De mensenrechtensituatie in Argentinië |
|
Suzanne Kröger (PRO), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Sensing the Surveillance State: Argentina's expanding policies and technologies of mass surveillance» van Amnesty International van 19 augustus 20261?
Kunt u een inhoudelijke reactie geven op de belangrijkste bevindingen van dit rapport, in het bijzonder op de conclusie dat de Argentijnse overheid sinds december 2023 haar surveillance- en inlichtingencapaciteiten sterk heeft uitgebreid, grotendeels buiten het parlement om?
Deelt u de zorgen van Amnesty International en van mijn fractie over de toenemende druk op het maatschappelijk middenveld in Argentinië, waaronder journalisten, mensenrechtenverdedigers, vakbonden en feministische en sociale bewegingen, die volgens het rapport in toenemende mate worden geïntimideerd en in de gaten gehouden? Zo ja, op welke wijze brengt Nederland deze zorgen, bilateraal of in EU-verband, onder de aandacht van de Argentijnse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de ontwikkelingen rond het demonstratierecht in Argentinië, met name het zogenoemde «anti-picket»-protocol waarmee betogingen zonder rechterlijke tussenkomst kunnen worden uiteengedreven en waarbij gegevens van demonstranten, organisaties en voertuigen worden verzameld en geregistreerd?
Bent u bereid zich, al dan niet in EU-verband, uit te spreken tegen het gebruik van massasurveillance rond demonstraties, in lijn met verklaringen van bijvoorbeeld de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten en VN-rapporteurs hierover uit 2025?
Kunt u reageren op de vaststelling in het rapport door Amnesty International dat Argentinië de rechten op privacy, gelijkheid en non-discriminatie, vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering schendt? Wat is de reactie van het Nederlandse kabinet op deze conclusie?
Op welke wijze kunnen de bilaterale handels- en investeringscontacten tussen Nederland en Argentinië, en het EU-Mercosur-akkoord, bijdragen aan het verbeteren van mensenrechten, arbeidsrechten, democratische rechtsstatelijkheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen in Argentinië? Bent u bereid om mensenrechten te agenderen in toekomstige handelsgesprekken en overleggen met Argentinië?
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om binnen de handels- en investeringsrelatie met Argentinië bij te dragen aan het verantwoord gebruik van technologie, waaronder surveillance- en veiligheidstechnologie, met inachtneming van mensenrechten en internationale standaarden?
Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de export van drones, gezichtsherkenningstechnologie of andere surveillance- en veiligheidsapparatuur naar Argentijnse veiligheids- of inlichtingendiensten? Zo ja, kunt u uitleggen hoe deze export voldoet aan criterium 2a van het Europees Gemeenschappelijk Standpunt (overheden moeten export weigeren als er een duidelijk risico is dat de goederen worden gebruikt voor binnenlandse onderdrukking), gelet op het risico dat dergelijke apparatuur wordt ingezet tegen demonstranten, journalisten en het maatschappelijk middenveld?
Op welke wijze ondersteunt Nederland het Argentijnse maatschappelijk middenveld bij het versterken van mensenrechten en democratische instituties, en hoe kan deze inzet worden verbonden aan de bredere Nederlandse handels- en investeringsrelatie met Argentinië? Ziet het kabinet mogelijkheden om juist via de combinatie van diplomatie, handel en maatschappelijke samenwerking bij te dragen aan het verbeteren van mensenrechten en de democratische rechtsstaat in Argentinië?
Worden er vanuit het Mensenrechtenfonds op dit moment maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers in Argentinië ondersteund die zich uitspreken tegen de uitbreiding van staatssurveillance en de inperking van de burgerruimte? Bent u bereid te bezien of er extra middelen voor dit fonds kunnen worden vrijgemaakt?
Herinnert u zich uw antwoord tijdens het vragenuur op 1 september 2026 aan het lid Van den Berg over een strenge winter in combinatie met langdurige verstoring van LNG-aanvoer of pijpleidinggas, waarin u verwees naar het Nationaal Crisisplan Gas en voldoende gas voor huishoudens, ziekenhuizen en bejaardentehuizen? Kent u tevens de Gasunie-verklaring van 26 augustus en de beoordeling van de Europese Commissie van 3 september 2026?
Op welke actuele berekeningen berust uw verzekering dat deze afnemers komende winter gas blijven ontvangen? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?
Kunt u per gasopslag de actuele voorraad weergeven? Kunt u hierbij aangeven welk deel van is bestemd voor achtereenvolgens reguliere seizoensvraag, contractuele uitvoor en noodinzet? Hoe verwacht u dat dit er op 1 november, aan het einde van het vulseizoen uit zal zien?
Zijn in de berekeningen grootschalige en/of langdurige aanvoeronderbrekingen buiten het systeem gelaten? Heeft u een berekening of analyse die laat zien dat ook in een dergelijke scenario het Nederlandse gassysteem voldoende robuust is? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat huishoudens niet zonder gas komen te zitten?
Bent u bereid verschillende scenario’s door te laten rekenen van onderbreking van de gasaanvoer waarbij op zijn minst scenario’s als sabotage van een LNG-terminal of internationale pijpleiding gecombineerd met uitzonderlijke koude wordt meegenomen?
Hoe verhoudt de beoogde 5 terawattuur (TWh) tot het nationale vuldoel? Gaat een verlaging van het nationale vuldoel ook (gedeeltelijk) ten koste van deze noodvoorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gegeven aan het advies van Gasunie Transport Services B.V. (GTS) in maart 2026 over het aanleggen van een strategische voorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gekomen na de aangenomen motie over Kussengas van Van den Berg (Kamerstuk 29 023, nr. 634)? In hoeverre is deze motie überhaupt uitgevoerd? In het geval dat onvolledig is, waarom voert u moties van de Kamer niet uit?
Welke concrete Europese voorstellen zijn gedaan ter uitvoering van motie (Kamerstuk 29 023, nr. 633) over kostendeling naar gasconsumptie of -import? Hoe worden kosten en aanspraken verdeeld tussen Nederlandse afnemers en andere lidstaten, welke invloed heeft dit op de energierekening en hoe verhouden inzetafspraken zich tot solidariteitsverplichtingen?
Welke actuele afschakelvolgorde, bevoegdheden en voorbereide uitvoeringsmaatregelen gelden bij een tekort, en welke categorieën zijn juridisch beschermd en respectievelijk door solidariteit beschermd? Hoe verhoudt uw verzekering van 1 september zich tot de uiterste maatregelen C.8 en C.9 in het gepubliceerde Bescherm- en Herstelplan Gas? Welke informatie krijgen bedrijven vooraf over veilige stillegging en herstart?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk vóór 1 oktober 2026 beantwoorden en de onderliggende scenario’s, berekeningen en analyses meesturen? Mocht een volledige doorrekening bij een vraag niet haalbaar zijn, kunt u dan een schatting meesturen en een volledige doorrekening nasturen?
Het gezondheidsrisico van onduidelijkheid over spuitzones en onzorgvuldige toekenning van pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris van LVVN heeft besloten om geen opdracht te geven voor de ontwikkeling van een rekenmethode voor spuitzonering, ondanks dat het RIVM en de WUR in hun rapport hierover concluderen dat dit haalbaar is, ondanks dat daartoe is opgeroepen door middel van de motie Vedder c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 659), ondanks dat gemeenten vragen om duidelijkheid, en ondanks dat de gezondheid van mensen, dieren en natuur op dit moment ernstig bedreigd worden door het gebruik van landbouwgif? Hoe rijmt u dit met een beleid dat de volksgezondheid op één wil zetten? Vindt u bedrijfsbelangen dan toch belangrijker?1 2 3
Bent u het eens dat een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode veel kan betekenen voor het draagvlak onder bedrijven en de bevolking en veel duidelijkheid kan scheppen bij gemeenten voor spuitzonering? Zo nee, waarom niet?
Welke zwaarwegende argumenten voor bescherming van volksgezondheid heeft u om het advies van het belangrijkste instituut voor volksgezondheid, het RIVM, niet op te volgen?
Als u niet verder gaat met het ontwikkelen van een rekenmethode, hoe verwacht u dan tegemoet te komen aan de zorg, die u zelf aanhaalt in uw brief, dat «uit jurisprudentie blijkt dat bestaande onderbouwingen voor maatwerk in lokale situaties regelmatig onvoldoende worden geacht»? Verwacht u dat de bestuurlijke afspraken in het Convenant «Gewasbeschermingsmiddelen» voldoende gaan zijn om stand te houden bij de rechter? Zo ja, waar baseert u zich dan precies op? Is dat een voorwaarde die u stelt aan de bestuurlijke afspraken?
Hoe bent u nu concreet van plan om de volksgezondheid te gaan waarborgen en gemeenten wetenschappelijke onderbouwde duidelijkheid te geven over spuitzonering?
Aangezien uit onderzoek bekend is dat landbouwgif zich kilometers kan verspreiden, bent u bereid om in lijn met het voorzorgsbeginsel, zo lang als er onduidelijkheid bestaat, en zolang u niet kunt onderbouwen dat een kleinere spuitzonering kan bestaan zonder aantasting van gezondheid van mens, dier en milieu, een spuitzonering van minstens 500 meter verplicht te stellen? Of op zijn minst 50 meter verplicht te stellen, in lijn met huidige jurisprudentie? Zo nee, waarom niet, en op welke recente wetenschappelijke inzichten baseert u zich?
Bent u bekend met de oproep van meer dan huisartsen om te stoppen met landbouwgif in de sierteelt?4
Wat vindt u ervan dat zoveel zorgprofessionals zich genoodzaakt voelden om een noodsignaal uit te zenden, bijvoorbeeld omdat er «overtuigende aanwijzingen voor verbanden met ernstige aandoeningen zoals Parkinson, ALS en leukemie bij kinderen» zijn? Wat is uw reactie op hun zorgen en oproep?5
Hoe gaat u de zorgen van de vele zorgprofessionals nu wegnemen, terwijl u doorwerkt aan een convenant waar maatschappelijke organisaties die opkomen voor de gezondheid hun handtekening niet onder willen zetten? Op welke manier vindt u zo’n convenant dan geloofwaardig voor de zorgprofessionals?
Bent u bekend met het feit dat het UMCG recent heeft besloten opnieuw onderzoek te gaan doen tussen het verband van pesticiden en de ziekte van Parkinson, omdat bij de hoogste mate van blootstelling aan een combinatie van verschillende middelen het risico op Parkinson met zo'n 50 procent stijgt?6
Wat vindt u van de zorg die onderzoekers en zorgprofessionals hebben dat bij beoordeling en maatregelen geen rekening wordt gehouden met het «cocktaileffect» van middelen? Vindt u dat deze zorg relevant is voor de gezondheid van Nederlanders? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich? Hoe gaat u deze zorg wegenemen en welke concrete maatregelen (met tijdlijn) horen daarbij?
Als er nog zoveel onduidelijk is, en er zulke grote risico’s zijn, waarom loopt u dan weg voor uw verantwoordelijkheid om een duidelijke lijn uit te zetten wat betreft spuitzones? Waarom is het beschermen van de gezondheid van mens, dier en milieu niet uw hoogste prioriteit?
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Pointer bleek dat de pesticidenlobby mee heeft kunnen schrijven bij amendementen op EU-wetgeving, en wel 101 toegangspassen had tot het Europees Parlement?7
Kunt u (in het kader van artikel 68 van de Grondwet) aangeven op welke wijze en hoe vaak agrobedrijven, pesticidenbedrijven en hun lobbyisten in het afgelopen jaar contact met u hebben gezocht? Kunt u een overzicht geven met welke agrobedrijven en pesticidenproducenten u heeft gesproken in het afgelopen jaar en hoe vaak precies, mede gelet op artikel 68 van de Grondwet?
Bent u bereid een lobbyverbod in te stellen voor pesticidenproducenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin is besloten dat het pesticide-middel Pitcher zo snel mogelijk uit de handel genomen moet worden, omdat in Pitcher een werkzame stof (fludioxonil) zit die hormoonontregelende eigenschappen heeft? En bent u bekend met het nieuwsbericht van de Volkskrant hierover «PAN Nederland haalt het gif uit de markt, Achmea krijgt de volle laag van het noodweer»?8 9
Bent u ermee bekend dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) wel een toelating heeft gegeven voor Pitcher ondanks de vaststelling dat er fludioxonil in zit? Hoe verklaart u dat dit kon gebeuren? Acht u dit wenselijk?
Wat vindt u ervan dat het Ctgb ondanks een eerdere soortgelijke uitspraak wederom volgens de rechter onterecht toelating heeft verleend aan een middel met een werkzame stof waarvan de Europese voedselautoriteit EFSA heeft vastgesteld dat deze hormoonverstorend is voor mens en dier, en waarvan Ctgb wist dat deze niet leidde tot verwaarloosbare blootstelling omdat de toepassing niet in een gesloten systeem plaatsvindt of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluiten?10
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige lijn die wordt gevolgd bij het Ctgb niet standhoudt bij de rechter en schadelijk blijkt te zijn voor de volksgezondheid? Vindt u dat het beleid strenger moet om de volksgezondheid wel te waarborgen? Zo nee, waarom vindt u volksgezondheid niet het belangrijkste wat er is?
Hoe gaat het Ctgb haar toelatingsbeleid aanpassen om te voldoen aan de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven?
Welke andere toepassingen van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mensen en dieren uitsluit? Kunt u daar een overzicht van geven? Bent u het eens dat deze middelen ook zo snel mogelijk uit de markt genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Welke andere bestrijdingsmiddelen met werkzame stoffen die door EFSA beoordeeld zijn als hormoonverstorend voor mens of niet doelwit-organismen (dieren) hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluit, zoals cyprodinil? Vindt u dat deze ook uit de markt genomen moeten worden omwille van de volksgezondheid? Zo nee, wat is uw wetenschappelijke onderbouwing daarvoor? Kunt u onderbouwd uitsluiten dat u daarmee mensen en dieren opzadelt met een hogere kans op gezondheidsschade?11 12
Welke van de in de vorige vraag betreffende bestrijdingsmiddelen hebben een toelating van het Ctgb waarvan het toelatingsbesluit dateert van nadat de EFSA de stof had beoordeeld als hormoonverstorend? Kunt u hier een overzicht van geven?
Bent u zich bewust van het feit dat hormoonverstorende stoffen al in hele lage concentraties schadelijk kunnen zijn voor met name jonge kinderen en de wet dan ook niet voor niets stelt dat deze pesticiden niet gebruikt mogen worden in situaties waar contact met de mens niet is uitgesloten? Hoe ziet u in dit licht het gebruik van hormoonverstorende pesticiden?
Hoeveel van deze werkzame stoffen hebben hun meest recente goedkeuring te danken aan een automatische verlenging van de Europese Commissie zonder inhoudelijke beoordeling van de risico’s voor mens of milieu?
Klopt het dat automatische verlengingen worden toegepast bij stoffen waarvan de EFSA een risico heeft vastgesteld, bijvoorbeeld dat deze hormoonverstorend is? Zo ja, klopt het dat dit gebeurt wegens economische belangen en dat deze voorrang krijgen boven gezondheidsbelangen? Klopt het dat het Food & Feed Omnibus voorstel van de Europese Commissie deze zorg niet wegneemt? Zo nee, op welke wetenschappelijke conclusies baseert u zich dan? Vindt u dat het compromisvoorstel van de lidstaten deze zorg wel zou moeten wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe vaak worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op levensmiddelen restanten fludioxonil aangetroffen die liggen boven de gangbare maximale residu limiet (MRL) van 0,01 mg/kg die als veiligheidsgrens geldt voor in Europa verboden pesticiden, bijvoorbeeld omdat zij als hormoonverstorend zijn geclassificeerd? Welke range van gehaltes betreft dit en welke producten betreft dit?
Hoeveel fludioxonil wordt gebruikt en afgezet in Nederland sinds 2010? Indien sprake is van een toename in gebruik van deze zorgwekkende stof, wat zijn de verklaringen hiervoor?
Zijn werkenden in de landbouw en hun partners in uw ogen voldoende bekend met de grote risico’s van (hormoonverstorende) pesticiden, met name de risico’s voor mensen met een kinderwens, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven, zoals geschetst in het Informatieblad «Werken met bestrijdingsmiddelen» van het RIVM? Zo ja, waar baseert u zich dan op? Zo niet, wat bent u bereid te doen om die situatie te verbeteren?13
Hoe gaat het Ctgb invulling geven aan de opdracht van de rechter om de respijttermijnen (aflevertermijn en opgebruiktermijn) voor verkoop en gebruik van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil zo kort mogelijk te maken aangezien Pitcher niet toegelaten had mogen worden?
Wat is het concrete doel van LVVN in het convenant «gewasbeschermingsmiddelen» met betrekking tot hormoonverstorende pesticiden? Wat is het doel van VWS? Welke maatregelen horen daarbij en welke tijdlijn? Bent u bereid om bij de afwegingen gezondheidsexperts te betrekken?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Heeft u kennisgenomen van bovenstaande artikelen?1 2
Hoe oordeelt u over het bericht dat een bureau, dat kandidaat-wethouders voor de gemeente Best, een kandidaat-wethouder bevroeg over zijn leeftijd en dit als risico in de rapportage opnam?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de leeftijd van de kandidaat-wethouder als aandachtspunt werd aangemerkt?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met bestuurlijke integriteit?
Wat heeft in uw optiek leeftijd te maken met iemands capaciteiten?
Hoe oordeelt u over het bericht dat de burgemeester van Best de rapportage op deze manier accepteerde?
Bent u het eens met de stelling dat hier sprake is van leeftijdsdiscriminatie en dat Artikel 1 van de Grondwet daarmee is overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe oordeelt u over de stelling dat het doel van een dergelijk onderzoek het bevorderen van de integriteit van het openbaar bestuur is, maar als de procedure zelf niet integer verloopt, dat het echte probleem is?
Welke voorwaarden/eisen worden er gesteld aan wethouders die door een extern bureau gescreend worden?
Hoe uniform wordt deze screening uitgevoerd?
De veiligheid van kinderen bij Veilig Thuis West-Brabant |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Veilig Thuis West-Brabant kampt met ernstige financiële en organisatorische problemen en dat meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling langer blijven liggen dan wettelijk is toegestaan?
Hoeveel meldingen waarbij minderjarigen betrokken zijn overschrijden momenteel de wettelijke termijnen bij Veilig Thuis West-Brabant? Hoeveel kinderen betreft dit en hoe lang wachten zij inmiddels?
Kunt u garanderen dat de kinderen achter deze meldingen op dit moment veilig zijn? Zo nee, deelt u de mening dat onmiddellijk moet worden vastgesteld of zich onder deze kinderen slachtoffers bevinden die momenteel worden mishandeld, verwaarloosd of anderszins in een onveilige situatie verkeren, en hoe gaat u hiervoor zorgen?
Wie houdt gedurende een termijnoverschrijding zicht op de veiligheid van deze kinderen en wie grijpt in wanneer hun situatie verslechtert?
Hoe is het mogelijk dat twee jaar later opnieuw wettelijke termijnen worden overschreden, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in 2024 bij Veilig Thuis West-Brabant al ernstige termijnoverschrijdingen constateerde, waarbij een veiligheidsbeoordeling soms viereneenhalve maand duurde en het starten van een onderzoek of de dienst Voorwaarden & Vervolg in een casus elf maanden op zich liet wachten?
Welke verbetermaatregelen zijn sinds het IGJ-onderzoek uit 2024 daadwerkelijk uitgevoerd en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een situatie is ontstaan waarin meldingen te lang blijven liggen?
Erkent u dat u als stelselverantwoordelijke niet kunt volstaan met de constatering dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de organisatie en financiering van Veilig Thuis wanneer binnen dat stelsel wettelijke termijnen structureel worden overschreden en mogelijk de veiligheid van kinderen in het geding is? Zo nee, waarom niet?
Op welk moment acht u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid ingrijpen noodzakelijk wanneer een Veilig Thuis-organisatie niet langer in staat blijkt haar wettelijke taken tijdig uit te voeren, en is dat moment bij Veilig Thuis West-Brabant wat u betreft inmiddels bereikt? Zo nee, wat moet er dan nog gebeuren voordat u ingrijpt?
Welke concrete maatregelen neemt u nu vanuit uw stelselverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat alle kinderen achter de wachtende meldingen bij Veilig Thuis West-Brabant zo snel mogelijk in beeld zijn, hun veiligheid wordt beoordeeld en waar noodzakelijk direct wordt ingegrepen?
Kunt u uitsluiten dat bij andere Veilig Thuis-organisaties vergelijkbare problemen bestaan? Zo nee, bent u bereid op korte termijn landelijk inzichtelijk te maken hoeveel meldingen de wettelijke termijnen overschrijden, hoeveel minderjarigen daarbij betrokken zijn en welke maatregelen u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid neemt om deze achterstanden terug te dringen?
De gezinshereniging van een verdachte met 114 politieregistraties |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de 18-jarige Syrische verdachte van een gewelddadige woningoverval in Amsterdam-Oost, die sinds zijn komst naar Nederland op veertienjarige leeftijd volgens het Openbaar Ministerie en de berichtgeving 114 politieregistraties heeft opgebouwd, en wiens ouders en broertjes desondanks naar Nederland zouden mogen komen in het kader van gezinshereniging?1
Klopt het dat de rechtbank overwoog dat de «samenleving er beroerd van zou zijn» als de hechtenis van deze persoon zou worden geschorst?
Klopt het dat deze verdachte rechtmatig verblijf in Nederland heeft? Zo ja, op grond van welke verblijfstitel, sinds wanneer beschikt hij daarover en op welke datum is deze verblijfstitel voor het laatst door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beoordeeld of verlengd?
Klopt het dat op naam van deze verdachte 114 politieregistraties staan? Zo ja, over welke periode zijn deze opgebouwd, op hoeveel afzonderlijke incidenten hebben deze betrekking, om welke categorieën strafbare feiten gaat het en hoeveel daarvan hebben geleid tot respectievelijk een sepot, strafbeschikking, veroordeling of nog lopende strafzaak?
Op welk moment is de IND voor het eerst geïnformeerd over strafrechtelijke antecedenten of politieregistraties van deze vreemdeling? Hoe vaak heeft sindsdien informatie-uitwisseling tussen politie, Openbaar Ministerie en IND over betrokkene plaatsgevonden?
Is naar aanleiding van deze registraties, vervolgingen of eventuele veroordelingen onderzocht of zijn verblijfsrecht kon worden ingetrokken of niet verlengd wegens gevaar voor de openbare orde? Zo ja, wanneer en met welke uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Zijn er volgens u wettelijke, Unierechtelijke of verdragsrechtelijke bepalingen die verhinderen dat bij een vreemdeling die in vier jaar tijd zoveel politieregistraties heeft opgebouwd, eerder wordt beoordeeld of voortzetting van zijn verblijf verenigbaar is met de bescherming van de openbare orde?
Klopt het dat deze verdachte als referent optreedt of heeft opgetreden voor de gezinshereniging van zijn ouders en broertjes? Zo ja, wanneer is deze aanvraag ingediend, wanneer is daarop beslist en op welke juridische grondslag is de gezinshereniging toegestaan?
Was de IND bij de behandeling van die nareisaanvraag op de hoogte van de politieregistraties, strafrechtelijke antecedenten en/of lopende strafzaken van de referent? Zo ja, welke betekenis is daaraan bij de beslissing gegeven? Zo nee, hoe is het mogelijk dat dergelijke informatie de IND niet heeft bereikt?
Klopt het dat bij de openbare-ordetoets in een nareisprocedure in beginsel wordt beoordeeld of de nareizende gezinsleden zelf een gevaar vormen voor de openbare orde, maar dat ernstig of stelselmatig crimineel gedrag van de in Nederland verblijvende referent op dit moment niet zonder meer een grond vormt om de gezinshereniging te weigeren?
Zo ja, acht u het wenselijk dat iemand die in Nederland in korte tijd een zeer groot aantal politieregistraties heeft opgebouwd en wordt verdacht van een ernstig geweldsmisdrijf, desondanks aanspraak kan blijven maken op facilitering door de Nederlandse staat van de overkomst van zijn gezin?
Welke mogelijkheden biedt het huidige nationale, Europese en internationale recht om een aanvraag voor gezinshereniging af te wijzen, aan te houden of opnieuw te beoordelen wanneer de referent een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt of wordt verdacht van ernstige strafbare feiten?
Bestaat er op dit moment überhaupt een grens aan het aantal of de ernst van de strafbare feiten dat een referent kan plegen voordat zijn gedrag gevolgen heeft voor een lopende of reeds toegewezen aanvraag voor gezinshereniging? Zo ja, waar ligt die grens precies? Zo nee, acht u dat verdedigbaar?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk niet uit te leggen is wanneer de Staat enerzijds een vreemdeling wegens een lange reeks strafbare gedragingen als gevaar voor de samenleving beschouwt, maar anderzijds tegelijkertijd actief zijn gezinshereniging faciliteert?
Bent u bereid het beleid en, indien noodzakelijk, de Vreemdelingenwet zodanig aan te passen dat stelselmatig crimineel gedrag van een referent uitdrukkelijk kan worden betrokken bij de beoordeling van een aanvraag voor gezinshereniging? Zo nee, welke concrete bepaling van Europees of internationaal recht verhindert dit?
Hoeveel vreemdelingen met rechtmatig verblijf in Nederland hebben op dit moment respectievelijk meer dan 10, meer dan 50 en meer dan 100 politieregistraties op hun naam staan, en bij hoeveel van hen is naar aanleiding daarvan een verblijfsrechtelijke maatregel onderzocht of genomen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en één voor één beantwoorden?
De reorganisatie voor ggz-spoedhulp in Tiel en Ede |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig personeel en geld: Pro Persona voert alsnog reorganisatie door voor ggz-spoedhulp»?1
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over dit voorgenomen besluit? Door wie bent u hierover geïnformeerd en op welk moment heeft Pro Persona het besluit definitief genomen?
Waarom zijn de betrokken gemeenten en lokale volksvertegenwoordigers volgens onze informatie niet vooraf geïnformeerd, terwijl de wijziging directe gevolgen kan hebben voor politie, openbare orde, maatschappelijke opvang, huisartsen en het gemeentelijke sociaal domein?
Klopt het dat mensen uit Ede en Tiel die tijdens de avond, nacht of in het weekend een beoordeling op locatie nodig hebben, voortaan naar respectievelijk Arnhem en Nijmegen moeten worden vervoerd?
Wat betekenen de wijzigingen voor de gemiddelde en maximale aanrij- en reistijden van cliënten, crisisdienstmedewerkers, politie, ambulancediensten en andere betrokken hulpverleners?
Welke gevolgen hebben de langere afstanden volgens u voor mensen in een acute psychische crisis, mede gezien het risico op verdere ontregeling, suïcidaliteit en escalatie tijdens het wachten of vervoer?
Hoeveel mensen werden in de afgelopen drie jaar buiten kantooruren beoordeeld op de crisislocaties in Ede en Tiel? Hoeveel van deze beoordelingen vonden plaats op de locatie zelf en hoeveel bij mensen thuis of elders?
Hoe wordt voorkomen dat mensen in een psychische crisis onnodig in een politieauto, ambulance, politiecel of op een spoedeisende hulp terechtkomen doordat in Ede en Tiel buiten kantooruren geen crisisbeoordelingslocatie meer beschikbaar is?
Wordt naar uw oordeel met deze wijziging nog voldaan aan de eisen uit de generieke module Acute psychiatrie en aan de normen voor bereikbaarheid, beschikbaarheid en kwaliteit van acute ggz? Waarop baseert u dat oordeel?
Is voorafgaand aan het besluit een impactanalyse uitgevoerd naar de gevolgen voor cliënten, naasten, medewerkers, huisartsenposten, politie, ambulancediensten, ziekenhuizen en gemeenten? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zijn de cliëntenraad, familieraad, ondernemingsraad, betrokken professionals en ervaringsdeskundigen tijdig bij dit besluit betrokken? Welke adviezen hebben zij uitgebracht en hoe heeft Pro Persona deze verwerkt?
Klopt het dat medewerkers tegen de reorganisatie hebben gewaarschuwd vanwege langere aanrijtijden, minder tijd voor cliënten en een verdere toename van de werkdruk? Hoe beoordeelt u deze signalen?
Welke zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor de inkoop van de acute ggz in deze regio’s? Hebben zij met de wijziging ingestemd en hoe hebben zij vastgesteld dat er na de sluiting buiten kantooruren voldoende bereikbare capaciteit beschikbaar blijft?
Is het voorgenomen besluit gemeld via het earlywarningsysteem voor de continuïteit van cruciale ggz? Zo ja, wanneer, aan welke partijen en wat is vervolgens met deze melding gedaan? Zo nee, waarom niet?
Is het besluit besproken aan de regionale, bovenregionale of landelijke tafel voor cruciale ggz, zoals afgesproken in de Kamerbrief van 21 december 2023? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de afspraak dat aanbieders cruciale zorg niet sluiten of wijzigen zonder dit tijdig met verzekeraars en collega-aanbieders te bespreken?
Is de Nederlandse Zorgautoriteit geïnformeerd en heeft zij getoetst of zorgverzekeraars na deze wijziging nog aan hun zorgplicht voldoen? Heeft ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg beoordeeld?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van uw ambtsvoorganger dat bij de inkoop van cruciale ggz geen aanbod zou mogen verdwijnen vanwege financiële redenen? Kunt u uitsluiten dat financiële problemen, omzetplafonds of onvoldoende inkoop mede aan het besluit ten grondslag liggen?2
Welke concrete inspanningen hebben Pro Persona, de betrokken zorgverzekeraars en uw ministerie verricht om de crisislocaties open te houden, en welke alternatieven zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel lokale volksvertegenwoordigers als leden van de Tweede Kamer via de krant moeten vernemen dat twee locaties voor cruciale acute ggz buiten kantooruren sluiten?
Waarom heeft u de Kamer niet actief geïnformeerd, ondanks de eerdere toezegging de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang rond cruciale ggz en de afspraken over het melden en bespreken van voorgenomen sluitingen en wijzigingen?3
Kunt u aangeven welke andere locaties voor acute of anderszins cruciale ggz sinds 2024 zijn gesloten, hun openingstijden hebben beperkt of concrete plannen daartoe hebben? Kunt u dit uitsplitsen naar regio, zorgvorm, reden en gevolgen voor de beschikbare capaciteit?
Bent u bereid Pro Persona en de betrokken zorgverzekeraars te verzoeken de sluiting buiten kantooruren op te schorten totdat onafhankelijk is vastgesteld dat de toegankelijkheid, bereikbaarheid en veiligheid van de acute ggz in beide regio’s zijn geborgd?
Overlast, extra gemeentelijke kosten en herziening van het statiegeldsysteem. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de in het G4-onderzoek beschreven problemen waarbij statiegeldzoekers afvalbakken openbreken en vuilniszakken opentrekken, waardoor eerder ingezameld afval alsnog op straat belandt?1
Deelt u de opvatting dat het onaanvaardbaar is wanneer een maatregel tegen zwerfafval ertoe leidt dat netjes weggegooid afval opnieuw op straat terechtkomt en bewoners opdraaien voor extra opruimkosten en vernielingen?
Wordt bij de beoordeling van het statiegeldsysteem, naast de afname van flesjes en blikjes in het zwerfafval, ook gemeten hoeveel ander afval door het doorzoeken van bakken en zakken op straat belandt? Kunt u het netto-effect op de totale hoeveelheid zwerfafval in stedelijke probleemgebieden laten vaststellen, rekening houdend met extra schoonmaakinzet?
Deelt u de mening dat wanneer statiegeld op blikjes en kleine flesjes per saldo leidt tot méér zwerfafval, milieuverontreiniging en plastic in het milieu en de zee, dit een goede aanleiding is om het huidige statiegeldbeleid fundamenteel te herzien? Hoe verhoudt het vasthouden aan dat beleid zich in dat geval tot de doelstelling om juist zwerfafval en plastic in het milieu en de zee terug te dringen?
Wordt bij de beoordeling van Verpact uitsluitend gekeken naar inzamel- en recyclingpercentages of ook naar neveneffecten, zoals zwerfafval, opengebroken afvalbakken, gemeentelijke kosten, openbare orde en overlast? Bent u bereid deze factoren als formele prestatie-indicatoren in de beoordeling op te nemen?
Is sinds de invoering van statiegeld op kleine flesjes en blikjes ooit een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd waarin niet alleen recycling en zwerfafvalreductie, maar ook reinigingskosten, vernielingen, handhaving, openbare orde, uitvoeringskosten en sociale effecten zijn meegenomen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze vóór verdere uitbreiding uit te voeren?
Kunt u voor Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht afzonderlijk de actuele extra kosten voor reiniging, schadeherstel, aanpassing van afvalbakken en handhaving in kaart brengen? Hoe beoordeelt u daarbij de opgave van Amsterdam van minimaal 11 miljoen euro per jaar, naast 8 miljoen euro voor aanpassing van de belangrijkste afvalbakken, en welk deel van deze kosten is onafhankelijk vastgesteld?
Hoeveel van de in november 2025 aangekondigde minimaal 5 miljoen euro van Verpact voor de aanpak van opengebroken afvalbakken is inmiddels daadwerkelijk besteed, waaraan en in welke gemeenten? Welke meetbare vermindering van vernielingen en zwerfafval heeft dit opgeleverd, en acht u het budget toereikend?
Bent u bereid te zorgen voor volledige compensatie van aantoonbare extra gemeentelijke kosten door deze statiegeldproblematiek, met verrekening van reeds ontvangen vergoedingen? Welke bijdrage verlangt u daarbij van Verpact en producenten, en welke verantwoordelijkheid neemt het Rijk als die bijdrage tekortschiet?
Kunt u, aansluitend op uw mededeling dat jaarlijks ongeveer 130 miljoen euro aan statiegeld niet wordt opgeëist, inzicht geven in de opgebouwde middelen, bestedingen en nog beschikbare reserves? Welk bedrag kan worden ingezet voor het oplossen van de stedelijke overlast en het vergoeden van extra gemeentelijke kosten, en welke belemmeringen bestaan daarbij?
Welke maatregelen, waaronder donatieringen, aparte inzamelvoorzieningen, aangepaste afvalbakken en extra innamepunten, verminderen aantoonbaar het zwerfafval en de overlast? Kunt u de evaluaties met de Kamer delen en daarbij aangeven of problemen zich verplaatsen naar omliggende straten, andere afvalbakken of huishoudelijke afvalzakken?
Bent u bekend met de noodkreet van burgemeester Halsema over de groeiende groep dakloze crackgebruikers in Amsterdam, en met berichtgeving van Het Parool dat het verzamelen van statiegeld voor dakloze mensen een inkomstenbron vormt? Deelt u de zorg dat dit de daklozen- en crackproblematiek kan versterken en daarmee de openbare orde, leefbaarheid en het veiligheidsgevoel in de stad aantast?2 3
Deelt u de zorg dat mensen met een crackverslaving afvalbakken openbreken op zoek naar statiegeld om hun volgende dosis te betalen, daarmee hun verslaving financieren en de verloedering van het straatbeeld versterken? Wat gaat u doen om deze vernielingen, vervuiling en overlast tegen te gaan?
Bent u bereid op korte termijn met de G4, andere getroffen gemeenten en Verpact bindende afspraken te maken over vermindering van overlast, financiering en uitvoering? Welke resultaten moeten uiterlijk binnen zes maanden worden bereikt, wie is daarvoor verantwoordelijk en hoe grijpt u in als die resultaten uitblijven?
Welk effect verwacht u van de op 4 september aangekondigde uitbreiding van het statiegeldsysteem op de problemen in grote steden, en waarop baseert u die verwachting? Zijn de gevolgen voor afval op straat, vernielingen, hygiëne en uitvoeringskosten voor gemeenten en ondernemers vooraf onderzocht, en kunt u die onderzoeken openbaar maken?
Klopt het dat Artikel 50, vierde lid, onderdeel d, van de Verordening (EU) 2025/40 betreffende verpakkingen en verpakkingsafval de daarin genoemde melk- en zuivelproducten uitzondert van de Europese statiegeldplicht? Waarom kiest u toch voor uitbreiding naar deze verpakkingen, en welke alternatieven heeft u onderzocht om aan de inzamelverplichtingen te voldoen?
Bent u bereid verdere uitbreiding waarvoor Nederland beleidsruimte heeft uit te stellen totdat aantoonbaar is dat de stedelijke overlast structureel afneemt en de innamecapaciteit en hygiëne op orde zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een fundamentele herziening van het statiegeldsysteem te onderzoeken en daarbij ook alternatieve inzamel- en beloningssystemen en gehele of gedeeltelijke opschorting of afschaffing van statiegeld op kleine drankverpakkingen te betrekken? Wilt u deze opties vergelijken op zwerfafval, recycling, overlast, kosten en uitvoerbaarheid?
Welke nationale en Europese juridische ruimte bestaat voor de in de vorige vraag genoemde opties, zowel vóór als vanaf 2029? Kunt u per optie de toepasselijke bepalingen en voorwaarden benoemen, waaronder de vrijstellingsmogelijkheid van Artikel 50, vijfde lid, en aangeven welke wetswijzigingen of Europese stappen eventueel nodig zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Het bericht dat Nederland zich mengt met tientallen satellieten in de strijd om de ruimte |
|
Michelle Jagtenberg (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland mengt zich met tientallen satellieten in strijd om de ruimte: We kunnen niet om SpaceX heen»?1
Hoe voorkomt u dat Nederland voor kritieke ruimtecapaciteiten afhankelijk blijft van niet-Europese partijen en hoe stimuleert u juist zoveel mogelijk Europese samenwerking?
Bent u voornemens om samen met andere Europese landen op te trekken om de schaal van Europese ruimtecapaciteiten te vergroten en Nederland daarin als koploper te positioneren? Sluit Nederland bijvoorbeeld aan bij European Defence Projects of Common Interest rondom Space of andere EU-instrumenten? Zo nee, is Defensie voornemens dit zelf te initiëren?
Bent u van mening dat investeren in de Nederlandse (en Europese) ruimtevaartsector een win-win-winscenario kan opleveren, doordat hiermee zowel de operationele beschikbaarheid van Defensie, de strategische autonomie, de veiligheid van vitale infrastructuur als het economisch belang van de Nederlandse ruimtevaartsector worden versterkt?
Hoe kijkt u naar de lange termijn ruimtevaartagenda en de daarin uitgesproken ambitie om toe te groeien naar de ESA-norm? Bent u bereid hiervoor een concreet ingroeipad uit te werken?
Overwegende dat meerdere departementen ambities en belangen hebben in het ruimtedomein en ze elkaar kunnen versterken, hoe gaat u dit interdepartementaal borgen?
Overwegende dat in de Defensienota is aangekondigd dat een Space Command wordt opgezet, kunt u aangeven welk tijdspad u voor ogen heeft en welke concrete doelen en taken dit Space Command krijgt?
Hoe vertaalt u de ambities uit de Defensienota naar een meerjarige capability roadmap voor het ruimtedomein en hoe bent u voornemens hier vanuit de «Gouden Driehoek» (overheid, industrie en kennisinstellingen) in op te lopen?
Hoe beschermt Nederland zijn eigen ruimte-infrastructuur, inclusief het grondsegment, gezien de toenemende afhankelijkheid van ruimtecapaciteiten voor veiligheid, economie en duurzaamheid en het toenemende dreigingsbeeld?
Hoe realiseert Nederland een onafhankelijke toegang tot de ruimte? Heeft u onderzocht welke toegevoegde waarde een Nederlandse of Benelux-lanceercapaciteit kan hebben voor de strategische autonomie van Nederland en Europa? Is daarbij ook gekeken naar mogelijkheden binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Hoe gaat u instrumenten zoals NADI en de Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit benutten voor de Nederlandse ruimtevaartsector? En welke rol ziet u voor zichzelf als launching customer?
Team Diverse Instroom en het selectiebeleid bij de politie. |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat hield de informele toetsing van de werkwijze rond diverse instroom bij het College voor de Rechten van de Mens concreet in, wanneer heeft deze plaatsgevonden, welke informatie is daarbij aan het College voor de Rechten van de Mens voorgelegd en welke conclusies of adviezen heeft het College voor de Rechten van de Mens gegeven?
Is het beleid waarbij tussen 2020 en 2025 streefcijfers van minimaal 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond werden gehanteerd formeel juridisch getoetst aan Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling? Zo ja, door wie, wanneer en wat was de conclusie? Zo nee, waarom is volstaan met een informele toetsing?
Op welke grond weigert u de gevraagde interne beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom aan de Kamer te verstrekken en hoe verhoudt deze weigering zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
Bent u alsnog bereid de gevraagde beleidsstukken, instructies, juridische adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom en de gehanteerde streefcijfers aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, welke concrete grond bestaat voor het niet verstrekken van deze informatie?
Aan de hand van welke concrete resultaten of prestatie-indicatoren wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid beoordeeld van de inzet van de ongeveer 17 fte die landelijk werkzaam zijn voor Team Diverse Instroom?
Hoeveel geld is sinds de oprichting daadwerkelijk besteed aan Team Diverse Instroom en welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn daarbij ingezet? Bent u bereid dit alsnog door de politie te laten inventariseren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat politieteams herkenbaar moeten zijn voor en moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling zich tot het hanteren van streefcijfers van 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond in alle overige politie-eenheden?
Betekent het uitgangspunt dat politieteams moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling dat in gebieden waar relatief weinig mensen met een migratieachtergrond wonen ook naar een relatief lage vertegenwoordiging van politiemedewerkers met een migratieachtergrond zou moeten worden gestreefd? Zo nee, waarom geldt het argument van een afspiegeling van de lokale bevolkingssamenstelling volgens u slechts één kant op?
Kunt u uitsluiten dat tussen 2020 en 2025 geschikte kandidaten zonder migratieachtergrond direct of indirect niet zijn aangenomen of een nadeliger positie hebben gehad met als doel de streefcijfers van 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond te behalen? Zo nee, waarom kunt u dit niet uitsluiten?
Waarom heeft u de eerdere vraag of u kunt uitsluiten dat sollicitanten vanwege hun ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen niet met ja of nee beantwoord, en kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Waarom acht u gegevens over herkomst en migratieachtergrond relevant voor het monitoren en evalueren van diversiteitsbeleid bij de politie, en welke objectieve criteria hanteert u om te bepalen wanneer dergelijke achtergrondkenmerken relevant zijn voor registratie, analyse en publicatie door de overheid?
Welke concrete doelstelling rechtvaardigde volgens u het registreren en monitoren van de etnisch-culturele samenstelling van de politie, en waarom was het daarvoor noodzakelijk om onderscheid te maken naar migratieachtergrond?
Op welke objectieve en wetenschappelijke onderzoeken baseert u uw stelling dat een diverse en inclusieve politie de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de politie vergroot, en kunt u deze onderzoeken afzonderlijk noemen en aan de Kamer doen toekomen?
Uit welke wetenschappelijke onderzoeken blijkt specifiek dat een hogere etnisch-culturele diversiteit van het Nederlandse politiekorps op zichzelf leidt tot meer vertrouwen in en legitimiteit van de politie, en hoe groot is dit effect ten opzichte van factoren als politieprestaties, bereikbaarheid, responsiviteit en de wijze waarop burgers door de politie worden behandeld?
De voortgang van de Wet Werkelijk Rendement |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat er stukken zijn bij het Ministerie van Financiën waaruit blijkt dat snelle invoering van een vermogenswinstbelasting toch een optie is?1 Kunt u deze stukken delen met de Kamer?
Klopt het dat u en uw voorgangers eerder aangaven dat het invoeren van een vermogenswinstbelasting zou leiden tot meerdere jaren vertraging? Per wanneer is het volgens u wél mogelijk om een vermogenswinstbelasting in te voeren, waarbij wordt voldaan aan belangrijke randvoorwaarden zoals uitvoerbaarheid, controleerbaarheid, handhaving en juridische houdbaarheid?
Kunt u heel precies aangeven wat de totale budgettaire (cumulatieve) derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte de Wet Werkelijk Rendement? Klopt het dat eventuele derving nog steeds volledig gevonden moet worden in het belastingdomein van vermogen en winst?
Wat is de exacte budgettaire derving per jaar bij uitstel van de Wet Werkelijk Rendement?
Kunt u heel precies aangeven wie er wel, dan wel niet, profiteren van eventueel uitstel van de Wet Werkelijk Rendement? Dus welke groepen hoeven bij een extra jaar tegenbewijsregeling in 2028 minder belasting te betalen dan bij de Wet Werkelijk Rendement (WWR)? Kunt u dit in elk geval aangeven voor spaarders, beleggers met een laag rendement (bijvoorbeeld twee procent), beleggers met een hoog rendement (bijvoorbeeld acht procent)?
Kunt u door middel van een grafiek of tabel inzichtelijk maken welk deel van de budgettaire derving van uitstel WWR terechtkomt bij welke vermogensdecielen?
Staat u nog steeds achter de eerder afspraak dat eventuele budgettaire derving als gevolg van uitstel van de WWR volledig moet worden gevonden in het domein vermogen/winst?
Welke varianten hebben er op tafel gelegen bij aanpassingen van de WWR de afgelopen maanden? Kunt u per variant aangeven wat de totale (cumulatieve) budgettaire derving is?
Kunt u alle dekkingsopties (inclusief budgettaire reeks) binnen het domein vermogen/winst met de Kamer delen, die de afgelopen maanden op tafel hebben gelegen ter dekking van eventuele derving in box 3?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 september 2026 beantwoorden?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
De aanhoudende blokkade van humanitaire hulpverlening in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Rode Kruis «Rode Kruis luidt noodklok: steeds minder hulpgoederen bereiken Gaza»1 en de waarschuwing dat hierdoor een steeds grotere medische crisis ontstaat?
Hoe beoordeelt u de cijfers waaruit blijkt dat in augustus slechts 93 pallets hulpgoederen de Palestijnse Rode Halve Maan bereikten, tegenover ruim 1.500 pallets in november vorig jaar, terwijl de afgesproken capaciteit van 600 vrachtwagens per dag structureel niet wordt gehaald?
Deelt u de zorgen van de VN dat er onvoldoende onderdak en noodzakelijke materialen beschikbaar zijn om de komende winter het hoofd te bieden2? Welke concrete stappen zet Nederland om ervoor te zorgen dat broodnodige humanitaire hulp Gaza wél tijdig bereikt?
Deelt u de constatering dat de sterk afgenomen humanitaire hulp, de groeiende medische crisis en de naderende winter aanleiding geven om de druk op Israël om humanitaire hulp Gaza binnen te laten aanzienlijk verder op te voeren? Welke aanvullende druk gaat het kabinet concreet uitoefenen?
Is het kabinet, gezien de gezamenlijke verklaring3 die Nederland op 8 juni 2026 samen met 21 andere landen en de Europese Commissie aflegde dat humanitaire toegang tot Gaza «non-negotiable» is, van oordeel dat de oproepen aan Israël om humanitaire hulp toe te laten effect hebben gehad? Waaruit blijkt dat? Zo nee, welke conclusies trekt het kabinet daaruit voor de wijze waarop het de druk op Israël de komende periode zal opvoeren?
Voldoet Israël, gelet op de hiervoor genoemde beperkingen op de toegang van humanitaire hulp tot Gaza, naar het oordeel van het kabinet aan de verplichtingen die voortvloeien uit Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo ja, waarop baseert het kabinet dit oordeel?
Is het kabinet bereid, eventueel samen met de andere ondertekenaars van de gezamenlijke verklaring van 8 juni, publiekelijk op te roepen tot snelle opschorting van het handelshoofdstuk van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid binnen de EU te pleiten voor verdere concrete maatregelen tegen Israël zolang de verwoesting, verdrijving en het blokkeren van hulp in Gaza voortduren?
De toekomstbestendigheid van de Belastingdienst |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Van «juweel» van de overheid tot «beerput van ellende»» over de ontwikkeling van de Belastingdienst?1
Denkt u dat de Belastingdienst weer in staat is de voorlopersrol te kunnen gaan pakken?
Welke lessen uit eerdere reorganisaties worden aantoonbaar toegepast bij de huidige veranderopgaven van de Belastingdienst?
In hoeverre zijn volgens u bij de verschillende reorganisaties bij de Belastingdienst concrete en meetbare doelen gesteld, zodat tussentijds kon worden getoetst of bijgestuurd?
In hoeverre is dat volgens u bij de huidige opgave het geval?
Wat zeggen de huidige tegenvallers in de ICT-modernisering, zoals beschreven in de recente voortgangsbrief, volgens u over de kwaliteit en voorspelbaarheid van de totale ICT-planning?
In hoeverre gaat het om incidentele tegenvallers binnen afzonderlijke projecten en in hoeverre is sprake van een structurele onderschatting van de totale moderniseringsopgave?
In hoeverre worden de tegenvallers volgens u veroorzaakt door technische vertragingen en/of inschattingsfouten, en in welke mate door politieke wensen en/of hersteloperaties?
Deelt u de mening dat een toekomstbestendige Belastingdienst niet alleen vraagt om keuzes binnen de Belastingdienst, maar ook om meer voorspelbaarheid vanuit kabinet en Kamer?
Hoe kunnen politiek en uitvoering eerder en structureler met elkaar in gesprek over wat uitvoerbaar is, welke veranderingen prioriteit moeten krijgen en welke beleidsrust daarvoor nodig is?
Wanneer is volgens u de moderniseringsopgave (grotendeels) afgerond, zodat er weer meer ruimte en flexibiliteit ontstaat voor ad hoc aanpassingen anders dan parameters en nieuwe grotere wetgevingstrajecten?
Zou het volgens u meerwaarde hebben om gezamenlijk tot een meerjarige agenda te besluiten op basis van beschikbare verandercapaciteit met een beperkt aantal prioriteiten, waaronder enerzijds noodzakelijke modernisering en anderzijds noodzakelijke maar ook gewenste nieuwe wetgeving, zoals hervormingen in de fiscaliteit?
Welke afspraken zouden kabinet en Kamer volgens u met elkaar moeten maken om te voorkomen dat we over enkele jaren opnieuw constateren dat achterstallig onderhoud, ICT-problematiek en een stapeling van politieke wensen noodzakelijke verbeteringen in de weg staan?
Het bericht ‘Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden psychiatrische patiënten na behandeling uit zicht hulpverleners»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat naar schatting minstens 60.000 mensen met een ernstige psychiatrische aandoening buiten beeld van de zorg zijn geraakt, ongeveer een kwart van deze groep?
Hoe verklaart u dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na behandeling uit beeld van de hulpverlening kunnen raken? Wie is volgens u verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en begeleiding bij en na ontslag uit een ggz-instelling?
Deelt u de zorg dat het ontbreken van passende begeleiding na ontslag kan leiden tot terugval, crisissituaties, heropnames en dakloosheid? Welke concrete maatregelen neemt u om deze draaideur te doorbreken?
Hoeveel mensen verlaten jaarlijks een ggz-instelling zonder dat passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting daadwerkelijk is geregeld? Indien u niet over cijfers beschikt, bent u dan bereid dit inzichtelijk te maken?
Klopt het dat zorgverleners in bepaalde gevallen niet worden vergoed voor het actief zoeken naar patiënten die uit beeld zijn geraakt en dat financiering pas mogelijk is wanneer daadwerkelijk contact met de patiënt is gelegd? Zo ja, acht u dit wenselijk en bent u bereid deze financiering aan te passen?
Hoe beoordeelt u het feit dat de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), waaronder bemoeizorg, sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 niet meer expliciet in de wet is opgenomen, terwijl deze zorg volgens de regering wel tot de gemeentelijke taken op grond van de Wmo 2015 behoort?
Deelt u de zorg dat verschillen tussen gemeenten in de beschikbaarheid en organisatie van bemoeizorg ertoe kunnen leiden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek niet overal op dezelfde ondersteuning kunnen rekenen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Wat is de actuele stand van zaken van de expliciete wettelijke verankering van de openbare geestelijke gezondheidszorg in de Wmo 2015 via de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams)? Hoe wordt daarbij uitvoering gegeven aan de aangenomen motie-Krul/Bikker over de wettelijke verankering van bemoeizorg en wanneer verwacht u dat deze wettelijke verankering in werking treedt?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen moties die ertoe strekken bemoeizorg wettelijk te verankeren en de beschikbaarheid van passende zorg voor mensen met verward of onbegrepen gedrag te verbeteren?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat mensen met ernstige psychiatrische problematiek na ontslag uit een instelling zonder passende vervolgzorg, begeleiding of huisvesting op straat terechtkomen? Zo ja, hoe gaat u dit concreet borgen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal mensen met ernstige psychiatrische problematiek dat buiten beeld van de zorg raakt terug te dringen en binnen welke termijn verwacht u hiervan resultaat?
Vogelrustgebieden |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u, omdat u tijdens het commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad van 16 juni 2026 geen duidelijk antwoord kon geven op deze vraag en toezegde hierop schriftelijk terug te komen, nu alsnog precies uiteenzetten op basis van welke ornithologische en juridische criteria Nederland verplicht zou zijn de Hollandse kust als Vogelrustgebied aan te wijzen en welke ruimte Nederland daarbij zelf nog heeft?
Bent u bekend met het bericht van Rijkswaterstaat waaruit blijkt dat in Zeeland al verschillende strandjes en dijktrajecten zijn afgesloten ten behoeve van kustbroedvogels? Deelt u de zorg dat wat in Zeeland gebeurt, straks ook langs de Hollandse kust kan gebeuren? Zo nee, waarom niet?1
Kunt u nog steeds ondubbelzinnig uitsluiten dat de aanwijzing van de Hollandse kust als Vogelrustgebied ertoe leidt dat stranden of andere recreatiegebieden geheel, gedeeltelijk of gedurende bepaalde perioden worden afgesloten?
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Buitenhof van zondag 30 augustus jongstleden waarin de burgemeester van Amsterdam de noodklok luidde over dakloosheid in de grote steden?
Hebt u er kennis van genomen dat ten minste Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Groningen en Almere nu de oproep van burgemeester Halsema hebben gesteund?
Wat is uw reactie op de constatering van de burgemeester van Amsterdam dat de leefbaarheid in de vier grote steden steeds verder onder druk komt te staan door de combinatie van toenemende dakloosheid, verloedering, crackgebruik en mensen met verward gedrag?
Kunt u reageren op de vaststelling van de burgemeester dat zij «al een aantal keer de noodklok richting Den Haag» heeft geluid, maar dat dit «te weinig beantwoord» wordt? Is het kabinet bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de burgemeesters van de vier grote steden om te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van dakloosheid en drugsoverlast? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de analyse van de burgemeester dat het Rijk medeverantwoordelijk is voor deze problematiek en dat er ook vanuit het Rijk «grote maatregelen» nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden er al genomen of bent u van plan te nemen?
In welke mate zijn wat u betreft werkgevers verantwoordelijk voor het feit dat arbeidsmigranten massaal op straat belanden? Wat bent u bereid hieraan te doen?
Hebt u kennisgenomen van de vorige maand aangekondigde maatregelen tegen dakloosheid van de Britse premier Burnham, waaronder nieuwe opvangmogelijkheden, praktische hulp voor mensen bij huisvesting, gezondheidszorg en andere behoeften, en een nationale top met verschillende actoren? Wat is het Nederlandse kabinet bereid te leren van deze aanpak?
Ziet het kabinet ook dat arbeidsmigranten een groot deel vormen van het aantal dakloze mensen (circa 1500 van de 3644 in beeld gebrachte dakloze mensen in Amsterdam)? Deelt het kabinet de constatering van de Amsterdamse burgemeester dat het toenemende aantal dakloze arbeidsmigranten samenhangt met gebrekkige huurbescherming, doordat arbeidsmigranten bij ontslag dakloos worden? Zo nee, waarom niet en waardoor komt dit dan wel volgens het kabinet?
Herinnert u zich het voorstel van eind vorig jaar om in de wet een nieuwe opzeggingsgrond op te nemen dat een werkgever de huurovereenkomst mag opzeggen indien de arbeidsrelatie is beëindigd? Kunt u reageren op de kritiek van de Amsterdamse burgemeester en tal van maatschappelijke organisaties (waaronder de Woonbond, Dakloosheid Voorbij!, Valente, het Leger des Heils en de FNV) dat deze maatregel, die in strijd is met de aanbevelingen van de commissie-Roemer, zal leiden tot meer dakloosheid onder arbeidsmigranten?
Is het kabinet het eens dat het toestaan van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten – zoals het kabinet momenteel voorstelt in het wetsvoorstel passende huurcontracten – het risico met zich meebrengt dat arbeidsmigranten sneller dakloos raken? En is het kabinet bereid om – mede naar aanleiding van de oproep van de burgemeester van Amsterdam – dit voorstel te herzien?
Op welke wijze is het kabinet voornemens om de problemen van dakloze arbeidsmigranten op te lossen? Is het kabinet bereid om de aanbevelingen van de commissie-Roemer uit te voeren, ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten dezelfde rechtspositie krijgen als andere werknemers, en de afhankelijkheid tussen arbeid en huisvesting te verminderen?
Is het kabinet bereid om de regeling waarmee werkgevers tot 25 procent van het minimumloon van arbeidsmigranten inhouden in ruil voor huisvesting alsnog zo snel mogelijk – zonder eerst het beperken van short stay af te wachten – af te bouwen, zoals was voorzien?
Wat is volgens u de relatie tussen de massale short stayhuisvesting van arbeidsmigranten en de toegenomen dakloosheid van arbeidsmigranten?
Heeft Amsterdam het kabinet gevraagd om als pilot containerwoningen te mogen plaatsen voor dakloze moeders en kinderen? Bent u bereid deze ruimte te bieden, en zo ja, op welke termijn kan hierover duidelijkheid komen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
Het bericht ‘Mogelijk 1300 bouwprojecten stilgelegd door schorsing van belangrijke controleur’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Mogelijk 1300 bouwprojecten stilgelegd door schorsing van belangrijke controleur» en van de waarschuwing van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten over de gevolgen van de schorsing van kwaliteitsborgers door de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB)?1
Hoeveel lopende bouwprojecten worden momenteel geraakt door deze schorsing, bij hoeveel van deze projecten zijn de bouwwerkzaamheden daadwerkelijk stilgelegd of vertraagd en hoeveel woningen betreft dit?
Zou u willen ingaan op de vraag of de bouw bij een dergelijke schorsing moet worden stilgelegd, gezien het feit dat de VNG stelt dat de bouw bij een geschorste kwaliteitsborger moet worden stilgelegd, terwijl de TloKB vermeldt dat een kwaliteitsborger bij schorsing geen nieuwe projecten mag aannemen maar lopende projecten mogen doorgaan?2
Bent u bereid gemeenten, omgevingsdiensten, opdrachtgevers en bouwbedrijven op zeer korte termijn duidelijkheid te geven over de juridische gevolgen van een schorsing, zodat wordt voorkomen dat bouwprojecten onnodig worden stilgelegd?
Welke mogelijkheden zijn er, indien een lopend project door een schorsing niet kan worden voortgezet, om de kwaliteitsborging snel door een andere bevoegde kwaliteitsborger te laten overnemen en vertraging van de bouw zo veel mogelijk te voorkomen?
Hoe beoordeelt u dat vertraging en extra kosten als gevolg van een schorsing afhankelijk van de gemaakte contractuele afspraken terecht kunnen komen bij opdrachtgevers of aannemers die zelf geen aanleiding hebben gegeven voor de schorsing?3
Welke gevolgen hebben deze stilleggingen en vertragingen voor kopers van woningen binnen de getroffen projecten en heeft u zicht op de financiële schade die zij hierdoor kunnen lijden?4
Welke betekenis kent u aan deze schorsingen in het licht van de recente constatering van de TloKB dat de werkwijze van kwaliteitsborgers en het toezicht door instrumentaanbieders verbetering behoeven?
Zijn er bij u of de TloKB signalen dat ook andere kwaliteitsborgers het risico lopen te worden geschorst of hun werkzaamheden te moeten staken, en wat zou dit betekenen voor de continuïteit en capaciteit van het stelsel van kwaliteitsborging?
Welke concrete maatregelen gaat u naar aanleiding van deze schorsingen nemen, mede in het licht van uw uitspraak in het commissiedebat Bouwregelgeving van 1 juli 2026 dat u eerder in actie komt wanneer tussentijdse bevindingen daartoe aanleiding geven?
Bent u bereid de evaluatie van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) te versnellen en daarbij de gevolgen van schorsingen, de kosten, de administratieve lasten en de duidelijkheid van verantwoordelijkheden binnen het stelsel te betrekken, nu de huidige planning pas eind 2027 voorziet in een totaalbeeld van het Wkb-stelsel?
Welke actie onderneemt u om de afspraak uit het coalitieakkoord om onnodige en kostbare bouwregels te schrappen en het Besluit bouwwerken leefomgeving te vereenvoudigen ook te vertalen naar een eenvoudigere en minder kostbare manier van kwaliteitsborging?
Bent u bereid, gezien de aanhoudende problemen met kosten, bureaucratie en onduidelijkheid en de nu gebleken kwetsbaarheid bij de schorsing van kwaliteitsborgers, op korte termijn een scenario uit te werken voor het stoppen met de huidige Wkb?
De veiligheid van kinderen in gezinshuizen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kinderen uit Fries gezinshuis gehaald na veroordeling gezinshuisvader voor kindermisbruik»?1
Hoe kijkt u naar het feit dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft aangegeven geen veiligheidsrisico’s te zien voor kinderen die nog in het gezin verbleven zoals beschreven in bovenstaand artikel, terwijl de betrokken jeugdbeschermer hier – naar oordeel van de kinderrechter – terecht veel zorgen over had?
Onderschrijft u de oproep van onder andere de IGJ dat er beter toezicht moet komen op de inmiddels meer dan duizend gezinshuizen waar zorg wordt geboden aan kinderen die vaak zwaar getraumatiseerd zijn en ernstige opvoed- en/of gedragsproblemen hebben?
Bent u het met de indiener eens dat de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen minimaal zo streng, maar bij voorkeur nog strenger moeten zijn dan de kwaliteitscriteria voor pleegzorg, aangezien de complexiteit van de problematiek waar kinderen die in gezinshuizen worden opgevangen complexer is dan bij pleegzorg?
Hoe beoordeelt u de huidige situatie waarbij bovenstaande niet het geval is?
Bent u het met de indiener eens dat dit ernstige veiligheidsrisico’s kan opleveren voor de kinderen die op dit moment in gezinshuizen verblijven?
Kunt u toelichten of het klopt dat bij de screening van gezinshuisouders alleen een Verklaring Omtrent Gedrag opgevraagd kan worden, terwijl pleegouders een Verklaring van geen bezwaar moeten aanleveren, een zwaarder instrument waar ook onderzoeken zonder veroordelingen in staan?
Hoe beoordeelt u de signalen over aspirant pleegouders die afgewezen worden vanwege een negatieve Verklaring van geen bezwaar, maar zij dus wel op een andere plek in Nederland door de screening van gezinshuisouder kunnen komen omdat ze wel een Verklaring Omtrent Gedrag kunnen voorleggen?
Bent u het met de indiener eens dat dit hoogst onwenselijk is en tot hoge veiligheidsrisico’s voor kinderen kan leiden?
Wanneer verwacht u dat de herziening van de huidige kwaliteitscriteria voor gezinshuizen afgerond zal zijn en vanaf wanneer zullen deze herziene kwaliteitscriteria van kracht zijn?
Bent u het met de indiener eens dat de inzet gericht moet zijn op het strenger maken van deze kwaliteitscriteria, juist ook gezien de misstanden die aan het licht komen?
Kunt u garanderen dat in de kwaliteitscriteria die worden herzien minimaal wordt opgenomen dat vanaf de start van het gezinshuis een relevant hbo-diploma én een SKJ-registratie vereist is?
Bent u het met de indiener eens dat er in de herziening van de kwaliteitscriteria ook een maximumaantal kinderen vastgesteld moet worden die in een gezinshuis mogen verblijven?
Kunt u aangeven hoeveel gezinshuizen momenteel meer dan zes kinderen (inclusief biologische kinderen) opvangen?
Hoe kijkt u naar de signalen dat er momenteel gezinshuizen zijn waar tien of meer kinderen worden opgevangen, soms zelfs allemaal vanuit een crisisplaatsing?
Op welke wijze kan kwalitatief goede zorg gegarandeerd worden door twee gezinshuisouders wanneer zij zorg dienen te leveren aan tien kinderen in crisis?
Hoe beoordeelt u het feit dat we in de kinderopvang in de wet een beroepskracht-kindratio vastleggen en we momenteel geen beroepskracht-kindratio vastleggen voor gezinshuizen?
Bent u het met de indiener eens dat er grote risico’s bestaan in de bedragen die gezinshuisouders ontvangen voor de zorg voor deze kinderen waardoor ook foute aanbieders en criminelen aangetrokken worden die primair geld willen verdienen ten koste van kwetsbare kinderen?
Bent u het met de indiener eens dat het wenselijk zou zijn om één erkend keurmerk en één landelijk kwaliteitsregister te hebben van gezinshuizen die aan kwaliteitscriteria voldoen?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk zou zijn als deze toetsing op kwaliteit zou gebeuren door een branchevereniging die (ook financieel) baat heeft bij een stijging van het aantal gezinshuizen?
Kunt u garanderen dat, ook in lijn met de eerder aangenomen motie Synhaeve c.s. om jeugdaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf te screenen, ook voor gezinshuizen geldt?2
Kunt u garanderen dat deze screening wordt gedaan door een onafhankelijk instituut zoals de IGJ?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het Jeugddebat van 30 september aanstaande?