De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het interview van vicepremier Yeşilgöz met NOS Stories over dakloze jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat verstaat u precies onder «alles op alles zetten» om het aantal dakloze mensen in 2030 naar nul te brengen?1
Dit kabinet wil zich tot het uiterste inspannen om dakloosheid te voorkomen en terug te dringen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid (NAD) blijft de basis voor de aanpak van dit kabinet, waarbij wordt ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst. Uit de tussentijdse evaluatie2 blijkt echter dat we in het huidige tempo de doelstelling om in 2030 dakloosheid te beëindigen, niet gaan halen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig en daarvoor geven de onderzoekers een aantal adviezen, waar dit kabinet opvolging aan zal geven. Voor het debat over de aanpak van dakloosheid in november zal ik u daar nader over informeren.
Hoe rijmt u deze uitspraken met het coalitieakkoord waarin geen enkel concreet plan staat voor dakloze mensen?
De inzet op het terugdringen van dakloosheid is niet afhankelijk van het coalitieakkoord. Tijdens het debat over het eindverslag van de informateur heeft de Minister-President al erkend dat het een omissie is dat er niets over dakloosheid in het coalitieakkoord staat. Als er één thema is waar we elkaar van links tot recht op kunnen vinden, is het de aanpak van dak- en thuisloosheid. Niemand zou dakloosheid mee hoeven maken. Het kabinet gaat daarom met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Waaruit blijkt precies dat het kabinet, in de woorden van de vicepremier «heel hoge prioriteit» geeft aan dakloze jongeren? Kunt u uiteenzetten wat er precies wordt gedaan voor deze groep of welke concrete maatregelen het kabinet op korte termijn neemt?
In 2024 heeft het kabinet een aantal gerichte, aanvullende acties uitgewerkt om jongerendakloosheid te voorkomen, wat heeft geresulteerd in de Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar).3 Het kabinet zet zich onverminderd in om deze maatregelen uit te voeren. Daarnaast wordt binnen het NAD ingezet op preventie en passende huisvesting volgens het principe van Wonen Eerst en richten deze generieke maatregelen zich óók op jongeren. Begin juni van dit jaar is door Housing First Nederland en woningcorporatie Portaal met steun van de rijksoverheid de Startmotor Wonen Eerst Jongeren gelanceerd. Hierbij spreken (bestuurders van) vijf Nederlandse steden de gezamenlijke
ambitie uit om (dreigend) dakloze jongeren versneld aan een eigen, stabiele woonplek te helpen. Het doel is om Wonen Eerst uit te laten groeien tot de landelijke norm.
Kunt u uw bewering dat er «heel veel» in het coalitieakkoord staat over de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en over preventie, onderbouwen?
In het coalitieakkoord zijn verschillende passages opgenomen over het belang van preventie, bestaanszekerheid, wonen en mentale gezondheid. Daarnaast zet het kabinet zich in om, zoals beschreven in het akkoord, de capaciteit voor complexe ggz casuïstiek te vergroten. Voor de specifieke aanpak van dakloosheid vormt het NAD de basis. Daarin staat preventie centraal en wordt ingezet op het voorkomen van dakloosheid, het tijdig signaleren van risico's en het bieden van passende ondersteuning.
Hoeveel extra budget gaat u vrijmaken om uw woorden na te komen, in de wetenschap dat het budget dat is gekoppeld aan het Nationaal Actieplan Dakloosheid, aantoonbaar onvoldoende is om de beloften waar te maken?
Op dit moment zijn geen aanvullende budgettaire besluiten genomen specifiek voor het NAD. Aanvullende maatregelen zullen worden uitgevoerd binnen de huidige structurele middelen.
Bent u bereid gemeenten te ondersteunen, die concrete plannen hebben om dakloze jongeren, of jongeren die dreigen dakloos te raken, aan een woonplek te helpen? Zo ja, hoe precies?
Het Rijk ondersteunt gemeenten door o.a. de Startmotor Wonen Eerst Jongeren, die gericht is op het realiseren van meer woningen voor dakloze jongeren, mede mogelijk te maken. Als er in de toekomst andere kansrijke initiatieven/plannen zijn, ben ik bereid om daarnaar te kijken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht 'Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vijf moeders eisen onderzoek JB Noord na inzet berispte jeugdbeschermer»?1
Kunt u bevestigen dat bij Jeugdbescherming Noord een jeugdbeschermer is ingezet in kwetsbare gezinnen, terwijl sprake was van een eerdere tuchtrechtelijke berisping en Jeugdbescherming Noord niet wist waarvoor deze medewerker precies was berispt? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een gecertificeerde instelling een berispte jeugdbeschermer kan inzetten in gezinnen waar diep wordt ingegrepen in het gezinsleven, zonder dat de instelling de inhoud en ernst van die berisping kent? Zo nee, waarom niet?
Welke wettelijke, professionele of organisatorische verplichtingen gelden voor gecertificeerde instellingen om vooraf te controleren of een jeugdbeschermer tuchtrechtelijk is berispt, geschorst of anderszins onderwerp is geweest van ernstige professionele tekortkomingen? Acht u die verplichtingen voldoende?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, zo nodig samen met de Inspectie Justitie en Veiligheid, te verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop Jeugdbescherming Noord deze medewerker heeft aangenomen, ingezet, begeleid en gecontroleerd, en naar de dossiers waarin deze medewerker betrokken was?
Bent u bereid te laten onderzoeken of in de betreffende dossiers sprake is geweest van onvoldoende onderbouwde, onzorgvuldige of disproportionele kinderbeschermingsmaatregelen, waaronder uithuisplaatsingen, en of ouders en kinderen daardoor schade hebben geleden?
Deelt u de opvatting dat kinderbeschermingsmaatregelen altijd zorgvuldig moeten worden onderbouwd, omdat anders het recht op gezinsleven in het geding kan komen? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat ouders jarenlang moeten procederen om fouten in zulke maatregelen boven tafel te krijgen?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
De door u opgevraagde informatie is dusdanig uitgebreid dat deze niet goed weer te geven is in tabellen in deze schriftelijke beantwoording. Daarom zijn hieronder verschillende verwijzingen opgenomen, die u direct naar deze cijfers op de website van het CBS toeleiden:
Vanwege doorgevoerde verbeteringen in de verwerking van gegevens over jeugdzorg tussen 2020 en 2021, wordt data over de jeugdzorg door het CBS gepresenteerd in twee afzonderlijke periodes: periode 2015 – 2020 en periode 2021 tot heden. Hierdoor zijn de uitkomsten over jeugdhulp over de jaren 2021 en later niet goed te vergelijken met de uitkomsten over de jaren 2015 t/m 2020. Meer informatie is te vinden in de Methodewijzigingen Beleidsinformatie jeugd.5 Indien data over de jeugdzorg 2020 toch gewenst is, dan is deze online beschikbaar.6
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
De door u gewenste selecties bevat te veel data (bij de uitsplitsing naar gemeente) om online (via de website van het CBS) te kunnen weergeven in tabellen. Wel kunnen deze als CSV-bestand gedownload worden via de open data API van het Dataportaal.7 Voer daar de gewenste selectie in en download de CSV. Een andere optie is om de data in delen online te filteren. De verwijzingen daarvoor zijn hieronder opgenomen.
Data jongeren met jeugdzorg 2021 – 2025 in delen:
Data naar jeugdregio en provincie:
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Hieronder treft u een landkaart met de weergave van het jeugdzorggebruik per gemeente (jongeren tot 23 jaar). De kleuren van de gemeenten geven een indicatie van of het jeugdzorggebruik ver boven of onder het landelijke gemiddelde ligt. Er bestaat een interactieve landkaart online om van iedere gemeente afzonderlijk de percentages te zien.13 Het CBS doet verder geen duiding van de cijfers. Per gemeente zullen de onderliggende redenen verschillen, zeker waar het gaat om gemeenten die sterk boven of onder het landelijk gemiddelde liggen. Vanuit VWS wordt wel nog onderzoek uitgezet naar aanvullend inzicht in de uitgavenontwikkeling van de jeugdzorg en de onderliggende factoren. Dit zal in algemene zin ook meer inzicht moeten geven in de ontwikkelingen in jeugdhulpgebruik.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Op basis van de beschikbare informatie van het CBS, geeft onderstaande tabel inzicht in «gestart met crisis» en «herhaald beroep».14
Totaal jeugdhulptrajecten
Totaal begonnen trajecten
Herhaald beroep
Gestart met crisis
2021
652.970
304.760
79.630
26,1
11.715
3,8
2022
667.420
309.615
80.230
25,9
10.610
3,4
2023
702.100
326.450
83.235
25,5
10.935
3,3
2024
709.935
323.860
84.275
26
10.200
3,1
20251
673.075
288.685
77.350
26,8
9.665
3,3
% t.o.v. totaal aantal begonnen trajecten
Betreft voorlopige cijfers.
Voorts vraagt u naar de uitsplitsing hierin naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hieronder is in een tweetal tabellen de beschikbare informatie over het aantal jeugdigen met jeugdbescherming en/of jeugdreclassering weergegeven. Een verdere uitsplitsing naar jeugdbescherming of jeugdreclassering (bijvoorbeeld naar de wijze van de start van het traject) is echter niet mogelijk. Dit komt omdat de betreffende data niet op deze wijze aan elkaar is gekoppeld. Verder is er data beschikbaar over herhaald beroep van jeugdreclasseringsmaatregelen en van ondertoezichtstellingen in de jeugdbescherming.15, 16
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jeugdbescherming
Wel of geen JR
41.235
38.765
35.720
33.940
32.825
Wel JR
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Geen JR
40.195
37.705
34.700
32.855
31.675
Alleen voogdij
Wel of geen JR
10.305
9.990
9.480
8.995
8.380
Wel JR
135
145
165
180
170
Geen JR
10.170
9.840
9.315
8.815
8.210
Alleen OTS
Wel of geen JR
29.925
27.970
25.605
24.450
24.005
Wel JR
895
905
845
895
970
Geen JR
29.030
27.065
24.760
23.555
23.040
Zowel voogdij als OTS
Wel of geen JR
1.005
810
640
495
440
Wel JR
10
10
10
10
10
Geen JR
995
800
625
485
430
CBS StatLine Jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5E3A.
Betreft voorlopige cijfers.
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Wel JR
Wel/geen jeugdbescherming
7.975
7.475
7.665
8.290
8.660
Wel JR
Wel jeugdbescherming
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Wel JR
Alleen voogdij
135
145
165
180
170
Wel JR
Alleen OTS
895
905
845
895
970
Wel JR
Zowel voogdij als
OTS
10
10
10
10
10
Wel JR
Geen jeugdbescherming
6.935
6.410
6.645
7.205
7.515
CBS jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5F80.
Betreft voorlopige cijfers.
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Voor de gewenste data adviseren wij om de nieuwste CBS rapporten te raadplegen over jeugdhulp,17 jeugdbescherming,18 en jeugdreclassering.19 In de rapporten staan (interactieve) staafdiagrammen met bijbehorende tabellen (incl. cijfers van voorgaande jaren) overzichtelijk gepresenteerd tezamen met een begeleidend schrijven.
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Hieronder treft u de voorlopige cijfers jeugdzorg naar herkomst 2025. Betreffende data is alleen terug te vinden in CBS rapporten over jeugdzorg,19 jeugdbescherming,20 en jeugdreclassering,21 en zijn niet beschikbaar in online StatLine tabellen.
Jeugdzorg naar herkomst
Jongeren jeugdhulp zonder verblijf
Jongeren jeugdhulp met verblijf
Jongeren met jeugdbescherming
Jongeren met jeugdreclassering
10,4
0,9
1
0,3
Nederland
10,7
0,9
0,9
0,2
Europa (exclusief Nederland)
10
1
1,1
0,4
Turkije
6,9
0,4
0,6
0,5
Marokko
7,1
0,5
0,7
0,9
Suriname
10,3
1,7
2
1,1
Nederlands-Caribisch gebied
13,9
2,8
2,8
1,9
Indonesië
8,5
0,8
0,7
0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
9,5
0,9
1,1
0,7
6,1
0,7
1
0,5
Europa (exclusief Nederland)
5,5
0,6
1
0,2
Turkije
6
0,4
0,6
0,2
Marokko
9,5
1
1,6
1,4
Suriname
8,6
1,5
1,5
0,9
Nederlands-Caribisch gebied
10,3
1,9
2,5
1,2
Indonesië
4
0,4
0,5
0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
6,3
0,7
0,9
0,7
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
De informatie die hierover beschikbaar is, is opgenomen in het antwoord bij vraag 7.
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Een soortgelijke analyse als waar u naar vraagt is in 2023 door het CBS uitgevoerd over het jaar 2021.20 Dit onderzoek had naast herkomst ook betrekking op andere demografische achtergrondkenmerken. Voor de daaropvolgende jaren zijn dergelijke analyses niet gedaan.
Het onderzoek laat de samenhang zien tussen jeugdhulpgebruik en verschillende factoren. Dit betekent overigens niet dat ook geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband. De samenhang voor jeugdhulp zonder verblijf is het sterkst met de factoren GGZ gebruik in huishouden, speciaal onderwijs en leeftijd. Voor jeugdhulp met verblijf is dit speciaal onderwijs, samenstelling van het huishouden en gebruik van Wmo en/of WLZ in het gezin. Voor Jeugdbescherming is dit ouders wonen op hetzelfde adres/samenstelling van het huishouden, speciaal onderwijs en gebruik van Wmo en/of WLZ. Voor Jeugdreclassering is dit verdachte in huishouden, HALT, geslacht en speciaal onderwijs/hoogst gevolgde opleiding.
Kortom, in algemene zin blijk uit dit onderzoek dat jongeren met jeugdzorg vaker dan jongeren zonder jeugdzorg te maken hebben met problemen op andere gebieden. Daarmee sluiten de uitkomsten van het onderzoek aan op de beleidsinzet om een integrale en brede blik te hanteren wanneer er problemen bij jeugdigen voordoen en/of een beroep gedaan wordt op jeugdzorg. Onder andere met het met een brede blik kijken naar en betrekken van het gezin bij hulpvragen (waaronder een verklarende analyse), de inzet op stevige lokale teams en de inzet op passende zorg en ondersteuning.
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Hieronder worden de meest actuele cijfers hierover weergegeven.21
Huisarts
35
36
38,7
39,5
Gemeentelijke toegang
32,7
32,3
30,9
30,6
Geen verwijzer
16,8
17,5
16,2
15,6
Gecertificeerde instelling
5,7
5,6
5,7
5,8
Medisch specialist
5,5
4,6
4,4
4,5
Jeugdarts
3,7
3,7
3,7
3,5
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,3
0,3
0,3
0,3
Onbekend
0,2
0,1
0,1
0,1
Gemeentelijke toegang
43,3
44,9
44,4
43,5
Gecertificeerde instelling
38,1
36,3
35
36,1
Huisarts
6,6
6,4
6
5,6
Medisch specialist
6
5,4
6,5
6,4
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,9
1,2
0,9
0,8
Jeugdarts
0,4
0,4
0,4
0,4
Geen verwijzer
0
0
0
0
Onbekend
4,6
5,3
7
7,1
Betreft voorlopige cijfers.
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
De Jeugdwet kent meerdere verwijzers naar jeugdhulp. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (hierna: medisch verwijzers) kunnen bepalen dat een jeugdige aanspraak kan maken op jeugdhulp. De gemeente moet vervolgens een beschikking afgeven op basis van wat de jeugdhulpaanbieder inschat dat nodig is. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij deze inschatting houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld.
Het kunnen bieden van passende jeugdhulp met een brede blik en het kunnen sturen op de inzet van mensen en middelen in de context van schaarste is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van huisartsen en gemeenten. In het najaar van 2025 zijn hierover bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsen Verenging (LHV), Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de VNG en VWS.22 Deze worden verankerd en uitgewerkt in de leidraad.23 In deze bestuurlijke afspraak is de samenwerking tussen gemeenten, huisartsen en jeugdartsen, zoals beoogd in de Hervormingsagenda jeugd, nader uitgewerkt.
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet worden bij de betreffende categorieën voorbeelden genoemd. Het gaat bijvoorbeeld bij de versterking van de sociaal pedagogische basis om voorzieningen die alledaagse opvoed- en opgroeivragen in de leefomgeving opvangen zodat jeugdhulp niet nodig is. Concreet gaat het hierbij om: jongerenwerk, laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplekken en informele steunstructuren zoals Buurtgezinnen. Bij basishulp worden genoemd: opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding van jeugdigen met lichte gedragsproblemen en laagdrempelige langdurige begeleiding bij gezinnen met een kind met een chronische beperking. Bij jeugdhulp op groepsbasis gaat het om hulpvormen waarbij het bijvoorbeeld gaat om het besef niet de enige te zijn met een bepaald probleem, onderlinge steun en erkenning, en de mogelijkheid om sociale vaardigheden in een veilige omgeving met leeftijdsgenoten te oefenen. Voor de amvb waarbij vormen van jeugdhulp wordt uitgesloten gaat het bijvoorbeeld om ernstige enkelvoudige dyslexie die niet is vastgesteld volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling, huiswerk-, studie- en stagebegeleiding, weerbaarheidstraining zonder ontwikkelings- of gedragsprobleem, outdoor- of survivalactiviteiten zonder behandel- of begeleidingscomponent, Braingame Brian en HiRO.
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Bij hulpvragen van jeugdigen rondom het opvoeden en opgroeien is niet één op één aan te geven welke hulp en/of ondersteuning passend is aangezien problematiek altijd afspeelt in een bepaalde context. De context bepaalt welke hulp effectief is bij bepaalde hulpvragen. Zo kan het dus zijn dat eenzelfde hulpvraag, zoals «mijn kind vertoont druk gedrag», verschillende oplossingen nodig heeft in verschillende situaties. Dit maakt het dus ook niet mogelijk om aan te geven welke vormen van jeugdhulp te vaak worden ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via het onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kunnen worden georganiseerd. Wel zien we al langer een stijging in de relatief lichtere vormen van ambulante hulp en ondersteuning zoals begeleiding, basis-ggz behandeling en relatief lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning.
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Het CBS publiceert twee keer per jaar cijfers over jeugdzorg, waarbij o.a. uitsplitsingen worden gemaakt naar gemeente en zorgvorm (zie ook het antwoord op vraag 2 en 3). Daarnaast heeft het CBS in 2025 modelschattingen per gemeente gepubliceerd o.b.v. relevante achtergrondkenmerken voor jeugdzorg. Deze vindt u hier: Modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente, 2023 | CBS.24 Deze cijfers zullen ook betrokken worden in de centrale monitor van het jeugdstelsel, waarvan het CBS nu de data-infrastructuur bouwt. Een eerste versie van deze monitor wordt in het najaar gepubliceerd.
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Ik beschik niet over cijfers over lichte jeugdhulp, zware jeugdzorg of kwetsbare jongeren. CBS houdt namelijk andere categorieën van zorgvormen bij, zie vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Ja.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Sarath Hamstra (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast, kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte. Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties, zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in loondienst aantrekkelijker te maken.
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8). Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag – in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte. Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan.
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige. Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals. Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen. Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.