Winstuitkeringen aan bestuurder/eigenaar van een thuiszorginstelling |
|
Otwin van Dijk (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de dividenduitkeringen aan de eigenares van de Udense thuiszorgorganisatie Breederzorg?1
Ja.
Wat zijn de regels ten aanzien van het doen van winstuitkeringen aan eigenaren van thuiszorginstellingen en hoe verhouden die zich tot de Wet normering topinkomens (WNT) en het belang van het beperken van topinkomens bij (semi-)publieke instellingen?
Op grond van de Wet toelating zorginstellingen en Wet maatschappelijke ondersteuning is het voor instellingen die bepaalde vormen van zorg leveren niet verboden om een winstoogmerk te hebben. Zo is winstuitkering toegestaan voor aanbieders van thuiszorg. Winstdelingen worden op grond van de WNT tot de bezoldiging gerekend indien het gaat om een winstdeling die wordt uitgekeerd in het kader van een dienstverband als topfunctionaris. Daarvan is bij de uitkering van dividend aan de aandeelhouders in beginsel geen sprake. Dividend ontvangt men immers als eigenaar van aandelen, niet uit hoofde van een functie als topfunctionaris.
Zijn de dividenduitkeringen aan de eigenares van de genoemde thuiszorginstelling conform de WNT of andere wet- of regelgeving? Zo, ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het CIBG zal dit als verantwoordelijk toezichthouder nader onderzoeken in het kader van het reguliere WNT-toezicht op de instelling. Overigens heb ik geen aanwijzingen dat hier andere wet- of regelgeving is overtreden.
Maakt het in juridische zin uit of dergelijke winstuitkeringen gerelateerd zijn aan daadwerkelijke investeringen door de eigenaar van een zorginstelling? Zo ja, in welke zin? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit maakt geen verschil. Zorginstellingen zijn verantwoordelijk voor hun eigen bedrijfsvoering. Wanneer zij besluiten om dividend uit te keren is dit van een veelvoud aan factoren afhankelijk. Uitkering van dividend is in die zin gerelateerd aan de gedane investeringen doordat deze corresponderen met een bepaalde hoeveelheid aandelen waarover het dividend wordt uitgekeerd.
Voor zover de uitkering van dividend gerelateerd is aan het door de eigenaar van een zorginstelling geïnvesteerd vermogen, staat vast dat geen sprake is van een in het kader van het dienstverband afgesproken beloning, zodat dit niet wordt genormeerd door de WNT.
Staat het een eigenaar van een thuiszorg vrij om naar eigen inzicht de hoogte van een winstuitkering te bepalen en in hoeverre moet daarbij het publieke belang van de zorg in het oog gehouden worden? Zo ja, deelt u de mening dat hier paal en perk aan moet worden gesteld? Zo nee, waarom niet?
In de zorgbrede governancecode is opgenomen dat de raad van bestuur bij de vervulling van haar taak het belang van de organisatie voor elk ander deelbelang stelt. Het is aan de Raad van toezicht of de Raad van commissarissen om erop toe te zien of de Raad van Bestuur aan deze eis voldoet. Daarnaast moet een Raad van Toezicht op grond van diezelfde code ook goedkeuring geven aan een besluit om winst uit te keren. Daarnaast stelt ook het Burgerlijk Wetboek enkele eisen aan het uitkeren van dividend. Zo mag, kort gezegd, dividend pas worden uitgekeerd wanneer het eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves en wanneer de organisatie de opeisbare schulden kan blijven voldoen.
Daarnaast dient het publieke belang van kwaliteit van zorg te worden gewaarborgd. Wanneer de kwaliteit van zorg bij een instelling door de bodem zakt, zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg ingrijpen. Dat is bij Breederzorg niet aan de orde.
Deelt u de mening dat, indien een zorginstelling een natuurlijk persoon als bestuurder heeft die (al dan niet indirect via een andere rechtspersoon) tevens aandeelhouder van dezelfde instelling is, door deze mogelijke schijnconstructie een stapeling aan inkomens voor diezelfde persoon kan ontstaan? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat dat in het kader van het beperken van topinkomens in de (semi-)publieke sector onwenselijk is en hoe gaat u hier grenzen aan stellen? Zo nee, waarom niet?
De uitkering van dividend is van een andere aard dan de bezoldiging die voortvloeit uit een dienstverband. Dividend is een beloning voor het beschikbaar stellen van risicodragend kapitaal, terwijl bezoldiging voortvloeit uit een dienstverband. Binnen het privaatrecht is het mogelijk dat een bestuurder loon uit dienstverband ontvangt alsmede een rendement op beschikbaar gesteld risicodragend kapitaal kan ontvangen. Het is aan de interne toezichthouders er op toe te zien dat er geen strijdigheid optreedt tussen persoonlijk belang en bedrijfsbelang.
Deelt u de mening dat in datzelfde kader de wet- of regelgeving zodanig dient te worden aangepast dat een bestuurder van een zorginstelling niet tevens ook – direct of indirect – eigenaar daarvan mag zijn? Zo ja, hoe gaat u die wet- of regelgeving aanpassen? Zo nee, waarom niet?
Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Wanneer een eigenaar ervoor kiest tevens bestuurder te zijn, is dit zijn eigen verantwoordelijkheid. Het is aan de Raad van Toezicht of de Raad van Commissarissen er op toe te zien dat het bedrijfsbelang en het persoonlijk belang niet door elkaar gaan lopen.
Deelt u de mening dat aangescherpte regels moeten komen die de mogelijkheid van het doen van winstuitkeringen aan eigenaren van instellingen die vrijwel alleen publiek gefinancierd worden, verder aan banden leggen? Zo ja, waarom en op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven is het de verantwoordelijkheid van de zorginstelling om binnen de bestaande kaders de juiste keuze in te maken. Ik ben van mening dat de huidige wet- en regelgeving in combinatie met de zorgbrede governancecode voldoende waarborgen biedt.
De problemen die kinderen ondervinden met het volgen van onderwijs na een plaatsing in een residentiele jeugdzorgvoorziening |
|
Tjitske Siderius (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat leerlingen na een plaatsing in een residentiële jeugdzorgvoorziening niet altijd terug kunnen naar de school van herkomst, omdat ze ingeschreven staan op een school (voor speciaal onderwijs), verbonden aan een landelijk werkende zorginstelling? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik vind het van belang dat de leerling na het verblijf in een residentiële voorziening direct een passende plek op een vervolgschool heeft. Dit kan op de school van herkomst zijn, maar ook op een andere school. De school waar de leerling na het verblijf wordt aangemeld, heeft de zorgplicht. Dat betekent dat deze school moet beoordelen of de leerling op de eigen school kan worden toegelaten of dat een plek op een andere school het meest passend is.
Hoe verhoudt een dergelijke situatie zich tot de zorgplicht die scholen (van herkomst) hebben voor leerlingen die bij hen zijn aangemeld? Acht u het wenselijk dat in een dergelijke situatie scholen, verbonden aan een landelijk werkende zorginstelling, onbedoeld de verantwoordelijkheid krijgen van de zorgplicht? Was dit beoogd met de invoering van passend onderwijs?
De school die is verbonden aan de residentiële voorziening heeft de zorgplicht voor deze leerling gedurende de periode dat de leerling onderwijs volgt op de school vanwege de plaatsing in de residentiële voorziening. Wanneer het verblijf van de leerling eindigt, en dus ook de plaatsing op de school, is het de taak van de school om de leerling over te dragen aan de vervolgschool. Een tijdige aanmelding bij de vervolgschool is belangrijk. De leerling blijft onderwijs volgen op de school die is verbonden aan de residentiële voorziening totdat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Na de aanmelding neemt de (vervolg)school de zorgplicht over.
De overgang van de school die is verbonden aan de residentiële instelling naar de school van herkomst of een andere (reguliere of speciale) school loopt nog niet altijd vlekkeloos. Via de website van passend onderwijs en de accountmanagers werden hierover ook vragen ontvangen. Daarom is er op de website een stroomschema geplaatst op basis waarvan de samenwerkingsverbanden kunnen zien hoe de verantwoordelijkheden zijn belegd bij deze overgang en worden vragen beantwoord over individuele leerlingen wanneer het voor een samenwerkingsverband niet duidelijk is. Ook is een handreiking gemaakt om scholen en samenwerkingsverbanden te ondersteunen bij het realiseren van een doorlopende schoolloopbaan voor leerlingen die vanuit een gesloten onderwijssetting terugstromen naar een vervolgschool.
Voor leerlingen die kort verblijven (een paar weken of een paar maanden) op een residentiële voorziening brengt de in- en uitschrijving veel administratieve lasten met zich mee. Daarom is in de Variawet passend onderwijs geregeld dat leerlingen die kort worden geplaatst in een residentiële voorziening (maximaal 3 maanden), ingeschreven mogen blijven op de school van herkomst. Naast de administratieve lastenverlichting biedt dit ook voordelen voor de inhoudelijke doorgaande lijn van het onderwijs aan de leerling. Deze bepaling treedt op 1 januari 2016 in werking. De AMvB waarin deze voorwaarden zijn geregeld, is onlangs gepubliceerd voor een openbare internetconsultatie.
Ziet u een mogelijkheid om alle scholen (voor speciaal onderwijs), verbonden aan een landelijk werkende instelling, te bekostigen via plaatsbekostiging zodat leerlingen ingeschreven blijven op de school van herkomst en de verantwoordelijkheid ook bij de school van herkomst blijft liggen? Waarom wel of niet?
Met een plaatsbekostiging voor scholen die zijn verbonden aan residentiële voorzieningen wordt het probleem van een goede overgang van de school bij het verblijf naar een vervolgschool niet opgelost. Leerlingen die uitstromen uit een residentiële voorziening hebben niet altijd een school van herkomst of kunnen niet altijd terugstromen naar de school van herkomst.
Daar komt bij dat plaatsbekostiging betekent dat er dubbel wordt bekostigd: leerlingen worden meegeteld en bekostigd op de school van herkomst én de school die is verbonden aan de residentiële voorziening ontvangt een bedrag per plaats per schooljaar.
Welke maatregelen gaat u nemen om de aansluiting van onderwijs en behandeltrajecten in de jeugdzorg beter op elkaar aan te laten sluiten, nu in de praktijk blijkt dat bij de afweging van het zorg- en onderwijstraject vaak blijkt dat er vooral gekeken wordt naar een behandelplek (bed) en niet altijd naar een school (stoel)? Hoe voorkomt u – doordat plaatsingen in de jeugdzorg het gehele jaar door plaatsvinden – dat bij terugkomst uit de jeugdzorg er geen onderwijsplek of school voorhanden is?
Aan nagenoeg alle residentiële voorzieningen is een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verbonden. Dat betekent dat kinderen die in een residentiële voorziening worden geplaatst altijd een plek hebben op de school die is verbonden aan de instelling. De instelling en de school maken afspraken met elkaar over het aantal plekken en zij stemmen de zorg en het onderwijs waar mogelijk op elkaar af.
Wanneer de leerling de instelling en dus ook de school verlaat, kan de leerling het gehele jaar door instromen op een vervolgschool. Het samenwerkingsverband heeft de wettelijke taak om in het ondersteuningsplan op te nemen welke procedure wordt gevolgd bij de terug- en overplaatsing van leerlingen uit het (voortgezet) speciaal onderwijs naar het regulier onderwijs. Hiermee heeft het samenwerkingsverband een verantwoordelijkheid om voor leerlingen die afkomstig zijn van een school die is verbonden aan een residentiële voorziening, een passende plek te vinden op een vervolgschool in het samenwerkingsverband. Ook heb ik een aantal maatregelen genomen om de overgang vanuit het onderwijs dat is verbonden aan een residentiële voorziening naar een vervolgschool. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten binnen welke termijn een plaatsing op een school gerealiseerd dient te worden, in het kader van de zorgplicht van scholen, voor leerlingen die terugkeren vanuit de residentiële jeugdzorg?
De termijn waarbinnen een school een besluit moet nemen over de plaatsing van een leerling die afkomstig is van een school die is verbonden aan een residentiële voorziening, is dezelfde termijn die ook geldt voor alle andere leerlingen die bij de school worden aangemeld. Dit is een termijn van ten hoogste 6 weken plus een eventuele verlenging van maximaal 4 weken. Deze termijnen zijn opgenomen in de wetgeving passend onderwijs en sluiten aan bij de Algemene wet bestuursrecht. Om te voorkomen dat een leerling thuiszit in de periode die ligt tussen het onderwijs tijdens en na de plaatsing in de residentiële voorziening, is het van belang dat zo snel mogelijk na de plaatsing in de residentiële voorziening het gesprek wordt gevoerd over het vervolgonderwijs na de plaatsing.
Kunt u toelichten of alle samenwerkingsverbanden in Nederland een convenant hebben afgesloten met een school (voor speciaal onderwijs), verbonden aan een landelijk werkende zorginstelling? Zo nee, kunt u een overzicht geven welke convenanten tussen wie precies zijn afgesloten?
Namens de gemeenten heeft de VNG in 2014 afspraken gemaakt met aanbieders van jeugdhulp met een landelijke schaal en een specialistische functie. Aan deze landelijk werkende instellingen is, net als bij de regionale voorzieningen, een school voor (v)so verbonden. Het afsluiten van convenanten tussen samenwerkingsverbanden en deze landelijke aanbieders van jeugdhulp is daarom niet aan de orde. Een kind dat wordt geplaatst in een landelijk werkende instelling, krijgt automatisch een toelaatbaarheidsverklaring voor het (v)so gedurende het verblijf in de instelling. Dit verloopt hetzelfde als bij de plaatsing in de residentiële voorzieningen die door de gemeenten worden gefinancierd.
Hoeveel kinderen of leerlingen zijn momenteel in behandeling in een residentiële jeugdzorgvoorziening, maar hebben geen passende onderwijsplek en/of volgen geen onderwijs? Kunt u de Kamer hier een overzicht van doen toekomen? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Alle leerlingen in een residentiële jeugdzorgvoorziening hebben een plek op een school die is verbonden aan de residentiële voorziening tijdens hun verblijf. Soms kunnen leerlingen tijdelijk niet of niet volledig naar school tijdens het verblijf, vanwege een grote zorgbehoefte. Dit wordt dan vastgelegd in het ontwikkelingsperspectief. Hierin moet ook worden opgenomen op welke termijn de leerling wel volledig onderwijs kan volgen. Hiervan is geen totaaloverzicht beschikbaar. De Inspectie van het Onderwijs ziet er op toe dat de scholen die zijn verbonden aan een residentiële voorziening voor alle leerlingen een ontwikkelingsperspectief opstellen en dat zij op dit punt samenwerken met de zorginstelling. Ik vind het daarom niet nodig om hiernaar een apart onderzoek uit te voeren.
Ziet u mogelijkheden om leerlingen – ingeschreven op het regulier of speciaal onderwijs – die thuiszitten of naar een dagopvang (zorgboerderij) gaan, de mogelijkheid te geven om onderwijs op afstand te volgen, ondanks dat dergelijk opvanginstellingen niet vallen onder de noemer residentiële jeugdzorgvoorzieningen? Ziet u mogelijkheden om ook overeenkomsten of convenanten te sluiten met scholen, verbonden aan een landelijke werkende instelling, door ouders, opvanginstellingen of zorgboerderijen voor leren op afstand? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er kunnen redenen zijn waarom een leerling (tijdelijk) niet naar school gaat. De mogelijkheden voor deze leerlingen schets ik in de brief over onderwijs op een andere locatie dan de school, die op korte termijn aan u wordt toegezonden. Uitgangspunt daarbij is steeds dat het om individuele leerlingen gaat waarbij de school waar de leerling staat ingeschreven verantwoordelijk blijft voor het onderwijs aan de betreffende leerling.
Problemen met het passend onderwijs op het mbo |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de invoering van het passend onderwijs in het mbo succesvol verloopt, nu blijkt dat een jongen na het succesvol afronden van het speciaal onderwijs al na vier weken van het mbo is weggestuurd?1
Passend onderwijs is per 1 augustus 2014 in het mbo ingevoerd. Zoals ik u in de zevende voortgangsrapportage over passend onderwijs heb gemeld voldoen de meeste mbo-instellingen aan de formele vereisten. Daarbuiten bepalen de mbo-instellingen zelf hoe ze hun studenten extra ondersteuning aanbieden. De invoering van passend onderwijs heeft niet tot grote beleidswijzigingen binnen de instellingen geleid, maar er vinden wel degelijk veranderingen plaats in de procedures en manier waarop de ondersteuning vorm wordt gegeven. Mijn algehele beeld is dat de veranderingen die zijn doorgevoerd niet tot grote knelpunten leiden. Dat wil niet zeggen dat in individuele gevallen geen zaken misgaan. Zonder direct een uitspraak over deze situatie te willen doen, vind ik dat mbo-instellingen studenten die veel begeleiding nodig hebben deze ook moeten geven. Als de schoolloopbaan ondanks die begeleiding nog steeds niet goed verloopt moeten instelling en student samen bekijken wat er nodig is om het tij te keren.
Bent u van mening dat de invoering van het passend onderwijs in het mbo (en in het algemeen) te snel en te onzorgvuldig is ingevoerd nu ook mbo-instellingen klagen dat er te weinig ruimte is om het passend onderwijs op te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken me niet in het beeld dat passend onderwijs in het mbo te snel en onzorgvuldig is ingevoerd. Mijn voorganger heeft in een vroeg stadium duidelijk gemaakt wat passend onderwijs voor mbo-instellingen ging betekenen. Ik heb de mbo-instellingen vervolgens daarbij ondersteund door kennisdeling en professionalisering te faciliteren. Ik vind ook niet dat mbo-instellingen te weinig ruimte hebben om passend onderwijs op te bouwen. Mbo-instellingen kunnen juist in grote mate zelf bepalen hoe zij de ondersteuning aan hun studenten vorm willen geven. De afschaffing van de lgf-systematiek stelt mbo-instellingen in staat om meer maatwerk te leveren, doordat de beschikbare middelen efficiënter kunnen worden ingezet dan voorheen. Mbo-instellingen beschikken bovendien over dezelfde financiële middelen als in de tijd voor de invoering van passend onderwijs om hun extra ondersteuningsaanbod vorm te geven. Daarnaast financier ik ook de komende twee jaar de professionalisering van het mbo op het gebied van passend onderwijs.
Bent u op de hoogte van vergelijkbare situaties op andere mbo instellingen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het en kunt u deze situatie met de Kamer delen?
Mbo-instellingen geven hun studenten in de meeste gevallen de juiste ondersteuning. Als in incidentele gevallen zaken misgaan in de ondersteuning van studenten vind ik dat studenten en instellingen hier in de eerste plaats zelf uit moeten komen. Als de instelling en de student er onderling niet uitkomen is het mogelijk om het College voor de Rechten van de Mens en zelfs de rechter een uitspraak te laten doen. Ik ga graag het gesprek met u aan over eventuele structurele misstanden in het kader van passend onderwijs in het mbo. Wel vind ik dat we ervoor moeten waken om specifieke situaties onderwerp van het politieke debat te maken.
Is het waar dat er in het middelbaar beroepsonderwijs twee keer zoveel leerlingen met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of zorgvraag worden geholpen met hetzelfde budget (voor de invoering van het zogenaamde passend onderwijs en ten tijde van de leerlinggebonden financiering)? Acht u deze verdunning van begeleiding en ondersteuning wenselijk?2
Het klopt niet dat sinds de invoering van passend onderwijs twee keer zoveel leerlingen met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of zorgvraag worden geholpen met hetzelfde budget. Het aantal jongeren met een beperking in het mbo is de afgelopen jaren wel toegenomen, maar dat is al voor de invoering van passend onderwijs gebeurd. De reden voor die toename lag voor een belangrijk deel in de groeiende doorstroom van jongeren vanuit het praktijkonderwijs en speciaal onderwijs naar het mbo. Het lgf budget is toen jaarlijks verhoogd ter compensatie van deze groeiende doorstroom. Met de komst van passend onderwijs hebben mbo-instellingen nog steeds hetzelfde budget beschikbaar. Instellingen bepalen vervolgens zelf aan welke ondersteuning ze die middelen besteden.
Hoeveel leerlingen met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of zorgvraag hebben het middelbaar beroepsonderwijs in 2014 voortijdig verlaten vanwege onvoldoende ondersteuning en begeleiding bij hun zorgvraag? Hoeveel leerlingen betrof dit in 2010 t/m 2013?
In de statistieken over voortijdig schoolverlaters wordt geen onderscheid gemaakt voor leerlingen met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of zorgvraag. Met name voor de begrippen «gedragsproblemen» en «zorgvraag» is het lastig om objectieve criteria vast te stellen. Er bestaat wel kwalitatief onderzoek3 naar de redenen van voortijdig schoolverlaten. De belangrijkste reden voor voortijdig schoolverlaten is nog steeds een school- of opleiding gerelateerde oorzaak. Studenten komen er gaandeweg achter dat de opleiding die ze hebben gekozen niet bij hen past, of hebben klachten over de organisatie van de opleiding. Uit het onderzoek blijkt niet dat onvoldoende ondersteuning en begeleiding bij een zorgvraag vaak een reden van voortijdig schoolverlaten was.
Bent u van mening dat door de verdunning van het budget voor leerlingen met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of zorgvraag in het middelbaar beroepsonderwijs meer leerlingen voortijds de school verlaten en er meer studenten tussen wal en schip vallen? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit toelichten?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 al aangaf is het budget van mbo-instellingen voor de extra ondersteuning van leerlingen hetzelfde gebleven sinds de invoering van passend onderwijs. Het budget is dus niet verminderd. Het aantal voortijdig schoolverlaters neemt al jaren af, ook in het mbo. Met de maatregelen in de brief over jongeren in een kwetsbare positie geef ik onderwijsinstellingen en gemeenten bovendien nog meer mogelijkheden om de groep jongeren in een kwetsbare positie in het onderwijs te houden of naar een duurzame plek op de arbeidsmarkt begeleiden. Daarmee belanden juist minder jongeren tussen wal en schip.
Hoeveel geld was er in 2014 beschikbaar binnen de lumpsum van het middelbaar beroepsonderwijs om studenten met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of een zorgvraag te ondersteunen en te begeleiden? Hoeveel geld was er in 2010 t/m 2013 via de leerlinggebonden financiering beschikbaar voor ondersteuning en begeleiding in het middelbaar beroepsonderwijs?
Voor 2014 is aan mbo-instellingen ca. € 53 mln. beschikbaar gesteld op basis van aanvragen in het kader van leerlinggebonden financiering (LGF). Een deel van dit bedrag is in 2013 toegekend voor het gehele schooljaar 2013–2014. Per 1 augustus 2014 is passend onderwijs ingevoerd. Vanaf 1 augustus 2014 was er voor de resterende maanden van 2014 overgangsbekostiging voor LGF ingeregeld ter hoogte van € 18,5 mln. Deze middelen vormen tezamen met de toekenningen voor het schooljaar 2013–2014 een bedrag van ca. € 53 mln. Daarnaast maakt al een aantal jaren een bedrag van ca. € 100 mln. deel uit van de lumpsumbekostiging voor de versterking van de begeleiding van zorgleerlingen in het mbo en voor de zogenoemde zorgadviesteams (zat’s). Ook de middelen voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten (de VOA-middelen) van ca. € 138 mln. vormen een onderdeel van de lumpsum 2014 en kunnen ingezet om deelnemers door middelen van extra ondersteuning te helpen hun opleiding succesvol af te ronden. Deze middelen zijn ook na 2015 beschikbaar voor het mbo en maken deel uit van de lumpsumbekostiging. Vanaf 2015 zijn de middelen voor LGF toegevoegd (ca € 53 mln.) aan de lumpsumbekostiging van de instellingen.
In de periode van 2010 t/m 2013 bedroeg het bedrag dat beschikbaar was voor LGF € 38,2 mln. in 2010, oplopend naar € 50,5 mln. in 2013.
Welke maatregelen neemt u zodat studenten met een beperking, gedragsproblemen, chronische ziekte of een zorgvraag in het middelbaar beroepsonderwijs, die niet het gewenste aantal uren of de proeve van bekwaamheid kunnen behalen vanwege hun beperking, toch een diploma binnen de gestelde termijn kunnen halen? Bent u bereid om een landelijke richtlijn op te stellen zodat deze leerlingen voor het behalen van hun diploma niet afhankelijk worden van de goodwill van individuele examencommissies? Kunt u dit toelichten?
Ik vind het belangrijk dat mbo-instellingen maatwerk leveren voor studenten met een beperking. Dat betekent ook dat waar dat kan flexibel kan worden omgegaan met de onderwijstijd en wijze van examineren. Voorop staat dat de inhoud van het kwalificatiedossier overeind blijft staan. Ik faciliteer een onderzoek van de MBO Raad waarin onderzocht wordt welke ruimte de manier van examinering biedt voor jongeren met een beperking. Een instelling moet zorgen voor een voldoende intensief onderwijsprogramma. Als een individuele student maatwerk nodig heeft dan kunnen instelling en student samen afspreken hoe hij/zij kan deelnemen aan het bestaand onderwijsprogramma en dit vastleggen in de onderwijsovereenkomst. Ook kan de instelling een opleidingsprogramma aanbieden dat afwijkt van de minimum aantal begeleide onderwijsurennormen genoemd in de WEB, onder voorwaarde dat er een goed onderbouwde visie aan ten grondslag ligt, de kwaliteit gewaarborgd wordt en de deelnemersraad ermee instemt. In alle gevallen dient iedere deelnemer aan de inhoudelijke eisen van het kwalificatiedossier en daarmee de examinering te voldoen. Daarmee wordt immers de waarde van het diploma gewaarborgd. Het is niet de bedoeling dat studenten met een beperking een minder waardevol diploma gaan ontvangen. Dat zou immers een uitholling van het mbo diploma betekenen. Soms kan dat dan betekenen dat het traject langer moet duren of dat aangepaste leermiddelen nodig zijn. Dat geldt overigens ook voor de beroepspraktijkvorming. Dat is immers een belangrijke voorbereiding en leeromgeving voor het toekomstige beroep ook voor de deelnemer met een beperking. Daar kan getoetst worden of het mogelijk is om het beroep uit te oefenen.
Kunt u toelichten hoeveel uren ambulante begeleiding (en het bijbehorende aantal studenten) er in 2014/2015 zijn geleverd binnen mbo-instellingen om leerlingen te ondersteunen en te begeleiden? Om hoeveel uren gaat het in 2015/2016?
Deze gegevens zijn niet bekend. Mbo-instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de ondersteuning die ze bieden in het kader van passend onderwijs. Ze leggen hier verantwoording af in hun jaarverslag. Het is geen vereiste om voor elk type begeleiding aan te geven aan hoeveel studenten die is geboden en in welke mate.
Investeringen in gezondheidsinnovaties |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De geboorte van een huidkanker-app», waarin staat dat het voor start-ups op het gebied van digital healthcare moeilijk is om een idee uit te werken en op de markt te brengen?1
Ja
Hoe stimuleert u de ontwikkeling van deze nieuwe ideeën, waar mogelijk zowel gezondheidswinst als kostenbesparing mee is te behalen?
In twee recente brieven aan de Tweede Kamer, te weten Medische technologische innovatie en topsector Life Science & Health2 en Voortgangsrapportage eHealth en zorgverbetering3, is toegelicht wat wij doen om de ontwikkeling van zorgvernieuwing te stimuleren. Acties worden ingezet rondom de juiste informatie op de juiste plek op het juiste moment, meer kennis delen, ruimte en aanpassing in de bekostiging en het vergroten van bewustwording. Daarnaast investeert VWS de komende twee jaar ruim € 127 miljoen in duurzame medisch technologische innovatie.
Hoe ziet u de ontwikkeling van start-ups in combinatie met feit dat zorgverzekeraars vaak pas willen investeren wanneer ideeën al in grote mate zijn uitgewerkt? Deelt u de mening dat hier een gat tussen ideeën en uitvoering zit?2
Zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor het doelmatig inkopen van kwalitatief goede zorg en hebben derhalve baat bij start-ups en zorgvernieuwing. Strikt genomen hebben zij echter geen taak in het ontwikkelen van start-ups. Ik onderschrijf dat het niet eenvoudig is voor start-ups om – met name het vroege ontwikkelstadium – investeerders te vinden. Om het gat tussen idee en uitvoering zo klein mogelijk te maken en start-ups te bevorderen heb ik een start-up netwerk geïnitieerd. Dit netwerk moet de start-ups in verbinding brengen met investeerders, juridische kennis, systeemkennis, maar ook met de gebruikers van de nieuwe technologie: de patiënten en verzekeraars.
Welke mogelijkheden ziet u om ook kansrijke start-ups die nog niet ver doorontwikkeld zijn een kans te geven?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de rol van zorgverzekeraars in dezen? Is de inzet van winst van zorgverzekeraars volgens u een mogelijkheid om ook deze start-ups van financiering te voorzien? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de premie, de kwaliteit van de zorg die zij inkopen en de wijze waarop de zorgverzekeraars het premiegeld investeren om de gunst van de verzekerde te winnen zijn belangrijke elementen waarop zij zich van elkaar onderscheiden. De zorgverzekeraars zijn, mits zij voldoen aan de solvabiliteitseisen, vrij om premie-inkomsten te besteden aan de financiering van start-ups.
Indien deze gezondheidsinnovaties worden gefinancierd met publiek zorggeld, hoe kan worden bewerkstelligd dat deze innovaties voor het brede publiek ten goede komen?
Op dit moment vinden innovaties met bewezen potentie helaas nog maar beperkt hun weg naar landelijke toepassing. Afhankelijk van het soort innovatie zijn er verschillende manieren waarop innovatie in de reguliere dagelijkse zorgprocessen geborgd kan worden en daarmee aan het brede publiek ten goede kan komen. Met het verzekerde pakket en richtlijnen en standaarden van beroepsgroepen kan er bijvoorbeeld landelijk gezorgd worden dat vernieuwing in de zorg komt. Echter de inkoop van innovatieve zorg is meestal niet landelijk georganiseerd, maar regionaal of lokaal bijvoorbeeld door verzekeraars en gemeenten.
Is het u bekend dat er verschillende handvatten voor zorgvernieuwers, zoals websites als watwildezorgverzekeraar.nl, zorgvoorinnoveren.nl en innovatieroutesindezorg.nl bestaan? Is er een mate van overlapping tussen deze platforms en is hier overeenstemming over?
Deze initiatieven en bijbehorende websites zijn mij bekend. Ze zijn gericht op ondersteuning en kennisdeling ten behoeve van innovatie in de zorg. Zorgvoorinnoveren.nl is een samenwerking tussen VWS, ZonMw, NZa en het Zorginstituut Nederland. De verschillende websites zijn ontwikkeld vanuit het eigen perspectief van de initiatiefnemers. Dit neemt niet weg dat er, mede op initiatief door Zorg voor Innoveren, afstemming en overleg plaatsvindt om gebruik te maken van de inhoud van de websites, naar elkaar te kunnen doorverwijzen en dubbelingen te voorkomen.
Het verstrekken van persoonsgegevens van niet-kerkgangers aan SILA |
|
Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie (SILA) persoonsgegevens opvraagt – en krijgt – van niet-kerkleden?
De SILA krijgt alleen persoonsgegevens verstrekt uit de Basisregistratie Personen (BRP) van ingezetenen die behoren tot één van de bij de SILA aangesloten kerkgenootschappen of andere genootschappen op geestelijke grondslag.
Welke voorwaarden worden gesteld aan het plaatsen van een «SILA-stip» in de Basisregistratie personen (BRP)? In welk percentage van de gevallen lukt dat niet, en wat zijn daarvan de redenen?
De «SILA-stip» (de technische term in de BRP is afnemersindicatie) wordt alleen geplaatst als de betreffende ingeschrevene behoort tot één van de bij de SILA aangesloten kerkgenootschappen of andere genootschappen op geestelijke grondslag, en de persoonsgegevens van die ingeschrevene voorkomen in de ledenadministratie van het betreffende genootschap, en de betrokkene geen bezwaar gemaakt heeft bij de SILA of het betreffende genootschap omtrent verstrekking van gegevens uit de BRP.
De afnemersindicatie wordt ook niet geplaatst als de ingeschrevene een verzoek heeft gedaan bij de verantwoordelijke voor de bijhouding van de BRP tot beperking van verstrekking van de betreffende gegevens aan de SILA. Op de persoonslijst is dan een aantekening geplaatst door het college van b&w of de Minister omtrent een verstrekkingsbeperking.
Ook wordt de afnemersindicatie niet bij de persoonslijst opgenomen als de persoon niet langer als ingezetene in de BRP is ingeschreven.
Hoe kan, sinds de afschaffing van de kerkelijke gezindte in de gemeentelijke basisadministratie, door de overheid gecontroleerd worden of een persoon kerklid is wanneer SILA persoonsgegevens wil verkrijgen?
Bij de totstandkoming van de Wet GBA is ervoor gekozen om de kerkelijke gezindte niet meer te registreren in de bevolkingsadministratie, en dus is geen vorm van controle door de overheid meer mogelijk. In de administratie van de SILA worden uitsluitend personen geregistreerd die door één van de aangesloten kerkgenootschappen of andere genootschappen op geestelijke grondslag zijn aangemeld en waarvan de persoonsgegevens voorkomen in ledenadministratie van het kerkgenootschap of ander genootschap op geestelijke grondslag en de betrokkene geen bezwaar gemaakt heeft bij de SILA of het betreffende genootschap omtrent verstrekking van gegevens uit de BRP.
Waarom worden in het kader van het bijhouden van de kerkelijke ledenadministratie behalve het adres ook het geslacht en de burgerlijke staat verstrekt aan SILA? Bestaat voor dergelijke gegevens niet nog minder noodzaak tot verstrekking daar zij niet nodig zijn voor het na een verhuizing contact te kunnen leggen met een (verondersteld) kerklid?
Verstrekking van gegevens over het geslacht is geen onderdeel van de autorisatie voor verstrekking vanuit de BRP en wordt derhalve niet verstrekt aan de SILA. De burgerlijke staat – in de zin van welke soort relatie iemand heeft – wordt ook niet verstrekt. Alleen de begin- of einddatum van de burgerlijke staat wordt verstrekt. De verstrekking van deze gegevens is nodig in het kader van een correct naamgebruik van de betreffende personen.
Is het een wettelijk vereiste dat personen bij SILA en kerkgemeenschappen die de verstrekte persoonsgegevens verwerken een geheimhoudingsverklaring ondertekenen? Zo ja, waar is dit geregeld en hoe wordt hierop gehandhaafd? Zo nee, welke toegevoegde waarde zou een dergelijke verklaring kunnen hebben?
Nee, en dat is niet nodig. Personen die de verstrekte persoonsgegevens verwerken zijn automatisch verplicht tot geheimhouding op grond van artikel 12, tweede lid, van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp).
Met de centrale bureaus van de aangesloten kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag zijn bindende afspraken gemaakt over het gebruik van de persoonsgegevens. De lokale kerkleden-administrateurs werken aan de hand van instructies die tot stand zijn gekomen op grond van een zeer strikte naleving van de privacywetgeving.
Bent u bereid te onderzoeken welk percentage van de registraties door het SILA onterecht is in de zin dat er verstrekkingen van persoonsgegevens vanuit de BRP via het SILA aan een kerkgenootschap plaatsvinden, zonder dat betreffend persoon op de hoogte is van het feit dat de kerk gegevens over hem of haar verzamelt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie daar geen aanleiding toe. Aanvullend op mijn antwoord bij vraag 2 zijn kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag verplicht om hun leden te informeren als ze hun ledenadministratie delen met de SILA.
Daarnaast is geregeld in bijlage 4 bij het Besluit BRP dat personen over wie gegevens door de SILA worden verwerkt, door de SILA worden geïnformeerd dat zij schriftelijk aan de SILA kunnen verzoeken de verwerking van hun gegevens te beëindigen.
In hoeverre wordt de plicht voor gemeenten om passende maatregelen te nemen om ten minste eens per jaar aan de ingezetenen het recht onder de aandacht te brengen om de verstrekking van persoonsgegevens te beperken? Wordt hiertoe vooral gebruik gemaakt van het minimum van één dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad of vinden dergelijke bekendmakingen bredere en actievere wijze plaats? Worden best-practices hieromtrent actief via uw ministerie of de VNG verspreid?
Colleges van b&w hebben op grond van artikel 3.21, vijfde lid, van de Wet BRP de verplichting om ten minste eens per jaar aan de ingezetenen bekend te maken dat zij het recht hebben om de verstrekking van gegevens aan derden, waaronder de SILA, te beperken. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om hieraan te voldoen. Daarnaast heeft de SILA een website over haar doelstelling, verwerking van de persoonsgegevens en tevens informatie over aan- en afmelden als geregistreerde.
Bent u inmiddels bereid SILA te schrappen als derde aan wie persoonsgegevens uit het GBA verstrekt kunnen worden? Zo nee, bent u bereid over te stappen van opt-out naar opt-in voor gegevensverstrekking aan SILA?
Nee, en ik zie geen aanleiding om de huidige mogelijkheden zoals geregeld voor de BRP aan te passen in een opt-in systeem, waarbij de automatische verstrekking wordt vervangen door een vorm van expliciete toestemming vooraf door de betrokken burgers. Het past niet bij de opzet en het doelmatig gebruik van de BRP. Dit heb ik toegelicht in de brief aan de Tweede Kamer van 3 juli 20131. Personen hebben de mogelijkheid om bepaalde verstrekkingen van persoonsgegevens tegen te houden door een verzoek hiertoe te doen bij het voor de bijhouding verantwoordelijke college van b&w of de Minister. Wat betreft de SILA kan de verstrekking ook worden tegengehouden door dat aan te geven bij de SILA of het eigen kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag.
Het bericht ‘Vijfsterren verpleeghuis in Bavel’ |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er een vijfsterren verpleeghuis in Bavel komt?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht «vijfsterren verpleeghuis in Bavel». In de Wlz is een gelijk recht op verantwoorde en kwalitatief goede zorg vastgelegd voor iedereen die op de Wlz is aangewezen. Het staat cliënten vrij om afspraken te maken over aanvullende diensten en die dan zelf te betalen. Zij kunnen bovendien op grond van de Wlz er voor kiezen om het verblijf zelf te regelen en te bekostigen. Dit laat onverlet dat er voor iedereen zorg met voldoende aandacht en goed opgeleid personeel bereikbaar moet zijn, ongeacht de grootte van zijn of haar portemonnee. Het genoemde initiatief doet daar niets aan af.
Bent u het er mee eens dat hier sprake is van klassenzorg voor rijken en ondermaatse reguliere zorg voor mensen die het niet zelf kunnen betalen, wat bestreden moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat dit soort initiatieven ontstaan bij de gratie van ondermaatse reguliere zorg of ontbrekende toegang tot reguliere zorg? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat een plekje in het verpleeghuis € 8.000 per maand kost, waarvan de overheid meer dan de helft betaalt? Vindt u dat dit mogelijk moet worden gemaakt vanuit de collectiviteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het bedrijf Martha Flora, waarin u aangaf dat met name cliënten met een persoonsgebonden budget (pgb) kiezen voor het concept van Martha Flora; en dat ook in het Martha Flora-verpleeghuis in Bavel vooral mensen met een pgb hun intrek zullen nemen? Wat is uw oordeel hierover? Vindt u dat dergelijke zorg uit het pgb-budget betaald moet worden?
Cliënten die opteren voor de leveringsvorm van het pgb kiezen er voor om in een door hen zelf gekozen woonomgeving te verblijven en die ook zelf te betalen. Het pgb is bedoeld om Wlz-verzekerde zorg in te kopen waar de cliënt op is aangewezen. Dit kan ook in een instelling zoals in de vraag bedoeld.
Hoe gaat u uitholling van de reguliere zorg voorkomen als dit soort private huizen hand over hand toeneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kwalitatief goede zorg moet voor een ieder toegankelijk zijn, ongeacht de grootte van de portemonnee. Het organiseren van extra zorg, bovenop de reguliere zorg vanuit de collectieve middelen, staat deze visie niet in de weg. Daarnaast houdt de Inspectie voor de Gezondheidszorg voortdurend toezicht op de kwaliteit van zorg.
Worden de Martha Flora-verpleeghuizen toegelaten via de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi)? Zo nee, deelt u de mening dat dit wel zou moeten? Zo ja, waarom kan men in die huizen dan niet terecht voor zorg in natura? Ontstaat op deze wijze niet een tweedeling en ongewenste tegenstelling tussen mensen met en zonder een pgb?
Martha Flora heeft geen Wtzi-toelating aangevraagd. Voor het leveren van Wlz-verzekerde zorg aan budgethouders is dit ook niet vereist. Het staat instellingen vrij om zich alleen te richten op pgb-houders en geen afspraken te maken met zorgkantoren over de levering van zorg in natura. De genoemde tweedeling zie ik niet ontstaan, omdat de Wlz een gelijk recht op zorg garandeert voor iedereen die daarop is aangewezen.
Klopt het dat er in Bavel op dit moment een woningtekort is voor ouderen die geen grote portemonnee hebben, en dat zij gedwongen zijn te verhuizen naar een ander dorp?
Het is de verantwoordelijkheid van corporaties en gemeenten om hierin te voorzien.
Zijn het de ouderen van Bavel die met deze zorgvorm verder zijn geholpen?
Het zorgkantoor in de betreffende regio is verplicht om Wlz-cliënten te bemiddelen naar een passend zorgaanbod. Er hebben mij geen signalen bereikt dat in deze regio een capaciteitstekort zou zijn.
Herinnert u zich dat u in antwoord op eerdere vragen over het bedrijf Martha Flora aangaf dat zorg met voldoende aandacht voor de bewoners en voldoende en goed opgeleid personeel voor iedereen bereikbaar moet zijn, ongeacht de grootte van zijn of haar portemonnee, maar dat een extra bijdrage van € 3.750 per maand voor veel mensen niet op te brengen is? Deelt u de mening dat het hier gaat om klassenzorg voor de rijken? Deelt u vervolgens de mening dat hiermee een stap naar tweedeling wordt gezet? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie het antwoord op de vragen 1–4, 5 en 7.
De internetverkoop van de NIPT |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de website bloedwaardentest.nl? Is u bekend dat de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) via deze website wordt verkocht?1
Ja, ik ken deze website. En ja, dat is mij bekend.
Kunt u aangeven sinds wanneer de NIPT online te koop wordt aangeboden? Hoeveel NIP-testen zijn inmiddels verkocht?
Ik heb niet de beschikking over verkoopcijfers en andere verkoopinformatie van deze organisatie.
Deelt u de mening dat bij online verkoop van de NIPT geen sprake is van goede voorlichting en begeleiding van zwangere vrouwen?
Ik ben niet bekend met de wijze van voorlichting en begeleiding door deze organisatie, dus ik kan dat niet beoordelen. In Nederland hebben we allerlei waarborgen voor de kwaliteit van de uitvoering van WBO-vergunningplichtig onderzoek, waaronder goede counseling en begeleiding. Ik hecht daar aan.
Hoe beoordeelt u de online verkoop van de NIPT in relatie tot uw beleid om de NIPT alleen aan te bieden aan een specifieke groep zwangere vrouwen in acht universitaire medische centra in het kader van de TRIDENT-studie?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen over het aanbieden van de NIPT, waarin u stelde dat «Nederlandse zorgaanbieders die samenwerken met buitenlandse laboratoria mogelijk de Wet op het bevolkingsonderzoek (Wbo) overtreden»? Deelt u de mening dat het aanbieden van de NIPT buiten de universitaire medische centra illegaal is? Zo nee, waarom niet?2
Ja, deze antwoorden herinner ik mij. Indien sprake is van aanbod in de zin van de WBO, dan valt dit aanbod onder de reikwijdte van deze wet. De IGZ toetst of ook daadwerkelijk sprake is van overtreding van de WBO. De website bloedwaardentest.nl is dan ook gemeld bij de IGZ als mogelijke overtreding. In haar onderzoek neemt IGZ ook de relatie met U-Diagnostics mee.
Kunt u bevestigen dat bloedwaardentest.nl en U-Diagnostics, het laboratorium waar het bloed van zwangere vrouwen wordt afgenomen ten behoeve van de NIPT, de Wbo overtreden? Bent u voornemens handhavend op te treden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven wat de banden zijn tussen het Universitair Medisch Centrum in Utrecht en U-Diagnostics?
Of er een link is tussen het UMCU en U-Diagnostics inzake NIPT, zal uit het onderzoek van de IGZ moeten blijken.
Kunt u aangeven op hoeveel plaatsen in Nederland – buiten de universitaire medische centra – bloed wordt afgenomen ten behoeve van de NIPT? Is u bekend hoeveel vrouwen in Nederland inmiddels bloed hebben afgestaan voor de NIPT door Gendia?
Over deze zaken zijn bij mij geen officiële gegevens bekend. Ik zie op dit moment ook geen reden om deze gegevens in kaart te brengen.
Heeft u enig idee van de omvang van de omzet en winst voor de industrie, waaronder fabrikanten en laboratoria, bij het grootschalig aanbieden van de NIPT? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Zie antwoord vraag 8.
Vindt u ook dat de website bijdraagt aan het stigmatiseren van mensen met het syndroom van Down?
De website geeft zo weinig informatie over de aandoeningen waarnaar met de NIPT kan worden gezocht, dat van stigmatisering eigenlijk geen sprake is.
Bent u voornemens de online verkoop van de NIPT stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
De website bloedwaardentest.nl is bij de IGZ gemeld als mogelijke overtreding van de WBO. Ik wacht de uitkomst van het onderzoek van de IGZ over deze melding af.
Fraude met emissiesoftware door Volkswagen |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Wilma Mansveld (PvdA) |
|
|
|
|
In hoeverre wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (op het onderdeel NOx) ondermijnd door de uitstootfraude in de auto-industrie en wat gaat u hier aan doen?1
Het luchtkwaliteitbeleid hoeft naar aanleiding van de softwarefraude bij Volkswagen niet te worden aangepast. De beleidskeuzen daarvoor worden namelijk gebaseerd op modellen waaraan gemeten NOx-emissies van de auto’s op de weg onder praktijkomstandigheden ten grondslag liggen. Hierbij is grotendeels al meegenomen dat de praktijk NOx-uitstoot van dieselauto’s flink hoger is dan de norm. De laatste inzichten in praktijkemissies zoals op 6 juli gedeeld met uw Kamer zullen nog wel verwerkt moeten worden in deze modellen. Dit loopt mee met de jaarlijkse update die rond maart volgend jaar beschikbaar komt. De tegenvallende prestaties van de dieselauto’s zorgen ervoor dat er meer werk moet worden verzet om de normen te halen, omdat er vooral in de grote steden nog hardnekkige knelpunten zijn. In het kader van het Actieplan Lucht kijk ik samen met de steden welke extra maatregelen er nodig zijn om de normen te halen én om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Uw Kamer wordt hierover in november geïnformeerd.
In hoeverre wordt de Programmatische Aanpak Stikstof (en in het bijzonder de aannames in het model Aerius) ondermijnd door de uitstootfraude in de auto-industrie en wat gaat u hier aan doen?
In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en in AERIUS is gebruik gemaakt van emissiefactoren gebaseerd op gemeten NOx-emissies van auto’s op de weg onder praktijkomstandigheden. Dit betekent dat de hogere uitstoot is meegenomen in de berekeningen van de ontwikkelingen van stikstofdeposities.
De tegenvallende prestaties van dieselauto’s zorgen ervoor dat de daling van de stikstofdeposities als gevolg van het wegverkeer iets minder groot is dan wanneer aan de normen zou zijn voldaan. In de PAS is hier al rekening mee gehouden.
Het bericht dat de NAM bij de gaswinning in Groningen gebruik maakt van de omstreden techniek fracking |
|
Jan Vos (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de NAM voornemens is middels fracking de laatste restjes gas onder de put bij Roodehaan/Saaksum omhoog te krijgen?1
Ja.
Wat zijn de risico’s voor de omgeving van het gebruik van de omstreden fracking-techniek bij gaswinning?
Naar aanleiding van het voornemen van NAM om bij Saaksum te gaan fracken, heb ik op 18 september 2015 vragen van uw Kamer beantwoord. In die beantwoording heb ik aangegeven dat het hier niet om een nieuw winningsplan gaat, dat de werkzaamheden (stimuleren van de gasproductie) binnen het huidige winningsplan vallen en dat het niet gaat om het boren van een nieuwe put, maar om het optimaliseren van de bestaande productie door middel van fracken. Fracken is hier, anders dan bij de winning van schaliegas, niet de methodiek van winning, maar één van de methodieken om een teruglopende of tegenvallende winning te verbeteren.
Voor conventioneel fracken is één kortdurende behandeling meestal toereikend om de gasproductie op gang te brengen (of te houden). Bij schaliegaswinning zijn er per boring meerdere behandelingen nodig. De kans op aardbevingen bij conventioneel fracken is klein. In de afgelopen 50 jaar zijn in Nederland meer dan 220 fracks uitgevoerd. Hierbij zijn geen voelbare bevingen geconstateerd.
Alle activiteiten bij de uitvoering van diepboringen zijn onderworpen aan regels om risico’s te identificeren, te evalueren en te beheersen. Dat geldt ook voor de uitvoering van hydraulische stimulatiebehandelingen (frackbehandeling). Het instrument dat voor risicoidentificatie en -beheersing wordt gebruikt is het «veiligheids- en gezondheidsdocument», dat op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt opgesteld. In dit document worden niet alleen de mogelijke risico’s voor werknemers in kaart gebracht, maar ook voor de omgeving. Het «veiligheids- en gezondheidsdocument» wordt samen met het werkprogramma bij Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) ingediend. Daarnaast zijn er wettelijke verplichtingen gesteld voor de bescherming van de omgeving in het Besluit Algemene Regel Milieu Mijnbouw, waarbij via een melding wordt aangegeven hoe daar invulling aan wordt gegeven. SodM toetst deze documenten in samenhang of de onderkende risico’s afdoende worden beheerst. Alleen als aan de eisen wordt voldaan mag de activiteit (zoals een frackbehandeling) worden uitgevoerd. SodM inspecteert de naleving op locatie.
Is er een gedegen risicoanalyse gemaakt voordat er wordt gefrackt bij Roodehaan/Saaksum?
Voordat er wordt gefrackt bij Saaksum worden de risico’s geanalyseerd op de manier die in het antwoord op vraag 2 is beschreven. Op dit moment is de beoordelingsprocedure nog gaande. Alleen als aan de eisen wordt voldaan mag de frackbehandeling worden uitgevoerd.
Zijn er alternatieven beschikbaar voor het fracken om de laatste resten gas uit een gasveld te winnen?
Er bestaan verschillende methoden om de opbrengst uit een gasveld te optimaliseren, waarbij de soort techniek die toegepast kan worden afhankelijk is van de soort reservoir. Voor gesteente met een relatief lage permeabiliteit (doorlaatbaarheid), zoals in het Saaksum-veld, is er momenteel geen alternatieve methode (anders dan fracking) beschikbaar om de laatste resten gas uit de bestaande putten te winnen.
Bent u er bekend mee dat de gemeenteraden van De Marne, Zuidhorn en Winsum en provinciale staten van Groningen hebben uitgesproken niet te willen dat de NAM fracking toepast bij de gaswinning?
Ja, ik heb hier brieven vanuit de provincie en gemeenten ontvangen.
Heeft de NAM overleg gehad met de betrokken gemeenten en de provincie over het voornemen over te gaan tot fracking?
Ja. NAM heeft vanaf december 2014 overleg gevoerd met betrokken gemeenten en provincie over de gaswinning uit het Saaksum-veld. Zo zijn er gesprekken gevoerd met de bestuurders van de gemeenten De Marne, Zuidhorn en Winsum. Tevens is een gesprek gevoerd met het Waterbedrijf Groningen. Verder is er met de dorpsraden van Saaksum, Schouwerzijl, Warfhuizen/Roodehaan gesproken en is er een uitgebreide lijst met vragen van Dorpsbelangen Schouwerzijl beantwoord. Ook is de provincie Groningen geïnformeerd. Verder is er op 1 juli 2015 een informatiebijeenkomst georganiseerd voor omwonenden.
Bent u bereid met de NAM in gesprek te gaan over het gebruik van de techniek fracken?
Mijn ministerie voert regulier overleg met de NAM over de activiteiten van de NAM. Ten aanzien van de aanstaande werkzaamheden zie ik echter geen reden en geen mogelijkheid om NAM te verzoeken deze niet uit te voeren, zoals hier voor aangegeven is dit een veilige manier om de put te stimuleren en dit wordt reeds jaren gedaan in Nederland.
Het ontmoedigen van asielzoekers om naar ons land te komen |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «België ontmoedigt vluchtelingen via Facebook»?1
Ja.
In hoeverre begrijpt u dat ontmoediging, als onderdeel van het beleid, kan bijdragen aan het verminderen van de instroom van asielzoekers?
Het kabinet acht het van belang om juiste en volledige informatie te verstrekken over het asielproces en de verwachtingen die mensen daarover mogen hebben.
Zo moet onder meer ook de recente informatieverstrekking worden gezien aan asielzoekers over de opgelopen doorlooptijden en de sobere vormen van opvang in Nederland.
Dit heeft als doel om de verwachtingen van asielzoekers (en potentiele asielzoekers) in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Onjuiste beelden en verwachtingen kunnen potentieel een ongewenst effect hebben op de migratiestroom, zowel voor het ontvangende land als ook voor de migrant zelf.
Bent u inmiddels bereid, in navolging van de Denen en nu ook de Belgen, u in te zetten op de ontmoediging van asielzoekers naar Nederland te komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, behalve via een eventuele informatiecampagne. ook te ontmoedigen via het korten op toelages en het wegnemen van voorrangsregelingen voor vergunninghouders (asielzoekers met status) bij het verkrijgen van huisvesting? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend is, werkt het kabinet samen met gemeenten, provincies en woningcorporaties aan structurele oplossingen door mogelijk te maken dat sobere woonruimte en andere voorzieningen als bijstand in natura worden verstrekt, leidend tot een leefgeld dat lager is dan de bijstandsuitkering. Dit wordt vorm gegeven in de zogenoemde huisvestingsvoorziening. De Huisvestingswet zal in dat verband worden gewijzigd om de voorrangspositie voor vergunninghouders te laten vervallen.
Primair zijn deze maatregelen erop gericht voldoende woonruimte vrij te maken voor de grote groep vergunninghouders in de COA-opvang en niet op ontmoediging. Dat neemt niet weg dat het ook hier van belang is feitelijk juiste informatie te verstrekken om te voorkomen dat er onjuiste beelden bestaan over de situatie na vergunningverlening in Nederland.
Wat is het maximum aantal asielzoekers dat Nederland volgens u kan opvangen?
Het verbeteren van de opvang in de regio is voor het kabinet één van de manieren om de migratie richting de Europese Unie aan te pakken. Dat heb ik nader toegelicht in mijn brief van 8 september jl. aan uw Kamer (Kamerstuk 19 637, nr. 2030) en hierover heb ik ook meermaals met uw Kamer van gedachten gewisseld. Totdat een verbetering van de opvang in de regio is gerealiseerd, blijft de realiteit dat er ook vluchtelingen zijn, die na een bepaalde periode constateren dat er in de opvangplekken in de regio geen perspectief voor hen en hun gezin bestaat om een duurzaam bestaan op te bouwen, en vervolgens doorreizen naar elders, in dit geval Europa. In dat geval is Nederland gehouden om op grond van internationale verplichtingen bescherming te bieden aan die asielzoekers die bescherming tegen vervolging of onmenselijk behandeling behoeven, tenzij een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Dat is een uitgangspunt waar dit kabinet voor staat. Het maximeren van het aantal personen aan wie de vereiste bescherming wordt geboden, past niet binnen dat uitgangspunt.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Raad van Ministers van de EU-lidstaten (hierna: Raad) van mening is dat de Europese Ombudsman niet bevoegd is om onderzoek te doen naar de transparantie van trilogen tussen EC, EP en ER?1
Ja.
Wat is de onderbouwing van deze reactie van de Raad, en wat is uw opvatting over deze stellingname? Welke positie heeft Nederland hierin ingenomen?
Het document zoals gepubliceerd op Statewatch (document 11873/15) is in Raadsverband niet besproken. Op 29 oktober jl. stond de officiële reactie (13281/15) van de Raad geagendeerd. Nederland is akkoord gegaan met de reactie. Binnen de Raad leven vragen over de reikwijdte van het onderzoek van de Europese ombudsman in het licht van de argumenten voor het vermoeden van wanbeheer bij trilogen. Nederland heeft begrip voor deze afwegingen. Ook voor Nederland geldt dat artikel 228 van het EU-Werkingsverdrag en het statuut van de Europese Ombudsman leidend zijn voor de bevoegdheden van de ombudsman. Om deze reden kon Nederland instemmen met de reactie zoals voorgesteld door het huidige voorzitterschap. Ook hebben zowel het Europees parlement als de Europese Commissie langs dezelfde lijn gereageerd.
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat transparantie met betrekking tot trilogen verbeterd kan worden. Dit heeft Nederland dan ook actief naar voren gebracht in raadsverband bij de behandeling van de reactie.
Deelt u de mening dat het in het belang van de Europese burger en het democratische proces is dat de trilogen, waar op Europees niveau zeer gewichtige politieke deals worden gesloten, transparanter kunnen en moeten worden? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Het kabinet hecht grote waarde aan transparantie binnen het Europese besluitvormingsproces en draagt dit binnen de Europese Unie actief uit. Zo heeft het kabinet het initiatief genomen om met Denemarken, Estland, Finland, Slovenië en Zweden een gezamenlijk non-paper op te stellen om de transparantie binnen het Europese besluitvormingsproces binnen de Raad onder de aandacht te brengen en te verbeteren. In dit non-paper wordt ook speciale aandacht geschonken aan het vergroten van de transparantie met betrekking tot trilogen. Dit non-paper is op 26 juni 2015 aan uw Kamer gestuurd (zie Kamerstuk: 21501-02-1512). Hoewel de marges beperkt zijn, blijft Nederland zich samen en in overleg met de bovengenoemde lidstaten, binnen de Raad inzetten voor meer transparantie.
Deelt u de mening dat de Europese Ombudsman, die juist tot voorname taak heeft om het Europees bestuur te kunnen onderzoeken op goed bestuur, waaronder de openbaarheid van documenten en correspondentie met burgers, onbetwist bevoegd zou moeten zijn om de transparantie van het instrument van de trilogen te onderzoeken? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Met betrekking tot de bevoegdheden van de ombudsman, zijn artikel 228 van het EU-Werkingsverdrag en het statuut van de Europese Ombudsman leidend. De ombudsman kan op eigen initiatief dan wel naar aanleiding van een klacht een onderzoek starten naar mogelijk wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer ontdekt, kan hij aanbevelingen doen om dit te verhelpen.
Bent u bereid namens Nederland alsnog sterk aan te dringen op volledige instemming en coöperatie met het onderzoek van de Europese Ombudsman? Zo ja, op welke wijze kunt u dit signaal overbrengen? Kunt u het verdere proces van dit onderzoek van de Europese Ombudsman schetsen en aangeven hoe dit nu verder zal gaan?
Op maandag 28 september is de Europese Ombudsman in haar openingsspeech van het door haar georganiseerde evenement «Trilogues and transparent law-making» kort ingegaan op het traject van het onderzoek. Aangegeven is dat het onderzoek zich in een vroeg stadium begeeft. De drie Europese instellingen zijn benaderd met de vraag om mee te werken aan het onderzoek. Deze reacties en gegevens van de instellingen op het verzoek worden door de ombudsman als onderdeel gezien van een bredere «mapping exercise». Een exercitie, voorafgaand aan een publieke consultatie, om een overzicht te verkrijgen van de noodzakelijke documenten gerelateerd aan trilogen. Voor de positie van Nederland verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u tevens uiteenzetten hoe dit standpunt van de Raad zich verhoudt tot het recente pakket voor Betere Regelgeving van de Europese Commissie, een uitgebreide agenda voor het transparanter en beter maken van Europese regelgeving? Op welke wijze zouden de uitkomsten van het onderzoek van de Europese Ombudsman over trilogen juist mooi in het verlengde van de uitvoering van dat pakket kunnen liggen?
Nederland is voorstander van een ambitieuze Europese agenda voor betere regelgeving. Nederland zou graag zien dat ten aanzien van transparantie in het Europese besluitvormingsproces voortgang wordt geboekt (zie Kamerstuk 22 112 nr 1984). Nederland heeft in de standpuntbepaling van de Raad steeds benadrukt dat transparantie beter moet worden vastgelegd in het IIA en zal zich daarvoor blijven inzetten in samenwerking met andere gelijkgezinde lidstaten. Op het moment dat de resultaten van het onderzoek openbaar zijn, kan worden bezien hoe deze kunnen worden betrokken bij de uitvoering van het pakket voor betere regelgeving.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg over de Raad Algemene Zaken voorzien op 8 oktober aanstaande?
Hierbij doe ik u de beantwoording zo spoedig mogelijk toekomen na de behandeling van het verzoek van de ombudsman in raadsverband.
De rol van banken bij faillissementen |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «banken namen veiligheidsrisico»?1
Ja.
Het krantenbericht betreft het recente faillissement van een aantal Imtech-vennootschappen (hierna: Imtech). Ter voorkoming van misverstanden merk ik op dat ik bij de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vragen geen vaststellingen doe over de feitelijke gang van zaken rond het faillissement van Imtech. Ik geef hier ook geen oordeel over dat specifieke geval. Deze taak is voorbehouden aan de rechter mocht hij hierom worden gevraagd. Ik zal wel in algemene zin een toelichting geven naar aanleiding van de gestelde vragen.
De curatoren wijzen op de gebrekkige informatieverschaffing vanuit Imtech en De Brauw; komt dit vaker voor bij het failleren van een (beursgenoteerde) onderneming?
Het krantenbericht wijst erop dat de curatoren van Imtech in hun eerste openbare verslag kritisch zijn over de informatieverschaffing aan de (beoogd) curatoren door Imtech en haar juridisch adviseur (De Brauw Blackstone Westbroek) in de aanloop naar de faillietverklaring en in de eerste fase van het faillissement. In het genoemde krantenbericht wordt gesteld dat de werkzaamheden van de curatoren werden bemoeilijkt doordat zij onvoldoende werden geïnformeerd.
Op grond van artikel 105 Faillissementswet (hierna: Fw) is de schuldenaar (de failliete vennootschap) ten behoeve van een goed verloop van het faillissement verplicht alle inlichtingen te verschaffen onder andere aan de curator. Schending van de inlichtingenplicht kan zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk worden aangepakt (zie onder meer artikel 194 Wetboek van Strafrecht en artikel 87 Fw).
Voorafgaand aan het faillissement van Imtech is een in de praktijk ontwikkelde methode (ook wel aangeduid met de term «pre-pack») toegepast waarbij de rechtbank kort voor de faillietverklaring op verzoek van het bestuur al aanwijst wie curator wordt. Bedoeling is dat het bestuur hiermee de gelegenheid krijgt om het faillissement, en een eventuele doorstart, in relatieve rust met betrokkenheid van de beoogd curator voor te bereiden. Uiteraard slaagt dit alleen als de beoogd curator in de voorbereidingsfase goed wordt geïnformeerd. In dit verband wordt gewezen op het op 4 juli jl. bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel voor de Wet continuïteit ondernemingen I (Kamerstuk 34 218), hierna te noemen: WCO I. In dit wetsvoorstel is een artikel 364 Fw opgenomen, op grond waarvan de schuldenaar verplicht is om gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verschaffen aan de beoogd curator die deze nodig heeft of waarvan de schuldenaar behoort te begrijpen dat deze in dat kader van belang zijn.
Is stille bewindvoering (pre-pack) voldoende toegerust om voor een goede afwikkeling te zorgen bij beursgenoteerde bedrijven? Worden alle belanghebbenden, zoals naast banken ook werknemers en toeleveranciers, voldoende beschermd en gediend?
De «pre-pack» methode waarbij kort voor de faillietverklaring een beoogd curator wordt aangewezen, heeft tot doel om bij een eventueel faillissement van de onderneming beter voorbereid te zijn en, indien aan de orde, de kansen op een verkoop en doorstart van de bedrijfsactiviteiten tegen een zo hoog mogelijke prijs en met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid te vergroten. De faillietverklaring van een onderneming leidt er in de praktijk namelijk vaak toe dat er een onoverzichtelijke situatie ontstaat waarin er onvoldoende tijd is voor een goede voorbereiding van een doorstart of de tijdelijke continuering van de onderneming in faillissement om schade bij betrokkenen te beperken. De «pre-pack» methode is in de praktijk ontstaan en berust op dit moment niet op een uitdrukkelijke wettelijke basis. Zoals gezegd beoogt de WCO I de «pre-pack» methode alsnog wettelijk te regelen. De aanwijzing van een beoogd curator leidt een stille voorbereidingsfase in. De WCO I bevat regels die er onder andere op gericht zijn te waarborgen dat de belangen van de verschillende betrokkenen tijdens die fase afdoende worden beschermd. Zo krijgt de beoogd curator expliciet tot taak om erop toe te zien dat bij de voorbereiding van het faillissement en de eventuele doorstart recht wordt gedaan aan de belangen van de crediteuren en werknemers. Het voorgestelde artikel 363, vierde lid, Fw bepaalt dat de rechtbank aan de aanwijzing van de beoogd curator voorwaarden kan verbinden ter behartiging van de belangen van de werknemers van de schuldenaar.
In de huidige praktijk kan de stille voorbereidingsfase gebruikt worden voor zowel beursgenoteerde ondernemingen als niet-beursgenoteerde ondernemingen. Ook de WCO I maakt op dit punt geen onderscheid. In het krantenbericht wordt de vraag opgeworpen hoe de «pre-pack» methode zich verhoudt tot de verplichting voor een beursgenoteerde onderneming om koersgevoelige informatie te publiceren. Wat dat betreft wordt aangesloten bij de reeds bestaande regelgeving op dit punt (zie artikel 5:25i, tweede tot en met vierde lid van de Wet op het financieel toezicht en het daarop gebaseerde Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft). Op basis van deze regelgeving kan een onderneming de publicatie van koersgevoelige informatie in bepaalde gevallen uitstellen indien daarbij een rechtmatig belang is gediend. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van dat Besluit komt erop neer dat het verstrekken van informatie in bepaalde situaties kan worden uitgesteld wanneer daarmee wordt voorkomen dat «de uitkomst of het normale verloop van onderhandelingen» – over bijvoorbeeld de overdracht van bedrijfsactiviteiten – wordt beïnvloed.
De curatoren geven aan door banken verrast te zijn; kunt u aangeven of de gang van zaken waarbij curatoren geen volledig inzicht hebben in de acties van betrokken banken tijdens de fase van stille bewindvoering gebruikelijk is?
Wil een stille voorbereidingsfase slagen, dan is het essentieel dat de beoogd curator in die fase goed wordt geïnformeerd. In het antwoord op vraag 2 heb ik reeds opgemerkt dat de WCO I erin voorziet dat, wanneer een beoogd curator wordt betrokken bij de voorbereiding van het faillissement, het bestuur verplicht is om gevraagd en ongevraagd alle informatie te verstrekken die de beoogd curator nodig heeft (artikel 364, derde lid). Daarnaast is bepaald dat de beoogd curator met toestemming van de schuldenaar bij het verkrijgen van inlichtingen derden (dus ook banken) kan bevragen of een deskundige kan vragen onderzoek te verrichten (artikel 364, vierde lid).
Het verslag dat mr. J.R. Hurenkamp begin dit jaar heeft gedaan van zijn analyse van verslagen die in 48 faillissementen werden uitgebracht waarbij sprake was van toepassing van de huidige «pre-pack»praktijk, geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de beoogd curator in de stille voorbereidingsfase vaak onvoldoende geïnformeerd zou zijn.2 In een aantal gevallen, zoals bij het faillissement van de Ardenberg Groep, blijkt uit het verslag van de beoogd curator expliciet dat de bank actief betrokken was en zich tijdens de stille voorbereidingsfase coöperatief heeft opgesteld.3
Is het gebruikelijk dat banken tijdens de fase van pre-pack rekeningen blokkeren? Hoe is te borgen dat medewerkers niet verrast worden, hun werk kunnen doen zonder dat er onverantwoorde situaties ontstaan?
Voor een goede voorbereiding van een doorstart van de onderneming tijdens de stille voorbereidingsfase, is het in de regel nodig dat de onderneming ook tijdens die fase gebruik kan maken van haar betaalrekeningen. Verwacht mag worden dat de bank die rekeningen doorgaans niet zal blokkeren, aangezien de bank veelal zelf ook gebaat is bij een doorstart. Overigens zal de bank bij de uitoefening van contractuele bevoegdheden, waaronder het blokkeren van een betaalrekening, in elk geval haar zorgplicht jegens de schuldenaar in acht moeten nemen en de voor haar als contractspartij op grond van de redelijkheid en billijkheid geldende grenzen, niet mogen overschrijden. Onder omstandigheden is het denkbaar dat de curator derden aanspreekt op grond van onrechtmatige daad ten aanzien van handelingen, verricht voorafgaand aan het faillissement.
De curator zal zich in het faillissement in de eerste plaats naar de belangen van de gezamenlijke schuldeisers moeten richten, maar hij dient bij zijn taakvervulling ook de verschillende maatschappelijke belangen in aanmerking te nemen.4 Hetzelfde geldt – zowel in de huidige «pre-pack»praktijk als straks op basis van de WCO I – voor de beoogd curator in de stille voorbereidingsfase. Dit brengt mee dat hij binnen de grenzen van zijn bevoegdheden die maatregelen zal dienen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat er door een faillissement onverantwoorde situaties ontstaan. Het type maatregel is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit verband wijs ik op het eerste verslag van de curator inzake het faillissement van vier GSH-vennootschappen die verantwoordelijk waren voor het installeren en onderhouden van technische installaties in gebouwen. In dat verslag wordt vermeld dat de curator ervoor zorgde dat een viertal personeelsleden na aanvang van het faillissement nog een periode stand-by heeft gestaan om te voorkomen dat schade zou ontstaan doordat niet gereageerd zou worden op kritieke storingen. Het betrof daar storingen waarbij de veiligheid of gezondheid in het geding zou kunnen komen.5
Banken zouden buiten het zicht van de curatoren een aparte vennootschap hebben opgericht om delen van het bedrijf in onder te brengen voor verkoop, waardoor geen afgewogen afweging kon worden gemaakt met betrekking tot werkgelegenheid, verkoopprijs en continuïteit; komt dit vaker voor?
Het krantenbericht vermeldt dat de curatoren van Imtech naar eigen zeggen in de stille voorbereidingsfase door de handelwijze van Imtech, haar juridisch adviseur en de banken onvoldoende gelegenheid hebben gehad om de diverse mogelijkheden voor een doorstart te overwegen. Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, is het niet aan mij om in te gaan op de gang van zaken rond dit specifieke faillissement. In algemene zin kan ik wel het volgende opmerken.
De stille voorbereidingsfase heeft tot doel om bij een eventueel faillissement beter voorbereid te zijn en de kansen op een verkoop en doorstart van rendabele bedrijfsactiviteiten tegen een zo hoog mogelijke prijs en met behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid te vergroten (zie ook de antwoorden op de vragen 2 en 3). Het beoogde resultaat is dat de uit het faillissement voortvloeiende schade voor de betrokkenen, en in het bijzonder de schade voor de crediteuren en de werknemers, waar mogelijk wordt beperkt. Om dit te laten slagen is essentieel dat de beoogd curator in de voorbereidingsfase goed wordt geïnformeerd over het voorbereidingstraject dat gaande is. Wordt aan een doorstart gewerkt, dan dient de beoogd curator te worden ingelicht over de verschillende opties die in dat kader al wel of nog niet zijn onderzocht. Ook dient de beoogd curator de gelegenheid te krijgen zich hierover een gedegen oordeel te vormen. Uiteindelijk zal hij later in zijn rol als curator in het faillissement moeten beslissen of hij kan meewerken aan de doorstart. Dit zal hij alleen doen als hij ervan overtuigd is dat met de aan hem voorgelegde verkooptransactie het best haalbare resultaat wordt gerealiseerd. In de WCO I is bepaald dat de rechtbank de aanwijzing op verlangen van de beoogd curator kan intrekken (artikel 366, eerste lid). Denkbaar is dat de beoogd curator intrekking van de aanwijzing verlangt wanneer hij van oordeel is dat hij niet goed wordt geïnformeerd.
Beoordeelt u de hierboven geschetste gang van zaken tussen banken en curatoren als wenselijk?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat cruciale functies voor de economie beschermd blijven wanneer bedrijven in financiële moeilijkheden verkeren? Hoe is bijvoorbeeld geregeld dat nutsvoorzieningen in dergelijke situaties blijven functioneren en op welke wijze wordt voorkomen dat risico's ontstaan ten aanzien van bedrijfsactiviteiten door het acuut stopzetten van betalingen?
De bestaande «pre-pack» methode en straks de WCO I kan ook worden toegepast bij een aanstaand faillissement van een bedrijf dat nutsvoorzieningen levert. Doel is dan te voorkomen dat het bedrijf na de faillietverklaring abrupt stilvalt en er veel schade optreedt bij afnemers die plotseling afgesloten raken van een nutsvoorziening. Een voorbeeld van een geval waarbij met de huidige «pre-pack» methode in de semipublieke sector een doorstart werd gerealiseerd, betreft het faillissement van het ziekenhuis Ruwaard van Putten.
Voorts kan ik u ten aanzien van het faillissement van Imtech meedelen dat in de periode voorafgaand aan het faillissement door verschillende ministeries en overheidsdiensten een risico-inventarisatie is gemaakt om de publieke belangen – zo goed als mogelijk – te borgen. De Minister van Economische Zaken heeft uw Kamer hierover recentelijk geïnformeerd in antwoord op vragen van de leden Mulder en Van Helvert.6
In hoeverre kunnen met de voorgenomen wijzigingen van de Faillissementswet, waaronder de Wet versterking positie curator en de Wet continuïteit ondernemingen, bovengenoemde problemen in de toekomst worden voorkomen?
In de antwoorden op de voorgaande vragen ben ik al ingegaan op de mogelijkheden die de WCO I biedt in dit soort faillissementssituaties. Voorts kan ik u melden dat er in het kader van het wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht, waarover u halfjaarlijks wordt geïnformeerd, de nodige maatregelen worden voorgesteld om de positie van de curator te versterken. Zo krijgt hij straks een fraudesignalerende taak die wordt gekoppeld aan een versterking en modernisering van de medewerkings- en inlichtingenplichten van de failliet jegens de curator (Kamerstuk 34 253) en voorziet het inmiddels bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel herziening strafbaarstelling faillissementsfraude in een aangescherpt strafrechtelijk kader ter zake (Kamerstuk 33 994). Voor een beknopt overzicht hiervan verwijs ik u kortheidshalve naar de beide halfjaarlijkse voortgangsrapportages over het programma (Kamerstuk 33 695, nrs. 7 en 8).
Onjuistheden in Nederlandse schoolboeken over Israël |
|
Joël Voordewind (CU), Sjoerd Potters (VVD), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitspraken van opperrabbijn Jacobs, onder meer bij zijn jubileumsymposium op 30 augustus 2015, dat hij grote zorgen heeft over onjuiste informatie over Israël in schoolboeken en de toename van spanningen in de klas bij lessen over de Holocaust en het Midden-Oostenconflict?
Nee, ik had nog niet kennisgenomen van deze specifieke uitspraken. Gelijkluidende signalen zijn mij wel bekend en hierbij neem ik er kennis van dat opperrabbijn Jacobs zijn zorgen heeft uitgesproken.
Hebt u kennisgenomen van meerdere onjuistheden in het katern «Midden-Oosten; honderd jaar brandhaard van de wereldpolitiek» voor vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs) van ThiemeMeulenhoff, zoals de stelling dat Israël is «gegrondvest op onrecht»? Bent u bereid met deze uitgever in gesprek te gaan over correctie van geconstateerde onjuistheden?1
Ja, ik heb kennis genomen van de discussie die is ontstaan over dit themakatern. Wanneer leraren of andere stakeholders eventuele onjuistheden in lesmethodes constateren, dienen zij dat aan te geven bij de desbetreffende uitgevers. Het is niet aan mij om een uitspraak te doen over de inhoud van individuele lesmethodes, dit kunt u ook teruglezen in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Bontes en van Klaveren van 28 september 2015 over dit onderwerp.2 Ik ga dan ook niet in gesprek met de uitgever over een eventuele correctie.
Hebt u kennisgenomen van het boek Taal van Malmberg voor groep 6 van het primair onderwijs, waarin als testvraag ««een ander woord voor druk en opgewekt» wordt gevraagd met als antwoordmogelijkheid «Joods» (naast «rumoerig», «opgewekt» en «statig»). Bent u bereid met de uitgever in gesprek te gaan over correctie van de antwoordmogelijkheden?
Het is niet aan mij om een uitspraak te doen over de inhoud van individuele lesmethodes of de (test)vragen die daar in staan. Uitgevers werken de kerndoelen van het onderwijs verder uit in lesmethodes en doen dat in dialoog met leraren, wetenschappers en andere stakeholders in het onderwijs. Het is in deze professionele dialoog dat eventuele feitelijke onjuistheden en/of subjectief taalgebruik in een individuele lesmethode kunnen worden aangestipt bij de uitgever. Het is mijn ervaring dat uitgevers welwillend tegenover feedback staan en dat zij samen met leraren op een professionele manier in gesprek gaan over de inhoud. Het zijn immers de leraren die een keuze maken of zij een specifieke lesmethode zullen hanteren. Ik zal dan ook niet in gesprek gaan met de uitgever over correctie van de antwoordmogelijkheden.
Hebt u opvolging gegeven aan uw toezegging in het Algemeen overleg over «De rol van het onderwijs in de aanpak van radicalisering» om de foutieve vermelding van het opdelingsplan in Palestina in het boek «Geschiedeniswerkplaats» voor 4 vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) aan te kaarten bij de uitgever? Wat is het resultaat van dit gesprek? Heeft de uitgever de tekst aangepast?2
In het AO van 3 juni 2015 heb ik aan het lid Voordewind van de ChristenUnie toegezegd dat ik het signaal van een feitelijke onjuistheid zou doorgeven aan de uitgever ThiemeMeulenhoff. Het lid Voordewind verwees in dit AO overigens naar een foutieve vermelding over het verdelingsplan van de VN in de aardrijkskundemethode «de Geo» van uitgever ThiemeMeulenhoff, niet in de geschiedenismethode «Geschiedeniswerkplaats». Ik heb dit signaal doorgegeven aan ThiemeMeulenhoff die daarop de volgende reactie heeft gegeven:
Voor inhoudelijke vragen over de desbetreffende aardrijkskundemethode verwijs ik u graag naar de uitgever. Wat betreft de methode «Geschiedeniswerkplaats» heb ik al eerder commentaar gegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Beertema op 2 juni 2015.4
Hebt u kennisgenomen van de signalen dat op sommige scholen niet meer over de Holocaust of het Midden-Oostenconflict wordt lesgegeven, vanwege de angst dat islamitische leerlingen worden beledigd of de angst voor het ontstaan van spanningen in de klas? Hebt u dit besproken met de VO-raad? Zo nee, bent u bereid dit te doen?
Ja, deze signalen ken ik. Ik vind dit zorgelijk. Als leraren en scholen structureel onderwerpen niet behandelen, die wel behoren tot de opdracht van het onderwijs, vind ik dat onaanvaardbaar. Het kan ook niet zo zijn dat leraren moeilijke onderwerpen uit de weg gaan of het gevoel hebben dat zij daarbij ondersteuning missen. Ik heb daarom nader onderzoek laten doen naar deze problematiek. De Kamer is hierover per brief van 1 juli 2015 geïnformeerd.5 Op mijn verzoek werkt Stichting School en Veiligheid maatregelen verder uit om leraren te ondersteunen bij deze en andere moeilijke gesprekken en trekt daarbij waar nodig en wenselijk samen op met de VO-raad.
Het door de minister van Veiligheid en Justitie afgewezen verzoek van YAZULA om de berichtgeving van NL Alert als open data ontsloten te krijgen |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het afgewezen verzoek van de app YAZULA aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie om de berichtgeving van NL Alert als open data ontsloten te krijgen?
Ja.
Is het waar dat met de implementatie van de wet hergebruik overheidsinformatie het verplicht wordt voor overheden om openbare overheidsinformatie voor hergebruik beschikbaar te stellen als daar om wordt verzocht, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingsgronden, die limitatief zijn opgesomd in de wet?
Ja.
Kunt u aangeven of er in het geval van het verzoek van YAZULA sprake is van een van deze uitzonderingsgronden? Zo ja, welke?
Het verzoek om hergebruik is gericht aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wet hergebruik van overheidsinformatie dient de met een publieke taak belaste instelling, waaraan het verzoek is gericht (in dit geval de Minister van Veiligheid en Justitie) het verzoek inhoudelijk te beoordelen. Of sprake is van een van de in artikel 2, eerste lid, opgesomde uitzonderingsgronden maakt onderdeel uit van deze beoordeling.
Deelt u de mening dat een van de belangrijke achterliggende gedachten achter de wet hergebruik overheidsinformatie is dat het mogelijk wordt voor marktpartijen om nieuwe producten en diensten te creëren? Deelt u de mening dat het verzoek van YAZULA een goed voorbeeld is van een nieuwe dienst die kan ontstaan door hergebruik van openbare overheidsinformatie?
De stelling over de gedachte achter de Wet hergebruik van overheidsinformatie deel ik. Wat betreft de stelling in het tweede deel van de vraag, merk ik op dat mij niet bekend is wat betrokkene precies beoogt. Of het verzoek een goed voorbeeld is van een nieuwe dienst die kan ontstaan door hergebruik van openbare overheidsinformatie, is voor de beoordeling van het verzoek overigens niet relevant. Immers, in artikel 3, tweede lid, van de Wet hergebruik van overheidsinformatie is niet voor niets bepaald dat de verzoeker geen belang hoeft te stellen bij zijn verzoek.
Kunt u uitleggen hoe het kan voorkomen dat departementen, in dit geval het Ministerie van Veiligheid en Justitie, een dermate afhoudende reactie hebben zoals deze in het voorbeeld van YAZULA zichtbaar is?
De Wet hergebruik overheidsinformatie is op 18 juli 2015 in werking getreden. In beginsel is iedere met een publieke taak belaste instelling verantwoordelijk voor een juiste toepassing van deze wet. Tegen besluitvorming staat rechtsbescherming open. Niettemin heb ik voor de implementatie van deze nieuwe wet diverse voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd voor verschillende instellingen waarop de Wet hergebruik van overheidsinformatie van toepassing is. Ook dit najaar volgen nog enkele voorlichtingsbijeenkomsten. Nu de wet een breed toepassingsbereik heeft wordt bij de voorlichtingsbijeenkomsten rekening gehouden met de verschillen tussen de instellingen die met deze wet te maken kunnen krijgen. De bijeenkomsten worden daarop waar mogelijk toegespitst. Daarnaast wordt nu gewerkt aan handreikingen die behulpzaam kunnen zijn bij een juiste uitvoering van de wet. Ook is in voorkomende gevallen op verzoek nadere toelichting gegeven voor een goede uitvoering.
Bent u bereid extra inspanning te verrichten om de wet hergebruik overheidsinformatie op de andere departementen naar behoren te laten verlopen? Zo ja, welke inspanningen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Personen die wedstrijdinformatie doorspelen via de telefoon vanaf voetbaltribunes |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bellende gok-buitenlanders van tribune Telstar gejaagd»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het verwijderen van personen van voetbaltribunes in verband met ongewenste gokgerelateerde belactiviteiten?2
Ja.
Beschikt u over informatie dat er bij voetbalclubs regelmatig bellende personen op de tribune zitten om wedstrijdinformatie door te spelen? Zo ja, wat is de aard en de omvang van die informatie? Hebt u de indruk dat dit fenomeen zich de laatste tijd vaker voordoet?
Het komt voor dat tijdens voetbalwedstrijden personen aanwezig zijn die met hun telefoon wedstrijdstatistieken aan derden doorgeven. Die statistieken worden bijvoorbeeld gebruikt voor standen-applicaties en voor live betting bij de reguliere bekende aanbieders in zowel Europa als Azië. De KNVB geeft aan dat weinig clubs melden dat zij overlast ervaren van bellende personen. Er is geen sprake van toename van het aantal meldingen hierover. In een enkel geval zijn personen verzocht de tribune te verlaten, waar ook gehoor aan is gegeven. Wel zal de KNVB, naar aanleiding van de signalen bij Telstar in gesprek gaan met deze club.
Over welke bevoegdheden beschikken voetbalclubs om personen die tijdens voetbalwedstrijden met hun telefoon wedstrijdstatistieken aan derden doorgeven van de tribune te weren? Zijn er op dit moment juridische belemmeringen voor voetbalclubs om dergelijke personen van de tribune te weren? Zo ja, welke belemmeringen zijn dat?
In stadions gelden huisregels waar bezoekers zich aan moeten houden. Het is toegestaan om in het stadion een mobiele telefoon te gebruiken en daarmee informatie te verspreiden.
Dit gebeurt veelvuldig, bijvoorbeeld door mensen van de media. Het is aan de clubs zelf om de mate van overlast te bepalen. Wanneer er sprake is van wangedrag, geweld of overlast, kunnen de clubs deze bezoekers van de tribune verwijderen. Ook kunnen clubs, indien gewenst, de huisregels verder aanscherpen.
Acht u voetbalclubs zelf voldoende in staat om dergelijke personen van hun tribunes te weren? Zo nee, acht u dan aanvullende bevoegdheden of maatregelen gewenst en welke?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond (KNVB) dat restricties in het gokaanbod op alle voetbalwedstrijden nodig zijn? Zo ja, waarom en wat betekent dat ten aanzien van uw beleid met betrekking tot kansspelen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
In het wetsvoorstel Kansspelen op afstand dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie uw Kamer heeft doen toekomen is voorzien in een vergunningstelsel voor aanbod van kansspelen op afstand. Daarmee wordt het huidige verbod op het aanbod van kansspelen op afstand opgeheven omdat een gereguleerd stelsel juist meer mogelijkheden biedt om de consument te beschermen en criminaliteit tegen te gaan. Over dit wetsvoorstel zijn door uw Kamer schriftelijke vragen gesteld welke spoedig door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie worden beantwoord, waarbij ook zal worden ingegaan op de vraag of restricties in het gokaanbod op alle voetbalwedstrijden nodig zijn.
Deelt u de mening dat de aanwezigheid van genoemde personen en de achterliggende gokbelangen niet bijdragen aan een eerlijke sport waar supporters van genieten en kinderen enthousiast van raken? Zo ja, wat kunt u daarin betekenen? Zo nee, waarom niet?
De clubs en de KNVB hechten aan een positieve ervaring van stadionbezoekers en dat deel ik. Vanuit dit perspectief gaat de KNVB in gesprek met Telstar.
Wachttijden bij het NFI |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat wachttijden bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) leiden tot verdriet en ergernis bij nabestaanden of slachtoffers? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is?1
Ik acht lange wachttijden vanzelfsprekend onwenselijk. Op voorhand kan echter niet precies worden ingeschat hoelang een onderzoek in beslag neemt en welke nieuwe feiten en omstandigheden daar weer uit naar voren komen. Politie, Openbaar Ministerie (OM) en NFI doen er alles aan om iedere zaak zo snel mogelijk tot een goed einde te brengen en streven daarbij naar een zorgvuldige communicatie met slachtoffers en nabestaanden. Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Hoe verklaart u het bestaan van wachttijden bij het NFI? Wat vindt u een acceptabele wachttijd voor een situatie zoals deze?
De afgelopen jaren heeft het NFI de doorlooptijden van onderzoeken teruggebracht van ongeveer 130 dagen in 2007 naar gemiddeld 14 dagen nu. De doorlooptijden zijn in 2014 gestegen door de grote hoeveelheid werk die voortkwam uit de ramp met toestel MH17. Hierdoor is ook enige achterstand ontstaan. Deze is ondertussen reeds grotendeels teruggebracht in zowel omvang als duur. Daarbij is de doorlooptijd van een onderzoek van veel factoren afhankelijk, zoals bijvoorbeeld de vraagstelling door politie en OM, de staat van het materiaal en of er nieuwe feiten en omstandigheden naar boven komen. Daarnaast speelt ook de instroom van de hoeveelheid sporen een rol. Hierdoor zal er altijd sprake zijn van enige wachttijd.
Wat doet u eraan om deze wachttijden op te lossen, of deze in ieder geval zo snel mogelijk sterk te verminderen, en in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zullen volgens u de gevolgen zijn van de bezuinigingen van 9,6 miljoen euro op het NFI op de wachttijden?
Om het dalende budget op te vangen neemt het NFI verschillende maatregelen. Er wordt gestreefd naar efficiencyverhoging van de bedrijfsvoering, het verminderen van externe inhuur, automatisering van werkprocessen, inzet van nieuwe technieken en ontdubbeling van taken tussen de politie en het NFI. De kernproductie wordt door de taakstellingen niet geraakt. De maatregelen zullen naar verwachting dan ook geen invloed hebben op de doorlooptijden bij het NFI.
Hoe komt het dat er ondanks de mogelijkheid om bij piekbelasting opdrachten uit te besteden aan particuliere bureaus alsnog wachttijden zijn?
Voor de inzet van particuliere instituten en het NFI heb ik naar aanleiding van het rapport van de Commissie Winsemius tot 2017 een specifiek budget gereserveerd. OM en politie kunnen hiervan gebruik maken, onder andere, ten tijde van piekbelasting. Momenteel is dat budget nog niet uitgeput, maar de verwachting is dat dit budget in 2015 volledig zal worden benut.
Voor particuliere bureaus geldt overigens dat zij dezelfde zorgvuldigheid in hun processen en in de afstemming met politie en OM betrachten als het NFI. Dit kan zorgen voor wachttijden tijdens het onderzoek. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
De rigide manier waarop CZ haar inkoopeisen hanteert |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat tenminste tachtig zorgaanbieders geconfronteerd zijn met de wijze waarop zorgverzekeraar CZ de door haar gestelde inkoopeis hanteert dat de Zorgbrede Governance Code (ZGC) moet zijn doorgevoerd in de statuten?
Ja.
Wat vindt u ervan dat de in vraag 1 bedoelde zorgaanbieders niet, of slechts tegen minder gunstige voorwaarden (een contract voor één jaar met een kortingspercentage op de opslag), voor een overeenkomst in aanmerking komen als zij zelfs ook maar één bepaling van de ZGC iets anders formuleren dan CZ eist?
Ik vind het goed dat zorgverzekeraars het al dan niet voldoen van een zorgaanbieder aan de Zorgbrede Governancecode (ZGC) betrekken bij hun overweging om een contract af te sluiten met een zorgaanbieder. De ZGC is door de brancheorganisaties zelf in het leven geroepen en geeft zorginstellingen normen voor goed bestuur en intern toezicht: een belangrijke voorwaarde voor goede zorg. Deels hebben deze normen een wettelijk basis in de Wet Toelating Zorginstellingen of het Uitvoeringsbesluit daarvan, deels bevat het normen die de sector zichzelf oplegt. In sommige gevallen schrijft de ZGC voor dat een onderwerp in de statuten moet worden geregeld. Zorginstellingen kunnen daarvan afwijken, maar moeten dergelijke keuzes – evenals andere afwijkingen van de code – goed uitleggen. Toepassing zie ik dan ook niet als een vrijblijvende zaak. Voor de brancheorganisaties geldt naleving van deze code als een statutaire lidmaatschapsverplichting. Ook gebruikt de Inspectie voor de Gezondheidszorg de ZGC als veldnorm bij het toezicht op kwaliteit en veiligheid van zorg.
Onderdeel van het landelijk in ZN-verband vastgesteld inkoopbeleid is dat zorginstellingen de door de ZGC voorgeschreven normen «aantoonbaar hebben geïmplementeerd». Ik ben er in beginsel positief over dat CZ hier invulling aan geeft. Wel constateer ik dat Wlz-uitvoerders/zorgkantoren op dit moment verschillend reageren indien zorgaanbieders naar het oordeel van de Wlz-uitvoerders/zorgkantoren de ZGC onvoldoende hebben geïmplementeerd. Dat vind ik onwenselijk omdat het de lasten voor aanbieders onnodig kan verhogen. Ik zal daarom met de Wlz-uitvoerders/zorgkantoren in overleg treden om te komen tot een gestandaardiseerde toepassing van de ZGC binnen het inkoopbeleid.
Wat vindt u ervan dat zorgaanbieders, om nog in aanmerking te komen voor een contract, nu een gang naar de notaris moeten maken, enkel vanwege van de interpretatie die CZ geeft van de ZGC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de ZGC nimmer als doel heeft gehad om in beton gegoten regels en voorschriften te geven, en dat er daarom enige ruimte moet blijven voor eigen formuleringen in de statuten van zorgaanbieders zonder dat de betreffende zorgaanbieder direct wordt geconfronteerd met een weigering van een overeenkomst? Hoe gaat u CZ hierop aanspreken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het weigeren van een overeenkomst door CZ zich met de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch1, waarin het Hof het ter discretie aan de zorgaanbieder laat of zij in haar statuten naast een regeling voor ontslag ook een regeling voor schorsing opneemt en aan de zorgaanbieder de ruimte laat om daarin op te nemen welke eventuele procedures daarbij worden gevolgd? Is het besluit om een zorgovereenkomst te weigeren daarom juridisch onjuist en moeten zorgaanbieders daarom alsnog een overeenkomst krijgen volgens het eerste aanbod?
Tijdens de zomer is er overleg geweest tussen enerzijds CZ en anderzijds de brancheorganisaties Actiz, VGN en GGZ Nederland. Dit heeft geleid tot een aangepaste tekst over de wijze waarop de ZGC onderdeel uitmaakt van het Wlz inkoopkader 2016 van CZ. Het inkoopbeleid van CZ is daarop inmiddels aangepast.
Wat vindt u ervan dat het al dan niet precies opnemen van een bepaalde formulering in de statuten niets zegt over de kwaliteit van de betreffende zorgaanbieders, zeker als in die statuten is opgenomen dat de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) onverkort geldt? Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorgverzekeraars werk gaan maken van inkopen op echte kwaliteit?
De zorgkantoren hebben voor het inkopen van Wlz-zorg in 2016 gekozen voor een andere aanpak om de kwaliteit te borgen: van spreadsheetinkoop naar het inkopen van zorg op basis van een dialoog tussen de zorgkantoren en de zorgaanbieders. De zorgkantoren hebben daarbij gekozen voor het opstellen van een uniform inkoopkader per sector: voor Verpleging & Verzorging, voor Gehandicaptenzorg en voor Geestelijke gezondheidszorg. Binnen elk van die sectoren geldt een programma van eisen, aanvullend op de geldende wet- en regelgeving. Het betreft zowel voorwaarden in aanvulling op de NZa-beleidsregels als voorwaarden ten aanzien van het zorgplan, het kwaliteitssysteem van de zorgaanbieder, het betrekken van de cliëntenraad, de informatievoorziening aan cliënten en het leveren van zorg thuis. Zorgverzekeraars stellen eisen aan zorgaanbieders met het oog op de kwaliteit en de transparantie van de zorg. Het doel hiervan is betere zorg voor de patiënt. Goed bestuur vormt mijn inziens een belangrijke randvoorwaarde voor kwaliteit en veiligheid van zorg en transparantie. Ik juich het daarom toe dat zorgverzekeraars ook eisen stellen op dit terrein.
Hoe verhouden de inkoopeisen van CZ met de door de Kamer en de regering gewenste deregulering?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur weliswaar niet formeel, maar wel materieel zouden moeten gelden voor communicatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders? Deelt u de mening dat het evenredigheidsbeginsel en/of zorgvuldigheidsbeginsel impliceren dat zorgverzekeraars aan zorgaanbieders de mogelijkheid moeten geven voor herstel van kleine fouten en omissies zonder dat direct sancties worden toegepast?
In het contracteringsproces is heldere en eenduidige communicatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders uiteraard van groot belang. De algemene beginselen van aanbestedingsrecht verlangen dat een inschrijver vooraf moet weten waaraan hij moet voldoen om voor een opdracht in aanmerking te komen. De vraag wat al dan niet kleine fouten en omissies zijn is een zaak tussen de contracterende partijen i.c. de zorgkantoren en de zorgaanbieders waar ik niet in kan treden.
Deelt u de mening dat, nu in de Wet langdurige zorg (Wlz) zorgkantoren zijn gehouden aan elementaire beginselen van het aanbestedingsrecht, het gelijkheidsbeginsel verbiedt dat CZ als enige concessiehouder bij de zorginkoop eisen verbindt aan de wijze waarop zorgorganisaties de ZGC in hun statuten moeten regelen? Deelt u de mening dat toepassing van het proportionaliteitsbeginsel met zich meebrengt dat zorgkantoren de mogelijkheid moeten hebben voor herstel van kleine fouten en omissies zonder dat sancties worden toegepast?
Zie antwoord vraag 8.
De plaatsing van nieuwe kernwapens in Duitsland |
|
Jasper van Dijk (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ZDF uitzending, waaruit blijkt dat Duitsland 112 miljoen euro investeert in de upgrade van de WS3 bunkers, landingsbaan en andere faciliteiten op Buchel Airbase?1
Ja.
Zijn er kosten geraamd door Nederland voor vergelijkbare upgrades van WS3 bunkers op Volkel Airbase, van de landingsbaan of eventueel andere kosten in verband met de Nederlandse kernwapentaken? Zo ja, hoeveel?
Het vernieuwen van rol- en startbanen hoort bij het periodieke onderhoud van een luchtmachtbasis.
Het upgrade-programma van de WS-3 systemen wordt door de NAVO gefinancierd, aangezien deze systemen van de NAVO zijn.
Op grond van bondgenootschappelijke afspraken worden er geen mededelingen gedaan over de kernwapentaak van Nederland.
Hoe oordeelt u over het bericht «Rusland in geweer tegen nieuwe atoombommen VS» over de plaatsing van nieuwe kernwapens in Duitsland?2
Het kabinet wil niet speculeren over de mogelijke Russische interpretatie van het levensverlengingsprogramma voor de Amerikaanse B61.
Hoe oordeelt u over de opstelling van Moskou dat een reactie niet kan uitblijven, vanwege de verstoring van het strategisch evenwicht?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat de modernisering van kernwapens in strijd is met uw streven naar wereldwijde kernontwapening (de zgn. Global Zero)?
Neen. Het levensduurverlengingsprogramma voor de B61 is bedoeld om de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van dit wapen blijvend te garanderen. Het Amerikaanse «Nuclear Posture Review Report» van april 2010 stelt dat de levensduurverlengingsprogramma’s geen nieuwe militaire capaciteiten zullen opleveren. Zie ook antwoord op vraag 8.
Erkent u dat de modernisering van kernwapens in Europa kan leiden tot een ongewenste nieuwe wapenwedloop? Wat onderneemt u daartegen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat, nu de JSF geen kernwapentaak zal krijgen, het moderniseren van de op Volkel aanwezige kernwapens overbodig is?3 Bent u bereid kenbaar te maken dat de op Volkel aanwezige kernwapens derhalve niet gemoderniseerd hoeven te worden?
Het zal nog geruime tijd duren, zeker tot 2024, voordat de F-16 niet meer in gebruik is. Hoe het geheel van afschrikkings- en defensiecapaciteiten van de NAVO er dan uitziet, is nu niet te voorspellen. Wel staat vast dat het thema tot die tijd regelmatig onderwerp van discussie zal zijn in het bondgenootschap.
Nederland wil in deze discussie een actieve rol blijven spelen.
Voor het standpunt van het kabinet ten aanzien van de eventuele kernwapentaak voor de vervanger van de F16 verwijzen wij u naar de brieven van 14 januari 20144 en van 2 september 20145.
Bent u bereid in internationale fora te pleiten voor het afzien van de modernisering van kernwapens? Zo nee, waarom niet?
Neen. Het levensverlengingsprogramma is de verantwoordelijkheid van de Amerikaanse overheid en is gericht op beveiliging, veiligheid en effectiviteit van de kernwapens. Wel zal Nederland zich blijven inzetten voor de condities die verdere ontwapening mogelijk maken, de rol van kernwapens in militaire doctrines verder terug te dringen en voortgang te maken in de multilaterale onderhandelingen over nucleaire non-proliferatie en ontwapening.
Het onterecht in rekening brengen van informatie- en executiekosten door gerechtsdeurwaarders |
|
Gert-Jan Segers (CU), Carola Schouten (CU), Michiel van Nispen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van (tussen)vonnissen van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders waarin het onterecht in rekening brengen van informatie- en executiekosten door gerechtsdeurwaarders centraal staat, bijvoorbeeld in de vorm van het leggen van beslag bij meerdere bankinstellingen terwijl er geen gerechtvaardigd vermoeden aanwezig was dat de debiteur bij die banken een rekening aanhield?1 2
Ik ken de door u vermelde vonnissen.
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft mij bericht dat zij in de afgelopen vijf jaar viermaal een klacht bij de tuchtrechter heeft ingediend over het onterecht in rekening brengen van informatie- en executiekosten door gerechtsdeurwaarders.
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) houdt financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders. Het BFT heeft mij bericht dat in de afgelopen vijf jaar drie onderzoeken naar onterechte kosten en onterechte bankbeslagen zijn uitgevoerd. Dergelijk onderzoek wordt door het BFT uitgevoerd in opdracht van de tuchtrechter, net zoals in het door u aangehaalde tussenvonnis.
Uit de vonnissen blijkt dat het onterecht in rekening brengen van kosten leidt tot een tuchtrechtelijke sanctie. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat beslaglegging bij meerdere banken niet altijd per definitie onterecht is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een zoektocht door de gerechtsdeurwaarder naar de bankrekening van de debiteur noodzakelijk is geworden, omdat de debiteur zelf weigert om informatie daarover te verstrekken.
Gelet op de verstrekte informatie van het BFT en de KBvG zie ik geen aanleiding aanvullende gesprekken hierover aan te gaan.
Ontvangt u meer signalen dat gerechtsdeurwaarders zonder gerechtvaardigd vermoeden beslag laten leggen bij meerdere banken? Zo ja, kunt u inzicht geven in de mate waarin bij banken onterechte beslagen zijn gelegd? Hoeveel verschillende gerechtsdeurwaarderkantoren hebben deze onterechte beslagen gelegd?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u daarnaast laten weten hoeveel beslagen per jaar de afgelopen jaren bij de belastingdienst zijn gelegd? Welk deel van deze beslagen is toch gelegd, terwijl vooraf duidelijk was dat het beslag geen effect zou hebben vanwege bijvoorbeeld een (hoge) preferente belastingschuld of omdat de debiteur geen tegoeden bij de belastingdienst had? Hoeveel verschillende gerechtsdeurwaarderkantoren hebben deze zinloze beslagen gelegd?
Er worden op jaarbasis in totaal ongeveer 130.000 beslagen gelegd onder de ontvanger van de Belastingdienst en ongeveer 135.000 onder de Belastingdienst/Toeslagen. Dit aantal beslagen is de afgelopen jaren constant. In deze aantallen zitten, naast de beslagen die worden gelegd door gerechtsdeurwaarders, ook beslagen die zijn gelegd door andere beslagleggers zoals gemeenten, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen etc.
De KBvG heeft via de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders (SNG) het elektronische VOI (verzoek om informatie) ingericht. Gerechtsdeurwaarders vragen informatie op over voorlopige teruggaven en toeslagen die de Belastingdienst periodiek verstrekt aan personen. Zij doen dit via de SNG door middel van een elektronisch verzoek (e-VOI) voordat beslag wordt gelegd. Dit om extra kosten te voorkomen voor de beslagenen. Volgens de gepubliceerde jaarcijfers van de SNG worden gemiddeld ca. 1,3 miljoen e-VOI ‘s op jaarbasis uitgewisseld. Dit cijfer, afgezet tegen het bovengenoemde aantal beslagen die onder meer gerechtsdeurwaarders in 2014 legden onder de Belastingdienst, geeft nog eens aan dat de ontvangen informatie kennelijk ook aanleiding is om géén beslag te leggen.
Uiteraard moet geen beslag worden gelegd indien dit zinloos is. In dit verband wees ik hierboven al op het e-VOI. Daarnaast is een convenant afgesloten tussen de KBvG en de NVVK (de koepelorganisatie van schuldhulpverleners) aangaande de Verwijsindex schuldhulpverlening (VISH). Zinloze beslagen worden sinds de inwerkingtreding van VISH zoveel mogelijk voorkomen, doordat de gerechtsdeurwaarder op basis van VISH het aan zijn opdrachtgever terug meldt als blijkt dat een debiteur reeds een traject volgt binnen de gemeentelijke schuldhulpverlening. Ten slotte noem ik de totstandkoming van het beslagregister, dat de gerechtsdeurwaarder eveneens in staat stelt beter geïnformeerd al dan niet beslag te leggen.
Kunt u aangeven of alle beslagen die door gerechtsdeurwaarders bij de belastingdienst worden gelegd daadwerkelijk voorafgaan worden door een verzoek om informatie (VOI)? Zo nee, hoe vaak komt het voor dat er beslag wordt gelegd zonder een voorafgaand VOI?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat onterechte en zinloze beslagen voorkomen moeten worden, gezien het feit dat debiteuren verder in de financiële problemen terechtkomen als hiervoor ook nog kosten in rekening worden gebracht en ter bescherming van de privacy van debiteuren?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u in overleg treden met het Bureau Financieel Toezicht en de Nederlandse Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) om meer zicht te krijgen op de problematiek van het onterecht in rekening brengen van informatie- en executiekosten en om indien nodig nadere maatregelen af te spreken? Zo ja, kunt u de Kamer dan over de uitkomsten van dit overleg informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel tot wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet?3
Ja, bij dezen.
Het intrekken van bestaande vergunningen voor apotheekhoudende huisartsen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat apotheekhoudende huisartsen essentieel zijn voor het langer thuis wonen en goede zorg dichtbij huis, zeker in snel vergrijzende krimpgebieden?
Ik vind het belangrijk dat iedereen in Nederland toegang heeft tot goede huisartsenzorg en farmaceutische zorg, ook in krimpgebieden. Daarbij is de hoofdregel dat farmaceutische zorg wordt verleend door apothekers, en alleen bij wijze van uitzondering door (apotheekhoudende) artsen. De apotheker is immers de deskundige zorgverlener op het terrein van farmaceutische patiëntenzorg.
Deelt u ook de mening dat apotheekvergunningen voor huisartsen in vergrijzende krimpgebieden essentieel zijn voor de continuïteit van de praktijk en het vestigen van een nieuwe generatie huisartsen?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre vindt u dat vergunningen voor bestaande apotheekhoudende huisartsen moeten worden verlengd als omstandigheden gelijk blijven? Zo ja, waarom vindt u dit van belang? Zo nee, waarom vindt u dat en hoe draagt dat bij aan het in stand houden van voorzieningen in krimpregio’s?
Indien er voor de patiënten in een gebied niet binnen redelijke afstand een apotheek is gevestigd, kan door het CIBG aan een huisarts een vergunning worden verleend om tevens een apotheek te mogen houden voor die patiënten. Bij deze regeling in de Geneesmiddelenwet staat het belang van de patiënt voorop. De patiënt moet de best mogelijke farmaceutische zorg krijgen die beschikbaar is.
Het CIBG toetst bij de aanvraag voor een apotheekvergunning aan het afstandscriterium. Kort gezegd wordt voor een gebied vergunning verleend als de afstand tussen patiënt en apotheek meer is dan 4,5 kilometer. Tussen de 3,5 en 4,5 kilometer kan onder omstandigheden een vergunning worden verleend. Dit is geregeld in artikel 61 lid 10 en lid 11 van de Geneesmiddelenwet.
Indien het CIBG na toetsing tot de conclusie komt dat er geen apotheekvergunning verleend wordt aan de huisarts, betekent dit dat de farmaceutische zorg geborgd is door een nabije apotheek.
Het CIBG gaat niet uit eigen beweging en periodiek na of nog steeds aan alle vergunningvoorwaarden wordt voldaan.
Indien zich ná het verlenen van een apotheekvergunning een apotheker binnen de wettelijke afstand vestigt, gaat het CIBG dan ook niet ambtshalve over tot intrekking van de apotheekvergunning. Dit is anders wanneer bijvoorbeeld de nieuwe apotheker, als belanghebbende, zou verzoeken om intrekking van de apotheekvergunning van de huisarts. Dan moet het CIBG de omstandigheden opnieuw en volledig toetsen aan de wet.
En ook wanneer een apotheekhoudend huisarts vertrekt, en een nieuwe aanvraag voor een apotheekvergunning wordt ingediend, is het CIBG verplicht alle omstandigheden opnieuw te toetsen. Wanneer dan blijkt dat niet meer aan het afstandcriterium wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat na de vergunningverlening een nabije apotheek is gevestigd, kan het CIBG niet anders dan voor het desbetreffende gebied geen vergunning verlenen.
Bij de aanvraag van de onderhavige huisartsenpraktijk wordt overigens voor een tiental deelgebieden wel aan het afstandcriterium voldaan. Voor deze gebieden is dan ook een apotheekvergunning afgegeven. Alleen voor het deelgebied Annen wordt niet aan het afstandscriterium voldaan.
Kunt u verklaren waarom het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) vanwege een vertrekkende huisarts de apotheekvergunning weigert te verlengen voor de overige huisartsen in de praktijk te Annen die al ruim 20 jaar over deze vergunning beschikt?1
Zie antwoord vraag 3.
Bent u voornemens om het verschil tussen een hoofd- en associatievergunning op te heffen ten behoeve van de voorzieningen in vergrijzende krimpregio’s waar apotheekhoudende huisartsen een praktijk delen?
Neen, ik ben dat niet voornemens. De associatievergunning is bedoeld om een arts die gezamenlijk met de apotheekhoudend huisarts (de hoofdvergunninghouder) een praktijk voert, eveneens geneesmiddelen ter hand te laten stellen aan de desbetreffende patiënten.
De associatievergunning vervalt van rechtswege als de hoofdvergunning vervalt (zie hiervoor artikel 61 lid 14 van de Geneesmiddelenwet). Als de hoofdvergunning vervalt, betekent dit dat de farmaceutische zorg is geborgd door een apotheek.
Kunt u verklaren waarom het CIBG vijf jaar geleden onder dezelfde wet en omstandigheden wel een nieuwe vergunning heeft verleend aan de huisartspraktijk in Annen? Waarom krijgt het CIBG de ruimte om bij gelijkblijvende omstandigheden bestaande vergunningen van apotheekhoudende huisartsen in trekken met nieuwe criteria? Waarom heeft het CIBG de wijze van meten van de afstand tussen apotheek en de eerste potentiele patiënt in de tussentijd aangepast?
In 2010 is de huisartsenpraktijk te Annen verhuisd naar een nieuw adres. Deze adreswijziging is doorgevoerd in de hoofdvergunning en de associatievergunning. Hierbij was geen sprake van een nieuwe vergunning, maar van een adreswijziging in de bestaande vergunning.
Het CIBG hanteert overigens geen nieuwe criteria bij de beoordeling van aanvragen. Het afstandcriterium is al decennia lang leidend bij de vergunningverlening. Ook de wijze van meten is niet veranderd. In het geval van het deelgebied Annen is de gemeten afstand 4,0 kilometer.
Deelt u de mening dat u, ook al zou de huisartsenpraktijk in Annen nu ineens een afstandscriterium van 3,5–4,5 km toebedeeld krijgen, alle wettelijke vrijheid heeft om de apotheekhoudende vergunning alsnog te verlengen? Bent u voornemens om dat te regelen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Bij een afstand tussen de 3,5 en 4,5 kilometer beschik ik niet over alle wettelijke vrijheid. Bij die afstand geldt het criterium «het belang van de geneesmiddelenvoorziening». Hierbij is vooral van belang de bereikbaarheid per openbaar vervoer. Ook dit criterium bestaat al vele tientallen jaren, en de uitwerking daarvan is vastgelegd in de rechtspraak. Dit criterium kan niet zomaar opzij worden gezet.