Het bericht dat door redders wordt toegekeken bij het verdrinken van vluchtelingen uit angst voor vervolging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Redders moeten toekijken hoe 31 vluchtelingen verdrinken in de Egeïsche Zee»?1
Ja.
Is het vervolgen van personen die op vrijwillige basis vluchtelingen in nood redden in Turkse wateren onderdeel van beleid of afspraken die binnen de Europese Unie (EU) dan wel door de EU met Turkije zijn gemaakt? Zo nee, hoe beoordeelt u het feit dat dit toch in Griekenland gebeurt?
Er zijn geen afspraken gemaakt binnen de EU of met Turkije over het vervolgen van personen die op vrijwillige basis vluchtelingen in nood redden in Turkse wateren. Griekenland is in het verleden opgetreden tegen vrijwilligers die zonder toestemming van de Griekse kustwacht vluchtelingen in Turkse wateren assisteerden bij hun tocht naar de Griekse kust. In januari jl. zijn vrijwilligers, verbonden aan een Deense NGO, om die reden op Lesbos gearresteerd op verdenking van mensensmokkel. Zij zijn inmiddels wegens mensensmokkel veroordeeld tot het betalen van een boete en zijn vrijgelaten. Hulp van vrijwilligers bij de bestrijding van mensensmokkel wordt erg gewaardeerd, maar samenwerking met de autoriteiten is daarbij wel van belang.
Bent u bereid met klem en urgentie bij uw Europese collega’s aan te dringen op het onmiddellijk staken van vervolgingen van mensen die zich op vrijwillige basis inspannen om vluchtelingen in nood op zee te redden? Zo nee, waarom niet?
De huidige Europese wetgeving die strafbaarstelling van mensensmokkel reguleert bevat een uitzonderingsclausule voor personen die humanitaire bijstand verlenen aan vluchtelingen. Mensen die uit humanitaire overwegingen proberen vluchtelingen te redden van de verdrinkingsdood worden niet vervolgd als zij als zodanig bekend zijn bij en meewerken met de autoriteiten ter plaatse.
Is de regering bereid om haar positie als voorzitter van de Europese Raad aan te wenden om alle diplomatieke en juridische obstakels te verhelpen die zowel Frontex als vrijwilligers ondervinden bij het redden van vluchtelingen op zee? Zo nee, waarom niet?
Het is zaak dat zowel Frontex als andere organisaties hun reddingswerk goed kunnen uitoefenen. Het werk van vrijwilligers kan binnen het huidig wettelijk kader worden uitgevoerd. De internationale verplichtingen ten aanzien van reddingsoperaties op zee zijn ook tijdens Frontex operaties van toepassing. Bij noodsituaties kunnen schepen en vliegtuigen die ingezet worden in Frontex operaties, op verzoek van verantwoordelijke autoriteiten, deelnemen aan reddingsoperaties. Zo wordt momenteel in het kader van belangrijke Frontex operaties in Griekenland en Italië jaarlijks vele duizenden mensen op zee gered.
Is bij de regering bekend welke inspanningen door Turkije worden verricht om vluchtelingen die in nood verkeren binnen zijn territoriale wateren te redden? Zo nee, is de regering bereid hierover inlichtingen te vragen aan de Turkse regering? Zo ja, acht u de Turkse inspanningen voldoende?
Op de Turkse wateren vinden verschillende reddingsoperaties plaats. De Turkse kustwacht meldt dat zij in 2015 59.377 migranten heeft gered. Onderdeel van het EU Turkije actieplan is het tegengaan van illegale migratie uit Turkije naar Europa. In dat kader werkt de EU ook aan het verder versterken van de capaciteit van de Turkse kustwacht.
Het bericht 'Accountants worstelen met administratieve chaos bij gemeenten en zorginstellingen' |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kan een overzicht worden gegeven welke instrumenten en oplossingsrichtingen er zijn en welke acties u heeft ondernomen om gemeenten te wijzen op deze instrumenten en oplossingsrichtingen?1
De focus bij de zorginkoop 2015 heeft gelegen op de continuïteit van zorg en ondersteuning voor cliënten. Dit heeft in belangrijke mate bijgedragen aan een, in algemene zin, beheerst verlopen transitie. Er zijn evenwel nog belangrijke aandachtspunten waar aanvullende acties op nodig zijn. Zo is nog weinig aandacht geweest bij de betrokken partijen voor de administratieve processen bij het inrichten van de nieuwe taken, waardoor risico’s kunnen ontstaan bij het aantonen van de rechtmatigheid van de bestedingen.
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wmo 2015 en de Jeugdwet op 1 januari 2015 ben ik met de VNG, de branches voor zorgaanbieders en de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) in gesprek gegaan over de mogelijke rechtmatigheidissues die over het jaar 2015 zou kunnen ontstaan. Onder voorzitterschap van mijn ministerie heeft, mede naar aanleiding van bevindingen van de NBA, een werkgroep in 2015 met deze partijen de mogelijke risico’s en potentiële oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Door de leden van deze werkgroep zijn «de modeloplegger rechtmatigheid» en «het algemeen accountantsprotocol» ontwikkeld. De VNG en de branches voor zorgaanbieders hebben de modeloplegger rechtmatigheid en het algemeen protocol onder de aandacht van hun leden gebracht en waar nodig ondersteuning geleverd bij gemeenten en zorgaanbieders. In het afgelopen jaar is in diverse brieven aan de colleges van B&W van gemeenten (vroegtijdig) aandacht gevraagd voor dit vraagstuk en gewezen op de mogelijkheid om de beschikbare instrumenten, waaronder de modeloplegger rechtmatigheid, waar nodig toe te passen.
Het is uiteraard aan gemeenten om dit instrumentarium te gebruiken in de praktijk. In de brief die de Minister van BZK en ik op 19 februari jl. aan uw Kamer hebben gestuurd en de brieven die de VNG en de branches voor zorgaanbieders aan de gemeenten en de zorgaanbieders hebben gestuurd, wordt de oproep gedaan om, als dit noodzakelijk is, alsnog nadere afspraken te maken over de verantwoording van de productie van de geleverde zorg en ondersteuning met betrekking tot de jaarrekening 2015.
De modeloplegger rechtmatigheid en het algemeen protocol zijn, net zoals de ontwikkeling van het standaardberichtenverkeer, onderdeel van de werkagenda «Administratie en ICT» die ik op 25 juni 2015 aan uw Kamer heb toegestuurd2. Deze werkagenda van gemeenten en zorgaanbieders is gericht op de korte termijn (oplossen knelpunten), de middellange termijn (optimalisatie van de keten) en de lange termijn (vernieuwing en innovatie). De ondernomen acties op het terrein van rechtmatigheid zijn erop gericht om de knelpunten uit het transitiejaar 2015 op te lossen. Een mogelijk structurele oplossing voor het voorkomen van rechtmatigheidproblematiek en het verminderen van administratieve lasten is – zo blijkt uit de uitvoeringspraktijk – het meer «integraal bekostigen», zodat maatwerk mogelijk wordt gemaakt en vrijwel geen persoonsgegevens behoeven te worden uitgewisseld tussen aanbieder en gemeente. Hier zijn al verschillende gemeenten mee aan de slag gegaan3.
Kunt u tevens aangeven hoe vaak deze instrumenten en oplossingsrichtingen inmiddels worden toegepast?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u overwogen om de controle-eisen op gemeenten (voor het sociaal domein), gelet op het transitiejaar en de forse consequenties die het heeft, te verzachten? Zo nee, waarom niet?
In de Gemeentewet is geregeld dat de gemeenteraad een accountant aanwijst die belast wordt met de controle van de jaarrekening, een controleverklaring verstrekt en een rapport van bevindingen opstelt. De verklaring van de accountant betreft zowel het getrouwe beeld als de rechtmatigheid van de geldstromen in de jaarrekening. De wijze waarop de accountant zijn werkzaamheden verricht, is vastgelegd in (internationale) regelgeving en nader uitgewerkt in algemeen geldende standaarden. De marges om binnen dit juridisch kader controle-eisen te verzachten zijn uiterst beperkt. In de gesprekken die tussen de ministeries van BZK, Financiën, VWS, de VNG en de NBA zijn gevoerd is de optie verkend om de door de accountant geconstateerde onzekerheden of fouten ten aanzien van de rechtmatigheid van uitgaven Wmo 2015 en Jeugdwet niet te laten doorwerken in het oordeel. Ook dat kan alleen door aanpassing van regelgeving namelijk door een wijziging van het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (Bado). Omdat een dergelijke wijziging afbreuk doet aan de gewenste transparantie naar de gemeenteraad, de verschillende uitgangsposities van gemeenten miskent en bovendien juridisch en uitvoeringstechnisch complex is heeft de Minister van BZK, in lijn met het vigerende kabinetsbeleid, geen wijzigingen voorgesteld. De accountant rapporteert aan de gemeenteraad. De controleverklaring is van essentieel belang voor de raad om een oordeel te kunnen vellen over het gevoerde financiële beheer en de verantwoording van het college daarover. Het is bedoeld om de raad hiervoor een effectief en onafhankelijk instrument in handen te geven. De accountants die de controlewerkzaamheden verrichten, worden daarom ook door de raad aangesteld en niet door het college.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor zorgaanbieders als zij geen goedkeurende accountantsverklaring krijgen bij de jaarrekening?
Dat is niet in zijn algemeenheid aan te geven. Accountantsverklaringen kunnen een rol spelen bij de financieringsafspraken, waarbij uiteraard de concrete inhoud van het accountantsoordeel van belang is. Ook kan het voor zorgaanbieders lastiger worden nieuwe contracten met gemeenten te sluiten voor het leveren van zorg en ondersteuning. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik de mogelijkheden geschetst die aanbieders en gemeenten alsnog ter beschikking staan om eventuele rechtmatigheidproblematiek te reduceren.
Wat gaat u doen om te bereiken dat accountants elkaars rechtmatigheidsoordelen respecteren?
In de beroepsregelgeving van accountants, zoals ook aan de orde is gekomen bij het antwoord op vraag 3, is het overnemen van de verantwoordelijkheid voor en het daarbij beoordelen van een accountantsoordeel geregeld. Hierbij zijn twee actuele situaties te onderscheiden. Bij uitbesteding door gemeenten van taken aan uitvoeringsorganisaties, zoals gemeenschappelijke regelingen, hebben accountants direct met elkaars rechtmatigheidoordelen te maken. Als algemene lijn geldt in deze situaties dat de gemeente dient te borgen dat de uitvoering door de gemeenschappelijke regeling zodanig is opgezet dat aan de eisen kan worden voldaan. Op 10 december 2013 heeft de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) de NBA-handreiking 1122 gepubliceerd (www.nba.nl). Deze handreiking, specifiek opgesteld voor nadere uitleg van de regelgeving voor decentrale overheden, is geheel gewijd aan de gevolgen voor de accountantscontrole van het uitbesteden door decentrale overheden van taken aan uitvoeringsorganisaties. De handreiking geeft voor verschillende situaties weer hoe de accountant van de gemeente invulling kan geven aan zijn ongedeelde verantwoordelijkheid voor de controle van de gemeentelijke jaarrekening. Als een gemeente haar zaken in relatie tot de gemeenschappelijke regeling goed voor elkaar heeft, kan de controlerende accountant voldoende en geschikte controle-informatie krijgen bij de gemeente, zodat nader onderzoek bij de gemeenschappelijke regeling niet nodig is. Naarmate dat minder het geval is, zal de gemeentelijke accountant wel onderzoek moeten doen bij de gemeenschappelijke regeling om de verantwoordelijkheid over te kunnen nemen.
Een tweede situatie waarbij accountants met elkaars oordelen te maken krijgen, betreft de uitvoering door zorgaanbieders van zorgopdrachten van de gemeenten.
In het najaar van 2015 is door de betrokken partijen overeenstemming bereikt over een format voor de «Financiële productieverantwoording Wmo en Jeugdwet», met een bijbehorend landelijk algemeen accountantsprotocol dat door de zorgaanbieders als handleiding gebruikt kan worden bij het laten uitvoeren van de accountantscontrole op het niveau van de zorgaanbieder. Dit is een belangrijk resultaat. Maar een accountantscontrole op het niveau van de zorgaanbieder is niet automatisch toereikend voor alle gemeenten waarvoor deze aanbieder opdrachten heeft uitgevoerd. Elke gemeente zal immers van haar kant willen weten in hoeverre door de zorgaanbieder aan de specifieke gemeentelijke voorwaarden is voldaan, waarvoor de gemeente aanvullende of eigen werkzaamheden kan doen. Overigens zijn er initiatieven genomen om te bevorderen dat gemeenten en zorgaanbieders in onderling overleg bezien in hoeverre het over 2015 echt nodig is, gezien de huidige tijdslijnen, aan alle oorspronkelijke (controle)voorwaarden te voldoen. Het is mogelijk om in bepaalde situaties tot een pragmatische finale afrekening van contracten te komen, waarbij ook de gewenste financiële zekerheid verkregen kan worden in de keten.
Wat gaat u doen om gemeenten te informeren en te overtuigen van het vastgestelde toetsingsprotocol voor zorgcontracten?
Gemeenten en zorgaanbieders worden door de VNG, de branches voor zorgaanbieders, mede op basis van de brief die de Minister van BZK en ik op 19 februari jl. aan uw Kamer hebben gezonden, opgeroepen om zo nodig alsnog adequate afspraken te maken over de vaststelling van de jaarrekening 2015 en het daartoe ontwikkelde instrumentarium toe te passen. De VNG en de branches voor zorgaanbieders organiseren regionale bijeenkomsten om de toepassing van het ontwikkelde instrumentarium toe te lichten, te bevorderen en lokale partijen daarin te ondersteunen. Ook zal ik in een brief aan de colleges gemeenten nogmaals oproepen het gesprek met zorgaanbieders aan te gaan en het ontwikkelde instrumentarium in te zetten.
Bent u bereid om het toetsingsprotocol naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Ja, hier ben ik graag toe bereid. Bijgaand treft uw Kamer de modeloplegger rechtmatigheid en het algemeen accountantsprotocol aan.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat, aangezien de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemeenten heeft laten weten pas 1 juni a.s. een rechtmatigheidsoordeel over de persoonsgebonden budgetten (PGB’s) te geven, de goedkeurende verklaring voor gemeenten wordt opgehouden?
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) zal een verklaring geven over de rechtmatigheid van de betalingen uit de door gemeenten en zorgkantoren toegekende persoonsgebonden budgetten. Ik heb met de SVB gesproken over de termijn waarop deze verklaring kan worden gegeven. Uit dit overleg is gebleken dat dit naar verwachting van de SVB kan op 1 april 2016 en niet op 1 juni 2016. De datum van 1 juni 2016 is mogelijk verward met het moment van het afsluiten van de budgetten. In de afgelopen weken is er vanuit PGB ketenregie intensief overleg geweest tussen de gemeenten, accountants, de SVB en de ministeries VWS en BZK om er voor zorg te dragen dat het jaarrekeningtraject van gemeenten niet te zeer vertraagd wordt.
Het bericht dat de Belastingdienst startende ondernemers laat wachten |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Belastingdienst de toeloop van startende ondernemers niet aan kan?1
Ja.
Klopt het dat startende ondernemers lang moeten wachten op een btw-nummer? Hoeveel hinder ondervinden starters hierdoor bij het innen van rekeningen?
Ruim 90% van de startende ondernemers zijn eenmanszaken en samenwerkingsverbanden zoals vof’s (vennootschappen onder firma) die zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en direct een BTW-nummer krijgen. Deze inschrijving wordt daarna normaliter binnen vijf werkdagen schriftelijk bevestigd door de Belastingdienst. Op 19 januari jl. duurde het maximaal 15 werkdagen voordat de inschrijving bevestigd werd. Dit is op dit moment teruggelopen tot zeven werkdagen. De startende ondernemer kan het BTW-nummer dat hij van de KvK krijgt direct gebruiken en vermelden op zijn facturen.
Het resterende deel van de startende ondernemers (minder dan 10%) krijgt bij inschrijving bij de KVK niet direct een BTW-nummer omdat de Belastingdienst daar eerst extra aanvullende informatie bij moet voegen. Dit betreffen bijvoorbeeld BV’s waarvoor de Belastingdienst de oprichtingsakte nodig heeft. De verwerkingstijd voor het afgeven van een BTW-nummer voor deze ondernemers bedraagt op dit moment 12 werkdagen.
De Belastingdienst is er niet mee bekend dat starters hinder ondervinden bij het innen van rekeningen.
Klopt het dat deze piek in aanvragen zich elk jaar voordoet en zo ja, waarom zijn er dan niet eerder maatregelen getroffen om dit capaciteitsprobleem op te lossen? Welke actie wordt ondernomen om te voorkomen dat dit volgend jaar opnieuw een knelpunt vormt voor startende ondernemers?
Deze piek doet zich ieder jaar voor en ieder jaar worden maatregelen getroffen om de piek op te vangen. Dat doet de Belastingdienst door in januari extra capaciteit in te zetten op dit proces. Echter door de hogere piek dit jaar was deze extra capaciteit dit jaar niet voldoende om dit op te vangen. Daarnaast heeft er zich in januari een verstoring voorgedaan in de systemen waardoor nieuwe ondernemers enkele dagen niet geregistreerd konden worden en was er aan het einde van vorig jaar al een kleine achterstand. Inmiddels zijn maatregelen getroffen om de achterstand weg te werken.
MKB-Nederland geeft aan te rekenen op enige coulance van de Belastingdienst in nijpende situaties die kunnen ontstaan door de vertraging; kunt u bevestigen dat startende ondernemers inderdaad op enige coulance kunnen rekenen indien dat nodig is?
De verwachting is dat startende ondernemers geen nadeel zullen ondervinden van de vertraging. Zie ook het antwoord bij vraag 2. Daarnaast bestaat er voldoende tijd om tijdig aangifte te doen en een eventuele BTW-teruggave te claimen.
Een startende ondernemer kan via de Belastingtelefoon (onderbouwd) verzoeken om spoed voor het afgeven of bevestigen van een BTW-nummer. Dit is ook al gebeurd. Overigens zijn er tot op heden geen klachten binnengekomen bij de Belastingdienst over de vertraging.
Treden er meer knelpunten op bij de Belastingdienst doordat het aantal inschrijvingen van startende ondernemers hoger ligt dan waar de Belastingdienst op was ingesteld?
Er zijn op dit moment geen andere knelpunten bij de Belastingdienst door het verhoogde aantal inschrijvingen van startende ondernemers.
Het bericht 'Eritrese intimidatie in Nederland breidt zich uit' |
|
Gert-Jan Segers (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het berichtgeving dat de Eritrese intimidatie tegenover critici van het Eritrese regime in Nederland steeds ernstigere vormen aanneemt?1
Ja.
Is het u bekend dat critici van dictator Afewerki steeds vaker worden bedreigd, achtervolgd, en/of geïntimideerd door voorstanders van het regime? Welke maatregelen worden er door u genomen om de veiligheid van deze critici en de vrijheid van meningsuiting te waarborgen?
De recente berichten in de media over de door u aangehaalde zaken zijn mij bekend. Afpersing en soortgelijke feiten zijn ernstige misdrijven die de aandacht hebben van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien er een concreet vermoeden bestaat dat dergelijke ernstige strafbare feiten worden gepleegd, zal hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Politie en het Openbaar Ministerie zullen zich altijd inspannen om signalen van ernstige misdrijven te onderzoeken en indien aan de orde mogelijke slachtoffers van ernstige misdrijven actief te wijzen op de mogelijkheid tot het doen van aangifte.
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde incidenten waarbij critici van het Eritrese regime zijn lastiggevallen of bedreigd? Hebben er incidenten plaatsgevonden in/en rondom opvanglocaties van asielzoekers? Zijn de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en medewerkers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) alert op eventuele ronselpraktijken?
Het Openbaar Ministerie en de politie registeren niet specifiek in de systemen op de relatie van delicten met het Eritrese regime. Er is dan ook geen overzicht te geven van het aantal incidenten.
Bij het COA zijn geen signalen bekend van incidenten in of rondom opvanglocaties waarbij critici van het Eritrese regime zijn lastig gevallen of bedreigd. Het COA staat expliciet geen ronselpraktijken toe op locaties. Het COA laat niet iedereen toe op de locaties; er geldt een bezoekersregeling en een bezoekersadministratie. Alle vrijwilligers, die op een locatie van het COA activiteiten willen verrichten, worden vooraf gescreend.
Welke maatregelen heeft u genomen om ervoor te zorgen dat IND-tolken op geen enkele wijze betrokken zijn bij dergelijke ongewenste praktijken? Hoeveel IND-tolken zijn er in de afgelopen vijf jaar geschorst of ontslagen vanwege banden met het Eritrese regime?
In algemene zin geldt dat, voordat een tolk in het tolkenbestand van de IND wordt opgenomen, de tolkencoördinator van de IND een uitgebreid kennismakingsgesprek houdt, waarin de gedragscode tolken en in het bijzonder de vereiste integriteit, objectiviteit en neutraliteit aan de orde komen. De tolk dient voorts een VOG profiel 80 (hetzelfde profiel als gebruikt wordt voor toelating tot het Register beëdigde tolken en vertalers) te overleggen. Een tolk die door de IND wordt gebruikt, moet elke vijf jaar een nieuwe VOG overleggen. Bij vermoedens van integriteitschending onderzoekt de tolkencoördinator deze schending en zo nodig wordt het onderzoek overgedragen aan bureau integriteit binnen de IND.
In 2015 is de gedragscode tolken aangepast. Bij de aanpassing is de kring personen waarmee de tolk banden heeft, en waarover de IND moet worden ingelicht, uitgebreid. Ook werd in de code verduidelijkt hoe de IND vervolgens handelt. De aangepaste gedragscode is op 14 oktober 2015 naar alle tolken in het IND-bestand per e-mail toegestuurd. De Tigrinja-tolken hebben allen in een persoonlijk onderhoud moeten verklaren dat zij de aangepaste gedragscode hebben begrepen. Ook is deze tolken expliciet gevraagd eventuele meldingen alsnog te doen en te verklaren dat zij naar waarheid hebben geantwoord. Naar aanleiding van de gesprekken is in een aantal gevallen geconstateerd dat er nader onderzoek nodig is. Hangende dit onderzoek worden de betreffende tolken niet ingezet door de IND.
Om er zeker van te zijn dat het proces dat op dit moment wordt gehanteerd om de integriteit van tolken te waarborgen binnen de IND goed is ingericht, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie besloten om dit proces door een externe partij binnen de rijksoverheid te laten doorlichten.
De afgelopen vijf jaren is ten aanzien van twee tolken Tigrinja besloten om niet langer gebruik van hen te maken vanwege een sterke schijn van betrokkenheid bij het regime in Eritrea. Over deze twee zaken is uw Kamer op 3 november 2015 per brief geïnformeerd.
Bent u bekend met de bestaande praktijk dat de Eritrese gemeenschap in Nederland onder druk wordt gezet om geld af te staan aan het regime? In hoeverre is er onderzoek gedaan naar het heffen van (oorlogs)belasting door het Eritrese regime onder de Eritrese gemeenschap in Nederland? Kunt u aangeven of de verschillende Eritrese culturele festivals bij dit onderzoek zijn betrokken? Welke maatregelen heeft u genomen om deze praktijken aan banden te leggen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen van de leden Karabulut en Jasper van Dijk (beiden SP) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Buitenlandse Zaken dd. 20 juni 20142. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie sindsdien is gewijzigd.
Het bericht ‘Asscher: goud in handen bij twee dagdelen kinderopvang’ |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asscher: goud in handen bij twee dagdelen kinderopvang»?1
Ja.
Op welke termijn kan de Kamer een kabinetsreactie verwachten met betrekking tot het SER-advies over kinderopvang dat deels voorsorteert op een volgende kabinetsformatie? Wilt u in uw reactie ingaan op de vraag in hoeverre u de visie van de SER onderschrijft dat kinderopvang niet alleen van belang is als arbeidsmarktinstrument maar ook voor de ontwikkelingskansen van kinderen?
Ik ben voornemens om uw Kamer voor de zomer een kabinetsreactie op het SER-advies te sturen. In deze reactie zal ik tevens ingaan op de verschillende doelen die de kinderopvang dient zowel het bevorderen van de arbeidsparticipatie als het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.
Deelt u de mening dat zo snel mogelijk aan de slag gegaan moet worden met de korte termijnvoorstellen van de SER? Bent u bereid om in uw kabinetsreactie toe te lichten hoe u nog in deze kabinetsperiode verder werk kunt maken van de voorgestelde maatregelen op de korte termijn zoals het experimenteren met verdere samenwerking en kwaliteitsverbetering?
De SER heeft een zeer compleet advies uitgebracht met acties voor zowel korte als langere termijn. Dit uitgebreide advies vereist een zorgvuldige reactie vanuit het kabinet. De komende periode ga ik het advies zorgvuldig bestuderen. Voor de zomer kom ik met een integrale reactie op het advies van de SER, waarin ik in ieder geval aandacht besteed aan wat in deze kabinetsperiode haalbaar is.
Bent u bereid om te bevorderen dat het deel van het advies dat gaat over de middellange en lange termijn niet in een la verdwijnt maar op de agenda wordt gezet van een volgend kabinet? Bent u bereid eventuele voorstellen die naar voren gehaald kunnen worden alvast op te pakken zoals het onderzoek naar de betaalbaarheid en het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen onder de 2 jaar?
Ja, ik zal kijken hoe ik recht kan doen aan het advies van de SER op de middellange en lange termijn. Ook kijk ik of bepaalde aanbevelingen voor de midden en lange termijn naar voren kunnen worden geshaald. Ik zal hier in de kabinetsreactie op terugkomen.
Het niet zorgvuldig omgaan met het medisch beroepsgeheim door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Grace Tanamal (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «UWV rommelt nog steeds met medisch beroepsgeheim»? 1
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat UWV-medewerkers, die hiertoe niet bevoegd zijn, nog altijd vragen naar medische informatie en deze ook verwerken?
Ik vind het van groot belang dat UWV handelt in overeenstemming met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp). Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 16 maart 2016 laten weten dat er informatie wordt verwacht van het UWV over de opvattingen van de Autoriteit Persoonsgegevens over het verwerken van gegevens door medewerkers verzuimbeheersing van het UWV. Op 23 oktober 2017 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de definitieve bevindingen van het onderzoeksrapport over het verzamelen van gegevens betreffende iemands gezondheid door medewerkers verzuimbeheersing aan het UWV doen toekomen. Bij het onderzoek naar de verzameling van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid door medewerkers verzuimbeheersing van het UWV heeft de Autoriteit Persoonsgegevens overtreding van artikel 16 Wbp geconstateerd. UWV heeft mij laten weten dat het een nieuw model voor het Ziektewet arboproces gaat implementeren. Met dit nieuwe model zal de medewerker verzuimbeheersing gaan werken onder de verantwoordelijkheid van de verzekeringsarts. Dit model is in overeenstemming met de Wbp. Aan het UWV heb ik gevraagd om het nieuwe model op een zo kort mogelijk termijn in te voeren. UWV heeft aangegeven dat invoering is voorzien per 1 januari 2019. Dit is de termijn die noodzakelijk is om de invoering zorgvuldig, uitvoerbaar en rechtmatig te laten verlopen. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer eerder laten weten dat UWV heeft aangegeven dat er geen sprake van is geweest dat medische dossiers toegankelijk zijn voor anderen dan zij die daartoe uit hoofde van hun functie toegang toe hebben2.
Herkent u zich in het beeld dat vertrouwelijke medische gegevens nog altijd gemakkelijk zijn in te zien door UWV-medewerkers die hiertoe niet bevoegd zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich eerdere vragen over de privacyschending door medewerkers van het UWV?2
Ja, deze vragen zijn mij bekend. Mijn ambtsvoorganger heeft aan het UWV gevraagd om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om hun opvatting in deze. Dit heeft het UWV op 5 april 2016 gedaan. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid door de medewerker verzuimbeheersing. Op 23 oktober 2017 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens het UWV laten weten dat het handelt met de verbodsbepaling van artikel 16 Wbp. Het UWV is in de periode dat de Autoriteit Persoonsgegevens het onderzoek heeft uitgevoerd, gestart met twee pilots om het Ziektewet arboproces te herzien. De Autoriteit Persoonsgegevens is gedurende de looptijd van het onderzoek meegenomen in de uitvoering en uitkomsten van de pilots.
Heeft u, zoals toegezegd tijdens de beantwoording van die vragen, opheldering gevraagd aan het UWV over het schenden van de privacywetgeving door medewerkers van het UWV? Zo ja, wat zijn hiervan de uitkomsten? Zo nee, wanneer gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn alle maatregelen die het UWV in 2013 zou implementeren om privacyschendingen te voorkomen, en aan de Kamer zijn toegezegd, ook daadwerkelijk doorgevoerd? Zo nee, kunt u toelichten waarom en welke maatregelen niet zijn ingevoerd?
In antwoord op de Kamervragen (TK 2013–2014, nr. 648) heeft mijn ambtsvoorganger u laten weten dat UWV, naar aanleiding van het onderzoek van professor Gevers, verbetermaatregelen heeft getroffen en geïmplementeerd. Naar aanleiding van het vragenuur van 28 oktober 2014 heeft mijn voorganger laten weten dat hij aan het UWV zal vragen of het zich houdt aan de gemaakte afspraken en de wet. Navraag bij het UWV leerde dat bij de implementatie van de verbetermaatregelen de verwerking van gezondheidsgegevens door medewerkers verzuimbeheersing verder is ingeperkt. Om de verzuimduur te kunnen inschatten en voor de vervolgacties in het werkproces registreren zij nog een beperkt aantal gegevens van medische aard:
Het UWV was van mening dat het met deze beperkte ja/nee registratie voldeed aan de Wbp. Het beperkt registreren van gegevens door een functionaris die niet werkzaam is onder taakdelegatie van een verzekeringsarts is niet overeenkomstig het advies van professor Gevers. Professor Gevers adviseerde om de werkzaamheden van de medewerker verzuimbeheersing onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts te brengen. Naar aanleiding van de Kamervragen van het lid Tanamal heeft mijn voorganger aan het UWV gevraagd om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen of deze handelwijze is toegestaan. Parallel aan dit traject was het UWV al gestart om in twee pilots te onderzoeken hoe het Ziektewet arboproces verder verbeterd kon worden. De Autoriteit Persoonsgegevens is door het UWV geïnformeerd over het verloop van de pilots en de uitkomsten daarvan. Naar aanleiding van de conclusie van de Autoriteit Persoonsgegevens naar de verwerking van gegevens betreffende iemands gezondheid door de medewerker verzuimbeheersing zal het UWV het Ziektewet arboproces aanpassen en een nieuw model implementeren. Dit is voorzien per 1 januari 2019. Dit nieuwe model zal de verwerking van gegevens betreffende iemands gezondheid door medewerkers verzuimbeheersing onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts brengen.
Vindt u dat de privacy van burgers bij het UWV momenteel voldoende gewaarborgd is? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dit vindt? Zo nee, kunt u aangeven hoe de privacy van burgers beter gewaarborgd kan worden?
Zie antwoord vraag 6.
Kentekenregistratie (in Kampen en Zwolle) om fietsgebruik te bevorderen |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kentekenregistratie om fietsgebruik in Kampen en Zwolle te bevorderen»?1
Ja.
Is voorafgaand aan de start van de kentekenregistratie een privacy impact analyse gedaan? Zo ja, is deze gedeeld met de Autoriteit Persoonsgegevens en bent u bereid deze ook met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Een PIA (Privacy Impact Assessment) is alleen voor de rijksoverheid verplicht als het gaat om ontwikkeling van nieuwe wetgeving en beleid waarmee de bouw van nieuwe ICT-systemen of de aanleg van grote databestanden wordt voorzien. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om een project dat is uitgevoerd door de regionale overheid. Een PIA is niet door de Provincie Overijssel doorlopen en kan derhalve ook niet gedeeld worden.
Is automobilisten de gelegenheid geboden zich vooraf af te melden voor de registratie?
Wegbeheerders kunnen, voor zover dat noodzakelijk is voor de goede vervulling
van hun publieke taak, kentekenregistraties laten plaatsvinden op voorwaarde dat voldaan wordt aan de eisen die vastgelegd zijn in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp, artikel 8, aanhef en onder e).
Het is voor automobilisten niet mogelijk om zich af te melden voor deze kentekenregistraties, zowel niet vooraf als achteraf. Een kentekenhouder kan zich alleen afmelden voor het schriftelijk benaderen door de projectorganisatie. Een automobilist die bezwaar heeft en niet wil meedoen kan in het Nationaal Postregister aangeven niet meer benaderd te willen worden. Daarmee kunnen burgers hun adresgegevens laten blokkeren voor ongevraagde geadresseerde reclamepost. Zij zullen dan niet meer benaderd worden voor deelname.
Ligt het in de lijn der verwachting dat kentekenregistratie om fietsgebruik te bevorderen ook in andere gemeenten wordt geïntroduceerd? Zo ja, over welke gemeenten gaat dit en binnen welk tijdsbestek acht u het waarschijnlijk dat de registratie operationeel wordt?
De komende twee jaar worden er, als onderdeel van het programma Beter Benutten, door regionale overheden meerdere projecten uitgevoerd gericht op het stimuleren van fietsgebruik. Deze projecten voldoen aan de voorwaarden van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Om de privacy conform de wet te borgen is door mijn ministerie samen met experts de privacy referentie architectuur ontwikkeld die bij deze projecten wordt toegepast.
De verwachting is dat bij enkele van deze fietsstimuleringsprojecten kentekenregistraties ten behoeve van werving en nulmeting worden uitgevoerd. Dit geldt in ieder geval voor het fietsstimuleringsproject van de gemeente Breda. Het is op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen voor welke andere projecten dit ook zal gelden, omdat deze projecten nog opgezet en aanbesteed dienen te worden. Het is verder aan de aanbestedende partij en/of de inschrijvende marktpartijen om de keuze te maken of gebruik wordt gemaakt van kentekenregistraties of van andere methoden voor het registreren en werven van deelnemers.
De rol van belastingparadijzen in het vergroten van de wereldwijde ongelijkheid |
|
Arnold Merkies |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport «An economy for the 1%» van Oxfam?
Ja
Wat is uw opvatting over het feit dat in 2010 nog 388 miljardairs nodig waren om de welvaart van de armste helft van de wereldbevolking te evenaren en dat hier in 2015 nog maar 62 miljardairs voor nodig waren?
Het kabinet heeft zijn opvattingen over de vermogensverdeling in Nederland eerder kenbaar gemaakt per brief (Kamerstuk 34 000-IX, nr. 7). Verder blijkt uit recent onderzoek van het CPB dat de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2009–2013 weliswaar is toegenomen, maar dat deze toename zeer beperkt is als rekening wordt gehouden met de pensioenbesparingen van Nederlandse huishoudens. Daarnaast blijkt uit cijfers van het CBS dat als gevolg van de stabilisatie van de huizenprijzen, de vermogensongelijkheid in 2014 in Nederland niet verder is toegenomen.
Wat is uw opvatting over het feit dat de wereldwijde ongelijkheid steeds verder toeneemt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat het vermogen van de rijkste 62 mensen de afgelopen vijf jaar met 500 miljard dollar is gegroeid en dat het vermogen van het armste deel van de wereldbevolking in die periode met 1000 miljard dollar is gedaald?
Ik heb hier geen andere informatie over dan het rapport waar de vragen naar verwijzen. Vele factoren kunnen hier een rol spelen.
Erkent u dat belastingontwijking- en ontduiking een rol spelen bij het in stand houden dan wel het vergroten van de ongelijkheid, omdat het niet (kunnen) innen van belastinggeld overheden de mogelijkheid ontneemt om (extreme) armoede tegen te gaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
De toename van de ongelijkheid in de hele wereld is het gevolg van een veelheid van factoren. Er zijn verschillende economische, demografische en politieke ontwikkelingen aan te wijzen die mogelijk een bijdrage hebben geleverd aan de toegenomen vermogensongelijkheid wereldwijd. Zo kunnen globalisering, technologische ontwikkelingen en beleidskeuzes hieraan hebben bijgedragen. Ook Belastingontwijking en -ontduiking door individuen en bedrijven zou daarbij een rol kunnen spelen. Overigens verschillen de oorzaken van de toegenomen ongelijkheid ook per land.
Kunt u concreet uitleggen hoe internationale fiscale ontwikkelingen (waaronder onder meer het BEPS-project) die gaande zijn het voor multinationals en rijke individuen onmogelijk maken om geld te stallen op belastingparadijzen om belastingafdracht te ontwijken of te ontduiken?
Het BEPS project van de OESO en de G20 en het recent door de Europese Commissie voorgestelde «Anti tax Avoidance Package» richten zich op internationaal opererende bedrijven, niet op (rijke) individuen. De maatregelen die in deze projecten worden voorgesteld werken op drie manieren. Meer aandacht voor substance moet er voor zorgen dat de heffing van belasting beter aansluit bij waar bedrijven meerwaarde creëren door hun economische activiteiten. Meer coherentie moet ervoor zorgen dat bedrijven niet kunnen inspelen op verschillen tussen rechtssystemen om hun belastingafdracht te drukken. Tot slot moet meer transparantie ervoor zorgen dat belastingdiensten in verschillende landen een beter inzicht hebben in de feiten en daardoor beter in staat zullen zijn de juiste aanslag op te leggen. Deze drie benaderingen zullen ervoor zorgen dat het moeilijker wordt op kunstmatige wijze de belastbare winst te drukken.
Om belastingontduiking door (rijke) individuen tegen te gaan zijn vooral maatregelen gericht op transparantie zinvol. In dat kader zijn de laatste tien jaren enorme vorderingen gemaakt. Nederland behoort bijvoorbeeld tot een van koplopers met implementatie van de Common Reporting Standard.
Wat is uw reactie op het feit dat veel geld van Nederland naar oorden gaat als de Britse Maagdeneilanden, de Kaaimaneilanden en Luxemburg, die door velen als belastingparadijs worden gezien?
Noch uit de voetnoten in het bedoelde rapport waarin Nederland wordt genoemd, noch uit de passages waar deze voetnoten bij zijn gemaakt, noch uit bronnen waar de voetnoten naar verwijzen, leid ik af dat het rapport betalingen vanuit Nederland aan inwoners van de andere genoemde landen heeft onderzocht.
Personeelstekorten bij de Koninklijke Marechaussee |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Welke maatregelen gaat u nemen om personeelstekorten zoals bij de paspoortcontrole op Schiphol in de toekomst te voorkomen?1
Er is inderdaad veel druk op de KMar-capaciteit ontstaan. Deze druk is enerzijds ontstaan door de toegenomen vraag naar KMar-capaciteit in het kader van beheersen en controleren van de migratiestromen en de bestrijding van terrorisme. Anderzijds is het aantal passagiers dat gebruik maakt van Schiphol in de afgelopen jaren fors gestegen. De KMar doet er alles aan om lange wachtrijen op Schiphol te voorkomen. De «passagiersdoorstroming» is dagelijks onderwerp van gesprek tussen de KMar en Schiphol. In deze gesprekken wordt ingegaan op de capaciteitsinzet, prioritering en stroomlijning van processen. Ook wordt gekeken naar innovatieve manieren om het grensproces te optimaliseren. Hierbij worden echter geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de grensbewaking en aan de veiligheid van de luchthavens.
Klopt het dat vanwege personeelstekorten bij de Koninklijke Marechaussee veelvuldig met personeel moet worden geschoven? Welke prioritering wordt daarbij aangehouden?
Door de actuele ontwikkelingen rond terrorismebestrijding en de toegenomen migratiestromen, is de inzet van de KMar-capaciteit geïntensiveerd. In de brieven van 18 september en 9 november 2015 (Kamerstukken II 2015/16 32 317, nr. 322 en 19 638, nr. 207), 8 februari 2016 (Kamerstuk 19 637, nr. 2122) en 23 februari (Kamerstuk 2016Z03866) bent u hierover geïnformeerd. Voor zowel de grensbewakingstaak als de bewaken- en beveiligingstaak is de inzet van KMar-capaciteit geherprioriteerd en hebben personele verschuivingen plaatsgevonden.
Kunt u aangeven hoe de omvang van het personeelsbestand bij de Koninklijke Marechaussee zich de komende jaren naar verwachting ontwikkelt?
Zoals gemeld in de Kamerbrief «versterking van de veiligheidsketen» van 27 februari 2015 (kenmerk 3807309) wordt de KMar-capaciteit uitgebreid met zes pelotons voor de bewaking en beveiliging van bepaalde objecten met een hoog risico profiel. Snelle opschaling in het geval van een hogere dreiging is daarmee ook mogelijk op langere termijn. Op dit moment wordt gefaseerd extra personeel geworven en opgeleid. Dit extra personeel is naar verwachting eind 2016 ingestroomd bij defensie. In afwachting hiervan is, zoals gesteld in het antwoord bij vraag 2, voor de bewakings- en beveiligingstaak KMar-capaciteit geherprioriteerd.
Kunt u procentueel en in aantallen VTE’s inzichtelijk maken voor welke taken de Koninklijke Marechaussee over 2016 wordt ingezet?
De toebedeling van de KMar-capaciteit aan de verschillende taken gebeurt op basis van jaarprognoses. De precieze invulling in de dagelijkse praktijk is afhankelijk van verschillende factoren en fluctueert. Voor 2016 kan indicatief worden gesteld dat de operationele KMar-capaciteit uit ongeveer 4.475 VTE bestaat. 55% wordt ingezet voor de grenspolitietaak, 32% voor Bewaken en Beveiligen en 13% voor (inter)nationale en militaire politietaken. Met het oog op de huidige ontwikkelingen wordt nauwgezet gekeken naar taakinvulling, inzet en verdringing. Hierover wordt frequent overleg gevoerd met Veiligheid en Justitie.
Kunt u per maand aangeven hoeveel VTE's van de Koninklijke Marechaussee in 2016 worden ingezet in het buitenland? Kunt u daarbij onderscheid maken per (militaire) missie/operatie/detachering? Bent u bereid om deze mensen terug te halen c.q. niet uit te zenden, omdat ze hier in Nederland hard nodig zijn?
KMar-personeel wordt ook ingezet bij internationale vredesoperaties en politiemissies. Hiervoor zijn zij opgeleid, getraind en bevoegd. Dit gebeurt onder het bevoegd gezag van Defensie. Gedurende 2015 waren gemiddeld 50 marechaussees op uitzending. Naast deze inzet wordt de KMar ook internationaal (onder gezag van V&J) ingezet voor Frontex, dit betrof in 2015 circa 18 VTE. Volledigheidshalve wordt ter aanvulling verwezen naar de Kamerbrief over de Nederlandse inzet in Frontex-operaties in 2016 en de ontplooiing van het Border Security Team in de Frontex-operatie Poseidon (Kamerstuk II 2015/16 32 317, nr. 379), en zo ook mijn brief over de uitvoering van de motie-Teeven/Knops van 23 februari (kamerstuknummer 2016 Z03866). Verder worden marechaussees ingezet voor bijzondere beveiligingsopdrachten op een aantal Nederlandse ambassades en bij buitenlandbezoeken van hoogwaardigheidsbekleders. Hier worden, vanwege de operationele gevoeligheid, verder geen mededelingen over gedaan.
Is de Koninklijke Marechaussee nog wel voldoende in staat om de aanhoudende stroom migranten/asielzoekers en de voortdurende terreurdreiging het hoofd te bieden, zonder andere taken en geoefendheid te verwaarlozen?2
Op basis van de huidige situatie en de opdrachtstelling vanuit de gezagen, is de KMar in staat haar kerntaken uit te voeren en de daarvoor benodigde geoefendheid te handhaven. Wel is er sprake van krapte. Tussen de gezagen wordt regelmatig de prioritering van de inzet van KMar besproken. Als blijkt dat de uitvoering van de kerntaken van de KMar in het geding komt, worden de wenselijkheid en mogelijkheid van prioritering en of aanvullende maatregelen vanzelfsprekend beoordeeld.
Bent u bereid om geen enkele asielzoeker meer tot Nederland toe te laten en de Koninklijke Marechaussee in te zetten voor grensbewaking in plaats van voor het faciliteren van de asieltsunami?
Zoals eerder gemeld door mijn collega Dijkhoff, (Aanhangsel van de handelingen 2015/2016, nr.136) worden asielaanvragen op individuele basis beoordeeld. Als een asielzoeker geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, maar enkel vanwege economische motieven een asielaanvraag doet, wordt deze afgewezen en verkrijgt de asielzoeker geen verblijfsrecht in Nederland.
Kunt u deze vragen separaat en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De signalen dat DNA-onderzoeken door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn vertraagd |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat ruim 250 DNA-onderzoeken zijn vertraagd?1
Het is spijtig dat er inderdaad rond de 250 DNA-onderzoeken zijn vertraagd, een combinatie van verschillende elkaar versterkende factoren is hier debet aan. Zo was de werkdruk voor de ontstane vertraging al hoog door de werkzaamheden rond de MH17. Dit in combinatie met het ziekteverzuim, de reorganisatie en een hogere instroom rond Kerst hebben geleid tot deze vertraging. Een vertraging die inmiddels is teruggebracht tot 74 onderzoeken. Ter verduidelijking merk ik op dat het NFI ongeveer 1.000 DNA-onderzoeken per week worden verwerkt, in 2015 bedroeg het aantal DNA-onderzoeken 49.239.
Om het effect van deze vertraging te minimaliseren zijn er verschillende maatregelen genomen om deze achterstanden in te lopen. Zo wordt onder andere tijdelijk extra capaciteit ingezet via samenwerking met andere instituten en worden vacatures zo snel mogelijk ingevuld. Daarnaast wordt in nauwe samenwerking met Politie en OM bekeken welke zaken met prioriteit onderzocht moeten worden. Hierdoor wordt zoveel mogelijk voorkomen dat bijvoorbeeld zittingsdata niet worden gehaald. Met de ingezette maatregelen wordt het vertraagde werk zo snel mogelijk ingehaald.
Om knelpunten in de capaciteit op te vangen heb ik vanaf dit jaar € 5 miljoen extra budget vrijgemaakt voor forensisch onderzoek.
Klopt het dat de afgesproken tijd voor DNA-onderzoek in de meeste gevallen met maximaal drie maanden wordt overschreden? Zo nee, hoe lang zijn onderzoeken dan wel vertraagd?
Nee. Jaarlijks worden er circa 50.000 DNA-onderzoeken opgeleverd. Ten aanzien van 269 onderzoeken waarover in januari 2016 is gecommuniceerd, bedraagt de vertraging maximaal drie maanden. Op dit moment is dit reeds teruggebracht tot 74 onderzoeken. De verwachting is dat deze vertraagde onderzoeken binnen een maand zullen zijn afgehandeld. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vragen 1 en 4 zijn diverse maatregelen genomen om het effect van deze vertraging te minimaliseren.
Klopt het dat tijdelijk extra capaciteit moet worden vrijgemaakt voor het doen van DNA-onderzoek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maar tijdelijk en wat zijn de kosten voor het inzetten van extra capaciteit? Waar wordt deze capaciteit vandaan gehaald?
Ja, omdat de huidige bezettingsgraad van deze onderzoeksafdeling lager is dan normaal is tijdelijk extra capaciteit vrijgemaakt om de achterstanden in te lopen. Deze extra capaciteit is gecreëerd door de interne detachering van een deskundige tijdelijk terug te draaien. Daarnaast is er tijdelijk 1 externe NRGD-geregistreerde2 deskundige ingehuurd. De kosten worden betaald vanuit het reguliere budget dat onder andere gereserveerd is voor vacante functies die wegens de reorganisatie (nog) niet konden worden ingevuld.
Wat zijn de redenen dat er vertraging is opgelopen bij de DNA-onderzoeken? Hoe kan het dat deze vertraging niet is voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er geen sprake kan zijn van een tijdelijk hoge instroom, aangezien er een limiet is aan de instroom door middel van afspraken gemaakt in de service level agreement? Zo nee, waarom niet? Kunt u een overzicht geven van de instroomcijfers van de laatste jaren?
De service level agreement (SLA) biedt beperkt ruimte voor flexibiliteit en fluctuaties in de instroom per maand. Dit mechanisme werkt over het algemeen naar tevredenheid van het NFI en opdrachtgevers. De werkdruk door de instroom rond de kerst was relatief hoog gelet op de lagere beschikbare capaciteit. Samen met de andere factoren kon hierdoor de huidige situatie ontstaan.
De instroom van DNA-onderzoeken in 2015 bedroeg 49.239 en in 2014 43.002. De lagere instroom in 2014 is te verklaren door de werkzaamheden in verband met het identificatieonderzoek rond de ramp met MH17. Dat werk wordt niet bij de reguliere instroomcijfers meegeteld.
Hoe hoog is het ziekteverzuim bij de afdeling Humane Biologische Sporen van het NFI? Kunt u de cijfers daarvan over de afgelopen vijf jaar tot en met nu geven? Hoe verklaart u dit ziekteverzuim?
Het ziekteverzuim bij de afdeling Humane Biologische Sporen (HBS) betrof de afgelopen jaren:
2011
3,0%
2012
3,2%
2013
3,5%
2014
5,1%
2015
4,6%
Hiermee ligt het ziekteverzuim van de afdeling sinds 2014 hoger dan het verzuim binnen het NFI in zijn geheel (2013: 3,6% en in 2014: 3,6%), maar is deze niet hoger dan die van de rijksoverheid (2013: 5% en in 2014: 5,2%). De hoogte van het ziekteverzuim heeft meerdere oorzaken. Het ziekteverzuim wordt deels verklaard door niet-werkgerelateerde factoren en deels door werkgerelateerde factoren. De werkgerelateerde factoren zien op een grote werkvoorraad bij de afdeling door bijvoorbeeld een aantal omvangrijke zaken, het doorvoeren van een nieuwe werkwijze en de onzekere periode die de reorganisatie met zich meebrengt.
Hoe kan de hoge werkdruk, het ziekteverzuim en het capaciteitstekort worden opgelost als er tegelijkertijd moet worden bezuinigd op het NFI? Hoe doorbreekt u deze onwenselijke situatie?
De capaciteit zoals voorzien in de nieuwe organisatiestructuur is toereikend om regulier werkaanbod aan te kunnen. Het NFI wordt nu gereorganiseerd, hetgeen gepaard gaat met tijdelijke knelpunten. Zoveel mogelijk knelpunten zijn inmiddels opgevangen met nieuwe tijdelijke of structurele medewerkers waardoor het de verwachting is dat de werkvoorraad zal dalen.
Daarnaast is er ondertussen een overeenkomst gesloten tussen de Algemeen Directeur van het NFI en de Ondernemingsraad ten aanzien van de reorganisatie. De vakbonden zijn op basis van die afspraken akkoord gegaan met het ingaan van de volgende fase van de reorganisatie. De nieuwe organisatie start per 1 april.
Wat zijn de gevolgen van de hoge werkdruk voor de kwaliteit en de zorgvuldigheid van de onderzoeken?
De kwaliteit van het onderzoek staat bij het NFI voorop. Hier worden dan ook geen concessies aan gedaan. In elke stap van het DNA-onderzoek zijn controlestappen ingebouwd om de kwaliteit te waarborgen.
Hoe wordt in de toekomst voorkomen dat de afdeling Humane Biologische Sporen elk jaar weer te maken krijgt met overbelasting? Waarom komt er geen structurele oplossing?
De beoogde capaciteit in de nieuwe organisatie is toereikend om regulier werkaanbod aan te kunnen. Naast tijdelijke maatregelen ontwikkelt de afdeling structurele verbeterinitiatieven (zowel op werkwijzen als op digitalisering), waardoor de robuustheid van de bedrijfsvoering verder wordt verbeterd. Daarnaast heb ik vanaf 2016 € 5 miljoen extra beschikbaar gesteld voor het forensisch onderzoek. Dit kan onder andere gebruikt worden voor extra capaciteit op onderzoeksgebieden waar daar behoefte aan is.
Hoe staat de vertraging in het DNA-onderzoek in verhouding tot de belofte dat de kernproductie onverkort overeind blijft ondanks de bezuiniging op het NFI?2
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de reorganisatie is uitgesteld? Zo ja, klopt het dat daardoor geen vacatures kunnen worden ingevuld? Hoe wordt dan het tekort aan capaciteit structureel opgelost?
Ja. Inmiddels is er een overeenkomst tussen de Algemeen Directeur en de Ondernemingsraad waarbij de vakbonden op basis van die afspraken akkoord zijn gegaan met het ingaan van de verplichte fase van het «Van Werk Naar Werk»-traject. De nieuwe organisatie zal nu ingaan op 1 april 2016, een kwartaal later dan de eerder beoogde ingangsdatum.
Het klopt deels dat de (rechtspositionele) procedures leidde tot vertraging in het vervullen van vacatures. Daarnaast is het vanwege de specialistische aard van het werk niet altijd makkelijk geschikt personeel te vinden en deze direct volledig in te zetten. Nieuwe medewerkers krijgen een inwerk- en opleidingsperiode die soms langer dan twee jaar duurt.
Welke gevolgen heeft de reorganisatie voor andere afdelingen binnen het NFI? Hoe gaat u voorkomen dat ook andere afdelingen te maken krijgen met te hoge werkdruk en capaciteitsgebrek?
Voor alle onderdelen geldt dat de beoogde capaciteit in de nieuwe organisatie toereikend zal zijn om regulier werkaanbod aan te kunnen. Daarbij zal door inzet van vroegtijdige signalering mogelijke vertraging zoveel als mogelijk worden voorkomen. Ook de vanaf dit jaar beschikbare extra middelen dragen hieraan bij.
Waarom heeft de Kamer nog steeds niet de driemaandelijkse signalering forensisch onderzoek ontvangen? Bent u bereid om deze signalering voor zover deze al klaar is alsnog aan de Kamer te doen toekomen?
De driejaarlijkse signalering wordt momenteel opgesteld onder leiding van prof. S. Zouridis van de Universiteit van Tilburg. Momenteel vindt inhoudelijk overleg plaats in de expertgroep met daarin vertegenwoordigers van OM, Politie, NFI, particuliere instituten en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Omdat dit de eerste signalering is waarin wezenlijk strategische vraagstukken behandeld worden wil ik daarvoor ook voldoende gelegenheid bieden. Eerst na afronding zal ik de driejaarlijks signalering aan de Kamer doen toekomen. Ik streef ernaar dit voor het zomerreces aan uw Kamer aan te beiden.
Bent u bereid om een onderzoek te laten doen naar de managementcultuur binnen het NFI en de manier waarop met personeel wordt omgegaan? Zo nee, waarom niet gezien de vele klachten die al maandenlang de ronde doen over de patstelling tussen personeel en management en het hoge ziekteverzuim?
Ja. De Algemeen directeur van het NFI en de Ondernemingsraad hebben reeds afspraken gemaakt over de inhoud en uitvoering van een dergelijk onderzoek.
De nieuwe onthullingen rondom de Teevendeal |
|
Michiel van Nispen (SP), Judith Swinkels (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid, in afwachting van het nieuwe onderzoek van de commissie-Oosting, de volgende vragen zo snel mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Was u ten tijde van het debat over het rapport van de commissie Oosting op 16 december 2015 op enigerlei wijze op de hoogte van het feit dat de zoektocht naar het bonnetje begin juni 2014 moest worden gestaakt?
Nee.
In hoeverre was u in het Kamerdebat over het onderzoek naar professor Maat op 20 januari 2016 reeds op de hoogte van de nieuwe onthullingen van Nieuwsuur dat het onderzoek naar de back-up waarin de gegevens getraceerd konden worden moest worden stopgezet? In hoeverre heeft dit uw houding in dit debat beïnvloed? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op 19 januari nam de heer Haan, journalist van Nieuwsuur, contact op met de Directie Voorlichting van mijn ministerie. De heer Haan heeft toen kenbaar gemaakt over welk onderwerp hij voornemens was te publiceren. De heer Haan vroeg om een gesprek met de secretaris-generaal van mijn ministerie om de inhoud toe te lichten. Op 20 januari is de afspraak voor dit gesprek bevestigd. Op 22 januari heeft een gesprek plaatsgevonden van de heer Haan met de secretaris-generaal in aanwezigheid van een medewerker van de Directie Voorlichting waarin de heer Haan enkele geanonimiseerde mails van begin juni 2014 overhandigde. Diezelfde dag ontving ik een afschrift van de brief van de heer Oosting aan de heer Haan, waarvan de geanonimiseerde mails onderdeel uitmaakten.
Ten tijde van het Kamerdebat over het onderzoek naar professor Maat op 20 januari 2016 was ik niet op de hoogte van de inhoud van de publicatie van Nieuwsuur en heeft dit derhalve mijn houding in het debat niet beïnvloed. Wel was ik er van op de hoogte dat er op 22 januari een gesprek zou plaatsvinden tussen mijn secretaris-generaal en de heer Haan waarin de inhoud van de publicatie zou worden toegelicht. De secretaris-generaal heeft mij direct na afloop van dit gesprek geïnformeerd over hetgeen de heer Haan heeft toegelicht.
Bent u bereid te garanderen dat de betrokken ICT-medewerkers op geen enkele wijze negatieve consequenties kunnen of zullen ondervinden van het feit dat zij openheid van zaken zullen geven over de gang van zaken, ook niet als blijkt dat zij zich eerder om wat voor reden dan ook niet gemeld hebben bij leidinggevenden van het ministerie of de commissie Oosting?
Ja. Hiervoor verwijs ik naar mijn brief van 29 januari jl. welke reeds aan uw Kamer is overhandigd.
De sluiting van een parkeerplaats voor vrachtwagenchauffeurs bij Venlo |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over de voorgenomen sluiting van parkeerterrein de Keulse Barrière?1
Het parkeerterrein aan de Keulse Barrière is lange tijd in gebruik geweest als parkeerplaats voor vrachtwagenchauffeurs. Met de komst van de A74 is de internationale hoofdverkeersstructuur rond Venlo ingrijpend gewijzigd. De gemeente Venlo heeft ervoor gekozen om de focus van logistieke activiteiten te verleggen naar de Tradeports en dit terrein te sluiten. Het terrein is eigendom van de gemeente Venlo en zij kan dan ook zelfstandig beslissen over het wel of niet openhouden van dit terrein.
Wat vindt u van de situatie dat de oprit naar het parkeerterrein momenteel is afgesloten waardoor chauffeurs ingewikkelde manoeuvres moeten uitvoeren om via de afrit op het terrein te komen?
Ik heb begrepen dat er forse schade is aan het wegdek bij de oprit, met mogelijk gevaar voor (vracht)verkeer en fietsers. Omdat het terrein formeel geen parkeerplaats meer is en binnenkort een andere bestemming krijgt, is de gemeente van mening dat investeringen in dit terrein niet meer doelmatig zijn. Uit het oogpunt van veiligheid heeft de gemeente besloten deze oprit af te sluiten.
Deelt u de mening dat dit parkeerterrein een belangrijke functie heeft voor het overdragen van de begeleiding van Convois Exceptionelles, dat anders op een vluchtstrook zou moeten plaatsvinden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit parkeerterrein heeft lange tijd dienst gedaan voor de overdracht van Convois Exceptionnelles. Met de aanleg van de A74 en de wens van de gemeente Venlo om de logistieke activiteiten te verleggen naar de tradeports, is dit terrein volgens de gemeente Venlo geen logische locatie meer, los van het feit dat er een andere bestemming op zit. Daarnaast geeft de gemeente aan dat bedrijven op eigen terrein moeten voorzien in manoeuvreer- en parkeerruimte. Bij de grensovergang op de A67 is een terrein speciaal ingericht voor de overdracht van de begeleiding bij bijzondere transporten. De vluchtstrook is geen veilige plek om dergelijke overdrachten plaats te laten vinden.
Bent u bereid om in overleg met de gemeente Venlo tot een goede oplossing te komen in het belang van de wegtransportsector? Wilt u de Tweede Kamer over deze gesprekken informeren?
Het aandragen van een alternatief voor de voorgenomen sluiting van de Keulse Barrière zie ik niet primair als mijn verantwoordelijkheid. Dat neemt niet weg dat ik mee wil denken over hoe de transportsector gefaciliteerd kan worden, en dat doe ik ook al. Diverse gemeenten (waaronder Venlo), provincie, rijk, sector en politie hebben de handen ineen geslagen om gezamenlijk te werken aan het oplossen van de parkeerproblematiek voor vrachtwagens in Limburg, op zowel het hoofdwegennet als het onderliggend wegennet. Wij kijken voor een vrachtwagenparkeerplaats onder andere naar een locatie nabij het kruispunt van de A73/74 en de A67.
Suwinet |
|
Anoushka Schut-Welkzijn (VVD), Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeenten beschermen privacy burgers slecht»?1
Ja
Wat vindt u van de resultaten van het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens dat de beveiliging van gevoelige persoonsgegevens van burgers bij gemeenten nog altijd niet op orde is?
Het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens laat zien dat een aantal gemeenten SUWIinet beter beveiligen en dat er nog gemeenten zijn die de beveiliging niet of onvoldoende op orde hebben. Dat is zorgelijk. Ik ben van mening dat over de privacy van burgers goed moet worden gewaakt en vind het van groot belang dat overheden zorgvuldig omgaan met de informatie van burgers die zij tot hun beschikking hebben.
Gaat u naar aanleiding van de resultaten van het genoemde onderzoek actie ondernemen richting die gemeenten die hun beveiliging niet op orde hebben? Zo ja, welke actie? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Persoonsgegevens kan naar aanleiding van het onderzoek handhavende activiteiten ondernemen en een last onder dwangsom opleggen. Dit is een eigenstandige bevoegdheid van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Ik zal geen actie ondernemen naar aanleiding van het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik heb naar aanleiding van het onderzoek dat de Inspectie SZW in september 2015 is gestart naar de beveiliging van SUWInet de 198 gemeenten die niet voldoen aan alle 7 essentiële normen een aankondiging tot een aanwijzing gestuurd.
Met de Inspectie SZW, de VNG, het UWV en de Autoriteit Persoonsgegevens voer ik regelmatig overleg over de beveiliging van SUWInet bij gemeenten.
Kunt u aangeven wat de huidige stand van zaken is betreffende het escalatieprotocol afsluiten Suwinet?
De Inspectie SZW is in september 2015 met het onderzoek naar de beveiliging van SUWInet bij alle gemeenten gestart. Inmiddels hebben de 198 gemeenten die op het moment van onderzoek door de Inspectie SZW niet aan alle 7 essentiële normen voldeden, een aankondiging tot een aanwijzing van mij ontvangen. In de aankondiging wordt aangegeven binnen welke termijn de beveiliging van SUWInet op orde moet worden gebracht. Deze termijn varieert tussen de 6 en 12 weken.
De gemeente die nalaat om binnen de door mij gestelde termijn de beveiliging van SUWInet op orde te brengen, krijgt een aanwijzing. Deze aanwijzing kan eruit bestaan dat ik gemeenten verplicht om een externe deskundige aan te stellen die de beveiliging van SUWInet op orde moet brengen. De kosten van deze externe deskundige zijn voor rekening van de gemeente. Als uiterste consequentie kan een gemeente worden afgesloten van SUWInet.
Op dit moment voldoen 192 gemeenten aan alle 7 essentiële normen. Het aantal gemeenten dat voldoet aan alle 7 essentiële normen is gestegen van 17% in 2014 tot 49% in september 2015 (de peildatum van het onderzoek van de Inspectie SZW).
Er wordt nu al jaren met de Kamer gesproken over maatregelen om deze beveiliging te verbeteren, maar dat heeft tot nu toe niets opgeleverd; wanneer gaat u in plaats van de «carrot», de «stick» hanteren en gemeenten beboeten voor het niet adequaat beveiligen van de privacy van hun burgers?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de ‘persvrijheid is beknot bij azc-informatieavonden’ |
|
Joost Taverne (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «protest hoofdredacteuren tegen weren pers bij azc-bijeenkomsten»?1
Ja.
Kent u de inhoud van de brief die het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren heeft gestuurd aan de burgemeester van Bernheze?
Ja.
Heeft u kennis van informatiebijeenkomsten over asielzoekerscentra (azc's) waarbij journalisten de toegang is geweigerd?
Ja.
Hoe beoordeelt u het weren van journalisten bij openbare gemeentelijke informatiebijeenkomsten in het licht van artikel 7 van de Grondwet, waarin preventieve censuur wordt verboden? Vindt u het weren van (bepaalde) journalisten bij openbare gemeentelijke informatiebijeenkomsten een vorm van preventieve censuur? Zo nee, waarom niet?
In onze democratische rechtsstaat moeten journalisten vrij hun werk kunnen doen. De vrijheid van meningsuiting en informatiegaring en -verspreiding is een groot goed en wordt beschermd door artikel 7 van de Grondwet en diverse verdragen. Alleen specifieke redenen, zoals veiligheid of beperkte locatieruimte, kunnen aanleiding zijn de pers te weren of niet iedereen binnen te laten. Het is aan gemeenten om te beoordelen of dergelijke maatregelen dienen te worden genomen.
Kunt u in gesprek gaan met de VNG om te voorkomen dat journalisten bij informatiebijeenkomsten over azc’s worden geweerd?
De ontwikkelingen rond de opvang van asielzoekers worden met regelmaat besproken aan de landelijke regietafel verhoogde asielinstroom, waar onder andere de VNG deelnemer van is. Dit onderwerp zal ook daar ter tafel komen.
Alcoholcontroles in het verkeer |
|
Marith Volp (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van EenVandaag waarin aandacht wordt besteed aan alcoholcontroles in het verkeer?1
Ja.
Hoeveel alcoholcontroles in het verkeer vinden jaarlijks plaats? Kunt u hierbij onderscheid maken naar tijdstip en dagen van de controles? Is de in de uitzending genoemde hoeveelheid van tien procent van de controles die ’s nachts plaatsvinden juist?
De politie voert alcoholcontroles uit met (georganiseerde) verkeersfuiken en individuele controles2. Het aantal alcoholcontroles verschilt per jaar. In 2015 waren er in totaal 3.752 controles (tabel 1).
In onderstaande tabellen 1 en 2 zijn de alcoholcontroles per dagdeel in absolute aantallen en als percentages van het totale aantal controles per jaar weergegeven. Uit deze overzichten blijkt dat het merendeel van de alcoholcontroles in de avond en nacht plaatsvindt en dat het percentage waaraan gerefereerd wordt in de uitzending niet juist is. Overigens eindigen veel avondcontroles in de nacht, waardoor het niet mogelijk is om exact aan te geven hoeveel controles in de nacht hebben plaatsgevonden.
In tabel 3 is het aantal controles per dag weergegeven. Hieruit blijkt dat de meeste controles plaatsvinden op vrijdag en zaterdag.
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Totaal
401
91
698
88
2.921
272
1.027
289
5.787
430
108
804
94
3.061
211
1.087
255
6.050
398
101
753
86
3.021
192
1.259
215
6.025
346
87
586
28
2.627
126
1.082
165
5.047
227
60
439
72
1.928
119
771
136
3.752
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
8,50%
13,58%
55,18%
22,74%
8,89%
14,84%
54,08%
22,18%
8,28%
13,93%
53,33%
24,46%
8,58%
12,17%
54,55%
24,71%
7,65%
13,62%
54,56%
24,17%
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
Totaal
468
514
524
761
1.346
1.232
942
5.787
459
480
540
748
1.336
1.396
1.091
6.050
480
462
514
688
1.366
1.335
1.180
6.025
367
349
453
560
1.033
1.283
1.002
5.047
272
260
289
419
867
957
688
3.752
Bij hoeveel van deze controles werd een overtreding geconstateerd? Kunt u hierbij onderscheid maken naar tijdstip en dagen van de controles?
Voor de dagen en dagdelen waarop de controles zijn uitgevoerd, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 met bijbehorende tabellen. In de politieregistratie wordt niet apart bijgehouden hoeveel overtredingen per controle worden geconstateerd.
Klopt het dat de pakkans na middernacht aanzienlijk kleiner is, zoals de Vereniging verkeersslachtoffers beweert? Zo ja, welke acties onderneemt u om de pakkans ’s nachts te vergroten?
De politie werkt informatiegestuurd en zet op basis daarvan op locaties en tijden gericht verkeerscontroles in. Op deze wijze wordt gepoogd het alcoholgebruik in het verkeer terug te dringen. Zoals aangegeven blijkt uit de informatie van de politie dat controles om deze reden met name in de avond en nacht worden uitgevoerd. Uit onderstaande tabel 4 en tabel 5 blijkt tevens dat geconstateerde misdrijven op die tijdstippen aanzienlijk hoger zijn.
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
2011
3.017
2.954
13.384
26.602
2012
3.456
3.045
11.657
22.437
2013
3.568
2.960
10.049
19.069
2014
3.515
2.748
8.805
16.421
2015
3.344
2.498
7.242
13.773
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
2011
6,6%
6,4%
29,1%
57,9%
2012
8,5%
7,5%
28,7%
55,3%
2013
10,0%
8,3%
28,2%
53,5%
2014
11,2%
8,7%
28,0%
52,1%
2015
12,5%
9,3%
27,0%
51,3%
Hoeveel van de controles vinden plaats via een traditionele verkeersfuik en hoeveel van de controles vinden plaats naar aanleiding van (individuele) meldingen of gedrag? Is er bij de meer individuele controles sprake van een hoger percentage overtreders?
Voor de aantallen controles met een verkeersfuik of individuele controle verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1. Bij de registratie van het misdrijf «rijden onder invloed» wordt geen onderscheid gemaakt tussen verdachten die zijn aangehouden naar aanleiding van een individuele controle of een verkeersfuik. Derhalve kan ik geen antwoord geven op de vraag of bij de individuele controles sprake is van een hoger percentage overtreders dan bij de controle via de verkeersfuik.
De bestuursrechtelijke uitspraak inzake de Utrechtse milieuzone |
|
Remco Dijkstra (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de Utrechtse milieuzone?1
Ik heb kennis genomen van de uitspraak.
Wat vindt u van het gegeven dat het beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit door de rechtbank wordt vernietigd, maar de milieuzone wel intact blijft?
De rechtbank heeft bepaald dat het verkeersbesluit tot het instellen van de milieuzone onvoldoende is gemotiveerd, maar dat er in de gerechtelijke procedure wel voldoende motivering is gegeven zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Dat behoort geheel tot de bevoegdheden van de rechtbank. Gemeenten kunnen rekening houden met deze uitspraak door in de toekomst meteen een uitgebreidere motivering op te nemen in het verkeersbesluit.
Kunt u specifiek ingaan op de uitspraak van de bestuursrechter dat de gemeente Utrecht een onvolledig beeld heeft geschetst van de effecten van de milieuzone voor personenauto’s?
In de berekeningen die ten grondslag lagen aan het besluit om een milieuzone in te stellen werd uitgegaan van een strenger toegangsregiem voor de milieuzone. Het toegangsregiem is daarna op verzoek van de gemeenteraad verruimd, waardoor meer auto’s toegang kregen tot de milieuzones. Deze verruiming van het toegangsregiem is niet verwerkt in de berekeningen, waardoor de verbetering van de luchtkwaliteit door het instellen van de milieuzone wordt overschat.
Heeft u zicht op de luchtkwaliteitseffecten van de milieuzone voor personenauto’s? Is er onderzoek gedaan naar de effecten? Zijn deze inderdaad marginaal? Zo nee, waar blijkt dit uit? Zo ja, vindt u de inzet van het instrument dan proportioneel?
De luchtkwaliteitseffecten van de milieuzone voor personenauto’s zijn openbaar en terug te vinden op de website van de gemeente Utrecht. Het is aan de gemeente om de effecten van de milieuzone te beoordelen en te toetsen op proportionaliteit in vergelijking tot mogelijke andere maatregelen.
Kunt u aangeven hoe uitvoering wordt gegeven aan de aangenomen motie Visser over opheffing van de grondslag voor gemeentelijke milieuzones, die de regering oproept de grondslag voor gemeentelijke milieuzones ten behoeve van personenauto’s in het verkeersreglement op te heffen?2
Ja. Het ontwerpbesluit tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voorzag in een uitbreiding van de reikwijdte van het bestaande milieuzonebord voor vrachtauto’s naar bepaalde categorieën bestelauto’s en personenauto’s. Om uitvoering te geven aan de motie Visser zal uit deze voorgenomen wijziging het voorstel tot uitbreiding van het milieuzonebord naar personenauto’s worden geschrapt.
Hoe beoordeelt u de Utrechtse en Rotterdamse milieuzones voor personenauto’s in het licht van eerdere kabinetsuitspraken, waaronder een brief uit 2008 van de toenmalig Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM),3 waarbij zij er op aandringt bij gemeenten om terughoudend te zijn bij het toepassen van het instrument milieuzonering voor personenauto’s en te bezien of deze maatregel werkelijk noodzakelijk en proportioneel is en of er alternatieve, minder ingrijpende maatregelen voorhanden zijn? Onderschrijft u nog steeds dit standpunt?
De milieuzones maken onderdeel uit van een breder pakket aan maatregelen om de doelen van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) te halen en ter verbetering van de lokale luchtkwaliteit. Gemeenten beoordelen het al dan niet instellen van een milieuzone in dit bredere perspectief, zodat zij de voor hen best passende combinatie van maatregelen kunnen realiseren. Op 26 november 20154 heb ik u het meest recente Actieplan Luchtkwaliteit toegestuurd.
Hoe staat de inzet van gemeentelijke milieuzones voor personenauto´s in verhouding tot de Autobrief 2, waarin u stelt dat u het niet wenselijk vindt dat gemeenten hun toevlucht nemen tot «zwaar geschut als milieuzones» en u daarom op landelijk niveau de motorrijtuigenbelastingen voor oudere diesels verhoogt? Neemt u dit standpunt nog steeds in?4
Zoals aangegeven in Autobrief II aanvaardt het kabinet de opgave om de onevenredige aantasting van de luchtkwaliteit door oude dieselbestelauto’s en -personenauto’s zonder affabriek roetfilter aan te pakken. Daarbij acht het kabinet het redelijk dat van de meest vervuilende dieselbestelauto's en -personenauto's zonder affabriek roetfilter vanaf 2019 een extra bijdrage wordt verwacht in de vorm van een verhoging van de motorrijtuigenbelasting (MRB). Zodra duidelijk is in welke mate de luchtkwaliteit hiermee wordt verbeterd, kunnen gemeenten hun eerdere afweging opnieuw tegen het licht houden en bezien in hoeverre zij het noodzakelijk achten om de milieuzone te continueren.
Hoe beoordeelt u de invoering van gemeentelijke milieuzones voor personenauto’s in relatie tot de meest recente resultaten uit het programma Nationale samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2015 (NSL)?5 In hoeverre acht u de toepassing van het instrument van een milieuzone voor personenauto’s in bijvoorbeeld de gemeente Utrecht proportioneel, gelet op de vastgestelde Europese normen voor fijnstof en stikstof en de behaalde resultaten tot op heden? Kunt u ook een overzicht geven van alle EU-lidstaten die aan de EU-normen voor luchtkwaliteit voldoen en daarbij ingaan op hoeveel overschrijdingskilometers andere lidstaten nog hebben?
De gemeente is verantwoordelijk voor het treffen van lokale maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren en kan daarbij overgaan tot het instellen van een milieuzone. Bij de besluitvorming worden proportionaliteit en draagvlak meegewogen. Gegevens over het aantal overschrijdingskilometers in andere EU lidstaten zijn niet beschikbaar.
Hoe verhoudt de inzet van een milieuzone voor personenauto’s zich tot de inzet op het Europese bronbeleid, eerdere ingenomen kabinetsstandpunten en de Autobrief 2?
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 aangegeven zijn inzet op het Europese bronbeleid en de Autobrief II mede gericht op verbetering van de luchtkwaliteit. Hierdoor zal de luchtkwaliteit verbeteren, waardoor op termijn de behoefte aan additionele lokale maatregelen, zoals milieuzones, zal afnemen.
Dient de inzet van een instrument als milieuzones voor personenauto’s niet gelijktijdig met het NSL af te lopen, namelijk uiterlijk op 1 januari 2017? Of dient dit in ieder geval gekoppeld te worden aan een eindtermijn die verband houdt met de normen zoals opgenomen in het NSL, mede in het licht van de stelling van de toenmalig Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu bij de begrotingsbehandeling 2015 dat milieuzones altijd een tijdelijk karakter hebben? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het vreemd is om een dergelijk instrument in te voeren, dan wel uit te breiden, als nu al bijna overal in Nederland aan de gestelde luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan?
Milieuzones hebben wat mij betreft inderdaad een tijdelijk karakter. Mede als gevolg van het Europees bronbeleid treedt een autonome verschoning van het wagenpark op, waarmee nut en noodzaak tot het instellen van een milieuzone naar verwachting geleidelijk zullen afnemen. Het is echter een keuze van de gemeente om een milieuzone in te voeren dan wel uit te breiden. Zij evalueert de effecten van de zones en zal mede op basis daarvan beslissen over continuering.
Hoe beoordeelt u het gebruik van het instrument milieuzones voor personenauto’s door de gemeente Utrecht met het oog op vermindering van roet? Zijn daar in het kader van het NSL afspraken over gemaakt dan wel concrete doelstellingen over afgesproken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Vindt u het dan niet gek dat vermindering van roetuitstoot nu gebruikt wordt ter rechtvaardiging van de invoering en uitbreiding van milieuzones? Kunt u in het kader van roetvermindering ook specifiek ingaan op de uitkomsten van onderzoek van ILASA, dat blijkens een rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) getiteld «luchtkwaliteit en gezondheidswinst»6 de bron is waaruit blijkt dat met het huidige bronbeleid de roetuitstoot met 75% wordt verminderd ten opzichte van het jaar 2000? En dat houtstook na 2020 de voornaamste emissiebron van roet zal zijn? In hoeverre acht u dan de invoering van de milieuzone voor personenauto’s nog proportioneel?
De argumenten om een milieuzone in te voeren zijn aan de gemeenten. Zij kunnen daarbij gezondheidsaspecten meenemen. Het rapport van het RIVM is mij bekend. Het is openbaar en kan door gemeenten worden betrokken bij de afweging in de besluitvorming rondom milieuzones. Het is verder aan de gemeenten om te beoordelen in hoeverre het invoeren van een milieuzone proportioneel is.
Hoe beoordeelt u de milieuzones voor personenauto’s in relatie tot de brief inzake het kabinetsbesluit tot het verlengen van het NSL7 waarin staat «Voor een verdere verbetering van de luchtkwaliteit is verlaging van de achtergrondconcentratie nodig, hetgeen alleen mogelijk is als in heel Europa de emissies van luchtverontreinigende stoffen worden verminderd. Dit vereist een Europese en internationale (VN) aanpak»? Hoe verhoudt dit zich tot steeds meer voornemens van gemeenten om milieuzones uit te breiden naar personenauto’s en brommers/snorfietsen? Hoe ziet u de inzet op het Europese bronbeleid? Deelt u de mening dat dit het meest effectieve middel is gebleken en dat daarnaast doorstroming van verkeer vanuit verkeersperspectief een belangrijke bijdrage levert?
Europees bronbeleid is inderdaad een effectieve aanpak gebleken voor het verbeteren van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit is hierdoor de afgelopen jaren sterk verbeterd. Helaas heeft het Europees bronbeleid bij dieselpersonen- en dieselbestelauto’s de afgelopen jaren niet het gewenste effect gehad ten aanzien van de verlaging tot de uitstoot van stikstofoxiden op de weg. Dat is ook de reden dat nu op Europees niveau is besloten tot een nieuwe testprocedure, waarbij de emissies onder praktijkomstandigheden worden gemeten, de zogenaamde Real Driving Emissions testprocedure. Het duurt nog een aantal jaren voordat deze nieuwe testprocedure zijn vruchten af gaat werpen.
Aangezien Europese normen alleen betrekking hebben op nieuwe voertuigen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te treffen ten aanzien van oude voertuigen, zoals de keuze van het kabinet voor een verhoging van de motorrijtuigenbelasting (MRB) per 1 januari 2019. Het kabinet wil de problematiek van de luchtkwaliteit niet afwentelen op de steden. Tot dusver zijn de aanvullende maatregelen op stedelijk niveau nodig gebleken om lokale knelpunten in de steden op te lossen.
Driekwart van de fijn stof (PM10) emissie in Nederland is afkomstig van het buitenland of van natuurlijke bronnen zoals zeezout. Het aandeel wegverkeer bedraagt 5% (BRON: GCN rapportage 2015). De verwachting is dat door de verschoning van het wagenpark de fijnstof emissies zullen afnemen.
Kunt u ook inhoudelijk ingaan op de volgende zinssnede uit de brief inzake verlenging van het NSL in relatie tot de invoering van gemeentelijke milieuzones voor personenauto’s: «In Nederland is relatief snel sprake van luchtverontreiniging. Dit is het gevolg van de bijzondere geografische positie van Nederland, in het hart van het dichtstbevolkte gebied van Europa, tussen het Verenigd Koninkrijk, België en Duitsland, de zeer hoge verkeersintensiteit en de aanwezigheid van landbouw, intensieve veeteelt en veel industrie. Luchtverontreinigende stoffen worden veelal tot ver over de landsgrenzen meegevoerd, waardoor luchtverontreiniging in Nederland voor het grootste deel afkomstig is uit het buitenland»? Wat betekent dit concreet voor de invoering van dergelijke milieuzones voor personenauto’s? Klopt de stelling dat fijnstof vooral van natuurlijke bronnen komt en uit het buitenland afkomstig is? Kunt u dit nader uitsplitsen of specificeren? Kunt u hierbij ook ingaan op welk gedeelte (diesel-)auto’s hier nu en in de toekomst aan bijdragen?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe beoordeelt u de inzet van milieuzones voor personenauto’s in relatie tot het eigendomsrecht van een ieder en het in artikel 2, eerste lid, onder d van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW) neergelegde beginsel dat regels gesteld kunnen worden om de vrijheid van het verkeer zoveel mogelijk te waarborgen? Hoe verhoudt een dergelijk instrument zich tot deze uitgangspunten? Deelt u de mening dat de inzet daarmee niet proportioneel is? Zo ja, wat betekent dit voor uw inzet in de bestuurlijke overleggen rondom het NSL?
Wanneer een gemeente voor een milieuzone kiest, weegt zij proportionaliteit en draagvlak mee. Het eigendomsrecht staat als zodanig niet in de weg aan het geven van verkeersregels door het Rijk en het plaatsen van verkeerstekens op grond van een verkeersbesluit door het bevoegd gezag. In het aangehaalde artikel staat geen algemeen beginsel dat de vrijheid van het verkeer zoveel mogelijk moet worden gewaarborgd. Deze bepaling moet gezien worden als een reden waarop het Rijk regels kan stellen op grond van de Wegenverkeerswet 1994.
Deelt u de mening dat alle auto’s die toegelaten zijn op de Nederlandse weg, APK-gekeurd zijn en alle daartoe verplichte wegenbelastingen betalen, op de Nederlandse wegen mogen rijden? Hoe beoordeelt u in dat licht de gemeentelijke milieuzones voor personenauto’s? Op grond van welke afweging mag hiervan afgeweken worden? Hoe verhoudt zich dit tot de inzet op Europees bronbeleid, op bescherming van het eigendomsrecht en tot het recht op vrij verkeer?
De milieuzone is een beperkt afgebakend gebied dat door een gemeente wordt ingesteld ter verbetering van de lokale luchtkwaliteit. Het is een tijdelijke maatregel voor lokale knelpunten die zich nu voordoen en hopelijk op termijn geen probleem meer vormen vanwege de autonome verschoning van het wagenpark. Ook worden verschillende ontheffingsmogelijkheden geboden. In de bestuursrechtelijke uitspraak inzake de Utrechtse milieuzone heeft de rechter geconcludeerd dat het college in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Zie verder het antwoord op vraag 14.
In hoeverre past het instrument volgens u op grond van artikel 2, eerste lid, van de WvW, waarin krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen worden gesteld die onder andere gericht zijn op het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer? Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot onder andere het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer; hoe beoordeelt u de inzet van milieuzones voor personenauto’s in relatie tot deze twee uitgangspunten? Hoe moeten deze volgens u worden afgewogen?
De rechter heeft beide artikelen in zijn uitspraak betrokken en geconcludeerd dat het college in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De beide gronden die in de vraag worden genoemd hoeven niet in combinatie te worden gehanteerd en evenmin hoeft een onderlinge afweging tussen deze doeleinden te worden gemaakt.
Vindt u het wenselijk dat binnen de huidige rechtspraktijk inzake een verkeersbesluit, het bestuursorgaan een ruime beoordelingsmarge toekomt, waarbij een bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen? Welke mate van beleidsvrijheid hebben bestuursorganen in deze? Hoe moeten deze zich verhouden tot het beginsel dat de vrijheid van verkeer zoveel mogelijk gewaarborgd moet worden en eigendomsrechten?
De rechtbank benadrukt in de uitspraak dat de afweging van alle betrokken belangen die bij het instellen van de zone een rol speelden in de gemeenteraad, heeft plaatsgevonden. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht naar eigen inzicht aan die betrokken belangen toe te kennen. De rechter toetst alleen of het besluit dat de gemeente heeft genomen redelijk is. Dit geeft de mate van beleidsvrijheid aan die bestuursorganen hebben. Het is moeilijk voorstelbaar dat de rechter gaat toetsen op de absolute noodzaak van een verkeersbesluit, mede vanwege alle verschillende belangen die binnen de Wegenverkeerswet 1994 een rol kunnen spelen.
Wat zijn de effecten van de gemeentelijke milieuzone in Utrecht voor personenauto’s tot op heden op de luchtkwaliteit? Klopt de stelling van de gemeente Utrecht dat de lucht met het weren van de dieselauto’s van vóór 2001 30 procent schoner is geworden? Is dit uit te splitsen naar fijnstof en stikstof? Welke mogelijke alternatieven zijn er onderzocht ten behoeve van verbetering van de luchtkwaliteit, zoals meer P+R plekken en verdere verbetering van de verkeersdoorstroming?
De gemeente Utrecht verwacht op korte termijn te komen met een evaluatie van de effecten van de milieuzone. In het proces rondom de besluitvorming zijn alle mogelijke maatregelen in kaart gebracht en afgewogen door de gemeente Utrecht, waaronder P+R plekken en verdere verbetering van de verkeersdoorstroming.
Heeft u inzicht in andere lokale maatregelen die ingezet zijn ter verbetering van de luchtkwaliteit? In hoeverre heeft verschoning van het stads- en streek vervoer geleid tot verbetering van de luchtkwaliteit? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de resultaten hiervan?
Deze maatregelen zijn door de gemeente Utrecht doorgelicht en het resultaat daarvan is terug te vinden op hun website9. Daaruit komt naar voren dat met deze maatregel de luchtkwaliteit flink verbeterd kan worden.
In hoeverre heeft de aangepaste fiscale oldtimerregeling die per 1 januari 2014 is ingesteld invloed gehad op de luchtkwaliteit? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn hiervan de resultaten?
De effecten van oldtimers op de luchtkwaliteit zijn onderzocht door het Planbureau voor de Leefomgeving. De resultaten zijn te vinden in het rapport «Milieueffecten van oldtimers» uit 201210. De effecten van aanpassing van de fiscale behandeling van oldtimers zijn onderzocht in de TNO rapporten over de in- en uitstroom van auto’s in het Nederlandse wagenpark11. In de notitie «Ontwikkeling import en export oldtimers in 2012 en 2013» van 15 oktober 2013 die op deze site te vinden is, wordt expliciet op deze effecten ingegaan. Deze effecten zijn ook in het jaarrapport over 2014 (TNO 2014 R10643) opgenomen.
Deelt u de mening dat in het kader van kosteneffectiviteit, kennisdeling en transparantie richting de belastingbetaler inzichtelijk moet zijn wat de effecten in relatie tot de kosten van de maatregelen in het NSL van 320 miljoen euro zijn, waarvan bijna 65 miljoen euro aan de gemeente Utrecht is toegekend?
Ja, zoals deze wordt ingevuld via het Jaarverslag IenM en de NSL monitoringsrapportage. Voor de gemeente Utrecht zijn de financiële middelen toegekend voor een breed pakket van maatregelen, zoals verschillende maatregelen om de doorstroming te verbeteren, aanleggen van nieuwe transferia en het verbeteren van het gebruik van transferia, verplaatsing touringcarterminal, invoeren schonere bussen, stimuleren fietsgebruik, milieuzonering, communicatie- en gedragscampagne over luchtkwaliteit, verschonen eigen wagenpark en optimaliseren goederenvervoer.
Kunt u een overzicht geven van de uitstoot van Volkswagen Lupo 3L 1.2tdi uit 2000 versus een Landrover Discovery 2.5TD5 HSE uit 2003 of een Renault Clio 1.0 diesel uit 2000 versus een Volkswagen Touareg 2.5 diesel uit 2002?
De emissieprestaties van individuele modellen auto’s zijn niet beschikbaar. Wel
kan een emissievergelijking worden gemaakt van Euroklasse 2 en 3 van een zuinige, kleine dieselauto met 1.0 – 1.2 liter motor met een gewicht van 1.000 kg ten opzichte van een zware terreinwagen met een 2,5 liter dieselmotor en gewicht van 2.200 kg. TNO schat deze emissies als volgt in:
Uitstoot
Bouwjaren 1996–2001
(Euro-2)
Bouwjaren 2000- 2005
(Euro-3)
NOx
[mg/km]
Fijn stof
[mg/km]
CO2
[g/km]
NOx
[mg/km]
Fijn stof
[mg/km]
CO2
[g/km]
Compacte dieselauto
van ongeveer 1.000 kg met 1.0–1.2 liter motor
600 – 800
26–51
110–150
600 – 800
20–35
110–150
Terreinwagen met van ongeveer 2.200 kg
2.5 liter dieselmotor
600 – 800
26–51
250–310
600 – 800
20–35
250–310
Het bericht dat er sprake is van belangenverstrengeling bij het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) |
|
Eric Smaling |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Kent u de berichten over de vermeende belangenverstrengeling bij Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)?1
Ja.
Is het waar dat de voormalige directeur van ECN naast zijn fulltime baan bij het energieonderzoekscentrum, in 2008 vier windmolens heeft gekocht en geëxploiteerd? Wat vindt u van het feit dat het management van ECN hierover geïnformeerd bleek en geen conflicterende belangen zag? Is hierbij naar uw mening sprake van belangenverstrengeling? Zo nee, waarom niet?
Voor het project Burgervlotbrug, waaraan de Volkskrant refereert, is in 2006 een subsidie aangevraagd in het kader van de MEP-regeling. De subsidiebeschikking voor de exploitatie van vier windmolens is in 2007 afgegeven aan de toenmalige eigenaar en had een looptijd van 2006–2016. Op 8 september 2008 heeft de toenmalige eigenaar verzocht de subsidiebeschikking over te dragen aan Burgerwind C.V. vanwege de verkoop van de windmolens. Burgerwind B.V. was de beherend vennoot van Burgerwind C.V. en had als aandeelhouder de heer Stam. Toen de heer Stam de windmolens in 2008 overnam, was de subsidiebeschikking dus al afgegeven. Het windpark is na de overdracht van de subsidie gebouwd en in gebruik genomen op 15 juni 2009 door Burgerwind C.V. In mei 2014 is de subsidiebeschikking door verkoop van de windmolens weer overgegaan op een derde eigenaar.
ECN speelt een belangrijke rol in Nederland op het gebied van energieonderzoek en is een belangrijke adviseur van de rijksoverheid. Ik benadruk dat bij ECN geen sprake mag zijn – of de schijn mag worden gewekt – van belangenverstrengeling of kwesties die afbreuk doen aan de integriteit. Dit raakt immers de status van ECN als onafhankelijk instituut.
De heer Stam was geen directeur van de Stichting ECN maar namens ECN gedetacheerd als directeur ECN Wind Energy Facilities B.V., een deelneming van de Stichting ECN die de testlocatie Wieringermeer beheert. ECN Wind Energy Facilities B.V. doet hoogwaardig technisch onderzoek dat nodig is voor de certificering van windturbines. De heer Stam droeg als directeur van deze ECN-deelneming geen verantwoordelijkheid voor beleidsadvisering en -onderzoek. Dit is ondergebracht bij ECN Beleidsstudies, een apart onderdeel van de Stichting ECN.
Uit navraag bij ECN blijkt dat de nevenwerkzaamheden van de heer Stam in januari 2009 zijn getoetst door ECN. Het toenmalige management van ECN zag hierin geen conflicterende belangen. Met de feiten die ECN nu tot zijn beschikking heeft, handhaaft het deze conclusie en stelt het dat de heer Stam geen voorkennis heeft gehad die hij heeft gebruikt voor persoonlijke financieel gewin ten behoeve van de privéexploitatie van windmolens. Ik heb geen informatie waaruit blijkt dat het tegendeel waar is. ECN constateert wel dat de schijn van belangenverstrengeling is ontstaan en dat dit onwenselijk is. Het komt voor dat ECN Beleidsstudies ook experts van de technische units raadpleegt om technische kennis te leveren ter onderbouwing van hun rapporten. Zo heeft ook de heer Stam een bijdrage geleverd aan minimaal twee rapporten, waarbij hij inbreng heeft geleverd over technische aspecten van de berekening van vollasturen en energieproductie. Dit was in 2003 en in 2006 en had geen relatie met de activiteiten die de heer Stam ondernam bij Burgerwind. Gezien het feit dat binnen ECN technische units en beleidsadvies met elkaar samenwerken is het op zijn minst noodzakelijk dat een helder toetsingskader wordt gehanteerd om de suggestie weg te nemen dat sprake kan zijn van belangenverstrengeling.
ECN is tot de conclusie gekomen dat het toetsingskader, en het proces ter borging daarvan, aanscherping behoeft. Nevenwerkzaamheden worden nu vastgelegd bij indiensttreding en daarna niet up-to-date gehouden. In het toetsingskader wordt verder geen rekening gehouden met de mogelijke schijn van belangenverstrengeling, ook wanneer er aantoonbaar geen sprake is van belangenverstrengeling. ECN heeft besloten het toetsingskader aan te scherpen en een onafhankelijk advies te vragen over de vereisten waaraan dit toetsingskader moet voldoen en hoe zij dit het best kunnen borgen.
Ik zal er in samenspraak met de Raad van Toezicht van ECN op toezien dat dit proces gedegen en onafhankelijk plaatsvindt en voor de zomer is afgerond. Ik heb ECN gevraagd om de uitkomst van dit proces met mij te delen, waarna ik zal oordelen of ik – op basis van de rol die ECN voor mijn ministerie vervult – het aangescherpte toetsingskader acceptabel vind. Los hiervan ben ik bezig met een onderzoek naar de toekomst van ECN, waarover ik uw Kamer per brief van 4 december 2015 heb geïnformeerd. Onderdeel van dit onderzoek is onder meer de huidige positionering van ECN Beleidsstudies.
Was u op de hoogte van het feit dat een adviseur van het ministerie, namens ECN betrokken bij onder meer de plaatsing en subsidiëring van windmolens, privé actief was in de sector waarin hij ook werkte? Is u om toestemming gevraagd?
Nee, ik ben hier niet van op de hoogte gesteld door ECN tot nadat het artikel in de Volkskrant op 23 januari jl. is gepubliceerd. Het is geen onderdeel van mijn beleid dat ECN nevenwerkzaamheden van medewerkers aan mij meldt. Het kabinet heeft kaders gesteld voor financieel beheer bij instellingen met een publiek belang. Het toezicht op nevenwerkzaamheden maakt geen onderdeel uit van dit normenkader. Dit toezicht is geregeld via de CAO van ECN.
Waren en zijn er naast de genoemde directeur verantwoordelijk voor Wind Energy Facilities BV van ECN, nog andere winddeskundigen die de overheid adviseren en tegelijkertijd privé activiteiten binnen de windsector ontplooien? Op welke wijze en was u daar van op de hoogte? Wanneer bijt dit elkaar en wanneer niet volgens u?
Uit navraag bij ECN is gebleken dat twee medewerkers, naast hun werkzaamheden voor ECN, actief zijn (geweest) in een coöperatie die windmolens exploiteert. Hiervan is één medewerker nog steeds werkzaam bij ECN. De coöperatie heeft volgens de informatie die bekend is bij ECN enkele tientallen leden en de uitgekeerde bedragen zijn gering. Deze activiteiten zijn gemeld aan het management van ECN en akkoord bevonden. ECN heeft een nieuwe uitvraag naar nevenwerkzaamheden onder zijn medewerkers gedaan om de registratie up-to-date te brengen. Na deze uitvraag zullen alle nevenwerkzaamheden van medewerkers worden getoetst aan het nieuwe toetsingskader, dat ECN op gaat stellen.
ECN moedigt medewerkers aan om zelf bij te dragen aan de verwezenlijking van de missie die het instituut heeft, door bij te dragen aan de transitie naar een meer duurzame samenleving, bijvoorbeeld door deelname in energiecoöperaties. Zolang er geen sprake is van belangenverstrengeling, staat het werknemers in de (semi)publieke sector vrij om activiteiten op het gebied van duurzame energie te ontplooien en daarmee – binnen de gestelde voorwaarden – gebruik te maken van het aangeboden instrumentarium vanuit de rijksoverheid. Afhankelijk van de aard en het type van de organisatie dient daarbij een helder integriteitsbeleid te bestaan en in acht te worden genomen om zowel belangenverstrengeling en de schijn daarvan te voorkomen.
Wat vindt u van het feit dat (ook) een aantal accountants en adviseurs, gespecialiseerd in windenergie en adviseur van de overheid op dit terrein, heimelijk via een speciaal daartoe opgericht genootschap investeerden in het windpark van de ECN directeur? Is hierbij sprake van ongewenste kartelvorming? Is hierbij sprake geweest van handelen met voorkennis?
Het kantoor WEA Accountants, waar in het artikel in de Volkskrant aan gerefereerd wordt, is volgens mijn informatie betrokken geweest als adviseur, accountant en intermediair bij Burgerwind C.V. Verder heeft dit kantoor een adviserende rol gespeeld richting ECN Wind Energy Facilities B.V. Volgens ECN bestaat er geen relatie tussen het kantoor WEA en de Stichting ECN, waar ECN Beleidsstudies deel van uitmaakt. Op basis van deze informatie kan ik niet opmaken dat sprake is van kartelvorming en handel met voorkennis. Mocht hier aanleiding toe bestaan, dan is het aan de Autoriteit Financiële Markten en de Autoriteit Consument en Markt om hier verdere uitspraken over te doen.
Wat vindt u van het feit dat bij ECN, al enige jaren verlieslijdend en voor een groot deel draaiend op overheidssubsidie, drie directieleden fors meer verdienden dan volgens de Wet normering topinkomens is toegestaan? Vindt u het op zijn plaats, dat daarnaast ook nog eens wordt bijgebeund door een directielid?
ECN is een semipubliek instituut dat valt onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). De leden van de directie van ECN moeten voldoen aan de norm die in deze wet is gesteld. De wet voorziet echter ook in overgangsregelingen om inkomens die bij invoering van de wetgeving boven de norm liggen af te bouwen. Met ECN zijn afspraken gemaakt om de beloning van de drie directieleden die boven de norm verdienen af te bouwen en deze afspraken vallen binnen de kaders van de wet. De heer Stam is niet één van deze drie directeuren. Naast de drie directieleden, waarvoor een overgangsregeling van kracht is, voldoen alle werknemers aan de WNT.
Deelt u de mening dat deze vorm van subsidiemisbruik niet bevorderlijk is voor het draagvlak van windenergie en voor de noodzakelijke overgang naar een duurzame maatschappij in zijn algemeenheid?
Uiteraard deel ik uw mening dat iedere vorm van subsidiemisbruik het draagvlak ondermijnt van de doelen die de betreffende subsidie nastreeft. In het ontwerp, de uitvoering en de handhaving van subsidieregelingen wordt daarom getracht subsidiemisbruik te voorkomen dan wel op te sporen. In het geval van de subsidie aan Burgerwind is geen subsidiemisbruik geconstateerd.
Denkt u dat mensen met een kleine portemonnee de komende jaren vol enthousiasme hun Opslag Duurzame Energie op de energierekening willen betalen, in de wetenschap dat dit geld zoals nu blijkt, ten goede komt aan royaal verdienende directeuren die de overheid zelf adviseren over de opzet van het betreffende subsidieprogramma?
Ik deel de stellingname over de besteding van de Opslag Duurzame Energie (ODE) niet. De ODE wordt sinds 1 januari 2013 door burgers en bedrijven betaald. In de wet ODE is vastgelegd dat de heffing is ingevoerd om het stimuleren van de productie van duurzame energie te financieren. Zo worden de ODE-middelen gebruikt om de uitgaven aan de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+), de Investeringssubsidie Duurzame Energieproductie (ISDE) en de Hernieuwbare Energieregeling te bekostigen. Deze subsidieregelingen zijn dusdanig ingericht dat deze bijdragen aan een kosteneffectieve besteding van de ODE. Op deze manier worden de kosten voor burgers en bedrijven beperkt. De opbrengst uit de Opslag Duurzame Energie komt niet ten goede aan directeuren van ECN.
Bent u bereid een gedragscode op te stellen waardoor bedrijven/onderzoekscentra en (semi)-overheidsinstellingen extra getoetst en bevraagd worden op de wijze waarop personeelsleden hun kennis, kunde en tijd aanwenden voor privé activiteiten binnen de sector waarin zij werkzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat momenteel geen gedragscode integriteit vanuit de rijksoverheid en mijn ministerie die direct van toepassing is op ECN. Bij de rijksoverheid is wel sprake van een geldende gedragscode integriteit voor eigen medewerkers. Ik vraag de Raad van Toezicht van ECN deze gedragscode te betrekken bij de aanscherping van het toetsingskader en zal dit ook betrekken bij mijn beoordeling van het toetsingskader zoals ik deze heb omschreven in het antwoord op vraag 2. Ik acht het op dit moment niet opportuun om een nieuwe gedragscode op te stellen. De verantwoordelijkheid om de integriteit te waarborgen ligt bij de Raad van Toezicht en directie van ECN.
Hoeveel conflicten rond de plaatsing van windmolens/windparken op land hebben zich in 2015 voorgedaan en wat was hierbij de oorzaak?
Dit is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Bij grote ruimtelijke projecten zoals windparken is vrijwel altijd sprake van conflicterende belangen en voor- en tegenstanders. Het bevoegd gezag heeft de taak om al deze belangen goed en zorgvuldig af te wegen.
Hoeveel succesvolle plaatsingen van windmolens/windparken op land zijn er geweest in 2015 en wat was hierbij de oorzaak?
Er zijn in 2015 110 windturbines geplaatst met een vermogen van circa 400 MW.
Bent u bereid de verdere uitbreiding van windmolens/windparken op land tijdelijk te bevriezen, om vervolgens een meer door de bevolking gedragen invulling van duurzame energieopwekking verder te gaan? Past dit in uw voornemen in het Energierapport2 om de bevolking vaker te raadplegen?
Nee, ik kan en wil de realisatie van windenergie op land niet bevriezen. Het kabinet zet zich in om de doelstellingen uit het Energieakkoord te realiseren en hiertoe behoort ook de realisatie van de beoogde 6000 MW windenergie op land in 2020, waarvan momenteel ruim 3000 MW is gerealiseerd. In mijn visie op omgevingsmanagement, die ik op 1 februari jl. aan uw Kamer heb gestuurd, geef ik aan hoe ik omwonenden eerder en beter wil betrekken bij projecten. Het bevriezen van projecten van hogerhand is bovendien niet mogelijk. Gemeenten en provincies zijn bevoegd gezag voor alle windprojecten kleiner dan 100 MW en zij beslissen over het al dan niet doorgaan van die projecten. Ik zie overigens overal in het land steeds meer lokaal gedragen initiatieven voor windprojecten. Deze ontwikkeling is dus geen toekomstmuziek, maar al volop aan de gang.
Het bericht over financiering van veroordeelde terroristen door de Palestijnse Autoriteiten |
|
Joël Voordewind (CU), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestinians using foreign aid to fund anti-Israel terror, Hotovely says»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de beweringen van de Israëlische onderminister van Buitenlandse Zaken Hotovely dat de Palestijnse Autoriteiten maandelijks 400 tot 3.500 dollar overmaken naar veroordeelde Palestijnse terroristen en hun familieleden, en dat volgens de Wereldbank de 21,7 miljard dollar aan steungeld die de Palestijnse Autoriteit tussen 1993 en 2013 ontving, niet is gebruikt voor economische en sociale ontwikkeling in de Palestijnse gebieden, maar voor het bekostigen van infrastructuur en wapens die zijn gebruikt voor terroristische doeleinden? Deelt u de analyse dat de internationale gemeenschap op basis van deze gegevens haar donorbeleid zou moeten heroverwegen?
De uitspraken van onderminister Hotovely zijn geheel voor haar rekening. De Wereldbank heeft geen rapport gepubliceerd waarin het stelt dat de steun van de internationale gemeenschap gebruikt zou zijn voor terroristische doeleinden, in plaats van sociale en economische doelstellingen. Onderminister Hotovely trekt zelf deze conclusie, maar schrijft die niet toe aan de Wereldbank.
De Wereldbank heeft in 2011 al geoordeeld dat de Palestijnse instituties in staat zijn de functies van een staat uit te voeren. Volgens de Wereldbank is de grootste belemmering voor verdere economische en sociale ontwikkeling de Israëlische bezetting.
Hotovely verwijst in haar ingezonden brief onder meer naar een bericht van het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2014, dat gebruik maakte van cijfers uit 2011 en 2012, dus voordat de verantwoordelijkheid voor de betalingen werd overgedragen van de Palestijnse Autoriteit (PA) naar de PLO.
In twee moties-Voordewind/Van der Staaij wordt de regering verzocht de druk op de PLO op te voeren teneinde af te zien van het financieren van veroordeelde Palestijnen; in hoeverre werpt de recente berichtgeving een nieuw licht op doel en inhoud van deze moties? Op welke manier is en wordt uitvoering gegeven aan deze moties?2 3
Het kabinet blijft van mening dat de uitkeringen aan alle Palestijnse gedetineerden afhankelijk zou moeten zijn van de sociaaleconomische behoefte van de gevangene en zijn gezin. Door het verbinden van de lengte van de straf aan de hoogte van de uitkering van alleen de «politieke» gevangenen wordt de indruk gewekt dat gewelddadige acties gericht tegen Israël worden ondersteund of beloond.
Het kabinet blijft het beleid van de PLO aankaarten in bilaterale gesprekken met de PA en de PLO, zoals onlangs en marge van het Nederlands-Palestijns bilateraal forum. In deze gesprekken benadrukte de PLO de betalingen als sociaal vangnet te beschouwen.
Tevens heeft het kabinet deze kwestie met de EU-partners besproken. De zorg dat het Palestijnse systeem van betalingen aan gevangenen een incentive zou kunnen zijn voor geweld, wordt slechts door een enkele EU-lidstaat gedeeld. Binnen de EU wordt er op gewezen dat de steun onder de Palestijnse bevolking voor het systeem heel groot is en bestaat er nauwelijks steun voor het opvoeren van de druk op de PLO om het systeem aan te passen. Zie ook de antwoorden op de vragen gesteld op 9 oktober 2015 (Aanhangsel Handelingen vergaderjaar 2015–2016, nr. 567), gedateerd op 13 november 2015.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de OVV aangeeft dat hij niet gesproken heeft met de Oekraïense verkeersleider die de MH17 begeleidde om het moment van de aanslag omdat de Oekraïense verkeerleiding en/of autoriteiten dat weigerden?1
Het rapport van de OVV geeft daar geen uitsluitsel over. De OVV heeft voor zijn onderzoek de beschikking gehad over de tapes met gesprekken tussen de luchtverkeersleiding van Oekraïne met MH17 en het telefoonverkeer tussen de Oekraïense luchtverkeersleiding en de Russische luchtverkeersleiding over de begeleiding van vlucht MH17. Daarnaast heeft de OVV in het kader van het onderzoek naar «Vliegen over conflictgebieden» (deel B van het rapport MH17 Crash) gesproken met vertegenwoordigers van de luchtverkeersleiding in Oekraïne.
Hoe beoordeelt u het feit dat de heren Muller en Joustra tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer aangeven dat zij niet helemaal zeker wisten of er met de verkeersleider gesproken hadden, de laatste persoon die contact gehad had met de MH17?
Zie het antwoord bij vraag 1.
De OVV heeft in de «MH17 Onderzoeksverantwoording» aangegeven over voldoende informatie te beschikken om de bevindingen en conclusies die in de rapporten zijn gepresenteerd te onderbouwen. Het kabinet heeft geen enkele aanwijzing of reden om te twijfelen aan de methodologie, noch aan de conclusies van de OVV.
Bent u op de hoogte van het feit dat de heer Riemens, directeur van luchtverkeersleiding Nederland, in de Kamer verklaarde dat het volledig standaard en volgens de procedure van de International Civil Aviation Organization (ICAO) is dat de luchtverkeersleider na een incident/accident gehoord (en overigens ook beschermd) wordt?2
Het kabinet is op de hoogte dat de heer Riemens dat heeft ingebracht tijdens de Hoorzitting van 22 januari 2015.
In dit kader stelt ICAO annex 13 geen exacte eisen aan wie moeten worden gehoord ten behoeve van ongevallenonderzoek. Het internationale onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van ICAO.
Heeft de OVV op enig moment voor de publicatie aan u kenbaar gemaakt dat zij er niet in slaagde te spreken met de luchtverkeersleider van de MH17?
Nee, de Onderzoeksraad voor Veiligheid is onafhankelijk.
Kent u enig ander onderzoek de afgelopen 20 jaar waarin de onderzoekers na een vliegramp niet met de luchtverkeersleider mochten praten? Zo, ja kunt u dan zeggen bij welk onderzoek dat het geval was?
Binnen Nederland is de OVV leidend in het onderzoek naar de oorzaak van luchtvaartincidenten. De OVV heeft laten weten dat de OVV bij deze onderzoeken altijd de gesprekken kan voeren die de OVV noodzakelijk acht voor het onderzoek. Luchtvaartincidenten die zich voordoen buiten Nederland, worden onderzocht door de luchtvaartautoriteiten van andere landen. Of het bij die onderzoeken voorkomt dat gesprekken niet gevoerd kunnen of mogen worden, is ons niet bekend.
Heeft de OVV op enig moment in contacten met de Nederlandse regering gevraagd om hulp bij het verkrijgen van informatie/gegevens voor het onderzoek van Nederland, Oekraïne, Maleisië, Rusland of enige andere partij, zoals bijvoorbeeld radar-en satellietdata, een interview met de luchtverkeersleider of andere zaken? Zo ja, kunt u daarvan de details geven?
De OVV is een onafhankelijke onderzoeksinstantie en heeft het onderzoek geheel zelfstandig uitgevoerd. Wel heeft de Nederlandse regering het onderzoek gefaciliteerd. Op verzoek van de OVV heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken er op diverse momenten tijdens het onderzoek aan bijgedragen dat de OVV zijn werk kon doen. Bijvoorbeeld door gesprekken in Maleisië en Oekraïne mede mogelijk te maken.
Herinnert u zich dat u bij eerdere vragen de vraag wanneer de Nederlandse regering op de hoogte gesteld is van het feit dat Rusland zich niet aan de ICAO regels gehouden heeft met de radarbeelden en ze naar eigen zeggen vernietigd heeft, ontwijkend beantwoordde door te stellen dat het bij het uitkomen van de onderzoeksrapporten bekend geworden is dat de Russische Federatie geen radargegevens heeft verstrekt?
Zoals destijds is aangegeven, schrijft de OVV in zijn onderzoeksrapport daarover het volgende: De Russische Federatie heeft geen radargegevens verstrekt. De burgerluchtvaartautoriteit van de Russische Federatie verklaarde dat geen radargegevens waren opgeslagen en dat het opslaan hiervan volgens nationale regelgeving ook niet vereist was aangezien de crash had plaatsgevonden buiten Russisch grondgebied (MH17 Crash, pagina 44–46 en pagina 178–179).
Wanneer is de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het feit dat Rusland geen primaire radargegevens van de MH17 wilde (en/of kon) verstrekken aan de OVV?
Bij het uitkomen van de onderzoeksrapporten is bekend geworden dat de de radargegevens van de Russische Federatie niet beschikbaar waren.
Kunt u aangeven of en welke actie u ondernomen heeft toen duidelijk werd dat Rusland geen (ruwe) primaire radardata ter beschikking wilde/kon stellen aan de OVV?
Dit werd zoals gesteld in het antwoord op vraag 7en 8 bekend bij het uitkomen van het OVV-rapport. De OVV heeft nadrukkelijk aangegeven dat het ontbreken van deze gegevens geen consequenties heeft gehad voor de conclusies over de toedracht van de ramp. Om deze reden ziet het kabinet geen aanleiding verdere stappen te ondernemen. Wel vindt het kabinet het, zoals aangegeven op eerdere Kamervragen (beantwoording Kamervragen over OVV onderzoekers die geen primaire radargegevens hebben ontvangen 2015Z22114, vraag3, van belang de bewaarplicht van dergelijke gegevens in ICAO-kader aan de orde te stellen.
Was de Nederlandse overheid op de hoogte van het feit dat bepaalde radarinstallaties in Oost Oekraïne in juli 2014 ofwel in onderhoud waren ofwel vernietigd waren?
Nee, dit was niet bij de Nederlandse overheid bekend.
Welke informatie precies was beschikbaar bij de Nederlandse overheid over niet functionerende radarsystemen (primair en/of secundair) in Oost Oekraïne tussen 1 januari 2014 en 17 juli 2014 en wat is er met die informatie vervolgens gedaan?
Voor zover kan worden nagegaan was daar niets over bekend.
Bent u ervan op de hoogte dat Victoria Nuland (onderminister in de Amerikaanse regering) op 17 december 2014 gezegd heeft dat: «Andrei, first to your point with regard to U.S. intelligence at the time of the Malaysian airliner’s tragic shoot down, first, just to say to you that – just to remind you that Secretary Kerry on I believe it was July 21st, it was the Saturday after the shoot down, gave a very detailed discussion of what we knew from our own assets, including providing considerable detail with regard to the trajectory of the firing (...). And he made clear at that time that we believed it was shot down by a Buk missile from separatist-held territory. We stand by that. We have given all of our information, including our classified information, to the Dutch, who are the investigators [and to] ICAO, the International Civil Aviation Organization. So any efforts to say that we have not are also untrue. There will be, I believe, in the context of the Dutch case, when they roll it out – they are likely to ask us to declassify some of that, and I think we will be able to help in that regard.»?3
Volgens de website van het State Department heeft mevrouw Nuland dit inderdaad geantwoord op een vraag van een Russische journalist.
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse regering en heeft u haar verzocht het bewijsmateriaal te declassificeren? Kunt u dit antwoord uitgebreid toelichten?
Op Nederlands verzoek hebben de Amerikaanse autoriteiten gerubriceerde radar- en satellietinformatie, die afkomstig is van hun inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gedeeld met de MIVD. Zowel de OVV als het OM heeft daarvan vertrouwelijk kennis kunnen nemen via de MIVD. Voor zover deze gegevens van essentieel belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek, worden zij door middel van ambtsberichten aan het OM ter beschikking gesteld.
Bewijsgaring en daarop gerichte rechtshulpverzoeken zijn naar hun aard vertrouwelijk. Openbaarmaking zou inzicht geven in de loop van het onderzoek en lopende besprekingen met aangezochte staten onder druk kunnen zetten. Om die reden kunnen wij uw Kamer niet in detail melden welke informatie tot nu toe van welke partij is gevraagd of gekregen. Op dit moment heeft het OM laten weten dat het op dit punt geen nadere ondersteuning nodig heeft van het kabinet.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en tenminste 24 uur voor het debat over de radargegevens de antwoorden aan de Kamer doen toekomen?
Ja
Experimenten op psychiatrische patiënten van GGZ Noord-Holland-Noord (GGZ NHN) |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Governancecommissie, waaruit blijkt dat de Raad van Bestuur van GGZ NHN op twee punten de Zorgbrede Governancecode heeft geschonden?1
Ik vind het positief dat er een uitspraak van de governancecommissie ligt over deze kwestie.
Wat vindt u ervan dat de goede naam van de klokkenluider die de onrechtmatige experimenten op psychiatrische patiënten aan het licht bracht, door de Raad van Bestuur van GGZ NHN door het slijk is gehaald?
GGZ NHN heeft mij laten weten dat zij geen mededelingen hebben gedaan over de medewerker die een en ander aan de orde heeft gesteld.
Klopt het dat GGZ NHN sinds de uitspraak op 24 november jongstleden nog op geen enkele wijze toenadering heeft gezocht tot de klokkenluider? Zo ja, waarom niet? Zo nee, op wat voor manier dan wel, en wat waren hiervan de resultaten?
GGZ NHN heeft aangegeven dat zij nog geen contact heeft opgenomen met de betreffende medewerker omdat er nog lopende onderzoeken zijn. Zo loopt er nog een onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. GGZ NHN heeft aangegeven de resultaten daarvan af te wachten.
Wat zijn de gevolgen van de uitspraak op dit punt, en op welke wijze zou er volgens u aan eerherstel van de voormalig werknemer gewerkt dienen te worden? Bent u bereid hier de Raad van Bestuur van GGZ NHN op aan te spreken?
De governancecommissie heeft geconcludeerd dat de Zorgbrede Governancecode is geschonden. De Zorgbrede Governancecode is van de sector zelf. Het is niet aan mij om het naleven van de code te handhaven. Wel is het zo dat GGZ Nederland van zijn leden vraagt dat zij de code implementeren en naleven. Ik heb GGZ Nederland eerder ook al opgeroepen om deze kwestie nader te onderzoeken, waarop zij de governancecommissie heeft ingeschakeld.
Wat zijn de gevolgen van de uitspraak op dit punt, en op welke termijn zal er wel een klokkenluidersregeling in werking treden bij GGZ NHN?
GGZ NHN geeft aan dat op 17 maart 2015 de raad van bestuur de «Klokkenluidersregeling GGZ Noord-Holland-Noord» heeft vastgesteld. Dit na instemming van de medezeggenschapsraad. Deze regeling is volgens de Raad van Bestuur bekend gemaakt aan alle medewerkers via de besluitenlijst en door de medezeggenschapsraad via haar «headlines»«.
Men heeft aangegeven dat deze wijze van communiceren binnen de instelling gebruikelijk is en dat medewerkers gewend zijn om op deze wijze geïnformeerd te worden.
Wat zijn de gevolgen van de uitspraak voor GGZ NHN in het algemeen en de Raad van Bestuur in het bijzonder? Zijn zij op de vingers getikt door de Raad van Toezicht? Zo ja, op wat voor manier? Zo nee, wat vindt u van het functioneren van de Raad van Toezicht?
GGZ NHN geeft aan dat er in vergaderingen van het bestuur en de raad van toezicht aandacht is geweest voor deze kwestie. Daarnaast hebben de voorzitter en de vicevoorzitter van de Raad van Toezicht apart met het bestuur over de kwestie gesproken. Daarbij kwamen het bestuur en de raad van toezicht tot dezelfde conclusies geeft GGZ NHN aan. De Raad van toezicht moet erop toezien dat de Raad van Bestuur deze omissie herstelt en conform de governancecode handelt.
Worden er door de branchevereniging naar aanleiding van de uitspraak nog sancties opgelegd aan de GGZ NHN? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
GGZ Nederland heeft mij laten weten dat van schending van de code op het eerste punt inmiddels geen sprake meer is, aangezien de instelling sinds 15 maart 2015 wel aan deze verplichting voldoet. Dit neemt niet weg dat ten tijde van de melding er wel sprake was van schending van de code. Het bestuur van GGZ Nederland heeft mij gezegd dat zij GGZ NHN heeft aangesproken op dit punt. Gezien de constatering van de commissie dat een klokkenluidersregeling inmiddels is geïmplementeerd, ziet GGZ Nederland geen reden meer voor sancties in de richting van GGZ NHN. GGZ Nederland heeft voor dit standpunt gekozen omdat naar het oordeel van GGZ Nederland GGZ NHN de melding serieus heeft genomen. GGZ NHN heeft onder andere een onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren naar vermoedens van misstanden.
Klopt het dat GGZ NHN pas in maart 2015 een klokkenluidersregeling van kracht heeft doen worden, maar dat het personeel nog niet geattendeerd is op het bestaan van de klokkenluidersregeling? Wat vindt u van de datum van introduceren van de klokkenluidersregeling en de bekendmaking daarvan?
Zie antwoord vraag 5.
Zou het niet goed zijn als GGZ NHN verplicht wordt de uitspraak van de Governancecommissie intern te verspreiden, zodat enerzijds betreffende medewerker gezuiverd wordt, en anderzijds bekend wordt dat er enige bescherming voor klokkenluiders bestaat? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten? Zo ja, op welke termijn moet de werkgever dit intern bekend maken?
GGZ NHN wil de uitspraak actief bekend maken zodra ook het rapport van de inspectie bekend is, zodat deze in samenhang gelezen kunnen worden.
Heeft u naar aanleiding van deze casus, waarbij een klokkenluider ten onrechte ontslagen werd en een spreekverbod opgelegd kreeg, nog altijd blind vertrouwen in het «zelfreinigend vermogen» van zorginstellingen?
GGZ Nederland heeft mij gemeld, dat zij in deze casus aanleiding zien voor een herhaalde oproep aan de leden om de Zorgbrede Governancecode, en in het bijzonder het hebben van een klokkenluidersregeling, te implementeren.
Daarmee vind ik niet dat deze casus de conclusie rechtvaardigt dat zelfregulering niet werkt. Als de Zorgbrede Governancecode niet had bestaan, had deze uitspraak er niet gelegen en waren er geen maatregelen genomen.
Aandachtspunt van de code is wel dat de naleving daarvan nog te vrijblijvend is. Alleen als er een concreet geschil op tafel ligt, wordt de code getoetst. Ik ben daarom verheugd met de mededeling van de Brancheorganisaties Zorg (BoZ) dat ook zij dit als een knelpunt ervaren. Bij de herijking van de code wordt ook gekeken naar manieren om die vrijblijvendheid te verminderen.
Lopen er momenteel nog meer onderzoeken naar deze casus door bijvoorbeeld de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) of de Medisch Ethische Toetsingscommissie (METC)? Hebben de onderzoeken betrekking op de vraag of het experiment voldoet aan de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO)?
De CCMO is op een eerder moment nagegaan of de toetsing door de METC van het onderzoeksprotocol op de juiste manier heeft plaatsgevonden en heeft geen onvolkomenheden gevonden in de primaire beoordeling. Hierover bent u geïnformeerd in mijn brief van 29 oktober 2015.
Op dit moment legt de IGZ de laatste hand aan het inspectieonderzoek naar de medisch wetenschappelijk studie die heeft plaatsgevonden bij GGZ NHN. De IGZ onderzocht of GGZ NHN en haar medewerkers zich hebben gehouden aan het onderzoeksprotocol en aan de bestaande wet- en regelgeving, waaronder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO). In mijn brief van 29 oktober 2015 heb ik u geïnformeerd dat het onderzoek door de IGZ langer ging duren dan oorspronkelijk gepland. Begin februari heeft de IGZ haar conceptrapportage voor correctie op feitelijke onjuistheden voorgelegd aan de betrokken partijen. De IGZ verwacht het rapport eind eerste kwartaal 2016 te kunnen vaststellen. Bij de IGZ loopt geen ander onderzoek naar deze casus.
Kunt u uitleggen waarom u stelt dat het vervolgonderzoek bij GGZ NHN mocht doorlopen, omdat het onderzoek observationeel zou zijn, en daarmee niet WMO-plichtig, terwijl in het onderzoeksprotocol en de onderzoeker wel in de onderzoeksopzet schrijven dat het vervolgonderzoek WMO-plichtig is?2
De vervolgstudie bij GGZ NHN betrof een observationeel onderzoek. De onderzoeker was tot het oordeel gekomen dat de studie niet WMO-plichtig is en om die reden was dit onderzoek niet voorgelegd aan de METC of de CCMO.
De manier waarop een en ander is beschreven in het onderzoeksprotocol en de informatiebrief voor de patiënt heeft wel vragen opgeworpen of dit oordeel terecht was. Om deze reden heeft de IGZ het protocol en de informatiebrief voor de patiënt alsnog aan de CCMO voorgelegd om hier advies over te geven. De CCMO heeft eveneens geconcludeerd dat de studie niet onder de reikwijdte van de WMO valt.
Onderzoekt de IGZ dit vervolgonderzoek ook, nu zij onderzoekt of het eerste onderzoek voldoet aan alle wettelijke eisen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer worden resultaten van dit onderzoek verwacht?
Het onderzoek van de IGZ richt zich op de eerste studie, die onder de reikwijdte valt van de WMO. De tweede studie maakt geen onderdeel uit van het onderzoek van de inspectie, omdat deze niet onder de reikwijdte valt van de WMO. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 12.
Klopt het dat de IGZ erop gewezen is dat er vervolgonderzoek plaatsvindt met proefpersonen? Wanneer, door wie precies, en wat heeft de IGZ met die informatie gedaan? Kunt u een tijdslijn geven?
IGZ was vanaf het begin van haar onderzoek (april 2015) op de hoogte dat deelnemers aan de eerste studie na afloop daarvan gevraagd waren om deel te nemen aan het vervolgonderzoek. In het protocol en de patiënteninformatie van de eerste studie stond dat al vermeld. Er is tijdens de inspectiebezoeken aan de instelling in mei 2015 een inschatting gemaakt of het vervolgonderzoek extra risico’s en belasting met zich meebracht voor de deelnemers. De bestaande informatie gaf geen aanleiding om de vervolgstudie stop te zetten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 12 beschreven heb, bleek de wijze waarop een en ander in het onderzoeksprotocol en de informatiebrief voor de patiënt beschreven was vragen op te roepen of deze studie onder de reikwijdte van de WMO valt. Om deze reden is in december 2015 dit aspect toch nog voorgelegd aan de CCMO, die in januari 2016 heeft geoordeeld dat dit onderzoek niet onder de reikwijdte van de WMO valt.
Wordt het vervolgonderzoek gedaan met dezelfde patiëntenpopulatie? Kunt u aangeven waarin het onderzoek en het vervolgonderzoek overeenkomen met elkaar, en op welke punten zij verschillend zijn?
Het oorspronkelijke onderzoek betrof een gerandomiseerde cross-over studie, waarbij patiënten door toeval werden ingedeeld in een groep die placebo kregen toegediend of in een groep die memantine kregen toegediend naast de behandeling met clozapine. Elke patiënt heeft in opeenvolgende periode beide behandelingen gehad (clozapine met en zonder memantine). Dit betekent dat ze gedurende een bepaalde periode een andere behandeling zouden krijgen dan ze daarvoor gewend waren.
Voor het vervolgonderzoek zijn alleen patiënten gevraagd die hadden deelgenomen aan het eerste onderzoek. Als de patiënten in de eerdere studie een gunstige werking van memantine hadden ervaren kregen ze de keuze om deze therapie voort te zetten. Ik vind het van belang op te merken dat dit een therapie betreft die al een plek heeft in de bestaande behandelrichtlijn.
De effecten van deze behandeling werden tijdens het vervolgonderzoek gemonitord. Deze procedures maakten deel uit van de standaard zorg of waren niet dermate belastend voor de patiënt dat er sprake zou zijn van een handeling (of experimenteel onderzoek) in de zin van de WMO.
Op welke wijze is getoetst of deelnemers aan het onderzoek wilsbekwaam zijn? Is dit onderzoek gedaan in de verplichte aanwezigheid van meerdere mensen, zoals bekende hulpverleners en familie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deze vragen maken onderdeel uit van het inspectieonderzoek en zullen worden beantwoord in het rapport van de IGZ.
Klopt het dat het aanvankelijke onderzoek een ambulante patiëntenpopulatie kende, die ook is uitgebreid naar mensen die in een instelling wonen? Is de uitbreiding van de deelnemers goed verlopen, en zijn ze bijvoorbeeld goed getest op wilsbekwaamheid?
Nee, de inclusie van ambulante en niet-ambulante patiënten verliep parallel. De onderzoeksrapportage van de onafhankelijke onderzoekscommissie die door GGZ NHN was ingesteld, heeft in 2015 geconcludeerd dat de proefpersonen niet allemaal ambulante patiënten waren. De vraag in hoeverre de proefpersonen ambulant waren en of de wilsbekwaamheid zorgvuldig is vastgesteld, is onderdeel van het inspectieonderzoek.
Welk onderzoek doet de IGZ precies naar de GGZ NHN, en wanneer zal dat onderzoek afgerond zijn?
Zie mijn antwoord op vraag 11.