| Ingediend | 12 februari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 13 mei 2026 (na 90 dagen) |
| Indiener | Henk Vermeer (BBB) |
| Beantwoord door | Heijnen |
| Onderwerpen | financiën organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z03083.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1912.html |
Zoals in het rapport staat beschreven kunnen de gemiste jaarlijkse belastingopbrengsten als geen besluitvorming plaatsvindt – en de huidige situatie dus in stand blijft – vanaf 2031 oplopen tot boven de 100 miljoen euro per jaar door het (on)bewust overschrijden van de 30-jaarstermijn door burgers. Dit is een inschatting die met grote onzekerheden omgeven is.
Het genoemde rapport biedt meer inzicht in de budgettaire risico’s bij het aflopen van de 30-jaarstermijn. Hoewel het wel doorwerking heeft op het EMU-saldo vanaf 2031, zijn dergelijke effecten niet relevant voor het inkomstenkader.
Zie het antwoord op vraag 2.
Zie het antwoord op vraag 4.
De 30-jaarstermijn is per 1 januari 2001 ingevoerd. Het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat recht bestaat op een aftrek. Een vorig kabinet heeft in 2019 naar aanleiding van aanbevelingen van Panteia over het alsnog gaan opzetten van een dergelijk administratiesysteem aangegeven dit niet te gaan doen om de volgende redenen. Deze overwegingen zijn nog steeds relevant3:
Ook is eerder door mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van de kabinetsreactie op de evaluaties ingegaan op de uitvoeringsproblemen van de Belastingdienst.4
De Belastingdienst probeert belastingplichtigen overigens zo goed mogelijk in staat te stellen met zo min mogelijk inspanningen automatisch aan fiscale verplichtingen te kunnen voldoen. Een belangrijk instrument hierbij is bijvoorbeeld de vooraf ingevulde aangifte. Doordat er geen gegevens beschikbaar zijn, kunnen belastingplichtigen echter niet geholpen worden bij het onderbouwen van een recht op aftrek.
Verder was de invoering van de 30-jaarstermijn slechts een onderdeel van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is destijds niet voor gekozen een dergelijk administratiesysteem op te zetten. Naast de bovengenoemde redenen om niet over te gaan op een administratiesysteem hadden destijds de invoering van het boxenstelsel (en de vermogensrendementsheffing), het vervangen van belastingvrije sommen door heffingskortingen en de introductie van uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner prioriteit. Ook toen waren er al uitdagingen op het gebied van ICT capaciteit. Het effect van de 30-jaarstermijn zou zich ook pas voor het eerst voordoen in 2031, terwijl deze onderdelen per 2001 in werking moesten treden.
Nee, dat klopt niet. Zie ook het antwoord op vraag 8.
De Belastingdienst bewaart de aangiften, aanslagen en andere stukken rondom de inkomensheffing in het algemeen 14 jaar na het belastingjaar conform de Archiefwet en de selectielijst. De eigenwoningregeling maakt daar onderdeel van uit.5 Overheidsorganisaties zijn wettelijk verplicht (artikel 5 van de Archiefwet 1995 en artikel 5 van het Archiefbesluit 1995) om te beschikken over een selectielijst. De selectielijst beschrijft welke archiefbescheiden voor vernietiging of voor blijvende bewaring in aanmerking komen. De gegevens van de afgelopen 14 jaar zijn echter niet voldoende voor de beoordeling van de 30-jaarstermijn voor alle belastingplichtigen.
Administratieplichtigen zijn op basis van artikel 52 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) verplicht de zakelijke administratie over een belastingjaar zeven jaar te bewaren. Ondernemers voor de inkomstenbelasting zijn administratieplichtig. Voor particulieren geldt een dergelijke verplichting niet.
De Belastingdienst kan tot vijf jaar terug de te weinig betaalde belasting navorderen. Daarom is het verstandig om de administratie in ieder geval vijf jaar te bewaren. Zeker als het gaat om inkomensverlagende posten die de belastingplichtige aannemelijk moet maken.
Het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat recht bestaat op een aftrek. In het rapport staat beschreven dat het valt te betwijfelen of belastingplichtigen zich daar voldoende van bewust zijn en of zij het overzicht zelf wel hebben. De afgelopen jaren hebben er bovendien meer wijzigingen plaatsgevonden aan de eigenwoningregeling die de benodigde administratie lastiger hebben gemaakt. Het niet juist kunnen indienen van de aangifte inkomstenbelasting vanwege het ontbreken van de benodigde informatie is niet goed voor de belastingmoraal en kan het gevoel van rechtszekerheid schaden. Tegelijkertijd hebben alle uitgewerkte oplossingen ook voor- en nadelen.
In het rapport zijn meerdere oplossingsrichtingen opgenomen. Tegelijkertijd heeft iedere oplossingsrichting voor- en nadelen. Het kabinet zal naar aanleiding van het rapport een kabinetsreactie opstellen.
Het genoemde rapport schetst mogelijke oplossingsrichtingen en de daarmee gepaard gaande budgettaire gevolgen. Bijlage 3 bij het rapport geeft een indicatie van de budgettaire gevolgen als de 30-jaarstermijn wordt verlengd tot 2040. De jaarlijkse budgettaire derving die dan ontstaat bedraagt circa 860 miljoen euro in 2031 en loopt op tot circa 1,8 miljard euro in 2040.
Zie antwoord op vraag 12.
Zoals eerder genoemd zal het kabinet in een kabinetsreactie op het rapport ingaan hoe het om zal gaan met de 30-jaarsproblematiek.
Ja.
De schriftelijke vragen van de leden Van Dijk (2026Z02719, ingezonden 9 februari 2026) en Vermeer (2026Z03083, ingezonden 12 februari 2026) aan de Staatssecretaris van Financiën over het aflopen van de 30-jaarstermijn bij de hypotheekrenteaftrek kunnen met het oog op een volledige beantwoording niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. Om deze vragen volledig te beantwoorden is het noodzakelijk om het rapport over het aflopen van de 30-jaarstermijn bij de hypotheekrenteaftrek af te ronden. De vragen zullen daarom tegelijkertijd met het verzenden van dit rapport naar uw Kamer beantwoord worden. Ik streef ernaar deze vragen en dit rapport, zoals eerder toegezegd, dit kwartaal naar uw Kamer te sturen.