Een regeling waarbij leenbijstand, die voor 1 januari 2017 omgezet is in een gift, niet langer leidt tot terugvordering van toeslagen en het (nog) niet uitvoeren van de motie Groot/Omtzigt in deze |
|
Ed Groot (PvdA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de problematiek van het «papieren inkomen», namelijk zelfstandigen die leenbijstand krijgen, die in een later jaar in een gift wordt omgezet en in dat jaar meetelt bij het inkomen?
De Bbz-problematiek van het «papieren inkomen» als gevolg van de omzetting van leenbijstand en haar gevolgen voor de toeslagen zijn mij bekend, evenals de tijd die verstreken is bij het vinden van een oplossing.
Op 5 juli jl. heb ik de Kamer een brief5 gestuurd en daarin een oplossing aangereikt, eindheffing. Met ingang van 1 januari 2017 is deze eindheffing van toepassing. De vaste commissie voor Financiën heeft in haar vergadering van 13 juli jl. aanvullende vragen6 gesteld naar aanleiding van de brief. In de antwoorden heb ik aangegeven dat de mogelijkheid om de te kiezen oplossing met terugwerkende kracht in werking te laten treden ofwel compensatie voor oude gevallen te geven er niet is. Terugwerkende kracht zou er toe leiden dat achteraf reeds vastgestelde belastbare inkomens moeten worden gecorrigeerd.
Dit zou een onbeheersbaar proces opleveren resulterend in een stroom van fouten. Dat geldt ook voor de doorwerking van een dergelijke correctie naar de voor dat jaar toepasselijke inkomensafhankelijke regelingen.
Vervolgens is de motie Groot/Omtzigt ingediend (34 552, nr. 57). In deze motie is mij nogmaals gevraagd een maatwerkoplossing te vinden voor mensen die toeslagen moeten terugbetalen als gevolg van de leenbijstand die voor 1 januari 2017 is omgezet in een gift. De motie lijkt breder te moeten worden uitgelegd dan op het eerste gezicht het geval lijkt. Het lid Omtzigt voegt namelijk toe dat het niet alleen gaat om mensen die in de schuldsanering (Wsnp) beland zijn, maar om alle mensen die toeslag moeten terugbetalen.
Ik heb in de vergadering van 16 november 2016 aangegeven dat ik er nog één keer naar zou kijken zonder een garantie voor een oplossing. Het verzoek was zwaarwegend; ik ben daarom met een «blanco vel» begonnen, om te bezien of er, mogelijk langs een andere weg, een meer aanvaardbare oplossing te vinden was.
Er is een aantal varianten onderzocht. Ik heb bekeken of de verschillende varianten zowel vanuit de toeslagontvanger als de Belastingdienst, praktisch uitvoerbaar zijn en juridisch houdbaar. Daar ben ik niet van overtuigd geraakt.
Ik licht dat toe.
Beginnend bij de burger die een aanvraag voor compensatie in wil dienen. Hij krijgt te maken met een niet eenvoudig proces, want er moeten bewijsstukken worden overlegd waaruit blijkt a. dat in zijn geval sprake is geweest van een omzetting van leenbijstand in een gift en b. wat de omvang van het fiscale inkomen is dat hieruit is voortgevloeid en c. of op andere wijze al sprake is geweest van compensatie (bijvoorbeeld omdat de gemeente reeds individuele bijzondere bijstand heeft verleend voor de toeslagschuld). Dat is ingewikkeld. Hoe verder terug in de tijd hoe problematischer dit voor de burger kan worden.
Daarnaast speelt de uitvoeringscomplexiteit bij de Belastingdienst. Het betreft een handmatig en dus foutgevoeliger proces. Aan de hand van de aangeleverde bewijsstukken moet worden vastgesteld welk deel van het eerder vastgestelde recht op toeslag c.q. welk deel van de nog openstaande toeslagschuld betrekking heeft op de omzetting van leenbijstand in een gift.
In de motie wordt gevraagd om mensen met een toeslagschuld te compenseren. Dit betekent dat er bij het verstrekken van compensatie een verschil wordt gemaakt tussen mensen die hun schuld al hebben betaald en mensen die nog een schuld hebben. Dit leidt tot ontoelaatbare rechtsongelijkheid. Beide groepen burgers hadden een papieren inkomen waardoor een toeslagschuld ontstond. De ene groep heeft deze schuld al afgelost en komt daardoor niet meer in aanmerking voor een compensatie. De groep die de toeslagschuld (nog) niet afgelost heeft, komt wel voor deze compensatie in aanmerking. Dit appelleert slecht aan het rechtsgevoel.
Dit geldt ook, of zelfs in een nog sterkere mate, als de te compenseren groep nog verder zou worden beperkt tot de groep die kan aantonen dat zij als gevolg van de omzetting van de leenbijstand in een gift in een schuldsanering terecht zijn gekomen. Nog afgezien van het feit dat er geen budgettaire dekking is voor een dergelijke compensatie en de bijbehorende uitvoeringskosten, lijken mij deze compensatievarianten vanuit een oogpunt van gelijke behandeling niet acceptabel.
Gelet op vorenstaande is vervolgens onderzocht of het mogelijk is om alle Bbz-gerechtigden die nadeel hebben ondervonden van het papieren inkomen te compenseren, ongeacht of zij nog een toeslagschuld hebben openstaan.
In de meest verstrekkende vorm zou dan teruggegaan kunnen worden tot het moment dat de toeslagen zijn ingevoerd (in het jaar 2006). Dit zou ertoe leiden dat er in totaal zo’n 10.000 tot 15.000 mogelijke verzoeken moeten worden behandeld (1.000–1.500 per jaar). Hiermee zou een budgettair effect van naar schatting € 50 miljoen aan programmageld (€ 5 miljoen per jaar) gemoeid zijn en € 6 miljoen aan uitvoeringskosten (€ 0,6 miljoen per jaar). Hiervoor is geen budgettaire dekking.
Gedacht zou kunnen worden om de compensatie voor alle Bbz-gerechtigden dan nog in de tijd te beperken tot bijvoorbeeld de jaren 2015 en 2016 (aanhakend bij het jaar waarin de toezegging aan de Nationale ombudsman is gedaan te zoeken naar een structurele oplossing). Echter, ook daarvoor is geen budgettaire dekking. De kosten van deze variant bedragen zo’n € 10 miljoen programmageld en € 1,2 miljoen uitvoeringskosten. Bovendien is ook deze variant juridisch risicovol vanuit een oogpunt van gelijke behandeling, omdat de begrenzing tot de jaren 2015 en 2016 niet een duidelijke objectieve afbakeningsgrond heeft. Hoewel ik de wens van uw Kamer begrijp, zie ik gelet op het vorenstaande, dan ook geen mogelijkheden om tot een juridisch goed verdedigbare en tevens betaalbare maatwerkoplossing te komen en uw motie uit te voeren.
Toch wil ik benadrukken, zoals ik al in mijn brief van 5 juli jl. heb gedaan, dat de Belastingdienst/Toeslagen de mogelijkheid van een betalingsregeling in maximaal 24 termijnen biedt. Indien het niet mogelijk is om aan deze regeling te voldoen is het ook mogelijk een lager bedrag te betalen. Hiertoe kan een persoonlijke betalingsregeling worden aangevraagd op basis van de beschikbare betalingscapaciteit. Mocht er een restbedrag overblijven dan wordt er niet verder bemoeilijkt.
Tot slot, u vraagt mij of de relatief hoge eindheffing over bijstandsinkomen tot problemen of klachten bij gemeentes leidt. Daarover heb ik tot op heden geen signalen ontvangen.
Beseft u dat mensen met een relatief laag inkomen (soms vlak boven het bijstandsniveau) hierdoor alle toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag) moeten terugbetalen?
Zie antwoord vraag 1.
Beseft u dat velen van deze mensen op een effectief inkomen uitkomen dat ver onder het bijstandsniveau uitkomt, terwijl zij juist gedaan hebben wat de overheid wilde, namelijk ondernemen om in eigen onderhoud te voorzien?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de Nationale ombudsman in 2014 hierover aan de bel trok bij u beiden en u verzocht binnen drie weken een structurele oplossing te treffen?1
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de Nationale ombudsman u in overweging gaf om ook voor bestaande gevallen een regeling te treffen?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat het kabinet pas acht maanden later, in juli 2015, reageerde en wel zonder oplossing?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich ook dat u ondertussen alle verzoeken tot toepassing van de hardheidsclausule afwees?2
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de Kamer bleef aandringen op een oplossing en dat er pas sinds 1 januari 2017 een oplossing is, namelijk dat de omzetting van leenbijstand in een gift onder de eindheffing gebracht is?3
Zie antwoord vraag 1.
Leidt de relatief hoge eindheffing over bijstandsinkomen tot problemen of klachten bij gemeentes?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich dat de motie Groot/Omtzigt u verzocht om voor 31 december 2016 een regeling te treffen voor bestaande gevallen, zoals de Nationale ombudsman u jaren geleden al verzocht heeft?4
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een voorstel tot zo'n regeling binnen een week aan de Kamer doen toekomen, samen met uw antwoorden op deze vragen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat bijstandsgerechtigden moeten werken zonder loon, zonder arbeidsrechten, zonder cao of baangarantie voor hun uitkering |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bijstandsgerechtigden moeten werken zonder loon, zonder arbeidsrechten, zonder cao of baangarantie ter bekostiging van hun uitkering?1
Gemeenten hebben een grote mate van beleidsvrijheid wat betreft vorm en inhoud van het re-integratiebeleid om maatwerk te kunnen leveren dat werkzoekenden de meeste kans biedt op betaald werk. Indien een gemeente uitkeringsgerechtigden de mogelijkheid biedt om te werken met behoud van uitkering, dan is de gemeente door de Participatiewet verplicht om bij verordening vast te leggen hoe dit is vormgegeven.
De uitgangspunten en wettelijke kaders zijn helder: verdringing van regulier werk op grond van oneerlijke concurrentie moet worden vermeden. In onder meer mijn eerdere brief van 19 juni 2015 (Kamerstukken TK 29 544, nr 624) heb ik de kaders uiteen gezet. Het moet bijvoorbeeld bijdragen aan de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling en er moet sprake zijn van een beperkte periode. Aan een mogelijke stimuleringspremie bovenop de uitkering worden in de Participatiewet grenzen gesteld aan de maximale omvang per kalenderjaar.
Volgens informatie van verschillende gemeenten die samenwerken met Flextensie, kiezen bijstandgerechtigden ervoor om vrijwillig hieraan deel te nemen. Een overweging voor hen is dat zij door het uitvoeren van werkzaamheden, ervaring opdoen als werknemer en daarmee hun afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Aan uitkeringsgerechtigden wordt volgens Flextensie door de gemeente ook gevraagd welk werk ze wel of niet willen doen. Dit is van belang omdat het instrument alleen werkt wanneer de uitkeringsgerechtigde een intrinsieke motivatie heeft om de gevraagde werkzaamheden met behoud van uitkering te willen verrichten.
Gemeenten maken zelf de beleidsafweging voor welke doelgroep zij Flextensie in willen zetten. Een groot deel richt zich daarbij op de mensen met een langere werkloosheidsduur. Volgens Flextensie hadden geplaatste kandidaten een gemiddelde uitkeringsduur van 2 jaar en 9 maanden.
Hoeveel verdienen Flextensie Nederland en gemeenten aan de inzet van bijstandsgerechtigden op de arbeidsmarkt? Wat voor werk wordt verricht, bij welke bedrijven?
Exacte bedragen zijn niet te noemen omdat deze afhangen van het (uur)tarief van de opdrachtgever en de premie aan de uitkeringsgerechtigde die de gemeente in de verordening heeft vastgelegd. Gemeenten kennen aan de uitkeringsgerechtigde een premie toe bovenop de uitkering die is gerelateerd aan het aantal uren dat zij via Flextensie actief zijn geweest. Deze (stimulerings)premie mag worden vrijgelaten op de uitkering, mits voldaan wordt aan de daarvoor in de Participatiewet vastgelegde criteria (artikel 31 lid 2 sub j).
Het is mij niet bekend wat voor werk wordt verricht en bij welke bedrijven.
Is er volgens u sprake van werknemerschap? En zo ja, acht u de uitzend-cao van toepassing op deze werknemers? Zo nee, waarom niet?
Er is in deze constructie geen sprake van loon bij een werkgever, maar van werken met behoud van uitkering bij een opdrachtgever. Om mogelijke verdringing van werknemers te voorkomen wordt een marktconform tarief in rekening gebracht aan de opdrachtgever van werkzaamheden die door de bijstandsgerechtigde worden uitgevoerd, zo geeft Flextensie aan.
Klopt het dat Flextensie in 2014 maandenlang overleg heeft gehad met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Welke regels zijn door u opgesteld voor toepassing van de Flextensie-methode en gemeenten? Waar dienen bedrijven zich aan te houden?
Flextensie heeft, om te borgen dat het instrument paste binnen de geldende wet- en regelgeving vanuit de Participatiewet in 2014, bij mijn ministerie geïnformeerd naar de kaders in de Participatiewet omtrent werken met behoud van uitkering en bijverdienen. De wettelijke kaders zijn daarop toegelicht. Er zijn geen afspraken gemaakt, omdat de uitvoering van het instrument te allen tijde binnen de daarvoor geldende kaders van de Participatiewet moet plaatsvinden.
Kunt u verdringing van betaalde arbeid met een cao alsmede uitbuiting van bijstandsgerechtigden uitsluiten? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Uit de informatie van enkele gemeenten en Flextensie komt naar voren dat zij gezamenlijk verschillende maatregelen hebben genomen om verdringing te voorkomen. Enerzijds is dit de tijdelijke inzet van het instrument: de maximale termijn is beperkt tot enkele maanden. Gemeenten hanteren hierbij verschillende grenzen: van 3 tot 6 maanden. Anderzijds moet de opdrachtgever voor de inzet via Flextensie een marktconform tarief betalen. Dit is tenminste het wettelijk minimumloon inclusief werkgeverslasten, maar gemeenten moeten dit tarief aanpassen wanneer voor de gevraagde werkzaamheden een hoger cao-loon van toepassing is. In artikel 7, lid 9 van de Participatiewet wordt artikel 5 Wsw van toepassing verklaard. Artikel 5 Wsw regelt dat bij werken met behoud van uitkering concurrentieverhoudingen niet mogen worden verstoord, er moet een marktconforme prijs voor worden betaald.
De verantwoordelijkheid voor een juiste uitvoering van de wet ligt bij de gemeenten. Het is de taak van de gemeenteraad om toe te zien op een rechtmatige uitvoering van het gemeentelijke beleid. Ik laat mij nader informeren over de wijze waarop gemeenten invulling geven aan dit instrument en onder welke condities dit instrument wordt toegepast. Ik zal u over de uitkomsten informeren.
Het bericht ‘Koolmonoxidevergiftiging kinderen door barbecue in ijskoud huis’ |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Koolmonoxidevergiftiging kinderen door barbecue in ijskoud huis»?1
Ja.
Deelt u het uitgangspunt dat kinderen zoveel mogelijk moeten worden beschermd tegen de meest ernstige gevolgen van schulden, zoals het afsluiten van nutsvoorzieningen of huisuitzetting?
Ja.
Welke regels gelden nu met betrekking tot het afsluiten van nutsvoorzieningen wegens schulden?
De regels voor het afsluiten van elektriciteit en gas betreffen het terrein van de Minister van Economische Zaken en zijn vastgelegd in de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas. De afsluitprocedure voor het afsluiten van drinkwater valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu en is beschreven in de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van drinkwater. Beide regelingen kennen een zorgvuldige incassoprocedure en zijn gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van ongewenste afsluiting van huishoudens en het voorkomen van het oplopen van betalingsachterstanden.
In het algemeen is geregeld dat mensen altijd eerst tenminste één betalingsherinnering krijgen waarin zij worden geïnformeerd over het afsluitbeleid en de mogelijkheid van schuldhulpverlening. Iemand die daar niet op reageert mag alleen afgesloten worden als daardoor geen ernstige gezondheidsrisico’s voor de betrokkene of zijn huisgenoten (bijvoorbeeld kinderen) ontstaan – blijkende uit een medische verklaring. De bescherming voor deze groep kwetsbare huishoudens geldt het hele jaar. Daarnaast vinden er, ook als er geen ernstige gezondheidsrisico’s spelen, in principe geen afsluitingen van elektriciteit en gas in de winterperiode (1 oktober – 1 april) plaats. Hierin hebben mensen wel een eigen verantwoordelijkheid. Werkt de betrokkene niet mee aan schuldhulpverlening, is er sprake van fraude of verzoekt de betrokkene zelf om afsluiting, dan kan een huishouden ook in de winterperiode afgesloten worden.
Bent u bereid te verbieden dat gas, water en licht worden afgesloten wegens schulden, indien er kinderen bij het betreffende huishouden horen? Waarom wel of niet? Wat gaat u doen om te voorkomen dat het gas, water en licht kan worden afgesloten bij schulden als er kinderen bij het betreffende huishouden horen?
Zoals hiervoor is toegelicht, kunnen mensen niet zomaar afgesloten worden. De huidige regels voorzien in een zorgvuldige incassoprocedure. In aanvulling hierop hebben de drinkwaterbedrijven en de energiesector vrijwillige afspraken met schuldhulpverleningsorganisaties gemaakt. De koepel van drinkwaterbedrijven Vewin en de brancheorganisatie voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK) hebben een convenant afgesloten waarin is afgesproken om, ook in de gevallen waarin de regeling dat wel toestaat, huishoudens niet af te sluiten wegens wanbetaling, in geval van (een aanvraag om) schuldhulp. Energie Nederland en de NVVK hebben afspraken gemaakt die inhouden dat huishoudens die op grond van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas in de winterperiode mogen worden afgesloten, niet worden afgesloten zolang er sprake is van strenge vorst. Dit is aan de orde als het KNMI in De Bilt twee dagen achter elkaar een gemiddelde etmaaltemperatuur onder de nul graden Celsius heeft gemeten. Op basis van bovenstaand omschreven huidig beleid is het kabinet van mening dat het afsluitbeleid, in het bijzonder het afsluitbeleid bij kwetsbare huishoudens, geen aanpassing behoeft.
Worden bij een voornemen om nutsvoorzieningen af te sluiten de gemeente en hulpinstanties automatisch geïnformeerd? Zo nee, bent u bereid dit verplicht te stellen, zodat gemeenten of hulpinstanties de tijd krijgen om de situatie te helpen verbeteren in het belang van de betrokken kinderen?
Het verstrekken van gegevens is maatwerk en geen verplichting. Bij een betalingsachterstand voor elektriciteit, gas of drinkwater krijgt iemand altijd eerst ten minste één schriftelijke betalingsherinnering van de leverancier/netbeheerder, waarin hij wordt geïnformeerd over het afsluitbeleid en de mogelijkheid tot schuldhulpverlening. Daarin biedt de leverancier of netbeheerder aan om, mèt schriftelijke toestemming van de betrokkene, diens gegevens te verstrekken aan een instantie ten behoeve van schuldhulpverlening.
Naast het sturen van een betalingsherinnering geldt voor de leverancier/netbeheerder een inspanningsverplichting om in persoonlijk contact te treden met de betrokkene teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen, en om uitsluitsel te krijgen over het al of niet geven van toestemming tot verstrekking van gegevens aan schuldhulpinstanties.
Als iemand niet reageert kan het drinkwaterbedrijf de contactgegevens van de betrokkene, diens klantnummer en informatie over de hoogte van diens schuld zonder toestemming van de wanbetaler aan een instantie ten behoeve van schuldhulpverlening verstrekken. Het drinkwaterbedrijf zal dat doen indien zij de inschatting maakt dat deze hulpverlening kan bijdragen aan gedragsverandering van de betrokkene. In het geval van elektriciteit en gas mag de leverancier/netbeheerder alleen in de winterperiode (1 oktober – 1 april) zonder toestemming van betrokkene gegevens doorgeven aan een instantie die schuldhulpverlening biedt. Op dit moment wordt verkend of de regeling verruimd kan worden zodat dit gedurende het gehele jaar mogelijk is.
Welke regels gelden nu met betrekking tot uithuiszettingen van huishoudens met kinderen?
Deze vraag betreft de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De regeling voor het beëindigen van de huur van woonruimte is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek en houdt in dat voor het beëindigen van de huur door een verhuurder bijzondere regels gelden, waardoor een huurder niet zonder meer uit zijn of haar huis kan worden gezet. Wanneer er sprake is van wanbetaling (de huur is niet voldaan), dan kan de verhuurder de huurovereenkomst opzeggen, omdat «de huurder zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt». De verhuurder kan de huurovereenkomst ook ontbinden op grond van het door de huurder tekortschieten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen (wanprestatie). Beëindiging van de huurovereenkomst kan alleen via de rechter. Een gedwongen ontruiming zal dus alleen plaatsvinden na een rechterlijke toets. Dit waarborgt dat een huisuitzetting niet zonder meer plaats vindt.
Corporaties doen er alles aan om het aantal huisuitzettingen in verband met huurachterstand te beperken. Dat doen zij onder meer door persoonlijk contact, maatwerk en samenwerking met lokale partijen. Het aantal huisuitzettingen is de afgelopen twee jaar dan ook gedaald. Dat blijkt uit onderzoek van Aedes, de vereniging voor woningcorporaties2. Ook als er sprake is van een vonnis tot ontruiming doen corporaties er nog alles aan om een huisuitzetting te voorkomen. Uit hetzelfde onderzoek van Aedes blijkt dat slechts een kwart van de vonnissen tot een uiteindelijke huisuitzetting leidt.
De bestaande maatregelen met betrekking tot huisuitzettingen bieden genoeg waarborgen voor huurders. Een verbod op huisuitzettingen voor bepaalde huishoudens wordt dan ook niet nodig geacht.
Bent u bereid te verbieden dat gezinnen met kinderen uit huis worden gezet wegens schulden? Waarom wel of niet? Wat gaat u doen om te voorkomen dat gezinnen met kinderen uit huis kunnen worden gezet wegens schulden?
Zie antwoord vraag 6.
Worden bij een voornemen om een gezin uit huis te zetten de gemeente en hulpinstanties automatisch geïnformeerd? Zo nee, bent u bereid dit verplicht te stellen, zodat gemeenten of hulpinstanties de tijd krijgen om de situatie te helpen verbeteren in het belang van de betrokken kinderen?
Er is geen landelijk uniform beleid dat gemeenten en hulpinstanties automatisch worden geïnformeerd als er sprake is van een huisuitzetting. Wel zijn er vaak lokaal en regionaal convenanten gesloten tussen gemeenten, corporaties en hulpverlenende instanties waarin afspraken worden gemaakt rondom huisuitzettingen. Overigens nemen corporaties altijd contact op met de hulpverlenende instanties wanneer er sprake is van huisuitzettingen met kinderen.
Ben u bereid schulden rond wonen en nutsvoorzieningen alsnog preferent te maken?
Het preferent maken van huurschulden en schulden rond nutsvoorzieningen biedt geen oplossing voor het probleem dat mensen niet genoeg geld hebben om hun vaste lasten te betalen en is daarom niet wenselijk. Helaas komt het op dit moment voor dat in veel gevallen de beslagvrije voet niet goed wordt berekend en daardoor te laag wordt vastgesteld. De beslagvrije voet vormt het minimuminkomen waarover iedere Nederlander moet kunnen blijven beschikken om in zijn basale levensbehoeften te voorzien. Daarmee stelt het mensen in principe in staat om hun vaste lasten rond wonen en nutsvoorzieningen te (blijven) betalen, ook als er beslag op het inkomen wordt gelegd. Van mensen kan ook worden gevraagd dat zij hun individuele omstandigheden aanpassen aan de nieuwe financiële situatie, en waar mogelijk hun uitgavenpatroon daarop aanpassen. Op dit moment wordt de beslagvrije voet mede door de complexiteit van de berekening ervan niet altijd gerespecteerd. Het wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet dat ik onlangs aan uw Kamer heb aangeboden beoogt hier een einde aan te maken.
Preferentie speelt alleen bij de verdeling van de opbrengst van een executoriaal beslag en is niet van invloed op de hoogte van de beslagvrije voet. Het geeft de rangorde van de vorderingen van schuldeisers aan in het geval er meerdere schuldeisers zijn. Dit speelt bijvoorbeeld als meerdere schuldeisers door middel van loonbeslag hun vordering proberen te vereffenen.
Is het mogelijk om voor mensen met kinderen en grote schulden, desnoods door inhouding van loon of uitkeringen te verzekeren dat zij deze vaste lasten betalen, indien uithuiszetting of afsluiten van nutsvoorzieningen dreigt?
Er staan gemeenten verschillende instrumenten ter beschikking om mensen die moeite hebben om hun vaste lasten te betalen, financieel te ontzorgen. Ook als het gaat om mensen met kinderen en grote schulden kan de gemeenten hier gebruik van maken, bijvoorbeeld indien uithuiszetting of het afsluiten van nutsvoorzieningen dreigt. Zo kan de inzet van budgetbeheer, een vorm van financieel beheer op vrijwillige basis, worden overwogen of het inzetten van beschermingsbewind. Ook biedt de Participatiewet de mogelijkheid aan gemeenten om vaste lasten in te houden op de bijstanduitkering en voor betaling te zorgen. Van deze mogelijkheid wordt door gemeenten, al dan niet tijdelijk, ook gebruik gemaakt.
Bent u bereid met gemeenten en hulpverleners te overleggen over knelpunten die zij zien bij het voorkomen van ernstige problemen bij gezinnen met kinderen en grote schulden, en de Kamer over de uitkomsten daarvan uiterlijk 1 februari 2017 te informeren?
Armoede- en schuldenbeleid is decentraal belegd. Gemeenten hebben de mogelijkheid om maatwerk te bieden en staan dicht bij de burger. Dat gebeurt op lokaal niveau en veelal in samenwerking met partijen als woningcorporaties, nutsbedrijven, het lokale bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Ik spreek de betrokken partijen regelmatig over onder andere de knelpunten die zij hierbij tegenkomen en zal dat blijven doen. Laagdrempelige hulp bij het vroegtijdig onder controle krijgen van schuldenproblematiek is essentieel, zeker ook als er kinderen in het spel zijn. Daarom heb ik onlangs een subsidie toegekend voor landelijke ondersteuning aan gemeenten bij de (verdere) ontwikkeling van een aanpak van vroegsignalering. Hierbij hebben gemeenten de mogelijkheid om advies en ondersteuning op maat te krijgen. Ook is subsidie toegekend aan het samenwerkingsverband van Divosa, de VNG, de NVVK, Sociaal Werk Nederland en de LCR voor de ontwikkeling van een ondersteuningsprogramma voor de gemeentelijke schuldhulpverlening. Het verder brengen van vroegsignalering vormt hier een belangrijk onderdeel van. Ik ben ervan overtuigd dat het voorkomen van problematische schulden voor mensen van groot belang is om armoede te bestrijden.
Het bericht dat pleegkinderen na hun 18e verjaardag vaak in de knel komen |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur van 17 december 2016 en het specifieke item over pleegkinderen die na hun 18e verjaardag vaak in de knel komen? Bent u ook bekend met de andere berichten dat pleegouders en pleegkinderen zich grote zorgen maken? Wat is hierop uw reactie?1 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat als kinderen nog in hun eindexamenjaar zitten, of net zijn begonnen aan een studie, ze de kans moeten krijgen om bij hun pleegouders te blijven wonen na hun 18e verjaardag, waarbij indien nodig begeleiding kan doorlopen evenals de pleegzorgvergoeding? Zo ja, welke stappen onderneemt u concreet om dit te realiseren en faciliteren?
De Jeugdwet faciliteert de mogelijkheid dat kinderen vanaf hun 18de tot uiterlijk hun 23ste jaar nog in hun pleeggezin kunnen blijven. Het is aan gemeenten om in overleg met pleegouders, pleegkinderen, de pleegzorgaanbieder en eventueel de gezinsvoogd tot een beoordeling te komen wat nodig en wenselijk is voor de 18-jarige. Om dat extra te stimuleren, vinden diverse acties plaats in samenwerking met de VNG, Jeugdzorg Nederland, de vereniging voor pleeggezinnen (NVP) en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). In het toegezegde Actieplan Pleegzorg zal ik hier uitvoerig op ingaan. Dit actieplan kunt u dit eerste kwartaal tegemoet zien.
De VNG heeft op mijn verzoek eind augustus 2016 gemeenten met een factsheet gewezen op de mogelijkheid van verlenging van jeugdhulp en dus ook van pleegzorg vanaf het 18de jaar (tot het 23ste jaar). De Jeugdwet is hier duidelijk over in artikel 1.1. Gemeenten kunnen besluiten jeugdhulp te bieden na het 18de jaar, maar er kan ook besloten worden tot een vorm van ondersteuning vanuit de Wmo 2015 (bijvoorbeeld begeleid kamerwonen), afhankelijk van behoeften en zelfstandigheid en voorkeur van de jongere (die immers 18 is). Advies aan gemeenten is dan ook om al in een vroeg stadium met jongeren te kijken wat ze nodig hebben als ze 18 jaar worden. Dit bericht is door de VNG herhaald in december 2016.
In de maanden januari en februari van dit jaar worden drie bovenregionale bijeenkomsten voor gemeenten georganiseerd door het NJi samen met VNG, Jeugdzorg Nederland en de NVP over pleegzorg. Centraal in deze bijeenkomsten staat hoe een optimaal continuüm van jeugdhulp in gezinsvormen er uit ziet, inclusief de eventuele aansluiting op ambulante hulp en residentiële hulp. Aandacht in dit continuüm is uiteraard ook de hulp en begeleiding vanaf het 18de jaar. Dit moet leiden tot praktische handvatten voor gemeenten. Bestaande kennis en voorbeelden van innovatie en vernieuwing worden zoveel mogelijk benut.
Een gemeentelijke werkgroep heeft in opdracht van de VNG (vanaf oktober 2015) en met steun van het NJi en VWS knelpunten en oplossingen geïnventariseerd waar jongeren die 18 worden tegenaan lopen. Hieruit is eind juni 2016 de handreiking «18- 18+ van jeugd naar volwassenheid» gekomen en er zijn een aantal learn & share bijeenkomsten georganiseerd.
De overgang naar volwassenheid kan op veel vlakken problemen opleveren voor jongeren (onderwijs, zorg, huisvesting, veiligheid, financiën). Ik vind het belangrijk dat jongeren op al deze vlakken de juiste ondersteuning krijgen om deze overgang goed te laten verlopen. Om integrale oplossingen voor deze problematiek te vinden is daarom in het najaar van 2016 in overleg met de VNG, leden van de gemeentelijke werkgroep, VWS en het NJi een landelijke werkagenda opgezet met als doel om de kwaliteit van de aansluiting van beleid en praktijk voor kwetsbare groepen jongeren in de overgang van jeugd naar volwassenheid te stimuleren op alle domeinen. De agenda bestaat uit drie sporen: communicatie, een ontwikkelagenda voor de praktijk en een landelijk spoor. Meer hierover in de Kamerbrief die gelijktijdig aan u wordt gezonden over het onderwerp 18- 18+.
Wat vindt u van gemeenten die de pleeg- of jeugdzorg stoppen als een jongere 18 jaar is geworden, zonder dat er een gesprek heeft plaatsgevonden? Deelt u de mening dat dit in strijd met de wet is en kunt u dit nader toelichten? Ziet u het als onderdeel van uw systeemverantwoordelijkheid om dit te bespreken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)? Zo ja, bent u bereid om dit te doen? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid om jeugdhulp op het 18de jaar wel of niet te stoppen valt onder de zorgplicht van gemeenten: de jeugdhulpplicht. De gemeente is verantwoordelijk voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van de verschillende vormen van jeugdhulp en van gecertificeerde instellingen. Zij zorgt ervoor dat ieder kind dat een vorm van jeugdhulp nodig heeft, deze ook daadwerkelijk krijgt. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 aangeef, is het mogelijk dat pleegzorg na het bereiken van de 18-jarige leeftijd doorloopt. Net als mevrouw Bergkamp ben ik daarbij van mening dat pleegzorg niet zonder gesprek mag worden stopgezet en dat het gesprek zo vroeg mogelijk moet worden gevoerd, zodat er voldoende tijd is om te bepalen wat voor de jeugdige het beste is. In antwoord 2 heb ik tevens aangegeven hoe ik samen met de VNG en andere betrokken organisaties goede zorg aan kwetsbare jongeren op weg naar zelfstandigheid stimuleer.
Vindt u ook dat minimaal een jaar of driekwart jaar voordat een jongere 18 jaar wordt een gesprek moet plaatsvinden met het pleegkind en pleeggezin door de gemeente over welke ondersteuning er eventueel nog nodig is? Zo ja, kunt u dit bespreken met de VNG, zodat zij dit communiceert met gemeenten en deze dit eventueel kunnen opnemen in hun werkwijze? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 3.
Vindt u ook dat jeugdhulpinstellingen jongeren moeten voorbereiden op de basale zaken die horen bij het volwassen worden, zoals het volgen van een opleiding, het vinden van een baan en het vinden van een huis? Vindt u dat dit voldoende gebeurt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Ik ben het met u eens dat jeugdhulpinstellingen kwetsbare jongeren goed moeten voorbereiden op hun 18de jaar en alles wat daarbij komt kijken. Er zijn goede voorbeelden van methodieken waarmee jeugdhulporganisaties dit met jongeren aan de orde hebben, zoals Stichting Jeugdformaat in Haaglanden die met alle jongeren van 16 jaar een toekomstplan maakt en een 16+ coach beschikbaar stelt. De William Schrikker Groep heeft samen met de Eigen Kracht Centrale «Krachtplan 18+» ontwikkeld voor licht verstandelijke beperkte jongeren die 18 worden.
Binnen de landelijke werkagenda 18-/18+ zijn de betrokken partijen bezig met het aanleveren van bouwstenen voor een gedegen toekomstplan voor jongeren. Dit toekomstplan biedt professionals handvatten om in samenwerking met de jongere en andere betrokken partijen de juiste en passende ondersteuning te bieden en benoemt alle knelpunten die er op alle leefdomeinen kunnen spelen (wonen, school, werk, relaties etc.). In een volgend bestuurlijk overleg met de VNG en jeugdhulpbranches zal ik het gebruik van een toekomstplan aan de orde brengen. In de brief die gelijktijdig aan u wordt gezonden over het onderwerp 18- 18+ ga ik hier dieper op in.
Vindt u dat de samenwerking tussen instellingen en gemeenten verbeterd kan worden voor wat betreft een goede aansluiting tussen de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het voortzetten van de jeugdhulp? Zo ja, hoe wilt u dit faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Middels de landelijke werkagenda ondersteun ik gemeenten bij de overgang tussen de Jeugdwet en de Wmo 2015. De landelijk werkagenda richt zich deels op het uitbreiden van kennis bij gemeenten over de bestaande mogelijkheden (delen en ontwikkelen van best practices, communicatie). Een ander deel van de werkagenda heeft betrekking op het wegnemen van knelpunten voor gemeenten. De departementen VWS, BZK, OCW, SZW en VenJ zijn in gesprek met gemeenten om knelpunten die gemeenten niet zelf op kunnen lossen in kaart te brengen. Deze partijen zullen gezamenlijk aan de slag gaan om deze punten op te lossen.
Bij de overgang naar meerjarigheid is het aan gemeenten om die goede aansluiting te realiseren. Zij zijn immers voor de uitvoering van beide wetten verantwoordelijk. Het ligt voor de hand om de in de opdrachtverlening aan zorgaanbieders hierover afspraken te maken. Ik heb samen met de VNG gemeenten opgeroepen om met ingang van 1 januari 2017 te organiseren dat burgers bij een aanspreekpunt terecht kunnen als hun individuele complexe situatie (dreigt) vast te lopen en kinderen hiervan onnodige schade ondervinden. Dit aanspreekpunt moet voldoende doorzettingsmacht hebben binnen de gemeente en waar nodig richting zorgaanbieders en andere organisaties (bijvoorbeeld onderwijs) om een zaak op te kunnen lossen. Er zijn hierover goede voorbeelden, zoals de gemeente Leiden, waar een doorbraakambtenaar actief is die de bevoegdheid en doorzettingsmacht heeft om over domeinen en sectoren heen te stappen. Ook de gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen hebben een ontschotter sociaal domein. Er is een platform casuïstiek ingericht waar complexe, vastgelopen problematiek wordt gemeld, opgepakt en opgelost. In eerste instantie bedoeld voor professionals, maar ook cliënten kunnen zich melden. De ontschotter werkt met doorzettingsmacht en budget. Hij rapporteert zijn bevindingen aan een zogenaamde transformatietafel waar bestuurders en directeuren aanschuiven. Deze aanjaagfunctie is nadrukkelijk tijdelijk van aard, om zo een beweging te maken binnen cultuur, systemen en wet- en regelgeving.
Bent u bereid in het Actieplan Pleegzorg met passende en expliciete oplossingen te komen voor kwetsbare pleegkinderen die er nu vanaf hun 18e te vaak alleen voor staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hiervoor overleg te hebben met onder andere Jeugdzorg Nederland?
Ja, het actieplan zal ingaan op het thema van kwetsbare pleegkinderen die 18 jaar worden. Ik ben hierover reeds in gesprek met onder andere Jeugdzorg Nederland en VNG.
Klopt het dat bij een pleegzorgplaatsing over gemeentegrenzen heen, de financiële verantwoordelijkheid op de 18e verjaardag van het pleegkind overgaat van de ene gemeente (woonplaats ouder/gezagsdrager) naar de andere gemeente (woonplaats pleegkind en pleegouders)? Klopt het dat deze overgang zorgt voor een probleem bij het praktisch organiseren van verlengde pleegzorg? Zo ja, hoe kunnen deze knelpunten worden weggenomen?
Het klopt dat de financiële verantwoordelijkheid vanaf het 18de jaar van het pleegkind bij een andere gemeente kan komen te liggen. Dat hoeft geen probleem te zijn bij het organiseren van verlengde pleegzorg (bij dezelfde pleegouders). Het betekent dat de nieuw verantwoordelijke gemeente een besluit moet nemen over het wel of niet verlengen van pleegzorg. Het is van belang dat hier tijdig op wordt geanticipeerd. Dit punt wordt onderdeel van het toegezegde actieplan.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRB) dat ongehuwd samenwonenden, waarvan de één voor de ander zorgt, niet zonder meer mogen worden beschouwd als stel en de uitkering van de één dan ook niet zonder meer mag worden geschrapt als de ander voldoende inkomsten heeft?1
Op personen die samenwonen én een gezamenlijke huishouding voeren (gehuwd of ongehuwd) is de bijstandsnorm van «gehuwden» van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor samenwonende bloedverwanten in de tweede graad (broers en zussen) die een gezamenlijke huishouding voeren. Alleen samenwonende familieleden te weten bloed- en aanverwanten in de eerste graad (ouders- (pleeg)kinderen) zijn hiervan uitgezonderd.
In de Participatiewet (destijds WWB) is per 1-1-2004 een amendement van de Kamer opgenomen dat regelt dat «broers en zussen» die een gezamenlijke huishouding voeren, bij de beoordeling van het recht op bijstand ook worden uitgezonderd van de toepassing van de gehuwdennorm, indien er bij één van hen een zorgbehoefte bestaat. Dit amendement is destijds door de toenmalige Staatssecretaris ontraden omdat er met het amendement sprake zou zijn van discriminatie jegens andere ongehuwd samenwonenden met een zorgbehoeftige partner. Het amendement is niettemin door de Kamer aangenomen.
Op 6 december jl. heeft de CRvB in een aldaar specifiek aanhangig gemaakte casus geoordeeld dat de betreffende regeling in de Participatiewet voor zover «de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad, wegens strijd met artikel 26 van het IVBRP (discriminatie) buiten toepassing dient te worden gelaten». De thans voorliggende uitspraak van de CRvB acht ik in lijn met hetgeen de toenmalige Staatssecretaris aan de Kamer heeft gemeld.
Welke wettelijke aanpassingen gaat u treffen om gehoor te geven aan het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dat er geen rechtvaardiging is voor de verschillende behandeling van samenwonende tweedegraadsbloedverwanten en andere ongehuwd samenwonenden, indien één van hen zorgbehoevend is?
De uitspraak van de CRvB d.d. 6 december 2016 heeft tot gevolg dat de Participatiewet moet worden gewijzigd. Hiertoe worden momenteel voorbereidingen getroffen.
Zolang de Participatiewet niet is gewijzigd zijn de gemeenten gehouden om in voorkomende individuele gevallen rekening te houden met de genoemde CRvB uitspraak. Dit betekent dat de uitzondering die volgens de huidige wettelijke regeling alléén geldt voor tweede graads bloedverwanten op alle ongehuwd samenwonenden van toepassing is mits aan de voorwaarden van de zorgbehoefte wordt voldaan. Naar vaste rechtspraak wordt als zorgbehoeftige aangemerkt de persoon van wie is vastgesteld dat hij vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard in aanmerking komt voor een opname in een AWBZ-inrichting (thans: Wlz-inrichting). Voorts is van zorgbehoefte sprake als de persoon die vanwege ziekte of een stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of is aangewezen op constant toezicht teneinde mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
Ik zal in de eerstkomende verzamelbrief de gemeenten informeren hoe te handelen in afwachting van deze wetswijziging.
De nieuwe kandidatenverkenner van het UWV op werk.nl |
|
Norbert Klein (Klein) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u na de lancering op 18 november 2016 van deze UWV-kandidatenverkenner kennis genomen van de inhoud van de nieuwe kandidatenverkenner zoals deze te vinden is op werk.nl?1
Ja, ik heb kennis genomen van de inhoud van de Kandidatenverkenner banenafspraak, zoals deze te vinden is op werk.nl.2
Bent u van mening dat het rechtvaardig is dat in de verkenner alleen maar kandidaten staan die afstand tot de arbeidsmarkt hebben en dus niet voor alle kandidaten die ingeschreven staan bij het UWV?
Van belang is dat de toegang voor werkgevers voor het zoeken naar alle (potentiële) kandidaten, die ingeschreven staan bij UWV, verloopt via werk.nl. Werkgevers die specifiek zijn geïnteresseerd in kandidaten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt die meetellen voor de Banenafspraak, kunnen hiervoor gebruik maken van de extra zoekmogelijkheid die de Kandidatenverkenner banenafspraak is. De Kandidatenverkenner banenafspraak helpt bij het vinden van de juiste persoon voor de juiste plek. De verkenner als applicatie kan dus – naast het reeds bestaande – worden aangemerkt als een extra, een nieuwe impuls om werkgevers te ondersteunen bij het vinden van kandidaten uit de bijzondere groep werkzoekenden met een arbeidsbeperking. In het licht van het sociaal akkoord van het kabinet met sociale partners, is dit een goede zaak.
Ook niet-arbeidsbeperkte kandidaten presenteren zich op werk.nl aan werkgevers, bijvoorbeeld via een erkend cv. Het feit dat de Kandidatenverkenner banenafspraak enkel via werk.nl te benaderen is, betekent dat een werkgever ook toegang heeft tot andere werkzoekenden en daarmee de mogelijkheid om breder te zoeken. Dit maakt dat de applicatie niet discriminatoir is.
Kunt u uw mening geven of deze profilering, zoals deze in bovenstaande vraag is geschetst, discriminerend is?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de gegevens van de reguliere werkzoekenden niet in deze verkenner staan? Bent u van mening dat de reguliere werkzoekenden hierdoor gediscrimineerd worden? Kunt u nader verklaren waarom deze gegevens niet in de verkenner staan? Zo nee, waarom niet?
Aangegeven is dat de Kandidatenverkenner banenafspraak voor werkgevers een voorselectie maakt van (potentiële) kandidaten die behoren tot de doelgroep Banenafspraak. Met betrekking tot de selectiecriteria kan deze onder meer zoeken op opleidingsniveau, het aantal uur dat een kandidaat wil werken, de reisafstand, in welke sectoren de kandidaat wil werken, welke type werk iemand affiniteit mee heeft en in welke mate iemand beschikbaar is voor werk.
Bij UWV presenteren alle ingeschreven werkzoekenden zich op werk.nl aan werkgevers, ook niet-arbeidsbeperkte kandidaten. Bij de realisatie van de Banenafspraak is de Kandidatenverkenner banenafspraak een extra tool om de werkgever te ondersteunen. Ik deel niet de mening dat er sprake is van discriminatie of enige mate van uitsluiting.
Kunt u uitleggen waarom er wel gebruik zal worden gemaakt van de kandidatenverkenner door bedrijven als zij worden bedreigd met financiële sancties?
Met het sociaal akkoord hebben het kabinet en sociale partners afgesproken dat zij gezamenlijk banen creëren voor mensen met een arbeidsbeperking; in totaal gaat het om 125.000 (extra) banen in 2025. Hierbij geldt dat zodra de afgesproken aantallen door werkgevers niet zijn gehaald, de Quotumwet wordt geactiveerd. Werkgevers hebben uitdrukkelijk aangegeven zelf inzicht te willen hebben in de profielen van de doelgroep. Hiertoe heeft UWV de Kandidatenverkenner banenafspraak ontwikkeld, met nauwe betrokkenheid van partijen (werkgevers en intermediairs) die hebben aangegeven op welke wijze zij gegevens willen zien.
Is er bij de realisatie van dit systeem gekeken naar andere initiatieven die al enige ervaring op dit onderwerp hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke zijn de verschillen met deze initiatieven?
UWV heeft bij de ontwikkeling van de Kandidatenverkenner banenafspraak ook gekeken naar andere initiatieven, zoals: «Onbeperkt aan de slag» en «Werken & Jij». Dit zijn door private leveranciers ontwikkelde digitale platforms waar werkgevers en werkzoekenden met een arbeidsbeperking elkaar digitaal kunnen treffen. Laatstgenoemde leverancier is door UWV uitgenodigd voor de voorbereidingsbijeenkomsten die georganiseerd zijn ten behoeve van de ontwikkeling van de verkenner als applicatie.
Er zijn echter grote verschillen tussen de door UWV ontwikkelde applicatie en de andere platforms. Een verschil heeft betrekking op het bereik aan zowel de werkzoekenden- als aan werkgeverszijde. In het bijgevoegde onderzoek van Regioplan Beleidsonderzoek B.V. (2016), staan de aantallen kandidaten en de aantallen aangesloten werkgevers genoemd die gebruik maken van deze private initiatieven3. Het bereik van de Kandidatenverkenner banenafspraak is groter.
Een ander verschil is dat het hierbij om private initiatieven gaat waarvoor werkgevers moeten betalen; dit in tegenstelling tot de door UWV ontwikkelde Kandidatenverkenner banenafspraak die uit publieke middelen is gefinancierd en de informatie kosteloos ter beschikking stelt. Bij de ontwikkeling is, zoals eerder benoemd, ook gebruik gemaakt van input van werkgevers, intermediairs en re-integratiepartners, om aan de behoeften tegemoet te komen.
Bent u bereid om de nieuwe kandidatenverkenner zoals deze te vinden is op werk.nl te verbeteren om verdere discriminatie te voorkomen? Zo ja, op welke termijn gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de antwoorden op de vragen twee, drie en vier is opgemerkt, verloopt de (digitale) toegang voor werkgevers voor het zoeken naar (potentiële) kandidaten via werk.nl. De werkwijze via werk.nl is niet discriminatoir, omdat werk.nl toegang biedt tot alle werkzoekenden die ingeschreven staan bij UWV.
Graag geef ik tot slot mee dat UWV verdere verbetering zal aanbrengen, dit om meer en betere transparantie (zichtbaar, vindbaar) van de doelgroep te generen op basis van wensen vanuit de markt. Een aantal werkgevers en intermediairs heeft aangegeven te willen zoeken op de selectieoptie van het hebben van een rijbewijs. UWV verkent momenteel deze optie. De doorontwikkeling van de Kandidatenverkenner banenafspraak is gepland voor het tweede kwartaal van 2017 (en verder). De exacte realisatie is afhankelijk van beschikbare releasecapaciteit en planning bij het UWV.
Tekort aan aangepaste en ouderenwoningen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van De Monitor over huurdersproblemen bij senioren?1
Op verzoek van de programmamakers heb ik gereageerd op hun bevindingen. Deze reactie was onderdeel van het programma en ik heb hierin aangegeven dat corporaties over meer dan voldoende middelen beschikken om de gesignaleerde problemen op te lossen. Het jaarresultaat van € 5,5 mld. (volkshuisvestelijk resultaat) dat uit het Sectorbeeld 2016 van de Autoriteit woningcorporaties (Kamerstuk 29 453, nr. 430) komt, markeert de goede financiële positie. De corporatiesector zou dan ook financieel in staat moeten zijn om de huren van (aangepaste) woningen voor mensen met een laag inkomen te verlagen. Dat sluit aan bij het doel van de passendheidstoets: er voor zorgen dat mensen met de laagste inkomens de woningen krijgen toegewezen met een voor hen betaalbare huur. Ook heeft de sector voldoende middelen om meer woningen te gaan bouwen. Dit kunnen, indien daar lokaal behoefte aan bestaat, woningen zijn die geschikt zijn voor mensen die zorg of ondersteuning nodig hebben. Bovenstaande neemt niet weg dat ik, zoals ik uw Kamer heb toegezegd, momenteel bezig ben om inzichtelijk te maken of er groepen zijn waarvoor de passendheidstoets ongewenste effecten heeft. Ik zal uw Kamer hierover binnenkort informeren.
Klopt het dat voor minstens een kwart van de woningzoekende ouderen geen betaalbaar huurhuis beschikbaar is en hoe verklaart u dit tekort?2
In de analyse van het programma De Monitor wordt de woningvraag van ouderen met een inkomen onder de huurtoeslaggrens naar seniorenwoningen afgezet tegenover het vrijkomende aanbod aan seniorenwoningen met een huur onder de aftoppingsgrens. Er zijn echter meerdere mogelijkheden om lokaal tegemoet te komen aan de vraag van ouderen naar een betaalbare toegankelijke huurwoning. Een corporatie kan de aanvangshuur van een seniorenwoning voor iemand met een laag inkomen verlagen tot de aftoppingsgrens. Daarnaast kunnen door aanpassingen in de bestaande voorraad meer woningen toegankelijk worden gemaakt voor ouderen. Ook kan extra aanbod worden gecreëerd door transformatie of nieuwbouw.
Hoe lang staat een woningzoekende oudere gemiddeld op één of meer wachtlijst(en) om in aanmerking te komen voor een geschikte en betaalbare huurwoning? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het RIGO-onderzoek «Wachten, zoeken en vinden» uit 2016 (Kamerstuk 32 847, nr. 229) is de zoekduur van 65+ers in een vijftal regio’s (Zuid-Kennemerland, Drechtsteden, Utrecht, Hengelo en Groningen) onderzocht. In deze regio’s ligt de zoekduur voor 65+ers tussen de één en drie jaar. Daarmee is de zoekduur voor ouderen korter dan voor andere leeftijdsgroepen. Veel ouderen staan al lang (uit voorzorg) ingeschreven bij een systeem, voordat ze op zoek gaan naar een woning. Die lange inschrijfduur zorgt er voor dat er maar weinig zoekduur nodig is als ze willen verhuizen. Bij een reactie op een woning zullen ouderen meestal hoog in de rangorde eindigen.
Hoe verhoudt passend toewijzen en het wachten op een geschikte sociale huurwoning zich tot het kabinetsbeleid om mensen langer zelfstandig thuis te laten wonen, waarbij wordt uitgegaan van «tijdig kunnen verhuizen naar een huis dat past bij de volgende levensfase»?3
Primair dragen woningcorporaties de zorg voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van geschikte woningen voor de doelgroep. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om de lokale volkshuisvestingsopgave te bepalen. Op basis van de opgave maakt de corporatie prestatieafspraken met de gemeente en huurdersorganisaties over de bijdrage die de corporatie levert. Betaalbaarheid en beschikbaarheid voor de doelgroep respectievelijk ouderenhuisvesting en wonen met zorg zijn benoemd als prioritaire thema’s voor de prestaties van de corporaties in de komende jaren (Kamerstuk 32 847, nr. 180). Woningen die geschikt zijn voor ouderen hebben niet per definitie een huurprijs die boven de aftoppingsgrens uitkomt. Indien er op lokaal niveau onvoldoende passende woningen met een huurprijs tot aan de aftoppingsgrens beschikbaar worden gesteld, hebben corporaties de mogelijkheid om een wat duurdere woning voor een lagere aanvangshuur aan te bieden. Want ook voor mensen met een laag inkomen die een geschikte woning wensen, geldt dat deze betaalbaar moet zijn.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de motie Bashir, waarin de regering wordt verzocht om zich extra in te spannen voor meer betaalbare en geschikte (zorg)woningen en hiervoor concrete maatregelen voor te leggen aan de Kamer?4
In de reactie op het rapport van het Aanjaagteam Langer Zelfstandig Wonen (Kamerstuk 32 847, nr. 228) hebben de Staatssecretaris van VWS en ik invulling gegeven aan een aantal moties, waaronder de motie Bashir. Wij gaven aan dat wij met het Aanjaagteam van mening zijn dat het aantal betaalbare en geschikte woningen op lokaal of regionaal niveau voornamelijk tot stand komt door goede afspraken tussen gemeenten, huurders en woningcorporaties. Daarnaast gaven wij aan dat het kabinet maatregelen heeft genomen om de sociale huursector toegankelijker te maken voor de doelgroep. Voorbeelden hiervan zijn de herziening van de Woningwet, het tegengaan van scheefwonen via de inkomensafhankelijke huurverhogingen, het passend toewijzen en de wet Doorstroming Huurmarkt 2015. In het door de ministeries van BZK en VWS gefinancierde kennis- en experimentenprogramma Langer Thuis van Platform31 wordt een praktische handreiking voor gemeenten, woningcorporaties, huurdersorganisaties en andere partijen als zorgaanbieders gemaakt over prestatieafspraken over wonen met zorg.
De jaarlijkse toe- of afname van het aantal aangepaste- en ouderenwoningen in de sociale huursector wordt niet bijgehouden. De reden hiervoor is dat dit soort woningen zo divers is dat er geen definitie aan te verbinden is. Overigens willen de meeste ouderen zo lang mogelijk in hun huidige woning blijven wonen en is dit door onder andere technologische ontwikkelingen en veranderingen in de zorg steeds beter mogelijk. Voor de sociale huursector geldt bovendien, zo blijkt uit rapport «Vergrijzing en extramuralisering op de woningmarkt» van RIGO, dat zij op dit moment vrij sterk vergrijsd is. Hierdoor zal de opgave voor woningcorporaties in kwantitatief opzicht niet groter worden. Door natuurlijke ontwikkeling zal het aandeel ouderen in de sociale huur de komende jaren naar verwachting verder afnemen om vervolgens te stabiliseren. Woningcorporaties krijgen volgens het rapport wel te maken met een toename van de groep met zwaardere beperkingen.
Welke extra inspanningen heeft u reeds ondernomen en hoeveel extra aangepaste- en ouderenwoningen in de sociale huursector zijn er het afgelopen jaar bijgekomen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om gesignaleerde knelpunten op te lossen door enerzijds het stimuleren van verhuurders om huurprijzen van (aangepaste) woningen te verlagen en anderzijds maatwerk binnen passend toewijzen toe te staan, zodat ouderen en mensen met een beperking niet worden benadeeld ten opzichte van reguliere huurders? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er voldoende betaalbare en geschikte huurwoningen voor ouderen en mensen met een beperking zullen zijn, aangezien u de toegankelijkheids- en bruikbaarheidseisen in het Bouwbesluit schrapt?5
Het lid Bashir doelt op de opvolger van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dat onder de Omgevingswet zal gaan vallen. Over dit besluit heb ik op 19 december 2016 met uw Kamer gesproken. Hierbij zijn met name de onderwerpen bruikbaarheid en toegankelijkheid uitgebreid aan de orde gekomen. De toegankelijkheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 zijn één op één overgenomen in het ontwerpBbl. De eisen worden dan ook niet geschrapt. Het ontwerpBbl bevatte wel een deregulering op het terrein van bruikbaarheid. In het overleg met uw Kamer heb ik toegezegd deze deregulering voor woningen ongedaan te maken door de huidige bruikbaarheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 alsnog op te nemen in het Bbl, waarbij gemeenten de mogelijkheid krijgen lokaal ontheffing te verlenen. Door uw Kamer zijn enkele moties aangenomen die hier ook toe oproepen. Aangezien hiermee de huidige toegankelijkheid- en bruikbaarheidseisen voor woningen ongewijzigd blijven, zie ik geen risico op een afname van betaalbare en geschikte (huur)woningen voor ouderen en mensen met een beperking.
“de Luxemburg-route” |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Amundi introduceert de Luxemburg-route»?1
Ja
Wat vindt u van de ontwikkeling dat er naast de België route nu ook de Luxemburg route is?
In antwoord op Kamervragen van het lid Lodders (VVD)2 van 3 juni jl. heeft het kabinet aangegeven een onderzoek te laten uitvoeren naar de precieze omgang en gevoelde urgentie bij belanghebbenden met betrekking tot grensoverschrijdende dienstverlening van pensioenfondsen. Dit onderzoek is inmiddels voorzien van een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer gestuurd.
Het doel van het onderzoek is om te inventariseren welke behoeften, kansen en mogelijke knelpunten internationale en middelgrote ondernemingen, pensioenuitvoerders, adviseurs en werknemers(vertegenwoordigers) ervaren ten aanzien van de huidige grensoverschrijdende pensioendienstverlening in het buitenland én die in Nederland. Het onderzoek is uitgevoerd door SEO op basis van deskresearch, interviews met 25 marktpartijen en De Nederlandsche Bank (DNB). Voor het onderzoek heeft DNB daarnaast data opgeleverd over grensoverschrijdende pensioenregelingen.
Uit dit onderzoek blijkt dat er op dit moment vier Nederlandse regelingen in Luxemburg worden uitgevoerd waarbij het in totaal gaat om minder dan 50 deelnemers. De verwachting van de geïnterviewden is dat ook in de toekomst het onderbrengen van Nederlandse regelingen in het buitenland geen grote vormen zal aannemen. Het kabinet blijft de ontwikkelingen op dit gebied nauwgezet in de gaten houden, waarbij het van belang is dat de deelnemer goed beschermd is.
De onderbrenging van een pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder is een keuze en verantwoordelijkheid van de sociale partners betrokken bij die pensioenregeling. Voor het kabinet staat voorop dat de deelnemer goed beschermd moet zijn wanneer een Nederlandse regeling in het buitenland wordt uitgevoerd. Een belangrijke waarborg voor de deelnemers bij overdracht is gelegen in het feit dat zij zelf beslissen over de overgang. Zo is bij de herziening van de IORP-richtljin geregeld dat een meerderheid van de vertegenwoordigers van (gewezen) deelnemers en gepensioneerden moet instemmen en hebben we recent in Nederland geregeld dat de ondernemingsraad moet instemmen. Daarnaast is expliciet in de richtlijn geregeld dat de toezichthouders van beide lidstaten moeten instemmen en blijft de toezichthouder van de lidstaat van de deelnemers toezicht houden op de toepassing van sociaal- en arbeidsrecht op de pensioenregeling.
Hoe ziet het Europese pensioenvehikel dat in Luxemburg is opgezet er uit? Is dit ook toegankelijk voor pensioenregelingen uit Nederland?
Het pensioenvehikel zoals genoemd in het artikel richt zich op Defined contribution regelingen (DC-regelingen). Dat kunnen ook Nederlandse DC-regelingen zijn. Zoals bij het antwoord op vraag 2 genoemd is het daarbij vooral van belang dat de deelnemer goed beschermd is, wat met de herziening van de IORP-richtlijn en de benodigde instemming van de ondernemingsraad naar de mening van het kabinet gewaarborgd is.
Heeft Nederland haar regelgeving op orde om werkgevers en pensioenuitvoerders de mogelijkheid te bieden om pensioenregelingen te centraliseren? Zo nee, waaraan schort het? Zo ja, in hoeverre komen (internationale) bedrijven juist naar Nederland toe om hier een pensioenregelingen te laten uitvoeren?
Het algemeen pensioenfonds biedt de mogelijkheid van een centrale uitvoering van verschillende pensioenregelingen, van zowel Nederlandse als buitenlandse partijen, met financieel afgescheiden vermogens.
Uit het rapport komt naar voren dat in oktober 2016 geen buitenlandse pensioenregelingen in Nederland worden uitgevoerd. Het is als gevolg van de IORP-richtlijn (Richtlijn 2003/41/EG) mogelijk om een buitenlandse pensioenregeling in een andere lidstaat van de Europese Unie uit te voeren. Dit kan met name voor multinationals uitkomst bieden. Dit is een zeer specifieke groep, voor wie het onderbrengen van verschillende pensioenregelingen uit verschillende landen schaalvoordelen kan opleveren. Deze multinationals kunnen er ook voor kiezen hun pensioenregelingen gecentraliseerd in Nederland te laten uitvoeren bij een pensioenuitvoerder.
Voor buitenlandse werkgevers die overwegen hun pensioenregeling te laten uitvoeren door een Nederlandse pensioenuitvoerder is het van belang te kijken hoe zij hun pensioenregeling kunnen inpassen binnen het Nederlandse financiële toetsingskader en hoe de Nederlandse governance vereisten invloed hebben op hun situatie. Met betrekking tot de governance is de uitdaging om enerzijds de overlegstructuur die voortvloeit uit de arbeids- en sociale wetgeving van de lidstaat waaruit de pensioenregeling afkomstig is te eerbiedigen en deze anderzijds goed in te passen in de Nederlandse situatie en regels die van toepassing zijn op de pensioenuitvoerder.
Bij het algemeen pensioenfonds is sprake van collectiviteitkringen met een daarop toegesneden governance. Voor een buitenlandse pensioenregeling die in een afgescheiden vermogen wordt uitgevoerd biedt dit in potentie mogelijkheden voor maatwerk, zonder dat dit maatwerk impact op de governance van andere afgescheiden vermogens heeft waarin Nederlandse regelingen worden uitgevoerd. Het kabinet heeft in haar kabinetsreactie bij het onderzoek aangegeven dat zij nader zal bestuderen of er aanpassingen nodig zijn om deze potentie van het algemeen pensioenfonds voor buitenlandse regelingen tot wasdom te laten komen en, zo ja, wat de effecten daarvan zijn.
In hoeverre speelt de regelgeving in Luxemburg mee om daar het pensioen te laten uitvoeren? Klopt het, zoals het bericht aangeeft, dat het toezicht daar meer flexibel is? Zo ja, op welke gebieden is dit zo? Zo nee, wat zijn de verschillen tussen het Nederlands en het Luxemburgs toezicht?
De huidige uitvoering van Nederlandse pensioenregelingen in Luxemburg is zeer beperkt en betreft volgens het onderzoek in totaal minder dan 50 deelnemers. Zoals bij het antwoord op vraag 2 genoemd is de onderbrenging van een pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder een keuze en verantwoordelijkheid van de sociale partners betrokken bij die pensioenregeling. Het kabinet vindt het daarnaast van belang dat lidstaten in de EU discretie behouden ten aanzien van de formulering van kapitaal- en risicostandaarden van pensioenfondsen en is dan ook geen voorstander van verdere Europese harmonisatie op dit vlak. Daardoor kunnen uiteraard verschillen ontstaan tussen de lidstaten onderling, echter de IORP-richtlijn waarborgt tegelijkertijd dat er sprake is van minimumeisen op basis waarvan berekening en financiering van de technische voorzieningen, vaststelling van het vereist vermogen en beleggingsvoorschriften van pensioeninstellingen prudent gebeuren. Het kabinet vindt het belangrijk dat Nederlandse deelnemers goed beschermd zijn en heeft daar met de herziening van de IORP-richtlijn op ingezet en met het creëren van een recht van instemming voor de ondernemingsraad alsook een expliciete grondslag voor toetsing door beide toezichthouders extra waarborgen geïntroduceerd.
Waarom zijn België en Luxemburg wel in staat om deze regels op te stellen, dit tegen het licht van uw antwoorden op eerdere vragen, waaruit blijkt dat regels om buitenlandse contracten te beheren complex zijn en dat de huidige IORP richtlijn maar beperkte aanknopingspunten geeft?2
Bij de uitvoering van grensoverschrijdende pensioenregelingen is het van belang te kijken in hoeverre de nationale aspecten van de pensioenregeling ingepast kunnen worden in het toezichtkader van de lidstaat waar de pensioenuitvoerder onder valt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 kunnen er immers verschillen zijn tussen de lidstaten in dezen.
De IORP-richtlijn maakt onderscheid tussen twee typen pensioenuitvoerders; een eerste type pensioenuitvoerder die zelf een dekking tegen biometrische risico’s verzekert of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garandeert en een tweede type pensioenuitvoerder waar deze verantwoordelijkheid bij de bijdragende onderneming ligt.
In Nederland is alleen het eerste type pensioenuitvoerder mogelijk. De pensioenuitvoerder garandeert zelf een dekking tegen biometrische risico’s, een beleggingsrendement en/of een bepaalde hoogte van de uitkeringen. Daarom speelt een eventuele sponsorgarantie geen rol bij het vaststellen van de vereiste buffers. Er is in Nederland namelijk bewust voor gekozen om een sponsorgarantie van een werkgever niet op te nemen in het ftk. De achterliggende reden hiervoor is dat een onderneming failliet kan gaan, waardoor de sponsorgarantie geen waarde meer heeft. Juist de scheiding tussen pensioenuitvoerder en werkgever die in de Pensioenwet is vervat, waarbij de pensioenaanspraken geheel buiten de financiële werkingssfeer van de solvabiliteit van de werkgever worden gebracht heeft naar de mening van het kabinet meerwaarde, zeker voor een land als Nederland met grote tweede pijler pensioenverplichtingen.
In België zijn beide typen pensioenuitvoerders wettelijk mogelijk, maar is in de praktijk vooral sprake van het tweede type pensioenuitvoerder. Mocht de garantie niet kunnen worden nagekomen, dan is in ultimo de Belgische werkgever verplicht een bijstorting te doen. Volgens de IORP-richtlijn moeten overigens de berekening en financiering van de technische voorzieningen, de vaststelling van het vereist vermogen en de beleggingsvoorschriften van pensioeninstellingen prudent gebeuren. Dit geldt ongeacht het type pensioenuitvoerder.
Uit het onderzoek grensoverschrijdende pensioenregelingen blijkt dat de uitvoering van Nederlandse pensioenregelingen in het buitenland betrekking heeft op een specifieke groep van multinationals. In het totaal gaat het om 0,1% van de deelnemers en 0,1% van het beheerd vermogen. Op basis van het onderzoek lijkt de aantrekkelijkheid van het uitvoeren van een Nederlandse pensioenregeling in België ook in de toekomst vooralsnog geen grote vormen aan te nemen en beperkt te blijven tot enkele multinationals die schaalvoordelen zoeken.
Deze multinationals zijn een zeer specifieke groep, voor wie het onderbrengen van verschillende pensioenregelingen uit verschillende landen schaalvoordelen kan opleveren. Daarnaast heeft deze groep in veel gevallen een sponsorgarantie afgegeven. In België is een sponsorgarantie een van de elementen waarbij rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van de vereiste buffers.
Samenvattend: De IORP-richtlijn biedt naar de mening van het kabinet weliswaar een aanknopingspunt voor het verbreden van de Nederlandse prudentiele regels, maar dat is een beperkt aanknopingspunt. Het betreft immers minimumeisen waarin Nederland zelf nadere invulling zou moeten geven, waarbij in Nederland er bewust voor is gekozen om een sponsorgarantie van een werkgever niet op te nemen in het ftk.
Staat u nog steeds achter uw antwoord dat «het verbreden van de Nederlandse prudentiële regels voor buitenlandse contracten de ontwikkeling van complexe regelgeving vereist en dat de huidige IORP-richtlijn daarvoor maar beperkte aanknopingspunten geeft»? Zo nee, waarom niet? Wat is er dan veranderd? Zo ja, waarom zijn België en Luxemburg wel in staat om deze regels op te stellen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u nu bereid, om zoals u in uw antwoord op de eerdere vragen aangaf, nu verdere stappen te nemen? Zo nee, waarom niet? Wat moet er dan gebeuren voordat u deze stappen neemt? Zo ja, wanneer wordt «de Nederland-route» geïntroduceerd?
Het kabinet acht het niet wenselijk de Nederlandse prudentiele regels te wijzigen. Voor wat betreft de uitvoering van buitenlandse premieovereenkomsten biedt de premiepensioeninstelling al voldoende mogelijkheden en is een aanpassing van de prudentiële regels niet opportuun. Voor wat betreft de uitvoering van buitenlandse uitkeringsovereenkomsten kiest het kabinet er bewust voor om een sponsorgarantie niet mee te nemen in het ftk.
Met betrekking tot het uitvoeren van buitenlandse pensioenregelingen in Nederland wijst het kabinet er op dat de afgelopen jaren twee nieuwe pensioenuitvoerders zijn geïntroduceerd, naast het algemeen pensioenfonds betreft dit ook de premiepensioeninstelling (PPI). Zowel de PPI als het algemeen pensioenfonds kunnen naar de mening van het kabinet interessante uitvoeringsopties zijn voor buitenlandse partijen.
Een PPI is primair gericht op de uitvoering van DC-regelingen en kan voor buitenlandse partijen aantrekkelijk zijn vanwege de lage uitvoeringskosten en eenvoudige organisatiestructuur van de uitvoerder. Het kabinet ziet ook het algemeen pensioenfonds als een instelling die geschikt is voor de centralisering van de pensioenuitvoering. Bij het algemeen pensioenfonds is sprake van collectiviteitkringen met een daarop toegesneden governance. Voor een buitenlandse pensioenregeling die in een afgescheiden vermogen wordt uitgevoerd biedt dit in potentie mogelijkheden voor maatwerk, zonder dat dit maatwerk impact op de governance van andere afgescheiden vermogens heeft waarin Nederlandse regelingen worden uitgevoerd. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie bij het onderzoek naar grensoverschrijdende pensioenregelingen, laat ik nader bestuderen of er aanpassingen nodig zijn om deze potentie van het algemeen pensioenfonds voor buitenlandse regelingen tot wasdom te laten komen en, zo ja, wat de effecten daarvan zijn.
Welke stappen heeft u afgelopen maanden gezet om een begin te maken van Nederland als een aantrekkelijker land voor buitenlandse pensioenregelingen?
Zie antwoord vraag 8.
De ontwikkeling van een nieuwe zorgverzekering voor ouderen |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat zorgverzekeraar VGZ, samen met het Nationaal Ouderenfonds en de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO), een nieuwe zorgverzekering speciaal voor ouderen heeft ontwikkeld? Is dit een nieuwe zorgverzekeraar of een collectieve polis?1
Met dit initiatief wordt – op basis van input van het Nationaal Ouderenfonds en de ANBO – op de specifieke wensen van ouderen ingespeeld. Zo brengt deze collectiviteit bestaande vergoedingen, zoals een leefstijlcheck, vervangende mantelzorg en een valcursus, beter onder de aandacht van ouderen.
Het betreft hier geen nieuwe zorgverzekeraar (i.e. risicodrager) of een nieuwe polis. De benoemde diensten en services worden ingezet op de bestaande verzekeringen. Alle verzekerden die via het collectief van de ANBO of het Nationaal Ouderenfonds bij VGZ verzekerd zijn kunnen hiervan profiteren.
Wordt deze ouderenzorgverzekering ondergebracht bij zorgverzekeraar VGZ of is zij een nieuwe risicodrager?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel subsidie ontvangt het Nationaal Ouderenfonds per jaar aan subsidies van overheden?
De afgelopen jaren is een aantal projectsubsidies aan deze ouderenorganisaties verstrekt. Deze projectsubsidies houden echter geen verband met zorgverzekeringen. Met de herziening van het beleidskader subsidiëring patiëntenorganisaties in 2011 is de grond voor een instellingssubsidie beperkt tot patiëntenorganisaties die zich richten op een specifieke aandoening of beperking. De instellingssubsidie aan ouderenorganisaties is daarop afgebouwd. Inmiddels ontvangen zij ook feitelijk geen instellingssubsidie meer vanuit het beleidskader. Ik heb geen zicht op de subsidies die deze ouderenorganisaties van andere overheden ontvangen.
Hoeveel subsidie ontvangt de ouderenbond ANBO per jaar aan subsidies van overheden?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het gepast dat organisaties die subsidie van de overheid ontvangen, zich inlaten met zorgverzekeraars om een collectieve polis te promoten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Denkt u dat steeds verdere differentiatie van zorgverzekeringen de solidariteit kan ondergraven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Verzekerden hebben uiteenlopende zorgbehoeften en voorkeuren. Doordat zorgverzekeraars inspelen op de specifieke wensen van groepen verzekerden ontstaat differentiatie op de zorgverzekeringsmarkt. Verzekerden hebben hierdoor de mogelijkheid de verzekering te kiezen die (bijvoorbeeld qua dienstverlening) daadwerkelijk aansluit op hun voorkeuren. Wel acht ik het van belang dat zorgverzekeraars kritisch blijven kijken naar de toegevoegde waarde die nieuwe polissen te bieden hebben voor de verzekerden. Want een groter polisaanbod bemoeilijkt ook het keuzeproces. Daarnaast is het van belang dat alle verzekerden de mogelijkheid hebben iedere gewenste polis af te sluiten. Ter bescherming van de solidariteit zijn zorgverzekeraars immers gebonden aan een acceptatieplicht en verbod op premiedifferentiatie.
Recent onderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wijst uit dat op concernniveau vaak sprake is van een herallocatie van middelen: zorgverzekeraars zetten een deel van hun winstgevende polissen in om premiestijgingen van verliesgevende polissen te beperken. Deze overdrachten dragen bij aan de solidariteit op de zorgverzekeringsmarkt (Kamerstuk 29 689, nr. 769).
Ontvangen het Nationaal Ouderenfonds en de ANBO een bijdrage van VGZ voor het aanbieden van een collectieve zorgpolis? Krijgen zij een vergoeding (provisie) voor elke nieuwe verzekerde die zich aansluit bij deze collectieve polis van de VGZ? Zo ja, hoe hoog is deze?
Het Nationaal Ouderenfonds en de ANBO hebben mij laten weten geen vergoeding of provisie te ontvangen van VGZ. Dit heeft VGZ bevestigd.
Klopt het dat de ANBO gezamenlijk met VGZ avonden organiseert over «langdurige zorg» waarbij het ook ging over mogelijke bezuinigingen op de Zorgverzekeringswet?
De ANBO, het Nationaal Ouderenfonds en VGZ hebben bijeenkomsten georganiseerd om zorgverzekeraars in contact te brengen met ouderen. Ze hebben mij laten weten dat het doel hiervan is om ouderen de kans te geven hun verwachtingen ten aanzien van zorgverzekeraars duidelijk te maken, zodat zorgverzekeraars dit mee kunnen nemen bij de ontwikkeling van hun diensten. VGZ is niet de enige zorgverzekeraar die dergelijke bijeenkomsten voor verzekerden organiseert.
Klopt het dat er adviseurs van Suczes betrokken zijn bij de samenwerking tussen ANBO, Nationaal Ouderenfonds en VGZ? Wat zijn de adviseurskosten die gemaakt worden rond deze collectieve polis inclusief de samenwerking?2
Ik heb begrepen dat ANBO samenwerkt met Sucsez, het Nationaal Ouderenfonds heeft deze samenwerking niet. De ANBO heeft mij laten weten dat er geen adviseurskosten worden gemaakt in het kader van de samenwerking. Sucsez heeft mij laten weten geen overstapprovisie te ontvangen. Sucsez ontvangt van de zorgverzekeraars jaarlijks provisie per verzekerden voor hun diensten, zoals advies over polissen en pakketkeuze. ANBO ontvangt van Sucsez een bijdrage voor het geven van zorginhoudelijk advies bijvoorbeeld voorlichting in het land aan leden, het organiseren van zorgspreekuren en het doen van onderzoek/raadplegingen.
Wat is de overstapprovisie die de ANBO ontvangt van zorgverzekeraars voor overstappende leden via hun «ANBO SUCSEZ Zorgadvieslijn»? Welke provisie ontvangt Suczes?3
Zie antwoord vraag 9.
Wat vindt u ervan dat Suczes ook zorgorganisatie Vierstroom, onderdeel van Fundis, adviseert waar de directeur van de ANBO tevens voorzitter van de Raad van Commissarissen is?4
Ik heb hier geen oordeel over. Het gaat hier om een overeenkomst tussen private partijen. Ik heb hier geen rol in.
Hoeveel andere belangenorganisaties bieden een collectiviteit aan voor hun leden? Heeft u of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) daar een overzicht van?
Er is onlangs door Zorgweb in opdracht van VWS en door de NZa onderzoek gedaan naar collectiviteiten (zie Kamerstuk 29 689, nr. 770). Uit dit onderzoek bleek dat er in totaal meer dan 64.000 collectiviteiten waren in 2016, waarvan ongeveer 1.000 van vak-, sport-, of ouderenbonden.
Ontvangen deze organisaties voor het aanbieden en promoten van de collectieve polis een vergoeding of provisie van zorgverzekeraars? Is er een landelijk overzicht van de vergoedingen? Kunt u de Kamer dit overzicht doen toekomen?
De ANBO en het Nationaal Ouderenfonds hebben mij laten weten geen provisie/vergoeding van VGZ te ontvangen. In hoeverre aanbieders van collectiviteiten geld betalen of ontvangen van tussenpersonen of zorgverzekeraars is niet bekend. Uit het onderzoek genoemd bij vraag 12 blijkt dat tussenpersonen (niet de aanbieders van collectiviteiten) gemiddeld een provisie ontvangen van 20 euro per verzekerde per jaar.
Onderschrijft u het standpunt van de NZa dat volkomen transparant moet zijn wat tussenpersonen verdienen aan het verkopen van collectiviteitspolissen? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de afspraken die het Nationaal Ouderenfonds en de ANBO hebben gemaakt met VGZ? Zijn deze volkomen transparant?5
Ik vind dat het voor (aspirant)verzekerden en collectiviteiten van belang is dat tussenpersonen transparant zijn over hun verdienmodel, zodat zij de kwaliteit van het advies op de juiste waarde kunnen schatten. Zoals bij vraag 13 aangegeven ontvangen de ANBO en het Nationaal Ouderenfonds geen provisie/vergoeding van VGZ. Ik ben het met u eens dat de afspraken tussen partijen over de vergoeding transparant moeten zijn. De bij de Gedragscode aangesloten vergelijkingssites hebben hier al goede stappen in gezet. Zij zullen voortaan helder, eenduidig en makkelijk vindbaar vermelden wat de hoogte is van de gemiddelde provisie die ze per premiebetalende verzekerde van zorgverzekeraars ontvangen (zie ook Kamerstuk 29 689, nr. 773). Ook tonen zij het beste advies voor de verzekerde, ook als de vergelijkingssite geen overeenkomst heeft met de desbetreffende verzekeraar. Het zou goed zijn als assurantietussenpersonen dit goede voorbeeld met hun gedragscode volgen.
Wordt de vergoeding voor het promoten van een collectiviteit toegerekend aan de acquisitiekosten die zorgverzekeraars maken, zoals die wordt weergegeven in de NZa marktscan zorgverzekeraars? Zo nee, waar kunnen deze vergoedingen in de boekhouding van zorgverzekeraars worden teruggevonden?
De NZa baseert zich voor de marktscan op de transparantieoverzichten van de jaarcijfers zoals zorgverzekeraars die moeten presenteren op de website. Hierin vallen provisies voor het intermediair onder acquisitiekosten.
Het afschaffen van de Tegemoetkoming Ouders Gehandicapte kinderen (TOG) en problemen met het recht op dubbele kinderbijslag bij ouders met kinderen met autisme |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Tegemoetkoming Ouders Gehandicapte kinderen (TOG) is afgeschaft vanaf 1 januari 2015 en dat ouders met een thuiswonend kind met een intensieve zorgvraag, sindsdien recht hebben op dubbele kinderbijslag?
Ja.
Klopt het dat de ouders die voor 2015 recht hadden op de TOG, hun kinderen opnieuw moeten laten indiceren door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en dat pas als het CIZ een indicatie heeft afgegeven voor intensieve zorg, de ouders recht hebben op dubbele kinderbijslag? Zo ja, waarom is hier voor gekozen?
Het klopt dat een deel van de ouders die voor 2015 recht hadden op de TOG, hun kinderen opnieuw moeten laten indiceren door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Dit was nodig omdat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) werd beëindigd. Omdat slechts een deel van de AWBZ-populatie onder de Wet langdurige zorg (Wlz) is komen te vallen is er een nieuw beoordelingskader geïntroduceerd dat recht geeft op dubbele kinderbijslag voor thuiswonende kinderen met een intensieve zorgbehoefte. Ik licht dit hieronder verder toe.
Per 1 januari 2015 is met de Wet hervorming kindregelingen de TOG opgenomen in de Algemene Kinderbijslagwet. In plaats van de TOG komen ouders met een thuiswonend ernstig gehandicapt kind in aanmerking voor dubbele kinderbijslag voor (een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van) intensieve zorg. Dit is verder uitgewerkt in een ministeriële regeling. Voorheen had een ouder recht op TOG indien er een AWBZ-indicatie was voor 10 uur of meer AWBZ-zorg per week. In verband met de beëindiging van de AWBZ is er per 1 januari 2015 een nieuw beoordelingskader geïntroduceerd. Daarbij geldt dat voorheen TOG-gerechtigden met een indicatie voor 10 uur of meer AWBZ-zorg per week het recht houden op dubbele kinderbijslag tot het verloop van de geldigheidsdatum van de afgegeven indicatie. Indien de AWBZ-indicatie in 2015 verliep gold een overgangsrecht van een half jaar.
Om te bepalen of sprake is van intensieve zorg wint de SVB advies in bij het CIZ, zowel bij oude gevallen als bij nieuwe gevallen. Als het kind geen indicatie heeft in de zin van 24 uur per dag zorg in de nabijheid van het kind of permanent toezicht op grond van de Wlz, waarvoor zondermeer dubbele kinderbijslag voor het thuiswonende kind kan worden toegekend, beoordeelt het CIZ de zorgbehoefte van het kind op twee voorwaarden. Ten eerste dient het kind ernstig beperkt te zijn in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of geestelijke aard. Deze voorwaarde vergt een objectief medische diagnose. Ten tweede dient de verzorging en oppassing van de ouders in ernstige mate te worden verzwaard ten opzichte van gezonde kinderen. De beoordeling vindt plaats op de items lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging, gedrag, communicatie, alleen thuis zijn, begeleiding buitenshuis en bezighouden, en handreikingen. Op ieder item kan één punt door het CIZ worden toegekend. Er wordt een punt toegekend indien er sprake is van een zware zorgbehoefte op het gebied van dat item. Zo wordt een punt toegekend op het item «eten en drinken» wanneer het kind bijvoorbeeld sondevoeding krijgt.
De aanvrager dient een medisch vragenformulier in te vullen, zodat de zorgbehoefte zorgvuldig onderzocht kan worden. Ouders hebben de ruimte om in dit formulier de situatie toe te lichten.
De leeftijd van het kind speelt ook een rol bij de beoordeling op de items en bij het benodigde minimaal aantal punten voor een positief advies. Omdat jonge kinderen in het algemeen meer verzorging nodig hebben dan oudere kinderen, is het minimum aantal punten dat vereist is, wil er sprake zijn van intensieve zorg, afhankelijk van de leeftijd.
Klopt het dat u in een brief op de hoogte bent gesteld van het feit dat ouders van kinderen met autisme die voor 2015 recht hadden op de TOG, nu regelmatig worden afgewezen voor het recht op dubbele kindertoeslag? Kunt u op deze brief reageren?
Via de twee brieven die ik door tussenkomst van Kamerleden heb ontvangen ben ik ermee bekend dat ouders van autistische kinderen, die voorheen wel in aanmerking kwamen voor de TOG, soms geen recht hebben op dubbele kinderbijslag. Ik zal op deze brieven reageren.
Hoe wordt bepaald of kinderen aan de criteria van het CIZ voldoen? Kunt u toelichten of deze criteria wel goed toepasbaar voor alle doelgroepen, waaronder kinderen met psychiatrische aandoeningen zoals autisme?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Op basis van een analyse van het CIZ over de eerste drie kwartalen van 2016 blijkt dat adviesaanvragen voor kinderen met autisme (70–75% kinderen met autisme krijgt een positieve indicatie) vergeleken met de totale omvang van de groep kinderen waarvoor dubbele kinderbijslag vanwege intensieve zorg door het CIZ een advies wordt afgegeven (69% van de nieuwe aanvragen en her-indicaties krijgt een positief advies), niet vaker worden afgewezen voor dubbele kinderbijslag. Wel kan het zijn dat voor een kind waarvoor voorheen recht op TOG bestond geen recht op dubbele kinderbijslag bestaat, omdat de zorgbehoefte bijvoorbeeld door de jaren heen is veranderd.
Ik acht de criteria goed toepasbaar voor alle doelgroepen.
Hoe worden de scores toegekend aan criteria en houdt deze manier van scoren voldoende rekening met psychiatrische aandoeningen? Waarom wel of niet?
Een medische diagnose voor een aandoening leidt niet één op één tot intensieve zorg. Om te beoordelen of er sprake is van een intensieve zorgbehoefte wordt de zorgbehoefte op twee terreinen beoordeeld, namelijk: verzorging en oppassing, zoals beschreven in het antwoord op vraag 2.
Het beoordelingskader is eind 2015 door middel van een interne expertmeeting door het CIZ geëvalueerd. Daarbij is ook gekeken naar de verschillende doelgroepen. Ik acht de criteria dan ook houdbaar.
Indien niet bekend is of de criteria en scores voldoende rekening houden met psychiatrische aandoeningen, bent u dan bereid de signalen van ouders dat deze criteria en vooral de scores niet geschikt zijn voor het beoordelen van psychiatrische aandoeningen, verder te onderzoeken?
Op basis van voorgaande beantwoording zie ik op dit moment geen aanleiding om het huidige beoordelingskader te herzien. Of de scores voldoende rekening houden met de verschillende soorten aandoeningen wordt periodiek door het CIZ geëvalueerd.
Hoe worden ouders geïnformeerd over het indicatiebesluit van het CIZ en hoe worden het besluit, de scores en de criteria onderbouwd richting de ouders? Bent u van mening dat de informatie richting de ouders over de besluitvorming voldoende is? Waarom wel/niet?
Het CIZ brengt een positief of een negatief advies uit aan de SVB. Ouders worden bij een negatief advies door het CIZ telefonisch geïnformeerd. Hiertoe worden een aantal pogingen gedaan. Tijdens dit telefoongesprek hebben ouders de mogelijkheid vragen te stellen over het advies van het CIZ, waarbij het CIZ een toelichting geeft op het advies. De SVB stuurt vervolgens op basis van het advies van het CIZ een beschikking aan de ouder(s).
Ik ben van mening dat ouders door middel van de telefonische toelichting door het CIZ voldoende worden geïnformeerd.
Hoe kunnen ouders bezwaar maken tegen de indicatiestelling van het CIZ? In hoeveel gevallen is er bezwaar gemaakt? Wat is/wordt hier mee gedaan?
Ouders kunnen bezwaar maken tegen de beschikking van de SVB. Deze beschikking is gebaseerd op het advies van het CIZ. Indien een ouder het niet eens is met de beschikking kan de ouder in bezwaar gaan bij de SVB. In alle gevallen waarbij sprake is van bezwaar tegen een negatieve beschikking wordt door de SVB een nieuwe adviesaanvraag bij het CIZ ingediend. In het tweede kwartaal van 2016 zijn er in totaal 146 bezwaren ingediend bij de SVB. In 75 gevallen heeft het CIZ alsnog een positief advies uitgebracht. Het CIZ geeft aan dat een van de verklaringen hiervoor kan zijn dat ouders in de bezwaarfase alsnog (nieuwe) informatie aanleveren. Indien uit onderzoek niet duidelijk blijkt dat er een positief advies gegeven kan worden, wordt een hoorzitting georganiseerd door de SVB. Het CIZ is bij de hoorzitting aanwezig om een toelichting te geven op de medische afweging die heeft geleid tot het advies.
Wanneer een ouder een klacht meldt bij de SVB en dit over de (medische) advisering gaat, dan neemt de SVB contact op met het CIZ. Afhankelijk van de aard van de klacht wordt er door het CIZ contact opgenomen met de klant.
Levert het afschaffen van de TOG geld op omdat er minder wordt uitgegeven aan dubbele kinderbijslag dan werd uitgegeven aan de TOG? Zo ja, kunt u dit verklaren? Vindt u dit wenselijk?
In 2014 waren er 23.535 kinderen1 waarvoor recht op TOG bestond. Over het tweede kwartaal van 2016 werd voor 23.678 thuiswonende kinderen dubbele kinderbijslag wegens intensieve zorg uitbetaald. Tussenliggende perioden laten ongeveer vergelijkbare aantallen zien. Het totale aantal kinderen waarvoor dubbele kinderbijslag vanwege intensieve zorg wordt uitbetaald is dus nagenoeg gelijk gebleven.
Bent u van mening dat ouders met kinderen met psychiatrische aandoeningen, waaronder autisme, nadelige financiële gevolgen ondervinden van het afschaffen van de TOG? Zo ja, hoe wilt u dit oplossen? Zo nee, waarom deelt u deze mening van deze ouders niet?
Ik deel deze mening niet. Ouders van kinderen met psychiatrische aandoeningen komen evenals ouders van kinderen met andere aandoeningen, wanneer sprake is van intensieve zorg, in aanmerking voor dubbele kinderbijslag. Het is onvermijdelijk dat ouders die eerst voldeden aan de criteria voor de TOG na een beoordeling op basis van het nieuwe beoordelingskader worden afgewezen voor dubbele kinderbijslag, financiële gevolgen ondervinden. Dit geldt ook voor andere ouders die niet in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag wegens intensieve zorg op grond van het nieuwe beoordelingskader.
De mogelijkheden voor ontwikkelingswerkers om zich vrijwillig te verzekeren voor AOW en Anw tegen een minimumpremie |
|
Carola Schouten (CU) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat veel ontwikkelingswerkers, hulpverleners, welzijnsopbouwwerkers en missionair werkers, die langdurig in het buitenland verblijven om daar ontwikkelingswerk te doen, gebruik maken van de regeling voor vrijwillige verzekering in de AOW en de Algemene nabestaandenwet (Anw)? Weet u voorts dat zij uitgezonderd zijn van de maximumperiode daarvoor van 10 jaar?
Ja.
Bent u ermee bekend dat ontwikkelingswerkers, hulpverleners, welzijnsopbouwwerkers en missionaire werkers vaak gebruik maken van deze vrijwillige verzekering tegen afdracht van de minimum premie, omdat zij geen inkomen ontvangen, maar een vergoeding van de kosten die zij als vrijwilliger maken, opgebracht via giften?
Ja.
Kunt u aangeven waarom u het van belang vindt dat ontwikkelingswerkers zich voor AOW en Anw kunnen verzekeren tegen de minimumpremie, als zij geen inkomen ontvangen, maar alleen een vergoeding van kosten?
Het gaat erom dat iedereen rekening moet houden met de zorg voor een oudedagsvoorziening of het overlijdensrisico en met de kosten die daaraan verbonden zijn. Daar hoort ook een premie voor de verzekering voor AOW en Anw bij. Als een normale premie gebaseerd op een percentage van het inkomen, gegeven de financiële positie van betrokkene, niet haalbaar is, dan is verzekering tegen minimale premie alsnog mogelijk.
Deelt u de opvatting dat ontwikkelingswerkers, hulpverleners, welzijnsopbouwwerker en missionair werkers belangrijk werk doen, dat via bovengenoemde regelingen mede mogelijk gemaakt wordt?
Ja. Het is feitelijk zo dat wanneer de minimale premie voor de vrijwillige verzekering in rekening wordt gebracht en/of een uitzondering wordt gemaakt voor de bovengenoemde maximale 10-jaars-termijn, de Nederlandse overheid indirect een bijdrage in de kosten van dit werk op zich neemt voor vrijwillig verzekerden met onvoldoende inkomsten om de normale premie te betalen. De minimale premie is namelijk niet kostendekkend.
Onderschrijft u het standpunt van uw ambtsvoorganger Donner, die in 2010 aangaf dat het hebben van geen inkomen geen belemmering mag zijn voor ontwikkelingswerkers om zich vrijwillig te verzekeren, omdat in dat geval de minimumpremie geldt?
Ja.
Kunt u aangeven of er voor ontwikkelingswerkers nu nog belemmeringen bestaan om zich vrijwillig te verzekeren voor AOW en Anw tegen de minimumpremie? Zo ja, welke? Wat gaat u daaraan doen?
De vormen waarin ontwikkelingswerk in de praktijk kan worden georganiseerd, zijn divers. Daarbij kunnen in individuele situaties ook vragen en mogelijke belemmeringen ontstaan. Dan gaat het bijvoorbeeld om vraagstukken als «Moet er sprake zijn van een arbeidsrelatie om aanspraak te kunnen maken op de uitzonderingsbepaling op de maximale verzekeringsperiode van 10 jaar?» of «In hoeverre moeten giften, donaties of andere inkomsten worden meegenomen bij het inkomen waarover de vrijwillige verzekeringspremie wordt berekend?». Het is daarbij verstandig om eventuele vragen aan de SVB voor te leggen. Mocht er een verschil van inzicht bestaan, dan kan dat aan de rechter worden voorgelegd.
Ik heb op dit moment geen voornemen om verandering in het systeem voor vrijwillige verzekering aan te brengen.
De berichten ‘O’Leary: Ryanair-vliegtickets worden gratis’ en ‘Zwijg of je vliegt eruit’ |
|
Henk Leenders (PvdA), Mei Li Vos (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «O’Leary: Ryanair-vliegtickets worden gratis» en «Zwijg of je vliegt eruit»?1 2
Ja.
Hoe oordeelt u over de stelling van de auteur van het bericht «Zwijg of je vliegt eruit» dat de concurrentie tussen vliegmaatschappijen slechte arbeidsvoorwaarden voor piloten creëert? Hoe verhouden zich volgens u deze slechte arbeidsvoorwaarden van piloten tot het voornemen van Ryanair om in de toekomst gratis vliegtickets aan te bieden?
Op 21 november jl. heb ik samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uw Kamer per brief geïnformeerd over de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden in de luchtvaart (Kamerstuk 31 936, nr. 364). Daarin heb ik aangegeven dat er signalen zijn dat in de strijd om de kosten zo laag mogelijk te houden, sommige luchtvaartmaatschappijen het goed werkgeverschap uit het oog verliezen. Wij hechten aan fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en het actief tegengaan van het overschrijden of ontduiken van wet- en regelgeving op dit gebied. Een verhouding tussen slechte arbeidsvoorwaarden van piloten en het voornemen van Ryanair om in de toekomst gratis vliegtickets aan te bieden, zien wij niet.
Bent u op de hoogte van de uitspraken van de Ryanair-topman die in meerdere interviews heeft verklaard dat Ryanair zo goedkoop is, omdat het bedrijf zijn piloten bijna niets betaalt?
Ja.
Deelt u de mening dat een hevige concurrentiestrijd tussen bedrijven nooit ten koste mag gaan van goede en gezonde arbeidsvoorwaarden, maar gevoerd moet worden op de kwaliteit van geleverde diensten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja. We willen een eerlijk en fatsoenlijk speelveld in de luchtvaartsector. Concurrentie tussen luchtvaartmaatschappijen moet plaatsvinden op basis van de kwaliteit van de geleverde dienst, niet op basis van concurrentie op arbeidsvoorwaarden.
Bent u op de hoogte van het feit dat een deel van de net afgestudeerde piloten hoge schulden heeft door dure pilotenopleidingen en wel moet blijven vliegen om zijn brevet te behouden, wat leidt tot situaties dat piloten zelfs betalen om te mogen werken door middel van «pay-to-fly»-constructies?
Wij zijn ervan op de hoogte dat «pay to fly», zoals aangeduid in onze brief van 21 november jl. luchtvaart (Kamerstuk 31 936, nr. 364), door sommige luchtvaartmaatschappijen wordt ingezet. Luchtvaartmaatschappijen die in Nederland zijn gevestigd doen dit echter niet en daarnaast hebben wij geen aanwijzingen dat dit voorkomt bij maatschappijen die op Nederland vliegen en die Nederlands personeel in dienst hebben.
Wel zien wij dat dit probleem binnen de EU speelt en I&M en SZW spannen zich dan ook op Europees niveau in om ongewenste situaties boven tafel te krijgen en zonodig afspraken te maken over het tegengaan van «pay to fly» constructies.
Bent u ervan op de hoogte dat de European Cockpit Association (ECA) waarschuwde dat «pay-to-fly»-constructies de veiligheid in het gedrang brengen, omdat het een perverse prikkel is voor de piloot om tegen elke prijs te vliegen, ook als de piloot ziek of moe is? Zo ja, hoe oordeelt u over deze waarschuwing?
Vliegveiligheid staat altijd voorop. Van een mogelijke link tussen bijvoorbeeld «pay to fly» constructies en veiligheid is tot op heden niets gebleken.
Wij zijn het met u eens dat deze constructies niet wenselijk zijn en daarom brengen wij (I&M en SZW) deze in Brussel actief onder de aandacht.
De Londen School of Economics heeft in de periode januari-maart van vorig jaar een onderzoek uitgevoerd naar de beleving van de veiligheidscultuur door piloten. Hieruit kwam onder andere naar voren dat vermoeidheid een zorgpunt is onder piloten. Daarom heb ik het Europese agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, EASA, verzocht dit rapport te betrekken bij de evaluatie van de aangescherpte regels betreffende werk- en rusttijden.
Op twee punten heeft de EU het onderwerp opgepakt:
EASA heeft een werkgroep opgericht die ontwikkelingen op het gebied van arbeidsconstructies in relatie tot de veiligheid nauwlettend volgt. Op advies van deze werkgroep heeft EASA dit onderwerp ook opgenomen in het Europese luchtvaart- en veiligheidsplan.
De Europese Commissie en EASA hebben inmiddels opdracht gegeven aan een consortium van organisaties, waaronder het Nederlandse Lucht- en Ruimtevaartcentrum, voor de evaluatie van de aangescherpte regels over werk- en rusttijden. Het onderzoek dat twee jaar zal duren vindt plaats via onder andere metingen en zal aanbevelingen voor verdere verbetering van de regelgeving moeten opleveren.
Deelt u de mening dat «pay-to-fly»-constructies in de luchtvaart onacceptabel zijn, omdat deze constructies een nadelige invloed kunnen hebben op verkeersveiligheid en de arbeidsvoorwaarden van piloten? Zo ja, welke maatregelen treft u tegen deze constructies? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe waarborgt u de veiligheid van vliegtuigen in de lucht wanneer dergelijk slechte arbeidsomstandigheden bij piloten zich voordoen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid verder onderzoek te doen naar de arbeidsomstandigheden van piloten en daar waar nodig maatregelen te nemen tegen maatschappijen die zich schuldig maken aan dergelijke praktijken?
Ja. Zoals wij in de brief van 21 november jl. luchtvaart (Kamerstuk 31 936, nr. 364) hebben aangegeven willen wij overschrijding of ontduiking van wet- en regelgeving op dit gebied actief tegengaan.
Daartoe hebben wij de volgende acties ondernomen:
Nederland heeft zich gevoegd in rechtszaken bij het Europese Hof van Justitie die ex-werknemers in België hebben aangespannen tegen Ryanair en detacheringsbureau Crewlink. Wij verwachten in de eerste helft van dit jaar een uitspraak.
I&M en SZW onderzoeken of bij cabinepersoneel dat is gestationeerd in Nederland sprake is van overtreding van arbeidsregelgeving. De FNV is hier actief bij betrokken.
In de Europese werkgroep over sociale zaken in de luchtvaart maken I&M en SZW zich hard voor het aanpakken van ongewenste arbeidsconstructies. Ook heeft I&M zitting in de EASA werkgroep over nieuwe businessmodellen en heeft, zoals we schreven, concreet gevraagd om de veiligheidsbeleving van piloten mee te nemen in de evaluatie van de regels over werk- en rusttijden.
Over onze actie op de aangenomen motie van 22 december jl. over schijnzelfstandigheid bericht ik u vóór maart.
Bent u bekend met invallen van de Noorse en Duitse belastingdienst bij enkele vestigingen van Ryanair om schijnconstructies aan te pakken? Zo ja, bent u bereid de mogelijkheden te onderzoeken om dergelijke stappen ook in Nederland te zetten? Zo nee, waarom niet?
Artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen belet het de Belastingdienst om uitspraken te doen over individuele belastingplichtigen.
Is de constructie die Ryanair gebruikt voor zijn piloten een schijnconstructie? Zo ja, is Ryanair te typeren als een kwaadwillende opdrachtgever en zal de constructie worden aangepakt in het kader van de handhaving van Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA)? Zo nee, waarom is het geen schijnconstructie?
Zie antwoord vraag 10.
Reclasseringsmedewerkers die de regels overtreden |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat reclasseringsmedewerkers de regels overtreden door er een contante handel op na te houden in door taakgestraften gemaakte meubels?1
Een goede en betrouwbare executie van sancties is essentieel om te komen tot recidivevermindering. Dat geldt ook voor een taakstraf. Indien er beschuldigingen worden gedaan die de geloofwaardigheid en effectiviteit van een strafrechtelijke beslissing ondermijnen, wil ik dan ook dat zulke aantijgingen serieus worden onderzocht. Reclassering Nederland (RN) heeft meteen extern onderzoek laten doen naar de financiële administratie van de werkplaats De Koperwerf en heeft mij laten weten dat hieruit blijkt dat er, naast verkopen via pin en factuur, ook contante betalingen in de boekhouding zijn opgenomen. Hoewel op zichzelf geen strafbare handeling, is contant afrekenen tegen de afspraken van RN in. Op basis van voornoemd onderzoek en een ander extern onderzoek naar de vermeende onderhandse handel door personeel concludeert RN dat de onderzoekers geen bewijs hebben kunnen vinden voor onderhandse handel door de medewerkers.
Welke regels gelden er voor de handel in door taakgestraften gemaakte meubels, met name waar het gaat om de rol van de reclassering? Waren deze regels voldoende bekend bij de medewerkers?
Sinds 2012 moeten verkopen van de door taakgestraften gemaakte meubels via pin en factuur verlopen. RN heeft mij medegedeeld dat is gebleken dat dit op De Koperwerf nog niet altijd het geval is. Vermoedelijk omdat de (grotendeels nieuwe) werkmeesters onvoldoende doordrongen waren van deze afspraak. Inmiddels heeft RN de medewerkers van deze en andere werkplaatsen, waar ook producten worden verkocht, nogmaals geïnstrueerd dat betalingen uitsluitend via pin en factuur mogen verlopen en dat een bon moet worden verstrekt.
Is het juist dat sinds 2013 aankopen bij de reclassering enkel nog via de pin mogen plaatsvinden? Zo ja, hoe verklaart u het gegeven dat er toch aankopen zijn gedaan zonder pin en zonder bonnetje?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre wordt toezicht gehouden op deze handel en in hoeverre wordt bij overtreding van de regels gehandhaafd? Kan hier uitgebreid op in worden gegaan?
Reclasseringswerkers moeten te allen tijde integer en volgens de geldende gedragscodes handelen. Hier ziet de reclassering op toe door middel van bijvoorbeeld het inrichten van werkprocessen. Zo geeft RN aan dat de kas altijd wordt opgemaakt door meerdere medewerkers. Ook kan het personeel niet-integer gedrag van collega’s signaleren en doorgeven. Een medewerker kan zich tot zijn leidinggevenden wenden, maar RN heeft ook een klokkenluidersregeling en een vertrouwenspersoon waar het personeel vermeende misstanden anoniem kan melden. Signalen van niet-integer gedrag worden altijd onderzocht. Bij een ernstig vermoeden van misstanden binnen de organisatie doet RN aangifte. Met deze codes en interventies is het toezicht op niet-integer gedrag vormgegeven. Ook is op deze manier geborgd dat er passende maatregelen worden genomen.
Hebt u kennis kunnen nemen van de opname waaruit blijkt dat reclasseringspersoneel sjoemelt met de regels? Wat is uw reactie daarop? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Er zijn, aldus het Algemeen Dagblad, video/audio-beelden waarop zichtbaar zou zijn dat het reclasseringspersoneel de regels niet naleeft. RN heeft mij laten weten dat deze beelden, ondanks herhaald verzoek hiertoe, niet aan RN zijn verstrekt, en ook ik heb geen kennis kunnen nemen van deze opnames. Op een kort fragment van een opname dat wel openbaar is gemaakt, valt te zien dat contant wordt betaald. Een contante betaling is niet conform de regels, maar toont op zichzelf niet aan dat er sprake is van onderhandse handel. RN heeft daarom direct door onderzoeksbureaus laten onderzoeken of daarvan sprake is. Uitgaande van de onderzoeksuitkomsten concludeert RN dat de onderzoekers geen bewijzen hebben kunnen vinden voor onderhandse handel door personeel.
Zal er nieuw onderzoek worden gedaan naar aanleiding van deze nieuwe informatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, worden daar ook de eerdere meldingen van de klokkenluiders bij betrokken en hoe daarmee is omgegaan (ook wat betreft de meldingen uit 2010 tot en met 2014)?
RN heeft aan twee externe onderzoeksbureaus opdracht gegeven om de aantijgingen te onderzoeken. Eén onderzoek richtte zich op de financiële administratie van De Koperwerf. Naast dit onderzoek is onderzoek gedaan naar het handelen van de werkmeesters. Ook dat onderzoek is recent afgerond door het ingehuurde bureau. Deze onderzoeken geven, volgens RN, geen aanleiding om te veronderstellen dat sprake is van onderhandse handel.
Beide onderzoeken hebben betrekking op de recente aantijgingen. De eerdere meldingen van de ex-medewerkers zijn indertijd (2011/2012) intern én extern onderzocht. De onderzoekers vonden geen bewijzen voor de vermeende misstanden. In het jaar 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld dat RN de meldingen serieus heeft genomen en daar actie op heeft ondernomen. Het onderzoek naar de eerdere meldingen is daarmee afgerond.
Wat vindt u van de wijze waarop in voorgaande jaren is omgegaan met de drie klokkenluiders?
Mijn ambtsvoorganger heeft destijds aan de Raad van Toezicht van RN gevraagd om te beoordelen of er voldoende reden was de door de klokkenluiders verzochte onderzoeken uit te voeren. De Raad van Toezicht zag geen aanleiding voor aanvullend onderzoek, omdat de gemelde misstanden onafhankelijk en voldoende waren onderzocht. Mijn ambtsvoorganger had geen reden om hieraan te twijfelen en heeft de conclusie van de Raad van Toezicht overgenomen.
Klopt het dat de Expertgroep Klokkenluiders tussen 2012 en 2014 herhaaldelijk bij Reclassering Nederland heeft aangedrongen op een second-opinion, maar dat dit verzoek is afgewezen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de redenen om deze af te wijzen en wat is uw reactie daarop?
Zie antwoord vraag 7.
Indien blijkt dat betreffende klokkenluiders al die tijd gelijk hebben gehad, bent u dan bereid om hen te rehabiliteren door bijvoorbeeld een schadevergoeding? Zo nee, waarom niet?
Rehabilitatie van de desbetreffende ex-medewerkers is op dit moment niet aan de orde. Zowel de verrichte onderzoeken in 2011 en 2012 als de onderzoeken die in 2016 zijn afgerond, leverden geen bewijs op voor (eerdere/recente) aantijgingen.
In hoeverre ziet u in deze zaak een rol weggelegd voor het Huis voor Klokkenluiders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een medewerker die zich benadeeld voelt door zijn of haar werkgever kan contact opnemen met het Huis voor Klokkenluiders om zich te laten informeren of de gesignaleerde misstanden te laten onderzoeken. Dit geldt ook voor reclasseringsmedewerkers. Daarnaast heeft RN, zoals eerder opgemerkt, een klokkenluidersregeling waar het personeel anoniem melding kan doen van vermeende misstanden. Een onderzoek naar deze signalen volgt dan altijd.
Dubbele kinderbijslag voor uitwonende minderjarige leerlingen die een beroepsopleiding volgen die op weinig plekken in Nederland wordt aangeboden |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Op basis van welke criteria worden beroepsopleidingen toegevoegd aan de lijst van de SVB met BOL- en BBL-opleidingen die voldoen aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag voor uitwonende minderjarige leerlingen?1
Bijlage A bij de ministeriële regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen Staatscourant, 30570, 15 juni 2016 bevat een opsomming van relatief weinig voorkomende beroepsopleidingen. Relatief weinig voorkomende beroepsopleidingen betekent dat deze op minder dan 10 instellingen worden aangeboden. Het gaat om specifieke opleidingen die slechts op enkele Regionale Opleidingscentra, Agrarische Opleidingscentra of vakinstellingen gegeven worden. De betreffende bijlage wordt jaarlijks geactualiseerd. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) levert de informatie over de beroepsopleidingen aan. De informatie van DUO is gebaseerd op de inschrijvingen bij de opleidingen in oktober van het jaar voor de publicatie van de bijlage.
Acht u het wenselijk dat bepaalde opleidingen die maar op enkele plaatsen in Nederland worden aangeboden – zoals Media Management of Music Industry Professional – niet op deze lijst voorkomen, waardoor ouders van leerlingen die deze opleidingen volgen en meer dan 25 kilometer van de dichtstbijzijnde school wonen vaak geconfronteerd worden met onevenredig hoge kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Het is onvermijdelijk dat het selectiecriterium dat ten grondslag ligt aan de hier bedoelde lijst ertoe leidt dat een opleiding die op minder dan 10 instellingen wordt gegeven in de bijlage wordt opgenomen, en er weer vanaf gaat als de opleiding op meer dan 10 instellingen wordt gegeven.
Overigens blijven ouders in aanmerking komen voor dubbele kinderbijslag als het kind de opleiding is gaan volgen in het voor de opleidingenlijst relevante schooljaar en de opleiding later niet meer voorkomt op de bijlage.
Bent u van mening dat in het kader van «toegankelijk onderwijs voor iedereen' ook dubbele kinderbijslag mogelijk moet zijn voor ouders van leerlingen die wel aan de criteria van de SVB voldoen, maar waarvan de opleiding (nog) niet op de lijst staat van beroepsopleidingen die voldoen aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag voor uitwonende minderjarige leerlingen? Kunt u uw antwoord toelichten?3
In de regeling dubbele kinderbijslag is opgenomen dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen indien het om relatief weinig voorkomende beroepsopleidingen gaat zoals opgenomen in de hier bedoelde bijlage A. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, kan er geen aanspraak worden gemaakt op dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen. In gevallen waarbij sprake is van kennelijke onbillijkheden of van fouten op de lijst, zoals een verouderd adres of een verouderde opleidingsnaam, handelt de Sociale Verzekeringsbank naar de bedoeling van de regeling. Voorts wijs ik erop dat minderjarige mbo-studenten vanaf 1 januari 2017 die een voltijd bol-opleiding volgen het recht op een studentenreisproduct krijgen. Hiervoor kan indien betrokken dat wil zelf een studentenreisproduct worden aangevraagd bij Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).
Bent u bereid om de opleiding Media Management of Music Industry Professional per ommegaande toe te voegen aan de lijst van de SVB voor beroepsopleidingen die voldoen aan de voorwaarden voor dubbele kinderbijslag voor uitwonende minderjarige leerlingen? Zo nee, waarom niet?
De peildatum van de bijlage is 1 oktober van het jaar voor publicatie van de bijlage. De lijst loopt daarmee een schooljaar achter. De gegevens zijn namelijk niet eerder beschikbaar bij DUO. De opleidingen Media Management en Music Industry Professional zijn niet opgenomen in de bijlage bij de Regeling dubbele kinderbijslag om onderwijsredenen voor het schooljaar 2016–2017 omdat voor deze opleidingen op 1 oktober 2015 op 10 instellingen deelnemers stonden ingeschreven. De opleiding Media Management en Music Industry Professional is daarom niet toegevoegd aan de bijlage. Jaarlijks worden de bijlagen geactualiseerd. Het is daardoor mogelijk dat opleidingen het volgende schooljaar wel in de bedoelde bijlage opgenomen staan.
Het bericht dat jaaropgaven van 1712 cliënten van enkele Groningse sociale diensten per ongeluk aan een andere cliënt zijn toegestuurd |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat jaaropgaven van 1.712 cliënten van enkele Groningse sociale diensten per ongeluk aan een andere cliënt zijn toegestuurd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de jaaropgaven van 1.712 cliënten van Groningse sociale diensten aan een cliënt verzonden zijn terwijl er op deze jaaropgaven gegevens terug te vinden zijn waarmee identiteitsfraude gepleegd zou kunnen worden?
Ik hecht er aan te benadrukken dat wat er is voorgevallen buitengewoon ongelukkig is voor alle betrokkenen en dat betreur ik. Een kwaadwillende zou misbruik kunnen maken van gegevens. Het risico is klein, maar misbruik van persoonsgegevens valt niet uit te sluiten.
Deelt u de mening dat het incident een datalek betreft? Doet de Autoriteit Persoonsgegevens onderzoek naar het genoemde datalek? Zo ja, wat is de stand van zaken van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Volgens de definitie die de Autoriteit Persoonsgegeven hanteert is er sprake van een datalek als zich een beveiligingsincident heeft voorgedaan waarbij persoonsgegevens verloren zijn gegaan of onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens redelijkerwijs niet kan worden uitgesloten. De vier gemeenten waar Werkplein Ability voor werkt, de gemeenten Bedum, De Marne, Winsum en Eemsmond, hebben naar eigen zeggen het incident gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en zijn daarmee van mening dat het in dit incident om een datalek gaat. De Autoriteit Persoonsgegevens doet geen mededelingen over eventuele onderzoeken.
Heeft u er zicht op hoe vaak datalekken bij gemeenten en bij organisaties binnen het sociaal domein plaatsvinden en wat de voornaamste oorzaken van deze datalekken zijn? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Vanaf 1 januari 2016 zijn ook gemeenten verplicht om datalekken te melden bij de AP. Ik heb dan ook niet de beschikking over de exacte cijfers van de AP over datalekken in het sociale domein. In een interview van 7 oktober jongstleden met NU.nl verklaart de voorzitter van de AP Aleid Wolfsen dat er sinds de invoering van de meldplicht datalekken op 1 januari 2016, tot de datum van het interview bijna 4.000 meldingen zijn geregistreerd bij de AP2. Ongeveer 10% van die meldingen is afkomstig van een gemeente. Jaarlijks rapporteert de AP in het jaarverslag, maar de AP doet geen mededelingen over eventuele (lopende) onderzoeken.
Herinnert u zich uw antwoorden op de vele eerdere vragen die gesteld zijn over de beveiliging en verwerking van persoonsgegevens in gemeenten?2
Ja.
Deelt u de mening dat datalekken nog te vaak voorkomen bij gemeenten? Zo ja, op welke manier gaat u gemeenten verder stimuleren om adequate maatregelen te nemen om datalekken zoveel als mogelijk te voorkomen en om aan de Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten (BIG) te voldoen? Op welke wijze worden ook organisaties binnen het sociaal domein hierbij betrokken?
Vanzelfsprekend is elke datalek er één te veel, zeker als het persoonsgegevens betreft en is zorgvuldigheid geboden. Het is een goede zaak dat gemeenten melden aan de AP. De gemeenten hebben de BIG als normenkader voor informatiebeveiliging waarbij gestructureerd wordt aangegeven wat de doelstellingen van de technische, organisatorische en fysieke beveiligingsmaatregelen zijn. Implementatie verschilt per situatie en is een continu proces van plannen, uitvoeren, controleren en bijstellen. Elke gemeente blijft afzonderlijk verantwoordelijk voor de eigen informatiebeveiliging. De VNG heeft er bij gemeenten op aangedrongen extra aandacht te besteden aan informatiebeveiliging in samenwerkingsverbanden, vooral waar het een samenwerking met ketenpartners betreft. De VNG biedt hiervoor praktische handreikingen zoals de handreiking informatieveiligheid en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Daarbij biedt de Informatie Beveiligingsdienst (IBD) van de VNG/KING verdere ondersteuning door middel van preventie en preventieadvies, incidentcoördinatie en kennisdeling.
Bent u van mening dat de informatiesystemen van gemeenten en organisaties binnen het sociaal domein voldoende beveiligd zijn tegen datalekken? Is het bij al deze systemen mogelijk de veiligheid en gebruiksvriendelijkheid te verbeteren om zo datalekken in de toekomst te voorkomen? Zo ja, bent u voornemens samen met gemeenten te bekijken waar aanpassing en/of opwaardering van de huidige informatiesystemen nodig is? Zo nee, ziet u mogelijkheden om samen met gemeenten te onderzoeken waar de kwetsbaarheden in de systemen zitten en zo te komen tot een doelgerichtere aanbesteding van deze software in de toekomst?
Alle organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor het beveiligen van de door hen gebruikte informatiesystemen. Het gaat juist om de combinatie van mens en systeem. Uit mijn contact met de IBD blijkt dat een groot deel van datalekken bij gemeenten voortkomen uit menselijke fouten. De IBD wijst gemeenten op maatregelen die hiertegen kunnen worden genomen. Ook werken gemeenten en samenwerkingsverbanden samen met VNG en KING aan het verbeteren van de veiligheid, gebruiksvriendelijkheid en interoperabiliteit van hun ICT-systemen. Behalve de BIG helpt het Gemeentelijk Model Architectuur (GEMMA), de landelijke referentiearchitectuur voor gemeenten. GEMMA helpt gemeenten en ketenpartners om (ICT-)ontwikkelingen in samenhang aan te sturen en aan te sluiten op landelijke voorzieningen. Ook zijn de Gemeentelijke Inkoopvoorwaarden Bij IT (GIBIT) ontwikkeld, die dit najaar van kracht zijn geworden en gemeenten en gemeentelijke samenwerkingsverbanden verder ondersteunen in het formuleren van passende en effectieve voorwaarden voor de levering, het gebruik en het onderhoud van IT-middelen, waaronder software en daarbij geldende (open) standaarden naar de verschillende leveranciers.
Zijn de informatiesystemen van gemeenten en organisaties binnen het sociaal domein voldoende toegerust om te kunnen voldoen aan de eisen die worden gesteld vanuit de nieuwe privacyverordening die vanaf 2018 van kracht is? Zo nee, zal er dan een aanpassing plaatsvinden van de lopende contracten met de aanbieders van de software om gemeenten en organisaties binnen het sociaal domein aan te laten sluiten op de nieuwe privacywetgeving en richtlijn?
Gemeenten zijn, net als alle andere organisaties, ieder voor zich verantwoordelijk voor het toepassen van en voldoen aan de eisen van de komende Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Uitgangspunt is dat eenieder, gemeenten en de leveranciers, op het tijdstip dat de verordening van kracht wordt voldoet aan de gestelde normen. Waar nodig worden de komende tijd werkwijzen, afspraken en producten aangepast om aan de nieuwe regels te voldoen. Gemeenten hebben daar een aantal mogelijkheden voor, zoals privacy by design en impactanalyses en uitvoeringstoetsen. Met privacy by design kunnen organisaties daarnaast tijdens de ontwikkeling van producten en diensten zoals informatiesystemen al rekening houden met privacyverhogende maatregelen om verantwoorde en zorgvuldige omgang met persoonsgegevens technisch af te dwingen. Ook het uitvragen of laten uitvoeren van impactanalyses en uitvoeringstoetsen voor het gemeentelijk domein behoort tot de mogelijkheden. Gemeenten kunnen zich een beeld vormen over wat er op ze af gaat komen. Er hebben mij geen signalen bereikt dat gemeenten en de leveranciers niet aan de gestelde normen kunnen voldoen wanneer de verordening van kracht wordt.
Is er voldoende kennis bij gemeenten en organisaties binnen het sociaal domein aanwezig om tijdig aan te kunnen sluiten op de nieuwe privacywetgeving en richtlijn? Zo nee, op welke wijze gaat u gemeenten ondersteunen om aan de nieuwe privacywetgeving en richtlijn te kunnen voldoen?
Toenemende digitalisering, ketensamenwerking en nieuwe regelgeving maken het noodzakelijk om continu te werken aan kennisopbouw op het gebied van bescherming van de privacy. Hierbij worden gemeenten onder andere ondersteund door VNG en KING. In samenspraak met de gemeenten heeft de VNG een position paper privacy opgesteld met actiepunten. Deze actiepunten worden door de VNG en KING uitgewerkt tot een beleids- en ondersteuningsprogramma. Ook de IBD speelt daarbij een rol met het ontwikkelen van operationele kennisproducten waaronder de leaflet over meldplicht. VNG en KING ondersteunen de gemeenten met de invoering van de AVG en de inrichting van de functie van Functionaris Gegevensbescherming die gemeenten, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, verplicht moeten aanstellen. Hiervoor worden gerichte (netwerk)bijeenkomsten georganiseerd en producten, waaronder handreikingen en opleidingen, ontwikkeld. Deze kennisopbouw wordt, waar relevant, specifiek gericht op verschillende beleidsdomeinen, waaronder het sociaal domein.
Het bericht dat zorgverzekeraar CZ prostaatkankerzorg wil concentreren in Rotterdam en Nijmegen |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat zorgverzekeraar CZ de behandeling van prostaatkanker wil concentreren in twee centra, te weten het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam en het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen?1
Specialisatie en concentratie kan een goede zaak zijn, wanneer dit de kwaliteit van zorg ten goede komt. Van sommige complexe ingrepen, zoals de radicale prostatectomieën, is bekend dat een hoger volume leidt tot meer expertise en dus betere uitkomsten.
Voor welke andere aandoeningen is CZ van plan de behandelingen te concentreren, en waar? Kunt u de Kamer een overzicht doen toekomen?
Zorgverzekeraar heeft mij laten weten dat zij momenteel binnen de MSZ selectief inkoopt voor borstkankerzorg, bariatrie, infectiechirurgie bij orthopedische revisieoperaties en schisis. Het is nog niet bekend of er op termijn ook andere vormen van zorg meer selectief zullen worden ingekocht door CZ en of dit leidt tot concentratie van specifieke aandoeningen. Het zorginkoopbeleid 2018 zal uiterlijk 1 april 2017 door zorgverzekeraars, en dus ook door CZ, bekend gemaakt worden.
Weet u of er nog meer verzekeraars zijn die plannen hebben bepaalde behandelingen te concentreren? Zo nee, bent u bereid dit na te gaan? Zo ja, welke zorgverzekeraars, behandelingen en locaties zijn dit?
Zorgverzekeraars maken hun eigen beleid. Het inkoopbeleid voor 2017 is op 1 april 2016 bekend gemaakt. Er zijn zorgverzekeraars die bewust kiezen om bepaalde zorg op bepaalde plekken in te kopen. Ik houd niet exact bij welke zorgverzekeraar wel en welke niet overgaan tot concentratie.
Is de uitspraak van de bestuursvoorzitter van CZ afgestemd met andere verzekeraars, of met bijvoorbeeld het Zorginstituut Nederland? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Nee, iedere zorgverzekeraar heeft een zorgplicht jegens de eigen verzekerden. Inkoopafspraken mogen zelfs niet onderling afgestemd worden.
Wat is het oordeel van de Nederlandse Internisten Vereniging en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde inzake de wenselijkheid van concentratie van de behandeling van prostaatkanker?
Het is mij niet bekend wat de twee genoemde verenigingen van deze betreffende concentratie vinden.
Vindt u het wenselijk dat iedere verzekeraar voor zich locaties gaat aanwijzen voor de concentratie van bepaalde behandelingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zorgverzekeraars kunnen geen locaties aanwijzen. Wel hebben zij de vrijheid tot het inkopen van zorg op een specifieke locatie, mits zij daarbij voldoen aan hun zorgplicht op grond van de Zorgverzekeringswet en er sprake is van «goede zorg» zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Wetenschappelijke beroepsverenigingen stellen minimum kwaliteits- en volumenormen op, zoals de Soncos-normen voor complexe kankerbehandelingen. Zorgverzekeraars inventariseren of ziekenhuizen voldoen aan de normen en contracteren geen ziekenhuizen die niet voldoen aan de normen. Op die wijze werken zorgverzekeraars, ziekenhuizen en wetenschappelijke beroepsverenigingen samen aan de concentratie van complexe behandelingen, zodat patiënten verzekerd zijn van de beste zorg.
Recent heeft Zorgverzekeraars Nederland (ZN) bekend gemaakt dat een inventarisatie een concentratie van ziekenhuiszorg laat zien bij 12 van de 21 onderzochte hoog-complexe kankerbehandelingen. Het gaat hierbij onder andere om prostaatcarcinoom. De grootste concentratie is te zien in blaascarcinoom, maagcarcinoom en testiscarcinoom. In totaal gaan volgens de inventarisatie van ZN 31 ziekenhuizen bepaalde hoogcomplexe kankerbehandelingen afstoten omdat zij niet voldoen aan de minimum volumenormen. 2
Kent u het door CZ genoemde voorbeeld van de Martini-Klinik in Hamburg waar specialisatie geleid zou hebben tot minder complicaties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De Martini-Klinik in Hamburg staat internationaal bekend als een expertisecentrum op het gebied van behandeling van prostaatkanker. Uit informatie van de Martini-Klinik blijkt dat zij jaarlijks ruim 2000 prostaatverwijderingen uitvoert. Iedere daar werkzame chirurg voert er tussen de 200 en 300 uit per jaar. De uitkomsten van de Klinik zijn, in vergelijking met het Duitse gemiddelde, indrukwekkend. Ter illustratie: na alle prostaatoperaties in Duitsland is 56,7% van de patiënten na een jaar volledig continent, bij patiënten van de Martini-Klinik is dit percentage 93,5%. En na alle prostaatoperaties in Duitsland heeft 75,5% van de mannen na 1 jaar zware impotentieproblemen, bij de Martini-Klinik is dit 34,7%.
Zijn er ook voor Nederlandse ziekenhuizen gegevens beschikbaar om de kwaliteit van prostaatkankerzorg te kunnen vergelijken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Via de website van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiënten (NFK) en kiesbeter.nl kunnen patiënten een patiëntenwijzer prostaatkanker vinden. Deze patiëntenwijzer biedt onder meer informatie over de behandeling en over de voorwaarden die vanuit patiëntenperspectief aan de behandeling en aan de instelling worden gesteld. Patiënten kunnen per ziekenhuis bekijken of het ziekenhuis aan de voorwaarden voldoet.
Het Integraal Kankercentrum Nederland heeft in 2014 als onderdeel van het KWF signaleringsrapport verkenning uitgevoerd naar van de verdeling en variatie van de prostaatkankerzorg tussen verschillende type ziekenhuizen in Nederland3.
Is er een wetenschappelijke onderbouwing voor de aanname dat de concentratie van behandelingen leidt tot betere zorg? Kunt u de Kamer deze onderbouwing doen toekomen?
Ja. Voor een aantal chirurgische ingrepen is het verband tussen volume en kwaliteit aangetoond. De sterkte van de relatie verschilt per type ingreep. De literatuur hieromtrent is omvangrijk. Een voorbeeld van een artikel dat ingaat op de verschillende aspecten is: Centralisatie van hoogcomplexe chirurgie – Van ziekenhuisvolume naar structuur- en procesverbetering (Dirk J. Gouma, Han J.S. Laméris, Erik A.J. Rauws en Olivier R.C. Busch. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A4887).
Is er op dit moment voldoende inzicht in de kwaliteit van medisch specialistische behandelingen, zodat indien tot concentratie wordt overgegaan, er iets zinnigs te zeggen valt over de gevolgen daarvan voor de kwaliteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van actuele wetenschappelijke inzichten over kwaliteit worden de richtlijnen en volumenormen opgesteld door de wetenschappelijke beroepsverenigingen. Zij kunnen de uitkomsten van zorg over de jaren heen volgen en bepalen of deze inzichten juist zijn en zo nodig bijgesteld moeten worden, zoals al eerder gedaan is bij pancreaskanker4 5. Deze partijen hebben hun eigen rol en verantwoordelijkheid bij de concentratie van behandelingen.
Hoe oordeelt u over het feit dat CZ wederom eigen normen stelt, terwijl juist de alleingang met borstkankerzorg heeft geleid tot het instellen van het Kwaliteitsinstituut, om te voorkomen dat alle zorgverzekeraars hun eigen normen van kwaliteit stellen?
Zorgverzekeraars hebben zich gecommitteerd om de richtlijnen die tripartiet worden gesteund en ingeschreven bij het Zorginstituut, te volgen. De richtlijn Prostaatcarcinoom is opgenomen in het Register.
Bent u bereid CZ aan te spreken op de ongeoorloofde inmenging in de concentratie van zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik zie daartoe geen aanleiding.
Is het niet juist het Zorginstituut dat een eventuele concentratie van bepaalde behandelingen zou moeten coördineren?
Het Zorginstituut heeft op dit moment geen taak, en dus ook geen bevoegdheden, om een dergelijke concentratie te coördineren.
De voortdurende zorgelijke situatie bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er alweer onrust is bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid?1
Het is ernstig dat de situatie bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid nog steeds niet op orde is. Wel zie ik dat de gemeenten van deze regio hun verantwoordelijkheid nemen door nauwgezet het werk van Veilig Thuis te volgen en maatregelen te nemen. Daarnaast houden de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie voor de Jeugdzorg (hierna: inspecties) vinger aan de pols.
Kunt u een opsomming geven van alle maatregelen die zijn genomen bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid sinds de publicatie van het inspectierapport een jaar geleden?2
In oktober 2015 hebben de inspecties het deelrapport van het toezicht fase 1 over Veilig Thuis Gelderland-Zuid gepubliceerd. In fase 1 hebben de inspecties bij de Veilig Thuis-organisaties getoetst of zij voldoen aan de wettelijke randvoorwaarden, of er wachtlijsten zijn en of het zicht op de veiligheid van mensen die wachten is geborgd. Gelderland-Zuid voldeed aan slechts 8 van de 24 toetspunten. Veilig Thuis Gelderland-Zuid moest verbetermaatregelen treffen. De betrokken gemeenten hebben een aantal organisatorische maatregelen genomen en extra financiële middelen beschikbaar gesteld.
De noodzakelijke verbeteringen bleven uit en Veilig Thuis Gelderland-Zuid had de inspecties onvoldoende geïnformeerd over de stand van zaken van de wachtlijsten. Daarom hebben de inspecties verscherpt toezicht ingesteld.
Ik heb u hierover geïnformeerd op 13 mei 20163.
Veilig Thuis moet in de periode van het verscherpt toezicht:
Het verscherpt toezicht houdt in dat de inspecties hun zorgen voortdurend met Veilig Thuis Gelderland-Zuid delen, op onderdelen verbeteringen eisen en zich schriftelijk en door het voeren van bestuursgesprekken en door het brengen van (onverwachte) bezoeken laten informeren over de voortgang van de verbetermaatregelen. De inspecties constateerden dat pas vanaf augustus 2016 de situatie verbeterde. Deze verbetering was echter onvoldoende om het verscherpt toezicht te beëindigen en daarom is het verscherpt toezicht met zes maanden verlengd.
Kunt u, in aanvulling op vraag 2, ook specifiek aangeven welke maatregelen genomen zijn in het kader van het verscherpt toezicht dat eind april 2016 is ingesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het feit dat de meldingen die de politie doet volgens justitie niet goed worden opgepakt door Veilig Thuis Gelderland-Zuid? Hoe komt dit volgens u?
Op geen enkel moment is door het OM het vertrouwen opgezegd in Veilig Thuis. Er zijn door de ketenpartners van Veilig Thuis, waaronder het Openbaar Ministerie en de politie, zorgen geuit over de situatie rondom Veilig Thuis Gelderland-Zuid.
Naar aanleiding van de geuite zorgen, heeft het Algemeen Bestuur (AB) van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) Gelderland-Zuid maatregelen genomen. Veilig Thuis Gelderland-Zuid is een onderdeel van deze GGD.
Op 14 november 2016 zijn de betrokken gemeenteraden hierover door het AB geïnformeerd.
Het AB stelt dat weliswaar de randvoorwaarden voor Veilig Thuis Gelderland-Zuid enorm zijn verbeterd en dat daardoor alle zaken nagenoeg op tijd kunnen worden afgehandeld, maar dat de organisatie nog niet op alle onderdelen op orde is. Ook de inspecties hebben dat geconstateerd. Het AB vindt dat de samenwerking in de keten nog te wensen over laat omdat er te weinig meldingen vanuit Veilig Thuis terugkomen in de justitiële keten en omdat er niet goed wordt doorverwezen naar de lokale teams. Het AB heeft daarom op 11 november 2016 een nieuwe interim--directeur aangesteld om de ketensamenwerking te verbeteren. Daarnaast is vooralsnog de procesregie voor de meldingen van de politie bij het Veiligheidshuis gelegd. Alle meldingen worden nu eerst in het Veiligheidshuis besproken.
Ik constateer dat de betrokken gemeenten maatregelen hebben genomen om de samenwerking met politie en OM te verbeteren en om er voor te zorgen dat de meldingen van de politie goed worden opgepakt. De inspecties volgen de ontwikkelingen bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid in het kader van het verscherpt toezicht.
Wat zijn de gevolgen van het intrekken van het vertrouwen door het Openbaar Ministerie in Veilig Thuis Gelderland-Zuid naar aanleiding van het eigen handelen? Welke acties worden ondernomen om dit vertrouwen weer te herstellen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de wachtlijstontwikkeling bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid geweest in het afgelopen jaar?
De inspecties houden toezicht op de volgende termijnen:
Gedurende het verscherpt toezicht ontvangen de inspecties periodiek een overzicht van bovengenoemde zaken. Op basis hiervan constateren de inspecties dat in de periode vanaf augustus 2016 tot peildatum 6 januari 2017 de wachtlijsten zijn afgenomen. In de periode van 29 april 2016 tot 6 januari 2017 is het aantal meldingen waarbij de triage later dan 5 werkdagen gerealiseerd was, tot één teruggebracht. De wachtlijst van de start van een onderzoek nam af van 97 casussen naar 17 casussen. De wachtlijst voor een vervolgtraject nam af van 207 casussen naar 0 casussen. Het aantal zaken waarbij de doorlooptijd van het onderzoek langer dan tien weken was, was afgenomen van 118 naar 26.
Hoeveel meldingen staan er op dit moment op de wachtlijst van Veilig Thuis Gelderland-Zuid? Kunt u deze uitsplitsen naar het wachten op triage tot het wachten op onderzoek?
Het aantal meldingen dat bij Veilig Thuis binnenkomt en getriageerd moet worden fluctueert per dag. Hetzelfde geldt voor de zaken die onderzocht moeten worden. Voor de meest recente cijfers op peildatum 6 januari 2017 verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.
Hoe garandeert Veilig Thuis Gelderland-Zuid de veiligheid van personen die momenteel op de wachtlijst staan?
De inspecties hebben tijdens het verscherpt toezicht geconstateerd dat Veilig Thuis Gelderland-Zuid zicht houdt op de directe veiligheid in gezinnen en huishoudens op de wachtlijsten en gedurende het onderzoek.
De wettelijke termijn voor het afhandelen van een onderzoek was op 6 januari 2017 in 26 gevallen overschreden. Hoewel er soms een goede reden kan zijn voor het (nog) niet afsluiten van een onderzoek, vinden de inspecties dit aantal veel te hoog. De inspecties hebben Veilig Thuis daar op aangesproken, zodat de juiste vervolgacties ten behoeve van de veiligheid zo snel mogelijk kunnen worden ingezet. Gedurende de periode van het verscherpt toezicht blijven de inspecties dit volgen bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid. Verder gaan zij na of de wachtlijst van de start van een onderzoek verder afneemt en of Veilig Thuis Gelderland-Zuid deze situatie kan bestendigen.
Hoe lang zijn de wachtlijsten bij de 25 andere Veilig Thuis organisaties en hoe wordt hier, in het kader van de daarover aangenomen motie, aan gewerkt?3
In de voortgangsrapportage Geweld in Afhankelijkheidsrelaties van 4 oktober 2017 heb ik u geïnformeerd over de wachtlijsten bij de Veilig Thuis organisaties en over de wijze waarop ik gevolg heb gegeven aan de motie van Bergkamp en Kooiman om bij de verbetering van Veilig Thuis prioriteit te geven aan de aanpak van de wachtlijsten.
Op mijn initiatief werkt het VNG programma Veilig Thuis de basis op orde sinds dit voorjaar aan de verbetering en doorontwikkeling van de Veilig Thuis organisaties en heeft prioriteit gegeven aan advies over de aanpak van wachtlijsten. Het programma heeft de wachtlijsten gepeild bij alle Veilig Thuis organisaties op 31 juli 2016 en deze gegevens geactualiseerd per 29 september 2016.
De conclusie van deze peilingen was dat de organisaties nog te maken hebben met wachtlijsten, hard werken aan het wegwerken hiervan en dat een daling zichtbaar is. De organisaties meldden in september 2016 allemaal dat ze goed zicht houden op de veiligheid van hen die wachten.
De inspecties zullen vanaf januari 2017 starten met de tweede inspectieronde van de Veilig Thuis organisaties. Zij zullen tijdens deze ronde ook de wachtlijsten bij de organisaties in beeld brengen. De inspecties verwachten in mei 2017 hun eindrapport aan uw Kamer aan te bieden.
Eind januari van dit jaar stuur ik uw Kamer de volgende voortgangsrapportage om u te informeren over de stand van zaken.
Welke Veilig Thuis organisaties overschrijden op dit moment de wettelijke termijn voor triage, en als dit gebeurt, met hoeveel dagen?
Zie antwoord vraag 9.
Welke Veilig Thuis organisaties overschrijden op dit moment de wettelijke termijn waarbinnen onderzoek heeft moeten plaatsvinden, en als dit gebeurt, met hoeveel dagen?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat gemeenten alleen mogen experimenteren in de Bijstand als zij bijstandsgerechtigden verplichten tot een tegenprestatie |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat gemeenten alleen mogen experimenteren met de bijstand als zij bijstandsgerechtigden verplichten tot een tegenprestatie? Klopt de berichtgeving in NRC Handelsblad daarover?1
Ja, ik ben bekend met het aangehaalde artikel. Voor het overige verwijs ik naar mijn beantwoording van vragen 2, 5 en 6.
Waarom is de tegenprestatie een voorwaarde voor het uitvoeren van een experiment in de bijstand, die gaat over minder regels en meer bijverdienen? Staat deze voorwaarde ook in het Ontwerpbesluit en zo ja, waar?
Het ontwerpbesluit «Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet» (Kamerstuk 34 352, nr. 39) heb ik op 30 september 2016 ter voorhang aan uw Kamer gezonden en ligt thans voor advies bij de Raad van State. In het eerste lid van artikel 5 van het ontwerpbesluit is opgenomen dat een verzoek om te mogen experimenteren kan worden afgewezen als de gemeente op het moment van de aanvraag de Participatiewet (Pw) niet rechtmatig uitvoert.
Op dit moment ben ik bezig met het ontwerpen van een ministeriële regeling om de selectiecriteria voor gemeenten die gaan experimenteren nader vorm te geven. Van gemeenten die een verzoek indienen om te mogen experimenten, wil ik in ieder geval verzekerd zijn dat alle voorgeschreven verordeningen in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen van de Pw.
Doel van de experimenten met de Pw is wetenschappelijke kennisontwikkeling omtrent de werking van de wet. Daarbij is het van wetenschappelijk belang dat gemeenten die gaan experimenteren alle verplichtingen uit de Pw, namelijk conform de wet, uitvoeren. Zo wil ik borgen dat de experimenten valide resultaten opleveren over de vergelijking van de werking van de huidige Participatiewet (incl. tegenprestatie) ten opzichte van de aanpak in de experimentele groepen zoals beschreven in het ontwerpbesluit.
De gemeente Amsterdam heeft een verordening over de tegenprestatie en voldoet daarmee aan de wet; waarom mag deze gemeente dan toch geen experiment starten?
De gemeente Amsterdam heeft inderdaad een verordening tegenprestatie. Het daarin uit te voeren beleid is echter niet in lijn met de Participatiewet. Voordat een gemeente mee kan doen met de experimenten Participatiewet wil ik er, zoals gesteld in de vorige antwoorden, in ieder geval van verzekerd zijn dat die gemeente een verordening over de tegenprestatie heeft die in lijn is met de Participatiewet. De AMvB is echter nog niet vastgesteld, waardoor Amsterdam of andere gemeenten nog geen formeel verzoek hebben kunnen indienen.
Waarom is niet eerder in gesprekken met gemeenten aangegeven dat zij de tegenprestatie verplicht moesten stellen als zij experimenten wilden doen met bijstandsgerechtigden? Op welke manier is deze voorwaardelijkheid eerder gecommuniceerd?
Vanaf september 2015 heb ik intensief gesprekken gevoerd met de vier initiatiefgemeenten Utrecht, Groningen, Wageningen en Tilburg. De gesprekken hadden als doel om tot een AMvB te komen die past in de geest van de Participatiewet, een goede wetenschappelijke onderbouwing kent en toegankelijk is voor meer gemeenten die ook belangstelling hebben voor een experiment met de Participatiewet. Tijdens deze gesprekken is herhaaldelijk aan de orde gekomen dat alleen gemeenten die de Pw rechtmatig uitvoeren in aanmerking komen voor deelname aan de experimenten.
Bent u het er mee eens dat nu op zijn minst de schijn wordt gewekt dat de regering de mogelijkheid tot experimenteren gebruikt om een verplichte tegenprestatie in Amsterdam en Utrecht af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Indien de berichtgeving klopt: waarom denkt u dat een onderzoek zonder een verplichte tegenprestatie minder bruikbare wetenschappelijke resultaten op zal leveren, aangezien de gemeenten Utrecht en Amsterdam conform de Participatiewet al strenge regels hebben voor bijstandsgerechtigden en een groot verschil tussen de verschillende testgroepen wel degelijk aanwezig is bij uitvoering van het experiment?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u het nog steeds mogelijk maken voor gemeenten om experimenten uit te voeren en wilt u alles op alles zetten om ook de gemeenten Utrecht en Amsterdam, die nu de wacht zijn aangezegd, de mogelijkheid te bieden een experiment te starten?
Via het ontwerpbesluit wil ik een beperkt aantal gemeenten de mogelijkheid bieden te experimenteren. Gemeenten die voldoen aan het genoemde besluit en de ministeriële regeling kunnen experimenteren totdat een maximum van 25 gemeenten of maximaal 4% van de bijstandspopulatie is bereikt. Dit geldt ook voor gemeenten Amsterdam en Utrecht.
Het bericht 'Geen ‘tegenprestatie’ in de bijstand? Dan géén vrijheid’ |
|
Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel NRC «Geen «tegenprestatie» in de bijstand? Dan géén vrijheid»?1
Ja. Ik ben bekend met het door de vragensteller aangehaalde artikel.
Bent u het ermee eens dat de uitvoering – het daadwerkelijk opleggen – van de tegenprestatie een bevoegdheid is van gemeenten?
De gemeente moet het aan bijstandsgerechtigden opdragen van een significante tegenprestatie regelen bij verordening. De gemeente ontwikkelt daartoe beleid betreffende de inhoud, omvang en duur van de tegenprestatie. Voor het ontwikkelen van uitvoeringsbeleid biedt dit onderdeel van de wet ruimte voor beleidsvrijheid. Dit biedt de gemeente de mogelijkheid voor het invullen van individueel maatwerk. Het beleid dient vanzelfsprekend te passen binnen de bepalingen van de Participatiewet. De gemeenteraad heeft een controlerende taak op de uitvoering van het in verordeningen vastgelegde beleid.
Klopt het dat de experimenten met de Participatiewet zien op een vergelijking van verschillende wijzen van uitvoering van de Participatiewet?
Ja, experimenten in het kader van de Participatiewet (Pw) bieden gemeenten de mogelijkheid om te onderzoeken hoe de Pw met betrekking tot arbeidsinschakeling doeltreffender uitgevoerd kan worden. Doel van de experimenten met de Pw is wetenschappelijke kennisontwikkeling omtrent de werking van de wet. Daarbij is het wetenschappelijk belangrijk dat gemeenten die gaan experimenteren alle verplichtingen uit de Pw, namelijk conform de wet, uitvoeren.
Zo wil ik borgen dat de experimenten valide resultaten opleveren over de vergelijking van de werking van de huidige Pw ten opzichte van de aanpak in de experimentele groepen zoals beschreven in het (ontwerp van het) Tijdelijk besluit experimenten Participatiewet.
Bent u het ermee eens dat de precieze tekst in een verordening daar niet op van invloed is?
Op dit moment ben ik bezig met het ontwerpen van een ministeriële regeling om de selectiecriteria voor gemeenten die mogen experimenteren nader vorm te geven. Van gemeenten die een verzoek indienen om te mogen experimenten, wil ik in ieder geval verzekerd zijn dat alle verplichte voorgeschreven verordeningen in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen van de Participatiewet. Zolang aan die eis voldaan is, is de precieze tekst van een verordening van ondergeschikt belang.
Bent u het ermee eens dat om die reden de experimenten ook zonder aanpassing van de verordening (wetenschappelijke) relevantie hebben?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat de koppeling tussen de precieze tekst van de verordening met de vraag of een gemeente een experiment mag uitvoeren, daarmee oneigenlijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat gemeenten het bevoegde orgaan zijn om de kaders in de verordening tegenprestatie vast te stellen en dat die bevoegdheid in lijn is met de decentralisatie die met de Participatiewet beoogd was? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vermeende grove schendingen van arbeidsrechten door het Nederlandse bloemenbedrijf Royal Van Zanten in Uganda |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Uganda: Police Flower Firms Over Poisoning, Sexual Harassment», waarin het Nederlandse bloemenbedrijf «Royal Van Zanten» in verband wordt gebracht met vergiftiging, uitbuiting en seksuele intimidatie van haar werknemers?1 Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Het kabinet heeft vernomen dat zich op 14 oktober een incident heeft voorgedaan rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen in één van de kassen van Royal Van Zanten, waarbij werknemers ziek zijn geworden. Navraag leert dat de daartoe bevoegde autoriteit in Uganda, het Ministry of Gender, Labour & Social Development, onderzoek doet naar het incident. Uit de beschikbare informatie blijkt niet of de interne veiligheidsvoorschriften van het bedrijf ontoereikend waren, of dat de betreffende werknemers zich niet gehouden hebben aan de geldende voorschriften. Royal Van Zanten verleent alle medewerking aan het onderzoek.
Deelt u de mening dat uitbuiting, seksuele intimidatie en het blootstellen van werknemers aan giftige stoffen in strijd is met de mensen- en arbeidsrechten?
Ja.
Klopt het dat u reeds, al dan niet via uw ambassade, op de hoogte bent gebracht door «The Federation of Uganda Women Lawyers (Fida) and Trade Unionist», dat 102 werknemers giftige chemicaliën zouden hebben ingeademd? Zo ja, welke stappen heeft u naar aanleiding daarvan ondernomen?
Het Count Me In! (CMI) consortium heeft naar aanleiding van het incident op 30 oktober een brief geschreven naar de Nederlandse ambassade in Kampala. Een afschrift van deze brief was aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de Minister van Buitenlandse Zaken gericht. Vóór ontvangst van deze brief sprak de ambassade al met het bedrijf en met FNV Mondiaal die de lokale vakbond ondersteunt.
Op dit moment gaat de aandacht van de ambassade uit naar het verkrijgen van een compleet beeld van het incident en hoe de ambassade de dialoog tussen de betrokken partijen kan ondersteunen. Hierbij werkt de ambassade nauw samen met FNV Mondiaal, de lokale vakbonden, het maatschappelijk middenveld en Nederlandse bedrijven in deze sector.
Op verzoek van verschillende partijen en vanuit het oogpunt van internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) faciliteert de ambassade een constructieve dialoog tussen de werkgevers en werknemers op basis van internationaal aanvaarde arbeidsnormen.
Heeft u naar aanleiding van dit nieuws reeds contact gezocht met de overheid van Uganda? Zo ja, wat is daar uitgekomen? Zo nee, bent u bereid dit op korte termijn alsnog te doen?
Ja.
De Nederlandse ambassade in Kampala heeft contact gehad met het Ministry of Gender, Labour & Social Development in Uganda en het Ministry of Trade, Industry & Cooperatives. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 genoemd, heeft het eerstgenoemde ministerie aangegeven een eigen, onafhankelijk onderzoek te doen naar het incident bij Royal Van Zanten. Het kabinet wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Kunt u toelichten of de Nederlandse staat, al dan niet indirect, is betrokken bij de activiteiten van Royal Van Zanten in Uganda? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, heeft u inzicht in de mate waarin Royal Van Zanten zich aan de OESO-richtlijnen houdt, zoals u van hen verwacht?
De Nederlandse staat is niet betrokken bij de activiteiten van Royal Van Zanten in Uganda.
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die in het buitenland actief zijn, dat zij zich houden aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Bij onenigheid over de toepassing of naleving van de richtlijnen bestaat er de mogelijkheid het Nationaal Contactpunt (NCP) Nederland te betrekken bij het vinden van een oplossing.
Kunt u toelichten of Nederland betrokken is bij het onderzoek dat de overheid van Uganda momenteel uitvoert in bloemenbedrijven? Hoeveel Nederlandse bloemenbedrijven zijn er actief in Uganda, en heeft u reeds contact met hen gezocht over de aanleiding van het onderzoek? Heeft u overwogen dat de Nederlandse overheid zelfstandig en onafhankelijk onderzoek moet doen in deze sector?
Er zijn vijf aan Nederland gelieerde bloemenbedrijven actief in Uganda.
Het is de verantwoordelijkheid van de autoriteiten in Uganda om wet- en regelgeving omtrent arbeidsrechten en -omstandigheden te implementeren en te handhaven. In dit kader is het ook hun verantwoordelijkheid om een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek te doen. Het kabinet wacht de resultaten van het onderzoek naar Royal Van Zanten af. Zoals in het antwoord op vraag 5 toegelicht, hecht het kabinet groot belang aan naleving van de OESO-richtlijnen. Mocht na het onderzoek nog steeds onduidelijkheid bestaan over de toepassing van de OESO-richtlijnen door Royal Van Zanten, dan kunnen betrokken partijen advies aanvragen of een melding doen bij het Nederlandse NCP.
Kunt u toelichten wat de mogelijke consequenties zijn voor Royal Van Zanten en eventuele andere Nederlandse bloemenbedrijven indien zij zich inderdaad schuldig hebben gemaakt of maken aan de in het artikel gestelde verdenkingen?
Het kabinet kan niet vooruitlopen op de uitkomst van het onderzoek van het Ministry of Gender, Labour & Social Development.
Mocht het onderzoek uitwijzen dat de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen geschonden zijn, dan moet het bedrijf volgens diezelfde richtlijnen de gevolgen van die schendingen herstellen of compenseren.