Coulance voor kerkgenootschappen ten aanzien van de publicatieplicht voor ANBI’s |
|
Ed Groot (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Is de constatering juist dat kerkgenootschappen pas vanaf 1 januari 2016 hoeven te voldoen aan de nieuwe voorwaarden voor een ANBI (Algemeen nut beogende instelling), zoals de publicatieplicht? Zo ja, waarom?
Voor ANBI’s geldt per 1 januari 2014 een wettelijke publicatieplicht op grond waarvan bepaalde gegevens via internet openbaar moeten worden gemaakt, waaronder het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer (RSIN). Dit nummer wordt toegekend door de Kamers van Koophandel. Voor alle ANBI’s die kerkgenootschap zijn geldt een overgangsregeling als zij via een groepsbeschikking als ANBI zijn aangewezen. Zij hoeven pas op 1 januari 2016 te voldoen aan de wettelijke publicatieplicht. Deze overgangsregeling houdt verband met het feit dat individuele kerkgenootschappen in veel gevallen niet beschikken over een eigen RSIN. Om hen in de gelegenheid te stellen een eigen RSIN aan te vragen en hun administratie daaraan aan te passen, is gekozen voor de overgangsregeling. Omdat de meeste kerkgenootschappen bij groepsbeschikking zijn aangewezen past de Belastingdienst de regeling in de praktijk toe op alle kerkelijke instellingen, ongeacht de geloofsrichting. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook moskeeën tot 1 januari 2016 de tijd hebben. De Belastingdienst heeft in 2007 een toezichtsconvenant gesloten met het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) waarbij 30 kerkgenootschappen zijn aangesloten die in het bezit zijn van ANBI-groepsbeschikkingen. De inhoud van dit convenant heeft geen relatie met de overgangsregeling. Door niet bij het CIO aangesloten kerkgenootschappen zijn geen verzoeken gedaan om een dergelijk convenant te sluiten.
Is het waar dat organisaties van andere geloofsrichtingen, zoals moskeeën, wel per 1 januari 2014 aan de nieuwe voorwaarden moeten voldoen? Zo ja, waarom wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende geloofsrichtingen? Heeft de Belastingdienst naast kerkgenootschappen op dit vlak ook convenanten gesloten met organisaties van andere geloofsrichtingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid ook andere geloofsrichtingen tot 1 januari 2016 de tijd te gunnen aan de nieuwe voorwaarden te voldoen, zodat niet langer met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welk percentage van de ANBI’s heeft nog niet aan de nieuwe voorwaarden voldaan? Van hoeveel organisaties is sinds de periode na 31 december 2013 als gevolg hiervan de ANBI-status ingetrokken? In hoeveel gevallen ging het hier om religieuze organisaties?
Van de circa 35.000 ANBI’s waarvoor de publicatieplicht per 1 januari 2014 geldt hebben ongeveer 2.000 niet voldaan aan het in oktober 2013 gedane verzoek en twee rappelleringen om aan de Belastingdienst hun webadres door te geven (peildatum 1 juli 2014). Van hen zal de ANBI-status in juli 2014 worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014. Het gaat daarbij niet om religieuze instellingen.
ISIS en Jabat Al Nusra als terrorististische organisatie |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Westerse inlichtingendiensten Turkije een lijst hebben gegeven met 5.000 namen van mogelijke jihadisten die naar Syrië willen afreizen?1
Ja.
Kunt u het bestaan van deze lijst bevestigen? Zo ja, staan er ook Nederlanders op?
In het kader van zijn onderzoek naar organisaties en personen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, deelt de AIVD informatie over jihadstrijders met relevante organisaties, ook in andere landen. Bij het delen van informatie wordt gehandeld conform de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Er kunnen geen mededelingen in het openbaar gedaan worden over de vraag met welke organisaties welke informatie gedeeld wordt.
Klopt het dat Turkije in het laatste terrorismeverslag van de Amerikaanse regering wordt omschreven als een «doorvoerhaven» van jihadisten behorende tot Al-Nusra en ISIS en dat het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken op haar website burgers afraadt om naar Zuid-Turkije te reizen, omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij Al Nusra en ISIS in Syrië en Irak?2
In het jaarlijkse landenrapport over terrorisme van de Amerikaanse regering valt te lezen dat Turkije vaak gebruikt wordt als «doorvoerland» door buitenlandse strijders die zich bij Jabhat Al Nusra, ISIS en andere groepen willen aansluiten.
Het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken raadt alle niet-essentiële reizen in een aantal Turkse provincies af binnen tien kilometer van de Turks-Syrische grens. Daarnaast worden alle reizen naar de steden Akḉakale en Ceylanpinar afgeraden. Dit vanwege de dreiging van terroristische aanslagen, vanwege het risico op gevechtshandelingen in de grensstrook en omdat buitenlandse strijders dit gebied passeren om zich aan te sluiten bij onder meer Jabhat Al Nusra en ISIS in Syrië. Over doorgang naar Irak wordt niet gesproken op de website van het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Welke maatregelen gaat Turkije, nu er kennelijk een lijst van 5.000 jihadisten gegeven is, nemen om te voorkomen dat deze jihadisten via Turkije doorreizen naar Syrië en Irak?
De praktijk is thans dat indien Nederland en derde landen tijdig informatie verschaffen betrokkenen zo mogelijk worden tegengehouden en teruggestuurd mits dit past binnen de Turkse wetgeving.
Beschouwt Turkije Al Nusra inmiddels officieel als terroristische organisatie? Staat Al Nusra nu op een officiële lijst van Turkije?
De Turkse ministerraad heeft besloten (publicatie in Official Gazette van 3 juni 2014, nr 29019) de tegoeden te bevriezen van Jabhat Al Nusra, in lijn met VNVR resoluties 1267 (1999), 1988 (2011) en 1989 (2011). Dit houdt voor Turkije in dat Jabhat Al Nusra wordt beschouwd als een terroristische organisatie. Deze beslissing wordt door oppositie en media gezien als een erkenning dat Jabhat Al Nusra voor de Turkse regering een terroristische organisatie is. In navolging van de amendementen die het VN Al-Qa’ida Sanctiecomité op 14 mei jl. heeft aangebracht op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 heeft Turkije op 18 juni jl. besloten om Jabhat Al Nusra niet meer als onderdeel van ISIS te beschouwen, maar als zelfstandige aan Al Qa’ida gerelateerde organisatie. Deze beslissing verandert niets aan de Turkse maatregelen ten aanzien van Jabhat Al Nusra.
Wat behelst het besluit van de Turkse regering van 3 juni jl. precies ten aanzien Al Nusra? Gaat het uitsluitend om een maatregel die ertoe strekt om tegoeden van Al Nusra te kunnen bevriezen op basis van de amendementen van de VN veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?3
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitlatingen van een bron bij het Turkse Ministerie van Financiën dat Turkije in relatie tot Al Nusra geen lijst van terroristische organisaties hanteert en niet officieel aangekondigd heeft of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?4
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt zich dit bovendien tot de klachten van de oppositie in Turkije dat ze geen duidelijkheid hebben gekregen van de regering over de vraag of het Al Nusra nu wel of niet als terroristische organisatie beschouwt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat Turkije sinds de aanvang van de oorlog in Syrië al die tijd Al Nusra niet als terroristische organisatie heeft beschouwd, terwijl de VS dit al op 12 december 2012 gedaan hebben? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot de vele berichten en beschuldigingen in de richting van Turkije over steun aan Al Nusra?
Turkije heeft altijd ontkend terroristische groeperingen, waaronder Jabhat Al Nusra, die in Syrië opereren te steunen. Recentelijk, op 13 juni 2014 herhaalde vice Minister President Bülent Arinc deze boodschap in een persbijeenkomst inzake de ontwikkelingen in Mosul. Hij herbevestigde in dat verband dat Turkije zich voegt naar alle beslissingen van de VNVR terzake.
Op welke wijze geven de EU en Nederland invulling aan de amendementen van de VN Veiligheidsraad SC/11397 van 14 mei jl.?
Als gevolg van het besluit van het Al-Qa’ida Sanctiecomité SC/11397 van de VNVR van 14 mei jl. is Jabhat Al Nusra op de VN Sanctielijst op basis van VN Veiligheidsraad resoluties 1267 en 1989 geplaatst als aparte organisatie, in plaats van als onderdeel van ISIS. Op basis hiervan zijn voor deze organisaties een wapenembargo en financiële sancties van kracht. Hieraan is voor wat betreft financiële sancties invulling gegeven door uitvoeringsverordening 583/2014 van de Europese Commissie, die EU Verordening 881/2002 amendeert. Het wapenembargo wordt geïmplementeerd door lidstaten. Het wapenembargo is in Nederland geïmplementeerd door middel van de Sanctieregeling Al-Qa’ida 2011. Omdat deze verwijst naar de lijst van het VN Sanctiecomité hoeft deze niet te worden aangepast.
Kunnen Nederlandse jihadisten die naar Syrië en Irak zijn afgereisd om te strijden voor Al Nusra of ISIS vervolgd worden wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie? Hoeveel mensen zijn er vanuit Nederland als strijder voor deze twee groepen afgereisd, hoeveel zijn er teruggekeerd en hoeveel zijn er vervolgd?
Het is mogelijk om personen te vervolgen wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie onder WvSr artikel 140a. Het is aan het OM om te bepalen of over gegaan wordt tot vervolging. Het is niet altijd te bewijzen bij welke groeperingen de ruim 100 jihadstrijders (waarvan 30 zijn terug gekomen) zich hebben aangesloten, maar er zijn enige aanwijzingen dat deze jihadstrijders bij Jabhat Al Nusra en ISIS of daaraan gerelateerde strijdgroepen terechtkomen.
Staan het aan Al Qaeda gelieerde Al Nusra en ISIS inmiddels op de officiële EU-lijst van terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 10.
Zo nee, waarom niet? Bent u in dit geval bereid u in te zetten om beide organisaties met de grootst mogelijke spoed op deze lijst te laten plaatsen?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft de Nederlandse regering inzicht in hoe Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL direct of indirect wapens verkrijgen? Welke stappen worden er ondernomen om diegenen die bij de wapenhandel betrokken zijn te vervolgen?
Het strijdtoneel in Syrië en Irak is onoverzichtelijk. Voor zover kan worden nagegaan ontvangen strijdende organisaties wapenleveranties, maar worden ook wapens buitgemaakt tijdens aanvallen. Hier kan niet worden uitgesloten dat voor gematigde oppositiegroepen bestemde wapens in handen van Jabhat Al Nusra en/of ISIS zijn gekomen. Er zijn tot op heden geen personen veroordeeld wegens deelname aan deze strijdgroepen. Het OM doet geen mededelingen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken in dit verband.
Is de Nederlandse regering bereid financiële stromen van en via individuen en staten naar Jabhat Al Nusra en ISIS/ISIL in kaart te brengen? Wat is de verantwoordelijkheid van Nederland om diegenen die deze organisaties ondersteunen ter verantwoording te roepen?
EU-verordening 881/2002 verplicht de lidstaten ertoe alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van Jabhat Al Nusra en ISIS te bevriezen. Het is tevens op grond van deze verordening verboden om direct of indirect financiële middelen ter beschikking te stellen aan Jabhat Al Nusra en ISIS. Overtreding van de bepaling is in Nederland strafbaar gesteld in de Sanctiewet. Vervolging kan plaatsvinden indien de overtreder zich binnen de Nederlandse jurisdictie beweegt.
De opmars van ISIS in het Midden-Oosten |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «ISIS zet opmars Noord-Irak voort»?1
Klopt het dat strijders van de extremistische islamitische groepering ISIS naast Mosul ook Tikrit en industriestad Baiji in het noorden van Irak hebben veroverd?
Klopt het voorts dat in Baiji een van de grootste olieraffinaderijen van Irak staat en dat deze nu in handen is van ISIS? Zo ja, wat zijn daar de gevolgen van?
Kunt u bevestigen dat ISIS een deel van de grens tussen Syrië en Irak de facto heeft opgeheven?
Kunt u bevestigen dat zeker 500.000 mensen de afgelopen dagen al uit hun huizen zijn gevlucht, naar aanleiding van de opmars van ISIS?
Deelt u de opvatting dat ISIS en aanverwante extremistische groeperingen in het Midden-Oosten een van de grootste bedreigingen vormen van stabiliteit in de regio?
Welke gevolgen heeft de nieuwe status quo, als de berichten kloppen, voor de regio? Kunt u in dit antwoord afzonderlijk ingaan op de gevolgen voor zowel Syrië, Irak als de Koerden?
In hoeverre zijn andere landen in de regio kwetsbaar voor de opmars van ISIS en aanverwante organisaties?
Op welke manier kan Nederland een bijdrage leveren aan het indammen van de opmars van extremistische groeperingen als ISIS? Kunt u aangeven of en in welke verbanden u voornemens bent deze zaken aan de orde te stellen?
De aanwijzing Binnenveld in Veenendaal als Natura2000-gebied |
|
Rudmer Heerema (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeente Veenendaal gaat in beroep tegen aanwijzing Binnenveld als Natura 2000-gebied»?1
Ja.
Klopt het dat u een aanwijzing heeft gegeven om Binnenveld als Natura2000-gebied aan te wijzen?
Ja, het gebied is in april 2014 door mij aangewezen. Het besluit is, zoals wettelijk voorgeschreven, bekendgemaakt in de Staatscourant (Stcrt. 2014, 12056) en in landelijke en regionale kranten.
Heeft u in het proces om tot een aanwijzing te komen van het gebied Binnenveld als Natura2000-gebied contact gehad met de gemeente Veenendaal? Zo ja, wat was de uitkomst hiervan? Zo nee, waarom niet?
De gemeente heeft naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit in oktober 2009 een zienswijze ingediend. Er is eind 2013 een voorlichtingsavond gehouden over het beheerplan Binnenveld. Over het aanwijzingsbesluit Binnenveld is overleg gevoerd met de bij de uitvoering van het natuurbeleid betrokken overheden: de provincies Utrecht en Gelderland.
Hoe wordt de lokale situatie meegenomen in het besluit om Natura2000-gebieden aan te wijzen en hebben gemeenten hier nog een stem in?
Ecologische gegevens uit het gebied zijn doorslaggevend voor de vaststelling van de gebiedsbegrenzing en de aanwezige waarden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd. Doelformulering voor de aangewezen waarden wordt in belangrijke mate bepaald door de landelijke doelstellingen (zoals verwoord in het Natura 2000 doelendocument, 20062). De gebiedsspecifieke uitwerking (behoud dan wel herstel) is afhankelijk van de ecologische potenties en de (economische) haalbaarheid. Gemeenten hebben daarin geen directe stem gehad (afgezien van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen in het kader van de openbare voorbereidingsprocedure).
Wat is uw mening over de in het artikel genoemde bezwaren en vraagstukken?
Volgens het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal is onvoldoende duidelijk of de instandhoudingsdoelstellingen haalbaar zijn omdat de maatregelen om dit te bereiken nog niet zijn vastgesteld. Ik acht de in de aanwijzing opgenomen instandhoudingsdoelstellingen haalbaar. De te nemen maatregelen voor behoud en herstel van de habitattypen zijn voorbehouden aan het beheerplan. Het gaat hierbij niet alleen om de aard van de maatregelen maar ook waar en wanneer deze worden uitgevoerd. Het aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelen.
Om uit de ontstane impasse te komen heb ik de provincie Utrecht samen met de provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe de ruimte geboden een beheerplan op te stellen. De verwachting is dat deze bestuursorganen het beste in staat zijn de lokale omstandigheden en belangen te wegen. Er is veel tijd besteed aan het onderzoeken van maatregelen in het natuurgebied die zowel de natuurwaarden behouden en herstellen als op voldoende draagvlak in de streek kunnen rekenen. Dat onderzoek is bijna voltooid en het streven is om het beheerplan af te ronden in september.
Klopt het dat er nog geen haalbaar en betaalbaar beheerplan ligt en hoe zit het met de haalbaarheid en betaalbaarheid van uw plan?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er een concept-beheerplan heeft gelegen dat feitelijk onuitvoerbaar en onbetaalbaar was?
Er was een concept-beheerplan dat uitging van peilverhoging van de Grift (Valleikanaal). Dat was uitvoerbaar en betaalbaar, maar kon niet rekenen op draagvlak in de streek. Inmiddels is uit onderzoek gebleken dat peilverhoging van de Grift onvoldoende effect heeft in het natuurgebied. Er wordt nu gewerkt aan een combinatie van een systeem van win- en infiltratieputten direct in of naast het gebied met interne hydrologische maatregelen als het dempen van sloten.
Kunt u een reactie geven op het alternatieve plan dat door de provincies Gelderland en Utrecht is gepresenteerd, waarbij het aanbrengen van kwelputten de kern was en kunt u over dit alternatieve plan het gesprek aangaan met de regio?
Ik steun dit alternatieve plan en mijn ambtenaren zijn samen met het bestuur van de provincie Utrecht, provincie Gelderland en Waterschap Vallei en Veluwe in gesprek met de regio.
Kunt u met onder andere de gemeente Veenendaal in overleg gaan om gezamenlijk tot een oplossing te komen?
De provincie Utrecht is nu voortouwnemer voor het opstellen van het beheerplan. De provincie stelt dit beheerplan op in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe. Bij het opstellen van het beheerplan zullen de betreffende gemeenten worden betrokken.
Bent u op de hoogte van de instandhoudingsdoelstellingen die bij de Natura2000 toewijzing bij Binnenveld noodzakelijk zijn en hoe beoordeelt u de proportionaliteit van deze doelstellingen ten opzichte van de huidige situatie?
De instandhoudingsdoelstellingen zijn in het door mij vastgestelde aanwijzingsbesluit opgenomen. Deze doelstellingen zijn gericht op behoud en herstel van blauwgraslanden, trilvenen en veenmoerassen. Deze zijn ontstaan door kwel van schoon en basenrijk grondwater dat aan de oppervlakte komt dankzij de ligging op korte afstand van twee grote stuwwalcomplexen. De bijzondere geohydrologische opbouw biedt in dit gebied grote kansen voor behoud en verdere ontwikkeling van genoemde natuurwaarden. Deze natuurwaarden staan landelijk zwaar onder druk en zijn in heel Europa ernstig bedreigde gemeenschappen c.q. habitattypen.
Erkent u dat de maatregelen die nodig zijn als gevolg van de Natura2000 toewijzing financieel nadelig uitpakken voor de agrarische sector en bent u bereid deze gevolgen en de verdere economische consequenties inzichtelijk te maken?
Het aanwijzingsbesluit betreft alleen de begrenzing van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen. De maatregelen die noodzakelijk zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken, worden uitgewerkt in het beheerplan waarvoor de provincies Utrecht en Gelderland de bevoegd gezagen zijn. Op grond van de te nemen maatregelen zal in het beheerplan worden vastgesteld wat daarvan de economische consequenties zijn.
Heeft u overleg gevoerd met de lokale agrarische ondernemers over de gevolgen van een Natura2000-toewijzing? Zo ja, hoe is deze dialoog verlopen? Zo nee, waarom niet?
De bevoegde instanties (provincies Utrecht en Gelderland) hebben in november 2013 samen met het Waterschap Vallei en Veluwe en het Ministerie van Economische Zaken een goed verlopen informatiebijeenkomst gehouden over het alternatieve plan, waar veel draagvlak voor bestaat. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Het bericht ‘Venlo eist salarisverlaging top Zorggroep’ |
|
John Kerstens (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Venlo eist salarisverlaging top Zorggroep»?1, «Meer loon schandalig»2 en «Discussie over je loon ondermijnt je gezag»?3
Ja.
Is het waar dat het salaris van de voorzitter van de Raad van Bestuur van de Zorggroep per 1 december 2013 is verhoogd op basis van een afspraak uit december 2011?4 en 5 Zo ja, met welk bedrag is het salaris verhoogd? Hoe verhoudt deze salarisverhoging zich tot de letter en de geest van (het overgangsregime uit) de Wet normering topinkomens (WNT)?
Het salaris van de bestuursvoorzitter is inderdaad per 1 december 2013 verhoogd en wel met 5%. Volgens de accountant die de jaarrekening 2013 van de Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg heeft gecontroleerd, en waarin de verhoogde bezoldiging is gepubliceerd, voldoet deze aan de WNT-eisen van financiële rechtmatigheid, zoals opgenomen in het Controleprotocol WNT in de Beleidsregels toepassing WNT (2013).
In dat geval is de verhogingsafspraak kennelijk gemaakt vóór 6 december 2011 en is in die afspraak bovendien op een eenduidige wijze de verhoging bepaald (artikel7.3, eerste en elfde lid, WNT). Desalniettemin zou het passend zijn geweest als op de WNT was geanticipeerd.
Is het waar dat bij deze instelling in de voorbije weken voor 476 medewerkers ontslag is aangevraagd?6 Hoe beoordeelt u in dat kader deze salarisverhoging?
Dat getal stond inderdaad in het krantenartikel. Ik kan het salaris alleen beoordelen in het kader van de WNT. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn bij u meer voorbeelden bekend – behalve de topman van Meandergroep – van bestuurders die vrijwillig salaris inleverden?7 Deelt u de mening van de topman van de Meandergroep dat discussies over het loon van de topman het gezag van het bestuur (kunnen) ondermijnen, zeker in tijden van bezuinigingen en (gedwongen) ontslagen?
Ik heb dat niet geïnventariseerd, dus andere voorbeelden heb ik niet.
Discussies over het loon van een topfunctionaris kunnen inderdaad allerlei gevolgen hebben, die ook direct de beeldvorming beïnvloeden, zowel positief als negatief. In dit concrete geval was de discussie volgens krantenberichten aanleiding voor de betrokken bestuursvoorzitter om zijn salaris terug te brengen (met € 27.000), waardoor dat nu € 195.000 bedraagt.
Kunt u publiekelijk uw steun uitspreken voor deze topman, aangezien deze zelf aangeeft dat hij het gevoel heeft dat zijn collega-bestuurders (van andere instellingen) hem een spelbreker vinden? Zo nee, waarom niet?
Het overgangsrecht van de WNT is het resultaat van een op internationaal-rechterlijke juridische kaders gebaseerde wettelijke regeling die bij de WNT en vervolgens de Aanpassingswet WNT is vastgesteld. Daarom kan het overgangsrecht benut worden. Maar anderzijds vind ik het beslist lovenswaardig wanneer er bestuurders zijn die die stap vrijwillig wél nemen.
Om te benadrukken dat het kabinet het waardeert wanneer topfunctionarissen afzien van een beroep op het overgangsrecht heeft het kabinet in de Beleidsregels toepassing WNT 2014, vastgesteld bij besluit van 20 juni jl., benadrukt dat vrijwillige verlagingen van (onderdelen van) de bezoldiging of de ontslaguitkering, juist worden aangemoedigd. Dit geldt ook voor het vrijwillig niet of niet volledig toepassen van een door het overgangsrecht (artikel 7.1, eerste lid) gerespecteerde verhoging.
Steunt u het beleid van de gemeente Venlo die salarisverlaging van het bestuur koppelt aan de inkoop van zorg?8 Kunt u deze casus betrekken bij uw gesprekken met VNG en IPO, die u voert naar aanleiding van de motie Segers-Fokke?9
Het is goed dat ook op lokaal niveau het streven naar verantwoorde beloningsverhoudingen wordt ondersteund. In dit geval kan bovendien meespelen dat, volgens de lokale media, de zorginstelling eerder aan de wethouder had beloofd om de topinkomens te matigen en die belofte niet blijkt te zijn nagekomen. Ik zal de casus betrekken bij het overleg met VNG en IPO.
Hoe verlopen uw gesprekken met VNG en IPO die ertoe moeten leiden dat decentrale overheden de mogelijkheid krijgen eigen normen te stellen met betrekking tot het bezoldigingsmaximum, waar het gaat om door deze overheden (mede-)gefinancierde instellingen?10
Het overleg met VNG en IPO is nog gaande. Over de stand van zaken informeer ik de Kamer via een aparte, overkoepelende, voortgangsbrief over de uitvoering van het kabinetsbeleid inzake de normering van topinkomens in de publieke en semipublieke sector.
Een door terrorisme-experts verwachte aanslag |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe gevaarlijk zijn naar Delft teruggekeerde Syriëgangers»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de uitlating van een terrorisme-expert die aangeeft dat het ondoenlijk is de hele groep uit Syrië teruggekeerde jihadisten in de gaten te houden? Kan een antwoord worden gegeven in relatie tot de bewering van het kabinet dat iedere teruggekeerde Syriëganger in beeld is en wordt gevolgd?
Het is onacceptabel dat Nederlandse ingezetenen deelnemen aan deze jihadistische beweging en de gewelddadige jihadistische strijd ongeacht waar ze plaatsvindt of gaat plaatsvinden. Zoals recentelijk verwoord in mijn brief Integrale aanpak jihadisme2, worden alle beschikbare middelen aangewend om uitreis met dit doel te verhinderen, risico’s van elke terugkeerder weg te nemen en het werven van nieuwe aanhang tegen te gaan.
De aandacht voor de uit Syrië teruggekeerde jihadgangers is bij de relevante diensten groot. De AIVD constateert al een aantal jaren dat er in Nederland radicale moslims zijn met jihadistische aspiraties, die uitreizen naar strijdgebieden en dat zij bij terugkeer een risico vormen. In 2013 is dit aantal sterk toegenomen. Het onderzoek naar deze jihadgangers heeft bij de AIVD dan ook de hoogste prioriteit. Zo maakt de AIVD een inschatting van de dreiging van elke onderkende jihadganger. Door verschuiving van capaciteit binnen de dienst, is voor dit onderzoek extra capaciteit vrijgemaakt. Aanvullend beziet het Openbaar Ministerie of strafrechtelijke vervolging van Nederlandse deelnemers aan de jihad mogelijk is. Parallel hieraan worden in de relevante gemeenten maatwerkinterventies afgesproken in multidisciplinaire casus-overleggen. In elk individueel geval wordt de beste aanpak gekozen met als doel de mogelijke dreiging die van deze personen uitgaat te verminderen. Daarbij staat voorop: alleen resultaat telt.
Wat is uw oordeel over de verwachting van terrorisme-experts dat het een kwestie van tijd is voordat er opnieuw, na de moordpartij in een Joods museum in Brussel, een aanslag wordt gepleegd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het, gezien de visie van terrorismedeskundigen, geen tijd in te zetten op het middel van administratieve detentie teneinde zeker te zijn dat iedereen werkelijk in beeld is? Zo nee, met welke maatregelen zullen de ernstige zorgen van de terrorisme-experts worden weggenomen?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, acht ik het creëren van aanvullende administratieve detentiemogelijkheden ten behoeve van terrorismebestrijding op dit moment niet noodzakelijk. Het Openbaar Ministerie (OM) beschikt reeds over voldoende wettelijke instrumenten om, in samenwerking met de politie, strafrechtelijk op te treden. Zo is het is mogelijk een persoon bij verdenking van een terroristische misdrijf in bewaring te stellen, ook buiten het geval van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Daarnaast kunnen diverse bestuurlijke instrumenten ingezet worden, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het bevriezen van financiële tegoeden.
Het bericht dat ontbreken GSM dekking levens kan kosten |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Jaco Geurts (CDA), Agnes Mulder (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het bericht «Man overleden na mislukte reanimatie Lattrop, AED-meldingen komen niet aan»?1
Ja.
Heeft u een overzicht van hoeveel SMS-berichten met betrekking tot AED-meldingen niet aankomen?
Deze informatie is per incident beschikbaar. Wat betreft het genoemde voorval zijn 21 sms-berichten uitgestuurd. In één van die 21 gevallen heeft de vrijwilliger in kwestie geen sms-bericht ontvangen omdat zijn telefoon uit stond.
De Nederlandse en Duitse ambulances waren zeer snel ter plaatse. De netwerken en protocollen hebben goed gefunctioneerd. Van falende dekking was geen sprake. Ook de burgeralarmering is normaal verlopen.
De reanimatie-vrijwilligers betreuren dat in de media feiten en
omstandigheden over de ware toedracht ontbreken.
Welke inzet pleegt u om situaties als niet aankomende AED-meldingen te voorkomen?
Na een 112-melding van een slachtoffer met een hartstilstand zorgt de regionale meldkamer Ambulancezorg er voor dat burgerhulpverleners die aangesloten zijn bij het AED-netwerk gealarmeerd worden via een sms-alert. De burgerhulpverleners kunnen snel ter plaatse zijn en direct beginnen met de reanimatie.
De verantwoordelijkheid voor aanschaf en onderhoud van het AED-netwerk is belegd op lokaal niveau bij gemeenten, bedrijven, organisaties etc.
Het niet aankomen van een sms-alert kan niet te allen tijde worden voorkomen. Echter, gezien de hoge dekking van het mobiele netwerk in Nederland en de hoeveelheid vrijwilligers die gealarmeerd worden bij één incident loopt het in de praktijk goed.
Heeft u inzicht in het aantal afgebroken mobiele gesprekken in Nederland door slechte verbindingen?
Dergelijke informatie heb ik niet beschikbaar.
Kunt u aangeven welk percentage berichten van NL Alert (test van maandag 2 juni 2014) niet zijn aangekomen?
Nee. Sms-diensten werken met bestanden van deelnemers die zich zelf hebben aangemeld. De providers kunnen terugkoppelen bij hoeveel deelnemers de sms daadwerkelijk is afgeleverd. NL-Alert werkt op basis van een andere techniek, namelijk «cell broadcasting». Namen en telefoonnummers zijn niet nodig voor de ontvangst van een NL-Alert bericht en blijven zowel voor de overheid als voor de telecomproviders onbekend. Hiermee is de privacy van burgers gewaarborgd. Voor de ontvangst van een NL-Alert bericht is het noodzakelijk dat het toestel verbonden is met het eigen netwerk en dat het toestel juist staat ingesteld voor de ontvangst van cell broadcastberichten.
Zoals ik reeds heb geantwoord op de vragen van de leden Geurts en Van Toorenburg (beiden CDA) van 18 februari 2014 over de GSM-ontvangst-enquête van het CDA Zaltbommel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, aanhangselnummer 1582), vind ik het van belang dat burgers in Nederland bij een noodsituatie directe informatie kunnen ontvangen. Dat kan langs meerdere wegen: NL-Alert, het waarschuwings- en alarmeringssysteem (de sirene), calamiteitenzenders, www.crisis.nl en sociale media.
Kunt u aangeven wat het alternatieve handelingsperspectief is voor iemand die zonder mobiel bereik in een noodsituatie verkeert? Op welke manier zult u dit onder de aandacht brengen van betrokkenen?
Er zijn afspraken gemaakt over het onderling overnemen van 112-noodoproepen door de providers. Wanneer een mobiele telefoon zich buiten bereik van het eigen netwerk bevindt, zal bij een 112-oproep daarom automatisch één van de andere beschikbare netwerken gebruikt worden. Als geen van de providers mobiele dekking biedt in een bepaald gebied is het advies om daar waar mogelijk 112 met een vaste lijn te bellen.
In het najaar van 2013 is het handelingsperspectief voor burgers wanneer zij 112 niet kunnen bereiken via een landelijke campagne onder de aandacht gebracht. Het handelingsperspectief wordt structureel gecommuniceerd op de websites van de verschillende hulpdiensten en op de website van de Rijksoverheid (subpagina 112). Op dit moment wordt bekeken op welke manier het handelingsperspectief daarnaast op structurele wijze actief bij burgers onder de aandacht kan worden gebracht.
Kunt u het alternatieve handelingsperspectief schetsen van een echtpaar dat bijvoorbeeld op de Veluwe loopt, waarbij de man een acute hartstilstand krijgt en de vrouw nergens een persoon/huis in de omgeving ziet? Wat raadt u haar aan te doen als er geen mobiele bereikbaarheid is?
Bewoners van gebieden waar sprake is van verminderde dekking in en om de woning wordt geadviseerd om met een vaste lijn 112 te bellen. In dit geschetste voorbeeld is het echter aan te bevelen om het slachtoffer niet alleen te laten, indien mogelijk eerste hulp (reanimatie) te verlenen en hulp in de omgeving proberen te krijgen. Het handelingsperspectief is afhankelijk van de situatie en niet overal toepasbaar.
Kunt u het alternatieve handelingsperspectief schetsen als een voorbijganger een afgelegen huis/boerderij in de grensstreek in brand ziet staan en vermoedt dat er nog mensen aanwezig zijn? Wat dient hij/zij te doen als er geen mobiele bereikbaarheid is?
Wanneer een voorbijganger een noodsituatie constateert is het zaak om zo snel mogelijk het alarmnummer 112 te bellen. Wanneer het niet mogelijk is om met een mobiele telefoon contact te krijgen met 112, is het aan te raden in de buurt op zoek te gaan naar een vast toestel om de hulpverleningsdiensten te bellen en/of anderen te alarmeren en indien mogelijk vast met hulpverlening te starten.
Wat zijn de kosten om tot een landelijke dekking van 99% of 100% te komen van het mobiele netwerk en wat zijn de meeropbrengsten van de extra telefoongesprekken?
Ook het kabinet hecht belang aan een goede dekking in Nederland. Zoals ik reeds heb geantwoord op de vragen van de leden Wolbert en Oosenbrug (PvdA) van 7 april 2014 over de mobiele bereikbaarheid van 112 in het grensgebied (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, aanhangselnummer 2025) heeft Nederland in relatie tot andere landen een uitzonderlijk hoge dekking. Operators werken continu om hun netwerken te verbeteren. Welke keuzes zij daarin maken is een aangelegenheid van marktpartijen. Dit is ook conform de wens van uw Kamer.
Realisatie van een 100% dekkend netwerk is niet mogelijk. Er zullen altijd plaatsen zijn waar geen sprake is van mobiele dekking zoals in parkeerkelders, goed geïsoleerde huizen en bosrijke gebieden. Elke lokale situatie kent eigen uitdagingen en mogelijkheden en onmogelijkheden. De ervaren dekking kan ook veranderen onder invloed van weersomstandigheden en seizoensomstandigheden, zoals begroeiing in lente en zomer. Ook het merk en type mobiel toestel maakt dat de ervaren bereikbaarheid varieert.
Wat de werkelijke kosten of investeringen zijn voor het verzorgen van volledige mobiele dekking in een bepaald gebied is zeer afhankelijk van lokale omstandigheden zoals de afstand tot elektriciteitsnet, hoge gebouwen in de buurt etc. Maar ook de beschikbaarheid van betaalbare grond, het kunnen verkrijgen van bouwvergunningen en instemming van bijvoorbeeld een Welstandscommissie spelen een rol. Een uitspraak over de kosten van het verzorgen van meer of volledige mobiele dekking in bepaalde gebieden kan dan ook niet worden gedaan.
Naar aanleiding van de eerder gestelde Kamervragen over mobiele dekking in relatie tot 112, is reeds toegezegd dat het ministerie van Economische Zaken een onderzoek zal laten doen naar de mobiele dekking in relatie tot de mobiele bereikbaarheid van 112. Ik wacht graag de uitkomsten van dit onderzoek af alvorens uitspraken te doen over een eventueel vervolg.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de dekking een heel stuk dichter bij 100% komt te liggen dan dat nu het geval is?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u een kaart toesturen met de dekking van de mobiele netwerken?
Kaarten die een beeld geven van de dekking van mobiele netwerken in Nederland zijn algemeen beschikbaar, onder andere op websites van de verschillende operators. Zie: http://www.coveragechecker.nl/ en
De getoonde dekkingskaarten zijn slechts indicatief. Zoals ik hierboven al aangaf kan de ervaren dekking variëren.
Voldoen alle mobiele providers aan de in de licentie genoemde dekkingen? Kunt u aangeven welke dekking ze moeten hebben onder welke licentie en welke dekking ze nu hebben?
In de huidige frequentievergunningen die gelden tot 2030 zijn géén dekkingseisen opgenomen. Dekkingseisen passen niet in een beleid dat toetreding van nieuwkomers stimuleert. Conform de wens van uw Kamer is het beleid er op gericht om toetreders toegang te geven tot de telecommunicatiemarkt. Dit staat eveneens in de Nota Frequentiebeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 24 095, nr. 188), de strategische nota mobiele communicatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 095, nr. 264) en past binnen het Europese regelgevende beleidskader.
De frequentievergunningen kennen wel ingebruiknameverplichtingen, de verplichting om de vergunning daadwerkelijk in gebruik te nemen. De verplichtingen treden in fases in werking, dat wil zeggen dat de eerste verplichtingen twee jaar na verlening van de vergunning ingaan en dat de volgende verplichtingen vijf jaar na verlening van de vergunning ingaan. De (oude) UMTS-vergunningen (3G) in de 2100 MHz band zijn niet geveild in de multibandveiling van 2012 en vallen onder het regime van de thans in gebruik zijnde oude vergunningsvoorwaarden.
Vergunningen zijn in te zien via:
De demonstratie die op 1 juni plaatsvond op het Rembrandtveld in Almelo tegen de plaatsing van het herdenkingsmonument voor de Armeense genocide op het privé terrein van de Armeens Apostolische Kerk in Almelo |
|
Harry van Bommel (SP), Joël Voordewind (CU), Pieter Omtzigt (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de demonstratie die op 1 juni plaatsvond op het Rembrandtveld in Almelo tegen de plaatsing van het herdenkingsmonument voor de Armeense genocide op het privé terrein van de Armeens Apostolische Kerk in Almelo?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat er gratis busvervoer geregeld was voor deelnemers via de aan Diyanet (Turkse ministerie van godsdienstzaken) verbonden moskeeën (deze moskeeën maken ook gebruik van in Turkije opgeleide en door Turkije betaalde imams)?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Turkse Consul-Generaal in Rotterdam mensen bij zich geroepen heeft en gelast heeft deel te nemen aan de demonstratie?)2
Deze berichtgeving is het kabinet bekend, maar deze was niet te verifiëren.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat ter gelegenheid van de opening van het herdenkingsmonument een preek vanuit de Diyanet tegen het herdenkingsmonument onder (de aan Diyanet verbonden) moskeeën in Nederland is verspreid en dat deze in die moskeeën bij het «vrijdagmiddag gebed» diende te worden voorgelezen?3
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat bij de demonstratie de slogan «Karabag ermeniye mezar olacak» – vertaald: «Karabach zal het graf van de Armeniër worden» geschreeuwd werd door de organisatie en luidkeels meerdere keren herhaald werd door het aanwezige publiek?4
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat er bij deze demonstratie Ottomaanse legermuziek gespeeld werd, de zogenaamde Mehter Marsi door de groep Mehter ekibi met alle daarbij horende traditionele kleding, instrumenten en uitrusting, terwijl de Armeense genocide juist plaatsvond in het Ottomaanse rijk?5
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere demonstraties en een petitie tegen het monument ter herdenking van de Armeense genocide georganiseerd zijn door de UETD, een tak van de regerende AK-partij van premier Erdogan van Turkije?6
De UETD heeft wel steun uitgesproken voor deze activiteiten, maar het valt niet te bevestigen dat de UETD de demonstratie en petitie heeft georganiseerd.
Wat vindt u van het feit dat een organisatie als het «Turks Museum Nederland» politiek stelling neemt tegen het Armeense genocide monument en dit doet met onder andere de verhulde dreiging van handelssancties? Past dit bij de rol van dit museum?7
Het is aan het museum om te bepalen of het in deze stelling neemt.
Is er via de diplomatieke vertegenwoordiging van Turkije opheldering gevraagd bij Nederlandse autoriteiten over de vergunning die verleend is voor de bouw van het Armeense genocidemonument (indien en voor zover hier overigens vergunningen voor nodig zijn)? Zo ja, wat is er gevraagd en in welke context? Welk antwoord hebben de Nederlandse autoriteiten gegeven?
De Turkse autoriteiten hebben desgevraagd de verzekering gekregen dat de gebruikelijke procedures zijn gevolgd. Verder heeft de Turkse consul contact opgenomen met de burgemeester van Almelo om de Turkse zienswijze op het monument kenbaar te maken. De burgemeester heeft hier kennis van genomen en in reactie hierop haar zienswijze en wettelijke rol toegelicht.
Kunt u de vergunning die is afgegeven voor het protest in Almelo, publiceren?
Voor het houden van een demonstratie is in Nederland geen vergunning vereist, maar slechts een melding. De burgemeester van Almelo heeft laten weten dat deze melding heeft plaatsgevonden, inclusief het voornemen een podium te plaatsen. Het spelen van een Mehter Marsi was in de melding niet genoemd. De bevestiging van de melding is voor iedereen bij de gemeente Almelo in te zien. Het is niet aan mij om dit document te publiceren.
Wat was het doel van de demonstratie? Heeft de organisatie van te voren een melding gedaan van alle relevante zaken, zoals het podium en het feit dat er een Mehter Marsi gespeeld zou worden?
Zie antwoord vraag 10.
Bestaat er voor het Openbaar Ministerie aanleiding om onderzoek te doen naar de gebruikte teksten zoals "Karabag ermeniye mezar olacak» en andere beledigende en opruiende teksten en ontkenning van de Armeense genocide?8
Het OM heeft een aangifte van discriminatie en belediging ontvangen en deze wordt op dit moment beoordeeld.
Wilt u deze episode meenemen in het onderzoek naar parallelle gemeenschappen dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft toegezegd?9
Het door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegde onderzoek naar parallelle gemeenschappen in Nederland zal in september worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Aan dat onderzoek kunnen geen nieuwe onderwerpen worden toegevoegd. Wel maakt Diyanet Nederland in algemene zin onderdeel uit van het onderzoek.
Wat vindt u van het feit dat
Het kabinet stelt zich op het standpunt dat de contacten tussen een vreemde mogendheid en haar (voormalige) onderdanen in Nederland louter op basis van vrijwilligheid mogen plaatsvinden. Het is aan Nederlanders van Turkse afkomst zelf om te bepalen in welke mate zij contacten met de Turkse overheid of hieraan verwante instellingen willen onderhouden.
De demonstranten hebben gebruik gemaakt van het recht op vrijheid van demonstratie.
Nederland heeft de Turkse autoriteiten erop gewezen dat de kwestie van de Armeense genocide gevoelig ligt en Turkije opgeroepen verantwoordelijk om te gaan met deze situatie.
Bent u voornemens hierover in gesprek te gaan met de Turkse autoriteiten en zo ja, welke boodschap zult u hen dan overbrengen? Zo nee, vindt u dan wenselijk dat dit zich herhaalt?
Zie antwoord vraag 14.
Wat is uw mening en stellingname over de inmenging van de Turkse overheid in de uitgevoerde demonstraties en de druk die de Turkse overheid heeft geleverd op de Nederlands-Turkse Diaspora gemeenschappen, inclusief moskeeën, stichtingen en verenigingen, om deze demonstratie te organiseren?
Het kabinet is van mening dat de gebruikte leuzen tijdens de demonstratie in Almelo niet bijdragen aan een oplossing van deze kwestie. Zie verder de antwoorden op vragen 14 en 15.
Bent u bereid deze bevindingen en bovengenoemde stellingname te bespreken met uw ambtsgenoot in Turkije en met de vertegenwoordiging van de Turkse regering in Nederland?
Zie antwoord vraag 16.
Is het kabinet, met name de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Veiligheid en Justitie, bereid afstand te nemen van de aard en de toon van de demonstratie en tevens de gebruikte leuzen publiekelijk te veroordelen?
Zie antwoord vraag 16.
De uitkering voor voormalig politici |
|
Paul Ulenbelt (SP), Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoeveel voormalig politieke ambtsdragers zijn er die een uitkering ontvangen in het kader van de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (Appa)? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap?1
De uitvoering van de Appa is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid. In principe is het bestuursorgaan waar de politieke ambtsdrager werkzaam is geweest, verantwoordelijk voor de Appa-uitkering. Indien betrokkene bij diverse bestuursorganen politiek actief is geweest, heeft hij of zij in principe recht op een Appa-uitkering ten laste van elk van die bestuursorganen afzonderlijk. Het Ministerie van BZK houdt niet bij hoeveel Appa-uitkeringen er zijn bij provincies, gemeenten en/of waterschappen.
Wat betreft de Appa-uitkeringen ten laste van het Rijk en de Staten-Generaal heeft het Ministerie van BZK een uitvoeringscontract afgesloten, mede namens de Staten-Generaal. Dit contract omvat de uitvoering van de Appa voor voormalige bewindspersonen, leden van de Tweede Kamer, voorzitters van de Eerste Kamer, Rijksvertegenwoordigers BES, (substituut) Nationale Ombudsmannen, waarnemend commissarissen van de Koning, waarnemend burgemeesters en herindelingsburgemeesters.
Ik kan u van hen aangeven hoeveel er in december 2013 aanspraak konden maken op een Appa-uitkering en hoeveel er daadwerkelijk een uitkering ontvingen (de aantallen fluctueren over het jaar gezien). Dat onderscheid tussen aanspraak en uitkering is van belang omdat een aanspraak niet altijd tot uitkering komt. In het jaar 2013 is ongeveer 40 procent van de Appa uitkeringsrechten op nihil gesteld in verband met neveninkomsten.
Bij waarnemers is van belang te weten dat hun Appa-uitkering 1:1 gekoppeld is aan de duur van de waarneming; in tegenstelling tot de reguliere Appa-gerechtigden, wordt geen rekening gehouden met eerdere Appa-diensttijd.
Aanspraak
Uitkering
Ministers/Staatssecretarissen
33
19
Tweede Kamerleden
123
67
Wnd cdK/wnd burgemeester/ herindelingsburgemeesters
33
21
Zijn er verschillen tussen regio’s waar te nemen? Kunt u voor wethouders, burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning per provincie aangeven hoeveel voormalig politiek ambtsdragers een uitkering ontvangen in het kader van de Appa?
In de rapportages die ik ontvang uit hoofde van het onder antwoord 1 genoemde uitvoeringscontract wordt niet onderscheiden naar regio of provincie.
Zoals in antwoord 1 aangegeven, kan ik niet voor wethouders, burgemeesters, gedeputeerden en commissarissen van de Koning per provincie aangeven hoeveel voormalig politiek ambtsdragers een uitkering ontvangen in het kader van de Appa.
Kunt u aangeven per categorie politiek ambtsdrager hoe lang het duurt voordat zij werk hebben gevonden? In hoeveel gevallen vinden zij binnen drie maanden na aftreden werk? In hoeveel gevallen ontvangen zij voor de maximale duur een uitkering in het kader van de Appa?
Wat betreft de uitvoering van de sollicitatieplicht voor Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen (het centrale niveau), is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brieven van 6 maart 2012, kenmerk 2012–0000104093, en van 18 april 2013, kenmerk 2013 0000231673. De eerstgenoemde brief betrof een evaluatie over de uitvoering in het eerste jaar (de periode november 2010 tot en met december 2011), de tweede over die in 2012.
Een vergelijkbare evaluatie over het jaar 2013 ten aanzien van deze categorie is in ambtelijke voorbereiding. Het streven is erop gericht deze laatste evaluatie in de maand juli 2014 naar de Tweede Kamer te sturen. In het najaar van 2014 zal ik de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten van een bredere evaluatie die ook de decentrale politieke ambtsdragers betreft.
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, is het nu mogelijk om u te informeren over de periode november 2010 tot en met 31 december 2012. Voor het jaar 2013 verwijs ik naar mijn binnenkort naar de Tweede Kamer te zenden evaluatie.
Uit genoemde evaluaties blijkt het volgende ten aanzien van de periode november 2010 tot en met 31 december 2012.
In 2011 zijn er van de vijftien personen vijf succesvol gere-integreerd: vier in een politiek ambt en één via een gestarte eigen onderneming. Hierdoor is de uitkering verminderd tot nihil. Geen van hen is na deze succesvolle re-integratie teruggevallen in de uitkering. Van één andere persoon is de Appa-uitkering in 2011 beëindigd vanwege het einde van de uitkeringsduur. De negen andere uitkeringsgerechtigden zaten in 2011 in de werkgerichte fase. Van deze negen zijn er twee in de eerste maanden van 2012 zodanig gere-integreerd dat hun Appa-uitkering tot nihil kon worden teruggebracht.
In 2012 was de gemiddelde duur van de uitkering tot plaatsing in een duurzame functie voor Kamerleden 145 dagen; voor waarnemend burgemeesters en de herindelingsburgemeesters 254 dagen. Voor bewindspersonen zijn er over 2012 geen cijfers, aangezien op hen nog niet de sollicitatieplicht van toepassing was.
Hoeveel voormalig politiek ambtsdragers zijn er (uitgesplitst naar geheel of gedeeltelijk) vrij gesteld van de sollicitatieplicht? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Een Appa-uitkeringsgerechtigde kan op grond van de Appa om vier redenen zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht: betrokkene valt onder het overgangsrecht, ontvangt geen uitkering meer vanwege nieuwe inkomsten anders dan uit een politiek ambt, ontvangt nieuwe inkomsten uit politiek ambt tot een bedrag van 70% of meer van de uitkering of heeft een Appa-uitkering op grond van invaliditeit.
Aan het ministerie wordt gerapporteerd wie er onder de sollicitatieplicht vallen. Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het ministerie gesloten uitvoeringscontract vallen, kan ik melden dat er op 31 december 2013 70 uitkeringsgerechtigden onder de sollicitatieplicht vielen. Dat waren 44 Kamerleden, 11 bewindspersonen en 15 in de categorie waarnemend commissaris, waarnemend burgemeester of herindelingsburgemeester. De overigen zijn daarvan dus vrijgesteld om de genoemde redenen. Dat zijn in december 2013 dus 79 Kamerleden geweest, 22 bewindspersonen en 18 personen die voormalig waarnemend commissaris, waarnemend burgemeester of herindelingsburgemeester zijn.
Hoeveel geld ontvingen voormalig politiek ambtsdragers in totaal in het kader van de Appa in 2011, 2012 en 2013? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, zijn de totaalbedragen per jaar van de Appa-uitkeringen als volgt:
2011
2012
2013
Ministers/Staatssecretarissen
630.626,57
499.163,42
910.519,06
Tweede Kamerleden
4.391.818,33
3.933.631,39
4.055.116,43
Wnd cdK/wnd burgemeester/herindelingsburgemeesters
976.667,25
750.851,92
1.049.474,41
Overigens zij opgemerkt dat deze uitkeringsbedragen over het jaar gezien nogal fluctueren doordat er uitkeringen worden beëindigd, verminderingen worden toegepast als gevolg van wijzigingen in uitkeringspercentage of in verband met neveninkomsten, danwel nabetalingen of terugvorderingen plaatsvinden.
Wat betreft de reden van vrijstelling verwijs ik naar antwoord 4.
Kunt u toelichten in hoeverre de sollicitatieplicht wordt gehandhaafd door de verschillende bestuursorganen die hiermee belast zijn? Houden de verschillende bestuursorganen zich aan de verplichting om elke drie maanden het sollicitatieproces te evalueren?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, geldt dat de handhaving van de sollicitatieplicht een belangrijk onderdeel is van de uitvoering door de door het Ministerie ingeschakelde uitvoeringsorganisatie (Loyalis Maatwerk Administraties (LMA)) en het re-integratiebureau (Van Ede & Partners). Van Ede meldt elke drie maanden expliciet bij LMA of er sprake is geweest van bijstellingen van de re-integratieplannen. De consultants en de Appa-uitkeringsgerechtigden hebben vrijwel wekelijks contact.
In hoeveel gevallen werd een korting van 5 procent gedurende ten minste een maand opgelegd? Hoe vaak werd hierbij afgeweken van dit percentage en met welke motivatie gebeurde dat? Hoe vaak werd deze maatregel met 50 procent verhoogd vanwege recidive? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Wat betreft de Appa-uitkeringsgerechtigden die onder het door het Ministerie van BZK gesloten uitvoeringscontract vallen, blijkt uit eerder genoemde evaluaties dat er geen sancties zijn toegepast. Betrokkenen blijken actief in de uitvoering van het naar de persoon toegesneden re-integratieplan. Voor de situatie in het jaar 2013 verwijs ik naar mijn binnenkort naar de Tweede Kamer te zenden evaluatie.
Indien er sprake is van een vrijstelling van de sollicitatieplicht om de in antwoord 4 gegeven opgesomde redenen, kan er niet worden gesanctioneerd.
In hoeveel gevallen werd een korting van 25 procent gedurende ten minste vier maanden opgelegd? Hoe vaak werd hierbij afgeweken van dit percentage en met welke motivatie gebeurde dat? Hoe vaak werd deze maatregel met 50 procent verhoogd vanwege recidive? Kunt u dit uitsplitsen naar voormalig wethouders, burgemeesters, gedeputeerden, commissarissen van de Koning, Ministers, Staatssecretarissen, Tweede Kamerleden, bestuurders van een waterschap en voorzitters van een waterschap? Kunt u daarbij toelichten wat de reden van vrijstelling is?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe vaak wordt ervoor gekozen om geen planmatige begeleiding en ondersteuning op te leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Sollicitatiebesluit maakt onderscheid tussen een vrijwillige planmatige begeleiding en een verplichte. Bij de eerste soort neemt de uitkeringsgerechtigde het initiatief; bij de tweede het re-integratiebedrijf en de uitvoeringsorganisatie. Tussen beide soorten ondersteuning bestaat een verschil in bekostiging. In de praktijk wordt dit onderscheid niet zo scherp gemaakt. In overleg met mijn ministerie gebeurt dat in ieder geval niet als de planmatige begeleiding plaatsvindt via het door mijn ministerie ingezette re-integratiebureau Van Ede. Een dergelijk verzoek om een planmatige begeleiding van betrokkene zelf wordt namelijk veelal ingediend in de eerste drie maanden na aftreden. De praktijk is om dan het gehele traject eerder te laten beginnen.
Het tekort aan woningen voor ex-asielzoekers |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel over het tekort aan woningen voor ex-asielzoekers?1
Ja.
Hoe zijn de huidige regels omtrent de huisvesting van ex-asielzoekers met een verblijfsstatus en een partner met een zelfstandige woonruimte? Mogen zij bij hen intrekken en vanaf wanneer?
Er zijn geen belemmeringen voor een vergunninghouder (een asielzoeker die een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet heeft ontvangen) om, nadat hij of zij een verblijfsdocument heeft ontvangen, bij een al gehuisveste partner te gaan wonen. Zodra de vergunninghouder aangeeft bij de partner te willen wonen, wordt deze hierin gefaciliteerd. In uw voorstel zie ik dan ook geen oplossing voor de in het artikel vermelde tekort aan woningen voor de huisvesting van vergunninghouders.
Zou een deel van het huisvestingsprobleem mogelijk weggenomen kunnen worden door deze regeling aan te passen en toe te staan dat ex-asielzoekers met een partner – indien zij dit beiden willen – direct na het verkrijgen van een verblijfsstatus bij de partner mogen intrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u mogelijke voordelen van dit voorstel? Zo ja, welke? Zo nee, welke nadelen kleven er volgens u dan aan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien u vertrouwen heeft in een dergelijke maatregel overweegt u dan deze in te voeren en zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat woningcorporatie WoningNet Holland Rijnland sinds 1 mei 2014 alle informatie uitsluitend per e-mail laat verlopen |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend, dat woningcorporatie WoningNet Holland Rijnland sinds 1 mei 2014 alle informatie uitsluitend per e-mail laat verlopen?1
Ja, dit is mij bekend
Is een woningcorporatie gerechtigd de inschrijving te laten vervallen van woningzoekenden die niet over een e-mailadres beschikken?
Corporaties zijn op grond van de regelgeving niet verplicht om op een bepaalde wijze met hun huurders en woningzoekenden te communiceren. Hieronder valt ook de wijze van inschrijven als woningzoekende. Het is in het belang van corporaties, dat zij hun communicatie op een zo’n transparant en toegankelijk mogelijke wijze inrichten.
De vereniging Holland Rijnland Wonen (bestaande uit 19 corporaties in 15 gemeenten) is verantwoordelijk voor de uitvoering van de regionale Huisvestingsverordening Holland Rijnland 2013, welke afspraken in een convenant zijn vastgelegd en waarbij gekozen is voor digitale uitvoering via WoningNet Holland Rijnland. Op grond van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland dient de woningzoekende zijn inschrijving jaarlijks te verlengen bij gebreke waarvan zijn inschrijving vervalt. De corporaties hebben alle woningzoekenden (dus ook degenen die al ingeschreven zijn) per brief verzocht zich bij WoningNet Holland Rijnland digitaal in te schrijven.
Woningzoekenden die niet beschikken over een computer kunnen op de kantoren van de corporaties worden ondersteund bij hun inschrijving. Op basis van de informatie van de woningcorporaties kunnen woningzoekenden zonder mailadres ook via familie of vrienden een inschrijving doen. Tenslotte is een vangnet gecreëerd voor woningzoekenden die bijvoorbeeld voor langere tijd elders verblijven en niet in de gelegenheid zijn om zich nu op de website WoningnetHollandRijnland.nl in te schrijven, zodat hun inschrijvingsduur behouden blijft. Hiermee wordt voorkomen dat woningzoekenden die niet over een mailadres beschikken zich niet meer zouden kunnen inschrijven.
Hoe verhoudt het beleid van woningcorporatie WoningNet Holland Rijnland zich tot het overheidsbeleid inzake digitale dienstverlening? Op welke wijze wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt «aandacht voor die mensen die (nog) minder digivaardig zijn»?
Digitalisering van dienstverlening strookt met het overheidsbeleid. Doelstelling van het regeerakkoord is dat mensen in 2017 digitaal zaken kunnen doen met de overheid. De wens in de maatschappij om digitale diensten af te kunnen nemen is groot.
Steeds minder mensen willen langs de klassieke communicatiekanalen diensten afnemen. Uit onderzoek van het TNS Nipo uit 2013 dat de Nationale ombudsman heeft laten uitvoeren, blijkt dat slechts 4% van de respondenten nog per brief wil communiceren met de overheid. Daarbij neemt de voorkeur voor baliecontacten af van 36% tot 31%.
Voor mensen die minder digivaardig zijn adviseert WoningNet Holland Rijnland via haar berichtgeving mensen zonder computer of e-mailadres om hulp te vragen van familie of vrienden. Is dat niet mogelijk, dan kunnen zij langs gaan bij een corporatie in hun woonplaats. Die helpt dan bij het inloggen en zoeken van woningen.
Dit advies en de wijze van ondersteuning kan adequaat zijn voor de mensen die niet digitaal vaardig zijn. De corporatie is zelf verantwoordelijk voor hun dienstverlening en de wijze waarop zij ondersteuning bieden aan mensen die moeite hebben met het digitale kanaal. Hebben mensen klachten over de woonruimteverdeling, dan kunnen zij terecht bij de regionale klachtcommissies voor woonruimteverdeling.
Deelt u de mening, dat er voor degene die verplicht wordt een computer aan te schaffen of ten minste een computercursus te volgen geen sprake is van «aanzienlijk minder administratieve lasten voor burgers», zoals een van de doelstellingen van het regeringsbeleid is?
Administratieve lasten zijn de kosten in tijd en geld voor het voldoen aan verplichtingen die een overheid oplegt. Dat is in dezen niet het geval.
Digitalisering kan een bijdrage leveren aan vermindering van administratieve lasten en doet dat ook in het grotere geheel van toegenomen email verkeer, minder postzegels, minder tijd met het lopen naar de brievenbus. Voor mensen die niet kunnen heeft de woningcorporatie een vangnet en niet de verplichting van cursus of aanschaf computer.
Digitaal zakendoen kan een aanzienlijke besparing opleveren aan zowel de kant van de burger als van het bedrijf.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen, dat digitale dienstverlening wordt verbeterd, terwijl de toegankelijkheid van dienstverlening gegarandeerd blijft voor mensen die (nog) minder digivaardig zijn?
Voor de antwoorden hierop verwijs ik graag naar de kabinetsreactie naar aanleiding van het rapport «De burger gaat digitaal» van de Nationale ombudsman die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 28 februari jongstleden aan de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken heb gestuurd (bijlage bij TK 26 643, nr. 306).
Het bericht dat Slowakije het homohuwelijk uitsluit |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Slowakije sluit homohuwelijk uit»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze stap van het Slowaakse parlement een stap terug in de tijd betekent en deelt u de teleurstelling over deze grondwetswijziging die het huwelijk voorbehoudt tussen man en vrouw?
Dat Slowakije het huwelijk definieert als exclusief tussen man en vrouw is niet nieuw; dat was reeds een bepaling in het Slowaaks burgerlijk wetboek. Dat de bepaling uit het burgerlijk wetboek nu ook is opgenomen in de grondwet, is zondermeer een teleurstelling. Hoewel er materieel niets wijzigt voelt het als een stap terug voor de gelijke rechten voor LHBT in Slowakije; zeker na een paar goede ontwikkelingen in de afgelopen jaren (zoals de organisatie van «Pride Marches»).
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in strijd is met de Europese waarden, normen, en mensenrechten en dus zeer onwenselijk is?
Zoals in het «Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie» is vastgelegd, wordt het recht te huwen gewaarborgd via nationale wetten (artikel2. Niettemin betreurt Nederland de gang van zaken in Slowakije. Nederland wijst discriminatie op elke grond af en blijft actief opkomen voor de gelijke rechten van LHBT-personen. Nederland beroept zich daarbij op artikel 21 van het EU Handvest, waarin staat dat «elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, verboden is».
Bent u bereid de Slowaakse regering aan te spreken op de grondwetswijziging en uw afkeuring hierover bij de Slowaakse regering kenbaar te maken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Buitenlandse Zaken zal in een aankomende ontmoeting met de Slowaakse Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse zorgen uitspreken over de stigmatiserende werking van dit soort maatregelen en blijven aandringen op de bevordering van gelijke rechten voor LHBT.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toenemende homofobie in Europese lidstaten betekent voor de erkenning van in Nederland gesloten homohuwelijken in andere lidstaten en de Tweede Kamer hierover zo snel mogelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Als gezegd valt de huwelijkswetgeving in Europa onder de bevoegdheid van de lidstaten.
Bent u bereid de Tweede Kamer een overzicht te sturen waarin per Europese lidstaat kort wordt beschreven welke ontwikkelingen er plaatsvinden betreffende LHBT-rechten en het oordeel van de regering daaromtrent?2
Berichten met betrekking tot de beëindiging van de treinkaping bij De Punt |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «FBI ging uit van liquidatie Molukkers bij treinkaping» en «Hoe de FBI de mariniers van De Punt verleidde»?1
Ja.
Worden de in beide berichten genoemde informatie en de achterliggende archiefstukken betrokken bij het onderzoek dat u op dit moment laat uitvoeren naar de beëindiging van de kaping bij De Punt?
Ja.
Waren deze informatie dan wel archiefstukken u al eerder bekend? Zo nee, acht u het mogelijk dat er zich nog meer tot nu toe onbekende archiefstukken in binnenlandse of buitenlandse archieven bevinden? Hoe gaat u er voor zorgen dat alle relevante informatie bij het genoemde onderzoek wordt betrokken?
De werkgroep die het onderzoek uitvoert heeft mij bericht dat de informatie, voor zover voor het onderzoek van belang, haar bekend was. Zoals ik uw Kamer heb laten weten bij brief van 1 april 20142 heb ik drie externe deskundigen verzocht het werk van de werkgroep te beoordelen op zorgvuldigheid en volledigheid. De wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven, wordt bij de aanbieding van het rapport van de werkgroep verantwoord.
Seksueel geweld tegen (Dalit) vrouwen in India |
|
Harry van Bommel (SP), Bram van Ojik (GL), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote media-aandacht over de groepsverkrachting en dood van twee Dalit meisjes in de Indiase deelstaat Uttar Pradesh1 en de recente brochure «Dalit-vrouwen Rechteloos – Slachtoffers van seksueel geweld eisen hun rechten op» van FNV Mondiaal en de Landelijke India Werkgroep, die de aard, ernst, omvang en oorzaken van dit grote maatschappelijke probleem, maar ook het verzet daartegen, beschrijft?2
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de rapporten over India en Bangladesh van de Speciaal Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen, waarin onder meer geconstateerd wordt dat kastendiscriminatie een belangrijke oorzaak is van geweld die van generatie op generatie doorgaat en Dalit vrouwen «veroordeelt tot een leven van uitsluiting, marginalisering en achterstelling op elk gebied»» en hen veelvuldig het slachtoffer maakt van gedwongen arbeid en vormen van moderne slavernij?3
Ja.
Welke stappen heeft u inmiddels ondernomen om aandacht te vragen voor de zorgelijke positie van Dalit vrouwen en meisjes die gediscrimineerd worden op basis van hun kaste en die lijden aan verschillende vormen van (seksueel) geweld? Welke inspanningen bent u verder van plan op dit gebied te ondernemen?
Tijdens het gesprek met mijn Indiase collega en marge van de Foreign Ministers Meeting in New Delhi op 11 november 2013 spraken wij uitgebreid over de positie van Dalits. Tijdens recente consultaties werd door de Secretaris Generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken het gruwelijke incident in Uttar Pradesh opgebracht.
Bent u in dit verband bereid om tijdens de 26ste sessie van de VN Mensenrechtenraad kastendiscriminatie en het straffeloze seksueel geweld tegen Dalit vrouwen aan de orde te stellen tijdens de Interactieve Dialoog met de Speciale Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen, de interactieve dialoog met de Werkgroep Discriminatie van Vrouwen en de jaarlijkse eendaagse discussie over vrouwenrechten?
Nederland heeft tijdens de interactieve dialoog met de Speciale Rapporteur voor Geweld tegen Vrouwen aandacht gevraagd voor de positie van gemarginaliseerde groepen en meervoudige discriminatie.
Bent u bereid om tijdens deze dialogen om extra maatregelen te vragen tegen de meervoudige discriminatie van en het geweld tegen Dalit vrouwen, zowel in India als in Bangladesh, waaronder een versterking van het rechtssysteem in beide landen om de grootschalige schending van deze mensenrechten effectiever te bestrijden?
De Indiase president, President Pranab Mukherjee, heeft op 9 juni jl. een beleid van zero tolerance aangekondigd voor wat betreft geweld tegen vrouwen, inclusief een hervorming van het wettelijk kader en toezicht op de implementatie daarvan. De recent aangetreden premier Modi heeft op 11 juni jl. in zijn eerste speech voor het parlement deze lijn onderstreept. Zowel multilateraal, via de EU als in bilaterale dialogen blijft Nederland aandacht vragen voor de aanpak van geweld tegen vrouwen. Tijdens de komende zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zal Nederland samen met Frankrijk, wederom een resolutie tegen geweld tegen vrouwen indienen.
Bent u bereid om het Side Event over «geweld tegen vrouwen en meisjes van door kastediscriminatie getroffen gemeenschappen» georganiseerd door o.m. Human Rights Watch en het International Dalit Solidarity Network – met Hoge Commissaris voor Mensenrechten Navi Pillay als key-note speaker – te «co-sponsoren» en u tijdens dit Side Event over het onderwerp uit te spreken?
Tot nog toe hebben twee Europese landen toegezegd het evenement te zullen co-sponsoren. Om de effectiviteit van dit evenement te vergroten is het van belang dat niet alleen Europese landen dit evenement co-sponsoren», maar juist ook landen uit andere delen van de wereld. Co-sponsoring van Nederland heeft op dit moment dus geen toegevoegde waarde.
Bent u bereid het onderwerp (seksueel) geweld tegen (Dalit) vrouwen in uw bilaterale contacten met de Indiase regering aan de orde te stellen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor 17 juni 2014, wanneer de VN Rapporteur Rashida Manjoo haar rapporten presenteert?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De hoge advieskosten van zorgorganisatie Fundis |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de boete die zorgorganisatie Fundis heeft gekregen van bijna een kwart miljoen euro door het zorgkantoor, vanwege tekortkomingen in haar beleid?1
Van een boete is geen sprake. Er is sprake van een voorgenomen tariefkorting. Het betreffende zorgkantoor heeft na een materiële controle gemeend dat op enkele onderdelen niet voldaan werd aan de materiële eisen. De voorlopige conclusie van het zorgkantoor is dat het zorgkantoor het bedrag van € 243.306,30 in mindering wenst te brengen op de nacalculatie 2013.
Fundis heeft als gevolg van de voorlopige conclusie van het zorgkantoor aanvullende documentatie aangeleverd om het tegendeel te bewijzen. Op dit moment zijn Fundis en het zorgkantoor nog met elkaar in gesprek over deze casus. Er is nog geen definitieve conclusie over (de hoogte van) de eventuele tariefkorting.
In deze casus komt naar voren dat het betreffende zorgkantoor zijn controletaak serieus heeft genomen en maatregelen durft te nemen. Dit vind ik een goede zaak. Over de oorzaak of hoogte van de tariefskorting heb ik geen oordeel.
Kunt u aangeven welke tekortkomingen reden waren om deze op te leggen? Hoe oordeelt u over de tekortkomingen?
Het betreffende zorgkantoor constateert tekortkomingen op het gebied van schriftelijke dan wel digitale procesverantwoording van de geleverde zorg.
Het oordeel over eventuele tekortkomingen van een zorgaanbieder is primair aan het betreffende zorgkantoor, de NZa en bij tekortkomingen in de kwaliteit van de zorg aan de IGZ.
Welk zorgkantoor heeft deze boete opgelegd, en hoe oordelen de andere 5 zorgkantoren die zorg hebben gecontracteerd bij Fundis?
Zorgkantoor Achmea heeft de voorlopige tariefkorting opgelegd aan Fundis. De andere zorgkantoren hebben – voor zover nu bekend – op basis van hun eigen materiële controles geen reden gezien om een tariefkorting aan Fundis op te leggen.
Is bekend of de andere zorgkantoren ook een boete dreigen op te leggen aan Fundis vanwege tekortkomingen in hun beleid? Zo ja, om welk bedrag gaat dit? Zo nee, wat is het beleid van de andere 5 zorgkantoren als het gaat om de tekortkomingen in het beleid van Fundis?
Er is geen sprake van dat de andere zorgkantoren Fundis een tariefkorting op willen leggen. Ook de andere zorgkantoren voeren materiële controles uit bij gecontracteerde zorgaanbieders, zo ook bij Fundis. Zij volgen hierbij het opgestelde controleplan materiële controles. Dit controleplan kan per concessiehouder verschillen, maar dient in alle gevallen te voldoen aan de prestatiecriteria van de NZa voor alle concessiehouders.
Wat is uw oordeel over het bericht dat Fundis 376.000 euro betaald heeft aan externe advieskosten, waarvan de helft is opgegaan aan de plannen om het Langeland ziekenhuis over te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Fundis is een private organisatie. De verantwoordelijkheid van beslissingen van de inzet van financiële middelen ligt primair bij het bestuur van Fundis en bij de Raad van Toezicht. Dit moet mijns inziens passen bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen in de markt.
Vindt u het acceptabel dat zorgaanbieders zorggeld gebruiken voor dergelijke hoge advieskosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid uit te zoeken wat de consequenties zijn geweest voor de zorgverlening door Fundis? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen aanwijzingen dat er consequenties zijn geweest voor de zorgverlening door Fundis.
Hoe is het mogelijk dat zowel de raad van bestuur als externe adviseurs niet hebben voorzien dat de investering in het Langeland ziekenhuis door de OR met succes zou worden aangevochten bij de Ondernemingskamer? Wat is uw oordeel hierover?2
Fundis is een private instelling die binnen de grenzen van de vigerende wet- en regelgeving zelfstandig bedrijfs-economische afwegingen kan maken. Daarbij beschikken verschillende belanghebbenden over mogelijkheden om hun belangen te behartigen en besluiten van de raad van bestuur te beïnvloeden. Gebleken is dat het voornemen om een fusie aan te gaan met het Langeland ziekenhuis door de Ondernemingsraad effectief is aangevochten. De Ondernemingsraad is door de Ondernemingskamer in het gelijk gesteld, omdat niet is voldaan aan de vooraf overeengekomen voorwaarden. Wat mij betreft moet er tegenover de positie van een Raad van Bestuur ook voldoende » tegenkracht» zijn in zorginstellingen (checks and balances). Zonder een inhoudelijk oordeel te willen vellen over deze specifieke casus, is de uitkomst uiteindelijk bepaald door een zorgvuldige weging van verschillende belangen.
Hoe duidt u het risico dat Fundis bereid was te nemen, voordat de rechter negatief oordeelde over de overname omdat Fundis «onvoldoende heeft zorggedragen voor de daadwerkelijke vervulling van die op papier overeengekomen, «risicomatigende» voorwaarden (toen Fundis op 15 november 2013 definitief tot participatie in LLZ besloot waren diverse van die voorwaarden immers niet vervuld en (kennelijk) ook welbewust onvervuld gelaten)? Vindt u het ook zorgelijk dat een zorginstelling zulke grote risico’s wil aangaan?
Er waren kennelijk voorwaarden opgesteld, waarvan de Ondernemingsraad en de Ondernemingskamer later concludeerden dat deze onvoldoende waren ingevuld.
Het is niet aan mij om te oordelen over de genomen belissingen van de Raad van Bestuur van Fundis.
Hoe verhoudt de toestemming van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor de fusie en klaarblijkelijk ook van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zich tot het oordeel van de Ondernemingskamer? Is het niet zorgelijk dat de toezichthouders veel laconieker over de financiële risico’s oordeelden dan de rechter? Kunt u uw antwoord toelichten?3
De zorgaanbieder Vierstroom (inmiddels Fundis) heeft in de zomer van 2013 het verzoek tot overname van het Langeland Ziekenhuis ingediend bij de ACM.
De ACM toetst de gevolgen voor de mededinging. Hierbij kijkt de ACM of er een economische machtspositie ontstaat. De NZa heeft in 2013 nog geen toestemming hoeven verlenen voor deze overname, omdat de zorgspecifieke fusietoets pas op 1 januari 2014 in werking is getreden. Per 1 januari 2014 toetst de NZa met name procedureel, namelijk of de stakeholders bij een fusie zijn betrokken, of het bestuur gemotiveerd op de inbreng van de stakeholders over de fusieplannen heeft gereageerd en of er door de fusie directe risico’s voor de bereikbaarheid van cruciale zorg ontstaan.
In december 2013 is de ondernemingsraad een procedure gestart voor de Ondernemingskamer met als gevolg dat de overname vooralsnog geen doorgang kan vinden. Het inschatten van financiële risico’s is de verantwoordelijkheid van het bestuur en de raad van toezicht. In het uiterste geval is het aan de rechter om een inhoudelijk onderdeel te vellen.
Hoeveel heeft de ontwikkeling en invoering van de nieuwe naam Fundis gekost? Vindt u dit acceptabele kosten voor een zorgorganisatie?4
Ik heb daar geen inzicht in. Fundis is een privaatrechtelijke organisatie met het recht om de naam en de organisatiestructuur aan te passen. Dit uiteraard passend bij de maatschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen in de markt. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5 en 6.
Het bericht dat kledingmerken nog steeds hongerloon betalen aan kledingarbeiders |
|
John Kerstens (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Loon naar werken: wat kledingmerken doen en laten voor een leefbaar loon», dat werd gepubliceerd door de Schone Kleren Campagne?1
Ja, dat rapport ken ik.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het rapport dat van de in totaal 171 onderzochte kledingmerken geen enkel bedrijf een leefbaar loon betaalt aan de mensen die kleding maken voor deze merken?
Ik zie dit rapport als een aansporing voor voortgaande aandacht voor dit onderwerp. Het realiseren van leefbare lonen in een toeleveringsketen is een gecompliceerd traject, dat sinds 2011 in de OESO richtlijnen wordt geborgd. Uit het onderzoek van de Schone Kleren Campagne blijkt dat meer dan de helft van de onderzochte merken leefbaar loon in hun gedragscode heeft opgenomen. 21 merken hebben geloofwaardige stappen gezet richting het realiseren van een leefbaar loon. Deze ontwikkelingen zijn hoopvol, zo blijkt ook uit de inzet van de branches in het nationale actieplan textielsector.
Bent u het eens met de conclusie uit het rapport dat het merendeel van de onderzochte bedrijven (150 van de 171) onvoldoende stappen zet om leefbaar loon een realiteit te maken voor de kledingarbeiders? Zo ja, op welke wijze gaat u met de bedrijven samenwerken om te stimuleren dat hiertoe maatregelen worden genomen?
Het rapport geeft aan dat geen van de onderzochte bedrijven op dit moment leefbaar loon in de betrokken toeleveringsketen betaalt. Dit is teleurstellend, maar helaas geen nieuws. Het thema leefbaar loon is relatief nieuw en staat pas sinds de herziening van de OESO-richtlijnen steviger op de internationale agenda. De complexiteit van de textielketen, met de vele tussenhandelaren, verschillende inkopers bij eenzelfde fabriek, lage wettelijke minimumlonen en de vaak gebrekkige naleving van wetgeving in de productielanden, maakt het betalen van een leefbaar loon lastig om te realiseren. Voor een blijvende aanpak is de verhoging van het wettelijk minimumloon tot een leefbaar loon nodig, zodat er een gelijk speelveld ontstaat voor alle producenten en afnemers. Overheden en producten zijn echter afhoudend om een wettelijk minimum loon te verhogen met het oog op verlies van marktaandeel.
Het is van belang om per land een realistisch leefbaar loon vast te kunnen stellen. Op dit terrein neemt Nederland enkele initiatieven, zoals de door Nederland ondersteunde Wage Indicator. Vanuit keurmerken worden eveneens initiatieven ontwikkeld die ik met belangstelling volg. Totdat de wettelijke minimumlonen voldoende verhoogd zijn, kunnen kledingmerken via hun eigen proces bijdragen aan het realiseren van leefbare lonen, bijvoorbeeld door te experimenteren met de toepassing van de Loonladder van de Fair Wear Foundation, zoals H&M nu in enkele pilots doet.
Ik zet mij in voor versterking van dit proces. Op 26 november 2013 organiseerden Nederland en Duitsland de eerste European Living Wage Conference. Hieraan namen meer dan 200 personen deel, waarvan 60 procent uit het bedrijfsleven afkomstig, en met actieve betrokkenheid van de ILO, OESO, EU, vakbeweging, NGOs, en vanuit Bangladesh. In Berlijn werd een actieplan vastgesteld dat initiatieven en verantwoordelijkheden van verschillende actoren benoemt.2
Welke stappen moeten bedrijven volgens u zetten om er voor te zorgen dat de gedragscodes aangaande leefbaar loon, die meer dan de helft van de onderzochte bedrijven heeft onderschreven, ook in de praktijk te brengen? Op welke wijze kunt u hen daarbij ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke ambities aangaande leefbaar loon zijn opgenomen in het actieplan dat de Nederlandse kledingindustrie heeft afgesloten naar aanleiding van de gebeurtenissen in de kledingindustrie in Bangladesh? Wat is de stand van zaken aangaande de uitvoering van dit actieplan?
De Nederlandse brancheorganisaties (Modint, VGT en InRetail) hebben in hun Plan van Aanpak Nederlandse Textielsector uitgesproken voor een leefbaar loon. Uit het actieplan zijn 10 multi-stakeholder werkgroepen ontstaan waarvan één specifiek gericht op leefbaar loon.
Het Plan van Aanpak wil uiterlijk in 2020 in alle toeleveringsketens van de modemerken die het PvA hebben ondertekend een leefbaar loon realiseren. Er wordt ondermeer gekeken naar bevordering van de toepassing van de Loonladder van de Fair Wear Foundation (FWF). Deze ladder biedt bedrijven houvast bij de stapsgewijze realisatie van leefbaar loon in de toeleveringsketen en is ook toegankelijk voor bedrijven die niet lid zijn van de FWF.
Onlangs heeft de SER, in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een onderzoek naar MVO convenanten gepresenteerd. Een belangrijke uitkomst uit dat advies is de concretisering en haalbaarheidsindicatoren van de doelstellingen. Vanuit de brancheorganisaties begrijp ik dat hier momenteel hard aan wordt gewerkt binnen de multi-stakeholder werkgroepen van het PvA. Ik ben voornemens om met in achtneming van deze vorderingen een textielconvenant op te stellen.
Bent u voornemens in Europees verband, bijvoorbeeld tijdens de aankomende Handelsraad, aandacht te vragen voor leefbare lonen in de kledingindustrie? Zo ja, wat wordt uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Als follow-up voor de genoemde Europese conferentie wil ik mij, opnieuw samen met Duitsland en andere EU-lidstaten, inzetten voor een soortgelijke multi-stakeholder conferentie in Zuid-Oost Azië, gericht op de kledingindustrie. Deze suggestie heb ik onlangs, tijdens mijn bezoek aan Bangladesh in mei jl., bij de Bengaalse regering neergelegd.
Er bestaat geen twijfel dat medewerking van het internationale bedrijfsleven nodig is. Op dit moment werk ik met Duitsland een strategie uit om samen met andere Europese overheden hun modebedrijven te stimuleren bij het naleven van sociale standaarden in de toeleveringsketens, waaronder ook leefbare lonen. Tijdens het OESO Global Forum op 26 juni in Parijs zal ik het belang hiervan naar voren brengen. De aankomende Handelsraad is een goede gelegenheid dit verder te agenderen.
Wat is uw reactie op de brief over windenergie van de provincie Gelderland die onder andere aan de gemeente Ermelo is gestuurd?1
De passage waarin de provincie Gelderland aangeeft dat jaarlijks 5,8 miljard euro subsidie wordt verstrekt aan fossiele energie is niet correct. Ik verwijs naar de kabinetsreactie van 18 november 2011 op een rapport van CE Delft en Ecofys waarin deze 5,8 miljard euro eerder werd genoemd (Kamerstukken 2011–2012, 33 043, nr. 9).
De vermeende subsidies voor fossiele brandstoffen behelzen onder andere de accijnsvrijstellingen voor motorbrandstoffen ten behoeve van de commerciële luchtvaart en scheepvaart die voortvloeien uit internationale verdragen (Verdrag van Chicago ten aanzien van de luchtvaart en de Akte van Mannheim ten aanzien van de scheepvaart).
Ook de degressieve tariefstructuur in de energiebelasting wordt ten onrechte beschouwd als een subsidie voor fossiele energie. Indien in Nederland een volledig hernieuwbare energiehuishouding zou bestaan, dan nog zou vanwege de concurrentiepositie van het op de export gerichte bedrijfsleven een degressieve tariefstructuur in de rede liggen.
Verder worden onder andere de verlaagde energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw en de accijnzen voor het gebruik van diesel genoemd als voorbeelden van fossiele subsidiëring. Voor een beschrijving van deze regelingen verwijs ik kortheidshalve naar de kabinetsreactie.
Bent u bekend met de subsidieregeling(en) voor fossiele energie waaraan in de brief van de provincie Gelderland wordt gerefereerd? Zo ja, welke regeling(en) betreft het?
Zie antwoord vraag 1.
Door wie worden deze subsidies verstrekt, welke bedrijven of instanties zijn de begunstigden en uit welke middelen wordt de genoemde jaarlijkse subsidie van 5,8 miljard euro gefinancierd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat gunstigere dan wel ongunstigere belastingtarieven niet onder de definitie van subsidies vallen? Zo nee, kunt u dan aangeven welke gunstigere dan wel ongunstigere belastingtarieven van toepassing zijn op duurzame energie zodat er sprake is van een gelijkwaardige vergelijking?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een overheidsorgaan in officiële uitingen correcte informatie dient te verschaffen? Bent u van mening dat de informatie over de verstrekte subsidies voor fossiele brandstoffen correct is?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u de provincie Gelderland verzoeken om de door hen verstrekte foutieve informatie te rectificeren en wilt u een afschrift hiervan aan de Kamer doen toekomen?
Mijn antwoorden op de door uw Kamer gestelde vragen strekken als correctie op de informatie zoals deze door de provincie Gelderland is verstrekt.
Problemen met hulpmiddelen van Welzorg |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking forse problemen ervaren met de dienstverlening van Welzorg, en hierdoor in de problemen komen met hun hulpmiddelen?1
Ik vind de verstrekking van hulpmiddelen aan mensen die daar voor hun zelfredzaamheid en participatie op zijn aangewezen (en de daarbij behorende kwaliteit van dienstverlening) van groot belang.
Is het waar dat u in gesprek bent met Welzorg over de aanbestedingsproblematiek van hulpmiddelen bij gemeenten? Zo ja, welke maatregelen heeft u tot op heden getroffen om de problemen met de dienstverlening bij Welzorg op te lossen?
Neen, ik ben niet in gesprek met Welzorg over aanbestedingen door gemeenten.
Acht u het wenselijk dat organisaties die hulpmiddelen verstrekken met het instrument «telefonische schouw» werken? Zo nee, op welke wijze gaat u de «telefonische schouw» van hulpmiddelen verbieden?
Een schouw van het uitstaande hulpmiddelenbestand van gemeenten vindt in de meeste gevallen plaats bij een wisseling van de leverancier. Dit is belangrijk voor de nieuwe leverancier, zodat hij over een up-to-date inzicht van het hulpmiddelenbestand beschikt. Daar waar er onduidelijkheden zijn, zal een schouw (inspectie) plaatsvinden. Wanneer het een eenvoudige vraag betreft, is het gebruikelijk dat de gebruiker telefonisch wordt benaderd. In andere gevallen kan een fysieke check van de hulpmiddelen noodzakelijk zijn. Het is aan gemeenten om, indien zij dit wenselijk achten, eisen te stellen aan de manier waarop de schouw wordt uitgevoerd. Steeds vaker wordt een schouw in het Programma van Eisen opgenomen door gemeenten. Daarnaast worden ook de kwaliteits- en veiligheidseisen van hulpmiddelen via overeenkomsten met de leveranciers in het Programma van Eisen opgenomen. Aan deze eisen liggen de bepalingen van de Wet Medische Hulpmiddelen en de Wegenverkeerswet ten grondslag.
Kunt u de omvang van de lange wachttijden en de gebrekkige service van Welzorg toelichten? Bent u bereid Welzorg tot de orde te roepen met betrekking tot de gebrekkige dienstverlening en het ondeskundige personeel? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze chaotische situatie met spoed op te lossen?
Het betreft hier overeenkomsten tussen individuele gemeenten en een leverancier. Welzorg heeft in een verklaring aangegeven, zo begrijp ik, dat de klachten met betrekking tot de dienstverlening te wijten zijn aan de fundamentele veranderingen binnen de organisatie als gevolg van een veranderende markt.
De betreffende hulpmiddelenleverancier heeft aangegeven de gang van zaken te betreuren, verantwoordelijkheid te zullen nemen en zich de komende tijd te richten op de verbetering van de serviceverlening aan haar klanten. Dit uit zich in concrete maatregelen, namelijk extra personeel, extra steunpunten en ruimere openingstijden.
Hoeveel en welke gemeenten maken gebruik van de diensten van Welzorg met betrekking tot de hulpmiddelen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning? Bent u bereid de Kamer hiervan een overzicht te doen toekomen?
Ik beschik niet over een overzicht van aanbieders van hulpmiddelen per gemeente. Deze informatie wordt niet centraal geregistreerd. Ik zie daartoe ook geen aanleiding.
Wat is uw oordeel over de berichtgeving dat de dienstverlening van Welzorg verslechterd is als gevolg van bezuinigingen en fusies in de zorg? Deelt u deze analyse? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze bezuinigingen en fusies terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gemeenten zijn voor de inkoop van hulpmiddelen gehouden aan de Europese aanbestedingsregels en de Aanbestedingswet. Deze regels waarborgen dat inschrijvers bij aanbestedingen gelijke kansen hebben en dat het speelveld daarmee voor alle aanbieders zonder uitzondering gelijk is.
Ik constateer dat de afgelopen jaren de prijzen van een aantal hulpmiddelen die in het kader van de uitvoering door de Wmo door gemeenten worden ingekocht, zijn gedaald. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om kwaliteitseisen in het bestek van de aanbesteding op te nemen en deze vervolgens ook gedurende de contractperiode te bewaken. Er loopt reeds een aantal initiatieven die de kwaliteit van de hulpmiddelen ten goede zullen komen. Zo ontwikkelt de VNG in samenwerking met Firevaned (de branchevereniging voor hulpmiddelen-leveranciers) een model-aanbestedingsdocument voor hulpmiddelen met oog voor zowel de economische belangen als de kwaliteit van de dienstverlening.
Ook heeft de branchevereniging Firevaned het initiatief genomen om een Nationaal Keurmerk Hulpmiddelen te introduceren. Dit is een ISO gecertificeerd keurmerk dat alle elementen van de verstrekking en dienstverlening met betrekking tot de kwaliteit van hulpmiddelen borgt. Op dit moment zijn leveranciers zich hierop aan het voorbereiden.
Vindt u het acceptabel dat zorgaanbieders door gemeenten gecontracteerd worden op basis van de laagste prijs, omdat gemeenten dankzij uw bezuinigingen het mes op de keel wordt gezet? Wat blijft er precies over van uw mooie woorden bij de behandeling van de Wet maatschappelijke ondersteuning dat «de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) een verzameling is van nadere criteria, anders dan alleen de laagste prijs»?2
Zie antwoord vraag 6.
Acht u het wenselijk dat zorgaanbieders in de wurggreep van gemeenten zitten, en hierdoor te lage prijzen moeten accepteren, omdat zij anders gedwongen worden personeel te ontslaan of moeten stoppen met dienstverlening? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze aanbestedingsgekte te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat was het salaris van de directeur/bestuurder van Welzorg in 2013 (uitgesplitst in de diverse onderdelen)? Wat is uw oordeel daarover?
In dit geval gaat het om een privaatrechtelijke rechtspersoon die hulpmiddelen levert op basis van gewonnen aanbestedingen die in het kader van de Wmo door gemeenten zijn uitgeschreven. Deze rechtspersonen vallen niet onder de werking van de Wet normering topinkomens. De gegevens waar u naar vraagt, zijn om die reden niet beschikbaar. Het zijn overigens de colleges van B&W die over hun contracten verantwoording moeten afleggen aan de gemeenteraden.
Is bekend wat de kosten zijn van aanbestedingen voor hulpmiddelen voor gemeenten en voor aanbieders? Zo ja, kunt u de Kamer die informatie sturen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik beschik niet over deze informatie en zie ook geen aanleiding dit te onderzoeken. De aanbestedingsrichtlijnen zijn door de EU opgesteld om ten behoeve van het tot stand komen van een interne markt, eerlijke en vrije concurrentie te stimuleren.
Op welke wijze wordt omgegaan met aanwezige hulpmiddelen bij ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking thuis, als er een andere aanbieder van hulpmiddelen wordt gecontracteerd? Klopt het dat alle hulpmiddelen dan moeten worden omgewisseld? Wat vindt u hiervan?
Er zijn twee typen aanbestedingen voor gemeenten op basis van de Wmo verstrekte hulpmiddelen. Gemeenten kiezen of voor de aankoop van de hulpmiddelen of voor huur van deze hulpmiddelen.
Bij aankoop worden de hulpmiddelen eigendom van de gemeente en is er bij een leverancierswissel geen sprake van een fysieke vervanging, alleen neemt de nieuwe leverancier de hulpmiddelen administratief van de vorige leverancier over, hier ziet de opdrachtgevende gemeente op toe.
Bij het huren door de gemeente van de hulpmiddelen van de leverancier blijft deze leverancier eigenaar van deze hulpmiddelen. Als deze aanbieder na een nieuwe aanbesteding geen contract gegund wordt, zal de oude leverancier haar hulpmiddelen terughalen en de nieuwe leverancier haar hulmiddelen dan inzetten. De gemeente zal toezien op een goed verloop van deze wisseling, maar dit heeft gevolgen voor de gebruikers. Door in het programma van eisen een zogenoemde «afbouwconstructie» op te nemen kunnen gemeenten hier echter iets tegen doen. Dit houdt in dat de gebruikers van hulpmiddelen van een vorige leverancier de hulpmiddelen van die oude leverancier kunnen blijven gebruiken zolang zij deze nodig hebben. De gemeente blijft deze huren van de oude leverancier. Pas als de gebruiker een ander hulpmiddel nodig heeft dan zal de nieuwe aanbieder hier voor zorgen. Met deze methode is er dus ook geen vervanging voor de cliënt. De nieuwe leverancier zal in deze gevallen alleen maar de nieuwe aanvragen verstrekken. Doordat er in de grote meerderheid van de aanbestedingen of sprake is van de aankoop van hulpmiddelen door gemeenten of van huur met de beschreven afbouwconstructie vindt er in steeds beperktere mate omwisseling van de hulpmiddelen in verband met een leverancierswisseling plaats. Ik vind dat een goede ontwikkeling.
Het faillissement van het bedrijf Thermphos en de rol van de Nederlandse en Europese overheid daarin |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe heeft Nederland gestemd tijdens de zitting waar het besluit van de Europese Commissie om geen antidumpingmaatregelen te nemen goedgekeurd moest worden? Heeft zij voor of tegen het sluiten van de antidumpingprocedure gestemd (over de import van witte fosfor)?1
Nederland heeft zich onthouden van stemming, evenals Spanje, Frankrijk en Hongarije. De overige lidstaten hebben ingestemd met het voorstel. Geen van de lidstaten heeft tegen gestemd.
Wat waren de Raadsinstructies van de Permanente Vertegenwoordiger nadat Thermphos de antidumpingklacht indiende bij de Europese Commissie?
De antidumpingzaak tegen witte fosfor uit Kazachstan is niet in de Raad besproken.
De Commissie concludeert dat het uitblijven van maatregelen als gevolg zal hebben dat Thermphos haar activiteiten zal moeten staken; op welk moment wist het kabinet dat Thermphos failliet zal gaan door het uitblijven van maatregelen?2
In de conclusie van de Commissie waarnaar wordt gerefereerd, staat:
«Worden geen maatregelen ingesteld, dan zal de productie van witte fosfor in de Unie en de productie van afgeleide producten door de bedrijfstak van de Unie zeer waarschijnlijk niet worden hervat. Anderzijds biedt de instelling van maatregelen, zoals ook sommige belanghebbenden hebben gesteld, de bedrijfstak van de Unie mogelijk onvoldoende bescherming omdat de invoer uit Kazachstan, zelfs wanneer hiervoor rechten gelden, qua prijzen concurrerender blijft dan de verkopen door de bedrijfstak van de Unie, en waarborgt de instelling van maatregelen derhalve niet dat de bedrijfstak van de Unie de huidige kwetsbare situatie doorstaat.» (ref 2013/81/EC punt 190).
Op het moment dat de Commissie dit begin 2013 concludeerde, had Thermphos Internationaal BV haar activiteiten al gestaakt, en was failliet. De Commissie stelde dat het instellen van antidumpingmaatregelen geen waarborg was voor het voortbestaan van Thermphos. De reden was dat het onderzoek van de Commissie had uitgewezen dat:
Dit betekent dat witte fosfor uit Kazachstan met het instellen van een antidumpingrecht van 10,5% nog steeds goedkoper zou zijn voor de Europese gebruikende industrie dan fosfor van Thermphos. Er was dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de Europese gebruikende industrie over zou stappen op de (duurdere) witte fosfor van Thermphos.
Had Nederland een vertegenwoordiger in het Adviescomité voor Antidumping, dat het besluit van de Europese Commissie voorbereidde? Zo ja, wie?
Ja, Nederland had een vertegenwoordiger in het Antidumping Comité. De naam van de betreffende ambtenaar is verder niet relevant.
Hoe werd de Nederlandse vertegenwoordiger in het Adviescomité voor Antidumping aangestuurd?
Het standpunt is conform de gebruikelijke procedures met de betrokken ministeries afgestemd.
Wat waren de instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Adviescomité voor Antidumping?
De instructies waren om zich te onthouden van stemming.
Is er bij de standpuntbepaling van Nederland in de zaak Thermphos een kosten-batenanalyse gemaakt?
Zoals gebruikelijk bij de standpuntbepaling over het al dan niet nemen van antidumpingmaatregelen is gekeken naar de prijsstelling van fosfor uit Kazachstan en de gevolgen voor de Europese producent en gebruikende industrie (zie ook vraag 3 en 17). Hierbij was sprake van een verschillend belang van de producent en de gebruikers.
Is er bij de standpuntbepaling van Nederland in de zaak Thermphos rekening gehouden met een saneringsopgave van tussen de 70 en 90 miljoen euro bij een eventueel faillissement van het bedrijf? Wist het kabinet dat de Nederlandse belastingbetaler deze rekening zal moeten betalen?
Op het moment van standpuntbepaling van Nederland in de antidumpingzaak was er nog niets bekend over de omvang van een mogelijke saneringsopgave en over wie dat zou moeten betalen.
Welk Nederlands belang is gediend bij het uitblijven van antidumpingmaatregelen en dus bij het faillissement van Thermphos?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 3 is er geen aantoonbare oorzaak-gevolg relatie tussen het uitblijven van maatregelen en het faillissement van Thermphos.
Klopt het dat Belgisch Limburg en Wallonië extra structuurfondsen zullen ontvangen om faillissementen in de regio op te vangen?3
Tijdens de ER van 7 en 8 februari 2013 is afgesproken dat België financiële middelen zou krijgen om te voorzien in het aanpassingsproces van bepaalde regio’s, het ging om 133 miljoen (66,5 miljoen voor Limburg en 66,5 miljoen voor Wallonië). Deze structuurfondsen zijn echter niet direct inzetbaar voor faillissementen.
Klopt het dat Italië (€ 25 miljoen), Spanje (€ 17 miljoen) en Frankrijk (€ 84 miljoen) extra middelen via het Flexibiliteitsinstrument zullen ontvangen?4
In verband met de definitieve uitkomst van de MFK-onderhandelingen heeft de Europese Raad in juni 2013 besloten om genoemde landen extra structuurfondsen toe te kennen. Deze middelen zijn gedeeltelijk gefinancierd door de inzet van het flexibiliteitsinstrument.
Klopt het dat Cyprus om meer structuurfondsen heeft gevraagd en dat de Commissie besloten heeft Cyprus meer structuurfondsen te geven?
De ER van 27-28 juni 2013 heeft het EP en de Raad verzocht om binnen de flexibiliteit die het MFK biedt in het kader van de jaarbegroting de mogelijkheden te onderzoeken om de moeilijke situatie in Cyprus te adresseren. Dit vloeit voort uit de afspraken die de ER in februari 2013 reeds maakte over andere programmalanden, op het moment dat Cyprus nog geen programmaland was.
Heeft het kabinet ooit overwogen om schadevergoeding voor de saneringskosten een onderdeel te maken van bovenstaande of andere budgettaire onderhandelingen?
Nee.
Deelt u de mening van de minister van Economische Zaken dat Europa medeverantwoordelijk is voor het faillissement van Thermphos?5
De Minister van Economische Zaken heeft tijdens het dertig leden debat van 2 april 2013 inzake Thermphos aangegeven dat de Europese Commissie zich mogelijk medeverantwoordelijk voelt voor de ontstane situatie. De Minister van Economische Zaken is in gesprek gegaan met de Europese Commissie over een mogelijke financiële bijdrage van de Europese Commissie aan eventuele opruimkosten en (groene) doorstart van het bedrijf.
Deelt u de mening van Elsevier dat de pogingen van de minister om in overleg te treden met de Europese Commissie inzake een schadevergoeding wegens het uitblijven van antidumpingmaatregelen en het daaropvolgende faillissement van Thermphos halfslachtig waren?6
Nee. Zoals gemeld in een brief aan de Tweede Kamer van 24 april jl. (Kamerstuk 29 826, nr. 59) heeft de Minister van Economische Zaken zich actief ingezet om een financiële bijdrage te krijgen van de Europese Commissie voor opruimkosten en een mogelijke doorstart. De Europese Commissie heeft hierop aangegeven dat er geen mogelijkheden waren voor een financiële bijdrage voor de opruimingkosten. De Europese Commissie was wel bereid om te kijken naar de mogelijkheden om een duurzame doorstart op basis van productie van «groene fosfor» te steunen. Doordat uiteindelijk geen duurzame doorstart mogelijk bleek, zijn de mogelijkheden voor steun vanuit de Europese Commissie en Europese Investeringsbank niet meer aan de orde gekomen.
Deelt u de mening van Elsevier dat de onder andere passieve houding van het Rijk bijgedragen heeft aan het faillissement, het falen van de doorstart en de vervelende nasleep in de zaak-Thermphos?7
Nee. Het Rijk heeft zich juist actief ingezet voor deze casus. Het Rijk heeft onder meer na het faillissement van Thermphos zich ingespannen om een koper te vinden voor het bedrijf. Toen deze koper niet gevonden werd, hebben Zeeland Seaports, de Provincie Zeeland en het Ministerie van Economische Zaken gezocht naar kandidaat investeerders voor de mogelijke productie van groene fosfor op de Thermphos-site te Vlissingen. Uiteindelijk bleef 1 kandidaat investeerder over. Na toetsing van het businessplan en het technisch plan door onafhankelijke experts bleek een duurzame doorstart echter niet mogelijk.
Deelt u de mening van de voormalig minister van Industrie en Handel van de Republiek Tsjechië, de heer Martin Kuba, dat het uitblijven van maatregelen een gevolg is van een gecoördineerde pan-Europese lobby en niet van een afweging van argumenten en wettelijke voorwaarden?8
De Europese Commissie heeft het antidumpingonderzoek volgens de daarvoor wettelijke eisen en procedures, zoals verwoord in de Verordening 1225/2009 uitgevoerd. Het voorstel van de Commissie om geen maatregelen te nemen voldoet aan deze eisen, inclusief het in ogenschouw nemen van dumping, schade en belang van de Unie.
Is er tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Economische Zaken afstemming geweest nadat de Kamer het kabinet had gevraagd om in overleg te treden met de Commissie inzake schadevergoeding wegens het uitblijven van antidumpingmaatregelen en het daaropvolgende faillissement van Thermphos?
Ja, er is tussen de betreffende ministeries overleg geweest.
Bent u bekend met het gerucht dat een aantal EU-lidstaten bij de begrotingsherziening van 2016 om meer structuurfondsen zal vragen om te gevolgen van economische terugval in specifieke regio’s op te vangen?
Nee, dit gerucht is ons niet bekend. Als onderdeel van het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020 is opgenomen dat de Commissie in 2016 de totale toewijzingen die voor de doelstelling «investeren in groei en werkgelegenheid» in het kader van het cohesiebeleid 2017–2020 aan alle lidstaten zijn gedaan, opnieuw zal bezien en volgens gemaakte afspraken mag herberekenen. Het totale netto-effect van deze technische aanpassing mag niet meer bedragen dan 4 miljard EUR.
Het bericht dat Nederlandse bedrijven indirect betrokken zijn bij schendingen van de arbeidsrechten bij de bouw van faciliteiten voor het WK 2022 in Qatar |
|
Michiel Servaes (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Profundo dat in opdracht van FNV is uitgevoerd en waaruit blijkt dat verschillende Nederlandse bedrijven, banken en pensioenfondsen samenwerken met en investeren in internationale bedrijven die zich in Qatar schuldig maken aan schendingen van de arbeidsrechten bij de bouw van faciliteiten voor het WK 2022?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat grote financiële instellingen, zoals ING en ABN AMRO, en pensioenfondsen, waaronder ABP, PFZW, PME en PMT, investeren in bedrijven die betrokken zijn bij arbeidsrechtschendingen of risico lopen daarbij betrokken te raken?
De regering beschikt niet over dit soort informatie en kan derhalve geen uitspraken hierover doen.
Hoe beoordeelt u de reactie van de onderzochte instellingen en bedrijven zoals weergegeven in het rapport «WK voetbal 2022 in Qatar: Nederlandse investeringen in bij arbeidsrechtenschendingen betrokken bedrijven» (vanaf pagina 46)? Bent u bereid de instellingen en bedrijven te informeren over, en ondersteunen bij het voorkomen van (in)directe investeringen in Qatarese bedrijven die arbeidsrechten schenden? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
De zorg rondom de positie van arbeiders beperkt zich zoals bekend niet alleen tot Qatar, maar ook tot de andere landen in de Golfregio. Het is van belang dat deze problematiek niet alleen bilateraal, maar vooral ook breder in multilateraal verband op constructieve wijze wordt aangekaart. Nederland zal deze thematiek op de agenda houden van relevante internationale organisaties als de ILO. Ook wordt van bedrijven «due diligence» verwacht conform de OESO richtlijnen. Zoals blijkt uit het rapport nemen Nederlandse financiële instellingen hun eigen verantwoordelijkheid om de problematiek rond arbeiders in Qatar te adresseren. Concrete situaties kunnen voor nadere duiding aan een Nationaal Contact Punt van de OESO richtlijnen worden voorgelegd. In contacten met het bedrijfsleven alsook met investeerders die actief zijn in deze regio, kaart de regering de problematiek en de verantwoordelijkheden van bedrijven actief aan.
Deelt u de mening dat de Nederlandse bedrijven en financiële instellingen die investeren in bedrijven die arbeidsrechten schenden, hierop dienen te worden aangesproken door de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te doen en kunt u de Kamer hierover informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de schending van arbeidsrechten van de werknemers aan stadions voor het WK voetbal in Qatar in 2022 te bespreken met uw Qatarese collega? Zo ja, wanneer gaat u dit doen en bent u bereid de Kamer van dit contact verslag te doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland staat in contact met de Qatarese autoriteiten over dit belangrijke onderwerp. Leden van het kabinet, inclusief de Minister van Buitenlandse Zaken, zullen in hun contacten met hun counterparts in Qatar deze problematiek blijven aankaarten. Ook de Nederlandse Ambassade in Doha voert regelmatig gesprekken met Qatarese autoriteiten en het bedrijfsleven over de situatie van veel arbeidsmigranten in het land. Nederland zal eveneens samen met internationale partners en bij voorkeur in ILO-verband blijven optrekken om de situatie in Qatar verder te helpen verbeteren. De Kamer zal ook in de toekomst over de Nederlandse inzet ter zake geïnformeerd blijven worden.
Welke voortgang kunt u melden in de eerder door het kabinet toegezegde inspanning om o.a. met NOC-NSF in overleg te gaan over de kwestie van de mensenrechten in relatie tot grote sportevenementen? Welke concrete resultaten heeft dit overleg tot nu toe opgeleverd?2
Welke concrete resultaten hebben de eerder door het kabinet toegezegde inspanningen in internationaal verband, met name de EU en de ILO, tot nu toe opgeleverd om te komen tot een sterkere koppeling tussen de naleving van mensenrechtennormen enerzijds en de toekenning en organisatie van grote sportevenementen anderzijds?
Op 21 november 2013 heeft het kabinet een brief, mede-ondertekend door 23 EU-lidstaten, verstuurd aan de Europees Commissaris van Onderwijs, Cultuur, Meertaligheid en Jeugdzaken Vassiliou inzake respect voor mensenrechten bij grote sportevenementen (zie TK 2013–2014, 21 501-34, nr. 220, d.d. 21 november 2013). De Europese Commissie wordt opgeroepen voorstellen te doen. De Commissie heeft hier positief op gereageerd (zie TK 2013–2014, 21 501-34, nr. 228, d.d. 21 mei jl). Respect voor mensenrechten en sportevenementen is opgenomen in het nieuwe EU Werkplan voor Sport (2014–2017).
Er is ook regelmatig contact met de International Labour Organization (ILO) over de arbeidsmigrantenproblematiek in de regio. Zo heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 8 oktober 2013 in bilateraal contact met de directeur-generaal van de ILO aangedrongen op een actieve rol van de ILO in Qatar. Daarnaast komt het onderwerp aan de orde in gesprekken op ambtelijk niveau. De ILO heeft inmiddels voorbereidingen getroffen om Qatar actief te kunnen ondersteunen.
De ILO Beheersraad heeft in maart 2014 twee rapporten over Qatar aangenomen: een rapport over inbreuken op het recht op vakvereniging en een rapport over niet-naleving van ILO verdrag 29 inzake gedwongen arbeid. De rapporten bevatten aanbevelingen voor beleidsaanpassingen. Qatar gaf in een reactie op de rapporten aan graag een samenwerkingsprogramma met de ILO aan te willen gaan en opvolging te zullen geven aan de aanbevelingen.
Tijdens de 103e Internationale Arbeidsconferentie werd de implementatie van Verdrag 81 over de arbeidsinspectie besproken en werden aanbevelingen aan Qatar gedaan. Ook is door enkele werknemersorganisaties een verzoek gedaan tot het instellen van een zogenaamde «commission of enquiry», die in Qatar kan nagaan of het land zich houdt aan zijn verplichtingen onder ILO-verdragen 29 en 81. De mogelijke oprichting van een dergelijke onderzoekscommissie zal tijdens de eerstvolgende Beheersraad van de ILO in november 2014 worden besproken.
Het kabinet zal zich ook in de toekomst blijven inzetten om grote sportevenementen als de Olympische Spelen en het wereldkampioenschap voetbal te gebruiken als opening om moeilijke onderwerpen, zoals mensenrechten, bespreekbaar te maken.