| Ingediend | 12 februari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 8 mei 2026 (na 85 dagen) |
| Indiener | Henk Vermeer (BBB) |
| Beantwoord door | Sophie Hermans (VVD), Arno Rutte (VVD) |
| Onderwerpen | natuur en milieu organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z03080.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1848.html |
Ja, dat heb ik. Op 2 februari 2026 stuurde het vorige kabinet een Kamerbrief met een eerste appreciatie van deze uitspraak1 en op 10 april over de beslissing om hoger beroep in te stellen2.
Ja, en dit gebeurt ook. Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet (Gw). Artikel 91, eerste lid, Gw bepaalt dat het Koninkrijk niet aan verdragen gebonden mag worden zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De verplichting tot naleving van internationaal recht is vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland op internationaal niveau binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Bij de totstandkoming van nationale wet- en regelgeving wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Al bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden belanghebbende partijen betrokken, bijvoorbeeld door hen te verzoeken te adviseren. Hierbij worden ook uitvoeringsconsequenties betrokken. Als het wetsvoorstel vervolgens via internetconsultatie openbaar wordt gemaakt kunnen burgers, organisaties of professionals adviseren, hun mening of feedback geven. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie wordt een belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante belangen worden betrokken.
In het algemeen kan ik over de scenario's die zijn gebaseerd op het IPCC-rapport het volgende mededelen: alle scenario’s zijn gebaseerd op modelberekeningen. Ieder scenario is een mogelijkheid. De rechtbank heeft het in de uitspraak over de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer. Voor ieder mogelijk scenario geldt dat er een verschil in waarschijnlijkheid van het scenario zit.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Wetenschap dient serieus genomen te worden. De rechtbank beschrijft in de uitspraak de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. (zie ook het antwoord op vraag 3).
Het past mij als bewindspersoon niet om duiding te geven aan de overwegingen in een rechterlijke uitspraak. In het algemeen kan ik zeggen dat de rechtbank de «zeespiegelstijging tot 127 cm» niet als feit maar als mogelijk scenario noemt. Er is geen reden om dit scenario uit te sluiten als mogelijkheid, dit doen het IPCC en het KNMI ook niet. De rechtbank geeft slechts aan wat in verschillende scenario’s de verwachte zeespiegelstijging is. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer.
Het klopt dat artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs spreekt over «ruim onder 2°C» en «streven de stijging te beperken tot 1,5 °C». De rechtbank geeft in de uitspraak aan dat na de Overeenkomst van Parijs de klimaatdoelen uit de Overeenkomst van Parijs steeds zijn bevestigd en zelfs aangescherpt. Gelet op het toenemende aantal rampen door extreme weersomstandigheden en nadere wetenschappelijke inzichten besloten de VN-verdragstaten onder andere bij het Glasgow Climate Pact (COP26), het Sharm el Sheikh Implementation Plan (COP27) en de First Global Stocktake in Dubai (COP28) dat de opwarming van de aarde moet worden beperkt tot maximaal 1,5 °C. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In het IGH-advies kwalificeert het IGH de temperatuurgrens van 1,5°C als het overeengekomen primaire doel van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs ter beperking van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging.
Zie het antwoord op vraag 7.
Er is een aantal maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan. Bijvoorbeeld in de afgelopen vier jaar in het kader van fase 1 van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. Deze zijn afgestemd met het Openbaar Lichaam Bonaire, gefinancierd door het Rijk, en uitgevoerd door lokale organisaties onder aansturing van het Openbaar Lichaam. Het gaat hierbij om een koraalrestauratieproject, natuurherstel Slagbaai, verbetering van beheer van afvalwater door onder andere uitbreiding van de RWZI, bestrijding van Sargassum, maar ook de aanpak van loslopend vee zodat er minder sedimentafspoeling richting zee plaatsvindt. Voor fase 2 zal samen met de Openbare Lichamen vastgesteld worden welke maatregelen nodig zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Deze maatregelen vallen onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Er zijn maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 9). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak aangeeft dat landen een deelverantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen om klimaatverandering te voorkomen.
De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Deze veronderstelling in uw vraag deel ik niet. In een civielrechtelijke procedure als onderhavige stellen partijen eigen processtukken op. Zo heeft de Staat met een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek gereageerd op de vorderingen en stellingen van Greenpeace. Door middel van deze processtukken heeft de Staat verweer gevoerd tegen stellingen waar volgens de Staat een andere interpretatie van bestaat of stellingen die volgens de Staat onjuist of onvoldoende onderbouwd waren.
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak3 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode. De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt.
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd, zie het antwoord op vraag 13.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. In de rechtszaak over klimaatverandering op Bonaire heeft de Staat geen aanleiding gezien om de landsadvocaat te vragen een wrakingsverzoek in te dienen. Zie verder het antwoord op vragen 13 en 14.
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling. De Code zaakstoedeling4 heeft tot doel te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan de rechters worden toegedeeld. Een rechter kan aldus betrokken zijn bij meerdere uitspraken. Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze Code in dit geval onjuist is toegepast of dat voornoemde gedragscodes zijn geschonden (zie het antwoord op vragen 13 en 14).
Het kabinet heeft de Kamer geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Zoals hiervoor al is gemeld, is er geen aanleiding geweest voor de Staat om de rechter te wraken. De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen.
Een herziening (of zoals dat in het civiele recht heet, een herroeping) is overigens in Nederland alleen mogelijk als tegen de uitspraak geen rechtsmiddel meer openstaat (en in zeer uitzonderlijke gevallen). Daarvan is in dit geval geen sprake.
Ja.
De vragen van het lid Vermeer (BBB) over de onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het «beschermen» van Bonaire (kenmerk: 2026Z03080; ingezonden 12 februari 2026) kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord omdat de interdepartementale afstemming langer duurt. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.