Compensatie voor consumenten voor het uitvallen van Blackberry |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Hebben gebruikers van een Blackberry wettelijk gezien recht op compensatie voor het niet naar behoren functioneren van het product en de bijbehorende dienst begin oktober 2011?
Consumenten kunnen met hun klachten over een product (de Blackberry) of over de dienstverlening terecht bij de verkoper van het product of bij de dienstverlener, die het product in combinatie met een dienst heeft aangeboden. Van belang is vast te stellen wat partijen onderling precies hebben afgesproken. Beide partijen zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek over en weer verplicht hun overeenkomst na te komen. Indien één van de partijen tekortschiet in de nakoming, dan kan nakoming of schadevergoeding worden gevorderd of kan de overeenkomst worden ontbonden (6:74 BW e.v. jo. 6:265 BW). Bij een gedeeltelijke ontbinding ontstaat een recht op teruggave van een deel van de abonnementskosten. Er bestaat recht op schadevergoeding indien de wederpartij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis en de consument door deze toerekenbare tekortkoming schade heeft geleden. De consument zal deze schade wel moeten kunnen aantonen. De beoordeling van deze aspecten en of schadevergoeding dient te worden toegekend is in eerste instantie aan partijen en uiteindelijk aan een geschillencommissie of aan de rechter. Beide instanties kunnen het geschil toetsen aan de hand van de regels van het Burgerlijk Wetboek, de geldende algemene voorwaarden en op basis van redelijkheid en billijkheid. In de Telecommunicatiewet is geen wettelijk recht op compensatie opgenomen als een product en de bijbehorende dienst niet naar behoren functioneert. Gebruikers zijn derhalve aangewezen op de mogelijkheden die het Burgerlijk Wetboek hen biedt.
Zo nee, kunt u uiteenzetten welke rechten consumenten wettelijk hebben als de door hen afgenomen dienst niet naar behoren wordt geleverd? Wanneer hebben consumenten recht op restitutie van abonnementskosten als de dienstverlening faalt?
Zie antwoord vraag 1.
Waar kunnen consumenten (zoals bijvoorbeeld ouders die de rekening van hun kinderen betalen) die zich ineens geconfronteerd zien met een hogere rekening als gevolg van het noodzakelijke gebruik van andere diensten als sms in plaats van ping, terecht met klachten?
Zie antwoord vraag 1.
Is het mogelijk te achterhalen hoeveel extra kosten gebruikers hebben gemaakt, bijvoorbeeld doordat ze gebruik hebben moeten maken van sms in plaats van ping? Bent u bereid de providers te verzoeken openbaar te maken hoeveel er meer gebruik is gemaakt van telefonie of sms tijdens de dagen dat Blackberry niet goed functioneerde?
Het is voor mij onmogelijk precies te achterhalen hoeveel extra kosten gebruikers hebben gemaakt als gevolg van de storing. Dat hangt onder meer af van het aantal Blackberries dat in gebruik is, de wijze waarop gebruikers hun bel-, internet- en sms-gedrag hebben aangepast gedurende de storing en het soort abonnement dat zij hebben afgesloten. In de regel zullen gebruikers een abonnement hebben met een vooraf bepaalde waarde aan belminuten, sms’jes en dataverkeer. Zolang het gebruik in de abonnementsmaand binnen deze bundels blijft, zijn er geen extra kosten aan verbonden.
Ik ben evenwel bereid om in overleg te treden met de telecomsector om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot oplossingen voor dit soort problemen te komen. Ik wil hier overigens benadrukken dat in het onderhavig geval de telecomproviders niet de veroorzakers zijn van de problematiek, maar dat de storing het gevolg was van problemen bij de producent van Blackberry.
Vindt u ook dat het gerechtvaardigd zou zijn als het bedrijf Research In Motion (RIM) gebruikers van de Blackberry financiële compensatie aanbiedt voor het falen van de dienstverlening en voor de extra kosten die gebruikers hebben gemaakt, en dat de compensatie met apps onvoldoende is?
Ik vind het verstandig dat bedrijven hun uiterste best doen om tevreden klanten te behouden. Dat betekent allereerst dat zij zullen zorgen voor een aantrekkelijk aanbod en dat zij hun beloftes over de kwaliteit van hun producten en diensten zullen nakomen. Storingen zoals zich hebben voorgedaan bij Blackberry, zorgen voor een enorme schade aan de reputatie van het product Blackberry en het bedrijf Research in Motion. In zijn algemeenheid doen bedrijven, op straffe van verlies van klanten aan de concurrentie, er natuurlijk alles aan om voor tevreden klanten te zorgen. Zoals ik al aangaf in het antwoord op vragen 1 en 2, is de beoordeling of schadevergoeding dient te worden toegekend uiteindelijk aan de rechter. Research in Motion heeft op eigen initiatief compensatie beschikbaar gesteld in de vorm van gratis apps, waarbij de compensatie kan oplopen tot – in geld uigedrukt en omgerekend – circa € 70,00. Of dat een voldoende compensatie is, is aan partijen zelf om te bepalen.
Bent u bereid contact op te nemen met de providers en met (RIM) om te komen tot een collectieve financiële compensatieregeling voor alle Blackberrygebruikers in Nederland, zodat gebruikers niet individueel hoeven te proberen compensatie te krijgen?
Ik vind het in eerste instantie aan de betrokken partijen om hier zelf uit te komen. Lukt dat niet, dan kan een consument een geschil aanhangig maken bij de rechter of bij een geschillencommissie. Een collectieve actie is op grond van 3:305a BW mogelijk door een vereniging of stichting die gelijksoortige belangen behartigt. In deze procedure kan overigens geen schadevergoeding worden gevorderd. Voorts kan men eventueel in onderhandeling treden met de schadeveroorzaker met oog op het bereiken van een schikking. Deze schikking kan vervolgens zo nodig op grond van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (Wcam) door de rechter verbindend worden verklaard. Schadevergoeding kan dan worden uitgekeerd op basis van de bereikte beschikking. Ik realiseer mij dat dit een relatief zware procedure is in vergelijking met de mogelijk geleden schade, maar het is aan partijen om dit al dan niet in hun overwegingen te betrekken. Een wettelijk recht op compensatie vind ik meer passend als het gaat om essentiële diensten, waar consumenten niet kunnen beschikken over alternatieven, zoals bijvoorbeeld bij energienetwerken. Bij de storing bij Blackberry bleek dat consumenten ook tijdens de storing nog konden bellen en sms’en en dus alternatieven tot hun beschikking hadden. Zoals ik reeds in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, ben ik wel bereid in overleg te treden met de telecomsector om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot oplossingen te komen.
Wat vindt u van de oproep van de Consumentenbond om consumenten het wettelijk recht op compensatie te geven zodat consumenten standaard gecompenseerd worden als de dienstverlening van een bedrijf waarbij ze klant zijn, niet functioneert? Bent u bereid de mogelijkheden van zo'n wettelijk recht te onderzoeken?1
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 1 en 2 hebben consumenten op grond van het Burgerlijk Wetboek recht op schadevergoeding indien de wederpartij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis en de consument door deze toerekenbare tekortkoming schade heeft geleden. Bij een gedeeltelijke ontbinding ontstaat, zoals gezegd, een recht op teruggave van een deel van de abonnementskosten. Ik zie naar aanleiding van dit voorbeeld – een storing in de software van de Blackberry – geen reden om specifiek voor de telecomsector aanvullende regels op te stellen. De netwerken van de Nederlandse aanbieders functioneerden namelijk zoals mocht worden verwacht. Het is in mijn ogen onjuist om telecombedrijven nu tot compensatie te verplichten vanwege problemen bij derden waar zij geen invloed op hebben.
Gebruikers kunnen kiezen uit verschillende producten en uit meerdere aanbieders van telecommunicatienetwerken, en een ontevreden gebruiker kan – met inachtneming van regels voor het opzeggen – overstappen naar een andere aanbieder, die bijvoorbeeld meer garanties biedt op een stabieler netwerk of op compensatie. In het wetsvoorstel ter implementatie van de gewijzigde telecomrichtlijnen (NRF) zijn wel nieuwe bepalingen opgenomen om de continuïteit van de openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten te waarborgen. Dit houdt in dat aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten passende technische en organisatorische maatregelen moeten nemen om de risico’s voor de veiligheid en de integriteit van hun netwerken en diensten te beheersen. Dit zal de aanbieders ook in de toekomst stimuleren om te investeren in het netwerk, zodat de continuïteit van de dienst wordt gewaarborgd. Over de invulling van genoemde maatregelen vindt binnen het Nationaal Continuïteitsoverleg Telecom – dat is ingesteld ter voorkoming en ter verhelping van grootschalige uitval – afstemming plaats.
De benzineprijs die hoger is dan de olieprijs rechtvaardigt |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over de benzineprijs die sinds enige tijd hoger is dan de olieprijs rechtvaardigt?1
Graag verwijs ik voor de beantwoording van deze vragen naar de resultaten van het onderzoek naar de werking van de benzinemarkt en de opbouw van de brandstofprijs, dat ik bij brief aan uw Kamer heb toegezonden. Hieruit blijkt dat de hoogte van Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp op de lange termijn goed te verklaren is door de olieprijs en de dollarkoers. Wel kunnen op de kortere termijn sommige fluctuaties in de olieprijs niet, in mindere mate of met vertraging worden doorberekend in de pompprijs. Dit komt bijvoorbeeld doordat de prijzen van ruwe olie, geraffineerde producten en motorbrandstoffen tot stand komen op verschillende markten met elk hun eigen dynamiek en concurrentieomstandigheden.
Overigens wordt in het artikel waarnaar wordt verwezen reeds door de auteur een verklaring gegeven voor zijn eerdere constatering dat «de laatste weken [...] de benzineprijs niet de daling van de olieprijs (in euro’s) [volgt]». Navraag door de auteur bij een oliemaatschappij maakte duidelijk dat benzine in Europa voor het overgrote deel leunt op een andere olieprijs dan de olieprijs die werd gebruikt in de grafiek waaruit de discrepantie van 5 tot 10 cent werd afgeleid. Volgens de auteur van het artikel doet correctie voor deze twee uit elkaar lopende olieprijzen bovengenoemde discrepantie teniet. Ook in hun rapportage over de werking van de benzinemarkt en de opbouw van de brandstofprijs wijzen de onderzoekers erop dat voor de olieprijs verschillende prijsnoteringen bestaan.
Hoe komt het dat de kale benzineprijs de olieprijs niet meer volgt? Klopt het dat de benzineprijs, gegeven de olieprijs, eigenlijk 5 tot 10 cent lager zou moeten zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u navraag doen bij de oliemaatschappijen over de reden van het niet volgen van de olieprijs?
Zie antwoord vraag 1.
Wat kunt u doen om te komen tot een lagere benzineprijs?
Zie antwoord vraag 1.
Misleidende en agressieve verkoopreisjes voor ouderen |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over misleidende en agressieve verkoopreisjes voor ouderen, die erop gericht zijn om middels urenlange verkoopdemonstraties dure spullen, zoals «gezondheidsmatrassen», aan ouderen te verkopen?
Ja.
Klopt het dat uit onderzoek van bureau Intomart blijkt dat jaarlijks 347 000 mensen hiervan het slachtoffer zijn, die ieder honderden euro’s kwijt zijn aan twijfelachtige producten, in totaal voor 103 miljoen euro per jaar?
In 2008 heeft de Consumentenautoriteit het onderzoeksbureau Intomart GfK opdracht gegeven onderzoek te doen naar de aard en omvang van oneerlijke handelspraktijken waarmee Nederlandse consumenten geconfronteerd worden. De onderzoekers hebben op basis van extrapolatie een schatting gegeven van het aantal slachtoffers van «misleidende of agressieve colportagepraktijken». Voor deze categorie oneerlijke handelspraktijken is een schatting gemaakt van 347 000 slachtoffers op jaarbasis. Overigens omvat deze categorie mede verkoopdemonstraties tijdens busreizen, maar ook gedupeerden van bijvoorbeeld verkoop aan de deur. Het precieze aantal gedupeerden bij verkoopdemonstraties tijdens busreizen is uit het onderzoek dus niet af te leiden. Het ligt wel voor de hand te verwachten dat het aantal een beperkt deel is van de genoemde 347 000.
Klopt het dat daarbij ouderen worden geïntimideerd en zwaar onder druk worden gezet om hun te bewegen de producten te kopen?
De Consumentenautoriteit heeft onderzoek gedaan naar de verkooppraktijken van bedrijven die deze busreizen organiseren. Dit onderzoek heeft geleid tot het opleggen van boetes aan enkele bedrijven vanwege overtreding van de wetgeving over oneerlijke handelspraktijken. In boetebesluiten, die in mei 2011 openbaar zijn gemaakt, heeft de Consumentenautoriteit geoordeeld dat bij verkoopdemonstraties tijdens busreizen sprake was van ongepaste beïnvloeding, waardoor de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk werd beperkt. Hierdoor ontstaat de situatie dat de consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (overtreding artikel 6:193h, eerste lid, BW). Hierbij speelden onder andere de lange duur van de verkoopdemonstraties, de grove wijze van bejegening door de verkopers en de wijze waarop de verkopers bij de deelnemers inspeelden op de mogelijke bezorgdheid over hun gezondheidstoestand een rol. De Consumentenautoriteit heeft niet geconstateerd dat deuren op slot werden gedaan of dat mensen «gegijzeld» werden.
Klopt het dat ze worden tegengewerkt als ze achteraf de koop willen annuleren? Klopt het dat zelfs het wettelijke herroepingsrecht, binnen 8 dagen, daarbij wordt genegeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat bij deze verkoopsessies de deuren soms op slot worden gedaan, wordt gedreigd dat mensen niet mee terug mogen met de bus, en dat mensen in een bus in Twente «gegijzeld» werden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat dergelijke praktijken op zo’n grote schaal (zie vraag 2) plaatsvinden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, maken slachtoffers van verkoopdemonstraties slechts een onderdeel uit van het totale aantal slachtoffers op het gebied van «misleidende of agressieve colportagepraktijken». Naar aanleiding van het Intomart GfK onderzoek heeft de Consumentenautoriteit verkoopdemonstraties als prioriteit bestempeld en in haar agenda gezet. De Consumentenautoriteit heeft onderzoek gedaan naar een aantal bedrijven die dergelijke busreizen organiseren, en dat heeft geresulteerd in boetebesluiten. Daarnaast heeft de Consumentenautoriteit bij haar Duitse collega-autoriteit een handhavingsverzoek ingediend, omdat er vaak een link is met Duitse bedrijven. De betrokken ondernemingen hebben in Nederland hun activiteiten inmiddels gestaakt. Daarnaast heeft de Consumentenautoriteit ook voorlichtingscampagnes georganiseerd. De bedrijven waartegen boetes zijn opgelegd, zijn inmiddels gestopt met hun activiteiten. Het aantal meldingen dat de Consumentenautoriteit dit jaar via ConsuWijzer heeft ontvangen, is laag en stabiel.
Is de in 2008 ingevoerde wetgeving over oneerlijke handelspraktijken (art. 6:193a–193j) van het Burgerlijk Wetboek niet toereikend of is de handhaving door de Consumentenautoriteit niet toereikend? Wat gaat u hieraan doen?
De regelgeving inzake oneerlijke handelspraktijken biedt een goede basis voor het aanpakken van deze praktijken. De boetebesluiten van de Consumentenautoriteit zijn hier ook op gebaseerd. Ook de handhaving van de Consumentenautoriteit is effectief geweest, immers de bedrijven die een boete hebben ontvangen van de Consumentenautoriteit zijn gestopt met hun activiteiten.
Ik heb dan ook geen reden te veronderstellen dat de wetgeving en/of de handhaving niet toereikend zou zijn.
Kunt u er bij de Consumentenautoriteit en het Openbaar Ministerie op aandringen dat aan de bestrijding van dit soort verkooppraktijken meer prioriteit gegeven wordt? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie kan optreden als sprake is van strafbare feiten zoals oplichting, bedreiging of bedrog bij verkoop. De Consumentenautoriteit handhaaft onder andere de wet oneerlijke handelspraktijken. Tussen het OM en de Consumentenautoriteit zijn in een samenwerkingsprotocol afspraken gemaakt over welke instantie wanneer handhaaft.
De Consumentenautoriteit heeft op basis van het in vraag 2 genoemde onderzoek prioriteit gegeven aan het onderzoeken van dit soort verkooppraktijken. De Consumentenautoriteit heeft boetes opgelegd aan bedrijven die dergelijke reizen organiseren. Zij houdt deze bedrijven nauwlettend in de gaten en schakelt zo nodig buitenlandse toezichthouders in. Zo heeft de Consumentenautoriteit een verzoek tot handhaving neergelegd bij haar Duitse collegatoezichthouder voor het ondernemen van actie richting de Duitse bedrijven die op dit front in Nederland actief zijn.
Het bericht ‘NG hackt telefoons van klanten’ |
|
Jhim van Bemmel (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «ING hackt telefoons van klanten»1 en «Wie liegt er? ING of T-Mobile»?2
Ja.
Hoe oordeelt u over het gegeven dat beide bedrijven ontkennen gegevens uit te wisselen, maar het er alle schijn van heeft dat dit wel gebeurd?
Uit publieke statements van T-Mobile en ING blijkt dat ING en de Nederlandse telecomaanbieders onderling afspraken hebben gemaakt. Deze zien erop dat indien een klant met behoud van hetzelfde mobiele nummer van simkaart wisselt, het mobiele nummer en het tijdstip van de simwissel worden verstrekt aan ING. Door deze afspraken kan identiteitsfraude via mobiele telefoons worden voorkomen. Of deze gegevensuitwisseling geoorloofd is, is niet aan mij, maar aan het College bescherming persoonsgegevens.
Deelt u de mening dat de conclusies van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) onderzoek wel erg snel richting een «niets aan de hand» scenario gingen? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft mij gemeld dat de OPTA naar zijn weten geen onderzoek heeft gedaan naar de door GeenStijl beschreven praktijk. De OPTA is overigens belast met het toezicht op de Telecommunicatiewet. In de onderhavige casus, waar kennelijk een verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt met het doel simwissels te identificeren en zodoende de betreffende gebruikers tegen fraude te beschermen, is met name de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. Het toezicht op de naleving van deze wet wordt uitgevoerd door het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Of het CBP onderzoek doet of gaat doen naar de onderhavige praktijk is mij niet bekend, aangezien het CBP een onafhankelijke toezichthouder is die geen mededelingen doet over lopende of voorgenomen onderzoeken.
Vindt u ook dat er eens zeer kritisch gekeken moet worden naar de rol van de OPTA hierin? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke voorvallen zijn er nog meer bij u bekend waarbij bedrijven onderling consumentengegevens uitwisselen? Welke actie is of gaat u hierop ondernemen?
Ik heb geen (totaal)overzicht van de uitwisseling van consumentgegevens door bedrijven. Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. Conform de WBP dient de betrokkene (vooraf) te worden geïnformeerd over (het doel van) de verwerking van diens persoonsgegevens (artikel 33 en 34). Bovendien dient dergelijke verwerking niet onverenigbaar te zijn met het doel waarvoor de persoonsgegevens zijn verkregen.
De invloed van de hoogte van griffierechten op de gang naar de rechter |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van Synovate naar de invloed van de hoogte van griffierechten op de gang naar de rechter in opdracht van de Nederlandse Orde van Advocaten?1
Ja.
Heeft u een mening over de opzet van dat onderzoek? Zo ja, wat is uw mening?
Enquêtes zijn een relatief goedkoop en snel instrument om een eerste indruk te krijgen over hoe een bepaald onderwerp op een bepaald moment onder de bevolking leeft. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie gebruikt dit instrument ook. De ervaring leert dat de uitkomsten van dergelijk onderzoek niet diepgaand genoeg zijn om direct naar beleidsmaatregelen te vertalen. Meer aanvullend, diepgravend en feitelijk onderzoek is doorgaans gewenst om tot een goed beeld te komen.
Acht u het onderzoek wat betreft geslacht, leeftijd, inkomens en opleiding van de steekproef representatief voor de Nederlandse bevolking? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat de acht voorgelegde voorbeelden van juridische conflicten een goed beeld schetsen van de problemen waarvoor men een gang naar de rechter zou kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
De door Synovate voorgelegde voorbeelden schetsen geen goed beeld van de problemen waarvoor men een gang naar de rechter zou kunnen maken, omdat er geen rekening wordt gehouden met het aantal keer dat de voorgelegde situaties in de praktijk voorkomen (Synovate geeft dit in het rapport ook aan). Zo gaan 3 van de 8 situaties over bestuursrecht, terwijl deze zaken in de praktijk een relatief klein deel van de instroom bij de rechtspraak vormen (minder dan 10% van de zaken in eerste aanleg betreft een bestuurszaak).
Deelt u de mening dat uit het persbericht1 blijkt dat Nederlanders een groot belang hechten aan de toegang tot de rechter? Zo ja, bent u van mening dat die toegankelijkheid tenminste op het huidige niveau dient te blijven? Hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Nederlanders hechten – net als het kabinet – een groot belang aan de toegang tot het recht. Ze hechten ook een groot belang aan een goed niveau van rechtspraak. In die afweging is het verantwoord bezuinigingen niet te laten leiden tot lagere kwaliteit van rechtspraak of langere doorlooptijden, maar tot hogere griffierechten binnen de marges van de toegankelijkheid.
Schrikt u van de uitkomst dat bijna 40 procent van de Nederlanders nu al vindt dat er sprake is van klassenjustitie, waarin alleen de rijken hun recht krijgen? Zo ja, vreest u dan ook dat de verhoging van de griffierechten, ondanks de compensatie voor de lagere inkomens, deze uitkomst nog zal verslechteren? Zo nee, waarom schrikt u hier niet van?
Het idee dat er sprake is van klassenjustitie wordt niet onderschreven door de feiten. Uit onderzoek blijkt dat de belangrijkste gebruikers van het recht vooral bestaan uit de lagere én hogere inkomensgroepen. Het zijn met name de middengroepen die thans minder toegang tot het recht hebben. Vandaar dat in het wetsvoorstel verhoging griffierechten een compensatieregeling is opgenomen, waarvoor naast de lagere inkomens ook de middenkomens in aanmerking komen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat 15 procent van de Nederlanders niet meer naar de rechter gaat als de griffierechten worden verhoogd volgens de voorstellen van het kabinet zoals die nu bekend zijn, zelfs al vinden deze Nederlanders het belangrijk dat de rechter naar de zaak kijkt? Zo ja, wat betekent dit voor uw plannen? Zo nee, waarom vindt u het niet belangrijk dat mensen in staat worden gesteld hun recht te halen daar waar dat nodig is?
Naar aanleiding van de uitkomsten van de impactanalyse van Significant, berekeningen van de Raad voor de rechtspraak, en ook het onderzoek van Synovate, zijn er wijzigingen in het wetsvoorstel aangebracht, bijvoorbeeld inzake de tarieven in het bestuursrecht. De twee eerstgenoemde onderzoeken komen overigens tot een geringere vraaguitval dan de door Synovate berekende vijftien procent op basis van de consultatieversie van het wetsvoorstel. Bij de tarieven in het thans voorliggende wetsvoorstel is voor maatwerk gekozen, zodat de toegang tot het recht niet wordt geblokkeerd.
Deelt u de mening dat, als deze uitkomst werkelijkheid wordt, we mogen constateren dat als gevolg van het verhogen van de griffiekosten voor een grote groep rechtzoekenden de toegang tot het recht wordt geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 7.
De procedures rondom erkenning en gezag over kinderen geboren buiten het huwelijk |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom krijgt de moeder van het kind dat buiten het huwelijk, wordt geboren automatisch het gezag over het kind, maar de man die het kind erkend heeft niet?
De vrouw uit wie een kind is geboren, is door geboorte de juridische ouder van en verkrijgt van rechtswege het gezag over haar kind, tenzij zij ten tijde van de bevalling onbevoegd was tot gezag omdat zij bijvoorbeeld minderjarig was (artt. 198 en 253b Boek 1, Burgerlijk Wetboek (BW)). De zwangerschap en de bevalling rechtvaardigen dit uitgangspunt. De burgerlijke staat van de moeder is voor de vraag of zij het gezag uitoefent derhalve niet bepalend.
Erkenning leidt niet automatisch tot gezag. De situaties waarin een man een kind erkent, kunnen heel divers zijn. De moeder en de erkenner, de juridische vader, kunnen een duurzame relatie met elkaar hebben, maar dit hoeft geenszins het geval te zijn. Zou een erkenning van rechtswege, automatisch, het gezag met zich brengen, dan kan dat voor de moeder een drempel zijn voor het geven van toestemming voor de erkenning. Ook bestaat de kans dat een verzoek om erkenning enkel wordt afgewezen met het oog op de onmogelijkheid van de gezamenlijke uitoefening van het gezag. Een kind heeft in dat geval maar één juridische ouder. Het waar mogelijk hebben van twee juridische ouders, acht ik in het belang van het kind.
Ouders kunnen samen op eenvoudige wijze het gezag verkrijgen door een gezamenlijk verzoek tot plaatsen van een aantekening in het gezagsregister (artikel 252 lid 1 Boek 1 BW). Dit kan op eenvoudige wijze door het versturen van een formulier aan de rechtbank. Als zij het niet eens zijn over een gezamenlijke uitoefening van het gezag, dan kan de vader de rechter verzoeken hem samen met de moeder of in plaats van de moeder met het gezag te belasten (artikel 253c lid 1 Boek 1 BW). Een verzoek om gezamenlijk gezag door de juridische ouder – vader – wordt in beginsel toegewezen. Een verzoek wordt alleen afgewezen als dit in het belang is van het kind. In de wet is bepaald dat afwijzing alleen geschiedt als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is, dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of als afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is (artikel 253c lid 2 BW). Het onderscheid tussen kinderen geboren binnen en buiten huwelijk is dus zo beperkt mogelijk en wordt door het belang van het kind gerechtvaardigd.
Waarom moet de vader van het kind, geboren buiten het huwelijk, het kind eerst erkennen bij de gemeente, waarbij één van de vereisten is dat de moeder instemt met de erkenning, daarna nog het gezag over het kind aanvragen bij de rechtbank? Waarom is deze extra stap in de procedure ingebouwd ?
Zie antwoord vraag 1.
Zou het niet eenvoudiger en rechtvaardiger zijn om de moeder van het kind en de vader die het kind heeft erkend automatisch samen het gezag toe te kennen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit onderscheid tussen kinderen geboren binnen het huwelijk en kinderen geboren buiten het huwelijk ongedaan te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een korte beschrijving geven van de procedure van erkenning van en gezag over kinderen geboren buiten het huwelijk in andere Europese landen? Is de procedure in Nederland niet omslachtiger dan in de ons omringende landen?
Nee, de procedure is in Nederland niet omslachtiger dan in de ons omringende landen. De procedure voor het verkrijgen van gezag verschilt per land en hangt onder meer samen met het afstammingsrecht van het land dat het betreft.
Duitsland en Zweden kennen een systeem vergelijkbaar met het Nederlandse, zowel wat betreft het afstammingsrecht als het recht inzake het ouderlijke gezag. In België zijn de erkenning en het ouderlijke gezag wel aan elkaar gekoppeld. In Frankrijk moet een kind buiten huwelijk zowel door zijn moeder als vader worden erkend. Als zij het kind vrijwillig hebben erkend voordat het kind 1 jaar is geworden en zij ten tijde van de erkenning samenleefden, oefenen zij als regel gezamenlijk het gezag uit. Erkent één van de ouders het kind niet in zijn eerste levensjaar, dan oefent de andere ouder het gezag alleen uit.
Bent u bereid deze vragen in ieder geval te beantwoorden voor het algemeen overleg over huwelijks- en echtscheidingsrecht, op 29 september 2011?
Ja.
De aansprakelijkheid van Eternit voor kosten van asbestsanering |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van het gerechtshof Arnhem1 waarin de rechter uitspreekt dat Eternit aansprakelijk gesteld kan worden voor geleden schade als gevolg van blootstelling aan asbest omdat het bedrijf in het verleden verzuimd heeft te informeren over de schadelijkheid van asbest?2
Ja.
Deelt u de mening dat dit een heuglijke uitspraak is voor de meer dan 1000 mensen, die jaarlijks vanwege blootstelling aan asbest een pijnlijke dood sterven, en hun nabestaanden enerzijds vanwege de erkenning en anderzijds vanwege de te verhalen schadevergoeding?
De uitspraak bevestigt de zorgplicht van de producent om informatie te verstrekken over bekende gevaren voor de gezondheid bij het gebruik van zijn producten. Deze erkenning van aansprakelijkheid van de producent is positief, omdat de overheid een financiële tegemoetkoming verstrekt aan slachtoffers die aan mesothelioom lijden als gevolg van blootstelling aan asbest en de kosten daarvan zoveel mogelijk verhaalt op de veroorzaker. Dit gebeurt door de Sociale Verzekeringsbank via de uitvoering van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers en de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom.
De uitspraak kan bovendien bevorderen dat producenten bij de introductie van nieuwe producten beter nadenken over mogelijke gevaren van die producten en daar de gebruikers ook op wijzen. Het voorkomen van slachtoffers blijft wat mij betreft het hoofddoel van het beleid voor het omgaan met gevaarlijke stoffen, waaronder asbest.
Deelt u de mening dat het voorgoed saneren van asbest uit wegen, paden en gebouwen de beste oplossing is om het aantal slachtoffers te verminderen? Zo nee, waarom niet?
De sanering van asbestwegen is een goede, maar ook kostbare zaak geweest om de blootstelling aan asbest te verminderen. Deze sanering wordt volgend jaar afgerond. Het voorgoed saneren van asbest uit gebouwen is geen beleidsdoel, omdat hechtgebonden asbest in gebouwen geen gevaar voor de gezondheid oplevert. Een totale sanering van asbest uit gebouwen brengt zeer hoge kosten met zich mee en is moeilijk uitvoerbaar en handhaafbaar. De hoge kosten van totale sanering van asbest uit gebouwen acht ik ook niet doelmatig omdat het nauwelijks slachtoffers zal voorkomen. Het verwijderen van asbest bij sloop- en verbouwwerkzaamheden is wel gevaarlijk voor de gezondheid. Daarom hecht ik aan de strenge regels die gelden voor het verwijderen van asbest uit gebouwen en objecten, om toekomstige slachtoffers van blootstelling aan asbest zoveel mogelijk te voorkomen.
Wat zijn tot op heden de resultaten van de door uw voorganger aangekondigde onderhandelingen met Eternit over een vrijwillige bijdrage aan het saneren van asbest in Nederland?
De onderhandelingen met Eternit hebben geen vrijwillige bijdrage opgeleverd aan het saneren van asbest.
Bent u bereid om, met de ruimte die de voornoemde bewezen aansprakelijkheid u biedt, een juridische procedure te starten tegen Eternit om de kosten voor sanering van asbest in Nederland te verhalen? Zo nee, kunt u die politieke keuze om de kosten, die in de honderden miljoenen euro’s lopen, niet op de veroorzaker, Eternit, te verhalen, maar neer te leggen bij Nederlandse belastingbetalers en ondernemers, toelichten?
De rechter heeft geen uitspraak gedaan over de stelling dat Eternit verplicht was om het asbest van het erf van het slachtoffer te verwijderen, nadat bekend was dat dergelijke blootstelling de dood tot gevolg kon hebben. Niettemin ben ik met u eens dat de Staat mogelijkheden tot verhaal van milieuschade op de veroorzaker moet benutten. De juridische mogelijkheden en kansen voor een aansprakelijkstelling van Eternit heb ik eerder laten onderzoeken door de landsadvocaat. In het licht van deze uitspraak zal ik nader onderzoek doen.
Tegemoetkoming schade bij de overstroming van de Maas |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u al besluiten genomen op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij overstroming van de Maas in januari 2011?
Nee.
Deelt u de opvatting dat het beperken van de toepassing van de schaderegeling tot een klein deel van de gemeente Bergen onvoldoende gemotiveerd is en de gemeente Bergen opgezadeld wordt met onevenredig hoge kosten?
Op dit moment ben ik van mening dat mijn besluit om het schadegebied niet aan te passen, goed is gemotiveerd. Door de gemeente Bergen (L) is echter bezwaar gemaakt tegen mijn besluit. Ik acht het niet wenselijk vooruit te lopen op de uitkomsten van deze en mogelijk andere procedures.
Kunt u een afschrift van uw uitspraak op het bezwaarschrift van de gemeente Bergen naar de Kamer toezenden?
Ik zal u mijn beslissing op het bezwaarschrift van de gemeente Bergen (L) zenden, nadat ik deze beslissing heb genomen en de gemeente Bergen (L) heb geïnformeerd.
Het artikel "Luchtvaart woest om hulp bij claim" |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Luchtvaart woest om hulp bij claim»?1
Het artikel is mij bekend.
Was bij u voor 6 augustus 2011 bekend dat de Consumentenbond zich als intermediair opstelt voor een commercieel bedrijf gericht op het assisteren van benadeelde reizigers en hier per claim aan verdient? Zo ja, heeft u contact opgenomen met de Consumentenbond en/of de Board of Airline Representatives In the Netherlands (BARIN)? Zo nee, ziet u nu aanleiding om contact op te nemen met de Consumentenbond en/of de BARIN?
De Consumentenbond heeft het Ministerie op 1 augustus 2011 een bericht gestuurd waarin zij bekend maakt om in samenwerking met EUclaim de Vlucht Claim Service te starten. Vanuit mijn departement is contact opgenomen met de Consumentenbond.
Bent u bekend met het feit dat uw ambtsvoorganger tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet luchtvaart en de Luchtvaartwet ter implementatie van verordening (EG) nr. 2111/2005 de mening van de Kamer deelde dat het niet zo kan zijn dat gedupeerde reizigers afhankelijk moeten zijn van commerciële bureaus om hun recht te kunnen halen? Zo ja, kunnen reizigers sinds 6 augustus 2011 ook zonder tussenkomst van commerciële bureaus hun recht halen? Waar baseert u dit op?
Ik deel de mening van mijn ambtsvoorganger dat het niet zo kan zijn dat gedupeerde reizigers afhankelijk moeten zijn van commerciële bureaus om hun recht te kunnen halen. Reizigers konden en kunnen zowel vóór als sinds 6 augustus 2011 ook zonder tussenkomst van commerciële bureaus hun recht halen. Een passagier kan met zijn klacht immers zelf rechtstreeks terecht bij de IVW, de Geschillencommissie Luchtvaart en de civiele rechter. Daarvoor hoeft hij geen commercieel tussenpersoon in te schakelen. Dat staat hem vrij.
Indien u van mening bent dat reizigers ook zonder tussenkomst van commerciële bureaus hun recht kunnen halen, hoe beoordeelt u dan het feit dat een Consumentenorganisatie consumenten zeer eenzijdigen onvolledig informeert door alternatieve, gratis en/of goedkopere mogelijkheden,zoals de Geschillencommissie Luchtvaart, Inspectie Verkeer en Waterstaat en luchtvaartmaatschappijen, niet te benoemen, maar hun adviseert om met name gebruik te maken van één commercieel bureau waaraan zij verdient?
De Consumentenbond vermeldt op haar website dat mensen zich altijd eerst tot hun luchtvaartmaatschappij moeten wenden als zij een klacht hebben of menen recht te hebben op compensatie. Als dat niet lukt, presenteert de Consumentenbond in het stappenplan van de Vlucht Claim Service een aantal mogelijkheden, waarbij de Geschillencommissie Luchtvaart als eerste aan de orde komt.
Is het waar dat de Consumentenbond van EUClaim een vast percentage ontvangt per toegekende claim? Is het waar dat de consument bij EUClaim bij 600 euro vergoeding zelf nog maar 413 euro ontvangt, de Consumentenbond 30 euro en EUClaim 157 Euro, waarvan 25 euro administratiekosten? Zo ja, wat is dan uw oordeel hierover?
Volgens de Consumentenbond ontvangt zij een bedrag van 5 euro per doorgeleide claim en 5% van een gehonoreerde claim in geval EUclaim wordt ingeschakeld. Het staat de consument vrij om al dan niet gebruik te maken van de diensten van de Consumentenbond en/of commerciële tussenpersonen en de daarbij behorende tarieven en/of provisies te betalen.
Weet u dat de Consumentenbond, voorafgaand aan reacties van luchtvaartmaatschappijen of uitspraken van de Geschillencommissie Luchtvaart, of Inspectie Verkeer en Waterstaat en/of de rechter, onterecht reeds bepaalt welke vluchten in aanmerking komen voor compensatie? Hoe verhoudt dit zich in uw ogen tot de rol van de Consumentenbond die, samen met de BARIN, oprichter en stakeholder is van de Geschillencommissie Luchtvaart, in deze geschillencommissie en ook in alle andere geschillencommissies, waar zij arbiters van consumentenzijde voor heeft aangesteld?
De Consumentenbond kan niet bepalen welke vluchten in aanmerking komen voor compensatie. Alleen de IVW, de Geschillencommissie Luchtvaart en de civiele rechter kunnen hierover uitspraken doen met rechtsgevolg. Met de klachten die de Consumentenbond binnenkrijgt, zal zij ook naar genoemde instanties moeten stappen voor een uitspraak. De samenwerking tussen de Consumentenbond en EUclaim enerzijds en de rol van de Consumentenbond als medeoprichter en stakeholder in de Geschillencommissie Luchtvaart anderzijds, hoeven elkaar dus niet te bijten.
Indien u van mening bent dat reizigers niet zonder tussenkomst van commerciële bureaus hun recht kunnen halen, welke stappen bent u dan voornemens te zetten om dit wel mogelijk te maken? Op welke termijn mogen de eerste resultaten van deze stappen verwacht worden?
Hiervoor verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Lesbisch ouderschap |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is op dit moment de stand van zaken rond het aangekondigde wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap?
De Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel. Op dit moment wordt het nader rapport voorbereid. Indien de Ministerraad instemt met het nader rapport en het wetsvoorstel zal ik bevorderen dat het wetsvoorstel voor de Algemene Politieke Beschouwingen bij de Tweede Kamer wordt ingediend.
Hoe verhoudt de beoogde inwerkingtreding hiervan (1 juli 2011), zoals vermeld in de Rijksbegroting 2011, zich tot de recente toezegging van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat het wetsvoorstel «in de zomer» van 2011 wordt ingediend? Hoe verhoudt laatstgenoemde toezegging zich tot de volgende mededeling in de recente brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie1: «Ik streef er naar u spoedig nader te berichten»?
Zoals aangegeven bij vraag 1 zal ik indien de Ministerraad instemt met het nader rapport en wetsvoorstel, bevorderen dat het wetsvoorstel medio september wordt ingediend. Dit is conform de toezegging (zomer 2011).
Waarom is de indiening van het wetsvoorstel Lesbisch Ouderschap een aantal keren uitgesteld?
Het opstellen van het nader rapport is complex en kost tijd.
Wordt het wetsvoorstel, zoals eerder toegezegd, nog deze zomer ingediend? Zo niet, wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel verwachten?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2.
Het artikel ‘De levensgenieter krijgt ‘levenslang’ oftewel eens genoten altijd genoten |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het artikel gelezen van prof dr. B.M.E.M. Schols over artikel 10 Successiewet 1956 (SW), getiteld «De levensgenieter krijgt «levenslang» oftewel eens genoten altijd genoten»?1
Ja.
Bent u het met de auteur eens dat het standpunt van het specialistenteam onjuist, is omdat na afstand van het vruchtgebruik sprake is van een nieuwe rechtsverhouding zodat het genot na de omzetting (na 180 dagen) is geëindigd, als bedoeld in artikel 10 lid 4 letter b SW?
De door de Belastingdienst aangegeven toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956 (hierna: SW) is naar mijn mening juist en ik deel de opvatting van de auteur dus niet. Het betreft hier situaties waarin ouders hun woning in het verleden hebben overgedragen aan hun kinderen onder voorbehoud van vruchtgebruik, een recht van gebruik en bewoning of een huurrecht. Een van de redenen daarvoor is te voorkomen dat de waardestijging van de woning bij overlijden van de ouders in de heffing van erfbelasting wordt betrokken; dit terwijl de ouders materieel gezien door het voorbehouden recht in dezelfde positie verkeren als voor de overdracht. Zonder toepassing van artikel 10 SW zouden de waardestijging en de waardeaangroei van bloot eigendom naar volle eigendom bij de kinderen onbelast blijven. Met het oog op o.a. dit soort belastingbesparende situaties is artikel 10 SW bij de herziening van de SW per 1 januari 20102 uitdrukkelijk in de wet gehandhaafd. Het belang van de werking van deze bepaling is bij die herziening uitvoerig benadrukt.
Binnen de huidige regelgeving kunnen partijen de toepassing van artikel 10 SW voorkomen wanneer de kinderen de (bloot) eigendom van de woning overdragen (terugverkopen of schenken) aan hun ouders. Hiermee wordt de eerdere overdracht van de bloot eigendom teruggedraaid en zal de woning weer in zijn geheel onbezwaard tot het vermogen van de ouders behoren. Een dergelijke terugoverdracht zal in veel gevallen niet de voorkeur hebben van partijen en zal ook niet altijd (financieel) realiseerbaar zijn.
Zoals in het nader rapport bij het wetsvoorstel inzake de herziening van de SW is meegedeeld, is het besluit van 30 november 1964 ingetrokken, omdat dit besluit niet paste in de bedoeling van dat wetsvoorstel om allerlei estateplanningsmogelijkheden ter besparing van erfbelasting zoveel mogelijk te beteugelen.3 Uitgaan van de waarde van de woning ten tijde van de overdracht in plaats van de waarde ten tijde van het overlijden is strijdig met doel en strekking van artikel 10 SW. Bij de herziening van de SW is daarom bewust afgezien van het treffen van overgangsrecht na intrekking van het genoemde besluit.4 Als gevolg hiervan wordt de hiervoor beschreven situatie – conform de bedoeling van artikel 10 SW – zwaarder dan voor 1 januari 2010 in de heffing van erfbelasting betrokken.
Hoewel een belangrijke reden voor de overdracht van de woning onder het voorbehoud van het vruchtgebruik of een recht van gebruik en bewoning is gelegen in besparing van erfbelasting, realiseer ik me ook dat mensen vertrouwen hebben ontleend aan het genoemde besluit uit 1964. De omstandigheden afwegend, en met de toezegging om de praktijkgevolgen van de aanpassing van artikel 10 SW twee jaar na wijziging te bezien in het achterhoofd5, zal ik alsnog overgangsrecht treffen voor de intrekking van het besluit. Het overgangsrecht zal uiteraard alleen gelden voor situaties die zijn ontstaan door een overdracht van de woning vóór 1 januari 2010. Het overgangsrecht zal erop neerkomen dat de betreffende belastingplichtigen bij het overlijden van (een van) hun ouders mogen uitgaan van de waarde van de woning op het tijdstip van de rechtshandeling waarbij de woning is overgedragen, vermeerderd met de waardestijging van 1 januari 2010 tot de overlijdensdatum. Hierdoor wordt een waardestijging tussen het moment van de rechtshandeling en 1 januari 2010 niet meegenomen voor de toepassing van artikel 10 SW. Wellicht ten overvloede merk ik op dat overgangsrecht ook zal gelden voor situaties waarin het vruchtgebruik inmiddels is omgezet in huur. Het overgangsrecht zal worden opgenomen in een binnenkort te publiceren beleidsbesluit. De kosten van het overgangsrecht ten bedrage van € 10 miljoen zullen worden gedekt door eenmalig de indexatie van de bedragen van de eerste tariefschijf en de vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting achterwege te laten.
Zo nee, vindt u niet dat mensen, ondanks het ontbreken van overgangsrecht, een eerlijke kans moeten krijgen het «artikel 10 SW-gevaar» te repareren?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, ook niet nu deze mensen al sinds 1964 gebruik hebben gemaakt van een resolutie (resolutie 30 november 1964, BNB 1965/96) die zonder overgangsrecht ineens wordt ingetrokken?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, is er geen sprake van onbehoorlijk bestuur nu, naast het ontbreken van overgangsrecht, de reparatiemogelijkheid ook wordt ontnomen? Bent u bereid de mogelijkheid te bieden tot een reparatiemogelijkheid, waaraan mensen rechtszekerheid kunnen ontlenen?
Zie antwoord vraag 2.
Is er geen sprake van rechtsongelijkheid nu alleen het specialistenteam successie/schenking Randmeren, kantoor Zwolle (25 maart 2011, C2010/151) stelt dat artikel 10 SW tijdens leven niet kan worden gerepareerd? Wat gaat u aan deze rechtsongelijkheid doen?
Er is geen sprake van rechtsongelijkheid. Het standpunt is weliswaar naar buiten gebracht via een brief van het specialistenteam Successiewet Randmeren, kantoor Zwolle, maar er is sprake van een gecoördineerd standpunt binnen de Belastingdienst, in casu de drie specialistenteams. Er heeft bovendien overleg plaatsgevonden met het ministerie van Financiën.
Vindt u niet dat de inspecteur dit soort bijzondere vraagstukken vooraf had moeten afstemmen met het ministerie van Financiën of met u omdat antwoord wordt gegeven op een rechtsvraag? Is er geen beleid om antwoorden op rechtsvragen landelijk te coördineren?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wordt bij besluit (ministerie van Financiën 6 januari 2011 nr DGB2010/6643M) vastgelegd dat er niet alleen een zakelijke huur moet zijn overeengekomen maar dat die huur ook jaarlijks moet zijn aangepast? Realiseert u zich dat er dan geen enkele situatie onder valt, omdat aanpassing niet gebeurt in de praktijk?
Tijdens de herziening van de SW is door de Kamer gevraagd naar overgangsrecht voor op 1 januari 2010 bestaande huursituaties. Mijn ambtsvoorganger heeft toen op dit punt overgangsrecht aangekondigd. De goedkeuring in het genoemde beleidsbesluit is één op één overgenomen uit de parlementaire stukken. Het uitgangspunt van de goedkeuring is de zakelijkheid van de huur. Hierbij is natuurlijk van belang dat de betreffende huur tot aan het overlijden zakelijk blijft. Anders heeft het uitgangspunt van zakelijkheid geen betekenis. Een huursom die in 1990 zakelijk is bepaald, is zonder aanpassingen niet meer zakelijk in 2011. De voor de hand liggende wijze van het zakelijk houden van de huursom is dat de huursom de trendmatige huurontwikkeling volgt. Hieraan is in ieder geval voldaan als de huur jaarlijks is aangepast aan de huurindexatie. Maar er zullen ook andere manieren zijn om een huur zakelijk te houden. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Indien betrokkenen in redelijkheid konden aannemen dat de overeengekomen huurprijs zakelijk was en deze tot het overlijden zakelijk is gebleven, zal de in het besluit van 6 januari 2011 opgenomen goedkeuring van toepassing zijn. De formulering van het beleidsbesluit is strikter dan noodzakelijk en zal met inachtneming van het vorenstaande worden versoepeld. Ter voorkoming van misverstanden merk ik nog op dat voor huursituaties die op of na 1 januari 2010 zijn ontstaan de wettelijke regeling geldt, waarbij een huursom van 6% van de waarde van de woning in onbezwaarde staat als voorwaarde geldt om toepassing van artikel 10 SW te voorkomen.
Wat vindt u van de opmerking van prof. dr. J.P.M. Stubbe in Fiscale Berichten voor het Notariaat (FBN) 2010 nr. 20, dat de huur van woonruimte maatschappelijk en juridisch gezien niet jaarlijks aan de ontwikkeling van de waarde van de woning kan worden aangepast?
Vooreerst merk ik op dat bij de toepassing van artikel 10 SW andere uitgangspunten ten aanzien van huur-verhuursituaties worden gehanteerd dan in puur zakelijke verhuursituaties tussen willekeurige derden. Een vergelijking met zakelijke verhuursituaties gaat daarom ook mank, omdat bij artikel 10 SW-situaties per definitie sprake is van een familierelatie. Voor artikel 10 SW geldt wettelijk sinds 1 januari 2010 als algemeen uitgangspunt dat sprake is van genot indien voor het genot van een vruchtgebruik niet jaarlijks een vergoeding van ten minste 6% van de waarde van de goederen in onbezwaarde staat wordt betaald. Dit forfaitaire percentage wordt consequent voorgeschreven voor alle situaties van waarderingen van vruchtgebruiken en blooteigendommen in de SW en geldt blijkens de wetsgeschiedenis bij de herziening van de SW ook voor huur-verhuursituaties, waarin de verhuurde woning voor de overdracht aan de kinderen in volle eigendom aan de ouders toebehoorde.6 Deze uitgangspunten in de SW botsen niet met de genoemde uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
In dit kader wil ik nog opmerken dat bij de behandeling van de herziening van de SW het voornemen is uitgesproken om het forfaitaire percentage dat wordt gehanteerd in de SW te verlagen van 6% naar 4%.7 Dit lagere percentage zou dan ook automatisch gegolden hebben voor de overeen te komen huurprijs. Tegen dit voornemen bleek echter veel weerstand te bestaan, omdat een gevolg daarvan was dat nalatenschappen met een wettelijke verdeling in hun totaliteit zwaarder zouden worden belast. Om die reden is toen alsnog afgezien van een verlaging van het percentage en is bewust vastgehouden aan het percentage van 6. Zoals vermeld geldt het forfaitaire percentage van 6% voor de gehele SW en dus ook voor huur-verhuursituaties.
Mede in het kader van het gestelde in de onderhavige vragen acht ik het zinvol om een nader onderzoek in te stellen naar het in de SW gehanteerde forfaitaire percentage van 6. Bij dit onderzoek, dat in 2012 zal plaatsvinden, zal ik uiteraard oog hebben voor de gevolgen van een eventuele aanpassing van het percentage voor bepaalde verervingssituaties, zoals die van de wettelijke verdeling. Ook zal een verband gelegd kunnen worden met de inkomstenbelasting.
Heeft u zich gerealiseerd dat de huurprijs van 6% in veel gevallen hoger is dan het percentage uit de uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte? Welke boete of straf kan iemand krijgen die een huurprijs vraagt die boven dat wettelijke maximum ligt?
Zie antwoord vraag 9.
Realiseert u zich dat in het geliberaliseerde deel van de huurmarkt de gemiddelde huurprijs 4,7% van de WOZ-waarde van de woning bedraagt (Hervorming van het Nederlandse woonbeleid, Centraal Planbureau, 2010)?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u één grote verhuurder in Nederland aanwijzen die een huurprijs van 6% van de WOZ-waarde gemiddeld bij zijn huurders in rekening brengt?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de analyse uit het voornoemde CPB-rapport dat voor een nominaal rendement van 6% per jaar een bruto huurprijs van 3,7% vereist is (6% – 2% inflatie – 1% extra waardestijging van de woning boven inflatie + 0,7% kosten onderhoud)? Bent u bereid het voorgenoemde besluit aan te passen en 3,7% te bestempelen als een marktconforme huur?
Zie antwoord vraag 8.
Welke waarde moet bij de berekening eigenlijk worden genomen, de WOZ-waarde of de werkelijke waarde van het huis?
Er dient uitgegaan te worden van een huursom van 6% van de WOZ-waarde van de woning.
Hoe zijn dit soort ingrijpende maatregelen gecommuniceerd naar de burger?
De maatregelen zijn in werking getreden in het kader van de herziening van de SW per 1 januari 2010. Overigens bestond artikel 10 SW ook voordien al en had het artikel toen een gelijke strekking. Met betrekking tot de wijzigingen in de SW is in 2009 veel publiciteit geweest. Zo zijn er regelmatig nieuwsberichten geplaatst op de website van het ministerie van Financiën en ook op de website van de Belastingdienst. De aangepaste regelgeving is uiteraard uiteindelijk ook in de Staatsblad gepubliceerd.
Gezien het feit dat vanuit de praktijk er heel veel verontwaardiging over is dat er geen overgangsrecht geldt voor de intrekking van de resolutie van 30 november 1964, BNB 1965/96, is het niet rechtvaardiger een step-up regeling te bedenken waardoor een eventuele waardeontwikkeling tot 1 januari 2010 niet relevant of slechts gedeeltelijk relevant is voor artikel 10 SW?
Zie antwoord vraag 2.
Aangezien velen forse verbeteringen aan de woning hebben aangebracht tussen de overdracht aan het overlijden, wordt er rekening gehouden met deze woningverbeteringen? Is er een vrije bewijsregeling of hadden deze mensen de nota’s, van soms tientallen jaren geleden, moeten bewaren?
Voor artikel 10 SW dient men in de genoemde gevallen uit te gaan van de WOZ-waarde van de woning op het moment van het overlijden, gerelateerd aan de staat van de woning op het moment van de vervreemding aan de kinderen. Dit betekent dat bij tussentijdse verbeteringen de waardestijging ontstaan door de verbeteringen niet in de heffing (op grond van artikel 10 SW) wordt betrokken. De belanghebbende dient aannemelijk te maken dat sprake is van verbeteringen. Er geldt geen voorgeschreven vorm. Er is derhalve inderdaad sprake van een vrije bewijsregeling.
De snelle en zorgvuldige administratieve afhandeling van een overlijden in het buitenland |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending op Nederland 1 van «Groeten van Max» van 11 juli 2011 waarin de problemen van mevrouw Kars besproken werden met de inschrijving van de overlijdensakte van haar man die in Tunesië is overleden?
Ja.
Welke ondersteuning is door het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade in Tunesië verleend bij de legalisatie van de overlijdensakte? Wanneer verwacht u dat de legalisatie van de overlijdensakte afgerond wordt?
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag van mevrouw Kars in september 2010 in behandeling genomen. Dit is op 8 september 2010 schriftelijk aan mevrouw Kars bevestigd. Daarbij is aangegeven dat de afhandeling van een aanvraag vier tot zes maanden in beslag kan nemen, omdat Nederland afhankelijk is van de medewerking van de lokale autoriteiten. De Nederlandse ambassade heeft de procedure in gang gezet en in de maanden daarna diverse keren gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten.
Naar aanleiding van een telefoontje van mevrouw Kars in februari 2011 meldde de Nederlandse ambassade dat vanwege de politieke situatie in Tunesië op dat moment rekening moest worden gehouden met ernstige vertraging. Nadat de ambassade andermaal had gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten bleek dat de oorspronkelijke aanvraag daar verloren was gegaan. De ambassade heeft vervolgens de aanvraag opnieuw ingediend.
In mei en juni 2011 is er opnieuw contact geweest tussen mevrouw Kars en het ministerie van Buitenlandse Zaken. De ambassade heeft er vervolgens bij de Tunesische autoriteiten op aangedrongen dit dossier met voorrang af te handelen. Op 28 juni 2011 is de gelegaliseerde akte uiteindelijk ontvangen op de ambassade en per diplomatieke koerier naar het ministerie gezonden. De akte is op 5 juli 2011 op het ministerie ontvangen en op 6 juli op haar verzoek per aangetekende post bij mevrouw Kars afgeleverd. De uitzending van «Groeten van Max» is kennelijk voor die datum opgenomen. Het valt niettemin te betreuren dat de legalisatie zo lang heeft geduurd.
Bent u bereid om, gebaseerd op de gegevens die u nu heeft, de heer Kars onmiddellijk als overleden te registreren? Zo nee, waarom niet?
Het is zoals bij ieder overlijden in het buitenland aan de nabestaanden om bij de gemeente waarvan betrokkene ingezetene was op het tijdstip van overlijden, melding te doen (artikel 76 Wet GBA). Daarnaast kan de akte van overlijden op verzoek van de nabestaanden worden ingeschreven in het overlijdensregister van de gemeente Den Haag, maar dit is niet verplicht (artikel 1:25 BW). De melding van mevrouw Kars, van het overlijden van haar man, kon nog niet in de GBA worden opgenomen omdat de akte eerst gelegaliseerd moest worden.
Wat zijn de gevolgen voor iemands inschrijving in de burgerlijke stand zolang een overlijdensakte nog niet gelegaliseerd is? Welke instanties behandelen de betrokken persoon dan nog als levend?
Op grond van de gegevens in de GBA zullen afnemers daarvan, zoals de Belastingdienst, het UWV, de SVB en pensioenfondsen, betrokkene in beginsel als in leven zijnd beschouwen totdat zij een melding van het overlijden krijgen. In beginsel, nu het de eigen verantwoordelijkheid van betrokken organisaties is hoe zij met een melding van het overlijden door de nabestaanden aan de hand van een niet-gelegaliseerde akte of getuigenverklaringen omgaan. Een gelegaliseerde akte van overlijden kan worden ingeschreven bij de burgerlijke stand te Den Haag en dient als bewijskracht (artikel 1:22, tweede lid, BW).
Hoe kan het zijn dat op basis van een buitenlandse overlijdensakte wel een verlof tot begraven of cremeren wordt gegeven, maar dat het onmogelijk is om deze in te schrijven in de burgerlijke stand?
Het verlenen van verlof tot begraven of cremeren is niet afhankelijk van het registreren van het overlijden in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en eventueel het inschrijven van de gelegaliseerde overlijdensakte bij de burgerlijke stand te Den Haag. Indien het lijk afkomstig is uit een land dat partij is bij de Overeenkomst van Straatsburg inzake het vervoer van lijken of de Overeenkomst van Berlijn inzake het vervoer van lijken, wordt het verlof door de ambtenaar van de burgerlijke stand verleend indien het zogenaamde laissez-passer wordt overgelegd (artikel 14, eerste en tweede lid, van het Besluit op de lijkbezorging). In alle overige gevallen is het voldoende dat zich bij het lijk een verklaring bevindt, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land vanwaar het lijk wordt aangebracht, vermeldende de naam van de overledene en de plaats waarheen het lijk wordt vervoerd (artikel 14, derde lid, jo. artikel 11, vierde lid, van het Besluit op de lijkbezorging).
Hoeveel Nederlanders overlijden jaarlijks in het buitenland? Hoeveel van de buitenlandse overlijdensaktes die hiervoor opgemaakt worden, moeten gelegaliseerd worden? In hoeveel gevallen duurt dit proces van legalisatie langer dan drie maanden?
1 719 ingezetenen van Nederland zijn in 2010 in het buitenland overleden (bron: CBS). In beginsel moeten alle buitenlandse akten van overlijden gelegaliseerd worden, tenzij daarop een verdragsrechtelijke uitzondering is gemaakt, zoals met het Apostilleverdrag het geval is. In dat geval kan de legalisatieketen worden beperkt tot het plaatsen van een zogenaamde apostille op het document. Dit betekent dat het document rechtstreeks en zonder bemoeienis van een Nederlandse ambassade naar Nederland komt. Het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt niet over een centrale registratie van het aantal buitenlandse overlijdensaktes dat moet worden gelegaliseerd, zodat de gemiddelde duur niet valt aan te geven.
Is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bereid om de mogelijkheden te onderzoeken een buitenlandse overlijdensakte, die geen kennelijke twijfel oproept, voorlopig in te schrijven en rechtskracht te verlenen terwijl het ministerie van Buitenlandse Zaken werkt aan de benodigde legalisatie? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover nader informeren? Zo nee, waarom niet?
De zaak van mevrouw Kars is uiteraard zeer betreurenswaardig. De procedure bij overlijden in het buitenland bestaat reeds lang en verloopt doorgaans zonder problemen. Er bestaat derhalve onvoldoende aanleiding om een dergelijke fundamentele herziening van het proces te heroverwegen.
De belachelijke uitlatingen van een Surinaams parlementslid over het homohuwelijk en zijn oproep tot geweld |
|
Joram van Klaveren (PVV), Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Homohuwelijk is Europese epidemie»1 en «Parlementslid: homoseksualiteit met wortel en tak uitroeien»?2
Ja.
Deelt u de visie dat het bestempelen van het homohuwelijk als een Europese epidemie, getuigt van een «derdewereldlandmentaliteit» van het betreffende parlementslid? Zo nee, waarom niet?
Neen. Zo’n mededeling van het parlementslid spreekt, ten negatieve, voor zichzelf.
Kunt u aangeven in hoeverre het parlementslid heeft gesproken namens de Surinaamse regeringscoalitie en als dit het geval is, welke gevolgen dit heeft voor de relatie tussen Nederland en Suriname?
De heer Asabina sprak als Lid van de Surinaamse Nationale Assemblee.
Klopt het dat het betreffende parlementslid eveneens heeft gesteld dat homoseksualiteit met wortel en tak uitgeroeid moet worden en dat hij een antihomobeleid wenst? Zo ja, op welke wijze zal de Nederlandse regering deze oproep tot geweld veroordelen?
Ja, voor zover bekend heeft het betreffende parlementslid deze uitspraken gedaan. De Nederlandse regering betreurt en veroordeelt de uitlatingen van het parlementslid ten zeerste.
Het functioneren van Buma/Stemra |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in de Volkskrant over Buma/Stemra?1 2 3 4 5 6 7 8 Wat is uw reactie op de verschillende artikelen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de artikelen. Een aantal van de artikelen is eerder aanleiding geweest voor kamervragen. Ik verwijs u voor een reactie op die artikelen naar de antwoorden op kamervragen 2011Z03505, 2011Z03507 en 2011Z09757. In aanvulling daarop verwijs ik u naar de onderstaande antwoorden.
Klopt het dat Buma via haar wettelijke taak rond openbaarmaking een monopoliepositie heeft waardoor muzikanten die rechten willen innen geen keuze hebben dan gebruik te maken van de diensten van Buma/Stemra?
Op basis van artikel 30a van de Auteurswet heeft een bedrijf dat wil bemiddelen inzake het muziekauteursrecht, toestemming nodig van de Minister van Justitie. Tot op heden is die toestemming enkel verleend aan de vereniging Buma. Buma beschikt hierdoor in Nederland feitelijk over een monopoliepositie. Muziekauteurs zijn overigens niet verplicht om de licentieverlening inzake de uitvoering van een werk in een radio- of televisieprogramma of uitvoering in het openbaar onder te brengen bij Buma. Het staat een auteur vrij om die taak zelf ter hand te nemen.
Wat vindt u van het functioneren van Buma/Stemra?
Wat is uw mening over de bestuursstructuur van Buma/Stemra? Wat vindt u van de signalen dat de directeur op te grote afstand staat van de bestuursleden en dat de bestuursleden en de raad van toezicht over weinig controle instrumenten beschikken?
Bent u van mening dat de belangen van componisten en tekstschrijvers op dit moment door Buma/Stemra op een goede manier behartigd worden?
Zo nee, bent u bereid actie te ondernemen gezien het feit dat hier een wettelijke taak vervuld wordt? Kunt u op korte termijn de governance van Buma/Stemra doorlichten en de Kamer over de uitkomsten van deze doorlichting voor het einde van 2011 informeren?
Wat vindt u van een tijdelijke ondercuratelestelling totdat er orde op zake is gesteld zoals bijvoorbeeld bij het CBR gebeurd is?
Frauderende bewindsvoerder(s) |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewindvoerderskantoor dupeert zestig mensen»?1
Ja.
Hoe lang heeft het geduurd voordat het bij de gedupeerden bekend was dat zij bestolen waren? Waarom is dit niet eerder opgemerkt?
Blijkens het vonnis van de Rechtbank Assen (LJN: BQ7820) konden deze diefstallen in korte tijd op deze schaal gebeuren omdat de rekeningen van de slachtoffers gekoppeld waren aan de rekening van de bewindvoerder, de zogenaamde spilrekening. Bij deze rekening hoorde een pinpas waarover de dader als medewerker van het kantoor van de bewindvoerder de beschikking had. Via deze pas had hij toegang tot alle gekoppelde rekeningen.
Nadat de bewindvoerder op de hoogte raakte van de transacties heeft zij eerst een en ander zelf onderzocht, vervolgens de rekening geblokkeerd, haar medewerker bevraagd, en de diefstal gemeld bij de met het toezicht in deze schuldsaneringzaken belaste rechters-commissarissen. Tussen de ontdekking van de transacties door de bewindvoerder en haar melding zat een periode van 10 dagen.
Hoe komt het dat zo'n groot aantal personen slachtoffer is geworden van dit kantoor?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de controle op de bewindvoerder gefaald? Zo ja, op welke wijze? Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Zo nee, hoe heeft de fraude kunnen gebeuren ondanks de controle?
De rechtbank in Rotterdam heeft in haar vonnis in kort geding van 7 oktober 2008 bepaald dat het de rechter-commissaris vrij staat om het toezicht op de betalingen van de bewindvoerder zo vorm te geven dat pas achteraf, bij sluiting van het dossier, controle op de feitelijke geldstromen plaatsvindt. Van belang is dat het misbruik van de rekeningen aan het licht is gekomen en daarop passende maatregelen tegen betrokkene zijn genomen.
Was het kantoor aangesloten bij een beroepsvereniging? Zo nee, zou dat wenselijk zijn geweest?
De ledenlijst van de enige branchevereniging van bewindvoerders Wsnp (BBW) is niet openbaar. De BBW toetst haar leden niet op kwaliteit. Die taak is bij algemene maatregel van bestuur toebedeeld aan de Raad voor Rechtsbijstand. Deze organisatie ontwikkelt in samenspraak met de sector en de rechterlijke macht kwaliteitscriteria en organiseert de toetsing. Zie hierover ook het antwoord op vraag 7. Ik heb daarom geen oordeel over de wenselijkheid van aansluiting bij de beroepsvereniging.
Op welke wijze worden de gedupeerden thans bijgestaan? Worden zij bijgestaan in het verhalen van hun schade? Hebben zij voortvarend een nieuwe bewindvoerder toegewezen gekregen?
De betreffende bewindvoerdersorganisatie is inmiddels failliet verklaard. Zij is door de opvolgende Wsnp-bewindvoerder namens de schuldeisers in die dossiers mede aansprakelijk gesteld voor de financiële schade die bij deze schuldeisers ligt.
De schuldenaren die aan het toezicht van de ontslagen bewindvoerder waren toevertrouwd ondervinden zelf geen financiële schade. Zij hebben namelijk aan hun verplichting voldaan door een deel van hun inkomen en/of vermogen aan de bewindvoerder beschikbaar te stellen. Voor het verloop of de uitkomst van hun schuldsanering heeft dit incident geen gevolg. Bij de beoordeling of de schuldenaar een schone lei verdient, is immers bepalend of een uiterste inspanning is geleverd om schuldeisers zo ver mogelijk tegemoet te komen. Het resultaat van die inspanningen is daarbij niet bepalend.
Op welke wijze wordt de kwaliteit van de professionele bewindvoerder geborgd?
De controle op de bewindvoerder is op drie niveaus georganiseerd. De Raad voor Rechtsbijstand toetst of een bewindvoerderorganisatie voldoet aan de kwaliteitsstandaard Wsnp2. Dit zijn criteria op het gebied van bedrijfsvoering, onafhankelijkheid en (financiële) continuïteit. Daaronder horen ook procedures voor het beheer van boedelrekeningen. Onafhankelijke auditoren beoordelen tijdens een bedrijfsbezoek of aan alle eisen voldaan is. Driejaarlijks vindt een her-audit plaats. Medewerkers van gecertificeerde organisaties kunnen worden ingeschreven in het bewindvoerdersregister van de Raad3. Kandidaat-bewindvoerders moeten een speciale beroepsopleiding met succes hebben doorlopen, een Verklaring omtrent gedrag overleggen, een aansprakelijkheidsverzekering hebben afgesloten en aan andere individuele eisen voldoen alvorens ingeschreven te kunnen worden. Ook op dit niveau vindt periodiek hertoetsing plaats.
Op dossierniveau controleert de rechter-commissaris of de bewindvoerder zijn wettelijke taken adequaat uitvoert. Dit gebeurt onder meer aan de hand van periodieke verslagen die de bewindvoerder uitbrengt over het verloop van iedere schuldsanering. In een aantal gevallen kunnen betalingen alleen worden verricht na goedkeuring van de rechtbank. Dit toezicht wordt deels uitgevoerd op basis van de wet en deels op basis van landelijke afspraken die de rechtbanken hebben gemaakt.4
Illegale adoptiesuit China |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «China onderzoekt illegale adoptie»?1 Deelt u de zorgen over wederom nieuwe schandalen en onzorgvuldigheden bij interlandelijke adoptie uit China?
Het bericht ziet op misstanden die in de periode 2000–2005 hebben plaatsgevonden waarover al eerder in de media meldingen zijn gemaakt. Het gaat hier dus niet om nieuwe schandalen en onzorgvuldigheden bij interlandelijke adoptie uit China. De Chinese autoriteiten hebben naar aanleiding van dit bericht, begin mei 2011 een onderzoek gestart. Hierbij is door de Chinese autoriteiten aangegeven dat wanneer er meer informatie beschikbaar is over de uitkomsten van het onderzoek, dit aan mij zal worden meegedeeld.
In hoeverre zijn de (Nederlandse) Centrale Autoriteit en de vergunninghouder verantwoordelijk voor de controle op de zorgvuldige totstandkoming van het adoptieproces in bijvoorbeeld China? Welke mogelijkheid hebben de (Nederlandse) Centrale Autoriteit en de vergunninghouder om te controleren of de biologische ouders vrijwillig afstand hebben gedaan van het kind of dat er sprake is van kinderhandel? Of moeten zij volledig afgaan op de Chinese autoriteiten?
Voor de samenwerking tussen Staten die zijn aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag is een basisbeginsel het vertrouwen dat ieder van die Staten datgene doet wat van hen wordt verwacht. Artikel 4 van het Verdrag bepaalt dat de zendende Staat verantwoordelijk is voor het vaststellen van de adoptabiliteit van een kind en overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel te handelen. Vanuit deze basis onderhouden de (Nederlandse) vergunninghouders conform art. 17a eerste lid onder a Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) contacten met autoriteiten, instellingen en of personen in het buitenland. In de Wobka is echter niet vastgelegd op welke wijze de vergunninghouders personen, instellingen en organisaties die betrokken zijn bij de adoptieprocedure in het land van herkomst moeten controleren. In aanvulling op de Wobka bestaat wel het Kwaliteitskader vergunninghouders interlandelijke adoptie, waarin wordt aangegeven dat de vergunninghouders de verplichting hebben om op basis van de hen ter beschikking staande mogelijkheden de betrouwbaarheid van de partnerorganisatie zo goed mogelijk te controleren. Bij gerede twijfel over de betrouwbaarheid van de buitenlandse partnerorganisatie meldt de vergunninghouder dit aan de Centrale Autoriteit. De Centrale Autoriteit zal dan op basis van deze melding nadere inlichtingen inwinnen bij de Centrale Autoriteit in het betreffende land en bij het vermoeden van, dan wel geconstateerde misstanden, nadere actie ondernemen.
Op welke wijze en door wie wordt nu precies onderzocht wat er zich heeft afgespeeld, of het structureel is dat kinderen worden afgepakt door ambtenaren en dat er onrechtmatig wordt betaald voor de adoptie van kinderen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat er in China onder andere door directeuren van de zogenaamde «social welfare institutes» wordt betaald voor het aanbrengen van kinderen? Vindt u dit in overeenstemming met het Haags Adoptieverdrag?
Ik ben ervan op de hoogte dat het voorkomt dat er in China wordt betaald voor het aanbrengen van kinderen bij de «social welfare institutes». Bij brief van 10 september 2008 en 23 juli 2010 aan uw Kamer wordt aan deze situatie gerefereerd, waarbij is aangegeven dat ook de Chinese autoriteiten onderkennen dat deze incidenten voorkomen. Zij hebben aangegeven dat het geen Chinees overheidsbeleid is om kinderen van hun ouders af te nemen en dat tegen deze praktijken hard en adequaat wordt opgetreden. Schandalen hieromtrent leiden in China tot grote publieke verontwaardiging en er is de autoriteiten alles aan gelegen nieuwe incidenten te voorkomen. De recente berichtgeving in Chinese media over de misstanden in 2000–2005 is in dat licht dan ook bemoedigend te noemen.
Het Haags Adoptieverdrag verbiedt uitdrukkelijk het maken van winst door een ieder die bij interlandelijke adoptie betrokken is. Ook in China is het betalen voor kinderen verboden en is kinderhandel een strafbaar feit. Vergoeding van kosten en donaties aan kindertehuizen zijn wel toegestaan. De Chinese overheid heeft regels gesteld voor de hoogte van donaties en de besteding daarvan. Op die besteding wordt toezicht uitgeoefend door de provinciale overheid. Overigens is in eerdere contacten met de Chinese autoriteiten door Nederland het voorstel gedaan om de donaties niet meer aan de tehuizen te schenken maar aan de Centrale Autoriteit. De Chinese autoriteiten hebben aangegeven dit voorstel in overweging te nemen.
Vindt u niet dat er ten aanzien van China te veel signalen zijn dat het adoptieproces niet zuiver verloopt, dat er te veel onjuiste financiële prikkels zijn om zoveel mogelijk kinderen ter adoptie aan te bieden voor eigen financieel gewin en dat de zorgvuldigheid van het hele adoptieproces dus niet kan worden gegarandeerd?
Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld, is er in de reguliere contacten met de Chinese autoriteiten aandacht gevraagd voor de signalen die ons bereiken over mogelijke misstanden. De Chinese autoriteiten hebben daarbij herhaaldelijk aangegeven dat zij graag op de hoogte worden gesteld van mogelijke misstanden waarna men bereid is om een onderzoek in te stellen. In dit geval hebben de Chinese autoriteiten aangegeven dat zij zelf een onderzoek zijn gestart naar aanleiding van de onlangs verschenen berichten.
In hoeverre wordt gecontroleerd of China voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel, dat uitgangspunt is van het Haags Adoptieverdrag? Wordt voor de kinderen die voor adoptie naar het buitenland gaan eerst ook lokaal gezocht naar een Chinees adoptiegezin? Is er eigenlijk nog wel noodzaak om kinderen uit China te adopteren nu de vraag naar adoptiekinderen in China zelf steeds groter worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals u in uw vraagstelling aangeeft is er inderdaad een toename van binnenlandse adopties waar te nemen in China waardoor kan worden geconcludeerd dat invulling wordt gegeven aan het subsidiariteitsbeginsel, zoals weergegeven in artikel 4 lid b van het Haags Adoptieverdrag. Dit artikel stelt dat de Staat van herkomst pas nadat deze de mogelijkheden tot plaatsing van een kind in de eigen Staat naar behoren heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat interlandelijke adoptie het hoogste belang van het kind dient, een adoptie conform het Verdrag kan plaatsvinden. Gevolg hiervan is dat er in Nederland een duidelijke afname is waar te nemen van adopties uit China en dat thans interlandelijke adoptie vanuit China bijna volledig bestaat uit zogenoemde «special needs kinderen».
Vindt u dat er doorgegaan mag worden met adopties uit Verdragslanden als deze landen niet aan de regels van het Haags Adoptieverdrag voldoen.
Een van de doelstellingen van het Haags Adoptieverdrag is om te waarborgen dat interlandelijke adopties op zodanige wijze plaatsvinden dat het hoogste belang van het kind daarmee is gediend en de grondrechten die daarbij horen worden geëerbiedigd. Ook heeft het verdrag tot doel samenwerking te verzekeren tussen de verdragslanden opdat deze waarborgen in acht worden genomen en ontvoering, verkoop van of handel in kinderen aldus wordt voorkomen. Dat betekent dat verdragslanden verantwoordelijk zijn voor de controle op de naleving van de vereisten die voortvloeien uit het verdrag. Verdragslanden hebben daarom de plicht elkaar hier op aan te spreken en waar nodig te zoeken naar oplossingen. Het vertrouwensbeginsel, dat als basis dient voor deze samenwerking en controle, biedt de mogelijkheid om bij vermoedens van mogelijke misstanden elkaar aan te spreken, om opheldering te vragen en zo nodig aan te dringen op maatregelen. Indien voorgaande maatregelen niet tot het gewenste effect leiden, kan uiteindelijk door een van de verdragspartijen worden besloten om de samenwerking onder het verdrag op te schorten of te beëindigen.
Wanneer komt er voor u een moment om te stoppen met het toestaan van interlandelijke adopties uit China?
Zoals onder vraag 7 aangegeven, hebben verdragslanden de plicht elkaar aan te spreken op mogelijke misstanden en waar nodig te zoeken naar oplossingen. Indien een Verdragsland niet kan worden aangesproken op mogelijke misstanden die zijn gesignaleerd en ik niet kan instaan voor de betrouwbaarheid van de adopties, is dat voor mij aanleiding om te stoppen met adopties. In het geval van China blijkt dat de Chinese autoriteiten onderzoek doen naar en optreden bij signalen van misstanden. De wederzijdse wens van China en Nederland tot intensivering van de contacten en de afspraken die met elkaar zijn gemaakt beschouw ik als positief. De samenwerking met de Chinese autoriteiten biedt ook de mogelijkheid om de ontwikkelingen met betrekking tot adopties uit China te blijven volgen en waar mogelijk positief te beïnvloeden. Vooralsnog zie ik daarom geen aanleiding om interlandelijke adopties uit China stop te zetten.
De verkoop van persoonsgegevens |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publiciteit rond het delen van gegevens door TomTom met de politie, zoals door RTL nieuws op woensdag 27 april 2011?1
Ja.
Voor welke doeleinden gebruiken de politiekorpsen de gegevens van TomTom?
De politie heeft mij meegedeeld dat het gaat om zogeheten «speed profiles» die zijn ontwikkeld door een verkeersbureau op grond van door TomTom beschikbaar gestelde reistijdeninformatie. Speed profiles geven informatie over de werkelijk gereden snelheden van het gemotoriseerd verkeer, onder meer gebaseerd op anonieme GPS-metingen van TomTom. De speed profiles geven voor een groot deel van het wegennet inzicht in gemiddelde rijsnelheden per wegonderdeel, in tijdsblokken van 15 minuten.
De politie gebruikt de speed profiles om te kunnen bepalen waar sprake is van risicovolle verkeerssituaties met als doel het vergroten van de verkeersveiligheid. In combinatie met andere informatiebronnen, zoals ongevalanalyses, bepaalt het Landelijk Parket Team Verkeer (LPTV) op advies van het regionale politiekorps, het plaatselijke Openbaar Ministerie en de wegbeheerder onder meer de locaties van snelheidscontroles en flitspalen.
Welke informatiebronnen van welke commerciële bedrijven gebruikt de politie nog meer voor haar werkzaamheden? Voor welke concrete doeleinden wordt die informatie gebruikt?
In individuele zaken kan de politie gebruik maken van gegevens uit diverse bronnen. Dat kunnen ook commerciële bedrijven zijn. Daarvan bestaat geen totaaloverzicht.
In zijn algemeenheid is wel te zeggen dat banken melding maken van ongebruikelijke transacties bij de financial intelligence unit van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en dat de politie NAW-gegevens van klanten van telecombedrijven van deze bedrijven verkrijgt. Het gebruik van deze informatie kent een wettelijke basis en kan slechts voor bepaalde doeleinden en onder bepaalde voorwaarden plaatsvinden.
Hebben de korpsen betaald voor het verkrijgen van deze informatie? Zo ja, hoeveel? Zo nee, heeft op andere wijze compensatie plaatsgevonden?
TomTom levert de gegevens niet rechtstreeks aan de politie, maar aan een verkeersadviesbureau dat beleidsmakers helpt om analyses te kunnen maken op het gebied van verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid. Overheidsorganen kunnen een abonnement nemen op deze speed profiles en inloggen op het systeem. De daaraan verbonden prijsstelling is afhankelijk van de regio waar het overheidsorgaan onder valt.
Bent u van mening dat er in casu sprake is van een schending van de privacy van de gebruikers van een TomTom?
Volgens TomTom zijn de gegevens die het bedrijf beschikbaar heeft gesteld anoniem verwerkt. Mij hebben geen signalen bereikt dat toch sprake is van herleidbaarheid naar personen. Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) is overigens het aangewezen orgaan om te beoordelen of de gegevens door TomTom dusdanig zijn geanonimiseerd dat er redelijkerwijs geen sprake meer is van herleidbaarheid naar personen. Het Cbp is onafhankelijk en bepaalt zelf in welke gevallen het een onderzoek instelt.
Bent u bereidt het College bescherming persoonsgegeven te vragen hierover te adviseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u het voldoende dat de gebruiksvoorwaarden van TomTom vermelden dat gegevens kunnen worden gedeeld met derden? Acht u het wenselijk dat consumenten voorafgaand aan de aankoop van of huur van een TomTom of soortgelijk apparaat of dienstverlening expliciet worden geïnformeerd dat onder derden ook overheidsinstanties, zoals de politie, worden verstaan?
Het betreft in dit geval de relatie tussen een producent en consumenten. Er zijn heldere wettelijke (informatie)verplichtingen voor producenten opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 6:193a en verder) en – als sprake zou zijn van verwerking van persoonsgegevens – in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp; artikelen 33 en 34). Verder hebben de Europese privacytoezichthouders, verenigd in de Artikel 29-werkgroep, in een gemeenschappelijk standpunt van 16 mei 2011 (zie http://www.cbpweb.nl/downloads_int/wp185_en.pdf) aanbevelingen omtrent het verwerken van locatiegegevens opgesteld die een aanknopingspunt bieden voor verantwoordelijken in de zin van de Wbp. Als consumenten klachten zouden hebben over de naleving van de wettelijke (informatie)verplichtingen, kunnen zij zich wenden tot toezichthouders als de Consumentenautoriteit en het College bescherming persoonsgegevens. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 10.
Is naar uw mening de consument door TomTom adequaat op de hoogte gebracht van wat zij verder met gegevens doet?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er andere producten op de consumentenmarkt die privacy gevoelige gegevens aan derden verkopen?
Het is niet aan mij om een (totaal)overzicht bij te houden van de verkoop van (privacy gevoelige) gegevens door commerciële bedrijven aan derden.
Bent u bereid te onderzoeken wat de voor- en nadelen zijn van een privacybijsluiter waarin de 5 W’s worden verduidelijkt, te weten:
Ik hecht eraan dat het bedrijfsleven zoveel mogelijk transparantie biedt over de producten en diensten die zij aanbieden. Het is evenwel niet aan het kabinet om een oordeel uit te spreken over modellen die het bedrijfsleven zou kunnen hanteren om aan de in de mijn antwoord op vragen 7 en 8 genoemde (informatie)verplichtingen te voldoen.
Maakt de politie zelf ook gebruik van TomTom of soortgelijke apparaat of dienstverlening? Welke risico’s brengt het delen van locatiedata met zich mee voor de politie, andere justitiële instellingen en defensie?
De politie maakt gebruik van navigatiesystemen. Het gaat doorgaans om van fabriekswege ingebouwde navigatiesystemen die niet zijn gesynchroniseerd. Doordat de systemen niet gesynchroniseerd zijn, worden er geen locatiedata gedeeld en brengt het gebruik van de navigatiesystemen geen risico’s met zich mee.
Het factureren door Buma/Stemra van websites die een radiostream op hun site embedden |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Buma/Stemra websites factureert die een radiostream op hun site embedden?1
Ja.
Vindt u het terecht en wenselijk dat Buma/Stemra van websitebeheerders geld gaat vragen voor het embedden van radiostreams?
Ik vind het aan de betrokken partijen om in overleg tot een regeling te komen. Daarbij is een belangrijke vraag of er sprake is van een auteursrechtelijke relevante handeling in de vorm van een openbaarmaking. Evenals ten tijde van het eerdere schriftelijk overleg met uw Kamer het geval was (Kamerstukken II 2010–11, 29 838, nr. 26), bestaat hier nog geen duidelijkheid over. Voor de vraag of embedden gelijk is aan hyperlinken geldt voorts dat er (technische) verschillen tussen beide vormen zijn. Ingeval van embedden is de radiostream te beluisteren binnen de website van degene die op internet de embedded link heeft geplaatst. De gebruiker blijft dus op de site waarin de stream is ingebed. De stream zelf (het auteursrechtelijk beschermde werk) is echter afkomstig van de servers van de website waar de embedded link naar verwijst. Ingeval van een hyperlink wordt er een nieuw tabblad of venster geopend met de website waarnaar wordt gelinkt. De bezoeker verlaat aldus de website waar hij de link aantrof om zo de inhoud waar deze naar verwijst te kunnen raadplegen. Of het citaatrecht van toepassing is, moet worden beoordeeld op grond van artikel 15a van de Auteurswet. Één van de voorwaarden is dat de omvang van het citaat in overeenstemming is met wat in het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is. Of met succes een beroep kan worden gedaan op dit artikel is uiteindelijk aan de rechter. Ik heb begrepen dat Buma/Stemra met de betrokken website van mening verschilt over de vraag of een vergoeding verschuldigd is en dat inmiddels een procedure bij de rechter is gestart. Die zal daarover een uitspraak doen. Hiernaast heb ik begrepen dat voor de embedding van achtergrondmuziek nog overleg plaatsvindt tussen Buma/Stemra en VNO/NCW over een mogelijke regeling. Daarbij wordt ook de optie opengehouden om in goed overleg de kwestie voor te leggen aan de rechter.
Vooralsnog zie ik geen aanleiding om op dit punt de wet aan te passen. Ten eerste dekt het begrip «openbaarmaking» de zinsnede «mede delen aan het publiek» uit de artikelen 2 en 3 van de Richtlijn Auteursrecht (2001/29/EG), waarvan de uitleg uiteindelijk is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voorts is bij de invoering van het begrip bewust gekozen voor een open norm. Hierdoor is het aan de rechter om op grond van de concrete omstandigheden te beoordelen of er sprake is van openbaarmaking. Dit systeem heeft als voordeel dat de wet niet na elke technologische ontwikkeling en innovatie hoeft te worden aangepast.
Is bij het embedden van auteursrechtelijk beschermde muziek wel sprake van een nieuwe openbaarmaking of verveelvoudiging? Moet embedden niet veeleer worden vergeleken met hyperlinken?
Zie antwoord vraag 2.
Als er sprake is van heropenbaarmaking, is dan niet vaak het citaatrecht van toepassing?
Zie antwoord vraag 2.
Indien de wet hier onduidelijkheid over laat bestaan, bent u bereid aanpassingen door te voeren opdat het embedden van streams niet gezien kan worden als openbaarmaking of verveelvoudiging? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat geld vragen voor embedden een aanslag is op de rijke, multimediale cultuur van het web en Nederland op achterstand plaatst in de digitale revolutie? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat er goede balans bestaat tussen vrijheid van creativiteit enerzijds en bescherming van rechten van rechthebbenden anderzijds. Dat betekent dat ik voorstander ben van innovaties in de multimediale cultuur. Tegelijk mogen deze innovaties niet ten koste gaan van de auteurs en artiesten, die immers ook hun bijdrage leveren aan de rijke multimediale cultuur. Het is hierbij in eerste instantie aan de direct betrokken partijen om in goed overleg eruit te komen. Ik steun daarom de ontwikkeling dat VNO/NCW en BUMA/Stemra in overleg zijn over de embedding van achtergrondmuziek.
Bent u bereid stappen te zetten om Buma/Stemra te bewegen tot het terugdraaien van deze maatregel? Zo ja, welke stappen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u deze actie van Buma/Stemra in het licht van de eerdere poging van Buma/Stemra in 2010 om websites te factureren voor het embedden van video’s en audiofragmenten zoals YouTube-video's, die strandde na de commotie die dit teweeg bracht?2
In 2010 het ging het om het sturen van facturen voor het embedden van video’s voor persoonlijk gebruik. In het onderhavige gebruik is er sprake van commercieel gebruik, waarbij dit gebruik het hoofddoel is van de website. Dat zijn relevante verschillen. Het gaat hier immers niet om consumenten die een factuur krijgen omdat ze hun websites met een stukje muziek verfraaien. Verder is het aan de betrokken partijen om in overleg of door tussenkomst van de rechter tot een goede oplossing te komen.
Het ruimen van graven in de gemeente Ede |
|
Ronald van Raak |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Klopt het dat de gemeente Ede veertig graven heeft geruimd, zonder dat alle nabestaanden hierover zijn geïnformeerd?1
De houder van de begraafplaats, in dit geval de gemeente Ede, heeft de wettelijke plicht ten aanzien van algemene graven om ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de belanghebbende bij dat graf wiens adres hem bekend is (artikel 27a Wet op de lijkbezorging). Een soortgelijke verplichting bestaat ten aanzien van particuliere graven (artikel 28, tweede lid). In de wet is alleen voor het verlopen van de termijn van grafrechten vastgelegd dat de houder van de begraafplaats schriftelijk mededeling moet doen dat het grafrecht verloopt. Gedachte is dat men dan nog kan kiezen voor een herbegraving (in geval van een algemeen graf) dan wel een verlening (in geval van een particulier graf).Wanneer het grafrecht is verlopen kan worden overgegaan tot het ruimen van het graf. Vaak worden graven echter pas lang nadat de termijn is verlopen geruimd. Er is geen wettelijke plicht om de ruiming te melden bij de nabestaanden. Dat is ook logisch omdat er op dat moment geen recht meer op het graf rust. Het is aan de gemeente, als houder van de begraafplaats, hoe hiermee om te gaan.
De gemeente Ede heeft het beleid dat zij wel melding doet van de ruiming van het graf, wanneer de naam en het adres van de nabestaande(n) bekend is bij de gemeente. Bij de ruiming in kwestie was de gemeente niet van alle nabestaanden in het bezit van de adresgegevens. Om ook de mensen die de gemeente niet per post kan bereiken toch te informeren over de ophanden zijnde ruiming, plaatst de gemeente Ede een jaar voor de ruiming bordjes bij de begraafplaats waarop de ruiming wordt aangekondigd. In de toekomst wil de gemeente ook nog bordjes op de te ruimen graven plaatsen.
Zijn er meer voorbeelden van gemeenten waarin nabestaanden niet tijdig zijn geïnformeerd over een ophanden zijnde ruiming?
Het is een misverstand dat de begraafplaatshouder de plicht heeft nabestaanden schriftelijk te informeren over de ophanden zijnde ruiming (zie antwoord op vraag 1).
Hoe is de ruiming van de graven in Ede uitgevoerd? Zijn daarbij de richtlijnen uit de «Handleiding opgraven en ruimen» gehanteerd?2
In de gemeente Ede vindt de ruiming van graven gedeeltelijk machinaal en gedeeltelijk met de hand plaats. De ruiming wordt uitgevoerd door een ruimingsbedrijf dat is aangesloten bij de Branchevereniging Ondernemers Begraafplaatsbeheer (BVOB), de koepel die betrokken was bij het opstellen van de Handleiding opgraven en ruimen. Hierbij worden de richtlijnen van de «Handleiding opgraven en ruimen» in acht genomen. Wanneer de graven zijn geruimd wordt de grond laag voor laag schoongemaakt en gezeefd en meermalen gecontroleerd op menselijke resten. Bovenop deze grond komt een toplaag, die bestaat uit nieuwe grond.
Wat is uw reactie op het feit dat op de plek waar de graven zijn geruimd een bot van een nabestaande is gevonden? Hoe gaat u ervoor zorgen dat alsnog op een piëteitsvolle wijze met deze resten wordt omgegaan?
De gemeente heeft een zeer zorgvuldige procedure voor het ruimen van graven gevolgd (zie het antwoord op vraag 3). Het is voor de gemeente dan ook een raadsel hoe op de betreffende plek mogelijk menselijke resten kunnen zijn gevonden. De gemeente betreurt dit zeer. Dit is voor nabestaanden een erg pijnlijke gebeurtenis. De gemeente heeft laten weten grondig onderzoek te laten verrichten naar de herkomst van deze resten. Deze zijn meegenomen door de mensen die het hebben gevonden, maar zullen door de gemeente worden teruggenomen en worden herbegraven. Op dit punt zijn geen bevoegdheden weggelegd voor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het is een lokale aangelegenheid.
Hoe gaat u verzekeren dat nabestaanden in de toekomst wel van een ruiming op de hoogte worden gebracht en zij niet meer openlijk met resten worden geconfronteerd?
In de Wet op de lijkbezorging is – begrijpelijk – geen plicht opgenomen om melding te maken van een ruiming. Nabestaanden worden – voor zover hun adres bekend is – aangeschreven wanneer het grafrecht ten einde loopt, zodat zij eventueel kunnen kiezen voor herbegraving dan wel verlenging. Of de houder van de begraafplaats er aanvullend voor kiest nabestaanden al dan niet rechtstreeks te benaderen in geval van een voorgenomen ruiming, is aan de houder.
Naar aanleiding van de wijziging van de Wet op de lijkbezorging is in november 2010 de Handleiding opgraven en ruimen opgesteld door de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (LOB), de Branche Vereniging Ondernemers Begraafplaatsbeheer (BVOB) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De daarin vervatte richtlijnen dragen er aan bij dat het ruimen van graven op zorgvuldige en respectvolle wijze kan worden uitgevoerd. Incidenten zijn echter nooit helemaal uit te sluiten.
Omgang van de Kamers van Koophandel met persoonsgegevens |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de irritatie van vele ondernemers over het feit dat de KvK contactinformatie van ondernemers beschikbaar stelt?12
Ja.
Acht u het wenselijk dat een publieke organisatie die ondernemingen verplichte heffingen oplegt, geld verdient met het ongevraagd verkopen van contactgegevens?3
De opbrengsten uit verstrekking van adresgegevens vormen een substantieel deel van de bekostiging van het handelsregister en dragen er aldus aan bij de heffing voor het handelsregister zo laag mogelijk te houden. De rechtmatigheid van verstrekking van adresgegevens is uiteengezet in de beantwoording van eerdere vragen over het verstrekken van gegevens door de KvK (nr. 2009Z06520).
Bent u bekend met het feit dat deze verkoop van contactgegevens leidt tot veel ongevraagde reclamezendingen?
Iedere onderneming of rechtspersoon die is ingeschreven in het handelsregister kan bij de KvK opteren voor de zogeheten Non Mailing Indicator (NMI). De NMI houdt in dat het de directe of indirecte afnemer van adresgegevens (in bulk) niet is toegestaan reclame-uitingen (per post) toe te zenden aan de betreffende onderneming of rechtspersoon. Bij evidente aanwijzingen dat ongewenste mailing zijn oorsprong vindt in door de KvK verstrekte adressen bestaat de mogelijkheid via klachtenprocedure de KvK daarop opmerkzaam te maken. De KvK beziet vervolgens of binnen de gegeven wettelijke kaders overgegaan kan worden tot het staken van de levering. Voor mailings die langs elektronische weg worden toegezonden, geldt op grond van de Telecomwet het beginsel van opting in.
De KvK wijzen sinds medio 2009 bij iedere nieuwe inschrijving op de NMI; inmiddels kiest bij nieuwe inschrijvingen 40% van betrokkenen voor de NMI. Ook reeds bestaande inschrijvingen zijn enkele malen door middel van de Kamerkrant erop geattendeerd. Het is dus aan ingeschrevenen zelf of zij reclame-uitingen (per post) wensen te ontvangen die gebaseerd zijn op levering van adresgegevens door de KvK. Dit sluit uiteraard niet uit dat er ook andere wegen zijn om adressen van ondernemingen of andere organisaties te weten te komen. Correcte naleving van de NMI vormt dus geen absolute garantie tegen het ongewenst ontvangen van reclamezendingen.
Wat vindt u van het idee om over te schakelen op opt-out in plaats van opt-in, dat wil zeggen de «non-mailing indicator» standaard uitzetten in plaats van standaard op aan?
De Non Mailing Indicator is in de huidige vorm gebaseerd op het opting out beginsel. Ik begrijp deze vragen daarom aldus dat wordt voorgesteld, in plaats van opting out, over te schakelen op opting in. In de beantwoording van bovengenoemde eerdere vragen (in het bijzonder vraag 5 daarvan) is ingegaan op de overwegingen om het stelsel van opting out te behouden. Ik merk daarbij op dat het gebruik van door de KvK geleverde adresgegevens voor het toezenden van commerciële mailings niet los kan worden gezien van andere toepassingen van dat adressenmateriaal. Ik doel daarbij op andere commerciële toepassingen zoals opname in elektronische telefoonboeken, en op gebruik uit hoofde van de rechtszekerheidsfunctie van het handelsregister. Daarom wil ik op korte termijn een meer principiële afweging maken in de openbaarheid, beschikbaarheid en het mogen gebruiken van de gegevens in het handelsregister. Ik verwacht die afweging rond de zomer bij brief aan uw Kamer te kunnen voorleggen.
Denkt u ook dat dit veel meer zou passen voor een publieke organisatie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent van plan op korte termijn de verplichte KvK-heffing voor informeren en stimuleren om te zetten tot een vrijwillige bijdrage?
Zoals ik afgelopen najaar bij de begrotingsbehandeling heb aangegeven, is het mijn insteek de jaarlijkse heffingen van de KvK substantieel te verlagen. In de brief die ik deze zomer aan uw Kamer zal zenden over de Ondernemerspleinen ga ik nader in op de financiële aspecten en juridische implicaties.