Digitale platforms voor verhuur van woningen aan toeristen, zoals Airbnb en Wimdu |
|
Farshad Bashir (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Amsterdamse burgemeester Van der Laan, dat ook een sociale huurwoning in aanmerking moet komen voor Airbnb?1
Woningcorporaties hebben de wettelijke taak om mensen met een laag inkomen te voorzien van passende huisvesting. Om te kunnen voorzien in deze taak hebben zij instrumenten tot hun beschikking, onder meer om daar waar dat nodig is een lagere huurprijs te vragen dan marktconform. De huurders van deze woningen profiteren van een lage huurprijs van sociale woningen. Daarom ligt het niet in de rede om deze woningen voor toeristische verhuurdoeleinden te gebruiken. Ik vind het dan ook niet passend indien een woningcorporatie in zijn beleid de mogelijkheid biedt om sociale huurwoningen voor toeristische verhuurdoeleinden in te zetten. Overigens heeft de burgemeester slechts aangegeven dat hij verwacht dat deze discussie de komende jaren gevoerd zou kunnen worden. Het verandert niets aan het beleid van zowel gemeente als de Amsterdamse woningcorporaties om toeristische verhuur van sociale huurwoningen niet toe te staan.
Als een huurder voor langere tijd naar het buitenland wil, wat zijn dan de wettelijke mogelijkheden tot onderhuur of tijdelijke verhuur aan een andere huurder? Wat zijn de verschillen hierbij tussen een sociale huurwoning en een vrije sector huurwoning?
Op grond van het huurrecht voor woonruimte mag een huurder zijn woning niet onderverhuren zonder toestemming van de verhuurder. Of de huurder een gereguleerde of geliberaliseerde huurovereenkomst heeft, doet niet ter zake. Onderverhuur van een kamer in een zelfstandige woning waar de huurder zijn hoofdverblijf heeft (hospitaverhuur) mag wettelijk gezien wel, maar de (hoofd)verhuurder kan dat contractueel verbieden. In vrijwel alle gevallen is in huurovereenkomsten van woningcorporaties onderverhuur van zowel een gedeelte als van de hele woning verboden, behoudens met goedkeuring van de corporatie. Indien een huurder alsnog zonder toestemming van de verhuurder zijn woning onderverhuurt, kan dit een reden zijn om de huurovereenkomst te beëindigen. Aan dat verbod is vaak ook een boetebeding verbonden.
Klopt het dat de Amsterdamse woningcorporatie De Key een pilot met Airbnb gaat uitvoeren? Hoe gaat deze pilot eruit zien en aan welke regels moeten woningcorporaties, huurders en digitale platforms zoals Airbnb voldoen?2
De Key heeft onderzocht of er draagvlak is bij de huurdersorganisatie voor een pilot waarbij studenten met een gereguleerde huurovereenkomst in 1 specifiek complex hun huurwoning maximaal 30 dagen mogen verhuren aan toeristen via digitale platforms. De door de gemeente gestelde voorwaarden voor toeristische verhuur zijn daarbij leidend. De deelnemende studenten zouden binnen de ruimte van het experiment melding moeten maken bij De Key wanneer en hoelang zij hun woning onderverhuren. Er zijn volgens De Key geen afspraken gemaakt met Airbnb. De Key heeft aangegeven dat het experiment niet doorgaat omdat er momenteel onvoldoende draagvlak is voor toeristische verhuur in sociale huurwoningen.
Wat bedoelde u concreet toen u zei dat Airbnb en andere short-stay verhuurmogelijkheden «fatsoenlijk moeten gebeuren» en welke concrete voorwaarden of regels heeft u daaraan gekoppeld om overlast te beperken en de (ver)huurder te beschermen tegen misbruik?3
In gemeenten waar sprake van schaarste is op de markt voor goedkope huurwoningen, is vaak een huisvestingsverordening van kracht waarin een verbod is opgenomen tot het onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad. Indien een woning gedurende langere tijd wordt verhuurd via Airbnb of andere platforms, kan dit worden aangemerkt als een vorm van onttrekking. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening nadere regels stellen wanneer er daadwerkelijk sprake is van onttrekking. Ik wijs u vervolgens ook op mijn antwoord op vragen 8 en 9.
Bent u nog steeds van mening dat publieke belangen – zoals veiligheid, leefbaarheid en eerlijke concurrentie – niet in het geding zijn gezien de stijging van bijna 475% in overnachtingen via Airbnb in Amsterdam?4 5
De cijfers in het rapport van Colliers International en Hotelschool The Hague zijn verzameld met behulp van een computertechniek waarbij informatie van webpagina’s wordt verzameld. De in het rapport genoemde toename van bijna 475% aan hotelovernachtingen in januari 2016 is niet feitelijk. Voorts zit er altijd ruis in de data omdat er ook B&B’s en short-stays worden meegeteld die het hele jaar mogen verhuren. Uiteraard kunnen risico’s ten aanzien van veiligheid en leefbaarheid ontstaan wanneer er sprake is van illegale verhuur aan toeristen.
Bent u inmiddels bereid een meldplicht in te voeren voor huurders die hun huis tijdelijk willen verhuren, via digitale platforms bij hun gemeente, zodat gemeente en verhuurder snel kunnen ingrijpen bij overlast en de huurder beter is beschermd?6
Het kabinet is van mening dat alle belangen voldoende zijn geborgd in bestaande wet- en regelgeving. Het is aan de gemeenten om op basis hiervan te handhaven.
Een meldplicht zou een beperking kunnen vormen voor de gastvrijheidseconomie.
Ik ga op korte termijn in nader overleg met de gemeente Amsterdam, omdat die haar voorstel voor een meldplicht doet vanuit de stelling dat het huidig juridisch instrumentarium aanpassing behoeft om afdoende te kunnen handhaven. Voorts is het standpunt van het kabinet dat de nadruk moet liggen op lokale samenwerking waarbij ook digitale platformen hun verantwoordelijkheid moeten nemen in de bestrijding van illegale toeristische verhuur.
Op welke andere manieren ondersteunt u gemeenten als het gaat digitale platforms voor de tijdelijke verhuur van woningen aan toeristen? Kunt u er bijvoorbeeld voor zorgen dat digitale platforms hun informatie delen met gemeenten, zodat er geen illegale hotels ontstaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gemeente Amsterdam is met Airbnb een Memorandum of Understanding (MOU) overeengekomen met diverse regels gericht op handhaving. In dit MOU hebben Airbnb en de gemeente Amsterdam afspraken gemaakt over voorlichting, samenwerking ten behoeve van preventie en betaling van toeristenbelasting. De Minister van Economische Zaken en ik achten dit een verstandige werkwijze. Het Rijk faciliteert op dit moment gesprekken tussen een aantal grote gemeenten en Airbnb teneinde te komen tot een overeenkomst. In verband met de privacy is er op dit moment geen mogelijkheid om Airbnb te verplichten de gegevens van aanbieders of gebruikers van hun diensten aan de overheid te verstrekken. Zo een verplichting is enkel te rechtvaardigen voor zover die bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Tevens moet de inbreuk op de privacy proportioneel zijn ten opzichte van het ermee te dienen algemeen belang en mogen er geen andere minder ingrijpende middelen zijn om dit te realiseren. Op dit moment wordt wel onderzocht of het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing kan worden gewijzigd in verband met de toeristenbelasting, waarbij digitale platforms verplicht kunnen worden gesteld om verhuurgegevens te verstrekken aan gemeenten ten behoeve van de toeristenbelasting. Deze informatie mag dan uitsluitend voor dat doel worden gebruikt.
Bieden bestaande wetten, met name de Huisvestingswet en de Wet ruimtelijke ordening, voldoende aanknopingspunten om illegale hotels aan te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals reeds eerder aangegeven, bieden de Huisvestingswet 2014, de Woningwet en Wet Ruimtelijke Ordening voldoende mogelijkheden om de uitwassen van toeristische verhuur en illegale hotels tegen te gaan. Bij het verlenen van een onttrekkingvergunning op basis van de Huisvestingswet 2014, is naast schaarste de druk op de woonomgeving en de leefbaarheid een afwegingsgrond. Indien woonruimte gedurende langere periode wordt ingezet voor toeristische verhuur, kan een gemeente met schaarste dus op basis van de Huisvestingswet 2014 dit aanmerken als een onttrekking waarvoor een vergunning verplicht is. Tevens kan het college van burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan zo een vergunning, die bij niet-naleving tot het intrekken ervan kunnen leiden. Eveneens is bestuursdwang of een bestuurlijke boete mogelijk. Indien de toeristische verhuur de vorm aanneemt van permanente logiesverstrekking gelden er andere regels op basis van onder meer het Bouwbesluit. De Woningwet biedt in gevallen waarbij een gevaar voor de gezondheid of veiligheid is, bij herhaaldelijke overtreding zelfs de mogelijkheid om het pand in beheer te geven aan een derde. Naast de Huisvestingswet 2014 en de Woningwet kan het gebruik van de woning voor permanente logiesverstrekking ook in strijd zijn met de bestemming als bedoelt in de Wet op de ruimtelijke ordening. Ook dit kan gehandhaafd worden met bestuursdwang. Het is aan de gemeente om deze instrumenten zo effectief mogelijk in te zetten afhankelijk van de plaatselijke situatie.
Is het juridisch mogelijk om een maximum aantal dagen van verblijf te hanteren in het geval van tijdelijke verhuur via een digitaal platform? Zo nee, wilt u dit mogelijk maken?
Op grond van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeente een huisvestingsverordening uitvaardigen. In zo'n huisvestingsverordening kan het onttrekken van een woning aan de woningvoorraad vergunningsplichtig worden gemaakt. Het is aan de gemeente zelf om te bepalen wanneer er sprake is van woningonttrekking en dus welk maximum aantal dagen de woonruimte mag worden gebruikt voor toeristische verhuur.
Is er inzicht hoe Verenigingen van Eigenaren (VVE's) omgaan met vakantieverhuur via digitale platforms in hun (gemengde) complex? En lopen VvE’s tegen andere knelpunten aan?
Een landelijk inzicht in de wijze waarop VvE’s omgaan met vakantieverhuur via digitale platforms is er niet. In de modelreglementen van VvE’s zijn geen specifieke bepalingen opgenomen over vakantieverhuur. Het is echter mogelijk dat het reglement van een VvE het toestaat dat eigenaren hun appartement voor vakantieverhuur mogen verhuren. In de specifieke splitsingsakten van VvE’s kunnen echter ook verbodsbepalingen zijn opgenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de exploitatie van privégedeelten als pension- of kamerverhuurbedrijf.
Indien een woonruimte stelselmatig gebruikt wordt voor toeristische verhuur kan dit consequenties hebben voor de leefbaarheid en de veiligheid. Deze mogelijke gevolgen gelden zowel voor huurwoningen als koopwoningen en evenzeer voor VvE’s. Meer in algemene zin heb ik u over knelpunten bij VvE’s geïnformeerd in mijn brief van 3 maart 2016 over het functioneren in gemengde complexen (TK, 2015–2016, 27 926, nr. 253).
Asbestkennis bij Bakkersland |
|
Grace Tanamal (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «FNV hield asbestkennis onder de pet»?1
Ja.
Kunt u een tijdslijn schetsen welke asbestincidenten er bij Bakkersland hebben plaatsgevonden en welke rol de direct betrokken, zoals de werkgever, de vakbonden, en de Inspectie SZW daarin hebben gespeeld?
Bij de Inspectie SZW zijn drie incidenten binnen vestigingen van het bedrijf bekend. Over het incident in december 2011 nam op 1 februari 2012 een gemeentelijke toezichthouder die het incident onderzocht contact op met de Inspectie SZW. Over de twee incidenten in 2013 werd op 9 januari 2014 door de NVWA en de ILT, die de incidenten in onderzoek hadden, de Inspectie SZW geïnformeerd. Er zijn geen overtredingen geconstateerd en de wijze waarop de incidenten door het bedrijf zijn aangepakt voldeed aan de eisen die horen bij een deugdelijke asbestinventarisatie en sanering.
De rol van de vakbond wordt geschetst in een eerder nieuwsbericht uit 20142. En na de tweede uitzending van Zembla van 8 juni 2016 heeft de FNV een reactie gegeven3.
De twee brancheorganisaties (VBZ en NVB) hebben na de incidenten in samenwerking met de FNV een handreiking asbest opgesteld waarmee de sector op een verantwoorde wijze met asbestproblematiek kan omgaan4.
Zijn de werknemers van Bakkersland, al dan niet door de Inspectie SZW, geïnformeerd over deze calamiteiten? Zo ja, kunt u aangeven wanneer zij geïnformeerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De werkgever is verantwoordelijk voor het bieden van een gezonde en veilige werkplek. Hij dient zijn werknemers te informeren conform de arboregelgeving.
Naar aanleiding van een inspectie wordt de werkgever altijd schriftelijk geïnformeerd over de bevindingen. Het medezeggenschapsorgaan krijgt een afschrift van de aan de werkgever verzonden correspondentie. Langs die weg is het medezeggenschapsorgaan van Bakkersland in 2012 geïnformeerd over het onderzoek naar de gemeten concentratie van asbestvezels in de lucht en over de conclusies dat de meting uitgewezen heeft dat deze onder de norm bleef.
Kunt u aangeven in hoeverre er door deze calamiteiten een risico op inademing van asbestdeeltjes door werknemers is geweest?
Bij asbestcalamiteiten is er een risico op inademing van asbestdeeltjes. Naar aanleiding van het incident bij Bakkersland in Wateringen heeft de Inspectie SZW metingen laten uitvoeren. De conclusie van deze metingen was dat de gemeten concentratie aan respirabele asbestvezels onder de norm bleef.
Kunt u aangeven of er bij (oud)-werknemers asbest gerelateerde beroepsziekten zijn geconstateerd? Zo ja, om hoeveel werknemers gaat het?
Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) heeft informatie op sectorniveau, maar niet op bedrijfsniveau. Het totaal aantal dienstverbanden van asbestslachtoffers die zich tot en met 2014 bij het IAS hebben gemeld, en van wie de sector is geregistreerd, bedraagt 14.759. Het aandeel van de broodsector is 0,4 procent van de totale groep. Verreweg de meeste (mogelijke of zekere) blootstellingen in de broodindustrie hebben plaatsgevonden in de jaren »50 en »60 van de vorige eeuw.
Bij het IAS hebben 8 mesothelioomslachtoffers in de periode 2005 tot en met 2014 bij hun aanvraag aangegeven dat zij met zekerheid in de bakkerssector aan asbest zijn blootgesteld. 37 aanvragers hebben een dienstverband in de broodindustrie of bakkerijsector gehad en zijn daar misschien aan asbest blootgesteld of weten niet of ze daar met asbest in aanraking zijn geweest. Onder deze 37 zijn slachtoffers die volgens eigen verklaring zeker in een andere sector aan asbest zijn blootgesteld.
Het bezoek van een antisemitische geweldsimam |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Sheikhwatch. Genocidale haat-Pakistaan spreekt in NL?1
Ja.
Klopt het dat de virulente antisemiet Muhammad Raza Saqib Mustafai, die stelt dat alle problemen op aarde veroorzaakt worden door de joden en dat de joden uitgeroeid dienen te worden om wereldvrede te bewerkstelligen, in Nederland zal preken? Zo ja, op welke specifieke locatie?
In 2016 heeft betrokkene een tour door Europa gemaakt. Ik heb geen bevestiging dat betrokkene als onderdeel van deze reis door Europa in Nederland heeft gepredikt of zal gaan prediken.
Waarom is deze geweldsprediker de toegang tot ons land niet ontzegd?
Over individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken. Indien het komt tot een uitnodiging van een visumplichtige derdelander die oproept tot haat en geweld heeft de rijkoverheid de mogelijkheid om vreemdelingrechtelijke instrumenten in te zetten, bijvoorbeeld het weigeren of intrekken van een visum of een vreemdeling signaleren ter fine weigering toegang. Iedere casus wordt op zijn eigen merites beoordeeld.
Bent u bereid de organisatie die deze geweldsprediker heeft uitgenodigd om naar Nederland te komen te laten ontbinden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op grond van Art. 2:20 BW heeft de rechtbank de bevoegdheid een rechtspersoon te verbieden en te ontbinden. Indien het Openbaar Ministerie daartoe aanleiding ziet kan het een verzoek hiertoe doen.
Ziet u inmiddels in dat het constant binnenlaten van dit soort geweldspredikers een gevaar vormt voor de openbare orde en de integratie maximaal tegengaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet is van mening dat een effectieve aanpak van predikers die oproepen tot haat of geweld zeer van belang is. Daarnaast schetst het kabinet in haar beleidsreactie op de notitie «Salafisme in Nederland: diversiteit en dynamiek»2 een beleid langs drie sporen ten aanzien van problematische gedragingen van organisaties of personen die de democratische rechtsorde ondermijnen of de sociale stabiliteit aantasten. In die aanpak is ook aandacht voor het vergroten van het bewustzijn bij islamitische gemeenschappen, waaronder salafistische, van de maatschappelijke en politieke context waarin zij opereren en functioneren.
In hoeverre begrijpt u dat alle actieplannen van het kabinet om radicalisering en antisemitisme tegen te gaan nutteloos zijn zolang u toestaat dat de gewelddadige boodschap van het extremisme wortel kan schieten?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom geeft u geen uitvoering aan de motie-Bontes om geweldspredikers te allen tijde te weren?2
De stappen die worden ondernomen bij het weren van predikers die oproepen tot haat en geweld en daarmee een bedreiging vormen voor de openbare orde, zoals beschreven in het antwoord op vraag drie, beschouw ik als een zorgvuldige uitvoering van het geschetste beleid, dat tevens aansluit bij de motie Bontes.
Het bericht dat er met amv’ers wordt gesleept |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 28 alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv'rs) moeten verhuizen1?
Ja.
Staat het Nidos vrij een uitzondering te maken op haar beleid van kleinschalige opvang? Zo ja, waarom wordt in het geval van Purmerend vastgehouden aan het beleid terwijl de meer grootschalige opvang bij de betrokken partijen goed bevalt?
Met ingang van 1 januari 2016 is – mede op verzoek van uw Kamer – het nieuwe opvangmodel voor amv’s in werking getreden. Kleinschaligheid staat hierin voorop waarmee invulling wordt gegeven aan het belang van het kind. Amv’s tot en met 14 jaar worden in het nieuwe model opgevangen in opvanggezinnen onder verantwoordelijkheid van Nidos. In de begeleiding van amv’s wordt rekening gehouden met hun perspectief: integratie als er een vergunning is verleend of terugkeer als de aanvraag is afgewezen. In het nieuwe model worden amv’s die een verblijfsvergunning hebben gekregen door Nidos in gezinsverband geplaatst om vanuit deze context aan hun inburgering te werken. Als er geen opvanggezin beschikbaar is voor een amv met verblijfsvergunning, vangt Nidos hen in kleinschalige woonvoorzieningen op. Kleinschaligheid is een belangrijke voorwaarde bij begeleiding naar een zelfstandige positie in de Nederlandse maatschappij. De amv’s die in Nederland mogen blijven, verblijven dus niet langer in de opvang bij amv’s in procedure of voor wie de aanvraag is afgewezen. Hiermee beoog ik meer duidelijkheid en eenduidigheid te creëren over het toekomstperspectief van amv’s voor hen zelf en hun omgeving. Bij de geboden opvang wordt dus onderscheid gemaakt naar leeftijd en perspectief.
Ik vind het belangrijk dat de implementatie van het nieuwe opvangmodel volledig tot zijn recht komt. Nidos dient uiterlijk op 1 juli 2016 alle amv’s met een vergunning conform het nieuwe AMV opvangmodel overgenomen te hebben van het COA.
Nidos maakt gebruik van kleinschalige opvanglocaties (maximaal 12 personen) via lokale contractpartners waarbij dus wordt gewerkt aan de integratie en zelfstandigheid van de amv.
Ik kan u melden dat gemeente Purmerend, Nidos en de betrokken contractpartners intensief met elkaar in overleg zijn getreden om te bezien wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot de huidige opvanglocatie voor amv’s. De betrokken partijen hebben de samenwerking als constructief ervaren en zijn tot goede afspraken over passende huisvesting gekomen die aansluiten bij het beleid.
Kunt u uiteenzetten wat de voor- en nadelen zijn van dit beleid?
Zie antwoord vraag 2.
Is het mogelijk het beleid zo aan te passen dat indien jongeren toch uit een locatie moeten vertrekken er opvang voor hen in dezelfde stad of regio gezocht wordt?
Uiteraard is dit de inzet van Nidos. Helaas blijkt het niet altijd mogelijk om opvang in dezelfde stad of regio te realiseren.
Staat het Nidos vrij een uitzondering te maken en jongeren die 18 worden langer in opvang voor amv’ers te houden waardoor zij in dezelfde omgeving en groep kunnen blijven, bijvoorbeeld totdat zij een eigen huurwoning krijgen?
Nee. In het bestuursakkoord van november 2015 en herbevestigd in het uitwerkingsakkoord van 28 april jl., is, mede op verzoek van gemeenten, afgesproken dat amv’s met een vergunning kleinschalig in de gemeenten worden opgevangen. Onderdeel van deze afspraak is dat amv’s meetellen voor de taakstelling en zodra ze 18 jaar worden in de gemeente worden gehuisvest. Nidos en VNG werken op dit moment aan een protocol om de goede overdracht van amv’s te borgen, de benodigde informatie te delen over wie welke begeleiding nodig heeft en gemeenten handelingsperspectief te bieden hoe begeleiding aan te bieden aan diegenen die dat nodig hebben.
Deelt u de mening dat een hoog aantal verhuisbewegingen voorkomen moet worden en dat daartoe uitzonderingen op formele regels gemaakt moeten worden in voorkomende gevallen? Is dat ook in het geval van Purmerend het geval?
Het aantal verhuisbewegingen van minderjarige kinderen is in 2015 toegenomen.
Ook ik vind dit een onwenselijke situatie. Tegelijkertijd constateer ik dat de toename voor een groot deel te wijten is aan het openen van tijdelijke opvanglocaties in het kader van de hoge asielinstroom. Zoals ook in Purmerend het geval is geweest. Hierdoor is het wel gelukt om elke asielzoeker een bed te kunnen bieden. Zoals ook recent richting diverse maatschappelijke organisaties is aangegeven tijdens een bijeenkomst over kinderen in de opvang, zal nader worden gekeken naar het aantal verhuisbewegingen. Hierbij is het van belang om de divers aspecten te wegen.
Het wel produceren van rapporten maar niet repareren van de schade |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en het Centrum Veilig Wonen (CVW), die wel rapporten produceren, maar de schade niet repareren?1
Ja.
Is het waar dat er voor 25.000 euro aan rapporten is geproduceerd, terwijl de informatie over het desbetreffende huis al voorhanden was?
Het past mij als Minister niet om uitgebreid in te gaan op de details van een individueel schadegeval. Wel kan ik u mededelen dat in deze zaak inmiddels overeenstemming is bereikt waardoor de herstelwerkzaamheden van start kunnen gaan. Verder merk ik in algemene zin op dat het CVW, naar aanleiding van signalen uit de regio, werkt aan verbetering van de werkwijze, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan verbetering van de communicatie.
Is het waar dat dit bedrag hoger is dan de daadwerkelijke schade?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de NAM, het CVW en Arcadis zelden of nooit terugbellen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kunt u of de Nationaal Coördinator Groningen ervoor zorgen dat voor dit soort reparaties sneller groen licht wordt gegeven?
De gemiddelde tijd die schadeafhandeling in beslag neemt is sinds de oprichting van het CVW al sterk teruggedrongen. De snelheid waarmee een specifieke schademelding kan worden afgehandeld is echter mede afhankelijk van de complexiteit van de herstelwerkzaamheden.
Het antiracisme advies van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI)?1
Ja.
Wat heeft u met de eerdere aanbevelingen van de ECRI uit 2013 gedaan? Kunt u dit specificeren aan de hand van de drie kritiekpunten die de ECRI in haar nieuwste rapport noemt? Deelt u de mening dat er nog te weinig met de aanbevelingen uit het rapport van de ECRI uit 2013 is gedaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschouwt het ECRI rapport als een waardevol instrument om de bescherming van burgers tegen discriminatie te verbeteren.
Op 15 oktober 2013 verscheen de vierde ECRI-rapportage over Nederland, die de stand van zaken per 22 maart 2013 beschrijft. In de kabinetsreactie van 18 november 2013 op het vierde ECRI rapport over Nederland is de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop Nederland al dan niet voldoet aan de aanbevelingen uit dit rapport2. Het tussentijdse ECRI-rapport dat op 7 juni 2016 is verschenen beschrijft de stand van zaken per 4 november 2015. Het tussentijdse rapport gaat derhalve niet in op het nieuwe nationale actieprogramma tegen discriminatie dat begin dit jaar aan uw Kamer is aangeboden3. In januari 2017 ontvangt de Kamer een rapportage over de voortgang van dit actieprogramma. Op de drie kritiekpunten van ECRI (ontwikkelen nationaal beleid tegen racisme en rassendiscriminatie, racisme als strafverzwaringsgrond en uitbuiting uitzendkrachten), wordt nader ingegaan in de beantwoording op vragen 4, 5 en 7.
Wat vindt u van de aanbeveling uit het rapport van de ECRI dat racisme in het strafrecht moet worden opgenomen als verzwarend motief? Waarom is racisme niet als strafverzwaringsgrond in het Wetboek van Strafrecht opgenomen?
De Nederlandse rechter beschikt over de bevoegdheid om – enkel begrensd door de wettelijke maximumstraf waarmee een strafbaar feit wordt bedreigd – bij de straftoemeting rekening te houden met het feitelijke delictsscenario en de persoon van de verdachte, inclusief diens motieven. De officier van justitie kan met zijn strafeis sturing geven aan de afwegingen die de rechter in het kader van de straftoemeting maakt. De hoogte van de strafeis van de officier van justitie wordt bepaald aan de hand van de Aanwijzing discriminatie (Stcrt. 2007, 233; aangepast in Stcrt. 2011, 19256) en de Strafvorderingsrichtlijn discriminatie (Stcrt. 2015, 4225). In de Aanwijzing discriminatie is bepaald dat voor delicten gepleegd met een discriminatoir motief de eis met 50% of 100% moet worden verzwaard en dat dit in het requisitoir uiteengezet wordt. De beschreven systematiek van straftoemeting geeft naar het oordeel van het kabinet uitvoering aan hetgeen met de aanbeveling van het Comité wordt beoogd. Het kabinet ziet dan ook geen toegevoegde waarde in het in strafwetgeving opnemen van een racistisch of discriminatoir motief als strafverzwarende omstandigheid bij het plegen van strafbare feiten.
Zijn de niet-bindende regels zoals het strafrecht nu kent in beginsel voldoende om strafverzwaring op te leggen in zaken waarin een delict is gepleegd op basis van een racistisch motief? In hoeveel zaken op basis van een racistisch motief maken rechters gebruik van deze mogelijkheid om een zwaardere straf op te leggen? Als er geen gebruik van wordt gemaakt van deze niet-bindende regels om strafverzwaring op te leggen, wat is hier dan de reden van? Gezien het aantal zaken waarin gebruik wordt gemaakt van niet-bindende regels om strafverzwaring op te leggen, zijn deze regels dan nog steeds voldoende? Ziet u redenen om racisme alsnog in het Wetboek van Strafrecht als strafverzwaringsgrond op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een nationale strategie tegen discriminatie en racisme noodzakelijk is? Is er geëvalueerd of een algemeen anti discriminatieprogramma zoals dat nu wordt ontwikkeld effectiever is in de preventie en aanpak van discriminatie en racisme dan een strategie die specifiek gericht is op racisme en discriminatie op basis van ras? Zo ja, wat was de uitkomst van deze evaluatie? Zo nee, bent u bereid tot een dergelijke evaluatie?
Het kabinet is van mening dat de aanpak van racisme bijzondere en herkenbare aandacht verdient. Dit impliceert echter niet dat er een apart actieprogramma voor dient te worden opgesteld. Het kabinet hecht juist aan een breed antidiscriminatieprogramma dat alle gronden, waaronder ras, bestrijkt omdat er veel overeenkomsten zijn in de onderliggende mechanismes die ten grondslag liggen aan het ontstaan van vooroordelen en discriminatie. De aanpak van discriminatie op grond van afkomst, religie en huidskleur, heeft nadrukkelijk specifieke attentie gekregen in het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie.
Zijn er naar uw mening voldoende middelen om de huidige aanpak van discriminatie en racisme te monitoren en te evalueren, ook buiten de middelen die bestaan om de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie te monitoren? Zo ja, hoe monitort u de effecten van de aanpak van discriminatie en racisme op andere gebieden? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat de resultaten van dit beleid inzichtelijk worden?
De kritiek van de ECRI dat er geen goede strategie is om discriminatie en racisme aan te pakken, delen wij niet. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de uitvoering van het nationale actieprogramma tegen discriminatie. Daarnaast vindt monitoring op verschillende terreinen plaats, bijvoorbeeld in toezicht van onderwijsinspectie op een veilig schoolklimaat, de evaluatie van de aanpak van horecadiscriminatie in 2017 en het aangekondigde onderzoek naar functioneren van de ADV’s. Ook vindt periodiek onderzoek plaats naar ervaren discriminatie, om een volledig beeld te krijgen t.a.v. het voorkomen van discriminatie naast het overzicht op basis van meldingen en aangiftes. Voorts wordt door regelmatig contact met diverse sleutelfiguren en organisaties bekeken of nog de juiste inzet op de goede thema’s plaatsvindt.
Wat vindt u van de aanbeveling van het rapport om de vergunning van uitzendbureaus die schuldig zijn bevonden aan uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten in te trekken? Welke maatregelen heeft u genomen om de uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten aan te pakken? Zijn deze maatregelen voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen zijn nog meer denkbaar om de uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten aan te pakken? Bent u voornemens nogmaals naar de aanbeveling van de ECRI te kijken om vergunningen van uitzendbureaus die schuldig zijn aan uitbuiting in te trekken?
Op 12 mei 2014 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de aanpak van malafide uitzendbureaus (AMU). Hierin is opgenomen dat een vergunning niet voldoende effectief bleek om fraude en malafide praktijken aan te pakken. Daarnaast legde het beperkingen op aan de werking van de arbeidsmarkt en bracht het veel administratieve lasten met zich mee. Daarom is er gekozen voor een systeem van zelfregulering door de uitzendbranche met een keurmerk van de Stichting Normering Arbeid in combinatie met publiek-private samenwerking.
Deelt u de kritiek van de ECRI dat u geen goede, nationale strategie heeft om discriminatie en racisme aan te pakken? Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over hoe u discriminatie en racisme verder gaat aanpakken? Zo ja, op welke termijn bent u bereid de Kamer over de verdere invulling van dit beleid te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat banken maar beperkt inzetten op rechten van werknemers in hun relaties met grote bedrijven |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «banken doen te weinig aan arbeidsrechten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitkomsten van de bankwijzer dat banken zich in de praktijk minder inzetten voor rechten van werknemers dan dat zij hebben toegezegd?
Het onderzoek van de Eerlijke Bankwijzer richt zich op de vraag in hoeverre de tien grootste bankgroepen in Nederland in hun relaties met klanten of bij de keuze van hun investeringen aandacht besteden aan de risico’s op schending van mensenrechten en arbeidsrechten in de toeleveringsketens van bedrijven in de elektronicasector en kledingsector. Dit onderzoek laat zien dat de meeste bankengroepen een ruim voldoende tot uitstekend scoren wat betreft hun beleggingsbeleid voor de kleding- en elektronicasector. En dat vier van de negen bankengroepen een ruim voldoende tot uitstekend scoren op de uitvoering van dat beleid.
De Eerlijke Bankwijzer constateert voorts dat bankgroepen in hun rol als kredietverstrekker en belegger ertoe kunnen bijdragen de rechtspositie van werknemers te verbeteren door bedrijven op hun verantwoordelijkheid te wijzen dat kostenefficiency niet ten koste mag gaan van naleving van fundamentele arbeidsrechten en mensenrechten. Dit betekent dat «vakbondsvrijheid en betaling van een leefbaar loon integraal onderdeel dienen te zijn van het verantwoord kredietbeleid en verantwoord beleggingsbeleid, en niet pas de aandacht krijgen bij controverses». Ik steun de oproep aan de bankgroepen hier verdere actie op te ondernemen en heb er vertrouwen in dat zij hun duurzaamheidsbeleid en -uitvoering continueren.
Ik verwelkom in dit verband dan ook het initiatief van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) om samen met de Eerlijke Bankwijzer tot een methodologie te komen die informatieverstrekking en onderlinge vergelijkbaarheid tussen banken ten goede komt.
Wat is uw reactie op de constatering dat de drie grote banken, ABN AMRO, ING en Rabobank, niet genoeg doen om grote bedrijven waarmee zij zaken doen aan te sporen beter met arbeidsrechten om te gaan? Wat is uw reactie op de constatering dat Delta Lloyd en Aegon nog minder presteren?
Het onderzoeksrapport constateert «in algemene zin dat bankgroepen de screening van bedrijven baseren op een adequate analyse van risicosectoren, risicolanden en de daarmee samenhangende risicofactoren op het gebied van mensenrechten en arbeidsrechten». Daarbij wordt aangetekend dat bankgroepen «in hun communicatie meer dan nu het geval is hun invloed kunnen gebruiken om deze rechten (…) onder de aandacht te brengen». In de beoordeling van het verantwoord beleggingsbeleid van bankgroepen onderscheidt de Eerlijke Bankwijzer voorlopers, middenmoters en achterblijvers. Tot de voorlopers horen ASN Bank, Triodos en SNS Bank (Actiam). Het zou mooi zijn als het de andere bankgroepen zou lukken – voor zover mogelijk – een voorbeeld te nemen aan de beleidsontwikkeling èn -uitvoering van de koplopers. De scores van de middenmoters en achterblijvers kunnen blijkens het rapport al verbeteren als de beleidsuitvoering kan worden aangetoond met praktijkvoorbeelden. Die waren niet altijd voorhanden en dat heeft negatieve invloed gehad op de eindscore.
Hoe verklaart u het grote verschil tussen SNS en ABN AMRO?
In de beoordeling van het verantwoord beleggingsbeleid van de vermogensbeheerders van bankgroepen valt SNS Bank (Actiam) in de categorie van voorloper en ABN Amro in die van middenmoter. Hierover wordt in het rapport opgemerkt: «ABN Amro heeft een goed risicomanagementsysteem voor de beoordeling van duurzaamheidsbeleid van bedrijven en hun toeleveringsbeleid. De beoordeling omvat een scala aan internationale arbeidsnormen, waaronder de voor dit praktijkonderzoek belangrijke arbeidsrechten vakbondsvrijheid en leefbaar loon. ABN Amro liet echter weinig concrete voorbeelden zien van engagementprocessen ten aanzien van kledingbedrijven en elektronicabedrijven. Dit resulteert in een 6.» Dit is een afweging van de bank geweest.
Is er in de sector wel werk gemaakt om te voldoen aan de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen zoals toe opgeroepen in de motie Schouten/Nijboer?2 Of blijven de prestaties van een aantal grote partijen ook daar achter?
De bancaire sector neemt zijn verantwoordelijkheid om aan OESO-richtlijnen en de UN-Guiding Prinicples (UNGPs) te voldoen door deel te nemen aan het IMVO-convenant. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) is, evenals maatschappelijke organisaties, ngo’s en de overheid, partij bij dit convenant. De in de motie genoemde OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen betreffen een speerpunt van het convenant.
Deelt u de inschatting dat de kledingindustrie nu meer aandacht krijgt naar aanleiding van de afschuwelijke incidenten in die sector? Op welke manier kunnen banken worden aangespoord om ook juist preventief aandacht aan sectoren te schenken, ook als in het recente verleden zich daar geen incidenten hebben voorgedaan?
Ik onderschrijf aanbeveling 3 van de Eerlijke Bankwijzer waarmee de banken worden opgeroepen om «hun krediet- en investeringsportefeuilles actief te beheren en niet pas in actie te komen wanneer zich een misstand bij een bedrijf of in diens toeleveringsketen heeft voorgedaan». Dat doet de bancaire sector door deelname aan het imvo-convenant.
Met zogenoemde «costumer due diligence» (ken-uw-cliënt) methoden worden banken geëquipeerd om mogelijke mensenrechtenschendingen in hun financieringsketens te signaleren en daarop te acteren.
Bent u bereid om de banken aan te sporen zich in te zetten om hun toezeggingen na te komen?
Mijn ministerie is op verschillende plekken en manieren met de banken in dialoog over maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals binnen de context van het convenantentraject.
De beperking van de vrijheid van meningsuiting in India |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Stifling Dissent – The Criminalization of Peaceful Expression in India» van Human Rights Watch en de juridische analyse van VN-rapporteur Maina Kiai over de Indiase wet die buitenlandse giften aan Indiase organisaties reguleert?1
Ja
Deelt u de analyse van het rapport van Human Rights Watch dat de Indiase autoriteiten routinematig vaag geformuleerde, te brede wetten als politieke wapens gebruiken om critici het zwijgen op te leggen en te intimideren, en die van de VN-rapporteur dat de wet niet in overeenstemming is met het internationaal recht en met internationale richtlijnen en normen en de regering ruime discretionaire bevoegdheden geeft die op willekeurige en onvoorspelbare wijze kunnen worden toegepast?
Het kabinet is niet van mening dat Indiase autoriteiten routinematig vaag geformuleerde wetten gebruiken om critici het zwijgen op te leggen. De vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de Indiase Grondwet en India kent een democratisch gekozen parlement, een democratisch gekozen regering en een onafhankelijke rechtspraak. Daarnaast is er sprake van een levendig maatschappelijk middenveld. Ook spelen diverse nationale media in India een belangrijke rol in maatschappelijke discussies en stellen zij misstanden aan de orde.
Wetgeving kan niettemin mogelijk beperkend zijn voor de vrijheid van meningsuiting, zoals de wet die vrijheid van meningsuiting kan beperken op internet (Information Technology Act). Ook de Indiase wet die buitenlandse giften aan Indiase organisaties reguleert, kan beperkend werken t.a.v. de financiering van het maatschappelijk middenveld. De Nederlandse overheid deelt de zorgen van VN-rapporteur Maina Kiai over de wet m.b.t. buitenlandse giften zoals beschreven in «Analysis on International Law, Standards and Principles applicable to the Foreign Contributions Regulation Act 2010 and Foreign Contributions Regulation Rules 2011». Dergelijke wetgeving kan in India door de rechter worden getoetst aan de Grondwet. Zo heeft het Hooggerechtshof in India in maart 2015 ingegrepen omdat zij van mening was dat Section 66A van de Information Technology Act incompatibel was met het recht op vrijheid van meningsuiting zoals in de Grondwet is vastgelegd.
Bent u bereid deze zeer zorgelijke ontwikkelingen bij de Indiase regering aan te orde te stellen? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
De Nederlandse overheid zoekt blijvend de dialoog met India over mensenrechten en de rol van non-gouvernementele organisaties, hetzij bilateraal, hetzij in EU en multilateraal verband. Nederland benadrukt daarbij het belang van een breed en vocaal maatschappelijk middenveld voor een goed functionerende democratische rechtsstaat. Een kritisch maatschappelijk middenveld dat vrij is om zijn mening te geven, draagt bij aan het maatschappelijk debat over actuele ontwikkelingen en het functioneren van de overheid. Meest recent heeft Nederland dit onderwerp aan de orde gesteld tijdens de hoog ambtelijke bilaterale consultaties op 1 juni jl. in Delhi.
Bent u bereid in het kader van het Nederlandse voorzitterschap deze kwestie in EU-verband aan de orde te stellen met als doel dat de EU de ontwikkelingen indringend bij de Indiase regering aan de orde stelt?
Nederland maakt zich er waar mogelijk sterk voor dat in EU-verband deze aspecten als onderdeel van bredere gesprekken aan de orde worden gesteld. Tijdens de EU-India Top op 30 maart jl, voorgezeten door de EU Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, is het bevorderen en naleven van mensenrechten eveneens besproken.
Bent u bereid – mede gezien één van de aanbevelingen in het HRW-rapport – de sterk tekortschietende vrijheid van meningsuiting in India tijdens India’s Universal Periodic Review in 2017 aan de orde te stellen en India aan te moedigen om de VN Speciale Rapporteur voor de bevordering en bescherming van vrijheid van meningsuiting voor een feitenonderzoek uit te nodigen?
Het kabinet is bereid in de dialoog die gevoerd zal worden met India in het kader van de Universal Periodic Review eveneens aandacht te vragen voor het belang van de vrijheid van meningsuiting.
Wat vindt u van de conclusie in het HRW-rapport dat wetten ter bestrijding van terrorisme disproportioneel gebruikt worden tegen religieuze minderheden en gemarginaliseerde groepen zoals Dalits? Bent u bereid dit nadrukkelijk te betrekken bij uw overleg met de Indiase regering?
Het kabinet beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat wetten ter bestrijding van terrorisme in India disproportioneel worden ingezet tegen minderheden. Vanzelfsprekend zal het kabinet ontwikkelingen in India blijven volgen.
De website www.werkenmetwajong.nl |
|
Marith Volp (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de website http://www.werkenmetwajong.nl/? Zijn er naar uw weten nog andere sites gericht op Wajongers die soortgelijke manieren van bijverdienen promoten?
Ja. Ik ben door «Meldpunt Kinderporno op Internet» geïnformeerd over het bestaan van deze website. Ik ben niet bekend met andere sites die expliciet gericht zijn op het aanbieden van soortgelijke bijverdiensten aan Wajongers. Wel leert een korte rondgang op internet dat de teksten van de betreffende website terugkomen op meerdere websites.
Deelt u de mening dat het adres van de genoemde site de indruk wekt dat het hier gaat om een overheidssite, een site die gelieerd is aan de overheid of een site met algemene informatie over overheidsbeleid betreffende de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat mensen die op zoek zijn naar officiële informatie over manieren om bij te verdienen als Wajonger eenvoudig op deze site terecht kunnen komen? Zo ja, welke conclusie trekt u daaruit? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De naamgeving van de website verwijst niet naar een overheidsinstantie en de website oogt door de gebruikte opmaak en foto's als een commerciële website. Daarom ben ik van mening dat de genoemde site niet de indruk wekt dat het hier gaat om een overheidssite. De website maakt onderdeel uit van het openbare domein. Het is daarom zeer goed mogelijk dat personen op deze site terecht komen. Ik constateer echter op basis van een steekproef dat de website met een algemene zoekopdracht naar werk voor Wajongers niet op de eerste twee tot drie pagina’s naar voren komt.
Kunt u nadere uitleg geven over de passage op de site dat de gepromote activiteiten plaats vinden «in overleg met de uitkeringsinstantie»? In hoeverre vinden deze activiteiten om bij te verdienen in de Wajong plaats in overleg met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)? Deelt u de mening dat deze passage en andere links op de site naar UWV, de sociale dienst en de rijksoverheid de indruk wekken dat het hier gaat om officiële overheidsinformatie of dat de site een band heeft met deze overheidsinstanties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u richting deze site nemen om deze indruk weg te nemen?
De website adviseert Wajongers om in overleg te treden met UWV over de mogelijkheden van bijverdienen en het effect daarvan op de uitkering. Het staat Wajongers vrij om op vrijwillige basis een baan te accepteren of op andere manieren geld te verdienen. Wajongers zijn echter op basis van de wet verplicht om UWV te informeren over feiten of omstandigheden die van invloed zijn op het recht en de hoogte van hun uitkering. Ik deel uw mening niet dat het enkele feit dat de website links bevat naar overheidsinstanties de indruk wekt dat het gaat om officiële overheidsinformatie. Met nadruk meld ik dat de rijksoverheid geen partner van deze website is, al stond de link naar de site van de rijksoverheid onder het kopje «Partners». Mijn departement heeft daarom schriftelijk contact opgenomen met de beheerder van de website met het verzoek om de link naar www.rijksoverheid.nl te verwijderen. De beheerder heeft aan deze wens voldaan.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als mensen die zoeken naar officiële informatie over bijverdienen in de Wajong terecht komen op deze site? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het ongewenst is dat er een site over bijverdienen in de Wajong is die zich enkel toespitst op de manieren van bijverdienen die op werkenmetwajong.nl gepromoot worden? Zo ja, welke consequenties heeft dat? Zo nee, waarom niet?
Ik besef dat de website betrekking heeft op «functies» binnen een maatschappelijk omstreden bedrijfstak. Met uw Kamer hebben we daarom ook uitgesproken dat werkzoekenden deze functies ook niet aangeboden krijgen als passend werk. UWV biedt functies uit deze bedrijfstakken niet aan. De website geeft an sich juiste informatie en werft Wajongers boven de 18 jaar voor legale werkzaamheden. Wajongers mogen derhalve dit werk aanvaarden. Bemiddelen naar deze banen mag zolang er geen sprake is van dwang of opzettelijk profiteren van het onvermogen van iemand om een bewuste beslissing te nemen.
Er zijn geen harde juridische belemmeringen voor deze website om zich in het algemeen voor de werving van sekswerkers te richten op Wajongers als doelgroep, maar het schuurt wel. Wajongers vormen een kwetsbare groep. Meer dan 75% van de Wajongers heeft vanwege een ontwikkelstoornis of een psychiatrisch ziektebeeld een Wajong-uitkering. De website «verleidt» deze groep om (op zich legaal) thuiswerk te verrichten, terwijl niet duidelijk is of zij zich realiseren dat het om een maatschappelijk omstreden bedrijfstak gaat. Ik heb daarom UWV verzocht om intern UWV medewerkers die te maken hebben met Wajongers hierover actief te informeren, zodat zij alert zijn op deze vorm van bijverdiensten en indien Wajongers vragen hebben of melden dat zij gaan werken in deze branche Wajongers over de potentiële risico’s behorende bij deze werkzaamheden kunnen informeren.
Daarnaast heeft mijn ministerie de beheerder van de website schriftelijk verzocht de activiteiten van deze website, specifiek gericht op Wajongers, te staken. De beheerder heeft de verwijzing naar de rijksoverheid verwijderd, maar zag geen reden om de activiteiten te staken.
Hoe beoordeelt u het risico dat Wajongers met een (verstandelijke) beperking via deze site ongewild in de (online) seksindustrie of prostitutie terecht komen? Welke actie gaat u ondernemen om dit risico bij deze site en mogelijke vergelijkbare andere sites te ondervangen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat het op de site duidelijker wordt dat de beschikbare informatie geen officiële overheidsinformatie is? Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat mensen die op zoek zijn naar officiële overheidsinformatie over bijverdienen als Wajonger op de juiste plaats terecht komen en niet op deze site? Bent u bereid om hierover met de site in overleg te treden en te pleiten voor aanpassingen in bovengenoemde richting?
Zie antwoord vraag 4.
Gevangenissen die toch dicht gaan |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Toch gevangenissen dicht?»1
Ja.
Klopt het dat er plannen zijn nog deze kabinetsperiode gevangenissen leeg te halen?
Uw Kamer heeft op 26 april jl. de motie van de leden Van Oosten en Volp aangenomen (Kamerstuk 24 587, nr. 641) waarin uw Kamer stelt dat sluiting van penitentiaire inrichtingen, inclusief justitiële jeugdinrichtingen, nu niet aan de orde is. Zoals ik in mijn brief van 14 juni jl. heb gemeld en tevens aangeef in de antwoorden op Kamervragen van de leden Kooiman, Van Toorenburg en Swinkels d.d. 9 juni (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2972), sluit ik nu geen gevangenissen en houd ik hier rekening mee in de begroting van Veiligheid en Justitie voor 2017 en het meerjarige beeld.
Deelt u de mening dat u met deze actie letterlijk lak heeft aan de Kamer aangezien u het door de Kamer uitgesproken verbod gevangenissen te sluiten hiermee omzeilt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een gevangenis eigenlijk geen gevangenis meer is op het moment dat die wordt leeggehaald en al helemaal indien die gevangenis wordt gevuld met vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
De motie van de leden Van Oosten en Volp stelt dat sluiting aanvullend op het lopende Masterplan DJI 2013–2018 nu niet aan de orde is. Gevangenissen behouden dan ook hun formele bestemming totdat sprake is van sluiting. Zoals aangegeven in voornoemde brief d.d. 14 juni is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) sprake van een bezetting van ruim 60%. Tegelijkertijd bestaat er bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers een tekort aan capaciteit. Ingegeven door deze omstandigheden, kunnen penitentiaire inrichtingen tijdelijk ter beschikking worden gesteld, terwijl de formele bestemming als gevangenis in tact blijft. Het plaatsen van asielzoekers in penitentiaire inrichtingen is overigens alleen mogelijk als gemeenten daarmee instemmen.
Stopt u met het omzeilen van dit verbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen gaat u per direct nemen teneinde deze gevangenissen te vullen met criminelen?
Zoals ik in mijn brief van 14 juni jl.(Kamerstuk 24 587, nr. 655) heb aangegeven, is de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum op basis van de doorrekening dat verhoging van het ophelderingspercentage, c.q. het opsporen van meer verdachten, leidt tot een relatief beperkte toename van de behoefte aan celcapaciteit.
Het beeld Terrorismebestrijding Turkije: ISIS door draaideur, academici in de cel |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving1 dat Turkije zeven verdachte ISIS-terroristen heeft vrijgelaten, onder wie de vermoedelijk leider van ISIS in Turkije, Halis Bayancuk?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving en de aanklachten. Aangezien het kabinet geen inzage heeft in de onderzoeksdossiers is het niet mogelijk een oordeel te vellen over de Turkse rechtsgang in deze zaken.
Klopt het dat daarmee in totaal alle 94 verdachte ISIS-terroristen in Turkije op vrije voeten zijn, hangende de strafzaak tegen hen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, ook in het licht van de ernstige aanklachten van het Turkse openbaar ministerie, die onderbouwd zouden zijn met concrete bewijzen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de vermeende leider van ISIS in Turkije al vier keer gearresteerd is2 en nu dus voor de vierde keer weer vrijgelaten? Hoe beoordeelt u dit, ook in het licht van eerdere aanklachten tegen hem, zoals onthoofding van een priester in Syrië, het kidnappen van een Turkse journalist en het beramen van een aanslag op de Amerikaanse president Obama?3
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de documentaire4 van de Duitse omroep ARD over slavenhandel door ISIS via een kantoor in de provincie Gaziantep in Turkije?
Uit deze documentaire blijkt dat Turkije nog altijd serieuze problemen heeft met de activiteiten van ISIS op Turks grondgebied, zoals de afgelopen maanden ook is gebleken uit meerdere door ISIS gepleegde aanslagen in Turkije.
Is het waar dat alle verdachten in de strafzaak die volgde na één rechtszitting zijn vrijgelaten, wegens «gebrek aan bewijs»? Hoe beoordeelt u dit en de geschokte reactie van de Association of Progressive Women (IKD)5 op deze vrijlating?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn er de afgelopen jaren, sinds 2014, opgelegd en ten uitvoer gebracht in Turkije aan leden van ISIS? Klopt het dat veel terroristen de «draaideur» doorgaan, wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten of vrijgesproken? Hoe beoordeelt u dit?
Het zou gaan om meerdere onvoorwaardelijke gevangenisstraffen; het kabinet heeft niet de beschikking over de exacte aantallen. Net als in Nederland verplicht de Turkse rechtsgang om verdachten waar onvoldoende bewijs tegen bestaat vrij te laten dan wel vrij te spreken.
Wat vindt u ervan dat Turkije terrorisme-wetgeving niet of nauwelijks inzet tegen terroristen, maar wel, in toenemende mate, tegen kritische journalisten, advocaten, gewone burgers en zelfs academici die oproepen tot vrede met de Koerden?
De Turkse terrorisme-wetgeving wordt actief ingezet tegen terroristische organisaties zoals de PKK, TAK, DHKP/C, ISIS en Al Qaida.
Het kabinet heeft al eerder zijn zorgen uitgesproken over de situatie rondom persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in Turkije. Nederland blijft Turkije hier op aanspreken. Tijdens mijn gesprek met de Turkse Minister van Europese Zaken op 10 juni jl. heb ik dit punt wederom nadrukkelijk aan de orde gesteld. Hetzelfde geldt voor de EU: de Commissie heeft onomwonden aangegeven dat de reikwijdte van de terrorismewetgeving zal moeten worden ingeperkt om te voldoen aan benchmark 65 van de Roadmap visumliberalisatie. Het kabinet onderschrijft dit standpunt van de Commissie.
Hoe beoordeelt u de beschuldigingen van de Koning van Jordanië (http://www.middleeasteye.net/news/jordans-king-accuses-turkey-sending-terrorists-europe-1687591648) dat Turkije – terroristen richting Europa exporteert – gelooft in een radicaal-islamitische oplossing voor de regio – strategisch niet aan onze kant staat in de strijd tegen ISIS – jihadistische groeperingen steunt in Syrië, Libië en Somalië en – buitenlandse jihadisten richting Syrië laat reizen? Bent u bereid de vele beschuldigingen en bewijzen over de dubieuze rol van Turkije eindelijk eens serieus te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is het kabinet bekend met de verschillende berichten over vermeende Turkse steun, op verschillende manieren, aan jihadistische organisaties. Zoals eveneens eerder meegedeeld, is de situatie aan de Turkse grens uitermate complex. De samenstelling van gewapende groeperingen is fluïde en verandert continu. Het valt in dit diffuse beeld niet uit te sluiten dat vanuit Turks grondgebied steun wordt verleend aan groeperingen die jihadistische uitgangspunten of -wortels hebben.
Het kabinet blijft op dit punt bij het standpunt zoals vervat in eerdere antwoorden op vragen hierover. Turkije is net als Nederland actief in de anti-ISIS coalitie en heeft de organisaties Jabhat al-Nusra en ISIS al geruime tijd op de nationale terrorismelijst staan. Tevens worden vaker dan voorheen bij binnenkomst in Turkije personen, waaronder uit Nederland, tegengehouden die voornemens zijn zich aan te sluiten bij terroristische groeperingen in Syrië.
Turkije maakt zich al langere tijd zorgen over mogelijke terroristische activiteiten op eigen grondgebied. De herhaalde aanslagen in onder andere Suruç, Ankara en Istanbul hebben deze zorgen bevestigd. Turkije werkt in dit verband aan een verdere versterking van de grens: zo is Turkije overgegaan tot het beter bewaken van een deel van de zuidgrens door hekken en een betonnen muur te plaatsen en door intensief te patrouilleren, zowel fysiek als met technologische middelen. Het kabinet tekent daarbij aan dat verdere versterking van Turkse inspanningen in de strijd tegen ISIS gewenst blijft.
Klopt het dat de Turkse geheime dienst MIT volgens de Turkse wet samen mag werken met terroristische organisaties? Wat vindt u daarvan, ook in het licht van de vele aanwijzingen voor steun van Turkije aan ISIS en andere jihadistische groeperingen?
De wetgeving van Turkije die in 2014 is aangenomen is aangepast naar aanleiding van andere dreigingen dan toen de oude wet van kracht werd in 1983. Door deze herziene wet beschikt de MIT over ruimere bevoegdheden op het terrein van buitenlandse veiligheid, terrorismebestrijding en de nationale veiligheid. Herziening was volgens de Turkse regering noodzakelijk om een rechtsbasis te bieden voor het stoppen van de terroristische organisatie PKK. De MIT kan dan ook met hen contact onderhouden, op uitdrukkelijke voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor het beschermen van de nationale veiligheid. Wat betreft uw vraag over steun van Turkije aan ISIS en andere jihadistische groeperingen wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 8.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving6 dat de MIT bij wet de bevoegdheid zou krijgen om clandestien wapens het land in en uit te voeren? Worden hiermee dus ook wettelijk clandestiene wapenleveranties naar terroristische groeperingen mogelijk gemaakt?
Op 24 mei jl. is de Turkse wetgeving aangepast waardoor het niet langer in alle gevallen verplicht is dat de MIT roerende goederen registreert. Het hoofd van de MIT is aangewezen als persoon om per geval nader te bepalen of het niet-registreren van dergelijke goederen in openbare lijsten van belang is voor het beschermen van de nationale veiligheid. Wat betreft uw vraag over wapenleveranties aan terroristische groeperingen wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 8.
Hoe beoordeelt u de weigering van de Turkse president Erdogan7 om de terrorisme-wetgeving aan te passen conform de eisen van de EU om in aanmerking te komen voor visumliberalisering?
Het gesprek over aanpassing van de Turkse terrorismewetgeving tussen Turkije en de Commissie is nog gaande. Het feit dat beide partijen samen werken aan een oplossing stemt het kabinet positief.
Turkije heeft serieuze en legitieme veiligheidszorgen getuige de vele terroristische aanslagen van het afgelopen jaar en het feit dat het land grenst aan conflictgebied in Irak en Syrië. Tegelijkertijd is het zo dat het visumliberalisatieproces strikte voorwaarden kent in de vorm van benchmarks in de Roadmap visumliberalisatie. Deze voorwaarden zijn helder aan Turkije gecommuniceerd bij de formele start van het visumliberalisatieproces in december 2013. Turkije zal dus ook aan benchmark 65 moeten voldoen wil het voor visumliberalisatie in aanmerking komen.
Acht u de eisen van de EU op het gebied van terrorisme een zeer gewichtige kwestie waar onder geen enkele voorwaarde mee gemarchandeerd mag worden als het gaat om visumliberalisering?
Ja.
Hoe beoordeelt u de «vorderingen» die Turkije maakt om zijn wettelijk kader inzake de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad beter in lijn brengen met Europese standaarden? Deelt u de opvatting dat Turkije terrorismebestrijding gebruikt als alibi om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering te beperken?
Zie het antwoord op vraag 7.
Acht u het gezien alle bovengenoemde ontwikkelingen denkbaar dat de EU, met uw steun, binnen afzienbare tijd overgaat tot visumliberalisering voor Turkije?
Conform de afspraken uit de Roadmap visumliberalisatie zal Turkije aan alle 72 criteria – inclusief de benchmark over terrorismewetgeving – moeten voldoen voordat tot visumliberalisatie kan worden overgegaan. De Commissie oordeelde in haar voortgangsrapportage van 15 juni jl. over de uitvoering van de EU-Turkije Verklaring dat hier nog geen sprake van is. Daarmee is visumliberalisatie voor Turkije op dit moment niet aan de orde.
De Commissie zal een rapport uitbrengen zodra Turkije alle benchmarks heeft vervuld. Het kabinet wacht dit oordeel van de Commissie af. Besluitvorming hierover in de Raad en het Europese parlement is pas aan de orde zodra dit positieve oordeel op tafel ligt.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 20 juni a.s. te beantwoorden?
De vragen zijn z.s.m. beantwoord.
Een doppler echo om vast te stellen of foetale bloedvaten voor de geboorte-uitgang liggen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het verhaal van baby Luna, die binnen elf dagen overleed omdat pas tijdens de bevalling bleek dat er foetale bloedvaten voor de geboorte-uitgang lagen (vasa preavia)?1
Ja.
Heeft u actuele gegevens over het aantal baby’s dat jaarlijks overlijdt, dan wel blijvende schade oploopt door vasa preavia? Zo ja, wat zijn de aantallen? Zo nee, bent u bereid deze aantallen te verzamelen?
Vasa praevia is een hele zeldzame aandoening en komt voor op 0,6 per 1.000 zwangerschappen. De huidige registratiesystemen hebben de mogelijkheid om vasa praevia als zwangerschapscomplicatie te registreren. Ik heb bij Perined informatie over de registratie in 2014 opgevraagd. Vasa praevia is in 2014 48 keer geregistreerd. Eén van deze baby’s is overleden en twee baby’s hadden restverschijnselen van deze complicatie bij het verlaten van het ziekenhuis.
Wanneer wordt een doppler echo uitgevoerd, wie bepaalt dat en op basis waarvan? Welke rol speelt de samenwerking tussen verloskundigen en gynaecologen hierbij?
Er wordt niet standaard gescreend op deze aandoening omdat het een hele zeldzame aandoening betreft. Het huidige beleid is dat bij een laagliggende placenta, een voorliggende placenta of een placenta bilobata (2 lobben) de verloskundige doorverwijst naar de gynaecoloog om aanvullend onderzoek te doen; dit conform de richtlijn «bloedverlies in de 2e helft zwangerschap». Hierover bestaat geen verschil van mening tussen verloskundigen en gynaecologen; de lokale samenwerking is in het algemeen goed.
In hoeverre kan gesteld worden dat het te laat of niet vaststellen van vasa preavia leidt tot vermijdbare gezondheidsschade? Deelt u de mening dat ieder letsel door vasa preavia er één te veel is, omdat dit letsel te voorkomen is door een goede risico-inschatting en follow-up?
Ik ben met u van mening dat iedere vermijdbare schade of sterfte er één teveel is. Ik heb begrepen dat vasa praevia niet altijd zou hoeven te leiden tot problemen. Laat onverlet dat ik het van belang vind, dat indien signalen zich voordoen het gewenst is om conform de richtlijn te handelen en nader onderzoek bij de zwangere uit te voeren.
Bent u van mening dat een standaard-uitvoering van een doppler echo bij de 20-weken echo veel letsels door vasa preavia kan voorkomen? Zo ja, bent u bereid u hiervoor in te zetten, en hoe gaat u dit doen? Zo nee, waaruit blijkt dat? Welke andere interventie stelt u voor om letsel door vasa preavia uit te bannen?
De beroepsgroepen zijn bezig met een revisie van de richtlijn «bloedverlies in de 2e helft zwangerschap» om de laatste wetenschappelijke inzichten daarin te verwerken. Ik heb begrepen dat die laatste inzichten niet zullen leiden tot een voorstel om standaard op deze zeldzame aandoening te screenen. Het is aan hen om deze inhoudelijke richtlijn op te stellen. Ik zie derhalve geen aanleiding hen te vragen de huidige praktijk aan te passen.
Wilt u bovenstaande vragen vóór het Algemeen overleg Zwangerschap en geboorte van 23 juni 2016 beantwoorden?
Ja.
Het in weerwil van een Kamermotie sluiten van gevangenissen |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Nine Kooiman (SP), Judith Swinkels (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er toch gevangenissen dichtgaan?1
Uw Kamer heeft op 26 april jl. de motie van de leden Van Oosten en Volp4 aangenomen waarin wordt gesteld dat sluiting van penitentiaire inrichtingen (inclusief justitiële jeugdinrichtingen) nu niet aan de orde is. Ik voer deze motie dienovereenkomstig uit. Zoals ik inmiddels bij brief d.d. 14 juni5 heb toegelicht betekent dit dat ik nu geen gevangenissen sluit en hiermee rekening houd in de begroting van Veiligheid en Justitie voor 2017 en het meerjarige beeld. DJI brengt in samenspraak met het veld en de medezeggenschap de gevolgen en oplossingen voor de (huidige) leegstand in kaart, zoals ik ook in het AO van 30 maart jl. aan gaf. Uw Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van de verkenning van DJI.
In het artikel in de Telegraaf wordt de suggestie gewekt dat doordat DJI nadenkt over de concentratie van leegstand, er momenteel feitelijk wel sluitingen gaande zijn. Dat is niet het geval. Het concentreren van leegstand is onderdeel van de interne bedrijfsvoering en dient ter optimalisering van de organisatie van de primaire processen in de inrichtingen. Het concentreren van leegstand gebeurt op locatieniveau, afdelingsniveau of op celniveau. Door leegstand te concentreren kan de bedrijfsvoering binnen de bestaande setting – dus zonder sluiting – efficiënter worden ingericht.
Klopt het dat er voorbereidingen worden getroffen teneinde de gevangenissen te sluiten na de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2017? Wat voor soort voorbereidende handelingen betreft het?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhouden de voorbereidingen om gevangenissen te sluiten zich tot de motie waarin staat dat sluiting van gevangenissen aanvullend op het lopende masterplan nu niet aan de orde is en derhalve dienovereenkomstig moet worden gehandeld?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het dienovereenkomstig handelen in ieder geval ook betekent dat geen voorbereidingshandelingen getroffen mogen worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat u de opdracht aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verder te gaan met de planvorming met betrekking tot het sluiten van gevangenissen niet heeft ingetrokken? Zo ja, waarom heeft u dat gezien de wens van de Kamer niet gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze bent u van plan uitvoering te geven aan de motie waarin de Kamer heeft uitgesproken dat sluiting van de gevangenissen niet aan de orde is?3
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het de bedoeling is dat de DJI de leegstand op korte termijn concentreert, wat kan leiden tot feitelijke sluiting van gevangenissen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het, nog afgezien van de voornoemde motie, onverstandig is voorbereidende handelingen te treffen voor de sluiting van gevangenissen onder andere omdat politie en Openbaar Miniserie hebben aangegeven onvoldoende middelen te hebben voor de opsporing4, een groot aantal veroordeelde personen de celstraf nog niet heeft uitgezeten en er nog geen visie op resocialisatie en recidivebestrijding is conform de aangenomen motie-Kooiman c.s.?5 Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 14 juni jl.8 heb ik uw Kamer tevens geïnformeerd over de uitkomsten en impact van de doorrekening van verschillende alternatieve factoren die van invloed zijn op de benodigde capaciteit in de strafrechtketen en de celcapaciteit in het bijzonder. De conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) op basis van de doorrekening is dat verhoging van het ophelderingspercentage, c.q. het opsporen van meer verdachten, leidt tot een relatief beperkte toename van de behoefte aan celcapaciteit. Evenwel ga ik onverminderd door met het versterken van de prestaties van de strafrechtketen. Tijdens het AO strafrechtelijke onderwerpen op 22 juni jl. heb ik echter ook aangegeven dat het tijd kost maatregelen te treffen aan de voorkant van de strafrechtketen. Daarbij zullen deze maatregelen pas na verloop van tijd merkbare gevolgen hebben in de fase van tenuitvoerlegging. Mocht een dergelijke toename zich (op termijn) in de praktijk voordoen, dan kan deze worden opgevangen binnen de bestaande capaciteit van DJI. Juist om redenen die u opwerpt, vind ik het verstandig dat DJI nadenkt over het vormgeven van de flexibele capaciteit. Een hernieuwde visie op resocialisatie en recidivebestrijding staat hier los van. Deze kan immers niet worden benut als instrument om de leegstand bij DJI tegen te gaan. Uw Kamer zal de door mij toegezegde brief over resocialisatie en recidivebestrijding voor het zomerreces ontvangen.
Het aan Brussel voorgelegde gebruiksverbod voor imidacloprid in de glastuinbouw |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bereid het aan de Europese Commissie ter notificatie voorgelegde ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met het niet toestaan van het gebruik van middelen op basis van imidacloprid in specifieke gebieden ook naar de Kamer te sturen?1
Waarom heeft u de Kamer niet eerder geïnformeerd over de inhoud van het aan Brussel ter notificatie voorgelegde ontwerpbesluit?
Klopt het dat het Register beschermde gebieden KRW Nederland vermeldt dat Nederland met het oog op de uitvoering van de Nitraatrichtlijn en de Richtlijn stedelijk afvalwater om reden van een landelijke toepassing van deze richtlijnen geen beschermde gebieden heeft aangewezen, en dat heel Nederland derhalve niet gezien kan worden als specifiek gebied in de zin van artikel 12, onderdeel b, van de Richtlijn duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen?
Is de veronderstelling waar dat het op grond van artikel 12 van de Richtlijn duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen moet gaan om «passende risicobeheersmaatregelen», dat een verbod op het gebruik van het middel imidacloprid niet zorgt voor vermindering van de nutriëntenbelasting van het nutriëntgevoelige Nederland en dat dit verbod derhalve niet passend is?
Deelt u de mening dat meetgegevens van waterschappen over de jaren 2014–20162 laten zien dat de concentratie van het middel imidacloprid in het oppervlaktewater is gedaald, dat sprake is van een trendbreuk en dat de zuiveringsplicht daarom zijn vruchten begint af te werpen?
Bent u, gelet op de juridische onhoudbaarheid en de effectiviteit van de zuiveringsplicht, voornemens het aan Brussel voorgelegde gebruiksverbod in te trekken?
De uitgave over E-health |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wijze past de uitgave «E-health zoveel meer dan alleen techniek» in het voorlichtingsbeleid van het kabinet?1
E-health en innovatie zijn prioriteiten binnen het domein zorg en gezondheid van het kabinet. Vanuit die context is gekozen om ook in te zetten op extra aandacht in de communicatie over deze thema’s. Het kabinet heeft daartoe onder andere de mogelijkheid om advertenties te plaatsen. Deze kunnen in verschillende vormen worden geproduceerd. Van een enkele krantenpagina tot een bijlage die bij bestaande mediatitels kan worden gestoken. In alle gevallen moet het gekozen product herkenbaar zijn als communicatie vanuit de rijksoverheid. Onder andere door het gebruik van de rijkshuisstijl met het logo van het verantwoordelijke ministerie als duidelijke afzender. Daar is in de uitgave aan voldaan.
Wat kostte de ontwikkeling van de uitgave «E-health zoveel meer dan alleen techniek»» en wat kostte het meesturen van de uitgave met Medisch Contact?
De ontwikkeling van de uitgave en het meesturen ervan met diverse bladen (Medisch Contact, Nursing, Psychiater, WMO Magazine, ICT&health, Zorgvisie, Zorg+Welzijn, Zorg en Ziekenhuiskrant, Tijdschrift voor Verzorgenden) kostte in totaal 97.500 euro inclusief BTW. Door het katern mee te sturen met diverse vakbladen zijn ruim 200.000 zorgverleners bereikt.
Kunt u een overzicht geven van de kosten van vergelijkbare bijlagen die via kranten, tijdschriften of andere publicaties verschenen zijn sinds 1 januari 2016, en hoeveel dit het Ministerie van VWS heeft gekost?
Vanuit het ministerie zijn er sinds 1 januari 2016 geen soortgelijke uitgaven of publicaties als uitgave gedaan. Wel is het ministerie voornemens nog dit jaar een tweede uitgave te realiseren in het kader van e-health en innovatie.
Staat u achter de uitspraak dat «privacy niet langer een issue» is wanneer iemand ernstig ziek is, zoals op pagina 6 wordt gesteld? Bestaan er volgens u verschillende fasen van privacy en privacybescherming? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wettelijk gezien bestaan er geen verschillende fasen van privacy. Wettelijk wordt er wel onderscheid gemaakt in persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens. Wanneer er bijzondere persoonsgegevens verwerkt worden, gelden er extra waarborgen. Dit neemt niet weg dat, zoals op pagina 6 van de uitgave wordt gesteld, patiënten minder belang kunnen hechten aan hun privacy wanneer zij ziek zijn.
Daar kan verschillend over worden gedacht. De uitspraken die door externen zijn gedaan komen voor rekening van de externen. Het is niet aan de orde geweest om de interviews te censureren. Wel om verschillende experts te vragen naar hun visie.
Erkent u dat het opnemen van een uitspraak dat «privacy meer hordes opwerpt dan wenselijk» is, in een publicatie van uw ministerie, suggereert dat u ook vindt dat dit zo is? Zo neen, kunt u uitleggen waarom dit desondanks in deze publicatie staat?
De uitgave vermeldt duidelijk dat het gaat om citaat van een van de deelnemende zorgaanbieders en suggereert daarmee niet dat ik dat ook zou vinden. Als rijksoverheid gaan wij natuurlijk niet de uitspraken van derden in een interview redigeren. Doel van de uitgave is het onderwerp e-health en innovatie bij zorgverleners te agenderen en het gesprek hierover op de werkvloer op gang te brengen. Het naar voren brengen van een breed scala aan opvattingen draagt daar aan bij.
Kunt u uiteenzetten wat uw opvatting over privacy is op het vlak van E-health?
Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt, is het van belang dat de geldende wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het juridische kader voor de bescherming van persoonsgegevens is momenteel neergelegd in de Europese Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en de Nederlandse uitwerking hiervan in de Wet bescherming persoonsgegevens (de Wbp). Deze wetgeving zal binnenkort vervangen worden door Verordening (EU) 2016/679 (de Algemene verordening Gegevensbescherming). Ook wanneer er op het gebied van eHealth persoonsgegevens worden verwerkt en privacy in het geding kan zijn, vind ik het van belang dat deze geldende regels worden nageleefd. Daarbovenop wil ik de rechten van patiënten versterken met het wetsvoorstel elektronische gegevensuitwisseling in de zorg, die momenteel in de Eerste Kamer ligt. Daarin staan verscherpte eisen ten aanzien van privacy en beveiliging van gegevens.
Kunt u aangeven om welke personen of groeperingen het gaat die in deze overheidspublicatie aangeduid worden met de term «privacy maffia»?
Zie ook mijn antwoord op vraag 5. Het betreft een persoonlijke noot van één van de vijf zorgaanbieders die aan het gesprek deelnamen. Ik heb ervoor gekozen om de inbreng van de experts niet te censureren, maar het als bijdrage aan het debat te beschouwen.
Bent u het ermee eens dat deze aanduiding elke fatsoensnorm overschrijdt, en geen plaats dient te hebben in een officiële uitgave van de rijksoverheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke wijze hebben Philips en het technologiebedrijf Focus Cura – die in de colofon genoemd worden – bijgedragen aan de uitgave? Is dat financieel geweest? Zo ja, om hoeveel geld gaat het hier? Is dat praktisch geweest? Zo ja, wat en hoe dan precies?
De bijdragen van Philips en Focus Cura hebben uitsluitend betrekking op het beschikbaar stellen van fotomateriaal. Zoals gebruikelijk is, zijn de bronnen van dit materiaal opgenomen in het colofon. De uitgave is zonder financiële bijdragen van derden tot stand gekomen. Er is geen sprake van enige vorm van sponsoring.
Was de uitgave zonder Philips en Focus Cura mogelijk geweest? Zo ja, waarom heeft u voor deze sponsoring gekozen, en niet voor andere technologiebedrijven? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u het passend dat uw ministerie, waar heel veel geld in om gaat, zich laat sponsoren door belanghebbende partijen bij de ontwikkeling van E-health?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Schotschrift tegen asbesthysterie’ |
|
Perjan Moors (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schotschrift tegen asbesthysterie»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van één van de opstellers van het pamflet dat de overheid regelmatig te paniekerig reageert op de vondst van asbest? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie onderschrijf ik niet. De rijksoverheid staat voor een nuchtere en pragmatische benadering van asbest in de woon-, werk- en leefomgeving. Het asbestbeleid richt zich op het beheersen van de risico’s van asbest door stapsgewijs grote bronnen van vervuiling uit de leefomgeving te verwijderen. In eerste instantie is dat gebeurd door asbesthoudende remvoeringen uit te faseren. In 1993 volgde het verbod op het gebruik van nieuw asbest. Vervolgens zijn de bestaande asbestwegen uitgefaseerd. Vanaf 2024 worden asbestdaken verboden.
Waar asbest hechtgebonden aanwezig is (bijvoorbeeld in gebouwen) kan het blijven zitten. Als asbest een gevaar vormt voor de gezondheid moet het op verantwoorde wijze worden verwijderd.
Is de verhouding tussen kosten en baten van grootschalige asbestsanering scheef, zoals de schrijvers van het pamflet stellen?
In de brief aan uw Kamer van 7 september 2012 bent u geïnformeerd over de keuze voor 20242. Ten behoeve van het asbestdakenverbod is een MKBA3 opgesteld. In 2015 is deze MKBA geactualiseerd4. De totale maatschappelijke kosten bedragen € 882 mln.
Uit de MKBA bleek onder meer dat het zonder verbod tot 2044 zou duren voordat de asbestdaken vervangen zouden zijn. Door verwering van het asbesthoudend materiaal waarvan daken zijn gemaakt, vindt verspreiding plaats van asbestvezels naar het milieu. Dit brengt gezondheidsrisico’s met zich mee. Door te verplichten de asbestdaken uiterlijk 2024 te saneren, wordt die periode van blootstelling aanmerkelijk verkort.
Bent u het met de opstellers eens dat goed geïnformeerde burgers zelf soms beter zicht hebben op de risico’s dan bestuurders? Waarom wel/niet? Hoe gaat u erop inzetten om burgers beter te informeren over het verbod?
Het is van belang dat zowel burgers als bestuurders zich bewust zijn van de risico’s van asbest. Informatie over asbestregelgeving en asbestverwijdering is onder meer terug te vinden bij het kenniscentrum Infomil.
In mijn brief van 2 juni 20165 gaf ik aan een programmabureau op te zullen richten om de sanering van asbestdaken te begeleiden. Dit programmabureau zal ook zorg dragen voor nadere communicatie over het verbod. Voor het einde van het jaar stuur ik uw Kamer de activiteitenagenda van het programmabureau toe.
Wat vindt u van de uitspraak van medeauteur van het pamflet, hoogleraar Helsloot, dat het asbestbesluit «complete waanzin, weggegooid geld voor schijnveiligheid» is?
Bij het beschermen van de bevolking tegen het aantoonbare gevaar van blootstelling aan asbestvezels passen wat mij betreft deze kwalificaties niet. Op 3 juni 2010 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd over de risico’s van milieu en beroepsmatige blootstelling aan asbest6. Op basis van dit advies zijn de normen voor asbest aangescherpt.
Het verbod op asbestdaken is, zoals aangegeven in antwoord 3, mede gebaseerd op een MKBA. Het saneren van asbestdaken voorkomt na 2024 asbestcalamiteiten zoals vorig jaar in de gemeente Westland en eind 2014 in Roermond. Naar aanleiding van de grote gevolgen die de asbestbrand in de gemeente Westland heeft gehad, heeft de gemeente besloten om asbestdaken in de gemeente zo snel mogelijk te saneren.
Door het verbod op asbestdaken zouden er circa 200 tot 300 minder asbestslachtoffers vallen, is dat aantal nog steeds juist? Wat is de schatting op dit moment? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
In het Volkskrantartikel wordt geciteerd uit de MKBA van 2012 (blz. 11): «Het verbod in 2024 leidt dan tot een potentiële baat van maximaal circa 50 miljoen euro (netto contante waarde, 2012), op basis van circa 250 vermeden slachtoffers op de lange termijn. Aangezien er veel onzekerheid is over de omvang van deze baat, nemen wij deze dus niet op in de totale te monetariseren baten.»
Dit aantal is een aanname ten behoeve van de MKBA. Het precieze aantal asbestslachtoffers is lastig om in te schatten omdat blootstelling aan asbest verschillende ziekten kan veroorzaken. Er kunnen ook ziekten ontstaan die niet direct aan blootstelling aan asbest gerelateerd worden.
Ik vind het belangrijk dat deze bron van asbestvezels in de leefomgeving, die met het verstrijken van de jaren alleen maar toe zal nemen, hoe dan ook verdwijnt, mede om nieuwe slachtoffers in de toekomst te voorkomen.
Kunt u inzicht geven in de totale kosten die gepaard gaan met het inventariseren, saneren, vervangen en uiteindelijk veilig verwerken van de 130 vierkante kilometer asbesthoudende daken en gevelpanelen?
In 2012 was er nog ongeveer 130 mln m2 aanwezig. Naar schatting is dat nu tussen 100 en 110 mln m2. Uit de geactualiseerde MKBA van 2015 blijkt dat het asbestdakenverbod € 882 mln kost. Deze kosten zijn er omdat het proces van sanering wordt versneld naar 2024, in plaats van 2044 bij het proces van autonome vervanging (zonder verbod) van de dan (in 2044) tenminste 50 jaar oude asbestdaken. Met de Aanpak Asbestdaken wordt in samenwerking tussen bij de uitvoering betrokken partijen bezien hoe hier nog verdere efficiencywinst te behalen valt.
In hoeverre heeft u, tegen de achtergrond dat de overheid via een subsidieregeling per sanering een bescheiden bijdrage levert aan de kosten per vierkante meter asbestdak, de overtuiging dat mensen zelf het grootste deel kunnen opbrengen? Wat als dat niet het geval is? Wat als bij eventuele brand een verzekeraar niet wil uitkeren of het object onverzekerbaar wordt?
Asbestdaken zijn in 2024 tenminste 30 jaar oud, de meeste een stuk ouder, en dan moeten ze gesaneerd zijn. Het beschikbare budget bedraagt tenminste € 75 mln. Dat bedrag is niet bedoeld om alle kosten te dekken, maar om de sanering vlot op gang te brengen. De meeste asbestdaken zijn inmiddels verweerd en aan vervanging toe zoals dat ook geldt voor andere onderdelen van een woning die slijten.
Het is mogelijk dat verzekeraars asbestdaken niet meer verzekeren vanaf 2024. Dat is aan de individuele maatschappijen om te besluiten. Het is niet onlogisch dat bij een wettelijk verbod op het hebben van asbestdaken er ook geen verzekeringsdekking voor die daken meer is. Vanuit mededingingsoogpunt mogen verzekeraars hierover geen onderlinge afspraken maken.
Ik ben met de verzekeraars in overleg over de gevolgen van het asbestdakenverbod. Verzekeraars willen vanuit hun maatschappelijke rol een bijdrage leveren door middel van het beschikbaar stellen van kennis en informatie, en willen meedenken over hoe eigenaren gestimuleerd kunnen worden hun taak zo snel mogelijk op te pakken.
Ziet u mogelijkheden om net als bij particulieren, het ook voor bedrijven eenvoudiger te maken om kleine hoeveelheden asbest zelf te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid voor particulieren om zelf een beperkte hoeveelheid asbest weg te halen, is ingegeven door het uitgangspunt dat een particulier dit niet vaak of regelmatig zal doen. Omdat er dan maar incidenteel blootstelling is, wordt het risico op een asbestziekte laag ingeschat. Overigens is hierbij ook van belang dat deze mogelijkheid uitsluitend geldt bij hechtgebonden asbest dat in een goede staat verkeert. Voor bedrijven geldt de eerdere aanname van het slechts incidenteel weghalen van asbest, of een incidentele blootstelling aan asbest, niet. Een werkgever is op basis van de Arbeidsomstandighedenwet verantwoordelijk voor het bieden van veilige en gezonde arbeidsomstandigheden voor zijn werknemers. Bovendien is er sprake van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer, waarbij aan een werkgever het (financiële) voordeel, en aan de werknemer het mogelijke (gezondheids-)nadeel van het zelf verwijderen van asbest ten deel valt. Om deze redenen wordt de uitzondering voor particulieren niet uitgebreid naar bedrijven.
In hoeverre is het volgens u haalbaar om op het huidige tempo, met het huidige budget, alle asbesthoudende daken gesaneerd te hebben in 2024? Met welke maatregelen denkt u dit te kunnen realiseren? In hoeverre zijn dwangsommen een goed middel, gelet op de beperkte financiële draagkracht van sommige eigenaren? Kunt u dit toelichten aan de hand van een actuele stand van zaken?
Met de subsidieregeling verwijderen asbestdaken wil ik de sanering versneld op gang brengen. De subsidieregeling is niet bedoeld om kostendekkend te zijn. Inmiddels zijn er ruim 2.000 subsidieaanvragen binnen, voor ruim € 5 mln. Daarnaast zal het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, tezamen met het samenwerkingsverband zoals geschetst in de brief van 2 juni 20165, de sanering van asbestdaken verder ondersteunen met een programmabureau van waaruit bijvoorbeeld schaalgrootte wordt georganiseerd. Ook zullen mogelijke financieringsopties worden onderzocht. Vanaf 2024 gaan decentrale overheden het dan geldende verbod handhaven.
Dwangsommen zijn een mogelijk handhavingsinstrument en komen pas vanaf 2024 in beeld. De decentrale overheden zullen hier eigen keuzes in maken. Vooralsnog concentreren bijvoorbeeld de provincies Limburg en Overijssel zich op het saneren van daken zodat 2024 gehaald wordt.
Wat kunt u doen om illegale praktijken en dumping van asbest te voorkomen? Hoe wordt voorkomen dat eigenaren vanwege het ingestelde verbod, wellicht uit kostenoverweging of uit wanhoop hun object laten afbranden als de deadline nadert?
De Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Milieu werken gezamenlijk aan een wettelijke verplichting van het Landelijk Asbest Volgsysteem (LAVS) voor gecertificeerde asbestbedrijven. Hierdoor kan de sanering van asbest worden gevolgd van sloop tot stort. Illegale praktijken zijn echter nooit te voorkomen dan wel uit te sluiten. Zoals ik heb aangegeven in antwoord 10 wil ik de sanering van asbestdaken begeleiden met een uitgebreid pakket aan flankerende maatregelen om dakeigenaren te ontzorgen.
Bent u van mening dat het rigide toepassen van voorgeschreven veiligheidsmaatregelen, ook al voegen deze in een specifieke situatie niets toe aan de veiligheid voor werknemers of omgeving, kan leiden tot een vermindering van draagvlak, het stilzetten van het nadenken, geldverspilling en zelfs illegale saneringen en dumpingen in de hand kan werken?
Maatregelen die niets toevoegen aan de veiligheid zijn onnodig. Maar de maatregelen die nu zijn voorgeschreven bij een asbestverwijdering zijn gericht op veiligheid en daarom zeer belangrijk. Bij een asbestsanering is ook van belang dat de gekozen werkmethoden veilig zijn. Indien een nieuwe methode wordt ontwikkeld, zullen betrokken partijen daarom moeten aantonen dat dit het geval is.
Ziet u mogelijkheden om deskundige asbestverwijderaars (DAV) en deskundige toezichthouders asbest (DTA) meer ruimte te geven om beargumenteerd te kunnen afzien van voorgeschreven veiligheidsmaatregelen, als deze in een specifieke situatie overduidelijk niets toevoegen aan de veiligheid voor werknemers of omgeving (comply-or-explain)?
Van belang is dat gevolgde werkmethoden veilig zijn. Beoordeling of dat zo is, wordt niet aan individuele medewerkers gelaten. Wel onderzoekt TNO op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op dit moment welke «quick wins» er bestaan ten aanzien van verbetering van asbestregelgeving en uitvoeringspraktijk, en geeft het huidige stelsel nu al speelruimte voor een gecertificeerd bedrijf om middels maatwerk en innovatieve technieken af te wijken.
Jong ouderschap naar aanleiding van het congres Jong en Ouder |
|
Kees van der Staaij (SGP), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de taskforce Jong Ouderschap, Onbedoeld Zwanger (JOOZ)? Werkt u hiermee samen in het vormgeven van uw beleid om tienerzwangerschappen te voorkomen en om te borgen dat er voldoende gespecialiseerde ondersteuning en zorg beschikbaar komt om tienermoeders te begeleiden?
Ja. De Taskforce is een initiatief dat voortkomt uit de impulsmiddelen die voor tienerzwangerschappen zijn ingezet. Vooralsnog lijkt de taskforce zich met name te richten op de verbeteringen, die de verschillende betrokken professionals kunnen behalen door hun werkprocessen op elkaar af te stemmen. Ik juich deze invulling van harte toe.
Herkent u de vier belangrijkste knelpunten die naar voren komen in het bieden van de juiste zorg en ondersteuning van jonge ouders, te weten: 1. schotten in de lokale financiering, 2. tekort aan huisvesting, 3. onvoldoende afstemming 18- en 18+ en 4. onvoldoende integrale aanpak?
Het klopt dat het nog niet in alle gemeenten lukt om de mogelijkheden die de decentralisatie biedt maximaal te benutten. Dat kost ook enige tijd. Om die reden ben ik ook actief in het ondersteunen van vernieuwende initiatieven waarmee voor gemeenten zichtbaar wordt hoe dit wel kan worden gerealiseerd. Ook de VNG speelt daarin een ondersteunende rol. Omgang met financiering en huisvesting, afstemming 18- en 18+ en integrale aanpak maken hier allen onderdeel van uit, ook waar het om jonge ouders gaat. We zien ook dat voor een integrale aanpak professionals elkaar nu meer opzoeken, van elkaar leren en doorverwijzen. De taskforce JOOZ speelt hierin voor deze zorg en ondersteuning een nuttige rol.
Herkent u de signalen dat de financiering van de zorg en ondersteuning voor jonge ouders nu versnipperd is, waarbij bijvoorbeeld lokale middelen voor huisvesting van jonge ouders en geld voor ondersteuning en zorg uit verschillende «geldpotjes» komt? Welke stappen wilt u, in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het zorgveld, zetten om ervoor te zorgen dat niet de systemen maar de vraag van de jonge ouder(s) en het bijbehorende noodzakelijke zorg- en ondersteuningsaanbod leidend zijn?
Gemeenten hebben juist de mogelijkheid om met middelen die uit verschillende bronnen komen te kijken op welke wijze integraal het beste maatwerk kan worden geleverd, passend bij de behoefte aan zorg en ondersteuning van jonge ouders. Deze behoefte van de jonge ouders dient inderdaad leidend te zijn bij vormgeving van het uiteindelijke zorg- en ondersteuningsaanbod. Ik verwacht dat de ruimte die de decentralisaties bieden aan gemeenten om vraaggericht te handelen en niet vanuit «geldpotjes» in de toekomst beter worden benut.
Herkent u de signalen dat het ontbreken van passende huisvesting (bij voorkeur in de wijk, met steun uit het netwerk en ambulante begeleiding) een belangrijk knelpunt is waar jonge ouders tegenaan lopen? Bent u bereid in gesprek te gaan met gemeenten over mogelijkheden om samen met wijkteams passende woonruimte beschikbaar te stellen? Hoe beoordeelt u in dit licht de ontwikkeling dat tienermoederhuizen momenteel worden gesloten in plaats van uitgebreid?
Het is een lokale opdracht voor gemeenten om te werken aan passende huisvesting voor hun inwoners en dat via een lokale woonvisie zichtbaar te maken. De benodigde huisvesting (verhouding vraag een aanbod), ook voor jonge ouders, zal per gemeente verschillen. Overigens hoeft het aanbod voor jonge ouders niet perse uit tienermoederhuizen te bestaan.
Herkent u de signalen vanuit het zorgveld dat de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet onvoldoende op elkaar aansluiten, bijvoorbeeld als jonge – meerderjarige – ouders behoefte hebben aan pedagogische ondersteuning terwijl dit valt onder de Jeugdwet? Herinnert u zich de motie Dik-Faber/Voordewind1 over de zorg aan jongeren van 18 tot 23 jaar? Kunt u aangeven wat de stand van zaken is bij de uitvoering van deze motie?
Nu gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke ondersteuning én de jeugdhulp zijn de mogelijkheden vergroot om over deze domeinen heen integrale hulp en ondersteuning te bieden. Het staat gemeenten in het kader van de regelgeving vrij om gezamenlijk integrale ondersteuningarrangementen in te kopen bij zorgaanbieders, afgestemd op de behoefte van bijvoorbeeld jonge, meerderjarige ouders. De Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn daarin, ook in hun onderlinge aansluiting, niet belemmerend. In de brief «voortgang nieuw jeugdstelsel» heb ik u geïnformeerd over de uitvoering van de motie Dik-Faber/Voordewind over de zorg aan jongeren van 18 tot 23 jaar.2
Herkent u de signalen dat, ondanks de decentralisatie, jonge ouders vastlopen in een wirwar van organisaties en instellingen? Bent u bereid om met gemeenten te overleggen over één integraal loket waar jonge ouders (in spé) worden doorverwezen naar (ervarings)deskundigen en gespecialiseerde professionele zorg en ondersteuning?
Nu de zorg na de decentralisaties sterk veranderd is, is het te meer belangrijk dat gemeenten hun burgers goed informeren over waar zij terecht kunnen voor hulp en ondersteuning. Bij signalen dat dit lokaal niet goed loopt, verwacht ik dat gemeenten hiervoor in overleg met cliënten en professionals verbeteringen inzetten. Ze kunnen daarbij tevens gebruik maken van de inspanningen die de VNG pleegt ter ondersteuning van hun leden.
Bent u bereid in overleg met de bewindspersoon van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het onderwijs- en zorgveld om te bezien op welke manier het onderwijs beter kan worden aangehaakt bij het voorkomen en begeleiden van tienerzwangerschappen?
In het pakket van scholen is het leerdoel seksuele gezondheid opgenomen. Scholen hebben de vrijheid dit in te vullen binnen de culturele context van hun eigen school. De lespakketten, die SANL, Rutgers, FIOM en Siriz ontwikkelen geven de scholen houvast om hier een invulling aan te geven. In de lespakketten wordt naast soa preventie en anticonceptie ook veel aandacht gegeven aan de seksuele weerstandsverhoging van jongeren in gezonde seksuele relaties. Ik acht het aanhaken van het onderwijs bij het voorkomen en begeleiden van tienerzwangerschappen hiermee voldoende gewaarborgd.
Herkent u signalen dat de samenwerking van huisartsen en verloskundigen met zorgaanbieders op het terrein van ondersteuning en zorg bij onbedoelde zwangerschap en jong ouderschap verbeterd kan worden? Op welke manier kunt u ervoor zorgdragen dat er een aangesloten netwerk van hulpverleners rond jonge ouders ontstaat?
Het is aan de professionals – vanuit zowel de eerste lijn als vanuit het sociale domein – om voor juiste afstemming te zorgen binnen het leveren van kwalitatieve zorg. De overheid (gemeente en Rijk) ondersteunen het netwerk. Gemeenten en professionals zijn hiermee druk doende, maar dat heeft ook tijd nodig. Centra voor Jeugd en Gezin kunnen hierin een nuttige rol vervullen.
Herkent u de signalen dat de hulpverlening vooral gericht is op meisjes en jonge vrouwen? Waar kunnen jonge vaders terecht?
Jonge vaders kunnen eveneens bij de hulpverlening terecht, gemeenten dienen zorg en ondersteuning in te kopen die noodzakelijk is. Wel herken ik dat het meestal alleen de jonge moeders zijn die hulp vragen en de vader buiten beeld is. Het initiatief voor het zoeken van hulp ligt echter wel bij jonge vaders zelf.
Is het u bekend dat meisjes en jonge vrouwen in de gesloten jeugdzorg relatief vaak te maken hebben met tienerzwangerschappen? Zijn hierover cijfers bekend? Bent u bereid in overleg met de jeugdzorg en gespecialiseerde aanbieders van ondersteuning en zorg bij onbedoelde zwangerschap en jong ouderschap een preventie- en ondersteuningsprogramma te ontwikkelen, speciaal gericht op jongeren in jeugdzorginstellingen?
Jeugdzorg Nederland registreert geen zwangere meisjes met een machtiging gesloten jeugdzorg, alleen het aantal plaatsingen in het Moeder Kind huis van Intermetzo. Het Moeder Kindhuis is een landelijke specialisatie binnen JeugdzorgPlus en richt zich specifiek op zwangere meisjes en tienermoeders met een machtiging gesloten jeugdhulp. Hier is geen toename te zien. De instellingen zelf herkennen ook geen toename. Zwangere meisjes krijgen standaard een gesprek over hun zwangerschap en de gevolgen daarvan. Indien specifieke kennis niet in huis is, wordt gebruik gemaakt van een ondersteunende organisatie als bijvoorbeeld FIOM.
Herkent u de signalen dat in gesloten jeugdzorg aangedrongen wordt op het uitvoeren van een abortus bij een onbedoelde zwangerschap? Op welke manier kunnen jonge vrouwen beter begeleid worden in het maken van een keuze, waarbij ook alternatieven voor een zwangerschapsafbreking aan de orde komen en welke middelen stelt u daarvoor beschikbaar?
De signalen over het aandringen op abortus worden door de sector geenszins herkend. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven krijgen zwangere vrouwen een gesprek met een gespecialiseerde instelling als FIOM. Daarbij worden alle opties besproken en ligt de keuze bij de vrouw zelf.
Herinnert u zich uw toezeggingen, gedaan op 9 maart 2016 in het Algemeen overleg Maatschappelijke opvang, om nog eens heel goed te kijken of het tot landelijke inkoopafspraken zou moeten komen met betrekking tot hulp en opvang van jonge moeders? Wat is hiervan de stand van zaken?
Zoals toegezegd kunt u een brief van de Minister van VWS en mijzelf voorafgaande aan de begrotingsbehandeling tegemoet zien.
Herinnert u zich uw toezegging dat u in een voortgangsbrief zult stilstaan bij de vraag hoe voorkomen kan worden dat de bovenregionale specialistische hulp en opvang van jonge moeders tussen wal en schip terecht komt? Wanneer kan die brief tegemoet worden gezien?
Zie het antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich uw toezegging zeer bereid te zijn om te kijken naar de mogelijkheid van een onderzoek naar de vraagzijde van de voorlichting, hulp en opvang van jonge moeders? Wat is hiervan de stand van zaken?
Ja. Ik kom op deze toezegging terug in de eerdergenoemde brief die u voor de begrotingsbehandeling van VWS zal bereiken.
Het bericht ‘Gebrekkig ict-systeem apothekers vormt risico’ |
|
Leendert de Lange (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Gebrekkig ict-systeem apothekers vormt risico» en «Faxen om fouten te voorkomen»?1 2
Ja
Wat is uw reactie op deze berichtgeving en wilt u daarbij in het bijzonder ingaan op de constatering «artsen en ziekenhuizen delen nog slechts summier hun patiëntgegevens met andere zorgverleners»?
Ik hecht veel waarde aan een zorgvuldige uitwisseling van medische gegevens. Ik ben van mening dat elektronische gegevensuitwisseling bijdraagt aan de kwaliteit van zorg. Dat artsen en ziekenhuizen in het algemeen hun informatie slechts summier delen is op basis van het rapport van Nictiz «eHealth, de apotheker is er klaar voor» niet zonder meer te zeggen, wél dat het gestructureerd uitwisselen van informatie tussen openbare apothekers en artsen in de tweede lijn nog niet goed elektronisch gefaciliteerd wordt.
In het rapport is in de eerste plaats gekeken met welke partijen apotheken elektronisch informatie kunnen uitwisselen op gestructureerde wijze(dus afgezien van fax of e-mail). Uit het rapport blijkt dat 96% van de ondervraagde openbare apotheken elektronisch informatie kan uitwisselen met huisartsenpraktijken, en 86% met andere openbare apotheken. Gestructureerde uitwisseling binnen de eerste lijn wordt dus breed toegepast maar uitwisseling met andere organisaties is minder breed geïmplementeerd. Zo kan bijvoorbeeld maar 29% van de openbare apotheken elektronisch gegevens delen met ziekenhuisapotheken, en met medisch specialisten binnen ziekenhuizen is dit slechts 8%.
Er zijn reeds verschillende acties ter verbetering van de elektronische uitwisseling van gegevens ingezet, waar ik de komende periode ook positieve resultaten van verwacht:
Wat is uw oordeel over de constatering dat in 2016 nog 99% van alle communicatie over medicatie tussen apothekers en artsen via de fax verloopt? Kunt u aangeven welke risico’s hieraan zijn verbonden?
Ik lees in het rapport niet dat 99% van alle communicatie tussen apothekers en artsen verloopt via de fax, wel dat 99% van de apothekers nog gebruik maakt van de fax: «als gevolg van de nog onvoldoende andere uitwisselingsmogelijkheden wordt de fax veelvuldig gebruikt om informatie uit te kunnen wisselen.» De fax wordt voornamelijk ingezet wanneer elektronische uitwisseling van gestandaardiseerde informatie niet mogelijk is. Uit het rapport blijkt dat in de praktijk gestructureerde uitwisseling van informatie vooral goed mogelijk is binnen de eerste lijn, tussen huisarts en apotheek en tussen apotheken onderling.
Het rapport benoemt als risico dat gegevens over medicatie niet altijd tijdig beschikbaar zijn en evenmin altijd alle benodigde informatie bevatten. Dit is een risico voor de kwaliteit van de zorgverlening en leidt tot inefficiency. Bij vraag 2 heb ik aangegeven welke acties reeds zijn ingezet om de elektronische uitwisseling van gegevens te verbeteren.
Hoe vaak komen communicatieproblemen rond medicatie tussen medisch specialisten, huisartsen, wijkverpleging, thuiszorg en apothekers voor? Wat zijn hiervan de consequenties en wat betekent dit voor de patiëntveiligheid?
Het rapport bevat geen onderzoek naar communicatieproblemen tussen verschillende zorgverleners. Wel brengt het rapport in kaart met welke partijen apothekers op gestructureerde wijze elektronisch gegevens kunnen delen (vooral met huisartsen en andere apothekers) en welke informatie in meer en mindere mate op deze wijze gedeeld kan worden. Als gegevens niet elektronisch worden uitgewisseld betekent dit niet dat er helemaal geen gegevens worden uitgewisseld, uitwisseling kan ook op andere wijze plaatsvinden. Wel is het in het kader van patiëntveiligheid van belang dat zorgverleners beschikken over relevante actuele gegevens. Structurele elektronische uitwisseling zal de patiëntveiligheid op dit vlak versterken.
Hoe kan het dat 95% van alle apothekers en 90% van de huisartsen zijn aangesloten bij het Landelijk Schakelpunt (LSP) en dat ziekenhuizen nog maar in een enkel geval zijn aangesloten? Is hiervoor een verklaring te geven? Welke concrete acties worden er ondernomen om dit percentage omhoog te krijgen?
Volgens de website van de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie is 89% van de ziekenhuizen aangesloten. Gezien de resultaten van het rapport blijkt aangesloten zijn nog geen garantie voor het daadwerkelijk elektronisch uitwisselen van informatie. In het rapport is aangegeven dat een deel van de ondervraagde apothekers aangeeft dat onder andere het vragen van toestemming aan patiënten tijdrovend is en dat patiënten niet altijd voldoende initiatief nemen om te reageren op de toestemmingsvraag.
Het LSP is een systeem voor elektronische gegevensuitwisseling. Zorgaanbieders zijn vrij om te bepalen of zij elektronisch uitwisselen, op welke manier en via welk elektronisch uitwisselingssysteem. Het is mijn verantwoordelijkheid om randvoorwaarden te stellen voor veilige gegevensuitwisseling en de rechten van de patiënt daarbij. Het gebruik van elektronische uitwisselingssystemen is de verantwoordelijkheid van de zorgverleners.
Vindt u het een gewenste situatie, zoals gesignaleerd door apothekers, dat ziekenhuizen wel medicatiegegevens opvragen, maar geen terugkoppeling geven van relevante laboratoriumuitslagen en eventuele medicijnen die tijdens de behandeling worden toegevoegd? Zo nee, welke concrete actie wordt ondernomen om dit te veranderen?
Nee, dit vind ik geen gewenste situatie. Het geven van een terugkoppeling van geneesmiddelen die tijdens de behandeling worden voorgeschreven, maakt onderdeel uit van medicatieoverdracht die veilig en zorgvuldig dient plaats te vinden door zorgverleners. Hiertoe is de «richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten» (2008) opgesteld die op dit moment wordt herzien. Ik heb hiervoor aan het Kennisinstituut Medisch Specialisten een opdracht verleend om samen met alle betrokken partijen (waaronder de beroepsverenigingen van de ziekenhuizen en van de medisch specialisten) de richtlijn te herzien. Deze herziening is naar verwachting dit najaar afgerond. De nadere toelichting op de huidige Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens in de keten is reeds in 2015 herzien. Hiermee hebben de partijen uit de eerste en tweede lijn ingestemd en hierbij heeft VWS een stimulerende en faciliterende rol gespeeld. Deze nadere toelichting op de Richtlijn Overdracht van medicatiegegevens vormt de basis van het toezichtbeleid van de IGZ, welke zal gelden totdat de richtlijn zelf is herzien en in werking is getreden.
Sinds augustus 2013 zijn voorschrijvers die nader onderzoek laten uitvoeren naar de nierfunctie, verplicht een afwijkende nierfunctie door te geven aan de apotheker. Naleving van deze regeling zie ik als een primaire verantwoordelijkheid van partijen en beroepsbeoefenaren. Deze verplichting maakt ook onderdeel uit van het Generieke toetsingskader Rationele FarmacoTherapie van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Dit najaar komt de IGZ met de resultaten van dit toetsingskader.
Onderstreept u het belang dat mensen zelf inzage moeten kunnen hebben in het eigen medicatiedossier, aangezien uit «onderzoek onder apothekers bleek dat bijna 80% van de patiënten fouten ontdekte in hun eigen medicatiedossier» na inzage? Zo ja, welke concrete acties worden ondernomen om dit te bevorderen?
Het is om verschillende redenen belangrijk dat patiënten makkelijk inzage krijgen in hun eigen medische gegevens. Door inzicht worden mensen in staat gesteld om regie te nemen over hun eigen gezondheid en om eventuele onjuiste informatie te signaleren. Het verhoogt de veiligheid van de zorg, zeker ook ten aanzien van medicatieoverdracht. In een breed samenwerkingsverband werken ActiZ, FMS, GGZ Nederland, KNMP, NFU, NHG, Patiëntenfederatie NPCF, NVZA, Nictiz en VWS samen aan het verbeteren van het medicatieproces. Dit programma Informatiestandaard Medicatieproces realiseert zorgbrede uniforme registratie en een informatiestandaard voor uitwisseling van medicatiegegevens. Een andere actie die inzicht bevordert, is het programma «Meer regie over gezondheid», waar Patiëntfederatie NPCF met zorgpartijen toewerkt naar een set van afspraken en eisen waaraan digitale persoonlijke gezondheidsomgevingen moeten gaan voldoen.
Daarnaast geeft het wetsvoorstel «Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens» (momenteel ter behandeling in de EK) patiënten het recht op elektronische inzage in hun gegevens. Inzage op papier is reeds een recht van de patiënt, maar ik verwacht dat elektronische inzage leidt tot een toenemend aantal patiënten dat zijn eigen gegevens zal raadplegen.
In hoeverre acht u het wenselijk en noodzakelijk dat alle zorgverleners in de eerste- en tweedelijnszorg vanuit eenzelfde standaard op het gebied van informatie en communicatietechnologie gaan werken? Welke concrete stappen worden hierin gezet en welke rol gaat het persoonlijk gezondheidsdossier hierin spelen?
In het Informatieberaad werken alle koepels van zorgaanbieders, de patiëntvertegenwoordiging, verzekeraars en overheden samen aan een verbeterde informatievoorziening in de zorg. In het Informatieberaad worden afspraken gemaakt over het gebruik van standaarden. Het onder vraag 7 al genoemde programma «Meer regie over gezondheid» is een andere concrete stap die gaat leiden tot standaardisatie en interoperabiliteit van gezondheidsgegevens.
In hoeverre wordt de gebrekkige praktijk rond elektronische gegevensuitwisseling in de zorg en de wens van diverse partijen om te komen tot een gezamenlijke standaard belemmerd door een nog niet afgeronde behandeling van het wetsvoorstel «Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens» dat op dit moment aanhangig is in de Eerste Kamer?3 Zo ja, zijn er mogelijkheden om hier versnelling in aan te brengen?
Ook nu al kunnen zorgverleners elektronisch gegevens uitwisselen binnen de kaders van de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. Het wetsvoorstel «Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens» regelt de aanvullende randvoorwaarden bij elektronische uitwisseling van gegevens. Ik verwacht dat het aannemen van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer een positief effect zal hebben op de elektronische gegevensuitwisseling, vooral omdat het zorgaanbieders en ICT leveranciers de duidelijkheid zal bieden die nodig is voor meerjarige investeringen in (aansluiting op) elektronische uitwisselingssystemen.
Huurverlaging bij inkomensdaling |
|
Farshad Bashir (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bij een inkomensdaling van een huurder de woningcorporatie de huurprijs niet moet terugschroeven?1
In de wet is sinds 2013 geregeld dat een huurder een huurverlaging kan voorstellen indien het huishoudinkomen na een of meer inkomensafhankelijke hogere huurverhogingen daalt. De regeling is tweeledig:
Deze regeling is conform de afspraken in het Woonakkoord van 12 februari 2013 en is vastgelegd in artikel 7:252b van het Burgerlijk Wetboek en artikel 14 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Deze regeling is tegelijkertijd met de overige bepalingen inzake de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging op 16 maart 2013 in werking getreden.
De informatie op rijksoverheid.nl waarna u verwijst2, is een weergave van de geldende regelgeving en het door dit kabinet gevoerde beleid.
Het artikel waarnaar u verwijst1 gaat uit van de foutieve veronderstelling dat ik heb gezegd dat een woningcorporatie de huurprijs na een inkomensdaling van de huurder niet moet terugschroeven. In het AO Diverse woononderwerpen van 25 mei 2016 en het daarop volgende VAO van 31 mei 2016 heb ik echter aangegeven dat in de wet al een mogelijkheid voor huurverlaging na inkomensdaling na een of meer inkomensafhankelijke huurverhogingen geregeld is en dat die regeling conform de afspraken uit het Woonakkoord is en dat ik niet bereid ben een verdergaande regeling in te voeren.
Bent u van mening dat wanneer huurverhogingen kunnen plaatsvinden op basis van het inkomen, dan ook huurverlagingen moeten plaatsvinden wanneer het inkomen daalt? Zo nee, waarom voert u dat het beleid niet uit zoals staat aangegeven op de site van de rijksoverheid?2
Zie antwoord vraag 1.
Van hoeveel huurders die afgelopen jaren inkomensafhankelijke huurverhogingen hebben gekregen, is het inkomen gedaald zodat zij in een lagere inkomenscategorie vallen en een huurverlaging zouden moeten krijgen? Hoeveel van hen hebben daadwerkelijk huurverlaging gekregen?
In het AO Diverse woononderwerpen van 25 mei 2016 heb ik toegezegd dat ik dit najaar bij de woningcorporaties ga navragen hoe vaak zij de huurprijs op voorstel van de huurder wegens inkomensdaling hebben verlaagd.
Waarom handhaaft u verhoogde huurprijzen voor huurders die in inkomen zijn gedaald, en straft u daarmee rechtmatig huurders van sociale huurwoningen door hen elke maand opnieuw de huurverhoging te laten betalen, terwijl zij bij een verhuizing deze verhoging niet zouden hoeven te betalen?
Zoals ik in antwoord 1 en 2 heb aangegeven, biedt de wet aan huurders van wie het inkomen na een of meer inkomensafhankelijke huurverhogingen (substantieel) daalt de mogelijkheid om een huurverlaging aan de verhuurder voor te stellen.
Het huurbeleid kent alleen een inkomensafhankelijke huurverhoging, niet een inkomenafhankelijke huurprijs. De (maximale) huurprijs van een woning is afhankelijk van de kwaliteit van de woning. Die woningkwaliteit wordt met het woningwaarderingsstelsel uitgedrukt in punten en aan een puntenaantal wordt een maximale huurprijsgrens toegekend (hoe meer punten, hoe hoger de maximale huurprijsgrens van de woning). Indien de huurprijs door de voorgestelde huurverhoging boven de maximale huurprijsgrens van de woning uitstijgt, kan de huurder met succes bezwaar maken tegen het huurverhogingsvoorstel.
Het is geen vaststaand gegeven dat een huurder bij een verhuizing de verhoogde huurprijs niet zou hoeven te betalen. Dat is afhankelijk van de hoogte van de huurprijs die de huurder voor de (oude) woning betaalt, van het type verhuurder van de nieuwe woning (een woningcorporatie is of niet), van de inkomenscategorie van de huurder en de woningkwaliteit van de nieuwe woning.
Sinds 1 juli 2015 moeten woningcorporaties jaarlijks minimaal 80% van hun vrijgekomen sociale huurwoningen toewijzen aan huishoudens met een inkomen tot € 35.739 (prijspeil 2016). Verder mag 10% naar huishoudens met een inkomen tussen € 35.739 en € 39.874 (prijspeil 2016) en 10% naar de hogere inkomens. En voor de laagste inkomens geldt dat woningcorporaties jaarlijks bij hun woningtoewijzing aan 95% van de huishoudens met een inkomen onder de huurtoeslaggrens (€ 22.100 voor eenpersoonshuis-houdens en € 30.000 voor meerpersoonshuishoudens; prijspeil 2016) een woning moeten toewijzen met een huurprijs die niet hoger is dan de aftoppingsgrens (€ 586,68 voor een- en tweepersoonshuishoudens en € 628,76 voor meerpersoonshuishoudens; prijspeil 2016).
Voor sociale huurwoningen van beleggers of particuliere verhuurders gelden geen (maximale) inkomensgrenzen.
Hoe verhoudt uw oproep de huren niet te verlagen zich tot de uitspraak van de Kamer waarin u het verzoek heeft gekregen huurverlaging bij woningcorporaties te stimuleren? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zoals ik in antwoord 1 en 2 heb aangegeven, heb ik geen oproep gedaan om de huren niet te verlagen. Ik heb slechts aangegeven dat ik niet bereid ben om de bestaande huurverlagingsmogelijkheid (zie het antwoord op vragen 1 en 2) te verruimen.
In mijn brief van 19 februari 2016 (Kamerstuk 32 847, nr. 218) heb ik in reactie op de motie Karabulut/Monasch3 over het stimuleren van toegelaten instellingen tot huurverlaging zodat mensen huurtoeslag kunnen aanvragen, aangegeven dat de wet al een dergelijke huurverlagingsmogelijkheid biedt voor huishoudens waarvan het inkomen na een of meer inkomensafhankelijke huurverhogingen is gedaald en dat het verhuurders in overige gevallen vrij staat om de huurprijs te verlagen. Het probleem bij dit laatste is dat de verhuurder niet het recht heeft de huurprijs ook weer in één keer naar het oude niveau te verhogen indien het huishoudinkomen weer is gestegen.
Met de huursombenadering zoals die per 1 januari 2017 geldt, is het basishuurverhogingspercen-tage gesteld op inflatie+2,5%. Dat biedt verhuurders al de mogelijkheid om een relatief lage huurprijs met de jaarlijkse huurverhogingen enigszins versneld te verhogen. De extra huurverhoging voor huishoudens met een inkomen boven de toewijzingsgrens voor corporatiehuurwoningen biedt verhuurders de mogelijkheid om indien het huishouden een inkomensstijging tot boven die grens heeft doorgemaakt, de huurprijs in grotere sprongen te verhogen (inflatie+4%). Met deze instrumenten kunnen verhuurders een afgewogen keuze maken of zij bereid zijn de huurprijs bij een inkomensdaling van huurders vrijwillig te verlagen, en zo ja, in welke mate.
Het gebruik van antibiotica door boeren |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2015» van de Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa)1 en het rapport hierover van de SDa?2
Ja, het rapport van de SDa, vergezeld van onze reactie, hebben wij op 17 juni jl. aan uw Kamer gestuurd.
Wat is uw reactie op het feit dat de daling van het antibioticagebruik tussen 2009 en 2015 slechts 58% is, terwijl 70% als doelstelling is gesteld?
Evenals de SDa zijn wij positief over de gerealiseerde daling van het gebruik met 58,4% in de periode 2009 – 2015. Deze reductie heeft geleid tot een substantiële daling van resistentieniveaus in de sectoren. Ook in internationaal verband is dit een resultaat dat veel waardering krijgt.
Naar aanleiding van haar rapportage over het antibioticumgebruik in de dierhouderij in 2014, concludeerde de SDa reeds dat het in de lijn der verwachting lag dat de daling van het antibioticagebruik geleidelijk tot stilstand zou komen.
We zijn er echter nog niet. Wij blijven vasthouden aan de doelstelling om het antibioticumgebruik in de dierhouderij te verminderen. Volgende stappen zijn daarom nodig om te komen tot verdere reductie van het gebruik en daarmee vermindering van risico’s voor resistentieontwikkeling en resistentieverspreiding voor de volksgezondheid. Inspanningen van met name veelgebruikende bedrijven en veelvoorschrijvende dierenartsen zijn nodig om een verdere reductie te realiseren.
Als eerste stap hebben de organisaties van de betrokken veehouderijsectoren en de beroepsgroep van dierenartsen afgelopen jaar reeds een aantal aanvullende maatregelen genomen, gericht op een verdere reductie. Een aantal van deze maatregelen is genoemd in onze brief van mei 2015 (TK 29 683, nr. 200). Deze maatregelen richten zich op structureel veelgebruikende veehouders en veelvoorschrijvende dierenartsen, waaronder:
Wij verwachten dat deze maatregelen bijdragen aan versterking van het zorgvuldig gebruik van antibiotica, en daarmee aan verdere reductie.
Aanvullende stappen zijn echter nodig om de diergezondheid te verbeteren, en daarmee het antibioticagebruik structureel te verlagen. Veehouderijsectoren en de beroepsgroep dierenartsen erkennen dat. Zoals in de brief van 17 juni 2016 vermeld, zijn wij met deze stakeholders in overleg om tot een aanpak voor vervolgbeleid te komen. Voor het zomerreces informeren wij u over dit vervolgbeleid. Uitgangspunt in deze aanpak is «gezondheid is de norm, ziekte de uitzondering». Deze aanpak zal in de praktijk echter niet kunnen voorkomen dat (incidenteel) op bedrijfs- of regioniveau ziektes de kop opsteken, waarvoor inzet van antibiotica geïndiceerd is. Zieke dieren moeten behandeld kunnen blijven worden. De SDa geeft aan dat de stijging van het antibioticumgebruik bij kalkoenen geassocieerd wordt met een aantal uitbraken van de ziekte «blackhead».
Welke aanvullende stappen zullen worden genomen om zo snel als mogelijk alsnog een daling van 70% ten opzichte van 2009 te bereiken? Wanneer wordt deze daling verwacht?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt een stijging van het antibioticumgebruik voorkomen, zoals nu bij de kalversector en kalkoensector heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zo snel mogelijk doelstellingen, verdergaand dan een daling van 70% ten opzichte van 2009, te stellen? Is er al onderzoek gedaan naar de verdere gewenste daling en de haalbaarheid hiervan? Zo ja, wat is deze doelstelling? Zo nee, is het naar uw oordeel nodig dit uit te (laten) voeren?
De SDa pleit in zijn rapportage voor diepgaande analyse per sector naar «kritische succesfactoren» die ervoor zorgen dat bedrijven een laag antibioticumgebruik hebben. Wij delen – met de veehouderijsectoren – de mening van de SDa dat uitvoering van deze analyse nodig is. Kennis over deze succesfactoren is essentieel om effectieve maatregelen te kunnen nemen om het gebruik bij bedrijven met hoger gebruik verder te verminderen. Op basis hiervan kunnen nader onderbouwde – sectorspecifieke – doelstellingen worden geformuleerd voor een verdere reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij In onze brief over het vervolgbeleid die wij voor het zomerreces aan de Kamer sturen, zullen wij u verder informeren over dit onderzoek naar de kritische succesfactoren.
Is het waar dat er nog bedrijven zijn die geen verandering in antibioticagebruik laten zien?
Ja, de SDa constateert dat er nog bedrijven zijn die geen verandering in gebruik laten zien. Daarom zullen bedrijven in het actiegebied (rood) en het signaleringsgebied (oranje) aangezet moeten worden tot extra inspanningen om het gebruik te verlagen.
Bent u bereid te laten onderzoeken waarom er bij deze bedrijven geen daling zichtbaar is? Welke stappen kunnen genomen worden om dit alsnog te bewerkstelligen? Is het mogelijk om, indien nodig, hierbij dwingende maatregelen te nemen?
Ja, zoals gemeld in het antwoord op vraag 5, zetten wij samen met de veehouderijsectoren in op de diepgaande analyse naar de kritische succesfactoren waarmee een verdere reductie kan worden gerealiseerd op bedrijven met een hoog gebruik. In deze onderzoeksaanpak worden zowel groene als rode bedrijven onderzocht. Tevens zal per sector een onderzoekspilot worden uitgevoerd bij rode bedrijven, waarbij een effectieve aanpak wordt onderzocht en ontwikkeld om faalfactoren bij deze bedrijven weg te nemen, succesfactoren in te zetten en reductie in gebruik richting het «groene» streefgebied te realiseren.