De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Geert Wilders (PVV), Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Een verdienmodel voor het slecht huisvesten van kwetsbare jongeren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Amsterdamse zorgondernemer verdient aan het beroerd huisvesten van de kwetsbaarste jongeren»?1
Hoeveel jongeren worden momenteel begeleid door Accuraat?
Hoeveel locaties heeft Accuraat en waar zitten deze locaties? Met hoeveel gemeenten werken zij samen? Hoe kan het dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onvoldoende toezicht heeft op het aantal locaties van Accuraat, zoals blijkt uit het feit dat zij in hun rapport van 2025 constateren dat aan het begin van het toezicht ervan uit werd gegaan dat Accuraat drie locaties had, waarna later bleek dat er nog een vierde locatie was maar tegenover Follow the Money werd er gesproken over maar liefst dertig locaties?2
Kan aangegeven worden hoeveel geld er vanuit de Rijksoverheid en gemeenten wordt besteed aan begeleid wonen, uitgesplitst per: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), langdurige zorg, jeugdzorg en justitie? Hoeveel is er specifiek gegeven aan Accuraat, uitgesplitst per «potje»? Welke geldstromen kent Accuraat, naast de eerder genoemde publieksgelden?
Klopt het dat er voor 2025 geen jaarverslag beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen (KvK-nummer: 65968158)? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen?
Klopt het dat er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar is voor Stichting Accuraat Begeleid Wonen? Zo nee, zou deze alsnog toegezonden kunnen worden aan de Kamer bij de beantwoording van deze vragen? Zo ja, hoezo is er voor 2024 geen WNT-verantwoording beschikbaar?3
Klopt het dat in de WNT-verantwoording van 2023 slechts één toezichthouder genoteerd staat en dat deze toezichthouder (aangetrouwde) familie is van de genoteerde directeur? Zo nee, hoe zit het dan wel en hoezo wijkt dat af van de verantwoording?
Is het wettelijk toegestaan dat er slechts één toezichthouder is bij een instelling van dergelijke omvang en is het wettelijk toegestaan dat de toezichthouder een familieband heeft met de directeur? Zo nee, hoe kan het dat dit wel het geval is bij Stichting Accuraat? Zo ja, deelt u de mening dat dat de schijn van mogelijke belangenverstrengeling wekt?
Kunt u uiteenzetten hoe het toezicht bij instellingen die soortgelijke zorg bieden precies is vormgegeven? Welke instanties zijn allemaal betrokken, welke handhavingsinstrumenten hebben zij en waar ligt de eindverantwoordelijkheid wanneer zorg niet op een adequate manier wordt geboden? Wie is verantwoordelijk voor het verantwoord omgaan met zorggeld en wanneer wordt er ingegrepen als dit niet gebeurt? Hoe wordt in het toezicht rekeninggehouden met het gegeven dat de mensen die zorg ontvangen in een kwetsbare positie zitten en niet altijd signalen kúnnen melden bij de Inspecties?
In hoeverre worden deze bewoners/cliënten proactief bezocht door onafhankelijke vertrouwenspersonen? Wanneer is dit voor het laatst gebeurd?
Hoe vaak en wanneer hebben toezichthouders aan de bel getrokken over Accuraat over bijvoorbeeld ondermaatse zorg, bedreigingen van verhuurders en overlast? Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over dergelijke signalen en welke acties zijn hier concreet uit voortgevloeid?
Hoeveel meldingen zijn er enerzijds bij de IGJ en anderzijds bij de Inspectie JenV gedaan over Accuraat? Wat was de aard van deze meldingen en hoe zijn deze meldingen opgevolgd? Op welke wijze werken de twee inspecties samen en kunnen zij meldingen delen met elkaar?
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan over ondermaatse zorg binnen de tak van begeleid wonen? Wat was de aard van deze meldingen en welke opvolging wordt gegeven aan deze meldingen?
Wat is de huidige stand van zaken en de opbrengst van de uitvoering van de maatregelen, uitgesplitst per maatregel, die zijn genomen en in gang gezet na het rapport «Er is meer aan de hand»?
Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers zijn er aan het werk bij Accuraat? Hoeveel SKJ-geregistreerde medewerkers werken per dienst en hoe staat dat in verhouding tot de norm? Klopt het dat slechts 9 van de 26 begeleiders bij de Amsterdamse locatie een zorgopleiding hadden afgerond? Hoe reflecteert u op de structurele inzet van ondergekwalificeerd personeel in het werken met kwetsbare jongeren?
Hoe reflecteert u op de toepassing van de kwaliteitscheck jeugdhulp die is uitgevoerd voorafgaande aan het toetreden van Accuraat binnen de sector? Zijn alle wettelijke eisen uit de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) nageleefd?
Waren er voorafgaand aan het rapport van de Amsterdamse GGD uit 2022 signalen bij de gemeenten of de IGJ bekend over ondermaatse zorg en andere kwalijke toestanden bij Accuraat? Op welke wijze werd toezicht gehouden op het doorvoeren van de verbeteringen uit het rapport?
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend is dat de overheid Accuraat blijft inhuren voor de zorg voor kwetsbare jongeren, ondanks alle misstanden en het gebrek aan transparantie over financiën?
Ziet u naar aanleiding van het onderzoek uitgevoerd door Follow the Money aanleiding om de samenwerking met Accuraat stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke alternatieven zijn er?
Het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich daar schuldig aan hebben gemaakt?
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van een cliënt overnemen?
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
René Claassen (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Het bericht 'Kinderen weggehaald uit gezinshuis waar vuurwapens werden gevonden. ‘Dit verdient niet de schoonheidsprijs’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat kinderen maandenlang verbleven in een Fries gezinshuis waar vuurwapens, munitie en zelfs materiaal in verband met ricine zijn aangetroffen, en beseft u hoe ontluisterend dit is voor het vertrouwen in de jeugdzorg?1
Hoe kan het in vredesnaam dat kinderen die door de overheid uit hun thuissituatie zijn gehaald zogenaamd voor hun veiligheid, vervolgens terechtkomen in een gezinshuis van een potentiële terrorist en waar zulke levensgevaarlijke spullen aanwezig blijken te zijn? Welke screening heeft bijvoorbeeld ooit plaatsgevonden op dit gezinshuis, op de gezinshuisouders en op hun directe leefomgeving, en hoe kan het dat die screening kennelijk totaal onvoldoende was?
Waarom zijn deze kinderen niet onmiddellijk weggehaald na de inval van 11 juni 2025, maar hebben zij nog maanden in deze onaanvaardbare situatie moeten verblijven? Wie nam dat besluit, op basis waarvan, en acht u dat besluit achteraf nog steeds verdedigbaar? Welke instanties waren bijvoorbeeld op welk moment op de hoogte van de inval, de aangetroffen wapens en de verdere veiligheidsrisico’s, en wie heeft vervolgens nagelaten om direct in te grijpen?
Hoeveel andere gezinshuizen, pleeggezinnen of vergelijkbare jeugdhulplocaties zijn de afgelopen vijf jaar in beeld geweest wegens wapens, geweld, extremisme, criminaliteit, terrorisme of andere acute veiligheidsrisico’s? Kunt u daarvan een volledig overzicht naar de Kamer sturen? Indien registratie ontbreekt, bent u bereid ervoor te zorgen dat een registratiesysteem landelijk wordt ingesteld, zodat de Kamer helder inzicht krijgt?
Welke directe maatregelen gaat u nu nemen om te voorkomen dat kinderen elders in Nederland op dit moment nog in een vergelijkbaar onveilige jeugdhulpsetting verblijven en bent u bereid alle gezinshuizen in Nederland versneld door te lichten op veiligheid, antecedenten, wapenbezit, criminele contacten en signalen van radicalisering of extremisme, en de Kamer vóór het zomerreces over de uitkomsten te informeren?
Kunt u zich indenken hoe de ouders van deze uithuisgeplaatste kinderen zich moeten voelen nu blijkt dat hun kinderen in een gezinshuis met vuurwapens, munitie en ricine-gerelateerd materiaal verbleven? Zo ja, begrijpt u dat dit ook bij andere ouders van uit huis geplaatste kinderen leidt tot diep wantrouwen, angst en onzekerheid over de veiligheid van hun kind? En wat gaat u concreet doen om dat wantrouwen en die onzekerheid weg te nemen?
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
De uitzending van BOOS over Yes We Can Clinics |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van BOOS van 7 april 2026 gezien, over de misstanden bij Yes We Can Clinics?1
Wat vindt u van de in de uitzending getoonde bevindingen waaruit blijkt dat een flink aantal jongeren trauma’s hebben opgelopen na hun behandeling bij Yes We Can Clinics?
In hoeverre zijn signalen die binnenkwamen bij de redactie van BOOS ook bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: Inspectie) of het Ministerie van VWS bekend? Zijn er signalen binnengekomen bij de Inspectie? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoeveel, in welke jaren en wat de aard is van de meldingen?
Als er signalen bekend waren, was dit reden voor de Inspectie om een nieuw onderzoek te doen of voor gemeenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Als er geen signalen binnenkwamen, wat zegt dat over de bekendheid van de Inspectie bij de doelgroep?
Zijn er elders signalen binnengekomen, bijvoorbeeld bij de vertrouwenspersonen van Jeugdstem?
Is ooit onderzocht of de bewering op de website van Yes We Can Clinics dat 74% van de jongeren geen specialistische behandeling meer nodig had, klopt? Had dat moeten gebeuren en zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een methode die oorspronkelijk werd gebruikt in de verslavingszorg, door Yes We Can Clinics ook wordt toegepast op tieners en adolescenten die kampen met (de gevolgen van) allerlei andere soorten problematiek, van depressie tot ADHD tot borderline? Wie heeft beoordeeld dat de methode van Yes We Can Clinics toegepast mag worden op jongeren met deze uiteenlopende zorgvraag? Aan welke criteria is dit getoetst en wanneer?
Klopt het dat het laatste Inspectiebezoek aan Yes we Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018? Zijn er sindsdien nog aangekondigde of onaangekondigde bezoeken geweest? Hoe kan het dat de Inspectie onderzoekt of de «zorgverlening aan de voorwaarden voor goede en veilige zorg voldoen,» terwijl niet met jongeren zelf wordt gesproken, maar enkel vijf dossiers zijn bekeken? Welke rol hebben gemeenten die jongeren plaatsen bij Yes We Can Clinics?
Is het overnemen van een jeugdzorginstelling door een private equity organisatie, zoals bij Yes We Can Clinics gebeurde in 2021 door Holland Capital en in september 2025 door Bencis Capital Partners, reden voor extra toezicht of een Inspectiebezoek? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het verantwoord dat jeugdzorginstellingen zoals Yes We Can Clinics worden gekocht door private equityorganisaties die primair gericht zijn op het maken van winst en doorverkoop? Worden gecontracteerde gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld wanneer een private equity organisatie een instelling opkoopt? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Kan de overname van een jeugdzorginstelling door een private equity-partij reden vormen om een contract open te breken door bijvoorbeeld een gecontracteerde gemeente of zorgverzekeraar?
Wat vindt u ervan dat tussen 2021 en 2024 de omzet van 35 miljoen naar 56 miljoen euro is gestegen en er jaarlijks miljoenen winst wordt gemaakt? Zijn dergelijke overnames en winsten een reden voor nader onderzoek of toezicht? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan dat er miljoenen winst wordt gemaakt, terwijl de behandeling van publiek geld wordt betaald? Vinden er ook winstuitkeringen plaats en zo ja, aan wie?
Voor welk bedrag heeft Bencis Capital Partners in 2024 het oprichtersechtpaar Jan Willem en Petra Poot uitgekocht?
Het Inspectierapport uit 2018 stelt al dat de klachtenfunctionaris «niet geheel onafhankelijk» is, hoe is dit momenteel geregeld? Is er inzicht in de hoeveelheid en de aard van de klachten en wat ermee is gedaan? Deelt u de mening dat een klachtenfunctionaris altijd onafhankelijk van de instelling zou moeten opereren?
Is u bekend dat het Inspectierapport uit 2018 beschrijft dat de personele bezetting bestaat uit «psychiaters, verpleegkundigen, GZ-psychologen, basispsychologen, jongerencoaches, groepswerkers ervaringsdeskundigen en groepscounselors,» terwijl uit de uitzending van BOOS het beeld naar voren komt dat met name ervaringsdeskundigen en counselors betrokken zijn bij de behandeling? Is het personeelsbestand veranderd of heeft de Inspectie hier iets over het hoofd gezien? Is de regiebehandelaar nog steeds altijd een psychiater?
Wat vindt u van de geschetste methode waarbij jongeren worden geconfronteerd met hun aandoening of verslaving, en dit ook geldt voor jongeren die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik, eetstoornissen en depressies? Acht u dit verantwoord?
Kunnen jongeren met de behandeling stoppen op ieder moment dat zij willen? Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat dit niet in alle gevallen mogelijk is?
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
Gedwongen uithuisplaatsingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven bij hoeveel procent van de gedwongen uithuisplaatsingen (bijvoorbeeld afgelopen jaar) minstens één van de ouders door de strafrechter (al) veroordeeld is voor (een vorm van) kindermishandeling en indien u hiertoe niet in staat bent, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten verrichten en zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport tijdens de begrotingsbehandeling van 4 maart 2026 heeft toegelicht, beschikken wij niet over de gevraagde gegevens. Ook acht ik nader onderzoek hiernaar niet zinvol. Naast kindermishandeling zijn er meer situaties die een ernstige ontwikkelingsbedreiging vormen voor een kind en daarmee een grond kunnen zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Het bericht 'Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door»?1
Ja.
Klopt het dat de gemeente Midden-Groningen in het verleden kwetsbare personen heeft doorverwezen naar dit hotel als tijdelijke opvanglocatie? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat een particulier initiatief dat jarenlang feitelijk een publieke taak heeft vervuld, nu geconfronteerd wordt met handhaving en hoge dwangsommen?
Uit het bericht volgt dat in het verleden kwetsbare personen (tijdelijk) in het betreffende hotel verbleven en dat er contacten zijn geweest met de gemeente over deze situatie. Na contact met de gemeente blijkt echter dat geen sprake was van opvang, maar uitsluitend van huisvesting door een commerciële verhuurder. Het hotel heeft daarmee geen publieke opvangtaak vervuld. Eventuele doorverwijzing naar deze locatie vond slechts plaats in de context van het wijzen op beschikbare particuliere huisvestingsmogelijkheden, vergelijkbaar met verwijzingen naar andere verhuurders die in situaties van acute huisvestingsnood onderdak kunnen bieden. Daarbij geldt ook dat het hotel niet uitsluitend door kwetsbare personen wordt bewoond, maar dat sprake is van een bredere groep huurders.
Het is primair aan de gemeente om te bepalen op welke wijze zij invulling geeft aan haar verantwoordelijkheden op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en opvang. De gemeente Midden-Groningen zet daarbij actief in op lokale initiatieven om aan deze publieke taak te voldoen, in samenwerking met onder andere woningcorporaties en zorgaanbieders. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen publieke opvang en particuliere huisvesting, waarbij belangrijk is dat er duidelijkheid is bij alle partijen of er sprake is van opvang of particuliere huisvesting. Gemeenten dienen bij dergelijke situaties een zorgvuldige afweging te maken, waarbij zowel de geldende regelgeving als de belangen van de betrokken bewoners worden meegewogen.
Deelt u de opvatting dat het primair de verantwoordelijkheid van de overheid en gemeenten is om te zorgen voor structurele, passende huisvesting van kwetsbare personen, en dat het onwenselijk is wanneer deze verantwoordelijkheid in de praktijk verschuift naar particuliere ondernemers, zonder duidelijke contractuele basis of een langetermijnvisie?
Het kabinet onderschrijft dat overheden, en in het bijzonder gemeenten, een belangrijke rol hebben bij het bevorderen van voldoende en passende huisvesting voor aandachtsgroepen. Gemeenten voeren hierin lokaal de regie en maken afspraken met betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en waar relevant ook andere aanbieders, om het aanbod van geschikte woningen te vergroten. Samenwerking met verschillende partijen kan in de praktijk bijdragen aan het realiseren van woningen. Daarbij is het van belang dat verantwoordelijkheden en afspraken zorgvuldig worden vastgelegd en passen binnen een structurele aanpak. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting beoogt het kabinet de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder te versterken en beter te sturen op een toereikend aanbod van passende woningen voor aandachtsgroepen.
Welke landelijke kaders bestaan er om te voorkomen dat tijdelijke noodoplossingen, zoals het onderbrengen van kwetsbare personen in hotels, jarenlang voortduren zonder structurele oplossing, en acht u deze kaders voldoende effectief?
Het kabinet acht het van belang dat voor aandachtsgroepen wordt gewerkt aan structurele en passende huisvesting. Tijdelijke oplossingen kunnen in de praktijk soms nodig zijn om acute situaties op te vangen, maar zijn nadrukkelijk niet bedoeld als langdurige oplossing. Gemeenten maken hierover lokaal afwegingen en werken daarbij samen met onder meer woningcorporaties en andere betrokken partijen.
Op landelijk niveau bestaan verschillende kaders en instrumenten die zijn gericht op het vergroten van het structurele woningaanbod voor aandachtsgroepen. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder versterkt, onder meer door het verplichten van volkshuisvestingsprogramma’s en het versterken van de sturing op woningbouw en de huisvesting van aandachtsgroepen. Het kabinet verwacht dat deze versterkte regie bijdraagt aan het beter realiseren van structurele oplossingen. Tegelijkertijd blijft het van belang dat overheden en betrokken partijen in de praktijk blijven sturen op het voorkomen dat tijdelijke voorzieningen langer duren dan noodzakelijk. Tenslotte wordt er hard gewerkt aan een meer integrale en structurele aanpak van alternatieve huisvesting voor deze spoedzoekers. Dit moet resulteren in een flexibele schil voor deze groep woningzoekenden.
Bent u bereid te onderzoeken hoe het Rijk gemeenten beter kan ondersteunen of aanspreken op hun zorgplicht, zodat kwetsbare bewoners niet van de ene op de andere dag hun woonplek verliezen en particuliere initiatieven die uit maatschappelijke betrokkenheid handelen, niet in een juridisch vacuüm terechtkomen?
Het kabinet vindt het van belang dat aandachtsgroepen kunnen beschikken over passende en zo stabiel mogelijke huisvesting. Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vormgeven van het lokale woonbeleid en bij het maken van afspraken met betrokken partijen over de huisvesting van deze groepen. Daarbij is het van belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met de positie van bewoners en dat betrokken partijen duidelijkheid hebben over rollen, verantwoordelijkheden en gemaakte afspraken.
Het kabinet zet er op in om gemeenten hierbij beter te ondersteunen en de regie op de volkshuisvesting te versterken. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting worden gemeenten onder meer verplicht om volkshuisvestingsprogramma’s op te stellen en worden de mogelijkheden voor sturing op de huisvesting van aandachtsgroepen versterkt. Het kabinet verwacht dat dit bijdraagt aan meer duidelijkheid en een meer structurele aanpak. Tegelijkertijd blijft het kabinet in gesprek met gemeenten en andere betrokken partijen over de knelpunten die zich in de praktijk voordoen.
De continuïteit van jeugdhulp in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schoolbesturen bezorgd over Lelystadse jeugdzorg» van 24 februari 20261, waarin schoolbesturen waarschuwen dat door het wegvallen van jeugd-GGZ-aanbieders per 1 juli kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere aanbieders hebben aangekondigd te stoppen met het aanbieden van jeugd-GGZ in Lelystad, en welke gevolgen heeft dit volgens u voor de continuïteit van de zorg en de bestaande wachtlijsten?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten de jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Nu de schoolbesturen hun zorgen hebben geuit via een brief aan onder meer de gemeenteraad van Lelystad is het in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
De huidige twee aanbieders van jeugd-GGZ hebben er voor gekozen om niet in te schrijven op de aanbesteding voor jeugd-GGZ per 1 juli 2026. Dit aanbestedingsproces is afgerond en de gemeente Lelystad heeft zeven nieuwe aanbieders gecontracteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Deelt u de zorg dat het wegvallen van specialistische jeugdhulp directe gevolgen heeft voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk en welke concrete acties onderneemt u om verdere escalatie te voorkomen?
Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de veiligheid, het pedagogisch klimaat en de onderwijskwaliteit in de klas en hebben samen met het samenwerkingsverband een zorgplicht. Vanuit deze rol kunnen zij o.a. extra ondersteuning en specialisten inzetten, zoals een orthopedagoog, psycholoog en gedragsspecialist. Deze extra ondersteuning of inzet van specialisten moet gericht zijn om succesvol onderwijs te kunnen volgen en moet bijdragen aan onderwijsdoelen. Daarbij dient uiteraard goede afstemming te zijn met gemeenten over de inzet en beschikbaarheid van jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad van Lelystad om te zorgen dat er goed uitvoering wordt gegeven aan de Jeugdwet. Zij zijn verantwoordelijk dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp ontvangen en dat er ook een goede afstemming is met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs.
Op welke wijze waarborgt u dat gemeenten hun regierol daadwerkelijk kunnen invullen wanneer contractonderhandelingen met jeugdhulpaanbieders vastlopen?
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om te voorzien in een passend jeugdhulpaanbod voor de kinderen en gezinnen woonachtig in hun gemeente. Gemeenten moeten hierover afspraken maken met jeugdhulpaanbieders. In de gemeente Lelystad is geen sprake van vastgelopen contractonderhandelingen, maar van een wijziging van contractering van aanbieders. Lelystad heeft zeven nieuwe zorgaanbieders gecontracteerd voor de jeugd-GGZ per 1 juli 2026. De NZa wil meer zicht krijgen op wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg. De NZa is hierover in gesprek met de gemeente Lelystad.
Bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Lelystad om te voorkomen dat kinderen die op een wachtlijst staan zonder tijdige passende hulp komen te zitten?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Dit is ook primair aan de gemeente. De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Eén van de zaken waar de NZa meer zicht op wil krijgen is wat de nieuwe aanbesteding van Lelystad betekent voor de continuïteit en beschikbaarheid van de zorg.