Hoe beoordeelt u de effectiviteit van zelfregulering in deze sector, nu een zelf opgelegde norm bij een groot nieuw project ruim wordt overschreden?1
Kunt u toelichten welke informatie het Rijk op dit moment structureel ontvangt over het feitelijke drinkwatergebruik per datacenter in Nederland?
Kunt u toelichten op welke juridische grondslag een bevoegd gezag het drinkwatergebruik van een nieuwe vestiging kan meewegen bij de verlening van een omgevingsvergunning?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van drinkwater in het huidige stelsel vooral achteraf wordt geregeld via de leveringsrelatie met het drinkwaterbedrijf, en niet vooraf in het ruimtelijk spoor?
Kunt u toelichten welke wijzigingen in wet- en regelgeving nodig zouden zijn om waterbeschikbaarheid een expliciete afwegingsgrond te maken bij vergunningverlening aan grootverbruikers?
Kunt u toelichten of het juridisch en uitvoeringstechnisch denkbaar is om de logica van de verdringingsreeks ook vooraf toe te passen, bij het toestaan van nieuw grootschalig drinkwatergebruik, in plaats van uitsluitend bij feitelijke schaarste? Zo ja, hoe kijkt u naar een dergelijke aanpassing?
Kunt u toelichten in hoeverre de zorg- en leveringsplicht uit de Drinkwaterwet zich uitstrekt tot laagwaardig industrieel gebruik, zoals koeling?
Kunt u toelichten hoe u opvolging geeft aan de aanbeveling uit het Rli-advies «Zorg voor water» om de systeemverantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening actiever in te vullen?2
Kunt u toelichten hoe een nieuwe aansluiting van deze omvang zich verhoudt tot het doel uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het zakelijke drinkwatergebruik in 2035 met 20 procent te verminderen ten opzichte van de referentieperiode 2016–2019?3
Bent u bereid te verkennen of het besluitmoment over meer sturende maatregelen, dat nu is voorzien bij de herijking van dat plan in 2028, naar voren kan worden gehaald?
Het bericht 'Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om»?1
Klopt het dat uit het jaarverslag van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over 2025 blijkt dat de sectoroverstijgende prestatie binnen de Zorgverzekeringswet er niet komt, omdat er geen draagvlak is voor een dergelijk generiek instrument onder zorgverzekeraars?
Deelt u de opvatting dat schotten tussen de zorgwetten samenwerking rond de patiënt in de weg zitten, en dat het wegnemen daarvan bijdraagt aan het leveren van passende zorg?
Kunt u toelichten hoe dit traject is verlopen sinds uw ambtsvoorgangers Helder en Dijkstra de NZa in 2024 vroegen de betaaltitel gereed te hebben voor de contractering van 2025, en of u of uw ministerie hierover met de NZa heeft gesproken?
Welke bezwaren leven er bij zorgverzekeraars, en welke daarvan zijn volgens u oplosbaar?
Hoe betrekt u bij het vervolg de brede steun voor zo'n betaaltitel onder zorgaanbieders en professionals, die eerder bleek uit een consultatie van de NZa?
Welke instrumenten blijven er over om hetzelfde doel te bereiken, namelijk zorg kunnen bekostigen over de grenzen van sectoren en zorgwetten heen, en kunnen bestaande mogelijkheden zoals de facultatieve prestatie of maatwerkafspraken in de contractering hierin voorzien?
Welke van die instrumenten gaat u inzetten, en op welke termijn?
Op welke manier wordt de sectoroverstijgende en domeinoverstijgende beweging geborgd in de wetgeving over passende zorg die u heeft aangekondigd, en bent u bereid daarin vast te leggen dat bekostiging over de schotten van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning heen mogelijk wordt?
Hoe wordt in die wetgeving geborgd dat succesvolle initiatieven voor sectoroverstijgende passende zorg ook echt worden opgeschaald in plaats van te blijven steken in pilots?
Wat betekent deze ontwikkeling voor uw eigen plannen en voor de afspraken die hierover met het veld zijn gemaakt, en ziet u kansen om sectoroverstijgende initiatieven samen met de NZa, het Zorginstituut, zorgverzekeraars en zorgaanbieders alsnog vlot te trekken?
Het toezicht op commercieel longevity-aanbod en de handhaving van de Wet op het bevolkingsonderzoek. |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over longevity-hype: gezond ouder worden begint niet bij een total body scan»?1
Hoeveel vergunningen op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek zijn op dit moment van kracht voor het verrichten van een total body scan?2
Op welke datum is de meest recente vergunning op grond van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek verleend voor een bevolkingsonderzoek dat niet van rijkswege wordt aangeboden?
Op welke wijze is de Wet op het bevolkingsonderzoek van toepassing op een in Nederland gedaan aanbod van een total body scan die in het buitenland wordt verricht?
In hoeveel gevallen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) sinds 1 januari 2020 aangifte gedaan of proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek?
Indien deze gevallen niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, onder welke categorie worden zij dan wel geregistreerd?
Over welke aanwijzingsbevoegdheid beschikt u ten aanzien van het toezichtprogramma van de IGJ op preventief gezondheidsonderzoek?
Klopt het dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het bevolkingsonderzoek in verband met actuele ontwikkelingen op het terrein van preventief gezondheidsonderzoek op 24 januari 2025 is ingetrokken?3 4
Blijft in het vervangende wetsvoorstel de vergunningplicht voor preventief gezondheidsonderzoek naar kanker gehandhaafd?5
Op welke wettelijke grondslag kan de IGJ op dit moment optreden tegen een aanbieder die zonder de vereiste vergunning preventief gezondheidsonderzoek verricht?
Onder welk wettelijk kader valt het toezicht op het aanbieden van intraveneuze vitamine-infusen aan personen zonder medische indicatie?
Welke wettelijke eisen gelden op dit moment voor het commercieel aanbieden van een test die op basis van bloedwaarden de biologische leeftijd bepaalt?
Bent u bereid te borgen dat medisch-wetenschappelijk onderzoek dat reeds onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen valt, in het vervangende wetsvoorstel niet aan een aanvullende vergunningplicht wordt onderworpen?
Bent u bekend met het bericht «Aantal tandartsen van buiten EU is verdubbeld, terwijl studenten hier worden uitgeloot»?1
Hoeveel opleidingsplaatsen Tandheelkunde worden voor het studiejaar 2026–2027 door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekostigd?
Hoeveel plaatsen hebben de opleidingen Tandheelkunde voor het studiejaar 2026–2027 in hun numerus fixus opgenomen?
Indien deze gegevens niet bij u beschikbaar zijn, bij welke partij zijn zij dan wel beschikbaar?
Wat bedragen de rijksuitgaven per bekostigde opleidingsplaats Tandheelkunde per studiejaar?
In welk jaar is een instroomadvies van het Capaciteitsorgaan voor de opleiding Tandheelkunde voor het laatst volledig opgevolgd?
Bij welke jaarlijkse instroom in de opleiding Tandheelkunde wordt volgens het Capaciteitsplan 2027–2030 in 2043 evenwicht tussen vraag en aanbod bereikt?2
Over welke bevoegdheid beschikt u om het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde te verhogen?
Op welke datum ontvangt de Kamer het besluit over het instroomadvies van 386 opleidingsplaatsen Tandheelkunde?3
Klopt het dat het BIG-register vermeldt dat er voor 2026 geen plekken meer beschikbaar zijn voor de beroepsinhoudelijke toets voor tandartsen?4
Hoeveel tandartsen met een buiten de Europese Economische Ruimte behaald diploma zijn in 2025 in het BIG-register ingeschreven?
Hoeveel van de in 2025 ingeschreven tandartsen met een binnen de Europese Economische Ruimte (of in Zwitserland) behaald diploma hebben een beroepsinhoudelijke toets afgelegd?
Hoeveel aanvragen tot inschrijving als tandarts zijn in 2025 afgewezen of niet in behandeling genomen omdat niet aan de taaleis werd voldaan?
Op welk moment heeft Nederland in de Raad of bij de Europese Commissie gepleit voor de mogelijkheid om aan tandartsen met een in de Europese Economische Ruimte behaald diploma een beroepsinhoudelijke toets op te leggen?
Hoeveel personen met een buitenlands tandartsdiploma zonder BIG-registratie verrichten op dit moment in Nederlandse tandartspraktijken voorbehouden handelingen in opdracht als bedoeld in Artikel 35 van de Wet BIG?
Hoeveel meldingen over het onbevoegd verrichten van voorbehouden handelingen als bedoeld in Artikel 36 van de Wet BIG in de mondzorg heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in 2025 ontvangen?
Indien de meldingen, bedoeld in vraag 16, niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, op welke wijze stelt de inspectie dan vast of het in Artikel 38 van de Wet BIG vereiste toezicht daadwerkelijk plaatsvindt?
Bent u bereid het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde met ingang van het studiejaar 2027–2028 in overeenstemming te brengen met het instroomadvies van 386 plaatsen?5
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , de Bat , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eerenberg |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Het stijgende aantal jongeren in de bijstand zonder duidelijke verklaringen of inzicht in oorzaken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van NRC Handelsblad «Hoe kan het toch dat het aantal jongeren in de bijstand toeneemt?»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de stijging van jongeren in de Participatiewet sterker is dan van andere leeftijdsgroepen en al dertien kwartalen op rij aanhoudt?
Hoe ontwikkelde de instroom van jongeren in de bijstand volgens u in de afgelopen vijf jaar, waar mogelijk uitgesplitst naar leeftijd, achtergrond, kwetsbare positie, voorgaande betrekking, bijstandsduur, en reden van instroom?
Deelt u de constatering van de onderzoekers in het artikel dat er geen eenduidige verklaring bestaat en wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken ontbreekt?
Heeft de regering onderzoek gedaan of laten doen naar de oorzaken van de structurele stijging van het aantal jongeren in de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Aangezien werkende jongeren relatief vaak een flexibel contract hebben en hierdoor bij tegenslag vaak als eerste hun baan verliezen, welke maatregelen neemt u om het aandeel vaste contracten onder jongeren te verhogen?
Hoeveel jongeren, die door een kort arbeidsverleden alleen recht hebben op de minimale WW-duur van drie maanden, stromen jaarlijks na afloop van deze WW-duur door naar de bijstand? Hoe verhoudt zich dit tot andere leeftijdsgroepen?
Herkent u dat met de stijging van het aantal jongeren in de bijstand ook het aantal dakloze jongeren toeneemt, en kunt u hier de meest actuele cijfers over verstrekken? Biedt de Participatiewet dienstverlening aan instromende jongeren om hun huurwoning te behouden of om een huurwoning te bemachtigen?
Herkent u dat jongeren kort na hun achttiende relatief vaak en steeds vaker in problematische schulden raken, mede door online gokken of «buy now pay later»- diensten, en dit bijdraagt aan bijstandsinstroom? Welke bewindspersoon draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de samenhang tussen online kansspelen, consumentenkrediet, schuldenbeleid en de bijstandsinstroom van jongeren?
Hoe weegt u de samenhang tussen de mentale gezondheid van jongeren en hun arbeidsmarkt- en bijstandspositie, wetende dat onderzoek van het RIVM2 en GGD GHOR laat dat bijna de helft van de jongeren de eigen mentale gezondheid als niet goed (matig of slecht) beoordeelt? Hoe wordt interdepartementale samenwerking op dit thema vormgegeven en welke resultaten levert dit op?
Welke maatregelen neemt de regering om de dertien kwartalen aanhoudende stijging van jongeren in de bijstand te keren? Hoe gaat u de Kamer periodiek informeren over de voortgang en de resultaten van het beleid?
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht van een man met 7 oktober shirt in de Albert Heijn in Amsterdam |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en de foto gepubliceerd op 9 augustus 2026 door onder andere het Centrum Informatie- en Documentatie Israel (CIDI),waaruit blijkt dat een man in een rood shirt, met daarop aan de achterzijde duidelijk bedrukt «October 7», ongemoeid door de Albert Heijn aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West kon wandelen en winkelen en zo openlijk steun kon betuigen aan de Hamas-terreuraanslag van 7 oktober 2023, waarbij 1.200 onschuldige Israëlische burgers werden gemarteld, verkracht en vermoord?1
Bent u het ermee eens dat deze openlijke steun voor de grootste moord op Joden sinds de Holocaust, dan wel verheerlijking van de betrokken islamitische terreurgroepen walgelijk, schandalig en volstrekt ontoelaatbaar is en dat dergelijk virulent islamitisch antisemitisme niet thuishoort in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de dader zich blijkbaar onaantastbaar waant en denkt deze daad straffeloos te kunnen plegen? Waarom heeft Albert Heijn niet ingegrepen? Wat zegt dit over Albert Heijn in het algemeen en het betreffende Amsterdamse filiaal in het bijzonder? Waarom hebben de autoriteiten niet onmiddellijk tegen deze islamitische provocatie opgetreden? Zijn ze bereid dat alsnog binnen 24 uur te doen nu?
Bent u bereid om alle middelen die de Nederlandse staat tot zijn beschikking heeft tegen de dader aan te wenden en om, als dat nog niet is gebeurd, alles op alles te zetten om de dader onmiddellijk te identificeren, op te sporen, te arresteren en te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat er voor de dader, die op zo’n schaamteloze wijze de Nederlandse waarden vertrapt, islamitische terreur viert en zich daarmee onmiskenbaar tegen de Nederlandse samenleving keert, geen plek in Nederland is én dat hij na veroordeling onmiddellijk dient te worden gedenaturaliseerd en het land uit moet worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de integratie en de opvoeding van dit sujet evident hopeloos is mislukt en dat dit ook onvermijdelijk consequenties moet hebben voor het gezin en familie waar deze dader uit afkomstig is, bestaande uit het deporteren van zijn familie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij naturalisatie en/of verblijfsrecht steun aan terrorisme of verheerlijking van 7 oktober als absolute uitsluitingsgrond te hanteren en bestaande verblijfsvergunningen op grond daarvan in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid met Albert Heijn in gesprek te gaan en dit bedrijf mede te delen dat er in Nederland geen plaats is voor bedrijven die niet optreden tegen dit soort walgelijke vormen van terreurverheerlijking
Welke maatregelen neemt u verder om te voorkomen dat dergelijke openlijke steunbetuigingen aan Hamas en haar terreur in Nederlandse openbare ruimten zich blijven voordoen? Bent u bereid om gerichte instructies te geven aan politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten en andere autoriteiten om hierop onmiddellijk en hard op te treden, inclusief arrestatie, denaturalisatie en deportatie van dader én gezin? Zo nee, waarom niet?
Bent u ook Minister-President van de joodse Nederlanders? Zo ja, kunt u, mede gelet op het gestelde in de vragen 3 en 4 en het urgente karakter hiervan, deze vragen als Minister-President binnen 48 uur beantwoorden?
De IPC-analyse van de voedingssituatie in de Gazastrook |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze IPC-analyse van de acute ondervoedingssituatie in de Gazastrook?1 2
Kunt u bevestigen dat volgens deze analyse alle door de IPC geanalyseerde gouvernementen in de Gazastrook voor de periode van 16 april tot en met 30 juni 2026 zijn geclassificeerd op IPC AMN Fase 1 (Acceptabel) en voor de projectieperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026 op IPC AMN Fase 2 (Alert), waarbij Rafah wegens onvoldoende gegevens niet is geanalyseerd? Zo nee, waarom niet en welke classificatie hanteert u dan?
Kunt u bevestigen dat de IPC in deze analyse vaststelt dat sinds het staakt-het-vuren van oktober 2025 grootschalige hulpverlening heeft geleid tot verbeteringen in de voedselzekerheid en voedingsomstandigheden in de Gazastrook, en dat de voedingssituatie sinds begin 2026 aanzienlijk is verbeterd, terwijl de behoeften volgens de IPC hoog blijven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u in de beantwoording van de Kamervragen van 24 september 2025, in antwoord op vraag 20, heeft gesteld dat er sprake was van een hongercrisis in de Gazastrook «vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël» en dat dit «een gevolg van menselijk handelen» was? Kunt u tevens bevestigen dat u in antwoord op vraag 11 heeft gesteld: «De hongercrisis in de Gazastrook is het gevolg van menselijk handelen. Israël heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid.»? Handhaaft het kabinet deze kwalificaties en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de meest recente IPC-analyses? Zo ja, op welke actuele feiten en bronnen baseert het kabinet deze beoordeling? Zo nee, bent u bereid de eerdere beoordeling expliciet richting de Kamer te actualiseren?3
Kunt u aangeven welke bronnen het kabinet tot dusver heeft gehanteerd voor zijn kwalificaties van de voedselzekerheids- en ondervoedingssituatie in de Gazastrook en in hoeverre het zijn beoordeling bijstelt naar aanleiding van de meest recente IPC-analyses? Bent u tevens bereid deze analyses, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen acute ondervoeding (AMN) en acute voedselonzekerheid (AFI), actief onder de aandacht te brengen bij EU-partners en de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Nieuwe VN-/UNICEF-cijfers over de voedingssituatie in Gaza |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vragen van mevrouw Keijzer en de heer Markuszower d.d. 7 augustus 2026 over de recente IPC-/UNICEF-analyse over acute ondervoeding in Gaza, waarin wordt geconcludeerd dat de gemeten acute ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar aanzienlijk lager ligt dan eerdere prognoses en dat de onderzochte gebieden zijn ingedeeld in de laagste categorie van acute ondervoeding?1 2
Op welke rapportages, datasets en analyses heeft het uw ministerie zich sinds oktober 2023 gebaseerd bij de beoordeling voor de verlening van humanitaire hulp in Gaza?
Kan per belangrijke beleidsbeslissing of aanvullende humanitaire bijdrage ten aanzien van Gaza worden aangegeven welke informatiebronnen daarbij zijn gebruikt, welke indicatoren daarbij doorslaggevend waren en of deze informatie betrekking had op gemeten gegevens of prognoses?
Heeft de recente IPC-/UNICEF-analyse aanleiding gegeven om de Nederlandse humanitaire inzet te herzien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat in meerdere van u afkomstige Kamerbrieven het woord «hongersnood», «femine» of soortgelijke termen zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze uitspraken naar aanleiding van de recente IPC-/UNICEF-analyse te rectificeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de vele beelden die al langere tijd via sociale media circuleren waarop voedselmarkten, winkels, restaurants en andere voedselvoorzieningen in Gaza zichtbaar zijn en waarop een aanzienlijke beschikbaarheid van voedsel wordt getoond?3 4
Bent u van mening dat deze beelden het beeld tegenspreken dat er sprake zou zijn geweest van een algemene voedselcrisis of grootschalige voedseltekorten in Gaza? Zo nee, waarom niet en hoe beoordeelt u deze beelden in het licht deze aannames?
Hoeveel aanwijzingen zijn er volgens u nog nodig voordat Nederland erkent dat een deel van de humanitaire hulp niet of nauwelijks bij de burgerbevolking terechtkomt, maar in handen valt van Hamas, zoals niet alleen blijkt uit videobeelden5 6 7, maar ook uit verklaringen van de VN8 9 dat Hamas humanitaire hulpgoederen heeft gestolen? En hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de nieuwe VN-/Unicef-cijfers over de voedingssituatie?
Bent u van mening dat, gelet op de financiële druk waaronder veel Nederlandse huishoudens momenteel staan en het feit dat veel Nederlanders hun dagelijkse boodschappen nu al niet meer kunnen betalen, direct met iedere vorm van ontwikkelingshulp gestopt moet worden te beginnen bij humanitaire hulp aan Gaza dat aantoonbaar bij terroristen terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Mogelijk gevaarlijke squishies voor kinderen |
|
Tamara ten Hove (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Populaire squishy ontploft in gezicht jong kind, product blijft te koop in Nederlandse winkels», waarin wordt gemeld dat een 8-jarige jongen tweedegraads brandwonden heeft opgelopen en een huidtransplantatie moet ondergaan nadat een Cool Mix Supergel tijdens het spelen openbarstte?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat speelgoed dat expliciet wordt verkocht voor kinderen vanaf drie jaar mogelijk ernstige brandwonden kan veroorzaken en stoffen kan bevatten die bij blootstelling gezondheidsrisico’s voor kinderen opleveren?
Speelgoed dient te voldoen aan de gestelde veiligheidseisen conform de Europese Speelgoedrichtlijn en veilig te zijn bij redelijkerwijs te verwachten gebruik.
Is de NVWA bekend met het specifieke incident met de Cool Mix Supergel in Frankrijk en wordt dit product meegenomen in het reeds lopende onderzoek naar squishies? Zo nee, bent u bereid dit met spoed alsnog te laten onderzoeken?
Ja, de NVWA is bekend met het specifieke incident. Dit product was niet meegenomen in het huidige onderzoek, waarin via random selectie 30 Squishy toys zijn bemonsterd. De NVWA zal nu alsnog dit product meenemen in het onderzoek naar vluchtige organische stoffen.
De NVWA waarschuwt reeds dat verhitte squishies kunnen openbarsten en ernstige brandwonden kunnen veroorzaken, wordt onderzocht of gevaarlijke verhitting en drukopbouw ook kunnen ontstaan wanneer speelgoed niet bewust wordt verwarmd, maar bijvoorbeeld tijdens een warme zomerdag in de zon, achter glas of in een auto heeft gelegen?
Op dit moment is nog niet duidelijk wat de toedracht is van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen. Als uit het Franse onderzoek blijkt dat het gevaar van verhitting bijvoorbeeld ook kan ontstaan als de squishies in een warme auto liggen, zal de NVWA daar ook actief voor waarschuwen.
Acht u het verantwoord dat de betreffende Cool Mix Supergel gedurende dit onderzoek nog steeds in Nederland aan kinderen wordt verkocht? Zo ja, waarom?
Er is op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
Bent u bereid uit voorzorg te bevorderen dat de verkoop van dit specifieke product wordt gestaakt totdat duidelijk is waardoor het ernstige incident heeft kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven aangegeven is er op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
De NVWA heeft bij het lopende onderzoek naar squishies reeds vluchtige organische stoffen aangetroffen, welke stoffen zijn aangetroffen, in welke concentraties en welke specifieke gezondheidsrisico’s leveren deze stoffen op voor jonge kinderen, mede gelet op hun lagere lichaamsgewicht en de mogelijkheid van langdurig huidcontact?
Dit onderzoek loopt op dit moment nog. In verband met zorgvuldigheid worden geen tussentijdse resultaten gedeeld. Voor meer informatie over dit onderzoek: zie het nieuwsbericht NVWA onderzoekt squishy speelgoed | NVWA. Wanneer de onderzoeksresultaten hiertoe aanleiding geven zal de NVWA hier verder over communiceren.
Wordt bij het onderzoek specifiek gekeken naar xyleen en afgeleiden van benzeen en naftaleen, nu deze volgens het bericht in vergelijkbaar speelgoed zijn aangetroffen, en worden daarbij zowel de risico’s van inademing, huidcontact als inslikken onderzocht?
Er wordt in het aanvullende onderzoek ook gekeken naar xyleen, andere afgeleiden van benzeen en naftaleen. De NVWA kijkt hierbij naar de hoeveelheden en maakt een risicoschatting voor de producten waarbij inademing en huidcontact ook worden meegenomen.
Deelt u de mening dat bij speelgoed voor jonge kinderen het voorzorgsbeginsel zwaar moet wegen wanneer er serieuze aanwijzingen bestaan voor risico’s op brandwonden en blootstelling aan mogelijk schadelijke chemische stoffen, en dat niet eerst gewacht moet worden op nieuwe slachtoffers?
Ja. Het incident in Frankrijk of het eerste onderzoek van de NVWA geven echter op dit moment geen serieuze aanwijzingen in die richting.
Hoe kan speelgoed met een CE-markering in Nederland worden verkocht wanneer kennelijk nog onduidelijkheid bestaat over de chemische samenstelling en het risico op openbarsten na verhitting? Is de NVWA bereid de technische documentatie en veiligheidsbeoordeling van de Cool Mix Supergel te controleren?
Een CE-markering is geen merk van goedkeuring. Met het aanbrengen van de CE-markering verklaart de fabrikant dat het product voldoet aan de toepasselijke Europese wet- en regelgeving. De NVWA zal het genoemde product meenemen in haar onderzoek waarbij ook de technische documentatie wordt beoordeeld.
Waarom kunnen Bol.com en verschillende Belgische winkelketens volgens het bericht uit voorzorg besluiten squishies uit de verkoop te halen, terwijl vergelijkbare producten in Nederlandse fysieke winkels en webshops verkrijgbaar blijven? Waarom grijpt de overheid niet eveneens uit voorzorg in?
Marktdeelnemers kunnen zelf ervoor kiezen de verkoop te staken. De NVWA heeft zoals eerder aangegeven geen aanleiding dit af te dwingen.
Bent u bereid ouders en verzorgers, in afwachting van de definitieve onderzoeksresultaten, actief te waarschuwen voor zowel de mogelijke chemische risico’s als het risico op brandwonden bij squishies en daarbij expliciet te waarschuwen voor speelgoed dat in de zon, achter glas of in een hete auto heeft gelegen?
Zoals in antwoord op vraag 4 al is aangegeven is er op dit moment nog geen duidelijkheid over de toedracht van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien noodzakelijk passende maatregelen nemen; nu is er geen grond voor zo’n waarschuwing.
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Een wetsvoorstel dat de vrijheid van christelijke organisaties in India verder onder druk zet. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wetsvoorstel bedreiging voor christelijke organisaties in India»1 waarin wordt gesteld dat het Indiase parlement een wetsvoorstel behandelt dat de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) aanscherpt, waardoor de mogelijkheden van de overheid worden uitgebreid om op te treden tegen maatschappelijke en religieuze organisaties die afhankelijk zijn van buitenlandse financiering?
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van Indiase christelijke organisaties dat deze wetswijziging ertoe kan leiden dat kerken, scholen, ziekenhuizen en andere maatschappelijke instellingen hun werkzaamheden niet langer kunnen voortzetten en zelfs eigendommen kunnen verliezen wanneer hun FCRA-registratie vervalt of wordt ingetrokken?
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen van het maatschappelijk middenveld, inclusief christelijke organisaties, over de impact van de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) en volgt de ontwikkelingen rondom de voorgestelde wijzigingen op de FCRA nauwgezet. Op 12 augustus is de voorgestelde wetswijziging verwezen naar een Joint Parliamentary Committee voor nadere bestudering van de bepalingen en de mogelijke gevolgen daarvan. De voorgestelde aanscherping moet vervolgens nog verder in het Indiase parlement worden behandeld en is daarom mogelijk nog aan verandering onderhevig.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van evangeliserende activiteiten van de religieuze activiteiten waarvoor buitenlandse middelen mogen worden aangewend, op gespannen voet staat met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, zoals beschermd in Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), waaronder ook de vrijheid om een godsdienst of levensovertuiging individueel of gezamenlijk te belijden en uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze opvatting.
Hoe beoordeelt u deze wetswijziging in het licht van de bredere verslechtering van de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India, waaronder meldingen van toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst, geweld en intimidatie?
De Indiase Grondwet definieert het land als seculier en beschermt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Tegelijkertijd zijn er zorgen over toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden. Een eventuele aanscherping van de FCRA zou een zorgelijke ontwikkeling zijn, omdat zij de kwetsbare positie van religieuze minderheden, waaronder christenen, verder zou kunnen verzwakken.
Heeft de Nederlandse regering haar zorgen over dit wetsvoorstel of over de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging reeds overgebracht aan de Indiase autoriteiten? Zo ja, op welke wijze en met welke boodschap? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. Nederland, in coördinatie met de andere EU lidstaten, brengt consistent de zorgen over de impact van de FCRA op het in India actieve maatschappelijk middenveld op bij de Indiase autoriteiten. Mede op verzoek van Nederland zijn beide onderwerpen geagendeerd en besproken tijdens de EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni 2026 plaatsvond in New Delhi, India.
Is dit wetsvoorstel of de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India aan de orde gesteld in de politieke dialoog tussen de Europese Unie en India of in andere EU-overleggen met India? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de Europese Unie dit wetsvoorstel en de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst expliciet aan de orde stelt bij de Indiase autoriteiten?
De positie van christenen en andere religieuze minderheden is nadrukkelijk onderdeel van de dialoog tussen de Europese Unie en India. Zo is, mede op verzoek van Nederland, dit onderwerp besproken met de Indiase autoriteiten tijdens de meest recente EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni jl. plaatsvond.
Ook de zorgen over de impact van de FCRA – en eventuele amendementen hierop – zijn meermaals schriftelijk en mondeling onder de aandacht gebracht bij de Indiase autoriteiten. Indien de aanscherping van de FCRA door het Indiase parlement zal worden aangenomen, zullen Nederland en de EU, indien daar aanleiding toe is, de negatieve doorwerking ervan op het maatschappelijk middenveld inclusief christelijke organisaties opnemen met de Indiase autoriteiten. Deze inzet sluit aan bij Nederlandse inzet op de vrijheid van religie en levensovertuiging en bij de EU richtlijnen inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
Bent u bereid zich zowel bilateraal als in EU-verband actief in te zetten voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India, overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, en daarbij specifiek aandacht te vragen voor de positie van christelijke organisaties die door dit wetsvoorstel worden geraakt? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India en zal dit blijven doen. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader en richt zich op de bescherming van vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen.
Indien aangenomen, zal het Kabinet de implementatie van de aangescherpte FCRA en de impact op het maatschappelijk middenveld, waaronder christelijke organisaties, nauwgezet blijven volgen en adresseren in de contacten met de Indiase overheid.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met gelijkgezinde landen binnen de Europese Unie en daarbuiten, de Indiase autoriteiten aan te spreken op hun verplichtingen uit hoofde van het IVBPR en andere internationale mensenrechtenverdragen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden?
Het kabinet, zowel bilateraal als in EU-verband, spreekt de Indiase autoriteiten aan op hun verplichtingen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden en zal dit blijven doen.
Het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland vanaf woensdag 5 augustus een volledig verbod instelt op het onttrekken van oppervlaktewater en alle sluizen in het beheergebied sluit?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de constatering van Delfland dat dit de meest verstrekkende maatregel is die het waterschap ooit heeft genomen? Hoe beoordeelt u de omvang en urgentie van deze situatie?
Het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) noemt het onttrekkingsverbod op zijn website een uitzonderlijke situatie met grote gevolgen voor inwoners en bedrijven, maar geeft aan dat de maatregel onvermijdelijk is om grotere schade aan de leefomgeving te beperken. Die beschouwing deel ik. De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s vanwege de volgende aspecten: het neerslagtekort in deze regio is nog groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoet water in het gebied is beperkt mogelijk. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en er liggen veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied.
Delfland heeft de zorgplicht voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid van haar inwoners en het gebied. Vanwege het behoud van de peilen in het gebied zijn de verstrekkende maatregelen ingezet, omdat de situatie urgent is. Vanuit de verdringingsreeks, zoals vastgelegd in de wet, gaat bij watertekorten de veiligheid van keringen vóór op andere functies zoals landbouw. Dat is inmiddels ook bekend bij alle betrokken sectoren, zie ook bijlage 1. Daarbij wordt continue gekeken of maatregelen niet langer dan noodzakelijk van kracht zijn. Dit heeft er ook toe geleid dat Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk heeft opgeheven tot en met 26 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Klopt het beeld dat de verminderde beschikbaarheid van zoetwater via het Brielse Meer en de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) wordt veroorzaakt door een combinatie van aanhoudende droogte, een historisch lage afvoer van de Rijn en toenemende verzilting? Kunt u toelichten hoe de zoetwateraanvoer naar West-Nederland zich de afgelopen weken heeft ontwikkeld?
Ja, via de grote rivieren (met zeer lage en nog steeds afnemende afvoeren) en de klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA+) wordt zoetwater aangevoerd naar West-Nederland. Water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek wordt met behulp van gemalen, watergangen en stuwen naar Midden- en West-Nederland gepompt, om daar watertekorten en verzilting zo veel mogelijk tegen te gaan. Door de hoge temperaturen is de verdamping erg groot, waardoor niet aan de volledige watervraag kan worden voldaan.
Hoe kan het dat tot voor kort de verwachting was dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren, terwijl de aanvoer inmiddels is stopgezet? Op welk moment werd duidelijk dat dit noodzakelijk was? Was deze ontwikkeling, gelet op de al langer bekende lage Rijnafvoer en toenemende verzilting, eerder te voorzien?
Tot voor kort was de verwachting dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren. Door de aanhoudend lage Rijnafvoer en toenemende verzilting kwam de zoetwatervoorziening echter onder druk te staan. De aanvoer uit het Brielse Meer is niet stopgezet. Het Brielse Meer loopt wel risico op verzilting. Verzilting vormt een probleem voor onder andere de landbouw omdat gewassen niet tegen zilt water kunnen. Ook voor andere functies die water uit het Brielse Meer gebruiken is verzilting een probleem, zoals voor de natuur en industrie.
Zijn de sector en de betrokken ondernemers naar uw oordeel tijdig betrokken en geïnformeerd over de maatregelen en stappen die worden genomen tijdens periodes van droogte, zoals we die momenteel kennen, zodat zij hierop adequaat kunnen anticiperen? Worden ook andere sectoren en ondernemers elders in het land, die te maken krijgen met uitzonderlijke maatregelen, zoals op het Twentekanaal2, tijdig geïnformeerd en meegenomen, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden?
Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit.
Ook elders in het land worden sectoren en ondernemers geïnformeerd over de droogtesituatie, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden. Om betrokken partijen tijdig te informeren, wordt via verschillende kanalen informatie gedeeld over de ontwikkeling van droogte en de beschikbaarheid van zoetwater. Zo wordt onder meer via de Droogtemonitor Rijkswaterstaat (RWS) en binnen de Regionale Droogte Overleggen (RDO’s) informatie uitgewisseld over de actuele situatie en de te verwachten ontwikkelingen. Ook waterschappen informeren betrokken partijen hierover vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.
Op welke wijze worden ondernemers die direct worden geraakt door dergelijke verstrekkende maatregelen na de inwerkingtreding daarvan betrokken bij de vervolgstappen, zodat zij tijdig duidelijkheid krijgen over het toekomstperspectief en hun bedrijfsvoering daarop kunnen afstemmen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft u, dan wel Rijkswaterstaat, de afgelopen weken actief contact gehad met Delfland en de andere betrokken waterschappen over de aanvoer van zoetwater? Had het Rijk – bijvoorbeeld via de Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW) – met een andere sturing op het hoofdwatersysteem deze acute situatie geheel of gedeeltelijk kunnen voorkomen, en welke rol pakt het Rijk nu? . Welke onomkeerbare schade ontstaat volgens u wanneer een onttrekkingsverbod slechts gedeeltelijk wordt ingesteld? Kunt u daarbij aangeven welke schade, naast schade aan dijken en de waterveiligheid, wordt voorkomen? Hoe verhoudt deze schade zich tot de gevolgen die een volledig onttrekkingsverbod heeft voor de glastuinbouw?
Ja, binnen het regionale droogteoverleg West Midden is er in de afgelopen weken continu afstemming geweest tussen de waterbeheerders (Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschappen van Rijnland, Delfland, Schieland en de Krimpenerwaard, De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Ook zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op 13 augustus jl. op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken.
Vanaf begin juli vindt aanvullend landelijke afstemming en coördinatie plaats binnen de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) en sinds half juli in het Managementteam Watertekorten (MTW). Binnen de LCW en MTW wordt de watervraag in de verschillende regio’s zo goed mogelijk bediend en wordt het water verdeeld conform de verdringingsreeks, maar de hoeveelheid beschikbaar water is te klein om aan alle waterbehoeften te voldoen. Vandaar ook de opschaling naar fase 2: feitelijk watertekort.
Welk beeld heeft u van de gevolgen van het onttrekkingsverbod voor de glastuinbouw? Hoeveel glastuinbouwbedrijven worden volgens u direct door het verbod geraakt? Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins deze week droog dreigen te komen te staan, ondanks de gerealiseerde extra opvangcapaciteit? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?
Het algehele onttrekkingsverbod in het beheergebied van Delfland is genomen met het oog op de waterveiligheid. In het algemeen geldt dat de categorieën 1 en 2 van de verdringingsreeks maatschappelijke functies betreft, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. De categorieën 3 en 4 betreffen economische functies en overige behoeftes.
Worden er op dit moment noodoplossingen onderzocht om de sector door deze periode te helpen? Is bijvoorbeeld gezuiverd effluent uit rioolwaterzuiveringen inzetbaar, of andere alternatieve bronnen? Welke rol kan het Rijk daarbij spelen?
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven. Naar schatting teelt 10% hiervan in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. Deze bedrijven worden direct geraakt door het onttrekkingsverbod van Delfland. Bij een langdurig verbod kan schade ontstaan aan gewassen en daarmee aan de productie en bedrijfscontinuïteit. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Het is mij bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins droog dreigen te komen te staan. Dit onderstreept de ernst van de situatie. Tegelijkertijd sta ik achter de keuze van Delfland om binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks te handelen en een onttrekkingsverbod in te stellen.
Wanneer de situatie verbetert en oppervlaktewater weer beschikbaar komt: op welke wijze wordt bepaald welke sectoren en organisaties als eerste weer water mogen gebruiken? Deelt u de opvatting dat daarbij gekeken moet worden naar de partijen die de grootste en meest onomkeerbare schade lijden, zoals teelten, jonge natuur- en groenaanplant en sportvelden?
Ja, met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren aan de sector beschikbaar zijn. Er liggen meerdere opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ontzilting van brak- of zoutwater, hergebruik van effluent en wateraanvoer vanuit het Hollands Diep via tankwagens. Tevens heeft Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk opgeheven (t/m 26 augustus) voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke structurele maatregelen neemt u, samen met de waterschappen en de betrokken sectoren, om de zoetwatervoorziening in Nederland toekomstbestendig te maken en herhaling van situaties zoals de huidige zo veel mogelijk te voorkomen? Welke aanvullende of specifieke maatregelen acht u daarbij noodzakelijk voor West-Nederland, gelet op de kwetsbaarheid van deze regio voor zoetwatertekorten?
Zolang er nog sprake is van watertekorten, blijft opschalingsniveau 2 van kracht. Water wordt dan verdeeld volgens de verdringingsreeks. Als de situatie zodanig verbetert dat er meer water beschikbaar is dan nodig in categorie 1 en 2, wordt gekeken hoe maatschappelijk gezien binnen categorie 3 en vervolgens categorie 4 het water zo goed mogelijk verdeeld kan worden. In de praktijk wordt gestuurd op het zoveel mogelijk voorkomen van schade. Welke sectoren binnen de categorieën van de verdringingsreeks dan in welke volgorde worden bediend, verschilt per regio en is afhankelijk van het weer en de waterhuishoudkundige situatie.
Hoe kan er, in samenwerking met waterschappen en regionale overheden, voor gezorgd worden dat ondernemers in het Westland, maar ook elders in Nederland die door droogte of de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden geraakt, tijdig worden geïnformeerd en betrokken, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden en in hun bedrijfsvoering kunnen anticiperen op de gevolgen van dergelijke maatregelen?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018, 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Met de huidige klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit programma3. Deze maatregelen zijn ook van belang voor de regio West-Nederland.
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem, waaronder dat van West-Nederland. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Naast fysieke maatregelen wordt onderzoek voorbereid, waaronder een Kennisimpuls Externe Verzilting. Dit is voor de regio West-Nederland van groot belang. Of de maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie en het acute karakter voor de betrokken ondernemers, met spoed en bij voorkeur binnen enkele weken te beantwoorden?
Er is nauw contact tussen de ondernemers en de waterbeheerders. De huidige droogtesituatie kent een lange aanloop en betrokkenen zijn in de reguliere overlegsituaties daar al zoveel mogelijk op voorbereid. Dit betreft niet alleen informatievoorziening over de actuele situatie maar ook meer structureel bij het opstellen van procedures en protocollen. Dit geldt zowel bij hoogwatersituaties als bij neerslagtekorten. Dit was ook één van de punten die uit de evaluatie van de droogte in 2018 en 2022 volgde.
Ook in het kader van het Deltaprogramma wordt al sinds langere tijd gesproken over «waterbeschikbaarheid». Ondernemers weten inmiddels ook dat 100% waterbeschikbaarheid niet bestaat. Als ondernemers de risico’s voor hun bedrijfsvoering te groot vinden, dan kunnen ze daar zelf aanvullende maatregelen voor nemen. Bijvoorbeeld met een groter bassin, grijswateraanvoer of waterbesparende maatregelen. Veel ondernemers hebben dat ook al gedaan. De ervaringen van deze droogte zullen waar mogelijk worden vertaald naar aanvullende maatregelen en afspraken en kunnen mogelijkerwijs leiden tot aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij zijn echter ook beperkende factoren aan de orde, zoals gebrek aan ruimte voor wateropslag en de gesteldheid van de bodem.
Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het bericht ‘Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe woningen dan ministerie voorspelde’ |
|
René Claassen (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe woningen dan ministerie voorspelde»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van sectoreconoom bouw Maurice van Sante van ING dat uw claim over 100.000 woningen in 2027 gebaseerd was op een onjuiste weergave van de feiten (noch een nieuwbouwgetal, noch een woningvoorraadgetal)?
De ING-econoom stelt in het artikel dat alleen naar de nieuwbouw gekeken zou moeten worden. Als toevoegingen zoals transformaties en splitsingen daarbij opgeteld worden dan zou het aantal gesloopte woningen in mindering moeten worden gebracht.
Zoals eerder met uw Kamer is gecommuniceerd (zie jaarlijkse ABF-rapporten en bijbehorende Kamerbrieven2, voortgangsrapportages programma woningbouw, Staat van de Volkshuisvesting), betreft de woningbouwdoelstelling een «bruto doelstelling». Dat wil zeggen: de doelstelling is zo geformuleerd dat we rekening houden met de noodzakelijke compensatie van de geraamde sloop van woningen. Om die reden wordt sloop niet van de doelstelling afgetrokken. Deze zit al in de doelstelling verwerkt. Het aan u aangeboden Primos 2026 rapport, het rapport waar in het artikel op wordt gereageerd, is duidelijk over woningbouw, sloop en over het effect hiervan op de woningvoorraad.
Voor de woningbouwdoelstelling tellen bovendien niet alleen nieuwbouwwoningen, want elke nieuwe woning is er één. Woningbouw betreft woningen die gerealiseerd worden door nieuwbouw van woningen (het realiseren van woningen op een lege kavel) en de woningen die gerealiseerd worden door «verbouw» van reeds bestaande gebouwen tot (meer) woningen. Denk daarbij aan het realiseren van woningen in voormalige kantoorgebouwen (transformatie), optoppen (toevoegen van woningen op reeds bestaande gebouwen) of het splitsen van woningen zodat meer woningen ontstaan.3 Deze transformaties, splitsingen en optoppingen vormen onderdeel van het beter benutten van de bestaande voorraad gebouwen. In de communicatie met uw Kamer, zoals de hierboven genoemde voorbeelden, wordt ook telkens expliciet duidelijk gemaakt dat dergelijke toevoegingen meetellen in de woningbouwdoelstelling, en benadruk ik dat er veel potentie is om dit nog beter te benutten.
Er is dan ook geen sprake van een onjuiste weergave van feiten. Er wordt transparant gecommuniceerd over onze doelstelling.
Hoe beoordeelt u het feit dat u een misleidende berekening heeft gebruikt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre begrijpt u de urgentie van de problemen op de Nederlandse woningmarkt? Realiseert u zich dat de woningcrisis Nederlandse jongeren enorm schaadt? Wist u dat 66 procent van de thuiswonende starters graag uit huis zou willen, maar dat niet kan door de problemen op de woningmarkt en dat de ontwikkeling van jongvolwassenen wordt belemmerd door langdurig thuiswonen omdat zij hierdoor later (financieel) zelfstandig worden en meer moeite hebben om relaties te vormen? Wist u dat ernstige woningtekorten bovendien gekoppeld zijn aan uitstel (en soms zelfs afstel) van belangrijke levensgebeurtenissen, zoals trouwen, samenwonen en kinderen krijgen? Wist u dat onderzoek laat zien dat de hogere woonlasten in Nederland leiden tot slechtere mentale gezondheid bij de mensen die hiervan last hebben?
De problematiek op de woningmarkt en de urgentie ervan is mij volstrekt duidelijk.
Vindt u dat u als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verantwoordelijk bent voor het oplossen van de woningcrisis in Nederland?
Ja, hier werk ik elke dag aan.
Hoe beoordeelt u dan het falen van kabinet op kabinet om dit probleem op te lossen?
Het terugdringen van het woningtekort is geen eenvoudige opgave en iets wat een lange adem vraagt. Het kabinet maakt zich hier hard voor. Zo is onlangs de wet regie aangenomen door beide Kamers, heeft het kabinet een veelomvattend stikstofplan gepresenteerd die ook de woningbouw verder zal helpen en werk ik met collega Ministers aan een actieplan (Taskforce versnelling woningbouw) om meer, sneller en beter te bouwen.
Denkt u dat u kunt doen wat uw voorgangers niet is gelukt, namelijk dit probleem daadwerkelijk oplossen? Zo nee, wanneer treedt u af als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en laat u iemand anders het proberen die wél denkt dit te kunnen oplossen?
Het terugdringen van het woningtekort is zoals de econoom in het in het desbetreffende artikel noemt, een «veelkoppig monster». Er zijn veel complexe problemen. Ik ben zeer gemotiveerd om het probleem aan te pakken en wil een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van de woningnood. Ik draag ministeriële verantwoordelijkheid voor mijn portefeuille en leg daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Als u denkt dit probleem wel te kunnen oplossen, bent u dan bereid uw eigen lot te verbinden aan de resultaten die u op dit domein bereikt? Simpeler gezegd: bent u bereid af te treden als de doelstelling van 100.000 woningen per jaar niet binnen twee jaar wordt gehaald? Zo nee, waarom niet? Betekent dat dat u falen acceptabel vindt? Vindt u het acceptabel dat het falen van een minister het leven van jongvolwassenen ruïneert? Vindt u dat dit falen geen gevolgen hoeft te hebben?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel noemde hoge bouwkosten als één van de oorzaken van de woningproblemen; wanneer gaat u zelf bouwregels zoeken die geschrapt kunnen worden, in plaats van enkel de suggesties van het programma STOER over te nemen (die inmiddels alweer bijna een jaar oud zijn)?
Samen met andere departementen, medeoverheden, marktpartijen en woningcorporaties ben ik actief aan de slag met de brede vereenvoudigingsopgave voor de fysieke leefomgeving en volkshuisvesting. Naast de uitwerking van de actieagenda STOER4, zetten we nadrukkelijk in op het ophalen en uitwerken van nieuwe vereenvoudigingsvoorstellen, waaronder de modernisering van het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving (Bbl). Deze voorstellen worden onder andere geïnventariseerd voor de jaarlijkse vereenvoudigingswet. Daarmee kijken we dus verder dan de voorstellen die al in het STOER-actieplan zijn opgenomen. Over de voortgang van de actieagenda en de eerste aanpassingen aan het Bbl heb ik uw Kamer 10 juli geïnformeerd5. Daarin meld ik onder meer dat de in het Bbl aangewezen NEN-normen voortaan kosteloos digitaal beschikbaar worden gesteld waarmee kosten zijn verlaagd en regelgeving toegankelijker is gemaakt voor initiatiefnemers en bouwpartijen. Ook breder in het kabinet worden stappen gezet: onlangs heeft de Staatssecretaris van IenW besloten tot een grootschalige verlaging van geluidproductieplafonds bij spoorwegen waarmee eenvoudiger en goedkopere woningbouw kan worden ontwikkeld in de buurt van spoorwegen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit u daadwerkelijk lukt en dat u niet over een halfjaar in dezelfde situatie zit als uw collega van Economische Zaken, die zelfs haar eigen doel niet kon halen?
In het Actieplan van de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw die ik na de zomer uw Kamer zal toekomen, zal ik ingaan op de wijze waarop ik, in samen met de andere partijen die voor de woningbouw van belang zijn, de woningbouw beoog te versnellen.
Bent u ook van plan uit te zoeken of ruimtelijke regels versoepeld kunnen worden omdat ook deze de woningbouw aanzienlijk duurder maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken? En op welke domeinen wilt u dit gaan doen?
In het kader van de vereenvoudigingsopgave wordt onderzocht waar regelgeving en procedures die de woningbouw onnodig vertragen of duurder maken, kunnen worden vereenvoudigd. In het Actieplan STOER is daarbij expliciet aandacht voor de stapeling van regelgeving en voor bovenwettelijke eisen. Deze kunnen leiden tot extra tijd, capaciteit en kosten en daarmee een negatief effect hebben op de businesscase van woningbouwprojecten.
Daarom werken de ministeries in het fysieke domein aan een bredere vereenvoudigingsopgave. Onderdeel hiervan zijn onder meer de verdere uitvoering van de Actieagenda STOER, de modernisering van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), de jaarlijkse verbetering van het stelsel van de Omgevingswet en een nadere verkenning van de mogelijkheden om experimenteerruimte binnen de Omgevingswet beter te benutten. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden die de Omgevingswet al biedt om activiteiten bijvoorbeeld in het omgevingsplan vergunning vrij te maken.
Hiermee wordt specifiek gewerkt aan het standaardiseren, opschalen en moderniseren van de bouwregelgeving. De inzet is daarmee niet om regels generiek te versoepelen, maar om gericht te bezien waar regelgeving en aanvullende eisen onnodige kosten, vertraging of complexiteit veroorzaken en waar vereenvoudiging mogelijk is, met behoud van de noodzakelijke publieke belangen.
De openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) is verlengd tot en met 27 januari 2027?1
Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen.
Op 22 juli jl. is de openstellingsperiode van de Sem verlengd tot en met 27 januari 2027 in plaats van de initiële einddatum van 29 juli 2026. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd om vergunningverlening weer op gang te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ondersteunen van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies, waaronder extensivering. De Sem is één van de maatregelen waarmee het kabinet ondernemers ondersteunt. De verlenging van de openstelling van de Sem sluit daarmee aan bij de aanpak van het kabinet om weer ruimte te maken voor vergunningverlening en boeren te ondersteunen naar een toekomstbestendig bedrijf.
Klopt het dat zich tot op heden 42 melkveehouders hebben aangemeld voor de SEM? Zo ja, hoeveel kilogram fosfaatrechten vertegenwoordigen deze aanmeldingen?
Het klopt dat tot op heden 42 melkveehouders zich hebben aangemeld voor de Sem. Zie voor het aantal aanvragers dat zich heeft teruggetrokken en het aantal kilogram fosfaatrechten het antwoord op vraag 1 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Wat is de aanleiding geweest om de openstelling van de SEM te verlengen? In hoeverre houdt deze verlenging verband met de tot nu toe beperkte belangstelling voor de regeling?
Zie voor de aanleiding om de openstelling van de Sem te verlengen het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven welke signalen u uit de sector heeft ontvangen over de beperkte belangstelling voor de SEM?
De sector heeft aangegeven signalen te hebben gehad dat melkveehouders hebben gewacht op de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Onder andere de voorgestelde koppeling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor melkveebedrijven aan fosfaatrechten geeft onzekerheid. De sector geeft aan dat dit onder andere leidt tot het willen behouden van dieren en fosfaatrechten. Daarnaast geeft de sector aan dat een rol speelt dat de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem lager is dan de huidige marktwaarde.
Houdt de beperkte belangstelling naar uw oordeel verband met de knelpunten waarover eerder schriftelijke vragen (Kamerstuk 2026Z15702) zijn gesteld, waaronder het gebruik van 2025 als referentiejaar, de voorwaarden ten aanzien van het graslandareaal en de hoogte van de vergoeding voor fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Verwacht u dat de verlenging van de openstelling zal leiden tot een substantiële toename van het aantal aanvragen? Waarop baseert u die verwachting?
In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd. Nu daar meer over bekend is, kunnen melkveehouders de aangekondigde maatregelen betrekken bij de toekomstplannen voor hun bedrijf. Ik verwacht dat er melkveehouders zullen zijn die de langere openstellingsperiode zullen gebruiken voor de keuze om al dan niet deel te nemen aan de Sem. Dit zijn individuele ondernemersbeslissingen. Het is niet in te schatten hoe groot de toename van het aantal aanvragen zal zijn. Het definitief aantal deelnemende veehouders zal na de sluiting van de openstelling bekend zijn.
Verlenging mestuitrij-seizoen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van gevolgen van de droogte en warmte voor het uitrijden van mest?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat een droge bodem de opname remt van meststoffen doordat mineralisatie en nutriëntentransport stagneren?
Ja, door suboptimale vochtvoorziening wordt de groei van een gewas beperkt. Daarnaast kan het uitrijden van drijfmest op droge grond inderdaad zorgen voor meer gasverlies en verzouting rond de wortels. Deze emissies zijn onder natte en koude omstandigheden lager dan onder de huidige droge en warme omstandigheden. Ook kan het voorkomen dat het toedienen van drijfmest onder droge omstandigheden bijdraagt aan extra scheurvorming op met name klei- en veengronden.
Bent u ervan op de hoogte dat planten voedingsstoffen niet kunnen oplossen of opnemen via de wortels en het uitrijden van drijfmest op harde, droge grond zorgt voor extra scheurvorming, gasverlies (ammoniakemissie) en verzouting rond de wortels?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat meststoffen essentieel zijn voor de groei van gras en gewassen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Voor de groei van gewassen is het toedienen van voldoende nutriënten van belang. De opname van nutriënten wordt bepaald door een combinatie van neerslag, vochtleverend vermogen van de bodem en het gewastype. Het huidige neerslagtekort heeft een negatieve invloed op de gewasproductie door de verminderde opname van nutriënten.
Acht u voedselproductie en voedselzekerheid van het grootste belang voor de weerbaarheid en stabiliteit in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een gebrek aan mineralen en nutriënten oogsten minder opbrengen en de voedselproductie kan stagneren dan wel oogsten kunnen mislukken?
De opname van nutriënten door gewassen is essentieel voor de gewasopbrengsten. Droogte kan zorgen voor lagere opbrengsten. Het is uiteraard niet wenselijk dat oogsten mislukken.
Vindt u dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het vanuit zowel landbouwkundig als milieukundig oogpunt onwenselijk is wanneer agrariërs vanwege een vaste einddatum voor het uitrijden van mest feitelijk worden gedwongen mest uit te rijden op een moment waarop de weers- en bodemomstandigheden daarvoor ongunstig zijn, terwijl uitstel tot gunstigere omstandigheden kan leiden tot een betere benutting van nutriënten en minder verliezen naar het milieu? Zo nee, waarom niet?
De uitrijdperiodes voor dierlijke mest op bouwland en grasland zijn geregeld in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en komen voort uit een verplichting vanuit de Europese Nitraatrichtlijn en richten zich op het doel om een goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit te bewerkstelligen. De kalenderlandbouwmaatregel voor het inzaaien van vanggewassen is opgenomen in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en is daarmee onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met de Europese Commissie over dit actieprogramma.
Het hanteren van een uitrijdperiode heeft tot doel om de uitspoeling van nutriënten uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Dit brengt met zich mee dat het zinvol is om uitrijdperiodes te reguleren, binnen welke de dierlijke mest mag worden uitgereden en optimaal kan worden benut door de gewassen. In sommige jaren leidt dit tot problemen voor de landbouwpraktijk, waarbij weers- en bodemomstandigheden het uitrijden van dierlijke mest kunnen beperken met als gevolg dat de agrariër mogelijk onvoldoende ruimte heeft om de gewassen optimaal te voorzien van dierlijke meststoffen. Het vaststellen van uitrijddata is echter noodzakelijk vanuit milieukundig oogpunt, waar slechts bij hoge uitzondering van kan worden afgeweken mits hiertoe een landbouwkundige noodzaak is en er geen nadelige milieukundige effecten zijn.
Deelt u de opvatting dat kalenderlandbouw moet worden voorkomen en dat de daadwerkelijke weers- en bodemomstandigheden leidend zouden moeten zijn bij het bepalen van het moment voor het uitrijden van mest? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u ervan op de hoogte dat in 2024 het mestuitrijseizoen in 2024 ook is verlengd vanwege weersomstandigheden in die zomer?
Vanwege de extreem natte weersomstandigheden vanaf het najaar 2023 tot en met het voorjaar van 2024 konden agrariërs niet tijdig alle dierlijke mest binnen de beschikbare gebruiksruimte plaatsen. Vanwege deze extreme weersomstandigheden in het voorjaar is op basis van een advies van een Expertcommissie, samengesteld uit wetenschappers op het vlak van waterkwaliteit, plantengroei, het KNMI en vertegenwoordigers van sectorpartijen, besloten om de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland te verlengen van 31 augustus naar 15 september1.
Bent u bereid om zich in te spannen om het mestuitrij-seizoen dat tot 31 augustus duurt, te verlengen en daarvoor de Commissie Deskundigen Meststoffen per omgaande (met de grootste spoed) een advies te vragen? Zo nee, waarom niet?
Voor een uitstel van de uitrijddata dierlijke mest moet een afweging worden gemaakt tussen de weersomstandigheden en hoe zich dit ontwikkelt tot en met eind augustus, het effect van eventueel verlengen van de uitrijddata op de waterkwaliteit (en andere milieukundige aspecten) en de landbouwkundige noodzaak voor de gewasgroei om de uitrijddata te verlengen. In het verleden zijn in enkele jaren uitrijddata verlengd vanwege droogte (2018, 2021) of juist natheid in het betreffende jaar (2024, zie antwoord vraag 10). Ook zijn in andere jaren verzoeken gedaan, waarbij bovengenoemde afweging niet leidde tot een uitstel van uitrijdperiodes. Bij een uitstel van een uitrijdperiode voor dierlijke mest moet in ieder geval de Europese Commissie worden geïnformeerd, omdat hiermee wordt afgeweken van eerdere afspraken over de vastgestelde uitrijddata.
Naast uw vragen heeft LTO Nederland op 11 augustus jongstleden een verzoek gedaan voor het verlengen van de uitrijdperiode voor aanwending van mest op grasland.
Ik zal de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) vragen om een advies voor de verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland. Verder blijf ik de weers- en bodemomstandigheden monitoren en daarbij blijf ik in nauw contact staan met de sector. Zodra de CDM een advies heeft opgesteld zal ik op basis van dit advies een afweging maken over een eventuele verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke mest. Indien ik zal besluiten tot een eventuele verlenging van de uitrijdperiode, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Kunt u deze vragen, gezien de tijdsdruk, per omgaande beantwoorden, doch uiterlijk vrijdag 7 augustus?
De beantwoording is zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzonden.
De benoeming van de heer Timmermans tot minister van staat, naar aanleiding van nieuwe informatie over de door hem beweerde leerstoelen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Timmermans weer op de grill voor jokken», waarin wordt gemeld dat de heer Timmermans in een interview met het Algemeen Dagblad claimde «een paar leerstoelen aan universiteiten in Oxford, Florence en Bologna» te hebben?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Universiteit van Bologna, naar aanleiding van een verzoek van onderzoeksjournalist Arthur van Amerongen, schriftelijk heeft laten weten géén enkele band te hebben (gehad) met de heer Timmermans?2
Dit kan ik niet bevestigen.
Klopt het dat nader onderzoek, mede met inzet van zoekmachines en AI-hulpmiddelen, heeft uitgewezen dat de heer Timmermans niet voorkomt in de lijsten van hoogleraren, onderzoekers, gastdocenten of bestuurders van de universiteiten van Oxford, Bologna en Florence en evenmin wordt genoemd bij de drie UNESCO Chairs die de Universiteit van Florence huisvest?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting van onze fractie dat deze expliciete, schriftelijke ontkenning door een universiteit zelf een aanmerkelijk zwaarder signaal is dan een enkel ontbreken van documentatie en dat dit een nieuw, zelfstandig voorbeeld vormt van het in mijn eerdere vragen beschreven patroon van feitelijk onjuiste uitspraken van de heer Timmermans? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Verandert deze nieuwe informatie iets aan uw eerdere antwoorden over of de optelsom van deze kwesties zwaarder weegt dan een enkel incident en of het kabinet bereid is een besluit tot intrekking van de titel Minister van staat voor te bereiden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid formeel bij de universiteiten van Oxford en Florence na te (laten) vragen of zij de bevindingen ten aanzien van Bologna bevestigen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid ook deze vragen op de meest spoedige termijn en één voor één te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.