Gesprekken over minimumstraffen en uitkomst onderzoek strafverzwaring |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat ook binnen een stelsel van minimumstraffen ruimte kan worden behouden voor maatwerk, bijvoorbeeld door middel van een hardheidsclausule of andere uitzonderingsmogelijkheden?
Waarom wordt in de argumentatie van de ketenpartners tegen minimumstraffen nauwelijks ingegaan op de mogelijkheid om dergelijke uitzonderingsgronden in te bouwen?
Hoe geloofwaardig is de stelling van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt voor zwaardere straffen, nu uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) blijkt dat officieren van justitie en rechters verhoogde strafmaxima in de praktijk slechts beperkt benutten?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk ontstaat dat strafverhogingen die bewust door de wetgever zijn vastgesteld, slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de stelling van Politie en Slachtofferhulp Nederland dat de samenleving beter moet begrijpen hoe straffen tot stand komen zich tot het feit dat vrijwel wekelijks maatschappelijke ophef ontstaat over als te laag ervaren straffen in breed uitgemeten strafzaken?
Op basis van welke onderzoeken of gegevens concludeert u dat een gebrek aan uitleg over straffen een grotere oorzaak is van maatschappelijk onbegrip dan de hoogte van de opgelegde straffen zelf?
Kunt u aangeven hoe straffen volgens u nog beter kunnen worden uitgelegd aan de samenleving dan momenteel al gebeurt via openbare uitspraken of uitgebreide mediaberichtgeving?
Waarom wordt bij de beoordeling van minimumstraffen vooral gekeken naar gedragsverandering van de dader en nauwelijks naar het belang van bescherming van de samenleving tegen daders van ernstige delicten?
Deelt u de mening dat een langere detentieperiode bij ernstige gewelds- en zedendelicten ook een belangrijk veiligheidsvoordeel heeft doordat veroordeelden gedurende langere tijd geen nieuwe slachtoffers kunnen maken? Zo ja, hoe werkt dit op dit moment door in de strafoplegging? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe de stelling dat langere gevangenisstraffen recidive zouden bevorderen zich verhoudt tot het gegeven dat een veroordeelde gedurende een langere detentieperiode geen nieuwe slachtoffers in de samenleving kan maken?
Is er onderzocht in hoeverre langere meerjarige gevangenisstraffen juist méér ruimte bieden voor behandeling, begeleiding en resocialisatie van daders? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Hoe beoordeelt u de conclusie van het WODC dat strafverhogingen door de wetgever vaak slecht tot niet zijn onderbouwd?
Bent u bereid te onderzoeken of bescherming van de samenleving explicieter als zelfstandige doelstelling binnen het strafrechtelijk sanctiestelsel zou moeten worden verankerd? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat door de wetgever vastgestelde strafverhogingen volgens het WODC slechts beperkt doorwerken in de strafrechtspraktijk?
Deelt u de mening dat hierdoor de indruk kan ontstaan dat de rechterlijke macht en het OM onvoldoende uitvoering geven aan de uitdrukkelijke wens van de wetgever om bepaalde delicten zwaarder te bestraffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze beperkte doorwerking van door de wetgever vastgestelde strafverhogingen zich volgens u tot het uitgangspunt dat de Rechtspraak midden in de samenleving dient te staan?
Hoe verhoudt deze praktijk zich volgens u tot de geest van de trias politica, waarin de rechter onafhankelijk is, maar tegelijkertijd opereert binnen de wettelijke kaders die door de democratisch gelegitimeerde wetgever worden vastgesteld?
Deelt u de mening dat minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten niet strijdig zijn met de onafhankelijke rechtspraak, maar wel bijdragen aan normstelling, rechtszekerheid en voorspelbaarheid van straftoemeting?
Bent u bereid de Rechtspraak en het OM actief te verzoeken de oriëntatiepunten en richtlijnen voor ernstige gewelds- en zedendelicten aan te scherpen zodat deze beter aansluiten bij de ernst van deze delicten en de maatschappelijke opvattingen daarover? Zo nee, waarom niet?
Welke landen kennen minimumstraffen voor ernstige gewelds- en zedendelicten en welke lessen trekt u uit de ervaringen in die landen ten aanzien van normbevestiging, bescherming van de samenleving en rechtszekerheid?
Welke internationale best practices acht u relevant voor Nederland en bent u bereid te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden overgenomen?
Bent u, gezien de geleverde adviezen, nog altijd voornemens om minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners in te voeren?
Alternatieve fiscale routes voor de CV/BV structuur en andere belastingontwijkende structuren |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat uw ambtsvoorganger bij de behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft aangegeven1 te verwachten dat het grootste deel van de belastingplichtigen met een CV/BV-structuur de structuur zal wijzigen, dat het niet valt uit te sluiten dat een groep belastingplichtigen daarbij op zoek zal gaan naar een andere wijze om de belastingdruk te verlagen en dat hij niet kon overzien hoe dergelijke structuren zouden worden vormgegeven?
Kunt u thans wel overzien hoe belastingplichtigen met een CV/BV-structuur hun structuur naar aanleiding van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking hebben aangepast? Zo ja, kunt u een overzicht verstrekken van alternatieve structuren die zij in dat kader hebben geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken, op vergelijkbare wijze als in 2016 met het onderzoek dat heeft geleid tot de notitie CV/BV-structuren in Nederland2?
Klopt het dat één van de alternatieve structuren die in dit kader zijn geïmplementeerd het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap behelst, zodanig dat de Amerikaanse vennootschap daarna de aandelen in de Singaporese vennootschap houdt, de Singaporese vennootschap vennoot is in de CV met een winstaandeel van meer dan 99 procent en de CV de aandelen houdt in de BV?
Klopt het dat het mogelijk is of was om de CV voor toepassing van de Singaporese belastingwet als transparant te kwalificeren?
Klopt het dat Singapore een territoriaal belastingstelsel heeft of had en dat dit er in deze structuur toe zou leiden of heeft geleid dat de winst die de Singaporese vennootschap geniet ter zake van haar deelname als vennoot in de CV door Singapore niet werd of wordt belast?
Klopt het, ervan uitgaande dat Singapore de CV als transparant zou zien, dat voor de jaren 2020 en 2021 royalty’s die de BV aan de CV betaalde, aftrekbaar bleven omdat de aftrekbeperking van de antimismatchregels niet van toepassing was aangezien er geen sprake was van een mismatch omdat Singapore de CV net als Nederland als transparant beschouwde?
Klopt het dat de CV sinds 2022 als een zogenoemde omgekeerde hybride wordt beschouwd omdat de Amerikaanse vennootschap als aandeelhouder van de Singaporese vennootschap een indirect belang heeft in de CV en de Verenigde Staten de CV als niet-transparant zien? Zo ja, betekent dit dat de CV belastingplichtig wordt voor de vennootschapsbelasting maar dat de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap aftrekbaar is indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969?
Kwalificeert of kwalificeerde de wijze waarop Singapore het inkomen van de Singaporese vennootschap als vennoot in de CV in de heffing betrok of betrekt als «in een naar de winst geheven belasting wordt betrokken» in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zelfs indien daarbij wordt aangenomen dat Singapore over dit inkomen vanwege het aldaar vigerende territoriale belastingsysteem niet daadwerkelijk belasting heft? Is het mogelijk om over deze kwalificatie afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn er met de Nederlandse fiscus afspraken gemaakt over deze kwalificatie en zo ja, hoeveel?
Veronderstellend dat de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, leidt één en ander er dan toe dat de CV vanaf 2022 weliswaar belastingplichtig is voor de Nederlandse vennootschapsbelasting maar dat er niettemin weinig Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden geheven omdat bij het bepalen van de omvang van de winst van de CV de winst die toerekenbaar is aan de Singaporese vennootschap (ruim 99 procent) aftrekbaar is?
Klopt het dat deze structuren zo kunnen worden opgezet dat de Singaporese vennootschap niet buitenlands belastingplichtig wordt voor de Nederlandse vennootschapsbelasting in de zin van artikel 17, onderdeel g, van de Wet vennootschapsbelasting 1969? Is het mogelijk om hierover afspraken te maken met de Nederlandse fiscus? Zijn hierover afspraken gemaakt en zo ja hoeveel?
Klopt het dat er afspraken over de in de voorgaande vragen bedoelde structuur met de Nederlandse fiscus zijn gemaakt en zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Leidt één en ander dan tot de slotsom dat na het tussenschuiven van een Singaporese vennootschap de CV/BV-structuur ondanks de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking heeft kunnen voortbestaan? Zo ja, is de conclusie in de Effectmeting ATAD 23 dat deze wet CV/BV structuren effectief tegengaat dan onjuist?
Klopt het dat sinds 2025 de hiervoor besproken structuur zodanig wordt aangepast dat de Singaporese vennootschap wordt vervangen door een Zwitserse vennootschap? Kunt u verklaren waarom dat zo is?
Kunt u bevestigen dat een reden om de Singaporese vennootschap te vervangen door een Zwitserse vennootschap kan zijn gelegen in de invoering van de minimumbelasting door Singapore?
Kunt u bevestigen dat de minimumbelasting in Zwitserland en/of in sommige Zwitserse kantons zodanig is geïmplementeerd dat daarvan een zogenoemd gekwalificeerd terugbetaalbaar belastingkrediet (QRTC) deel uitmaakt?
Kunt u bevestigen dat het door middel van deze QRTC in Zwitserland mogelijk is om aldaar winst te behalen die belast wordt naar een effectief tarief dat aanzienlijk lager is dan 15 procent indien er bij het bepalen van het effectieve tarief anders dan voor de toepassing van de minimumbelasting vanuit wordt gegaan dat de QRTC in mindering komt op de belasting? Is het denkbaar om aldus in Zwitserland winst te behalen die wordt belast naar een effectief tarief dat kan liggen tussen de twee procent en de acht procent zonder dat daar wordt bijgeheven op grond van de minimumbelasting?
Is het in Zwitserland mogelijk om immateriële activa ten tijde van de verkrijging door of inbreng in een Zwitserse vennootschap te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en daarop af te schrijven? Is de rente op een lening die dient ter financiering van de verkrijging van immateriële activa daar aftrekbaar? In hoeverre spelen dergelijke afschrijvingen en renteaftrek een rol bij het bepalen van het effectieve tarief over de daar behaalde winst?
Kunt u bevestigen dat er Nederlandse belastingplichtigen zijn die immateriële activa hebben ondergebracht in een Zwitserse (klein)dochtervennootschap en/of een dergelijke vennootschap gebruiken als concernfinancieringsvennootschap? Zo ja, om hoeveel belastingplichtigen gaat het bij benadering? Zijn hierover afspraken gemaakt met de Nederlandse fiscus door deze belastingplichtigen? Zijn er samenvattingen van deze afspraken gepubliceerd? Zo ja, kunt u specificeren waar deze afspraken in de ruling-database zijn terug te vinden? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat om belastingontwijking door multinationals aan te pakken meer fundamentele maatregelen nodig zijn dan die tot nu toe zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat in belastingontwijkende structuren van multinationals de winst vaak wordt verlaagd door middel van de aftrek van rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die zijn gemoeid met aftrekbare rente en royalty’s die zijn verschuldigd door aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in landen zoals Zwitserland waar het mogelijk is een effectief tarief te bereiken dat lager is dan 15 procent? Is het mogelijk om in dit overzicht per land (van de ontvanger van de rente en/of royalty’s) een specificatie te geven? Zo nee, bent u bereid om dit door het Ministerie van Financiën in samenwerking met de Belastingdienst te laten onderzoeken?
Zou het volgens u mogelijk zijn om in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een aftrekbeperking op te nemen voor rente en royalty’s die zijn verschuldigd aan groepsmaatschappijen die zijn gevestigd in niet-EU landen met een effectief tarief dat lager is dan 15 procent?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de technische briefing over belastingontwijkingsconstructies?
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
Jimmy Dijk (SP), André Flach (SGP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank in Den Haag waarbij door de rechtbank is bevestigd dat u niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de Europese Unie?1
Hoe rijmt u de conclusie dat bepaalde provincies in Jemen (zoals Al Mahra en Hadramaut) «veilig» zijn met de informatie van hulporganisaties, United Nations en VluchtelingenWerk dat het geweld en de instabiliteit zich over het hele land verspreiden en dat de situatie onvoorspelbaar blijft?
Kunt u specifiek aangeven welke bronnen, naast het ambtsbericht, zijn gebruikt om de afwezigheid van willekeurig geweld in deze gebieden aan te tonen?
Waarom blijft u vasthouden aan het beleid waarbij humanitaire factoren slechts globaal worden meegenomen, terwijl de rechter en de Raad van State oordelen dat onvoldoende in kaart is gebracht hoe humanitaire omstandigheden (zoals hongersnood en gebrek aan water) het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van strijdende partijen en het Europese Hof (arrest CF en DN) een «allesomvattende beoordeling» eist?
Bent u bereid om, naar aanleiding van de recente rechterlijke uitspraak dat het beleid niet voldoet aan de eisen van de Raad van State en het Europese Hof, de uitvoering van het nieuwe beleid (en daarmee de afwijzingen van asielaanvragen) per direct op te schorten totdat er een deugdelijke, allesomvattende analyse van de humanitaire situatie ligt?
Komt er een nieuwe wijziging in het landenbeleid voor Jemen naar aanleiding van bovengenoemde uitspraken? Zo ja, hoe wordt daarin recht gedaan aan de uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Op welke feitelijke informatie baseert u de aanname dat vluchtelingen uit onveilige gebieden zich duurzaam en veilig kunnen vestigen in de zogenaamd veilige provincies, gezien de enorme druk op de lokale infrastructuur door de miljoenen interne ontheemden in Jemen?
Hoe wordt gegarandeerd dat deze mensen daar niet alsnog in een levensbedreigende humanitaire situatie terechtkomen?
Erkent u dat het huidige beleid, waarbij zaken worden aangehouden of afgewezen op basis van een juridisch wankel fundament, ertoe leidt dat een grote groep Jemenieten in Nederland in onzekerheid leeft en hun integratie en persoonlijke ontwikkeling ernstig worden belemmerd?
Hoe kunt u de Jemenieten in Nederland ondersteunen en faciliteren in hun ontwikkeling en integratie gedurende deze onzekere tijden?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Authentieke en inauthentieke social media accounts |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe wordt het onderscheid tussen «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op sociale media gemaakt?
Worden er accounts als «inauthentiek» geïdentificeerd?
Als dat zo is, welke maatregelen worden vervolgens concreet tegen deze «authentieke accounts» genomen?
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
UN special rapporteurs |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigend onderzoeksrapport (1) inzake de objectiviteit van UN special rapporteurs?1
Ja.
Wilt u puntsgewijs en gedocumenteerd aangeven in hoeverre u de kritiekpunten uit het rapport herkent en beoordeelt?
Wilt u puntsgewijs en onderbouwd aangeven wat u vindt van alle aanbevelingen van het rapport?
Wat is, gespecificeerd per rapport van de genoemde UN special rapporteurs, uw oordeel over de waarde van elk van die rapporten? Welke reserves heeft u over ieder individueel rapport?
Welke acties gaat u ondernemen naar aanleiding van het rapport van UNWatch?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om het Nederlandse uitgangspunt ten aanzien van Speciaal Rapporteurs fundamenteel te wijzigen. Nederland zal zich blijven inzetten voor een effectief en onafhankelijk systeem van Speciaal Rapporteurs en zal daarbij het belang van objectiviteit, integriteit en naleving van de gedragscode blijven benadrukken. Indien het kabinet het nodig acht zal het in gesprek gaan met Speciaal Rapporteurs om eventuele zorgen over te brengen.
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
Gemeenten die de Spreidingswet moeten uitvoeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Burgemeester van Maassluis steunt voornemen van eigen gemeente om «nul» asielzoekers op te nemen niet en pleit voor solidariteit» en de brief van de burgemeester van Maassluis «Reflectie coalitieakkoord»?1, 2
Deelt u de mening van de burgemeester dat ten aanzien van het asielbeleid «het van belang [is] om als gemeenten onderling solidair te zijn. Dat betekent dus gevolg geven aan de spreidingswet»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat gemeenten uitvoering moeten geven aan de Spreidingswet en dat het voornemen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden in strijd is met het doel van die wet? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer signalen van gemeenten die in nieuwe coalitieakkoorden het voornemen hebben opgenomen om geen opvangplekken voor asielzoekers te zullen gaan aanbieden? Zo ja, hoeveel gemeenten zijn dit en om hoeveel potentieel niet te realiseren opvangplekken gaat het?
Deelt u de mening dat het voor het lokale draagvlak ten aanzien van het opnemen van asielzoekers uiteindelijk beter is als gemeenten het aan de provinciale regietafels onderling eens worden over de verdeling van provinciale opvangopgaven in plaats van dat u die moet vaststellen of aanvullen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wat doet u om lokale bestuurders ten aanzien van het uitvoeren van de Spreidingswet te ondersteunen?
Het artikel 'In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Hengelo liggen ze niet wakker van mogelijke Russische aanval»?1
Is het correct dat Medvedev, vicevoorzitter van de Russische veiligheidsraad, een lijst met potentiële doelwitten in Europa heeft gepubliceerd?
Is het correct dat op deze lijst ook «dronefabriek Destinus» in Hengelo staat?
Staat deze dronefabriek in Hengelo? Produceert deze fabriek drones voor Oekraïne?
Kan Rusland, bijvoorbeeld met de Oreshnik, deze dronefabriek uitschakelen?
Heeft Nederland de militaire capaciteit om een Oreshnik die wordt afgeschoten vanuit Rusland op deze dronefabriek te onderscheppen?
Is het correct dat de (woon)wijk De Nijverheid, op slechts anderhalve kilometer van deze dronefabriek ligt?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte nevenschade – het aantal gewonden en doden – specifiek in de (woon)wijk De Nijverheid, mocht een (conventioneel bewapende) Oreshnik deze dronefabriek vernietigen?
Wat is de verwachte tijd – en dus de maximale waarschuwingstijd voor bewoners in de omgeving – tussen het moment waarop de Oreshnik wordt gelanceerd en het moment waarop de raket de dronefabriek treft?
Is het, wat u betreft, wenselijk en redelijk, dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de burgers van Hengelo en de bewoners van De Nijverheid in het bijzonder aan deze risico’s worden blootgesteld omdat er een dronefabriek gevestigd is in Hengelo die drones produceert voor een oorlog die, in ieder geval wat Forum voor Democratie betreft, niet onze oorlog is?
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn en afzonderlijk beantwoorden?
Voortgezette samenwerking met Walraven via Aurexys bv |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wist u, op het moment dat u instemde met de overdracht van de contracten naar Aurexys bv, dat de strafrechtelijk vervolgde verdachten achter DTS Armory daar aandeelhouder van waren? Zo ja, waarom heeft u die overdracht dan toch gefaciliteerd?
Voorzover bekend zijn de eigenaren van Aurexys B.V. niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Ook in dit geval is deze lijn gevolgd.
Aurexys bv heeft dezelfde eigenaar als DTS Armory en de verdachten achter DTS Armory waren er aandeelhouder van. Waarom beschouwt u dit dan toch als «een ander bedrijf»?
Defensie doet, in de gevallen waar u met uw vraag op doelt, zaken met een rechtspersoon en niet met een natuurlijk persoon. Aurexys B.V. is een andere rechtspersoon dan DTS Armory B.V. en kan daardoor zelfstandig overeenkomsten aangaan.
Klopt het dat u al sinds 15 november 2025 wist dat de wapenvergunning van DTS Armory was ingetrokken wegens verdenking van fraude? Waarom is er pas ná de publicaties van Follow the Money ingegrepen, en is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd? Deelt u de conclusie dat hier dus geen sprake was van daadkrachtig optreden?
De overheveling van het contract van DTS Armory B.V. naar Aurexys B.V. is direct na kennisneming van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie op 15 november 2025 in gang gezet en heeft geleid tot het ondertekenen van een overeenkomst op 3 december 2025. Er was op dat moment geen aanleiding om deze overheveling aan de Tweede Kamer te melden. De eerste publicatie van Follow the Money was op 13 maart 2026.
U stelde in De Balie dat Defensie «meteen» had gehandeld en niet meer met Walraven zou samenwerken, maar stelde in het Kamerdebat dat lopende contracten gewoon doorlopen. Hoe duidt u deze tegenstrijdigheid?
Het klopt dat wij geen zaken meer doen met het aan de heer W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. vanwege het ontbreken van de juiste vergunningen, maar het klopt niet dat wij op dit moment geen zaken doen met andere aan hem gelieerde bedrijven. Ik maak daarom van deze gelegenheid gebruik om mijn uitspraak bij De Balie te verhelderen. Naar aanleiding van een opmerking van een andere gespreksdeelnemer inzake het intrekken van een vergunning op grond van de Wet Wapens en Munitie van een aan de heer W. gelieerd bedrijf, reageerde ik onder andere met: «daarna is ook meteen gehandeld vanuit Defensie dat we met deze persoon niet meer kunnen samenwerken». Daarmee bedoelde ik niet de heer W. persoonlijk, maar het betreffende aan dhr. W. gelieerde bedrijf DTS Armory B.V. De heer W. is niet onherroepelijk veroordeeld en daarom is er in dit geval ook geen grond tot het op voorhand uitsluiten van een aan hem gelieerde rechtspersoon.
In het debat zei u: «Dat is niet waar. Er is geen persbericht.» Via uw woordvoerder werd dit later bijgesteld tot: er is geen persbericht «waarin melding wordt gemaakt van een specifieke leverancier». Erkent u dat dit twee wezenlijk andere uitspraken zijn en dat uw oorspronkelijke ontkenning niet juist was aangezien het persbericht over deze levering openbaar op de website van Defensie staat?1
Een van de onderwerpen waarover ik met uw Kamer heb gesproken tijdens het Commissiedebat Materieel van 3 juni 2026, is de levering van boten door een aan de heer W. gelieerd bedrijf. Daarna was er verschil van inzicht met uw Kamer over het al dan niet uitgegaan zijn van een persbericht over de levering van de boten. Ik merkte op dat Defensie daarover geen persbericht heeft uitgegeven en bedoelde daarmee een persbericht waarin specifieke aantallen of leverancier(s) vermeld zijn. Er is vanuit Defensie op 4 juni 2025 een persbericht uitgegaan over een maritiem steunpakket voor Oekraïne. Vorig jaar is in dat persbericht een indicatie gegeven van het aantal te leveren boten, maar is geen exact aantal genoemd noch welke partij(en) deze levert. In een Kamerbrief van 17 juni 2025 over het verslag van de NAVO bijeenkomst gehouden op 5 juni 2025 te Brussel en voorafgegaan door een bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group (UDCG) op 4 juni 2025, zijn wel specifieke aantallen genoemd.2
Defensie bevestigt «zaken te doen met bedrijven waar de heer Walraven aan gelieerd is». Om welke bedrijven en bedragen gaat het en is hierbij ook de drone-onderneming Hyllus bv betrokken, waarvan Walraven gevolmachtigde is?
Defensie maakt deze informatie niet openbaar. Ik bied uw Kamer aan om hier in een vertrouwelijke technische briefing nader op in te gaan.
Voor welk totaalbedrag heeft Defensie inmiddels contracten gesloten met DTS Armory, Aurexys bv en andere aan Walraven gelieerde bedrijven en wat is daarvan tot op heden daadwerkelijk in Oekraïne geleverd? Hoe kan de Kamer controleren of deze honderden miljoenen aan gemeenschapsgeld doelmatig zijn besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met álle bedrijven waarbij Walraven betrokken is daadwerkelijk te beëindigen en te garanderen dat de overige partijen in het Oekraïne-project hun werk zonder zijn betrokkenheid kunnen voortzetten? Zo nee, waarom niet ook gezien uw eerdere uitspraak in De Balie?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen één voor één afzonderlijk beantwoorden, vóór de voortzetting van het commissiedebat Materieel op 10 juni?
Vanwege de samenloop in beantwoording zijn enkele vragen gecombineerd.
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Ja, daar heeft het kabinet kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Het onderzoek levert een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ, maar vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
De inzet van de POH-GGZ draagt bij aan het laagdrempelig toegankelijk houden van de zorg. De beleidsdoelen van de POH-GGZ zijn breder dan het voorkomen van specialistisch ggz-gebruik en aantoonbare symptoomverbetering alleen. De POH-GGZ draagt er namelijk aan bij om de huisartsenzorg te versterken, laagdrempelige ondersteuning te bieden en psychische klachten vroegtijdig te signaleren. Het uitblijven van aantoonbaar betere mentale gezondheidsuitkomsten op populatieniveau kan niet alleen worden herleid naar de inzet van de POH-GGZ en heeft te maken met heel veel andere factoren, zoals de grotere vraag en toegenomen complexiteit van de zorgvraag in de GGZ. Tevens is het voorkomen van verergering van klachten moeilijk meetbaar.
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Het klopt dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ tussen 2011 en 2021 is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 patiënten per jaar. Het klopt ook dat het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven. Het kabinet is van mening dat uit deze ontwikkeling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de POH-GGZ een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd. Wel deelt het kabinet de conclusie dat de introductie van de POH-GGZ heeft bijgedragen aan het creëren van meer behandelaanbod. Dit was ook een van de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ. Een mogelijke vervolgvraag is of een deel van de patiënten die bij de POH-ggz geholpen wordt op een andere plek beter kan worden geholpen. Bijvoorbeeld daar waar het overbruggingszorg betreft van patiënten met complexe zorgvragen die op een wachtlijst staan voor vervolg behandeling, of waar het voornamelijk sociale problemen betreft. Er is hier reeds beleid op ingezet. In het AZWA is daarom onder andere afgesproken om in te zetten op laagdrempelige steunpunten, mentale gezondheidsnetwerken, een verbeterde samenwerking tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg, en om de positie van de POH-GGZ te versterken door extra uren mogelijk te maken (verhoging van 12 naar 16 uren POH-GGZ per huisartsenpraktijk. Hiermee streven we naar een passende inzet van zorgprofessionals en het voorkomen van specialistische zorg.
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
In 2023 betroffen de uitgaven aan de POH-ggz 255 miljoen euro.2 Patiënten en huisartsen ervaren meerwaarde van de POH-GGZ. De POH-GGZ is een laagdrempelig aanspreekpunt dicht bij huis, helpt bij het verhelderen van hulpvragen en ondersteunt bij het vinden van passende vervolgstappen. Daarnaast ervaren huisartsen dat de POH-GGZ een belangrijke bijdrage levert aan de toegankelijkheid van zorg voor mensen met mentale klachten. Het onderzoek vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
In het IZA is een hogere maximuminzet van de POH-GGZ afgesproken (van 12 uur naar 16 uur inzet POH-GGZ per huisartsenpraktijk). Deze en aanpalende afspraken in het IZA zijn mede ingegeven door de hoge druk op de zorg, specifiek huisartsenzorg. De POH-GGZ speelt een belangrijke rol in de praktijken, voor patiënten met (licht) psychosociale klachten die zich bij de huisarts presenteren en ook niet snel in de basis of specialistische GGZ terecht kunnen. In het IBO mentale gezondheid en ggz3 wordt verwezen naar een onderzoek wat zich vooral richt op de verschillen tussen praktijken. Dit wijst erop dat wanneer de inzet van POH-GGZ in huisartsenpraktijken hoog is, er minder mensen met een depressie of klachten van depressieve aard in de generalistische basis-ggz of specialistische ggz terechtkomen.4 Daarnaast heeft het Trimbos een aantal onderzoeken naar de POH-GGZ uitgevoerd. Dit zijn onderzoeken naar de effectiviteit, doelmatigheid, patiëntervaringen en de organisatie van POH-GGZ.5
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
De toegankelijkheid van de gespecialiseerde ggz is een complex probleem. Het kabinet is via verschillende routes bezig met het oplossen van deze problematiek. In het AZWA (afspraak C6) zorgen de partijen in de ggz gezamenlijk dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. En het kabinet zet zich met de routekaart passende zorg ggz in om meer sturing op passende zorg voor de patiënt met een complexe zorgvraag te creëren. Dit is ook onderdeel van de kabinetsreactie op het IBO Mentale gezondheid en ggz, wat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VWS zal versturen. Daarnaast draagt de POH-GGZ bij aan laagdrempelige toegang tot psychische ondersteuning, vroegsignalering, passende triage en ondersteuning van de huisarts. Hiermee reiken de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ verder dan enkel een instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek levert, net als de andere onderzoeken zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ. Momenteel is een onafhankelijke evaluatie van de POH-GGZ niet aan de orde. Volgende maand gaat het Ministerie van VWS met onderzoeker Roger Prudon en mensen uit de praktijk in gesprek over het recente onderzoek. In dit gesprek zullen het onderzoek, de interpretatie en de mogelijke beleidsimplicaties aan bod komen.
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet neemt de aanbevelingen uit het onderzoek serieus. Hoewel het onderzoek concludeert dat de toegenomen inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan het verminderen van de druk op de basis en gespecialiseerde ggz, wil het kabinet benadrukken dat de POH-GGZ een breder doelt dient. Zo is de POH-GGZ ook bedoeld voor o.a. het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz, ondersteuning van huisartsen, inzetten op vroegsignalering, en effectievere triage en zorg dicht bij huis. Daarnaast zijn er, in bijvoorbeeld het AZWA, maatregelen genomen om de effectieve inzet van de POH-GGZ te bevorderen. Mentale gezondheidsnetwerken zorgen ervoor dat de druk op de gespecialiseerde ggz afneemt, doordat de huisarts, het sociaal domein, de ggz en ervaringsdeskundigen samenwerken in het Verkennend Gesprek. Ook het versterken van de samenwerking van eerstelijnszorg en het sociaal domein zorgt voor de inbedding van de POH-GGZ in het (preventieve) zorgstelsel. Het Ministerie van VWS gaat, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7, verder in gesprek over dit onderzoek.
Spoorgoederenvervoer |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Investigation confirms: Dutch rail freight costs far exceed those of neighbouring countries»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Herkent en onderschrijft u de analyse van spoorgoederenkosten/infraheffingen die ProRail en Havenbedrijf Rotterdam hebben gemaakt?
De analyse geeft een goed inzicht in de verschillende tarieven in Nederland, Duitsland en België en de wijze waarop die uitwerken op diverse vervoersroutes. Daarmee biedt het een bruikbaar beeld van de kosten waarmee spoorgoederenvervoerders op deze routes worden geconfronteerd. Het onderzoek onderstreept dat er grote verschillen bestaan tussen landen in de hoogte van tarieven en in de mate waarop het spoorgoederenvervoer aanvullend gesubsidieerd wordt.
Erkent u dat de Nederlandse economie is gebaat bij een (goederen)vervoerssysteem verspreid over de diverse modaliteiten?
Voor een robuust en betrouwbaar goederenvervoerssysteem zijn alle modaliteiten van belang. Een goede balans tussen weg, spoor, binnenvaart, zeevaart en buisleidingen draagt bij aan de bereikbaarheid, leveringszekerheid en economische kracht van Nederland. Dit uitgangspunt is terug te vinden in de recente beleidsbrief IenW en ook terug te vinden in de Beleidsagenda Goederenvervoer en het Toekomstbeeld Spoorgoederenvervoer 2050, die in onderlinge samenhang zijn opgesteld.
In hoeverre onderschrijft u de stelling dat er de afgelopen jaren sprake is van een «reverse modal shift», waarbij goederen die voorheen per spoor of binnenvaart werden vervoerd, steeds vaker via de weg worden vervoerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aandeel van het spoor in de modal split is de afgelopen jaren afgenomen. Tussen 2015 en 2021 schommelde het vervoerde volume per spoor tussen ongeveer 40 en 43 miljoen ton. Na een incidentele piek in 2022, onder meer als gevolg van een extra vraag naar kolenvervoer, is dit volume gedaald naar ruim 36 miljoen ton in 2025. De ontwikkeling van de modal split wordt beïnvloed door diverse factoren, waaronder economische ontwikkelingen, veranderingen in goederenstromen en de concurrentiepositie van de verschillende modaliteiten, havens en industriegebieden in binnen- en buitenland.
Bent u – zoals uit het artikel blijkt – van mening dat de hoge kosten waar spoorgoederenvervoer bedrijven zich in Nederland voor gesteld zien, bijdragen aan deze «reverse modal shift»? Zo nee, waarom niet?
De kosten die vervoerders betalen voor het gebruik van het spoor vormen een wezenlijk onderdeel van de totale kosten van het spoorgoederenvervoer.
Tegelijkertijd wordt de afname van het spoorgoederenvervoer de afgelopen jaren grotendeels verklaard door andere ontwikkelingen. De belangrijkste oorzaak is de sterke afname van het kolenvervoer als gevolg van de voorziene sluiting van kolencentrales in Duitsland. ProRail concludeert in de jaarrapportages over het spoorgoederenvervoer onder meer het volgende:
Voor het intermodale vervoer zijn de volumes relatief stabiel gebleven, maar ik hoor wel dat er verschuivingen hebben plaatsgevonden: vooral op de kortere afstanden is het moeilijker geworden om met de weg te concurreren en daar kunnen kosten een rol in spelen. Verder constateer ik dat het vervoerders momenteel onvoldoende lukt om nieuwe ladingstromen naar het spoor te trekken. De kostenpositie van het spoor kan daarin een factor zijn.
Waarom heeft Nederland geen gelijk speelveld met de met ons omringende landen?
Er is één Europees kader voor vaststelling van de gebruiksvergoeding, maar daarbinnen zijn bepaalde vrijheden om dit nader in te vullen. Zo kan ervoor gekozen worden om een extra heffing in te voeren om extra kosten door te berekenen aan de gebruikers van het spoor, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Omgekeerd kan voor de dienstvoorzieningen (zoals de dienst opstellen en rangeren) gekozen worden om de kosten niet geheel door te berekenen. In aanvulling op de vaststelling van de gebruiksvergoeding gaan landen verschillend om met inzet van het subsidie-instrumentarium. Deze combinatie leidt er op dit moment toe dat het spoorgoederenvervoer vanuit Rotterdam op de onderzochte routes «duurder» is dan vanuit Antwerpen. Kijkend naar Hamburg is te zien dat Rotterdam meestal vergelijkbaar of «goedkoper» is.
Worden de infraheffingen voor het rijden van goederentreinen en die voor het opstellen en rangeren van goederentreinen taakstellend bepaald of vastgesteld? Zo ja, door wie?
Het vaststellen van de gebruiksvergoedingstarieven ligt bij ProRail. De gebruiksvergoedingstarieven dekken nu ongeveer 18% van de kosten van ProRail voor het beheer en onderhoud van het spoor. De rest van de kosten wordt door de rijksbijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan ProRail gedekt. Het (eventueel) verstrekken van directe subsidies aan vervoerders of het via een extra heffing extra kosten doorberekenen aan de markt is de verantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW.
Wie neemt het besluit en wat is de basis voor de infraheffingstarieven?
De gebruiksvergoedingstarieven worden door ProRail vastgesteld binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die daarvoor gelden. De regels voor de vergoedingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur vinden hun basis in de Europese sera-richtlijn (richtlijn 2012/34/EU). De sera-richtlijn verplicht de infrastructuurbeheerder de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daaronder valt bijvoorbeeld een deel van de kosten voor spooronderhoud en de personeelskosten van treindienstleiders. Dit gebeurt via de vergoeding minimumtoegangspakket (VMT). Hiervoor zijn nadere regels gesteld in uitvoeringsverordening 2015/909/EU «betreffende de modaliteiten voor de berekening van de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien». De methodiek waarin ProRail beschrijft welke kosten worden opgenomen in de VMT moet voor de toepassing van de vergoedingen worden goedgekeurd door de Autoriteit Consument en Markt.
Daarnaast worden er op basis van de sera-richtlijn door ProRail ook vergoedingen berekend voor het gebruik van bepaalde diensten, zoals opstellen en rangeren.
De sera-richtlijn is nationaal geïmplementeerd via de Spoorwegwet en het onderliggende besluit implementatie richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
Wordt bij de vaststelling van de infraheffingen gestuurd op een optimaal evenwicht tussen opbrengsten uit infraheffingen en het behoud of de groei van het goederenvervoer per spoor? Daarbij rekening houdend met de prijsgevoeligheid van verladers bij de keuze tussen vervoerwijzen. Kunt u dit toelichten?
Op basis van de sera-richtlijn is ProRail verplicht om de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de treindienst door te berekenen aan spoorwegondernemingen. Daarbij kan dus niet gezocht worden naar een evenwicht tussen opbrengsten en effecten op de markt.
Kosten die niet rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie kunnen via een eventuele extra heffing op verzoek van het Ministerie van IenW worden doorberekend, op voorwaarde dat de markt dit kan dragen. Hierbij wordt rekening gehouden met de prijselasticiteit van onder andere goederenvervoerders. Op dit moment wordt echter geen extra heffing toegepast en toepassing hiervan is voor de huidige tariefperiode van de gebruiksvergoeding (2026–2029) ook niet voorzien.
Voor het bepalen van de kosten voor diensten als opstellen en rangeren worden door ProRail minimaal de directe kosten doorberekend.
Welke factoren bepalen de hoogte van de infraheffingstarieven? Kunt u toelichten hoe deze factoren worden meegewogen?
ProRail bepaalt de hoogte van de gebruiksvergoedingstarieven. Zoals bij vraag 8 is aangegeven doet ProRail dat binnen de Europese en nationale wettelijke kaders die van toepassing zijn.
ProRail spant zich in om, voor zover mogelijk, te zorgen dat het spoor betaalbaar blijft en neemt hiervoor verschillende maatregelen binnen het door IenW en ProRail gezamenlijk vastgestelde Basis Kwaliteitsniveau Spoor (BKN). Door scherpe keuzes te maken in de inrichting van het onderhoud en efficiënte inzet van mensen en capaciteit, wordt geprobeerd de capaciteit van het spoor zo optimaal en betaalbaar mogelijk te benutten.
Wordt er daarbij rekening gehouden met tarieven in het buitenland?
Bij het vaststellen van tarieven voor een nieuwe periode van de gebruiksvergoeding wordt ook gekeken naar andere landen. Het verschil in kosten voor gebruikers van het spoor tussen Nederland en omringende landen zit onder andere in verleende subsidies door de omringende landen.
Welke mogelijkheden ziet u om het spoorgoederenvervoer in Nederland een «level playing field» te bieden met het buitenland?
De tarieven voor opstellen en rangeren zijn met de tariefswijzigingen per 1 januari 2026 verlaagd. Er is toen ook besloten om geen subsidie meer te geven2. Met deze wijzigingen is het verschil met de ons omringende landen per 2026 minder geworden3. Vanuit vervoerders wordt gepleit voor verdere verlaging van de tarieven naar een niveau voor 2023 toen de tarieven voor opstellen en rangeren nog lager waren. Dit is een maatregel met een tijdelijk effect. Gelet op de schaarste aan financiële middelen is mijn kabinetsinzet gericht op maatregelen die de kostenpositie structureel versterken in plaats van tijdelijke subsidies. Voorbeelden van deze inzet zijn de focus op een goede instandhouding en op het kunnen rijden met 740 meter lange treinen.
De grote tariefverschillen tussen landen vind ik niet wenselijk. Daarom zet ik mij in Europees verband al geruime tijd in voor verdere harmonisatie richting een meer uniforme toepassing van het Europees raamwerk voor de gebruiksvergoeding. Deze inzet zal tijd vragen. Recentelijk nog heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat de actualisatie van de interne-marktactieagenda naar de Tweede Kamer gestuurd waarin dit ook is opgenomen4.
Is er een relatie tussen de hoogte van de infraheffing en de geleverde kwaliteit van de dienstverlening van de nationale spoorbeheerder? Zo nee, waarom niet?
Voor de periode 2026–2029 is besloten om 18% van de instandhoudingskosten te dekken uit de gebruiksvergoeding die vervoerders betalen. Dit percentage is gelijk aan de periode 2023–20255. De prestaties van het goederenspoor zijn de afgelopen jaren verbeterd. Via het verbeterprogramma Zee-Zevenaar is door ProRail veel werk verzet in het wegwerken van achterstallig onderhoud op de Rotterdamse havenspoorlijn. Dit heeft geleid tot een forse reductie in het aantal hinderrijke storingen.
Is het niet zaak nu het vervoer per spoor Europees (zowel personen- als goederenvervoer) meer wordt geüniformeerd (bijv. qua stelsel, marktordening, spoorveiligheid, etc.) om ook de publieke lastendruk van de spoorgoederensector (meer) te harmoniseren?
Daar zet ik mij voor in. Ik verwijs daarbij ook naar mijn antwoord op vraag 12.
Zijn de infraheffingen voor het opstellen van goederentreinen op de emplacementen in de havens, bij de inland terminals en in de industriegebieden, in lijn met die van het wegtransport? Kunt u dit toelichten?
De tarieven voor het opstellen en rangeren van goederentreinen zijn niet direct vergelijkbaar met bijvoorbeeld de kosten van parkeren in het wegvervoer.
Welke mogelijkheden ziet u verder om van overheidswege de «reverse modal shift» te keren?
Voorafgaand aan het Commissiedebat Spoorgoederenvervoer ontvangt u een brief, waarin ik mijn beleidsinzet voor het spoorgoederenvervoer voor de komende jaren uiteenzet.
Bent u bereid deze schriftelijke vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Spoorgoederenvervoer van woensdag 17 juni 2026?