De extreem lage gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energietekort dreigt komende winter door extreem lage gasvoorraad: huishoudens staan voor hogere energierekening»?1
Ja
Hoe reageert u op de waarschuwingen van de Gasunie dat het vultempo van de gasvoorraden zorgelijk laag is om voor komende winter huishoudens en bedrijven genoeg buffer te bieden, dat het besluit over de aanleg van een strategische gasvoorraad te lang duurt en dat er, kortom, meer urgentie moet komen om energietekorten en nog hogere energierekeningen te voorkomen?
Ik zie de uitlatingen van Gasunie als een oprechte zorg. Ik deel de mening dat de leveringszekerheid van gas moet worden geborgd tegen redelijke kosten. Daar is mijn beleid, waarbij Gasunie een adviserende rol heeft, ook op gericht.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gasunie al in maart jl. waarschuwde «dat Nederland onvoldoende is voorbereid op grote gastekorten» en opriep om een strategische gasvoorraad op te bouwen?2 Wat hebt u sindsdien gedaan om het vullen van de voorraden en het aanleggen van een strategische voorraad te versnellen?
De uitlatingen van Gasunie zijn mij bekend. Ik heb ervoor gezorgd dat EBN Capital B.V. (hierna: EBN) vanaf april is begonnen met het injecteren van gas. EBN ligt op schema om, indien nodig, 80 TWh gas op te slaan. Daarnaast treft EBN de voorbereidingen voor het aanleggen van een strategische opslag (noodvoorraad) van 5 TWh in de PGI Alkmaar. Zodoende kan EBN indien nodig omdat marktpartijen onvoldoende vullen driekwart van het vuldoel voor komende winter voor haar rekening nemen. Hiermee zorgen we voor voldoende gas deze winter. Daarnaast werk ik, samen met alle partijen, aan een brief over strategisch gasbeleid om ervoor te zorgen dat we structureel voldoende gas achter de hand hebben voor noodsituaties. Daarover voer ik ook gesprekken in Europa om te voorkomen dat de Nederlandse belastingbetaler alleen voor hoge kosten opdraait, terwijl de Europese Unie in de breedte van deze garantie zou kunnen profiteren.
Op welke vulgraad verwacht u, met het huidige te lage tempo, in oktober uit te komen, en wat zal dat doen met de leveringszekerheid en energieprijzen? Wat gaat u doen om op een vulgraad van minimaal 80% uit te komen?
Het EU-vuldoel voor Nederland dit jaar bedraagt 74%, oftewel ca. 107 TWh tussen 1 oktober en 1 december. Het nationale vuldoel voor Nederland op 1 november is 80%, oftewel 115 TWh. Beide zijn nog binnen bereik. Of deze doelen worden gehaald hangt ook samen met hoeveel marktpartijen, die het eerst aan zet zijn bij het vullen, deze zomer opslaan. De stappen die de overheid via EBN heeft gezet om de doelen te halen zijn toegelicht in antwoord 3.
Klopt het dat inkopers (commerciële bedrijven) weten dat Nederland vroeg of laat moet vullen en daarom zo lang mogelijk wachten zodat het Rijk hen met een bonus verleidt om de bergingen toch te vullen? Wat gaat u doen om deze opportunistische prikkel weg te nemen en ervoor te zorgen dat de voorraden alsnog tijdig en voldoende worden gevuld?
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door in te kopen via een handelsplaats, import van LNG, via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Hoe zij invulling geven aan die verplichtingen is aan hen. Als partijen ervoor kiezen om geen gas op slaan, ontslaat hen dat niet van hun leveringsverplichtingen. Mogelijk zullen zij wel tegen hoge(re) kosten moeten inkopen op dat moment. Het Rijk zal geen «bonussen» verstrekken aan marktpartijen om gasopslagen te vullen. Dat is overigens ook niet toegestaan vanwege staatssteunregels.
Hoe reflecteert u op uw uitspraak om «samen met EBN te zoeken naar de balans tussen leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring en kosten zo laag mogelijk houden»? Deelt u de conclusie dat dit, tot dusverre, niet is gelukt?
Die mening deel ik niet. Het zoeken naar een balans tussen deze drie is gegeven de huidige marktomstandigheden niet eenvoudig en vraagt continu monitoring en waar nodig bijsturen. Dat zal ik deze zomer blijven doen.
Hoe reageert u op het advies van hoogleraar Martien Visser om ondanks het prijsopdrukkende effect de voorraden te vullen, omdat «de prijsgevolgen van te lege bergingen aan het begin van de winter veel groter zijn»?
Ik herken dat de activiteiten van EBN prijs opdrukkende effecten kunnen hebben en dat het tegelijkertijd nodig is om EBN als vulagent een rol te geven bij het vullen van de bergingen indien marktpartijen onvoldoende vullen. Voor deze rol heb ik EBN ruimte gegeven om maximaal 80 TWh aan gas op te slaan in de seizoensopslagen en te starten met het aanleggen van een strategische opslag (tijdelijke noodvoorraad). Gasunie Transport Services (GTS) raamde eerder de gemiddelde jaarlijkse behoefte aan seizoensflexibiliteit, uitgaande van een gemiddeld temperatuurjaar, op 71 TWh.3
Wat gaat u doen om verdere stijging van de energieprijzen te voorkomen? Sterker nog, bent u bereid de btw op energie van 21% naar 9% én de energiebelasting te verlagen?
Het kabinet heeft dit voorjaar over een pakket aan maatregelen besloten om de gevolgen van de hogere energieprijzen te beperken. Het eerstvolgende moment om eventuele koopkrachtmaatregelen te presenteren is op Prinsjesdag, waarbij het kabinet altijd integraal weegt.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Regelingen voor jonge mantelzorgers |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het signaal dat veel jonge mantelzorgers, zoals de 16-jarige Fynn die voor zijn ongeneeslijk zieke vader zorgt, ernstig belast raken?1
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Bent u bekend met het gegeven dat inmiddels meer dan een kwart van alle jongeren mantelzorg verleent en dat het aantal jongeren dat hiermee ernstig belast is de afgelopen tien jaar is verdubbeld?
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Zijn er prognoses beschikbaar over de verdere groei van het aantal jongeren dat mantelzorg verleent en kunt u die delen?
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
Bent u het er mee eens dat jongeren die mantelzorg verlenen te maken krijgen met specifieke uitdagingen en zorgen in het onderwijs, terwijl volwassenen vaak als maatstaf genomen worden bij beleid en beeldvorming rondom mantelzorg?
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Bent u het eens dat de huidige aandacht voor jonge mantelzorgers binnen onderwijsinstellingen vaak versnipperd is en afhangt van de individuele welwillendheid van een school of docent?
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Zijn er regelingen om leerlingen en studenten in bijzondere omstandigheden te ondersteunen waarin mantelzorg ook expliciet als ondersteuningsgrond genoemd wordt?
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
Bent u bereid mantelzorg explicieter op te nemen in ondersteuningsregelingen zodat het voor onderwijsinstellingen duidelijk is wat zij voor deze groep jongeren kunnen doen?
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Bent u bereid in gesprek te gaan met jongeren die mantelzorg verlenen om te kijken waar zij in het onderwijs tegenaan lopen en hoe zij het best ondersteund kunnen worden?
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat onderwijsinstellingen op de hoogte zijn van de manieren waarop ze leerlingen en studenten die mantelzorg verlenen nu al kunnen ondersteunen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Welke maatregelen kunt u verder nemen om ervoor te zorgen dat jonge mantelzorgers gelijke kansen houden op het succesvol afronden van onderwijs?
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Bent u het ermee eens dat bezuinigingen op de zorg niet mogen leiden tot een nog hogere druk op (jonge) mantelzorgers? Zo ja, wat gaat u doen om dat te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.
Het bericht 'Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlanders patiënt kan voor nieuwe behandeling of medicijn beter naar Duitsland verhuizen» en met de onderliggende analyse van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen naar 51 geneesmiddelen en indicaties die op 20 maart 2026 in de sluis zaten?1
Klopt het dat van deze 51 middelen in Nederland geen enkel middel beschikbaar is voor patiënten, terwijl daarvan in Duitsland 48 middelen wél beschikbaar zijn? Hoe verklaart u dat Nederland hier slechter scoort dan veel andere Europese landen?
Wat vindt u ervan dat juist sommige middelen tegen beenmergkanker die in nauwe samenwerking met Nederlandse ziekenhuizen zijn ontwikkeld, in Nederland nog niet verkrijgbaar zijn, terwijl ze wél voor Duitse patiënten beschikbaar zijn?
Hoe legt u aan Nederlandse patiënten en hun gezinnen uit dat exact dezelfde effectieve geneesmiddelen in andere Europese landen al wel beschikbaar zijn en hier niet?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse patiënten recht hebben op tijdige toegang tot effectieve behandelingen, zeker als die in vrijwel alle andere onderzochte Europese landen al worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat Nederlandse patiënten voor toegang tot nieuwe geneesmiddelen moeten uitwijken naar het buitenland omdat het Nederlandse zorgsysteem er niet voor hen is? Zo nee, kunt u toelichten waarom u dat solidair vindt?
Erkent u dat lange wachttijden, juist waar het gaat om middelen tegen kanker en andere ernstige of zeldzame aandoeningen, door bureaucratische beleidsprocessen voor deze patiënten niet alleen een papieren probleem zijn, maar direct raken aan gezondheid, kwaliteit van leven en overlevingskansen?
Erkent u dat de beperkte beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen en de lange toegangstijden voor Nederlandse patiënten wijzen op een structurele achterstand in de toegang tot innovatieve geneesmiddelen, nu in 2025 bleek dat patiënten in 2025 gemiddeld 493 dagen wachtten op toegang na EMA-goedkeuring, dat slechts 54 procent van de nieuwe Europees toegelaten geneesmiddelen hier beschikbaar is, en dat het beeld voor oncologie (525 dagen, 41 procent) en zeldzame ziekten (561 dagen) nog ongunstiger is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze achterblijvende toegang zich tot het feit dat de netto-uitgaven aan geneesmiddelen met 4,2 procent van de totale zorguitgaven en als aandeel van de ziekenhuis zorg(8,8 procent) onder controle zijn? Is het huidige beleid nog in balans, als kostenbeheersing in de praktijk zwaarder lijkt te wegen dan tijdige toegang tot patiënten? Zo ja, waarom?
Bent u bereid te onderzoeken hoe beoordeling en prijsonderhandeling sneller en meer parallel kunnen verlopen, zoals dat ook in andere landen wel gebeurt?
Bent u bereid om bij het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG) het belang van snelle toegang tot patiënten leidend te maken en daarbij ook concrete termijn vast te leggen? Hoe voorkomt u dat nieuwe regels en extra toetsen en procedures juist tot nog meer vertraging leiden?
Bent u bereid om voor de verdere besluitvorming over TSG een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het nieuwe stelsel voor patiëntentoegang, innovatie, investeringen en de internationale positie van Nederland, voordat het stelsel wordt vastgesteld?
Woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale regels»?1
Ja
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen belemmert?
Ik ben bekend met de situatie in Hardinxveld-Giessendam en heb contact gehad met betrokken partijen zoals deze gemeente, de provincie Zuid-Holland en de regionale versnellingstafel over de actuele ontwikkelingen.
De verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie ’t Oog is niet opgenomen op de «3 hectare lijst» van grotere buitenstedelijke locaties van de provincie Zuid-Holland.
In het project spelen diverse factoren een rol waaronder het beleid op buitenstedelijk bouwen, maar ook infrastructurele knelpunten zoals de spoorwegovergang over de Merwede Linge-lijn en de belasting van de op- en afritten van de A15. Ook zijn er uitdagingen op het gebied van water en bodem. De provincie en de gemeente zijn ambtelijk in gesprek over de verdere ontwikkeling van woningbouw in deze regio waaronder de locatie ’t Oog.
In deze regio is voldoende plancapaciteit om de regionale woningbouwopgave tot en met 2030 te realiseren.
Over de belemmeringen ten aanzien van buitenstedelijk bouwen in de provincie Zuid-Holland heb ik recent een brief2 gestuurd naar de Provincie Zuid-Holland. Daarover en ook over de aanvullende woningbouwopgave tot en met 2036 ben ik met de provincie in gesprek.
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit te bevorderen?
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat woningbouw onnodig wordt geblokkeerd door beleid en regelgeving. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Nederland beperkt en moeten keuzes worden gemaakt. Daarbij is ook de provincie aan zet. De lijn van de ontwerpNota Ruimte is dan ook dat meervoudig ruimte gebruik noodzakelijk is. Maar ook dat bedrijventerreinen en hoogwaardige landbouwgronden beschermd moeten worden. Woningbouw moet ook goed ontsloten kunnen worden.
Kortom, er zijn afspraken en regels nodig over hoe de ruimte wordt verdeeld. In de ontwerpNota Ruimte geeft het Rijk aan hoe we die verdeling zien. Provincies leggen in hun omgevingsvisie en verordeningen hun verdeling en regels vast. Het ruimtelijk beleid moet op elkaar afgestemd zijn. Daar hoort ook bij dat provincies zorgen dat er voldoende ruimte is voor woningbouwlocaties ten opzichte van de bestuurlijk afgesproken aantallen woningen: binnenstedelijk en buitenstedelijk. In het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting regel ik daarom ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet meer van toepassing is voor nieuwe woningbouwlocaties.
Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale versnellingstafels bedoeld om belemmeringen naar voren te brengen en projecten weer vlot te trekken.
De focus ligt daarbij primair op het realiseren van de beschikbare locaties.
Als daar belemmeringen geconstateerd worden die komen door strijd met landelijke uitgangspunten kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Dat begint altijd bij bestuurlijk overleg.
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid en bebouwing?
Zie antwoord vraag 3.
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave worden beschouwd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Hier is geen totaaloverzicht van. Vertraging van woningbouwprojecten wordt immers vaak veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals problemen met netcongestie en complexiteit in procedures. Zoals in mijn antwoord op vraag 3, 4 en 5 beschreven, wordt aan de regionale versnellingstafels gezamenlijk gezocht naar oplossingen voor belemmeringen in woningbouwprojecten. Ook bespreek ik belemmeringen in de realisatie van de woningbouwopgave tijdens de bestuurlijke overleggen Woondeals. Ik ben bovendien op diverse manieren in gesprek met provincies over hun omgevingsbeleid in het kader van de NOVEX-tafels. Dit betreft ook de wederkerige afspraken die Rijk en Regio jaarlijks maken in het ruimtelijk arrangement.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben momenteel in het kader van het herziene omgevingsbeleid dat onlangs in provinciale staten van Zuid-Holland is vastgesteld, al in gesprek met de provincie. Daarbij zal ik specifiek aandacht besteden aan de uitvoering van diverse aangenomen amendementen en moties die gaan over meer ruimte voor woningbouw en aan mogelijke flexibiliteit in de uitvoering van het omgevingsbeleid.
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar aanleiding van deze oproep?
Ik heb de genoemde brief aan de provinciale staten van Zuid-Holland gestuurd in de verwachting dat die voor de leden belangrijke input zou zijn in hun bespreking en stemmingen. Ik constateer dat er bij de behandeling onder meer een wijziging is aangenomen die als strekking heeft het beleid rond een straatje erbij te verruimen. Ik ben met de provincie in gesprek om te vernemen hoe men verder gaat met de buitenstedelijke locaties en met de uitvoering van het herziene beleid.
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren, ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Het vastlopen in bestuurlijke procedures dienen we te voorkomen. De wet Versterking regie volkshuisvesting is daar al een belangrijke stap in, onder meer door via aanpassingen in het stelsel duidelijkheid te creëren over de betaalbaarheidsverdeling en waar en voor wie we bouwen. Bij ruimtelijk beleid moeten – zoals hierboven al is beschreven – altijd meerdere belangen worden afgewogen.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Zoals in mijn voorgaande antwoorden beschreven vind ik het belangrijk dat provincies voldoende ruimte bieden voor woningbouwlocaties en geen onnodige belemmeringen opwerpen. Ik houd daarbij de vinger aan de pols, mede door concepten van omgevingsvisies en verordeningen te bezien en daar waar nodig het gesprek over aan te gaan. Daarbij let ik erop dat de regelgeving en de uitvoering van regelgeving en beleid in lijn zijn met het Rijksbeleid en -regelgeving. Als dat niet het geval is, gebruik ik mijn instrumentarium om te interveniëren. Ik voer daarover dan allereerst een bestuurlijk gesprek.
Daarnaast maak ik in de actualisering van de Woondeals gericht afspraken om de ambitie van 100.000 woningen per jaar te realiseren.
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zoals het tweede reflectierapport «Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet laat zien, geeft de Omgevingswet voldoende ruimte.
Ik heb u het rapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet op 10 maart 2026 gezonden en op 19 juni 2026 heb ik u de kabinetsreactie hierop gezonden3. Hierbij heb ik aangegeven dat de Omgevingswet alle bevoegde gezagen een wenkend perspectief biedt om te komen tot een balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Ik zie geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt in plaats van belemmert?
Ik werk samen met provincies en gemeenten aan het realiseren van voldoende woningen in Nederland. Daarbij ligt de focus op het realiseren van de locaties die al in beeld zijn. Als belemmeringen voor de woningbouw voortvloeien uit provinciale keuzes, dan ga ik eerst bestuurlijk in gesprek. Wanneer bestuurlijk overleg niet tot het gewenste resultaat leidt, kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Voor al die woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een thuis.
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Voordat ik inga op de gedane uitlatingen, geef ik eerst een duiding van de terminologie. De grote verplichtstelling heeft betrekking op de wettelijke verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. De kleine verplichtstelling betreft de contractueel overeengekomen deelneming aan een pensioenregeling op grond van een cao.2 Ik ben op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot (informele pre-infractiefase) is gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben (hierna: stichtingsvereiste). In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat Nederland, door te eisen dat een (verplichtgesteld bedrijfstak-)pensioenfonds een Nederlandse stichting moet zijn, een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Ook een entiteit uit een ander EU land zou deze taak moeten kunnen uitvoeren, mits daartoe uitgenodigd door de sociale partners van een bedrijfstak.
Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten3, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de totstandkoming van de Wtp is ook stilgestaan bij en getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie is dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 van de EU-Pilot.4 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.5
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Vanuit de Europese Commissie of de Europese Ombudsman is er geen informatie gedeeld over de klacht. De EU-Pilot heeft betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste geldt voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bij de totstandkoming van de Wet toekomst pensioenen is de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel uitgebreid aan de orde geweest6.
De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is. Deze conclusie is onderdeel van het uitgebreide wetgevingsproces geweest, waaronder advisering door de Raad van State. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten, was de vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-Pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden.
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is hier niet aan de orde, zoals volgt uit het antwoord op vraag 3.
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Het aantal actieve deelnemers bij alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 6,7 miljoen (2024). Het belegd vermogen van alle (type) pensioenfondsen tezamen bedraagt circa 1.624 miljard euro (Q1 2026), waarvan circa 1.285 miljard euro (Q1 2026) bij bedrijfstakpensioenfondsen.7
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is bij de totstandkoming van de Wtp de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel getoetst. De conclusie is dat ook onder de Wtp de verplichtstelling houdbaar is.
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
In de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 ben ik hierop ingegaan.8 De in 2022 gestarte EU-Pilot had betrekking op de vraag waarom het stichtingsvereiste op een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. In het kader van de EU-Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. De vraag of de verplichtstelling als zodanig strijdig is met EU-recht geen onderdeel van de EU-pilot en daar zijn dan ook geen conclusies aan verbonden. Bij de Wtp is de houdbaarheid van de verplichtstelling, ook vanuit het Europese recht, onderbouwd. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Voor het punt van het stichtingsvereiste is een wetswijziging in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten ten goede komen aan deelnemers – geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg met de diensten van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd, rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van deelnemers en gepensioneerden bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn.
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
De EU-Pilot is gestart in 2022. In de afgelopen jaren heeft er een informele dialoog in de vorm van meerdere vertrouwelijke gesprekken plaatsgevonden tussen de Europese Commissie en Nederland. In deze gesprekken is de vraag behandeld of er sprake kan zijn van een ongeoorloofde belemmering van de Europese vrijheden. Een EU-Pilot is geen openbare procedure. Het parlement is via de memorie van antwoord bij de behandeling van de Wtp sinds 24 maart 2023 op de hoogte.9 Met de Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.10
Het is goed om vast te stellen dat het aan sociale partners is om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds te bepalen. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. Daarom ben ik van mening dat het voldoende tijdig is dit in de implementatiewetgeving van de IORP II-herziening mee te laten lopen.
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zoals onder andere aangegeven bij vraag 8 is de Europese Commissie in 2022 een EU-Pilot gestart naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.
Op basis van deze uitwisseling zijn de diensten van de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde belemmering van de Europese vrijheden zou hebben geïntroduceerd. Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd.
Sociale partners besluiten over de inhoud van de pensioenregeling en de onderbrenging bij een bedrijfstakpensioenfonds. In de afgelopen jaren is het niet voorgekomen dat daarbij het verzoek is gekomen om de regeling onder te brengen bij een buitenlandse uitvoerder en dat dat werd verhinderd door de Nederlandse wetgeving. De kans op schadeclaims acht ik gelet hierop te verwaarlozen.
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Het is primair aan sociale partners om verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds aan te vragen. Het is aan sociale partners om desgewenst de interesse bij buitenlandse uitvoerders in kaart te brengen.
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Voor zover noodzakelijk zullen dergelijke situaties daarin worden meegenomen. De instellingen die een verplichtstelling uitvoeren moeten, zoals ik in het antwoord op vraag 7 heb aangegeven, wel een rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan, conform het doel van een Nederlandse stichting.
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Invaren is het omzetten van bestaande pensioenaanspraken en -rechten van de oude naar de nieuwe Wtp pensioenregeling.11 Invaren gebeurt altijd bij hetzelfde pensioenfonds, dit is een interne collectieve waardeoverdracht, en dus niet een uitgaande waardeoverdracht naar een andere uitvoerder.
Waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioenuitvoerder is nu al onder voorwaarden op grond van de Pensioenwet mogelijk.12 Dat gaat ook gelden voor de waardeoverdracht van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, gelet op het wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt.
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Het is aan sociale partners om de pensioenregeling af te spreken en de onderbrenging bij een pensioenuitvoerder te bepalen. Zij maken daarbij de weging wat in het belang is van alle groepen deelnemers.
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Ik ben bekend met de betreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat (o.a.) het stichtingsvereiste zal adresseren, zal ook worden ingegaan op de relevante jurisprudentie voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in het licht van de uitvoering van de pensioenregeling.
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Op het punt van het stichtingsvereiste bereid ik een wetswijziging voor, die zal worden meegenomen in het wetsvoorstel waarmee de herziene IORP-II wordt geïmplementeerd. Deze herziening volgt de gebruikelijke procedure van een wetgevingstraject, met de bijbehorende toetsen.
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Die vraag is nu niet aan de orde, de situatie waar het hier om gaat is het stichtingsvereiste bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in relatie tot het EU-recht.
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Onderdeel van de procedure bij een EU-Pilot is dat de Europese Commissie beziet of de gekozen oplossing voldoet. Als dat zo is dan is de kwestie opgelost, indien de Europese Commissie oordeelt dat het onvoldoende is, dan kan alsnog een infractieprocedure worden gestart. Indien die procedure zou eindigen in een boete, is dat een aangelegenheid van de Europese Commissie en de Nederlandse Staat. Individuele werkgevers staan daarbuiten.
Overigens ga ik ervan uit dat met verwijzing naar de Booking.com zaak wordt gedoeld op de rechtszaken tussen Booking.com en Stichting pensioenfonds PGB over de (premievordering in verband met) de verplichte aansluiting van Booking.com bij Stichting pensioenfonds PGB.13 Het vervallen van het stichtingsvereiste brengt geen wijziging aan in de werkgevers die onder de werkingssfeer van een verplichtstelling vallen. De voorgenomen wetswijziging houdt in dat het stichtingsvereiste niet geldt voor pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse markt. Sociale partners kunnen als gevolg daarvan ook de pensioenregeling onderbrengen bij een verplichtgestelde pensioeninstelling uit een andere lidstaat.
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Het parlement wordt via de reguliere wijze meegenomen bij het wetstraject van de implementatiewet herziening van de IORP II Richtlijn. Ik wissel hierover uiteraard graag met uw Kamer van gedachten tijdens de reguliere commissiedebatten pensioenonderwerpen, waarvan de eerstvolgende nu gepland staat op 10 september 2026.
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Het standpunt over het openbaar maken van adviezen van de landsadvocaat is meermaals toegelicht.14 Bovendien staat het geheel los van de situatie rondom het stichtingsvereiste waar het hier om gaat.
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Ik kan het belang van de houdbaarheid van de verplichtstelling in het nieuwe stelsel onderschrijven. Zoals ik ook in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, is hier bij de totstandkoming van de Wtp uitgebreid bij stilgestaan, ook in debatten met uw Kamer, en is getoetst of de verplichtstelling onder het nieuwe stelsel houdbaar is. De conclusie was dat dat het geval is. Er is geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.
Het bericht 'Taliban grijpen gewelddadig in bij protest voor vrouwenrechten Afghanistan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Taliban gewelddadig heeft ingegrepen bij een protest voor vrouwenrechten in Afghanistan?1
Hoe bent u van plan deze gewelddadige acties te veroordelen en op te volgen?
Wat gaat Nederland extra doen om Afghaanse vrouwen te beschermen en te ondersteunen tegen geweld en onderdrukking vanuit de Taliban?
Bent u bereid om lokale vrouwenorganisaties extra te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Gaat u, danwel in samenspraak met hulporganisaties danwel in Europees of VN verband, ervoor zorgen dat bewijs wordt verzameld en veiliggesteld zodat misdaden tegen vrouwen worden gedocumenteerd en beschikbaar zijn voor vervolging van daders? Zo ja, welke stappen bent u bereid te nemen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de oproep van The Human Rights Watch om onmiddellijke alle arrestanten vrij te laten en de gewonden medische zorg te bieden? Zo ja, hoe gaat u de druk op de Taliban opvoeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe hebben deze berichten invloed op mogelijke onderhandelingen met de Taliban over het al dan niet terugsturen van Afghaanse vrouwen die in Nederland verblijven? Deelt u de mening dat het terugsturen van Afghaanse vrouwen naar de Taliban niet kan?
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Het bericht ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op»?1
De tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Zo kan Rijkswaterstaat op dit moment de benodigde vernieuwingsprojecten alleen nog starten door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Ook is gemeld dat voor exploitatie en onderhoud Rijkswaterstaat nu al scherpe keuzes moet maken en werkzaamheden in tijd naar achteren moet schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van. Eerder dit jaar heeft Rijkswaterstaat ook groot onderhoud op de A12 stopgezet en het werk naar achteren geschoven. Het gaat om niet acuut noodzakelijk onderhoud. De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. Dit jaar net als vorig jaar is en wordt er veel groot onderhoud gepleegd aan de wegen in Noord Nederland. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Kunt u toelichten waarom juist deze wegen in Noord-Nederland zijn geschrapt van de lijst voor groot onderhoud?
Er is geen sprake van het definitief schrappen van groot onderhoud van deze wegen. Wel is gekozen voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding en het herprioriteren van de planning. Het betreft preventieve onderhoudswerkzaamheden die gepland stonden voor 2027 en 2028, waaronder werkzaamheden in:
Is het toeval dat dit uitstel van onderhoud terechtkomt bij wegen in één regio, of is Noord-Nederland om strategische redenen van de lijst gehaald?
De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in het bredere afweegkader. Door te herprioriteren willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde krijgen. Zo werken we aan een stevig fundament voor de bereikbaarheid en de economie van ons land, waar we daarna op verder kunnen bouwen. Dit is in lijn met het Coalitieakkoord en de lijn om de prioritaire inspanning te richten op de instandhouding van de infrastructuur.
Welke afwegingen zijn er gemaakt om het groot onderhoud in het Noorden uit te stellen?
Zie het antwoord bij de vragen 1 en 3.
Is bij deze keuze rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio? Is rekening gehouden met de verkeersveiligheid? En met alternatieve routes?
Bij de keuze voor het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is uiteraard rekening gehouden met de langetermijnbereikbaarheid van de noordelijke regio, de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van alternatieve routes. Zoals in antwoord 1 aangegeven gaat het om niet acuut noodzakelijk onderhoud. Daar waar de veiligheid en bereikbaarheid in het geding is neemt Rijkswaterstaat de noodzakelijke maatregelen.
Wat zijn de langetermijnmeerkosten van het uit- of afstellen van onderhoud aan wegen?
Het uitstellen van onderhoud kan leiden tot hogere kosten op de langere termijn. Naarmate de staat van de infrastructuur verder verslechtert, kunnen zwaardere en daarmee kostbaardere onderhouds- of vervangingsmaatregelen noodzakelijk worden. De omvang van deze eventuele meerkosten verschilt per project en is niet eenvoudig te kwantificeren. De omvang van het uitgesteld onderhoud is de afgelopen jaar gestegen naar € 2.525 mln (stand jaarverantwoording 2025) waarvan 1.133 mln voor het hoofdwegennet.
Tegelijkertijd maakt de huidige budgettaire situatie het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en te faseren. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt daarom aan een herprioritering van onderhouds- en vervangingsopgaven binnen de beschikbare financiële kaders.
Bij deze afweging wordt steeds gezocht naar een balans tussen de gevolgen op korte en lange termijn, de risico’s voor de infrastructuur en het borgen van een veilig, beschikbaar en betrouwbaar netwerk. De staat van de infrastructuur wordt daarbij continu gemonitord, zodat waar nodig tijdig aanvullende maatregelen kunnen worden getroffen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden voor het a.s. commissiedebat Strategische bereikbaarheid?
Ja.
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere, doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken, is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke complexiteit van de instelling.
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur, toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten (o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren opnemen.
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO en de omroepen.
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming, in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen. Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor media-aanbod en organisatiekosten.
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen. Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark voor overhead kan daaraan bijdragen.
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst is.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen vanwege spanningen binnen de groep |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Diergaarde Blijdorp zeven stokstaartjes heeft laten inslapen nadat een overschot aan mannetjes in de groep tot spanningen had geleid?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke nationale en Europese regels, richtlijnen en afspraken van toepassing zijn op het beheer van dierpopulaties in Nederlandse dierentuinen, waaronder het beheer van dieren binnen Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s?
Het wettelijk kader voor dierentuinen bestaat uit de Europese dierentuinrichtlijn (Richtlijn 1999/22/EG), die in Nederland is geïmplementeerd in paragraaf 1 van hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). De Europese richtlijn heeft als doelstelling de bescherming van wilde dieren en de instandhouding van de biodiversiteit. Iedere dierentuin in Nederland is vergunningplichtig. In artikel 4.10 van het Bhvd geldt als vergunningsvoorwaarde dat dierentuinen een bijdrage moeten leveren aan de instandhouding van diersoorten onder andere door middel van het deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving. In Nederland zijn geen regels voor populatiemanagement. Dat ligt bij de dierentuinen zelf en dit gebeurt veelal in internationaal verband. Buiten de publiekrechtelijke voorschriften kunnen dierentuinen ook onderling afspraken maken, bijvoorbeeld via de Europese brancheorganisatie voor dierentuinen, EAZA.
Deelt u de opvatting dat het welzijn van individuele dieren en het welzijn van de populatie als geheel, beide zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer? Hoe worden deze belangen in de praktijk tegen elkaar afgewogen?
Ja. Dierentuinen moeten continue de balans vinden tussen de intrinsieke waarde van een individueel dier en het belang van de populatie als geheel in het kader van soortbehoud. In de praktijk betekent dit dat dierentuinen soms moeilijke keuzes moeten maken. De Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) geeft aan dat in de praktijk het welzijn van individuele dieren en het welzijn en de levensvatbaarheid van de groep en populatie als geheel zwaarwegende belangen zijn bij beslissingen over populatiebeheer. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging per soort, per groep en per situatie.
Welke mogelijkheden hebben dierentuinen wanneer sprake is van spanningen binnen diergroepen of van een overschot aan dieren binnen een populatie? Welke rol spelen daarbij onder meer herplaatsing, aanpassing van groepssamenstellingen en andere maatregelen?
De mogelijkheden zijn afhankelijk van de diersoort en per situatie. Herplaatsing en aanpassing van groepssamenstellingen zijn hierbij twee van de mogelijkheden, maar zijn niet altijd mogelijk. Andere opties zijn tijdelijke of structurele scheiding, aanpassing van huisvesting, en het voorkomen of beperken van voortplanting via anticonceptie. Deze opties hebben ieder consequenties voor dierenwelzijn en diergezondheid. Samenwerking binnen de sector is belangrijk om de kansen op succesvolle herplaatsing te vergroten. Daarom is er ook veel sprake van internationale samenwerking.
In hoeverre wordt binnen nationale en Europese fok- en instandhoudingsprogramma’s rekening gehouden met de beschikbare huisvestings- en plaatsingsmogelijkheden voor dieren, alsmede met de sociale groepsdynamiek van diersoorten?
Binnen de Europese fok- en instandhoudingsprogramma's van EAZA, zogenoemde EEP's (EAZA Ex situ Programmes), houden dierentuinen rekening met beschikbare plekken voor nakomelingen in de toekomst. Elk EEP heeft een coördinator. Er wordt ook rekening gehouden met genetische diversiteit, leeftijdsopbouw, geslachtsverhouding en sociale groepsdynamiek van diersoorten. Toch is niet alles te plannen of te voorspellen. Vooraf weet je vaak niet hoeveel nakomelingen geboren zullen worden en ook weet je niet of de nakomelingen mannetjes of vrouwtjes zullen zijn, terwijl groepen vaak specifieke verhoudingen tussen mannen en vrouwen vereisen. Ook kan de groepsdynamiek veranderen waardoor het noodzakelijk kan zijn om dieren van elkaar te scheiden. Het is niet zomaar mogelijk om afgesplitste dieren te herplaatsen in bestaande groepen. Dit kan de dynamiek namelijk verstoren. Daarom is het onmogelijk om vooraf met zekerheid plekken voor alle dieren te regelen.
Welke ontwikkelingen en innovaties ziet u die dierentuinen kunnen ondersteunen bij een zorgvuldig beheer van dierpopulaties, met oog voor zowel dierenwelzijn als soortenbehoud?
Het behouden van een gezonde populatie kan een dierentuin niet alleen. Daarom is intensieve (internationale) samenwerking en het opdoen van meer kennis en innoveren belangrijk. Dierentuinen geven zelf aan dat onder andere data uitwisseling, verdere ontwikkeling van stamboeken en registratiesystemen, en meer kennis over de gevolgen van anticonceptie hierin een rol spelen.
Hoe kunnen dierentuinen volgens u het maatschappelijk begrip en draagvlak voor hun werkzaamheden op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en dierenwelzijn verder versterken? Welke rol speelt transparantie over afwegingen rondom populatiebeheer daarbij?
Dierentuinen vervullen een belangrijke rol in onze maatschappij en kunnen rekenen op een groot draagvlak. Uit onderzoek van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) blijkt dat de meerderheid van de Nederlanders (70%) positief tegenover dierentuinen staat. Slechts een klein deel (7%) heeft een afwijzende houding. Mensen vinden het fokken met bedreigde diersoorten en het (financieel) ondersteunen van programma’s die diersoorten beschermen en voorkomen dat diersoorten uitsterven de belangrijkste taken van een dierentuin.2
Mogelijke maatschappelijke kritiek speelt een rol in de terughoudendheid vanuit de sector om informatie rondom populatiebeheer te delen. Ik begrijp die zorgen. Toch is het belangrijk voor de toekomstbestendigheid van dierentuinen, dat ze zorgvuldige, transparante en navolgbare keuzes maken. Transparantie over de onderzochte alternatieven en context van het bredere doel kunnen hieraan bijdragen.
Deelt u de opvatting dat dierentuinen een belangrijke rol vervullen op het gebied van soortenbehoud, educatie, onderzoek en het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij natuur en biodiversiteit?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat de huidige kaders voor populatiebeheer in dierentuinen grotendeels voldoende ruimte bieden om zowel dierenwelzijn als soortenbehoud zorgvuldig te borgen. Het is voor dieren in gevangenschap belangrijk dat ze de mogelijkheid hebben om soorteigen gedrag te vertonen. Het krijgen van jongen heeft niet alleen een positief effect op het welzijn en de gezondheid van het moederdier, maar heeft bij sociale diersoorten ook een positieve impact op de andere individuen in de groep. Het doden van surplus dieren kan in sommige gevallen noodzakelijk zijn voor populatiemanagement, om vergrijzing binnen een populatie tegen te gaan en genetische variatie te behouden. De huidige kaders maken dit mogelijk.
Tegelijkertijd zie ik ook dat de huidige situatie maatschappelijk veel vragen en emoties oproept. Op dit moment werk ik maatregelen uit om uitvoering te geven aan de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). De Kamer wordt hierover vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om samen met dierentuinen, fokprogramma’s en dierenwelzijnsorganisaties te bezien welke aandachtspunten deze casus naar voren brengt voor de verdere ontwikkeling van populatiebeheer en dierenwelzijn binnen dierentuinen?
In het kader van de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69) zijn er meerdere gesprekken gevoerd met de sector en een aantal stakeholders, zoals EAZA, de Europese dierentuinorganisatie die de instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen coördineert. Uit deze gesprekken zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die mee worden genomen in de uitvoering van de motie. Ook deze casus zal ik daarin meenemen.
Bent u bereid de Kamer na het zomerreces te informeren over de wijze waarop deze casus wordt betrokken bij de verdere ontwikkeling van beleid en praktijk rondom dierenwelzijn, populatiebeheer en het behoud van maatschappelijk draagvlak voor dierentuinen?
Ik zal de Kamer vóór het commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven informeren over de uitvoering van de motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 69). Deze casus zal ik daarin meenemen.
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Don Ceder (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Letschert , Berendsen , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Ja, het kabinet staat in contact met de aluminiumindustrie en is bekend met de signalen uit de sector over mogelijke indirecte import van Russisch aluminium.
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Ja, het klopt dat de EU met aanname van het zestiende sanctiepakket op 24 februari 2025 de import van ruw aluminium uit Rusland verboden heeft, terwijl de import van aluminiumproducten uit derde landen op basis van ruw aluminium met Russische oorsprong tot op heden niet verboden is. Met aanname van het twintigste sanctiepakket op 23 april jl. is het importverbod op ruw aluminium wel uitgebreid met diverse aluminiumproducten.
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Het verbeteren van de effectiviteit van de Ruslandsancties is voorwerp van voortdurende aandacht van het kabinet. Het kabinet neemt daarbij alle beschikbare signalen serieus en treedt op waar noodzakelijk.
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Het kabinet onderkent het risico dat Europese aluminiumproducenten hierdoor potentieel een concurrentienadeel kunnen ondervinden ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen afzetten. Dit zou kunnen leiden tot verstoringen van het gelijke speelveld. Het kabinet onderzoekt daarom voortdurend hoe de naleving van geldende sancties kan worden verbeterd en hoe, waar nodig, sancties verder kunnen worden aangescherpt om omzeiling te voorkomen. Het kabinet hecht daarbij grote waarde aan signalen als deze.
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Nee, het kabinet beschikt momenteel niet over gegevens op basis waarvan de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch aluminium is verwerkt, betrouwbaar kan worden vastgesteld. De oorsprong van het gebruikte aluminium wordt doorgaans niet geregistreerd in handels- of douanegegevens van derde landen. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen of en in welke mate Russisch aluminium via verwerking in derde landen alsnog op de Europese markt komt.
Gezien het grensoverschrijdende karakter van deze handelsstromen ligt een dergelijke analyse primair op Europees niveau. Het kabinet is bereid zich in EU-verband in te zetten voor een beter inzicht in deze stromen en zal bezien welke mogelijkheden er zijn om de impact hiervan nader in kaart te brengen.
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Het kabinet heeft op dit moment geen specifieke landen op het oog waar een verhoogd risico vanuit gaat voor wat betreft import van producten of halffabricaten waarin Russisch aluminium in verwerkt is.
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Op moment van schrijven bevinden de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket zich in een vergevorderd stadium. Het kabinet is bereid in aanloop naar een volgend sanctiepakket te onderzoeken of en hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector verder te ondermijnen.
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe het huidige sanctieregime aangescherpt kan worden om de naleving te verbeteren. Bij het instellen van rapportageplichten is hierbij van belang dat de hiermee gepaard gaande administratieve lasten voor het bedrijfsleven proportioneel zijn in verhouding tot de mate waarin deze bijdragen aan het behalen van de beleidsdoelen.
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Ja, het kabinet is bereid om in EU-verband te onderzoeken of registratie van de smelt- en gietoorsprong van aluminium kan bijdragen aan het tegengaan van sanctieontwijking via derde landen. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar internationale voorbeelden en bestaande systemen voor oorsprongsregistratie.
Het kabinet constateert dat ook de Europese aluminiumindustrie pleit voor meer transparantie over de smelt- en gietoorsprong van aluminium. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat eventuele maatregelen uitvoerbaar zijn, effectief bijdragen aan het bereiken van de beleidsdoelen en niet leiden tot onnodige administratieve lasten voor bedrijven.
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Afhankelijk van de wijze waarop een potentieel importverbod op aluminiumproducten op basis van Russisch aluminium zou worden vormgegeven kunnen verschillende nationaal bevoegde autoriteiten een rol spelen bij toezicht en handhaving. Als het verbod gemodelleerd zou worden naar de huidige importverboden op ijzer- en staalproducten lijkt er in ieder geval een rol voor de Douane weggelegd ten aanzien van de handhaving aan de EU-buitengrens. Tegelijkertijd moedigt het kabinet aan dat de Europese Commissie een actieve rol speelt in het verbeteren van de naleving op Europees niveau, onder andere door middel van data-analyse en informatiedeling.
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Tijdens onderhandelingen over nieuwe sanctiemaatregelen weegt het kabinet steeds zorgvuldig de proportionaliteit van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven ten opzichte van het beoogde doel om het Russische verdienvermogen te raken.
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Ja, het kabinet deelt de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa. Aluminium is een essentiële grondstof voor uiteenlopende sectoren, waaronder defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw en de versterking van elektriciteitsnetten. Een concurrerende en weerbare Europese aluminiumketen draagt daarmee bij aan de strategische autonomie en economische veiligheid van de EU.
Daarnaast is aluminium opgenomen op de Europese lijst van strategische grondstoffen onder de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA). Ook worden bij de productie van aluminium andere strategisch relevante materialen gewonnen, waaronder het kritieke grondstof gallium, dat van groot belang is voor halfgeleiders, defensietoepassingen en de energietransitie.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het kabinet is bereid te onderzoeken hoe de effectiviteit van de geldende sancties tegen Russisch aluminium verhoogd kan worden en of aanvullende maatregelen kunnen bijdragen aan het verder ondermijnen van het verdienvermogen van de Russische aluminiumsector. Voor eventuele aanvullende sanctiemaatregelen is een unaniem Raadsbesluit vereist. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in aanloop naar een volgend sanctiepakket te communiceren over de Nederlandse onderhandelingsinzet.
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische uitlatingen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd zijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan. Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving. De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren» zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme. Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om, als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet, alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale media en omgekeerd.
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden, Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers? Zo ja, waarom?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting op geven?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke partijen aangehaald.
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan. Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages. In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van dienstverlening en communicatie met burgers.
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven. Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.