Het Centrum Veilig Wonen (CVW) |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over het feit dat de Groningse maatschappelijke organisaties geëist hebben dat het Centrum Veilig Wonen (CVW) geen rol meer moet krijgen bij de nieuwe aanpak van de afhandeling van schade in het aardbevingsgebied?1
Ik heb kennis genomen van het nieuwsbericht en van de opvatting van de Groningen Bodembeweging (GBB) die hierin wordt weergegeven. Onder regie van de NCG vinden momenteel gesprekken plaats over een nieuw protocol voor de afhandeling van schade door gaswinning uit het Groningenveld. GBB neemt deel aan deze gesprekken. Zodra er een nieuw schadeprotocol is, zal ook blijken welke rol daarin is voorzien voor het CVW.
Wat is uw mening over het feit dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) opheldering heeft geëist van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en van het CVW over het vastlopen van de versterking in Groningen?2 Deelt u zijn mening? Zijn er zaken die u aan de NCG meegegeven heeft nu er toch indringend om de tafel wordt gegaan?
Zoals ik uw Kamer heb bericht bij brief van 19 september jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 383) deel ik de zorgen van de NCG over het gebrek aan voortgang van de versterkingsopgave. De NCG voert gesprekken met NAM en CVW om de achterstand zo klein mogelijk te houden en tot structurele verbeteringen te komen. De NCG informeert mij binnenkort over de uitkomsten daarvan.
Waar mag naar uw mening de bemoeienis van de NAM bij de afhandeling van de schade en bij de versterkingsopgave uit bestaan na 31 maart 2017?
Het uitgangspunt voor het schadeprotocol dat momenteel in ontwikkeling is, is dat NAM op afstand komt te staan van beslissingen over de afhandeling van schademeldingen, waarbij zij wel haar juridische en financiële aansprakelijkheid voor de gevolgen van de gaswinning behoudt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, wordt daarnaast de uitvoering van de versterkingsoperatie tegen het licht gehouden.
Bent u van mening dat de onafgebroken en constante bemoeienis van de NAM debet is aan de vertragingen die optreden bij zowel de afhandeling van de schade als de versterkingsopgave in Groningen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de totstandkoming van het nieuwe schadeprotocol zijn meerdere partijen betrokken die onderling nog geen overeenstemming hebben bereikt. De verantwoordelijkheid voor het ontbreken van overeenstemming ligt niet bij één individuele partij. Voor de versterkingsopgave geldt dat de NCG in gesprek is met NAM om de ontstane achterstand zo klein mogelijk te houden en tot structurele verbeteringen te komen.
De luchtkwaliteit en onderzoekscijfers voor emissies van TNO |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport genaamd «Cars and ground-level ozone: how do fuels compare?» van Eric Johnson?1
Ja. In dit onderzoek, dat op 7 september 2017 openbaar is gemaakt, wordt een vergelijking gemaakt van brandstoffen op basis van hun potentie om op grondniveau ozon te vormen (zomersmog). Conclusie van dit onderzoek is dat LPG op dit punt beter scoort dan benzine en diesel. Overigens is dit beperkt relevant voor Nederland, omdat er hooguit enkele dagen per jaar sprake is van zomersmog.
Klopt het dat TNO in opdracht van uw ministerie bezig is met de periodieke update van het factsheet betreffende brandstoffen? Wanneer valt deze update te verwachten?
Dit klopt. De planning is dat de nieuwe update van de factsheets brandstoffen vóór de zomer van 2018 beschikbaar is.
Klopt het dat TNO daarbij niet mag putten uit onderzoeken die uitgevoerd zijn in opdracht van belanghebbenden of derden? Klopt het dat voor de emissiecijfers TNO zich nu baseert op een eigen inschatting en/of op basis van verouderde cijfers?
Dit klopt niet. TNO mag voor het actualiseren van de factsheets uit alle beschikbare bronnen putten. Ik heb het genoemde onderzoek onder de aandacht van TNO gebracht. Wel beoordeelt TNO onderzoeken van anderen op de wijze waarop de metingen zijn uitgevoerd en op de rij- en weersomstandigheden waaronder is getest. De huidige basis voor de LPG-uitstootcijfers is een TNO-rapport gebaseerd op metingen van praktijkemissies uit 20102.
Deelt u de mening dat actuele data en recente emissiecijfers voor wat betreft onderzoek de voorkeur zouden moeten genieten? Deelt u de mening dat verouderde informatie niet bijdraagt aan een realistisch beeld van actuele uitstootgegevens en een onderlinge vergelijking van milieuprestaties? Zouden hierdoor mogelijk de verkeerde conclusies getrokken kunnen worden als het gaat om stimulering van bepaalde brandstoffen of een bepaalde technologie, zoals elektrisch rijden?
Milieuprestaties van voertuigen moeten op een eerlijke manier met elkaar worden vergeleken. Bij deze vergelijking spelen diverse aspecten een rol: uitstoot van stikstofoxiden, fijnstof en broeikasgassen en de potentie voor doorontwikkeling naar klimaatneutrale uitstoot. Voor het maken van een goede vergelijking is het van belang dat de emissiegegevens van brandstoffen gebaseerd zijn op representatieve praktijkemissies en actueel en vergelijkbaar zijn. De factsheets brandstoffen worden daarom met enige regelmaat geactualiseerd. Omdat elektrische voertuigen geen uitlaatgassen uitstoten, is elektrisch rijden per definitie schoner dan rijden in voertuigen met een verbrandingsmotor.
Kan TNO gebruik maken van bestaande onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het Duitse onderzoek,2 om beter vergelijkingsmateriaal en adequate cijfers over uitstoot te hebben? Bent u bereid TNO zelf een World Harmonised Light Vehicle Testing Procedure (WLTP) en/of Real Driving Emissions (RDE) -test te laten uitvoeren zodat relevante data en onderzoeksresultaten in het factsheet komen?
TNO kan voor het in beeld brengen van de emissieprestaties van brandstoffen gebruik maken van alle bestaande onderzoeken, dus ook van het genoemde Duitse onderzoek. Ik heb dit onderzoek inmiddels doorgeleid naar TNO. De meetprogramma’s voor de emissies van personenauto’s en vrachtauto’s, die TNO in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu doet, bieden de mogelijkheid om nieuwe metingen uit te voeren, zowel in het laboratorium op de rollenbank (WLTP-test) als op de weg (RDE-test). Jaarlijks wordt een programma van metingen uitgevoerd, waarover aan uw Kamer wordt gerapporteerd.
Bent u op de hoogte van de recente Routekaart voor LPG en BioLPG van de Vereniging Vloeibaar Gas (VVG)? Hoe schat u de ontwikkeling, kansen en groeimogelijkheden van LPG en BioLPG in? Klopt de bewering van de VVG dat de overheid zich nog teveel baseert op oudere data als het gaat om LPG-uitstootcijfers?
Ja, ik ben op de hoogte van deze recente Routekaart, die op 6 september jl. door de LPG-branche werd gepresenteerd. De kansen en groeimogelijkheden van LPG als duurzame brandstof voor mobiliteit zijn met name afhankelijk van het innoverend vermogen van de LPG-branche om bioLPG op de markt te brengen. Kritische succesfactoren hiervoor zijn een ruime beschikbaarheid van duurzame biomassa voor de productie van bioLPG en lage productiekosten. Op basis van typekeuringscijfers is door TNO in 20144 bepaald hoe nieuwere voertuigen met een door de fabrikant gemonteerde LPG-installatie gemiddeld presteren ten opzichte van benzinevoertuigen. Deze voertuigen laten een vergelijkbaar beeld zien.
Deelt u de mening dat vanwege luchtkwaliteit schonere (bio) brandstoffen met minder uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide ten opzichte van reguliere benzine en diesel milieutechnisch de voorkeur zouden moeten genieten? In hoeverre streeft het kabinet naar een gelijk(er) speelveld tussen brandstoffen, bijvoorbeeld qua fiscale behandeling, rekening houdend met diverse toepassingen en markten en emissies?
Uiteindelijk is relevant wat er uit de uitlaat komt. De gebruikte brandstof is belangrijk, maar daarnaast is bepalend of in het voertuig technische voorzieningen als katalysatoren en roetfilters worden toegepast. Hierdoor zijn fabrikanten in staat om voertuigen schoner te maken, niet alleen voor benzine en LPG, maar ook voor diesel. Voor het beleid is niet alleen het effect op de luchtkwaliteit van belang, maar ook de potentie om door te kunnen groeien naar een CO2-arme uitstoot. Het gaat er dan om dat brandstoffen van hernieuwbare en niet van fossiele herkomst zijn. Alles bij elkaar biedt elektrisch rijden op hernieuwbare stroom de beste perspectieven. In het kader van de transitie naar emissievrij rijden worden elektrische voertuigen daarom tot en met 2020 fiscaal gunstig behandeld. Voor wat betreft de fiscale behandeling van motorbrandstoffen is het budgettair belang leidend. Voor de inzet van biobrandstoffen wordt door de overheid overigens niet het fiscale instrumentarium ingezet, maar geldt een verplichting voor het op de markt brengen van biobrandstoffen als benzine of diesel voor wegverkeer op de markt worden gebracht (jaarverplichting hernieuwbare energie in vervoer). Deze verplichting geldt niet voor LPG. Voor de inzet van bioLPG kan men wel een vergoeding in de vorm van een hernieuwbare brandstof eenheid ontvangen.
Mensenhandel met het oogmerk van orgaanverwijdering |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Zembla waaruit blijkt dat mensenhandelaren in Egypte, Libië en Niger vluchtelingen dwingen om hun organen af te staan?1
Het kabinet hecht veel belang aan de bestrijding van mensenhandel, inclusief orgaanhandel. Illegale orgaanhandel is helaas een fenomeen dat wereldwijd slachtoffers maakt. Met name arme en kwetsbare groepen, die het als een laatste uitweg uit een uitzichtloze situatie beschouwen, zijn hier het slachtoffer van. Vluchtelingen en migranten behoren, zeker in landen als Egypte, Libië en Niger, tot de meest kwetsbare groepen in de samenleving, waardoor zij het risico lopen slachtoffer te worden van dergelijke praktijken. Om die reden werkt Nederland (en de EU) samen met UNHCR, IOM en andere organisaties aan het bevorderen van de mensenrechten en het verbeteren van hulpverlening voor vluchtelingen en kwetsbare migranten langs de hele migratieroute.
Klopt het dat asielzoekers in Nederland tijdens hun asielprocedure hebben verklaard dat zij hun organen onder dwang hebben moeten afstaan? Zo ja, om hoeveel mensen gaat het, in welke landen heeft deze vorm van mensenhandel plaatsgevonden en op welke manier worden deze verklaringen onderzocht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Er zijn geen gevallen bekend van asielzoekers die in Nederland tijdens hun asielprocedure hebben verklaard dat zij onder dwang hun organen hebben moeten afstaan. Wel zijn enkele signalen bekend van gevallen waarbij asielzoekers hebben verklaard dat zij in Nederland en België zijn bedreigd met orgaanverwijdering, maar waarbij de gedwongen donatie niet heeft plaatsgevonden. Deze signalen zijn door de politie onderzocht, maar in alle gevallen was sprake van onvoldoende opsporingsindicaties of het ontbreken van aanwijzingen van mensenhandel.
Worden de verklaringen van asielzoekers aangemerkt als aanwijzingen of signalen van (gedwongen) orgaanhandel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier is hier opvolging aan gegeven? Zijn er mensen vervolgd en veroordeeld? Zo ja, hoeveel en welke straffen hebben zij gekregen? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke signalen worden aangemerkt als signalen van mensenhandel en worden onderzocht door de politie. In de genoemde gevallen heeft dit niet tot vervolgingen en veroordelingen geleid omdat daar onvoldoende opsporingsindicaties voor waren of omdat aanwijzingen van mensenhandel ontbraken.
Beschikken politie en justitie over voldoende capaciteit om signalen over deze vorm van mensenhandel na te gaan? Hoeveel fte is hiervoor beschikbaar?
Signalen van mensenhandel, inclusief deze vorm, worden opgepakt door de teams mensenhandel van de Afdeling Vreemdelingen, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de Landelijke Eenheid of het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel. Gelet op de zeer beperkte omvang van deze specifieke vorm van mensenhandel is daar geen specifieke capaciteit voor vrijgemaakt.
Wat is uw reactie op de stelling van mensenrechtenactivist Hamdi Alzazy dat hij de Egyptische autoriteiten heeft gewaarschuwd dat hij lijken in de Sinaï woestijn vond waar organen uit verwijderd waren, maar dat er niemand ingreep en dat de politie hem zelfs ging tegenwerken?
De Sinaï woestijn, waar het Egyptische leger strijdt tegen de terreurgroep Wilayat Sinaï, is een gevaarlijke plek voor migranten. Het kabinet is bekend met de verhalen over martelkamers voor migranten in de Sinaï, waarover in 2014 veel berichten in de internationale media verschenen. Onder internationale druk hebben de Egyptische en Sudanese autoriteiten toen actie ondernomen. Bovendien werd destijds door Israël de migratieroute via de Sinaï naar Israël afgesloten. Mede door deze interventies zijn vanaf 2016 nauwelijks nieuwe gevallen van marteling in de Sinaï geconstateerd. De EU en Nederland blijven de Egyptische autoriteiten ondersteunen in de strijd tegen mensensmokkel en mensenhandel (zie de antwoorden op vragen 6 en 7).
Wat is uw reactie op de stelling van mevrouw Molenaar, onderzoeker bij Instituut Clingendael, dat er in Niger en Libië relaties bestaan tussen overheden en mensensmokkelaars?
Het kabinet is bekend met deze stelling van mevrouw Molenaar. Indicaties van relaties tussen overheden en mensensmokkelaars ziet het kabinet als zorgwekkend. Het kabinet is hier alert op in de bestrijding van mensensmokkel en in de samenwerking met overheden in de regio daartoe.
Nederland zet zich in voor capaciteitsopbouw van overheden in de regio om mensensmokkel effectiever aan te pakken en corruptie te bestrijden. Zo ondersteunt Nederland samenwerking op het gebied van veiligheid en justitie tussen de overheden van Burkina Faso, Tsjaad, Mali en Niger. Om mensensmokkel effectiever aan te pakken, bepleit Nederland zowel in Europees als internationaal verband het vervolgen van mensensmokkelaars.
Bent u bereid de samenwerking met Egypte, Libië en Niger te intensiveren om de, mede door oud-minister Van der Steur vastgestelde2, toename van achtergelaten migranten tegen te gaan?
Het kabinet zet zich al langer in om de samenwerking op dit terrein met belangrijke partners als Egypte, Libië en Niger, maar ook anderen, te intensiveren.
Zoals ook eerder is aangegeven in antwoorden op verschillende Kamervragen, 3 maakt de samenwerking met deze partners onderdeel uit van een geïntegreerde aanpak die bestaat uit verschillende activiteiten en inspanningen langs de gehele migratieroute om de ongecontroleerde aankomsten van migranten beheersbaar te maken. Deze aanpak bestaat o.a. uit het investeren in de opvang van vluchtelingen in de regio, het aanpakken van de grondoorzaken voor migratie, het tegengaan van irreguliere migratie door onder meer mensensmokkelaars aan te pakken, het redden van levens en het versterken van de samenwerking met belangrijke herkomst- en transitlanden op migratiemanagement, inclusief terugkeer.
De Europese Unie, maar ook Nederland zelf, ondersteunt verschillende projecten die er op zijn gericht de situatie van vluchtelingen in deze landen te verbeteren en te voorkomen dat zij in kwetsbare posities komen en worden uitgebuit. Het traceren van achtergelaten migranten maakt hier ook deel van uit4. Met financiering van Nederland is IOM met de overheid van Niger een programma gestart in het noorden van Niger om verdwaalde en achtergelaten migranten te redden. Bij reddingsoperaties in de woestijn zijn dit jaar al meer dan 1.000 migranten gered. De opvang ten noorden van Agadez wordt uitgebreid en er wordt een plan ontwikkeld om aan de grens met Libië een opvangcentrum in te richten, waar migranten naar toe kunnen die in Libië in de knel zitten. Het kabinet zal de inzet op vrijwillige terugkeer vanuit Noord-Afrika, die ondersteund wordt door autoriteiten in regio, uitbreiden met een daarvoor bestemde extra bijdrage aan het EU Noodfonds voor Afrika (EUTF).
Zoals deze uitzending van Zembla ook bevestigt, valt op dit vlak helaas nog veel te doen. Het kabinet ziet dit dan ook als een reden om de huidige inzet, zowel bilateraal als in Europees verband, voort te zetten.
Het bericht ‘Steekpartij Breda: opnieuw misdrijf van J.B. onder toezicht reclassering’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Steekpartij Breda: opnieuw misdrijf van J.B. onder toezicht reclassering»?1 Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het bericht.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tikkende tijdbom onder toezicht van de reclassering opnieuw een misdrijf kon plegen?
Binnen een toezicht begeleidt en controleert de reclassering de onder toezicht gestelde. Afhankelijk van de casus onderhoudt de reclassering contact met bijvoorbeeld de behandelaar, de sociale omgeving en ketenpartners om de voortgang te bespreken en risico’s te signaleren.
In deze zaak heeft de reclassering tijdens het toezicht samengewerkt met instanties als het Veiligheidshuis, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. Zo is de situatie regelmatig besproken en heeft men geprobeerd om risicofactoren te ondervangen. Vanwege het acuut ontstaan van gebrek aan woonruimte hebben de reclassering, de politie en het OM tijdelijk toegestaan dat betrokkene bij zijn moeder mocht wonen. Het verblijf bij zijn moeder is gemeld aan het slachtoffer.
Ik betreur dat de inzet en inspanningen van de reclassering en haar partners niet hebben kunnen voorkomen dat de betrokkene wordt verdacht van het neersteken van een 31-jarige vrouw.
Deelt u de mening dat de uitspraak «We moeten ermee leren leven dat we niet in een honderd procent veilige samenleving verkeren» van dhr. Van Gennip niets anders is dan een poging om zijn eigen straatje schoon te vegen, aangezien het zijn organisatie is geweest die heeft gefaald en deze gevaarlijke gek weer in de buurt van zijn slachtoffers heeft geplaatst? Zo nee, waarom niet en wie was volgens u dan verantwoordelijk voor het plaatsen van en het toezicht op deze persoon?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de algemeen directeur van Reclassering Nederland een andere baan gaat zoeken, aangezien inmiddels wel is aangetoond dat hij Nederland onveiliger maakt in plaats van veiliger?2 Zo nee, waarom blijft u deze persoon in het zadel houden?
Deze op een persoon gerichte vraag met een beschuldigend karakter vind ik niet gerechtvaardigd. Daarom zie ik geen enkele aanleiding hierop te reageren.
Deelt u de mening dat in de eerste plaats lange gevangenisstraffen de samenleving veiliger maken in plaats van enkelbandjes en de reclassering? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
De onafhankelijke rechter oordeelt of en hoe lang iemand moet worden gedetineerd voor het door hem gepleegde delict. Na het uitzitten van de opgelegde detentietijd is er altijd een moment waarop de gestrafte weer vrijkomt. Door het opleggen van voorwaarden als een locatieverbod en het houden van toezicht kunnen risico’s worden beheerst en slachtoffers worden beschermd vanaf het moment dat iemand in vrijheid wordt gesteld. Bovendien kan met behulp van voornoemde voorwaarden intensief worden gewerkt aan gedragsverandering, hetgeen in termen van recidivereductie effectiever is dan de gevangenisstraf.
Belangrijk is dat gestelde voorwaarden goed moeten worden gemonitord en gecontroleerd en dat, als de situatie daarom vraagt, wordt ingegrepen door bijvoorbeeld het voorwaardelijk strafrestant te executeren. Het is dan ook nodig doorlopend te bepalen of er risico’s zijn en hoe deze te beheersen gecombineerd met het werken aan iemands gedrag. Reclassering en partners spannen zich hier maximaal voor in, waarbij zij gebruik maken van de mogelijkheden die een rechterlijke beslissing biedt, zoals het kunnen toepassen van een enkelband.
Vindt u het ook niet onverteerbaar dat gevangenissen in Nederland leeg staan en deze tikkende tijdbommen maar gewoon vrij rondlopen in de maatschappij? Zo nee, hoe gaat u dit uitleggen aan het 31-jarige slachtoffer? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke personen die keer op keer de fout in gaan in de toekomst niet meer worden losgelaten op de samenleving?
Zie antwoord vraag 5.
De toenemende chaos in het Groningen buitengebied |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met onduidelijkheden rond de schadeafwikkeling in het Groningen buitengebied? Zo ja, op welke wijze?
Er is geen sprake van «het buitengebied». Tot de zomer van 2016 hanteerde NAM een schadecontour waarbuiten schade niet werd opgenomen. Nader onderzoek van de TU Delft leidde tot de conclusie dat deze contour niet gehandhaafd kon worden (Kamerstuk 33 529, nr. 280). Het Centrum Veilig Wonen (CVW) is daarop in augustus 2016 alsnog gestart met de behandeling van schademeldingen uit het betreffende gebied. Bijgevoegd treft u een overzicht van het aantal meldingen per gemeente in het betreffende gebied tot en met 17 juli 20171. Meldingen na 31 maart 2017 12.00 uur worden behandeld volgens een nieuw, nog vast te stellen schadeprotocol.
Kunt u aangeven om welke dorpen het gaat, wanneer er wordt gesproken over «het buitengebied»? Wat is het aantal schademeldingen per plaats in het «buitengebied»?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er naast de contourenkaart sprake is van randgebieden1, dit zijn de gebieden tussen de rode en blauwe contour die de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in haar schadeprotocol tot 31 maart 2017 hanteerde, waarbinnen onder andere Woldendorp valt? Wat is de status van dat randgebied?
Op de kaart waar u naar verwijst is de voormalige schadecontour weergegeven (rode lijn) die NAM tot de zomer van 2016 hanteerde; zie verder het antwoord op vraag 2 en 3. De gemeente Woldendorp ligt binnen deze contour. De genummerde gebieden buiten de contour die op deze kaart is weergegeven, zijn de gebieden waar ingenieursbureau Witteveen+Bos in opdracht van NAM inspecties heeft uitgevoerd; zie verder het antwoord op vraag 5. Alle schademeldingen van voor 31 maart 2017 worden door CVW behandeld; zie verder het antwoord op vraag 12.
Vallen gedupeerden binnen een dergelijk randgebied binnen het regime van het zogenaamde «binnengebied» of het zogenaamde «buitengebied» of geldt daar een ander, eigen regime? Kan het zo zijn dat gedupeerden deels onder een «binnengebied» en deels onder een «buitengebied» vallen? Kunt u dit nauwkeurig toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de Technische Universiteit (TU) Delft nog bezig is met een onderzoek naar mogelijke schadeonderzoeken in het buitengebied?2 Zo ja, wanneer worden de uitkomsten verwacht?
De TU Delft doet onderzoek in de provincie Groningen naar mogelijke oorzaken van schade, bijvoorbeeld daar waar sprake kan zijn van meerdere oorzaken van schade bij een woning, bijvoorbeeld in een gebied waar zowel zout als gas wordt gewonnen. De resultaten van dit onderzoek worden in het eerste kwartaal van 2018 verwacht.
Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot de door gedupeerden ontvangen beoordelingsrapporten, waarin zonder uitzondering de conclusie is dat de schade niet is veroorzaakt door aardbevingen? Is de bedoeling van het onderzoek door de TU Delft dat het de gestelde eerdere conclusie onderschrijft, of moet het worden beschouwd als een vorm van second opinion op het rapport van Witteveen+Bos?3
Bewoners kunnen een second opinion aanvragen op het onderzoek zoals dat is uitgevoerd door Witteveen+Bos. Het onderzoek van de TU Delft in opdracht van de NCG dient om nader inzicht te krijgen in verschillende schademechanismen in deelgebieden. Het onderzoek van de TU Delft levert geen second opinion op woningniveau op.
Klopt het dat, om als gedupeerde in aanmerking te komen voor een second opinion, eerst de voucher actief moet worden geweigerd? Zo ja, klopt het dan ook dat de bedenktijd van de voucher is opgeschoven van acht weken naar een jaar? Is de consequentie van het niet kunnen of willen afwijzen van de voucher dat er nog geen traject tot een second opinion ingezet kan worden?
Ja. Voor dossiers waarin alleen niet-aardbevingsgerelateerde schade is geconstateerd, is de bedenktijd één jaar. Als de bewoner het voucheraanbod accepteert, sluit de schadeafhandelingsprocedure. Als de bewoner nog geen keuze maakt, kan er inderdaad ook nog geen vervolgstap in de procedure worden gezet.
Hoeveel gedupeerden vanuit welke categorieën hebben inmiddels een voucher geaccepteerd? Hoe interpreteert u de cijfers?
Voor het merendeel van de bewoners geldt een bedenktijd van één jaar vanaf het moment dat de bewoner de brief met het voucheraanbod ontvangt. Deze bedenktijd biedt ruimte om bijvoorbeeld de uitkomsten van lopend onderzoek af te wachten. Het is dan ook voorbarig om nu al conclusies te trekken over het aantal geaccepteerde vouchers. Alleen voor de bewoners met een eenzijdig gesloten dossier waarbij destijds door CVW geen relatie met gaswinning is gevonden, is de bedenktijd inmiddels verstreken. 48% van deze groep bewoners heeft het voucheraanbod geaccepteerd. Er is geen nader onderzoek gedaan naar de beweegredenen van bewoners.
Hoe zal de onafhankelijkheid van de second opinion gewaarborgd worden, wanneer de second opinion uitgevoerd gaat worden door drie collega-bureaus van Witteveen+Bos?4 Waaruit zal de werkwijze bij deze second opinion bestaan wanneer er geen nieuwe inspectie zal plaatsvinden en er geen nieuwe werkwijze zal worden toegepast?
De genoemde bureaus beschikken over de technische kennis en capaciteit die nodig is om de second opinions uit te voeren en zijn daarop geselecteerd. De uitgevoerde inspectie bestaat uit een feitelijke weergave van hetgeen aangetroffen is aan schade in een woning. Onder het oude schadeprotocol heeft op basis hiervan een beoordeling plaatsgevonden door Witteveen+Bos. De secondopinionbureaus beoordelen volgens een gezamenlijke, uniforme werkwijze op basis van de bestaande inspectiegegevens. Deze werkwijze kan afwijken van de werkwijze van Witteveen+Bos; technische kennis kunnen zij anders toepassen.
Klopt het dat het nieuwe (op te stellen) schadeprotocol in niets zal lijken op de gebruikte methode van Witteveen+Bos? Zo ja, is het dan naar uw mening rechtvaardig dat gedupeerden uit de «zogenaamde buitengebieden» nog tot jaar en dag de gevolgen dragen van directe en indirecte bemoeienis van dit bureau bij hun schade? Kunt u uw antwoord toelichten?
Over het onderzoek naar schades buiten de voormalige schadecontour en de daarbij gehanteerde methode is uw Kamer uitgebreid bericht in antwoorden op eerdere schriftelijke vragen.6 Over het nieuwe schadeprotocol wordt nog gesproken.
Bent u bereid, gezien het feit dat veel bewoners/gedupeerden vanwege jarenlang wegkijken door het Rijk, nu wantrouwen hebben tegen de aangewezen bureaus voor hun second opinion5 en hen te gunnen dat zij het recht krijgen op een second opinion door een bureau van hun keuze? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 is de uitvoering van de second opinion belegd bij een selectie van bureaus die over de benodigde capaciteit en technische kennis beschikken. Zij werken volgens een gezamenlijke, uniforme werkwijze, om onafhankelijkheid en kwaliteit aan iedere bewoner te kunnen garanderen.
Klopt het dat fase 2 van start is gegaan, waardoor alle schademelders in het buitengebied die nog geen inspectie hebben gehad, nu alsnog worden benaderd door het Centrum Veilig Wonen (CVW), waarna zij een zelfde traject met inspectie en beoordeling door Witteveen+Bos krijgen aangeboden? Valt fase 2 ook nog onder de eerder gestarte pilot? Wat zijn de criteria van deze pilot en waar zijn deze vastgelegd?
De proef afhandeling schade is van start gegaan met behandeling van meldingen gedaan tot 15 augustus 2016 (fase 1). Vanaf oktober 2017 worden ook meldingen behandeld die gedaan zijn tussen half augustus 2016 en 31 maart 2017 en die nog niet waren meegenomen (fase 2 en 3). De werkwijze van fase 2 en 3 is in grote lijnen hetzelfde als bij fase 1. Meldingen gedaan na 31 maart 2017, 12.00 uur zullen volgens het nieuwe schadeprotocol worden behandeld.
Hoe verhoudt zich het opstarten van fase 2 tot het voornemen van een schone lei?6
De schademelders in fase 2 en 3 van de pilot buitengebied krijgen allen een aanbod in het kader van de schone lei. De inhoud van dit aanbod is afhankelijk van de uitslag van de inspectie en beoordeling.
Hoe kwalificeert u het initiatief van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) om een gesprek te laten plaatsvinden tussen de NAM en het Gasberaad (over de mogelijkheid van een onafhankelijke toetsing van het onderzoek)? Kunt u aangeven op welk onderzoek u het in uw eerdere beantwoording7 heeft, het onderzoek van Witteveen+Bos, het advies van advocatenkantoor Van Niekerk Cieremans hierop, of beide?8
Ik waardeer het initiatief van de NCG. Het behoort tot zijn opdracht om dialoog te initiëren over oplossingen voor de bovengrondse gevolgen van de gaswinning in Groningen. De mogelijke onafhankelijke toetsing die onderwerp is van gesprek tussen Gasberaad en NAM, heeft betrekking op onderzoek dat Witteveen+Bos in het kader van de pilot afhandeling schade heeft uitgevoerd.
Het bericht ‘NIVEL: Informatie Wmo voor familie verstandelijk gehandicapten ontoereikend’ |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NIVEL: Informatie Wmo voor familie verstandelijk gehandicapten ontoereikend»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat twee derde van de familieleden van verstandelijk gehandicapten, die vaak als mantelzorger optreden, niet op de hoogte is van het bestaan van onafhankelijke cliëntondersteuning?
Deelt u de mening dat er teveel signalen zijn dat onafhankelijke cliëntondersteuning nog onvoldoende bekend is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning expliciet meenemen in de bewustwordingscampagne voor mantelzorgers, waar ik in mijn motie van 7 juni jl. om heb verzocht?2
Ik heb in het 30-leden debat over mantelzorg van 7 juni jl. toegezegd om met de VNG, gemeenten en Mezzo te kijken hoe de informatievoorziening voor mantelzorgers versterkt kan worden, zodat bewustwording over mantelzorg en (cliënt)ondersteuning vergroot kan worden. Ik zal hier dit signaal specifiek bij betrekken. De Tweede Kamer zal rond het Kerstreces 2017 hierover geïnformeerd worden.
Landen die in Nederland onderdelen voor massavernietigingswapens proberen te kopen |
|
Bente Becker (VVD), Han ten Broeke (VVD), Albert van den Bosch (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland is supermarkt voor landen die kernwapens maken»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), generaal-majoor Onno Eichelsheim dat landen als Iran, Syrië en Pakistan graag «winkelen» in Nederland voor onderdelen die gebruikt (kunnen) worden in programma’s voor massavernietigingswapens?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken en deelt de hoofdboodschap dat Nederlandse bedrijven zich bewust moeten zijn dat derde landen interesse kunnen hebben in technologisch hoogwaardige producten en diensten die gebruikt kunnen worden voor de vervaardiging van massavernietigingswapens of onderdelen daarvoor.
Is het u bekend of dergelijke aankopen – die zijn gebruikt voor de ontwikkeling of bij de productie van massavernietigingswapens – succesvol zijn gedaan in ons land? Zo ja, om welke gevallen gaat het, uitgesplitst voor landen en wapens? Wat is er in die gevallen achteraf ondernomen tegen het aankopende land? En wat om herhaling te voorkomen?
Zoals in het artikel wordt gesteld, verstoren de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten jaarlijks een «substantieel» aantal pogingen van buitenlandse entiteiten om aan kennis en materialen voor massavernietigingswapens te komen. In een aantal gevallen hebben de diensten aanwijzingen ontvangen over gebruik van Nederlandse technologie in programma’s voor massavernietigingswapens of overbrengingsmiddelen in Iran, Pakistan en Syrië. In voorkomend geval volgt onderzoek van de Douane en kan het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaan. Andere instrumenten die het kabinet ter beschikking heeft en ook inzet zijn het instellen van nationale regelingen en het opleggen van een ad-hoc vergunningplicht («catch-all»). Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over casuïstiek die het actuele kennisniveau en de modus operandi van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten raken.
Wat onderneemt Nederland momenteel – ook in internationaal verband – om dergelijke aankopen in ons land tegen te gaan? Bent u van mening dat dit voldoende is, of bestaat volgens u de noodzaak om extra maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten aan welke maatregelen gedacht moet worden?
Het kabinet voert een actief beleid om te voorkomen dat Nederlandse export bijdraagt aan de proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor. Dit exportcontrolebeleid is gebaseerd op internationale afspraken en verplichtingen die op basis van Europese wet- en regelgeving op nationaal niveau zijn geïmplementeerd. In de uitvoering van dit beleid werken het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Douane en de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten intensief samen.
Nederland is aangesloten bij de internationale exportcontroleregimes. Op het gebied van non-proliferatie zijn dit de Australia Group (AG), het Missile Technology Control Regime (MTCR) en de Nuclear Suppliers Group (NSG). De bij deze regimes aangesloten landen maken afspraken over exportcontrolebeleid. Daarnaast wisselen deze landen informatie uit over programma’s voor massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor in zogenaamde landen van zorg, delen zij ervaringen over handhaving, en zorgen zij er gezamenlijk voor dat de controlelijsten van gevoelige goederen aansluiten op actuele (technologische) ontwikkelingen.
De richtlijnen en controlelijsten van de regimes zijn op Europees niveau opgenomen in de EU dual-useverordening (428/2009). Op basis van deze verordening geldt een vergunningplicht voor de export van bepaalde goederen, software en technologie. Voor de meest gevoelige goederen is tevens een uitvoervergunning nodig voor export binnen de EU. Op basis van dezelfde dual-useverordening kan op nationale basis een vergunningplicht worden opgelegd als er aanwijzingen zijn dat de goederen voor nucleaire-, chemische- of biologische wapens, of overbrengingsmiddelen daarvoor, gebruikt zullen of kunnen worden.
Ten slotte zijn er internationale sancties opgelegd in reactie op de programma’s voor massavernietigingswapens en/of overbrengingsmiddelen daarvoor in Iran, Noord-Korea en Syrië. De hieruit voortvloeiende maatregelen, zoals verdere beperkingen aan de export van goederen of het verbieden van leveringen aan gesanctioneerde entiteiten, zijn eveneens onderdeel van het Nederlandse exportcontrolebeleid.
Bent u – net als generaal-majoor Eichelsheim – van mening dat bedrijven en kennisinstellingen zich onvoldoende bewust zijn van het risico dat landen dergelijke aankopen ook in Nederland pogen te doen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Het kabinet is bekend met de signalen over verwervingspogingen door landen van zorg in Nederland en de dreiging die daarvan uitgaat. Vergroting van het bewustzijn van het bedrijfsleven, inclusief van het midden- en kleinbedrijf, is een voorwaarde voor een effectief exportcontrolebeleid.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt via de website www.rijksoverheid.nl/exportcontrole informatie beschikbaar over exportcontrole waaronder het Handboek Strategische Goederen en het Handboek Iran. Tevens organiseert de overheid jaarlijks een aantal seminars over exportcontrole met deelnemers uit de industrie, de logistieke en financiële sector, kennisinstituten, adviesbureaus en de overheid. Ook het genoemde interview levert een bijdrage aan de activiteiten die het kabinet onderneemt om het bewustzijn van het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellingen te vergroten.
De MIVD/AIVD Unit Contraproliferatie heeft eveneens een taak in het vergroten van het bewustzijn over proliferatierisico's, waarbij medewerkers van de MIVD en AIVD specifieke instellingen en bedrijven bezoeken om deze te informeren over dergelijke risico’s.
De Douane en het Ministerie van Buitenlandse Zaken spreken in het kader van de uitvoering en handhaving van het exportcontrolebeleid regelmatig met bedrijven en kennisinstellingen. In dit contact komt ook het risico op verwervingspogingen door landen van zorg aan bod. In een aantal gevallen is de wijze waarop bedrijven en kennisinstellingen de interne bedrijfsvoering hebben ingericht en maatregelen nemen om dit risico te minimaliseren een extra voorwaarde voor het verkrijgen van een exportvergunning.
Het kabinet benadrukt dat bedrijven en instellingen in het internationale zakendoen ook een eigen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van export van goederen en diensten met een potentieel risico op ongewenst eindgebruik.
Wat wordt gedaan om betere bewustwording te genereren bij dergelijke bedrijven en instellingen? Bestaat specifiek beleid op dit terrein? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u daar een beeld van schetsen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u zich vinden in de conclusie dat het midden- en kleinbedrijf (mkb) in het bijzonder kwetsbaar is voor de risico’s op dit terrein? Zo ja, wat wordt specifiek gedaan om deze kwetsbaarheid bij het mkb te verkleinen? Ziet u mogelijkheden om meer proactieve maatregelen te nemen ter bescherming van het mkb? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 5.
Bestaat er een zwarte lijst met daarop personen, bedrijven en/of instellingen die bekend staan als tussenpersoon, -bedrijf, en/of-instelling voor dergelijke aankopen? Zo nee, waarom niet en bent u voornemens alsnog een dergelijke lijst op te stellen in internationaal verband? Zo ja, wordt die lijst proactief gedeeld met Nederlandse bedrijven en instellingen die kwetsbaar zijn op dit terrein? Graag een toelichting.
In het kader van de sancties op Iran, Noord-Korea en Syrië zijn internationaal lijsten opgesteld met entiteiten die gesanctioneerd zijn vanwege hun (mogelijke) betrokkenheid bij de ontwikkeling en productie van massavernietigingswapens. De handel met deze entiteiten wordt door deze sancties beperkt of verboden.
De Nederlandse overheid hanteert geen lijsten voor de reguliere vergunningverlening. Dit zou landen die goederen voor massavernietigingswapens verwerven inzicht geven in het actuele kennisniveau van de betrokken overheidsdiensten.
Het bericht dat er te weinig verpleging is voor mensen die thuis willen sterven |
|
Lilian Marijnissen (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de berichten dat mensen graag thuis willen overlijden, maar dit niet kunnen omdat er geen thuiszorg meer is?1
Ik betreur dat uit dit bericht blijkt dat één op de vijf deelnemende instellingen aangeeft dat zij het afgelopen jaar problemen hebben ondervonden bij het regelen van palliatieve terminale zorg thuis voor hun patiënten.
Wat vindt u ervan dat ziekenhuizen en hospices aangeven dat zij het afgelopen jaar hebben meegemaakt dat patiënten moesten worden opgenomen of niet ontslagen konden worden, omdat deze mensen thuis niet de zorg konden krijgen die zij nodig hadden?
Bij het ingaan van de palliatieve terminale fase moet iedereen – mits dit verantwoord is – de keuze krijgen om thuis te sterven. Indien deze wens er is, vind ik dat hiervoor passende zorg moet worden georganiseerd.
Als het zo is dat mensen – doordat de palliatieve terminale zorg niet kan worden geregeld – langer in het ziekenhuis moeten blijven, vind ik dat onwenselijk. Zo vind ik het belangrijk dat patiënten die om zorginhoudelijke redenen niet noodzakelijk in een ziekenhuis behandeld moeten worden, elders worden opgevangen en behandeld.
Ook zijn landelijk voldoende middelen beschikbaar voor de wijkverpleging. Zo was er afgelopen jaar sprake van een onderuitputting van het budgettair kader wijkverpleging. Voor 2018 zal het budgettair kader verder toenemen. Dit geeft ruimte om ook het komende jaar aan de toenemende vraag naar wijkverpleegkundige zorg tegemoet te komen. In het bestuurlijk akkoord wijkverpleging hebben de partijen bovendien afgesproken specifiek aandacht te hebben voor de kwetsbare groepen, waaronder ook de palliatieve terminale zorg.
Vindt u het acceptabel dat er zorgaanbieders zijn die nee moeten zeggen tegen verzoeken voor palliatieve zorg, omdat er te weinig verpleegkundigen zijn?
Het beleid heb ik ingezet als antwoord op de ontwikkeling dat er meer ouderen zijn en dat mensen heel graag langer zelfstandig willen blijven. De wijkverpleging speelt hierin een cruciale rol. Daarom investeer ik in de ontwikkeling van de extramuralisering, inclusief de wijkverpleging.
Met de verschuiving naar zorg thuis is ook de vraag naar wijkverpleegkundigen toegenomen. Het is bekend dat deze vraag ook groter is dan het aanbod.
Het is goed om te zien dat de instroom in de opleiding tot hbo verpleegkundige sterk toeneemt. In 2014 was de instroom ruim 5.000 studenten. In 2016 was dit 6.500. Dit jaar gaan hogescholen nog eens 2.000 studenten meer opleiden.
In juli van dit jaar hebben we met partijen rond de zorg voor ouderen afspraken gemaakt in de Arbeidsmarktagenda 2023 aan het werk voor ouderen.VWS steunt deze agenda met € 347 miljoen voor op-, bij- en nascholing van nieuwe medewerkers, beeldvorming en loopbaanadvies. Daarnaast werken partijen op landelijk en regionaal niveau samen aan het behoud van mensen voor de sector en het gebruik van innovatie en technologie. Tot slot hebben partijen met de Ontwikkelagenda Wijkverpleging afspraken gemaakt gericht op kwaliteit van zorg, arbeidsmarkt en opleiden, substitutie en sterkere samenwerking.
Kunt u het zich voorstellen dat wijkverpleegkundigen het verschrikkelijk vinden dat zij wel steunkousen mogen aantrekken, maar dat zij niet iemand mogen verzorgen die graag thuis wil sterven?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het wenselijk dat verpleegkundigen vaak dubbele diensten draaien omdat zij geen mensen willen weigeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de heer De Blok, Directeur van Buurtzorg die denkt dat duizenden mensen geen thuiszorg kunnen krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zorgverzekeraars maken contractafspraken met zorgaanbieders. In het artikel geeft De Blok budgetplafonds aan als reden dat mensen geen thuiszorg kunnen krijgen.
Wanneer het zo is dat budgetafspraken het leveren van palliatieve terminale zorg in de weg staan, vind ik dit onacceptabel. Zorgverzekeraars en aanbieders zijn hiervoor verantwoordelijk en maken hierover afspraken. Het is in de eerste plaats aan de aanbieder om tijdig met de zorgverzekeraar in gesprek te gaan als blijkt dat zij hun budgetplafond dreigen te bereiken. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar om hier serieus naar te kijken en bij te contracteren als dit nodig is.
Ik ga er vanuit dat het bereiken van een budgetplafond in 2017 voor aanbieders geen reden is om palliatieve terminale zorg te mijden én ik ga er vanuit dat zorgverzekeraars ervoor zorgen dat bij palliatieve terminale cliënten het budget nooit een knelpunt mag zijn.
Mocht er toch een knelpunt zijn, dan kan dit gemeld worden bij het Meldpunt van de NZa. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van de zorgverzekeraars.
Naar aanleiding van de berichtgeving neemt de NZa contact op met RTL-nieuws, V&VN en Buurtzorg om dit signaal verder te onderzoeken. Indien nodig zal de NZa vervolgens actie ondernemen.
Heeft u, toen u uw beleid inzette om mensen langer thuis te laten wonen, voorzien dat heel veel mensen geen thuiszorg meer kunnen krijgen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de tekorten in de thuiszorg zo snel mogelijk worden opgelost? Kunt u uw antwoord toelichten en aangeven welke concrete stappen u hierin gaat zetten?
Zie antwoord vraag 3.
Gegevensverstrekking aan Brancheorganisatie BO Akkerbouw voor het programma Onderzoek en Innovatie |
|
Carla Dik-Faber (CU), Helma Lodders (VVD), Tjeerd de Groot (D66), Jaco Geurts (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het algemeen verbindend verklaarde Gezamenlijk Programma Onderzoek en Innovatie van de Brancheorganisatie Akkerbouw (BO Akkerbouw) uitvoerbaar moet zijn met zo min mogelijk administratieve lasten en een zo groot mogelijk draagvlak? Erkent u dat het voor de uitvoering noodzakelijk is om te beschikken over de areaalgegevens van niet-aangesloten akkerbouwbedrijven, die voor de verwerking redelijkerwijs noodzakelijk zijn? Erkent u dat de door u geboden oplossing niet leidt tot een efficiënte uitvoering?1
Op verzoek van de Brancheorganisatie Akkerbouw (BO) heb ik het Gezamenlijk Programma Onderzoek en Innovatie algemeen verbindend verklaard (AVV). Dit besluit betekent dat ik van oordeel ben dat het programma in technische en financiële zin uitvoerbaar is en voldoende draagvlak heeft.
De BO heeft de financiering van het onderzoeksprogramma ingericht op basis van areaalgegevens. Dat betekent dat de BO voor de uitvoering van het algemeen verbindend verklaarde programma moet beschikken over areaalgegevens van zowel de bij de BO aangesloten als de niet-aangesloten akkerbouwbedrijven. De regelingen van de BO voorzien daarom in de verplichting voor akkerbouwers om zich te registreren bij de BO en in de verplichting om areaalgegevens aan de BO te verstrekken. Die verplichtingen zijn door de algemeen verbindend verklaring dus ook van toepassing op niet bij de BO aangesloten akkerbouwers.
In aanvulling hierop heb ik twee handreikingen gedaan om mee te werken aan het op gang brengen van de uitvoering van het onderzoeksprogramma.
De Kamer van Koophandel kan allereerst op verzoek van de BO de KvK-gegevens van niet-aangesloten akkerbouwers verstrekken aan de BO. Met de KvK-gegevens is de BO in staat om de NAW-gegevens te verkrijgen van niet bij de BO aangesloten akkerbouwers en deze ondernemers aan te schrijven en te wijzen op hun registratieverplichting jegens de BO alsmede op de verplichting om areaalgegevens met de BO te delen.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) zal het bovendien mogelijk maken dat akkerbouwers via een vinkje op hun persoonlijke pagina bij RVO.nl toestemming kunnen geven om areaalgegevens aan de BO te verstrekken zodat zij dat niet zelf hoeven te doen. RVO.nl zal dit ook mogelijk maken voor de bij de BO aangesloten akkerbouwbedrijven. Zo kan de BO op een eenvoudige wijze over de areaalgegevens beschikken, mits de akkerbouwer daar toestemming voor heeft verleend.
Deze handreikingen passen binnen de wettelijke kaders van de AVV en binnen de kaders van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Hiervoor genoemde verplichtingen van de akkerbouwers jegens de BO vormen in combinatie met de KvK-nummers van de niet bij de BO aangesloten akkerbouwers die ik heb aangeboden te verstrekken, het kader waarmee de BO op een efficiënte wijze het algemeen verbindend verklaarde programma samen met de akkerbouwers kan uitvoeren en, indien nodig, kan afdwingen bij de rechter.
De BO is nog niet gestart met het uitvoeren van het op 29 april 2016 algemeen verbindende verklaarde programma. Het is van belang dat de BO zich snel tot Kamer van Koophandel en RVO.nl wendt om de uitwisseling van de gegevens technisch tot stand te brengen. Er zijn mij geen redenen bekend om aan te nemen dat de door mij geboden voorzieningen niet zouden werken.
Erkent u dat gegevens op basis van artikel 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) niet mogen worden verwerkt indien dit onverenigbaar is met het oorspronkelijke verzameldoel? Erkent u dat indien BO Akkerbouw binnen de wettelijke eisen handelt conform het oorspronkelijke verzameldoel en de vertrouwelijkheid van gegevens waarborgt, gegevensverstrekking wel degelijk kan worden toegestaan? Zo nee, waarom niet?
Ja, artikel 9 van de Wbp bepaalt dat persoonsgegevens niet mogen worden verwerkt indien dit onverenigbaar is met het oorspronkelijke verzameldoel.
Ik ga ervanuit dat de BO bij de uitvoering van het programma binnen de wettelijk kaders handelt. Deze wettelijke kaders van de Wbp over gegevensverstrekking gelden ook voor de overheid. De overheid verzamelt de areaalgegevens met het oog op het doen van statistisch onderzoek en het ontwikkelen van beleid of voor aanvragen voor GLB-inkomenssteun. Dit zijn andere doelen dan het financieren van een privaat onderzoek, waar het in deze kwestie over gaat.
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 1 heb aangegeven, is de BO in staat om via de door mij verstrekte KvK-gegevens het algemeen verbindend verklaarde programma uit te voeren. Dit maakt dat het verstrekken van de areaalgegevens, zonder dat de akkerbouwbedrijven daar toestemming voor gegeven hebben, niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals die onder de Wbp gelden voor het verwerken van persoonsgegevens. Wanneer de akkerbouwers een vinkje zetten op hun persoonlijke pagina op de website van RvO.nl, geven zij toestemming voor het delen van de areaalgegevens en zal ik de gegevens aan de BO verstrekken.
Kent u het recente arrest van het Hof van Justitie (EHJ C-13/16, 4 mei 2017, Rigas) waaruit blijkt dat de proportionaliteitseis niet een gedeeltelijke verstrekking van gegevens inhoudt, waardoor de ontvanger alsnog via derden de benodigde gegevens moet verkrijgen? Wat is uw reactie op dit arrest in relatie tot de beperkte gegevensverstrekking aan BO Akkerbouw? Past u in het licht van dit arrest en van artikel 9 van de Wbp de proportionaliteitstoets niet te rigide toe?
Ja, dit arrest gaat over een situatie waarin de verzoeker op geen enkele andere manier NAW-gegevens van één persoon kan verkrijgen. Het betreft niet grootschalige verwerking van gegevens. Het arrest is daarom niet toepasbaar op een BO die om de areaalgegevens van alle akkerbouwbedrijven vraagt, terwijl de BO de gegevens ook via de door mij geboden oplossing kan verkrijgen.
Bent u bereid een oplossing te bieden aan de akkerbouwsector om de uitvoering van het collectief gefinancierde programma Onderzoek en Innovatie mogelijk te maken, waarbij administratieve lasten minimaal zijn, een omslachtig proces van gegevensverzameling wordt voorkomen en BO Akkerbouw in staat is om gegevens op juistheid te controleren? Bent u bereid om NAW-gegevens en areaalgegevens aan BO Akkerbouw te verstrekken voor het specifieke doel, namelijk de verplichte financiële bijdrage voor de uitvoering van het Gezamenlijk Programma Onderzoek en Innovatie?
Ik heb een praktische oplossing geboden zodat de BO het algemeen verklaarde programma op een efficiënte wijze kan uitvoeren. In gesprek met de BO is ook toegelicht dat daarmee een sluitende en praktische werkwijze tot stand kan komen. Ik heb er bij de BO op aangedrongen om te starten met de uitvoering van het programma.
Seksueel misbruik in het leger |
|
Sadet Karabulut (SP), Isabelle Diks (GL) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In de kazerne, vastgebonden op zijn bed»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden u hebt om strafrechtelijke vervolging van de vermeende daders alsnog mogelijk te maken? Bent u bereid deze mogelijkheden te benutten? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie beslist over strafrechtelijke vervolging.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden u hebt om arbeidsrechtelijk tegen de vermeende daders op te treden? Bent u bereid deze mogelijkheden te benutten? Zo nee, waarom niet?
Wat hield de ondersteuning in die kennelijk in 2015 de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht aan de heer Vreeburg is aangeboden?
In juli 2015 heeft de betrokkene zich via de mail gewend tot de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK). In augustus van dat jaar is hij op gesprek geweest bij de IGK. Zoals altijd geldt voor dergelijke gesprekken dat deze vertrouwelijk worden gevoerd.
Defensie heeft inmiddels een commissie van onderzoek ingesteld om de feiten zoveel mogelijk te achterhalen. Deze commissie zal in elk geval spreken met de personen op wie de melding betrekking heeft en die nog werkzaam zijn bij Defensie. Ook personen die niet meer bij Defensie werken, kunnen worden benaderd. In het onderzoek wordt ook gekeken naar de manier waarop Defensie de melding in 1982 heeft behandeld en naar de contacten in 2015. Op grond van het onderzoek wordt bezien of er aanleiding bestaat om maatregelen te treffen.
Is het tevens waar dat er «mogelijke openingen» om de heer Vreeburg hulp te bieden, zijn gegeven? Welke openingen waren dat?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u ons aangeven, mede gelet op het feit dat de krijgsmacht momenteel beschikt over vertrouwenspersonen, hoeveel meldingen er de afgelopen vijf jaar per jaar zijn gedaan van seksueel misbruik binnen het leger en in hoeveel gevallen heeft een melding geleid tot strafrechtelijke vervolging of arbeidsrechtelijke sancties? In hoeveel gevallen is sprake van een inmiddels verjaard feit?
Defensie beschikt over een netwerk van medewerkers die naast hun reguliere functie ook de functie van vertrouwenspersoon vervullen. In 2016 waren 623 defensiemedewerkers vertrouwenspersoon. Tevens zijn er zes fulltime Coördinatoren Vertrouwenspersonen (CVP). Het bespreken van een integriteitsschending met een vertrouwenspersoon is echter geen formele melding. Meldingen kunnen worden gedaan bij de leidinggevende, bij het meldpunt van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) of bij de Koninklijke Marechaussee (KMar).
Uit de registratie in het systeem «Melden van Voorvallen» blijkt dat sinds 2013 bij de leidinggevende of bij de COID 23 keer ongewenste aanrakingen of ernstiger is gemeld (vijf in 2013, vijf in 2014, twee in 2015, drie in 2016 en acht tot 1 juli 2017). Bij het merendeel van deze meldingen is tevens aangifte gedaan. Arbeidsrechtelijke sancties worden niet centraal geregistreerd.
Uit de registratie van de KMar blijkt dat er sinds begin 2013 in totaal 54 keer een melding is gedaan van (mogelijk) seksueel misbruik tussen defensiemedewerkers onderling (elf keer in 2013, acht keer in 2014, vier keer in 2015, dertien keer in 2016 en achttien keer tot nu toe in 2017). Het gaat hierbij om meldingen van uiteenlopende aard en ernst. De melder wordt altijd uitgenodigd bij de KMar voor een gesprek over het doen van aangifte. Niet in alle gevallen is sprake van een strafbaar feit en in sommige gevallen ziet de melder af van aangifte. Uit de gegevens van de KMar blijkt dat van de 54 meldingen in de afgelopen vijf jaar de zaak in twintig gevallen is overgedragen aan het Openbaar Ministerie (OM) om te beslissen over strafrechtelijke vervolging.
Het OM heeft laten weten dat in de periode van 1 januari 2012 tot en met 15 september 2017 bij het parket dat is belast met de behandeling van strafzaken tegen militairen 39 zaken zijn binnengekomen waarbij sprake is van verdenking van een of meer zedendelicten, variërend van ontucht tot verkrachting. Het verschil tussen het aantal zaken dat door de KMar is overgedragen en het aantal zaken dat bij het OM is binnengekomen, heeft te maken met het feit dat het voor vervolging van zedendelicten niet noodzakelijk is dat er aangifte is gedaan. Van die 39 zaken zijn 28 zaken geseponeerd wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De overige elf zaken zijn voorgelegd aan de rechtbank. Het is niet bekend in hoeveel van deze zaken sprake was van seksueel misbruik tussen militairen.
Coördineert de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) klachten over seksueel geweld met de Centrale Organisaties Integriteit? Zo ja, is er een gezamenlijke beleidslijn ontwikkeld? Zo nee, acht u een dergelijke coördinatie wenselijk en noodzakelijk?
De IGK en de COID hebben verschillende verantwoordelijkheden bij klachten over seksueel geweld. De COID beschikt, in tegenstelling tot de IGK, over een specifiek meldpunt voor integriteitsschendingen. In de praktijk verwijst de IGK personen met een klacht over integriteitsschendingen in de regel door naar de COID. Waar nodig is er op casusniveau overleg of wordt navraag gedaan.
Het spreekt vanzelf dat seksueel geweld onaanvaardbaar is bij Defensie. De gedragscode van Defensie onderstreept dit. Er is een breed instrumentarium om klachten te adresseren. Daarnaast is seksueel geweld uiteraard strafbaar onder het Wetboek van Strafrecht. Onder de Wet Militair Tuchtrecht is iedere commandant verplicht bij verdenking van een strafbaar feit aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de KMar. Bij zedendelicten geldt dat het OM de belangen van het slachtoffer nauw zal betrekken bij de beslissing om al dan niet tot vervolging over te gaan.
Deelt u de constatering van de voorzitter van de Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel (VBM) dat de helft van de slachtoffers na misbruik geen melding doet2? Zo nee, wat is uw inschatting en waar baseert u zich daarbij op? Bent u bereid met de VBM hierover in overleg te treden?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het percentage meldingen bij seksueel ongewenst gedrag. Op 24 juli 2014 ontving uw Kamer het rapport «Evaluatie Klokkenluidersregelingen» (Kamerstuk 33 258, nr. 29). Deze evaluatie heeft het adviesbureau Berenschot uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Volgens dit rapport blijkt dat van de respondenten uit de overheidssector die zeggen een vermoeden van een misstand te hebben 47 procent hiervan melding heeft gemaakt binnen de organisatie. Die cijfers gaan echter over misstanden in de werksfeer die niet direct gericht waren op de persoon zelf. Het rapport beklemtoont tevens dat vooral medewerkers van de politie en Defensie relatief vaak melden. Zij zouden beter bekend zijn met de regelingen op dit gebied.
Op 12 januari jl. ontving uw Kamer het rapport «Grenzen aan de eenheid» van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) (Kamerstuk 34 550, nr. 64). Volgens dit rapport is de meldingsbereidheid onder het defensiepersoneel over ongewenst gedrag laag. Tegelijkertijd is volgens het SCP in totaal 72 procent van de melders bij Defensie tevreden over het optreden van de leidinggevende na de melding.
Zoals gemeld in het Beleidsplan Diversiteit en Inclusiviteit (Kamerstuk 34 550, nr. 111) neemt Defensie deel aan een onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam naar de meldingsbereidheid bij organisaties. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek zal worden bepaald welke interventies nodig zijn.
Uiteraard ben ik bereid de meldingsbereidheid van personeel bij dergelijke integriteitsschendingen te bespreken met de centrales van overheidspersoneel.
Aan welke «additionele acties» denkt u inmiddels?3
Defensie heeft betrokkene na de berichtgeving in de media twee keer uitgenodigd voor overleg. Op beide uitnodigingen is hij ingegaan. Defensie heeft hem verschillende vormen van ondersteuning aangeboden en er is een zorgcoördinator beschikbaar gesteld. Voorts is hem uitgelegd dat een commissie van onderzoek zou worden ingesteld die zoveel mogelijk de feiten van de gebeurtenis in 1982 zal achterhalen. Ook de behandeling van de meldingen in 2015 wordt betrokken bij dit onderzoek. Defensie blijft met de melder in contact. Over de verdere inhoud van dit vertrouwelijke gesprek kan ik geen mededelingen doen.
Welke maatregelen neemt u om 1) de werkomgeving voor personeel bij Defensie veiliger te maken, 2) seksueel misbruik te voorkomen, 3) meldingsbereidheid te vergroten, 4) opvolging van meldingen te verbeteren en 5) daders harder aan te pakken?
Verantwoordelijkheid, integriteit en respectvol handelen in een veilige werkomgeving zijn onlosmakelijk verbonden met het werken bij Defensie. Deze principes staan beschreven in de gedragscode van Defensie.
Er wordt de laatste jaren binnen de defensieorganisatie nadrukkelijk aandacht besteed aan integer handelen, in de overtuiging dat morele vorming over werkdilemma’s een situatie bevordert waarin mensen elkaar durven en kunnen aanspreken.
Medewerkers worden tijdens opleidingen en via verschillende kanalen geïnformeerd over de wijze waarop meldingen kunnen worden gedaan bij integriteitsschendingen. Tevens worden leidinggevenden specifiek getraind in de omgang met integriteitsschendingen.
Medewerkers die regels overtreden worden bestraft. Het bestuursrecht en strafrecht zijn daarin leidend. Voor militairen geldt voorts de Wet Militair Tuchtrecht.
Welke specifieke aandacht besteedt u bij uw in antwoord op vraag 10 genoemde maatregelen specifiek aan seksueel misbruik tegen mannen?
In de aanpak van of de voorlichting over verschillende soorten ongewenst gedrag maakt Defensie geen onderscheid. Alle vormen van ongewenst gedrag hebben de aandacht. Een uitzondering op deze regel is gemaakt voor pesten. Voor deze vorm van ongewenst gedrag is een speciaal voorlichtings- en trainingspakket opgesteld.
De afschaffing van de huurtoeslag voor bewoners van vakantiewoningen |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ronald Plasterk (PvdA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending PAUW, 13 september 2017, waarin gesproken wordt over het stopzetten van toeslagen bij bewoners van vakantieparken?1
Ja.
Op welke manieren is er sinds het aannemen van het wetsvoorstel gecommuniceerd over de wetswijziging?
De Belastingdienst/Toeslagen communiceert over de regels van de huurtoeslag via zijn website. Ook is daar een nieuwsbericht geplaatst over de werkwijze van de Belastingdienst rond de beëindiging van de huurtoeslag.
Huurders van vakantiewoningen worden niet als afzonderlijke groep geadministreerd bij Belastingdienst/Toeslagen en zijn ook niet als groep herkenbaar in de basisadministraties. De registratie van vakantiewoningen verschilt per soort en per gemeente. Huurders van vakantiewoningen konden daarom niet vooraf individueel worden geïnformeerd over de wetswijziging.
Zijn er speciale maatregelen genomen om de belanghebbenden te informeren aangezien het hier vooral gaat om mensen die zeer waarschijnlijk geen Staatscourant zullen lezen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de gemeenten geïnformeerd over de wijziging?
Naar aanleiding van deze recente berichtgeving is gebleken dat de communicatie over de wijziging van de regels voor huurtoeslag voor vakantiewoningen op vakantiebestedingsbedrijven niet voor iedereen duidelijk is geweest.
Daarom heeft BZK de VNG gevraagd om gemeenten te informeren. De VNG zal de gemeenten via de geëigende kanalen informeren over de consequenties van de gewijzigde regels en de uitvoeringspraktijk van Belastingdienst/Toeslagen daarbij.
Hebben gemeenten de mogelijkheid om vakantiewoningen legaal permanent te laten bewonen? Komen deze woningen dan alsnog in aanmerking voor huurtoeslag?
Gemeenten kunnen permanente bewoning van vakantiewoningen toestaan door in het bestemmingsplan een woonbestemming toe te kennen, als dat niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en daar geen regels van de provincie en het Rijk aan in de weg staan. Daarnaast kan de gemeente permanente bewoning toestaan door, onder voorwaarden, een persoonsgebonden omgevingsvergunning te verlenen of een gedoogbeschikking af te geven aan iemand die een recreatiewoning al lange tijd onafgebroken bewoont. Het betreft hier verder een decentrale aangelegenheid waar het Rijk geen bemoeienis mee heeft.
Ongeacht of een gemeente permanente bewoning van een vakantiewoning op een vakantiebestedingsbedrijf heeft toegestaan, is er met ingang van 1 juli 2016 geen recht meer op huurtoeslag voor huurders van woningen die zich op een vakantiebestedingsbedrijf bevinden. Dit is het gevolg van het mogelijk maken van tijdelijke verhuur ten behoeve van de doorstroming op de woningmarkt.
De Belastingdienst kan bij kortdurende huur niet nagaan of sprake is van huur van woonruimte of van «huur naar zijn aard van korte duur», waaronder vakantieverhuur. Vandaar dat ervoor gekozen is om voor huur op vakantiebestedingsbedrijven in alle gevallen geen huurtoeslag toe te kennen.
Klopt het dat er pas berichten verzonden worden na het stopzetten van de huurtoeslag? Hoe verhoudt zich dat tot de belofte dat de huurtoeslag een maand na de brief wordt stopgezet?
Nee, dat klopt niet. De belanghebbende ontvangt eerst bericht voordat de huurtoeslag wordt beëindigd. In de casus die in de uitzending van Pauw aan de orde kwam, is deze werkwijze abusievelijk niet gevolgd omdat de huurtoeslag al was stopgezet voordat de belanghebbende hierover was geïnformeerd. Dit is inmiddels rechtgezet.
Op grond van de wet- en regelgeving had de huurtoeslag voor vakantiewoningen beëindigd moeten worden op het moment van inwerkingtreding van de wet. Voor nieuwe huurders van vakantiewoningen is het sindsdien niet meer mogelijk om huurtoeslag aan te vragen. Voor de zittende huurder van vakantiewoningen is, vanwege de situatie dat er geen overzicht was van de toeslagontvangers in vakantiewoningen, via de website van de Belastingdienst gemeld dat de betreffende huurders bericht zouden krijgen van de beëindiging en dat de huurtoeslag niet met terugwerkende kracht zou worden stopgezet. Binnenkort zal de huurtoeslag bij de meeste bewoners van vakantiewoningen zijn beëindigd. Daarom zal met ingang van 1 april 2018 de vanaf dat moment ontvangen huurtoeslag voor een vakantiewoning worden teruggevorderd. Huurders van vakantiewoningen kunnen terugvordering voorkomen door hun huurtoeslag zelf per 1 april 2018 stop te zetten. Dit zal ook worden gecommuniceerd via de website van de Belastingdienst/Toeslagen.
De termijn tussen aankondiging en stopzetting kan niet worden verlengd. Het is een vaste termijn die gehanteerd wordt voor alle toeslagen. De wet- en regelgeving biedt de Belastingdienst/Toeslagen geen mogelijkheid om hiervan af te wijken.
Waarom heeft het zolang geduurd voordat bewoners werden geïnformeerd? Bent u van mening dat een maand zeer kort is om een andere oplossing te vinden? Ziet u mogelijkheden om brieven eerder te versturen en een langere overgangstijd te gunnen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het beleidsplan 'Diversiteit & Inclusiviteit' |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u vn mening dat voor een gezonde en toekomstbestendige krijgsmacht zowel diversiteit als inclusiviteit een onlosmakelijk deel moet uitmaken van de identiteit van Defensie?
Ja.
Neemt u naast het beleidsplan «Diversiteit & Inclusiviteit»1 nog andere maatregelen naar aanleiding van het rapport «Grenzen aan de Eenheid» van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)2 om diversiteit en inclusiviteit te verankeren bij Defensie?
Nee. Het beleidsplan bevat alle maatregelen die worden genomen.
Wat zijn concreet uw doelstellingen met het beleidsplan «Diversiteit & Inclusiviteit»?
De doelstelling van dit beleidsplan is om een sociaal veilige arbeidsomgeving te bevorderen waarin mensen elkaar op een respectvolle manier kunnen aanspreken op elkaars gedrag. Daarnaast beoogt dit plan bij te dragen aan de «morele fitheid» van de organisatie waarbij integriteit centraal staat.
Uit het SCP-rapport blijkt dat specifiek beleid gericht op een of meer doelgroepen het risico van stigmatisering in zich draagt en daardoor minder effect heeft. Medewerkers willen niet als «doelgroep» worden gezien. Bovendien is er geen bewijs voor dat inclusiviteitsvraagstukken succesvol worden aangepakt met een doelgroepenbeleid. De effectiviteit van het beleid wordt gemeten aan de hand van het aantal meldingen en tussentijdse evaluaties. Aangezien zowel bij het defensiepersoneel als bij de doelgroepen het draagvlak voor (zichtbaar) voorkeursbeleid ontbreekt, moeten activiteiten die gerelateerd zijn aan diversiteit en inclusiviteit op een natuurlijke manier worden ingebed in bestaande processen. De kracht van bewustwording zit in de herhaling. Morele fitheid vergt doorlopend aandacht en voortdurend onderhoud op alle niveaus in de defensieorganisatie.
Binnen welk tijdsbestek denkt u uw doelstellingen van het beleidsplan «Diversiteit & Inclusiviteit» te behalen?
De activiteiten zijn reeds gestart en lopen door in de komende jaren. De uitvoering van het pakket aan activiteiten en interventies is een continu proces dat over vijf jaar zal worden geëvalueerd.
Heeft u kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s) aangeduid waarmee kan worden nagegaan hoe diversiteit en inclusiviteit zich binnen de krijgsmacht verhoudt ten opzichte van uw doelstellingen?
Zie antwoord vraag 3.
In het beleidsplan «Diversiteit & Inclusiviteit» spreekt u van een pakket van activiteiten en interventies die de komende jaren worden uitgevoerd. Kunt u uiteenzetten wat met de komende jaren wordt bedoeld?
Zie antwoord vraag 4.
Om de diversiteit van de krijgsmacht te stimuleren en te behouden wilt u het Multicultureel Netwerk Defensie (MND) inzetten om jongeren te werven. Hoeveel jongeren wilt u via deze weg werven?
Ja, naast de inzet van het MND is er in alle wervingscampagnes aandacht voor de wens dat het personeelsbestand van Defensie een juiste afspiegeling moet zijn van de samenstelling van de maatschappij. Het MND is één van de actoren bij het werven van jongeren. Er is geen aparte doelstelling geformuleerd voor het aantal te werven jongeren door het MND.
Gaat u naast het inzetten van MND andere activiteiten of interventies uitvoeren om diversiteit binnen de krijgsmacht te stimuleren en te behouden?
Zie antwoord vraag 7.
Per wanneer wordt de casuïstiek binnen de opleidingen van Defensie toegespitst op diversiteit en inclusiviteit?
In 2020 zullen de diversiteits- en inclusiviteitsthema’s in alle opleidingen verwerkt zijn.
U wilt op grond van een nog af te ronden onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam naar meldingsbereidheid bij organisaties bepalen welke interventies nodig zijn om de meldingsbereidheid van Defensiepersoneel omhoog te krijgen. Welke interventies gaat u tussentijds ondernemen om de meldingsbereidheid omhoog te krijgen bij Defensiepersoneel?
De Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) informeert medewerkers nu al via media, opleidingen en voorlichtingssessies over de wijze waarop meldingen kunnen worden gedaan. Ook zijn het afgelopen jaar diverse brochures beschikbaar gekomen en wordt de informatiekaart over ongewenst gedrag en het melden daarvan geactualiseerd.
De meldingsbereidheid hangt ook samen met de bedrijfscultuur. Rondom dit thema heeft de COID samen met het Expertisecentrum Leiderschap Defensie (ECLD) op 29 september 2016 een symposium georganiseerd met de titel «aanspreken en aanspreekbaar zijn». Het symposium is voor (beginnend) leidinggevenden en krijgt eind november 2017 een vervolg.
Meldingsbereidheid wordt ook beïnvloed door hoe er met meldingen wordt omgegaan. Daarom worden officieren in hun loopbaanopleidingen geschoold in het reageren op meldingen en kunnen zij een beroep doen op deskundigen van de COID.
Wat gaat u doen met regelgeving binnen Defensie die direct of indirect negatieve invloed heeft op een klimaat waarin er geen ruimte is voor gelijke en eerlijke kansen?
Momenteel wordt de regelgeving op alle terreinen waarop het beleidsplan Diversiteit & Inclusiviteit betrekking heeft, nader bekeken. Mocht uit deze doorlichting blijken dat huidige regelgeving een inclusief werkklimaat onvoldoende ondersteunt of zelfs hindert, dan zal die worden herzien.
Het bericht ‘Werkdruk justitiële inrichtingen vier keer hoger dan rest van werkend Nederland’ |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het enquête-onderzoek van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) waaruit naar voren komt dat de werkdruk in justitiële inrichtingen vier keer hoger ligt dan het geval is voor de rest van werkend Nederland?1 Bent u geschrokken van de bevindingen van de FNV?
Ja, ik heb kennisgenomen van de bevindingen van de FNV. De veiligheid en de werkdruk binnen de justitiële inrichtingen hebben mijn aandacht dus ook het FNV onderzoek over dit onderwerp. Recent is binnen DJI een Medewerkerstevredenheidsonderzoek (Mto) afgenomen. Bezien wordt hoe het FNV onderzoek kan worden betrokken bij de verschillende aanbevelingen uit het Mto.
Is het signaal dat volgens 90% van de ondervraagden de werkdruk het afgelopen jaar verder is toegenomen en dat volgens 75% van de ondervraagden dit the maken heeft met het feit dat er simpelweg te weinig collega’s zijn, voor u duidelijk genoeg om te investeren in meer personeel bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)? Zo ja, op welke termijn kunnen we deze investering verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld bij brieven van 29 mei en 11 oktober 20172 over de capaciteitsmaatregelen en op 12 september 2017 bij de beantwoording van mondelinge Kamervragen naar aanleiding van de «brandbrieven» van de Centrale Ondernemingsraad DJI (COR DJI)3, is DJI een wervingscampagne gestart voor nieuw executief personeel. In aanvulling hierop wordt ook geworven om de extra uitstroom van executief DJI-personeel te compenseren. De werving heeft de hoogste prioriteit voor DJI. Er is extra capaciteit vrijgemaakt om dit proces te bespoedigen. De werving leverde tot op heden (peildatum 25 september 2017) 5.333 sollicitatiebrieven op en sollicitatiebrieven komen nog steeds binnen. 96 vacatures zijn inmiddels vervuld. 242 kandidaten zijn vergevorderd in de procedures.
Vindt u, aangezien meer dan de helft van de ondervraagde werknemers aangeeft dat er vaak tot altijd onveilige situaties ontstaan door de te hoge werkdruk, dat de justitiële inrichtingen nog wel veilig genoeg zijn, voor zowel medewerkers als gedetineerden?
De veiligheid staat bij DJI voorop. In voornoemde brieven heb ik uw Kamer geïnformeerd over welke maatregelen DJI heeft genomen om de veiligheid in de penitentiaire inrichtingen te kunnen blijven garanderen. Juist door in lijn met de motie Krol4 de leegstand in sommige penitentiaire inrichtingen te concentreren en gedetineerden over te plaatsen naar inrichtingen waar wel voldoende gekwalificeerd personeel aanwezig is, kon verlichting van de werkdruk worden gerealiseerd en de veiligheid van het personeel en de gedetineerden worden gewaarborgd.
Kunt u op elk van de aanbevelingen, die gedaan worden in het onderzoek van de FNV, inhoudelijk reageren?
Ik ben me er terdege van bewust dat momenteel binnen DJI sprake is van een kwetsbaar evenwicht tussen leegstand, personele bezetting en het waarborgen van de veiligheid.
Om meer collega’s te werven (zie vraag 2) is een wervingscampagne gestart. Tot die tijd gelden de bij brief van 29 mei 2017 aangekondigde maatregelen: concentratie van personeel en gedetineerden, zodat de veiligheid kan worden gewaarborgd, er meer verlofmogelijkheden zijn en gezondere werkroosters.
Voor vakmanschap is 10 miljoen euro op jaarbasis beschikbaar gesteld voor 2017 en 2018. DJI gaat hiermee meer opleidingen en trainingen aan het personeel aanbieden.
Op 11 september 2017 heb ik uw Kamer gemeld dat de problematiek rond de werkdruk en de veiligheid binnen DJI onderwerp van gesprek is tussen de hoofddirecteur van DJI en de COR DJI5. Doel van dit overleg is te komen tot concrete maatregelen. Een aandachtspunt hierbij is dat de problematiek rond werkdruk en veiligheid lokaal verschilt en dat er per vestiging van DJI moet worden bezien welke maatregelen moeten worden getroffen. In dit kader vindt dit najaar een gezamenlijke bijeenkomst van de COR DJI, een afvaardiging van de vestigingsdirecteuren DJI en de vakbonden plaats.
Kunt aangeven hoe u er voor gaat zorgen dat de werkdruk bij de medewerkers van DJI flink omlaag gaat?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het eindverslag opgesteld door de Europese Commissie waarbij het systeem van documentencontroles aan de grenzen van de Europese Unie wordt geëvalueerd?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusies uit het eindverslag en in het bijzonder de constatering dat de documentcontrole van niet-dierlijke producten wordt uitgevoerd op basis van gescande en ge-e-mailde certificaten in plaats van de originele certificaten, waardoor de authenticiteit niet kan worden achterhaald? Kunt u in uw beantwoording ingaan op deze afzonderlijke punten?
Het rapport bevat conclusies met betrekking tot de documentcontrole van dierlijke producten enerzijds en van niet-dierlijke producten anderzijds. Daarnaast doet het rapport een constatering over de inrichting van twee bezochte inspectiecentra.
De conclusie uit het eindverslag voor wat betreft de documentcontroles bij het binnenbrengen van niet-dierlijke producten is in de vraag goed beschreven. Over de documentcontroles bij het binnenbrengen van dierlijke producten en dieren wordt geconcludeerd dat deze over het algemeen in overeenstemming zijn met de EU-voorschriften.
Ik erken de conclusies en de daarbij horende aanbevelingen. Voor de huidige werkwijze met betrekking tot de documentcontrole van niet-dierlijke producten is gekozen in verband met de andere rol die de documentcontrole hier speelt ten opzichte van de documentcontrole van dierlijke producten en dieren. Bij de documentcontrole van dierlijke producten en dieren worden certificaten gecontroleerd die zijn afgegeven door officiële autoriteiten en de producten zijn afkomstig van bedrijven die erkend zijn. Bij het binnenbrengen van niet-dierlijke producten geldt dit systeem van certificaten afgegeven door officiële autoriteiten en erkende bedrijven niet en ligt de nadruk op monsterneming. Partijen worden conform een vooraf opgesteld bemonsteringsplan bemonsterd en bij afwijking van de normen wordt handhavend opgetreden. Het uitvoeren van de documentcontrole van niet-dierlijke producten op basis van de originele certificaten zal niet leiden tot een betere borging van de voedselveiligheid en heeft bovendien grote impact op de doorlooptijd en daarmee op de kosten voor het bedrijfsleven.
Voordat de huidige werkwijze wordt veranderd, moeten de mogelijkheden en gevolgen van een andere werkwijze goed onderzocht worden. De NVWA heeft bij de Europese Commissie aangegeven dat hiervoor concrete acties worden geformuleerd en dat de Commissie hierover wordt geïnformeerd.
Wat is uw reactie op de constatering dat de bezochte faciliteiten tekortkomingen vertonen, die kunnen leidden tot onhygiënische situaties?
De constatering dat de bezochte faciliteiten tijdens de audit tekortkomingen vertoonden, is juist. Tijdens de inspectie van het inspectiecentrum van de Rotterdamse haven werd vastgesteld dat de rekken voor het lossen van onverpakte producten vies waren. Deze tekortkoming heeft niet geleid tot onhygiënische situaties, aangezien in dit inspectiecentrum nog nooit onverpakte producten ter keuring zijn aangeboden en de rekken derhalve nooit gebruikt zijn. Deze rekken bevonden zich bovendien niet in de inspectieruimte. Het inspectiecentrum wil de erkenning voor onverpakte producten behouden. Voor het behoud van deze erkenning zullen de rekken op korte termijn worden schoongemaakt en de werkwijze voor onverpakte producten protocollair worden vastgelegd. De overige tekortkomingen in het inspectiecentrum van de Rotterdamse haven zijn opgelost. De op Schiphol in het bezochte inspectiecentrum aangetroffen tekortkomingen zijn inmiddels ook opgelost. Het gescheiden in tijd keuren van bepaalde stromen van producten wordt nog protocollair vastgesteld.
Deelt u de mening dat dit eindverslag, zo kort na het fipronil-schandaal, het consumentenvertrouwen in de veiligheid van ons voedsel verder ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De Europese Commissie concludeert meerdere malen dat zaken goed geregeld zijn bij de uitvoering van de documentcontroles, bijvoorbeeld op het terrein van de opleiding en kwalificatie van het betrokken personeel. Het systeem van audits door de Europese Commissie zorgt voor een frisse blik van derden op de gekozen procedures en faciliteiten bij het toezicht. Er wordt geconstateerd waar deze niet afdoende zijn en op welke punten verbeteringen mogelijk en nodig zijn. De aanpak is een vorm van kwaliteitsborging die juist kan bijdragen aan het vertrouwen in het systeem van toezicht.
Welke stappen gaat u zetten om het consumentenvertrouwen in de veiligheid van ons voedsel te herstellen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, ben ik niet van mening dat de tekortkomingen die de Europese Commissie constateert tot schade aan het consumentenvertrouwen leiden.
Zijn u reeds situaties bekend waarbij de door de Europese Commissie vastgestelde omissies tot risicovolle situaties hebben geleid? Zijn u reeds gevallen bekend van risicovolle situaties waarbij consumenten- of diergezondheid ondermijnt is door deze vastgestelde omissies?
Als de Europese Commissie bij een audit in een lidstaat of derde land een risicovolle situatie constateert, heeft zij de mogelijkheid onmiddellijk ingrijpen van de bevoegde autoriteiten te eisen. Mij zijn van een dergelijk ingrijpen geen recente voorbeelden bekend; in Nederland hebben die zich niet voorgedaan.
Over het algemeen gaat het bij constateringen van de Europese Commissie niet om situaties waarbij de consumenten- of diergezondheid direct wordt geschaad, maar om situaties waarbij onvoldoende zeker is dat deze worden gewaarborgd. Een duidelijk voorbeeld van dit verschil is het volgende. Het zal bij een audit niet vaak voorkomen dat het auditteam constateert dat producten onvoldoende gekoeld zijn. Wel kan het team constateren dat het toezicht op het handhaven van de koelketen onvoldoende is, waardoor onvoldoende zeker is dat producten altijd voldoende gekoeld zijn.
Bent u bekend met de reactie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op het eindverslag, namelijk dat de beperkte bezetting in de zomerperiode het nog niet mogelijk maakt om concrete acties te formuleren?
Ja.
Deelt u de mening dat deze reactie op zijn minst opmerkelijk valt te noemen, aangezien de inspectie reeds in maart plaatsvond?
Nee, ik vind dit niet opmerkelijk. Deze reactie had alleen betrekking op de aanbeveling met betrekking tot de documentcontrole van niet-dierlijke producten. De audit vond weliswaar plaats van 27 tot en met 31 maart 2017, maar het ontwerpverslag van de audit is verschenen op 5 juli 2017. De reactie van de NVWA diende uiterlijk 9 augustus 2017 aan de Europese Commissie te worden gezonden. Zoals ik in de beantwoording op vraag 2 heb aangegeven, vergt de aanbeveling over de documentcontroles van niet-dierlijke producten ingrijpende acties, die in de zomermaanden inderdaad niet eenvoudig kunnen worden geformuleerd. Voorafgaand aan het formuleren van concrete acties zal een impactanalyse uitgevoerd worden, waarbij wordt gekeken naar de extra capaciteit die nodig is voor het uitvoeren van de documentcontroles en ook naar de impact op het bedrijfsleven.
Bent u van de plan de in het eindverslag genoemde aanbevelingen over te nemen? Zo ja, op welke wijze gaat u hier invulling aan geven? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Ja. De NVWA heeft de Europese Commissie meegedeeld dat zij er naar streeft de tekortkomingen in de uitrusting van de inspectiecentra voor 1 oktober 2017 weg te nemen. In de beantwoording van vraag 3 is reeds aangegeven dat zo goed als alle tekortkomingen zijn opgeheven.
Zoals ik in de beantwoording van vraag 2 heb aangegeven vergt het invoeren van nieuwe procedures voor de documentcontrole van niet-dierlijke producten meer tijd. Ik laat de NVWA een impactanalyse uitvoeren en zal vervolgens in overleg met de NVWA bepalen welke acties worden ingezet en op welke termijn die gerealiseerd kunnen worden.
Kunt u in het kader van bovenstaande aangeven hoever de overheid en afzonderlijke overheidsdiensten inmiddels gevorderd zijn met de implementatie van digitale innovaties in het vrachtproces, zoals het digitaliseren van vrachtbrieven en pre-arrival clearance, zodat het proces verder kan worden geoptimaliseerd en de kans op (menselijke) fouten verder afneemt? Zo nee, waarom niet?
De bezwaren van de Europese Commissie waren juist gericht op procedures die niet uitgingen van originele documenten. Het invoeren van digitale innovaties wordt door het benadrukken van de noodzaak om uit te gaan van de originele papieren juist extra belemmerd. Met de impactanalyse en de daarop volgende plannen moet duidelijk worden hoe met deze tegenstrijdigheid kan worden omgegaan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat het ROC West-Brabant onwettig lesgeld vraagt |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het ROC West-Brabant meer dan het wettelijke toegestane les- of cursusgeld vraagt aan studenten die «niet financieel aantrekkelijk» zijn voor de instelling, omdat anders een aantal opleidingen niet rendabel zijn en zouden moeten verdwijnen?1
Dit soort situaties vind ik zeer onwenselijk en onaanvaardbaar. Het is van groot belang dat het onderwijs toegankelijk is voor iedereen, ongeacht zijn of haar achtergrond of voorgeschiedenis. Artikel 8.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) verbiedt onderwijsinstellingen om de inschrijving afhankelijk te stellen van een andere dan een bij of krachtens de WEB geregelde geldelijke bijdrage. Dit betekent dat instellingen hun studenten niet kunnen verplichten tot het betalen van een geldbedrag als voorwaarde om te kunnen worden ingeschreven anders dan het wettelijk verschuldigde les- of cursusgeld.
Na contact met de betreffende instelling blijkt dat het gaat om een geïsoleerd incident, waarbij één opleidingsmanager van het Radius College, onderdeel van ROC West-Brabant, verkeerd heeft gehandeld. Door ingrijpen van het bevoegd gezag zijn er geen bedragen gefactureerd.
Op hoeveel instellingen middelbaar beroepsonderwijs (mbo-instellingen) is er sprake van het vragen van meer dan het wettelijk toegestane les- en of cursusgeld aan studenten die langer over hun mbo-opleiding doen of willen stapelen?2
Mij zijn op dit moment geen concrete signalen bekend dat andere mbo-instellingen meer dan het wettelijk toegestane les- en of cursusgeld aan studenten vragen, die reeds langere tijd in het mbo staan ingeschreven of willen stapelen. Om een dergelijke ongewenste situatie te voorkomen zal ik de Inspectie van het Onderwijs verzoeken om hier tijdens het reguliere toezicht extra op te letten. Bovendien zal ik de MBO Raad vragen nog eens bij de mbo-instellingen onder de aandacht te brengen dat het verboden is de inschrijving afhankelijk te stellen van een andere geldelijke bijdrage dan het les- of cursusgeld.
Deelt u de mening dat dit het gevolg is van de manier waarop het mbo wordt bekostigd en dat door dit bekostigingsmodel – de cascadebekostiging – financiële belangen boven het belang van de mogelijkheid tot stapelen van de student komen te staan en daarmee kansenongelijkheid wordt vergroot? Kunt u uw antwoord toelichten?
Die mening deel ik niet. De cascade is een onderdeel geworden van de recente bekostiging en ingevoerd om instellingen te stimuleren studenten met behulp van een adequate intake en een goede loopbaanbegeleiding in de juiste opleiding in te schrijven, op het juiste niveau en met uitzicht op een plek op de arbeidsmarkt. Het is niet gewenst dat studenten onnodig lang hun opleiding moeten volgen, zij ervaren dit als «ophokken». Ook hebben studenten eerder aangeven het mbo-onderwijs als te weinig uitdagend te ervaren. Om die reden is ook de opleidingsduur van een groot aantal opleidingen teruggebracht van vier naar drie jaar. Bij de invoering van de nieuwe bekostiging zijn zorgen uitgesproken over het effect van de (oorspronkelijke) cascade op vierjarige opleidingen en op het stapelen door studenten. Naar aanleiding daarvan heb ik de cascade afgezwakt waardoor het effect minder scherp is geworden. Ik ben van mening dat daarmee een goed evenwicht is gevonden tussen de bekostiging van studenten in korte intensieve opleidingen en de bekostiging van studenten die meer tijd nodig hebben om hun opleiding succesvol af te ronden. Het is aan de instelling om de middelen van hun lumpsum bekostiging zo te verdelen over de opleidingen dat ook studenten die meer tijd nodig hebben, succesvol aan het onderwijs kunnen deelnemen.
Aanvullend hierop heb ik in het kader van gelijke kansen 12 miljoen beschikbaar gesteld voor instellingen die ten opzichte van andere instellingen veel studenten binnenkrijgen zonder diploma of met een diploma op een laag niveau en om die reden meer tijd nodig hebben om hun opleiding af te ronden.
Acht u het wenselijk dat de betreffende studenten de dupe zijn van dit bekostigingsmodel en in feite zorg moeten dragen voor het behoud van enkele opleidingen op het Radius College? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is in strijd met de wet om van studenten een geldelijke bijdrage te vragen omdat ze om welke reden dan ook langer in het mbo verblijven. Dat is ook niet nodig. Zoals in mijn vorige antwoord is gesteld, ontvangen mbo-instellingen bekostiging voor het verzorgen van het beroepsonderwijs. Ik verwacht van de bestuurders van de instellingen dat zij deze middelen op een goede manier verdelen binnen de instelling en daar inzetten waar ze nodig zijn.
Hoe is het mogelijk dat er sprake is van het vragen van meer dan het wettelijke toegestane les- of cursusgeld door het ROC West-Brabant, ondanks dat dit kabinet twaalf miljoen euro heeft vrijgemaakt om mbo-studenten aan te moedigen om een mbo-diploma op hoger niveau te halen? Is het feit dat er extra geld bij moet om stapelen in het mbo te stimuleren volgens u geen teken dat het bekostigingsmodel van het mbo niet deugt en dat dit kabinet er niet in geslaagd is de kansenongelijkheid in het mbo te verkleinen? Kunt uw antwoord toelichten?3
Het is niet toegestaan om meer dan het wettelijk toegestane les- of cursusgeld te vragen aan studenten. Zoals u ook kunt lezen in de toelichting bij de Regeling compensatie langere inschrijvingsduur, die voor de verdeling van deze twaalf miljoen is gemaakt, zijn deze middelen bedoeld voor instellingen die te maken hebben met relatief veel laag opgeleide studenten die (mede) daardoor lang in het mbo verblijven. ROC West Brabant komt overigens niet in aanmerking voor deze regeling omdat zij onder het landelijk gemiddeld vallen en daarom met de reguliere middelen ook deze studenten onderwijs kunnen bieden.
Bent u bereid om uw opvolger mee te geven dat mbo-instellingen voldoende gefinancierd moeten worden, zodat de meest passende opleiding voor een mbo-student op onderwijsinhoudelijke gronden gekozen kan worden in plaats van op basis van financiële argumenten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben uiteraard van mening dat mbo-instellingen voldoende gefinancierd moeten worden om elke student een passende opleiding aan te bieden. Ik vind ook dat mbo-instellingen hiervoor thans voldoende middelen ontvangen en zelf in staat moeten zijn om een goede verdeling over de opleidingen te maken zodat elke student een passende opleiding aangeboden krijgt.
Daarnaast ben ik de mening toegedaan dat instellingen verstandig moeten omgaan met belastinggeld en niet studenten onnodig lang ingeschreven houden of laten stapelen puur vanuit financieel oogpunt. Daar zijn de studenten niet mee gediend. Zij vragen om uitdagend beroepsonderwijs en een opleiding met zicht op werk. Ik vind het wel goed als een instelling een student stimuleert voor een opleiding met arbeidsmarktperspectief te kiezen dan wel de student erop aanspreekt de nodige inzet te plegen om zijn diploma in de daarvoor gestelde tijd te behalen. Maar daar mag door de instelling geen aanvullende financiële vergoeding voor gevraagd worden.
Het bericht dat legionella doden blijft maken door de lakse bouwwereld. |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Ronald Plasterk (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Door lakse bouwwereld blijft legionella doden maken»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het kennisinstituut ISSO dat de bouw de gevaren van legionella blijft onderschatten en dat er daardoor elk jaar onnodig tientallen doden vallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de rol van uw ministerie geweest bij de aanpak van het probleem?
Ik ben het met ISSO eens dat een goed ontwerp en correcte aanleg van de drinkwaterinstallatie belangrijk is om groei van legionella in drinkwater te voorkomen. Ik vind het ook goed dat dit door ISSO onder de aandacht wordt gebracht. Door mijn ambtsvoorganger en de ambtsvoorganger van de Minister van IenW is al eerder geconstateerd dat dit onderwerp aandacht behoeft. In de brief aan uw Kamer van 2 maart 2016 (Kamerstuk 34 297, nr. 3) stelt de Minister van Infrastructuur en Milieu dat «legionellapreventie bij het ontwerpen en bouwen van een gebouw nog te weinig aandacht krijgt, en de installateurs (die pas laat in het proces worden ingeschakeld) zich dan voor voldongen feiten geplaatst zien.» In de brief aan uw Kamer van 7 november 2016 (Kamerstuk 27 625, nr. 379) meldt de Minister van IenM dat mijn ambtsvoorganger een subsidie heeft verleend voor het opstellen van een CUR-Aanbeveling specifiek gericht op het legionellaveilig ontwerpen van gebouwen. Naast de praktijkrichtlijnen van ISSO, die vooral van belang zijn voor de waterleidinginstallateurs, kan dit instrument er voor zorgen dat ook in de ontwerpfase rekening wordt gehouden met het voorkomen van legionella. Deze CUR-Aanbeveling 120 Legionellaveilige gebouwen is in juni 2017 uitgebracht.
Voor wat betreft het aantal slachtoffers dat genoemd is in de vraag het volgende: Aangetoond is dat een deel van de patiënten besmet wordt via een drinkwaterinstallatie, maar er zijn ook andere besmettingsbronnen van legionella, zoals whirlpools en natte koeltorens. Dat betekent dat niet alle sterfte aan legionella kan worden toegeschreven aan drinkwaterinstallaties. Er is dus onvoldoende onderbouwing voor de stelling in het genoemde krantenartikel dat er jaarlijks enkele tientallen onnodige doden vallen door onderschatting van de gevaren bij de aanleg van drinkwaterinstallaties. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 4.
Klopt het dat de zogenaamde praktijkrichtlijnen voor het aanbrengen van koude en warme zones nauwelijks toegepast worden? Wie houdt daar toezicht op of zou dat moeten doen? Deelt u de gedachte dat als een gebouw eenmaal bouwkundig is ingedeeld, het afwijken van de richtlijnen soms onvermijdelijk is? Zo ja, wat is dan het nut van het opstellen van regels?
De stelling dat praktijkrichtlijnen nauwelijks worden toegepast is een constatering van ISSO op basis van een online enquête die circa 250 personen hebben ingevuld. Ik beschik niet over concrete informatie die deze stelling bevestigt.
De in de vraag bedoelde praktijkrichtlijnen zijn ISSO-richtlijnen die een praktische invulling geven aan de eisen uit de norm NEN 1006 die in het Bouwbesluit 2012 van toepassing is voor drinkwaterinstallaties. Het toezicht op de naleving van het Bouwbesluit 2012 is een taak van de gemeente. Ik deel de gedachte dat als bij het ontwerp van een gebouw onvoldoende rekening is gehouden met de regels, dit bij de uitvoering er toe kan leiden dat ook uiteindelijk niet aan de regels uit het Bouwbesluit kan worden voldaan. Dit betekent praktisch dat voor de naleving van het Bouwbesluit zowel het ontwerp als de uitvoering moeten voldoen. De in mijn antwoord op vraag 2 genoemde CUR-Aanbeveling beoogt dat een ontwerp zo wordt gemaakt dat de uitvoering op de bouwplaats daadwerkelijk kan voldoen aan de regels.
Deelt u de conclusie dat legionella 20 tot 30 dodelijke slachtoffers per jaar veroorzaakt en een veelvoud aan zieken? Hoe verklaart u dat kennelijk bewustwording, aandacht en controle te kort schieten? Welke stappen worden of zijn ondernomen om bewustwording, aandacht en controle beter te organiseren?
Een deel van de patiënten loopt Legionellose op in het buitenland, een deel in Nederland. Hieronder wordt nader ingegaan op de patiënten die in Nederland met de Legionellabacterie zijn besmet. In de jaren 2005–2016 varieerde het aantal overlijdens tussen de 8 en 20 personen. In 2017 zijn tot en met september 20 overlijdens gemeld bij het RIVM. Het aantal ziektegevallen door de Legionellabacterie ligt inderdaad hoger. Het aantal in Nederland opgelopen infecties varieerde in de periode 2005–2016 tussen 135 en 324, waarbij er de laatste jaren sprake is van een stijgende trend. Het werkelijke aantal zieken door een Legionella-infectie is waarschijnlijk hoger. Door beperkingen in de diagnostiek kan de infectie bij een deel van de patiënten niet worden vastgesteld. Zoals ook uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt was tot nu toe vooral bij het ontwerp van gebouwen onvoldoende aandacht voor de problematiek. De recent uitgebrachte CUR-Aanbeveling 120 zal naar verwachting er voor zorgen dat bij het ontwerp van gebouwgebonden waterleidinginstallaties beter rekening gehouden wordt met het voorkomen van legionella. Ook kan deze CUR-aanbeveling door gemeenten gebruikt worden bij de beoordeling van bouwplannen en het toezicht op de uitvoering.
Het bericht ‘Studeren vanuit een camper’ |
|
Paul van Meenen (D66), Jessica van Eijs (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Studeren vanuit een camper»?1
Ja.
Erkent u dat de problematiek niet alleen geldt voor internationale studenten, maar ook geldt voor andere studenten in Nederlandse studentensteden?
Er is in veel Nederlandse studentensteden sprake van krapte op de woningmarkt. Er is onvoldoende per direct beschikbare huisvesting om alle groepen woningzoekenden, waaronder internationale en Nederlandse studenten, te kunnen huisvesten.
Kunt u deze problematiek kwantificeren door middel van cijfers per studentenstad te geven over de tekorten aan woonruimte voor (inter)nationale studenten en cijfers van de bouwproductie in deze steden voor de komende vijf jaar?
Er zijn geen exacte aantallen per studentenstad te geven. Wel zijn er in de Landelijke monitor studentenhuisvesting 2016 gegevens beschikbaar over het verschil tussen het huidig aantal uitwonende studenten en het aantal studenten dat in een stad wenst te wonen. Ondanks dat deze cijfers niet gelijk staan aan de vraag en het aanbod in een stad van studentenhuisvesting, geven ze wel een indicatie in hoeverre er sprake is van krapte op de woningmarkt per stad. Zie onderstaande tabel uit de Landelijke monitor studentenhuisvesting 2016.
Tabel 1. Huidig aantel en verschil tussen huidig en gewenst aantal uitwonende voltijdstudenten naar woonstad, collegejaren ’13-’14, ’14-’15 en ’15-’16 (Bron: DUO, CBS en enquête «Wonen als Student 2014, 2015 en 2016»)
Het is moeilijk om toevoegingen aan de woningvoorraad onder te verdelen in een deel regulier en een deel studentenhuisvesting. Wel hebben wij gegevens die uit het actieplan studentenhuisvesting 2003–2010 en het landelijk actieplan studentenhuisvesting 2011–2016 voortkomen.
In het actieplan studentenhuisvesting 2003 -2010 is de ambitie opgenomen van de in Kences deelnemende corporaties om voor 2010 12.000 eenheden studentenhuisvesting aan de bestaande voorraad toe te voegen. De uitvoering hiervan is voortvarend ter hand genomen. Uiteindelijk zijn er door de Kencesleden 16.800 eenheden studentenhuisvesting gerealiseerd en zaten er destijds nog 2.000 extra eenheden in het vat.
Ten aanzien van de doelstelling uit het Landelijk actieplan studentenhuisvesting 2011–2016 van het realiseren van studenteneenheden door studentenhuisvesters (verenigd in Kences) heeft de Minister van BZK u in de voortgangsrapportage van september 2015 (Kamerstuk 33 104, nr. 10) gemeld dat de realisatie van extra eenheden naar verwachting uitkomt op 17.708. Dit is exclusief de 9.142 in voorbereiding zijnde eenheden. Daarnaast bouwden ook private partijen en andere woningbouwcorporaties studentenwoningen. Uit cijfers van 2015 blijkt dat naar verwachting het totaal aantal opgeleverde (10.663) en in aanbouw zijnde (1.921) eenheden van de niet-Kencesleden uitkomt op 12.584.
Tevens vindt u in onderstaande tabel de raming van de woningbouwproductie per stad voor de jaren 2015–2019 en de jaren 2020–2024.
2015–2019
2020–2024
Totaal
Amsterdam
34.065
35.544
69.609
Arnhem
3.934
4.517
8.451
Breda
4.469
4.902
9.371
Delft
2.505
2.710
5.215
Den Haag
12.131
13.667
25.798
Deventer
2.546
1.768
4.314
Ede
1.941
2.530
4.471
Eindhoven
5.989
5.872
11.861
Enschede
2.247
1.990
4.237
Groningen
5.483
5.698
11.181
Leeuwarden
1.788
2.195
3.983
Leiden
3.504
1.796
5.300
Maastricht
1.802
1.079
2.881
Nijmegen
6.470
5.810
12.280
Rotterdam
12.166
18.336
30.502
's-Hertogenbosch
4.238
3.600
7.838
Tilburg
5.778
4.856
10.634
Utrecht
11.104
14.212
25.316
Wageningen
1.250
655
1.905
Zwolle
4.061
3.079
7.140
In hoeverre wordt er verder gekeken dan de stadsgrenzen voor het oplossen van deze problematiek? Zo ja, in hoeverre wordt hier dan ook rekening gehouden met het beschikbare openbaar vervoer? Zo nee, waarom wordt niet verder gekeken dan de stadsgrenzen?
Of er verder wordt gekeken dan de stadsgrenzen verschilt per stad. In Amsterdam wordt er middels de oproep van de Coalitie Kennisstad (een coalitie bestaande uit de hoger onderwijsinstellingen en de studentencorporaties in Amsterdam) aandacht gevraagd voor deze krapte.
Drempels bij het gebruik van de blijverslening |
|
Henk Nijboer (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de signalen over de ervaren drempel bij de invoering van de blijverslening, zoals die verstrekt wordt door het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het signaal dat in de huidige opzet van de regeling vooral mensen in aanmerking komen die zonder deze lening de middelen ook hadden gehad voor woningaanpassingen, en niet mensen met uitsluitend AOW of een klein pensioen maar eventueel wel met overwaarde op de woning?
De blijverslening is een lening van de SVn waarmee de gemeenten hun inwoners kunnen ondersteunen om hun woningen levensloopbestendig te maken en burgers langer zelfstandig kunnen blijven wonen. De blijverslening is gebaseerd op een gemeentelijke regeling waarin wordt aangegeven voor wie, voor welke maatregelen en onder welke voorwaarden de blijverslening beschikbaar is. Het SVn verzorgt de aanvraagprocedure, de financiële toets en verstrekt de lening.
De lening kan hypothecair of consumptief worden afgesloten. Voor beide leningen geldt dat de hoogte van het te lenen bedrag afhangt van de te nemen maatregelen voor woningaanpassing en of betrokkene voldoet aan de toetsingscriteria van de gemeente of provincie.
Omdat er sprake is van een hypothecair of consumptief krediet moet worden beoordeeld of het aangevraagde krediet verantwoord is. Na toewijzing door de gemeente toetst SVn of de lening past binnen de inkomensnormen (loan-to-income) zoals deze zijn opgenomen in de Gedragscode consumptief krediet (voor consumptief krediet) of de Tijdelijke regeling hypothecair krediet (voor hypothecair krediet). Het is van belang dat betrokkene na het betalen van rente en aflossing van de lening voldoende overhoudt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Of een nieuwe lening past binnen de inkomensnormen hangt af van de hoogte van het inkomen, maar ook van de overige financiële verplichtingen. Als de gewenste hoogte van de blijverslening niet past bij de inkomenssituatie kan de lening niet verstrekt worden omdat dit tot overkreditering zou leiden. Op basis van toetsing op de inkomensnormen kan het voorkomen dat iemand met een laag inkomen en geen andere leningen wel in aanmerking komt voor een blijverslening, terwijl iemand met een hoog inkomen en hoge hypotheeklasten niet in aanmerking komt voor de blijverslening.
Mensen met een beperking kunnen daarnaast in aanmerking komen voor de Wmo2015. Gemeenten hebben de taak om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en in dat verband een goede toegankelijkheid te bevorderen van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te leveren aan hun inwoners zodat zij zelfstandig kunnen participeren in de maatschappij.
Hoeveel gemeenten maken op dit moment concreet gebruik van de regeling via SVn? Hoe beoordeelt u dit ten opzichte van initiële berichten dat circa 100 gemeenten overwogen om deze regeling in te voeren?2
SVn voert gesprekken met een groot aantal gemeenten over het doel van de blijverslening, hoe de blijverslening opgezet kan worden en de benodigde stappen voor invoering. SVn merkt hieruit grote mate van interesse onder gemeenten. De afgelopen maanden heeft een aanzienlijk aantal gemeenteraden de verordening tot invoering van de blijverslening aangenomen. Op dit moment bieden 59 gemeenten de blijverslening aan. Van deze 59 bieden 44 gemeenten de blijverslening als hypothecair en als consumptief krediet aan. De overige 15 gemeenten hebben er uitsluitend voor gekozen om de blijverslening in de vorm van een hypothecair krediet aan te bieden.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid van de blijverslening nog steeds een positieve ontwikkeling die mensen kan stimuleren en ondersteunen een woning aan te passen en zo langer in een eigen woning kunnen blijven wonen? Zo ja, bent u bereid om in gesprek te gaan met SVn om te bezien hoe de regeling binnen afzienbare tijd aangepast kan worden, zodat mensen met een beperkte AOW en klein pensioen – maar die wel de overwaarde op de woning hebben om een dergelijke lening voor investering in de levensloopbestendigheid verantwoord te kunnen doen – die ook kunnen gebruiken? Zo nee waarom niet?
Ik deel de mening dat de mogelijkheid van de blijverslening een positieve ontwikkeling is die mensen kan stimuleren en ondersteunen een woning aan te passen en zo langer in een eigen woning te kunnen blijven wonen. Er is regelmatig overleg met SVn over de leningen die zij aanbieden. Uit deze gesprekken heb ik vernomen dat SVn bezig is met de ontwikkeling van een blijverslening in andere vorm die tegemoet kan komen aan de ervaren problematiek van mensen met een beperkte AOW of een klein pensioen. Dit product zal naar verwachting medio 2018 aangeboden worden aan gemeenten.
Ook in het platform maatwerk3 waar met de sector gesproken wordt over knelpunten bij hypotheekverstrekking is aandacht geweest voor hypotheekverstrekking aan ouderen. Dit heeft er onder meer toe geleid dat de Autoriteit Financiële Markten heeft verduidelijkt hoe kredietverstrekkers verantwoord aflossingsvrije kredieten aan senioren kunnen verstrekken. Dergelijke kredieten kunnen ook aangewend worden voor woningaanpassing. Daarnaast heb ik vernomen dat er marktpartijen zijn die tegemoet komen aan deze vraag door verzilverproducten aan te bieden waarmee personen hun overwaarde kunnen benutten zonder dat dit tot hoge maandlasten leidt.
Het bericht ‘FNV: doorgeslagen flex in kinderopvang’ |
|
Zihni Özdil (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FNV: doorgeslagen flex in kinderopvang»?1
Ja.
Hoe evalueert u de marktwerking in de kinderopvang? Acht u die geslaagd?
In de beleidsdoorlichting Kinderopvang, die op 23 december 2015 aan u is aangeboden is ondermeer uitgebreid gekeken naar het functioneren van de Nederlandse kinderopvangmarkt (Kamerstuk 30 982, nr. 27). Uit deze evaluatie van de werking van de kinderopvangmarkt blijkt dat de kinderopvangmarkt werkt voor ouders en kinderen, zowel in termen van financiële als van fysieke toegankelijkheid. Daarnaast is de arbeidsparticipatie van moeders in Nederland relatief hoog ten opzichte van de landen om ons heen. Hierin speelt de kinderopvangmarkt vanzelfsprekend een belangrijke rol. In die zin dient de kinderopvangmarkt de maatschappelijke doelen rond kinderopvang dus naar behoren. Wel vind ik het van belang dat er een goede balans bestaat tussen de voordelen van marktwerking, betaalbaarheid, een uitgebreid aanbod voor ouders en kinderen, en het belang van de werknemers in de sector.
Deelt u de conclusie van de FNV dat er sprake is van een «flexverslaving» bij werkgevers in de kinderopvang? Zo nee, waarom niet?
Kinderopvang is een conjunctuurgevoelige sector. Dit komt door het grote effect van werkloosheid op de vraag naar kinderopvang. Als bijvoorbeeld een van de ouders uit een gezin zijn of haar baan verliest, vervalt (na enige tijd) het recht op kinderopvangtoeslag en gaan de kinderen vaak niet meer naar de opvang. Andersom zien we dat als de economie weer aantrekt, de vraag naar kinderopvang heel snel stijgt. Dit hebben we de afgelopen jaren ook gezien. In de crisisjaren is de vraag naar kinderopvang sterk gedaald, terwijl vanaf 2014 de verhogingen van de kinderopvangtoeslag en het herstel van de economie voor een sterke toename in de vraag naar kinderopvang hebben gezorgd. Werkgevers geven aan een flexibele schil nodig te hebben om deze scherpe schommelingen in de vraag op te kunnen vangen.
Met de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) heeft het kabinet beoogd een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt te bereiken en de doorstroom van flexibele naar vaste arbeidsrelaties te bevorderen. Uiteraard dient enige mate van flexibiliteit op de arbeidsmarkt behouden te blijven, maar de tendens om steeds vaker gebruik te maken van flexibele contracten waar het eigenlijk structureel werk betreft, was een belangrijke reden voor invoering van de Wwz. Dit uitgangspunt dient ook leidend te zijn voor werkgevers in de kinderopvang, zodat er voldoende aandacht is voor de wensen van medewerkers in de sector, die behoefte hebben aan duidelijkheid en zekerheid over het te werken aantal uren en hun salaris.
Het is in eerste instantie aan werkgevers en werknemers in de sector om een juiste balans te vinden tussen zekerheid en flexibiliteit. Daarnaast gelden in de kinderopvangsector specifieke wettelijke eisen, zoals het «vaste gezichtencriterium», die de mogelijkheden van werkgevers om medewerkers flexibele contracten te geven beperken. Tot slot is het aannemelijk dat door de groeiende vraag naar personeel de positie van medewerkers in de kinderopvang versterkt zal worden, omdat werkgevers vanwege een krappere arbeidsmarkt zullen moeten concurreren op arbeidsvoorwaarden (en contractvormen).
Deelt u de mening dat er door het kabinetsbeleid van het afgelopen decennium met betrekking tot de kinderopvangtoeslag veel onzekerheid in de sector is ontstaan, waardoor werkgevers huiverig zijn geworden om mensen vaste contracten te geven? Zo nee, waarom niet?
De sector is in het afgelopen decennium hard geraakt door de economische crisis en de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag. Ik begrijp dat dit voor onzekerheid heeft gezorgd bij werkgevers. Ik deel de mening dat het belangrijk is dat de overheid zo veel als mogelijk voorspelbaar is in haar beleid. Ook is sinds 2014 (m.u.v. 2015), de kinderopvangtoeslag steeds verhoogd, wat – naast de aantrekkende economie – heeft bijgedragen aan het herstel van de sector. Dit neemt vanzelfsprekend niet weg dat de werkgever altijd de verantwoordelijkheid draagt voor goed werkgeverschap.
Wat gaat u doen om de sector meer financiële stabiliteit te bieden?
Zoals hierboven genoemd, vind ik het belangrijk dat de overheid zoveel mogelijk voorspelbaar is in haar beleid. Daar hoort ook bij dat de overheid zoveel als mogelijk financiële stabiliteit biedt aan ouders en kinderopvangaanbieders. Ik ben mij er van bewust dat de vraag naar kinderopvang mede afhankelijk is van de hoogte van de kinderopvangtoeslag. Dit kabinet heeft de kinderopvangtoeslag sinds 2014 (m.u.v. 2015) jaarlijks verhoogd. Toekomstige beslissingen over de hoogte van de kinderopvangtoeslag zijn vanzelfsprekend aan een nieuw kabinet.
Kan het omvormen van de kinderopvang tot een publieke voorziening leiden tot meer vaste contracten? Bent u bereid dit verder te onderzoeken?
Wat ik belangrijk vind, is dat kinderopvang zowel financieel als fysiek goed toegankelijk is voor ouders en een goede kwaliteit biedt, zodat ouders in staat worden gesteld met een gerust hart te gaan werken. Gezien de werking van de kinderopvangmarkt (zoals toegelicht in vraag 1), acht ik een vergaande systeemverandering als het omvormen van de kinderopvangsector tot een publieke voorziening niet in het belang van ouders en kinderen en niet in het belang van de stabiliteit in de sector. Op dit moment ben ik niet bereid de effecten ervan verder te onderzoeken, mede omdat een dergelijke afweging aan mijn opvolger is.
Het bericht dat de helft van de gemeenten nauwelijks iets doet tegen radicalisering |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Helft gemeenten doet nauwelijks iets tegen radicalisering»?1
Ja
Wat vindt u ervan dat niet alleen de Inspectie Veiligheid en Justitie maar ook de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zelf constateert dat kleine en middelgrote gemeenten geen antiradicaliseringsbeleid voeren?
Het Inspectierapport geeft aan dat grote gemeenten meer activiteiten uitvoeren om radicalisering tegen te gaan dan kleine gemeenten en ook vaker specifiek beleid hiervoor hebben. Middelgrote gemeenten zitten hier tussenin. Niet elke gemeente hoeft een apart en grootschalig beleid te voeren te aanzien van radicalisering. Wel vind ik het, evenals de VNG, van belang dat op regionaal niveau de problematiek in kaart is gebracht, kennis en kunde op orde is en samenwerkingsverbanden en structuren bestaan waarbij bijvoorbeeld signalen kunnen binnenkomen en worden opgevolgd. Deze structuren bestaan en worden de komende jaren verder ontwikkeld.
Sinds 2016 stel ik middelen beschikbaar via de versterkingsgelden ter ondersteuning van de lokale aanpak. Gemeenten die te maken hebben met de problematiek kunnen gebruik maken van deze gelden om hun aanpak van jihadistische radicalisering te versterken. Daarbij worden gemeenten die versterkingsgelden ontvangen gestimuleerd om ook kleine en middelgrote gemeenten in hun regio in de uitvoering van hun plannen te betrekken. Meerdere gemeenten hebben expliciet aangegeven de toegekende gelden breed in hun regio te zullen inzetten. Verder kunnen gemeenten die geen actief beleid voeren op het thema radicalisering gebruik maken van regionale expertise en kennis die beschikbaar is bij (grotere) gemeenten, veiligheidshuizen en politie-eenheden.
Daarnaast is er op nationaal niveau een trainings- en ondersteuningsaanbod waar alle gemeenten gebruik van kunnen maken. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld gebruik maken van trainingen van het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR). De afgelopen drie jaar werden meer dan 7.000 mensen getraind in zowel grote maar ook in kleine en middelgrote gemeenten. Daarnaast heeft ook de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit (ESS) een ondersteuningsaanbod waar gemeenten gebruik van kunnen maken. De ESS voorziet in trainingen, kennis en praktische ondersteuning aan gemeenten, ook op het gebied van radicalisering en extremisme. De ESS organiseert bijvoorbeeld leerkringen voor gemeenten over de preventieve aanpak van radicalisering en kunnen ondersteuning op maat bieden aan gemeenten.
Deelt u de mening van de gemeenten dat antiradicaliseringsbeleid onnodig is omdat het niet speelt in deze gemeenten? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u het belang van vroegtijdige signalering en aanpak van radicalisering? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat het landelijke anti-terreurbeleid lokaal overal wordt ingebed en niet alleen in de tot nu toe 11 aangewezen «Jihad-gemeenten»?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid bij de uitvoering van de motie-Tellegen betreffende de effectiviteit van deradicaliseringsprogramma’s dit aspect mee te nemen en aan te geven hoe u ook kleine en middelgrote gemeenten gaat betrekken bij terrorismebestrijding?2
De vraag over het betrekken van kleine en middelgrote gemeenten is hierboven reeds beantwoord. In de reactie op de motie zal alleen ingegaan worden op de besteding van de door de rijksoverheid beschikbaar gestelde gelden. Daar waar deze gelden ook zijn ingezet richting kleinere (regionale) gemeenten, zal deze informatie uiteraard betrokken worden bij de uitwerking van de motie.