De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg , Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?
Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Het bericht ‘Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoofdaanklager Internationaal Strafhof Karim Khan per direct geschorst»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de positie van aanklager Karim Khan onhoudbaar is en zal Nederland, als één van de beslissende staten, daarom ook voor zijn ontslag stemmen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld moet worden dat de beschuldigingen aan het adres van de Aanklager van het Internationaal Strafhof (ISH) zeer verontrustend zijn. De Aanklager moet aan de hoogste standaarden worden gehouden. Het oordeel van het dagelijkse bestuursorgaan van de Vergadering van verdragspartijen – het zogenaamde Bureau, waar 21 van de 125 verdragspartijen zitting in hebben2 – dat er sprake is geweest van «ernstig wangedrag» en «ernstig plichtsverzuim» roept ernstige vragen op voor wat betreft de houdbaarheid van de positie van de Aanklager.
De vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop het Bureau zijn beslissing heeft gebaseerd zullen zorgvuldig worden bestudeerd door Nederland en in overleg met andere verdragspartijen zal worden bezien welke conclusies hier aan moeten worden verbonden. Uw Kamer zal per brief worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet tijdens de Speciale Zitting van de Vergadering van verdragspartijen die in het kader van deze procedure zal worden gehouden op 24 juli 2026 in New York.
Zal Nederland het arrestatiebevel gericht tegen leden van de Israëlische regering handhaven, gelet op het feit dat dit mogelijk door valse intenties tot stand is gekomen? Zo ja, waarom?
Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome. Dit betekent dat de arrestatiebevelen van het ISH niet worden uitgevaardigd door de Aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De Aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel. Aan de hand van de door de rechters uitgevaardigde arrestatiebevelen kan het ISH landen verzoeken om aanhouding en overlevering.
Voor Nederland geldt dat – conform de verplichtingen onder het Statuut van Rome – elk verzoek om aanhouding en overlevering dat Nederland ontvangt van het ISH direct in behandeling wordt genomen, zoals ook is opgenomen in de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.
Hoe beoordeelt Nederland deze (seksuele) wanpraktijken bij het Internationaal Strafhof en welke consequenties voor de geloofwaardigheid van het Hof heeft dit?
Zie het antwoord op vraag 2. Nederland staat als gastland en verdragspartij achter het ISH en de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. De geloofwaardigheid van het Hof staat niet ter discussie. Het kabinet acht het van groot belang dat de procedures van het ISH voor het onderzoeken en beoordelen van aantijgingen van wangedrag tegen individuele ambtsdragers van het Hof worden gevolgd.
Welke consequenties verbindt Nederland aan de geloofwaardigheid en de bindende kracht van het Internationaal Strafhof, gezien het feit dat vergaande beslissingen klaarblijkelijk op arbitraire gronden genomen worden?
Het kabinet herkent niet het beeld dat het ISH vergaande beslissingen op arbitraire gronden neemt. Zie ook de antwoorden op de vragen 3 en 4.
Welke stappen kan Nederland, en zult u specifiek als Minister, ondernemen tegen deze ambtsbekleder die waarschijnlijk strafbare feiten heeft gepleegd op Nederlandse bodem?
Zie het antwoord op vraag 2. De Vergadering van verdragspartijen zal zich tijdens de speciale zitting buigen over de beslissing van het Bureau en de onderliggende rapporten om te bezien welke conclusies hier aan verbonden moeten worden. Nederland zal hier als een van de 125 verdragspartijen aan deelnemen en na beoordeling van de onderliggende informatie naar behoren handelen.
Voor wat betreft eventuele mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging voor vermeende feiten die zijn gepleegd op Nederlands grondgebied dient te worden opgemerkt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bezien of het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Welke consequenties zal Nederland eraan verbinden indien het merendeel van de leden niet voor ontslag stemt en daarmee de bindende en overtuigende kracht van het Internationaal Strafhof diskwalificeert?
Daar kan het kabinet niet op vooruitlopen. Eerst zullen de beslissing van het Bureau en de vertrouwelijke rapporten, verklaringen en documenten waarop die beslissing is gebaseerd zorgvuldig moeten worden bestudeerd en zal met andere verdragspartijen moeten worden bezien welke conclusies daaraan moeten worden verbonden.
Het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk, stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Op 11 juni 2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de aanpak civiele invordering.2 In deze Kamerbrief wordt ook ingegaan op de uitkomsten van de Pilot Ketenverwijzing. Uit de pilot ontstaat het beeld dat doorverwijzing door de gerechtsdeurwaarder een succesvolle manier is om mensen met problematische schulden in contact te brengen met schuldhulpverlening. In circa een kwart van de gevallen waarin een doorverwijzing zinvol wordt geacht, leidt het tot een eerste gesprek bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Daarnaast blijkt dat bijna de helft van de debiteuren die zich in het kader van deze pilot bij de gemeente heeft gemeld, vooraf niet bekend was bij schuldhulpverlening of vroegsignalering. Deze aanpak brengt dus een nieuwe doelgroep in beeld.
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Het kabinet vindt het wenselijk dat de gerechtsdeurwaarder de mogelijkheid krijgt om te de-escaleren door debiteuren met mogelijk problematische schulden door te verwijzen naar schuldhulpverlening. Dit is wenselijk indien, gegeven de (ogenschijnlijke) uitzichtloosheid van de situatie, invordering niet meer gaat bijdragen aan een oplossing ten aanzien van de oorspronkelijke schuld en er andere instrumenten nodig lijken te zijn. Ook het hebben van inkomen onder de Participatiewet-norm en/of onvoldoende of geen toeslagen kan een reden zijn om iemand door te verwijzen naar de gemeente.
Op dit moment kunnen gerechtsdeurwaarders debiteuren met mogelijk problematische schulden wel wijzen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening, maar hebben zij niet de bevoegdheid om mensen ook werkelijk door te verwijzen en de gegevens van deze personen te delen met de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Door het creëren van deze bevoegdheid krijgen gerechtsdeurwaarders een aanvullend instrument gericht op de-escalatie en wordt de drempel om hulp te aanvaarden voor mensen verlaagd. Hiertoe zal een wettelijke grondslag voor gegevensdeling worden gecreëerd. Momenteel wordt ter voorbereiding hierop gewerkt aan een Data Protection Impact Assessment (DPIA), wat een verplichte kwaliteitseis is voor regelgeving waaruit verwerkingen van persoonsgegevens voortvloeien.3
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) is een belangrijke stakeholder binnen de aanpak civiele invordering, waarmee regelmatig overleg wordt gevoerd. Ook rondom de pilot heeft er periodiek overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de KBvG.
In overleg met de KBvG, de NVVK en de VNG zal worden bezien op welke wijze, vooruitlopend op de aangekondigde wetgeving, de pilot waarbij gerechtsdeurwaarders mensen met hulpvraag kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening kan worden voortgezet. Uit de evaluatie van de pilot kwam naar voren dat een goede invulling van deze rol vraagt om de juiste vaardigheden en kennis bij gerechtsdeurwaarders, zoals gespreksvaardigheden en voldoende kennis over schuldhulpverlening. Het kabinet zal daarom de komende periode in samenspraak met de KBvG bezien wat er nodig is om deze vaardigheden en kennis in de beroepsgroep verder te ontwikkelen.
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Ja, het kabinet wil de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder versterken en zorgen dat de gerechtsdeurwaarder meer ruimte en mogelijkheden krijgt voor de-escalatie. In dit kader wordt ook wel gesproken over de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders. Om de onafhankelijke positie te onderstrepen, zal in de Gerechtsdeurwaarderswet worden geëxpliciteerd dat een gerechtsdeurwaarder op onpartijdige wijze de belangen van beide partijen dient te behartigen. Om goed invulling te kunnen geven aan deze rol, zal een wettelijke grondslag worden gecreëerd voor gegevensdeling met gemeenten en krijgen gerechtsdeurwaarders – als ultimum remedium – de bevoegdheid om een ambtshandeling niet te uit voeren als dit leidt tot een nodeloze kostenoploop van schulden, ook als de opdrachtgever erop staat dat de handeling wel wordt uitgevoerd. Deze voornemens vergen aanpassingen in de wetgeving. Een belangrijke uitwerkingsvraag hierbij is op welke wijze de gerechtsdeurwaarders worden gefinancierd voor deze werkzaamheden en hoe dit past binnen de bestaande financieringsstructuren. Op dit moment wordt door een extern onderzoeksbureau onderzocht hoe de financiering van deze maatregelen kan worden vormgegeven. De komende maanden zal – in nauwe samenwerking met de stakeholders – worden gewerkt aan de nog openstaande uitwerkingsvragen, zodat het kabinet dit jaar kan starten met het voorbereiden van de benodigde wetgeving.
Ik wijs er overigens wel op dat het belangrijk is de rollen zuiver te houden. De gerechtsdeurwaarder is zelf geen hulpverlener, maar de persoon die op onafhankelijke wijze moet waarborgen dat juridische afspraken worden nagekomen en gerechtelijke uitspraken worden uitgevoerd, rekening houdend met de belangen van beide partijen. Wel kan de gerechtsdeurwaarder vanuit die onafhankelijke rol eraan bijdragen dat mensen met (dreigende) problematische schulden eerder in beeld komen bij de schulphulpverlening.
Het is wenselijk dat schuldhulpverlening snel contact legt met debiteuren die worden doorverwezen. Wettelijk geldt nu dat een eerste gesprek moet hebben plaatsgevonden binnen vier weken nadat een inwoner zich heeft gemeld voor schuldhulpverlening. Bij een bedreigende situatie moet dat binnen drie werkdagen gebeuren.4 Omdat de sleutel tot succes is gelegen in de snelheid waarmee contact wordt gelegd, kunnen er mogelijk in een convenant met schuldhulpverlening nadere afspraken worden gemaakt over de termijn waarin deze doorverwijzingen worden opgepakt. Wanneer mensen zich melden bij de gemeente moeten zij kunnen rekenen op uniforme, toegankelijke en betrouwbare schuldhulpverlening. Uit het IBO-schulden kwamen aanbevelingen om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. Hier wordt samen met het werkveld aan gewerkt.5
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Het absolute aantal inwoners waarmee contact is gelegd via de vroegsignalering is in 2025 licht toegenomen naar 133.600. Dit betreft circa 20% van het aantal vroegsignalen dat gemeenten ontvangen. Ongeveer een derde van de inwoners waarmee gemeenten via vroegsignalering in contact komen accepteert direct hulp. Dit is overigens niet altijd een minnelijk schuldhulptraject, maar kan ook een minder belastende oplossing zijn zoals een budgetcoach, een betalingsregeling of de inzet van vrijwillige schuldhulp. Uit de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden blijkt dat het aantal inwoners dat direct – binnen 30 dagen – hulp heeft geaccepteerd in 2025 vergelijkbaar is met 2024.6
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoogt dit jaar bestuurlijke afspraken te maken met vertegenwoordigers van gemeenten en vertegenwoordigers van vastelastenpartners om de effectiviteit van vroegsignalering te vergroten. Het gaat onder andere over de afspraak om het aantal inwoners waarmee in het kader van vroegsignalering succesvol contact wordt gelegd de komende jaren te verdubbelen naar circa 40%.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De noodverordening in Zandvoort en de overlast, intimidatie en geweldsincidenten op Nederlandse stranden |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noodverordening moet «hufterigheid» in Zandvoort tegengaan. «Die meiden zijn net zo brutaal»» in de Volkskrant van 31 mei 2026?1
Klopt het dat de burgemeester van Zandvoort een noodverordening heeft afgekondigd wegens ernstig overlastgevend gedrag na de Pinksterdagen, en dat ook het strand bij Nesselande in Rotterdam is aangewezen als veiligheidsrisicogebied?
Kunt u bevestigen dat strandpachters zijn geïntimideerd, een portier een stok in zijn gezicht kreeg, serveersters zijn lastiggevallen en twee strandpaviljoens daardoor eerder zijn gesloten?
Bent u in staat om cijfers aan te leveren over het jaarlijkse aantal vergelijkbare incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld tegen ondernemers, personeel en bezoekers op stranden van de afgelopen tien jaar?
Bent u bereid om – gelet op de zware oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de criminaliteitscijfers en het actuele maatschappelijke debat over migratie – in kaart te brengen wat de herkomst is van de daders van deze overlast- en geweldsincidenten?
Bent u bereid in dat overzicht niet alleen eerste en tweede generatie migranten op te nemen, maar ook derde en vierde generatie migranten, zodat een volledig beeld ontstaat?
Indien u deze gegevens niet paraat heeft, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Indien het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een openbaar dashboard in te richten waarop per periode zichtbaar is hoeveel personen worden verdacht van geweldsmisdrijven, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en herkomst, inclusief derde en vierde generatie migranten? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt er «weinig onderzoek» gedaan – aldus Ira Helsloot, de in het artikel genoemde hoogleraar besturen van veiligheid – naar de oorzaak van de overlast en het geweld? Waarom wordt dat onderzoek niet gedaan?
Bent u bereid alsnog onderzoek te laten doen naar de oorzaken van deze overlast, inclusief de migratieachtergrond van de daders? Zo nee, waarom niet?
Herkent u uit politieregistraties het beeld – alsook beschreven door bovenstaande hoogleraar – dat met name jongeren met een migratieachtergrond niet accepteren dat vrouwen schaars gekleed op het strand zitten?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen op een Nederlands strand worden lastiggevallen of geïntimideerd vanwege hun kleding of gedrag?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de vrijheid van vrouwen op het strand wordt ingeperkt door intimiderend gedrag van groepen jongeren?
Indien u die maatregelen nog niet heeft, op welke termijn komt u hiermee?
Welke gevolgen voor het beleid verbindt u aan de signalering van de burgemeester dat de overlastgevende groep steeds jonger wordt – soms 12 of 13 jaar – en een anti-autoritaire houding heeft?
Hoeveel aanhoudingen en gebiedsverboden zijn er dit voorjaar landelijk opgelegd wegens strand- en uitgaansoverlast?
Acht u de huidige bevoegdheden van politie en handhaving toereikend om dit soort overlast aan te pakken?
Zo nee, welke aanvullende bevoegdheden acht u nodig?
Bent u bereid bij geweld en intimidatie door minderjarigen ook de ouders aansprakelijk te stellen, mede gelet op de constatering dat ouders minder betrokken zijn?
Welke consequenties verbindt u aan herhaalde overlast voor de verblijfsstatus of het inburgeringstraject van daders, voor zover dit van toepassing is?
Deelt u de analyse dat het toenemende aantal overlast- en geweldsincidenten op publieke plaatsen mede samenhangt met de omvang en samenstelling van de immigratie van de afgelopen decennia?
Indien u deze analyse niet deelt, op welke gegevens baseert u dat?
Deelt u de mening dat de burger recht heeft op een veilig en onbezorgd strandbezoek, en dat de overheid op dit moment tekortschiet in het faciliteren hiervan?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het zomerreces te beantwoorden?
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De PPWR en de consequenties voor composteerbare verpakkingen |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van producenten van composteerbare en biobased verpakkingen over de gevolgen van de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u dat een aantal biologisch afbreekbare materialen niet is ingedeeld in recyclingcategorieën binnen de PPWR en door sorteerders en recyclers wordt geweigerd in zowel de PMD- als de papierketen?
Op basis van deze Europese verordening moeten alle verpakkingen per 2030 recyclebaar zijn. Daarna worden de eisen van wat als recyclebaar telt in de tijd steeds strenger. In de PPWR wordt recyclebaarheid bepaald voor verpakkingscategorieën (bv. houten verpakkingen) op een indicatieve lijst aan de hand van eigenschappen van de verpakking (bv. uit hoeveel verschillende materialen de verpakking is gemaakt). Niet alle materialen zijn ingedeeld in deze indicatieve lijst. De Europese Commissie (verder: Commissie) heeft de bevoegdheid deze lijst te wijzigen, bijvoorbeeld vanwege nieuwe materiaalontwikkelingen.
De indicatieve lijst houdt geen rekening met nationale verwerkingsmethoden, maar is een algemene lijst met materialen met als doel design-for-recycling te harmoniseren. Of een verpakking wel of niet op de indicatieve lijst staat, staat dus los van of een verpakking in Nederland wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden. In Nederland bestaan voor inwoners wel/niet lijsten die aangeven in welke afvalbak een bepaald product mag. Het kan zijn dat de huidige wel/niet lijsten ertoe leiden dat bepaalde producten niet in het pmd-afval of in de papierbak mogen. Producenten van verpakkingen kunnen afspraken maken met gemeenten, inzamelaars, sorteerders en verwerkers om de wel/niet lijst aan te passen. Zo is in 2026 de wel/niet lijst voor pmd-afval aangepast zodat koffiecapsules ook bij het pmd-afval mogen.
Deelt u de analyse van de sector dat deze weigering ertoe leidt dat deze materialen automatisch een lagere of nulscore op recyclebaarheid krijgen en van de markt worden geweerd?
Vanaf 2030 worden verpakkingen ingedeeld in recyclebaarheidsklassen op grond van de PPWR. Verpakkingen met een te lage recyclebaarheidsklasse mogen niet op de markt worden gebracht. Hoe de recyclebaarheidsklasse wordt bepaald, wordt in 2028 door de Commissie vastgelegd in een gedelegeerde handeling. De Commissie heeft in een gesprek met mijn ministerie aangegeven dat ze bij de uitwerking rekening willen houden met alle materialen, wat ook past bij de intentie om bio(vezel)gebaseerde verpakkingen te stimuleren1. Indien nodig zal Nederland de Commissie blijven oproepen om alle materialen mee te nemen in deze gedelegeerde handeling. Zoals toegelicht in vraag 2, staat de recyclebaarheidsklasse in de PPWR los van of een verpakking in Nederland op dit moment wel of niet bij het pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden.
Welke gevolgen verwacht u van de PPWR voor Nederlandse bedrijven die investeren in dergelijke verpakkingen?
De PPWR harmoniseert het verpakkingenbeleid in Europa. Investeringszekerheid is gebaat bij geharmoniseerde Europese wetgeving. De recyclebaarheidseisen zijn onmisbaar in een circulaire economie waarin wij minder nieuwe grondstoffen gebruiken. Het is van belang dat (nieuwe) verpakkingen en verpakkingsmaterialen zo worden ontworpen dat zij aan deze eisen voldoen. Sommige (technische) aspecten van de PPWR worden uitgewerkt via gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Het is belangrijk dat deze handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Het kabinet zal blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor biogebaseerde, composteerbare en innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid komt.
Bent u voornemens om gebruik te maken van artikel 9, tweede lid, PPWR om aanvullende verpakkingstoepassingen als verplicht composteerbaar aan te wijzen, en welke inhoudelijke criteria hanteert u daarbij in relatie tot de uitdagingen en doelen van de gft-inzameling in Nederland?
Zowel vanuit de interpretatie van de PPWR, als vanuit hoe het Nederlandse circulaire economiebeleid is ingericht, is het kabinet op dit moment niet voornemens om nationaal te regelen dat verpakkingen verplicht composteerbaar moeten zijn. Hieronder wordt dit vanuit beide aspecten toegelicht.
De PPWR verplicht dat alle verpakkingen recyclebaar moeten zijn. Verpakkingen mogen daarnaast ook composteerbaar zijn, maar bepaalde verpakkingen moeten composteerbaar zijn. Deze verplicht composteerbare verpakkingen zijn uitgezonderd van de eis om recyclebaar te zijn. Voor alle lidstaten geldt dat koffiepads, theezakjes en stickeretiketten voor groente en fruit verplicht composteerbaar moeten zijn. Verder hebben lidstaten volgens artikel 9, tweede lid, de keuze om andere specifieke verpakkingen verplicht composteerbaar te maken. Dit tweede lid bestaat uit twee delen. Ten eerste mogen lidstaten reeds bestaande nationale wetgeving die bepaalde verpakkingen verplicht composteerbaar maakt, behouden. Deze regelgeving moet dan al 12 augustus 2026 van kracht zijn. Nederland heeft zulke wetgeving niet. Ten tweede mogen lidstaten bepaalde plastic draagtasjes en niet-metalen koffiecapsules verplicht composteerbaar maken.
Het Nederlandse circulaire economiebeleid is gericht op het behouden van grondstoffen in de economie. De recyclebaarheid van verpakkingen staat daarom voorop. Composteren van verpakkingen is een laagwaardigere vorm van materiaalbehoud dan recycling; verpakkingen dragen geen nutriënten bij aan het compost, en compost kan, in tegenstelling tot recyclaat, niet worden toegepast in nieuwe verpakkingen. Daarnaast heeft het Nederlandse afvalbeleid o.a. duidelijkheid en consistentie voor de consument als uitgangspunt. Onderscheid maken tussen composteerbare verpakkingen, gemaakt van biologisch afbreekbare materialen, en dezelfde verpakkingen gemaakt van fossiele, niet composteerbare materialen, is lastig. Als bijvoorbeeld composteerbare saladebakjes bij het gft-afval moeten en andere bakjes die er wellicht hetzelfde uitzien bij het pmd-afval, dan leidt dit tot verwarring bij de consument. Dit kan leiden tot vervuiling van zowel het gft-afval als het pmd-afval en daarmee tot problemen in zowel het recyclingproces als in de compostering. Tot slot hanteren Nederlandse composteerinstallaties over het algemeen korte doorlooptijden waardoor composteerbare verpakkingen niet genoeg tijd hebben om volledig af te breken. Hierdoor kunnen (delen van) deze verpakkingen in het compost aanwezig blijven als vervuiling. Op basis hiervan volgt dat het verplicht composteerbaar stellen van aanvullende verpakkingen niet wenselijk is.
Hoe weegt u bij deze beslissing de rol en bijdrage van composteerbare en biobased verpakkingen bij de vermindering van fossiel grondstoffengebruik, CO2-uitstoot en het opbouwen van een circulaire economie versus alternatieven? Kunt u daar inzicht in verschaffen?
Verpakkingen die zowel recyclebaar als composteerbaar zijn, kunnen een grote bijdrage leveren aan de circulaire economie, doordat ze compatibel zijn met verschillende afvalverwerkingsstructuren in de Europese Unie. In het Nederlandse circulaire economiebeleid streven we naar het vervangen van primaire grondstoffen door gerecyclede grondstoffen en duurzame biogrondstoffen, waarbij gerecycled de voorkeur heeft2. Biogebaseerde verpakkingen die recyclebaar zijn, al dan niet composteerbaar, worden vanuit het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen gezien als een hoogwaardige en dus wenselijke toepassing van biogrondstoffen3. Daarbij is het belangrijk dat de biogrondstoffen een duurzame oorsprong hebben en dat de totale vraag naar biogrondstoffen beperkt blijft. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een biogebaseerde doelstelling in de PPWR, met bijbehorende duurzaamheidscriteria.
Kijkt u hierbij ook de ervaring in ander EU-landen, zoals Italië, waar ze ervoor gekozen hebben specifieke producten verplicht composteerbaar te maken om zo contaminatie in de gft-stroom te verminderen? Hoe weegt u deze ervaringen bij het bepalen van de meest geschikte aanpak voor de Nederlandse situatie?
De afvalinzamelings- en verwerkingsinfrastructuur in Italië en Nederland verschilt en kan daarom niet vergeleken worden. Gft-afval wordt in Nederland voornamelijk industrieel gecomposteerd met korte doorlooptijd. Hierdoor kunnen deze verpakkingen leiden tot vervuiling van de gft-stroom. In Italië vindt meestal eerst een vergistingsstap plaats waardoor composteerbare verpakkingen ook meer tijd hebben om volledig af te breken. Overigens is het Nederlandse circulaire economiebeleid gericht op het behouden van grondstoffen in de economie.
Recycling van verpakkingen heeft daarom de voorkeur, omdat recycling van verpakkingen leidt tot een hoogwaardigere vorm van materiaalbehoud dan composteren.
Hoe gaat u invulling geven aan artikel 48 PPWR om inzameling, sortering en verwerking van composteerbare en andere innovatieve verpakkingsmaterialen te organiseren of te faciliteren?
Artikel 48 verplicht lidstaten onder andere om ervoor te zorgen dat er systemen en infrastructuur worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle verpakkingsafval en om de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken. Composteerbare en andere innovatieve verpakkingen worden niet specifiek benoemd in dit artikel.
In Nederland is een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Voor de inzameling van verpakkingsafval van huishoudens maken producenten afspraken met gemeenten over het gebruik van de gemeentelijke inzamelsystemen en ontvangen gemeenten daarvoor een vergoeding. Deze gescheiden ingezamelde afvalstromen dienen vervolgens via de geldende minimumstandaarden verwerkt te worden.
In aanvulling op het bovenstaande heeft Nederland een statiegeldsysteem om hoogwaardige recycling van drankverpakkingen te faciliteren, en ondersteunt het de ontwikkeling van nieuwe recyclingtechnieken voor plastic verpakkingen via onder andere Circular Plastics NL4.
Bent u van plan om vóór 12 augustus 2026 met de relevante stakeholders in gesprek te gaan over de Nederlandse inzet op zowel artikel 9 als artikel 48?
Wat betreft artikel 9 is in het antwoord op vraag 5 toegelicht dat er geen nationale wettelijke verplichting rondom composteerbare verpakkingen bestaat. Daarnaast is het de Nederlandse voorkeur om beleid te voeren wat zoveel mogelijk gericht is op het behoud van grondstoffen waarbij in dit geval recycling de voorkeur heeft boven compostering. Wat betreft de rest van de PPWR, blijft het Ministerie van EZK in gesprek met belanghebbenden over bepalingen waar nationale ruimte mogelijk en wenselijk is. Deze bepalingen zullen ook breed via internetconsultatie worden voorgelegd. Ten slotte start vanaf september de Ketentafel Verpakkingen, die een structureel overleg tussen het Rijk en de verpakkingenketen faciliteert. Daar zal de PPWR ook een belangrijk onderwerp zijn.
Bent u bereid om vóór het commissiedebat Circulaire Economie van 1 juli 2026 de Kamer te informeren over de Nederlandse inzet ten aanzien van de invulling van de PPWR?
De PPWR is een Europese verordening, die van toepassing is vanaf 12 augustus 2026. Het merendeel van de maatregelen in de verordening is rechtstreeks van toepassing en behoeft dus geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving. De verordening laat op onderdelen ruimte voor nationale keuzes. Die keuzes worden conform kabinetsbeleid beleidsarm en lastenluw geïmplementeerd. Het uitvoeringsbesluit zal via een internetconsultatie worden voorgelegd aan alle belanghebbenden. Daarna informeer ik de Kamer graag over dit traject.
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Harmen Krul (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?