZ zal in ieder geval vanaf 1 januari 2015 het toezicht verscherpen. Dit ontslaat partijen er echter niet van ook in 2014 al meer conform deze richtlijn te handelen.
Erkent u nog steeds het nut van een periodieke uitgebreide beoordeling van de medicatie bij oudere patiënten die meer dan vijf geneesmiddelen gebruiken? Denkt u nog steeds dat dit gezondheidswinst en besparing van zorgkosten oplevert? Hoe oordeelt u in dit licht over het gegeven dat de medicijncheck mogelijk slechts in 10% van de gevallen plaats heeft?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat zegt het u dat het genoemde percentage van 10% zelfs lager is dan de cijfers die Unie KBO januari 2013 presenteerde? Mag daaruit worden opgemaakt dat de medicijncheck op dit moment minder vaak plaats heeft ten opzichte van een jaar geleden?3
Het concreet implementeren van richtlijnen blijkt in de praktijk vaak weerbarstig te zijn. Dit geldt eens temeer waar sprake is van verschillende ketenpartners bij de uitvoering van de beschreven zorg. De multidisciplinaire richtlijn Polyfarmacie bij ouderen is daar bij uitstek een voorbeeld van. Bij de opstelling van deze richtlijn waren niet alleen het NHG, de Orde van Medisch Specialisten (OMS) en de NVKG betrokken maar ook een groot aantal brancheorganisaties, zoals de brancheorganisatie van apothekers, verpleegkundigen en verzorgenden en een groot aantal wetenschappelijke verenigingen van medisch specialisten (o.a. cardiologen, internisten en longartsen).
Het enthousiasme en draagvlak voor de richtlijn bij haar totstandkoming eind 2012 was groot, één van de voorwaarden om tot succesvolle implementatie te komen. Medio 2013 heeft de IGZ de meest betrokken eerstelijns partijen bijeengebracht om een gezamenlijke aanpak te ontwikkelen waarmee concrete stappen ter bevordering van de implementatie van deze richtlijn in de dagelijkse praktijk (met name het onderdeel periodieke medicatiebeoordeling) zouden worden gezet. Hierover zullen concrete en pragmatische afspraken worden gemaakt. Zie verder het antwoord op de vragen 1 en 2.
Mag de conclusie worden getrokken dat de implementatie van de richtlijn, opgesteld door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de beroepsvereniging van klinische geriaters (NVKG), nog steeds niet is voltooid?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat u op 28 januari 2013 stelde dat de implementatie van de richtlijn in volle gang is, terwijl nu blijkt dat de medicijncheck op dit moment mogelijk in slechts 10% van de gevallen plaats heeft? Is er de afgelopen periode voldoende gedaan om de richtlijn in praktijk te brengen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb de Tweede Kamer in februari 2013 het rapport «Acute ziekenhuisopnamen die mogelijk zijn gerelateerd aan geneesmiddelbijwerkingen», aangeboden (Kamerstukken II, 2012–2013, 29 477, nr. 226). Dit onderzoek is uitgevoerd door het Erasmus MC, de Radboud Universiteit en het Pharmo Instituut in opdracht van het Ministerie van VWS. De uitkomst van dit rapport was dat sprake was van een lichte daling van geneesmiddelgerelateerde ziekenhuisopnames.
Wat zijn de laatste gevalideerde onderzoeksgegevens met betrekking tot geneesmiddelen gerelateerde ziekenhuisopnames die vermijdbaar zijn?4
Ik ben van mening dat zorgverzekeraars aan hun zorgplicht moeten voldoen en voldoende verantwoorde zorg voor hun verzekerden moeten contracteren. Conform de geldende richtlijnen dienen voldoende periodieke medicatie-beoordelingen door zorgverzekeraars bij huisartsen en apotheekhoudenden gecontracteerd te worden. Zoals in het antwoord op de vragen 1 en 2 is opgenomen, hebben partijen in het Bestuurlijk Overleg Farmacie aangegeven dat de periodieke medicatiebeoordeling per 1 januari 2015 gecontracteerd kan zijn bij huisartsen en apothekers. In dat antwoord is ook aangegeven welke praktische omstandigheden een rol spelen en dat er gekeken wordt naar een meer verfijnde uitwerking van de richtlijn om (hoog)risicopatiënten te kunnen selecteren.
Bent u nog steeds van mening dat zorgverzekeraars bij de contractering van farmaceutische zorg nadrukkelijk moeten inzetten op de periodieke beoordeling van geneesmiddelengebruik? Is dat, gezien het gegeven dat de medicijncheck in mogelijk slechts 10% van de gevallen plaats heeft, volgens u het geval? Bent u van mening dat zorgverzekeraars hier steken laten vallen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de conclusie dat het schijnbaar onvoldoende is dat erin is voorzien dat zorgverzekeraars met huisartsen en apothekers afspraken kunnen maken over de medicijncheck? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke patiënten in aanmerking komen voor een periodieke medicatiebeoordeling is als zodanig helder geformuleerd in de richtlijn Polyfarmacie bij ouderen. Het is dan aan zorgverzekeraars om deze prestatie in te kopen en hier verdere concrete afspraken over te maken met huisartsen en apotheekhoudenden. Maar zoals in het antwoord op de vragen 1 en 2 aangegeven, is volledige nakoming van de richtlijn op dit moment niet mogelijk en wordt gekeken naar een meer verfijnde wijze van selecteren van (hoog)risicopatiënten.
Deelt u de mening dat, aangezien het in de basisverzekering zit, er een resultaatsverplichting moet komen voor zorgverzekeraars om ervoor te zorgen dat huisartsen en apothekers de medicijncheck in 100% van de gevallen uitvoeren; bijvoorbeeld in 2015? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan een dergelijk voorstel worden verwacht?
Er zijn op dit moment al zorgverzekeraars die het eigen risico niet belasten met de uitgaven van een periodieke medicatiebeoordeling. Het staat zorgverzekeraars vrij het eigen risico wel of niet te belasten hiermee.
Daarnaast geldt dat het merendeel van de patiënten die in aanmerking komen voor een periodieke medicatiebeoordeling behoort tot de groep verzekerden die hun eigen risico ook zonder de uitgaven voor de medicatiecheck «volmaken». Hierdoor zal het uitzonderen van het eigen risico voor hen geen effect sorteren. Vooralsnog is het niet mijn intentie om de periodieke medicatiebeoordeling generiek uit te zonderen van het eigen risico
Wat zijn de mogelijkheden voor zorgverzekeraars om de medicijncheck uit te zonderen van het eigen risico? Bent u bereid, conform de suggestie van de verkenners van de extramurale farmacie, de medicijncheck uit te zonderen van het eigen risico? Zo neen, waarom niet?5
De onvoldoende voor de BelastingTelefoon |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bellen op eigen risico»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de kritiek van de Consumentenbond dat de BelastingTelefoon sinds 2012 geen verbetering heeft laten zien? Deelt u de conclusie van directeur Bart Combée dat consumenten hun vragen beter schriftelijk kunnen stellen aan de belastinginspecteur? Zo nee, waarom niet?2
De Belastingdienst streeft naar een goede informatievoorziening en kwaliteit bij de beantwoording van vragen door de BelastingTelefoon. Dat is gezien de ingewikkeldheid van de regelgeving en de vaak complexe situatie van de beller een moeilijke opdracht.
Het totale belaanbod bestaat voor 90% uit status- en procesvragen over belasting en toeslagen aangelegenheden. Daarvan is in 2012 en 2013 93% juist beantwoord. 10% van het totale belaanbod bestaat uit fiscaal-inhoudelijke vragen. Van die fiscaal-inhoudelijke vragen is een klein gedeelte heel ingewikkeld. Het onderzoek van de Consumentenbond had voor het grootste deel betrekking op dat deel van de vragen.
Om beter zicht te krijgen op de beantwoording van de door de Consumentenbond gebruikte vragen, heeft de Belastingdienst IPSOS, dat sinds 1 januari 2014 het externe onderzoek verricht, opdracht gegeven de kwaliteit van de beantwoording van die vragen verder te onderzoeken.
Daartoe heeft IPSOS een serie mystery calls uitgevoerd, waarbij 47% van de vragen voldoende en 7% acceptabel werd beantwoord. Dit is een betere score dan in het onderzoek van de Consumentenbond, maar is tegelijkertijd lager dan het streefpercentage van 80–85%. Daaraan is waarschijnlijk de bovengemiddelde complexiteit van de vragenset debet. De Belastingdienst gaat met de Consumentenbond in gesprek over de uitkomsten en onderzoeksmethoden.
Jaarlijks laat de Belastingdienst onderzoek verrichten door een externe partij ter bewaking van de kwaliteit van de beantwoording van fiscaal-inhoudelijke vragen. Sinds 1 januari 2014 is dit het externe onderzoeksbureau IPSOS. In opdracht van de Belastingdienst worden er jaarlijks zo’n 17.000 mystery calls gepleegd met een vragenset die representatief is voor het gemiddelde van de door burgers en bedrijven gestelde vragen. Daaruit blijkt dat zowel in 2012 als in 2013 86% van de fiscaalinhoudelijke vragen juist werd beantwoord. Dit is hoger dan de gehanteerde streefwaarde van 80–85%. Daarnaast wordt de kwaliteit van de antwoorden van de BelastingTelefoon doorlopend gemonitord, door intern jaarlijks met ca. 100.000 gesprekken mee te luisteren.
Deelt u de mening dat de BelastingTelefoon juiste en volledige informatie moet verstrekken aan bellers? Hoe beoordeelt u de waarnemingen die naar voren komen uit het onderzoek van de Consumentenbond in dit licht? Deelt u de mening dat dit beeld zorgelijk is en het geven van foutieve informatie het vertrouwen in de overheid en het draagvlak van het doen van een eerlijke belastingaangifte kan ondermijnen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen neemt u op welke termijn om bellers vanaf nu beter te helpen? Is het mogelijk hoger gekwalificeerde medewerkers sneller in te zetten bij complexe vragen aan de BelastingTelefoon? Zo ja, bent u hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het doorverbinden met de inspecteur is van begin 2012 tot 1 februari 2013 een pilot uitgevoerd. Deze pilot is geëvalueerd en op basis daarvan is besloten expertise op het gebied van de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting niet winst toe te voegen aan de tweede lijn van BelastingTelefoon. Zo is veelgevraagde kennis steeds bij de BelastingTelefoon beschikbaar, waardoor meer bellers direct van een antwoord kunnen worden voorzien. Mijn ambtsvoorganger heeft daarover in de 12e halfjaarsrapportage aan uw Kamer gerapporteerd.
Telefoontjes komen altijd binnen bij medewerkers in de eerste lijn. Zij krijgen instructie ingewikkeldere vragen sneller naar de tweede lijn door te zetten en echt ingewikkelde vragen naar de tweedelijns medewerkers met de meeste expertise. De specialisten in de tweede lijn nemen dan de beantwoording voor hun rekening.
Specifiek met het oog op de beantwoording van complexere vragen zal de tweede lijn met extra medewerkers worden uitgebreid. Medewerkers worden in de komende maanden beter geïnstrueerd wanneer zij een vraag moeten doorzetten naar de tweede lijn. De inzet is op deze wijze de kwaliteit van de beantwoording van complexere vragen door de BelastingTelefoon verder te verbeteren. De resultaten van deze aanpak zullen de komende tijd worden gemonitord.
Een klein deel van de vragen overstijgt de expertise die de Belastingtelefoon kan bieden omdat deze vragen het karakter hebben van belastingadviezen. De BelastingTelefoon zal dat soort vragen niet meer beantwoorden. Betrokkenen zullen het advies krijgen zich tot een fiscaal dienstverlener te wenden.
Hoe beoordeelt u de bevindingen van de Consumentenbond in het licht van de in februari 2013 beëindigde pilot «In één keer goed», waarbij slechts zeer weinig bellers gebruik maakten van specialisten?3 Wat zijn de resultaten van de na de genoemde pilot aan de BelastingTelefoon toegevoegde kennis van diverse belastinggrondslagen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn sinds 2012 de resultaten van de onderzoeken die de Belastingdienst zelf door een onafhankelijke partij laat uitvoeren? Klopt de bewering van een woordvoerder van de Belastingdienst dat uit dit onderzoek een beter beeld naar voren komt over het functioneren van de Belastingdienst dan uit het onderzoek van de Consumentenbond?4
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Utrechtse raamexploitanten niet ingrepen ondanks berichten over mensenhandel |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Utrechtse raamexploitanten grepen niet in ondanks mensenhandel»?1
Ja.
Hoe groot was de omvang en wat was de aard van de misstanden die hebben geleid tot de sluiting van het Zandpad? Hoeveel slachtoffers van mensenhandel vermoedde de gemeente Utrecht aan het Zandpad en in de Hardebollenstraat? Heeft sluiting van de ramen in Utrecht volgens u bijgedragen aan het tegengaan van mensenhandel? Zo ja, waar blijkt dit uit en welke maatregelen zijn getroffen om de prostituees te ondersteunen en begeleiden? Zo nee, waar blijkt dit uit?
Bij de beantwoording van vragen van het lid Kooiman2 ben ik ingegaan op de redenen voor intrekking van de vergunningen. De gemeente Utrecht heeft daartoe gebruik gemaakt van een bestuurlijke rapportage van de politie, mede gebaseerd op informatie uit strafrechtelijke onderzoeken. Aanwijzingen van mensenhandel in combinatie met constateringen van slecht toezicht en verstoring van de openbare orde, hebben geleid tot het besluit om de vergunningen in te trekken.
Het precieze aantal van mogelijke slachtoffers is niet bekend. De gemeente Utrecht is ervan overtuigd dat de sluiting heeft bijgedragen aan het tegengaan van mensenhandel.
De gemeente Utrecht heeft de prostituees van tevoren voorgelicht over de intrekking van de vergunningen en de mogelijke gevolgen daarvan. Daarnaast heeft de hulpverlening de prostituees overdag en in de avonduren bezocht op hun werkplek om hen het hulpaanbod aan te reiken. Ditzelfde geldt voor de politie; ook zij hebben in deze periode extra vaak contact gelegd met alle prostituees die werkten aan het Zandpad en de Hardebollenstraat.
Hoeveel van de Utrechtse prostituees werken na het intrekken van hun Utrechtse vergunning in andere Nederlandse gemeenten? Welke gemeenten zijn dit? Hoe voorkomt u dat de mensenhandel zich simpelweg verplaatst?
Van de exploitanten is de vergunning ingetrokken. Dit geldt niet voor de prostituees. Zij hoeven zelf niet over een vergunning te beschikken om aan het werk te kunnen.
De gemeente Utrecht laat weten signalen te hebben ontvangen dat enkele prostituees die voorheen in Utrecht werkten, thans in andere gemeenten met een raamprostitutiesector zijn gaan werken. Cijfers hierover zijn niet bekend omdat prostituees niet verplicht zijn dit te melden. Een prostituee is vrij om te kiezen in welke gemeente ze haar beroep wil uitoefenen.
Om mogelijke verplaatsingseffecten van mensenhandel tegen te gaan, wordt landelijk ingezet op een integrale aanpak van mensenhandel, onder andere onder de vlag van de taskforce mensenhandel. De strijd tegen mensenhandel heeft zoals u weet de hoogste prioriteit. Voor de aanpak van misstanden in de prostitutiebranche, zoals mensenhandel, benadruk ik tevens het belang van zoveel mogelijk uniform prostitutiebeleid. Het wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) heeft dit tot doel.
Heeft naast de gemeente Utrecht ook Justitie een rol gespeeld in de opsporing van mensenhandel op het Zandpad en de Hardebollenstraat in Utrecht? Zo ja, op welke wijze, en op welk moment? Zo nee, waarom niet? Waren de aanwijzingen voldoende voor het in beeld krijgen en het vervolgen van verdachten? Zo ja, op welk moment heeft dit tot actie geleid? Zo nee, waarom niet?
Rondom de besluitvorming tot intrekking van de vergunningen heeft de gemeente Utrecht nauw samengewerkt met politie, OM en hulpverlening. Er hebben diverse opsporingsonderzoeken plaatsgevonden naar verdachten die in verband konden worden gebracht met misstanden in de prostitutie in Utrecht. In het verlengde daarvan zijn verschillende verdachten vervolgd en veroordeeld.
In een integrale aanpak van mensenhandel wordt niet alleen ingezet op het vergroten van de aangiftebereidheid door slachtoffers, maar met name ook op het verkrijgen van meer signalen van anderen dan de slachtoffers zelf van mogelijk slachtofferschap van mensenhandel. Tijdens het voorlichten van de prostituees in Utrecht over het intrekken van de vergunning en de mogelijke gevolgen daarvan is aandacht besteed aan het vergroten van de aangiftebereidheid. De inzet van politie, gemeente en hulpverlening heeft (op dat moment) echter niet geleid tot extra aangiften.
Een ieder kan aangifte doen van strafbare feiten bij de politie. Slachtoffers van strafbare feiten kunnen zich bij een eventuele strafvervolging voegen in het strafproces als benadeelde partij. Verder is het voor de belanghebbenden mogelijk om een civiele procedure te starten tegen exploitant Wegra bij de rechtbank.
Is bij de in voornoemd bericht beschreven zaak door de gemeente Utrecht contact gezocht met Justitie en hulpverlening om de aangiftebereidheid van slachtoffers te vergroten? Zo ja, op welk moment, en waartoe heeft dit contact geleid? Zo nee, waarom niet? Wat zijn de straf- en civielrechtelijke mogelijkheden voor belanghebbenden om aangifte te doen tegen exploitant Wegra?
Zie antwoord vraag 4.
Verlenging van het mandaat van de Speciale Rapporteur van de VN voor Burma |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of het klopt dat de Mensenrechtenraad van de VN zich volgende maand buigt over de vraag of het mandaat van de Speciale Rapporteur voor de Mensenrechten in Burma (Myanmar) verlengd moet worden? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Ja. Het huidige mandaat van de Speciaal Rapporteur is tijdens de 22ste sessie van de Mensenrechtenraad op 21 maart 2013 met een jaar verlengd. De Mensenrechtenraad buigt zich tijdens de eerstvolgende sessie in maart 2014 over verlenging.
Deelt u de opvatting dat er ondanks positieve ontwikkelingen nog veel mensenrechtenschendingen in het land plaatsvinden en dat verlenging van het VN-mandaat in de huidige vorm daarom wenselijk is? Indien neen, waarom niet?
Ondanks de positieve ontwikkelingen in Birma bevindt het land zich aan het begin van een transitie. Er zijn nog vele zorgpunten, waaronder de situatie in de deelstaten Rakhine en Kachin. Het kabinet acht het daarom van belang dat de VN Birma assisteert om de mensenrechtensituatie in het land verder te verbeteren. Daarnaast is het belangrijk dat onafhankelijke monitoring van de situatie door de VN, zoals nu verzorgd door de Speciaal Rapporteur, mogelijk blijft.
Birma heeft eerder medewerking toegezegd aan de opening van een kantoor van de VN Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR). Dit kantoor zou bovengenoemde verantwoordelijkheden (assistentie en monitoring) op zich nemen. Omdat harde afspraken over de opening van een OHCHR-kantoor vooralsnog uitblijven zal Nederland zich tijdens de Mensenrechtenraad van maart a.s. in EU-verband inzetten voor de verlenging van het mandaat van de Speciaal Rapporteur.
Bent u bereid om u in te zetten voor verlenging van dit mandaat, bijvoorbeeld door bij huidige leden van de Mensenrechtenraad van de VN hierop aan te dringen? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat DBC Onderhoud de gemiddelde prijzen voor een beperkt aantal zorgproducten publiceert |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tarieven zorg openbaar; patiënt kan vergelijken»?1
Ja.
Klopt het dat de onlangs gepubliceerde lijst door DBC Onderhoud slechts een fractie was van de meer dan 4.000 behandelingen, en dat de tarieven niet per zorgaanbieder maar een gemiddelde werd aangeboden?
Ja. DBC onderhoud heeft ervoor gekozen de gemiddelde prijzen van veelvoorkomende eenvoudige en planbare zorg openbaar te maken. Juist voor deze typen zorg is het van belang dat patiënten inzicht hebben in de gemiddelde prijs van een zorgproduct om zodoende de prijsverschillen tussen zorgaanbieders in hun keuze mee te wegen, al dan niet in relatie tot het eigen risico.
Deelt u de mening van de Nationale Ombudsman dat patiënten nog steeds onvoldoende zicht hebben op de kosten van een behandeling in het ziekenhuis, en dat concurrentieoverwegingen ten onrechte worden opgevoerd, daar de uitzonderingsgrond doorgaans restrictief wordt uitgelegd?
Het is juist dat patiënten op dit moment onvoldoende op de hoogte zijn van de kosten van een behandeling in een ziekenhuis. Hoewel patiënten recht hebben op informatie over de prijs van een behandeling, is het op dit moment vanuit zorgverzekeraars en ziekenhuizen niet altijd vanzelfsprekend om deze informatie aan de patiënt te verstrekken. Om die reden ben ik samen met zorgverzekeraars, aanbieders en patiëntenorganisaties een traject gestart om het kostenbewustzijn bij patiënten te vergroten. Naast het inzichtelijk maken van de zorgnota voor de patiënt wordt ook ingezet op het vergroten van het inzicht in de kosten voorafgaand aan de behandeling. Hiervoor wordt onder andere een communicatietraject opgestart gericht op het informeren van burgers over de financiële aspecten van de zorg. Voor meer informatie verwijs ik naar mijn brief van 25 oktober 2013(Kamerstuk 28 828, nr. 53).
Klopt het dat elke zorgaanbieder voor de DBC-zorgproducten in het B-segment een standaardprijslijst publiceert, en dat – indien deze niet gepubliceerd is – deze prijslijsten bij het ziekenhuis zijn op te vragen, en daarmee verplicht is deze gegevens te verstrekken?2
Ja, dat is juist. Ziekenhuizen zijn verplicht om de zogenoemde passantentarieven te publiceren. Dit geldt zowel voor zorg in het gereguleerde segment als voor zorg het vrije segment. Deze passantentarieven liggen doorgaans hoger dan het gecontracteerde tarief dat een ziekenhuis met de verzekeraar heeft afgesproken.
Deelt u de mening dat, voor wat betreft het (online) publiceren van data met volumes en prijzen van gedeclareerde DBC zorgproducten en passantentarieven per zorgaanbieder, zoals genoemd in de motie Dijkstra/Voortman3, geen wetenswaardigheden af te leiden zijn met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers?
Zoals u zult begrijpen is het online publiceren van gegevens van ziekenhuizen gebonden aan de wettelijke kaders, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Dit om te voorkomen dat er gegevens worden vrijgegeven die direct of indirect tot personen herleidbaar zijn, of die niet gepubliceerd mogen worden vanuit mededingsaspecten. Voor de publicatie van «open data» zal hierover een zorgvuldige afweging gemaakt moeten worden. Hierbij moet bijvoorbeeld ook rekening gehouden worden met andere reeds openbare publieke data, en de herleidbaarheid bij gecombineerde sets van gegevens. In mijn brief van 23 oktober 2013 over een duurzaam informatiestelsel voor de zorg heb ik geschreven u voor de zomer te informeren over de aanpak van het openbaar maken van de in de motie genoemde gegevens. Voorts zal ik u op korte termijn ook nader informeren via de antwoorden op de vragen van het VSO die gesteld zijn over de brief rond het duurzaam informatiestelsel.
Herinnert u zich uw brief van 23 oktober 2013 waarin u schrijft dat het regeringsbeleid erop is gericht het hergebruik van openbare overheidsinformatie actief te bevorderen, en dat u zich inzet om meer gegevens over en uit de zorg beschikbaar te maken?4
In mijn brief van 23 oktober 2013 (Kamerstuk 32 620, nr. 93) heb ik geschreven dat ik u voor de zomer zal informeren over de aanpak van het als open data beschikbaar stellen van zorgdata.
Heeft u al zicht op hoe u het in vraag 6 genoemde onderdeel van het regeringsbeleid vorm gaat geven? Zo ja, hoe? Zo nee, wanneer kan de Kamer hier informatie over verwachten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wanneer gegevens over volumes en tarieven per zorgaanbieder als open data ontsloten worden?
Zie antwoord vraag 6.
De aanpak van broodfok en malafide hondenhandel |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bereid om, met het oog op uw toezegging om over anderhalf jaar resultaten van uw beleid om broodfok en malafide hondenhandel aan te pakken, de Kamer een overzicht te sturen van de situatie zoals deze nu is, zodat daadwerkelijk beoordeeld kan worden of uw aanpak succesvol is of dat een aanvullende aanpak nodig is?
Ik heb uw Kamer toegezegd om over anderhalf jaar de balans op te maken en na te gaan waar we dan staan. Er worden op dit moment diverse stappen gezet die beogen het welzijn van honden te verbeteren. Het betreft onder andere nieuwe regels voor bedrijfsmatige handel in gezelschapsdieren per 1 juli 2014, de uitwerking van de nieuwe Europese regels met betrekking tot het verstrekken van paspoorten per 1 januari 2015, afspraken over impulsaankopen met advertentiewebsites en andere relevante partijen en een gezonder fokbeleid in samenwerking de sector.
Met onderstaande antwoorden wordt een overzicht gegeven van de huidige aantallen controles en hercontroles, geconstateerde overtredingen en aantallen geregistreerde dieren.
Kunt in kaart brengen welke overtredingen er bij broodfokkers geconstateerd worden, zoals het verwaarlozen, niet socialiseren en ondervoeden van de honden, maar ook het frauderen met inentingen en identificatie en registratie? Zo nee, waarom niet?
Voor bedrijfsmatige fokkers en handelaren gelden diverse voorschriften waaronder het verbod op verwaarlozen, mishandelen of te vroeg scheiden van pups en moederdier, de voorschriften van het Honden- en Kattenbesluit ’99 (HKB), de Europese verplichting te enten tegen hondsdolheid bij invoer en intracommunautair verkeer en de verplichte identificatie en registratie van honden. Daarnaast kan ook valsheid in geschrifte een overtreding vormen indien bijvoorbeeld paspoorten of in- en uitvoerdocumentatie niet naar waarheid worden ingevuld.
De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) en de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) zien toe op de naleving van deze regels bij bedrijfsmatige fokkers en handelaren tijdens inspecties. Daarnaast worden door NVWA, LID of politie, meldingen over misstanden onderzocht en in daarvoor in aanmerking komende gevallen opsporingsonderzoeken gestart naar aanleiding van deze meldingen.
In 2013 geconstateerde overtredingen betroffen onder andere verwaarlozing en ernstige hygiëneproblemen, ontbrekende officiële documenten en ontoereikende of ontbrekende vaccinatie. Ook is vervalsing van vaccinatiebewijzen geconstateerd. Ten slotte werd er in enkele gevallen geconstateerd dat bij transport niet aan de transportverordening werd voldaan.
Kunt u in kaart brengen hoeveel controles er de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden bij broodfokkers en met welke handhavingscapaciteit u deze controles heeft gerealiseerd? Zo ja, kunt u hierbij vermelden in welke periode dit was, om hoeveel broodfokkers dit ging en hoeveel honden deze broodfokkers hadden? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft in 2012 97 controles uitgevoerd ter controle op de naleving van de voorschriften van het HKB (waarbij indien aan de orde ook de andere hiervoor genoemde voorschriften worden meegenomen). De NVWA heeft daarnaast in 2012 ook 45 controles uitgevoerd gericht op de overige in vraag 2 genoemde voorschriften. In 2012 zijn naar aanleiding van deze controles 32 hercontroles uitgevoerd.
De NVWA heeft in 2013 86 keer gecontroleerd op de naleving van het HKB. De NVWA heeft daarnaast 41 controles uitgevoerd gericht op de overige genoemde voorschriften gerelateerd aan de handel in honden. In 2013 zijn naar aanleiding van deze controles 42 hercontroles uitgevoerd.
De LID heeft in 2012, 103 controles uitgevoerd op de naleving van de voorschriften van het HKB. In 2013 heeft de LID op 167 locaties in Nederland een of meerdere controles uitgevoerd waarbij sprake was van het bedrijfsmatig houden van honden. In totaal hebben deze 167 bedrijfsmatige adressen geleid tot 249 fysieke controles. Bij 142 controles daarvan was sprake van HKB-controles waarbij voornamelijk is gekeken naar de HKB vereisten zoals inrichting, vakbekwaamheid en registratie. De 107 andere controles op bedrijfsmatige adressen is voornamelijk gecontroleerd op mogelijke overtreding van de verzorging en voeding van de honden.
De NVWA heeft in 2012 en 2013 respectievelijk 3 en 3,2 fte specifiek ingezet voor het toezicht op de handel in honden.
De LID beschikt over 14,7 fte voor het uitvoeren van de toezichtscontroles en de tweedelijnshandhaving voor alle meldingen van mishandeling en verwaarlozing van gezelschapsdieren waaronder ook de vorengenoemde HKB controles en het onderzoek naar meldingen. Een specifieke uitsplitsing voor alleen honden is hier zeer lastig te maken.
Daarnaast beschikt de politie over taakaccenthouders die in eerste instantie een melding over mishandeling of verwaarlozing van een gezelschapsdier onderzoeken. Een uitsplitsing naar de capaciteit ingezet voor meldingen van misstanden bij honden is hierbij niet te maken.
De NVWA en de politie registreren het aantal gecontroleerde honden niet. Dit zou leiden tot disproportionele administratieve lasten. Ook voor de LID zou het inzichtelijk maken van het totaal aantal honden gemoeid met deze controles op dit moment zeer veel tijd in beslag nemen.
In beginsel worden controles door de NVWA en de LID niet aangekondigd. Indien sprake is van een last onder bestuursdwang (waaraan moet worden voldaan binnen een bepaalde termijn) kan de controle uiteraard worden verwacht na afloop van de gegeven termijn.
Kunt u duidelijk maken hoeveel van de ontdekte broodfokkers gesloten zijn en hoeveel er herhaaldelijk gecontroleerd zijn? Waren dit aangekondigde of onaangekondigde controles? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze controleert u de betrokkenheid van dierenartsen bij de malafide praktijken van broodfokkers en welke mogelijkheden ziet u voor een scherpere aanpak op dit gebied? Deelt u de mening dat dierenartsen die meewerken aan broodfok en malafide dierenhandel niet langer als dierenarts zouden mogen werken? Zo ja, bent u bereid om te laten onderzoeken op welke wijze dierenartsen die meewerken aan broodfok en malafide dierenhandel (bestuursrechtelijk) kunnen worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Dierenartsen zijn gehouden zich te gedragen overeenkomstig artikel 14 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990. Zij mogen niet tekortschieten in de zorg die zij behoren te geven aan dieren met betrekking tot welke hun hulp is ingeroepen of die in nood verkeren. Zij mogen voorts ten algemene niet tekortschieten in hetgeen van hen als beoefenaar van de diergeneeskunde mag worden verwacht, zodanig dat daardoor voor de gezondheidszorg voor dieren ernstige schade kan ontstaan. Bij schending hiervan kunnen zij worden voorgeleid bij het veterinair tuchtcollege en, afhankelijk van de situatie, mogelijk ook strafrechtelijk worden vervolgd. Dit creëert mijns inziens voldoende mogelijkheden om handhavend op te treden indien daar aanleiding toe is.
Voor wat betreft de specifieke problematiek van hondenhandel, besteedt de NVWA daarnaast op verschillende manieren aandacht aan de voorlichting aan dierenartsen met betrekking tot de naleving van de wetgeving op het terrein van voorschriften voor (bedrijfsmatige) houders van honden (presentaties, informatie op website e.d.). De NVWA ontplooit dergelijke activiteiten bij gelegenheid in samenwerking met de beroepsorganisatie van dierenartsen (KNMvD).
Kunt u uiteenzetten hoe vaak een door de handhavingsdiensten geconstateerd geval van broodfok of malafide handel daadwerkelijk voor de rechter is gebracht en hoe vaak dat uiteindelijk niet is gebeurd? Bent u bereid alsnog de mogelijkheden te verkennen om een Landelijk Officier Dierenwelzijn aan te stellen, zodat de opsporing die we weten te realiseren ook echt tot een goede bestraffing leidt? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Deze informatie kan niet uit de systemen van het Openbaar Ministerie (OM) worden gegenereerd. Het OM registreert niet op «broodfok» en «malafide hondenhandel». Om de informatie over overtredingen van vorengenoemde voorschriften alsnog boven tafel te krijgen zouden door het OM alle in behandeling genomen zaken ter zake van dierenmishandeling handmatig moeten worden doorgenomen. Dit zou zeer veel tijd en capaciteit van het OM vergen en is derhalve niet proportioneel.
Het College van Procureurs-generaal heeft mij bericht vooralsnog geen aanleiding te zien voor het aanstellen van een dergelijke Landelijke Officier. Hierover heb ik uw Kamer ook geïnformeerd in mijn brief toezeggingen dierenwelzijn. De diverse parketten van het OM beoordelen in zaken waarin het welzijn van dieren strafrechtelijk in het geding is of vervolging op zijn plaats is.
Kunt u aangeven welke straffen zijn opgelegd aan veroordeelde broodfokkers en hoe vaak de maximale strafmaat is gehanteerd? Wat was in voorkomende gevallen de reden om geen maximumstraf op te leggen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat een houdverbod als zelfstandige straf een effectief strafinstrument kan zijn om te voorkomen dat opnieuw dieren het slachtoffer worden van een veroordeelde broodfokker? Kunt u aangeven wanneer u meer informatie heeft over het eventueel uitwerken van een houdverbod als zelfstandige straf? Zo nee, waarom niet?
Een houdverbod kan op dit moment op twee manieren worden opgelegd: als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, en als (onderdeel van) een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Deze twee mogelijkheden hebben de voorkeur boven een houdverbod als zelfstandige straf. Een maatregel kan, in tegenstelling tot een straf, ook worden opgelegd indien geen sprake is van schuld (bijv. in het geval van ontoerekeningsvatbaarheid). Indien een houdverbod als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd kan bij overtreding van het houdverbod onmiddellijk worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf en is er dus sprake van een lik-op-stuk aanpak, zonder rechtelijke tussenkomst.
Ik zie derhalve geen meerwaarde in een houdverbod als zelfstandige straf.
Op welke wijze gaat u controleren of de regels uit het Besluit gezelschapsdieren omtrent het fokken en socialiseren van dieren worden nageleefd en welke capaciteit maakt u daarvoor vrij? Kunt u daarnaast aangeven op welke termijn het Besluit gezelschapsdieren in werking zal treden?
De NVWA zet in 2014 circa 4 fte in voor handhaving en toezicht op de regels geldend voor gezelschapsdieren gepland waaronder de voorschriften omtrent fokken en socialisatie. De LID verdeelt haar capaciteit (14,7 inspecteurs) tussen het toezicht op de naleving van regels voor gezelschapsdieren en de afhandeling van meldingen van dierenmishandeling en verwaarlozing.
De handhavingsdiensten werken op dit moment aan nadere werkafspraken om te komen tot een uniforme handhaving van de nieuwe regelgeving gebaseerd op de Wet Dieren. Hierover zal rondom de inwerkingtreding worden gecommuniceerd.
Het Besluit houders van dieren (waarin het besluit gezelschapsdieren is verwerkt) treedt naar verwachting in werking op 1 juli 2014.
Kunt u uiteenzetten wat op dit moment de stand van zaken is met betrekking tot de sinds 1 april 2013 verplichte identificatie en registratie van honden? Kunt u aangeven hoeveel honden er geregistreerd zijn, hoeveel honden er de afgelopen jaren verkocht zijn, hoeveel controles er sinds 1 april geweest zijn, hoe de handhaving verloopt, of u meer zicht op de handel in honden heeft en of er nog aanpassingen te verwachten zijn? Zo nee, waarom niet?
Tot 14 februari 2014 zijn 86.332 honden geregistreerd in de 8 aangewezen databanken. Er zijn in die periode 67.250 geboortemeldingen gedaan en 71.959 honden door een nieuwe houder geregistreerd hetgeen duidt op de verkoop of overdracht van een hond. De NVWA en LID nemen de controle op identificatie en registratie hond mee tijdens de controles op de overige regelgeving. Tot nu zijn er door de NVWA 22 overtredingen geconstateerd met betrekking tot deze regelgeving.
Handhaving vindt primair plaats via het bestuursrecht, bijvoorbeeld door middel van een last onder dwangsom. Bij niet herstellen van de overtredingen wordt de dwangsom verbeurd. Deze financiële prikkel moet overtreders ertoe bewegen de overtreding op korte termijn op te heffen. Zo nodig wordt daarnaast het strafrecht ingezet.
I&R hond helpt bij het in kaart brengen van handelsstromen en ook het bepalen of fokkers bedrijfsmatig dan wel hobbymatig handelen zodat niet naleving van het honden- en kattenbesluit kan worden vastgesteld. Ook helpt I&R honden te relateren aan een bepaalde handelaar hetgeen helpt bij de opsporing van overtredingen. Omdat de verplichting geldt voor pups duurt het enige tijd voordat de databanken een volledig beeld kunnen geven. Ik heb geen voornemens tot wijziging van deze regels.
Op welke wijze controleert u de identificatie en registratie van honden en voorkomt u fraude met chips? Deelt u de mening dat registratie van pups in aanwezigheid van de moederhond, door een bonafide dierenarts, de kans op fraude aanzienlijk kan verkleinen? Zo ja, bent u bereid alsnog over te gaan tot het verplichten van de aanwezigheid van de moederhond bij de registratie van elke pup of deze mogelijkheid in elk geval te overwegen in uw aanpak? Zo nee, waarom niet?
Tijdens controles op de naleving van het HKB of de veterinaire regels bij invoer of intracommunautair verkeer wordt de naleving van de identificatie en registratieplicht meegenomen.
Als bij koop of chippen van een pup een hond wordt getoond waarvan gezegd wordt dat dit de moeder is, geeft dit onvoldoende bewijs dat dit ook daadwerkelijk het geval is. Het daadwerkelijk aantonen leidt tot een verzwaring van administratieve lasten die ik niet wenselijk vind.
Bent u bereid maatregelen te nemen zodat dat malafide hondenhandelaren buitenlandse paspoorten van een hond niet meer kunnen vervangen door Nederlandse paspoorten, en dus pups uit Oost-Europa niet meer als Nederlandse pup kunnen verkopen? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Omdat een paspoort voor in Nederland verblijvende dieren geen verplicht document is kan ook niet worden geëist dat een buitenlands paspoort niet mag worden vervangen door een Nederlands exemplaar. Omdat ik uw mening deel dat het wenselijk is de herkomst van een dier te kunnen achterhalen, dient het land van herkomst bij invoer verplicht te worden geregistreerd in de databank waarin de handelaar zijn honden registreert (artikel 9 Besluit identificatie en registratie van dieren).
Jet Bussemaker over het bericht ‘Inspectie wil geld terug van ROC's’ |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie wil geld terug van ROC's»?1
Ja.
Kunt u inzichtelijk maken welke onderwijsinstellingen en opleidingen het hier betreft en hoeveel geld de Inspectie van het Onderwijs terugvordert? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment heeft een aantal instellingen van de Onderwijsinspectie (hierna: inspectie) een voorgenomen besluit tot terugvordering ontvangen.
In het kader van de Algemene Wet bestuursrecht kan een instelling zijn zienswijze op deze voorgenomen terugvordering geven.
Op basis van die zienswijze zal vervolgens de besluitvorming plaatsvinden of de bekostiging lager wordt vastgesteld en welk bedrag wordt teruggevorderd. Er zijn dan ook nog geen definitieve besluiten genomen. Als de inspectie het definitieve besluit heeft genomen, zal ik uw Kamer nader informeren.
Op welke wijze voldoen de opleidingen niet aan de wettelijke eisen voor bekostiging en welke tekortkomingen zijn er door de Inspectie vastgesteld bij de opleidingen?
Bij de onderzochte opleidingen is gebleken dat essentiële onderdelen van de beroepsopleiding ontbraken of dat aan essentiële onderdelen van de beroepsopleiding niet op de juiste wijze invulling is gegeven. Om die reden ben ik voornemens bekostiging terug te vorderen.
De inspectie constateerde in haar onderzoeken bij de instellingen een groot aantal tekortkomingen van uiteenlopende aard en ernst. De inspectie onderkent het belang van samenwerking tussen bedrijfsleven en onderwijs. Dit laat onverlet dat ook trajecten waarbij wordt samengewerkt tussen onderwijs en bedrijfsleven dienen te voldoen aan de vereisten die de wet stelt zoals:
Bij de aangetroffen opleidingen werd aan een of meerdere essentiële onderdelen niet voldaan aan deze eisen.
De wettelijke vereisten zijn er om de waarde van het mbo-diploma te waarborgen, zodat het maatschappelijk vertrouwen in het beroepsonderwijs boven elke twijfel is verheven.
Betreft het hier enkel opleidingen waarbij sprake is van samenwerking tussen bedrijven en onderwijsinstellingen?
Ja.
Is er sprake van een parallel tussen de nu geconstateerde tekortkomingen en het eerdere oneigenlijke gebruik van de Wet Vermindering Afdracht Loonbelasting? Zo ja, kunt u deze samenhang nader toelichten?
In principe is de parallel niet bekend bij de inspectie als zij de onderzoeken gaat doen. Het is niet de verantwoordelijkheid van de inspectie om de Wet Vermindering Afdracht Loonbelasting (wva) te onderzoeken, dat is de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst.
Echter, de evaluatie van de afdrachtvermindering onderwijs2 signaleert op verschillende punten onbedoeld gebruik van de afdrachtvermindering onderwijs. De evaluatie noemt onder meer de situatie, waarbij bedrijven de wva hebben toegepast voor werknemers die waren ingeschreven voor opleidingen, waarin tekortkomingen waren geconstateerd.
In zoverre is er sprake van een verband met de recent in de publiciteit gekomen beroepsopleidingen waarbij tekortkomingen zijn geconstateerd door de onderwijsinspectie.
Deelt u de opvatting dat er sprake is van een oneigenlijke aanspraak op en/of oneigenlijk gebruik van overheidsgeld? Zo ja, kwalificeert u dit als fraude? Zo nee, hoe kwalificeert u dit wel?
De inspectie heeft geconstateerd dat er niet voldaan is aan de aan de bekostiging verbonden verplichtingen. Om die reden ben ik voornemens de bekostiging lager vast te stellen en daarmee dit bestuursrechtelijk aan te pakken. De Inspectie van het Onderwijs heeft het handelen van de instellingen gekwalificeerd als niet toereikend in het voldoen aan de wettelijke voorschriften. Deze kwalificatie deel ik.
Is het mogelijk om de betreffende onderwijsinstellingen juridisch te vervolgen voor het oneigenlijk aanspraak maken op overheidsgeld?
Op basis van de bevindingen van de inspectie kom ik tot het oordeel dat de onderwijsinstellingen niet hebben voldaan aan de aan de bekostiging verbonden verplichtingen. Ik ben om die reden voornemens om de bekostiging lager vast te stellen. Dit is de gebruikelijke gang van zaken indien onderwijsinstellingen de bekostigingsvoorwaarden op grond van de onderwijswetgeving niet of onvoldoende naleven.
Het bericht 'Gangster vrij na tikfout' |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gangster vrij na tikfout»?1 Wat was uw eerste reactie?
Ja. Ik betreur deze gebeurtenis omdat het van groot belang is dat vonnissen en beschikkingen van de rechtbank correct worden uitgevoerd.
Kunt u een feitenrelaas geven van de administratieve handelingen die gepleegd zijn vanaf het moment van veroordeling tot aan het moment dat deze persoon is vrijgelaten? Kunt u daarbij aangeven wie op welk moment de genoemde handelingen heeft gepleegd en of daarbij enige controle door een ander op de juistheid van de gegevens bestond?
Nadat een vonnis door de rechter is uitgesproken in aanwezigheid van de officier van justitie, wordt het vonnis door de rechtbank naar het openbaar ministerie (OM) en de verdachte gestuurd. Daarnaast is er een administratief proces om de straf in te voeren in het geautomatiseerde systeem, dat zowel door de rechtbanken als door het OM wordt gebruikt. Dit gebeurt door een administratief medewerker. Dit wordt vervolgens gecontroleerd door een collega-administratief medewerker op basis van het daadwerkelijke vonnis. Als alles klopt, zet deze tweede administratief medewerker het ingevoerde op akkoord.
Betrokkene is op 10 december 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Het schriftelijke vonnis is twee dagen na de uitspraak verstrekt aan het OM. In het administratieve computersysteem waarmee de rechtbank communiceert met het OM, is abusievelijk door een medewerker van de rechtbank zes maanden gevangenisstraf ingevoerd in plaats van zes jaar. Bij de binnen de rechtbank voorgeschreven controle is de fout niet opgemerkt.
Op 20 december 2013 zat de verdachte zes maanden in voorlopige hechtenis. Op die dag is er telefonisch contact geweest tussen de penitentiaire inrichting (PI) Nieuwegein en het OM over het vonnis van verdachte. De gebruikelijke check in geautomatiseerde systeem door een medewerker van de administratie van het OM bevestigde op basis van de foutieve door de rechtbank geregistreerde gegevens dat betrokkene zijn straf had uitgezeten. Op basis van deze informatie heeft de dienstdoende officier van justitie een bevel van in vrijheidstelling getekend en verzonden naar de penitentiaire inrichting. Vervolgens heeft de penitentiaire inrichting de verdachte op 20 december 2013 uit de instelling ontslagen.
Waarom heeft tijdens deze periode niemand opgemerkt dat er een fout was gemaakt of dat er iets niet klopte aan de ophanden zijnde vrijlating? Deelt u de mening dat dit op zijn best opmerkelijk is zo niet nalatig? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 2 en op de vragen van het lid Helder van uw Kamer (ingezonden 12 februari 2014, kenmerk 2014Z02640). Het is betreurenswaardig dat de onterechte invrijheidstelling heeft kunnen plaatsvinden en ook achteraf niet eerder is geconstateerd. Ik acht het dan ook van groot belang dat naar aanleiding van dit incident door de rechtspraak stappen zijn en worden ondernomen om de werkwijze aan te scherpen om herhaling te voorkomen.
De verdachte staat nationaal en internationaal gesignaleerd. De politie en het Openbaar Ministerie zijn actief op zoek naar deze verdachte.
Vanaf welk moment raakten de autoriteiten die vanaf de veroordeling verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de straf op de hoogte van de «tikfout»?
Mijn departement ontving van een journalist op donderdagmiddag 6 februari 2014 bericht van een mogelijk onterechte vrijlating. Dit bericht is gelijk doorgezet naar het OM en de PI Nieuwegein. Het OM heeft op 7 februari 2014 de rechtbank Midden-Nederland geïnformeerd. De rechtbank heeft na een check van de gang van zaken dezelfde dag een persbericht uitgebracht waarin is vermeld dat betrokkene door een administratieve fout ten onrechte in vrijheid is gesteld.
Op welk moment kwamen de bevoegde autoriteiten waaronder het Openbaar Ministerie, medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen en uzelf erachter dat er sprake was van het ten onrechte vrijlaten van de genoemde crimineel?
Zie antwoord vraag 4.
Op welk moment kwam de journalist van de Telegraaf er achter dat deze crimineel ten onrechte was vrijgelaten? Was dit eerder dan één van de bevoegde autoriteiten? Zo ja, hoe kan dat?
Ik heb geen zicht op journalistieke bronnen. Voorafgaand aan het in antwoord op vragen 4 en 5 genoemde bericht van de journalist waren de betreffende diensten niet op de hoogte van de fout noch de onterechte vrijlating. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 3 en 10.
Hoe kon de journalist van de Telegraaf weten dat er een administratieve fout was gemaakt met de onbedoelde vrijlating tot gevolg?
Zie antwoord vraag 6.
Waren de gevangenisdirecteur en het gevangenispersoneel verrast door de plotselinge vrijlating van Mehmet K.? Zo nee, was er al begonnen met een resocialisatieprogramma? Was er al contact met de woonplaats van de veroordeelde? Was er woonruimte en een inkomen geregeld?
Daar onmiddellijke invrijheidsstellingen vaker voorkomen, zagen de directeur en het personeel van de PI zich niet geconfronteerd met een ongebruikelijke situatie. In voornoemde casus was nog geen resocialisatieprogramma gestart. Wel heeft betrokkene driemaal het re-integratiecentrum van de PI bezocht, waar onder meer in kaart werd gebracht of hij beschikte over werk of inkomen, een identiteitsbewijs, huisvesting en/of schulden. Dergelijke informatie wordt voor alle gedetineerden in het begin van de detentieperiode verzameld en dient als basis voor het terugkeeractiviteitenplan. In dit plan kunnen acties op gebied van huisvesting, inkomen, gedragstrainingen en arbeidstrajecten worden beschreven. De uitvoering van dit plan geschiedt als het vonnis definitief is. Daarvan is in deze zaak geen sprake omdat hoger beroep is ingesteld.
Hebben u of anderen al contact met de slachtoffers of benadeelden opgenomen? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen neemt u om een dergelijke fout in de toekomst te voorkomen?
Het gezin dat in deze zaak als slachtoffer is aangemerkt, is op 7 februari 2014 op de hoogte gebracht, evenals de burgemeester van Odijk waar de plofkraak heeft plaatsgevonden waar de verdachte bij betrokken was. Ik verwijs verder naar mijn hiervoor genoemde antwoorden op vragen van het lid Helder van uw Kamer.
Wat kan geconcludeerd worden uit het feitenrelaas? Waar is het volgens het feitenrelaas misgegaan? Wat is of wordt gedaan om Mehmet K. alsnog zijn straf te laten uitzitten?
Zie antwoord vraag 3.
De uitspraken van de minister aangaande de vermeende excuses van Vitens |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak1 dat Vitens haar excuses had aangeboden voor het feit dat zij ten onrechte de suggestie had gewekt dat er een negatief advies was gegeven aangaande mogelijke samenwerking met Mekerot?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de verklaring van Vitens dat zij zich in het geheel niet herkent in deze verklaring en dat zij geen enkel excuus heeft aangeboden?2
Ja.
Hoe verklaart u het feit dat Vitens zich niet herkent in uw uitspraak over de vermeende excuses? Kunt u aangeven wanneer Vitens deze excuses zou hebben gemaakt?
De CEO van Vitens heeft op 10 december jl. in een informeel telefoongesprek met de Directeur Generaal voor Internationale Samenwerking gesproken. Daarin vroeg laatstgenoemde aandacht voor een bericht op de website van Vitens, waarin de verkeerde suggestie kon worden gelezen dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een sturend, negatief advies had afgegeven. De CEO van Vitens zei te betreuren indien geheel onbedoeld de indruk gewekt zou zijn dat BZ hierin sturend zou zijn opgetreden en benadrukte dat het een zelfstandig besluit van het bedrijf was geweest. Het betreffende persbericht is vervolgens ook aangepast ten einde iedere verkeerde indruk te vermijden.
Blijft u bij uw uitspraak dat Vitens een onjuist beeld heeft gecreëerd door te stellen dat het ministerie van Buitenlandse Zaken een negatief advies heeft gegeven aangaande de mogelijke samenwerking met Mekerot?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is door Vitens geconsulteerd over de voorgenomen kennis- en informatie-uitwisseling met Mekorot, die mogelijk ten gunste zou kunnen komen aan nederzettingen. In een telefoongesprek heeft het ministerie het Nederlandse ontmoedigingsbeleid toegelicht. Het ministerie heeft geen negatief en geen positief advies gegeven over de voorgenomen samenwerking met Mekorot.
Blijft u bij uw uitspraak dat Vitens excuses heeft aangeboden? Zo nee, bent u bereid publiekelijk excuses aan te bieden voor het feit dat Vitens op deze wijze in een kwaad daglicht is gesteld?
Ik heb op 21 februari jl. met de CEO van Vitens gesproken. Ik heb in dit gesprek benadrukt het te betreuren dat Vitens onderwerp is geworden van een politieke discussie. Het ontmoedigingsbeleid houdt in dat de Nederlandse regering Nederlandse bedrijven aanspreekt op het ontplooien van activiteiten in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen en geen diensten verleent ten behoeve van dergelijke activiteiten. Uiteindelijk is het echter aan bedrijven zelf om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken. De gezamenlijke conclusie van dit gesprek, dat in goede sfeer verliep, is dat de kwestie hiermee is afgedaan.
Deelt u de mening dat er onduidelijkheid is ontstaan, in ieder geval bij Vitens, over de uitwerking van het ontmoedigingsbeleid? Zo ja, bent u bereid het gesprek aan te gaan met Vitens om deze onduidelijkheid weg te nemen?
Zie antwoord vraag 5.
Ultrasone kattenverjagers |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Is de verkoop en/of plaatsing van ultrasone kattenverjagers1, die een 10 kHz toon (of hoger) met een geluidsterkte van 140 dB produceren, toegestaan op de Nederlandse markt? Zo nee, bent u bereid om handhavend op te treden tegen de verkoop, ook via internet en postorderbedrijven, en/of de plaatsing van ultrasone kattenverjagers? Zo ja, is de plaatsing vergunningplichtig, zoals het geval is met Mosquito’s2? Welke wettelijke eisen worden gesteld aan dergelijke apparaten? Voldoen de apparaten die in de handel zijn aan deze eisen?
De verkoop en plaatsing van ultrasone dieren- en jongerenverjagers is niet verboden noch zijn deze vergunningplichtig, afgezien van algemene bepalingen over overlast in de APV’s van de gemeenten. Wel zijn deze apparaten onderworpen aan het Warenwetbesluit electronische producten dat er voor moet zorgen dat consumentenartikelen geen gevaar of schade bij normaal gebruik mogen opleveren. Ik verwijs hierbij ook naar het eerder gegeven antwoord op vragen van het lid Thieme van de Partij van de Dieren (TK 2008–2009, nr. 3730).
Het apparaat om katten mee te verjagen produceert een toon van 21.000 Hz. Dat is een hoge frequentie; 1.000 Hz wordt al als behoorlijk hoog ervaren en de hoogste toon van de piano ligt rond de 4.000 Hz. De hoogste frequentie die mensen kunnen waarnemen ligt rond de 20.000 Hz, maar met de leeftijd neemt de waarneming van hoge frequenties snel af: jonge kinderen kunnen tonen van 20.000 Hz net horen, bij 30 jaar is dat al gedaald tot 15.000 Hz en bij 60 jaar tot 12.000 Hz. Katten zijn in principe wel gevoelig voor deze hoge frequenties.
Naar aanleiding van een klein aantal klachten zijn door de Nederlandse Voedsel en Warenauthoriteit (NVWA) enige kattenverjagers/dierverdrijvers onderzocht op de volgende gevaren: gehoorschade, andere fysieke schade door overlast en schade aan dieren. Bij een enkel toestel zijn de meetwaarden tot op een afstand van 7 meter hoog te noemen. Er kan echter pas na een blootstelling van 8 uur sprake zijn van een gezondheidsrisico. Een dergelijke lange duur van de geluidsblootstelling van dit toestel treedt bij normaal gebruik niet op.
Indien er geen wettelijke eisen gesteld worden, bent u bereid eisen te stellen aan de maximale geluidbelasting door ultrasone kattenverjagers buiten de erfgrens, dan wel de verkoop en/of de plaatsing van dergelijke apparaten geheel te verbieden?
Nee, zie vraag 1.
Het gedoogbeleid ten aanzien van online casino’s |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Teeven speelt online casino’s troefkaart toe» en het bericht «Aanpak illegale kansspelwebsites»?1 2
Ja.
Is het waar dat de in het eerste bericht genoemde oud-staatssecretaris van Sociale Zaken naar eigen zeggen als lobbyist tijdens de voorlaatste kabinetsformatie u als persoon heeft weten te overtuigen van de wenselijkheid van het reguleren van de online gokmarkt? Zo ja, waaruit bestonden de contacten tussen u en de genoemde oud-staatssecretaris? Zo ja, hebben de lobbyactiviteiten inderdaad bijdragen tot uw meningsvorming? Zo ja, is de veronderstelling van de oud-staatssecretaris juist dat u vanwege financiële overwegingen voor de staatskas online gokken wilt reguleren? Zo nee, wat is er niet waar aan het door de oud-staatssecretaris gestelde?
Nee. Mijn streven tot regulering komt voort uit het feit dat honderdduizenden Nederlanders nu al deelnemen aan online kansspelen, zonder de bescherming van een gereguleerd Nederlands stelsel. Deze spelers dienen beschermd te worden tegen onder andere kansspelverslaving, fraude en overige criminaliteit. Dit is de reden waarom ik kansspelen op afstand wil reguleren. Ook in veel andere landen in Europa en daarbuiten zijn kansspelen op afstand om deze reden gereguleerd. Belastinginkomsten, daarnaast, zijn slechts een positief neveneffect van de regulering.
De genoemde oud-staatssecretaris van Sociale Zaken is voorzitter van branche vereniging STIOG van online kansspelaanbieders. In deze hoedanigheid heeft hij net als andere stakeholders en in vergelijkbare mate met andere stakeholders input kunnen leveren voor de totstandkoming van het wetsvoorstel kansspelen op afstand. Deze input bestond uit feitelijke kennis over de werking van de online markt, online regulering in andere landen en best practices.
Is het waar het dat er afspraken zijn gemaakt met aanbieders van illegale online kansspelen in de aanloop naar een eventueel geliberaliseerde markt voor online kansspelen? Zo ja, wat behelzen die afspraken precies? Zo nee, hoe kan de aard van de communicatie met de aanbieders anders worden begrepen?
Nee, er is geen sprake van enige afspraak. In 2012 zijn online aanbieders geïnformeerd over het prioriteringsbeleid van de kansspelautoriteit. Daarnaast is zoals gebruikelijk bij wetgevingstrajecten, bij de totstandkoming van het wetsvoorstel online kansspelen overleg gevoerd met diverse stakeholders. Zo is overleg gevoerd met huidige vergunninghouders, verslavingszorg, kansspelautoriteit, banken, internet service providers, en ambtenaren van Europese landen waar kansspelen op afstand al gereguleerd is. In dit kader is ook overleg gevoerd met online aanbieders. Ook met hen die in Nederland nog geen vergunning hebben voor offline kansspelen. Dit is nodig omdat zij kennis en ervaring hebben die nodig is om tot een effectieve regulering te komen.
Kent u de brief «die medio 2012 bij veel buitenlandse kansspelaanbieders op de deurmat ploft»? Zo ja, wat was de inhoud van die brief en kan de Kamer daarvan een afschrift ontvangen? Zo ja, houdt deze brief verband met bovenstaande vermeende afspraken? Zo nee, kunt u het bericht over die brief duiden?
De Kansspelautoriteit is verantwoordelijk voor de handhaving van de Wet op de kansspelen. Gezien het grote aanbod van kansspelen op internet is de kansspelautoriteit genoodzaakt prioriteiten te stellen bij haar handhavingsactiviteiten. Ze heeft daartoe prioriteringscriteria opgesteld waarbij het uitgangspunt is handhavende activiteiten in eerste instantie te richten op aanbieders die zich onmiskenbaar richten op de Nederlandse markt. De aandacht van de kansspelautoriteit richt zich dan ook primair op aanbieders die aan één of meer van de prioriteringscriteria voldoen, waaronder aanbieders die reclame maken via radio, televisie of in geprinte media gericht op de Nederlandse markt, kansspelwebsites die eindigen op de extensie.nl en/of kansspelwebsites die in het Nederlands zijn te raadplegen. Deze criteria zijn ontleend aan vaste rechtspraak.
In dit licht verstuurt de kansspelautoriteit waarschuwingsbrieven. De kansspelautoriteit heeft mij laten weten dat de strekking van deze brieven is dat de aanbieder illegaal bezig is en dat hij een boete riskeert. Ik beschik niet over deze individuele brieven. In reactie op deze brieven heeft een groot aantal bedrijven het aanbod aangepast. Andere hebben dat niet gedaan en inmiddels heeft de kansspelautoriteit al meerdere boetes opgelegd en lopen nog diverse onderzoeken. Het feit dat aanbieders niet aan de prioriteringscriteria voldoen, betekent echter niet dat deze aanbieders per definitie vrijgesteld zijn van handhavend optreden van de kansspelautoriteit. Zo heeft de kansspelautoriteit in samenwerking met de landelijke divisie recherche al opgetreden tegen een aanbieder die niet onder de prioriteringscriteria viel.
Naast het opleggen van bestuurlijke boetes werpt de kansspelautoriteit tevens barrières op om de bedrijfsvoering van illegale aanbieders zo moeilijk mogelijk te maken. Voorbeelden hiervan zijn de samenwerking met websites zoals Facebook, het onmogelijk maken van betalingsverkeer van illegale aanbieders en de internationale samenwerking met andere Kansspelautoriteiten.
Betekent de prioriteitenstelling van de Kansspelautoriteit (KSA) bij de aanpak van illegale online games in de praktijk dat illegale aanbieders van online games waarvan de website niet eindigt op.nl en/of die geen reclame in het Nederlands aanbieden en/of gericht zijn op de Nederlandse markt met rust gelaten worden door de KSA? Zo ja, is dat de facto anders dan een gedoogbeleid voor die aanbieders en waarom is dat dan anders? Zo nee, waarom niet en waar blijkt concreet uit dat andere aanbieders die buiten de prioriteitenstelling van de KSA vallen wel aangepakt zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat de top van de Kansspelautoriteit in mei 2013 niet weet wat ze aan het doen is: prioriteren of gedogen? Zo ja, hoe kan dat, is daar inmiddels wel duidelijkheid over en wat is die duidelijkheid? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het gestelde?
Nee. Zoals ik reeds in mijn antwoord op vraag 4 en 5 heb weergegeven heeft de kansspelautoriteit zelf de prioriteringscriteria opgesteld. Omdat veel vragen werden gesteld door aanbieders en door leden van uw Kamer over de prioriteringscriteria, waarbij het woord «gedogen» ook vaak viel, heeft het bestuur van de kansspelautoriteit dit in zijn vergadering besproken en nogmaals vastgesteld dat het gaat om prioriteringscriteria voor de handhaving. Naar mijn oordeel weet de Kansspelautoriteit precies wat zij doet.
Zijn de aanbieders van illegale online games, waaronder AmsterdamCasino, RoyaalCasino en 7Red door de KSA beboet? Zo nee, waarom niet?
De kansspelautoriteit treedt op tegen aanbieders van online kansspelen die gericht zijn op de Nederlandse markt. De kansspelautoriteit heeft mij laten weten inmiddels meerdere boetes te hebben opgelegd, waaronder boetes met een hoogte van 100.000 euro en 150.000 euro. De boetes die inmiddels openbaar gemaakt zijn, staan op de website van de kansspelautoriteit vermeld. Deze vermeldingen hebben er overigens toe geleid dat een aantal aanbieders het aanbod alsnog heeft aangepast waardoor zij niet langer aan de prioriteringscriteria voldoen.
De kansspelautoriteit heeft mij tevens laten weten voortdurend onderzoek te doen naar websites waarvan het spelaanbod mede op Nederland is gericht. Deze onderzoeken kunnen leiden tot boetes, maar ook kan de kansspelautoriteit met andere handhavingspartners afspreken dat zij een onderzoek overnemen en kan een zaak bijvoorbeeld strafrechtelijk worden afgedaan. Om lopende onderzoeken niet te verstoren doet de kansspelautoriteit geen mededelingen over individuele zaken of aanbieders. Ik ga er vanuit dat vragenstelster hiervoor begrip heeft.
Is het waar dat medewerkers van het ministerie van Veiligheid en Justitie aanbieders van legale en illegale kansspelen hebben geadviseerd geen rechtszaken tegen elkaar aan te spannen? Zo ja, waarom hebben zij dat gedaan? Zo ja, deelt u de mening dat een dergelijk advies zich slecht verhoudt tot het recht van private partijen om naar de rechter te stappen en tot de trias politica en welke conclusies verbindt u daaraan? Zo nee, betekent dat het in het eerste bericht op dit punt gestelde volkomen uit de lucht gegrepen is?
Nee. Het betreft de wens vanuit de online sector zelf. De meeste lopende procedures hadden immers als doel het bestaande stelsel «open te breken», zodat online aanbieders toegang tot de Nederlandse markt kregen. Begin 2011 is vanuit de sector voorgesteld alle lopende procedures «op ijs te zetten», zodat het Ministerie van Veiligheid en Justitie in relatieve rust kon werken aan de voorbereiding van wetgeving voor kansspelen op afstand. Online aanbieders zijn zich bewust dat zij baat hebben bij deze wetgeving. Ook de legale aanbieders die betrokken waren bij lopende procedures waren voorstander van deze rust. Dit heeft niets van doen met de trias politica.
Deelt u de analyse dat wanneer illegale aanbieders van online kansspelen de Wet op de kansspelen (WOK) mogen overtreden en huidige legale aanbieders zich wel aan de WOK moeten houden een ongelijk speelveld wordt gecreëerd waardoor illegale aanbieders een oneerlijke concurrentievoorsprong krijgen? Zo ja, was of is er sprake van een dergelijk ongelijk speelveld? Zo ja, wat gaat u doen om het speelveld weer gelijk te krijgen?
Nee. Dit wetsvoorstel beoogt een gelijk speelveld te creëren. Een gelijk speelveld houdt in dat de regels gelijk zijn voor alle partijen, dit houdt niet in dat partijen allemaal dezelfde uitgangspositie hebben of dezelfde verwachte uitkomst. Enkele partijen zullen altijd een bepaald voordeel hebben ten opzichte van anderen. Alleen als de huidige voorsprong of achterstand dermate groot is dat die ervoor zou zorgen dat geen concurrentie op gang komt, kan dat een reden zijn te overwegen iets aan deze uitgangssituatie te doen (bijvoorbeeld als er daardoor overwinsten, hoge prijzen en slechte kwaliteit ontstaat). Ik ben van mening dat daarvan geen sprake is.
Daarnaast zal de kansspelautoriteit voorafgaand aan de opening van de markt in ieder geval duidelijk communiceren dat aanbieders die persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland, worden uitgesloten van een vergunning voor kansspelen.
Deelt u de mening dat het niet actief aanpakken van alle illegale aanbieders van kansspelen een verkeerd signaal is, omdat (potentiële) aanbieders daaruit zouden kunnen afleiden dat de KSA ook in de toekomst niet scherp zal handhaven? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat van die partijen weinig te verwachten valt als het gaat om het tegengaan van bovenmatig gokgedrag? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben daarbij wel van mening dat illegale aanbieders op dit moment al actief worden aangepakt. Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 5 en 7. Zodra een stelsel voor online kansspelen is ingericht, zullen aanbieders die in aanmerking willen komen voor een vergunning moeten voldoen aan strikte voorwaarden, waaronder het voorkomen van kansspelverslaving.
De antisemitische propaganda door organisatie 'Stop de Bezetting' |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de website www.stopdebezetting.com waar de artikelen «Most Popular Commercials are promoted by the Zionists»1 en «The Jewish hand behind Internet Google, Facebook, Wikipedia, Yahoo!, MySpace, eBay ...» op te lezen zijn?2
Ja, ik ben bekend met de website van Stop de Bezetting. Ik heb de bovengenoemde artikelen daar echter niet aangetroffen op 14 februari jl. Het tweede artikel is elders op het Internet aangetroffen.
Deelt u de mening dat het artikel waarin onder meer gesteld wordt dat zionisten door middel van Coca Cola, Nestlé, Hollywood, de media en de overheid – die zij ook allen in handen zouden hebben – anderen willen vergiftigen, zeer antisemitisch van aard is? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt iedere vorm van discriminatie en antisemitisme: dit is onacceptabel en hoort niet thuis in onze maatschappij. Het artikel en de zin waar u in vraag 3 naar verwijst, is gebaseerd op vooroordelen en een vijandig beeld ten aanzien van de Joodse gemeenschap. Wij ervaren dit als antisemitisch.
In hoeverre erkent u het virulente antisemitische karakter van het artikel waarin o.a. wordt gesteld dat «joden het internet hebben gepenetreerd met als doel informatie te domineren en te controleren»?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het feit dat «Stop de bezetting» van Gretta Duisenberg, eerder al een demonstratie organiseerde waar «Hamas, Hamas, joden aan het gas» en «Intifada, Intifada» werd gescandeerd?
Het recht op demonstreren behoort tot de vrijheden van de rechtstaat. Dit recht op vrije meningsuiting wordt echter begrensd door de wet. Haatzaaien jegens bevolkingsgroepen is niet toegestaan. Het scanderen van de leus «Hamas, Hamas, joden aan het gas» is onaanvaardbaar en verwerpelijk.
U refereert aan een demonstratie op 3 januari 2009 in Amsterdam. Uit informatie van het Openbaar Ministerie blijkt dat er aangifte is gedaan gericht tegen mevrouw Duisenberg en twee toenmalige Kamerleden als het gaat om de uitspraak «Intifada, Intifada, Palestina vrij». Ook is er aangifte gedaan tegen onbekende personen die tijdens de demonstratie «Hamas, Hamas, joden aan het gas» scandeerden. Het Openbaar Ministerie heeft geen vervolging ingesteld jegens mevrouw Duisenberg en de toenmalig Kamerleden omdat hun uitspraak en handelen tijdens de demonstratie werd beschouwd als niet strafbaar.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat de organisatie «Stop de bezetting», die het recente verleden geld ontving van de gesubsidieerde hulpclub Oxfam Novib, ooit nog – direct of indirect – belastinggeld zal ontvangen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft geen subsidierelatie met de Stichting «Stop de Bezetting». Oxfam Novib heeft aangegeven dat zij na 2007 geen subsidie heeft verleend aan deze stichting. Overigens is deze bijdrage betaald uit eigen middelen en niet uit ontvangen middelen uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. De Nederlandse overheid heeft geen zeggenschap over de besteding van particuliere gelden.
Bent u nu eindelijk bereid een onderzoek te starten naar antisemitische propaganda door gesubsidieerde hulpclubs?
Ik verwacht van alle organisaties, met of zonder directe of indirecte financiële steun, dat zij zich onthouden van discriminatie of antisemitisme. Of er sprake is van discriminatie op grond van het wetboek van strafrecht kan alleen de rechter bepalen. Het doen van aangifte is dan ook de passende route om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van antisemitisme.
Het bericht “NPO vanaf dinsdag 'uitgekleed' in Belgische tijdschriften” |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NPO vanaf dinsdag «uitgekleed» in Belgische tijdschriften»?1
Ja.
Is het waar dat de drie Belgische tijdschriften van Magnet Media van voor 2014 gezamenlijk nog een kleine 15.000 euro per jaar betaalden en dat dit bedrag nu zou stijgen naar ongeveer driekwart miljoen euro per jaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, acht u dit een redelijke vergoeding?
Uit informatie van de NPO en Magnet Media blijkt het volgende.
Vóór de invoering van de wettelijke tarieven betaalde Magnet Media de NPO jaarlijks € 4.935,– voor de programmagegevens van de Nederlandse publieke omroepen. Het bedrag dat de drie Belgische tijdschriften vervolgens aan Magnet Media betaalden is mij onbekend.
Na invoering van de wettelijke tarieven is – uit informatie van Magnet Media – gebleken dat het bedrag dat de drie Vlaamse dagbladen rechtstreeks zouden moeten betalen aan de NPO voor gebruik van de programmagegevens van de Nederlandse publieke omroepen is gestegen tot € 743.141,31,– per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op de verkochte oplage van de titels «Het Laatste Nieuws», «De Morgen», «Dag Allemaal» en «TV Familie» inclusief de bijbehorende websites.
Hoe verhoudt de hogere vergoeding die wordt gevraagd door de NPO2 zich tot de letter, en tot de geest van het huidige artikel 2.139 van de Mediawet dat voor het laatst is gewijzigd door het amendement van de leden Van der Ham – Van Miltenburg (Kamerstuk 33 019, nr. 19), waarvan de toelichting vermeldt dat het «doel van het amendement is de programma-gegevens van de publieke omroep versneld vrij te geven tegen een realistische marktconforme vergoeding»?
Bij de totstandkoming van artikel 2.139 Mediawet 2008 is uitsluitend gedacht aan afnemers die zich richten op de Nederlandse markt. Het is nooit de bedoeling geweest de tarieven die genoemd worden in artikel 2.139, vijfde lid, Mediawet 2008 ook te laten gelden voor afnemers die zich richten op de buitenlandse markt.
Omdat dit momenteel onvoldoende uit de Mediawet 2008 blijkt, zal dit worden hersteld in het eerstvolgende wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008.
Het Commissariaat voor de Media en de NPO zullen hiervan op de hoogte worden gesteld.
Wanneer verwacht u uitsluitsel te geven over het onderzoek naar de nieuwe tarieven dat thans wordt uitgevoerd door het Commissariaat van de Media? Is het mogelijk om deze informatie voor het zomerreces aan de Kamer te doen toekomen?
Het Commissariaat voor de Media heeft toegezegd dat deze informatie voor het zomerreces aan de Kamer zal kunnen worden toegezonden.
Is het mogelijk om de wet zo uit te leggen dat er enkel een vergoeding wordt betaald voor het gebruik maken van Nederlandse programmagegevens door Belgische media op de Nederlandse markt? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is bij de totstandkoming van artikel 2.139 Mediawet 2008 uitsluitend gedacht aan afnemers die zich richten op de Nederlandse markt. De onderzoeksopdracht voor het Commissariaat voor de Media die heeft geresulteerd in de tarieven in artikel 2.139, vijfde lid, Mediawet 2008 was dan ook afgebakend tot de Nederlandse markt. De toelichting op het amendement-Van Miltenburg/Van der Ham verwijst naar dit onderzoek. Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb opgemerkt, zal de bedoeling van artikel 2.139 Mediawet 2008 in het eerstvolgende wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 worden verduidelijkt.
Kunt u toelichten of alle afnemers van de programmagegevens, zowel commerciële als publieke media en omroepen, eenzelfde vergoeding betalen voor het gebruik maken van de programmagegevens van de NPO?
Uitsluitend de Nederlandse publieke omroepverenigingen hoeven niets te betalen voor het afnemen van hun eigen programmagegevens. Alle overige Nederlandse afnemers van de programmagegevens zijn gehouden aan de wettelijke tarieven.
Kunt u toelichten hoe deze tariefstelling en de gevraagde vergoeding voor de programmagegevens zich verhouden tot de Auteurswet en de recente afschaffing van de geschriftenbescherming?
De geschriftenbescherming op basis van de Auteurswet en de mediawettelijke regeling over programmagegevens zijn twee zaken die los van elkaar staan. De mediawettelijke regeling over programmagegevens bepaalt dat de gebruiker betaalt voor een (vroegtijdige) aanlevering van de programmagegevens en niet voor overname van door vrije nieuwsgaring verkregen gegevens. Deze mediawettelijke regeling is aldus gebaseerd op de feitelijke zeggenschap die publieke omroepen kunnen uitoefenen over de programmagegevens en niet op de auteursrechtelijke geschriftenbescherming.
Het wegvallen van geschriftenbescherming zou er wel toe kunnen leiden dat programmagegevens zonder vergoeding kunnen worden overgenomen indien zij door vrije nieuwsgaring zijn verkregen, tenzij de programmagegevens na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel alsnog auteursrechtelijk worden beschermd of overname daarvan op zichzelf een onrechtmatige daad op grond van het Burgerlijk Wetboek zou betreffen. Momenteel loopt hierover een rechtszaak tussen de NPO en een dagblad. Hoe de uitspraak in deze zaak ook zal luiden, het vervallen van auteursrechtelijke bescherming verplicht de omroepen nog niet om de programmagegevens actief beschikbaar te stellen. De regeling van de verplichte en tijdige beschikbaarstelling in de Mediawet 2008 heeft dan ook een zelfstandige functie, los van het al dan niet bestaan van auteursrechtelijke bescherming. Vervallen van de geschriftenbescherming zou eventueel wel van invloed kunnen zijn op de hoogte van de marktconforme prijs van de programmagegevens. In dat geval kan het Commissariaat voor de Media hiermee rekening houden bij zijn periodieke herberekening van de marktconforme waarde.
Kunt u toelichten hoeveel andere buitenlandse media (bijvoorbeeld uit Duitsland) meer moeten gaan betalen voor het gebruik mogen maken van de programmagegevens van de NPO? Kunt u daarbij tevens toelichten of naast de Belgische media andere buitenlandse media bezwaar hebben gemaakt tegen deze tariefverhoging?
Krachtens artikel 2.139 Mediawet 2008 hoeven buitenlandse afnemers niets meer te gaan betalen dan dat dat zij deden voor inwerkingtreding van artikel 2.139 Mediawet 2008. Dit artikel is immers niet op hen van toepassing. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 5. De verduidelijking van de bedoeling van artikel 2.139 Mediawet 2008 zal zoals gezegd worden meegenomen in het eerstvolgende wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008. Omdat de NPO en het Commissariaat voor de Media in de veronderstelling verkeerden dat deze tarieven wel golden voor buitenlandse afnemers heeft de NPO na inwerkingtreding van artikel 2.139 Mediawet 2008 een tariefverandering doorgevoerd.
Vóór invoering van de wettelijke tarieven rekende de NPO een vast jaarlijks tarief van € 1.645,– per NPO-zender aan buitenlandse afnemers voor de ontvangst van de programmagegevens van de Nederlandse publieke omroepen. Alle buitenlandse afnemers betaalden aldus evenveel, zijnde een bedrag van € 4.935,– per jaar voor de programmagegevens van alle drie de zenders.
De wettelijke tarieven die per 1 januari 2013 zijn ingevoerd (en waarvan de NPO en het Commissariaat voor de Media veronderstelden dat deze ook golden voor buitenlandse afnemers) gaan uit van een andere berekeningssystematiek:
Ná inwerkingtreding van artikel 2.139 Mediawet 2008 heeft de NPO – met uitzondering van Belgische afnemers – uitsluitend overeenkomsten gesloten met buitenlandse afnemers over de programmagegevens voor de derde categorie «overige elektronische programmagidsen» en niet over de programmagegevens voor de eerste twee categorieën «gedrukte en elektronische programmagidsen». Geen van de buitenlandse afnemers heeft bezwaar ingediend tegen de gewijzigde tarieven.
Kunt u toelichten hoeveel Nederlandse media, en de NPO, betalen voor het gebruik mogen maken van de programmagegevens van de Vlaamse en Waalse publieke omroep, van de Duitse publieke omroep, van de Franse publieke omroep, en van de Britse publieke omroep?
Voor het antwoord op deze vraag heb ik informatie ingewonnen van Bindinc en enkele Nederlandse media. Daaruit blijkt dat niets hoeft te worden betaald voor het gebruik maken van deze buitenlandse programmagegevens, maar wel voor het verzamelen en bundelen daarvan.
Het fokken en doden van gezonde dieren in dierentuinen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de jonge giraf die in een Deense dierentuin is en gedood om inteelt te voorkomen?1 Wat vindt u van de handelwijze van deze dierentuin?
Ja. Als een dierentuin een dier niet kan uitplaatsen naar een andere geschikte dierentuin, dan kan een dierentuin in het uiterste geval voor euthanasie kiezen.
Vindt u het ethisch verantwoord als dierentuinen fokken met dieren om de jongen na enige tijd weer af te maken? Zo ja, kunt u uitleggen waarom u dat verantwoord vindt?
In 1999 is de EU-richtlijn betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen in werking getreden. Deze richtlijn geeft aan dat dierentuinen een rol vervullen bij het behoud van de biologische diversiteit.
Dit kan door deelname aan onderzoek of fokprogramma’s. Daarnaast zijn er verplichtingen op het gebied van bewustmaking van het publiek, diergezondheid en dierenwelzijn, voorkomen dat dieren ontsnappen en dat ongedierte binnendringt en het bijhouden van een register over de collectie in de dierentuin. In het Dierentuinenbesluit, dat strekt tot implementatie van de richtlijn, zijn deze elementen opgenomen.
Jonge dieren zijn aantrekkelijk voor het publiek. Het fokken gebeurt echter om andere redenen. Het fokken van dieren heeft niet alleen een relatie met bovengenoemde biodiversiteit, maar ook met het welzijn en de gezondheid van de dieren. Het krijgen van jongen is belangrijk voor het natuurlijke gedrag van het moederdier, de kudde en ook veterinair gezien gewenst. Leidt dit tot teveel dieren dan wordt eerst gekeken of dieren uitgeplaatst kunnen worden naar een andere geschikte dierentuin die minstens dezelfde voorzieningen kan bieden. Het Dierentuinenbesluit schrijft dit voor. Met een dergelijke transfer worden gezonde dieren over dierentuinen verspreid, wat ook een bijdrage levert aan een sterke fokgroep. Mocht een transfer niet lukken dan kan worden besloten om een dier te euthanaseren. Deze beslissingen worden niet lichtvaardig genomen en zijn belastend voor alle betrokkenen.
Erkent u dat het voor dierentuinen erg aantrekkelijk is om te fokken met hun dieren, omdat jonge dieren enorme publiekstrekkers zijn waarmee dan ook gericht wordt geadverteerd? Erkent u dat dit kan leiden tot verschillende problemen, waaronder een overschot aan dieren die vervolgens moeten worden verhuisd of zelfs worden gedood? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoeveel dieren er jaarlijks gefokt worden in Nederlandse dierentuinen? Kunt u hiertoe een overzicht geven met de aantallen en diersoorten per dierentuin?
Het komt ook in Nederland voor dat gefokte dieren worden gedood. Dierentuinen leveren ieder eerste kwartaal van het jaar een overzicht van de geboren, gestorven, verworven en uitgeplaatste dieren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze overzichten worden beoordeeld op excessen en risico’s. Zo nodig vindt een hercontrole plaats van de volledige dierregistratie in de dierentuin. RVO.nl werkt hierin nauw samen met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). RVO.nl heeft voor deze werkwijze gekozen, omdat zo efficiënt en met de minste lasten voor de sector zicht gehouden wordt op transacties, geboorte en sterfte in dierentuinen.
Dit impliceert dat door RVO.nl niet alle details worden gevraagd en berekend, maar wel dat excessen en risico’s zichtbaar worden. Excessen en risico’s komen met betrekking tot overtollige dieren niet voor.
Er zijn geen aanwijzingen dat er duidelijk meer dieren sterven dan op basis van het natuurlijke verloop verwacht zou mogen worden.
Kunt u bevestigen dat ook in Nederlandse dierentuinen «overtollige» dieren worden gedood?2 Kunt u uiteenzetten in welke dierentuinen dat de afgelopen 5 jaar is gebeurd, om welke dieren het ging, om welke aantallen en wat de reden was voor het doden van deze gezonde dieren en wat de relatie was met het fokbeleid? Zo nee, waarom heeft u geen zicht op het fok- en dodingsbeleid in Nederlandse dierentuinen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat het, in tegenstelling tot Nederland, het in landen als Duitsland en Engeland al wettelijk verboden is gezonde dieren in te laten slapen? Bent u bereid in Nederland het inslapen van gezonde dieren eveneens te verbieden? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is in Duitsland niet wettelijk verboden gezonde dieren in een dierentuin te doden. In het Duitse Tierschutzgesetz is bepaald dat dierentuindieren niet zonder gegronde redenen gedood mogen worden. De gegronde reden moet door de ambtelijke veterinaire instanties van de Landeskreis of de deelstaat worden vastgesteld.
Ook in Engeland bestaat geen algemeen verbod op euthanasie. In het document «Secretrary of State’s Standards of Modern Zoo Practice», (Department for Environment Food and Rural Affairs, 2012, pag. 34), staan voorwaarden genoemd waaronder euthanasie toegestaan is. Overpopulatie waardoor het welzijn van de dieren in gevaar komt, kan één van de voorwaarden zijn. Euthanasie is echter het uiterste middel en dient zorgvuldig afgewogen te worden.
Wat vindt u ervan dat door het huidige fokbeleid en de leefomstandigheden in dierentuinen er dieren moeten verhuizen, zoals gebeurde bij een groep van vier olifanten in Emmen omdat zij hun natuurlijk gedrag niet konden uitoefenen?3
Bij het fokken van dieren of de voortplanting in het algemeen, kan op enig moment de situatie ontstaan dat een dier niet in de groep past of deze op een bepaalde leeftijd moet verlaten. Ook kan een sociaal levende groep uiteen vallen. Deze situaties vinden ook in de natuurlijke leefomgeving plaats. Dierentuinen doen er dan verstandig aan om een oplossing te zoeken, zoals verhuizen naar een andere dierentuin waar de dieren naar behoren kunnen leven.
Hoe beoordeelt u ten algemene de ethische aanvaardbaarheid van het fokken van dieren in dierentuinen, waarbij steeds nieuwe jonge dieren gedoemd zijn tot een leven in gevangenschap ter vermaak van mensen? Hoe verhoudt het tentoonstellen van wilde dieren zich in uw optiek tot de intrinsieke waarde van het dier?
Het gaat in dierentuinen om een combinatie van conservatie, educatie, informatie en recreatie. Dierentuinen bereiken jaarlijks heel veel mensen en door de aan hun toebedeelde belangrijke rol bij bewustwording van het publiek goed op te pakken, hebben zij de mogelijkheid om mensen te informeren over de getoonde diersoorten en hen bewust te maken van de kwetsbaarheid van de natuurlijke leefomgeving van de dieren. Dit is van grote waarde voor het denken over natuurbehoud en uiteindelijk voor het natuurbehoud zelf. De intrinsieke waarde van de dieren is daarbij niet in het geding, omdat juist zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de eigenheid van de dieren, het welzijn en de gezondheid. Ik zie daarom geen reden om fokprogramma’s van dierentuinen aan banden te leggen.
Bent u bereid om, gelet op bovengenoemde ethische bezwaren, de fokprogramma’s van dierentuinen aan banden te leggen? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u de regels van de European Association of Zoos and Aquaria (EAZA) die het doden van een gezond dier ter voorkoming van inteelt kennelijk toelaten?
Fokprogamma’s hebben tot doel om dierentuinpopulaties gezond te houden en daar past geen inteelt bij. Mocht deze situatie zich voordoen dan is euthanasie de laatste keuze. De overwegingen daarvoor zijn vastgelegd in het euthanasiestatement van de EAZA. Meestal is euthanasie niet nodig en wordt voor het dier een plek gevonden in een geschikte dierentuin.
Kunt u aangeven of de betreffende EAZA regels tot stand zijn gekomen in particuliere overeenstemming tussen de leden of vanuit Europese regelgeving, wat de dierentuin in Kopenhagen verklaard heeft?4 Bent u bereid om u in te zetten voor een forse aanscherping van de Europese en/of EAZA regels opdat fokprogramma’s worden ingeperkt en er geen gezonde dieren meer mogen worden gedood in Europese dierentuinen?
De EAZA regels zijn een interne aangelegenheid van de leden van de EAZA. Daarnaast dienen dierentuinen vanuit Europese regelgeving mee te doen aan onderzoek of aan fokprogramma’s, zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 2. Er is geen reden om de regels van fokprogramma’s aan te scherpen, want de EAZA gaat daar al prudent mee om.
Aanscherping van de regels, waardoor dieren minder of geen jongen meer krijgen, kan zelfs nadelig zijn voor het welzijn, de gezondheid, de biodiversiteit en de educatie. De twaalf dierentuinen die aangesloten zijn bij de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen en de EAZA, ontvangen jaarlijks circa 10.000.000 bezoekers. Het is in het belang van de educatie dat deze dierentuinen de dieren op een zo natuurlijk mogelijke wijze kunnen tonen.
Kunt u aangeven of de EAZA Europese subsidies ontvangt in enigerlei vorm? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord over de omvang en het doel van deze subsidies?
De EAZA ontvangt geen Europese subsidies.
Kunt u aangeven hoeveel inspecties op naleving van de voorwaarden waaronder de vergunningen voor dierentuinen zijn afgegeven, er de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet?
De NVWA inspecteert in samenwerking met RVO.nl binnen een tijdsbestek van drie jaar alle 54 dierentuinen. In 2012 zijn 15 dierentuinen geïnspecteerd, in 2013 zijn 26 dierentuinen geïnspecteerd en in 2014 worden 25 dierentuinen geïnspecteerd. Zes van deze dierentuinen worden elk jaar geïnspecteerd, omdat zij ook opslaghouder zijn voor in beslag genomen dieren.