De uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens “Stichting VU-VUmc discrimineerde twaalf oudere medewerkers op grond van hun leeftijd bij de ontslagaanzeggingen in het kader van een reorganisatie” |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het begin 2014 genomen besluit van de Stichting VU-VUmc (de VU) om drie afdelingen binnen de faculteit Aard- en Levenswetenschappen te reorganiseren, en dat als gevolg daarvan twaalf oudere medewerkers met ontslag worden bedreigd?1 Is het waar dat van het totaal aantal medewerkers dat met ontslag is bedreigd, 57,3% ouder is dan 55 jaar?
Ja, ik heb via het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens kennis genomen van het besluit van de VU tot reorganisatie van de afdelingen AAW, MCB en het IVM. In het oordeel van 17 mei 2016 heeft het College voor de Rechten van de Mens geconstateerd dat onbetwist vaststaat dat van het totaal aantal medewerkers dat als gevolg van de reorganisatie met ontslag is bedreigd, 57,3% ouder is dan 55 jaar.
Is het waar dat de voorzitter van de reorganisatiecommissie van de VU heeft gezegd, dat wetenschappelijk onderzoek gedaan zou moeten worden door mensen die goedkoper zijn, dus van rond de dertig of veertig in plaats van rond de vijftig? Bent u het ermee eens dat een dergelijke uitspraak – ongeacht de context waarin deze gedaan is – zeer ongelukkig kan overkomen op oudere medewerkers, en dat kwaliteit van een onderzoeker leidend zou moeten zijn bij vaststelling van diens geschiktheid om wetenschappelijk onderzoek te verrichten? Kunt u uw antwoord motiveren?
Hoe beoordeelt u de bewering van het faculteitsbestuur dat leeftijd op geen enkel moment leidend is geweest bij de te maken keuzes in de reorganisatie? Acht u deze bewering overtuigend, gegeven het genomen reorganisatiebesluit? Kunt u uw antwoord motiveren?
Deelt u het oordeel van het College voor de Rechten van de mens, dat sprake is van indirecte discriminatie, omdat de reorganisatie vooral oudere medewerkers treft? Kunt u uw antwoord motiveren?
Deelt u het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens, dat de uitspraak van de voorzitter van de reorganisatiecommissie is toe te rekenen aan de VU, en leidt tot directe discriminatie op grond van leeftijd? Kunt u uw antwoord motiveren?
Deelt u de mening van de VU dat met de reorganisatie en de wijze waarop deze is uitgevoerd, een legitiem doel op correcte wijze is gediend, om een einde te maken aan een structureel verlieslijdende situatie op de afdelingen waarop de reorganisatie betrekking had? Kunt u uw antwoord motiveren?
Deelt u het eindoordeel van het College voor de Rechten van de Mens dat de VU onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft gezocht naar middelen die niet of minder discriminerend zijn naar leeftijd, dat het leeftijdsonderscheid niet objectief gerechtvaardigd is, en derhalve sprake is van verboden onderscheid op grond van leeftijd, bij de ontslagaanzeggingen die in het kader van de reorganisatie zijn gedaan?
Welke actie gaat u ondernemen naar aanleiding van bovenvermeld oordeel van het College voor de rechten van de Mens? Kunt u uw antwoord motiveren?
Oordelen van het College voor de Rechten van de Mens zijn niet bindend. Dit zorgt er mede voor dat het indienen van een klacht bij het College voor de Rechten van de Mens laagdrempelig is. Aan de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens wordt vaak gevolg gegeven. Zo is in 2015 in 81% van de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens door de betreffende organisatie naar aanleiding van het oordeel een maatregel genomen2. Het is aan de betrokken medewerker(s) en de betrokken werkgever, in casu de VU, om met elkaar in gesprek te gaan over het oordeel en daarbij te bekijken op welke wijze gevolg kan worden gegeven aan dit oordeel.
Mocht(en) de medewerker(s) en de werkgever ondanks het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens er onverhoopt niet samen uitkomen, dan staat het de betrokken medewerker(s) vrij om de zaak ook aan de rechter voor te leggen.
Op welke wijze is geborgd, en gaat u borgen dat bij personele reorganisaties bij deze en andere rijksinstellingen het afspiegelingsbeginsel correct wordt gehanteerd, en verboden onderscheid op grond van leeftijd wordt voorkomen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Allereerst merk ik op dat de VU geen rijksinstelling is, maar een privaatrechtelijke rechtspersoon waar het Burgerlijk Wetboek op van toepassing is. De door de VU aangezegde ontslagen waar het oordeel van het College betrekking op heeft, zijn gedateerd van voor 1 juli 2015. Voor deze datum was het bijzonder onderwijs (en daarmee ook de VU) uitgezonderd van de UWV toets. Sinds 1 juli 2015 geldt voor het bijzonder onderwijs dat een voorgenomen ontslag om bedrijfseconomische redenen door UWV preventief wordt getoetst. Dat betreft niet alleen de redenen die ten grondslag liggen aan het voorgenomen ontslag maar ook of de werkgever het afspiegelingsbeginsel juist heeft toegepast. Daarbij toetst UWV of bij het vervallen van arbeidsplaatsen sprake is van uitwisselbare functies, en zo ja, of de juiste ontslagvolgorde is toegepast overeenkomstig de volgorde die geldt op grond van het afspiegelingsbeginsel. Als UWV concludeert dat dit niet het geval is, dan zal geen toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst worden verleend. Als UWV concludeert dat dit wel het geval is en de werknemer hier niet mee instemt, kan hij de opzegging van de arbeidsovereenkomst aanvechten bij de kantonrechter.
Voor rijksambtenaren gelden de regels omtrent reorganisatie uit het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Op grond daarvan geldt sinds de introductie van het Van Werk Naar Werk-beleid dat voor het bepalen wie voor ontslag in aanmerking komt (boventalligheid) eveneens het afspiegelingsbeginsel van toepassing is. Als een ambtenaar meent dat dit beginsel ten onrechte niet, of niet juist, is toegepast, kan hij tegen het ontslag bezwaar maken. Als dat niet wordt gehonoreerd kan hij het ontslag aanvechten bij de rechter.
Het artikel ‘BCT-fabrikanten verwachten update deze maand uit te rollen’ |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «BCT-fabrikanten verwachten update deze maand uit te rollen» (Boordcomputer Taxi, BCT)?1
Ja.
Klopt het dat de update van de BCT pas deze maand (juni) klaar is? Waarom heeft dit zo lang geduurd?
Ja. Dat wil zeggen, één leverancier van de BCT is zeker in juni klaar. Dit is de leverancier met het grootste marktaandeel (ruim 60%). De overige twee leveranciers lopen mogelijk uit en zijn dan in juli klaar. Voor wijzigingen in de programmatuur moet opnieuw een typegoedkeuring worden verleend. De ontwikkeling van de software daarvoor vereist testen, het doorvoeren van wijzigingen en hertesten. De vooraf ingeschatte benodigde tijd was te kort.
Wat betekent dit voor de evaluatie van de BCT? Kunt u in het antwoord ook de uitvoering van de motie van de leden Visser en Hoogland betrekken over duidelijkheid over de Boordcomputer?2
In mijn brief van 20 oktober 2015 (Kamerstuk 31 521 nr. 95) ben ik ingegaan op de evaluatie van de BCT en de motie van de leden Vissier en Hoogland. Ten opzichte van die brief is de periode van uitrol van de software update gewijzigd. Voor een belangrijk deel zal die uitrol niet vóór maar ná 1 juli 2016 plaats vinden. Voor de evaluatie van de BCT en handhaving heeft dat geen gevolgen. Beiden starten ongewijzigd op 1 juli 2016.
Voor de start van de evaluatie is het niet noodzakelijk dat alle BCT’s zijn voorzien van een update om de eerste effecten te kunnen optekenen. Ik verwacht mijn conclusies naar aanleiding van de evaluatie in het eerste kwartaal van 2017 met uw Kamer te delen. Aanvullend heb ik in de planning een vervolgevaluatie opgenomen. Deze vervolgevaluatie start begin 2018, dus na een volledig jaar (2017) waarin ervaring is opgedaan met de BCT.
Voor de start van de handhaving is het ook niet noodzakelijk dat alle BCT’s zijn voorzien van een update. De handhaving zal zich richten op aanwezigheid van de BCT, een plicht die voor de hele taxisector geldt vanaf 1 februari 2015, en het gebruik en de bediening van BCT’s ongeacht of die zijn voorzien van de verplichte software update. Als het de taxiondernemer valt te verwijten als BCT ’s niet zijn voorzien van de verplichte software update terwijl die beschikbaar is, kan de ILT ook handhavend optreden. Vanaf 1 oktober 2016 gaat de ILT volledig handhaven, ook op de data uit de BCT (arbeids- en rusttijden, ritregistratie etc.).Hiervoor moet de BCT voorzien zijn van de software update.
Bovenstaande handhavingaanpak is vooraf met een vertegenwoordiging vanuit de sector besproken. Alle taxiondernemers zijn daarna per brief op 26 mei 2016 door de ILT geïnformeerd.
Wat betekent dit voor de taxiondernemers? Acht u de periode van minder dan een maand voldoende voor de taxiondernemers om de updates uit te voeren? Waarom wel/niet?
Voor de taxiondernemers betekent het dat een groot deel niet vóór 1 juli 2016 de BCT’s zullen kunnen voorzien van een software update. Voor een volledige uitrol van de software update wordt een periode van minimaal twee maanden noodzakelijk geacht. Belangrijk is dat zodra de software update beschikbaar is, de taxiondernemers maatregelen nemen om er voor zorg te dragen dat de software update tijdig wordt geïnstalleerd.
Hoe gaat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) beoordelen wat een opzettelijke en wat een onopzettelijke fout is?
Vanaf 1 juli 2016 gaat de ILT de handhaving BCT weer opstarten. In de overgangsperiode tot 1 oktober 2016 controleert de ILT alleen op aanwezigheid en gebruik en bediening van de BCT’s ongeacht of die zijn voorzien van de verplichte software update. In deze periode kunnen alle partijen ervaring opdoen met en wennen aan het apparaat. Vanaf 1 oktober gaat de ILT weer volledig handhaven, ook op de data uit de BCT (arbeids- en rusttijden, ritregistratie etc.).
Omdat het gebruik van de BCT voor iedereen wennen is, legt de ILT in de overgangsperiode geen boetes op als een ondernemer/chauffeur onopzettelijk fouten maakt in de bediening van het apparaat. ILT-inspecteurs mogen op grond van hun kennis van en ervaring in het werkveld in staat worden geacht deze inschatting te kunnen maken. Bedient iemand de knoppen op de BCT opzettelijk verkeerd om bijvoorbeeld overtredingen in de arbeids- en rusttijden te verbergen, dan beschouwt de ILT dit als fraude. In dat geval kan de ILT een boete opleggen.
Wat betreft de handhaving ten aanzien van de juiste update zal de ILT de eventuele verwijtbaarheid van de ondernemer bij de beoordeling betrekken. In de overgangsperiode kan de ILT handhavend optreden als in de taxi geen geactiveerde BCT aanwezig is met de meest recente en beschikbare software-update. Als dit de ondernemer te verwijten is, kan hij een boete krijgen en een verbod op het verrichten van taxivervoer.
Ik ben geen voorstander van verder uitstel van de handhaving. Het lijkt mij goed om nu in ieder geval volgens planning te starten met de overgangsperiode, waarin alle partijen kunnen wennen aan (het gebruik van) de BCT en de nieuwe situatie.
Vindt u ook dat, wanneer de update pas in juni klaar is, het onrechtvaardig zou zijn als de ILT al per 1 juli aanstaande (gedeeltelijk) gaat handhaven op de aanwezigheid van een functionerende BCT? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de handhaving in zijn geheel uitgesteld worden tot 1 oktober 2016? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Een werkbezoek aan een internationaal bedrijf dat zich richt op het ontwikkelen, ontwerpen en bouwen van schepen en materieel voor de bagger- en offshoreindustrie |
|
Betty de Boer (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u beleid geformuleerd en vastgesteld ter stimulering van het Nederlandse bedrijfsleven dat zich bezig houdt met diepzeemijnbouwactiviteiten in internationaal verband? Zo ja, hoe luidt dit beleid? Zo nee, bent u bereid hiervoor beleid te formuleren?
Ja. Water is één van de negen Nederlandse topsectoren. De Nederlandse overheid ondersteunt als partner in de «Gouden Driehoek» de doelstellingen van de Topsector Water door onder andere het versterken van het vestigingsklimaat, investeringen in innovatie en exportbevordering. In de innovatieagenda van de Topsector Water is «Winnen op Zee» één van de vier prioritaire innovatiethema’s waarbinnen kennis wordt ontwikkeld voor technologische oplossingen om op zee energie en grondstoffen te winnen. Diepzeemijnbouw maakt deel uit van dit innovatiethema en is op deze manier in het beleid verankerd.
In de kabinetsvisie «Grondstoffennotitie» (Kamerstukken II 2010/11, 32 852, nr. 1) wordt aangegeven dat door toenemende schaarste en prijsstijgingen van grondstoffen nieuwe winningsmethoden interessant worden. Diepzeemijnbouw is één van de economisch interessante alternatieven.
Bent u op de hoogte met de internationale praktijk dat toegang van het Nederlandse bedrijfsleven tot diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen mogelijk is als Nederland een nationaal wettelijk kader heeft waaruit deze bedrijven gedwongen worden ordentelijk te opereren en ter verantwoording geroepen kunnen worden over diepzeemijnbouw in internationale wateren? Zo ja, kunt u de Kamer daarover informeren? Zo nee, bent u bereid om een dergelijk nationaal wettelijk kader op te stellen, en zo nee, waarom niet?
De Internationale Zeebodemautoriteit (hierna: Autoriteit) is opgericht onder het Verdrag van de Verenigde Naties van 1982 inzake het recht van de zee (hierna: Zeerechtverdrag). De Autoriteit is de beheerder van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht. Een aanvraag van een private onderneming voor exploratie wordt door de Autoriteit alleen in behandeling genomen indien zij vergezeld gaat van een verklaring waaruit blijkt dat de aanvraag wordt ondersteund door een staat die partij is bij het Zeerechtverdrag. Deze staat moet beschikken over nationale wetgeving aangaande diepzeemijnbouw. Nationale wetgeving is primair bedoeld om de Autoriteit te assisteren bij de uitvoering en handhaving van de internationale regels. Voor het steunen van ondernemingen bij het vragen van toestemming bij de Autoriteit om delfstoffen te winnen uit de diepzeebodem is het niet noodzakelijk dat de wetgeving van kracht is, maar wel moet kunnen worden aangetoond dat wetgeving in voorbereiding is.
Het is voor Nederlandse bedrijven daarnaast mogelijk om onder voorwaarden met behulp van andere staten toestemming aan te vragen om activiteiten op de zeebodem te ontwikkelen.
Het voorbereidingstraject voor het eventuele Nederlandse wetgevingsproces is gestart, in de vorm van het toepassen van het Integraal Afwegingskader (IAK). Onderdeel hiervan is een zorgvuldige afweging over de nut en noodzaak van Nederlandse wetgeving.
Deelt u de mening dat een dergelijk wettelijk kader het Nederlandse bedrijfsleven de kans biedt om in internationaal verband mee te dingen naar diepzeemijnbouwactiviteiten waarmee een level playing field ontstaat ten opzicht van andere landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er internationaal een goede en verantwoorde praktijk bestaat waarbij internationale diepzeemijnbouwactiviteiten beperkt blijven tot daartoe aangewezen gebieden met nieuwe technologisch vooruitstrevende oplossingen (het gaat om gebieden die niet vallen onder territoriale wateren of de aangrenzende economische zones waarover landen zeggenschap hebben) en dat Nederland hier veel waardevol onderzoek zou kunnen doen naar nieuwe grondstoffen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat de diepzeemijnbouw een kans biedt om de concurrentiepositie van het Nederlandse maritieme cluster in de wereld te versterken. Daarbij wijs ik er op dat de Autoriteit diepzeemijnbouwactiviteiten buiten de grenzen van de nationale jurisdictie reguleert en toezicht houdt op de naleving. De delfstoffen in dit gebied zijn het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid («Common Heritage of Mankind»), de winning van deze delfstoffen dient in overeenstemming met dit beginsel plaats te vinden hetgeen ook Nederland, als partij bij het verdrag, een belangrijk uitgangspunt vindt.
De uitwerking van de regelgeving van de Autoriteit voor exploitatie is nog in ontwikkeling. De Nederlandse activiteiten binnen de Autoriteit zijn gericht op het verder ontwikkelen en toepassen van verantwoorde internationale regelgeving.
Deelt u de mening dat het niet hebben van een dergelijke wetgeving de rol van Nederland in internationaal overleg inzake maritieme regelgeving en duurzame ontwikkelingen verzwakt? Zo ja, wilt u dat voorkomen door regelgeving te maken? Zo nee, waarom niet?
In deze fase van internationale beleidsontwikkeling rond de diepzeemijnbouw is het al dan niet beschikken over nationale wetgeving niet cruciaal voor de positie van Nederland in het internationaal overleg. Nederland heeft onder andere als gekozen lid van de Raad (2013–2016) een actieve rol binnen de Autoriteit en zal zich kandidaat stellen voor de Raad voor de komende periode (2017–2020). De inbreng van Nederland is gericht op het uitdragen en verder ontwikkelen van de maritieme kennis en kunde, waarbij Nederland het belang van duurzaamheid nadrukkelijk naar voren brengt.
Gesjoemel met gevaarlijke stoffen tussen Eindhoven en Venlo |
|
Yasemin Çegerek (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gesjoemel met giftreinen tussen Eindhoven en Venlo»?1
Ja
Is het waar dat op het traject Eindhoven–Venlo de afgelopen maanden vier soorten stoffen vervoerd zijn die op dit traject überhaupt niet vervoerd mogen worden? Zo ja, hoe is dit mogelijk en welke consequenties worden hieraan verbonden? Zo nee, wat klopt er wel van de berichtgeving?
Nee. In Nederland bestaat geen verbod voor het vervoer van een bepaalde stofcategorie. Zie voor een nadere toelichting op de vraag in hoeverre er in het kader van Basisnet stoffen vervoerd mogen worden, de toelichting onder «Uitvoering van de Wet basisnet» zoals opgenomen in de aanbiedingsbrief.
Wat betekenen de overschrijdingen van de risicoplafonds voor de veiligheid van de omwonenden?
Een overschrijding betekent concreet dat de zogeheten plaatsgebonden risicocontour, uitgedrukt in een afstand in meters ten opzichte van het midden van de spoorbundel, verder van het spoor af komt te liggen. Een van de uitgangspunten van Basisnet is dat er zich binnen deze ruimte geen woningen mogen bevinden. Door de nu geconstateerde overschrijdingen ligt deze contour dus weliswaar verder van het spoor, maar bevinden zich met het daadwerkelijk gerealiseerde vervoer geen woningen erbinnen.
Welke maatregelen zijn de afgelopen periode reeds genomen om (nieuwe) overschrijdingen van de basisnetplafonds te voorkomen? Wat is het effect geweest van deze maatregelen?
De Wet basisnet is per 1 april 2015 van kracht geworden en de kwartaal-rapportages laten voor het eerst overschrijdingen zien. Tot nu is het besluit genomen om de Basisnetresultaten van de omleidingsroutes vanwege het Derde Spoor per kwartaal te publiceren in plaats van jaarlijks. Hierdoor is eerder inzichtelijk waar zich welke knelpunten ten opzichte van de risicoplafonds gaan voordoen. Voordat verdere concrete maatregelen worden genomen is het van belang dat de oorzaken goed in beeld zijn gebracht. Ik verwacht de uitkomsten van deze analyse begin juli. Vervolgens zal ik uw Kamer hierover informeren en daarbij tevens ingaan op mogelijke oplossingsrichtingen om de overschrijdingen weg te nemen.
Welke inspanningen hebben goederenvervoerders en verladers, conform de door hen uitgesproken intentie, geleverd om gevaarlijke stoffen zo veel als mogelijk via de Betuweroute te vervoeren?2 Wat is uw oordeel over de geleverde inspanningen?
De mate waarin vervoerders zich hebben ingespannen om gevaarlijke stoffen zo veel mogelijk via de Betuweroute te vervoeren, is onderdeel van de analyse die nu wordt uitgevoerd. Ik verwacht de uitkomsten van deze analyse begin juli. Vervolgens zal ik uw Kamer hierover informeren en daarbij tevens ingaan op mogelijke oplossingsrichtingen om de overschrijdingen weg te nemen.
Verwacht u over de jaren 2015 en 2016 te kunnen voldoen aan onderstaande toezeggingen van uw voorganger aan de Kamer, te weten: «Daarbij is tevens aangegeven dat ook met deze extra transporten [als gevolg van werkzaamheden Derde Spoor] het vervoer van gevaarlijke stoffen binnen de risicoplafonds van het Basisnet zal moeten blijven»3 en «Van belang is dat in alle gevallen de omgevingsrisico’s van dat vervoer niet hoger mogen zijn dan de in Basisnet vastgelegde risicoplafonds»?4
De door u aangehaalde uitspraken gelden nog onverkort. De recent en voor het eerst beschikbaar gekomen resultaten vormen aanleiding voor maatregelen om met behulp van de nu uit te voeren analyse – het vervoer van gevaarlijke stoffen alsnog binnen de risicoplafonds van Basisnet te brengen.
Het strafrechtelijk onderzoek naar de ontvoering van de heer R. van Duijn |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het dossier van het strafrechtelijk onderzoek naar de ontvoering van de heer R. van Duijn? Kent u de brief1 van het College van procureurs-generaal in deze zaak? Waarom is niet al veel eerder excuses gemaakt voor het niet informeren van het betrokken slachtoffer over het verloop in de strafzaak?
Ja, ik ben bekend met deze zaak. Zoals de toenmalige Staatssecretaris van Justitie uw Kamer heeft medegedeeld (Aanhangsel 1969–1970, nr.1481) heeft de officier van justitie, hoofd van het parket Amsterdam, destijds de plaatselijke politie opdracht gegeven een onderzoek in te stellen. Daarop hebben gesprekken met dhr. Van Duijn plaatsgevonden, en zijn verschillende personen gehoord als vermoedelijke verdachten. De processen-verbaal die van het onderzoek zijn gemaakt hebben evenwel destijds naar het oordeel van het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijsmateriaal opgeleverd om met kans op succes een vervolging in te stellen tegen een (of meer) vermoedelijke verdachte(n). Het politiële onderzoek werd destijds nog niet als definitief geëindigd beschouwd. Het is niet meer na te gaan wanneer het onderzoek wel is geëindigd. De stukken uit het strafdossier zijn inmiddels geschoond (zie ook het antwoord op vraag2. Van het College van procureurs-generaal (hierna: het College) heb ik daarnaast vernomen dat er recent onder meer een persoonlijk gesprek heeft plaatsgevonden tussen het College en de heer Van Duijn en zijn raadsman. Daarbij zijn dhr. Van Duijn namens het Openbaar Ministerie ook excuses aangeboden voor het verloop van de zaak. Het past mij niet publiekelijk over de inhoud van deze contacten nadere uitspraken te doen.
Waarom is er destijds geen strafvervolging ingesteld tegen degenen tegen wie verdenkingen bestonden wegens betrokkenheid bij de ontvoering van de heer Van Duijn? Klopt het dat een van de verdachten in de media betrokkenheid bij deze ontvoering heeft toegegeven? Zo ja, heeft het Openbaar Ministerie hierin aanleiding gezien het strafrechtelijk onderzoek, ondanks mogelijke verjaring, te heropenen? Zo nee, waarom niet? Had dit niet sowieso aanleiding moeten zijn om al op dat moment excuses aan te bieden voor het niet vervolgen van deze verdachten, zeker gezien de omstandigheid dat de heer Van Duijn destijds al de namen van de betrokkenen als dader heeft genoemd?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat onder deze omstandigheden de heer Van Duijn ruimhartiger gefaciliteerd moet worden in het achterhalen van de waarheid dan een doorverwijzing naar de op hem betrekking hebbende archiefstukken? Zo ja, bent u bereid om in nauw overleg met de heer Van Duijn te onderzoeken of destijds terecht aanleiding bestond tot het staken van het strafrechtelijk onderzoek naar zijn ontvoering? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vragen 1, 2 en 4 gesteld doe ik geen uitspraken over de inhoud van de contacten tussen het Openbaar Ministerie en de heer Van Duijn. Wel kan ik u het volgende mededelen. Het betreft een zaak uit 1970 waarbij het Openbaar Ministerie conform het gestelde in de Archiefwet de stukken uit het strafdossier heeft geschoond. In 2015 zijn daarnaast door het parket Amsterdam stukken overgedragen over deze zaak aan het Noord-Hollands archief. Het College heeft de heer Van Duijn dan ook geadviseerd contact op te nemen met het Noord-Hollands archief om te bezien of het mogelijk is om ontheffing te krijgen voor inzage in de daar berustende stukken.
Deelt u de mening dat een ruimere verontschuldiging op z’n plaats is over de wijze waarop het strafrechtelijk onderzoek is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Cyber security van apparatuur in ziekenhuizen kwetsbaar’ |
|
Pia Dijkstra (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cyber security van apparatuur in ziekenhuizen kwetsbaar»?1
Ja
In hoeverre zijn er bij u besmettingsgevallen met malware bij Nederlandse ziekenhuizen bekend?
Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn geen concrete meldingen van cyber incidenten bekend. Bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) zijn er in het afgelopen jaar twee vrijwillige meldingen van malware besmettingen geweest. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen van de leden Pia Dijkstra en Kees Verhoeven (d.d. 11 mei 2016) betreffen deze meldingen aanvallen op kantoorautomatisering en zijn er bij het NCSC geen signalen bekend dat deze aanvallen hebben geresulteerd in grootschalige uitval of verstoring.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen, waarin u zei dat «het de eigen verantwoordelijkheid van ziekenhuizen is om de informatiebeveiliging op orde te hebben»? Kunnen ziekenhuizen de expertise van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) inroepen om hun informatiebeveiliging op orde te krijgen? Zo nee, waarom niet?2
Ja
In eerdere beantwoording is aangegeven dat informatiebeveiliging een eigen verantwoordelijkheid van de zorginstelling is, ongeacht de mate van ondersteuning die het NCSC een partij biedt. In de EU richtlijn inzake Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIB) wordt de zorgsector overigens wel aangewezen als sector waarbinnen moet worden bepaald welke specifieke organisaties aanbieders van essentiële diensten zijn en in verband hiermee onder bepaling van de richtlijn komen te vallen. Over de implementatie van de NIB-richtlijn en verdere acties wordt de Tweede Kamer door de Minister van Veiligheid en Justitie geïnformeerd.
Er is sprake van een omvangrijk aantal activiteiten op het gebied van cybersecurity in de zorg, die met betrokkenheid van het NCSC, worden ontplooid. Allereerst heeft het NCSC in samenwerking met de sector een Information Sharing and Analysis Centre (ISAC) voor de zorg opgezet. Een ISAC is een publiek-privaat sectoraal samenwerkingsverband, waarbinnen op tactisch niveau deelnemers van verschillende ziekenhuizen onderling informatie en ervaringen uitwisselen over cybersecurity en kwetsbaarheden in de sector («situational awareness»).
Daarnaast wordt gewerkt aan de inrichting van een Computer Emergency Response Team (CERT) voor de zorg (Z-CERT). Tot slot publiceert het NCSC openbare kennisproducten (o.a. het Cybersecurity Beeld Nederland (CSBN) en Factsheets) die zorginstellingen kunnen gebruiken bij het verbeteren van hun informatiebeveiliging.
Binnenkort verschijnt ook de tweede druk van het «Convenant Veilige toepassing van medische technologie». Het convenant is een veldnorm voor de instellingen voor medisch-specialistische zorg en biedt handvatten voor de totale levenscyclus van een medisch hulpmiddel. Daarin wordt het aspect «cybersecurity» aangemerkt als onderdeel van de risicoanalyse.
Bent u bereid onderzoek te doen onder Nederlandse ziekenhuizen en andere zorginstellingen, naar het voldoen van apparatuur aan de privacyregelgeving, het gebruikmaken van versleutelde verbindingen bij op het netwerk aangesloten apparaten en beleid rondom het dichten van kwetsbaarheden in software van medische apparatuur?
Informatiebeveiliging is een eigen verantwoordelijkheid van een zorginstelling. De NEN 7510 (en NEN 7512) – waar de ziekenhuizen nu al aan moeten voldoen – geven allerlei technische en organisatorische normen hoe informatiebeveiliging en privacy kan worden bereikt. Deze normen zijn zowel gericht op het voorkómen van incidenten als op het voorbereid zijn wanneer ze optreden. Ziekenhuizen zullen zelf moeten nagaan of nieuwe apparatuur voldoet aan de beveiligingseisen die in deze normen zijn gesteld. Ziekenhuizen kunnen hun informatiebeveiligingsbeleid en de beveiligingsmaatregelen ook periodiek laten auditen.
Informatiebeveiliging van medische hulpmiddelen, waaronder medische apparatuur, maakt deel uit van het ontwikkel (design) proces. In de essentiële eisen die de huidige Europese Medische Hulpmiddelen Richtlijn voorschrijft staat dit weliswaar nog niet expliciet zo genoemd, maar in de tekst van de aankomende verordening wel. Onder Nederlands Voorzitterschap is op 15 juni jl. over deze verordening politiek akkoord bereikt.
De IGZ ziet toe op de naleving van relevante wet- en regelgeving op het gebied van informatiebeveiliging in de zorg, voor zover die raakt aan kwaliteit en veiligheid van zorg. Het genoemde convenant bij het antwoord op vraag 3 valt hier ook onder.
In het Algemeen Overleg van woensdag 29 juni heb ik de TK geïnformeerd over mijn aangekondigde onderzoek, een quickscan, dat ik uitvoer naar de praktijk rond de privacybescherming en omgang met informatiebeveiliging in de ziekenhuizen en GGZ-instellingen. Hierin zal ik onder meer kijken naar de omgang met medische gegevens, de vindbaar- en toegankelijkheid daarvan en voor wie, hoe groot de rol is die privacy en informatiebeveiliging speelt in de eigen dienstverlening en bij uitbesteding van bijvoorbeeld het digitaliseren van patiëntendossiers, of er in de instelling specifiek mensen zijn die verantwoordelijk zijn voor de informatiebeveiliging en hoe deze verantwoordelijkheid is belegd in de Raad van Bestuur en of er geoefend wordt in de organisatie met informatiebeveiligingsincidenten (bijvoorbeeld een hack).
Deelt u de mening dat de maatschappelijke acceptatie van medische innovaties afhangt van het vertrouwen dat patiënten hebben in de (cyber)veiligheid van het apparaat en de veilige omgang met gegenereerde (persoons)gegevens? Zo ja, op welke manier draagt u daaraan bij? Zo nee, waarom niet?
Veiligheid van medische hulpmiddelen is een belangrijke voorwaarde voor het gebruik. Medische hulpmiddelen dienen, voordat zij tot de markt worden toegelaten, beoordeeld te worden om te bepalen of zij geproduceerd zijn conform de essentiële eisen van de Europese Medische Hulpmiddelen Richtlijn. Cyberveiligheid vormt een groeiend onderdeel van deze beoordeling, gezien de toegenomen verbondenheid van medische apparatuur met de lokale zorginformatiesystemen en de data die deze apparaten verzamelen en verwerken. Er wordt veelal gewerkt volgens de privacy en security by design principes3, waarbij de apparaten niet zonder reden verbonden zijn met openbare netwerken en data niet zonder reden beschikbaar wordt gesteld aan anderen. De beoordeling en certificering van medische hulpmiddelen gebeurt aan de hand van internationale normen, waarin privacy en cyberveiligheid ook meegenomen worden.
Er is een groeiend bewustzijn rondom de risico’s van de steeds meer verbonden medische apparaten. Tevens wordt gewerkt aan het vergroten van het risicobewustzijn bij zorgverleners en instellingen op het gebied van cyberveiligheid en privacy. Zo heeft de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) een Netwerk Informatiebeveiliging waar kennis en ervaring wordt uitgewisseld, is er een 4-daagse cursus informatieveiligheid ontwikkeld en wordt dit jaar voor het zesde jaar een bewustwordingsweek georganiseerd waar zorgverleners in ziekenhuizen worden gewezen op de risico’s van cyberveiligheid en privacy, en de maatregelen die zij daartegen kunnen nemen. Voor meer informatie daarover verwijs ik u naar http://www.zorgzekeren.nl/. Ik steun dit initiatief van harte.
Bent u bereid, gezien het belang van medische innovaties voor de kwaliteit van de zorg, om een landelijke aanpak te organiseren om de cyber veiligheid van ziekenhuizen en andere zorginstellingen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De eerder genoemde Z-CERT is een landelijk georganiseerde aanpak om cyberveiligheid in de ziekenhuizen te verhogen. De ISAC, heeft eveneens als doel om de cyberveiligheid door de uitwisseling van kennis en informatie te verhogen en is reeds landelijk georganiseerd.
Daarnaast zal ik, zoals eerder ook al in antwoorden op Kamervragen heb aangegeven, met de leden van het Informatieberaad (ondermeer de zorgkoepels, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Zorgverzekeraars Nederland) bespreken of het noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen om extra waarborgen te realiseren en «privacy en security by design4» te stimuleren.
Tot slot verwijs ik naar het aangekondigde onderzoek, een quickscan, rond de privacybescherming en omgang met informatiebeveiliging binnen de ziekenhuizen en GGZ-instellingen, waarover ik u voor eind van dit jaar informeer. Ik zal aan de hand van de bevindingen bezien wat nog extra nodig is.
De invoering van de verevening voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat – in weerwil van het advies van ECPO dat bij toepassing van een model van verevening geen sprake mag zijn van grote regionale verschillen – bij de herverdeling van middelen door de invoering van de verevening voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs, toch grote regionale verschillen blijken te ontstaan in de toedeling van de extra middelen?1
In de negende voortgangsrapportage passend onderwijs, verzonden op 22 juni 2016, is beschreven dat ik niet voornemens ben om de ondersteuningsmiddelen voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) te verevenen. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat de verschillen in behoeften voor ondersteuning in de vorm van lwoo en pro ongelijk zijn verdeeld over het land. Hoe de middelen wel verdeeld kunnen worden over de samenwerkingsverbanden is nu nog niet bekend. Zoals beschreven in de voortgangsrapportage ga ik daarover in overleg met scholen en samenwerkingsverbanden. Of de nieuwe systematiek gaat leiden tot grote regionale verschillen is op dit moment dan ook nog niet te zeggen.
Is het u bekend dat bijvoorbeeld in de provincie Groningen het samenwerkingsverband Groningen Stad 20.01 er plusminus € 6 miljoen op vooruit gaat (voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs/leerwegondersteunend onderwijs), terwijl het samenwerkingsverband Groningen Ommelanden plusminus € 4 miljoen inlevert (voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs/leerwegondersteunend onderwijs), en dit ten opzichte van de huidige situatie in de provincie Groningen een verschil van plusminus € 10 miljoen oplevert?
Deze berekening gaat waarschijnlijk uit van de veronderstelling dat de ondersteuningsmiddelen voor lwoo en pro worden verevend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 ben ik niet voornemens om die middelen te gaan verevenen. Voor wat betreft de zware ondersteuning gaan beide samenwerkingsverbanden er door de herverdeling binnen passend onderwijs op vooruit.
Bestaat er een gevaar dat deze ontwikkeling een bedreiging vormt voor de verdere vormgeving van passend onderwijs en de transities binnen de gemeenten in deze regio temeer er naast de verevening sprake is van een opeenstapeling van problematiek (herverdeling jeugdhulpbudgetten, provinciebrede herverdeling voortijdig schoolverlaten-budgetten, aardbevingsproblematiek, mogelijk negatieve effecten van de nieuwe bekostigingssystematiek2?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is besloten om niet te gaan verevenen voor de ondersteuningsmiddelen van lwoo en pro.
Hoe verhoudt het negatief effect van de herverdeling voor de provincie Groningen, exclusief de Stad Groningen, zich tot de ondersteuningsvraag in die regio (jeugdhulp, voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs)? Is deze daar aantoonbaar kleiner (geworden) dan die in de Stad Groningen?
Zoals aangegeven in de voorgaande antwoorden is het nog te vroeg om hier iets over te zeggen.
Bent u bekend met de negatieve effecten (forse toekenning RMC 03 door studenten, minimale toekenning RMC 01 en RMC 02 door grote regionale spreiding) van de huidige APC-toekenning rondom de middelen ter bestrijding van het voortijdig schoolverlaten in de RMC-regio’s in de provincie Groningen?3
De regionale middelen voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten bestaan uit een aantal onderdelen. U doelt in uw vraag op het deel dat in de huidige situatie bestemd is voor de Plusvoorzieningen voor overbelaste jongeren. In de huidige situatie wordt het Plusvoorzieningenbudget regionaal berekend op grond van het aantal leerlingen tot 23 jaar dat woonachtig is in een postcodegebied dat op grond van diverse factoren is aangemerkt als armoedeprobleemcumulatiegebied (apcg) uit de armoedemonitor van het CBS en het SCP. De aanname hierbij was dat deze jongeren vaker te maken hebben met multiproblematiek en daardoor zodanig overbelast zijn dat zij een verhoogd risico hebben op uitval. RMC-regio 3, Centraal en Westelijk Groningen, heeft meer apcg-leerlingen dan de RMC-regio’s 1 en 2.
De Minister van OCW heeft u met haar brief «Succesvolle aanpak voortijdig schoolverlaten krijgt een krachtig vervolg» van 15 februari jl. geïnformeerd over de vervolgaanpak vsv. Deze aanpak omvat onder meer aanpassingen in de vsv-middelen, inclusief het budget waarop u doelt.4 In de nieuwe situatie vanaf 1 augustus a.s. mag het budget breder worden ingezet. Het geld mag voortaan ook besteed worden aan regionale vsv-maatregelen voor andere doelgroepen dan alleen de overbelasten. Daarbij past een andere verdeling van het budget. De strikte koppeling met apcg wordt losgelaten. Dit heeft een evenwichtiger verdeling van het budget over de regio’s tot gevolg.
Is het u bekend dat gemeenten en onderwijs in Samenwerkingsverband VO 20.02 en Samenwerkingsverband PO 20.01 nauw samenwerken en ondanks de forse ondersteuningsvraag steeds beter in staat zijn om thuisnabij passend onderwijs en jeugdhulp te bieden middels innovatieve pilots met de huidige budgetten?
Ja.
Welke maatregelen denkt u te nemen om deze ongelijkheid op te heffen en thuisnabij aanbod van jeugdhulp en onderwijs (infrastructuur) te kunnen blijven realiseren in deze krimpregio?
Ik zie momenteel geen reden om aanvullende maatregelen te treffen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 is nog niet bekend wat de effecten zullen zijn van de nieuwe bekostigingssystematiek voor lwoo en pro. Van een ongelijke situatie is nu dus geen sprake. Uit overleg met het samenwerkingsverband Groningen Ommelanden blijkt bovendien dat de samenwerking met gemeentes goed is en dat er hard wordt gewerkt om een dekkend geheel van ondersteuningsvoorzieningen te organiseren.
Gaat u het advies van ECPO dat in een dergelijke situatie «zo lang er sprake is van twee aparte beleidstrajecten (één voor leerlingen in sociale achterstandssituaties en één voor leerlingen die speciale onderwijszorg nodig hebben), speciale maatregelen voor leerlingen die tot de doelgroep van het onderwijsachterstandsbeleid behoren beter via het onderwijsachterstandsbeleid dan via dat voor speciale onderwijszorg geregeld kunnen worden» opvolgen? Zo ja, hoe denkt u dat te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het advies van ECPO is conform staand beleid. Op dit moment is er immers sprake van twee aparte beleidstrajecten. Het achterstandenbeleid is vormgegeven via de Regeling leerplusarrangementen. Hierdoor wordt gecompenseerd voor het risico van leerlingen op onderwijsachterstand vanwege het sociale milieu. Daarnaast voorziet passend onderwijs in extra ondersteuning voor leerlingen die dat nodig hebben. Dat kan zowel lichte als zware ondersteuningsvraagstukken zijn. De verevening van de middelen voor de zware ondersteuning is mogelijk, omdat het onderwijsachterstandenbeleid voldoende compenseert voor sociale achterstand.
De inzet van drugshonden in scholen |
|
Joyce Vermue (PvdA), Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «School schoonvegen met drugshonden»?1
Ja.
Wat is uw mening over het plan van de gemeente Steenwijkerland om het drugsprobleem (uit een GGD onderzoek blijkt dat het drugsgebruik van meerdere jongeren van 13 tot 16 jaar in deze gemeente fors is) aan te pakken door controles op hangplekken, politieonderzoek en het inzetten van drugshonden in schoolgebouwen?
De uitvoering van drugspreventie is een zaak van de gemeente, die immers het beste zicht heeft op aard en omvang van het lokale drugsgebruik. Ik zie het als mijn taak er voor te zorgen dat modellen voor goede drugspreventie beschikbaar zijn, zoals via de Handreiking Gezonde gemeente van het Centrum gezond Leven (CGL) van het RIVM, de Leidraad Alcohol en Drugs bij Evenementen van het Trimbos-instituut, en de diverse voorlichtingsprogramma’s voor scholen. Een gemeente bepaalt uiteindelijk zelf welke instrumenten zij wil inzetten.
Deelt u de mening dat de inzet van drugshonden op scholen in beginsel ongewenst is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat een school eerst met goede voorlichting, een duidelijk schoolreglement met heldere regels en sancties over drugsgebruik en -bezit op school, betrokkenheid van ouders e.d. moet proberen drugsproblemen te voorkomen. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij hun veiligheidsbeleid vormgeven. De aanwezigheid van politie en drugshonden kan enerzijds een signaal zijn aan leerlingen dat drugs niet worden geduld en daardoor een preventieve werking hebben. Anderzijds kan deze vorm van opsporing een tegenstrijdig effect hebben op het veiligheidsklimaat van scholen en tot verkeerde beeldvorming en onveiligheidsgevoelens bij leerlingen leiden. E.e.a. is sterk afhankelijk van de specifieke problematiek van een school en de manier waarop het instrument wordt gemotiveerd en ingezet.
Volgens informatie van de gemeente Steenwijkerland is de inzet van drugshonden ook daar onderdeel van een bredere aanpak, die bestaat uit preventie op scholen voor leerlingen, ouders en leraren, opsporing, controle en handhaving. (http://www.steenwijkerland.nl/Over_Steenwijkerland/Nieuws/Actualiteiten/Actualiteiten_mei_2016/Gezamenlijke_aanpak_tegen_drugsgebruik_door_jongeren).
Op hoeveel scholen wordt er gewerkt met controles met drugshonden en wat is de aanleiding van deze controles? Is er sprake van een toename van de inzet van drugshonden op scholen? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waar blijkt dit uit?
Er bestaat geen registratie van of onderzoek naar de inzet van drugshonden op scholen. Ik weet dus niet op hoeveel scholen dit gebeurt, noch of er sprake is van een toe- of afname.
Mogen scholen particuliere bedrijven inzetten voor controles met drugshonden? Zo ja, onder welke voorwaarden? Gelden daarbij bijvoorbeeld de eisen van noodzaak en gerechtvaardigd belang zoals bij cameratoezicht op scholen zodat de privacy van leerlingen en personeel wordt gewaarborgd?
Ja dat mag. Scholen zijn sinds 1 januari 2006 verplicht een (school)veiligheidsplan op te stellen. Hierin beschrijft een school hoe zij de fysieke en sociale veiligheid in en om het schoolgebouw waarborgt. De controle op drugs is in wezen vergelijkbaar met controle op wapens. Daarvoor heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie in 2015, in samenwerking met het Ministerie van OCW, het OM, de politie en scholen, een checklist voor scholen opgesteld. Deze checklist geeft een aantal randvoorwaarden voor een goed veiligheidsbeleid, waaronder controles op school. Het gaat dan onder meer om het opstellen van regels over (wapen)bezit, het opnemen van het veiligheidsplan in de schoolgids, het aanstellen van een persoon binnen de school die verantwoordelijk is voor (sociale) veiligheid, het aanstellen van een persoon binnen de politie als aanspreekpunt voor de school, afspraken met gemeente en OM, en facultatief het opstellen van een veiligheidsconvenant met lokale partners. Tot slot is instemming van de medezeggenschapsraad vereist voor de vaststelling of wijziging van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de vertegenwoordigers van docenten en onderwijs ondersteunend personeel.
Overigens moet een school het beleid met betrekking tot de veiligheid in de schoolgids opnemen, waardoor het bijvoorbeeld mogelijk is een leerling te vragen zijn of haar kluisje te openen in het geval van vermoed drugsbezit.
De inzet van particuliere opsporingsbedrijven is toegestaan, als dit onderdeel uitmaakt van het veiligheidsplan waar de medezeggenschapsraad mee heeft ingestemd. Uiteraard moet er bovendien aan de geldende wet- en regelgeving zoals de Wet persoonbescherming voldaan worden, hoewel in dit geval geen opnames of beelden worden gemaakt zoals bij cameratoezicht.
Deelt u de mening dat jongeren preventief goed moeten worden voorgelicht over drugs en dat deze voorlichting meer dient te omvatten dan het benoemen van de risico’s van drugs en de jongeren wijzen op het feit dat drugs verboden is? Zo ja, hoe wordt er momenteel zorg gedragen voor een goeie voorlichting die mede inspeelt op de drugsproblemen die gemeenten zoals Steenwijkerland hebben? Zo nee, waarom niet?
Ik ben er voorstander van dat alle jongeren op de middelbare school goede voorlichting krijgen over drugs. Daarom heeft het Trimbos-instituut voor het voortgezet onderwijs een voorlichtingsprogramma ontwikkeld (De Gezonde School en Genotmiddelen), dat onlangs helmaal is aangepast aan de laatste wetenschappelijke inzichten. Het programma wordt op zo’n 75% van de middelbare scholen gebruikt. Ook voor het MBO-onderwijs en het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) zijn voorlichtingsmodules ontwikkeld. Tot slot start komend studiejaar een voorlichtingsaanbod voor HBO-scholen en universiteiten.
Onlangs heb ik in een brief aan alle gemeenten toegelicht welke instrumenten er allemaal beschikbaar zijn voor drugspreventie op lokaal niveau: van voorlichtingsprogramma’s op scholen tot filmpjes ter ondersteuning van ouders in het gesprek over drugs, een model voor een ouderavond op school e.d. Gemeenten kunnen daarin hun eigen keuze maken, naar gelang hun lokale behoefte.
Legale wietteelt als positieve mensenrechtenverplichting |
|
Nine Kooiman (SP), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat internationaal recht ruimte biedt voor legale wietteelt?1 Wat is daarop uw reactie?
Ik ben bekend met het onderzoek van onderzoekers Van Kempen en Fedorova. Aan dit onderzoek liggen door gemeenten aangedragen argumenten voor het gereguleerd toestaan van cannabisteelt en -handel ten grondslag. De onderzoekers concluderen dat er «in weerwil van de VN-drugsverdragen volgens het internationaal recht ruimte voor staten kan zijn om cannabisteelt en -handel ten behoeve van de recreatieve gebruikersmarkt gereguleerd te realiseren».
Los van de vraag of ik het eens ben met deze conclusie2 wil ik ingaan op de door de onderzoekers genoemde vijf voorwaarden waaraan naar hun oordeel moet worden voldaan, wil deze «op positieve mensenrechten gebaseerde ruimte» daadwerkelijk bestaan.
Allereerst moet volgens de onderzoekers een mensenrechtelijk relevant belang worden gediend. In het onderzoek worden de door de gemeenten aangedragen argumenten pro-regulering aangehaald, die de genoemde positieve mensenrechten zouden bevorderen. De onderzoekers stellen vervolgens dat niet alle door gemeenten aangedragen argumenten direct relevant zijn vanuit positieve mensenrechtenverplichtingen. Dit geldt onder meer voor de argumenten dat door regulering de georganiseerde criminaliteit zal verminderen en het corrumperen van de bovenwereld (ondermijning) zal worden tegengegaan.
Een tweede voorwaarde is het aannemelijk maken van effectievere mensenrechtenbescherming. Zo zal, aldus de onderzoekers, daadwerkelijk aannemelijk moeten worden gemaakt dat regulering een effectievere bescherming biedt van het recht op gezondheid dan niet-regulering. Dit dient volgens hen te gebeuren door middel van oprechte analyses, redeneringen en afwegingen die overtuigend zijn en die dus zo veel mogelijk worden onderbouwd met relevante beschikbare wetenschappelijke en andere gegevens. Over dergelijke analyses beschik ik niet. Onderzoekers volgen met betrekking tot het recht op leven, fysieke en psychische integriteit en privéleven een soortgelijke redenering. Ook voor deze rechten beschik ik niet over de door hen bedoelde analyses.
Bovendien geldt voor de door de gemeente aangedragen argumenten die ten grondslag liggen aan dit onderzoek, dat ze in onderhavig onderzoek evenmin aan een dergelijke analyse zijn onderworpen3.
De derde voorwaarde van de onderzoekers is draagvlak en nationaal democratische besluitvorming. Hierbij geven zij aan dat het in beginsel voor lagere overheden niet mogelijk is om de nationale overheid tot regulering te dwingen indien die nationale overheid dit weigert.
De Tweede Kamer heeft zich de afgelopen jaren bij herhaling in meerderheid tegen diversie ideeën over regulering van de wietteelt uitgesproken. Recentelijk bleek opnieuw uit de aangenomen motie Oskam (Kamerstuk 29 911, nr. 104) dat een meerderheid van de Tweede Kamer tegen dergelijke experimenten is.
Als vierde voorwaarde noemen de onderzoekers het voorkomen van nadeel voor het buitenland.Met andere woorden dat bij het gereguleerd toelaten van cannabisteelt en -handel voor de recreatieve gebruikersmarkt de bescherming van die andere landen niet minder mag zijn dan bij hantering van een prohibitief beleid dat volkomen in overeenstemming met de drugsverdragen is. De onderzoekers pleiten in dit verband voor een gesloten systeem van gereguleerde teelt, handel en misschien ook gebruik én een adequate bestrijding van de illegale teelt, handel en uitvoer van cannabis. Een dergelijk gesloten systeem zal geen makkelijk opgave zijn en een forse handhavingsinspanning vergen. Daar waar het nu complex is om de import en export van wiet te handhaven zal dat in een gereguleerd gesloten systeem niet minder ingewikkeld zijn.
Als vijfde en laatste voorwaarde noemen de onderzoekers een adequaat beleid ter ontmoediging, beperking en risicobewustwording van recreatief cannabisgebruik. Zij wijzen daarbij op een fors aantal verplichtingen die op een staat rust die regulering toestaat. Zoals bekend ligt aan de VN-drugsverdragen de gedachte ten grondslag dat de daarin opgenomen verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid. Nederland voert in het verlengde daarvan een ontmoedigingsbeleid, met speciale aandacht voor jongeren. Van regulering van wietteelt zal een tegengesteld signaal uitgaan waardoor ontmoediging kan worden bemoeilijkt.
Het voorstaande overziend kan ik stellen dat de mogelijkheid om invulling te geven aan de door de onderzoekers gestelde voorwaarden onzeker is of dat deze ronduit niet vervuld worden. Dat wil zeggen dat van een «op positieve mensenrechten gebaseerde ruimte» dus geen sprake kan zijn noch van het eventueel prevaleren boven de drugsverdragen.
Bent u het eens met de conclusie van het onderzoek «Internationaal recht en cannabis II», dat regulering voor recreatief gebruik onder omstandigheden als een positieve verplichting tot bescherming van de mensenrechten geldt? Zo nee, kunt u van elk van de afzonderlijke mensenrechten (recht op gezondheid, recht op privéleven en het verbod op onmenselijke behandeling) apart aangeven waarom deze volgens u geen positieve verplichting oplevert tot regulering van legale wietteelt?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de stelling in de brede heroverweging uit 20102 dat 160 miljoen euro bespaard zou kunnen worden als politie en justitie zich niet meer met softdrugs criminaliteit zou hoeven bezig te houden? Hoeveel zou er anno 2016 op politie en justitie bespaard kunnen worden als zij zich niet meer met softdrugs criminaliteit hoeven bezig te houden?
In de beantwoording van Kamervragen is eerder over de brede heroverweging in 2010 aangeven dat het een onjuiste veronderstelling is dat het reguleren van softdrugs zal leiden tot lagere handhavingslasten.5 Ook bij regulering zal er stevig gehandhaafd moeten worden op de illegale teelt. Daar komt dan nog bij, dat op het gereguleerde deel van de teelt veel toezicht en handhaving nodig zal zijn. Een scenario waarin politie en justitie zich niet of nauwelijks meer met softdrugscriminaliteit hoeven bezig te houden acht ik ook in de voorzienbare toekomst niet realistisch, onder meer omdat een groot deel van de teelt voor de export is bedoeld.6
Wat is uw reactie op de stelling uit diezelfde brede heroverweging dat 260 miljoen euro extra inkomsten gegenereerd zou kunnen worden door belastingheffing over legale wietteelt?
De mogelijkheden voor belastingheffing op gereguleerde wietteelt zijn voor een groot deel afhankelijk van de precieze inrichting van een systeem voor dergelijke teelt en de juridische inbedding daarvan. Zoals eerder vermeld in antwoord op Kamervragen is een btw-heffing over de levering en invoer van producten die in de EU onder een volstrekt invoer- en verhandelingsverbod vallen, niet mogelijk7. Dit volgt uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Cannabis valt onder deze categorie producten. Ook een accijns zou Nederland niet zelfstandig kunnen invoeren. Gezien deze beperkingen, het feit dat het financiële aspect geen leidend principe is in ons drugsbeleid en het standpunt van het huidige kabinet geen regulering voorstaat, acht ik het niet opportuun te speculeren over mogelijke opbrengsten van belastingheffing.
Hoeveel zou er anno 2016 aan extra inkomsten via belastingheffing over legale wietteelt gegenereerd kunnen worden? Hoeveel geld loopt de Staat in totaal mis door het niet reguleren van de softdrugsteelt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op het beleidsalternatief «softdrugsteelt reguleren» uit het rapport van de taskforce beleidsalternatieven?3 Kunt u daarbij specifiek ingaan op de verschillende onderdelen uit de onderbouwing: inconsistentie van het huidige beleid, leidt tot illegale praktijken, grote criminele markt en overlast voor lokale overheden, de capaciteit van politie en OM schiet tekort, het strafrechtelijk aanpakken treft niet de kopstukken, politie en OM kunnen zich bij regulering richten op de illegale hennepteelt en gezondheidsrisico’s worden beperkt?
Mijn ministerie heeft de taskforce beleidsalternatieven de opdracht gegeven om te komen tot beleidsalternatieven die bijdragen aan verbetering van de effectiviteit en efficiency van Veiligheid en Justitie in het licht van de ontwikkelingen en de opgaven waar het ministerie voor staat. Het rapport waar u over spreekt is hiervan het resultaat. De beleidsvoorstellen en aanbevelingen, waaronder «softdrugs reguleren», zijn voorstellen van de taskforce en geen kabinetsstandpunt.
Ik ondersteun van harte dat er door een taskforce goed wordt nagedacht over de toekomst en welke mogelijke beleidswijzigingen daarbij horen. Het vigerende kabinetsstandpunt betreffende regulering van de cannabisteelt is bij u bekend.
Klopt het dat in 2010 de Adviescommissie Drugsbeleid (2009) mogelijkheden voor regulering zag indien het internationaal recht daartoe geen belemmering vormde en er strakke maatregelen ter beperking van de toegang tot coffeeshops genomen worden en dat ook het beleidsalternatief «softdrugsteelt reguleren» uit het rapport van de taskforce beleidsalternatieven stelt dat regulering uitvoerbaar is als het internationaal recht geen belemmering vormt en het beleid wordt aangepast? Wat is daarop uw reactie? Is het bovenstaande, mede gelet op de uitkomsten van het onderzoek «Internationaal recht en cannabis II», reden voor u een koerswijziging in uw beleid door te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar gaat dat concreet uit blijken?
Nog afgezien van de vraag of ik het met de conclusie van het onderzoek «Internationaal recht en cannabis II» eens ben, wordt -zoals blijkt uit mijn antwoord op vraag 1- aan de in het onderzoek gestelde voorwaarden niet voldaan. Specifiek memoreer ik daarbij nogmaals het feit dat een meerderheid van de Tweede Kamer zich tegen regulering heeft uitgesproken. Dit is laatstelijk bevestigd bij stemming over de motie Oskam die de regering oproept geen enkele ruimte te bieden voor gereguleerde wietteelt (Kamerstuk 29 911, nr. 104). Daarnaast blijft het kabinet van mening dat regulering de problemen met criminaliteit en overlast rond illegale hennepteelt niet zal oplossen, zoals al eerder aangeven. Derhalve zie ik geen reden voor een koerswijziging.
Kunt u deze schriftelijke vragen vóór het Algemeen overleg coffeeshopbeleid voorzien op 15 juni 2016 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat NS stopt met het doorgeven van actuele treinposities |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS stopt doorgifte actuele treinposities»?1
Ja. Aan het artikel van OV-Magazine is op de website later een reactie van NS toegevoegd.
Waarom is NS gestopt met het doorgeven van actuele treinposities?
Het beeld dat NS is gestopt met het doorgeven van actuele treinposities is niet correct. NS heeft deze functionaliteit ontwikkeld in een testomgeving. Men is inmiddels zover dat het systeem over kan naar een productieomgeving. Daardoor is het systeem enkele maanden niet beschikbaar. NS zoekt een alternatieve manier om in die periode toch de betreffende gegevens te kunnen leveren.
Deelt u de mening dat het afschermen van deze data voor andere partijen dan NS de samenwerking met andere partijen die bijvoorbeeld reizigers-apps ontwikkelen niet ten goede komt?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is dit niet het geval. Wel ben ik van mening dat de overgangstermijn van test- naar productieomgeving niet te lang moet duren en verwacht ik dat NS de gegevens op een alternatieve manier beschikbaar gaat stellen.
Hoe verhoudt het niet meer doorgeven van actuele treinposities zich tot uw wens zoveel mogelijk transparantie te betrachten in de beschikbaarheid van data om de reis van deur tot deur zo veel mogelijk te faciliteren?
In 2013 zijn afspraken gemaakt binnen het Nationaal Data Openbaar Vervoer over welke (actuele) reisinformatiegegevens door alle vervoerders moeten worden aangeleverd. Alhoewel actuele treinposities geen onderdeel van deze gegevens uitmaken en NS niet verplicht is om actuele treinposities te leveren, is het mijn wens dat NS dit wel gaat doen, en zij gaan dit ook doen.
Deelt u de mening dat NS de reiziger niet voorop («op 1, 2 en 3») stelt door deze informatie niet meer te delen?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is dit niet het geval.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de informatie over de actuele positie van treinen per ommegaande gewoon weer openbaar wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in antwoord 2 is dit niet nodig.
Het artikel ‘Nationale prijsbodem CO2 bij EU ETS is geen oplossing’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nationale prijsbodem CO2 bij EU ETS is geen oplossing»?1
Ja
Wat vindt u van de stelling dat een nationale bodemprijs het systeem duurder maakt, maar dat die niet leidt tot een snellere CO2-reductie? Deelt u de mening dat het probleem niet de prijs, maar het rechtenvolume is?
Een nationale bodemprijs die hoger is dan de actuele prijs in het EU ETS, kan tot snellere CO2-reductie en hogere kosten in het betreffende land leiden. Binnen het EU ETS zal een dergelijke maatregel, vanwege het waterbedeffect, echter niet resulteren in meer CO2-reductie. De belangrijkste reden voor de huidige lage CO2-prijs is het overschot aan emissierechten in het EU ETS. Een mogelijkheid om tot betere prijsvorming te komen, is het uit de markt halen van het bestaande overschot.
Wat vindt u van het voornemen van de Franse regering om een prijsvloer voor rechten te bepalen? Betekent dit dat het Électricité De France (EDF), de Franse exploitant van kerncentrales die voor het grootste gedeelte in de handen van de Franse overheid is, over een voordeel beschikt?
Het staat de Franse autoriteiten vanzelfsprekend vrij om additionele maatregelen te treffen om nationaal de CO2-emissies te reduceren. Mijn voorkeur heeft het echter om in Europees verband te zoeken naar mogelijkheden het ETS verder te versterken en ons daarbij primair te richten op het beperken van het volume aan emissierechten op de markt. Het klopt dat energiebedrijven die minder of geen CO2 uitstoten, zoals kerncentrales, minder kosten maken bij een hogere CO2-prijs dan bedrijven die wel veel CO2 uitstoten bij hun productie. Daarbij is het overigens goed om op te merken dat het overgrote deel van de energieproductie in Frankrijk afkomstig is van kerncentrales.
In het artikel zegt een analist het volgende: «Het is een fantastische manier voor de Franse staat om de eigen bedrijven te steunen»; deelt u de mening van deze analist? Zo nee, waarom niet?
Een nationale bodemprijs is primair gericht op het (verder) reduceren van nationale CO2-emissies. Daarnaast worden de opbrengsten meegenomen in de begroting. Ik wil niet speculeren over eventuele aanvullende redenen om een bodemprijs in te voeren.
In hoeverre ondermijnt de Franse positie een gemeenschappelijk beleid en benadering voor versterking van de Europese emissiehandel (EU-ETS)? Is het raadzaam dat ieder Europees land zelf ingrepen doet in het Europese systeem? Wat betekent dit voor een gelijk speelveld?
De Franse positie maakt duidelijk dat er in meer landen een sterke behoefte bestaat om CO2-emissies beter te beprijzen. Zoals ik hierboven heb aangegeven heeft het mijn voorkeur om in Europees verband te zoeken naar mogelijkheden om het EU ETS verder te versterken en ons daarbij primair te richten op aanpassing van het bestaande overschot aan emissierechten. Een geharmoniseerd Europees systeem is zeker op termijn het meest effectief en efficiënt en zorgt tegelijkertijd voor een gelijk speelveld in Europa.
In hoeverre is er in dit geval sprake van staatssteun bij het Franse EDF? Indien hier sprake van is, hoe gaat u dit in Brussel aankaarten?
Het is aan de Commissie om te bepalen of hier sprake is van ongeoorloofde staatssteun.
Zingeving in de zorg |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het ZonMw-signalement «Zingeving in zorg: de mens centraal», waarmee ZonMw het debat over zingevingsvraagstukken een extra impuls wil geven, en kennisontwikkeling wil stimuleren?1
Ja.
Deelt u de mening dat zingeving een wezenlijk aspect van het menselijk functioneren is, en een integraal onderdeel van goede, op de persoon afgestemde gezondheidszorg behoort te zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met opstellers van het signalement eens dat, aangezien niet iedereen alle aspecten van zingeving (even) belangrijk vindt, het noodzakelijk is om individuele behoeften bespreekbaar te maken, waarmee een zorgaanbod ontstaat dat op maat is gesneden.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit het NPCF-rapport (Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie) dat een ruime meerderheid (83%) van de patiënten het belangrijk vindt dat zorgverleners naast medisch handelen aandacht hebben voor zingeving, waarbij bijvoorbeeld aandacht wordt besteed aan het leren omgaan met de ziekte, aan het verwerken van het hebben van een ziekte, en aandacht gegeven wordt aan gevoelens van onzekerheid en angst?2
In het onderzoek van de NPCF wordt met zingeving in de zorg bedoeld «een zorgverlener die aandacht heeft voor zingeving kijkt niet alleen naar het medische deel. Deze zorgverlener heeft ook aandacht voor de mens. Bijvoorbeeld voor de gevolgen van een ziekte/aandoening op het leven, hoe mensen omgaan met een ziekte/aandoening en of hoe het leven zinvol ingericht kan worden ondanks een ziekte/aandoening.»
83 procent van alle deelnemers aan het onderzoek van de NPCF geeft aan het belangrijk te vinden dat een zorgverlener naast medisch handelen hiervoor ook aandacht heeft. Bijna de helft van de deelnemers aan het onderzoek van de NPCF, die in 2014 of 2015 bij een zorgverlener is geweest, heeft ervaring met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving. Dit betekent dat de andere helft van de deelnemers aan het onderzoek van de NPCF, die in 2014 of 2015 bij een zorgverlener is geweest, geen ervaring heeft gehad met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving3. Dit is jammer. Goede zorg betekent voor mij dat dokter en patiënt, op basis van alle relevante kenmerken van de patiënt, het samen zo veel mogelijk eens zijn over welke behandeling of welk onderzoek het meest passend is. Dit is voor elke patiënt anders.
Verder vind ik het belangrijk dat elke patiënt kan meebeslissen over zijn behandeling, op voet van gelijkwaardigheid. Dit betekent dus ook dat er naast de aandacht voor de medische aspecten, aandacht zou moeten zijn voor de begeleiding bij de verwerking en het omgaan met ziekte en behandeling, aangezien dit een onlosmakelijk onderdeel is van de behandeling. Dit zou dan ook in elke spreekkamer, behandelkamer of woonkamer door de huisarts, medisch specialist, (wijk)verpleegkundige of zorgprofessional, moeten worden meegenomen in de behandeling. Hier zie ik nog ruimte voor verbetering in de praktijk.
Deelt u de mening dat er op dit gebied nog ruimte voor verbetering is, aangezien minder dan de helft van de patiënten aangeeft daadwerkelijk ervaring te hebben met zorgverleners die aandacht hadden voor zingeving? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ZonMw-signalement aanleiding geeft om in nauwe samenwerking met stakeholders uit onderzoek, onderwijs, praktijk en beleid, diverse waardevolle en wetenschappelijk kansrijke kennisvragen op het gebied van (impact van) zingeving in de zorg te adresseren?
Met het signalement hoopt ZonMw het debat over zingeving in de zorg een extra impuls te geven. Ik verwacht dat dit signalement allereerst zorgt voor een extra impuls bij de zorgaanbieders zelf, die vandaag al kunnen beginnen met meer aandacht voor zingeving in de dagelijkse zorgverlening. De praktijkverhalen die ZonMw heeft verzameld laten zien dat dit mogelijk is en bieden dus concrete handvatten hoe dit te doen.
In het ZonMw Programma «Palliantie. Meer dan Zorg» dat in 2014 van start is gegaan, wordt veel aandacht besteed aan kennisontwikkeling over zingeving in de zorg. Het programma gebruikt een programmatische aanpak met een breed en open karakter. Breed omdat er wordt geïnvesteerd in projecten waarin zorgpraktijk, onderwijs en onderzoek hand in hand gaan, waarbij er aandacht is voor het ontwikkelen van producten voor praktijk en onderwijs. Open, omdat in het programma mensen in de laatste levensfase, hun naasten, vrijwilligers en zorgverleners een belangrijke rol krijgen in het bepalen van prioriteiten in het programma en in het beoordelen van de maatschappelijke relevantie van aanvragen. In de subsidieronde voor 2016 zijn indieners specifiek uitgenodigd om projectideeën in te dienen die aanvullend zijn op de gehonoreerde projecten in 2015 en onderbelichte onderwerpen of doelgroepen. Zodoende is er extra aandacht gevraagd voor onder andere het spirituele en sociale domein.
Vorig jaar heb ik de wetenschapsagenda van de Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)4 in ontvangst genomen. Eén van de vragen die zij gaan onderzoeken is of «advanced life care planning» in de vorm van gezamenlijke besluitvorming in de diagnostische fase, leidt tot een betere kwaliteit van leven (gevoel van grip op eigen leven en/of stresservaringen) voor de patiënt, omdat hij/zij meer regisseur wordt van zijn/haar eigen leven in een fase dat dit nog redelijk mogelijk is. Ook dit vind ik onderdeel van zingeving, waarbij de zorgverlener aandacht heeft voor de mens achter de medische diagnose.
Op dit moment wordt er al op verschillende plaatsen extra aandacht besteed aan zingeving in de zorg en ik zal het belang hiervan waar dat nodig is blijven uitdragen.
Als uw antwoord op vraag 5 bevestigend is, bent u dan bereid in te zetten op kennisontwikkeling over zingeving in de zorg, waarbij wordt ingezet op: nader inzicht verkrijgen in het belang en de impact van zingeving voor gezondheid en zorg; nader inzicht krijgen in de hedendaagse denkbeelden en betekenissen van zingeving; explicitering, wetenschappelijke onderbouwing en toerusting van het professioneel handelen (met name van artsen en verpleegkundigen)?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te bevorderen dat er een kennisagenda «Zingeving in zorg» komt, bijvoorbeeld gepositioneerd als onderdeel van, dan wel aansluitend bij een groter ZonMw-programma zoals Palliantie, Langdurige zorg, BeterOud of Kwaliteit van leven en gezondheid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Aanhoudende problemen met de Botlekbrug en de Spijkenisserbrug |
|
Barbara Visser (VVD), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Hartelbrug moet extra open door kapotte Botlekbrug», «Nieuwe Botlekbrug tikt storing 62 aan», «Wéér problemen met slagbomen van Nieuwe Botlekbrug» en «Ook slagbomen Spijkenisserbrug weigerden dienst»?1 Herinnert u zich eerdere vragen over problemen met de nieuwe Botlekbrug?2
Ja.
Deelt u de mening van de wethouder Verkeer en vervoer van de gemeente Nissewaard, mevrouw Mourik, dat het «duidelijks is dat ze het lek bij de Botlekbrug niet boven hebben»?
In ben net als mevrouw Mourik onaangenaam verrast door de recente nieuwe storingen aan de Botlekbrug. Ik betreur de hinder voor weg- en vaarwegverkeer die daarmee gepaard gaat zeer.
In 2015 is de brug eenenvijftig maal in storing geweest. Sinds 1 januari 2016 hebben zich zestien storingen voorgedaan die hebben geleid tot een stremming van weg- en/of vaarwegverkeer. In de periode van 22 mei tot en met 1 juni deden zich 5 storingen in een korte tijd voor.
Na de review die eind 2015 op verzoek van Rijkswaterstaat door een onafhankelijke commissie is uitgevoerd, zijn diverse verbetermaatregelen opgepakt waarbij de focus ligt op het oplossen van de problemen aan een aantal kwetsbare onderdelen, zoals de grendels. Het onderzoek naar mogelijke ontwerpaanpassingen loopt en zal dit najaar worden afgerond waarna besluitvorming plaats kan vinden.
Het is teleurstellend dat de genomen maatregelen nog niet het gewenste effect hebben en dat zich inmiddels ook een storing heeft voorgedaan die heeft geleid tot constructieve schade aan één van de omloopwielen. Dit onderdeel werd ook door de reviewcommissie niet als risicovol beoordeeld.
Welke acties richting het consortium A-Lanes (anders dan het aanspreken van A-Lanes op het niet functioneren van de brug, antwoord 3 van de eerdergenoemde vragen) heeft Rijkswaterstaat inmiddels ondernomen? Waarom kan Rijkswaterstaat A-Lanes niet aanspreken op het vergoeden van kosten ten gevolge van het omrijden?
A-Lanes is contractueel verantwoordelijk voor het goed functioneren van de Botlekbrug. A-Lanes is hier inderdaad meerdere malen op aangesproken.
Naast toezicht op het naleven van de contractuele bepalingen houdt Rijkswaterstaat nauwlettend de voortgang van de acties uit de review in de gaten en stuurt waar nodig bij. Omdat de storingen zich, ondanks de inspanningen van A-Lanes, bleven voordoen heeft Rijkswaterstaat extra (technische) ondersteuning geboden aan A-lanes B.V.
Er zijn twee contractuele sancties mogelijk ten gevolge van de storingen aan de Botlekbrug die leiden tot een korting op de beschikbaarheidsvergoeding. Het betreft boetepunten voor niet functioneren van de brug en een beschikbaarheidskorting voor rijstrookafzettingen buiten de toegestane werkbare uren. Aan het eind van elk kwartaal worden deze verrekend met A-Lanes.
Omrijschade kan op basis van het contract echter niet op de opdrachtnemer worden verhaald.
Dit geldt ook voor de maatregelen die Rijkswaterstaat vanuit zijn verantwoordelijkheid als netwerkmanager gemeend heeft te moeten treffen om de hinder voor de (vaar)weggebruikers als gevolg van de stremmingen zoveel mogelijk te beperken. Het treffen van extra maatregelen bij storingen is geen usance. Vooral in het eerste half jaar na ingebruikname van de brug was het aantal storingen echter hoog.
Concreet heeft Rijkswaterstaat de volgende maatregelen getroffen:
Daarnaast is de helft van de kosten van de inzet van het reviewteam voor rekening van Rijkswaterstaat gekomen (€ 24.500). In totaal heeft Rijkswaterstaat circa € 2,7 mln. exclusief BTW aan kosten gemaakt.
Hoe verhoudt de volgende conclusie van het reviewteam, te weten: «Het verder terugdringen van de storingsgevoeligheid vraagt, naar verwachting van de commissie, in toenemende mate om steeds ingrijpendere maatregelen, omdat deze storingsbronnen veelal samenhangen met, en diep ingrijpen in geïmplementeerde ontwerpoplossingen of de vastgestelde veiligheidsfilosofie voor de Nieuwe Botlekbrug» zich tot uw antwoorden op de vraag of er geen sprake is van ontwerpfouten aan de Botlekbrug?
De Botlekbrug is ontworpen en gerealiseerd zoals contractueel uitgevraagd.
Tijdens het gebruik blijken sommige onderdelen zich anders te gedragen dan verwacht. In zo’n geval worden contractuele uitvraag en ontwerp opnieuw beschouwd wat kan leiden tot aanpassingen van de eerder gekozen ontwerpoplossing. Het doen van aanpassingen aan de grendels is hier een voorbeeld van. Er zijn mij geen ontwerpfouten bekend.
Zijn de integrale analyse van de storingen en het onderzoek naar mogelijke ontwerpaanpassingen inmiddels afgerond? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
In mijn brief van 4 maart 2016 heb ik aangegeven dat Rijkswaterstaat en A-Lanes B.V gezamenlijk de integrale analyse van de storingen maken en het onderzoek naar mogelijke ontwerpaanpassingen verrichten. Deze onderzoeken zullen binnen een half jaar zijn afgerond, waarna de integrale afweging en besluitvorming hierover kan plaatsvinden.
De storingen die zijn opgetreden na afronding van het review rapport hebben er toe geleid dat er extra onderzoek nodig is. Het gaat om de eerder genoemde mechanische schade aan die is opgetreden aan de omloopwielen. De resultaten van de extra en de lopende onderzoeken zullen dit najaar meegenomen worden bij de besluitvorming over mogelijke ontwerpaanpassingen. Het is nodig om deze afweging integraal te maken zodat duidelijk wordt hoe de diverse aanpassingen in elkaar grijpen. Daar waar mogelijk worden verbetermaatregelen vooruitlopend op de besluitvorming reeds doorgevoerd. Nadat deze besluitvorming heeft plaatsgevonden, zal ik de Tweede Kamer hierover informeren.
Welke stappen zijn inmiddels gezet inzake het verbetervoorstel om kwetsbare ontwerpoplossingen te vervangen?
De kwetsbare ontwerpoplossingen zijn de grendels, het beveiligingssysteem en de datacommunicatie.
Er is een voorstel voor het verbeteren van het functioneren van de grendels. Op basis van dit voorstel worden op dit moment twee verbetermaatregelen verder uitgewerkt. Beide zullen voor het eind van het jaar gereed zijn.
Voor het beveiligingssysteem worden de mogelijke verbeteringen momenteel onderzocht. Het beveiligingssysteem in de brug («trapped key» genaamd) is bedoeld om veilig werken in de brug tijdens operationeel gebruik mogelijk te maken. Door aanpassingen in de kelder van de brug kan er op meer plaatsen gewerkt worden, zonder dat dit systeem behoeft te worden gebruikt. Dit beperkt nog verder de kans op storingen door onjuist gebruik.
De datacommunicatie betreft de bediening van de brug vanuit de verkeerscentrale. Hiervoor is het voorstel om een eigen verbinding te maken die alleen bedoeld is voor de Botlekbrug. Deze oplossing is technisch uitgewerkt. Overigens hebben zich sinds november geen datacommunicatiestoringen meer voorgedaan.
De implementatie van de ontwerpaanpassingen aan het beveiligingssysteem en de datacommunicatie vindt plaats na de integrale afweging en besluitvorming.
In hoeverre is de Spijkenisserbrug, gezien de talrijke storingen aan deze brug, een betrouwbaar alternatief indien er storingen zijn aan de nog kwetsbaardere Botlekbrug? Welke maatregelen treft u om de betrouwbaarheid van de Spijkenisserbrug te verbeteren?
De Spijkenisserbrug is één van de alternatieven voor het wegverkeer over de Botlekbrug in storing. Het belangrijkste alternatief voor de Botlekbrug in storing is de Botlektunnel. De Spijkenisserbrug is voor het scheepvaartverkeer, dat uitsluitend door een geopende Botlekbrug kan varen, geen alternatief. Een deel van dit scheepvaartverkeer gebruikt de Rozenburgsesluis (verbinding tussen het Calandkanaal en het Hartelkanaal) als alternatief.
De Spijkenisserbrug is op leeftijd en de installaties zijn aan renovatie toe. Storingen zijn dan ook niet uit te sluiten. In het voorjaar van 2015 nam het aantal storingen aan de Spijkenisserbrug plots sterk toe. Na intensivering van het onderhoud en versterkte monitoring is het aantal storingen flink teruggebracht. Helaas hebben zich ook aan de Spijkernisserbrug in de afgelopen weken enkele storingen voorgedaan.
In de zomer van 2016 vervangt Rijkswaterstaat de storingsgevoelige kruis/pijl-installatie van de verkeerswisselstrook op de brug. Ik overweeg om de brug in het programma voor Vervangingen en Renovaties op te nemen. Hierbij moet rekening gehouden worden met een voorbereidingstijd van enkele jaren.
De voortgang van het openbaren van nieuwe categorieën overheidsinformatie |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging in uw brief van 15 december 2015 om begin 2016 het onderzoek over het openbaar stellen van nieuwe categorieën overheidsinformatie, begeleid van een kabinetsappreciatie, naar de Kamer te sturen?1
Ja.
Kunt u nader specificeren wanneer de Kamer dit onderzoek, inclusief een kabinetsappreciatie, kan verwachten, gelet op het feit dat het begrip «begin 2016» weliswaar geen vastomlijnde definitie kent, maar het in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijk is om de maand juni onder dit begrip te scharen?
Het rapport «Steen voor steen de rivier over» van Andersson Elffers Felix (AEF) en de kabinetsreactie op dat rapport, verzend ik voor het zomerreces aan de Tweede Kamer. In dit rapport geeft AEF de bevindingen weer van het onderzoek naar het openbaar maken van nieuwe categorieën overheidsinformatie.
Kunt u specificeren wat u in uw brief van 15 december 2015 bedoelt met de opmerking dat «de pilots actieve openbaarheid in het kader van de moties Voortman en Oosenbrug, en de pilot open spending op lokaal niveau, opgeschaald worden»? Op welke manier komt deze lokale «opschaling» tot uitdrukking?
De ministeries van Buitenlandse Zaken, Financiën en Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben zich op 1 oktober 2015 aangesloten bij de pilot die gericht is op het openbaar maken van onderzoeksrapporten. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap startten hier al eerder mee. In het najaar informeer ik de Kamer nader over de uitkomsten uit deze pilots. Bij een positieve uitkomst worden kaders ontwikkeld voor zowel het actief openbaar maken van rapporten als een rijksbrede implementatie van de ontwikkelde aanpak.
Hoewel het geen expliciete doelstelling is van deze pilots, die ook als actiepunt 4 opgenomen zijn in het actieplan 2016–2017 «Open overheid in actie», staat het andere bestuursorganen vrij om van deze kaders gebruik te maken. Het netwerk dat door het actieplan is ontstaan biedt overigens goede mogelijkheden voor kennisdeling, zodat ook andere bestuursorganen hiermee aan de slag kunnen gaan.
In de pilot «open spending», oftewel «Open over geld: open spending detaildata» (actiepunt 5 van het actieplan) werken onder andere gemeenten, provincies en de Open State Foundation niet alleen aan de kwaliteit van de data maar ook aan de verbreding van de pilot. Het is de bedoeling dat steeds meer decentrale overheden zich hierbij aansluiten. Ik merk daarbij op dat in de afgelopen periode enkele nieuwe gemeenten en provincies geïnteresseerd zijn geraakt in open spending detaildata. Hun data zal later dit jaar gepubliceerd worden op de website www.openspending.nl.
Koeherkenning |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «LTO wil mogelijkheid tot koudmerken van koeien behouden», waarin de sector pleit voor het behoud van het koudmerken?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ongeveer 10% van de melkveebedrijven koudmerken toepast om de dieren te herkennen in de melkstal maar ook in het weiland?
Ja.
Bent u ermee bekend dat voor bepaalde melkstalsystemen en het herkennen van koeien op grotere afstand (beweiden) geen volwaardig alternatief voorhanden is en dat het niet langer toestaan van het koudmerken de bedrijfsvoering (met name op gebied van diergezondheid en dierwelzijn) in gevaar kan brengen? Bent u het eens met het feit dat een halsband of oormerk in bijvoorbeeld een zij aan zij melkstal of op afstand in de wei niet leesbaar is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u voor het antwoord naar de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit wijziging Besluit houders van dieren en Besluit diergeneeskundigen, welke op 1 juni jl. aan uw Kamer is aangeboden.
Vindt u het acceptabel dat diergezondheid en dierwelzijn in het geding kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is het alternatief dat de boeren kunnen inzetten om de koeien te herkennen (met name bij die melkstalsystemen waarin een halsband geen uitkomst biedt)?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al meerdere keren aandacht heeft gevraagd bij uw ministerie voor de gevolgen van het verbod op koudmerken? Wat zijn de argumenten van de NVWA om koudmerken toe te staan? Kunt u aangeven waarom deze argumenten niet gedeeld zijn met de Kamer en de ontheffing op het koudmerken wordt opgeheven?
Het is mij noch de NVWA bekend dat de NVWA hiervoor aandacht heeft gevraagd. Het voornemen om koudmerken te verbieden met bijbehorende argumenten zijn gedeeld met uw Kamer in de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 20 286 nr. 651) en besproken in het notaoverleg over deze brief op 2 december 2013.
Bent u bereid om het verbod op koudmerken in ieder geval tot na de beantwoording van deze vragen op te schorten?
Het verbod op koudmerken is onderdeel van het ontwerpbesluit wijziging Besluit houders van dieren en Besluit diergeneeskundigen. Dit is op 1 juni jl. aan uw Kamer aangeboden. Tijdens de procedurevergadering van 7 juni jl. heeft uw Kamer besloten tot een schriftelijk overleg over dit ontwerpbesluit.
Het koudmerken als derde ingreep blijft toegestaan tot inwerkingtreding van het verbod op koudmerken als zodanig. Dit verbod is opgenomen in het voorgenoemde wijzigingsbesluit. De Nederlandse Melkveehoudersvakbond en LTO zijn hiervan op de hoogte gesteld.
Het bericht ’EU liet 113 miljard begrotingsboetes voorbij gaan' |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «EU liet 113 miljard begrotingsboetes voorbij gaan» en «Het Europees Stabiliteitspact is gestorven zonder erfgenaam»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Europese Commissie nog nooit een boete heeft opgelegd aan lidstaten die de regels van het Stabiliteits- en Groeipact overtraden, zelfs niet aan hardnekkige begrotingszondaars zoals Frankrijk dat in 12 jaar van de 16 jaar dat de euro bestaat de regels overtrad?
Een overschrijding van de 3%-norm kan op zichzelf geen aanleiding zijn om een boete op te leggen, zoals wordt gesuggereerd in het NRC-artikel dat dhr. Harbers aanhaalt. Lidstaten die op basis van een overschrijding van de 3%-norm in de correctieve arm worden geplaatst krijgen een aanbeveling om het buitensporig tekort terug te brengen. Tot 2011 was het opleggen van een boete pas mogelijk als uiteindelijke stap bij herhaaldelijke niet-naleving van een dergelijke aanbeveling, op grond van artikel 126(11) van het EU-Werkingsverdrag. Sinds de introductie van het six-pack in 2011 is het opleggen van een boete in een eerdere fase al mogelijk, namelijk na eerste vaststelling dat een lidstaat geen effectief gevolg heeft gegeven aan een aanbeveling.
Het feit dat er tot nu toe nog nooit een boete is opgelegd is deels een gevolg van het feit dat een groot aantal lidstaten als gevolg van de crisis weliswaar de 3%-grens heeft overschreden, maar erin is geslaagd om in naleving van de gestelde aanbeveling het feitelijk tekort succesvol onder de 3% te brengen. Hierdoor hebben zij de correctieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) verlaten. Daarnaast is de Commissie zelf tot nu toe terughoudend geweest om deze stap te zetten. Zie het antwoord op vraag 3 en 4 voor verdere toelichting daarover.
Wat vindt u van de conclusie uit beide artikelen dat de Europese Commissie veel te laks is in het naleven van haar, wellicht belangrijkste, taak, namelijk het toezicht op de begrotingen van de lidstaten?
De Commissie dient binnen de regels van het SGP te opereren. Toepassing van deze regels, zoals vastgelegd in artikel 126 VWEU en nader gespecificeerd in verordeningen, is echter geen automatisme. Vanaf het Verdrag van Maastricht in 1992 is er binnen de regels ruimte voor beoordeling geweest. Zo dient de Commissie bij de vaststelling of er sprake is van een buitensporig tekort (of een lidstaat in de correctieve arm moet worden geplaatst) rekening te houden met «relevante factoren», zoals vastgelegd in artikel 126(3) van het EU-Werkingsverdrag. Voorbeelden van relevante factoren zijn de begrotingspositie op de middellange termijn, de economische situatie, en de implementatie van structurele hervormingen. Ook de conclusie dat een lidstaat geen effectief gevolg aan een aanbeveling heeft gegeven en dus in aanmerking komt voor een sanctie volgt niet automatisch, maar kan alleen worden genomen op initiatief van de Commissie op basis van haar eigen analyse van de geleverde begrotingsinspanning.
Duidelijk is dat de flexibiliteit in de toepassing van de regels in recente jaren is toegenomen. Dit is mede een gevolg van een verzoek van de Europese Raad, die op 27 juni 2014 opriep tot «making best use of the flexibility that is built into the existing Stability and Growth Pact rules».2 Een voorbeeld hiervan is de substantiële rol die de Commissie in de beoordeling van lidstaten toekent aan omstandigheden die het behalen van begrotingsdoelstellingen bemoeilijken, zoals bijvoorbeeld lage groei en inflatie. Een ander voorbeeld is de recente toepassing van verschillende flexibiliteitsclausules, zoals de hervormingsclausule, de investeringsclausule en de clausule met betrekking tot migratiekosten.
Hoewel de Commissie een zekere mate van bewegingsruimte heeft bij de beoordeling van lidstaten, en er goede redenen kunnen zijn voor flexibiliteit, is het wel zaak dat de Commissie de regels consistent toepast en als objectieve scheidsrechter opereert. Het is essentieel voor de geloofwaardigheid van de regels dat de Commissie er niet voor terugdeinst stappen te zetten, indien de begrotingssituatie in lidstaten daar aanleiding toe geeft. De Commissie moet ervoor waken dat de uiteindelijke doelstelling van het SGP, houdbare overheidsfinanciën, niet in het geding komt.
Wat vindt u van de bewering dat het stabiliteitspact «niet meer functioneert» en dat van «gemeenschappelijke fiscale discipline in de eurozone geen sprake meer is?» Deelt u de mening dat als de Europese Commissie zo doorgaat het Stabiliteits- en Groeipact zijn betekenis verliest en daarmee een serieus risico is voor de euro?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat de recente oordelen van de Europese Commissie over de begrotingen van Spanje, Portugal en Italië deze beweringen bevestigen? Bent u steun bij andere lidstaten aan het verzamelen om het oordeel strenger te krijgen?
Er is een onderscheid tussen Spanje en Portugal enerzijds en Italië anderzijds. Ten aanzien van Italië heeft de Commissie op basis van artikel 126(3) van het EU-Werkingsverdrag onderzocht of Italië in de correctieve arm dient te worden geplaatst op basis van de overheidsschuld, die volgens de regels moet afnemen richting de 60% bbp.3 De Commissie heeft geconcludeerd dat Italië momenteel aan het schuldcriterium voldoet. Deze conclusie volgt na een analyse van de relevante factoren, waarbij de Commissie wijst op (1) ongunstige macro-economische omstandigheden, (2) de analyse dat Italië binnen de marges van de preventieve arm blijft, en (3) een ambitieuze agenda voor structurele hervormingen. Met betrekking tot naleving van de preventieve arm profiteert Italië van een substantiële toekenning van flexibiliteit door de Europese Commissie. De Commissie heeft hierbij wel aangegeven dit najaar de situatie opnieuw te beoordelen, en daarbij in het bijzonder te bezien of Italië maatregelen neemt om in 2017 te bewegen richting de middellangetermijndoelstelling (MTO). Daarom is het van belang dat Italië maatregelen neemt om in 2017 het structureel tekort terug te brengen en zo bij te dragen aan een afbouw van de schuld.
Portugal en Spanje bevinden zich nog in de correctieve arm van het SGP en de deadlines uit de lopende aanbevelingen om de buitensporige tekorten te corrigeren zijn respectievelijk 2015 en 2016. In haar voorstel voor de landenspecifieke aanbevelingen heeft de Commissie voorgesteld deze deadlines te verlengen met één jaar. Het voorstel van de Commissie is niet in lijn met de geldende procedures. Landenspecifieke aanbevelingen kunnen aanbevelingen in het kader van de buitensporigtekortprocedure (EDP) namelijk niet wijzigen. Hiervoor is een beslissing nodig in het kader van de buitensporigtekortprocedure, en daar heeft de Commissie nog geen voorstel toe gedaan. Tot die tijd blijven de bestaande deadlines dus geldig. De Commissie heeft bij de presentatie van de landenspecifieke aanbevelingen aangekondigd begin juli terug te komen op de situatie in Portugal en Spanje. De Commissie kan dan, na nadere analyse, vaststellen of deze lidstaten al dan niet effectief gevolg hebben gegeven aan de bestaande aanbevelingen. Indien wordt geconcludeerd dat dit niet het geval is, kan de Commissie voorstellen een sanctie op te leggen. Nederland zal de onderliggende analyse van een mogelijk Commissievoorstel afwachten alvorens een oordeel te vellen.
Erkent u dat er onwil bij de huidige Europese Commissie lijkt te bestaan om daadwerkelijk sancties op te leggen aan landen die zich structureel niet aan de begrotingsafspraken houden? Zo nee, hoe duidt u dan de uitspraak van Europees Commissaris Moscovici dat Spanje om de politieke reden van aanstaande verkiezingen geen sanctie is opgelegd? Deelt u de mening dat de huidige nadruk van de Europese Commissie op «flexibiliteit» ook in dit licht bezien moet worden?
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het duidelijk dat de flexibiliteit in de toepassing van de regels in recente jaren is toegenomen. Dit dient steeds te gebeuren op basis van objectieve regels en feiten, op consistente wijze. Alleen zo behoudt het Pact zijn rol als «anker van vertrouwen».
Kunt u reageren op de opmerking van Commissievoorzitter Juncker tegen Reuters dat Frankrijk uitstel heeft gekregen «because it’s France»?2 Hoe valt een dergelijke houding te rijmen met het consequent toepassen van het Stabiliteits- en Groeipact?
Ik kan mij niet vinden in een dergelijke uitspraak. Voor de geloofwaardigheid van het SGP is een consistente bewaking van de afspraken van het SGP door de Commissie cruciaal.
Welke oplossingen ziet u voor zich om het Stabiliteits- en Groeipact, een belangrijk fundament onder de stabiliteit van de euro, geloofwaardiger te maken?
Ten eerste is het van belang dat de Commissie de benodigde stappen zet indien lidstaten hun begroting niet op orde brengen. Afgezien van de verantwoordelijkheid van de Commissie gaat hier ook een gedeelde verantwoordelijkheid uit naar alle lidstaten om het belang van het SGP en het gezag van de Commissie als onafhankelijke scheidsrechter te waarborgen. Voor effectieve begrotingsregels is draagvlak onder de lidstaten vereist.
Daarnaast is de geloofwaardigheid van het SGP gebaat bij minder complexiteit, meer transparantie en grotere voorspelbaarheid. In de kabinetsreactie op de mededeling die de Commissie op 21 oktober 2015 uitbracht in het kader van het Five Presidents» report geeft het kabinet aan voorstander te zijn van de stappen die de Commissie zet om het SGP transparanter te maken. Een voorbeeld hiervan is het initiatief van de Commissie om het zogenaamde Vademecum van het SGP jaarlijks te actualiseren. In dit document wordt de methodologie die de Commissie hanteert bij de beoordeling van lidstaten toegelicht. Daarnaast is het kabinet voorstander van vermindering van de complexiteit door de beoordeling van naleving van de begrotingsregels meer te laten afhangen van één praktische indicator. Dit geeft lidstaten een duidelijk anker om op te sturen en beperkt de interpretatieruimte in de beoordeling. Over dit onderwerp heeft tijdens de informele Ecofin op 23 april jl. een discussie tussen Ministers plaatsgevonden. De Ecofin komt in het najaar terug op deze discussie nadat nadere bespreking op technisch niveau heeft plaatsgevonden.
Het feit dat er veel meer doden door Q-koorts zijn gevallen dan gedacht |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Veel meer doden door Q-koorts dan gedacht»?1
Ja, ik ken het bericht.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Ik ben mij terdege bewust van de grote gevolgen van de Q-koorts-epidemie. Wij voelen erg met de patiënten en hun naasten mee en zijn ons bewust van de indringende gevolgen van de epidemie. Q-koorts heeft grote gevolgen gehad: mensen zijn overleden met Q-koorts of ernstig ziek geworden, en de impact op hun leven en dat van hun naasten is logischerwijze enorm. Daarom hebben we ook de € 10 miljoen beschikbaar gesteld om initiatieven te ontplooien die ten goede komen aan Q-koorts patiënten. Eén van de activiteiten van Q-support is het doen van onderzoek en daarover publiceren. Dat is wat nu gebeurt. Het belang daarvan wordt eens te meer duidelijk nu uit deels door Q-support gefinancierd onderzoek is gebleken dat er in de afgelopen jaren als gevolg van Q-koorts 74 mensen zijn overleden. We zijn er altijd vanuit gegaan dat het aantal sterfgevallen gemeld bij het RIVM een onderschatting was. Met het publiceren van het onderzoek bereiken zij ook dat alle betrokkenen alert blijven, waaronder ook de artsen. Ook nu nog zijn er mensen die als gevolg van chronische Q-koorts levensbedreigende ontstekingen hebben aan vaten en hartkleppen, voor wie een juiste diagnose van groot belang kan zijn. Ik ben daarom blij dat we nu betere cijfers hebben dan voorheen, en dat dit onderzoek de aandacht krijgt die het verdient.
Welke extra maatregelen zullen genomen worden om de mensen die lijden aan chronische Q-koorts te helpen? Wordt naar aanleiding van het grote aantal doden uitgezocht of alle patiënten de juiste behandeling krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zowel het onderzoek, dat gefinancierd is uit het ZonMw programma rond Q-koorts, als het onderzoek dat de stichting Q-support financiert, gaan voor een belangrijk deel ook over diagnostiek en behandeling van patiënten met chronische Q-koorts. Het is van groot belang dat de beste behandelingen onder de aandacht van de behandelaars worden gebracht. Daar werkt Q-support hard aan, het volledige rapport zal door hen tijdens een bijeenkomst op 20 juni gepresenteerd worden. Ik heb geen reden om aan te nemen dat mensen nu niet de juiste behandeling krijgen.
Is verder onderzoek naar de (dodelijke) gevolgen van en de behandeling van chronische Q-koorts naar uw mening nodig? Zo ja, door wie laat u dit onderzoek uitvoeren met welke opdracht, op welke termijn moeten de resultaten bekend zijn, en kunt u deze resultaten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek waaruit deze resultaten naar voren zijn gekomen, zal ook uitsluitsel geven of er vervolgonderzoek nodig is. Ik zal de resultaten met uw Kamer delen.
Hoe rijmt u het feit dat er veel meer doden dan eerder gedacht zijn gevallen met uw antwoorden op eerdere vragen waarin u het volgende stelt: «De eerste resultaten wijzen niet op een grote groep gemiste patiënten»?2 Is het naar uw mening alsnog nodig verder onderzoek te doen naar eventuele gemiste patiënten? Zo ja, door wie laat u dit onderzoek uitvoeren met welke opdracht, op welke termijn moeten de resultaten bekend zijn? Kunt u deze resultaten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De patiënten die zijn overleden, zijn over het algemeen geen gemiste patiënten maar patiënten die onder behandeling waren. Waar we met het onderzoek in Herpen naar op zoek waren, zijn patiënten die geen klachten van acute Q-koorts hebben en geen bekende hart- en vaataandoeningen. Uit het onderzoek in Herpen is gebleken dat die niet effectief door middel van een bevolkingsonderzoek opgespoord kunnen worden.
De bezettingsnorm voor zorg aan ernstig zieke baby's op de afdeling neonatologie |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van gespecialiseerde verpleegkundigen over de personeelsbezetting op de afdeling neonatologie?1
Ik heb kennis genomen van het door u meegestuurde bericht van een verpleegkundige. Ik kan uit dit bericht niet afleiden of dit breder leeft onder verpleegkundigen.
Welke bezettingsnormen gelden er overdag, 's avonds en 's nachts voor gespecialiseerde verpleegkundigen die op de afdeling neonatologie voor ernstig zieke baby's zorgen? Op welke wijze zijn deze bezettingsnormen tot stand gekomen, en van wanneer dateert deze norm?
De veldnormen zijn als volgt: De normen voor personele bezetting op een «level 3»2 intensive care neonatologie zijn vastgelegd in het Gezondheidsraad rapport «Intensive care rond de geboorte» (april 2000). Daarbij is uitgegaan van de norm van 2 verpleegkundigen op 3 patiënten (verpleegkundige/patiënt ratio 1:1.5). Voor de HC (high care) zorg wordt in het rapport van de Gezondheidsraad uitgegaan van een 1:3 ratio. Dit zijn gemiddelde ratio’s die sterk kunnen wisselen aan de hand van de zorgzwaarte van de patiënten en het tijdstip op de dag. Over het algemeen is meer personeel aanwezig overdag dan ’s nachts omdat gedurende de daguren meer zorgactiviteiten plaatsvinden (bijvoorbeeld extra onderzoeken). Daarnaast is er vaak sprake van piekdrukte binnen de neonatale zorg. Het is aan de sector om hier invulling aan te geven.
Wat is uw inhoudelijke oordeel over deze bezettingsnormen? Zijn er naar uw mening altijd voldoende gespecialiseerde verpleegkundigen aanwezig om voor een relatief groot aantal ernstig zieke baby's te zorgen, ook bij accumulatie van medische problemen?
Ik ga er vanuit dat de normen een goede richtsnoer vormen voor het inplannen van de capaciteit op een neonatologie afdeling. Er zal ongetwijfeld variatie bestaan in de personele bezetting tussen de verschillende ziekenhuizen en deze zal ook niet altijd constant zijn. Als er, om wat voor reden dan ook, op enig moment te weinig personeel beschikbaar is om de kwaliteit en veiligheid van zorg te garanderen betekent dit dat neonatale bedden (tijdelijk) gesloten zullen moeten worden.
Welke taken van de gespecialiseerde verpleegkundige op de afdeling neonatologie kunnen bij drukte overgenomen worden door andere zorgverleners? Welke zorgverleners zijn dat, en waaruit blijkt dat zij voldoende bekwaam zijn voor deze taakherschikking?
Binnen de «level 3» neonatale zorg gaat het om zeer specifieke en gespecialiseerde taken die niet goed overdraagbaar zijn naar andere zorgverleners. Binnen de «level 2» zorg kan ondersteuning door gekwalificeerde kinderverpleegkundigen geleverd worden. In sommige ziekenhuizen wordt gewerkt met zogenaamde zorgassistenten. Deze ondersteunen verpleegkundigen op zaal met onder andere het ondersteunen van de kinderen bij de verzorging als ouders niet aanwezig zijn. Zij dragen zorg voor de voedingen en ondersteunen en informeren moeders bij het kolven van moedermelk. Verder brengen ze bloedmonsters naar het lab en helpen met het schoonhouden van de couveuses en de omgeving daarom heen. Deze zorgassistenten krijgen een interne opleiding en dragen een ander uniform zodat het voor ouders duidelijk is dat het geen verpleegkundigen zijn.
In hoeverre vindt u het verdedigbaar dat gespecialiseerde verpleegkundigen op de afdeling neonatologie overdag voor minimaal 3 à 4 ernstig zieke baby's zorgen, en bijvoorbeeld crècheleid(st)ers per 2018 overdag voor 3 kerngezonde baby's zorgen? Wat vindt u van deze verhouding? Wat vindt u ervan dat gespecialiseerde verpleegkundigen op de afdeling neonatologie 's nachts voor minimaal 6 à 7 ernstig zieke baby's zorgen?
Ik ben dit bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) nagegaan. Voor alle niveaus van neonatale zorg lijkt een ratio van 1:6 of 1:7 ongewenst. Een oordeel over een ratio van 1 op 3 à 4 zieke pasgeboren kinderen kan alleen worden gegeven als ook de mate van ziek zijn en de complexiteit van zorg daarin kan worden meegenomen. Deze informatie ontbreekt. Uitgaande van zieke en instabiele pasgeborenen is een ratio van 1:3 of 1:4 te krap. Een vergelijking met een crèche is niet aan de orde aangezien het in een crèche om een heel andere vorm van verzorging gaat.
Hoe kan het dat er voor een gezonde baby op de crèche (gelukkig) uitstekende extra begeleiding geregeld is, maar deze zorg en begeleiding voor ernstig zieke baby's in het ziekenhuis in verhouding sterk achterblijven?
Ik kan de stelling dat de zorg en begeleiding voor ernstig zieke baby’s in het ziekenhuis sterk achterblijft, niet onderschrijven. Bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg zijn geen andere signalen bekend over onvoldoende bezetting op een afdeling neonatologie met risico’s voor kwaliteit en veiligheid van zorg tot gevolg.
Wat gaat u doen om de intensiteit van zorg die gespecialiseerde verpleegkundigen met de huidige bezettingsnorm aan ernstig zieke baby's kunnen leveren verantwoord te houden, dan wel te intensiveren? Hoe garandeert u dat ernstig zieke baby's altijd voldoende en goede zorg krijgen? Hoe ziet u hierop toe?
Het is niet aan het Ministerie van VWS maar aan het betreffende ziekenhuis of afdeling zelf om binnen het kader van geldende wet- en regelgeving een zorgaanbod te organiseren met voldoende gekwalificeerd personeel dat in hoeveelheid en verhouding staat tot de beddencapaciteit. Het is ook een verantwoordelijkheid van het ziekenhuis om een goed opleidingsbeleid te voeren. VWS heeft het Fonds Ziekenhuis Opleidingen in het leven geroepen om ziekenhuizen daarbij behulpzaam te zijn. De inspectie ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van zorg, dus óók van de neonatologie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zal ingrijpen als zij van mening is dat de kwaliteit van zorg onvoldoende is, of dat de veldnorm wordt overschreden. Mochten er signalen zijn dat dit aan de orde is, dan is het melden daarvan bij het Landelijk Meldpunt Zorg de weg om de IGZ daarvan op de hoogte te stellen.
De opgenomen doelen en streefcijfers van de veiligheidsagenda 2015-2018 |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze de aanpak van geweld tegen Lesbiennes, Homo's, Biseksuelen en Transgenders (LHBT’s) ook wel homofoob geweld genoemd, op dit moment vorm wordt gegeven?
Aan de hand van diverse consultaties, zoals een door mijn ministerie georganiseerde expertsessie (met COC, Transgender Netwerk Nederland, RADAR/art.1, politie, OM, bestuur), een publieksdebat in het kader van het inhoudelijke programma van de Amsterdam Gay Pride, en deelname door mijn ministerie en het COC aan een internationaal seminar georganiseerd door de International Lesbian and Gay Association (ILGA Europe), is in 2015 een uitwerking gemaakt van de versterking van de aanpak van homofoob geweld. Het resultaat hiervan is integraal verwerkt in het «Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie» dat op 22 januari jl. aan uw Kamer is gezonden1. Met het COC zal ik jaarlijks spreken over de voortgang van de uitwerking van de versterking van de aanpak van homofoob geweld en over andere actuele zaken.
Daarnaast heeft de NCTV contact gehad met het COC over hun zorgen naar aanleiding van de aanslagen in Orlando.
Er is (en wordt) in het kader van het actieprogramma een verdere impuls gegeven aan deskundigheidsbevordering (onderwijs, netwerken), registratie/rapportage en opsporing (zoals een convenant met samenwerkingsafspraken tussen ketenpartners en een reactieprotocol voor de politie als handvat voor een goede opvolging van aangiften en meldingen).
Het door de korpsleiding in september 2015 vastgestelde visiedocument «De Kracht van het Verschil» voorziet in een kader voor de acties uit het actieprogramma ten aanzien van de politie. Hiertoe is een programmatische aanpak van start gegaan.
Uiteraard is tevens het lokale beleid van gemeenten van groot belang. Een veelbelovend voorbeeld hiervan is de alliantie LHBT-veiligheid die is opgericht in Noord-Nederland naar aanleiding van de mishandeling van een lesbisch stel in Groningen.
In het geval homofoob geweld tot een strafzaak komt geldt de Aanwijzing Discriminatie. In gevallen van commune delicten, bijvoorbeeld overtreding van de artikelen 141, 157, 266, 300 en 350 Wetboek van Strafrecht, waarvan bij «homofoob geweld» sprake is, dient een discriminatoir aspect ex artikel 137c Wetboek van Strafrecht in het requisitoir te worden benadrukt en als strafverzwarende omstandigheid in de eis te worden betrokken.
De strafeis moet met 50% of 100% worden verzwaard en dit dient in het requisitoir uiteengezet te worden.
Kunt u aangeven op welke wijze de aanpak van homofoob geweld is versterkt, zoals door u aangemerkt als topprioriteit in de veiligheidsagenda 2015–2018? Hoe ziet deze aanpak er in de praktijk uit en zijn er al resultaten bekend van de versterkte aanpak?
De aanpak homofoob (discriminatoir) geweld is in de Veiligheidsagenda 2015–2018 opgenomen onder de prioriteit High Impact Crime. Via het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) worden halfjaarlijks de afspraken gemonitord die de politie, het Openbaar Ministerie, de regioburgemeesters en het Ministerie van Veiligheid en Justitie hebben gemaakt.
In het Nationaal Actieprogramma Discriminatie 2016 – 2020 geeft het kabinet aan welke maatregelen een nieuwe impuls geven om de doelstellingen van het discriminatiebeleid te behalen en tevens welk lopend beleid in belangrijke mate bijdraagt aan het realiseren van deze doelstellingen. Deze maatregelen vormen het kader van en een aanvulling op (lopende) departementale beleidstrajecten gericht op specifieke doelgroepen (waaronder LHBT’s), zoals uiteengezet in bijlage II van het actieprogramma.
De basisstructuur met contactpersonen discriminatie in de regionale eenheden en een discriminatieofficier (bijgestaan door juridische/beleidsmatige ondersteuning) in ieder parket wordt voortgezet, evenals de regionale discriminatieoverleggen waar ook anti-discriminatievoorzieningen in zijn vertegenwoordigd. Het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) is als het kennispunt bij het OM speciaal belast met het onderwerp discriminatie. Doel van het LECD is het optimaliseren van de strafrechtelijke handhaving inzake discriminatie, dat wil zeggen beleidsvorming, opsporing, vervolging, rapportage. Het LECD voert op periodieke basis (zaaks)overleg met (onder andere) het COC en het politienetwerk Roze in Blauw (Amsterdam).
Sinds 1 augustus jl. bestaat het politienetwerk Roze in Blauw Nederland. De realisatie van een landelijke dekking is een eerste resultaat van de versterkte aanpak en dit heeft een sterke impuls gegeven aan de activiteiten van de Roze in Blauw-netwerken in de eenheden.
Er wordt (door het Ministerie van VenJ) in 2016 een campagne gehouden in LHBT-media met als doel het vergroten van de aangifte- en meldingsbereidheid. Met hetzelfde doel zal mijn ministerie deelnemen aan de Amsterdam Gay Pride. De Nationale Politie organiseert in de week van de Gay Pride tevens de eerste LHBT wereldconferentie voor strafrechtprofessionals.
Naast de genoemde versterkte aanpak van homofoob geweld kunnen ook slachtoffers van homofoob geweld uiteraard gebruik maken van de rechten die slachtoffers hebben gekregen in het strafproces. Deze rechten zijn vastgelegd in Titel IIIA van Boek 1 van het Wetboek van Strafvordering. In aanvulling hierop treedt de Wet van 14 april 2016 inzake aanvulling van het spreekrecht en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven2 op 1 juli 2016 in werking3.
Bovendien is het wetsvoorstel voor de implementatie van de EU-richtlijn 2012/29/EU inmiddels aanhangig bij de Eerste Kamer4. Dit wetsvoorstel voorziet onder meer in het recht op slachtofferzorg, op informatie bij het eerste contact met autoriteiten (veelal opsporingsambtenaren), taalkundige assistentie bij aangifte, bijstand in verschillende fasen van het strafproces, vertaling van processtukken en een individuele beoordeling van slachtoffers met het oog op zijn of haar behoefte aan beschermingsmaatregelen.
Bent u bereid in de begroting van Veiligheid en Justitie die in september 2016 wordt gepresenteerd in te gaan op de versterkte aanpak van homofoob geweld en daarbij de doelen en de indicatoren te formuleren, zodat het beleid meetbaar wordt?
Nee. Ik zie geen reden ten aanzien van de aanpak van homofoob geweld af te wijken van de afspraken die ik met Uw Kamer heb gemaakt over de wijze van rapporteren over de prioriteiten die gemeld staan in de Veiligheidsagenda. Hetzelfde geldt ten aanzien van het Actieprogramma Discriminatie.
Het bericht ‘Grote zorgen over vernieuwing in vmbo’ |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Grote zorgen over vernieuwing in vmbo»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomsten van de enquête over de vernieuwing van het vmbo die is afgenomen onder ruim 1.100 mensen die werkzaam zijn op het vmbo en waaruit grote zorgen naar voren komen over knelpunten in de organisatie, bijscholing van docenten, het lesmateriaal en de aansluiting op vervolgopleidingen?
De enquête over de vernieuwing van het vmbo is in april 2015 voor het eerst uitgevoerd. In maart 2016 is de wet profielen vmbo aangenomen en is er voor scholen zekerheid gekomen dat de profielen vanaf augustus 2016 ingevoerd kunnen worden. In april 2016 is de enquête herhaald, dit is juist in de periode dat scholen voorbereidingen treffen voor het komende schooljaar. Dat zie ik ook duidelijk terug in de resultaten van de enquête: meer dan vorig jaar voorzien respondenten knelpunten bij de invoering van de profielen. Nu we aan de vooravond staan van de invoering worden leraren en schoolleiders zich steeds meer bewust van wat er nog moet gebeuren en de tijd die daarvoor nog beschikbaar is tot aan de invoering. Ik ga er vanuit dat met name de grotere urgentie die gevoeld wordt, de verklaring is voor het hogere percentage respondenten dat knelpunten voorziet.
De invoering van de profielen is geen kwestie van de knop omzetten. Het is een verandertraject en vraagt dan ook veel van scholen: keuzes maken in hun onderwijsaanbod, in combinaties van profielvakken en beroepsgerichte keuzevakken, examenprogramma’s vertalen naar onderwijsprogramma’s, nieuw lesmateriaal en toetsen zoeken of maken. Scholen die meer tijd nodig hebben kunnen ook kiezen voor invoering per 1 augustus 2017.
Om scholen te ondersteunen bij de invoering hebben we met behulp van de pilotscholen, een ondersteuningsinfrastructuur ingericht. Die bestaat uit professionaliseringsactiviteiten, voorlichtingsmateriaal en netwerkbijeenkomsten om kennis en informatie uit te wisselen. Zo is er een professionaliseringsaanbod rond schoolexamens: van programma's voor toetsing en afsluiting tot en met een schoolexamenbank. Voor gericht bekwaamheidsonderhoud is een gevalideerd cursusaanbod beschikbaar op www.bijscholingvmbo.nl. Netwerkbijeenkomsten worden georganiseerd: in werkateliers wisselen scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast zijn sinds de start van het traject goede voorbeelden beschikbaar via www.vernieuwingvmbo.nl en zijn daar ook de antwoorden op veel gestelde vragen te vinden. De brochure «Kijk op keuzes» geeft voorbeelden van pilotscholen hoe zij het nieuwe onderwijs hebben georganiseerd. Er is een nieuwe editie gepubliceerd van «Wat moet en wat mag in het vmbo». Eind 2016 wordt deze editie geactualiseerd, met name de onderdelen over de keuzevakken bekwaam- en bevoegdheden. Tot slot zijn er handreikingen voor beroepsgerichte keuzevakken en loopbaanoriëntatie en beroepskeuze.
Wat is uw mening over het feit dat er scholen zijn die pas na invoering van het vernieuwde programma bekijken welke bijscholing van leraren nodig is, met als gevolg dat leraren on(der)bevoegd voor de klas staan?
De invoering van de profielen vraagt veel van de scholen en docenten. Ik heb er begrip voor dat scholen niet alles tegelijk kunnen. Daarom heb ik een overgangsmaatregel in voorbereiding die scholen de ruimte biedt tot 1 augustus 2021 de zittende docenten te scholen naar een passende bevoegdheid. Dat betekent niet dat scholen nu achterover kunnen leunen. Ik ga er vanuit dat scholen in kaart brengen wat aan scholing nodig is en er de komende jaren voor zorgen dat alle beroepsgerichte docenten in 2021 wel bevoegd zijn. Belangrijk daarbij is dat ondertussen het onderwijs aan de leerlingen kan doorgaan met bekwame docenten voor de klas.
Is het waar dat het bijscholingsbudget voor «sommige profielen» al is uitgeput? Klopt het dat u in gesprek bent met de VO-raad over een scholingsfonds voor docenten voor wie bijscholing verplicht is om hun bevoegdheid te houden? Op welke manier zorgt u ervoor dat leraren voor wie bijscholing nodig is vóór de start van het volgende schooljaar ook bijscholing kunnen volgen?
Ik heb een totaalbedrag van € 5,5 miljoen beschikbaar gesteld voor professionalisering. Hiervan is € 3 miljoen naar de vmbo-scholen gegaan om te besteden aan professionalisering. Alle vmbo-scholen met basis, kader en gemengde leerweg hebben € 5.000 ontvangen voor benodigde bijscholing. In de cao-VO is daarnaast vastgelegd dat een leraar per schooljaar binnen de voor hem geldende jaartaak recht heeft op ten minste 83 klokuren en € 600 ten behoeve van deskundigheidsbevordering en professionaliseringsactiviteiten.
De resterende € 2,5 miljoen is ingezet om een passend scholingsaanbod te laten ontwikkelen en dat tegen een geringe eigen bijdrage te kunnen aanbieden. In korte tijd zijn 3.790 inschrijvingen ontvangen van in totaal 2.334 docenten.
Veel gevolgde scholingen zijn bijvoorbeeld de workshop «Webshop beginnen» (E&O), de leergang «Schoolexaminering vmbo» (profieloverstijgend) en «Ondernemen(d) onderwijs arrangeren» (E&O). De trainingen worden deels ook door docenten vanuit de andere profielen gevolgd, bijvoorbeeld met het oog op het geven van keuzevakken. Van de docenten heeft 65 procent zich voor 1 cursus ingeschreven, de rest voor meerdere. Door het grote enthousiasme waren de beschikbare budgetten in korte tijd uitgeput en konden cursussen alleen tegen commercieel tarief worden gevolgd. Ook deze cursussen zijn volgens planning uitgevoerd.
Om meer beroepsgerichte docenten in staat te stellen van het gesubsidieerde scholingsaanbod gebruik te maken, heb ik in het AO vmbo van 9 juni jongstleden toegezegd dat ook komend schooljaar een cursusaanbod tegen gereduceerd tarief beschikbaar blijft. Inmiddels kan op www.bijscholingvmbo.nl weer worden ingeschreven op gesubsidieerde cursussen. Het oprichten van het door de VO-raad gesuggereerde scholingsfonds is dan ook niet nodig.2 Van de schoolleiders verwacht ik dat zij hun docenten faciliteren om scholing te volgen, zowel voor de scholing die is gericht op bekwaamheidsonderhoud als die voor het behalen van een bevoegdheid.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de lerarenopleidingen in relatie tot het vernieuwde vmbo? Is er reeds een sluitend en dekkend opleidingsaanbod van lerarenopleidingen waar nieuwe generaties leraren worden opgeleid voor alle profielen en vakken van het vernieuwde vmbo? Zo niet, op welke termijn wordt dit wél gerealiseerd en welke maatregelen neemt u in de tussentijd om recent afgestudeerden van de lerarenopleidingen en het al langer zittende personeel zich te laten bijscholen zodat zij zowel bekwaam als bevoegd zijn om les te geven in het vernieuwde vmbo?
De lerarenopleidingen zijn verantwoordelijk voor de aansluiting van hun aanbod bij de vraag van scholen. In verband met de vernieuwing van het vmbo wordt dan ook overlegd met de platforms vmbo, lerarenopleidingen en vmbo-scholen over de aansluiting van de lerarenopleidingen op de profielen en eventueel benodigde bijscholing van zittende docenten naar een passende bevoegdheid.
De lerarenopleidingen hebben al een slag gemaakt in de aanpassing van hun curriculum. Dat ziet u ook terug in de conversietabel waarin de bevoegdheden voor Bouwen, Wonen en Interieur, Economie & Ondernemen, Groen, Mobiliteit & Transport, Zorg & Welzijn, Produceren, Installeren & Energie en Horeca, Bakkerij & Recreatie zijn opgenomen.
Voor MVI en Maritiem en techniek zijn er geen lerarenopleidingen. Gezien het aantal benodigde docenten zijn er ook geen plannen om initiële lerarenopleidingen in te richten. Via de beleidsregel erkenning bekwaamheid wordt de route naar een bekwaamheidserkenning voor het lesgeven in deze profielvakken geregeld. Voor de andere vakken waarvoor geen lerarenopleiding is, is er altijd de mogelijkheid om een bekwaamheidserkenning aan te vragen, op grond van art. 33 lid 16 van de WVO.
Er is een minor in ontwikkeling die gevolgd kan worden door studenten die een andere tweedegraads lerarenopleiding volgen. Wie deze minor heeft gevolgd, wordt bevoegd voor D&P. Naar verwachting kan in het schooljaar 2016–2017 (vanaf januari 2017) een eerste cohort studenten deze minor volgen.
Op termijn kunnen zittende docenten D&P een assessment doen om te toetsen of zij beschikken over de kennis en vaardigheden om D&P te kunnen geven. De doelstellingen van de minor D&P zijn daarvoor de norm.
Voor Produceren, Installeren en Energie ben ik nog in gesprek met de platforms PIE, lerarenopleidingen en vmbo's over wat nodig is om te komen tot een lerarenopleiding PIE. Als tussenoplossing is in de conversietabel opgenomen dat PIE onder verantwoordelijkheid van een team kan worden gegeven. Dan moeten de bevoegdheden in het team dekkend zijn voor de verschillende onderdelen binnen het profiel PIE.
Voor alle beroepsgerichte docenten geldt dat deelname aan het cursusaanbod van www.bijscholingvmbo.nl mogelijk is. Het cursusaanbod richt zich vooral op nieuwe onderwerpen in de profielmodulen en soms ook keuzevakken. Schoolleider en docent bepalen in onderling overleg welke bijscholing noodzakelijk is gezien de lessen die de docent gaat geven.