De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
Tweerichtingsladen als oplossing van netcongestie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project van Kia en Hyundai samen met Vattenfall om het voor particuliere klanten met een elektrische auto mogelijk te maken elektriciteit aan het net terug te leveren tijdens piekmomenten en daarmee geld te verdienen (tweerichtinngsladen)?1
Bent u ermee bekend of andere automerken en/of elektriciteitsleveranciers een dergelijk aanbod ontwikkelen in Nederland?
Is het elektriciteitsnet overal in Nederland klaar om tweerichtingsladen toe te staan? Zo nee, wat moet er gebeuren opdat het net wel tweerichtingsladen toestaat?
Zult u ervoor zorgen dat de mogelijkheid tot tweerichtingsladen standaard is voorzien in alle nieuwe wijken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Welke andere maatregelen overweegt u om tweerichtingsladen aan te moedigen als deel van de oplossing voor netcongestie? Kan dit voorwaardelijk worden gemaakt bij de aanleg van nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen?
Hoe beoordeelt u de contractvorm waarbij de koper van een bepaald automerk vasthangt aan één specifieke elektriciteitsleverancier?
Is er bij dergelijke contractvormen een risico van marktconcentratie waarbij de leverancier vervolgens de prijzen voor de klant kan verhogen aangezien klanten omwille van automerk niet meer van leverancier kunnen veranderen willen ze nog toegang hebben tot tweerichtingsladen?
Hoe kunt u borgen dat klanten ondanks hun autokeuze toch nog een vrije keuze hebben van elektriciteitsleverancier met behoud van de mogelijkheid tot tweerichtingsladen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Kernenergie |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar) en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales, bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede staatsschuld gefinancierd worden?
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de Rijksoverheid geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van de kerncentrales?
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden geoogst?
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for Difference»)?
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer1, 2 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales vandaan komen?
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen, Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales?
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten van de enquête?
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet anders kon?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Kernenergie?
De klimaatzaak Bonaire |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire? Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden, dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet vast te leggen?
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale lucht- en scheepvaart terug te dringen?
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord? En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord» van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie? Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan? Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge van klimaatrampen?
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te borgen?
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau» voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen dat plannen slechts bij ambities blijven?
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds? In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte, gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten? Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte van Sint-Maarten?
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño? Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen worden er gezet?
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen uit te voeren?
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import?
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg van de opwarming van de aarde?
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat is de investeringsopgave hiervan?
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt, met name in toerisme en visserij?
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)? Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen? Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u hierover?
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire (zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd moet zijn?
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen worden?
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis? Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Het versoepelen van regels voor zonnepanelen en laadpalen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het Britse Ministerie van Energie op 21 april 2026 met een plan is gekomen om naar aanleiding van de Iranoorlog het opwekken van hernieuwbare energie te stimuleren door het vereenvoudigen van de regels rond het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, inclusief laadpalen voor mensen zonder oprit?1
Kunt u een overzicht bieden van de regels die in Nederland van kracht zijn bij het installeren van respectievelijk zonnepanelen, warmtepompen, laadpalen op opritten en laadpalen van mensen zonder een oprit?
Wat is de rationale achter elk van die regels?
Welke van die regels overweegt u te schrappen of te wijzigen om de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen makkelijker te maken voor burgers?
Bent u reeds de uitvoerbaarheid van de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 15 (het uitbreiden van laadinfrastructuur) aan het verkennen?2 Zo ja, tegen wanneer verwacht u de Kamer daarover te kunnen informeren?
Bent u bereid budget vrij te maken voor de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 16 (verlaging en harmonisatie tarief publiek laden elektrische auto’s)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u er zich van bewust dat, gezien externe laadpasaanbieders (e-Mobility Service Providers) vaak hun eigen roamingtarieven en marges hanteren, het kan voorkomen dat gebruikers via deze laadpassen een hoger tarief betalen om te laden, ook al is de laadpaal in kwestie op een lager tarief ingesteld? Wat kunt u doen om de transparantie naar gebruikers hierin te verbeteren?
Bent u bereid om de uitrol van bi-directioneel laden te versnellen? Zo ja, hoe?
Bent u bereid om consumenten meer zeggenschap of in elk geval inzicht te geven over snel of langzaam laden?
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
De stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse uitstoot van broeikasggassen vorig jaar is toegenomen?1
Houdt u vast aan het doel om in 2030 de uitstoot met 55 procent te doen afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1990?
Zult u doen wat nodig is om dat doel effectief te bereiken?
Welk gevolg geeft u aan de vaststelling van gestegen uitstoot in de vorm van eventuele bijsturingen van uw beleid om de uitstoot weer te doen dalen en dat voldoende snel om de klimaatdoelen te halen?
Bent u bekend met het feit dat de stijging van de zeespiegel gemiddeld 30 centimeter hoger staat dan voorheen gedacht?2
Deelt u de mening dat het voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt, de betrouwbaarheid van modellen die gebruikt worden om ons land en inwoners te beschermen tegen een steeds sneller stijgende zeespiegel, essentieel is?
Wat betekent dit nieuwe wetenschappelijke inzicht voor de situatie in Nederland? Welke impact heeft deze nieuwe informatie op eerder genomen besluiten over het beschermen van ons land, waarbij mogelijks gebruik gemaakt is van achterhaalde en onjuiste modellen?
Klopt de berichtgeving dat ook Nederlandse onderzoeken naar zeespiegelstijging langs de kust van verkeerde aannames zijn uitgegaan? Kunt u de Kamer informeren over welke Nederlandse onderzoeken dat gaat?
Kunt u aangeven hoe u met deze nieuwe informatie omgaat bij besluiten die raken aan de kern van het behoud van de eilanden en het werelderfgoed Waddenzee, zoals bijvoorbeeld dijknormering en delfstofwinning?
Gezien in beleid en vergunningverlening voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee (met het «Hand aan de Kraan»-principe) zeespiegelstijging een belangrijke parameter is, bent u bereid om verleende vergunningen met deze nieuwe inzichten te herijken en aan te passen?
Herinnert u zich dat in 2021 het beleid voor mijnbouw in de Waddenzee (het de «Hand aan de Kraan»-principe) is geëvalueerd en dat het kabinet de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat ieder jaar geëvalueerd zou worden of er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die moeten leiden tot een bijstelling van het gebruikte zeespiegelstijgingsscenario?3 Is dat gebeurd? Kunt u de evaluaties van 2022, 2023, 2024 en indien al beschikbaar 2025 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u naar aanleiding van recente inzichten over zeespiegelstijging nieuwe berekeningen laten maken van de te verwachten zeespiegelstijging langs de Nederlandse (wadden)kust? Kunt u daarbij de wetenschappers achter bovenvermelde studie en het KNMI betrekken?
Bent u bereid om gezien de veiligheid voor eiland- en kustgemeenten en de liefde van veel Nederlanders voor het Wad geen onomkeerbare stappen te nemen bij vergunningverlening voor delfstofwinning tot het moment waarop u het onderzoek bedoeld in de vorige vraag met de Kamer heeft besproken?
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Spanje is minder afhankelijk van gas voor de elektriciteitsvoorziening, waarbij gascentrales maar een klein deel van de tijd de elektriciteitsprijs bepalen. Dit leidt onder andere tot goedkopere energierekeningen dan in andere Europese landen die minder hernieuwbare energie tot hun beschikking hebben. In Nederland bepalen gascentrales steeds minder vaak, maar nog wel het grootste deel van de tijd de elektriciteitsprijs. Hoe meer wind, zon en kernenergie er is in Nederland, hoe minder in de toekomst schokken in de internationale gasmarkt leiden tot hogere elektriciteitsprijzen in Nederland.
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Deze berichtgeving laat onder meer zien dat afhankelijkheid van de import van fossiele energie, in tijden van crises, direct raakt aan de betaalbaarheid van energie en gevolgen heeft voor de economie. Dit geldt ook voor Nederland. Afhankelijk blijven van fossiele energie heeft niet alleen gevolgen voor het klimaat, maar ook voor onze economie door onzekerheid over energieprijzen en prijsschokken. De les die Nederland hieruit kan trekken is dat energie van eigen bodem deze risico’s en effecten op de economie aanzienlijk verkleint.
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Op dit moment vindt binnen het kabinet een inventarisatie plaats van maatregelen om de gevolgen van de huidige situatie in het Midden-Oosten tegen te gaan. Daar worden de voorstellen van de NVDE (zie ook de antwoorden op vragen 9 t/m 12) in meegenomen.
Hernieuwbare energie van eigen bodem en energiebesparing zijn essentieel voor een weerbaar energiesysteem met minder strategische afhankelijkheden. Het kabinet zet daarom, zoals ook in voorgaand antwoord beschreven, in op het opschalen van schone energie. Daarnaast is het belangrijk dat we het voor onze industrie, die internationaal moet concurreren, aantrekkelijk maken om ook de overstap te maken naar elektrificatie. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een versnelling ingezet door gericht middelen uit te trekken voor zowel wind op zee als ondersteuning voor de elektrificatie van de industrie.
Specifiek voor hernieuwbare energie op land heeft het kabinet daarnaast onderzoek laten doen naar doorgroei, waarde en potentie van hernieuwbare energie op land na 2030. Dit onderzoek wordt binnenkort met de Kamer gedeeld. In de actualisatie van het NPE zal ik nader ingaan op de ambitie voor de verdere groei van hernieuwbaar op land. Hierover ga ik uiteraard ook met medeoverheden in gesprek om te bezien hoe we deze doorgroei mogelijk kunnen maken.
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
In navolging van de motie van het lid Van Oosterhout c.s., die aanspoort tot versnelde uitrol van wind op zee, voert het kabinet deze uit door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW. Hierover heb ik de Kamer inmiddels geïnformeerd. De motie draagt hiermee bij aan de opschaling van hernieuwbare energie, waarbij het coalitieakkoord inzet op 40GW windenergie op zee.
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Hernieuwbare energie van eigen bodem realiseren heeft hoge prioriteit voor het kabinet. Het coalitieakkoord stelt een aantal ambitieuze doelstellingen om versneld te vergroenen en weerbaarder te worden. Dit is een flinke opgave en vraagt volledige inspanning van het kabinet om tijdig te realiseren, want er zijn ook maakbaarheidsuitdagingen zoals netcongestie, die om maximale creativiteit en samenwerking vragen.
Specifiek kiest het kabinet ervoor om wind op zee te stimuleren via contracts for difference en is budget gereserveerd om de SDE++ regeling de komende 6 jaar open te stellen, waardoor initiatiefnemers worden ondersteund om te verduurzamen. Dit betreft zowel de productie van hernieuwbare energie alsook elektrificatie en CO2-reductie. Hiermee draagt het kabinet bij aan de vraagontwikkeling van elektriciteit. Daarnaast voert het kabinet, zoals ook benoemd in het antwoord op vraag 6, de motie om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen uit. Dit doet het kabinet door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW.3
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Ja, ik ben op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE).
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Ik verwelkom alle ideeën van partijen uit de praktijk die bijdragen aan energiebesparing en het versnellen van de transitie naar meer energie van eigen bodem. In dat kader is er regelmatig contact tussen de NVDE en mijn ministerie.
Het spoedplan bevat interessante aanknopingspunten. Op andere punten roept het plan vragen op. Beide zal ik binnenkort met de NVDE bespreken en betrek ik bij de actualisering van het NPE.
Om te beginnen roept het spoedplan op om onverminderd in te zetten op het oplossen van netcongestie en het verkorten van doorlooptijden van projecten. Beide zijn prioriteit voor dit kabinet. Daarnaast noemt het plan een aantal maatregelen voor de verduurzaming van woningen. Ook daar wil het kabinet verder op doorpakken, door het verplicht uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en het normeren van slimme (hybride) warmtepompen waar dit de beste oplossing is. Met een Nationaal Isolatie Offensief wil het kabinet de ingezette lokale isolatieaanpakken versnellen en versterken. Ook heeft het kabinet dit voorjaar extra middelen (77 miljoen) uitgetrokken voor warmtenetten.
De lopende publiekscampagne «zet ook de knop om» wordt voortgezet. Daarnaast loopt momenteel het Interdepartementaal Beleidsonderzoek energietransitie van de woningvoorraad. Dit zal rond de zomer een rapport opleveren, met daarin wat nodig is om de woningvoorraad tijdig aardgasvrij te maken.
Verder gaat het spoedplan van de NVDE in op het voortvarend uitrollen van hernieuwbare energie en het versnellen van elektrificatie van fossiele energievraag. Hier zet het kabinet vol op in.
Ook onderschrijft het kabinet het belang van opschaling van groen gas, onder andere via het programma groen gas.
In lijn met het coalitieakkoord gaat het kabinet door met de bestaande maatwerkafspraken en richten nieuwe maatwerkafspraken zich op clusters of gebieden. Hiermee kan verdere reductie in gasverbruik behaald worden.
Tot slot maken thermische isolatie en het beter inregelen van installaties onderdeel uit van de energiebesparingsplicht.
Sommige maatregelen zijn echter niet voldoende gespecificeerd om concreet aan te geven of ze wenselijk zijn en welke blokkades er potentieel nog zijn. Of ze zijn lastig uitvoerbaar, zoals de energiebesparingsplicht als voorwaarde voor de subsidies. Zoals aangegeven zal ik in gesprek gaan met de NVDE om hierover nader van gedachten te wisselen.
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De vragen zijn beantwoord voor het commissiedebat Hernieuwbare energie, dat is verplaatst naar 15 april 2026.
De juridische implicaties van het on hold zetten van gaswinning |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zou een tijdelijk staken van reeds vergunde gaswinning om bepaalde onderzoeken naar de gevolgen ervan af te wachten, neerkomen op contractbreuk met de gaswinningsbedrijven?
In de Mijnbouwwet zijn limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan (zie art 21 en art 36 Mijnbouwwet). Buiten deze gronden is geen intrekking of wijziging mogelijk omdat een dergelijk besluit in strijd met de Mijnbouwwet en dus onrechtmatig is.
Tevens betekent het tijdelijk staken van een reeds vergunde gaswinning een inbreuk op het eigendomsrecht van een gaswinningsbedrijf. Dit kan alleen als is voldaan aan de eisen die artikel 1, Eerste Protocol, van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM) stelt voor de bescherming van eigendom.
Heeft u binnen de huidige wetgeving juridische mogelijkheden om een algemene tijdelijke of permanente stop op nieuwe gasboringen in te voeren in een specifiek gebied, inclusief wanneer er exploratievergunningen zijn toegekend? Is er daarbij een verschil tussen projecten die nog in een proefboorfase zitten en projecten die al volop gas aan het winnen zijn? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u?
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat geen mogelijkheid om een algemene tijdelijke of permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, gelden voor bestaande vergunningen en instemmingen limitatieve intrekkings- en weigeringsgronden en moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Dit geldt zowel voor projecten die nog in de proefboorfase zitten als voor projecten die al volop gas aan het winnen zijn.
Ook bij een wijziging van de Mijnbouwwet moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om reeds verleende vergunningen voor gasboringen weer in te trekken?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Heeft u juridische mogelijkheden om reeds lopende gaswinningsprojecten tijdelijk of permanent stil te leggen in een specifiek gebied? Zo ja, welke?
Zie het antwoord bij vraag 2.
In welke van deze gevallen zullen betrokken bedrijven financieel gecompenseerd moeten worden en in welke gevallen is dat niet nodig?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven kan het tijdelijk of permanent stilleggen van reeds lopende gaswinningsprojecten alleen als sprake is van één van de limitatieve gronden uit de Mijnbouwwet en daarnaast wordt voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Hierbij zijn de volgende voorwaarden van belang. De inmenging moet rechtmatig zijn, dat wil zeggen bij wet voorzien (legaliteitsbeginsel) en de inmenging moet een legitieme doelstelling hebben die dient ter bevordering van het algemeen belang (legitimiteitsbeginsel). Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan moet sprake zijn van een «fair balance» oftewel een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang waarvoor de inmenging nodig zou zijn, en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, in casu de getroffen vergunninghouders (evenredigheidsbeginsel). Om aan die laatste eis te voldoen, zou een financiële compensatie een mogelijkheid kunnen zijn.
Zijn er omstandigheden waarin u meer ruimte heeft om vergunningen in te trekken of vergunde projecten stil te leggen, bijvoorbeeld in het geval van nieuwe inzichten over risico’s die bij op het moment van vergunningverlening niet bekend waren of als minder riskant werden ingeschat?
Zoals bij antwoord 1 aangeven zijn in de Mijnbouwwet limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan. Tevens moet worden voldaan aan de eisen met betrekking tot de bescherming van eigendom volgens artikel 1 EP EVRM, zoals in het antwoord op vraag 5 toegelicht.
Gaswinning op land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opinieartikel in het AD waarin de verschillende partijen in Friesland van links tot rechts aangeven geen gaswinning in Friesland te willen?1 Wat is uw appreciatie van deze gezamenlijke oproep van de Friese partijen?
Ja. In het betreffende opinieartikel roepen partijen op om te stoppen met gaswinning in veenweidegebied in Friesland.
Het kabinet heeft oog voor de effecten en zorgen van Friese partijen over gaswinning in veenweidegebied en doet daarom in samenwerking met Friese medeoverheden onderzoek naar de effecten van mijnbouw. Eerste onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nu te stoppen met gaswinning in veenweidegebieden2. Recent is in samenwerking met Friese medeoverheden een meerjarig vervolgonderzoek gestart dat wordt uitgevoerd door TNO en Deltares. Dat onderzoek richt zich op de directe en indirecte negatieve effecten van diepe en ondiepe bodemdaling in veenweidegebieden in de provincie Friesland en daarna voor veenweidegebieden in heel Nederland. Uitkomsten van deze en mogelijk ook toekomstige vervolgonderzoeken zullen te zijner tijd worden meegenomen in de besluitvorming.
Zo lang er nog onvoldoende andere energiebronnen zijn en Nederland nog afhankelijk is van aardgas voor het verwarmen van woningen, voor de industrie en om te koken of te douchen, geniet winning uit kleine velden in eigen land de voorkeur, uiteraard alleen daar waar het veilig en verantwoord gewonnen kan worden. Het kabinet blijft in gesprek met Friese partijen over het gebruik van de diepe ondergrond en het realiseren van de energietransitie.
Welke lopende en potentiële projecten voor gaswinning op land zijn er momenteel gekend? Kunt u per project aangeven wat de status van het project is (verkennend onderzoek, vergunning aangevraagd, vergunning verleend, gaswinning in voorbereiding, gaswinning reeds gaande enz.), wat de precieze locatie, wat de gemeente en provincie van de locatie is? Kunt u per project, indien van toepassing, aangeven wat de verwachte startdatum van effectieve gaswinning is, wat is de verwachte einddatum, hoeveel boorputten er zijn of er worden verwacht, hoeveel kuub gas er reeds is gewonnen, hoeveel kuub gas er naar verwachting nog gewonnen zal worden? Kunt u per project aangeven wat de verwachte uitstoot van CO2, methaan en stikstof bij de winning en het gebruik van het aldus gewonnen gas (opgesplitst in scope 1, scope 2 en scope 3) is? Kunt u deze elementen per gaswinningsproject weergeven in een overzichtelijke tabel? Kunt u met de Kamer een kaart van Nederland delen met daarop de locatie van de verschillende gaswinningsplannen aangegeven?
TNO is gevraagd om in kaart te brengen welke lopende projecten er op dit moment zijn. Dit overzicht is als bijlage bijgevoegd. In het overzicht (in de vorm van een tabel) is informatie opgenomen over de vergunde duur van de gaswinning, uit hoeveel putten wordt gewonnen, hoeveel gas er reeds is gewonnen en hoeveel gas maximaal onder de verleende vergunning gewonnen mag worden. Tevens zijn kaarten toegevoegd waarop de ligging van de lopende gaswinningen op land is weergegeven, inclusief welke gemeente het betreft. Gegevens over de gerealiseerde uitstoot worden door bedrijven per winningslocatie bijgehouden en niet per gasveld (een gasveld kan meerdere winningslocaties hebben). Uiteraard moet bij de uitvoering van de gaswinning worden voldaan aan de gestelde wettelijke eisen.
In het geval een mijnbouwbedrijf een winningsvergunning heeft voor een bepaald gebied, kunnen daarvoor winningsplannen worden ingediend. Voordat een besluit wordt genomen over een nieuw winningsplan wordt eerst advies gevraagd aan TNO, SodM, de medeoverheden en de mijnraad. Daarnaast kunnen huidige winningsplannen worden geactualiseerd of kan een operator nieuwe putten aanvragen via een omgevingsvergunning. Ook daarvoor geldt dat adviseurs worden geraadpleegd. In dit overzicht zijn alleen de putten opgenomen die op dit moment ook daadwerkelijk zijn aangelegd. Het overzicht van TNO is dan ook een momentopname. In bijlage II van het op 16 januari jl. vastgestelde Sectorakkoord Land is een overzicht opgenomen van het door EBN verwachte potentiële volume per regio. De EBN-analyse wordt jaarlijks geactualiseerd en gepubliceerd zodat er beter inzicht komt in de planvorming en de lopende projecten rond de verantwoorde afbouw van gaswinning op land.
Meer informatie over gaswinning in Nederland is te vinden op www.nlog.nl.
Welke van deze projecten vallen binnen of grenzen aan een Veenweidegebied?
Met name in Friesland ligt een deel van de bestaande gaswinningen in veenweidegebied. Uit onderzoek van Deltares blijkt dat de gasvelden in midden en zuid-Friesland (deels) in veenweidegebied liggen.3 Ook buiten Friesland zijn veenweidegebieden. Het is niet uit te sluiten dat gasvelden deels overlappen met deze gebieden.
Wat zouden de juridische en financiële implicaties van een tijdelijke of permanente stop op gaswinning zijn in specifieke, kwetsbare gebieden?
In de Mijnbouwwet zijn limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het intrekken van instemming met een winningsplan. Buiten deze gronden is nu geen intrekking of wijziging mogelijk omdat een dergelijk besluit in strijd met de Mijnbouwwet en dus onrechtmatig is. Daarnaast betekent dit een inbreuk op het eigendomsrecht van gaswinningsbedrijven.
Ten aanzien van de financiële implicaties kan gedacht worden aan schadevergoeding aan gaswinningsbedrijven voor verlies van hun verwachte inkomsten en reeds gedane investeringen die niet kunnen worden terugverdiend. Een andere financiële implicatie van een stop is de afname van rijksinkomsten uit gasbaten. Ook de regio zal bij een tijdelijke of een permanente stop minder batendeling ontvangen waarover in het kader van de aanvullende afspraken, in het sectorakkoord gaswinning in de energietransitie, voor gaswinning op land afspraken zijn gemaakt.
Ter volledigheid wil het kabinet benadrukken dat gaswinning alleen mogelijk is als dit veilig en verantwoord kan. De huidige regelgeving biedt hiervoor het kader. Dat geldt ook voor kwetsbare gebieden, zoals veenweidegebieden. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar het hier en nu maar zijn ook waarborgen opgenomen voor de nabije toekomst (30 jaar na beëindiging van winning) waarop periodiek wordt gemonitord.
Hoe zouden die juridische en financiële implicaties verschillen afhankelijk van de status van het project, namelijk wanneer de winningsvergunning nog niet aangevraagd is, wanneer de winningsvergunning nog niet verleend is, wanneer de vergunning reeds verleend is, maar de winning nog niet gestart, en wanneer de winning reeds gestart is?
De status van een project speelt mee in het bepalen van de omvang van de juridische en financiële implicaties maar laat onverlet dat de overheid zou ingrijpen in bestaande rechten van gaswinningsbedrijven en dat daar omvangrijke bedragen mee kunnen zijn gemoeid.
Hoe juridische bindend is het Sectorakkoord Gaswinning op Land, dat door een dubbeldemissionair kabinet is afgesloten, voor de Rijksoverheid?
Het coalitieakkoord 2026–2030 van het huidige kabinet zet in op het voortzetten van alle bestaande sectorakkoorden en het op een verantwoorde manier vormgeven van de afbouw van gaswinning op land met de sector4.
Onder een verantwoorde afbouw wordt verstaan een afbouw van de winning die gelijke tred houdt met de daling van het binnenlandse gasverbruik. De daling van het binnenlands gasverbruik wordt gestimuleerd door de energietransitie. De gaswinning daalt op dit moment harder dan het binnenlandse gasverbruik waardoor de leveringszekerheid en de importafhankelijkheid van Nederland worden geraakt. Zolang aardgas nodig is heeft winning in eigen land, daar waar het veilig en verantwoord gewonnen kan worden, de voorkeur boven import. Daarbij komt dat de uitstoot van broeikasgassen bij import vrijwel altijd hoger is dan binnenlandse winning.
De aanvullende afspraken voor gaswinning op land maken deel uit van het op 23 april jl. vastgestelde Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie en zijn – net als de gemaakte afspraken in dit generieke sectorakkoord – niet in rechte afdwingbaar omdat het sectorakkoord geen overeenkomst is in de zin van het burgerlijk recht.
De gemaakte afspraken zijn extra’s bovenop de bestaande regelgeving. Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet meer transparantie, betrokkenheid en perspectief te bieden aan alle betrokkenen (zowel omgeving als sector) rond gaswinning uit kleine velden op land zodat deze verantwoord kan worden afgebouwd tijdens de transitieperiode.
Welk percentage van de circa 50 miljard kuub gas dat technisch en economisch winbaar is2, zal in de bodem blijven naar aanleiding van het in het Sectorakkoord afgesproken Afbouwpad? Welk percentage van die 50 miljard kuub zal wel gewonnen worden?
Circa 60 procent van het aanwezige volume gas in de diepe ondergrond (in totaal circa 127 miljard kuub) zal naar verwachting niet worden ontwikkeld. Welk percentage van het technisch en economisch winbaar gas (circa 50 miljard kuub) daadwerkelijk zal worden gewonnen in de transitieperiode is op voorhand niet te zeggen. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land6) volgt dat circa 12 miljard kuub uit huidige producerende velden komt en circa 38 miljard kuub mogelijk ontwikkelbaar is. Dit laatste deel is mede afhankelijk van diverse factoren zoals gasprijs, volume, beschikbare infrastructuur en investeringsklimaat.
Wat zijn de te verwachten kosten voor de noodzakelijke aanpassingen van het watersysteem en de structurele jaarlijkse kosten voor de waterschappen voor het uitvoeren van hun (wettelijke) taken in de verschillende veenweidegebieden waar mogelijks gas gewonnen zal worden? Hoe verschillen die kosten naarmate bepaalde gaswinningsprojecten wel of niet doorgaan?
Deze vraag kan alleen door betrokken waterschappen worden beantwoord en is casus specifiek. Daarbij is het van belang om te realiseren dat bodemdaling in veenweidegebieden uiteenlopende oorzaken kan hebben waarbij gaswinning een bescheiden bijdrage kent; het is daarom belangrijk om alle oorzaken in ogenschouw te nemen.
Gaswinning in veenweidegebieden is een actueel onderwerp van gesprek tussen betrokken partijen in de Commissie Bodemdaling Aardgaswinning Fryslan (CBAF). Ook wordt daar in gezamenlijkheid onderzoek naar gedaan. Zo is naast in het antwoord op vraag 1 vermelde onderzoek ook door het Wetterskip samen met de CBAF recent een onderzoek gestart om in beeld te brengen hoe de compensatie van de negatieve gevolgen van bodemdaling door onder meer aardgaswinning in veenweidegebied «De Hegewarren» kan worden opgepakt. Het gaat daarbij om een verkenning naar alternatieven voor schadebepaling en -herstel. De uitkomsten hiervan zullen te zijner tijd meegenomen worden in de verdere besluitvorming.
Wat zijn de sociale gevolgen van de gaswinning voor de bewoners en bedrijven in en grenzend aan de veenweidegebieden? Worden deze gevolgen ook meegenomen in de verschillende onderzoeken die plaatsvinden naar de gevolgen van gaswinning? Zo nee, bent u bereid deze gevolgen alsnog in beeld te brengen?
De sociale gevolgen van gaswinning zijn tot nu toe met name onderzocht voor de gaswinning in Groningen (kennisplatform leefbaar en kansrijk Groningen). Sinds 2025 is ook een Sociale Effectenpanel Mijnbouw (SEM) geïnstalleerd als onderdeel van het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) om onderzoek te doen naar de maatschappelijke gevolgen van activiteiten in de diepe ondergrond7.
Het SEM panel richt zich specifiek op de effecten op het welbevinden van personen en sociale structuren in de samenleving. De eerste onderzoeken starten dit jaar en betreffen onderzoeken naar alle activiteiten in de diepe ondergrond. Als hieruit blijkt dat veenweide vraagt om aparte onderzoeken naar sociale gevolgen van activiteiten in de diepe ondergrond dan kan dat later worden opgepakt.
De vijf nieuwe putten in gasveld Geesbrug |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Aangezien u een positief besluit heeft afgegeven aan Vermilion om vijf nieuwe putten te boren in het gasveld Geesbrug in Drenthe, op welke manier zijn de direct omwonenden betrokken bij de besluitvorming daarrond?
Voor het boren van putten is een omgevingsvergunning nodig. Deze is op 29 oktober 2025 voor vier putten verleend. Op dit moment zijn de putten nog niet geboord. Conform de verplichting uit de omgevingswet heeft Vermilion contact gehad met omwonenden in de omgeving. Vermilion heeft daarbij gesproken met de bewoners van de meest nabij gelegen woningen. Vermilion zal enkele maanden voor de start van de werkzaamheden nader over de boringen communiceren met de betrokkenen.
Welke conclusies zijn uit de risicoanalyse getrokken aangaande het risico op aardbevingen en potentiële schade aan huizen en natuur? Worden er financiële voorzieningen getroffen om eventuele schade te kunnen vergoeden?
Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie. Sinds 2009 wordt er gas gewonnen uit het gasveld. Destijds, maar ook bij de recent aangevraagde wijziging van het winningsplan is gekeken naar de adviezen van de vaste adviseurs en daarbij is ook ingegaan op de seismische risico’s. Er heeft sinds de start van de winning geen beving plaatsgevonden als gevolg van het winnen uit dit gasveld. Op grond van art. 6:177 van het Burgerlijk Wetboek is Vermilion verplicht tot het vergoeden van schade die ontstaat door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het gasveld Geesbrug. De bewoners nabij de gaswinning kunnen schade waarvan zij denken dat die door mijnbouw is veroorzaakt, melden bij de Commissie Mijnbouwschade.
Zullen er nieuwe, door het Rijk of door Vermilion betaalde nulmetingen plaatsvinden in de omgeving van het boorgebied?
Nee. TNO heeft mij geadviseerd dat het onwaarschijnlijk is dat de beperkte bodemdaling of een eventuele beving leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Vanwege de kleine kans op schade is geen aanleiding tot het uitvoeren van bouwkundige opnames (nulmetingen) in de omgeving van Geesbrug.
Tot hoeveel Megaton CO2-equivalent zal de bijkomende hoeveelheid gas leiden, specifiek voor scope 1, scope 2 en scope 3?
Tijdens het uitvoeren van de boringen vinden emissies in de vorm van CO2 plaats. De scope 1 en scope 2 emissies zijn tijdelijk van aard en beperkt in omvang. Het brandstof- en energieverbruik tijdens de boringen zijn beoordeeld in de omgevingsvergunning en getoetst aan de eisen van de Omgevingswet.
Met de aanpassing van het winningsplan is de maximaal hoeveelheid te winnen gas naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Daarbij is de CO2-uitstoot van de winning en transport van gas dat wordt gewonnen uit Nederlandse kleine velden enkele malen lager dan de uitstoot van geïmporteerd aardgas.
Aangezien u op dit moment de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over scope 3 nader aan het bestuderen bent om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, waarom kiest u er dan voor om toch al dit besluit goed te keuren met alle risico’s op nieuwe rechtszaken van dien?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, is de maximale hoeveelheid te winnen gas uit het gasveld Geesbrug met de aanpassing van het winningsplan naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Er zijn om deze reden geen extra scope 3-emissies om te beoordelen conform de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Hoe is gaswinning tot en met 2049 nog te verenigen met de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, in het bijzonder in het licht van de recente uitspraak in de Bonaire-zaak die de staat oplegt om de klimaatdoelen verder aan te scherpen? Welk percentage van het resterende koolstofbudget zal de optelsom van scope 1-, 2- en 3-emissies dan innemen?
Het kabinet zet erop in de doelen uit de nationale en Europese Klimaatwet te halen. Dat betekent dat Nederland de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert, en streeft naar negatieve emissies van broeikasgassen na 2050. Hier stuurt het kabinet op door bij nieuwe en actualisaties van winningsplannen instemming te beperken tot en met 2045. Daarom heeft het kabinet besloten om de instemming met het winningsplan Geesbrug te beperken tot en met 2045 in plaats van de gevraagde winning tot en met 2049.
Hoe betrouwbaar is de door Vermilion aangegeven maximale bodemdaling van 4,5 centimeter? Worden cumulatieve effecten daarbij in de analyse meegenomen?
TNO heeft de bodemdaling als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend, waarbij ook de bodemdaling door gaswinning uit omliggende gasvelden is meegenomen. TNO komt tot vergelijkbare resultaten als Vermilion.
Is de in 2009 vergunde grens voor bodemdaling nog adequaat in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de ervaringen met aardbevingen en bodemdaling in de afgelopen zeventien jaar?
De vergunde grens voor bodemdaling is nog adequaat. Zoals bij vraag 7 aangegeven, heeft TNO de bodemdaling en het seismisch risico als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend en komt daarbij tot vergelijkbare resultaten als Vermilion. Het is onwaarschijnlijk dat de bodemdaling leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie.
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit, welke wettelijke instrumenten heeft u tot uw beschikking om aan dat bezwaar tegemoet te komen? Is het juridisch mogelijk het besluit alsnog in te trekken wanneer uit de bezwaren blijkt dat er in de omgeving weinig draagvlak bestaat?
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit zal het besluit in het kader van de bezwaarprocedure worden heroverwogen. Een besluit kan daarbij alleen worden gewijzigd of ingetrokken, indien dat gerechtvaardigd wordt door een grond als genoemd in artikel 36, eerste lid van de Mijnbouwwet. Maatschappelijk draagvlak valt hier niet onder.
Zal er gehoor gegeven worden aan de oproep van de Commissie Mijnbouwschade om de schaderegeling in Drenthe rechtvaardiger te maken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, het vorige kabinet heeft de aanbevelingen die de Commissie Mijnbouwschade in haar verslag «Afhandeling Schademeldingen Ekehaar en Hooghalen» doet, ontvangen en heeft de Kamer aangegeven verkennende gesprekken op te starten. Deze gesprekken worden op korte termijn gestart.
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Ja, het kabinet is bekend met dit rapport gepubliceerd door het Britse Department for Environment, Food & Rural Affairs van 20 januari 2026.4 De conclusies in de analyse komen in hoofdlijnen overeen met de conclusies over klimaatverandering in de trendanalyse nationale veiligheid 20245 en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022.6 Kijkende naar de risico’s van ecosysteemdegradatie op de veiligheidscontext zijn een aantal van de key judgements uit het Britse rapport minder relevant voor specifiek Nederland, gezien de Nederlandse landbouw en voedselproductie. Omdat Nederland het overgrote deel exporteert, zijn de afhankelijkheden zoals genoemd door het Verenigd Koninkrijk een minder groot risico op onze veiligheid.
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
Ja, het kabinet herkent deze analyse. Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn een mondiaal probleem en hebben, naast effecten op onze leefomgeving en gezondheid, een groeiende impact op onze welvaart en veiligheid. Het streven naar onafhankelijkheid en veiligheid vraagt om investeringen in schone en betaalbare energie van Europese bodem, economisch leiderschap, groene marktcreatie en verduurzaming van de brede economie, met name strategische industrie en banen.
In de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 beschrijft het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) dat klimaat- en natuurrampen een brede impact hebben en dat vrijwel alle nationale veiligheidsbelangen kunnen worden geraakt. De gevolgen voor de nationale veiligheid die worden benoemd zijn: 1) klimaatverandering als trend met directe negatieve impact op de nationale veiligheid door directe gevolgen als frequentere en ernstigere weersextremen, zeespiegelstijging en een toename aan overstromingen, natuurbranden en infectieziekten. Daarnaast benoemt de trendanalyse 2) klimaatverandering als threat multiplier. Hiermee wordt bedoeld dat naast de genoemde directe effecten er ook internationale cascade-effecten zijn die het Koninkrijk indirect raken, bijvoorbeeld door geopolitieke spanningen, het al dan niet begaanbaar zijn/worden van (nieuwe) vaarroutes en het onder druk staan van voedselzekerheid en toenemende migratie.
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Het Rijk ziet de gevolgen van klimaatverandering al lange tijd als een veiligheidsrisico.
Zo is in de in 2023 gepubliceerde Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023–2029) de actielijn «intensiveren klimaatmitigatie en -adaptatie» opgenomen. In deze actielijn staan de prioriteiten om de nationale veiligheidsrisico’s van klimaatverandering tegen te gaan.7 Ook de EU identificeerde in 2023 de noodzaak om de impact van klimaatverandering en ecosysteem degradatie op veiligheid en weerbaarheid beter te definiëren en implementeren in de mededeling «Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid: aanpak van de gevolgen van klimaatverandering en aantasting van het milieu voor vrede, veiligheid en defensie».8
In relatie tot afstemming met Europese partners wisselt het Ministerie van Defensie onder meer informatie uit over klimaatverandering en veiligheid via het Climate and Defence Network, geleid door de Europese Dienst voor Extern Optreden.9 Naast Europese lidstaten zijn ook de NAVO en andere landen, zoals Canada, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, en de VS hierin vertegenwoordigd. Tijdens bijeenkomsten wordt gesproken over de nationale strategieën, opgesteld om de krijgsmachten voor te bereiden op klimaatverandering en de implementatie er van.
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Om trends en ontwikkelingen in dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen, waaronder Klimaatverandering, maakt Nederland gebruik van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid die in 2022 met uw Kamer is gedeeld.10 Deze analyse wordt eens in de drie jaar in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd. Om zicht te houden op tussentijdse ontwikkelingen is in 2024 voor het eerst ook een trendanalyse uitgevoerd.11 Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar.
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Zie het antwoord op vraag 4. Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar en zal dan met uw Kamer worden gedeeld.
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5. Tevens zal het kabinet u voor de zomer informeren over hoe het voornemens is uitvoering te geven aan motie van het lid Klos12 over het organiseren van een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid in 2026. Het kabinet is voornemens om daarmee ook reageren op het verzoek van het lid Dassen om een Commissiebrief13 over de mogelijkheden die Nederland heeft om te zorgen dat we eenzelfde dreigingsanalyse kunnen maken als de Britten hebben gedaan.
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Ja, de Nederlandse Krijgsmacht, de AIVD en MIVD zijn zich bewust van de risico's die klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen.
Het Ministerie van Defensie stelde reeds intern de Defensiestrategie voor Klimaatverandering en Veiligheid op, waarin klimaatverandering als threat multiplier wordt onderkend: klimaatverandering in combinatie met andere factoren (demografisch, economisch, politiek, sociaal, religieus) kan tot meer instabiliteit, conflicten en migratie leiden. Deze Strategie zal dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
In de strategie definieert het Ministerie van Defensie vier sporen om zich voor te bereiden op de effecten van klimaatverandering op vrede en veiligheid:
Verder staat een aantal onderzoeken gepland naar de impact van klimaatrisico’s op Defensie, bijvoorbeeld op kritieke infrastructuur en datacenters. Eveneens wordt het effect van klimaatverandering meegenomen in the Future of War Conference, een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en de University of Oxford en in wargames.
Met de meest recente Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid14 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de focus van Defensie op het gebied van duurzaamheidbeleid primair ligt op het versterken van energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen.
De AIVD en MIVD zijn beide onderdeel van de vaste kern van het Analistennetwerk Nationale Veiligheid en daarmee medeopstellers van producten zoals de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 en de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Verder kunnen de AIVD en MIVD geen uitspraken doen over de modus operandi en onderzoeksgebieden.
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Veiligheidsrisico’s worden op verschillende niveaus meegenomen in het beleid. Zoals ook genoemd in de beantwoording van vraag 2, worden met de implementatie van de Wwke kritieke entiteiten geacht een risicobeoordeling te maken van mogelijke door mens en natuur veroorzaakte dreigingsrisico’s en op basis daarvan weerbaarheid verhogende maatregelen te nemen. Risico’s voortkomend uit klimaat (verandering) en natuurrampen maken hier onderdeel van uit.
Ook in de nieuwe analyse van de klimaatimpacts en -risico’s die binnenkort door het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) zal worden gepubliceerd, wordt expliciet aandacht besteed aan het onderwerp veiligheid. Deze analyse ligt mede ten grondslag aan de herziene Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) die het kabinet in 2026 zal presenteren. Dit is een Rijksbrede aanpak om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
De verspreiding en ontwikkeling van infectieziekten in Nederland maar ook vanuit het buitenland wordt gevolgd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM verzamelt en analyseert gegevens over trends in infectieziekten en kijkt hierbij niet alleen naar ontwikkelingen in mensen maar ook in dieren en de leefomgeving. Het RIVM heeft ook de infectieziekterisico’s van klimaatverandering voor Nederland in kaart gebracht.15
Daarnaast wordt op Europees niveau aandacht besteed aan nieuwe gezondheidsbedreigingen op het vlak van infectieziekten en antimicrobiële resistentie (AMR) die zich door klimaatverandering kunnen voordoen. Zo monitort het Europees centrum voor ziektepreventie- en bestrijding (ECDC) de ontwikkeling rondom dichterbij komende ziekteverwekkers die via muggen of teken, de zogeheten vectoren, overdraagbaar zijn.
In 2022 is bovendien een pakket wet- en regelgeving aangenomen op EU-niveau, waaronder de EU-verordening ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen (EU/2022/2371). Deze verordening regelt de coördinatie, samenwerking en afstemming op EU-niveau bij de voorbereiding op en bestrijding van onder meer infectieziekten, AMR, chemische en biologische alsook natuur- en klimaatgerelateerde bedreigingen. Op basis van de verordening worden onder meer additionele eisen gesteld aan nationale surveillance en monitoring van potentiële infectieziekten, worden periodieke externe evaluaties voorzien van de staat van paraatheid van lidstaten met betrekking tot zogenaamde «all hazards»-bedreigingen. Ook zijn Europese referentielaboratoria opgezet, waarbij het RIVM is aangewezen als EU-referentielab voor aandoeningen die onder andere via muggen en teken worden overgedragen.
Het Nederlandse zorgsysteem bereidt zich hier op verschillende manieren op voor. Hoewel sommige (tropische) ziekten nu niet of nauwelijks in Nederland worden overgebracht, behandelen ziekenhuizen en huisartsen wel al zo nu en dan patiënten die in het buitenland besmet zijn geraakt en ziek worden in Nederland. Er zijn voor veel ziekten daardoor al richtlijnen en voorzieningen beschikbaar.
Ook voor de publieke gezondheid geldt dat er al richtlijnen beschikbaar zijn voor veel ziekten. Het is belangrijk dat RIVM en GGD’en de ontwikkeling van infectieziekten (kunnen) blijven monitoren om veranderingen en ontwikkelingen tijdig op te kunnen sporen. De richtlijnen kunnen daar dan op worden aangepast. Naar aanleiding van de evaluatie van Covid-19 zijn plannen gemaakt om de voorbereiding op pandemieën te versterken. Het vorige kabinet heeft een bezuiniging uitgevoerd op deze plannen voor pandemische paraatheid. Het kabinet verdiept zich op dit moment in de consequenties van de bezuiniging op pandemische paraatheid en de mogelijkheden die er zijn.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Het kabinet erkent dat er een wezenlijk risico is dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ecosysteemineenstorting kan leiden tot lagere opbrengsten in de landbouw in Nederland, in de EU en wereldwijd. Dat als gevolg daarvan voedselprijzen kunnen stijgen, is helder. Minder helder en voorspelbaar is wanneer, hoe vaak en voor welke producten dit zal optreden en met welke precieze gevolgen voor de prijs van voedsel. Uiteenlopende maatregelen moeten ervoor zorgen dat deze risico’s kleiner worden en de voedselvoorziening weerbaar is tegen deze verstoringen. Het kabinet zet in op het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen en voedsel wordt onderdeel van de vitale infrastructuur in Nederland, waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen, inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. Het kabinet zet zich in voor nationale, Europese en internationale maatregelen om de emissies van broeikasgassen te verminderen en biodiversiteitsverlies tegen te gaan. Inzet op natuurbeleid, bijvoorbeeld door effectief begeren en waar nodig uitbreiden en verbinden van natuurgebieden, het beperken van drukfactoren op de natuur en het uitbreiden en versterken van agrarisch natuurbeheer moeten bijdragen aan het tegengaan van biodiversiteitsverlies in Nederland.
Het kabinet wil de voedselzekerheid op lange termijn borgen door een transitie naar een houdbaar, geavanceerd en klimaatadaptief voedselsysteem met voldoende aandacht voor verdienvermogen van ondernemers. Jaarlijks monitort het PBL de sectorale emissies via de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), terwijl het CBS de opbrengsten vastlegt in de Landbouwtelling. Internationaal biedt de FAO Food Outlook inzicht in mondiale trends, zoals voedselprijzen en ketenefficiëntie. Nederland handhaaft zijn positie als efficiënte producent door in te zetten op verduurzaming en klimaatadaptatie van de landbouw, hergebruik van afvalstromen en innovaties zoals precisielandbouw. Daarnaast zet het kabinet in op biotechnologische innovatie voor verduurzaming van de landbouw. Het kabinet zet zich in Europees verband in op het toestaan van Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) zodat de plantenveredelingssector in staat is sneller weerbare rassen te ontwikkelen. Voor duurzame voedselproductie op de lange termijn kijkt het kabinet ook naar technologieën als kweekvlees en precisiefermetatie. Deze verduurzaming en aanpassing aan klimaatgevolgen zoals weersextremen en verzilting wordt onder meer ondersteund door Europese samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het kabinet zet zich voor het GLB in op een toekomstgerichte, innovatieve landbouw en visserij en een gezonde natuur, met blijvende aandacht voor toekomstperspectief, verdienvermogen, voedselzekerheid en innovatie binnen de draagkracht van de aarde.16 Met de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet in samenhang aan het oplossen van de vergunningenproblematiek, het realiseren van natuurverbetering en het bieden van perspectief voor de agrarische sector. Hiermee werkt het kabinet aan een toekomstbestendige en robuuste agrarische sector, en draagt het daarmee bij aan voedselzekerheid.
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Ja, die conclusie deelt het kabinet. Onze economie is inherent verweven met de staat van de natuur. Zoals het recente wetenschappelijke rapport over de link tussen bedrijven en biodiversiteit van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) aantoont, zijn alle bedrijven afhankelijk van biodiversiteit.17 Het verlies aan biodiversiteit vermindert het vermogen van ecosystemen om essentiële ecosysteemdiensten zoals bestuiving en waterzuivering te leveren en vormt daarmee een materieel risico voor bedrijven, financiële instellingen als ook de macro-economische stabiliteit en brede welvaart.
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbaarheid van cruciale wereldwijde ecosysteem diensten. Het ineenstorten van ecosystemen brengt veiligheidsrisico’s voor de mondiale stabiliteit, voedselzekerheid en klimaatbeheersing met zich mee, wat ook gevolgen heeft voor Nederland. Wetenschappelijke rapporten van onder meer het IPBES en Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarschuwen dat bij aanhoudende opwarming en biodiversiteitsverlies zogenaamde kantelpunten (tipping points) bereikt kunnen worden.
Hoewel er geen gedetailleerde inventarisatie is gemaakt van de specifieke noodmatregelen die onmiddellijk genomen moeten worden, is het van cruciaal belang dat er op internationaal, Europees en nationaal niveau dringende stappen worden gezet. Het kabinet zal dit aanjagen en er op aansturen dat waar nodig aanvullende stappen worden gezet. Internationaal richt het kabinet zich op de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. Europees moeten de doelstellingen van de Europese Klimaatwet, Europese Green Deal en de Natuurherstelwet worden uitgevoerd.
Nationaal richt het kabinet zich op concrete maatregelen om de weerbaarheid van Nederland te versterken. Voor Nederland als deltaland is het van belang om onder andere slim om te gaan met water, rivieren meer ruimte te geven om overstromingen te voorkomen, en nature-based solutions op te schalen, zoals het herstellen van wetlands, het aanleggen van groene bufferzones en het bevorderen van natuurlijke waterberging. Tegelijkertijd werkt Nederland aan het reduceren van milieuschadelijke subsidies, het stimuleren van bedrijven en financiële instellingen om meer rekening te houden met hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit, en het implementeren van klimaatadaptatiemaatregelen, inclusief specifieke programma’s voor Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen, waaronder een concreet uitvoeringsprogramma om de drukfactoren op koraal en mangroven in de Caribische delen van Nederland te verminderen en herstel te bespoedigen. Het verminderen van deze drukfactoren geeft de biodiversiteit meer weerbaarheid tegen de effecten van klimaatverandering. Daarnaast wordt gewerkt aan eilandelijke klimaatplannen en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
Daarnaast is het kabinet volop aan de slag met de nationale opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven op onder andere water en klimaat, via de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, zoals ook aangegeven door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in de brief Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof van 27 maart jl.18
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Nederland blijft een actieve pleitbezorger voor ambitieuze internationale afspraken met heldere rapportageverplichtingen op gebied van biodiversiteit en klimaat, alsook voor de implementatie van deze afspraken. Ook investeert Nederland in zijn diplomatieke contacten en ondersteunen we landen met de implementatie van hun klimaat- en biodiversiteitdoelen. Nederland benut zijn positie als kennispartner om bruggen te slaan tussen het mondiale Noorden en Zuiden. We ondersteunen ontwikkelingslanden niet alleen financieel, maar ook met technische innovaties op het gebied van bijvoorbeeld klimaatadaptatie.
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Het goed informeren van iedereen in Nederland is inderdaad van belang om tijdig, gezamenlijk en individueel, de juiste voorbereidingen en maatregelen te treffen, zodat we in ons land ook op langere termijn goed kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering, zoals weersextremen en verzilting. Met het oog hierop wordt momenteel de nieuwe NAS’26 ontwikkeld. Naar verwachting wordt deze in het najaar van 2026 opgeleverd. Het kabinet zal in de aankomende Nationale klimaatadaptatiestrategie een aanpak presenteren voor een klimaatweerbare samenleving. Zie de beantwoording van vraag 8 voor meer informatie over de NAS.
Veel van de investeringen ten behoeve van de reductie van broeikasgasemissies komen vanuit het Rijk. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is om de samenleving te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de klimaatopgave. Dit is onder meer gedaan middels het Burgerberaad Klimaat.19
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Vanwege uitvoerige interdepartementale afstemming is dit helaas niet binnen de termijn gelukt.
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Ja.
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Op Bullenbaai bevindt zich een (commerciële) olieterminal in beheer bij Curaçao Refinery Utilities (CRU). Een deel van de recente transporten en opslag bevat olie afkomstig uit Venezuela. Daarmee kan je echter niet stellen dat Curaçao een belangrijke rol speelt in de internationale oliehandel.
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
De Rotterdamse haven is per definitie een belangrijke doorvoerhaven van mondiale olieproducten. Het kan echter niet eenduidig worden vastgesteld dat Rotterdam specifiek het belangrijkste doorvoerpunt voor Venezolaanse olie in Europa is, dit is eerder een indirect gevolg van de algemene marktpositie van Rotterdam dan een specifiek, aantoonbaar patroon voor Venezolaanse olie. Er is geen beschikking over cijfers hoeveel Venezolaanse olie in welke havens wordt verwerkt.
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Het is bekend dat het schip MT Regina onder valse vlag olie heeft gelost op Curaçao. Het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) bepaalt dat een Staat een schip het recht verleent om zijn vlag te voeren. Het varen onder valse vlag betekent dat het schip een vlag voert waartoe het niet gerechtigd is. Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Met het varen onder valse vlag zijn internationale zeevaartregels overtreden.
Het schip MT Regina is op basis van een havenstaatcontrole aangehouden op Curaçao vanwege het niet voldoen aan internationale maritieme verdragen, onder meer het voeren van een valse vlag van Oost-Timor en het aan boord hebben van valse certificaten. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Curaçao is gehouden aan de sanctiewetgeving van de Europese Unie (EU-sancties). Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Het voeren van een valse vlag valt niet onder EU-sancties. Er is geen sprake van overtreding van sancties bij het aanmeren van schepen in de havens van Curaçao.
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Het is correct dat Oost-Timor recent de IMO-leden geïnformeerd heeft over onjuist en frauduleus gebruik van haar (niet bestaande) internationale vlagregister. Overigens heeft het Koninkrijk ook IMO-leden geïnformeerd ten aanzien van vals gevlagde schepen in de (niet bestaande) internationale vlagregisters van Sint Maarten en Aruba.
Ja. Via de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de landen binnen het Koninkrijk nauw samen op maritiem gebied en wordt zoveel mogelijk informatie uitgewisseld. Curaçao heeft, via het Koninkrijk, directe toegang tot de actuele IMO documentatie. Zo zijn de landen van het Koninkrijk overeengekomen dat elk autonoom land eigenstandig bijhoudt welke informatie voor hen van belang is.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaartregels houden. Deze regels zijn essentieel om de veiligheid op zee en bescherming van het mariene milieu mondiaal op gelijke wijze te borgen.
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het desbetreffende land. Hoewel het in eerste aanleg contrair lijkt, kan het wenselijk zijn dat schepen met vermeende afwijkingen (zoals een valse vlag) juist wel aanmeren in een van de havens van het Koninkrijk. Dit omdat schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole en daarmee feitelijk vast te stellen is of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Dat is recent gebeurd met de MT Regina op Curaçao.
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
In artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut3) staat opgesomd welke onderwerpen kwalificeren als aangelegenheden van het Koninkrijk. Indien uit het Statuut niet volgt dat iets een Koninkrijksaangelegenheid is, betreft het in beginsel een landsaangelegenheid, en gaan de autonome landen er zelf over.
Toezicht op en handhaving van sancties binnen de jurisdictie van individuele landen zijn aangelegenheden waar de autonome landen zelf over gaan. Curaçao heeft dit uitgewerkt in de Sanctielandsverordening. Voor Nederland geldt de Sanctiewet 19774. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch staan de betreffende schepen op een EU-sanctielijst.
De toepassing van EU-sancties binnen het Koninkrijk valt onder «buitenlandse betrekkingen» en aldus is er sprake van een Koninkrijksaangelegenheid. De bepalingen in dit kader zijn neergelegd in de Rijkssanctiewet5, die hiermee het overkoepelende juridische kader binnen het Koninkrijk vormt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend binnen het Koninkrijk op het gebied van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving daarvan.
De betreffende olietransporten vallen qua veiligheids- en milieueisen voor zeeschepen onder de internationale zeevaartverdragen van IMO. Het Koninkrijk is als geheel verdragspartij bij IMO. Havenstaatverplichtingen, zoals milieuaspecten en de (controle van) lading, zijn een autonome verantwoordelijkheid van de landen van het Koninkrijk.
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
De Kustwacht Caribisch Gebied (hierna: Kustwacht) is een maritieme rechtshandhavingsorganisatie, bestaande uit de Landen Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Nederland. De vier landen bepalen gezamenlijk het beleid van de Kustwacht, dat operationeel valt onder beheer van Defensie. De Kustwacht zorgt voor de veiligheid op de wateren rond Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland (BES). De Kustwacht voert opsporings-, toezichthoudende- en dienstverlenende taken uit op basis van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet6) en het justitiële beleidsplan Kustwacht. De Rijkswet geeft o.a. aan dat de Kustwacht belast is met het toezicht op scheepvaart, waaronder het verkeer en de uitrusting van schepen. Het justitiële beleidsplan 2022–2025 (met doorloop naar 20267) voor de Kustwacht richt zich op handhaving van illegale activiteiten om te voorkomen dat de effecten van de illegale activiteiten in lokale milieus terecht komen. De Kustwacht opereert onder lokaal gezag in de wateren waarin zij jurisdictie en bevoegdheden heeft ten aanzien van haar taakstelling.
Met referte naar het antwoord op vraag 7 is het Koninkrijk alleen dan betrokken als er sprake is van de zogenoemde Koninkrijksaangelegenheden. Handhaving van de verplichtingen in het kader van internationale zeevaartregelgeving betreft een autonome aangelegenheid van de landen zelf, en vindt derhalve plaats op nationaal niveau en onder nationaal gezag.
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat er geen Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie. Wanneer er sprake is van (mogelijke) overtreding van EU-sancties of andere regels waar Curaçao aan gehouden is, dan is het aan de autoriteiten van Curaçao (waaronder bijvoorbeeld de Curaçao Ports Authority en de Harbor and Safety Inspection van de Maritieme Autoriteit Curaçao) om hierop te acteren. In het geval dat daar signalen van zijn wordt daar serieus opvolging aan gegeven door daarvoor bevoegde autoriteiten. Waar nodig wordt daarbij het politieke niveau geïnformeerd en zo nodig betrokken.
Het is van belang te benoemen dat er frequent contact en veelvuldige afstemming is tussen de Caribische (ei)landen en Nederland, tussen diverse diensten en departementen en elk op hun eigen vakgebied.
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
De Curaçaose maritieme autoriteiten hebben een autonome verantwoordelijkheid voor het toelatingsbeleid en dienen daarbij het EU-sanctiebeleid na te leven. De concrete uitvoering wordt gecoördineerd via Buitenlandse Zaken en de Dienst Buitenlandse Betrekkingen van de Caribische Landen. Russisch gevlagde schepen en door de EU gesanctioneerde schepen, entiteiten en personen dienen te worden geweerd uit havens en sluizen in het Koninkrijk. Zoals eerder aangegeven is de EU en/of het Koninkrijk niet gehouden aan de Amerikaanse sanctielijst.
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Nadere details over eigenaarschap, hoeveelheden en commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld.
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is het onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaart regels houden. Daarom is hier, middels havenstaatcontrole, op gehandhaafd en is het betreffende schip aangehouden. Zoals eerder aangegeven zijn er op dit moment geen EU-sancties ten aanzien van Venezolaanse olie.
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Het klopt dat de Venezolaanse olie tot de meest broeikas-intensieve olie ter wereld behoort. Dat exploratie van die voorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven zou opgebruiken, komt uit een analyse van de koolstofboekhoud consultant Climate Partner in opdracht van The Guardian. Het is duidelijk dat een groot deel van de huidige fossiele voorraden, waaronder olie, niet kan worden gebruikt als we de wereldwijde opwarming van de aarde tegen het einde van deze eeuw willen beperken tot 1,5 graden.
Het is echter niet aan de Nederlandse regering om te bepalen wie welke olie nog zou mogen oppompen. Het kabinet zet met name in op internationale afspraken over vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de afbouw van fossiele subsidies en vermindering van de vraag naar olie door de ontwikkeling van niet-fossiele energie- en grondstoffen, efficiencyverbetering en recycling van koolstof.
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
In het Klimaatplan 2025–2035 wordt reeds onderkend dat de energietransitie niet alleen noodzakelijk is voor het klimaat en onze gezondheid, maar ook voor onze energieonafhankelijkheid, onder meer via vermindering van de importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Het kabinet werkt daarnaast aan een kamerbrief over verantwoorde afbouw van fossiel, die overzicht geeft over de verantwoorde afbouw van de verschillende fossiele energiedragers in Nederland en de vraagstukken die hierbij komen kijken. Met deze brief geeft het kabinet ook opvolging aan de motie van de leden De Groot en Grinwis over de gevolgen van de afspraken in COP28 over «weg bewegen van fossiel» en de motie van het lid Kröger c.s. over het afbouwen van fossiele brandstoffen als hoge prioriteit.8
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Er is op verschillende niveaus intensief contact met de autoriteiten op Curaçao. Dat geldt overigens (op maritiem gebied) ook voor de andere landen en openbare lichamen in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt De beantwoording heeft meer tijd gevraagd, mede door de kabinetswissel en samenvoeging met antwoorden op andere Kamervragen. Ik verwijs hiervoor ook naar de uitstelbrief verzonden aan de Kamer door collega van den Burg9.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het Sectorakkoord Gaswinning op Land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te kunnen spreken over de «hoe-vraag» (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties? Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan draagvlak omgaan?
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag. Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60–70% van de respondenten het gebruik van de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie». Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het Groningenveld – geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in die overweging meegenomen?
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het «Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie» en de «aanvullende afspraken voor gaswinning op land» zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is 55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het «Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte»3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid, gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen, gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas) zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek «Ketenemissies aardgasmix 2022–2023» dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6–7 (VS) en circa 4 (Qatar e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu-impact op aardgas verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas) steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie. In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners, in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden – is van grote meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de vergunninghouders die een activiteit willen uitvoeren. Om deze reden zijn in het akkoord aanvullende afspraken gemaakt onder meer over het betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor gaswinning in gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en de wijze waarop de omgeving betrokken wil worden. De vergunninghouder verwerkt de inbreng van de omgeving in een «betrokkenheidsplan» dat de vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de vergunningaanvraag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei overlegt.
Echter, het «voor-of-tegen» gaswinning zijn (de «of-vraag») is niet de vraag die voorligt bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits veilig en verantwoord – betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet. Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief technisch en economisch winbaar is?
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land8) volgt dat het winningsvolume uit kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt. Hiervan is op basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch winbaar. Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het verbruik van 2025?
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op jaarbasis. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land) volgt dat ongeveer 40% van het winningsvolume als technisch potentieel kan worden bezien. Dat komt neer op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een periode van zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de Noordzee, opschaling van duurzame energieprojecten en inspanningen tot het verder verlagen van het aardgasverbruik tot het zoveel mogelijk beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende decennia op weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer komt?
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de nieuwe planning van de herziening van de Mijnbouwwet9. In die brief worden de processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel aan de Kamer toegelicht.
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen, de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen, welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge van aardbevingen en/of bodemdalingen?
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet, meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie Mijnbouwschade (CM) ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in een overeenkomst met de staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen. Het uitgangspunt van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig, transparant, deskundig en onafhankelijk is.
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere gebieden uitgebreid en welke niet?
De maatregelen uit «Nij Begun» kunnen niet zonder meer allemaal worden overgenomen in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en gerelateerd aan de gaswinning uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade (CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit «Nij Begun» aanvullende verbeteringen doorgevoerd. Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen toe te schrijven is?
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders. Ook zou de invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen worden en daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27 maart 202510 aan de Kamer.
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.