De ontvangst van een Wit-Russische minister door de EU Hoge Vertegenwoordiger lady Ashton |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het statement van de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, mw. Clinton, en de Hoge Vertegenwoordiger voor het Buitenlands Beleid van de EU Lady Ashton op 23 december over een gezamenlijke aanpak van het regime in Belarus1 en van het statement van minister Clinton dat zij ernaar streeft de visa ban lijst voor Wit-Russen uit te breiden met onder andere de minister van Buitenlandse Zaken van Wit-Rusland, Martinov2?
Ik ben op de hoogte van de gezamenlijke verklaring van de EU en VS en van de voorgenomen ontmoeting later deze week.
Bent u op de hoogte van het bericht op de onafhankelijke Wit-Russische mediasite Charter97.org, dat Lady Ashton op maandag 10 januari 2011 Martinov wil ontvangen3 ?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat deze ontmoeting onwenselijk is, gezien de wens samen met de Verenigde Staten op te treden, gezien het feit dat het Europees Parlement woensdag 13 januari over Wit-Rusland zal spreken en gezien de Nederlandse wens het regime in Wit-Rusland aan te pakken, onder andere met een inreisverbod van Loekashenko en zijn getrouwen4?
Zoals in mijn verklaringen van 20 en 23 december jl. gesteld, dringt Nederland in de EU aan om het inreisverbod voor president Loekasjenko en zijn getrouwen wederom in te stellen. Of minister Martynov, die thans niet op de EU-sanctielijst staat, op deze lijst moet worden gezet, dient in de EU te worden besproken. Op dit moment staat het EU-beleid een ontvangst van minister Martynov echter niet in de weg. Ook in de periode 2004–2008 onderhield de toenmalige Hoge Vertegenwoordiger Solana contact op dit niveau.
Andere EU-lidstaten plaatsen weliswaar net als Nederland vraagtekens bij de opportuniteit en de voorbereiding van de voorziene ontmoeting maar willen deze niet laten afzeggen. In dat licht zullen, mede op Nederlandse instigatie, tijdens het gesprek van Hoge Vertegenwoordiger Ashton met minister Martynov de ontwikkelingen in Belarus sterk worden veroordeeld en wordt opgeroepen arrestanten direct vrij te laten. Het is goed dat Hoge Vertegenwoordiger Ashton het gesprek, dat nu toch waarschijnlijk plaatsvindt, gebruikt om een krachtige veroordeling uit te spreken en te trachten verbetering in de situatie van de gevangenen te brengen. Nederland zal in de EU voorstellen dat de Hoge Vertegenwoordiger ook de Belarussische oppositie ontvangt.
Bent u bereid er bij Lady Ashton onmiddellijk op aan te dringen de Wit-Russische Minister van Buitenlandse Zaken Martinov niet te ontvangen?5
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u deze vragen beantwoorden voordat het geplande gesprek tussen Lady Ashton en minister Martinov maandag 10 januari kan plaatsvinden?
Ja. Het geplande gespek zal a.s. woensdag plaatsvinden.
De aanpak van strategische sectoren in de Europese Unie |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraken van EU-commissaris Antonio Tajani (Industrie) in de Duitse krant Handelsblatt?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zeer gewenst is om – ook in het kader van de EU-2020 strategie – de industriebelangen van en binnen de EU zorgvuldig te wegen, innovatieve industrie voor Europa te behouden en te versterken en een strategie te hanteren die moet voorkomen dat bedrijven die voor de Europese Unie van strategisch belang zijn of kennis en patenten bezitten die voor de Europese Unie van strategisch belang zijn, risico’s lopen door overname of verkoop? Zo nee, waarom niet?
Industrie en aan de industrie verwante diensten (zoals logistiek en zakelijke dienstverlening) zijn cruciaal voor economische groei, welvaart en voor maatschappelijke uitdagingen zoals duurzaamheid, gezondheid en veiligheid. Daarom geeft dit kabinet het ondernemers volop de ruimte in het nieuwe bedrijfslevenbeleid. Enerzijds door in te zetten op goede randvoorwaarden voor alle ondernemers (o.a. fiscaliteit, infrastructuur, onderwijs en aanpak regeldruk). Anderzijds zet dit kabinet in op het versterken van economische topgebieden, zoals agrofood, high tech, water, chemie en logistiek. Nederland heeft unieke sterktes, waarmee internationaal het verschil wordt gemaakt en het kabinet wil samen met bedrijven en kennisinstellingen deze sterktes verder uitbouwen.
Het versterken van de concurrentiekracht van de industrie is een belangrijk onderdeel van de Europa 2020-strategie gericht op slimme, duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid. Op 28 oktober 2010 heeft de Europese Commissie de Mededeling over een geïntegreerd industriebeleid in een tijd van mondialisering (COM (2010) 614 final) uitgebracht. Dit is een van de vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie. Op 10 december 2010 heeft de Raad voor het Concurrentievermogen conclusies over deze Mededeling aangenomen (Raad van de Europese Unie, 17838/10). Belangrijke actiepunten voor de komende periode zijn o.a. het verder versterken van de interne markt, slimme regelgeving, betere toegang tot financiering van bedrijven, het zorgen voor een eerlijk speelveld, aandacht voor het MKB en het stimuleren van innovatie.
Cruciaal voor de concurrentiekracht van bedrijven is een goede marktdynamiek (inclusief de mogelijkheden van bedrijfsovername of -verkoop). Buitenlandse investeringen spelen hierbij een belangrijke rol, omdat hiermee nieuwe kennis, vaardigheden en technologie vanuit het buitenland kunnen binnenstromen. Dit verhoogt de productiviteit. De andere kant van deze medaille is dat hierdoor ook kennis naar het buitenland kan stromen. Veel fusies en overnames hebben o.a. als doel het binnenhalen van technologische onderzoekscapaciteit. Dit hoeft zeker niet nadelig te zijn: voor bedrijven in het thuisland van het overgenomen bedrijf is dit vaak zelfs een extra prikkel om verder te innoveren om zo de meest geavanceerde technologie in huis te blijven houden.
Ten behoeve van marktdynamiek ziet de overheid (zowel nationaal als in Europa) toe op gezonde concurrentieverhoudingen via toezicht op mededinging en toetsing van fusies en overnames. Verder is het van belang dat publieke belangen geborgd blijven. Bedrijfsactiviteiten en kennis die van publiek belang zijn, zijn in Nederland op verschillende wijzen goed beschermd. Zo geldt voor niet beursgenoteerde bedrijven in strategische sectoren dat cruciale delen van strategische bedrijven of infrastructuur via (meerderheids- of zelfs 100%) aandeelhouderschap in eigendom zijn van de staat. Verder worden publieke belangen geborgd via specifieke sectorale wet- en regelgeving (bijvoorbeeld op het terrein van energie en telecom) in combinatie met toezichthoudende organen. Tenslotte voorkomt het concentratietoezicht door de NMa ongewenste machtsposities in strategische sectoren. Voor alle beursgenoteerde bedrijven geldt verder een verplichte melding van belangen vanaf een belang van 5%. Er is een wetsvoorstel aanhangig in de Tweede Kamer waarbij deze grens wordt verlaagd naar 3% en waarbij aandeelhouders tevens moeten aangeven of zij voor of tegen de strategie van de vennootschap zijn (2009, TK 32 014, nr. 2). In Europa is er een belangrijke rol voor DG Mededinging, die toeziet op gezonde concurrentieverhoudingen en een eerlijk speelveld binnen de Europese Unie.
Zo ja, deelt u de opvatting dat een dergelijke strategie op de meest korte termijn in werking dient te treden? Zo nee, waarom niet?
In februari zal de Tweede Kamer een nadere uitwerking van het bedrijfslevenbeleid ontvangen. Dit beleid en het Europese industriebeleid liggen in elkaars verlengde en vormen tezamen een offensieve strategie die is gericht op het versterken van het vestigingsklimaat en de concurrentiekracht van de Nederlandse en Europese industrie. Dit is de beste garantie voor het ontstaan, behoud en aantrekken van toonaangevende en innovatieve bedrijven. Ik zie geen aanleiding om hier extra elementen aan toe te voegen, bijvoorbeeld in de vorm van extra toetsing van fusies en overnames. Dit zou namelijk leiden tot extra bureaucratie. Ook draagt extra regelgeving niet bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en schrikt dit investeerders af. Daarnaast bestaat het gevaar dat een dergelijke stap zal leiden tot protectionistische maatregelen door derde landen. Een open en internationaal georiënteerde economie zoals de Nederlandse economie zal hiervan schade ondervinden.
Zo ja, deelt u de opvatting dat het hierbij niet alleen moet gaan om defensieve industriële belangen maar ook om de verspreiding en het vermarkten van kennis en onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het stimuleren van innovatie is een belangrijk onderdeel van het bedrijfslevenbeleid. Alleen door voortdurend te vernieuwen kunnen bedrijven de internationale concurrentiestrijd aan. De uitdaging voor de komende tijd is vooral het beter vermarkten van kennis en patenten (valorisatie), want Nederland heeft veel hoogwaardige kennis in huis, maar slaagt er nog onvoldoende in om die kennis om te zetten in nieuwe producten en diensten en vernieuwend ondernemerschap.
Ook in het Europese industrie en innovatiebeleid is valorisatie een belangrijk aandachtspunt, getuige de Raadsconclusies van het vlaggenschipinitiatief Innovatie Unie van 26 november 2010 en het vlaggenschipinitiatief Europees Industriebeleid van 10 december 2010. Kernpunten naast verbetering van de interne markt zijn o.a. een goed en betaalbaar EU-octrooisysteem, verbetering van de toegang tot (risico)kapitaal, verbetering van toegang tot Europese programma’s en innovatief aanbesteden. Nederland zet zich actief in de EU in om door versterkte samenwerking tussen een groep van lidstaten een EU-octrooi van de grond te krijgen, wat veel positieve gevolgen zal hebben voor Europese ondernemers. Verder is Nederland voorstander dat de Europese Commissie onderzoekssamenwerking tussen kennisinstellingen en het bedrijfsleven bevordert.
Dit draagt bij aan betere verspreiding en vermarkting van kennis en onderzoek binnen Europa. Bovendien draagt dit bij aan het creëren van een interessant vestigingsklimaat voor bedrijven, omdat zij hiermee het excellente kennispotentieel dat in Europa voorhanden is kunnen benutten.
Zo ja, bent u voornemens deze onderwerpen bij de eerstvolgende EuropeseRaad voor het Concurrentievermogen inhoudelijk aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Raad voor Concurrentievermogen van 25 november en 10 december jl. is gesproken over de Mededeling en zijn Raadsconclusies aangenomen over de Europese strategie voor industriebeleid. Het komt nu aan op uitvoeren van de verschillende actiepunten. Uiteraard zal Nederland de voortgang van de beleidsacties scherp volgen.
Bent u daarnaast bereid dit onderwerp te (doen) agenderen op de eerstvolgende Europese top over de EU-2020 strategie? Zo ja, met welke inzet van Nederland zal dit gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Op 17 juni 2010 heeft de Europese Raad de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid aangenomen. De thematische kant van de Europa 2020-strategie heeft de afgelopen maanden vorm gekregen door de invulling van de zeven vlaggenschipinitiatieven. Zo zijn de vlaggenschipinitiatieven Innovatie Unie en Industriebeleid in het najaar van 2010 uitgebracht en zal het laatste vlaggenschipinitiatief over Hulpbronnenefficiëntie eind deze maand worden gepubliceerd. Het komt nu aan op het uitvoeren van alle actiepunten uit de vlaggenschipinitiatieven zowel op nationaal als Europees niveau. De vakraden en de Europese Raad zullen regelmatig de voortgang bespreken. Zo zal de Europese Raad van 4 februari in het teken staan van innovatie en energie, twee belangrijke thema’s van de Europa 2020-strategie.
Op welke wijze krijgt geopolitieke industrie- en kennisstrategie een plaats in de nota over een nieuwe industriepolitiek, die u aan het ontwikkelen bent?
In toenemende mate zijn geopolitieke ontwikkelingen van invloed op randvoorwaarden en het speelveld waarmee bedrijven te maken hebben. Dit is mede een gevolg van de toenemende internationalisering en voortschrijdende mondialisering van de economie, waardoor «nieuwe» spelers op de markten zijn gekomen die soms andere spelregels hanteren. Landen die bijvoorbeeld sterk gedomineerd worden door staatskapitalisme, kunnen de regels van het economisch spel veranderen. Het is ook een gevolg van toenemende schaarste van grondstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen die geconcentreerd zijn in bepaalde landen of werelddelen. Dit alles heeft tot gevolg dat economische diplomatie steeds belangrijker wordt voor de concurrentiekracht voor bedrijven, bijvoorbeeld bij het aantrekken van (hoogwaardige) buitenlandse investeringen of de toegang van bedrijven tot grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. Economische diplomatie is dan ook een onlosmakelijk onderdeel van het nieuwe bedrijfslevenbeleid: mocht onverhoopt een bedrijf uit Nederland tegen problemen aanlopen bij het zakendoen in het buitenland, dan zal ik niet aarzelen om via economische diplomatie, waar nodig, te interveniëren.
Deelt u de opvatting dat het niet wenselijk is om hierbij op voorhand te pleiten voor een nieuwe autoriteit, met alle nieuwe institutionele en financiële effecten en extra kosten van dien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat er opnieuw een EU-instituut bijkomt?
Gelet op bovenstaande antwoorden zie ik zie geen aanleiding om een dergelijke autoriteit op te richten. Overigens ligt er bij mijn weten geen concreet voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot dit punt.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór 15 januari 2011?
Een bomaanslag op Kopten in Alexandrië |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Wat zijn naar het oordeel van de Raad van de Associatieovereenkomst van de EU en Egypte de achterliggende oorzaken («root causes») van religieuze intolerantie in Egypte?1 Deelt u die analyse?
De achterliggende oorzaken («root causes») van de religieuze intolerantie in Egypte worden onder meer gezocht in discriminerend overheidsbeleid ten aanzien van religieuze minderheden. Bijvoorbeeld discriminerende bepalingen en regels voor het bouwen en renoveren van kerken en gebedshuizen. Onvoldoende bescherming van religieuze minderheden door de Egyptische overheid en het achterwege blijven van strafrechtelijke vervolging bij discriminatie of onderdrukking van deze groepen zijn eveneens achterliggende oorzaak van religieuze intolerantie in Egypte.
Deelt u de analyse dat er geen vorderingen zijn gemaakt bij het wegnemen van die oorzaken? Zo ja, wat dient naar uw oordeel te moeten gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Inderdaad zouden er meer vorderingen moeten worden gemaakt bij het wegnemen van de achterliggende oorzaken («root causes») van religieuze intolerantie in het Midden-Oosten. Ik heb tijdens mijn gesprek op 11 januari j.l. met de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie, mevrouw Catherine Ashton, daarom gevraagd het recente geweld tegen religieuze minderheden op de agenda te zetten van de Raad Externe Betrekkingen, die op 31 januari a.s. zal plaatshebben. Dan zal worden besproken op welke wijze de EU sterker zou kunnen inzetten op het bevorderen van vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het voorkomen van interreligieus geweld.
Juist het Associatieakkoord en de Egyptische wens de relaties met de EU te intensiveren bieden mogelijkheden om de dialoog met de Egyptische autoriteiten over onderwerpen als democratisering, discriminatie, mensenrechten en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging te intensiveren. Het huidige EU-actieplan voor Egypte, waarmee uitvoering wordt gegeven aan hetgeen in het Associatieovereenkomst is afgesproken, zal in de loop van dit jaar worden besproken. Nederland zal daarbij pleiten voor meer aandacht voor deze onderwerpen.
Wat is uw opvatting over de mogelijkheden van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Egypte om de oorzaken van discriminatie te helpen wegnemen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de ondemocratische praktijk in Egypte een rol speelt bij de oplopende spanningen in dat land? Zo ja, wat stelt Nederland voor? Zo nee, waarom niet?
Uitsluiting kan leiden tot oplopende spanningen in een land. Nederland steunt daarom initiatieven voor inspraak voor burgers in gemeenteraden, dialoog over burgerschap tussen jeugdleiders met uiteenlopende achtergronden en monitoren van het politieke proces door maatschappelijk organisaties, journalisten en bloggers. Bij de Egyptische autoriteiten pleit Nederland, bilateraal en als onderdeel van de EU, voor meer openheid en participatie in de politieke arena. De afgelopen parlementaire verkiezingen in Egypte voldeden volstrekt niet aan de internationale standaarden die hiervoor gelden.
Deelt u de opvatting dat het Associatieakkoord niet voldoet als middel tot bevordering van democratie in Egypte en het wegnemen van oorzaken van allerlei vormen van discriminatie? Zo ja, wat behelzen de veranderingsvoorstellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Toetreding Bulgarije en Roemenie tot de Schengen Zone |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitlatingen van de Bulgaarse minister van Binnenlandse Zaken de heer Zvetan Zvetanov met betrekking tot toetreding van Bulgarije tot de Schengen-zone, waarin hij zegt dat de Bulgaarse voorbereidingen voor Schengen afgerond zijn en toetreding geëist wordt?1
Ja.
Bent u eveneens op de hoogte van het Frans-Duitse standpunt dat zowel Bulgarije als Roemenië nog niet klaar zijn voor toetreding tot de Schengen-zone, doordat er te weinig vooruitgang is geboekt in de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad?
Ja, het Frans-Duitse standpunt is mij bekend. Tijdens gesprekken van mij en andere leden van het kabinet met collega’s uit Duitsland en Frankrijk is de toetreding door Bulgarije en Roemenië tot de Schengenzone verschillende malen aan de orde geweest.
Deelt u de mening dat Bulgarije en Roemenië pas toegelaten kunnen worden tot de Schengen-zone als aan alle voorwaarden van het Cooperation and Verification Mechanism (CVM) is voldaan?
Het kabinet zal bij de beoordeling van de gereedheid van Bulgarije en Roemenië voor toetreding tot Schengen de rapportages van de Europese Commissie over de voortgang van beide landen in het kader van het Coöperatie en verificatie mechanisme (CVM) betrekken. Dit is de Tweede Kamer ook op 8 december 2010 in antwoord op Kamervragen (2010Z16738) over de toetreding tot Schengen door Bulgarije en Roemenië medegedeeld.
Bent u ervan op de hoogte dat volgens het meest recente rapport over de voortgang van Bulgarije wat betreft het CVM er wordt gesteld dat er, ondanks het boeken van voortuitgang, op een aantal punten zoals hervorming rechterlijke macht en strijd tegen georganiseerde misdaad nog resultaten moeten worden geboekt?
Ja. In de kabinetsappreciatie van het rapport van de Commissie, die de Tweede Kamer op 1 september 2010 is toegegaan, is gesteld dat Nederland met de Commissie van mening is dat het CVM de Europese Unie en de lidstaten, in het bijzonder Bulgarije en Roemenië, ten dele gebracht heeft waarop werd gehoopt bij de instelling van het mechanisme en dat het kabinet teleurgesteld is over de beperkte resultaten tot nog toe.
In februari zal de Commissie een interim-rapport publiceren in het kader van het CVM over de feitelijke stand van zaken in Bulgarije en Roemenië en in juli 2011 een nieuw rapport, inclusief een appreciatie.
Kunt u verzekeren dat de Nederlandse regering zich aansluit bij Duitsland en Frankrijk wanneer het gaat om toetreding tot de Schengen-zone van en het hierbij in acht nemen van de voorwaarden uit het CVM door Roemenië en Bulgarije?
Duitsland en Frankrijk hebben het juiste signaal afgegeven aan de EU in brede zin en aan Bulgarije en Roemenië in het bijzonder en Nederland sluit zich daar graag bij aan. Het is nog te vroeg voor Bulgarije en Roemenië om toe te treden tot de Schengenzone.
Het Europees Kaderbesluit wederzijdse erkenning op geldelijke sancties |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Einde aan buitenlands boeteleed»?1
Ja.
Is het waar dat (zoals beschreven in bovengenoemd bericht) een verbalisering in Frankrijk simpel via het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) kan worden geïnd?
Het Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76, hierna: «het kaderbesluit») maakt het mogelijk dat onherroepelijke geldelijke sancties, zoals verkeersboetes, aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen wie de beslissing is gegeven, eigendom heeft of inkomsten geniet, gewoonlijk verblijf houdt of, in geval van een rechtspersoon, zijn statutaire zetel heeft, worden gezonden. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent de beslissing zonder verdere formaliteiten en neemt onverwijld alle maatregelen tot tenuitvoerlegging ervan, behalve wanneer zij zich beroept op de in het kaderbesluit opgesomde gronden tot weigering of tenuitvoerlegging. Er is geen tussenkomst meer nodig van een officier of een rechter die zijn gezag aan de beslissing dient te verbinden. Hierdoor kan een door de Franse politie opgelegde boete in Nederland door het CJIB worden geïnd.
Is het waar dat de Franse gendarme zie derhalve kan volstaan met het uitreiken van een boetebeschikking of dagvaarding?
Het «kaderbesluit» regelt dat boetes overgedragen kunnen worden naar een andere EU-lidstaat dan waar ze opgelegd zijn, zodat deze sancties gemakkelijker ten uitvoer gelegd kunnen worden. Het ziet dus niet op de wijze waarop de overtredingen worden bestraft en ook niet op de hoogte van de boetes en de vraag of een bepaald bedrag exorbitant is. Hiervoor is het recht van het land waar de overtreding is begaan leidend.
Doordat het kaderbesluit het makkelijker maakt om boetes te innen in een andere lidstaat, neemt de noodzaak af om voor niet-ingezetenen een apart inningsbeleid te voeren. Toch zullen naar verwachting veel lidstaten er de voorkeur aan geven om zelf de door hen opgelegde boetes te innen. Ook in Nederland is dit beleid. Het Europese Hof van Justitie heeft destijds geoordeeld dat regels omtrent een apart inningsbeleid voor niet-ingezetenen niet bij voorbaat onevenredig zijn, zoals in het in vraag 1 genoemde artikel wordt betoogd (zaak C-29/95). De vraag of dit anders ligt nu het kaderbesluit in werking is getreden, is (uiteindelijk) aan de rechter.
Is het waar dat, indien de Nederlandse chauffeur weigert te betalen, hij of zij in Nederland kan worden aangepakt op grond van het Europees Kaderbesluit wederzijdse erkenning op geldelijke sancties?
Door de inwerkingtreding van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties (de implementatie van het «kaderbesluit») is het voor het CJIB mogelijk onherroepelijke boetes uit andere EU-lidstaten in Nederland te innen indien de overtreder in Nederland woont. Het «kaderbesluit» maakt het mogelijk dat een beslissing rechtstreeks wordt toegezonden door een centrale autoriteit in de uitvaardigende staat naar een centrale autoriteit in de uitvoerende staat. Door middel van deze regeling kan Nederland de vordering zelf ten uitvoer leggen en daarbij de geëigende executiemiddelen inzetten. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat er geen verplichting bestaat tot een dergelijke overdracht; het initiatief daarvoor ligt bij de lidstaat waar het strafbare feit is vastgesteld.
Is het waar dat rij- en rusttijdovertredingen via het Europees kaderbesluit overal kunnen worden geïnd? Zo nee, waarom niet?
Bij overtreding van de Arbeidstijdenwet vindt, indien deze incidenteel is, in Nederland in beginsel bestuurlijke beboeting plaats. Bestuurlijke boetes vallen niet onder het kaderbesluit. Het kaderbesluit kan wel toegepast worden in die gevallen waarin bij overtreding van rij- en rusttijden tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan.
Iedere lidstaat bepaalt zelf hoe een overtreding van de rij- en rusttijden bestraft wordt. Daardoor kan het per lidstaat verschillen of het kaderbesluit ingezet kan worden. Indien (de nationale kwalificatie van) een overtreding van de rij- en rusttijden in een bepaalde lidstaat wel onder de werkingssfeer van het kaderbesluit valt, kan overdracht naar Nederland plaatsvinden onder het kaderbesluit en kan in Nederland de tenuitvoerlegging plaatsvinden.
Deelt u de mening dat de welbekende exorbitante boetes die in andere EU-lidstaten langs de weg betaald dienen te worden hiermee tot het verleden moeten behoren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in dezen contact te zoeken met Eurocommissarissen Kallas en Reding? Zo nee, waarom niet?
Ik zie hiervoor thans geen noodzaak aangezien het uiteindelijk aan de rechter is om te oordelen over de regels omtrent een apart inningsbeleid voor niet-ingezetenen (zie het antwoord op de vragen 3 en 5).
Klopt het dat het kabinet zich zal inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten door Nederland aan de EU in de onderhandelingen over de komende financiële perspectieven?1
Ja.
Klopt het dat het kabinet uitgaat van een structurele vermindering van 1 miljard euro ten aanzien van Europese afdrachten?2
In het financieel kader bij het regeerakkoord is vanaf 2014 een ombuiging van 1 miljard euro opgenomen. Zoals in de toelichting staat vermeld, heeft het ingeboekte bedrag betrekking op het behouden van de huidige korting van 1 miljard euro op de EU-afdracht.
Wat is het exacte doel, uitgedrukt in meetbare indicatoren?
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de periode tot en met 2013 en de periode vanaf 2014. Op de eerstgenoemde periode zijn de huidige financiële perspectieven (2007–2013) van de Unie van toepassing. Gedurende die periode ontvangt Nederland een jaarlijkse korting van circa 1 miljard euro op de afdrachten aan de EU. Het meerjarig kader van de financiële perspectieven beperkt de mogelijkheden voor een substantiële vermindering van de afdrachten aan de EU. Daarom heeft het kabinet ook geen besparing ingeboekt voor die jaren. Dat laat onverlet dat het kabinet zich ook voor de jaren tot en met 2013 zal inzetten voor een beperkte groei van de Europese begroting.
Op de periode vanaf 2014 zullen de volgende financiële perspectieven van de Unie van toepassing zijn. In de volgende financiële perspectieven vervalt in beginsel de genoemde jaarlijkse korting van Nederland. Het kabinet zal zich voor de periode na 2014 inzetten voor een substantiële vermindering van de afdrachten aan de EU. In het financieel kader van het regeerakkoord is daarbij uitgegaan van behoud van de huidige korting en is derhalve vanaf 2014 een besparing van 1 miljard euro ingeboekt. Over de precieze inzet van Nederland voor de financiële perspectieven zult u binnenkort nader worden geïnformeerd.
Welke effect- en prestatie-indicatoren worden gehanteerd?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is het uitgangspunt (nulmeting) per 1 januari 2011 uitgedrukt in deze meetbare indicatoren?
Zie antwoord vraag 3.
Wat zijn de tussendoelen voor deze doelstelling op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat het kabinet doen om deze doelstelling te bereiken?
U zult te zijner tijd worden geïnformeerd over de precieze inzet van het kabinet ten aanzien van de nieuwe financiële perspectieven. Het kabinet zal het volledige instrumentarium voor het Europese beleid inzetten om een goed resultaat te bereiken bij de onderhandelingen over de financiële perspectieven van de Unie vanaf 2014. Het betreft onder meer een actieve bilaterale diplomatie, zowel op ministerieel als ambtelijk niveau, inzet van het postennet, coalitievorming met gelijkgezinde lidstaten en tijdige en gecoördineerde standpuntbepaling. De brief die de minister-president op 18 december 2010 met de Franse president, de Duitse bondskanselier en de ministers-presidenten van het VK en Finland aan de voorzitter van de Europese Commissie heeft gestuurd inzake het plafond van de nieuwe financiële perspectieven maakt onderdeel uit van een dergelijke strategie.
De onderhandelingen over de financiële perspectieven beginnen medio 2011 met de publicatie van een voorstel van de Europese Commissie. U zult na publicatie van dat voorstel een kabinetsreactie ontvangen. Tijdens de onderhandelingen zal uw Kamer regelmatig geïnformeerd worden, in het bijzonder via de overleggen die plaatsvinden voorafgaande aan vergaderingen van de Raad Algemene Zaken, wanneer de meerjarenbegrotingsonderhandelingen daar op de agenda staan.
Ten aanzien van de Nederlandse positie aangaande de jaarlijkse begroting van de Europese Unie zal uw Kamer worden geïnformeerd in voorbereiding op de halfjaarlijkse Begrotingsraden waar dit onderwerp staat geagendeerd.
Wanneer gaat het kabinet dit doen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?
Zie antwoord vraag 7.
Manipulatie door de Europese Commissie van een onderzoek naar adoptie |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Europese Commissie onderzoekers onder druk heeft gezet om te concluderen dat er behoefte bestaat aan een Europees Adoptie Agentschap, terwijl het onderliggende onderzoek die conclusie niet staaft?1
Ik heb kennis genomen van het krantenartikel. De bescherming van de rechten van het kind is een van de prioriteiten van de Europese Commissie. Mede naar aanleiding van verzoeken van leden van het Europees Parlement en klachten van EU-burgers en organisaties over praktische problemen bij adopties binnen de Europese Unie, heeft de Europese Commissie besloten om dit onderzoek te laten verrichten. Aangezien het een onderzoek betreft dat namens de Europese Commissie is verricht, is het aan de Europese Commissie om te reageren.
Is het waar dat de conclusie die in het rapport wordt getrokken dat er behoefte is aan een Europees Adoptie Agentschap niet gestaafd wordt door het onderliggende onderzoek? Zo ja, is het waar dat (deze niet gestaafde) conclusie tot stand is gekomen doordat de Europese Commissie haar invloed als opdrachtgever heeft aangewend? Zo ja, bent u bereid dit gedrag van de Commissie te veroordelen en aan te dringen op waarborgen om de onafhankelijkheid van door de Commissie gevraagde onderzoeken te garanderen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat er pogingen worden ondernemen Roemenië te dwingen de grenzen voor adopties weer open te stellen? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Mij zijn geen berichten bekend dat er pogingen worden ondernomen Roemenië te dwingen de grenzen voor adopties weer open te stellen. Wel bereiken mij berichten dat er adoptieorganisaties uit andere landen zijn die dit wenselijk achten en daarop aandringen. Het is aan Roemenië om te besluiten of het interlandelijke adoptie uit Roemenië weer wil toestaan.
Is het waar dat dit onderzoek, dat € 250 000 aan Europees gemeenschapsgeld heeft gekost, in eerste instantie niet openbaar is gemaakt? Is dat gebruikelijk met dergelijke rapporten? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 1.
Welke bevoegdheden heeft de Europese Commissie momenteel op het gebied van interlandelijke adoptie? Met welke beweegredenen is dit onderzoek eigenlijk verricht?
In artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt aangegeven dat de Unie dient bij te dragen tot de bescherming van de rechten van het kind. Daarnaast maken Kinderrechten deel uit van de grondrechten die de EU en de lidstaten moeten eerbiedigen. Artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat kinderen recht hebben op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Het onderzoek is verricht in het kader van de bescherming van de rechten van het kind.
Of de Europese Commissie bevoegdheden heeft op het gebied van interlandelijke adoptie zal beoordeeld moeten worden naar de aard en inhoud van een voorstel daartoe. De Commissie heeft een dergelijk voorstel nog niet gedaan.
Welke toegevoegde waarde heeft de betrokkenheid van de Europese Unie op dit gebied, gelet op de reeds bestaande internationale afspraken zoals het Haags Adoptieverdrag?
Uitgangspunt voor Nederland is dat duplicatie van activiteiten en maatregelen die reeds in andere internationale afspraken zoals het Haags Adoptieverdrag plaatsvinden, dient te worden vermeden. Betrokkenheid van de Europese Unie dient derhalve in beginsel complementair te zijn aan het Haags Adoptieverdrag. Uit het meerjarenbeleidskader voor Justitie en Binnenlandse Zaken – het Stockholm Programma – en het bijbehorende Actieplan blijkt dat de huidige Europese Commissie vooralsnog geen intenties heeft om te komen tot de ontwikkeling van een Europees adoptiebeleid.
Deelt u de mening dat er geen Europees Adoptie Agentschap dient te worden opgericht indien er geen noodzaak voor is?
Indien de Europese Commissie een voorstel tot de oprichting van een dergelijk agentschap doet, dan zal het voorstel worden getoetst aan het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel. Nederland is in het algemeen terughoudend als het gaat om de oprichting van nieuwe agentschappen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Deelt u eveneens de mening dat bij eventueel Europees beleid op het gebied van kinderbescherming daadwerkelijk de bescherming van het kind voorop moet staan, en niet het Europese adoptiebeleid, omdat adoptie geen doel op zich is maar slechts een van de middelen om kinderen kansen te geven?
Ja, ook bij de ontwikkeling van Europees beleid gericht op kinderen dient het belang van het kind voorop te staan. Indien er sprake is van de ontwikkeling van een Europees adoptiebeleid dan zal dit voor Nederland dan ook het uitgangspunt zijn.
Draka |
|
Gerda Verburg (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de brandbrief die het Franse bedrijf Nexans aan de Europese Commissie heeft gestuurd inzake een Chinees bod op het kabelbedrijf Draka?1
Ja.
Heeft Nexans eveneens contact met u opgenomen? Zo ja op welke wijze, hoe is dat contact verlopen en waar heeft het contact in geresulteerd?
Nee.
Hoe beoordeelt u de opvattingen en argumentatie die in de brandbrief worden gehanteerd?
Ik herken het beeld niet dat er sprake zou zijn van financiële ondersteuning van Xinmao door de Chinese overheid en van een vermeende hermetische afsluiting van de Chinese thuismarkt.
Tianjin Xinmao Science & Technology Investment Group Co. Ltd. (Xinmao) heeft op 20 december laten weten dat het zijn voorgenomen bod op Draka doorzet. Xinmao heeft bevestigd dat de noodzakelijke financiering voor de eventuele overname zal worden geregeld door China Minsheng Banking. Mijn ministerie heeft hierop contact gehad met het Nederlandse postennetwerk in China om te onderzoeken om wat voor een bank het hier gaat. Daaruit bleek dat China Minsheng Banking een van de eerste banken in China is die niet in handen is van staatsbedrijven; de aandelen van deze bank bevinden zich voor het grootste deel in handen van partijen buiten de Chinese overheid en de bank heeft een notering aan de aandelenbeurs van Hong Kong. China Minsheng Banking heeft, zoals alle commerciële banken dit doen, voor het geven van een financiering een aantal voorwaarden gesteld aan Xinmao, bijvoorbeeld het uitvoeren van een onderzoek naar de boekhouding van Draka. Er is voor mij momenteel geen aanleiding om aan te nemen dat het hier om meer gaat dan een commerciële afweging.
Daarbij plegen ook Nederlandse bedrijven acquisities in China. Enkele voorbeelden hiervan zijn Arcadis, AkzoNobel, DSM en Philips. Volgens cijfers van De Nederlandsche Bank bedroeg de cumulatieve hoeveelheid buitenlandse directe investeringen uit Nederland in China eind 2009 ruim 11,5 miljard euro. Andersom was de cumulatieve hoeveelheid buitenlandse directe investeringen vanuit China (inclusief Hong Kong) in Nederland eind 2009 veel kleiner: ruim 1,2 miljard euro.
Mocht onverhoopt een bedrijf uit Nederland tegen problemen aanlopen bij het zakendoen in China, dan zal ik niet aarzelen om via economische diplomatie, waar nodig, te interveniëren.
Tot slot: de stelling dat een eventuele overname van Draka door Xinmao een negatieve invloed zou hebben op de concurrentiepositie van Europa deel ik niet. Nederland heeft per saldo meer baat van open grenzen dan van het beschermen van onze economie tegen overnames uit het buitenland. Het behouden van een open en aantrekkelijk vestigingsklimaat is derhalve van essentieel belang voor de dynamiek van de Nederlandse economie en dit kabinet zet zich daar stevig voor in.
Zijn er contacten tussen u en de Europese Commissie geweest of op handen over bovengenoemde brandbrief? Zo ja, wat is of hiervan de uitkomst dan wel wat zal uw inzet zijn?
Nee.
'Turkse regering doet een Khadaffi' |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitruil in de maak tussen EU en Turkije»?1
Ja.
Is het waar dat de Turkse regering een voorstel heeft gedaan om vluchtelingen op te vangen in ruil voor een soepelere visumregeling? Zo ja, deelt u de mening dat dit riekt naar chantage? Zo nee, waarom niet?
Er is geen direct verband tussen het Turkse pleidooi voor versoepelde visumverlening en de onderhandelingen over een Terug- en Overnameovereenkomst. Beide kwesties worden bepaald door eigen specifieke technische criteria. Wel is het zo dat soms een politiek verband wordt gelegd tussen beide kwesties, die immers beide raken aan het personenverkeer tussen de EU en derde landen.
Op dit moment zijn Turken visumplichtig. Turkije dringt al enkele jaren aan op een versoepeling van het visumregime van de EU. Nederland meent dat Turkije, net als alle andere landen, pas in aanmerking kan komen voor versoepeling van het visumregime als aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Momenteel is er geen sprake van een voorstel van de Europese Commissie, of van een mandaat van de EU-lidstaten voor het starten van onderhandelingen met Turkije over een visumfacilitatie-overeenkomst. Visumliberalisatie, ofwel totale vrijstelling van de visumplicht, met Turkije is op dit moment geheel niet aan de orde. Overigens zijn Nederlanders ook visumplichtig in Turkije.
De EU en Nederland hebben veel belang bij goed functionerende Terug- en Overnameovereenkomsten met de buurlanden, ook met Turkije. Met een dergelijke Overeenkomst zouden illegale migranten die via Turkije de EU zijn binnengekomen, gemakkelijker kunnen worden teruggestuurd.
De EU onderhandelt met Turkije sinds 2005 over een Terug- en Overnameovereenkomst. Deze onderhandelingen kregen een nieuwe impuls in 2009. In de voortgangsrapportage Turkije (welke uw Kamer op 9 november is toegezonden) schrijft de Europese Commissie dat deze onderhandelingen voortgang boeken.
Deelt u de mening dat de Turkse regering de vluchtelingen misbruikt door ze onder erbarmelijke omstandigheden op te vangen in ruil voor een soepelere visumregeling, zodat Turken gemakkelijker de Europese Unie kunnen binnenkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat dit voorstel geen werkelijkheid wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Het uitstel van toetreding van Roemenië en Bulgarije tot het Schengen-verdrag |
|
Han ten Broeke (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de EU Observer «France wants to delay Schengen accession for Bulgaria and Romania»?
Ja.
Deelt u de mening dat toetreding van Roemenie en Bulgarije tot het Schengen-verdrag in 2011 te vroeg is, gegeven de geconstateerde tekortkomingen in de reguliere voortgangsrapportages van de Europese Commissie op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken, zoals bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie, bewaking van de buitengrenzen, etc?
Zoals is verwoord in het regeerakkoord, zet het kabinet erop in dat bij de Schengen-evaluatie van Roemenië en Bulgarije de tweejaarlijkse voortgangsrapportages over corruptie en juridische hervormingen in deze landen worden betrokken. Indien uit deze rapportages blijkt dat zij niet voldoen aan de strikte criteria, geeft Nederland geen steun aan volledige toetreding van Roemenië en Bulgarije tot Schengen en opheffing van de interne grenscontroles in de EU. Bulgarije en Roemenië worden dan – aangezien het besluit moet worden genomen op basis van eenparigheid van stemmen – niet toegelaten tot Schengen.
Is het standpunt dat de toetreding minimaal tot de zomer van 2011 zou moeten worden uitgesteld in afwachting van de tweejaarlijkse rapportage van de Europese Commissie in het kader van het Coöperatie- en verificatiemechanisme met de Franse regering afgestemd?
In de contacten met de EU-partners, waaronder Frankrijk, is gesproken over de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het Schengen-verdrag en de relatie tot de voortgang van genoemde landen op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken. Dit betekent dat ook Nederland vindt dat minimaal het rapport van de Commissie van de zomer 2011 moet worden afgewacht.
Bent u bereid om met Frankrijk actief steun te vinden bij andere landen om de beslissing over Roemeense en Bulgaarse toetreding tot het Schengen-verdrag uit te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u van plan om binnen de Raad samen met de Franse regering aan te dringen op een structurele link tussen de toetreding tot het Schengen-verdrag en de voortgang en evaluatie van de lidstaten van de Europese Unie, zoals Bulgarije en Roemenië, binnen een Coöperatie- en verificatiemechanisme?
Voor het aanbrengen van een structureel verband tussen de toetreding tot het Schengen-verdrag en het Coöperatie- en verificatiemechanisme is ook de goedkeuring van Bulgarije en Roemenië nodig. Dat lijkt niet haalbaar.
De toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU zal alleen plaatsvinden – zoals is opgenomen in het regeerakkoord – wanneer deze landen voldoen aan de strikte criteria daarvoor. Deze criteria omvatten ook Justitie en Binnenlandse Zaken zoals beschreven in de hoofdstukken 23 en 24 van de toetredingsonderhandelingen. Een juridisch verband tussen toetreding tot Schengen en een CVM zal in de toekomst niet nodig zijn. Nederland zal zich ervoor inzetten dat voor nieuwe EU-toetreders niet opnieuw een CVM, zoals dat nu bestaat voor Bulgarije en Roemenië, worden ingesteld aangezien Nederland erop aan zal dringen dat nieuwe landen alleen toetreden wanneer zij daar klaar voor zijn.
Ontwikkelingshulp van de Europese Unie (EU) aan de schurkenstaten Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met tabel 6.10 «Country Breakdown of EU Development Aid» in het jaarverslag van de Europese Commissie over het externe EU-beleid?1
Ja.
Bent ook u geschokt over het feit dat de EU ontwikkelingshulp geeft aan Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar, stuk voor stuk schurkenstaten die in nog geen honderd duizend jaar in aanmerking zouden komen voor bilaterale Nederlandse ontwikkelingshulp? Zo nee, waarom niet?
Nee. Uw aanname dat de EU met deze hulp foute regeringen steunt is niet juist. Het EU-beleid in deze landen is toegesneden op specifieke mogelijkheden om daar meer stabiliteit, vrijheid, democratie en een beter bestaan voor de burgers dichterbij te brengen. In bepaalde gevallen wordt ook illegale migratie tegengegaan en vaak gaat het om noodhulp. Nederland steunt het EU-beleid terzake, dat een welkome aanvulling vormt op het Nederlandse bilaterale beleid.
Zo heeft de EU in 2002 besloten om de hulp aan Zimbabwe (totaal EUR 57 miljoen in 2009) te beperken tot projecten die, buiten de regering om, rechtstreeks ten goede komen aan de sterk verarmde bevolking; het gaat onder meer om voedselhulp, gezondheidszorg en onderwijs. Sinds de toetreding van oppositieleider Tsvangirai tot de regering in 2008, is de EU ook in beperkte mate betrokken bij hervormingen binnen de overheid zelf, met als doel om de overgang naar een democratisch gekozen regering voor te bereiden. Overigens zijn de EU-sancties tegen president Mugabe en zijn naaste bondgenoten onverminderd van kracht.
Ongeveer tweederde deel van de EU-hulp aan Somalië (EUR 73 miljoen in 2009) bestaat uit directe noodhulp voor de miljoenen ontheemden in dit door burgeroorlog en banditisme verscheurde land. Om te helpen voorkomen dat de uiterst zwakke Somalische staat weer verder in elkaar zakt – waardoor een nog grotere vrijhaven voor piraterij en mogelijk terroristische groeperingen zou ontstaan – verleent de EU ook beperkte steun aan bepaalde delen van het overheidsapparaat in Mogadishu (bv training van politie en justitie via UNDP). Ook is de EU onder meer actief op het gebied van onderwijs via NGOs. Verder wordt vanuit het EOF (Europees Ontwikkelingsfonds) bijgedragen aan de VN-vredesmissie AMISOM.
In het geval van Libië (EUR 7 miljoen in 2009) gaat het om EU-activiteiten op het gebied van de bestrijding van illegale migratie (verbeterde grenscontrole, terugkeer van in Libië gestrande illegale migranten) en om steun aan kleine NGO-projecten tegen HIV/AIDS.
In Syrië (EUR 43 miljoen in 2009) geeft de EU in het kader van het nabuurschapsbeleid gericht steun aan hervormingen op het gebied van handelsliberalisatie, ondernemersklimaat, gezondheidszorg en onderwijs. Daarnaast worden daar EU-middelen ingezet ter bestrijding van mensenhandel en illegale immigratie.
De EU-hulp in Iran (EUR 1,4 miljoen in 2009) wordt alleen via NGOs of via VN-organisaties besteed en betreft voornamelijk hulp aan vluchtelingen.
Ook de EU-hulp in Birma wordt buiten het militaire regime om gegeven via NGOs, VN-organisaties of lokale civiele besturen. Het grootste deel van de EUR 55 miljoen in 2009 betrof noodhulp na de orkaan Nargis die in 2008 vele miljoenen mensen trof.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is er de afgelopen jaren in de vorm van Europese ontwikkelingshulp naar deze landen gevloeid?
De uitgaven van de EU in deze zes landen beliepen in 2008 een bedrag van EUR 222 miljoen en EUR 238 miljoen in 2009. Het Nederlandse aandeel in de EU-begroting en in het EOF (Europees Ontwikkelingsfonds) is ongeveer 5 procent. Derhalve zou een bedrag van EUR 11 miljoen (2008) respectievelijk 12 miljoen (2009) als de Nederlandse bijdrage kunnen worden aangemerkt. Hierbij moet wel worden aangetekend dat uitgaven uit de EU-begroting niet één-op-één kunnen worden toegerekend aan lidstaten.
Deelt u de mening dat de Europese Unie zich niet met ontwikkelingshulp moet bezighouden? Zo nee, deelt u dan in elk geval de mening dat de lijst van landen waaraan de Europese Unie ontwikkelingshulp geeft op de schop moet en fors moet worden beperkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. De EU heeft krachtens meerdere verdragen en in aanvulling op het beleid van de lidstaten een duidelijke rol te vervullen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Ik verwijs graag naar mijn uitgebreide antwoorden naar aanleiding van eerdere vragen van de leden van de PVV-fractie hierover in het schriftelijk overleg over de Informele OS-Raad van 21–22 oktober jongstleden (uw kamerstuk 21 501-04 nr.117) en naar aanleiding van EU-hulp aan Egypte (uw kamerstuk 20102011–313).
Met het oog op de voorbereiding van de nieuwe Financiële Perspectieven 2014–2020 ben ik overigens wel van plan om de lijst van landen waaraan de EU ontwikkelingshulp verleent samen met de Commissie en andere Europese partners tegen het licht te houden. Met name de huidige EU-hulpbestedingen in middeninkomenslanden zouden heroverwogen kunnen worden. Ik zal de Kamer hierover te zijner tijd informeren.
Nederland ziet al enkele jaren scherp toe op goede besteding van de hulpgelden die de Europese Commissie beheert. Mede dankzij de kritische Nederlandse inzet heeft de Commissie dit najaar een Groenboek over begrotingssteun gepubliceerd (de kabinetreactie daarover ging uw Kamer op 19 november toe). Ook op overige onderdelen van het EU-ontwikkelingsbeleid (bv sector- en landenkeuze) behoort Nederland tot de meer kritische lidstaten.
Bent u bereid bij het eerstvolgende overleg met uw Europese ontwikkelingshulpcollega’s te pleiten voor het stoppen van alle Europese ontwikkelingshulp aan in elk geval Zimbabwe, Somalië, Libië, Syrië, Iran en Myanmar? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u graag naar het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘EU grants Egypt 609 million euros for development’ |
|
Louis Bontes (PVV), Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU grants Egypt 609 million euros for development»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Europese Unie zich niet moet bezighouden met het uitdelen van ontwikkelingshulp? Zo nee, waarom niet?
Al sinds de oprichting van de EEG in 1957 maakt ontwikkelingssamenwerking deel uit van haar externe beleid en dat van de EU. Op dit moment is Europese ontwikkelingssamenwerking expliciet verankerd in het werkingsverdrag van de Europese Unie (art 208 en 209). De uitbanning van armoede in de wereld vormt een van de basisdoelstellingen van de EU (art 3 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie). Daarnaast heeft de EU in tal van verdragen met derde landen (Verdrag van Cotonou; associatie- en partnerschapsovereenkomsten) afspraken gemaakt over ontwikkelingssamenwerking. Zoals in het regeerakkoord is onderstreept, respecteert het Kabinet internationale verdragen.
Ook hecht het Kabinet in algemene zin aan ontwikkelingssamenwerking, getuige de passage daarover in het regeerakkoord en het substantiële budget dat Nederland ook de komende jaren voor officiële hulp beschikbaar stelt.
Daarbij kan worden aangetekend dat ontwikkelingssamenwerking vaak niet alleen de belangen van mensen in ontwikkelingslanden dient, maar ook onze eigen Nederlandse en Europese belangen. Een sterk internationaal georiënteerde economie als de Nederlandse heeft baat bij stabiliteit, veiligheid en groeiende koopkracht elders in de wereld, ook in ontwikkelingslanden en de buurlanden die Europa omringen. In veel gevallen kunnen we juist via de band van de EU een steviger antwoord geven op grote mondiale vraagstukken zoals armoede, veiligheid, het versterken van fragiele staten, klimaatverandering, bescherming van mensenrechten, open en eerlijke handel, illegale migratie en bestrijding van grensoverschrijdende infectieziekten als AIDS en tuberculose. Europese ontwikkelingssamenwerking kan soms schaalvoordelen bieden, reden waarom het Kabinet het van belang vindt dat de EU over een substantieel budget beschikt voor ontwikkelingssamenwerking en extern beleid.
In het regeerakkoord heeft het Kabinet het voornemen uitgesproken om het ontwikkelingsbeleid te moderniseren. Europa vormt een belangrijk kanaal om deze modernisering te realiseren. Daarnaast zou ook de Europese ontwikkelingssamenwerking zelf onderwerp moeten zijn van de beoogde moderniseringsslag.
Hoeveel van de aan Egypte weggeven 609 miljoen euro is door de Nederlandse belastingbetaler opgehoest? Wilt u dat tot op de cent nauwkeurig aangeven?
Het door u aangehaalde bedrag van € 609 miljoen euro betreft een enveloppe voor vijf jaar die de EU voor Egypte reserveert. Nederland financiert 5% van de EU-begroting. € 30,45 miljoen van de € 609 miljoen is derhalve theoretisch aan de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting toe te rekenen. Het Kabinet tekent daarbij echter aan dat lang niet alle uitgaven uit de EU-begroting één-op-één kunnen worden toegerekend aan lidstaten.
Hoe legt u het aan de belastingbetaler uit dat de Europese Unie honderden miljoenen overmaakt aan Egypte, terwijl de Europese economieën in het slop zitten, Egypte fundamentele mensrechten schendt en Egypte wel de mogelijkheid heeft om fors te investeren in een omvangrijk militair apparaat?
Europese ontwikkelingssamenwerking draagt bij aan economische groei, vermindering van armoede alsmede politieke hervormingen in Egypte. Daarnaast is de ontwikkeling van Egypte ook in het directe belang van de Europese Unie zelf. Egypte is een buurland van de Europese Unie. De Europese Unie heeft baat bij stabiliteit, veiligheid, maatschappelijke hervormingen en groeiende koopkracht in Egypte. Dit komt de handel met de Europese Unie en daarmee ook de Nederlandse economie ten goede en draagt ook bij aan de oplossing van mondiale problemen zoals migratie. Tegelijkertijd blijft het van belang om de ontwikkelingen ten aanzien van zaken als mensenrechten en de verhouding tussen militaire- en sociale uitgaven kritisch te volgen. Juist via instrumenten als de Europese ontwikkelingssamenwerking en de associatieovereenkomst EU-Egypte kan de EU de Egyptische regering kritisch over deze kwesties aanspreken.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om de schenking aan Egypte terug te draaien, toekomstige schenkingen aan Egypte te voorkomen en ook alle bilaterale ontwikkelingshulp, behoudens noodhulp, aan Egypte te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Neen. De steun aan Egypte uit de EU-begroting heeft een wettelijke basis, te weten de Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument. Deze Verordening is in 2006 tot stand gekomen na co-decisie met het Europees Parlement.
De EU-toetredingsaanvraag van Servië en de besluitvorming daaromtrent tijdens de Raad van Buitenlandse Zaken op 25 oktober |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Is het Belgisch EU-Voorzitterschap nog steeds voornemens om de toetredingsaanvraag van Servië te agenderen voor de Raad van Buitenlandse Zaken op 25 oktober, zoals u schreef in uw brief d.d. 14 september 2010 aan de Tweede Kamer?1
Ja.
Zo ja, klopt het dat u niet wilt instemmen met het verzoek aan de Europese Commissie om een advies (avis) omdat nog geen sprake is van volledige medewerking van Servië aan het Joegoslavië Tribunaal?
Graag verwijs ik u naar de geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 25 oktober 2010. De Europese Commissie en 26 EU-lidstaten willen tijdens de RAZ een positief besluit nemen over het doorsturen van de Servische EU-lidmaatschapsaanvraag voor «avis», mede in het licht van de constructieve Servische opstelling bij de op 9 september jl. aangenomen resolutie van de Algemene Vergadering van de VN. De resolutie roept Servië en Kosovo op in dialoog te gaan teneinde de onderlinge samenwerking te verbeteren, de veiligheid en stabiliteit in de regio te bevorderen alsmede praktische oplossingen te vinden voor de inwoners van Kosovo.
Het kabinet meent dat eventuele verdere stappen in de toenadering van Servië tot de Europese Unie in het teken moeten staan van volledige samenwerking door Servië met het Joegoslavië-tribunaal. De regering zal zich bij de definitieve standpuntbepaling over het al dan niet doorzenden van de Servische lidmaatschapsaanvraag daarnaast laten leiden door de voortgang in de dialoog tussen Servië en Kosovo.
Bent u ervan op de hoogte dat besluitvorming op grond van gekwalificeerde meerderheid plaatsvindt als het verzoek om een «avis» als technisch punt geagendeerd wordt, en dat besluitvorming op grond van unanimiteit plaatsvindt als het verzoek om een «avis» als politiek punt geagendeerd wordt?
Zoals Commissaris Füle ook stelde in de hoorzitting met de Vaste Kamercommissie voor Europese Zaken op 6 oktober jl., is de Europese Commissie van mening dat besluitvorming over het doorsturen van een lidmaatschapsaanvraag een procedureel/technisch vraagstuk is, waarover met enkelvoudige meerderheid van stemmen zou kunnen worden besloten. Ook de meeste lidstaten zijn deze mening toegedaan. Het EU-voorzitterschap zal uiteindelijk moeten bepalen welke besluitvormingsprocedure wordt gekozen. Dit besluit heeft het voorzitterschap nog niet genomen.
Zoals de regering ook heeft gesteld in de kabinetsappreciatie inzake het uitbreidingspakket van de Europese Commissie van 2009 (Kamerstuk 23 987, nr. 104) is het doorsturen van een lidmaatschapsaanvraag naar de Commissie, gelet op de aard van het besluit, geen formele stap in het toenaderingsproces. In dezelfde brief stelde het kabinet niettemin dat het een verzoek van de Raad aan de Commissie om een avis te schrijven wel beschouwt als een politiek besluit.
Zelfs al zou dit besluit als politiek worden bestempeld, dan nog is de besluitvormingsmodaliteit niet eenduidig. Tot dusverre zijn alle verzoeken van de Raad aan de Commissie over een «avis» met consensus in de Raad genomen. Dit is ook wat Nederland nu uitdraagt richting voorzitterschap en partners.
Maar artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie specificeert niet dat er sprake moet zijn van unanimiteit voor het doorzenden van de lidmaatschapsaanvraag («raadplegen Commissie»). De algemene regel in het Verdrag (artikel 16, lid 3 EU) luidt dat de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid.
Deelt u de mening dat het verzoek om een «avis» niet als een technisch, maar als een politiek punt geagendeerd moet worden omdat u alleen dan een vetorecht heeft?
Zie antwoord vraag 3.
Is het ook de bedoeling van het Belgisch Voorzitterschap om de besluitvorming over het verzoek om een «avis» als een politiek punt te agenderen?
Zie antwoord vraag 3.
Zo nee, wat doet u dan op dit moment om het Voorzitterschap daar wel toe te bewegen en wat gaat u nog ondernemen op dit punt?
Zie antwoord vraag 3.
Zou u deze vragen zo spoedig mogelijk, maar in elk geval vóór het algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) op 13 oktober a.s. willen beantwoorden?
Ja.
De nettobijdrage van Nederland aan de Europese Unie |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de nettobetalingpositie van Nederland aan de Europese Unie (EU), volgens de meest recente cijfers van de Europese Commissie, zeer hoog is in verhouding tot die van andere lidstaten met een vergelijkbaar welvaartsniveau en daarom omlaag moet?1 Indien nee, waarom niet?
Nederland behoort in 2009 volgens de definitie die de Europese Commissie gebruikt tot de drie grootste nettobetalers, gemeten als percentage van het Bruto Nationaal Inkomen. België is volgens die cijfers de grootste nettobetaler (0,43%), Nederland en Denemarken dragen netto 0,36% van hun BNI af. Daarna volgen Duitsland (0,33%) en Luxemburg (0,32%). In deze cijfers is de Nederlandse korting van € 1,153 miljard in 2009 meegenomen.
Het kabinet pleit ervoor dat in de EU de sterkste lidstaten de zwaarste lasten dragen (verticale billijkheid) en dat lidstaten met relatief dezelfde welvaart hetzelfde afdragen aan de EU (horizontale billijkheid). De jaarlijkse afdrachtenkorting voor Nederland (circa € 1 miljard per jaar voor de periode 2007–2013) zorgt ervoor dat de Nederlandse nettobijdrage beter aansluit bij die van vergelijkbare lidstaten.
Is het waar dat Nederland de grootste nettobetaler is indien ook de invoerrechten die Nederland afdraagt en de inkomsten die België door de aanwezigheid van EU-instellingen ontvangt, worden meegenomen?
Ja, volgens deze zogenoemde boekhoudkundige definitie is Nederland de grootste nettobetaler gemeten als percentage van het BNI. In absolute bedragen is Duitsland de grootste nettobetaler.
Indien ja, deelt u de mening dat dit een reëlere berekening van de betalingspositie van lidstaten is en dat deze de basis moet zijn voor de discussie over de toekomstige EU-afdrachten? Indien ja, bent u bereid daar bij de Commissie op aan te dringen? Indien nee, waarom niet?
Is het waar dat ook de Europese Commissie heeft aangegeven lidstaten zoals Nederland, met een buitensporig hoge nettobetalingpositie, te willen compenseren met een lagere bijdrage?2
Op 28 september jl. heeft commissaris Lewandowski bij de perspresentatie van de cijfers over 2009 desgevraagd aangeven dat voorkomen moet worden dat de nettoposities van Nederland en andere grote nettobetalers na 2013 verslechteren. Hij gaf daarbij aan dat er meerdere instrumenten zijn om dat te bereiken. Concrete voorstellen heeft de Commissie niet gepresenteerd. Deze worden later verwacht.
Indien ja, deelt u de mening dat het onwenselijk zou zijn wanneer een lagere bijdrage van lidstaten zou worden gecompenseerd door meer «eigen inkomsten» voor de Europese Unie, zoals diverse Europese belastingen? Indien nee, waarom niet?
De invoering van een Europese belasting is voor Nederland geen optie. Het kabinet pleit voor het gebruik van het BNI-middel als enige financieringsbron voor de Europese begroting. Afdrachten enkel op basis van welvaart zijn volgens Nederland het meest rechtvaardig, transparant en eenvoudig uitvoerbaar.
Gedragsregels voor voormalige EU-commissarissen |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Oostenrijkse oud-commissaris Ferrero-Waldner, voorheen verantwoordelijk voor het buitenlands beleid van de Europese Unie (EU), dit voorjaar is overgestapt naar twee bedrijven die nauw betrokken zijn bij haar voormalige politieke agenda?1
Mevrouw Ferrero-Waldner was gedurende haar ambtsperiode bij de Commissie verantwoordelijk voor externe betrekkingen en nabuurschapsbeleid en heeft haar nieuwe activiteiten gemeld bij de Commissie. De Commissie heeft de verenigbaarheid van haar nieuwe activiteiten getoetst met haar functie als commissaris en was van oordeel dat de voorgenomen activiteiten verenigbaar waren met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 245, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (hierna VWEU). Hierin is bepaald dat leden van de Commissie verplicht zijn om eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies na afloop van hun ambtsperiode. Toezicht op de naleving van deze regel vindt het kabinet in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de Commissie zelf.
Indien ja, acht u dit in overeenstemming met de Europese regels voor ex-bestuurders van de EU?
Zie antwoord vraag 1.
Is het tevens waar dat het ethisch comité van de Europese Commissie, dat toeziet op bijbanen van Europese bestuurders, Ferrero-Waldner heeft gevraagd geen «gevoelige en vertrouwelijke» informatie vrij te geven?
Het ethisch comité van de Commissie achtte de voorgenomen activiteiten verenigbaar, en heeft aangegeven dat als mevrouw Ferrero-Waldner onderwerpen zou moeten behandelen die verband houden met haar eerdere functies, zij de vertrouwelijkheid van gevoelige en vertrouwelijke informatie waar zij toegang tot heeft gehad tijdens haar ambtsperiode dient te waarborgen.
Indien ja, wie controleert of dit ook daadwerkelijk niet gebeurt?
De verplichting om geen vertrouwelijke informatie openbaar te maken waartoe de commissarissen toegang hebben gehad bij de uitoefening van hun taken, geldt voor alle voormalige commissarissen. De commissarissen zijn zelf verantwoordelijk voor de naleving. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie kan sancties opleggen.
Is het waar dat oud-commissaris Verheugen een eigen lobbybedrijf is begonnen?
De heer Verheugen heeft de Commissie in kennis gesteld van zijn betrokkenheid bij de oprichting van «The European Experience Company GmbH», waarvan hij niet-uitvoerend bestuurder is.
Is het tevens waar dat de regels van de Europese Commissie uitdrukkelijk lobbyactiviteiten door oud-commissarissen verbieden?
Lobbyactiviteiten zijn niet als zodanig verboden. Elke activiteit moet worden beoordeeld in de praktijk, afhankelijk van de betrokken sector en dossiers en de potentiële risico's van belangenconflicten. Als een lobbyactiviteit een belangenconflict zou doen ontstaan, is zij niet verenigbaar. De Commissie heeft nog geen besluit genomen over de door de heer Verheugen gemelde activiteit.
Indien ja, gaat u aandringen op het naar letter en geest toepassen van de regels voor ex-bestuurders van de EU?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de regels ex-bestuurders van de EU zo spoedig mogelijk moeten worden aangescherpt om het weglekken van vertrouwelijke politieke informatie te voorkomen? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is het waar dat oud-commissarissen van de EU in aanmerking komen voor een «gewenningstoelage» die kan oplopen tot elfduizend euro per maand?
Ja2. De overgangsvergoeding waarvoor een oud-commissaris in aanmerking komt bedraagt (bruto) tussen de 40% en 65% van het laatste maandelijkse basissalaris, afhankelijk van de lengte van het dienstverband bij de Commissie. Deze vergoeding wordt verlaagd als hij of zij een nieuwe betaalde baan aanvaardt en is afhankelijk van de hoogte van het nieuwe salaris. Dit houdt in dat het nieuwe salaris samen met de overgangsvergoeding niet hoger mag zijn dan het salaris dat de oud-commissaris verdiende toen hij of zij nog lid was van de Commissie. De overgangsvergoeding is fors en kan minder. Daarom zal Nederland zich kritisch blijven opstellen ten aanzien van de hoogte van de administratieve uitgaven van de EU en de hoogte van salarissen van EU-functionarissen. Tijdens de lopende onderhandelingen over de EU-begroting 2011 kaartte Nederland dit meerdere malen aan.
Indien ja, deelt u de opvatting dat dit veel te riant is en bent u bereid aan te dringen op beperking hiervan? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Subsidies van het Europees Sociaal Fonds (ESF) aan TNT ter waarde van meer dan vier miljoen euro |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is precies de inhoud van een aantal projecten waarvoor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds aan TNT is verstrekt, met een totale waarde van boven de vier miljoen euro?1
De desbetreffende projecten maken onderdeel uit van het ESF-programma 2007–2013. Daarbinnen bestaat een specifiek programma-onderdeel ten behoeve van additionele toerusting en bemiddeling van werklozen met een achterstand op of
tot de arbeidsmarkt (ESF-Actie A). Dit betreft in casu de re-integratie van werkzoekende niet-uitkeringsontvangers (nuggers), mensen met een arbeidsbelemmering respectievelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten of wajongeren en werkloze 55-plussers.
Het doel van de projecten van TNT is het aantrekken en begeleiden van met name niet-uitkeringsontvangers (nuggers) naar een betaalde baan als postbezorger. De doelgroep 55+ en gedeeltelijk arbeidsgeschikten betreft personen met een WWB en/of uitkering van het UWV die ofwel rechtstreeks door TNT geworven worden ofwel door de gemeenten of het UWV worden aangedragen. In die zin past dit project binnen het doel van actie A van het ESF programma 2007–2013 te weten het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van personen die tot de bovengenoemde doelgroep horen.
De deelnemers worden door TNT geworven en binnen een periode van 4 weken opgeleid om de functie van postbezorger te kunnen uitoefenen.
Het grootste deel van de subsidie wordt aangewend om deze interne training te bekostigen. De opleiding duurt drie dagen in de eerste week waarin de nieuwe postbezorger werkt. In de drie weken daarna wordt een aantal coachingsgesprekken gevoerd.
Bestaat de kans dat de overheid een project subsidieert waarbij vaste krachten worden vervangen door flexwerkers? Kunt u uw antwoord toelichten?
De betreffende projecten hebben tot doel om moeilijk plaatsbare werklozen aan het werk te helpen. Het creëren van mogelijkheden voor deze specifieke groep is van groot belang, zeker in economisch mindere tijden.
Ik heb navraag gedaan bij TNT. Uit die informatie is mij gebleken dat het niet zo is dat vaste krachten worden vervangen door flexwerkers. Specifiek voor TNT geldt dat de ESF-projecten los staan van de reorganisatie. Dat is een bedrijfsinterne aangelegenheid waarbij – door marktontwikkelingen als volumedaling – banen verdwijnen. De nieuwe medewerkers wordt een parttime, maar vaste baan aangeboden op basis van een cao en arbeidsovereenkomst.
Wat is het totaalbedrag aan dergelijke subsidies verstrekt in de afgelopen tien jaar, zowel door de Europese Unie als door Nederland? Kunt u een overzicht geven van alle projecten die subsidie hebben gekregen, met het bedrag en een beschrijving van de inhoud?
De desbetreffende subsidies worden verstrekt in het kader van het ESF-programma 2007–2013, onderdeel Actie A (zie vraag 1). Dit betreffen Europese middelen, die via een nationale subsidieregeling (Subsidieregeling ESF 2007–2013, herzien) worden verstrekt. De ESF-subsidie bedraagt 40% van de projectkosten, de aanvrager moet 60% uit eigen middelen bijdragen.
Dit programma is gestart in 2007. In de jaren 2007 en 2008 konden alleen gemeenten deze subsidie aanvragen. Vanaf het jaar 2009 kunnen ook UWV en sectorale Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fonds) als aanvragers optreden, als zij door de minister van SZW als ESF-aanvrager zijn erkend. Eén van de erkenningsvoorwaarden is dat het een samenwerkingsverband per bedrijfstak of bedrijf moet zijn dat wordt beheerd door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. De Stichting TNT Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voldoet daaraan.
In 2007 is € 8 369 092 toegekend aan alleen gemeenten. In 2008 is in totaal € 27 220 618 toegekend, eveneens alleen aan gemeenten. In 2009 is € 48 990 793 (aanvraagtijdvak maart) plus € 73 854 751 (aanvraagtijdvak november 2009), in totaal € 122 845 544 toegekend, waarvan € 90 743 047 aan gemeenten, € 18 000 940 aan UWV en € 14 101 557 aan O&O-fondsen. Jaarlijks is een overzicht aan de Tweede Kamer gezonden, met daarin een beschrijving van de programmaonderdelen op hoofdlijnen, met als bijlage een overzicht van alle verleende subsidie per project, inclusief bedragen. Zie hiervoor TK 2007–2008, 26 642, nr. 108 (2007) TK 2008–2009, 26 642, nr. 112 (2008) en TK 2009–2010, 26 642, nr. 113.
Zijn er nog meer subsidies uit het Europees Sociaal Fonds verstrekt aan TNT in de afgelopen tien jaar? Om wat voor bedragen en projecten ging het? Kunt u daar een overzicht van verstrekken?
Onderstaand treft u een overzicht van 5 subsidies die in de afgelopen 10 jaar zijn verstrekt aan TNT in het kader van ESF-programma’s gericht op scholing voor werkenden.
1.
2003
SAP trainingen TNT
€ 273 224
Het ESF3-project «SAP Trainingen TNT bestaat uit verschillende in gebruikerstrainingen (Back Office medewerkers) in het geautomatiseerde ERP-systeem SAP.
2.
2004
TNT Management Traject
€ 1 264 336
Het ESF-3 project «TNT Management Traject» bestaat uit trainingen die zich richten op het scholen en ontwikkelen van het middle management.
3.
2007
TNT Challenge 2007
€ 1 892 105
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
4.
2008
TNT Challenge 2009
€ 2 999 605
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel is het mobility project van TNT dat erop gericht is medewerkers te laten uitstromen naar andere sectoren en hen hiervoor een passende opleiding aan te bieden om hun kansen op een functie binnen een andere sector te vergroten.
5.
2010
TNT Challenge 2010
€ 2 544 504
Binnen dit programma Challenge 2010 bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– veiligheid
– management
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel van het project betreft het mobility project van TNT. Dit project is erop gericht medewerkers additionele competenties te laten ontwikkelen, eventueel ook buiten het eigen werkveld.
De her-islamisering van de Turkse publieke sector |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Füle: Turks wanted to put an end to the fear of military rule»1 waarin wordt gerefereerd aan de positieve reactie van de Europese Commissie en het Europese Parlement op de uitslag van het Turkse referendum over grondwetswijzigingen?
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitslag van het referendum van 12 september 2010 over de door de regering Erdoğan voorgestelde grondwetswijzigingen, zowel in algemene zin als in het licht van de opvatting van premier Erdoğan over het nut van democratie: «Democratie is als een tram. Als je je bestemming hebt bereikt stap je uit»?2
De Nederlandse regering verwelkomt, net als de Europese Commissie, de goedgekeurde grondwetswijzigingen, omdat die Turkije op het gebied van justitie en civiel-militaire relaties dichter bij Europese wet- en regelgeving brengen. Het is van belang dat Turkije nu gaat werken aan verdere justitiële hervormingen die nodig zijn om aan het EU-acquis te voldoen. Nederland zal daarom nauwlettend volgen op welke wijze de Turkse regering uitvoering geeft aan de grondwetswijzigingen.
In Turkije is, ook onder deze regering, nog altijd sprake van scheiding van kerk en staat. De relatief hoge opkomst van 77% bij het recente referendum illustreert het belang dat de Turkse bevolking hecht aan het democratische besluitvormingsproces.
Deelt u de mening dat het naïef en in ieder geval voorbarig is van de Europese Commissie en het Europese Parlement om de thans bij referendum goedgekeurde grondwetswijzingen toe te juichen, terwijl alles erop wijst dat deze grondwetswijzigingen door de islamistische AK Partij van premier Erdoğan zullen worden gebruikt om het kemalistische systeem van scheiding van moskee en staat verder ongedaan te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Turkije nooit en te nimmer lid van de EU zou moeten worden?
U bent bekend met het regeringsstandpunt over de Turkse EU-aspiratie en de Nederlandse inzet in de toetredingsonderhandelingen met Turkije. Het onderhandelingsraamwerk van de EU met Turkije uit 2005 is daarbij het uitgangspunt. Hierin is vastgelegd dat de gezamenlijke doelstelling van de onderhandelingen toetreding is. Daarbij geldt echter dat de uitkomst van de onderhandelingen niet op voorhand vastligt. Toetreding van Turkije kan pas aan de orde zijn, als Turkije aan alle voorwaarden voor EU-lidmaatschap voldoet.
De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake uitgeverij Sanoma |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Sanoma Uitgevers BV versus de Nederlandse staat?1
Ja.
Welke gevolgen heeft deze uitspraak voor de huidige praktijk van huiszoekingen in relatie tot de persvrijheid?
Deze uitspraak heeft geen gevolg voor de praktijk rond huiszoekingen, omdat de uitspraak van het Hof daarop niet ziet. Er was in deze zaak overigens geen sprake van een doorzoeking doch van een bevel tot uitlevering van beeldmateriaal.
Desalniettemin bevat de uitspraak aspecten die door het College van procureurs-generaal zullen worden meegenomen in de herziene Aanwijzing over de toepassing van dwangmiddelen tegen journalisten, welke aanwijzing op korte termijn aan mij zal worden voorgelegd ter goedkeuring.
Voorziet het huidige wettelijke systeem in de minimale rechtsbescherming die blijkens de voornoemde uitspraak noodzakelijk is? Zo nee, bent u voornemens het wettelijke systeem in overeenstemming te brengen met de in de uitspraak geschetste minimum norm? Zo ja, welke maatregelen gaat u dan nemen om de praktijk te wijzigen zodat deze tegemoetkomt aan de bezwaren van het EHRM?
In het begin van dit jaar is een conceptwetsvoorstel voor advies aan de Raad van State voorgelegd, waarin het recht op bronbescherming in het kader van vrije nieuwsgaring in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen. De Raad van State heeft hierover inmiddels advies uitgebracht. Bij het opstellen van de reactie van de regering op dit advies na het demissionair worden van het huidige kabinet heb ik er voorts rekening mee gehouden dat de Grand Chamber van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) nog uitspraak zou doen in de zaak Sanoma. De consequenties daarvan zou ik dan alsnog, voordat tot indiening wordt overgegaan, onder ogen zien. Dat heb ik thans gedaan en ik zal uiteraard op de overwegingen van het EHRM ten aanzien van de reikwijdte van het recht op bronbescherming en de mogelijkheden om daarop een gerechtvaardigde inbreuk te maken ingaan in de toelichting op het wetsvoorstel. Ik ben voornemens het conceptwetsvoorstel op korte termijn aan de Ministerraad voor te leggen. Naar verwachting kan het wetsvoorstel in oktober bij de Tweede Kamer worden ingediend.
Bent u voornemens om de rol van de rechter-commissaris in de praktijk aan te scherpen in die zin dat deze feitelijk meer inhoud geeft aan de leiding over de huiszoeking? Hoe gaat u dit vormgeven?
Zie antwoord vraag 3.
Welk verwantschap is er tussen deze uitspraak van het EHRM en de uitspraak inzake Voskuil versus de Nederlandse staat?
In de zaak van Voskuil tegen de Staat ging het vooral om de vraag of het gerechtshof te Amsterdam terecht tot de gijzeling van de journalist had besloten en of dit een proportioneel middel was in het kader van de waarheidsvinding in een strafzaak. Het betrof de betrouwbaarheid van de door Voskuil op basis van niet kenbare bronnen gedane beweringen over de deugdelijkheid van het aanwezige bewijsmateriaal.
In de zaak van Sanoma/Autoweek BV ging het in het bijzonder over de vraag of aan de uitgever/redactie terecht een bevel tot uitlevering door de officier van justitie was gegeven van journalistiek beeldmateriaal dat mogelijk indirect kon bijdragen aan de identificatie van twee verdachten van een ramkraak.
Beide uitspraken hebben betrekking op de rechtmatigheid van justitieel optreden tegen journalisten, maar in een verschillende fase van het strafproces. Verschil bestaat ook in de mate van betrokkenheid van de rechter. In Sanoma overweegt het EHRM dat de mate van betrokkenheid van de rechterlijke autoriteit noodzakelijk is en in de wet moet zijn voorzien.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het aangekondigde wetsvoorstel in antwoord op de uitspraak Voskuil versus de Nederlandse staat? Bevat dit wetsvoorstel regels die tegemoet komen aan de bezwaren van het EHRM in de uitspraak Sanoma Uitgevers BV versus de Nederlandse staat? Zo nee, bent u bereid dit wetsvoorstel aan te passen?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3 en 4.
De onderhandelingsronde over het ACTA-verdrag in Washington van 16 tot 20 augustus 2010 |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Over welke onderwerpen is gesproken tijdens de meest recente afgeronde onderhandelingsronde over het Anti-Counterfeiting Trade Agreement (het ACTA-verdrag) in Washington? Wat is de uitkomst van deze ronde?
De meest recente onderhandelingsronde heeft plaatsgevonden van 16 tot en met 20 augustus jl. in Washington, VS. Tijdens deze ronde is over alle hoofdstukken van ACTA gesproken. Het doel van de ACTA-deelnemers was tot overeenstemming te komen over de nog openstaande punten. Dat is op een aantal onderdelen gelukt. Omdat de ACTA-deelnemers bij aanvang hebben afgesproken de onderhandelingsresultaten niet openbaar te maken, kan hier verder niet op de inhoud worden ingegaan.
Voor de indeling van de hoofdstukken verwijzen wij u naar de brief aan de Tweede Kamer van 20 juli jl.
Kunt u, indachtig de oproepen van het Europees Parlement1 en die van uzelf en de minister van Justitie2 tot meer transparantie over ACTA, de huidige onderhandelingstekst bekend maken en zo nee, waarom niet?
Nee, diverse ACTA-deelnemers zijn volgens hun wetgeving en parlementaire proces niet gerechtigd tijdens onderhandelingen documenten te openbaren en daarom is afgesproken dat de documenten vertrouwelijk zullen worden behandeld. Nederland kan de afspraken over beperkte openbaarheid helaas niet eenzijdig doorbreken, maar Nederland heeft zich altijd sterk gemaakt voor openbaarmaking van de concept-tekst. Dat heeft bijgedragen aan de publicatie van de concept-tekst na de onderhandelingsronde in Wellington. Helaas kon dit resultaat de afgelopen twee rondes niet bereikt worden. Partijen hebben na afloop van de laatste ronde wel uitdrukkelijk afgesproken dat de volledige onderhandelingstekst vóór ondertekening openbaar wordt gemaakt.
Wat was de aanleiding voor het vervroegen van die onderhandelingsronde, zoals u in uw brief2 aankondigde, naar augustus 2010?
In Washington zou oorspronkelijk een institutionele ronde plaatsvinden alwaar over meer technische aangelegenheden gesproken zou worden. Omdat alle ACTA-deelnemers in deze vakantieperiode toch volwaardig konden deelnemen is deze ronde ongezet in een onderhandelingsronde. Er is geen sprake van een vervroegde ronde, maar van een extra ronde. De volgende onderhandelingsronde zal plaatsvinden in Tokio, Japan van 23 september tot en met 1 oktober a.s.
In welke fase bevinden de onderhandelingen zich? Is er zicht op een definitieve overeenkomst tijdens de volgende onderhandelingsronde in Japan in september 2010? Kunt u dat toelichten?
De onderhandelingen bevinden zich in de afrondende fase. Het is onzeker of tijdens de volgende ronde een definitieve overeenkomst kan worden bereikt omdat de deelnemers het op een groot aantal punten nog niet met elkaar eens zijn.
Wat is de inzet van Nederland en van de Europese Unie in de komende onderhandelingsronde? Kunt u dat toelichten?
In de brieven van 15 maart respectievelijk 20 juli jl. hebben de minister van Justitie en ik aangegeven dat de inzet van de EU en NL het bestaande EU-acquis is. Dit standpunt is niet gewijzigd.
Van het acquis zijn met name van belang de Richtlijn 2000/31/EG inzake elektronische handel, richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en het nieuwe EU regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector (Richtlijn 2009/140/EG tot wijziging van diverse richtlijnen inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, het zogenaamde Telecompakket).
Bent u bereid de Europese Commissie te vragen de onderhandelingen over ACTA op te schorten tot een grotere transparantie van het onderhandelingsproces kan worden gegarandeerd?
Het is niet in het belang van de EU en Nederland om de deelname aan de onderhandelingen op te schorten. De overige ACTA-deelnemers zullen de onderhandelingen naar alle waarschijnlijkheid wel voortzetten hetgeen er voor de EU op neerkomt dat zij hieraan niet deelneemt en geen inbreng kan leveren. Ik zal mij echter blijven inzetten voor meer transparantie. De inbreng van de Europese Commissie tijdens de afgelopen ronde in Washington heeft weliswaar niet geresulteerd in de openbaarmaking van de concept-tekst, maar wel in de afspraak tussen partijen de volledige onderhandelingstekst vóór ondertekening openbaar te maken.
Hoeveel mensen en organisaties hebben meegedaan aan de recent afgesloten internetconsultatie met betrekking tot ACTA? Hoe interpreteert u de inhoudelijke resultaten van deze consultatie? Op welke manier worden deze meegenomen in de komende onderhandelingsinzet?
Zoals in eerdere brieven aan de Tweede Kamer is toegezegd heeft van 21 juni tot en met 15 augustus jl. een consultatie met betrekking tot ACTA via www.internetconsultatie.nl plaatsgevonden. Deze consultatie vond plaats op grond van de concept-tekst die na de 8e ronde in Wellington openbaar is gemaakt. Op deze consultatie zijn 65 reacties ontvangen. De reacties worden nu geanalyseerd waarna een verslag hiervan zal worden opgesteld. Dit verslag zal, tezamen met een brief over de voortgang van ACTA, aan de Tweede Kamer worden gestuurd. Na een eerste inventarisatie blijkt het volgende: de reacties zijn ingediend door burgers, organisaties die burgers, organisaties en/of maatschappelijke belangen behartigen (o.a. Consumentenbond, Filmdistributeurs en een NGO) en organisaties/bedrijven die in het bezit zijn van intellectuele eigendomsrechten (Philips, TNO). De reacties zelf zijn divers van aard, maar in grote lijnen kan een voorlopige onderverdeling gemaakt worden in reacties die de openbaarheid/transparantie van ACTA betreffen en reacties die de handhaving op het internet betreffen.
Zal er een nieuwe internetconsultatie worden georganiseerd op basis van meer actuele onderhandelingsteksten? Zal er een internetconsultatie worden georganiseerd als het definitieve onderhandelingsresultaat bekend is geworden?
Omdat nu nog over de tekst onderhandeld wordt en nog niet duidelijk is wat er nog gewijzigd zal worden, kan hier nog geen definitief antwoord op gegeven worden.
Blijft u na de laatste onderhandelingsronde nog bij uw verwachting, zoals geuit in uw brief van 20 juli 20102, dat ACTA niet verder zal gaan dan de huidige EU-richtlijnen en dat ACTA niet zal leiden tot nieuwe strafrechtelijke bepalingen in Nederland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onderhandelingsmandaat voor de Europese Commissie die onderhandelt over het grootste deel van ACTA, bestaat uit het EU-aquis, daarbuiten is de Commissie niet bevoegd. De inzet van Nederland in de onderhandelingen met de Commissie is om te bewaken dat de ACTA-tekst binnen de bestaande EU-regelingen valt. Wat betreft het strafrecht worden de onderhandelingen door het voorzitterschap gevoerd en dat onderhandelt daarover met de lidstaten. Ook daar is de inzet van Nederland niet verder te gaan dat hetgeen reeds in Nederland is geregeld.
Kunt u aangeven hoe u in uw beslissing van 17 november 2009 ten aanzien van het bezwaar inzake het verzoek met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur om openbaarmaking van de teksten van ACTA3 kunt stellen pas na het sluiten van een overeenkomst de eventuele gevolgen van ACTA voor de Nederlandse wetgeving te kunnen beoordelen, terwijl u in uw brief van 20 juli 20102 daarover reeds conclusies trekt ? Kunt u dit verschil toelichten?
Sinds het besluit op het Wob-verzoek in november 2009 hebben vier onderhandelingsrondes plaatsgevonden. Naarmate de concept-onderhandelingstekst een meer definitief karakter krijgt kan beter beoordeeld worden of de inhoud hiervan gevolgen heeft voor de Nederlandse wetgeving. Een definitief oordeel kan echter pas na afloop worden gegeven.
Op welke punten zal het ACTA-verdrag mogelijk nopen tot wijzigingen in de Nederlandse of Europese wet- en regelgeving? Kunt u toelichten op basis waarvan u tot dat oordeel komt?
Gezien de wijze waarop het onderhandelingsmandaat voor de Europese Commissie en het voorzitterschap tot stand komt, verwacht ik niet dat wijzigingen in Europese of Nederlandse wetgeving nodig zijn. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 9.
Klopt de analyse4 dat ACTA ertoe zal kunnen leiden dat internet service providers verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor overtredingen door hun gebruikers en dat zij om dat te voorkomen zullen worden gestimuleerd of verplicht om proactief het gedrag van hun gebruikers te gaan monitoren? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het huidige EU-acquis, dat de grenzen van de onderhandelingsruimte van de Europese Commissie vormt (zie het antwoord op vraag 9), bestaat geen regeling die leidt tot verantwoordelijkheid van internet service providers voor overtredingen door hun gebruikers, noch tot een plicht tot monitoring. De onderhandelingsinzet van de Europese Commissie is er dan ook op gericht om een dergelijke verantwoordelijkheid en monitoringsverplichting niet in ACTA op te nemen.
Is het waar dat ACTA een variant van het Amerikaanse model van «Notice and Take Down» ook in Nederland verplicht zal stellen?5 Is het waar dat dan in principe iedereen een website offline kan laten halen door te stellen dat deze inbreuk maakt op zijn of haar rechten? Is het waar dat providers verplicht zullen worden zonder tussenkomst van de rechter persoonsgegevens van internetgebruikers af te staan aan rechthebbenden, als die daarom verzoeken? Zo ja, deelt u de zorg dat dit een sterk negatief effect kan hebben op de vrijheid van meningsuiting? Kunt u dat toelichten?
Deze onderwerpen kunnen onderdeel zijn van de ACTA-onderhandelingen, nu zij tot het EU-acquis behoren.
Op basis van het huidige EU-acquis kan de rechter een bevel uitvaardigen tegen een provider wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken.6 Ook bestaat de mogelijkheid om voor de rechter te eisen dat de provider een inbreuk beëindigt of voorkomt.7 In geval van twee bijzondere vormen van dienstverlening, de zogenaamde «caching»8 en «hosting»9, dient de dienstverlening bovendien prompt te handelen om de door hem opgeslaten informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken zodra een rechtbank daartoe heeft bevolen. Tot het verstrekken van informatie over internetgebruikers verplicht EU-regelgeving alleen wanneer dit door een rechter is bevolen.10
In Nederland kan dus zowel het afsluiten van een inbreukmakende website als het verstrekken door providers van persoonsgegevens van internetgebruikers momenteel al door de rechter bevolen worden.
In hoeverre gaan de ACTA-onderhandelingen ook over octrooien? Is het waar dat ACTA de handel in generieke medicijnen aan banden kan leggen?
De onderhandelingen over de scope van ACTA zijn nog gaande en daarom kan nog niet gezegd worden op welke intellectuele eigendomsrechten het wel of niet van toepassing zal zijn. Zeker is wel dat de scope per hoofdstuk kan verschillen. Ten aanzien van het hoofdstuk «Douanemaatregelen» zijn de ACTA-deelnemers al overeengekomen dat octrooien geen onderdeel uitmaken van dit hoofdstuk en de doorvoer van generieke medicijnen daardoor niet belemmerd zal worden. Verder is van belang dat de werking van ACTA niet verder reikt dan tussen de daarbij aangesloten landen.
Als u in uw brief van 20 juli 2010 spreekt over «handel in ... illegaal gekopieerde goederen effectief te bestrijden», bedoelt u dan dat ACTA ertoe zal kunnen leiden dat Nederland het downloaden uit illegale bron moet gaan verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit onderwerp wordt niet geraakt door ACTA, omdat ACTA niet over de vraag gaat wanneer er sprake is van een auteursrechtinbreuk. ACTA bevat enkel bepalingen die gaan over de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, zodra er een inbreuk is vastgesteld. Het wordt aan het nationale recht overgelaten te bepalen wanneer er sprake is van een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht.
Kunt u deze vragen uiterlijk een week vóór aanvang van de nieuwe ACTA-onderhandelingen in september aanstaande beantwoorden?
N.v.t.
Aanstaande voorstellen van eurocommissaris Lewandowski voor de invoering van Europese belastingen |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Europese Commissie van plan is de invoering van Europese belastingen door te zetten, zoals blijkt uit suggesties van eurocommissaris Lewandoski?1
De Europese Commissie heeft nog geen officiële plannen gepresenteerd die in de richting van een Europese belasting gaan. Dit najaar zal de Commissie naar verwachting een mededeling uitbrengen over de zogenaamde EU-begrotingsevaluatie, zoals gevraagd door de Europese Raad in december 2005. Hierin zal ook op het systeem van eigen middelen worden ingegaan. De status van de uitlatingen van de Eurocommissaris nu, is dus die van een bijdrage aan de discussie.
Deelt u de mening dat belastingheffing een soevereine bevoegdheid is van de lidstaten en dat de Europese Unie zich moet beperken tot belastingcoördinatie om belastingconcurrentie tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ziet u kans om met gelijkgestemde lidstaten alsnog de Europese Commissie te bewegen af te zien van deze voorstellen?
Belastingheffing is een soevereine bevoegdheid van de lidstaten van de Europese Unie. Deze bevoegdheid is overigens wel ingeperkt door de verdragen, bijvoorbeeld op het gebied van coördinatie. De Europese Commissie heeft – binnen de grenzen van de verdragen – het recht tot initiatief. Lidstaten kunnen de Commissie dus niet laten afzien van het doen van bepaalde voorstellen.
Deelt u het oordeel dat invoering van Europese belastingen een Europese belastingdienst noodzakelijk zou maken, hetgeen vooral extra bureaucratische en administratieve lasten met zich mee zou brengen? Zo ja, bent u bereid dit praktische aspect bij de Europese Commissie en andere lidstaten voor het voetlicht te brengen om zo het hoge symbolische karakter van deze voorstellen te ontmaskeren?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u melden op welke wijze u hebt geprobeerd om de Europese Commissie te weerhouden van voorstellen voor Europese belastingen aangezien u bij het bespreken van de aangenomen motie-Van Bommel over sms-belasting2 stelde tegen Europese belastingen te zijn?
In april 2008 heeft Nederland in zijn reactie op de Commissieconsultatie aangaande de EU-begrotingsevaluatie gesteld dat het gebruik van het BNI-middel als enige financieringsbron voor de Europese begroting te prefereren valt. Zo dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten (verticale billijkheid) en dragen lidstaten met relatief dezelfde welvaart hetzelfde af aan Europa (horizontale billijkheid). In de onderhavige Nederlandse stellingname wordt derhalve gesteld dat de invoering van een Eurotax voor Nederland geen optie is. Dit Nederlandse standpunt is onverminderd van kracht en wordt in alle relevante gremia in Brussel uitgedragen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er ook in de toekomst voorstellen van de Europese Commissie tot de invoering van Europese belastingen blijven komen?
Zie antwoord vraag 4.