De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het interview van vicepremier Yeşilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Dit kabinet wil zich tot het uiterste inspannen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD) blijft de basis voor de aanpak van dit kabinet, waarbij wordt ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst. Uit de tussentijdse evaluatie2 blijkt echter dat we in het huidige tempo de doelstelling om in 2030 dakloosheid te beëindigen, niet gaan halen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig en daarvoor geven de onderzoekers een aantal adviezen, waar dit kabinet opvolging aan zal geven. Voor het debat over de aanpak van dakloosheid in november zal ik u daar nader over informeren.
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
De inzet op het terugdringen van dakloosheid is niet afhankelijk van het coalitieakkoord. Tijdens het debat over het eindverslag van de informateur heeft de Minister-President al erkend dat het een omissie is dat er niets over dakloosheid in het coalitieakkoord staat. Als er één thema is waar we elkaar van links tot recht op kunnen vinden, is het de aanpak van dak- en thuisloosheid. Niemand zou dakloosheid mee hoeven maken. Het kabinet gaat daarom met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
In 2024 heeft het kabinet een aantal gerichte, aanvullende acties uitgewerkt om jongerendakloosheid te voorkomen, wat heeft geresulteerd in de Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar).3 Het kabinet zet zich onverminderd in om deze maatregelen uit te voeren. Daarnaast wordt binnen het NAD ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst en richten deze generieke maatregelen zich óók op jongeren. Begin juni van dit jaar is door Housing First Nederland en woningcorporatie Portaal met steun van de rijksoverheid de Startmotor Wonen Eerst Jongeren gelanceerd. Hierbij spreken (bestuurders van) vijf Nederlandse steden de gezamenlijke
ambitie uit om (dreigend) dakloze jongeren versneld aan een eigen, stabiele woonplek te helpen. Het doel is om Wonen Eerst uit te laten groeien tot de landelijke norm.
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
In het coalitieakkoord zijn verschillende passages opgenomen over het belang van preventie, bestaanszekerheid, wonen en mentale gezondheid. Daarnaast zet het kabinet zich in om, zoals beschreven in het akkoord, de capaciteit voor complexe ggz casuïstiek te vergroten. Voor de specifieke aanpak van dakloosheid vormt het NAD de basis. Daarin staat preventie centraal en wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid, het tijdig signaleren van risico's en het bieden van passende ondersteuning.
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Op dit moment zijn geen aanvullende budgettaire besluiten genomen specifiek voor het NAD. Aanvullende maatregelen zullen worden uitgevoerd binnen de huidige structurele middelen.
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Het Rijk ondersteunt gemeenten door o.a. de Startmotor Wonen Eerst Jongeren, die gericht is op het realiseren van meer woningen voor dakloze jongeren, mede mogelijk te maken. Als er in de toekomst andere kansrijke initiatieven/plannen zijn, ben ik bereid om daarnaar te kijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Vanwege privacy wil ik geen uitspraken doen over individuele personeelszaken. Het SKJ-tuchtrecht is persoonsgericht en uitspraken zijn gepseudonimiseerd. Werkgevers hebben zelf de verantwoordelijkheid om – met een passende juridische grondslag – relevante informatie te betrekken bij screening, begeleiding en inzet van medewerkers. Ik verwacht dat gecertificeerde instellingen (GI’s) hun procedures op dit punt op orde hebben. SKJ informeert werkgevers niet (inhoudelijk). Werkgevers moeten zelf hun vergewisplicht/verantwoordelijkheid invullen met proportionele checks. Bij signalen van tekortkomingen op het gebied van de kwaliteit van de uitvoering van de werkwijze en/ of wettelijke normen bij een GI zijn de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) de aangewezen toezichthouders.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorg, maar ik kan geen oordeel geven over een individuele casus. Het SKJ-tuchtrecht is persoonsgericht en uitspraken zijn gepseudonimiseerd. In algemene zin verwacht ik dat werkgevers, binnen privacy- en arbeidsrecht, de inhoud en relevantie van een berisping beoordelen en passende maatregelen treffen. De Minister geeft geen inhoudelijk oordeel over een individuele tucht- of personeelszaak, dus ook niet over «een berispte jeugdbeschermer». Jeugdbeschermers vallen (veelal via SKJ-registratie) onder een onafhankelijk tuchtrecht. Tuchtcolleges oordelen zelf; bewindspersonen treden daar niet in.
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
GI’s moeten borgen dat jeugdbeschermers bevoegd en bekwaam zijn. Tuchtrechtelijke beslissingen zijn persoonsgebonden en worden gepseudonimiseerd op de website van SKJ geplaatst. Indien de Colleges een openbare maatregel opleggen zijn deze te raadplegen op de website van SKJ in het register en in het overzicht van maatregelen waarvan de openbaarmaking is gelast. Hierbij wordt o.a. de naam en het registratienummer van de jeugdprofessional genoemd. Het publiek (waaronder werkgevers) kunnen op deze manier kennisnemen van de opgelegde openbare maatregelen. Er is geen plicht voor SKJ om werkgevers (inhoudelijk) te informeren, dus verdere verwerking kan alleen met AVG-grondslag of toestemming. GI’s borgen dit zelf via periodieke controles van het SKJ-register en een interne meldplicht voor medewerkers om tuchtmaatregelen te melden.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport brengt het wetsvoorstel waarin de vergewisplicht voor jeugdhulpaanbieders op korte termijn in internetconsultatie. Deze verplicht werkgevers zich te vergewissen van het arbeidsverleden van hun (aan te nemen) professionals. De vergewisplicht verplicht jeugdhulpaanbieders tot zorgvuldige navraag naar geschiktheid en integriteit, waarbij het controleren van de status van de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd onderdeel kan zijn. Deze geeft geen recht op of plicht tot het ontvangen van inhoudelijke tuchtrechtgegevens van SKJ.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
De IGJ en Inspectie JenV zijn onafhankelijk in hun toezicht. Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie JenV om zelf te beoordelen of onderzoek nodig is. Ik geef geen aanwijzingen en doe geen verzoeken om specifiek onderzoek in individuele zaken. Onderzoek naar individuele dossiers vindt alleen plaats binnen de wettelijke kaders en met inachtneming van privacy en lopende procedures.
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Ik kan en wil niet ingrijpen in individuele, door de kinderrechter genomen maatregelen of die laten herbeoordelen. Proportionaliteit en onderbouwing zijn aan de rechter. Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie JenV om onafhankelijk te beoordelen of signalen aanleiding geven tot onderzoek. Schade moet altijd voorkomen of beperkt worden, juist bij ingrijpende middelen in kwetsbare gezinnen. Als ouders of kinderen schade ondervinden, bestaat er het klacht- en tuchtrecht via deze instantie. Ook is een civiele rechtsgang mogelijk.
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Ja, kinderbeschermingsmaatregelen moeten goed onderbouwd worden, want het zijn ingrijpende maatregelen in kwetsbare gezinnen. Daarom werk ik ook aan betere transparantie, dossiervorming en sterkere rechtsbescherming en duidelijke en snellere klacht- en geschilprocedures.
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
De door u opgevraagde informatie is dusdanig uitgebreid dat deze niet goed weer te geven is in tabellen in deze schriftelijke beantwoording. Daarom zijn hieronder verschillende verwijzingen opgenomen, die u direct naar deze cijfers op de website van het CBS toeleiden:
Vanwege doorgevoerde verbeteringen in de verwerking van gegevens over jeugdzorg tussen 2020 en 2021, wordt data over de jeugdzorg door het CBS gepresenteerd in twee afzonderlijke periodes: periode 2015 – 2020 en periode 2021 tot heden. Hierdoor zijn de uitkomsten over jeugdhulp over de jaren 2021 en later niet goed te vergelijken met de uitkomsten over de jaren 2015 t/m 2020. Meer informatie is te vinden in de Methodewijzigingen Beleidsinformatie jeugd.5 Indien data over de jeugdzorg 2020 toch gewenst is, dan is deze online beschikbaar.6
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
De door u gewenste selecties bevat te veel data (bij de uitsplitsing naar gemeente) om online (via de website van het CBS) te kunnen weergeven in tabellen. Wel kunnen deze als CSV-bestand gedownload worden via de open data API van het Dataportaal.7 Voer daar de gewenste selectie in en download de CSV. Een andere optie is om de data in delen online te filteren. De verwijzingen daarvoor zijn hieronder opgenomen.
Data jongeren met jeugdzorg 2021 – 2025 in delen:
Data naar jeugdregio en provincie:
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Hieronder treft u een landkaart met de weergave van het jeugdzorggebruik per gemeente (jongeren tot 23 jaar). De kleuren van de gemeenten geven een indicatie van of het jeugdzorggebruik ver boven of onder het landelijke gemiddelde ligt. Er bestaat een interactieve landkaart online om van iedere gemeente afzonderlijk de percentages te zien.13 Het CBS doet verder geen duiding van de cijfers. Per gemeente zullen de onderliggende redenen verschillen, zeker waar het gaat om gemeenten die sterk boven of onder het landelijk gemiddelde liggen. Vanuit VWS wordt wel nog onderzoek uitgezet naar aanvullend inzicht in de uitgavenontwikkeling van de jeugdzorg en de onderliggende factoren. Dit zal in algemene zin ook meer inzicht moeten geven in de ontwikkelingen in jeugdhulpgebruik.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Op basis van de beschikbare informatie van het CBS, geeft onderstaande tabel inzicht in «gestart met crisis» en «herhaald beroep».14
Totaal jeugdhulptrajecten
Totaal begonnen trajecten
Herhaald beroep
Gestart met crisis
2021
652.970
304.760
79.630
26,1
11.715
3,8
2022
667.420
309.615
80.230
25,9
10.610
3,4
2023
702.100
326.450
83.235
25,5
10.935
3,3
2024
709.935
323.860
84.275
26
10.200
3,1
20251
673.075
288.685
77.350
26,8
9.665
3,3
% t.o.v. totaal aantal begonnen trajecten
Betreft voorlopige cijfers.
Voorts vraagt u naar de uitsplitsing hierin naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hieronder is in een tweetal tabellen de beschikbare informatie over het aantal jeugdigen met jeugdbescherming en/of jeugdreclassering weergegeven. Een verdere uitsplitsing naar jeugdbescherming of jeugdreclassering (bijvoorbeeld naar de wijze van de start van het traject) is echter niet mogelijk. Dit komt omdat de betreffende data niet op deze wijze aan elkaar is gekoppeld. Verder is er data beschikbaar over herhaald beroep van jeugdreclasseringsmaatregelen en van ondertoezichtstellingen in de jeugdbescherming.15, 16
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jeugdbescherming
Wel of geen JR
41.235
38.765
35.720
33.940
32.825
Wel JR
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Geen JR
40.195
37.705
34.700
32.855
31.675
Alleen voogdij
Wel of geen JR
10.305
9.990
9.480
8.995
8.380
Wel JR
135
145
165
180
170
Geen JR
10.170
9.840
9.315
8.815
8.210
Alleen OTS
Wel of geen JR
29.925
27.970
25.605
24.450
24.005
Wel JR
895
905
845
895
970
Geen JR
29.030
27.065
24.760
23.555
23.040
Zowel voogdij als OTS
Wel of geen JR
1.005
810
640
495
440
Wel JR
10
10
10
10
10
Geen JR
995
800
625
485
430
CBS StatLine Jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5E3A.
Betreft voorlopige cijfers.
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Wel JR
Wel/geen jeugdbescherming
7.975
7.475
7.665
8.290
8.660
Wel JR
Wel jeugdbescherming
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Wel JR
Alleen voogdij
135
145
165
180
170
Wel JR
Alleen OTS
895
905
845
895
970
Wel JR
Zowel voogdij als
OTS
10
10
10
10
10
Wel JR
Geen jeugdbescherming
6.935
6.410
6.645
7.205
7.515
CBS jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5F80.
Betreft voorlopige cijfers.
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Voor de gewenste data adviseren wij om de nieuwste CBS rapporten te raadplegen over jeugdhulp,17 jeugdbescherming,18 en jeugdreclassering.19 In de rapporten staan (interactieve) staafdiagrammen met bijbehorende tabellen (incl. cijfers van voorgaande jaren) overzichtelijk gepresenteerd tezamen met een begeleidend schrijven.
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Hieronder treft u de voorlopige cijfers jeugdzorg naar herkomst 2025. Betreffende data is alleen terug te vinden in CBS rapporten over jeugdzorg,19 jeugdbescherming,20 en jeugdreclassering,21 en zijn niet beschikbaar in online StatLine tabellen.
Jeugdzorg naar herkomst
Jongeren jeugdhulp zonder verblijf
Jongeren jeugdhulp met verblijf
Jongeren met jeugdbescherming
Jongeren met jeugdreclassering
10,4
0,9
1
0,3
Nederland
10,7
0,9
0,9
0,2
Europa (exclusief Nederland)
10
1
1,1
0,4
Turkije
6,9
0,4
0,6
0,5
Marokko
7,1
0,5
0,7
0,9
Suriname
10,3
1,7
2
1,1
Nederlands-Caribisch gebied
13,9
2,8
2,8
1,9
Indonesië
8,5
0,8
0,7
0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
9,5
0,9
1,1
0,7
6,1
0,7
1
0,5
Europa (exclusief Nederland)
5,5
0,6
1
0,2
Turkije
6
0,4
0,6
0,2
Marokko
9,5
1
1,6
1,4
Suriname
8,6
1,5
1,5
0,9
Nederlands-Caribisch gebied
10,3
1,9
2,5
1,2
Indonesië
4
0,4
0,5
0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
6,3
0,7
0,9
0,7
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
De informatie die hierover beschikbaar is, is opgenomen in het antwoord bij vraag 7.
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Een soortgelijke analyse als waar u naar vraagt is in 2023 door het CBS uitgevoerd over het jaar 2021.20 Dit onderzoek had naast herkomst ook betrekking op andere demografische achtergrondkenmerken. Voor de daaropvolgende jaren zijn dergelijke analyses niet gedaan.
Het onderzoek laat de samenhang zien tussen jeugdhulpgebruik en verschillende factoren. Dit betekent overigens niet dat ook geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband. De samenhang voor jeugdhulp zonder verblijf is het sterkst met de factoren GGZ gebruik in huishouden, speciaal onderwijs en leeftijd. Voor jeugdhulp met verblijf is dit speciaal onderwijs, samenstelling van het huishouden en gebruik van Wmo en/of WLZ in het gezin. Voor Jeugdbescherming is dit ouders wonen op hetzelfde adres/samenstelling van het huishouden, speciaal onderwijs en gebruik van Wmo en/of WLZ. Voor Jeugdreclassering is dit verdachte in huishouden, HALT, geslacht en speciaal onderwijs/hoogst gevolgde opleiding.
Kortom, in algemene zin blijk uit dit onderzoek dat jongeren met jeugdzorg vaker dan jongeren zonder jeugdzorg te maken hebben met problemen op andere gebieden. Daarmee sluiten de uitkomsten van het onderzoek aan op de beleidsinzet om een integrale en brede blik te hanteren wanneer er problemen bij jeugdigen voordoen en/of een beroep gedaan wordt op jeugdzorg. Onder andere met het met een brede blik kijken naar en betrekken van het gezin bij hulpvragen (waaronder een verklarende analyse), de inzet op stevige lokale teams en de inzet op passende zorg en ondersteuning.
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Hieronder worden de meest actuele cijfers hierover weergegeven.21
Huisarts
35
36
38,7
39,5
Gemeentelijke toegang
32,7
32,3
30,9
30,6
Geen verwijzer
16,8
17,5
16,2
15,6
Gecertificeerde instelling
5,7
5,6
5,7
5,8
Medisch specialist
5,5
4,6
4,4
4,5
Jeugdarts
3,7
3,7
3,7
3,5
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,3
0,3
0,3
0,3
Onbekend
0,2
0,1
0,1
0,1
Gemeentelijke toegang
43,3
44,9
44,4
43,5
Gecertificeerde instelling
38,1
36,3
35
36,1
Huisarts
6,6
6,4
6
5,6
Medisch specialist
6
5,4
6,5
6,4
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,9
1,2
0,9
0,8
Jeugdarts
0,4
0,4
0,4
0,4
Geen verwijzer
0
0
0
0
Onbekend
4,6
5,3
7
7,1
Betreft voorlopige cijfers.
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
De Jeugdwet kent meerdere verwijzers naar jeugdhulp. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (hierna: medisch verwijzers) kunnen bepalen dat een jeugdige aanspraak kan maken op jeugdhulp. De gemeente moet vervolgens een beschikking afgeven op basis van wat de jeugdhulpaanbieder inschat dat nodig is. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij deze inschatting houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld.
Het kunnen bieden van passende jeugdhulp met een brede blik en het kunnen sturen op de inzet van mensen en middelen in de context van schaarste is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van huisartsen en gemeenten. In het najaar van 2025 zijn hierover bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsen Verenging (LHV), Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de VNG en VWS.22 Deze worden verankerd en uitgewerkt in de leidraad.23 In deze bestuurlijke afspraak is de samenwerking tussen gemeenten, huisartsen en jeugdartsen, zoals beoogd in de Hervormingsagenda jeugd, nader uitgewerkt.
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet worden bij de betreffende categorieën voorbeelden genoemd. Het gaat bijvoorbeeld bij de versterking van de sociaal pedagogische basis om voorzieningen die alledaagse opvoed- en opgroeivragen in de leefomgeving opvangen zodat jeugdhulp niet nodig is. Concreet gaat het hierbij om: jongerenwerk, laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplekken en informele steunstructuren zoals Buurtgezinnen. Bij basishulp worden genoemd: opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding van jeugdigen met lichte gedragsproblemen en laagdrempelige langdurige begeleiding bij gezinnen met een kind met een chronische beperking. Bij jeugdhulp op groepsbasis gaat het om hulpvormen waarbij het bijvoorbeeld gaat om het besef niet de enige te zijn met een bepaald probleem, onderlinge steun en erkenning, en de mogelijkheid om sociale vaardigheden in een veilige omgeving met leeftijdsgenoten te oefenen. Voor de amvb waarbij vormen van jeugdhulp wordt uitgesloten gaat het bijvoorbeeld om ernstige enkelvoudige dyslexie die niet is vastgesteld volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling, huiswerk-, studie- en stagebegeleiding, weerbaarheidstraining zonder ontwikkelings- of gedragsprobleem, outdoor- of survivalactiviteiten zonder behandel- of begeleidingscomponent, Braingame Brian en HiRO.
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Bij hulpvragen van jeugdigen rondom het opvoeden en opgroeien is niet één op één aan te geven welke hulp en/of ondersteuning passend is aangezien problematiek altijd afspeelt in een bepaalde context. De context bepaalt welke hulp effectief is bij bepaalde hulpvragen. Zo kan het dus zijn dat eenzelfde hulpvraag, zoals «mijn kind vertoont druk gedrag», verschillende oplossingen nodig heeft in verschillende situaties. Dit maakt het dus ook niet mogelijk om aan te geven welke vormen van jeugdhulp te vaak worden ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via het onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kunnen worden georganiseerd. Wel zien we al langer een stijging in de relatief lichtere vormen van ambulante hulp en ondersteuning zoals begeleiding, basis-ggz behandeling en relatief lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning.
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Het CBS publiceert twee keer per jaar cijfers over jeugdzorg, waarbij o.a. uitsplitsingen worden gemaakt naar gemeente en zorgvorm (zie ook het antwoord op vraag 2 en 3). Daarnaast heeft het CBS in 2025 modelschattingen per gemeente gepubliceerd o.b.v. relevante achtergrondkenmerken voor jeugdzorg. Deze vindt u hier: Modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente, 2023 | CBS.24 Deze cijfers zullen ook betrokken worden in de centrale monitor van het jeugdstelsel, waarvan het CBS nu de data-infrastructuur bouwt. Een eerste versie van deze monitor wordt in het najaar gepubliceerd.
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Ik beschik niet over cijfers over lichte jeugdhulp, zware jeugdzorg of kwetsbare jongeren. CBS houdt namelijk andere categorieën van zorgvormen bij, zie vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Ja.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Etkin Armut (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Elles van Ark (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Ja ik ben bekend met dit artikel.
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Allereerst is het belangrijk om te noemen dat Veilig Thuis bij elke melding die binnenkomt altijd direct een triage uitvoert op basis van de beschikbare informatie, of een VT nu wachtlijsten heeft of niet. Als uit de triage komt dat er sprake is van directe ernstige onveiligheid wordt er altijd meteen gehandeld.
Na die triage heeft Veilig Thuis 5 werkdagen voor de uitgebreide veiligheidsbeoordeling. Hiervoor gaat Veilig Thuis contact leggen met de betrokkenen (zowel het gezin als betrokken instanties). Als uit de Veiligheidsbeoordeling komt dat er vervolg onderzoek nodig is, heeft Veilig Thuis 10 weken om de dienst »Onderzoek en Vervolg» uit te voeren en af te ronden.
Het klopt dat vrijwel alle Veilig Thuis organisaties te maken hebben met wachtlijsten. Dit betekent dat de Veiligheidsbeoordeling niet binnen 5 dagen is afgerond en/of dat de dienst Onderzoek en Vervolg niet tijdig is gestart en/of afgerond.
De betekenis van het niet halen van de wettelijke termijn kan heel erg verschillen. Dit is niet zo uit de cijfers te halen. Zo kan het zijn dat zaken langer moeten wachten totdat er een medewerker beschikbaar is om het onderzoek uit te voeren. Ook kan het zijn dat het onderzoek wel is afgerond, maar dat de geadviseerde vervolghulp niet direct beschikbaar is, waardoor de melding nog niet wordt afgesloten en overgedragen. Of het kan zijn dat een casus zo complex is, dat het om verschillende redenen niet lukt binnen 10 weken het onderzoek af te ronden. In de laatste 2 gevallen wordt er ondanks dat de termijnen niet worden gehaald, wel zicht gehouden op onveiligheid en kan er ook al inzet zijn gericht op het opheffen van onveiligheid.
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Er wordt niet landelijk bijgehouden hoeveel meldingen niet tijdig zijn opgepakt. Het verschilt per Veilig Thuis organisatie hoe wordt geregistreerd op het halen van termijnen, dit is afhankelijk van de manier van aanbesteden door de gemeenten en de afspraken over de verantwoording van de desbetreffende Veilig Thuis aan die gemeente. En zoals bij de vorige vraag al aangegeven, is er ook een groot verschil tussen wat het niet tijdig oppakken van een melding betekent.
Veilig Thuis probeert zo veel mogelijk zicht op de veiligheid te houden, ook als een melding nog niet is opgepakt vanwege wachtlijsten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd monitort de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele Veilig Thuis organisaties, waaronder de termijnen. De IGJ spreekt hier de individuele VT’s op aan en publiceert over landelijke trends wanneer zij dat op basis van de bevindingen wenselijk en/of noodzakelijk vindt.
Wat we wel weten is dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40–60% van de gevallen een veiligheidsbeoordeling niet tijdig is afgerond. Ook weten we dat gedurende de periode 2019–2025 het tijdig afronden van onderzoeken een structureel knelpunt is geweest binnen Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden.
Bij de incidenten met dodelijke afloop of van ernstige mishandeling die we in beeld hebben is altijd gecontroleerd of wachtlijsten een rol hebben gespeeld. Bij de bij ons bekende casussen was er geen sprake van invloed vanuit wachtlijstproblematiek. Daarbij is het goed om nogmaals te benadrukken dat bij elke melding bij Veilig Thuis er wel direct een risico inschatting wordt gemaakt. Indien daaruit komt dat er sprake is van vermoedens van acute of ernstige onveiligheid, Veilig Thuis direct handelt.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het is absoluut onwenselijk dat meldingen van onveilige situaties van kinderen, maar ook van volwassenen, niet direct worden opgepakt,. De cijfers bij antwoord 3 laten een structureel probleem zien dat niemand wil. Daarom probeer ik ook echt, samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en ook bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, alles te doen wat we kunnen om de wachtlijsten op te heffen en in de toekomst te voorkomen.
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Er is een verscheidenheid aan oorzaken waarom de keten vastloopt en de werklast voor Veilig Thuis veelal groter is dan Veilig Thuis aankan. Een al jaren toenemend aantal meldingen is hier een belangrijke oorzaak, maar ook personeelstekorten, wachtlijsten bij hulpverlening en inefficiënte werkprocessen spelen zeker een rol.
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
De 25 Veilig Thuis organisaties zijn onafhankelijk van elkaar georganiseerde organisaties. Er is daardoor geen landelijk overzicht van de ontwikkeling van het aantal fte of het aantal openstaande vacatures bij de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties. Werving, instroom en uitstroom van medewerkers worden regionaal georganiseerd en geregistreerd. Landelijk herkennen wij wel dat er sprake is van een krappe arbeidsmarkt.
De vraag of de huidige capaciteit voldoende is om kinderen tijdig te beschermen laat zich niet beantwoorden aan de hand van het aantal medewerkers of vacatures. Veilig Thuis-organisaties beoordelen meldingen op basis van urgentie van veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute onveiligheid worden met voorrang opgepakt. Capaciteitsvraagstukken mogen nooit ten koste gaan van de veiligheid van kinderen en gezinnen. Juist daarom richten Veilig Thuis-organisaties hun beschikbare capaciteit primair op situaties waarin de veiligheidsrisico's het grootst zijn. Tegelijkertijd vraagt de toenemende druk aandacht voor capaciteit, financiering, samenwerking en de beschikbaarheid van passende vervolghulp. De uitdaging zit daarbij niet alleen in de beschikbaarheid van Veilig Thuis-professionals, maar ook in de beschikbaarheid van passende ondersteuning en hulp in de vervolgstappen na een veiligheidsbeoordeling.
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
De Inspectie heeft de laatste vijf jaar meerdere onderzoeken ingesteld naar het functioneren van Veilig Thuis. Een opsomming van een aantal relevante publicaties uit de afgelopen is hieronder te vinden.
De IGJ vraagt bij geconstateerde tekortkomingen vrijwel altijd een verbeterplan op en controleert, bijvoorbeeld door een nieuw inspectiebezoek af te leggen, of de verbetermaatregelen zijn doorgevoerd en tot de gewenste resultaten hebben geleid. De IGJ ziet dat de wachtlijsten de afgelopen jaren niet zijn opgelost of verminderd. De IGJ heeft in 20241 alle Veilig Thuis-organisaties de opdracht gegeven zorg te dragen dat er altijd zicht op de veiligheid is van de kinderen en gezinnen die moeten wachten op Veilig Thuis als zij dit binnen hun organisatie (nog) niet hebben geregeld en monitort deze plannen. Ook bespreekt de IGJ haar zorgen met de Veilig Thuis-organisaties, gemeenten, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, Jeugdzorg Nederland, VWS, JenV en de VNG. Hierbij maakt de IGJ ook bespreekbaar waar ze ruimte ziet voor verbeteringen bij de specifieke Veilig Thuis organisaties en waar het vooral gaat om knelpunten in de hele keten.
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Zoals in het antwoord op 7 is opgenomen, constateert de IGJ in het toezicht bij Veilig Thuis dat de wachtlijsten de afgelopen jaren niet zijn opgelost of verminderd. De inspectie kan geen algemene uitspraak doen dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over de meldingen en de voortgang van onderzoeken. Als een melding of onderzoek op een wachtlijst komt dan kan het zijn dat ouders of betrokkenen een periode niets horen van Veilig Thuis. De IGJ vraagt in het rapport uit 2024 aandacht voor de gevolgen van het lange wachten voor gezinnen, kinderen, huishoudens en melders. De IGJ heeft in 20242 alle Veilig Thuis-organisaties de opdracht gegeven zorg te dragen dat er altijd zicht op de veiligheid is van de kinderen en gezinnen die moeten wachten op Veilig Thuis als zij dit binnen hun organisatie (nog) niet hebben geregeld.
Ook bespreekt de inspectie haar zorgen met de Veilig Thuis-organisaties, gemeenten, het LNVT, JZNL, VWS, JenV en de VNG.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Het is nodig om goed beeld te hebben van structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis en andere organisaties. En daarbij is vooral dat laatste heel belangrijk: de problemen bij Veilig Thuis staan niet op zichzelf. Veilig Thuis is een onderdeel van een keten waar het aan alle kanten piept en kraakt.
We zijn daar op verschillende manieren al mee bezig, waarbij het vooral belangrijk is om de inzichten ook te kunnen vertalen naar verbeteringen en de trajecten goed op elkaar aan te laten sluiten.
In het hier en nu zijn we samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid continu aan het kijken welke knelpunten door de Veilig Thuis organisaties, ketenpartners en vooral de professionals, omstanders en betrokkenen zelf worden ervaren en wat daar in het hier en nu in verbeterd kan worden. Bijvoorbeeld in de aanpak van wachtlijsten wordt ingezet op in op het verbeteren van de werkprocessen zoals bijvoorbeeld het werken met doorbraakteams die alleen bezig zijn met het oppakken van nieuwe meldingen. Ook zet Veilig Thuis in op digitalisering en het gebruik van AI waar dat kan, het uitbreiden van de chatfunctie naar 24 uur per dag en 7 dagen per week, het verbeteren van samenwerkingsafspraken met de netwerkorganisaties en het werven van nieuwe medewerkers. Daarnaast probeert Veilig Thuis signalen eerder op te vangen door meer aanwezig te zijn op vindplekken (zoals scholen, huisartsenpraktijken, buurtcentra) zodat professionals direct ondersteund kunnen worden. Ook is de afgelopen jaren gezorgd voor versterking van de advies- en ondersteuningsfunctie om vroegtijdig hulp te kunnen bieden. We zien dit ook terug in de cijfers: er is de afgelopen jaren een sterke stijging van het aantal adviesvragen bij Veilig Thuis.
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Ja.
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Gezinshuizen bieden de mogelijkheid om jeugdigen in een kleinschalige huiselijke setting hulp te bieden. Wanneer een jeugdige uit huis is geplaatst, brengt dit voor de jeugdige al een grote verandering met zich mee. Een gezinsgerichte plaatsing kan helpen om deze verandering minder groot te maken. Het feit dat bovendien gezinshuizen bestaan die zich specialiseren in een bepaalde problematiek, zoals bijvoorbeeld een lichte verstandelijke beperking, is van meerwaarde. Tegelijkertijd erken ik dat ook binnen gezinshuizen misstanden kunnen plaatsvinden. Daarom werk ik met de gezinshuissector en gemeenten aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg.
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
In de Jeugdwet worden kwaliteitseisen gesteld aan aanbieders van jeugdhulp. Elke jeugdhulpaanbieder moet hieraan voldoen, dus ook gezinshuizen. Ook is in de wet aangegeven dat gewerkt moet worden vanuit professionele standaarden. Richtlijnen vanuit het veld zijn hier onderdeel van, en daarmee een verdere invulling van de kwaliteitswaarborgen voor jeugdhulp. Wanneer er richtlijnen zijn voor bepaalde onderdelen van de jeugdhulp, worden deze meegenomen in het toetsingskader van de IGJ. Bijvoorbeeld, in het rapport van de IGJ in het kader van thematisch toezicht «Pleegkinderen uit beeld», is expliciet getoetst op de richtlijnen4. Tevens zijn de professionele standaarden (beroepscodes) de basis voor het professioneel toezicht dat is ingericht voor professionals met een SKJ registratie (tuchtrecht). Er zijn dus meerdere manieren waarop het gebruik van de professionele richtlijnen geborgd zijn in het jeugdstelsel. De huidige kwaliteitscriteria zijn daarmee indirect geborgd maar zijn niet direct afdwingbaar.
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
De waarborgen voor kwaliteit zoals bij vraag 3 beschreven, kwaliteitseisen in de Jeugdwet en professioneel toezicht gebaseerd op beroepscodes, dragen bij aan veilige en kwalitatief goede gezinshuiszorg. Ik ben daarnaast met de sector in gesprek over de wijze waarop we de veiligheid van gezinshuizen verder kunnen verbeteren. De sector is aan de slag met het aanscherpen van de screening van gezinshuisouders en het steviger verankeren van de kwaliteitscriteria bij de gezinshuizen. Deze laatste worden op dit moment herzien.
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Zoals ik bij vraag 3 beschreef, zijn er reeds diverse manieren waarop professionele standaarden worden geborgd. Ik heb geen voornemen om daarnaast specifiek deze kwaliteitscriteria voor gezinshuizen wettelijk te verankeren. Momenteel worden de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen herzien vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Met de gezinshuissector onderzoek ik hoe de implementatie ervan kan worden versterkt.
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
Gezinshuisouders gaan niet zelf over of een kind bij hen geplaatst wordt, daarover beslist een gecertificeerde instelling of een andere verwijzer zoals de gemeente/lokale team. De verwijzer dient te zorgen voor een verantwoorde plaatsing en kan daarbij alert zijn op eventuele financiële motieven van gezinshuisouders. Daarnaast moeten de gezinshuizen zich houden aan de norm verantwoorde werktoedeling zoals uitgewerkt in het Kwaliteitskader Jeugd en de waarborgen voor kwaliteit zoals beschreven bij vraag 3. Tevens kan de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stellen bij de contractering van deze zorg.
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Het begrip gezinshuis is niet verankerd in de Jeugdwet.
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat er landelijke standaarden komen voor de (hoog) specialistische jeugdzorg. In dat kader wordt gewerkt aan een gelimiteerde set van productomschrijvingen die momenteel worden uitgewerkt voor de gezinshuiszorg. Op dit moment is nog niet bekend of en hoe deze landelijk geldende productomschrijvingen worden verwerkt in wet- en regelgeving.
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Daar ben ik mee bekend.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie. Hiermee worden onder andere jeugdhulpaanbieders verplicht het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan. En ontslag vanwege ernstig disfunctioneren te melden.
Verder werk ik aan de invoering van een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders. Deze moet ook gaan gelden voor gezinshuisouders die werken als zelfstandig ondernemer.
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) gebruikt signalen om een inschatting te maken van de mogelijke risico’s binnen de hulp. Op basis van signalen maakt de IGJ een inschatting of een onderzoek moet starten en vervolgens of maatregelen moeten worden genomen. Het doen van meldingen of het doorgeven van signalen aan de IGJ zijn dan ook belangrijk voor de mogelijkheden die de IGJ heeft om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid van kinderen. Het wetsvoorstel over een meld- en vergewisplicht, dat ik binnenkort in consultatie breng, moet hieraan bijdragen.
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Ja. Op korte termijn gaat het wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen alle jeugdhulpaanbieders verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan en melding te doen wanneer sprake is van ernstig disfunctioneren.
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Het achteraf toetsen van gezinshuisouders op geschiktheid is niet gewenst. Ik werk daarom aan een meld- en vergewisplicht.
Gezinshuisouders worden nu meestal vooraf gescreend door de aanbieders van gezinshuiszorg waarmee een contract wordt gesloten. Dit kan een zorgaanbieder zijn, maar kan ook een franchiseorganisatie of een hoofdaannemer. Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht een verklaring omtrent gedrag op te vragen van personen die beroepsmatig of (niet incidenteel) als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. Indien een gezinshuis een zogeheten vrijgevestigd gezinshuis is en rechtstreeks door gemeenten of regio’s wordt ingekocht, dan is de gemeente of regio verantwoordelijk om de gezinshuisouder te toetsen op geschiktheid als gezinshuisouder. Ook deze vrijgevestigde gezinshuizen dienen te beschikken over een verklaring omtrent gedrag van de gezinshuisouder zelf. De wijze van toetsen door de gemeente of regio is vormvrij en kan bijvoorbeeld ook op basis van steekproeven.
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Ja, het klopt dat sinds de invoering van de Wtza (Wet toetreding zorgaanbieders) alle nieuwe zorg- en jeugdhulpaanbieders, dus ook zelfstandige gezinshuizen, zich moeten melden bij de IGJ.
Er bestaat geen landelijke registratie van het aantal gezinshuizen in Nederland. Wel heeft onderzoeksbureau Significant in 2025, in opdracht van VWS, onderzoek gedaan naar het aantal gezinshuizen in Nederland. Hierdoor kan voor 2025 een indicatie worden gegeven van het aantal gezinshuizen, uitgesplitst naar een aantal kenmerken van de gezinshuizen.
Zoals ook benoemd onder vraag 9 werk ik hiernaast aan een vergunningplicht voor jeugdhulporganisaties. Deze gaat ook gelden voor gezinshuizen.
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Jeugdhulpaanbieders moeten verantwoorde hulp verlenen. Dat houdt in dat de hulp van goed niveau en veilig is, en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige. In het Kwaliteitskader Jeugd is door het veld vastgesteld wanneer een SKJ-registratie vereist is. Dit is afhankelijk van cliënt- en professional-gerelateerde indicatoren. Jeugdigen die in gezinshuizen worden geplaatst hebben veelal complexe problematiek. Voor tenminste één van de betrokken professionals is een SKJ-registratie daarom verplicht. Dat kan de gezinshuisouder zelf zijn of een andere betrokken professional. Gezinshuisouders moeten in ieder geval over pedagogische competenties en vaardigheden beschikken. In de praktijk is er vaak een SKJ-geregistreerde gedragswetenschapper betrokken bij een gezinshuis.
Om te voorkomen dat professionals die niet functioneren hun werkzaamheden elders in de jeugdhulp kunnen voortzetten ben ik voornemens om een meld- en vergewisplicht in te voeren (zie ook mijn antwoord op vraag5. Daarnaast wordt er een wetsvoorstel voorbereid om een vergunningplicht voor jeugdhulpinstellingen in te voeren.
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Ja. Met de invoering van een vergunningplicht in combinatie met de aanvullende weigering- en intrekkingsgronden vanuit het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), kan deze situatie worden voorkomen.
Hiernaast kunnen gemeenten nu ook veel doen door bij hun inkooptrajecten gebruik te maken van de wet Bibob.
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Momenteel ben ik in gesprek met de gemeenten, VNG en de aanbieders van gezinshuiszorg over de (kwaliteits-)eisen die gesteld worden aan gezinshuiszorg. Doel van deze gesprekken is om te bepalen welke eisen landelijk kunnen worden vastgelegd.
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Zie mijn toelichting hierop in reactie op de vragen 5, 8, 11 en 14.
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Ja, het is in het belang van alle betrokkenen in de gezinshuiszorg, en in het bijzonder voor die van de kinderen die hier verblijven, om kwalitatief goede gezinshuiszorg te leveren. Ik werk dan ook samen met de sector aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg. Zo wordt er onder meer gewerkt aan de herziening van de kwaliteitscriteria en de standaardisatie van de producten en tarieven voor de gezinshuiszorg. Ook wordt een meld- en vergewisplicht en een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders voorbereid.
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Accuraat begeleid wonen (hierna: Accuraat) biedt zorg en ondersteuning vanuit verschillende wetten voor jongeren vanuit verschillende gemeenten. Er is geen centraal overzicht van jongeren die zijn doorverwezen naar Accuraat. Het is daarom bij het Ministerie van VWS ook niet bekend hoeveel jongeren nu worden begeleid door Accuraat.
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Zorgaanbieders zijn verplicht actieve locaties te registreren in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Follow the Money maakt melding van 30 locaties en ik constateer dat deze locaties niet allemaal zijn aangemeld bij de KvK en/of te vinden in het AGB-register, de landelijke registratie van zorgverleners en zorgorganisaties in Nederland. Ik kan daarom geen betrouwbaar getal geven van het aantal actieve locaties.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) controleert bij het toezicht niet standaard of locaties juist staan ingeschreven. Transparantie hierover neemt de IGJ wel mee in de beoordeling van het vertrouwen dat de inspectie heeft in een zorgaanbieder.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor organisatie en financiering van de jeugdhulp. Het is mij niet bekend hoeveel gemeenten met Accuraat samenwerken.
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
De totale rijksuitgaven aan begeleid wonen zijn verdeeld over meerdere stelsels: de Wet langdurige zorg (Wlz, via zorgkantoren), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo, via gemeenten), de Jeugdwet (via gemeenten) en sinds 2024 ook via de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De kosten voor begeleid wonen zijn niet afzonderlijk uitgesplitst er is daarom niet bekend hoeveel specifiek uitgegeven is aan Accuraat. De geldstromen die Accuraat kent zijn inzichtelijk in de aangeleverde de jaarverslagen in het DigiMV-register.
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
De openbare jaarverantwoording van Accuraat over het jaar 2025 is ten tijde van het beantwoorden van deze vragen nog niet aangeleverd bij het CIBG. De uiterste datum waarop de openbare jaarverantwoording over 2025 aangeleverd dient te worden door Accuraat is 31 mei 2026. De IGJ houdt toezicht op de aanlevering van de openbare jaarverantwoording door jeugdhulpaanbieders. De IGJ kan zo nodig een last onder dwangsom opleggen bij het niet (op tijd) aanleveren van de jaarverantwoording.
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Over het jaar 2024 heeft Accuraat in het kader van de jaarverantwoording zorg onder andere een jaarrekening aangeleverd. Gegevens in het kader van de Wet normering topinkomens (WNT) maken geen onderdeel uit van deze jaarrekening. Wel is een accountantsverklaring gedeponeerd over de naleving van de WNT in 2024. Uit deze verklaring blijkt dat, naar oordeel van de accountant, de WNT-verantwoording in alle van materieel belang zijnde aspecten is opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van en op grond van de WNT.
Het CIBG is niet bekend met de reden voor het niet publiceren en/of opnemen van de WNT-verantwoording in het jaarverslag of het op andere wijze niet openbaar maken van de WNT-gegevens.
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Uit door de instelling gepubliceerde WNT-verantwoording over boekjaar 2023 blijkt dat er één leidinggevende- en één toezichthoudende topfunctionaris is. Het CIBG is niet bekend of er sprake is van (aangetrouwde) familie.
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Sinds 1 januari 2026 zijn jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wettelijk verplicht een interne toezichthouder aan te stellen van minimaal drie personen indien deze organisaties een bepaalde omvang hebben. Daarin wordt ook de eis gesteld dat er geen familieband mag zijn met iemand uit de organisatie. De IGJ is aangewezen als de toezichthouder op de naleving daarvan.
Het toezicht dat de IGJ bij twee locaties van Accuraat heeft uitgevoerd was in 2025. Toen was deze wet voor aanbieders onder de Jeugdwet nog niet van kracht. Het toezicht in 2025 was gericht op de locaties Tijnmuiden en Portsmuiden – daar verbleven jeugdwet- en Wmo-cliënten. Het toezicht richtte zich alleen op de Jeugdwetcliënten. In het rapport van dit bezoek is benoemd dat de inspectie verwacht dat Accuraat gedegen interne tegenspraak organiseert als randvoorwaarde voor goed bestuur.
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
De zorginstelling zelf (bestuurders en raad van toezicht) draagt primaire verantwoordelijkheid voor goede zorg en rechtmatige besteding van geld. Hoe het toezicht op de zorginstelling precies is vormgegeven hangt af van het wettelijk kader waarop een zorgindicatie gebaseerd is:
De IGJ maakt op basis van de bij haar bekende informatie een risico-inschatting om de afweging te maken een onderzoek in te stellen. Op basis daarvan bepaalt zij waar de risico’s het grootst zijn en houdt daarbij rekening met kwetsbare situaties. Kwetsbare groepen of mensen uit hun omgeving (familieleden, zorgprofessionals, vertrouwenspersonen) kunnen met klachten of signalen bij het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ terecht.
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 hebben cliënten recht op toegang tot een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Gemeenten en aanbieders moeten dit actief beschikbaar stellen en maken ook afspraken over de frequentie van bezoeken.
Naar aanleiding van het toezichtbezoek door de IGJ in 2025 heeft Accuraat in het verbeterplan opgenomen dat Jeugdstem vertrouwenspersonen betrokken is en op locatie komt.
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
In 2018 voerde de IGJ toezicht uit bij Accuraat, de aanbieder was destijds een nieuwe toetreder. Na een verbetertraject bezocht de inspectie de aanbieder in juni 2018 opnieuw. Uit dit toezicht bleek dat de zorg niet voldeed aan de normen voor verantwoorde hulp. Om die reden gaf de inspectie de aanbieder een aanwijzing. In augustus 2018 volgde een toets of aan de aanwijzing was voldaan. Dat was niet het geval, en daarom legde de inspectie Accuraat een last onder dwangsom (LOD) op. Begin september 2018 voldeed Accuraat aan de gestelde eisen uit de LOD, daarmee is het handhavingstraject beëindigd.
In 2025 heeft IGJ toezicht uitgevoerd bij twee locaties in Amsterdam, te weten locatie Tijnmuiden en locatie Portsmuiden. Aan beide locaties heeft de IGJ een aanwijzing opgelegd. Accuraat heeft locatie Portsmuiden vervolgens zelf gesloten. De IGJ heeft de aanwijzing bij Tijnmuiden hertoetst in juli 2025 en een voornemen tot LOD opgelegd. In november 2025 bleek locatie Tijnmuiden na een nieuwe toets te voldoen aan de gestelde eisen uit de voorgenomen LOD en is deze opgeheven. De rapporten hiervan zijn de vinden op de website van de IGJ.
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Tussen 2022 en 2026 zijn er vijf meldingen van burgers of professionals ontvangen bij de IGJ. Daarnaast kwamen er via het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) negentien signalen van burgers over Accuraat binnen.
Zowel bij een «signaal» als bij een «melding» beoordeelt de IGJ wat ermee te doen. Soms is dat onmiddellijke actie, soms is het iets om later mee te nemen in toekomstig toezicht. Over de precieze inhoud van meldingen en signalen en de afhandeling ervan kan de IGJ geen mededelingen doen. Dat is omdat meldingen (ook oudere) meegenomen kunnen worden in toekomstig toezicht. Of nog onderdeel zijn van lopend toezicht. De IGJ kan wel delen dat deze meldingen en klachten aanleiding gaven tot de toezichtstrajecten in 2025 bij locaties Portsmuiden en Tijnmuiden.
Als meldingen aanleiding geven tot afstemming en/of samenwerking tussen IGJ en IJ&V gebeurt dat volgens de werkafspraken die zij hierover gemaakt hebben. Inspecties kunnen onder voorwaarden meldingen met elkaar delen.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Begeleid wonen is een sector die qua toezicht verdeeld is over meerdere toezichthouders en financieringsstromen, waardoor een totaalcijfer niet beschikbaar is. De aantallen signalen en meldingen over Accuraat, de aard van deze meldingen en de opvolging hiervan, is opgenomen in de beantwoording van vraag 11 en 12.
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Sinds het rapport «Er is meer aan de hand» van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) en de IGJ heeft het toenmalig kabinet verschillende maatregelen ingezet. Uw Kamer is eerder hierover geïnformeerd. Ik verwijs u graag naar de volgende kamerbrieven voor een nadere uiteenzetting van de maatregelen: Kamerbrief «Aanpak fraude en criminaliteit in de zorgketen» van 31 maart 2025 (Kamerstukken II2024/25, 28 828, nr. 141), Kamerbrief «Extra middelen voor de aanpak van zorgfraude» van 3 oktober 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 28 828, nr. 161) en Kamerbrief «Fraudebestrijding in de zorg» van 13 februari 2026 (Kamerstukken II 2025/26 28 828, nr. 162).
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Uit het IGJ-rapport van april 2025 blijkt dat bij de geïnspecteerde locatie Tijnmuiden slechts 9 van de 26 begeleiders een zorgopleiding hadden afgerond. Bij de hertoets in november constateerde de IGJ dat Accuraat op die locatie voldoende medewerkers inroostert die een zorggerelateerde opleiding hebben afgerond, dan wel van wie de bekwaamheid is aangetoond.
Het is een wettelijke eis dat jeugdhulpaanbieders zich zodanig van personeel voorzien, dat zij verantwoorde hulp kunnen bieden. Jeugdhulpaanbieders zijn ook verplicht geregistreerd (SKJ danwel BIG) personeel in te zetten, tenzij zij kunnen onderbouwen dat de inzet van niet-geregistreerde professionals niet afdoet aan de kwaliteit van jeugdhulp.
Het is helder dat jeugdigen en hun ouders er op moeten kunnen rekenen dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Werkgevers zijn verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van hun personeel. Dat houdt onder andere in dat zij diploma’s, VOG’s en andere formele stukken van hun personeel dienen te controleren. Ook zijn werkgevers verplicht om de norm van verantwoorde werktoedeling toe te passen zoals deze in het Kwaliteitskader Jeugd is uitgewerkt. Dat houdt in dat werkgever de juiste professional de juiste taken moet toebedelen en daarbij rekening houden met de bekwaamheden van de professionals en de complexiteit van de taken.
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gecommuniceerd, ben ik voornemens de vergewisplicht wettelijk te verankeren. Deze zal in ieder geval jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplichten het arbeidsverleden van nieuwe medewerkers na te gaan. Het wetsvoorstel waarin dit is opgenomen gaat binnenkort in internetconsultatie.
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
De kwaliteitscheck is een hulpmiddel voor nieuwe zorgaanbieders zelf om op een eenvoudige manier te controleren of de aanbieder zorg of jeugdhulp biedt van goede kwaliteit. De resultaten van de kwaliteitscheck zijn bedoeld voor de zorgaanbieder zelf.
De kwaliteitscheck staat los van de wettelijke vereisten uit de Wtza. Het CIBG beoordeelt die vereisten. Accuraat bezit een toetredingsvergunning op grond van de Wtza. De IGJ houdt daarop toezicht maar kan geen mededelingen doen over de aard van de meldingen en signalen en de afhandeling ervan.
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Zie het antwoord op vraag 11.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het al dan niet voortzetten van contracten en kunnen op basis van de signalen van de IGJ aanleiding zien om de samenwerking met Accuraat te heroverwegen. Tegelijkertijd moeten continuïteit en veiligheid van zorg gewaarborgd worden, waardoor een onmiddellijke beëindiging niet altijd verantwoord is. Ik laat het aan gemeenten om daar een beslissing over te nemen.
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Zie antwoord vraag 18.
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast, kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte. Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken.
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8). Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag – in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte. Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan.
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige. Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals. Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen. Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.