Een vermeende inspectie van Nederlandse militairen aan een ziekenhuis in Tarin Kowt |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Faux pas in Uruzgan» en «We zijn hier niet trots op» uit de Groene Amsterdammer?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Is het waar dat op 12 april 2009 gewapende Nederlandse militairen het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt hebben betreden? Zo ja, wat is de reden geweest?
Begin april 2009 was informatie ontvangen dat gewonde vijandelijke strijders in het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt en het nabijgelegen Health Training Center van de Afghan Health and Development Services aanwezig zouden zijn. Bovendien was bekend dat vijandelijke strijders in Afghanistan in voorkomend geval onder dreiging van geweld medische behandeling afdwingen of zich medicijnen toe-eigenen. Op grond van deze informatie hebben Nederlandse militairen op 12 april 2009 een bezoek gebracht aan het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center, waarbij onder meer het ziekenhuis is betreden. Alvorens het ziekenhuis binnen te gaan, hebben de militairen daartoe toestemming gekregen van de aanwezige staf van het ziekenhuis. Bij het bezoek waren vrouwelijke militairen en militaire artsen aanwezig. Tijdens het bezoek hebben de desbetreffende militairen de normale gang van zaken in het ziekenhuis zo min mogelijk verstoord.
Nederland hecht sterk aan een goede samenwerking met het ziekenhuis en het Health Training Center. De regering betreurt dat het bezoek bij de betrokken instanties een negatieve indruk heeft gemaakt. Na het bezoek zijn er klachten ontvangen over de handelwijze van de Nederlandse militairen. De klachten zijn onderzocht en er zijn enkele deels gegrond verklaard. Het betrof het niet vooraf aankondigen van het bezoek, het zeer kort betreden van de vrouwenvleugel van het ziekenhuis en het forceren van het hangslot van een kast. Naar aanleiding van deze conclusies zijn enkele relevante procedures aangescherpt. Bovendien is de Task Force Uruzgan met de betrokken instanties in overleg getreden om de constructieve relaties en het vertrouwen te bestendigen. Er was geen sprake van schending van het internationaal recht.
Is het waar dat zij hierbij ziekenhuispersoneel en/of andere mensen in het ziekenhuis onder schot hebben gehouden?
Nee.
Wat is uw reactie op de stelling van dhr. Khan Agha Miakhil, dat er geen sprake was van een «rondleiding» onder zijn begeleiding, maar van dwingend binnentreden van Nederlandse militairen?
Zie antwoord vraag 2.
Zou u de gebeurtenis kenmerken als een inval, een inspectie, een bezoek of een rondleiding?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u deze gebeurtenis niet aangemerkt als een incident? Hebben Nederlandse militairen in Afghanistan vaker gewapenderhand ziekenhuizen betreden, en zo ja, zijn deze handelingen gerapporteerd?
De gebeurtenissen zijn intern gemeld conform de daarvoor geldende procedures. Nederlandse militairen hebben in Afghanistan nooit gewapenderhand een civiel ziekenhuis betreden. Wel zijn bij het betreden van het ziekenhuis van Tarin Kowt wapens mee naar binnen genomen. Dit is overigens niet in strijd met het internationaal recht.
Is het waar dat tegelijk met de gebeurtenis bij het ziekenhuis het kantoor van de Afghaanse NGO AHDS werd omsingeld en doorzocht? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat er gebeurde? Hoe zou u deze gebeurtenis kenmerken? Wat is de relatie tussen de genoemde gebeurtenissen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden uws inziens deze handelingen zich tot de Vierde Conventie van Genève?
De handelingen van Nederlandse militairen in Uruzgan op 12 april 2009 waren niet in strijd met de Vierde Conventie van Genève of enig ander onderdeel van het internationaal recht.
De Nederlandse regering hecht groot belang aan het internationaal recht. De Nederlandse krijgsmacht handelt ook in Afghanistan binnen de kaders die het internationaal recht stelt. Noch de Vierde Conventie van Genève noch enig ander onderdeel van het internationaal recht verbiedt het inspecteren of bezoeken van ziekenhuizen. Het is tevens toegestaan in voorkomend geval gewonde vijandelijke strijders te arresteren, onder de voorwaarde dat hun de noodzakelijke medische hulp niet wordt ontzegd. Bij het bezoek van het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center op 12 april 2009 zijn overigens geen personen gevangen genomen.
Vraag van Amerikaanse generaal om meer troepen naar Afghanistan te sturen |
|
Harry van Bommel |
|
Is het waar dat de Amerikaanse generaal Petraeus een verzoek heeft gedaan aan de Nederlandse regering om in «een substantieel deel» van de behoefte aan instructeurs in Afghanistan te voorzien? Op welke wijze is dat verzoek gedaan? Indien dit schriftelijk is gedaan, kunt u dit verzoek aan de Kamer voorleggen? Zo nee, waarom niet?1
Met enige regelmaat informeren partners en bondgenoten naar de voornemens van Nederland met betrekking tot een nieuwe bijdrage aan ISAF. Daarbij komt veelal de motie-Peters/Pechtold ter sprake. Generaal Petraeus stelde zijn vraag tijdens het bezoek van de Minister van Defensie aan Afghanistan en de minister heeft het regeringsstandpunt toegelicht. Hij heeft onderstreept dat het aan het nieuwe kabinet is een beslissing te nemen over de wijze waarop Nederland in de toekomst bij Afghanistan betrokken zal blijven.
Waarom zegt u dat «Als Nederland helemaal niet op dit verzoek ingaat, dat niet begrepen zal worden»? Waar baseert u die verwachting op?
Nederland heeft als lid van de Navo de afgelopen jaren belangrijke bijdragen aan ISAF geleverd. Daarvoor bestaat internationaal waardering. Het werk van de Navo in Afghanistan is echter nog niet af. De komende jaren zal er veel moeten worden geïnvesteerd in de verdere versterking van het Afghaanse leger en de politie, zodat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op termijn aan de Afghaanse autoriteiten kan worden overgedragen. De Navo zal nauw betrokken blijven bij de training van de politie en het leger, en zal hiervoor een beroep moeten doen op alle bondgenoten, inclusief Nederland. Nederland heeft de reputatie van een actieve en betrouwbare bondgenoot. Bondgenoten hebben uiteraard kennis genomen van de politieke discussie in Nederland. Eenzelfde grootschalige inspanning zoals die in Uruzgan als lead nation is geleverd wordt niet verwacht. Wel hoopt men dat Nederland een aanzienlijke bijdrage zal kunnen leveren op het gebied van training. Het huidige kabinet hecht aan de loyaliteit in het bondgenootschap, maar het is aan het nieuwe kabinet om daaraan inhoud te geven.
Deelt u de opvatting dat het doen van deze uitspraak internationaal de verwachting wekt dat Nederland troepen zal leveren voor een nieuwe missie? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Verschillende uitlatingen over Afghanistan |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «NAVO vraagt Nederland weer om troepen voor Afghanistan?»1
De inhoud van het artikel is bekend, evenals het feit dat de Navo en verscheidene bondgenoten een nieuwe bijdrage van Nederland in Afghanistan zouden verwelkomen.
Is het waar dat de Amerikaanse generaal David Petraeus heeft gevraagd of Nederland «een substantieel deel» van de tweeduizend trainers die de NAVO nodig heeft om Afghaanse militairen en politieagenten op te leiden kan leveren? Zo ja, wat was uw reactie op deze vraag?
Met enige regelmaat informeren partners en bondgenoten naar de voornemens van Nederland met betrekking tot een nieuwe bijdrage aan ISAF. Daarbij komt veelal de motie-Peters/Pechtold ter sprake. Generaal Petraeus stelde zijn vraag tijdens het bezoek van de Minister van Defensie aan Afghanistan en de minister heeft het regeringsstandpunt toegelicht. Hij heeft onderstreept dat het aan het nieuwe kabinet is een beslissing te nemen over de wijze waarop Nederland in de toekomst bij Afghanistan betrokken zal blijven.
Zijn de genoemde aantallen trainers uit de kabinetsreactie van 25 juni 2010 op de aangenomen motie Peters-Pechtold nog steeds actueel?2
De aantallen uit de kabinetsreactie van 25 juni 2010 weerspiegelen de behoefte van dat moment. In die reactie is gemeld dat er bij ISAF een behoefte bestond aan 450 trainers op diverse opleidings- en trainingsinstituten en aan ongeveer 170 Police Operational Mentoring and Liaison Teams (POMLT’s), ieder bestaande uit ongeveer vijftien tot twintig personen. Het tekort aan trainingscapaciteit schommelt door besluitvorming in de Navo of door wijzigingen in de bijdragen van landen. Met de beslissing het Afghaanse leger en de politie verder uit te breiden en te versterken is de behoefte aan trainers sterk toegenomen. Het tekort aan trainers en POMLT’s zal in verband met de voorziene groei van de politie en het leger het komende jaar verder toenemen.
Kunt u aangeven waarom u de Kamer niet op de hoogte heeft gebracht van de vraag van generaal Petraeus voordat het artikel verscheen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u specificeren wat u bedoelt met de frase: «als Nederland helemaal niet op dit verzoek ingaat, zal dat niet begrepen worden»? Heeft u concrete aanwijzingen dat dit het geval zal zijn?
Nederland heeft als lid van de Navo de afgelopen jaren belangrijke bijdragen aan ISAF geleverd. Daarvoor bestaat internationaal waardering. Het werk van de Navo in Afghanistan is echter nog niet af. De komende jaren zal er veel moeten worden geïnvesteerd in de verdere versterking van het Afghaanse leger en de politie, zodat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op termijn aan de Afghaanse autoriteiten kan worden overgedragen. De Navo zal nauw betrokken blijven bij de training van de politie en het leger, en zal hiervoor een beroep moeten doen op alle bondgenoten, inclusief Nederland. Nederland heeft de reputatie van een actieve en betrouwbare bondgenoot. Bondgenoten hebben uiteraard kennis genomen van de politieke discussie in Nederland. Eenzelfde grootschalige inspanning zoals die in Uruzgan als lead nation is geleverd wordt niet verwacht. Wel hoopt men dat Nederland een aanzienlijke bijdrage zal kunnen leveren op het gebied van training. Het huidige kabinet hecht aan de loyaliteit in het bondgenootschap, maar het is aan het nieuwe kabinet om daaraan inhoud te geven.
Hoe verhoudt uw inziens uw demissionaire status zich met de uitspraak «ik vind wel dat Nederland een loyale NAVO-bondgenoot dient te blijven»?
Zie antwoord vraag 5.
Gevechtstenue voor vrouwelijke militairen |
|
Raymond Knops (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Defensie op dit moment werkt aan een gevechtstenue voor vrouwen?1
Ja
Klopt deze berichtgeving? Zo ja, in welk stadium verkeren de plannen?
Militairen dragen een gevechtstenue dat voor vrouwen en mannen gelijk is. De voorraden gevechtstenues moeten regelmatig worden aangevuld. Bij deze aanvullingen worden de kledingmaten van de uniformen aangepast aan de behoefte. Tot op heden waren er geen gevechtstenues waarvan de kledingmaten waren afgestemd op vrouwen. Omdat hieraan wel behoefte bestaat, heeft Defensie onlangs kledingmaten vastgesteld voor de gevechtstenues van vrouwelijke militairen. Deze kleding wijkt verder niet af van die van mannelijke militairen. De gevechtstenues voor vrouwelijke militairen zullen worden besteld bij reguliere aanvullingen van de voorraden. Dit leidt niet tot extra kosten.
Op welke wijze Defensie omgaat met tekorten aan kleding en uitrusting en de aanschaf van nieuwe uitrustingstukken heb ik uiteengezet in mijn brief van 28 juni jl. (Handelingen TK 2009–2010, aanhangsel nr. 2750).
Hoeveel zou de ontwikkeling van een dergelijk gevechtstenue gaan kosten? Vindt u deze kosten en moeite opportuun in een tijd waarin Defensie kampt met tekorten aan de meest basale kleding en uitrusting, zoals gevechtslaarzen, broeken, hemden, sokken en handschoenen, en bovendien nauwelijks geld heeft om in deze behoeften te kunnen voorzien? Hoe weegt u in dit verband de uitspraak van generaal Bertholee, die zich als Commandant der Landstrijdkrachten «echt kapot schaamt» als nieuwe soldaten moeten beginnen zonder laarzen?2
Zie antwoord vraag 2.
Het boek 'Missie in Al Muthanna' van het Nederlands Instituut voor Millitaire Historie' |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Nederlandse militairen in Irak op verschillende punten afweken van hun mandaat, waardoor zij veel meer bij de bezetting verweven raakten dan het kabinet eigenlijk wilde? Zo nee, kunt u uw antwoord onderbouwen? Zo ja, op welke punten is dit gebeurd en om welke reden?
VN-Veiligheidsraad Resolutie 1 483, aangenomen op 22 mei 2003, verschaft de politieke en juridische basis voor het uitzenden van Nederlandse militairen naar Irak in de zomer van 2003. De resolutie onderscheidt de «bezettende mogendheden», de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, van «andere landen». De resolutie stelt in dat verband duidelijk dat andere landen, die geen bezettingsmacht zijn, kunnen «werken» onder het verenigde commando (de Coalition Provisional Authority, of CPA).
Nederland behoorde met de militaire bijdrage in de provincie Al Muthanna tot de categorie «andere landen» en maakte geen deel uit van de Amerikaans-Britse bezettingsmacht. In de brief aan de Kamer van 6 juni 2003 (TK 2002–2003, 23 432, nr. 116) en in daaropvolgende informatieverstrekking en parlementaire debatten heeft het kabinet consequent onderstreept dat Nederland deelnam aan een multinationale stabilisatiemacht, die onder een helder VN-mandaat en onder het gezag van de CPA in Irak optrad. De inspanningen waren gericht op het handhaven van de veiligheid en stabiliteit, als voorwaarde voor humanitaire hulp en wederopbouw.
Nederland heeft als deelnemer aan de stabilisatiemacht vooral in de beginfase de CPA ondersteund met de opbouw van lokaal bestuur in de provincie Al Muthanna. Het overleg met het Verenigd Koninkrijk was veelvuldig, de Nederlandse eenheden stonden immers onder Brits bevel. Informatie over het optreden van de Nederlandse militairen in het kader van SFIR is uitgebreid met de Kamer gedeeld, onder andere in de periodieke informatieverstrekking aan de Kamer en de eindevaluatie van de missie en tijdens het bezoek van de Vaste commissie voor Defensie aan het inzetgebied in oktober 2003. In de informatieverstrekking aan de Kamer is steeds onderstreept dat het destijds aangebrachte onderscheid tussen de werkzaamheden van de stabilisatiemacht en de werkzaamheden van de bezettende mogendheden in de praktijk niet zwart-wit te maken was. Dit betekende dat de beperkingen of caveats die golden voor de Nederlandse militairen ten aanzien van bestuurlijke taken en criminaliteitsbestrijding, zoals vastgelegd in het memorandum of understanding tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk, in de praktijk niet houdbaar bleken. Zonder de betrokkenheid van de Nederlandse militairen bij de ontwikkeling van bestuur en handhaving van de openbare orde zou een machtsvacuüm zijn ontstaan en zou de instabiliteit toenemen. Naarmate de CPA beter in staat was om het bestuur en de gezagshandhaving in Al Muthanna te laten functioneren en geleidelijk over te dragen aan de Irakese veiligheids- en bestuursstructuren, kon het Nederlandse bataljon zich concentreren op het handhaven van de veiligheid en stabiliteit, als voorwaarde voor humanitaire hulp en wederopbouw.
Bij het optreden van de Nederlandse militairen in SFIR werden de grenzen van het mandaat zichtbaar, maar zijn deze niet overschreden. Dat geldt ook voor het optreden in het kader van de criminaliteitsbestrijding, zoals de operatie «Greenfield». De Commissie Van den Berg oordeelde dat het optreden van de Nederlandse militairen bij de uitvoering van deze operatie binnen het mandaat van SFIR paste.
Is het waar dat de Nederlandse militairen volop bezig waren met het opzetten van een nieuw Iraaks bestuur in de provincie Al Muthanna, terwijl dit in strijd was met de afspraken die Nederland had gemaakt met de Britten, die het bevel voerden in Zuidelijk Irak? Is hierover overleg geweest met de Britten?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre ondermijnde dit het uitgangspunt van het kabinet dat de Nederlandse militairen door de Irakezen als vredeshandhavers gezien moesten worden in plaats van als bezettende macht?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van de auteurs van het boek dat de Nederlandse militairen in feite deel uitmaakten van de Amerikaans-Britse bezettingsmacht? In hoeverre conflicteert dit met het beeld dat het kabinet in de Kamer schetste van de Nederlandse missie als een opbouwmissie onder de vlag van de Verenigde Naties? Is de Kamer te allen tijde juist geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 1.
Het interview van de Commandant der Landstrijdkrachten waarin hij aangeeft het twee jaar zal duren voordat de landmacht weer volop inzetbaar zal zijn |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
|
|
|
Is het bericht van de Commandant der Landstrijdkrachten dat het twee jaar zal duren voordat de Landmacht weer «volop inzetbaar» zal zijn, waar?1 Zo ja, hoe is dit mogelijk?
Zoals regelmatig met de Kamer is besproken, onder meer tijdens het algemeen overleg over de verlenging van de ISAF-missie van 17 december 2007 (Kamerstuk 27 925, nr. 294), vormde de ISAF-missie een zware belasting voor de krijgsmacht. De krijgsmacht heeft echter aangetoond de missie goed aan te kunnen.
In de afgelopen jaren is een aanzienlijk deel van de eenheden van het Commando landstrijdkrachten ingezet voor de missie in Afghanistan. De gereedstelling van deze eenheden was toegespitst op een wijze van inzet waarbij voornamelijk optreden wordt tot op het niveau van het peloton, dat 30 tot 40 militairen telt. Dit had onvermijdelijk tot gevolg dat andere vormen van inzet, zoals de grootschaliger inzet op bataljons- of brigadeniveau met enkele honderden of zelfs duizenden militairen, minder aandacht hebben gekregen. Nu de missie van de Task Force Uruzgan is beëindigd maken deze grootschaliger vormen van inzet weer deel uit van het gereedstellingsproces. Het kost echter enige tijd voordat de desbetreffende eenheden weer op het vereiste opleidings- en trainingsniveau zijn gebracht. Daarnaast zullen eenheden pas kunnen beschikken over het materieel dat is ingezet in Afghanistan na de uitvoering van de noodzakelijke onderhouds- en herstelwerkzaamheden.
In de ontwerpbegroting 2011 van Defensie (Kamerstuk 32 500 X, nr. 2) is uiteengezet dat de handhaving van de operationele inzetbaarheid een aandachtspunt is. Tegelijkertijd is vanwege de budgettaire problematiek onder meer besloten het oefenprogramma te versoberen. Enige eenheden zullen daarom de gewenste operationele gereedheid later bereiken. Het kan vóórkomen dat eenheden de komende periode alleen worden gereedgesteld voor een specifieke taak.
Deelt u de mening dat dit weer eens aangeeft dat de Landmacht door de langdurige missie in Afghanistan de afgelopen jaren boven het operationele vermogen heeft geopereerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het erg gevaarlijk is voor een soevereine staat als Nederland om een Landmacht te hebben die niet volledig inzetbaar is? Zo nee, waarom niet?
De bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied is de eerste hoofdtaak van Defensie. De territoriale integriteit van het Koninkrijk is niet in het geding en Defensie is goed in staat de eerste hoofdtaak uit te voeren.
Om de inzetbaarheid op peil te houden zijn de afgelopen jaren financiële middelen aan het defensiebudget toegevoegd. In 2008 en 2009 is € 30 miljoen aan de defensiebegroting toegevoegd voor de reparatie van de operationele gereedstelling. Daarnaast is in de periode 2008 tot en met 2011 jaarlijks € 50 miljoen aan de defensiebegroting toegevoegd wegens de slijtage van materieel door de inzet in Afghanistan (de zogenoemde Bos- en Van Geelgelden).
Kunt u aangeven wat de gevolgen voor ons land zullen zijn als een vreemde mogendheid op korte termijn onze territoriale soevereiniteit zal schaden? Kan het Koninkrijk zich momenteel adequaat verdedigen tegen invallen van vreemde mogendheden?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat u in het verleden voldoende heeft geanticipeerd op de door de Commandant der Landstrijdkrachten aangegeven problemen met betrekking tot de inzetbaarheid van de Landmacht ? Deelt u de mening dat aan de bescherming van onze eigen territoriale soevereiniteit minder aandacht kon worden besteed door de internationale missie in Afghanistan en de daarmee gepaarde uitholling van onze Landmacht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat u 1 200 man gaat leveren voor de EU-Battle Group (BG)2 in de eerste helft van 2011 terwijl de Commandant der Landstrijdkrachten aangeeft dat de Landmacht de routine heeft verloren om op te treden met geïntegreerde eenheden en dat hij twee jaar nodig heeft om de brigades weer over de volle breedte inzetbaar te krijgen ? Kunt u specifiek aangeven hoeveel de Landmacht hieraan zal bijdragen qua personeel en materieel en welke gevolgen dit heeft voor dit al uitgeholde krijgsmachtdeel?
Voor de samenstelling van de Nederlandse bijdrage aan de EU Battlegroupin de eerste helft van 2011 verwijs ik naar de brief van 8 september jl. (kenmerk BS2010027179). Sinds 1 januari 2007 voorziet de planning van Defensie in een bijdrage van onder meer eenheden van de landstrijdkrachten aan de EU Battlegroup. De voorbereiding van de eenheden en de gezamenlijke training met de betrokken landen tijdens de standby-periode dragen bij tot de verbetering van de inzetbaarheid van de krijgsmacht en bevorderen de interoperabiliteit met de krijgsmachten van andere landen.
Welke directe maatregelen gaat u nemen om de inzetbaarheid van de Landmacht te verbeteren?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Nederland, gezien de inzetbaarheidsproblematiek van de Landmacht, helemaal geen bijdrage moet leveren aan de EU-BG in 2011? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat Defensie voornemens is een nieuw defensiemuseum te bouwen en de aanbesteding plaatsvindt in het derde kwartaal van 2010 |
|
Marcial Hernandez (PVV) |
|
|
|
|
Is het waar dat de aanbesteding van het nieuwe militaire museum, waarin het legermuseum en het militaire luchtvaartmuseum worden samengevoegd, plaatsvindt in het derde kwartaal van 2010 en het museum begin 2014 haar poorten zal openen?1
De aanbesteding voor het ontwerp, de bouw en de exploitatie van het defensiemuseum in Soesterberg is op 1 september jl. begonnen. Begin 2012 wordt een keuze uit de offertes gemaakt, waarna de bouw kan beginnen. De opening is eind 2014 voorzien.
Kunt u aangeven wanneer het besluit tot aanbesteding is genomen en specificeren hoeveel geld er in totaal is gemoeid met de nieuwbouw?
Het besluit tot aanbesteding is 31 augustus jl. genomen. Het defensiemuseum in Soesterberg zal worden gebouwd en geëxploiteerd in een publiek-privaat samenwerkingsverband. De financiële informatie over het project kan nog niet openbaar worden gemaakt aangezien het aanbestedingstraject nog gaande is. U treft deze financiële informatie aan in de commercieel vertrouwelijke bijlage.2
Welke verklaring heeft u voor de vertraging van het tijdstip van oplevering gezien het gegeven dat Defensie in de brief van 10 juli 2006 spreekt over begin 2008 als beginpunt van de bouw en eind 2009 als opleveringsmoment van het nieuwe museum?
De plannen voor het museum zijn enkele keren gewijzigd als gevolg van financiële herprioriteringen bij Defensie. Verder is na het versturen van de brief uit 2006 uit berekeningen van de Rijksgebouwendienst gebleken dat een publiek-private aanbesteding meerwaarde voor Defensie zou moeten opleveren. Met de tijd die die berekeningen in beslag hebben genomen was in de brief van 10 juli 2006 nog geen rekening gehouden.
Deelt u de mening dat Defensie in deze tijd van grote exploitatietekorten met het managen van schaarse capaciteiten de uitrusting van militairen voorop dient te stellen? Zo ja, kunt u aangeven waarom er dan op de uitrustingen van soldaten bezuinigd wordt2 terwijl er wel geld wordt vrijgemaakt voor de bouw van een nieuw museum, dit mede gezien het feit dat Nederland momenteel al meerdere militaire musea heeft?
De defensiemusea zijn van belang bij het creëren van begrip voor de betekenis van de krijgsmacht voor de Nederlandse samenleving. Daarnaast heeft Defensie de wettelijke plicht haar culturele erfgoed goed te beheren en te onderhouden. De expositieruimten en depots van het Legermuseum in Delft en het Militaire Luchtvaartmuseum in Soesterberg voldoen niet meer aan de eisen voor publieksgerichte presentatie en collectiebeheer. Door de collecties van beide musea onder te brengen in het nieuw te bouwen defensiemuseum in Soesterberg wordt niet alleen onherstelbare schade aan de collecties voorkomen, maar is het bovendien niet nodig kosten te maken voor de renovatie van de huidige gebouwen.
Bent u bereid de nieuwbouw van het museum uit te stellen en met de vrijkomende gelden meer prioriteit te geven aan de uitrusting van onze militairen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het artikel "HAWK personeel wist niet van gevaren. Afweer waar je kanker van krijgt" |
|
Jasper van Dijk , Angelien Eijsink (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «HAWK Personeel wist niet van gevaren. Afweer waar je kanker van krijgt»?1
De staatssecretaris van Defensie heeft in zijn brief van 3 september 1998 (Handelingen 1997–1998, nr. 1731) gemeld dat de veiligheidsafstanden voor de HAWK-installatie van 1985 tot 1998 waren aangepast. Zoals uiteengezet in deze brief bleef ook bij de aangepaste veiligheidsafstanden de vermogensdichtheid van elektromagnetische straling binnen de Navo-veiligheidsnorm. Deze norm voor de vermogensdichtheid van elektromagnetische straling heeft tot doel een overmatige opwarming te voorkomen. Een verband tussen het optreden van kanker en blootstelling aan radarstraling is overigens niet aangetoond. Hoewel de onderzoeksrapporten daar geen aanleiding toe gaven, is in 1998 vanwege onrust bij het personeel de veiligheidsafstand aangepast aan de door de fabrikant voorgeschreven veiligheidsafstand.
De staatssecretaris van Defensie heeft op 17 december 2009 in brief over de «Haalbaarheidsstudie HAWK» (Kamerstuk 27 580, nr. 14) melding gemaakt van de onderzoeken in België en Duitsland. Het onderzoek in de Verenigde Staten is mij niet bekend. In de brief van 17 december 2009 en in de antwoorden op vragen van de vaste commissie voor Defensie (Kamerstuk 27 580, nr. 16, verzonden 18 mei 2010) wordt geconcludeerd dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor een onderzoek naar de gezondheidseffecten van de Hawk-radar. Ik zie in het artikel in De Pers van 1 september jl. geen aanleiding dit standpunt te wijzigen.
Kunt u de Instructie 26224 van de directeur Materieel Koninklijke Luchtmacht, uitgevaardigd op 2 december 1985, en de originele fabrieksaanwijzingen voor het HAWK-afweersysteem naar de Kamer sturen?
Het Hawk-afweersysteem is in 2004 buiten gebruik gesteld. De gevraagde documentatie is niet meer in het bezit van Defensie. Intussen is bij het NATO Maintenance and Supply Agency (NAMSA) de systeemdocumentatie opgevraagd. Fabrieksaanwijzingen, Technical Manuals en meetrapporten van apparatuur zoals HAWK zijn doorgaans zeer omvangrijk en bovendien gerubriceerd. Ik zal de relevante delen van de documenten naar de Kamer zenden zodra deze beschikbaar zijn.
Is het waar dat Defensie de fabrieksaanwijziging betreffende de minimaal veilige afstand tussen de mens en de Improved Continuous Wave Acquisition Radar (ICWAR) heeft ingekort? Zo ja, op welke momenten sinds de ingebruikneming van de HAWK is dit gebeurd? Op basis van welke gegevens is besloten dat deze inkorting geen schadelijke gevolgen kan hebben voor degenen die met of in de nabijheid van het HAWK-afweersysteem werkten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat onderzoek in Nederland naar de gevolgen van blootstelling aan straling afkomstig van de ICWAR alsnog haalbaar is, wanneer er aansluiting gezocht wordt bij de resultaten van gelijksoortige onderzoeken die plaatsvonden in onder andere de VS, Duitsland en België? Zo ja, bent u bereid alsnog onderzoek te doen naar de gezondheidsrisico’s van militairen die hebben gewerkt met HAWK-radarinstallaties? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het artikel "Commando in vrije val" |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Commando in vrije val»?1
Ja.
Kunt u een gedetailleerde beschrijving geven van de feitelijke gang van zaken omtrent de verlenging van de Verklaring Geen Bezwaar (VGB) van Serge A. in mei 2009, zodat hij kon deelnemen aan de uitzending met Task Force 55 terwijl hij eerder een voornemen tot het intrekken van zijn VGB ontving (februari 2009)?
In februari 2009 is naar de betrokken militair een voornemen tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar (VGB) uitgegaan. Een voornemen wordt, ter bescherming van de privacy, altijd uitsluitend aan betrokkene verzonden. Een voornemen is geen besluit en de VGB is nog geldig. De aanvrager van het veiligheidsonderzoek (in dit geval het Korps Commandotroepen, hierna: KCT) draagt van het voornemen op dat moment dan ook geen kennis. Op grond van een aanvraag van het KCT is vervolgens in mei 2009 een zogeheten NATO Security Clearance, benodigd voor deelname aan ISAF, verstrekt. Het criterium voor afgifte van een dergelijke betrouwbaarheidsverklaring is of de betrokken persoon beschikt over een geldige VGB. Aangezien de VGB nog niet was ingetrokken, bestond er geen reden de betrouwbaarheidsverklaring aan betrokkene te onthouden. Nadat betrokkene van uitzending was teruggekeerd is de VGB ingetrokken. Tegen deze beslissing is betrokkene in bezwaar gegaan. Het advies van de bezwarencommissie de VGB alsnog te verstrekken is niet overgenomen en de intrekking blijft gehandhaafd. Inmiddels heeft betrokkene tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de rechtbank.
Worden militairen die deel uitmaken van Special Forces en staatsgeheime operaties uitvoeren sneller en strenger beoordeeld alvorens hun VGB wordt uitgegeven of verlengd?
Veiligheidsonderzoeken naar militairen die deel uitmaken van Special Forces worden niet sneller uitgevoerd dan andere veiligheidsonderzoeken, tenzij een verzoek van de aanvrager daar aanleiding toe geeft. Bij de beoordeling of een VGB wordt afgegeven, worden dezelfde criteria gehanteerd als bij andere functionarissen die een vergelijkbare vertrouwensfunctie vervullen.
Wanneer de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), om welke redenen dan ook, niet in staat was haar taken inzake de uitgifte, verlenging of intrekking van VGB’s uit te voeren, wie of welke instantie heeft dan de verantwoordelijkheid hiervoor genomen? In hoeverre is dit conform de bestaande regelgeving?
Op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken is uitsluitend de MIVD bevoegd tot het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken naar personen die werkzaam zijn in vertrouwensfuncties bij het ministerie van Defensie.
Kunt u garanderen dat de vertragingen bij de MIVD inzake de uitgifte, verlenging en intrekking van VGB's met de door u genomen maatregelen ten aanzien van het vergroten van de onderzoekscapaciteit bij de MIVD en een verbetering van de procedures2 zijn verholpen? Zo nee, wanneer zal dit wel het geval zijn en welke extra maatregelen zult u hiertoe nog nemen?
De eerder door mij getroffen maatregelen, zoals vermeld in mijn brieven van 11 maart (kamerstuk 29 924, nr. 46) en 27 augustus 2010 (kamerstuk 29 924, nr. 56), moeten ertoe leiden dat eind 2010 de vertragingen in het proces van veiligheidsonderzoeken zodanig worden beperkt dat bij ongeveer negentig procent van de onderzoeken geen sprake is van overschrijding van de wettelijke termijn van acht weken. In voorkomende gevallen, zoals bij noodzakelijke navraag in het buitenland, zal sprake kunnen zijn van overschrijding van die termijn.
Op welke wijze, op welk moment en hoe volledig werd de Kamer geïnformeerd over de betreffende inzet van paratroepen voor Task Force 55 in mei 2009 in Afghanistan?
In de stand van zaken brief van 13 maart 2009 (kamerstuk 27 925 nr. 330) is de Kamer geïnformeerd over de inzet van commando’s en mariniers en hun taken. Deze bijdrage valt onder het ISAF-mandaat. Over de Nederlandse bijdrage aan ISAF tot 1 augustus 2010 is de Kamer geïnformeerd met de brief van 30 november 2007 (kamerstuk 27 925, nr. 279). Over specifieke operaties worden vanwege de noodzaak tot strikte geheimhouding geen mededelingen gedaan.
De herijking van de business case JSF |
|
Pauline Smeets (PvdA), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de gang van zaken rond de beïnvloeding vanuit de luchtvaartindustrie op de herijking van de business case JSF in de zomer van 2008, zoals beschreven in de Volkskrant, bevestigen?1 Zo nee, op welke punten klopt deze beschrijving niet?
Hiervoor verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 1 en 2 van het lid Van Dijk (SP) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 54.
Waarom heeft u de Kamer destijds niet terstond geïnformeerd over de rechterlijke procedure die de betrokken industrie op 2 juli 2008 tegen de Staat heeft aangespannen, het verloop van deze procedure en de daarop volgende overleggen met vertegenwoordigers van deze industrie, mede in het licht van het feit dat de regering kort daarvoor in het algemeen overleg over de JSF in de Kamer had gemeld dat de herberekening van het afdrachtpercentage uit de business case de komende zomer rustig diende te worden afgewacht?
De Staat en de Luchtvaartindustrie hebben gedurende lange tijd intensief overleg gevoerd over de herijking van de business case. De Kamer is voortdurend geïnformeerd over de relevante uitkomsten van en de vervolgstappen in dit proces. De gerechtelijke procedure waaraan in het Volkskrant artikel wordt gerefereerd is door de Luchtvaartindustrie ingetrokken en heeft geen invloed gehad op de uitkomst of het verloop van de herijking van de business case.
Is het waar dat de regering daarbij niet is ingegaan op de voorwaardelijke eis dat Nederland ook werkelijk JSF’s gaat kopen, maar dat de bijkomende «voordelen» van zo’n aankoopbesluit door Nederland uiteindelijk wel zijn meegenomen bij de berekening van het definitief afgesproken afdrachtspercentage? In hoeverre is dit afwijkend van de oorspronkelijke parameters uit de betreffende Medefinancieringsovereenkomst (MFO)? Kan alleen daaruit ook al de conclusie getrokken worden dat, mocht Nederland niet overgaan tot aanschaf van de JSF als opvolger van de F16, de belofte dat de Nederlandse deelname aan de ontwikkeling (SDD) van de JSF de «belastingbetaler geen cent gaat kosten» niet zal kunnen worden waar gemaakt?
Op 1 juli 2008 heeft de Staat conform de MFO aan de Luchtvaartindustrie het resultaat bekend gemaakt van de herijking van de JSF business case. Tevens is de Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstuk 26 488, nr. 90). Bij de herijking is de Staat uitgegaan van de parameters van de MFO. Een voorwaardelijke eis voor de aanschaf van de JSF is niet aan de orde. Het ontwikkelingskostenvoordeel dat Nederland als SDD-partner heeft bij de aanschaf van de JSF is een van de parameters die in overeenstemming met de MFO onderdeel uitmaakt van de business case. Dit aspect is vanaf 2002 bekend. Inmiddels is de business case herijkt en zijn aanvullende afspraken gemaakt met de industrie. Deze bevatten geen wijzigingen ten aanzien van het ontwikkelingskostenvoordeel. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief van 24 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 223). Voorts verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4 van het lid Van Dijk (SP).
Kunt u een overzicht verschaffen wat op dit moment voor de Nederlandse staat, de Nederlandse belastingbetaler en de betrokken Nederlandse bedrijven nog de voor- en nadelen zijn van de uitvoering van de betreffende MFO, sinds de herijking van de business case en het daarbij vastgestelde definitieve afdrachtpercentage, rekening houdend met de volgende feiten:
Ik herken mij niet in de vraag 4 als feit veronderstelde opvattingen.
In de MFO van 2002 is vastgelegd hoe het verschil tussen deelname aan de ontwikkeling van de JSF en het kopen van de plank moet worden berekend. De Staat en de Luchtvaartindustrie zijn in de MFO overeengekomen dat het verschil («Tekort») in deze business case voor rekening komt van de Luchtvaartindustrie. In 2002 is de looptijd van de overeenkomst bepaald op 50 jaar. De achtergrond en inhoud van de business case is onder meer uitvoerig beschreven in de brief aan de Kamer van 11 februari 2002 (Kamerstuk 26 488, nr. 8, blz. 14 t/m 18 en blz. 22 en 23) en bovendien is een en ander met de Kamer besproken tijdens het notaoverleg van 2 april 2002 (Kamerstuk 26 488, nr. 12). De definitie van het Tekort en de elementen die van belang zijn voor de vaststelling daarvan zijn beschreven in artikel 3.3 van de MFO.
Conform de MFO is de business case in 2008 herijkt. Vervolgens hebben de betrokken partijen in 2010 overeenstemming bereikt over het afdrachtpercentage van gemiddeld 3 waarmee gedurende de resterende looptijd van de MFO de private bijdrage van € 105 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001) door de industrie via de afdrachten over de JSF-gerelateerde omzet moet worden terugbetaald. De MFO biedt de Staat daarmee de juridische basis om het Tekort daadwerkelijk terug te ontvangen. Voorts verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van het lid Van Dijk (SP), in het bijzonder vraag 5.
Welke conclusie trekt u uit de balans van deze voor- en nadelen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat JSF-bedrijven een korting van 245 miljoen euro van de overheid ontvangen |
|
Jasper van Dijk |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Staat geeft JSF-bedrijven korting van 250 miljoen»?1
Ik herken mij niet in de voorstelling van zaken in het desbetreffende artikel.
Is het waar dat de JSF-bedrijven circa 245 miljoen euro minder hoeven terug te betalen aan de Nederlandse overheid dan aanvankelijk was afgesproken (c.q. het in 2002 berekende tekort van de businesscase)? Zo nee, om welk bedrag gaat het wél? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. In het Volkskrant artikel zijn vier bedragen (resp. € 42 miljoen, € 6 miljoen, € 144,9 miljoen en € 52,1 miljoen) opgeteld tot een totaal van € 245 miljoen. Deze posten hebben elk echter een geheel andere aard en oorsprong, waardoor in het artikel een onjuist beeld wordt geschetst. Hieronder vindt u een nadere toelichtingop de genoemde bedragen in de Volkskrant.
In 2002 bedroeg het Tekort van de JSF business case € 191 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001). Toen de business case in 2002 werd opgesteld bestonden er onzekerheden over de ontwikkeling van de waarden van de gehanteerde parameters. Daarom werd in de Medefinancieringsovereenkomst (MFO) vastgelegd dat er in 2008 een herijking zou plaatsvinden. Het genoemde bedrag van € 42 miljoen betreft een in 2002 overeengekomen eenmalige bijdrage van het ministerie van Economische Zaken als aanvullende dekking van het reeds berekende Tekort op de business case van € 191 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001). Dit kwam door dollarkoersontwikkelingen en een latere start van de aanschafperiode dan voorzien. Deze bijdrage is verwerkt in de EZ-begroting van 2002 en is meegenomen in de herijking van de business case in 2008. Deze € 42 miljoen zal dus door de Luchtvaartindustrie worden terugbetaald via de afdrachten over JSF-gerelateerde omzet en wordt in het artikel derhalve ten onrechte aangemerkt als een korting. De Kamer is over deze voorfinanciering geïnformeerd met de beantwoording van vragen van 6 maart 2002 (Kamerstuk 26 488, nr. 9), in het bijzonder in het antwoord op de vragen 301, 307, 308, 316, 318, 326, 343, 394 en het antwoord op vraag 325.
De herijking van de business case in 2008 resulteerde in eerste instantie in een Tekort van € 308 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001) maar is gecorrigeerd naar € 302 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001). Deze correctie van € 6 miljoen heeft betrekking op een foutieve berekening bij de herijking van de business case waartegen de Luchtvaartindustrie terecht bezwaar heeft gemaakt. Het betrof een fout bij de berekening van het zogeheten organisatiekostenvoordeel (Foreign Military Sales-kostenvoordeel). Uw Kamer is hierover geïnformeerd met de jaarrapportage over 2009 van het project Vervanging F-16 van 13 april 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 232) en met de beantwoording van de vragen van 30 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 224), in het bijzonder het antwoord op de vragen 12, 35 en 36.
De uitkomst van de herijking is vervolgens onderwerp van arbitrage geweest. De arbiters hebben eind 2009 het Tekort in de business case vastgesteld op € 157,1 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001). Het bedrag van € 144,9 miljoen uit het artikel (netto contante waarde, prijspijl 2001) is het verschil tussen het Tekort na de herijking van de business case in 2008 (€ 302 miljoen) en het Tekort na de arbitrage in 2009 over die herijking (€ 157,1 miljoen). De arbiters hebben een andere interpretatie gegeven dan de Staat van de manier waarop de dollarkoers voor de betalingen aan de Amerikaanse overheid voor de deelname aan de SDD-fase moest worden verwerkt. De arbiters oordeelden dat de omschrijving in de MFO van de te hanteren dollarkoers voor de periode tot 1 juli 2008 betekent dat geen termijnkoers mocht worden toegepast. Dat mocht volgens de arbiters alleen voor de periode vanaf 1 juli 2008. De arbiters hebben die visie uiteengezet op bladzijden 30 tot en met 33 van het Gedeeltelijk Arbitraal Eindvonnis. Uw Kamer is hierover reeds lopende het arbitrageproces op 30 juni 2009 geïnformeerd door vertrouwelijke inzage in het Gedeeltelijk Arbitraal Eindvonnis (Kamerstuk 26 488, nr. 190), en voorts met de brief over de afronding van het arbitrageproces van 2 december 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 208) en de brief over het bereiken van het akkoord met de Luchtvaartindustrie over de herijking van de business case op 24 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 223) met als bijlagen het Gedeeltelijk Arbitraal Eindvonnis en het Arbitraal Eindvonnis.
Pas met het eindvonnis van de arbiters in 2009 is het Tekort in de business case definitief vastgesteld op € 157,1 miljoen (netto contante waarde, prijspeil 2001). Uw Kamer is hierover op 27 november 2009 geïnformeerd (Kamerstuk 26 488, nr. 207). De verandering in het Tekort in de periode 2002–2010 is derhalve geen korting voor de industrie maar is het resultaat van de herijking van de business case en de arbitrage, op grond van de MFO uit 2002.
Nadat de arbiters het Tekort definitief hadden vastgesteld, is met de Luchtvaartindustrie gesproken over een haalbare uitvoering van het arbitrale vonnis, dat bij het Tekort van € 157,1 miljoen zou leiden tot een afdrachtpercentage voor de industrie van 4,49. Een hoog afdrachtpercentage heeft een nadelige invloed op de bedrijfseconomische situatie voor de Nederlandse bedrijven in het F-35 programma. Indien dit zou leiden tot minder orders en een lagere omzet, heeft dit een negatieve invloed op de afdrachten van de industrie aan de Staat en ook op de werkgelegenheid bij de betrokken bedrijven. Gelet op de economische omstandigheden en de verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven heeft de Staat de Luchtvaartindustrie eind 2009 het voorstel gedaan dat van het door de arbiters vastgestelde Tekort van € 157,1 miljoen door de Luchtvaartindustrie € 105 miljoen via afdrachten wordt terugbetaald gedurende de looptijd van de MFO, wat neerkomt op een afdrachtpercentage van gemiddeld 3. De Luchtvaartindustrie heeft dit voorstel begin dit jaar geaccepteerd. Voordat dit voorstel kon worden gedaan, is in overleg met de toenmalige minister van Financiën afgesproken dat het resterende bedrag van € 52,1 miljoen (netto contante waarde) wordt terugbetaald door een uitgavenverlaging op het terrein van luchtvaart en industrie binnen de begrotingen van Economische Zaken en Defensie. Dit bedrag wordt in gelijke delen in mindering gebracht op de begroting van Economische Zaken en Defensie en vloeit terug naar de schatkist in de vorm van verminderde rentebetalingen op de staatschuld. Deze maatregel heeft derhalve geen consequenties voor de belastingbetaler. De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief van 24 maart 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 223).
De Staat en de Nederlandse Luchtvaartindustrie hebben begin dit jaar overeenstemming bereikt over de herijking van de JSF Business Casezoals overeengekomen in de MFO. Uw Kamer is over de in het artikel genoemde bedragen en de onderbouwing daarvan door de jaren heen uitvoerig geïnformeerd. Voorts zijn de resultaten van de arbitrage en de overeenkomst tussen de Staat en de Luchtvaartindustrie aan de orde geweest tijdens het debat van 7 april 2010 (handelingen TK 2009–2010, nr. 73).
Hoe rijmt u deze korting met de belofte (onder meer van oud-minister Zalm) dat de belastingbetaler «geen cent» zou hoeven bij te dragen aan het JSF-project?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u zich inzetten om de belastingbetaler alsnog te ontzien voor wat betreft deze kosten? Zo ja, wat gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kijkt u met de kennis van nu terug op de Medefinancieringsovereenkomst? Vindt u een dergelijke constructie voor herhaling vatbaar?
Het JSF-programma biedt de Nederlandse Luchtvaartindustrie de mogelijkheid deel te nemen aan innovatieve en hoogwaardige vliegtuigontwikkeling. Tot eind 2009 heeft de Nederlandse Luchtvaartindustrie zoals gemeld in de jaarrapportage over 2009 van het project Vervanging F-16 van 13 april 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 232 ) voor $ 806 miljoen (lopende prijzen) aan opdrachten verworven.
In de MFO is vastgelegd onder welke voorwaarden de Nederlandse industrie zijn bijdrage levert aan het Tekort in de business case. In de MFO is zoveel mogelijk getracht recht te doen aan de belangen van zowel de overheid als het bedrijfsleven. De Staat en de Nederlandse Luchtvaartindustrie hebben begin dit jaar overeenstemming bereikt over de herijking van de JSF business case zoals overeengekomen in de MFO. Er is een goede balans gevonden tussen de afdrachtverplichting, de bedrijfseconomische gevolgen voor de Luchtvaartindustrie en de gezamenlijke belangen ten aanzien van werkgelegenheid en het behoud van een gezonde en innovatieve luchtvaartsector.
Gezien de specifieke kenmerken van de deelname aan het JSF programma en de vele variabelen die van invloed zijn, is er bij de MFO geen sprake van een constructie die algemeen toepasbaar is. Het verbinden van maatschappelijke opgaven aan economische belangen van ons land is een ontwikkeling waarbij medefinancieringsconstructies een nuttige rol kunnen vervullen.
Bent u bereid genoemde documenten van Economische Zaken naar de Kamer te sturen?
De Kamer is zoals hierboven is toegelicht in de afgelopen jaren over alle in het Volkskrant artikel genoemde bedragen uitvoerig geïnformeerd. In het betreffende artikel wordt aangegeven dat gebruik is gemaakt van documenten die naar aanleiding van een WOB-verzoek beschikbaar zijn gesteld. Deze informatie is daarmee voor iedereen vrij toegankelijk.
Het bericht dat Turkije mogelijk chemische wapens inzet tegen de PKK |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Shocking images of dead Kurdish fighters. Turkey accused of using chemical weapons against PKK»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit bericht, alsmede de ontkennende reactie van de Turkse autoriteiten op de beschuldigingen dat chemische wapens zouden zijn ingezet tegen Koerdische PKK-strijders?
Voor Turkije is het Chemische Wapensverdrag op 11 juni 1997 in werking getreden. Het land heeft binnen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) in het verleden meerdere malen officieel te kennen gegeven geen chemische wapens te bezitten. Navraag bij de Turkse autoriteiten leert dat Turkije bevestigt niet in het bezit te zijn van chemische wapens.
Het genoemd artikel in Der Spiegel baseert zich mede op een rapport van de Universiteitskliniek Hamburg-Eppendorf. Deze kliniek heeft naar aanleiding van de berichten in de media op 13 augustus een rectificerend persbericht verspreid. In het persbericht wordt gemeld dat het instituut op geen enkele wijze bevestigt dat de dood van de afgebeelde slachtoffers het gevolg is van inzet van chemische wapens. Voor uw informatie is het persbericht bijgevoegd.2
Ziet u aanleiding om met de Turkse autoriteiten in contact te treden over deze kwestie en er bij hen op aan te dringen opheldering te geven over de wijze waarop tegen PKK-strijders wordt opgetreden en de mogelijke inzet van chemische wapens daarbij?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden ziet u om deze kwestie in de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) of via andere multilaterale kanalen zoals de VN, de NAVO en de EU aan de orde te stellen en, indien de Turkse autoriteiten hierover geen openheid van zaken geven, te pleiten voor een internationaal onafhankelijk onderzoek om vast te stellen of Turkije zich schuldig maakt aan schending van het Verdrag inzake chemische wapens?
Het Chemische Wapensverdrag behelst een verbod op de ontwikkeling, productie, aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens. Daarnaast voorziet het verdrag in de verplichting tot vernietiging van bestaande voorraden.
Nederland ziet op basis van de informatie in het aangehaalde bericht geen aanleiding om Turkije te verdenken van het gebruik of het bezit van chemische wapens. Er is dan ook geen reden om deze kwestie binnen de OPCW, de VN of de EU aan de orde te stellen.
Beweringen dat Turkije chemische wapens heeft ingezet tegen Koerdische opstandelingen |
|
Harry van Bommel |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
Kent u berichten uit de Nederlandse en Duitse pers over de vermeende inzet door Turkije van chemische wapens tegen Koerdische opstandelingen?1
Ja.
Is het waar dat de universiteit van Hamburg in een forensisch rapport bevestigt dat acht Koerden in september 2009 zeer waarschijnlijk zijn omgekomen door de inzet van chemische stoffen? Indien ja, wat is uw beoordeling van dit rapport?
Het is onjuist dat het Institut für Rechtsmedizin des Universitätsklinikums Hamburg-Eppendorf op basis van ter beschikking gestelde foto’s heeft aangegeven dat de afgebeelde slachtoffers zeer waarschijnlijk omkwamen door de inzet van chemische wapens.
Universiteitskliniek Hamburg-Eppendorf heeft naar aanleiding van de eerdere berichten in de media een rectificerend persbericht verspreid. In het persbericht (d.d. 13 augustus) wordt gemeld dat het instituut op geen enkele wijze bevestigt dat de dood van de afgebeelde slachtoffers het gevolg is van inzet van chemische wapens. Bovendien kan het Instituut volgens de verklaring geen oordeel geven over de oorzaak en het tijdstip van de verwondingen.2
Is het tevens waar dat de resultaten van een uitgevoerde autopsie op deze acht Koerden door Turkije geheim worden gehouden?
Navraag bij Turkse autoriteiten leert dat autopsierapporten op basis van de Turkse wet alleen door de directe familie van betrokkenen opgevraagd kunnen worden. De rapporten worden dus niet geheim gehouden.
Deelt u de opvatting dat Turkije nadere opheldering moet verschaffen over de omstandigheden waaronder deze acht Koerden zijn omgekomen en bent u bereid daarop aan te dringen?
Er is geen reden om aan te nemen dat Turkije in het bezit is van chemische wapens of dat Turkije deze wapens heeft gebruikt tijdens een confrontatie met Koerdische opstandelingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2 van het lid Voordewind (kenmerk 2010Z11626).
Deelt u de opvatting dat bij weigering om opheldering te verschaffen, moet worden aangedrongen op onafhankelijk onderzoek, en bent u bereid deze suggestie, afkomstig uit de Duitse Bondsdag, in Europees verband aan de orde te stellen?
In de Duitse Bondsdag zijn (vooralsnog) geen vragen gesteld over deze kwestie. Mocht aan Nederland informatie bekend worden die twijfel doet rijzen over naleving van het Chemische wapensverdrag door Turkije dan zal om opheldering worden gevraagd conform de bepalingen van het verdrag.
Kritiek van een generaal op de missie in Uruzgan |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Meer vrijheid voor troepen op missie»?1
Ja.
Wat is de status van de opmerkingen die generaal De Kruif in het artikel maakt?
Het artikel in De Telegraaf is geschreven op basis van een presentatie van generaal-majoor De Kruif op een symposium van de organisatie van internationale reserveofficieren CIOR over de rol van reservisten in operaties en een kort gesprek na die presentatie. Hij heeft de omvang van de Nederlandse bijdrage aan ISAF niet gepresenteerd als een vertragend politiek compromis. Wel heeft hij er op gewezen dat bepaalde randvoorwaarden, zoals een maximum aantal militairen en hun geografische beperkingen bij de inzet, bepaalde uitdagingen in het operatiegebied met zich mee brengen. Deze constatering vat ik niet op als kritiek op de politieke besluiten.
Generaal-majoor De Kruif heeft in dat kader de praktische mogelijkheden van een geïntegreerde coalitie als ISAF onderstreept. De NAVO en haar partners hebben volgens hem de meerwaarde van internationale samenwerking in dergelijke missies aangetoond. Juist de som van de capaciteiten van alle deelnemende landen maken de ISAF missie mogelijk.
Geven de opmerkingen de mening van de minister van Defensie en/of van de CDS weer?
Zie antwoord vraag 2.
Betekenen de opmerkingen dan dat wij forse steken hebben laten vallen tijdens de missie in Uruzgan of op zijn minst dat wij beter hadden kunnen presteren dan dat wij hebben gedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft De Kruif deze kritiek al eerder intern geventileerd? Zo ja, wat is daar mee gedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Is het succes van de missie eigenlijk minder groot dan tot op heden wordt gesuggereerd?Zo nee, hoe moeten de opmerkingen van De Kruif dan worden geïnterpreteerd?Zo ja, wat betekenen deze constateringen voor eventuele volgende missies?
De Kamer is gedurende de Nederlandse bijdrage aan ISAF correct geïnformeerd over de voortgang en de resultaten, onder meer door de periodieke stand-van-zakenbrieven. Bovendien zal een evaluatie van de Nederlandse bijdrage aan de Kamer worden gestuurd, zoals het Toetsingskader vereist.
Wat vindt u ervan dat een topmilitair openbaar als mening ventileert dat hij onafhankelijker van de politieke leiding wil kunnen opereren?
Generaal-majoor De Kruif heeft gemeld dat indien internationale samenwerking niet mogelijk was geweest, wellicht 6000 militairen in Uruzgan nodig geweest zouden zijn. Met dit voorbeeld heeft hij het belang van internationale samenwerking onderstreept. Ik ben het met hem eens dat zonder internationale samenwerking de militaire inzet in Uruzgan veel groter zou moeten zijn om dezelfde resultaten te kunnen bereiken en concludeer dat de internationale samenwerking in militaire operaties duidelijke efficiencyvoordelen biedt.
Internationale samenwerking bij een complexe militaire operatie kan leiden tot verschillen van inzicht op onderdelen van de uitvoering. Dergelijke verschillen van inzicht onderstrepen dat ieder deelnemend land eigen afwegingen maakt. Hierdoor ontstaan gezonde discussies die een zorgvuldige oordeelsvorming ondersteunen. Er zijn mij geen verschillen van inzicht bekend die de werkzaamheden van de Nederlanders in Afghanistan ernstig hebben belemmerd.
Hoe is deze opmerking van De Kruif dat het mogelijk was geweest dat Nederland permanent 6 000 man in Uruzgan had kunnen hebben te rijmen met de heersende opvatting dat bij de omvang van de nu afgesloten missie in Uruzgan de Nederlandse krijgsmacht op zijn tenen moest lopen om deze missie te kunnen vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het inhoudelijk ook eens met de kritiek van De Kruif op het functioneren van de NAVO?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft De Kruif deze opvattingen over het functioneren van de NAVO ook intern gecommuniceerd? Zo ja, wat is er met deze kritiek gedaan? Zo nee, gaat u hierover alsnog met De Kruif in gesprek en kunt u de Kamer hierover dan rapporteren?
Zie antwoord vraag 7.
Zo nee, hoe kan het dat u hierover een andere opvatting heeft dan een generaal die namens Nederland de hoogste positie binnen een missie in NAVO verband ooit heeft bekleed en daarmee dus toch een relevante evaluatie van het functioneren van de NAVO-missie van binnen uit kan beoordelen?
Zie antwoord vraag 7.
Hebben de opvattingen van De Kruif consequenties voor Nederlandse deelname aan toekomstige NAVO-missies?
Zie antwoord vraag 7.
Over een afgelaste opleiding voor bijna 470 aspirant-militairen. |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Defensie de opleidingen en banen van 467 aspirant-militairen heeft afgezegd?1
De opschorting van de opkomst van een groep toekomstige militairen werd noodzakelijk door een combinatie van factoren die in belangrijke mate het gevolg zijn van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Doordat de werving is aangetrokken komen, na het goed doorlopen van de keuring, meer mensen in aanmerking voor een aanstelling als militair. Tegelijkertijd is het aantal afvallers tijdens de initiële opleidingen gedaald en hebben minder militairen vrijwillig ontslag genomen. In april werd duidelijk dat deze ontwikkelingen ingrepen vergden aangezien de beschikbare budgetruimte voor personeel niet is gewijzigd. De staatssecretaris heeft de beperking van de instroom in algemene zin aangekondigd tijdens het algemeen overleg Personeel van 20 april 2010 (Kamerstuk 32 123 X, nr. 129).
Bij het bezien van alle consequenties en alternatieven bleek het onontkoombaar de opkomst van deze groep, die de opkomstbrief al had ontvangen, uit te stellen. De betrokken toekomstige militairen zijn hierover in juli telefonisch en schriftelijk geïnformeerd. De maatregel behelst geen contractbreuk, maar uitstel van de geplande opkomstdatum.
Niettegenstaande de maatregelen is er nog steeds ruimte om militairen aan te stellen en blijven ook de wervingsinspanningen overeind. Bij aanstellingen krijgen de personeelscategorieën waarin sprake is van structurele tekorten voorrang. Dit betreft vooral technische en geneeskundige functies.
Wanneer werd duidelijk dat er voor deze nieuwkomers geen plek was? Binnen hoeveel dagen werden de nieuwkomers ingelicht?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er juridische belemmeringen om een deel van deze aspirant-militairen door te laten stromen naar de circa 3000 openstaande vacatures? Zo neen, bent u bereid zich in te zetten voor dergelijke trajecten?
Het gaat in deze kwestie niet zozeer om juridische belemmeringen, maar om de noodzaak binnen het desbetreffende budget te blijven.
Op welke manier wordt bijgehouden hoeveel ruimte Defensie heeft om mensen aan te nemen?
De personele vulling wordt maandelijks gerapporteerd aan de ambtelijke en politieke leiding van Defensie. Ook wordt per kwartaal, voor zover de personele vulling daartoe aanleiding geeft, een specifieke rapportage opgesteld. Dit zijn de momenten waarop tot bijsturing kan worden besloten.
Verder worden per defensieonderdeel in een apart forum maandelijks de vacatures, de personeelsbehoefte en de financiële ruimte onder de loep genomen.
Is de problematiek van deze casus ontstaan doordat het systeem niet goed is toegepast, of vanwege een omissie in het systeem? Bent u in het laatste geval bereid concrete wijzigingen door te voeren die dergelijke problemen in de toekomst voorkomen?
Ondanks de regie op de totale personele keten zijn de processen die hiermee gemoeid zijn niet probleemloos op elkaar af te stemmen. Daarvoor is de dynamiek in die processen te verschillend. Prognoses van de ontwikkeling van de personele sterkte en van de daaraan gekoppelde budgettaire realisatie zijn niet altijd gemakkelijk te maken. Uiteraard werkt Defensie voortdurend aan de verdere verbetering van informatie, prognoses en relevante deelprocessen.
Over het afgelasten van de opleiding van 467 aspirant militairen |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie stuurt 467 aspiranten excuusbrief. Opleiding nieuwe militairen afgelast»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie 467 aanstellingsbeloften niet heeft kunnen nakomen, en dat het hier gaat om 300 arbeidsplekken bij de marine en 167 bij de landmacht? Zo niet, wat is dan de verdeling van deze arbeidsplekken?
Zowel het totale aantal als de verdeling ervan klopt. Het betreft hier overigens geen 467 arbeidsplekken, maar 467 aanstelbare personen die nu dus later zullen beginnen met hun initiële opleiding.
Kunt u gespecificeerd aangeven in hoeverre hier sprake is van het niet goed begroten van de betreffende opleidings - en instroomkosten op de lopende begroting voor 2010, dan wel het doorvoeren van wijzigingen in deze lopende begroting? Waar in de begroting 2010 zijn de betreffende posten te vinden? Waarom is de Kamer niet in de Voorjaarsnota geïnformeerd over deze maatregelen en de tekorten? Wanneer zult u de Kamer informeren over de gemaakte miscalculaties in de begroting dan wel over de nieuw doorgevoerde wijzigingen?
De budgetten voor werving en personeel zijn opgenomen in de beleidsartikelen van de respectievelijke defensieonderdelen. De begroting 2010 en de daaraan gekoppelde personeelsbezetting zijn niet aangepast. De opschorting van de opkomst van een groep toekomstige militairen werd noodzakelijk door een combinatie van factoren die in belangrijke mate het gevolg zijn van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Doordat de werving is aangetrokken komen, na het goed doorlopen van de keuring, meer mensen in aanmerking voor een aanstelling als militair. Tegelijkertijd is het aantal afvallers tijdens de initiële opleiding gedaald en hebben minder militairen vrijwillig ontslag genomen. In april werd duidelijk dat deze ontwikkelingen ingrepen vergden aangezien de beschikbare budgetruimte voor personeel niet is gewijzigd. Van een miscalculatie in de begroting is dus geen sprake, maar wel van een maatregel om binnen het door de Kamer goedgekeurde begrotingsplafond te blijven. De staatssecretaris heeft de beperking van de instroom in algemene zin aangekondigd tijdens het algemeen overleg Personeel van 20 april 2010 (Kamerstuk 32 123 X nr. 129).
Kunt u precies aangeven welke nieuwe redenen er zijn voor het «op de rem zetten van het tempo» om de structurele personeelstekorten in te lopen? Welke ontwikkelingen hebben er precies toe geleid dat de reeds begrote extra instroom militairen niet kan plaatsvinden?
Het in de begroting 2010 gemelde groeitempo van het personeelsbestand is niet aangepast. Om de bezuinigingen uit het aanvullende beleidsakkoord te verwerken is in 2009 besloten tot een meer geleidelijke vulling van de organisatie, van 95 procent in 2010 tot 98 procent in 2015. Niettemin is er de komende jaren nog steeds sprake van een toename van het personeelsbestand. Voor de geplande instroom van nieuw personeel voor 2010 is een schatting gemaakt van onder meer de uitstroom van personeel. Afgezet tegen de personele kaders waarvoor financiële dekking bestaat, leidt dit tot vaststelling van de geplande en gewenste initiële instroom. Het eerder bereiken van de voor 2010 maximaal toegestane en financieel afgedekte sterkte is vooral een gevolg van de lagere uitstroom tijdens de initiële opleiding en het lagere aantal vrijwillige ontslagen onder het zittende personeel.
Wat zijn de gevolgen van de extra 467 vacatures die door de genomen maatregel zijn ontstaan voor de betreffende krijgsmachtdelen en hoe zullen deze gevolgen worden ondervangen?
Door de uitgestelde opkomst van deze groep personen ontstaan geen extra vacatures. De defensieorganisatie is gevuld met de voor 2010 vastgestelde aantallen die passen binnen de begroting.
Wanneer behoort een aspirant-militair tot de categorie «zwaar gedupeerden»? Aan welke voorwaarden moet een protest precies voldoen om te worden gehonoreerd?
Bij gedupeerden gaat het om personen die een aanstellingsbrief hebben ontvangen waarin staat wanneer zij moeten opkomen, en die op grond daarvan bijvoorbeeld ontslag hebben genomen bij hun vorige werkgever of de ziektekostenverzekering hebben opgezegd. Formeel kan een kandidaat die nog niet is opgekomen en dus ook nog geen militair is, niet in bezwaar gaan en zou hij voor een schadevergoeding een civiele zaak moeten aanspannen tegen Defensie. Vanwege de bijzondere omstandigheden geeft Defensie degenen die reeds een aanstellingsbrief hadden ontvangen echter toch de mogelijkheid bezwaar aan te tekenen. Men kan dan uiteenzetten in welke mate men is benadeeld. Defensie zal per individueel geval een zo goed mogelijke oplossing proberen te vinden.
Hoeveel van de 467 aspirant-militairen dienden een verzoek tot compensatie in en hoeveel van deze verzoeken werden ingewilligd? Welke kosten zijn hieraan verbonden?
Tot nu toe gaat het om drie personen. Deze zaken zijn nog in behandeling. Het betreft schade als gevolg van gederfde inkomsten door het reeds ingediende ontslag bij een vorige werkgever. De desbetreffende personen kunnen overigens alsnog in 2011 opkomen.
Klopt het dat het niet voor het eerst is dat Defensie aanstellingsbeloften alsnog niet gestand kan doen? Wanneer heeft zich dat eerder voorgedaan en om welke aantallen ging het daarbij? Welke maatregelen heeft Defensie naar aanleiding daarvan genomen om te voorkomen dat het afgelasten van opleidingen en het niet nakomen van aanstellingsbeloften in de toekomst nog voorkomt? Welke aanvullende maatregelen zullen daartoe naar aanleiding van deze casus genomen worden?
Er is niet eerder sprake geweest van een soortgelijke maatregel. De factoren die deze stap noodzakelijk maakten zijn inmiddels onderdeel van de structurele analyse van de personele keten. Elk kwartaal worden de ontwikkelingen en prognoses aan de ambtelijke en politieke leiding gerapporteerd om bijsturing mogelijk te maken.
Kunt u garanderen dat alle 467 gedupeerde aspirant-militairen in ieder geval in 2011 alsnog kunnen instromen in de functie waarvoor zij dit jaar een aanstellingsbelofte kregen?
Ja, voor zover de betrokkenen dit zelf willen, zal Defensie de toezeggingen zeker gestand doen. Dit betekent dat zij in ieder geval in 2011 kunnen beginnen met hun initiële opleiding.
Welke gevolgen heeft de genomen maatregel voor de instroom vanuit specifieke opleidingen, bijvoorbeeld vanuit de ROC's? Zullen naar verwachting alle leerlingen die de opleiding Veiligheid en Vakmanschap aan het ROC met succes afronden, kunnen instromen bij Defensie? Zo neen, hoeveel leerlingen kunnen niet worden toegelaten en om welk percentage van de leerlingen die de opleiding volgen gaat het?
Alle leerlingen die de ROC-opleiding Veiligheid en Vakmanschap succesvol voltooien en na sollicitatie door Defensie worden goedgekeurd, zullen kunnen instromen. Zij worden niet door deze maatregel getroffen.
De moeilijke positie van Afghaanse tolken die actief zijn geweest voor de Task Force Uruzgan |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat meer dan honderd Afghaanse tolken, die in de afgelopen periode actief zijn geweest voor de Task Force Uruzgan, zich ernstige zorgen maken over hun toekomst in Afghanistan resp. Uruzgan wanneer de Nederlandse missie daar zal zijn beëindigd?1
Nederland heeft grote waardering voor het werk dat de Afghaanse tolken hebben verricht voor de Task Force Uruzgan (TFU) en Afghanistan. De samenwerking en de verstandhouding met deze tolken zijn altijd goed geweest. Vanaf het moment dat duidelijk werd dat er een einde zou komen aan de Nederlandse missie in Uruzgan zijn alle partners en betrokkenen hiervan zo snel mogelijk op de hoogte gesteld. Ook de tolken werkzaam voor de TFU zijn van het vertrek van Nederland op de hoogte gebracht, waarbij is toegezegd dat Nederland zich zou inzetten voor werkbehoud van de tolken bij de NATO Maintenance and Supply Agency (NAMSA). NAMSA ondersteunt ISAF bij het verkrijgen van diensten en goederen van derden, waaronder brandstof, transport en tolken.
De Afghaanse tolken hebben op individuele basis contracten gesloten met NAMSA. NAMSA draagt zorg voor de betaling van de salarissen en wijst Afghaanse tolken toe aan de verschillende Task Forces en aan de overige organisaties en eenheden. In de afgelopen vier jaren heeft de Nederlandse TFU ongeveer 100 tolken toegewezen gekregen door NAMSA. Deze tolken komen niet uit Uruzgan zelf. Nederland heeft een afroepcontract gesloten met NAMSA dat afloopt op 1 augustus 2010. Bij het vertrek van de TFU worden door NAMSA de tolken al naar gelang de behoefte elders ingezet. Zo zijn ongeveer 50 tolken ondergebracht bij de Combined Taskforce Uruzgan (CTU) en zijn 20 Afghaanse tolken toegewezen aan de Redeployment Task Force (RDTF). Het nieuwe afroepcontract dat Nederland heeft gesloten met NAMSA loopt tot 1 december 2010 en zal indien nodig worden verlengd.
Na de beëindiging van de redeployment zal Nederland zich inzetten bij NAMSA voor werkbehoud van de tolken. Een enkele tolk heeft inmiddels van het aanbod tot contractbehoud bij NAMSA afgezien en heeft op vrijwillige basis besloten de werkzaamheden te beëindigen.
Het is bekend dat onder delen van de bevolking in Uruzgan zorgen leven over de veiligheidssituatie na het vertrek van de Nederlandse troepen. Zorgen bestaan er ook bij enkele tolken die al langere tijd voor de TFU werkzaam zijn. Door een goede en verantwoordelijke overdracht van de Nederlandse taken kan de CTU voortbouwen op de Nederlandse inspanningen.
Bestaat er nog onduidelijkheid over de vraag of de Amerikanen en de Australiërs deze tolken zullen overnemen van de Task Force Uruzgan en bestaat bovendien bij veel van de betrokken tolken tegenzin om hun diensten aan te bieden aan de Amerikanen en de Australiërs omdat ze zich goed thuis voelden bij de aanpak van de Nederlandse militairen maar niet bij de minder omzichtige aanpak die zij kenmerkend achten voor Amerikanen en Australiërs? Is metterdaad een aantal tolken die eerst voor de Nederlandse militairen actief waren en daarna enige tijd voor de Amerikanen en Australiërs, vervolgens gestopt met dit werk omdat zij de Amerikanen en de Australiërs «gewelddadig» vonden?
Zie antwoord vraag 1.
Schrikken sommige tolken ervoor terug om weer naar hun families te gaan uit angst voor represailles door de Taliban?
Zie antwoord vraag 1.
Hebben andere ISAF-partners programma’s waarbij tolken actief worden begeleid of waarbij zelfs verblijfsvergunningen (greencards) worden aangeboden?
NAMSA hanteert een standaardcontract waarin geen regeling is opgenomen over het verkrijgen van een visum. Het is wel bekend dat sommige ISAF-landen een soepele visumregeling kennen.
Op welke wijze wilt u steun geven aan de Afghaanse tolken van de Task Force Uruzgan?
De Afghaanse tolken die werkzaam zijn geweest voor de TFU zullen worden ondersteund zoals beschreven in de antwoorden op vraag 2 en 3.
Een door het Amerikaanse leger uitgegeven stripboek over homoseksuelen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «don’t ask, don’t tell», over een stripboek in het Amerikaanse leger waarin wordt uitgelegd hoe om te gaan met homoseksuele collega’s?1
Ja.
Acht u het acceptabel dat een militaire bondgenoot van Nederland op een dergelijke wijze aanzet tot discriminatie van homoseksuelen?
Binnen de Amerikaanse strijdkrachten wordt ten aanzien van homoseksualiteit het don’t ask don’t tell beleid gehanteerd. Bij de behandeling van de National Defense Authorization Act for Fiscal Year 2011 is een voorstel aangenomen om dit beleid te wijzigen. Ik zal mijn Amerikaanse ambtsgenoot hierop daarom niet aanspreken. Zoals ik al geantwoord heb op de vragen van de leden Van Bommel en Van Velzen (Handelingen TK 2009–2010, Aanhangsel nr. 2198) is de samenwerking tussen de Nederlandse en Amerikaanse strijdkrachten uitstekend. Problemen in de samenwerking met Amerikaanse strijdkrachten door het Amerikaanse beleid ten aanzien van homoseksuele militairen zijn mij niet bekend.
Kunt u aangeven of de homovijandige houding van en binnen het Amerikaanse leger op enig moment tot problemen heeft geleid voor Nederlandse homoseksuele militairen in samenwerkingsprojecten tussen Nederlandse en Amerikaanse militairen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid van uw afkeuring blijk te geven aan uw Amerikaanse ambtsgenoot over het gebruik van dergelijke discriminerende stripboeken? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u ondubbelzinnig aangeven dat Nederlandse militairen op geen enkel moment hoeven te vrezen voor door hun superieuren geïnstigeerde discriminatie en dat in voorkomende gevallen hard zal worden opgetreden tegen uitingen van discriminatie naar seksuele geaardheid binnen de Nederlandse krijgsmacht?
De staatssecretaris heeft op 21 januari 2009 in het Actieplan diversiteit Defensie 2009–2010 (Kamerstuk 31 700 X, nr. 80) het standpunt van Defensie over de bejegening van medewerkers met een andere seksuele geaardheid uiteengezet. In het Actieplan diversiteit Defensie staat: «Mensen met een andere seksuele geaardheid (homoseksuelen, lesbiennes en biseksuelen) moeten zonder dat ze zich bedreigd of gediscrimineerd voelen hun werk bij Defensie kunnen doen». In de Kamervragen over dit onderwerp is dit standpunt op 16 maart 2009 nogmaals benadrukt (Kamerstuk 31 700 X, nr. 95).
Bent u bereid Nederlandse militairen onder alle omstandigheden te beschermen tegen de kennelijk homovijandige houding onder bondgenoten?
Ja.
Zouden vormen van discriminatie van homoseksuele militairen gevolgen kunnen hebben voor de bondgenootschappelijke samenwerking? Zo neen, waarom niet? Zo ja, aan welke gevolgen denkt u?
De staatssecretaris van Defensie heeft op 17 oktober 2008 in zijn brief (Kamerstuk 27 017, nr. 45) uiteengezet hoe binnen het bondgenootschap wordt omgegaan met het homo-emancipatiebeleid.
Deelt u de mening dat discriminatie op de werkvloer, ook binnen het leger, te allen tijde bestreden dient te worden? Zo neen, waarom niet?
Ja.
Kritiek op de JSF in de VS |
|
Jasper van Dijk |
|
Wat is uw oordeel over de uitzending van Nova waarin stevige kritiek wordt geuit op de JSF?1
De opvattingen van de heren Sprey en Wheeler zijn reeds sinds 2008 bekend. De vaste commissie voor Defensie heeft hen op 24 februari 2009 ontmoet tijdens een werkbezoek aan de Verenigde Staten (Kamerstuk 26 488, nr. 195).
Over de eigenschappen van de F-35 is de Kamer geïnformeerd met de brief van 18 december 2008 over de resultaten van de kandidatenvergelijking en vervolgens met de beantwoording van de daarover gestelde vragen (Kamerstukken 26 488, nrs. 131, 138, 142 en 156). Uit de kandidatenvergelijking bleek dat de F-35 goed in staat is de zes door Nederland geformuleerde generieke hoofdmissies uit te voeren en daarmee voldoet aan de Nederlandse eisen. Deel 3 van het uit zes delen bestaande rapport van de kandidatenvergelijking dat de Kamer op 18 december 2009 vertrouwelijk heeft ontvangen (Kamerstuk 26 488, nr. 129) bevat hierover meer informatie. Daarnaast heeft de vaste commissie voor Defensie begin 2009 in twee vertrouwelijke gesprekken nadere informatie over dit onderwerp ontvangen. De resultaten van de kandidatenvergelijking zijn vervolgens aan de orde geweest in het algemeen overleg van 22 april 2009 en het plenaire debat van 23 april 2009.
Zoals ik u heb gemeld in de brief van 9 juli jl. (Kamerstuk 26 488, nr. 244) heeft het Amerikaanse ministerie van Defensie de prestatie-eisen van de F-35 (de zogeheten Key Performance Parameters) ongewijzigd herbevestigd. In diezelfde brief bent u ook geïnformeerd over de Amerikaanse kostenraming voor het JSF-programma. In die brief is uiteengezet dat deze raming nog onvoldoende informatie verschaft om de gevolgen voor het Nederlandse project Vervanging F-16 in kaart te brengen.
Deelt u de mening van de heren Sprey en Wheeler die zeggen dat de JSF een «ramp» is qua kosten, veiligheid en wendbaarheid? Zo nee, wat is uw reactie op hun bezwaren tegen de JSF?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat voorstanders altijd een (persoonlijk) belang hebben om voor aanschaf te zijn van de JSF, zoals geld en/of werk?
Neen.
Deelt u de mening dat het beter is om bestaande F16»s op te knappen dan om over te gaan op aanschaf van de JSF waar zoveel kritiek op is?
Neen. De Kamer is met de brief van 18 december 2008 en vervolgens met de beantwoording van vragen daarover (Kamerstukken 26 488, nrs. 132, 139 en 161) geïnformeerd over de voor- en nadelen van een end life update van de F-16. Defensie heeft daarin geconcludeerd dat een endlife update geen begaanbare weg is.
Hoe ver bent u met het uitwerken van opties voor beëindiging van de deelneming aan de JSF testfase, zoals ook wordt gevraagd in de motie Eijsink c.s.?2
Met de brief van 30 juni 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 243) is de Kamer gemeld
dat, naar het oordeel van de onlangs aangestelde Program Executive Officer van het JSF Program Office (JPO), de Amerikaanse vice-admiraal Venlet, enige weken gemoeid zullen zijn met de uitwerking van deze opties. Ik zal de Kamer vervolgens informeren. Op dit moment is er nog geen aanvullende informatie beschikbaar.
De militaire opbouw in Zuid-Libanon, van de met Iran samenspannende islamitische terreur- en jihadbeweging Hezbollah |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «IDF reveals Hezbollah’s deployment»1, «Hezbollah readying for urban war in southern Lebanon, IDF warns»2 en «IDF reveals intel on huge Hezbollah arms stockpile in southern Lebanon»?3
Ja.
Deelt u de mening, dat de legering van jihadeenheden van Hezbollah in Zuid-Libanon een schending is van VN-Veiligheidsraadresolutie 1701 (2006), waarin gesproken wordt van een «Permanent Ceasefire to Be Based on Creation Of Buffer Zone Free of Armed Personnel Other than UN, Lebanese Forces»?4
De berichten over bewapening van Hezbollah geven aanleiding tot zorg. Nederland heeft zich om deze reden altijd sterk gemaakt voor de naleving van verplichtingen voortvloeiende uit VN-Veiligheidsraadresoluties en heeft betrokken partijen, wanneer en waar mogelijk, hierop aangesproken. Dit geldt niet alleen voor resolutie 1 701 maar ook voor resolutie 1 559 (2004), die beide oproepen tot ontwapening van milities in Libanon.
Is het u bekend, dat Hezbollah in Zuid-Libanon, een gebied dat onder het gezamenlijk toezicht staat van de VN-Vredesmacht in Libanon UNIFIL en het Libanese leger, kan beschikken over een arsenaal van zo’n 40.000 door Iran en Syrië geleverde raketten, die het grootste deel van Israël kunnen bereiken?5
Aangenomen mag worden dat Hezbollah beschikt over een substantiële militaire capaciteit. De omvang ervan is echter onbekend. De VN heeft geen mandaat om de exacte capaciteit zelf te kunnen verifiëren.
De Secretaris-generaal van de VN geeft in zijn rapportage aan de Veiligheidsraad van de VN (S/2010/352) d.d. 1 juli 2010 aan dat de VN bekend is met berichten dat Hezbollah raketten zou hebben ontvangen van Syrië. In samenwerking met de Libanese autoriteiten onderzoekt UNIFIL claims van illegaal wapenbezit zodra zij hierover specifieke informatie ontvangt. Tot nu toe heeft UNIFIL geen bewijs gevonden voor illegale wapeninvoer in deze regio.
Deelt u de mening, dat het – mede door Nederlandse marineschepen gecontroleerde – wapenembargo tegen Hezbollah volledig heeft gefaald? Zo neen, waarom niet?
De regering deelt deze mening niet.
Nederlandse marineschepen hebben van 15 december 2006 tot 1 maart 2008 deelgenomen aan de Task Force van UNIFIL die tot doel heeft de ondersteuning van de Libanese Armed Forces (LAF) in het tegengaan van illegale invoer van wapens en wapenmateriaal over zee. Ter illustratie kan ik u wijzen op het feit dat tijdens de Nederlandse deelname de Maritieme Task Force ruim 13 000 schepen heeft ondervraagd, waarvan 1 714 schepen door de Nederlandse marineschepen werden geïnterpelleerd. Hierbij werd verdachte scheepvaart begeleid en overgedragen aan de Libanese autoriteiten. In deze periode hebben de Libanese autoriteiten geen illegale wapenleveranties over zee waargenomen.
De regering stelt vast dat de activiteiten van de Maritieme Task Force van UNIFIL hiermee een belangrijk onderdeel vormen van de ondersteuning van het algehele toezicht op alle invoermogelijkheden.
Voor wat betreft de overige activiteiten die UNIFIL ontplooit ter ondersteuning van het ten uitvoer leggen van de verplichtingen voortvloeiende uit resolutie 1701, verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
Deelt u de mening dat UNIFIL andermaal volledig heeft gefaald in het uitvoeren van haar opdracht om de Libanese regering te assisteren bij het ontwapenen en uit Zuid-Libanon weren van milities? Zo neen, waarom niet?
De regering deelt deze mening niet. Wel erkent de regering dat de veiligheidssituatie in Zuid-Libanon vraagt om de niet aflatende aandacht van de internationale gemeenschap.
UNIFIL heeft mede tot taak het assisteren van het Libanese leger bij het weren van wapens en het ontwapenen van milities. Deze samenwerking geschiedt naar volle tevredenheid van de Libanese regering. Al met al heeft UNIFIL er in hoge mate toe bijgedragen dat het al bijna vier jaar rustig is in Zuid-Libanon.
Libanon is op grond van genoemde VN-veiligheidsraadresoluties gehouden uitvoering te geven aan het ontwapenen van milities. Nederland acht van groot belang dat UNIFIL de Libanese regering bijstaat in het bereiken van deze doelstelling, maar stelt vast dat een duurzame oplossing uiteindelijk langs politieke weg moet worden gevonden, geleid door de Libanese regering. Dat laatstgenoemde zich hiervan bewust is blijkt uit het feit dat zij, in het begin van dit jaar aangenomen regeringsverklaring, zich gecommiteerd heeft aan de naleving van deze resoluties.
De regering heeft dit proces in gang gezet door het onderwerp te behandelen in de «Libanese National Dialogue»: een politiek proces dat onder leiding staat van de Libanese president en belangrijke maatschappelijke kwesties adresseert. Tijdens een bijeenkomst op 9 maart jl. hebben de commissieleden besloten tot het gezamenlijk opstellen van een nationale defensiestrategie, die tevens de ontwapening van Hezbollah adresseert. De VN heeft de leden aangemoedigd het nodige te doen in lijn met de VN-veiligheidsraadresoluties 1 559 en 1 701 en voortvarendheid te betrachten op dit dossier. Nederland onderschrijft het belang dat de VN hieraan hecht.
Deelt u de mening, dat het primair de verantwoordelijkheid van de Libanese regering is om uitvoering te geven aan VN-resolutie 1701 m.b.t. het ontwapenen en weren van Hezbollah? Zo ja, bent u dan bereid die regering te waarschuwen, dat zij verantwoordelijk is voor de catastrofale gevolgen van het tussen haar eigen burgers laten vestigen van een jihadstrijdmacht die tot verklaard doel heeft de Joodse staat aan te vallen en zelfs te vernietigen?
Voor wat betreft de positie van Hezbollah wijs ik u erop dat deze organisatie ook is vertegenwoordigd in de huidige regering. Het kabinet van Nationale eenheid onder leiding van Premier Hariri (zoon van de vermoorde oud-premier Rafiq Hariri) kwam tot stand na democratische verkiezingen die, aldus de waarnemingsmissie van de EU, ordelijk en vreedzaam verliepen. Dat de uitkomst van deze verkiezingen ook met zich meebracht dat in deze regering twee ministers zitting nemen die lid zijn van Hezbollah, geeft aan dat deze groepering de politieke steun geniet van een substantieel deel van de bevolking.
Of de participatie van Hezbollah tot positieve ontwikkelingen zal leiden, zoals het afzweren van geweld en het nakomen van verplichtingen o.g.v. resoluties van de VN Veiligheidsraad, moet nog blijken. Belangrijk is dat de Libanese regering zich in de aangenomen regeringsverklaring uitdrukkelijk verbonden heeft met resolutie 1701. De President, de Premier en de Minister van Defensie hebben deze verbondenheid nog eens nadrukkelijk onderstreept naar aanleiding van recente incidenten waarbij UNIFIL-soldaten door de plaatselijke bevolking in het zuiden van het land gehinderd werden in de uitvoering van verkenningsmissies.
Zoals aangegeven: Nederland hecht sterk aan de naleving van genoemde VN Veiligheidsraadresoluties.
Deelt u de mening dat Israël, gezien het systematisch in gebreke blijven van de Libanese regering en UNIFIL, het recht heeft met militaire middelen de illegale en voor Israël letterlijk levensgevaarlijke militaire opbouw van de islamitische terreur- en jihadbeweging Hezbollah ongedaan te maken? Zo neen, waarom niet?
Op grond van het Handvest van de VN zijn landen gerechtigd zich te verdedigen tegen een gewapende aanval. Partijen dienen bewogen te worden in dialoog hun geschillen uit te werken ten behoeve van het bewerkstelligen van een duurzame vrede. De internationale gemeenschap, waaronder Nederland, tracht hiervoor de voorwaarden te scheppen.