Het bericht 'Man koopt auto van Defensie en vindt nepbom' |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man koopt auto van Defensie en vindt nepbom»?1
Ja.
Klopt het dat er een nep-explosief in een auto gevonden is die voorheen in het bezit was van Defensie?
Er is inderdaad een voorwerp gevonden dat lijkt op een nep-explosief. De Koninklijke Marechaussee onderzoekt hoe en wanneer het voorwerp in de auto is geplaatst.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk, onacceptabel en zeer slordig is dat er een nep-explosief in een voormalige Defensie-auto is blijven liggen toen deze verkocht werd, waardoor na de vondst hiervan de politie en EOD ingeschakeld moesten worden en zeker tien huizen ontruimd werden?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er nog meer auto's, waar mogelijk een nep-explosief in ligt, door Defensie verkocht? Indien u dit niet weet, kan dit direct onderzocht worden zodat eventuele autokopers de schrik van hun leven bespaard blijven en er geen huizen ontruimd hoeven te worden, noch een politie- en EOD-circus op touw gezet hoeft te worden, zoals vandaag in Geldrop? Zo nee, waarom niet?
Overtollige roerende zaken worden overgedragen aan de Domeinen Roerende Zaken in Apeldoorn van het Ministerie van Financiën. Materieel dat niet specifiek is ontwikkeld voor militaire doeleinden, zoals het type voertuig waarin een vermeend nep-explosief is gevonden, wordt vervolgens door de Domeinen Roerende Zaken openbaar verkocht. Voordat Defensie voertuigen overdraagt, worden deze ontdaan van defensieartikelen die geen deel uitmaken van het uitrustingspakket van het voertuig.
Kunt u ervoor zorgen dat er in de toekomst geen nep en/of echte explosieven door Defensie achtergelaten worden in auto's die zij verkopen? Zo nee, waarom niet.
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat vluchtelingen worden mishandeld langs en binnen de grenzen van de Europese Unie |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport A dangerous «game» – The pushbacks of migrants, including refugees, at Europe’s borders van Oxfam Novib?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat er langs en binnen de grenzen van de Europese Unie een zorgwekkend patroon is ontstaan van mishandeling en zelfs marteling van vluchtelingen en andere migranten door politiebeambten, grensbewakers en andere ambtenaren?
Het kabinet veroordeelt iedere vorm van geweld tegen vluchtelingen. In Europese regelgeving, inclusief de Schengengrenscode, staan duidelijke richtlijnen hoe om te gaan met vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken. Het EU-acquis, in het bijzonder de Procedurerichtlijn, is ook duidelijk wat betreft het bieden van de mogelijkheid om internationale bescherming aan te vragen en de garantie dat asielaanvragen individueel worden behandeld. Het kabinet benadrukt dit in de verschillende Europese overleggen en spreekt betrokken lidstaten daar op aan. Het is primair aan de Europese Commissie om toe te zien op de toepassing van het EU-acquis. De Commissie doet dit, getuige de verschillende procedures die de Commissie op dit gebied tegen Hongarije heeft gestart en die hebben geleid tot zaken voor het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien de Commissie naar aanleiding van dit soort berichten aanleiding ziet om deze landen hierop aan te spreken, verwacht het kabinet van de Commissie dat zij dit zal doen.
Bent u op de hoogte van de uitspraken van EU-voorzitter Tusk dat het sluiten van de Westelijke Balkanroute een succes is gebleken en dat onder andere de «uitstekende wijze» waarop Bulgarije de grensbewaking heeft ingericht een voorbeeld is voor andere landen?2 Hoe rijmt u deze uitspraken met het rapport van Oxfam Novib?
Ja. Het feit dat Bulgarije de grens goed bewaakt, sluit niet uit dat er in incidentele gevallen sprake kan zijn van een onbehoorlijke behandeling van migranten die zich niet via de officiële grensposten als asielzoeker melden, maar illegaal de Bulgaarse grens oversteken met als doel verder te reizen. Meldingen van mishandeling worden regelmatig buiten Bulgarije gerapporteerd, ook in eerdere OxfamNovib-rapporten. Echter, klachten hierover worden volgens de Bulgaarse regering niet in Bulgarije zelf gemeld bij de daartoe bevoegde instanties. Het is daardoor volgens de Bulgaarse autoriteiten lastig aan te geven om hoeveel incidenten het gaat en maatregelen te nemen. Er is het kabinet geen informatie bekend dat gevallen van mishandeling voortkomen uit het Bulgaarse overheidsbeleid.
Als EU-lidstaat is Bulgarije gehouden aan de toepassing van het EU-acquis, en naar indruk van het kabinet nemen de Bulgaarse (grens)autoriteiten effectieve maatregelen om illegale migratie via gezamenlijke buitengrenzen tegen te gaan. Zij worden hierbij geholpen door Europese agentschappen zoals Frontex. Zowel de nationale grenswachters van Bulgarije als personeel dat onder de vlag van Frontex wordt ingezet, zijn gebonden aan regels betreffende bescherming van fundamentele rechten zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Bent u bereid om via de Europese Unie de EU-lidstaten Kroatië, Hongarije en Bulgarije aan te spreken op hun verplichtingen om de rechten van vluchtelingen en andere migranten te respecteren, waaronder het recht op een individuele behandeling van hun asielaanvraag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze landen ook aan te spreken op het wangedrag van politie, grensbewakers en andere ambtenaren ten aanzien van vluchtelingen en andere migranten, en deze landen aan te sporen diegenen te berechten die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven tegen vluchtelingen en andere migranten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om via de Europese Unie politieke druk uit te oefenen op Servië en Macedonië, en om een humane en mensenrechtelijke behandeling van vluchtelingen en andere migranten onderdeel uit te laten maken van gesprekken over mogelijke toetreding van niet-EU landen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aan uw Kamer geschreven3, biedt de EU Servië en Macedonië als kandidaat-lidstaten de nodige ondersteuning op migratieterrein in het kader van het toetredingsproces. Via o.a. het instrument voor pretoetredingssteun zijn verschillende projecten gestart en uitgevoerd om de asiel- en migratiewetgeving in lijn te brengen met het EU-acquis. Via een (lopend) twinningproject adviseert Nederland de Servische migratieautoriteiten.
Deelt u de mening dat de EU meer en betere veilige en reguliere routes om asiel aan te vragen moet garanderen, onder andere via een ruimhartiger uitnodigingsbeleid voor kwetsbare vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich Europees en internationaal in voor een betere verdeling van verantwoordelijkheid met betrekking tot de opvang van vluchtelingen. Het kabinet meent dat vluchtelingen in de eerste plaats gebaat zijn om zo dicht mogelijk bij huis, in de regio van herkomst, te worden opgevangen. Daarom spant het kabinet zich in voor het verbeteren van de opvang in de regio en het bieden van steun aan gastgemeenschappen. Ook biedt de EU grootschalige financiële steun. Daarnaast dient het instrument van hervestiging ertoe de meest kwetsbare vluchtelingen uit de regio’s van eerste opvang (bijv. Turkije, Libanon, maar ook elders in de wereld een duurzame oplossing te bieden. Hiermee wordt de druk op de gastgemeenschappen verlicht. In de visie van het kabinet moet dit, samen met investeren in opvang in de regio, het aanpakken van grondoorzaken en de bestrijding van mensensmokkel, leiden tot een vermindering van gevaarlijke overtochten naar Europa, inclusief doorreis via de Westelijke Balkan.
Het kabinet is het met u eens dat een verdere en bredere inzet op hervestiging in EU-verband van belang is voor een betere, meer eerlijke verdeling van verantwoordelijkheid. Daarom steunt het kabinet ook het voorstel van Europese Commissie te komen tot een EU-hervestigingskader.4 Het blijft echter aan de lidstaten te bepalen hoeveel mensen zij via hervestiging toelaten. Het kabinet hamert met regelmaat op het belang van hervestiging en roept EU-lidstaten en andere landen op meer gebruik te maken van dit instrument. Uit de voortgangsrapportages van de Europese Commissie blijkt dat een toenemend aantal lidstaten meewerkt aan hervestiging.
Wapenexport naar landen die betrokken zijn bij de oorlog in Jemen |
|
Renske Leijten (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Stop steun aan wapenleveringen door Airbus»?1
Ja.
Deelt u de vrees dat de export van militair materieel aan de marines van Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten bij kan dragen aan verder humanitair leed in Jemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt uw zorgen over de ernstige humanitaire situatie in Jemen. Deze wordt mede veroorzaakt door de aanhoudende grondgevechten en bombardementen vanuit de lucht, alsmede de beschadigingen aan de infrastructuur. Alle partijen in het conflict zijn daarbij betrokken, waaronder ook de door Saoedi-Arabië geleide coalitie, waarvan Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten deel uitmaken. De marines van deze landen zijn echter niet betrokken bij de strijd op de grond en in de lucht. Zij spelen een belangrijke rol bij de handhaving van het wapenembargo tegen de Houthi-rebellen (VN-Veiligheidsraad resolutie 2216 van 14 april 2015). Dit embargo is van groot belang om te voorkomen dat nog meer wapens in de handen van Houthi-rebellen komen, wat een verdere verslechtering van de humanitaire situatie tot gevolg zou kunnen hebben.
Bent u bereid in het vervolg niet langer toestemming te verlenen voor de export van militair materieel aan de marines van Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten (en andere landen van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië)? Zo nee, waarom niet?
Indachtig de motie Servaes van 8 maart 2016 wijst het kabinet alle aanvragen af voor de uitvoer van militaire goederen naar landen, die actief zijn in de door Saoedi-Arabië geleide coalitie, wanneer er een risico bestaat dat deze goederen gebruikt worden bij de gevechtshandelingen op de grond of in het luchtruim van Jemen. Hiermee is het wapenexportbeleid van Nederland één van de striktste van alle EU-lidstaten.
Het kabinet is geen voorstander van een (de facto) unilateraal wapenembargo. Exportcontrole is geen sanctiebeleid, maar maatwerk. Een nationaal wapenembargo is daarnaast weinig effectief omdat Nederland slechts een kleine speler is. In het bijzonder onder de EU-lidstaten die een veel grotere rol spelen, is er geen draagvlak voor een exportstop. Met de notificatie van afwijzingen, denials, oefent Nederland echter wel invloed uit, omdat de EU-lidstaten verplicht zijn deze te bestuderen als zij vergelijkbare vergunningaanvragen ontvangen. Indachtig de motie Ten Broeke van 30 maart jl. heeft Nederland zich er voorts met succes hard voor gemaakt dat de strikte toepassing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport werd opgenomen in de conclusies van de bijeenkomst van EU-ministers van Buitenlandse Zaken van 3 april jl.
Hanteert Nederland het restrictieve wapenexportbeleid dat nu geldt voor Saudi-Arabië ook voor de andere landen die onder leiding van deze Golfstaat betrokken zijn bij de strijd in Jemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven voor hoeveel miljarden euro’s aan militair materieel door Airbus is verkocht aan de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië sinds ruim twee jaar geleden de gewapende strijd in Jemen escaleerde?
Het kabinet beschikt niet over dergelijke gegevens, aangezien bedrijven geen verplichting hebben om aan de Nederlandse overheid bekend te maken hoeveel zij (al dan niet vanuit Nederland) verkopen aan een bepaald land. Wel hebben bedrijven de verplichting een vergunning aan te vragen voor de export, wanneer deze vanuit Nederland plaatsvindt, dan wel een vergunning aan te vragen voor tussenhandel, wanneer de goederen niet vanuit Nederland worden uitgevoerd en er wel een Nederlandse partij betrokken is.
Deelt u de vrees dat door Airbus verkocht materieel direct of indirect wordt ingezet door coalitielanden in de strijd om en blokkade tegen Jemen? Zo nee, waarom niet? Kan gesteld worden dat EU-exportcriteria niet goed worden nageleefd?
Het al dan niet afgeven van exportvergunningen voor militaire goederen is een nationale competentie. In de EU Raadswerkgroep COARM wordt, mede op verzoek van Nederland, wel gesproken over het wapenexportbeleid in brede zin ten aanzien van landen die betrokken zijn bij de strijd in Jemen. De inhoud van deze besprekingen is strikt vertrouwelijk, maar in het algemeen kan worden gesteld dat er meerdere EU-lidstaten zijn voor wie het zwaarder weegt dat voorgenoemde landen ook belangrijke militair-strategische partners in de regio zijn. Desalniettemin heeft het kabinet de EU-lidstaten herhaaldelijk in EU Raadskader opgeroepen om, in het licht van het conflict in Jemen te voeren, een strikt wapenexportbeleid te voeren.
De individuele afwegingen die EU-lidstaten hier maken worden echter niet Europees gedeeld. Het kabinet kan over individuele vergunningafgifte van andere landen dus geen uitspraak over doen.
Kunt u bevestigen dat het hoofdkantoor van Airbus gevestigd is in Nederland vanwege het gunstige belastingklimaat? Wat vindt u hiervan?
In het algemeen kan gezegd worden dat bij de keuze voor een vestiging van een (grote) onderneming in een bepaald land verschillende factoren een rol spelen. Zo spelen factoren als de goede strategische ligging, de goede logistieke en technologische infrastructuur, een goede innovatieomgeving, de open internationaal georiënteerde maatschappij, de hoogopgeleide beroepsbevolking en een hoge levensstandaard een rol. Het belastingklimaat is ook een van de relevante vestigingsplaatsfactoren. Welke factor bij Airbus de doorslag heeft gegeven is voor het kabinet niet na te gaan.
Is er een ruling afgegeven aan Airbus? Indien u niet op deze vraag in kunt gaan, deelt u dan de opvatting dat deze geheimhouding de controlerende taak van het parlement hindert, bijvoorbeeld als het gaat om de naleving van de Europese belastingafspraken door het kabinet?
Uw Kamer heeft op grond van artikel 68 van de Grondwet recht op inlichtingen. Op basis hiervan kan het parlement zijn controlerende taak uitoefenen. Op grond van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR kan echter geen informatie over individuele belastingplichtigen worden verstrekt. In het algemeen kan hierover gezegd worden dat de Belastingdienst alleen aanslagen oplegt conform de Nederlandse wet- en regelgeving, en geen bevoegdheden heeft om buiten de wet- en regelgeving om tot afspraken te komen. Of zekerheid vooraf wordt gegeven in een ruling, of achteraf door middel van een aanslag, maakt geen verschil voor de belastingafdracht.
Kunt u een overzicht geven van de pensioenfondsen en banken die geïnvesteerd hebben in Airbus? Bent u bereid om deze financiële instellingen hierop aan te spreken, mede in het kader van het bankenconvenant? Zo nee, waarom niet?
Er is geen overzicht van welke banken en/of pensioenfondsen hebben geïnvesteerd in Airbus. Financiële instellingen bepalen zelf in welke bedrijven zij investeren, met in achtneming van wet- en regelgeving.
Dat neemt niet weg, dat banken en pensioenfondsen worden aangesproken op hun IMVO-beleid en due diligence als blijkt dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs) niet of onvoldoende naleven, door de overheid en het maatschappelijk middenveld. De overheid verwacht dat zij conform OESO-richtlijnen en UNGPs een gedegen afweging maken als zij investeren in een bedrijf of project en daarbij het risico op (eventuele) negatieve effecten van deze investering op mens en milieu meenemen. Bij de banken gebeurt dit op mensenrechten specifiek binnen de context van het IMVO-convenant. De pensioensector heeft op dit moment nog geen convenant, maar heeft in maart jongstleden aangekondigd richting een IMVO-convenant te willen gaan. Hieraan voorafgaand hebben diverse gesprekken plaatsgevonden met de pensioensector over de OESO-richtlijnen en de UNGPs.
Bent u bereid om te stoppen met het (fiscaal) faciliteren van Airbus en soortgelijke bedrijven die middels hun investeringen de mensenrechten ondermijnen en steun verlenen aan illegale oorlogshandelingen? Zo nee, waarom niet?
Bij toepassing van het fiscale recht wordt in beginsel geen rekening gehouden met de aard van de activiteiten van de onderneming. Voor Airbus en alle andere belastingplichtigen zijn de algemeen geldende wet-, regelgeving, beleid en jurisprudentie van toepassing. Er gelden geen afwijkende regels binnen het fiscale recht voor individuele belastingplichtigen.
Het is aan bedrijven zelf om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken. In het kader van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven dat zij onder eigen verantwoordelijkheid, met inachtneming van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen, tot een afgewogen besluit komen waarover zij bereid zijn publiekelijk verantwoording af te leggen. Uiteraard spreekt de overheid bedrijven er waar mogelijk op aan wanneer hun handelwijzen zich slecht verhouden tot de Nederlandse beleidsuitgangspunten. Van Airbus is bekend dat het de OESO Richtlijnen onderschrijft.
Voor bedrijven die aanspraak willen maken op het bedrijfsleven instrumentarium stelt het kabinet als randvoorwaarde dat zij de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen naleven, waarin de verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren is opgenomen.
Het bericht dat de Turkse AK-partij weer een ronselbrief aan Nederlanders met een Turkse achtergrond heeft gestuurd |
|
Sven Koopmans (VVD), Han ten Broeke (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Turkse AK-partij stuurt weer brief aan Turkse Nederlanders»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een grote groep Nederlanders met een Turkse achtergrond, ditmaal in het kader van het referendum, wederom een brief heeft ontvangen van de Turkse AK-partij, ondertekend door de Turkse Minister-President?
Sommige Turkse Nederlanders hebben inderdaad een brief ontvangen over het referendum in Turkije. Deze brief is ondertekend door de Turkse premier en voorzitter van de AK-partij Yildirim.
Is bekend of de AK-partij gebruik heeft gemaakt van hetzelfde adressenbestand als in 2015? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, in het licht van de commotie die destijds ontstond? Zo neen, hoe is de Turkse AK-partij aan dit mogelijk nieuwe adressenbestand gekomen? Met welke maatregelen beoogt u de ontstane zorgen van Nederlanders, al dan niet met een Turkse achtergrond, over een mogelijke aantasting van hun privacy weg te nemen?
Het is niet bekend of de AK-partij gebruik heeft gemaakt van hetzelfde adressenbestand als in 2015. In 2015 bleek uit oriënterend onderzoek van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) wel dat politieke partijen in Turkije op grond van Turks recht tegen betaling lijsten van kiesgerechtigden met hun adressen kunnen krijgen. Dat is nog immer het geval. Het kabinet heeft er desondanks begrip voor dat sommige ontvangers deze brief als ongewenste bemoeienis ervaren.
Is al bekend wie de brief heeft verstuurd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat deze brief in strijd is met Turkse wetgeving, die campagnevoeren in het buitenland verbiedt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de Turkse autoriteiten wederom aan te spreken op het schrijven en mogelijk verzenden van deze ronselbrief?
Hoewel de brief geen eenduidig stemadvies bevat, blijft het kabinet het ongewenst vinden dat vertegenwoordigers van de Turkse regering politiek campagne voeren in Nederland, ook per brief. Daar is het kabinet steeds helder over geweest in de communicatie richting de Turkse autoriteiten.
De gedwongen sluiting van de Central European University in Hongarije |
|
Johannes Sibinga Mulder |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Klopt het bericht dat in Hongarije een wet is aangenomen die de facto leidt tot de gedwongen sluiting van de Central European University in Hongarije? Klopt het dat er tevens een wet is aangenomen die de vrijheid van non-gouvernementele organisaties ernstig inperkt?1
Op 4 april jl. zijn amendementen op de Wet op Hoger Onderwijs door het Hongaarse parlement goedgekeurd. De hiermee aangepaste Wet op het Hoger Onderwijs legt nieuwe regels op aan buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs die actief zijn in Hongarije. Naast de genoemde Central European University (CEU), raakt de wet nog 27 andere buitenlandse instellingen. Naar eigen zeggen kan de CEU niet, althans niet binnen de gestelde termijn, voldoen aan de nieuwe vereisten, waaronder het openen van een campus in de Verenigde Staten. Dit kan na 1 januari 2018 leiden tot intrekking van de accreditatie van de universiteit door de Hongaarse overheid.
Op 21 april jl. heeft de linkse oppositie in het Hongaarse parlement – met steun van een rechtse oppositiepartij – de wet ter toetsing voorgelegd aan het Constitutioneel Hof. Nog niet duidelijk is hoe en wanneer het Hof zal oordelen over de constitutionaliteit van de wet, omdat ze niet gebonden is aan een termijn. In afwachting van een oordeel van het Constitutioneel Hof in Hongarije kan het kabinet nog geen uitspraken doen over de situatie waarin de CEU of één van de andere buitenlandse onderwijsinstellingen verkeert.
Op 7 april jl. legden parlementariërs van de regeringspartij wetswijzigingen met betrekking tot de wet op non-gouvernementele organisaties (ngo’s) voor aan het parlement. Deze wetswijzigingen zijn nog niet goedgekeurd. De voorgestelde wetgeving zou ngo’s die op jaarbasis meer dan 7.200.000 HUF (rond de 23.000 euro) uit het buitenland ontvangen, dwingen om zich als zodanig te registreren en te identificeren in al hun publicaties. Ook zouden ze jaarlijks aan de Hongaarse autoriteiten dienen te rapporteren over de grootte en de herkomst van de buitenlandse financiering. Bij eventuele goedkeuring zou het Hongaarse OM toezien op de naleving van de wet, waarin ook diverse sanctiemechanismes zijn opgenomen, waaronder het intrekken van de vergunning voor de ngo om in Hongarije te opereren.
Hoe beoordeelt u de wetsvoorstellen? Deelt u de verontwaardiging, onder andere verkondigd door de Duitse president Steinmeier, die de inbreuk op de vrijheid van het maatschappelijk middenveld en van de wetenschap reeds heeft veroordeeld?2
Het Kabinet heeft met zorg kennisgenomen van berichten over aanpassingen van de Wet op het Hoger Onderwijs en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Central European University. Academische vrijheid en een goede kwaliteit van onderwijs zijn pilaren van een vrije democratische maatschappij. Om die reden heb ik al op 5 april jl. om opheldering van Hongarije gevraagd over de wet. Tijdens een bijeenkomst op 7 april jl. op het Hongaarse Ministerie van Buitenlandse Zaken onderstreepte de Nederlandse ambassadeur in Boedapest het belang van gemeenschappelijke waarden en solidariteit binnen de EU en sprak hij zorgen uit over de mogelijke gevolgen van de wet op het Hoger Onderwijs in Hongarije.
Het kabinet is bezorgd over de eventuele gevolgen voor ngo’s indien het wetsvoorstel dat zich richt op buitenlandse financiering van deze organisaties, zou worden aangenomen. Hoewel er in het algemeen legitieme publieke redenen kunnen zijn voor het stellen van transparantie-eisen op het gebied van financiering, moeten maatregelen proportioneel zijn en non-discriminatoir. Volgens het Hungarian Helsinki Committee en de Hungarian Civil Liberties Union3 schiet het Hongaarse wetsvoorstel juist op die punten tekort en leidt het voorstel naast excessieve administratieve en financiële druk ook tot stigmatisering.
Bent u bereid Hongarije in bilateraal en in EU-verband op deze wetten aan te spreken? Ziet u tevens kans om de Europese Commissie zich in te laten spannen voor het beschermen van de vrijheid van maatschappelijke organisaties en de wetenschap in Hongarije?
De Europese Commissie heeft, bij monde van zowel Eurocommissaris Navracsis voor Onderwijs als Eurocommissaris Moedas voor Onderzoek, Wetenschap en Innovatie, haar zorgen uitgesproken over de ontwikkelingen in Hongarije. De Hongaarse regering wordt opgeroepen om geen beslissingen te nemen die de wetenschappelijke en academische vrijheden beperken. Op 26 april jl. kondigde de Europese Commissie de start aan van een inbreukprocedure tegen Hongarije vanwege de nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs. Volgens de Europese Commissie is de wet in strijd met de academische vrijheden en onverenigbaar met vrijheden die samenhangen met de interne markt. Hongarije heeft een maand de tijd om op de inwerkingstelling van de inbreukprocedure te reageren. Het kabinet steunt de Europese Commissie die er op toeziet dat lidstaten zich aan Europese regelgeving houden en als het gaat om het waarborgen van gedeelde waarden, en zal vervolgstappen nauwlettend in de gaten houden. Ook het verdere verloop van de behandeling van het wetsvoorstel over buitenlandse financiering van non-gouvernementele organisaties in Hongarije zal het kabinet op de voet blijven volgen.
De roofmoord op een Nederlander in Zuid-Afrika |
|
Raymond de Roon (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat een 55-jarige Nederlander op zijn boerenerf in Zuid Afrika is beroofd en vervolgens bruut vermoord?1
Ja.
Kunt u een verklaring geven voor het feit dat het aantal «plaasmoorde» de laatste tijd flink is gestegen?
Het kabinet kan wegens het ontbreken van eenduidige officiële cijfers niet bevestigen dat er sprake is van een toename van het aantal moorden op boerderijen in Zuid-Afrika. Zuid-Afrikaans overheidsonderzoek biedt echter wel een verklaring voor deze moorden. Bij roofovervallen op boerderijen wordt vaak grof geweld gebruikt, regelmatig met de dood tot gevolg. Soms spelen andere motieven dan roof een rol, zoals verstoorde werkrelaties. Daarnaast geldt in algemene zin dat boeren een kwetsbare groep vormen door de vaak geïsoleerde ligging van boerderijen. Hierdoor is weinig steun of bescherming in de buurt en duurt het relatief lang voordat de veiligheidsdiensten ter plaatse zijn.
In hoeveel procent van de gevallen leiden de gruwelijke moorden, op veelal blanke boeren, daadwerkelijk tot een veroordeling?
Officiële cijfers van overheidsinstanties hierover zijn moeilijk te achterhalen omdat de Zuid Afrikaanse overheid moorden op (blanke) boeren niet separaat registreert en onderscheidt van andere moorden. Wel doen maatschappelijke organisaties onderzoek. Zo heeft bijvoorbeeld «AfriForum» tijdens het United Nations Forum for Minority Issues in november 2015 een rapport aangeboden aan de Verenigde Naties. Dit rapport beschrijft dat na moorden op Zuid-Afrikaanse boeren slechts een beperkt aantal verdachten wordt gearresteerd en een nog kleiner aantal veroordeeld. Bij de 40 moordzaken die «AfriForum» heeft onderzocht, waren in totaal 150 verdachten betrokken. Hiervan is uiteindelijk 39 procent aangeklaagd en is 23 procent schuldig bevonden en veroordeeld.2
Bent u bereid het politieonderzoek op de voet te volgen en ervoor te zorgen dat het onderzoekdossier niet naar Afrikaans gebruik onder een dikke laag stof verdwijnt?
De Nederlandse Ambassade in Pretoria staat in contact met de politie van Barberton, het Zuid-Afrikaanse politiekorps dat de moord onderzoekt. Tevens heb ik dit aan de orde gesteld tijdens mijn bezoek aan Zuid-Afrika. Ook staat de Nederlandse politie in contact met de Zuid-Afrikaanse politie om gericht en vanuit een professionele en deskundige achtergrond de zaak te kunnen begeleiden en te volgen. Zowel de ambassade als de Nederlandse politie blijven dit onderzoek op de voet volgen.
Op welke wijze gaat u de druk opvoeren bij de Zuid-Afrikaanse regering om de Nederlandse boerengemeenschap in Zuid-Afrika te behoeden voor nog meer bloedvergieten?
De Zuid-Afrikaanse overheid neemt zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid en voor het (preventief) bestrijden van misdaad serieus. De Nederlandse ambassade in Pretoria onderhoudt contacten met de relevante Zuid-Afrikaanse autoriteiten en bovendien is sprake van goede samenwerking met de Zuid-Afrikaanse politie op het gebied van misdaadbestrijding. Wanneer nodig, worden zorgen over openbare orde en veiligheid in het kader van die samenwerking aan de orde gesteld en geadresseerd. Daarnaast is de mensenrechtensituatie in Zuid-Afrika, inclusief misdaadbestrijding, vast onderwerp van gesprek tijdens de jaarlijkse EU-Zuid-Afrika mensenrechtendialoog.
Deelt u de mening dat Zuid-Afrika niet alleen economisch maar qua goed bestuur steeds verder wegzakt door jaren van ANC-bewind?
Het kabinet constateert dat Zuid-Afrika sinds de eerste democratische verkiezingen van 1994 enorme stappen voorwaarts heeft gemaakt naar een minder ongelijke samenleving. Het heeft een progressieve Grondwet, sterke instellingen, zoals onafhankelijke rechtspraak en pers, en een goed ontwikkelde en diverse economie. Tegelijk kent Zuid-Afrika serieuze uitdagingen op economisch, sociaal en bestuurlijk terrein. Ik heb tijdens mijn gesprek op 11 april met de Minister van Buitenlandse Zaken Nkoana-Mashabane de hoop en verwachting uitgesproken dat Zuid-Afrika die uitdagingen te boven zal komen, gebruikmakend van de kracht van bestaande instituties en met respect voor de rechtsstaat.
Het bericht dat de Europese Unie geld heeft gestoken in een Tsjechisch bordeel |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bordeel betaald door de EU»?1
Ja.
Deel u de mening dat dit soort uitgaven door Brussel eens te meer het failliet van de Europese Unie aantoont?
Nee.
Is het waar dat dit niet de eerste keer is dat de EU geld steekt in ondoorzichtige Oost-Europese projecten? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel belastinggeld met soortgelijke ondoorzichtige praktijken gemoeid is, uit welk potje dat geld komt en welke instanties in welke steden hierbij betrokken zijn?
Alle projecten die financiering krijgen uit Europese structuurfondsgelden worden onderworpen aan nationale en Europese controles om doelmatige en rechtmatige besteding van middelen te waarborgen. In dit geval is door dit controlesysteem aan het licht gekomen dat er sprake is van ongewenste besteding. Afhankelijk van de fout wordt bepaald welke maatregel of maatregelen getroffen worden. In dit geval betreft dit het terugvorderen van de middelen bij de begunstigde, hetgeen volgens de Tsjechische autoriteiten inmiddels is gebeurd.
Staat u nog steeds achter de hernieuwing van de trouwgelofte aan de EU na dit soort financiële uitspattingen met Nederlands belastinggeld?
Het kabinet staat achter de Verklaring van Rome, die op 25 maart door de Europese regeringsleiders is ondertekend. Het is in het belang van Nederland en van Nederlandse burgers om ons samen met de andere EU-lidstaten in te blijven zetten voor onder meer groei en banen, interne en externe veiligheid en een sociaal rechtvaardige EU.
Bent u bereid om de Nederlandse bijdrage te verlagen naar nul? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet ziet geen reden voor Nederland om zich aan zijn verdragsrechtelijke verplichtingen te onttrekken.
Een mogelijke Libiëdeal |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat er wordt gewerkt aan een zogenaamde «Libiëdeal», vergelijkbaar met de Turkijedeal? Hoe oordelen de verschillende EU-lidstaten hierover?1
Vanuit de Europese Unie wordt de samenwerking met Libië geïntensiveerd om de migratiestromen via de centrale Middellandse Zeeroute beter te beheersen, het cynische verdienmodel van mensensmokkelaars te doorbreken en om levens te redden.
Het is evident dat de situatie in Libië complex is. Zoals onder andere ook in de algemene overleggen met uw Kamer ter voorbereiding van de JBZ- en RBZ-raden is gewisseld, is er dan ook geen sprake van een «deal» naar voorbeeld van de EU-Turkije Verklaring.
De samenwerking met Libië maakt onderdeel uit van een alomvattende aanpak die bestaat uit verschillende activiteiten en inspanningen langs de gehele migratieroute: in de herkomstlanden, transitlanden en de Noord-Afrikaanse landen van vertrek richting Europa. De Europese Commissie en EU-lidstaten werken hier nauw in samen met UNHCR en IOM. Een belangrijk onderdeel van deze Europese aanpak is het verbeteren van de situatie van migranten in Libië en het bevorderen van de vrijwillige terugkeer vanuit Libië naar herkomstlanden. Het kabinet is al langer van mening dat de migratiesamenwerking met Noord-Afrikaanse landen, inclusief Libië, moet worden versterkt.
Voor een appreciatie van deze samenwerking en de verwachtingen van het kabinet verwijs ik u kortheidshalve naar het BNC-fiche naar aanleiding van de Commissiemededeling inzake migratie langs de centrale Middellandse Zeeroute2 en de geannoteerde agenda en het verslag van de informele Europese Raad van 3 februari jl.3
Welke zaken zijn voor u zwaarwegend om een dergelijke deal te laten slagen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe reëel acht u de kans dat Libië op korte termijn zaken dusdanig op orde krijgt waardoor een deal met dit compleet verdeelde land uitvoerbaar zou worden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is tot dusverre het Europese geld dat ter beschikking is gesteld voor de Libische kustwacht besteedt en bij wie is dit terechtgekomen?
De Europese steun aan de Libische kustwacht heeft tot nu toe bestaan uit trainingen en activiteiten gericht op capaciteitsopbouw, door EUNAVFOR MED Sophia, IOM en individuele lidstaten waaronder Italië. Nederland heeft in 2016 een substantiële bijdrage geleverd aan EUNAVFOR MED Sophia met de inzet van Zr. Ms. Rotterdam.
Wat is uw reactie op de meldingen van mishandeling en beschietingen van vluchtelingen door medewerkers van de Libische kustwacht? Welke stappen gaat u ondernemen om dit te verifiëren en wat moet volgens u de consequentie hiervan zijn?
Het kabinet deelt uw zorgen over dergelijke berichten. In de verschillende Europese overleggen over de Europese aanpak van de migratiestromen benadrukt het kabinet telkens weer de noodzaak dat alle activiteiten en inspanningen, zowel vanuit de Europese Unie als aanvullende bilaterale inspanningen, in overeenstemming moeten zijn met geldende verdragen en mensenrechten. In de verschillende contacten van zowel de Europese Commissie als die van individuele lidstaten, wordt ook op politiek niveau bij de Libische autoriteiten hierop aangedrongen. Door de complexe situatie in Libië is het echter niet altijd mogelijk om dergelijke signalen adequaat te verifiëren. Tijdens de training van de Libische kustwacht door EUNAVFOR MED Sophia en andere internationale actoren wordt expliciet aandacht besteed aan respect voor mensenrechten, onder andere bij reddingsoperaties.
Wie houdt er controle en toezicht op de besteding van dit Europese geld, hoe wordt gegarandeerd dat dit geld niet in handen komt van lokale milities die mensenrechten schenden?
In het algemeen geldt dat de besteding van Europese fondsen gehouden is aan duidelijke voorwaarden. Ook moeten organisaties, zowel overheden als (internationale) non-gouvernementele organisaties, die met deze fondsen activiteiten uitvoeren in detail aan de Europese Commissie rapporteren over het gebruik van deze fondsen. Dit geldt ook voor de projecten die in Libië worden uitgevoerd via bijvoorbeeld het EU noodtrustfonds voor Afrika (EUTF).4 In dit geval wordt met name samengewerkt met betrouwbare organisaties als nationale ontwikkelingssamenwerkingsagentschappen, zoals GIZ (Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit) en internationale organisaties als IOM en UNHCR. Gelet op de complexe situatie in Libië dringen lidstaten, waaronder ook Nederland, er bij de Europese Commissie op aan om extra alert te zijn met welke partijen wordt samengewerkt en dat goede monitoring wordt gegarandeerd.
Wie kan besluiten over het al dan niet stopzetten of terugvorderen van dit Europese geld? Op welk moment zou dit volgens u gedaan moeten worden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoort het verbeteren van de slechte omstandigheden in de opvangcentra bij een eventueel te sluiten Libiëdeal? Zo ja, op welke manier gaat u Libië hierbij helpen? Zo nee, op welke manier is het in lijn met het Vluchtelingenverdrag om mensen naar een land terug te sturen waar hen een onmenselijke behandeling te wachten staat?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 1 tot en met 3 is geen sprake van een deal met Libië. Ook stuurt de EU geen migranten terug naar Libië. Wel is sprake van uitbreiding van een aantal door de EU ondersteunde programma’s in het land. De inzet van de EU is erop gericht om samen met IOM en UNHCR, maar ook met andere organisaties zoals de Rode Halve Maan, de omstandigheden in Libische opvang- en detentiecentra te verbeteren. Hiervoor zijn extra middelen beschikbaar gesteld (€ 90 miljoen uit het EU Noodfonds voor Afrika (EUTF) ten behoeve van de bescherming van vluchtelingen en migranten in Libië en het bevorderen van sociaaleconomische ontwikkeling van gastgemeenschappen en verbeteren lokaal bestuur). IOM en UNHCR hebben goede toegang tot de ruim twintig centra die onder controle staan van DCIM (Directorate for Combatting Illegal Migration). De migranten die worden gered door de Libische kustwacht worden in principe naar deze centra gebracht. Mede door inzet van genoemde en andere internationale organisaties zijn de omstandigheden in de door DCIM beheerde centra het afgelopen jaar verbeterd, onder meer op het gebied van voedselvoorziening, maar er is nog een lange weg te gaan voordat deze voldoen aan Europese en internationale kaders. In lijn met de motie Voordewind5 zal het kabinet consequent blijven pleiten voor het ontwikkelen van humane opvang voor migranten. De vrijwillige terugkeerprogramma’s van IOM naar herkomstlanden worden uitgebreid, mede om migranten een uitweg te geven uit de detentiecentra. Mede dankzij Nederlandse steun heeft IOM in 2016 bijna 2.800 migranten vrijwillig terug laten keren naar hun herkomstland. Dit jaar wil IOM dat met Europese steun opschalen tot maximaal 10.000 migranten.
Wat is uw reactie op het bericht dat Italië een deal heeft gesloten met een zestigtal stammen en milities in het zuiden van Libië om het aantal vluchtelingen te beperken?2
Zoals ook in de Verklaring van Malta van de leden van de Europese Raad van 3 februari 2017 wordt benadrukt, onderstrepen de 28 lidstaten de noodzaak om – naast een Europese aanpak – ook gebruik te maken van bilaterale inspanningen van individuele lidstaten. De Europese Raad heeft daarom in dezelfde verklaring ook de samenwerking tussen Italië en de Libische autoriteiten verwelkomd. Het kabinet acht het van belang dat deze inspanningen elkaar ondersteunen en complementair aan elkaar zijn.7
Wat is de precieze inhoud van het twaalfpuntenakkoord tussen Italië en Libië? Wat is op elk van deze punten uw reactie?
Het kabinet steunt de bilaterale inspanningen van Italië om de migratiestromen langs de centrale Middellandse Zeeroute onder controle te krijgen. Dat geldt ook voor activiteiten die zijn gericht op het versterken van de grenzen in het zuiden van Libië, waartoe ook wordt opgeroepen in de Verklaring van Malta.
Het is het kabinet bekend dat de inspanningen van Italië en de Libische regering van nationale eenheid hebben geleid tot een vredesakkoord tussen een aantal stammen die het gebied rond de zuidelijke grenzen van Libië controleren. Italië is bereid om materieel en middelen te leveren voor het beter beheren van de grenzen. Daarnaast worden projecten ontwikkeld die zijn gericht op het versterken van de lokale economie en specifiek op het bieden van alternatieve inkomsten voor mensenhandel en -smokkel en andere vormen van smokkel. Ook wordt gekeken naar mogelijke heropening van de luchthaven van Sabha en wordt de grensoverschrijdende samenwerking met zusterstammen in Tsjaad en Niger bevorderd.
Het kabinet onderschrijft dat dit een belangrijke stap kan zijn in het bereiken van stabiliteit in Libië en het tegengaan van ongecontroleerde migratiestromen. De succesvolle uitvoering van deze overeenkomst kan voorts bijdragen aan de bestrijding van terrorisme en jihadisme.
Wat is de achtergrond van de verschillende milities en stammen met wie deze afspraken zijn gemaakt en wat is de achtergrond van deze groeperingen? In hoeverre respecteren zij de internationale mensenrechten?
Aan het door Italië gefaciliteerde overleg namen de grootste stammen in Zuid-Libië, de Toeareg, Tebu en Awlad Suleiman, deel. Het overleg was mede gericht op het bereiken van verzoening tussen deze stammen. In een context van vrede en stabiliteit zullen naar verwachting meer mogelijkheden zijn om te werken aan migratiemanagement aan de Libische zuidgrens. Ik ga ervan uit dat Italië zorgvuldig zal monitoren hoe eventuele middelen besteed zullen worden en dat mensenrechten worden gerespecteerd.
Deelt u de brede zorg dat deze milities en stammen de vluchtelingen op brute wijze zullen tegenhouden? Zo ja, bent u dan bereid hierover met uw Italiaanse collega in gesprek te gaan en te pleiten voor het ongedaan maken van deze afspraken?
De samenwerking met Libische autoriteiten, mede als onderdeel van de uitvoering van de Verklaring van Malta, wordt met grote regelmaat besproken in de JBZ-Raad, de Raad Buitenlandse Zaken en de Raad Algemene Zaken. Daarbij wordt ook stilgestaan bij de bilaterale inspanningen van individuele lidstaten, zoals Italië. Vooralsnog ziet het kabinet geen reden om bij de Italiaanse partners erop aan te dringen de zeer recente pogingen om de migratiestromen onder controle te krijgen te staken.
Massasurveillance door de Oezbeekse overheid |
|
Kees Verhoeven (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «We will find you anywhere. The global shadow of Uzbekistani surveillance»?1
Het rapport van Amnesty International bevestigt de zorgwekkende mensenrechtensituatie in Oezbekistan. Voor de persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, het recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering, en het werk van mensenrechtenverdedigers zijn de beschreven feiten in dit rapport bijzonder zorgelijk. Het Kabinet zet actief in op een adequate eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van vertrouwelijke communicatie. Ook in internationaal en Europees verband maakt Nederland zich hard voor het beschermen van deze mensenrechten. Zo heeft de EU tijdens de 13e editie van de «Samenwerkingsraad EU-Oezbekistan» op 17 juli 2017, mede op Nederlands aandringen, haar zorgen uitgesproken over de mensenrechtensituatie in Oezbekistan. Hoewel er signalen zijn dat de nieuwe president Mirzijojev meer aandacht heeft voor het verbeteren van de mensenrechten, blijft het van groot belang om de mensenrechtensituatie in Oezbekistan nauwlettend en kritisch te blijven volgen. Nederland zal de Oezbeekse regering in bilateraal, Europees en internationaal verband blijven aansporen om de mensenrechtensituatie in het land te verbeteren. Artikel 12 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat niemand onderworpen zal worden aan een willekeurige inmenging in zijn levenssfeer of communicatie. Gerechtelijke machtiging voor toegang is een mogelijke waarborg tegen deze willekeurige inmenging in de levenssfeer en of communicatie.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Oezbeekse autoriteiten zonder toestemming van de rechter toegang hebben tot alle telecommunicatiegegevens van hun burgers? Kunt u in uw antwoord betrekken dat de Oezbeekse autoriteiten regelmatig de mensenrechten schenden, bijvoorbeeld door willekeurige detentie en marteling? Kunt u in uw antwoord tevens betrekken dat deze massa surveillance levensgevaarlijke omstandigheden oplevert voor mensenrechtenverdedigers, journalisten en politieke activisten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u nagaan in hoeverre de massasurveillance door de Oezbeekse overheid in strijd is met internationale normen, die voorschrijven dat toegang tot persoonlijke data pas wordt verleend nadat een rechter heeft vastgesteld dat er sprake is van mogelijke verdachte praktijken? Kunt u uw antwoord toelichten?
In internationale, regionale en nationale wet- en regelgeving wordt toegang tot persoonlijke data, de persoonlijke levenssfeer en communicatie gereguleerd. Internationale regels vereisen niet noodzakelijkerwijs een machtiging door de rechter voor surveillance.
Wel is internationaal afgesproken dat bepaalde waarborgen zijn vereist teneinde schendingen van mensenrechten te voorkomen. Toegang tot persoonlijke data (bijvoorbeeld op basis van surveillance) -zonder waarborgen vooraf (bijvoorbeeld via een rechterlijke machtiging), kan in bepaalde gevallen een schending zijn van internationaal erkende burgerlijke rechten. In het rapport van Amnesty staat dat zulke waarborgen in Oezbekistan niet aanwezig zijn.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze massasurveillance wordt mogelijk gemaakt door een dochteronderneming van een bedrijf dat in Nederland is gevestigd?
Kunt u nagaan in hoeverre de activiteiten in Oezbekistan van (de dochteronderneming van) het Nederlandse bedrijf in strijd zijn met Nederlandse regelgeving en/of er sprake is van een strafbaar feit?
Kunt u nagaan in hoeverre de activiteiten in Oezbekistan van (de dochteronderneming van) het Nederlandse bedrijf in strijd zijn met de «UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s)», die onder andere voorschrijven dat bedrijven mensenrechten dienen te respecteren?
Bent u bereid om in overleg te treden met het betreffende bedrijf in Nederland en de dochteronderneming daarvan om te bezien of zij bereid zijn niet langer mee te werken aan deze massasurveillance door de Oezbeekse overheid die berucht is om de mensenrechtenschendingen? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van dat overleg? Zo nee, waarom niet?
Is de afgelopen jaren vanuit Nederland surveillancetechnologie naar Oezbekistan geëxporteerd? Zo ja, wat precies? Bent u bereid geen vergunningen te verlenen voor de export van surveillancetechnologie vanuit Nederland naar Oezbekistan totdat de wetgeving in dat land in overeenstemming is met internationale mensenrechtennormen?
Specifiek omschreven surveillancetechnologie is geclassificeerd als dual-use goed. Voor de uitvoer naar bestemmingen buiten de EU is een vergunning vereist. Nederland heeft geen vergunningen verleend voor de uitvoer van surveillancetechnologie naar Oezbekistan. Onder de huidige omstandigheden is de kans klein dat een dergelijke vergunning wordt verleend.
Het bericht ‘Turkse Nederlanders kiezen: ’evet’ of ’hayir’' over het faciliteren van het Turkse referendum in Nederland |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Turkse Nederlanders kiezen: «evet» of «hayir»» over het faciliteren van het Turkse referendum in Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening dat stemmen per post een prima mogelijkheid is voor Turken in Nederland om mee te doen aan het referendum dat tot doel heeft van Turkije een dictatuur te maken?
Stemmen per post wordt door verschillende landen ingezet als optie voor burgers die in het buitenland woonachtig zijn. Ook Nederland kent die mogelijkheid. Turkije kiest daar niet voor. Het is niet aan het kabinet om zich een oordeel aan te meten over hoe andere soevereine staten hun verkiezingsproces organiseren.
Wat zijn de totale kosten die Nederland heeft gemaakt in verband met het faciliteren van dit Turkse referendum vanwege inzet van bewegwijzering en aanwijzingen in het Nederlands en Turks, verkeersregelaars en de politie die reeds moest optreden bij diverse opstootjes?
Gezien het beperkte aantal stemlocaties kan de verkeersdrukte toenemen. Voor een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer heeft Rijkswaterstaat verwijsborden geplaatst en worden verkeersregelaars ingezet. Rijkswaterstaat geeft hiervoor een vergunning af. Dit doet Rijkswaterstaat bij bijeenkomsten of locaties waar extra drukte te verwachten is. De kosten hiervan vallen binnen de reguliere werkzaamheden van Rijkswaterstaat en worden niet apart begroot.
De organisatie heeft zelf voor beveiliging gezorgd en neemt hiervoor in eerste instantie ook zelf de verantwoordelijkheid. De politie handhaaft de openbare orde indien dit noodzakelijk is. De inzet van de politie valt onder de reguliere inzet onder het gezag van de burgemeester.
Klopt het dat vertegenwoordigers van de AK-partij op woensdag geposeerd hebben in het Turkse stembureau in Den Haag? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het pre-verkiezingsstandpunt van de premier dat «Nederland geen plek is om voor andere landen campagne te gaan voeren»?2
Nederland houdt geen toezicht in de stemlocaties en kan dus niet bevestigen of er door leden van de AK-partij is geposeerd in een van de stemlocaties.
Bent u bereid direct te stoppen met het faciliteren van dit referendum en de stemlokalen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Stembureaus in ambassades of consulaten zijn zonder meer toegestaan en vallen onder de reikwijdte van de Weense Verdragen waarin staat wat de functies zijn van een Ambassade en een Consulaat-Generaal. Voor de inrichting van externe stembureaus is toestemming nodig. Dergelijke verzoeken worden tot op heden altijd gehonoreerd. Ook voor het Turkse referendum is die toestemming gegeven.
Wilt u deze vragen met spoed beantwoorden, vóór de Regeling van Werkzaamheden van donderdag 6 april a.s?
Bij deze kom ik tegemoet aan uw verzoek.
Het bericht dat de CO2-uitstoot van de industrie niet daalt |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de Nederlandse Emissieautoriteit dat de uitstoot van CO2 door de industrie in 2016 niet gedaald is?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Nederlandse industrie evenveel CO2 is blijven uitstoten in 2016, en dat wanneer de maatregel van het uit bedrijf halen van enkele kolencentrales buiten beschouwing wordt gelaten, de uitstoot van de Nederlandse industrie in 2016 zelfs is toegenomen?
Zie het antwoord op vraag 2 van de leden Van der Lee en Kröger.
Hoe kan het dat de Nederlandse industrie geen voortgang boekte in 2016, terwijl de industrieën in andere lidstaten van de Europese Unie wel hebben gezorgd voor een daling van de CO2-uitstoot?
Zie het antwoord op vraag 3 van de leden Van der Lee en Kröger.
Wat betekent deze gelijkblijvende CO2-uitstoot in 2016 voor de prognose van de CO2-besparing die de Nederlandse industrie in 2020 zal halen? Hoever blijft de industrie nu achter op de afspraken uit het Energieakkoord?
Met de afgesproken intensiveringen, waaronder intensivering ten aanzien van de 9 PJ extra energiebesparing in 2020 bij de energie-intensieve industrie, zijn alle partijen van het Energieakkoord van mening dat we op koers liggen voor het behalen van alle doelen van het Energieakkoord.
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde energiebesparingsverplichting voor de industrie om de 9 PetaJoule energiebesparing, die was afgesproken in het Energieakkoord, alsnog te halen?
Zoals aangegeven in de brief van 6 april jl. over de uitvoeringsagenda Energieakkoord 2017 (Kamerstuk 30 196, nr. 542) is er een alternatief voorstel door de industrie gedaan voor de realisatie van 9 PJ extra energiebesparing. ECN geeft aan dat bij een voorspoedige implementatie en uitvoering van dit voorstel kan worden voldaan aan de afspraak van 9 PJ extra energiebesparing in de industrie uit het Energieakkoord. Hiermee voldoet het voorstel van de industrie aan mijn voorwaarde dat het minimaal gelijkwaardig moet zijn aan de algemene maatregel van bestuur (AMvB) met de energiebesparingsverplichting die in voorbereiding is.
De AMvB blijft, zoals de industrie in haar voorstel zelf ook aangeeft, als alternatief beschikbaar voor het geval de uitvoering en voortgang van het voorstel van de industrie achterblijft. De voorbereiding van de AMvB is inmiddels afgerond, zodat de AMvB indien nodig op korte termijn in procedure gebracht kan worden.
Voor meer informatie verwijzen wij naar de brief van de Minister van Economische Zaken van 24 april jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 544).
Het bericht dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse industrie in 2016 niet is gedaald |
|
Suzanne Kröger (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de voorlopige uitstootcijfers voor 2016 (gepubliceerd op 3 april 2017) van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), waaruit blijkt dat de CO2-uitstoot van de industrie in 2016 nagenoeg gelijk is gebleven ten opzichte van 20151?
Ja.
Wat zijn volgens u de belangrijkste redenen voor het nagenoeg gelijk blijven van de CO2-uitstoot in de industrie?
De CO2-uitstoot van Nederlandse bedrijven die onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS) vallen, is in 2016 zeer licht gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar. De uitstoot kwam in 2016 uit op 93,9 Mton CO2-equivalent, terwijl de uitstoot in 2015 lag op 94,1 Mton. Het nagenoeg gelijk blijven van de Nederlandse CO2-uitstoot in het ETS in 2016 is toe te schrijven aan de toegenomen productie als gevolg van de gunstige economische conjunctuur. De industriële productie nam in 2016 met 2,5% toe ten opzichte van 2015.
De Nederlandse economie is de afgelopen 25 jaar efficiënter geworden waar het gaat om de CO2-uitstoot. De economie van Nederland groeide tussen 1990 en 2015 met 60%, terwijl de CO2-uitstoot nagenoeg gelijk is gebleven. Het CBS heeft berekend dat de broeikasgasintensiteit van de industrie in de periode 1995–2014 is gedaald met 46%. Dit betekent dat de industrie per geproduceerde eenheid product nu 46% minder CO2-uitstoot dan in 1995, onder andere door energiebesparing en andere maatregelen.2
Uit de OESO «Environmental Performance Review 2015» van Nederland blijkt dat de broeikasgasintensiteit van de Nederlandse economie onder het OESO-gemiddelde ligt; de energie en specifieke CO2-intensiteit liggen op het OESO-gemiddelde.
De CO2-uitstoot van de chemiesector is toegenomen in 2016 ten opzichte van 2015. Het gaat om een toename van circa 7%, van 17,3 Mton in 2015 naar 18,5 Mton in 2016. Deze stijging komt vooral door hervatting van productie van één bedrijf. Ook de productie van de chemische industrie nam mede daardoor toe in 2016, met 6,1% ten opzichte van 2015.
In de energiesector is de CO2-uitstoot in 2016 juist gedaald door de gewijzigde inzet van steenkool en aardgas. Als gevolg van de sluiting van enkele oude kolencentrales, conform de afspraken uit het Energieakkoord, is er in 2016 in Nederland minder steenkool gebruikt. Hierdoor is de gezamenlijke CO2-uitstoot van kolencentrales vorig jaar met 10% gedaald, van 31,4 Mton in 2015 tot 28,4 Mton in 2016. Tegelijkertijd hebben aardgascentrales vorig jaar meer aardgas ingezet voor de productie van elektriciteit. Door deze hogere inzet van aardgas nam de uitstoot van gascentrales vorig jaar met meer dan 20% toe van 11,1 Mton in 2015 tot 13,4 Mton in 2016. De nettoreductie van de uitstoot van gas- en kolengestookte centrales samen kwam daarmee uit op 0,7 Mton.
Deze relatief beperkte daling volgt uit het feit dat productie van elektriciteit door elektriciteitscentrales in Nederland in 2016 steeg met ruim 4 miljard kWh en met 76,7 miljard kWh het hoogste niveau ooit bereikte. Deze toename hangt vooral samen met ontwikkelingen op de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt. De verbeterde marktpositie van Nederlandse gascentrales in 2016 ten opzichte van 2015 werd vooral gedreven door het feit dat kerncentrales in Frankrijk op grote schaal tijdelijk stilgelegd werden. Gevolg hiervan was onder meer een lagere import van elektriciteit.
Hoe verhoudt het gelijk blijven van de CO2-uitstoot in de Nederlandse industrie zich tot de afname in Europese CO2-uitstoot?
Onder het Europese emissiehandelssysteem is het mogelijk dat de CO2-uitstoot van een sector of land (tijdelijk) toeneemt. Het uitstootplafond is immers een Europees plafond, waaronder verschuivingen mogelijk zijn. Het Europese uitstootplafond daalt wel elk jaar.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2, hangt het gelijk blijven van de Nederlandse uitstoot in 2016 ten opzichte van 2015 onder meer samen met een toegenomen industriële productie, het hervatten van activiteiten bij een productielocatie in de chemiesector en veranderende omstandigheden op de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt.
Deelt u de mening dat de CO2-uitstoot in de industrie af moet nemen om aan het Urgenda-vonnis en aan de afspraken in het Klimaatakkoord van Parijs te voldoen?
Ja, wij delen de mening dat de CO2-uitstoot in alle sectoren drastisch zal moeten worden verminderd om te voldoen aan de afspraken in het Klimaatakkoord. Het kabinet heeft in de Energieagenda aangegeven haar energie- en klimaatbeleid in de toekomst te willen richten op reductie van CO2-emissies. Het kabinet heeft aangegeven te willen streven naar een geleidelijke en tijdig ingezette transitie, om zo mogelijke schokeffecten voor de economie te voorkomen en tevens de economische kansen die de energietransitie biedt te benutten. Hiermee heeft het kabinet het door vele partijen gevraagde perspectief richting een CO2-arme economie in 2050 geschetst. Zoals aangegeven in de brief van de Minister van Economische Zaken over de Voortgangsrapportage van het Energieakkoord (Kamerstuk 30 196, nr. 503) ligt het kabinet met het volledig behalen van de doelen uit het Energieakkoord op koers om 25% broeikasgasreductie te realiseren in 2020 ten opzichte van 1990, zoals vereist volgens het Urgenda-vonnis.
Deelt u de mening dat het Europese emissiehandelssysteem (ETS) onvoldoende werkt om de CO2-uitstoot in de Nederlandse industrie terug te dringen en dat aanvullende nationale maatregelen nodig zijn?
In de Energieagenda stelt het kabinet dat zelfs als de CO2-prijs stijgt door aanscherpingen van het ETS, dit niet zal leiden tot een geleidelijke transitie in Nederland. Dit betekent dat zonder aanvullend beleid de CO2-uitstoot in Nederland – met name in de ETS-sectoren – niet verder af zal nemen richting 2030. De opgave richting 2050 wordt daardoor groter, terwijl de tijd die resteert om de omslag te maken juist afneemt. Een tijdig ingezette en dus meer geleidelijke transitie zal positief uitpakken voor het beheersen van kosten en biedt ook economische kansen. In het kader van de uitwerking van de Energieagenda wordt in overleg met maatschappelijke partijen en bedrijven momenteel bezien hoe een dergelijke transitie kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening dat een nationale minimumprijs voor CO2 wel tot het aanjagen van CO2-arme innovaties in de industrie kan leiden?
Er zijn verschillende instrumenten denkbaar om de industrie te stimuleren om CO2-reducerende maatregelen te nemen. Het kabinet onderzoekt in het kader van de uitwerking van de Energieagenda op welke wijze aanvullend beleid voor alle sectoren, inclusief de industriesector, kan worden vormgegeven.
Bent u reeds in overleg met de industrie over welke aanvullende maatregelen nodig zijn om een trendbreuk in haar CO2-uitstoot te realiseren? Zo nee, wilt u hier zo spoedig mogelijk het initiatief toe nemen?
Ja, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de voorgaande vragen is het kabinet in gesprek met diverse maatschappelijke partijen en bedrijven over de verdere uitwerking van de Energieagenda.
Het bericht dat hulporganisaties mensensmokkelaars faciliteren |
|
Malik Azmani (VVD), Mona Keijzer (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bijgaand bericht?1
Ja.
Klopt het dat hulporganisaties mensensmokkelaars helpen door contact met hen te hebben zodat de hulporganisaties de bootvluchtelingen op de Middellandse zee op kunnen pikken?
Het kabinet beschikt niet over aanwijzingen dat er sprake zou zijn van rechtstreeks contact tussen sommige hulporganisaties en criminele smokkelbendes. Dit is onderdeel van een oriënterend feitenonderzoek dat door de Italiaanse Justitie wordt uitgevoerd. Het kabinet verwelkomt dergelijke onderzoeken, juist ook in het belang om hier duidelijkheid over te krijgen. Tijdens de vorige JBZ-raad heeft het kabinet dit ook nadrukkelijk ondersteund.
Uit gegevens van onder meer de Italiaanse autoriteiten en de Europese grens- en kustwacht (Frontex) blijkt dat een groot deel van de migranten die in Italië aan wal wordt gebracht, wordt gered door hulporganisaties die actief zijn voor de kust van Libië. Daar zijn ook Nederlandse organisaties actief, zoals Stichting Bootvluchteling en Artsen zonder Grenzen evenals organisaties uit andere landen die varen met schepen onder de Nederlandse vlag zoals Sea Watch en Jugend Rettet. Genoemde Nederlandse organisaties krijgen hiervoor geen subsidie van de Nederlandse overheid.
Zijn daar Nederlandse organisaties bij of organisaties met Nederlandse takken? Zo ja, welke? Zijn daar organisaties bij die subsidie van de Nederlandse overheid ontvangen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u uw steun uitgesproken richting de Griekse en de Italiaanse regering dat zij deze organisaties aanpakken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan het gesprek hierover te voeren met eventueel betrokken Nederlandse organisaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw insteek?
Voor het kabinet is het evident dat mensen in nood op zee geholpen moeten worden in lijn met de verplichtingen onder het internationaal zeerecht. In de kern komt het er op neer dat alle schepen verplicht zijn mensen in nood aan boord te brengen en hen in de dichtstbijzijnde veilige haven aan wal te brengen. Dat kunnen havens in Italië zijn of aan de Noord-Afrikaanse kust. Zoals helaas blijkt, maken de criminele mensensmokkelaars van dit gegeven misbruik, bijvoorbeeld door bootjes met te weinig brandstof de zee op te sturen. Daarmee krijgen levensreddende reddingsoperaties een onbedoeld versterkend neveneffect op deze misdadige activiteiten.
Tegelijkertijd meent het kabinet dat het aantoonbaar deel uitmaken van mensensmokkelactiviteiten strafbaar is. Dit geldt voor iedereen. Daarom is het doorbreken van het cynische verdienmodel van criminele mensensmokkelaars van groot belang en onderdeel van de brede aanpak van dit kabinet.
Het kabinet acht het belangrijk om de discussie over deze moeilijke dilemma’s niet uit de weg te gaan. Het kabinet is zoals altijd bereid om het bredere gesprek met de maatschappelijke organisaties hierover aan te blijven gaan en doet dit ook in de verschillende reguliere contacten. Ook meent het kabinet dat deze zelfde discussie ook op Europees niveau gevoerd moet worden, onder leiding van de Europese Commissie.
Deelt u de conclusie dat er een einde moet komen aan de hulp aan mensensmokkelaars omdat dit mensenlevens kost, criminelen financiert en het Europese asielbeleid ondermijnt, zie bijgaand artikel?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Repressieve maatregelen tegen de oppositie door de regering van Wit-Rusland |
|
Sadet Karabulut (SP), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Raymond Knops (CDA), Marianne Thieme (PvdD), Martin van Rooijen (CDA), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Minsk likt wonden na hard neerslaan protest»?1
Ja.
Hoe duidt u de oorzaken en achtergronden van de massale protesten tegen de regering van Wit-Rusland?
De Wit-Russische bevolking protesteert tegen een nieuwe belastingwet, in de volksmond ook wel de «wet tegen sociale parasieten» genoemd. De wet legt een belasting op aan personen die niet als werkloos zijn geregistreerd en niet of weinig werken, ter compensatie van gemiste belasting. Wit-Rusland kampt al een aantal jaren met een economische recessie. Een groot deel van de bevolking steunt de nieuwe maatregel van de regering niet en komt hiertegen in actie.
Welke (leiders van) politieke oppositiegroepen of mensenrechtenverdedigers zijn het belangrijkste doelwit van de repressieve maatregelen van de Wit-Russische regering?
Zaterdag 25 maart gingen in Wit-Rusland in verschillende steden mensen de straat op in het kader van de «Dag van de Vrijheid», net als voorgaande jaren. Het waren de grootste protesten in jaren. In de hoofdstad Minsk, waar de demonstratie niet was toegestaan, werden honderden mensen opgepakt, inclusief toevallige voorbijgangers, journalisten en enkele buitenlanders. Zij zijn inmiddels weer vrijgelaten. Er zitten nog enkele personen vast die enkele dagen voor de protesten werden gearresteerd, op verdenking van het voorbereiden van ordeverstoring. In andere steden vonden op 25 maart ook protestacties plaats; deze acties waren toegestaan door de autoriteiten en zijn ordelijk verlopen.
In aanloop naar de demonstratie van 25 maart in Minsk vonden reeds protestacties in andere steden plaats. Hierbij zijn enkele demonstranten, journalisten en oppositieleiders opgepakt en bestraft. Dat geldt ook voor beide co-voorzitters van de Wit-Russische Christendemocraten «Belarussian Christian Democracy» (BCD), de heer Rymashewski en de heer Seviarynets. Zij werden opgepakt vanwege het leiden van een niet toegestane demonstratie. Beiden kregen een celstraf opgelegd van 15 dagen, waardoor zij niet aanwezig konden zijn bij de grote demonstratie van 25 maart.
Kunt u bevestigen dat ook prominente leden van de Wit-Russische Christendemocraten (BCD) zijn gearresteerd2, en kunt u een inschatting maken van de gevolgen van deze en soortgelijke maatregelen voor de politieke situatie en democratische vrijheden in Wit-Rusland op korte en langere termijn?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre zijn de in het artikel beschreven maatregelen van de regering van Wit-Rusland legitiem of acht u deze in strijd met het internationale recht?
De vrijheid van burgers om te demonstreren is een fundamenteel recht en dient te worden gerespecteerd door overheden. Ook het internationaal recht, waaronder het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waar Wit-Rusland partij bij is, beschermt dit grondrecht. Aan het recht om te demonstreren kunnen beperkingen worden gesteld, indien er sprake is van bedreiging van de nationale veiligheid of openbare orde. Het inperken van het demonstratierecht mag echter alleen met strikte inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De demonstratie van 25 maart in Minsk was door de autoriteiten van Wit-Rusland niet toegestaan, omdat de openbare orde in het geding zou zijn. De maatregelen van de Wit-Russische autoriteiten zijn in de ogen van het kabinet niet proportioneel.
Wit-Rusland is geen lid van de Raad van Europa, en dus ook geen partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Aan de in dit verdrag gehanteerde maatstaven heeft Wit-Rusland zich dus niet gecommitteerd.
Op welke wijze kunt u en zult u, in samenspraak met uw Europese collega’s, uw contacten met de regering van Wit-Rusland aanwenden om te bevorderen dat het land zich houdt aan internationale (mensenrechten)verdragen, dat er voldoende ruimte blijft bestaan voor politieke oppositie, en dat het land een constructieve rol blijft spelen in het conflict met Oekraïne?
Het oppakken en bestraffen van vreedzame demonstranten staak haaks op de toezegging van Wit-Rusland aan de EU om voortgang te boeken op het gebied van mensenrechten en fundamentele vrijheden. Het kabinet acht de hierboven genoemde ontwikkelingen zorgelijk en hecht om die reden des te meer aan de kritische dialoog met Wit-Rusland. Het is van belang een sterke boodschap over te brengen aan de Wit-Russische autoriteiten en hen te wijzen op hun verantwoordelijkheden.
Nederland heeft zich daarom in een gezamenlijke verklaring namens de EU meerdere malen kritisch uitgesproken over het optreden van de Wit-Russische autoriteiten en de noodzaak van een breder democratiseringsproces onderschreven (dd. 17/03/2017 en 25/03/2017). Ook heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken meerdere malen op hoog-ambtelijk niveau zijn zorgen kenbaar gemaakt aan de Wit-Russische ambassadeur in Den Haag. Kort na de protestactie van 25 maart in Minsk is de ambassadeur ontvangen op het departement om uitleg te geven. In dit gesprek heeft Nederland de acties veroordeeld, opgeroepen tot het vrijlaten van alle vreedzame demonstranten en beklemtoond dat fundamentele rechten en vrijheden gerespecteerd en gewaarborgd moeten worden. De Nederlandse Tijdelijk Zaakgelastigde in Minsk heeft met enkele slachtoffers, waaronder met de heer Rymashewski, covoorzitter van de BCD, gesproken om hen een hart onder de riem te steken. Het kabinet blijft de ontwikkelingen scherp in de gaten houden. Nederland doet dit samen met andere EU lidstaten.
Welke mogelijkheden heeft u en wilt u in het kader van de OVSE om de politieke situatie in Wit-Rusland aan de orde te stellen en in gezamenlijkheid te zoeken naar passende oplossingen ten behoeve van de vrijheid, stabiliteit en democratie in het land?
Het handelen van de Wit-Russische autoriteiten tijdens, en in aanloop naar, de grote demonstratie in Minsk van 25 maart is op 30 maart jl. in de Permante Raad van de OVSE besproken. Het kabinet hecht aan het in stand houden van de kritische dialoog met Wit-Rusland. De Permanente Raad van de OVSE biedt hiertoe de mogelijkheid. Het gaat om beïnvloeding van Wit-Russische autoriteiten door eensgezindheid en gezamenlijk boodschappen ter bevordering van mensenrechten. De Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR) van de OVSE heeft in een verklaring de ontwikkelingen in Wit-Rusland sterk veroordeeld en opgeroepen de vrijheid van vereniging te respecteren en te waarborgen. De EU heeft deze verklaring onderschreven en aangedrongen op het naleven van de OVSE-verplichtingen en toezeggingen van de Wit-Russische autoriteiten.
1 jaar Turkijedeal |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de stand van zaken een jaar na de Turkijedeal? Kunt u daarbij in beschouwing nemen dat er meer dan 60.000 vluchtelingen vastzitten in Griekenland?
Welk deel van de beloofde zes miljard euro aan Turkije is inmiddels uitgekeerd en welk bedrag heeft Nederland reeds betaald? In hoeverre is daarbij voldaan aan de voorwaarden?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Turkijedeal alsnog een succes wordt, waarbij niet alleen gekeken wordt naar de instroom naar Nederland, maar ook naar de mensenrechtensituatie voor de vluchtelingen?
Erkent u dat de Turkijedeal niet functioneert, aangezien vluchtelingen in Griekenland vastzitten en niet kunnen doorreizen naar bijvoorbeeld Nederland, maar ook niet worden teruggestuurd?
Deelt u de mening dat de situatie in Griekenland verbeterd kan worden als de Europese (EU) lidstaten meer doen teneinde zo snel mogelijk het beloofde aantal vluchtelingen te herplaatsen? Zo ja, waarom gebeurt dit niet?
Ik deel uw mening dat alle lidstaten hun bijdrage moeten leveren aan de herplaatsing van vluchtelingen uit Griekenland, maar ook uit Italië. Dit is ook het standpunt van het kabinet. Nederland geeft hierin het goede voorbeeld en loopt daarom samen met Duitsland en Frankrijk voorop in het aantal vluchtelingen dat uit Griekenland is herplaatst. Het tiende voortgangsverslag over herplaatsing en hervestiging van de Europese Commissie bevestigt dit wederom. Het kabinet vindt het belangrijk dat ook andere lidstaten hun deel doen en dat deze lidstaten, net als Nederland, ook op een structurele basis kansrijke asielzoekers gaan herplaatsen uit Griekenland. Een kabinetsappreciatie van het tiende verslag is met uw Kamer gedeeld.4 Ook verwijs ik u graag naar de recente beantwoording van vragen van uw Kamer over dit onderwerp n.a.v. het negende voortgangsverslag van de Europese Commissie.5 Uw Kamer ontvangt op korte termijn de Kabinetsappreciatie van het elfde voortgangsverslag over herplaatsing en hervestiging van de Europese Commissie.
Zoals ook blijkt uit het 10e voortgangsverslag, komen niet alle asielzoekers die in Griekenland verblijven in aanmerking voor herplaatsing. Uw Kamer is hierover in detail geïnformeerd in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Voortman.6 Voor deze groep is het primair van belang dat de asielprocedures in Griekenland en, in het geval van een afwijzing, de terugkeer naar Turkije of het land van herkomst sneller verloopt. Hiertoe heeft Griekenland samen met de Europese Commissie een Actieplan opgesteld. Een appreciatie daarvan is opgenomen in het verslag van de JBZ-raad van 8 en 9 december 2016.7
Wat is er gebeurd met het Europese geld voor de opvang van vluchtelingen in Griekenland? Hoe worden deze uitgaven gemonitord en is hiervan een overzicht beschikbaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit aan de Kamer toezenden?
Sinds het begin van de Europese migratiecrisis staat de EU Griekenland bij vanuit verschillende fondsen met een robuuste financiële ondersteuning. Overzichten van de totale steun, inclusief de verschillende activiteiten die worden gefinancierd worden door de Commissie op haar website geplaatst.9
Zoals ook toegelicht in het schriftelijk overleg met uw Kamer ter voorbereiding op de JBZ-Raad van 23 en 24 maart jl.10 maakt de besteding van hulpgelden onderdeel uit van het in december jl. door de JBZ-Raad aangenomen Actieplan voor implementatie van de EU-Turkije Verklaring. In het Actieplan staan meerdere maatregelen die een efficiëntere besteding van de Europese hulpgelden ten goede zouden moeten komen. Griekenland dient onder andere de benodigde cofinanciering beschikbaar te stellen en de afspraken van de EU-Turkije Verklaring in de nationale programma’s te incorporeren. De Commissie zal waar nodig technische ondersteuning bieden. De uitvoering van het Actieplan wordt periodiek ter bespreking voorgelegd aan de JBZ-Raad, en de coördinatie rond de uitvoering ligt bij de Commissie. Nederland neemt signalen serieus als besteding van gelden niet zorgvuldig plaatsvindt. Het kabinet maakt dat voortdurend onderwerp van gesprek met de Commissie en met Griekenland.
In het algemeen geldt dat de besteding van Europese fondsen gehouden is aan zeer duidelijke en strenge voorwaarden. Ook moeten organisaties, zowel overheden als (internationale) non-gouvernementele organisaties, die maatregelen met deze fondsen implementeren in detail aan de Europese Commissie rapporteren over het gebruik van deze fondsen. Wanneer de Commissie daar onregelmatigheden in aantreft, schroomt de Commissie niet om nader onderzoek te doen via een daarvoor speciaal opgerichte anti-fraude bureau van de Commissie: OLAF.
Klopt de bewering van de klokkenluider in de Nieuwsuur-rappportage1 dat Europees geld voor vluchtelingen niet of onjuist wordt besteed? Wat wordt hiertegen ondernomen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat deze klokkenluider regelmatig contact heeft gehad met de voorzitter van de Europese Commissie (de heer Juncker), die op de hoogte moet zijn geweest van mogelijke verspilling en corruptie? Wat heeft de heer Juncker ondernomen en heeft hij de EU lidstaten hierover geïnformeerd? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan niet geïnformeerd? Zo nee, hoe kan het dat u niet bent geïnformeerd?
Ik ben niet op de hoogte van contacten die de geïnterviewde oud-ambtenaar zou hebben gehad met de voorzitter van de Europese Commissie. Wel is bekend dat de oud-ambtenaar uit hoofde van zijn toenmalige functie bij het Griekse Ministerie van Migratie contact heeft gehad met de vertegenwoordiger van de Commissie in Athene.
Graag maak ik van deze gelegenheid nogmaals gebruik om te benadrukken dat de oud-ambtenaar in de betreffende Nieuwsuur-reportage zelf aangeeft dat hij geen bewijzen heeft van corruptie. Zoals hierboven aangegeven zal de Commissie dat bij eventuele vermoedens zelf nader onderzoeken.
Hoe zijn de uitspraken van de Eurocommissaris voor Migratie en Binnenlandse Zaken (de heer Dimitris Avramopoulos) – dat de opvang van vluchtelingen in Griekenland goed verloopt – te rijmen met het verontrustende beeld in de reportage van Nieuwsuur van 19 maart jl? Deelt u de mening dat zijn uitspraken niet erg realistisch zijn?
Uit eigen waarneming van Nederland blijkt dat op sommige plekken op de Griekse eilanden de opvang nog niet op het gewenste niveau is. Tijdens de JBZ-Raad heb ik hierover ook gesproken met mijn Griekse collega en Commissaris Avramopoulos.
Tegelijkertijd merk ik op dat sinds het begin van de migratiecrisis in Griekenland grote stappen zijn gezet om het Griekse asiel- en migratiesysteem te verstevigen. Dit gebeurt ook met bijdragen van lidstaten als Nederland in de vorm van de Border Security Teams. Zoals eerder met uw Kamer besproken blijft het nodig om te werken aan verbeteringen in de manier waarop de Griekse overheid opvang en hulp regelt voor asielzoekers.
Daarbij moet ook worden stilgestaan bij het feit dat hier met man en macht aan wordt gewerkt in een land dat naast migratievraagstukken ook economische, financiële en institutionele uitdagingen kent. Dat maakt het des te meer van belang dat de EU en alle lidstaten de afspraken nakomen op het gebied van herplaatsing en het leveren van experts. Hier heb ik ook tijdens de laatste JBZ-Raad weer op gehamerd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Europees geld voor vluchtelingen op de juiste plek terecht komt?
Zie het antwoord op vragen 6 en 7.
Het bericht dat mariniers een dure klimreis van bijna 1 miljoen euro hebben gemaakt |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Mariniers kwaad na dure klimreis»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er 900.000 euro aan deze expeditie is uitgegeven? Zo ja, wanneer bent u op de hoogte gesteld van het voornemen van deze oefening?
De kosten van de training in de Himalaya bedroegen ongeveer € 923.000. In 2014 is door Defensie met deze training ingestemd. Omdat de reguliere gereedstelling van de mountain leaders in 2015 en 2016 als voorbereiding diende op de eindtraining in de Himalaya zijn in dit totaalbedrag eveneens jaarlijkse gereedstellingskosten opgenomen. De meerkosten van de training in de Himalaya ten opzichte van de jaarlijkse gereedstellingsactiviteiten bedroeg daarmee ongeveer € 600.000. Het voor de training aangeschafte materieel blijft tot einde levensduur beschikbaar voor inzet, oefeningen, trainingen en opleidingen.
Wat was de toegevoegde waarde van deze missie? Als die er al was, was die doelstelling niet anders/elders en goedkoper te realiseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd?
Defensie moet in staat zijn om op te treden in (hoog)gebergten en onder arctische omstandigheden. De militaire berggidsen (mountain leaders) van het Korps Mariniers worden hiervoor opgeleid. Recent is er in onder meer Afghanistan en Irak gebruik gemaakt van deze expertise.
Met de training in het Himalayagebergte werd in dit kader en sinds lange tijd waardevolle ervaring opgedaan voor het opereren onder extreme omstandigheden. De laatste vergelijkbare training was eind jaren tachtig toen de Denali in Alaska is beklommen. Er is bij de training niet alleen operationele ervaring opgedaan, maar ook medische kennis over het functioneren van het menselijk lichaam onder dergelijke omstandigheden. Naast 26 Nederlandse mariniers deden twee Britse mountain leaders en een Oostenrijkse berggids mee. Om zoveel mogelijk oefenwaarde te verkrijgen, is gezocht naar een gebergte waar het mogelijk is om onder zeer uitzonderlijke omstandigheden te trainen.
Van een bezuiniging was in 2016 geen sprake. Defensie heeft in 2016 eenmalige maatregelen moeten nemen om binnen de budgettaire kaders te blijven, waarbij ook de gereedstellingsplannen van CZSK zijn geraakt. Belangrijke overwegingen bij het nemen van de maatregelen waren de operationele waarde van de oefening of training en de opbrengst van de maatregel. Vanwege de reeds aangegane verplichtingen voor de training en vanwege de oefenwaarde in het Himalayagebergte is ervoor gekozen deze activiteit door te laten gaan.
Wat gaat u doen om de onvrede onder het korps mariniers over dit voorval weg te nemen?
Waar nodig zullen gemaakte keuzes in het gereedstellingsplan uitvoeriger worden uitgelegd aan het personeel.
Kunt u aangeven waarom dergelijke expedities te billijken zijn, terwijl de marine op tal van andere disciplines extra moet bezuinigen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat Berlijn zeer terughoudend is geworden met wapenexport naar Turkije |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de Duitse autoriteiten sinds de mislukte staatsgreep in Turkije zeer terughoudend zijn geworden in het afgeven van vergunningen voor wapenexport naar Turkije vanwege het risico dat de Turken wapens kunnen inzetten tegen de eigen burgerbevolking en in het conflict met Koerden in het Zuidoosten van het land?1 Zo ja, deelt de Nederlandse regering de Duitse afweging om zeer terughoudend te zijn met het verlenen van vergunningen voor wapenexportleveringen aan Turkije en op welke wijze wordt daar invulling aan gegeven?
Bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen toetsen alle EU-lidstaten deze aanvragen aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. De toetsing gebeurt op case-by-casebasis, waarbij rekening gehouden wordt met de aard van het goed, het eindgebruik en de eindgebruiker. Aangezien wapenexportcontrole raakt aan nationale veiligheid en dat een nationale bevoegdheid is, is het uiteindelijk aan de EU-lidstaten zelf om al dan niet een vergunning toe te kennen. In hoeverre Duitsland terughoudender is met betrekking tot het afgeven van wapenexportvergunningen aan Turkije is een aangelegenheid van de Duitse exportcontrole-autoriteiten.
Vanwege de situatie in zuidoost-Turkije toetst Nederland vergunningaanvragen voor exporten van militaire goederen naar Turkije reeds sinds lange tijd extra kritisch. Daarbij is met name aandacht voor de mensenrechtensituatie (criterium 2) en de interne situatie (criterium 3).
Hoeveel vergunningen zijn sinds de mislukte staatsgreep In Turkije door Nederland afgegeven dan wel afgewezen voor wapenexport naar Turkije? Wat voor soort wapenleveringen betreft het die zijn toegestaan dan wel afgewezen, en welke afwegingen zijn daarbij gemaakt op basis van de Europese criteria voor wapenexport?
Het kabinet publiceert maandelijks een overzicht van afgegeven vergunningen voor wapenexport. Deze maandrapportages zijn te vinden op de website van de rijksoverheid.2 In 2016 zijn vier vergunningaanvragen voor wapenexport naar Turkije afgewezen. Daarvan werden twee aanvragen afgewezen na de mislukte staatsgreep in de nacht van 15 op 16 juli 2016. In beide gevallen ging het om onderdelen van gevechtshelikopters.
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 1 toetst Nederland vergunningaanvragen voor uitvoer van militaire goederen naar Turkije extra kritisch aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Daarbij wordt met name gelet op de mensenrechtensituatie (criterium 2) en de interne situatie (criterium 3). Er wordt geen vergunning afgegeven wanneer een aanvraag de toetsing aan deze criteria niet doorstaat. Voor de hierboven genoemde afgewezen vergunningaanvragen geldt dat deze alle vier zijn afgewezen op basis van negatieve toetsing aan het criterium met betrekking tot de interne situatie (criterium 3).
Is sinds de mislukte staatsgreep in Turkije in Europees verband gesproken over wapenexport naar Turkije? Zo ja, zijn er meer lidstaten die op dezelfde gronden terughoudend zijn geworden in wapenexportleveringen naar Turkije? Zo ja, welke lidstaten betreft het en in hoeverre worden afwijzingen van leveringen aan Turkije op dit moment ook Europees geregistreerd?
Ja, sinds de couppoging in Turkije is er in Europees verband gesproken over wapenexport naar Turkije. Het algemene beeld is dat waar EU-lidstaten vergunningen hadden afgewezen, dat niet was gebaseerd op de couppoging van juli 2016, maar op inzetbaarheid van de goederen in de interne strijd in het zuidoosten van Turkije en het Turkse optreden bij politieke demonstraties. EU-lidstaten geven aan de aanvragen voor Turkije strikt en op case-by-case-basis te toetsen. Gezien de vertrouwelijkheid van deze besprekingen kan niet ingegaan worden op de posities van individuele EU-lidstaten.
Afwijzingen van vergunningaanvragen voor wapenexport (waaronder die naar Turkije) worden bijgehouden in een vertrouwelijke online EU denial database. Alle EU-lidstaten zijn verplicht afgewezen vergunningaanvragen en de criteria waarop de aanvragen zijn afgewezen te registreren. Nederland hecht veel waarde aan de online database en heeft zich sterk ingezet voor de vorming daarvan.
Deelt u de opvatting dat het gezien de toenemende escalaties vanuit Turkije richting Europa belangrijk is dat de Europese lidstaten gezamenlijk eenduidig Europees beleid ten aanzien van Turkije voeren zeker waar het risico’s betreft dat Europese wapens kunnen worden misbruikt voor oneigenlijke doeleinden? Zo ja, op welke wijze pakt u dit op korte termijn op in Europees verband?
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de initiatiefnota van de leden Sjoerdsma en Servaes «Wapens en Principes. Ambities voor een geloofwaardig en geharmoniseerd wapenexportbeleid», streeft het kabinet binnen EU-Raadskader naar harmonisatie van het wapenexportbeleid. Tijdens discussies in Europees verband over wapenexport naar Turkije heeft Nederland aangegeven extra kritisch te toetsen op de criteria voor mensenrechten en intern conflict. Nederland riep daarmee andere EU-lidstaten op dit ook te doen. De beslissingen over vergunningaanvragen blijven echter, zoals vermeld in het antwoord op vraag 1, een nationale competentie. Het kabinet is geen voorstander van een unilateraal wapenembargo t.a.v. NAVO-bondgenoot Turkije. Uit de eerdergenoemde EU-besprekingen is daarnaast duidelijk gebleken dat er geen draagvlak is voor EU-brede wijzigingen in het wapenexportbeleid t.a.v. Turkije.
Zijn er buiten de Europese lidstaten ook andere NAVO-bondgenoten die om dezelfde redenen terughoudend zijn geworden in wapenleveringen aan Turkije? Wat betekent de terughoudendheid in wapenexportleveringen aan Turkije voor de relatie met Turkije binnen het NAVO-bondgenootschap?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, is het uiteindelijk aan de staten zelf om al dan niet een vergunning toe te kennen. Dit geldt ook voor NAVO-bondgenoten die geen lid zijn van de EU. In hoeverre deze landen terughoudender zijn met betrekking tot het afgeven van wapenexportvergunningen aan Turkije is een aangelegenheid van hun nationale exportcontrole-autoriteiten. Het kabinet is van mening van Turkije een belangrijke bondgenoot binnen de NAVO is, mede in het licht van de vele veiligheidsdreigingen aan de zuidflank van het Bondgenootschap. Vraagstukken rondom wapenexportvergunningen hebben geen invloed op de samenwerking met Turkije binnen de NAVO.
Uitspraken van de minister in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 19 maart 2017 |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat u in een interview met de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 19 maart jongstleden de uitspraak heeft gedaan dat de lidstaten van de eurozone die tijdens de crisis in problemen zijn geraakt hun – en ik parafraseer – geld dan maar niet hadden moeten opmaken aan vrouwen en drank om vervolgens bij de anderen om steun aan te kloppen?1
Nee dit klopt niet. Het correcte citaat in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 19 maart jongstleden in antwoord op een vraag over het belang van strikte naleving van de EU regels luidt:
Bent u bekend met het onderzoek dat een parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van Zoi Konstantopoulou in juni 2015 heeft gepresenteerd, waarin werd geconcludeerd dat het merendeel van de Griekse staatsschuld onrechtmatig is aangegaan en onder internationaal recht kan worden aangeduid als «odieus»?2
Ja.
Is het u bekend dat de Spaanse en Ierse staatsschulden op het moment van het uitbreken van de financiële crisis in september 2008 met respectievelijk 40 en 44 procent van het BBP tot de laagste van de eurozone behoorden?
Uit de meest recente cijfers van Eurostat over de bruto geconsolideerde schuld van de overheid aan het einde van het derde kwartaal van 2008 blijkt dat Spanje destijds een staatsschuld had van 36,9%-BBP en dat Ierland een staatsschuld had van 38,6%-BBP. Alleen Luxemburg, Slovenië en Finland hadden toen een lagere staatsschuldratio.
Is het u bekend dat de sterke groei in Spaanse en Ierse staatsschulden vooral te wijten is aan de noodzaak om banken te redden die onoordeelkundig kredieten aan de private sector hadden verschaft?
De sterke stijging van de Spaanse en Ierse staatsschulden sinds 2008 is toe te schrijven aan een combinatie van factoren. Het redden van banken met publieke middelen is daar één van. Oplopende begrotingstekorten waren ook een belangrijke oorzaak.
Deelt u de mening dat gezien de feiten genoemd in vragen twee tot en met vier het geen pas geeft om te stellen dat de crisisstaten geld dan maar niet hadden moeten opmaken aan vrouwen en drank om vervolgens bij de anderen om steun aan te kloppen? Zo ja, bent u bereid excuses te maken voor deze uitspraak? Zo nee, waarom niet?
In uw vraag wordt mijn uitspraak opnieuw onjuist weergegeven (zie mijn antwoord op vraag 1). In het interview heb ik het belang benadrukt van solidariteit en wederkerigheid in de unie en dat solidariteit met verplichtingen komt. Het is zeer onfortuinlijk dat er een link is gelegd met de genoemde programmalanden, dit heb ik noch zo gezegd noch zo bedoeld. Deze landen hebben een diepe crisis doorgemaakt, met zeer ingrijpende sociale gevolgen. Solidariteit was dan ook zeer op zijn plaats. Voor de verdere versterking van de EMU is het cruciaal dat solidariteit hand in hand gaat met het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor het respecteren van de regels; een boodschap die voor alle landen geldt.
Deelt u de mening dat het in uw positie onverantwoord is om een dergelijke uitspraak te doen tegen de achtergrond van de grote sociaaleconomische offers die de gewone Griek, Spanjaard en Ier sinds het uitbreken van de eurocrisis in 2010 hebben moeten brengen? Is dit het soort moreel leiderschap waar u in de Groene Amsterdammer van 8 maart jongstleden uw collega's toe opriep?3
Zie antwoord vraag 5.
De beveiliging van websites van Nederlandse ambassades |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over de inadequate beveiliging van websites van Nederlandse ambassades?1 Klopt het dat de websites van de Nederlandse ambassades in Afghanistan, China, Egypte en Soedan nog altijd onvoldoende zijn beveiligd?
Nee, het klopt niet dat de websites van de Nederlandse ambassades in de vier genoemde landen nog altijd onvoldoende zijn beveiligd.
Op 4 april jongstleden zijn de nieuwe websites van het ministerie www.nederlandwereldwijd.nl en www.nederlandenu.nl gelanceerd, die onder andere de genoemde websites van de posten vervangen. Deze nieuwe sites gebruiken voor de beveiliging onder andere het HTTPS communicatieprotocol en dwingen het gebruik daarvan door de browsers van bezoekers af.
De berichtgeving betrof de constatering dat een groot percentage overheidswebsites voor hun beveiliging het HTTPS communicatieprotocol niet of niet goed ingericht hadden voor hun websites. Zie hiervoor tevens de beantwoording van de kamervragen van Amhaouch2 en Oosenburg/Kerstens3 eerder dit jaar.
De in de vragen genoemde websites maakten ten tijde van de berichtgeving niet voor alle pagina’s van de websites gebruik van het HTTPS communicatieprotocol en dwongen het gebruik daarvan ook niet af voor de browser van bezoekers. De noodzakelijk geachte mate van het beveiligen van de verbinding naar een overheidswebsite hangt af van de vraag of de website (persoons-) al dan niet gevoelige informatie uitwisselt. In de genoemde websites werd niet naar persoonsgevoelige informatie gevraagd, zodat het veiligheidsrisico gering was.
Het ministerie heeft recentelijk een omvangrijk project afgerond om de ruim 240 websites van de posten, waartoe de genoemde websites behoorden, te vervangen door twee nieuwe websites: www.nederlandwereldwijd.nl en www.nederlandenu.nl. De beveiliging van de nieuwe websites is ingericht conform de meest recente beveiligingseisen, inclusief het afdwingen van het HTTPS communicatieprotocol voor de gehele websites. Hiermee voldoen deze websites – ruim voor de deadline (eind 2017)die het Nationaal Beraad Digitale Overheid daarvoor vaststelde – aan de eis van het gebruiken van versleutelde verbindingen op overheidswebsites.
Wat zijn de risico's voor bezoekers van deze websites, aangezien er geen veilige verbinding via HTTPS tot stand kan worden gebracht omdat bezoekers worden terug verwezen naar een HTTP-website?2
HTTPS is een communicatieprotocol dat ervoor zorgt dat bezoekers de identiteit van de webserver / website kunnen controleren. Voorts beveiligt HTTPS de communicatie tussen de webserver en de browser door deze te versleutelen. Het protocol beveiligt in belangrijke mate tegen het afluisteren en het manipuleren van de communicatie tussen de webserver en de browser.
Het risico voor de bezoekers van een website zonder HTTPS is beperkt indien er geen (persoons-)vertrouwelijke informatie wordt uitgewisseld, zoals bij de betreffende websites het geval was.
Klopt het dat deze risico’s al enige tijd bekend zijn bij uw ministerie en dat bezoekers al maanden onnodig veel risico lopen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer verwacht u een oplossing te hebben voor het beveiligingsprobleem?
Zie antwoord vraag 1.
De behandeling van Pakistaanse asielzoekers en vluchtelingen in Thailand |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Paniek onder asielzoekers in Thailand»?1
Ja.
Beschouwt Thailand het lot van vluchtelingen en asielzoekers binnen de landsgrenzen nog altijd als een immigratiezaak? Heeft u signalen dat Thailand momenteel werk maakt van ratificatie van het VN-Vluchtelingenverdrag van 1951?
Thailand beschouwt het lot van vluchtelingen en asielzoekers binnen de landsgrenzen nog altijd als een immigratiezaak. Er zijn geen tekenen dat de Thaise regering haar standpunt herziet inzake het VN-Vluchtelingenverdrag van 1951. Tijdens de VN-top voor vluchtelingen en migranten van september 2016 deed premier Prayut Chan-o-cha evenwel een toezegging om de bescherming van vluchtelingen in Thailand te verbeteren. Het besluit van het Thaise kabinet van 10 januari 2017 om een screeningsmechanisme in te stellen voor niet- gedocumenteerde immigranten en vluchtelingen bouwt hierop voort en wordt door de UNHCR als een stap in de goede richting gezien.
In hoeverre kan geconcludeerd worden dat Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers in Thailand vanwege hun afkomst, zichtbaarheid en veelal beperkte bestaansmiddelen in verhouding kwetsbaarder zijn voor arbitraire detentie?
Alle vluchtelingen en asielzoekers worden door de Thaise autoriteiten aan dezelfde behandeling onderworpen; Pakistaanse vluchtelingen en asielzoekers zijn geen specifiek doelwit. UNHCR (Bangkok) heeft desgevraagd niet de indruk dat een bepaalde bevolkingsgroep momenteel oververtegenwoordigd is in detentie-faciliteiten.
Welke resultaten heeft de dialoog die Nederland, ook in EU-verband, met Thailand onderhoudt over de mensenrechtensituatie en de situatie van vluchtelingen en asielzoekers in het land tot dusver concreet opgeleverd?
Nederland en de EU bespreken regelmatig mensenrechtenschendingen en de bescherming van vluchtelingen met de Thaise autoriteiten, maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers. Voorts is deze problematiek aan bod gekomen in multilateraal verband tijdens onder meer de UPR en ICCPR. Nederland volgt de situatie nauwgezet en zal zolang de situatie daarom vraagt zowel bilateraal als internationaal hiervoor aandacht blijven vragen. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Wat doet Nederland, of wat kan Nederland doen, om NGO’s in Thailand die zich met vluchtelingen, asielzoekers en rechtsstaatontwikkeling in Thailand bezig houden, verder te ondersteunen?
Nederland levert steun aan opvang van vluchtelingen en asielzoekers via de bijdrage aan de European Civil Protection and Humanitarian Aid Operations (ECHO).
Ziet u aanleiding om, in navolging van een hervestigingsmissie van de IND naar Thailand begin 2015 waarbij Nederland 38 Pakistaanse vluchtelingen accepteerde voor hervestiging, over te gaan tot het accepteren van extra Pakistaanse vluchtelingen – ook gezien hun verhoudingsgewijs grote kwetsbaarheid en gezien het levensgevaar dat zij lopen bij terugkeer naar hun eigen land? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor het hervestigingsbeleid en de uitvoering daarvan. Zoals gemeld in diens brief aan de Kamer over het meerjarig beleidskader hervestiging 2016–2019 (Kamerstuk 19 637, nr. 2087) wordt de bestemming van hervestigingsmissies bepaald aan de hand van de jaarlijkse Projected Global Resettlement Needs van de UNHCR, relevante ontwikkelingen in het Europese en multilaterale kader, evenals het bredere Nederlandse migratie- en terugkeerbeleid. Ook spelen operationele overwegingen een rol, zoals de veiligheidssituatie in het land van opvang. De missieplanning voor heel 2017 is nog niet bepaald.