Het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanhopige moeder overleden 15-jarig meisje sloeg weken geleden al alarm: «Ik wil voorkomen dat er iets ernstigs gebeurt»»?1
Wat is uw reactie op het overlijden van een 15-jarig meisje dat onder toezicht stond van Jeugdbescherming Noord en verbleef bij jeugdhulpverlener La Hacienda in Groningen?
Klopt het dat de moeder op 13 september 2026 haar ernstige zorgen over de veiligheid van haar dochter schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan onder meer betrokken hulpverleners, instanties en toezichthouders en daarbij expliciet waarschuwde dat zij wilde voorkomen dat er eerst iets ernstigs moest gebeuren voordat daadwerkelijk werd ingegrepen?
Welke bij de jeugdbescherming en jeugdhulp betrokken organisaties hebben deze waarschuwing ontvangen en hoe is deze beoordeeld? Welke concrete acties zijn er vervolgens ondernomen?
Is naar aanleiding van de waarschuwingen van de moeder een nieuwe of aanvullende veiligheids- en risico-inschatting gemaakt? Zo ja, wanneer, door wie, met welke uitkomst en welke maatregelen zijn daarop genomen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de moeder stelt dat de situatie van haar dochter al ongeveer een half jaar verslechterde, waarbij onder meer sprake was van weglopen, nachten wegblijven, alcohol- en drugsgebruik en schoolverzuim, en dat Jeugdbescherming Noord hiervan al langere tijd op de hoogte was? Hoe is op deze signalen gereageerd?
Wie had binnen de jeugdbeschermings- en jeugdhulpketen de regie over de hulp en de veiligheid van dit meisje? Op welke momenten is overwogen de hulp of bescherming op te schalen?
Klopt het dat het meisje op de avond voorafgaand aan haar overlijden betrokken was bij een ernstig en gewelddadig incident en vervolgens door medewerkers van La Hacienda is opgehaald?
Welke professionele richtlijnen en protocollen gelden voor een jeugdhulpaanbieder wanneer een minderjarige na een ernstig geweldsincident terugkeert naar een jeugdhulplocatie? En is in deze casus overeenkomstig deze richtlijnen en protocollen gehandeld?
Is na terugkomst bij La Hacienda beoordeeld of het meisje medische zorg, aanvullende begeleiding of extra toezicht nodig had? Zo ja, welke beoordeling is gemaakt en welke maatregelen zijn vervolgens genomen?
Klopt het dat Jeugdbescherming Noord sinds juli 2025 onder verscherpt toezicht stond vanwege grote tekortkomingen in onder meer de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en dat dit verscherpte toezicht op 21 mei 2026 is beëindigd? Op basis van welke concrete verbeteringen is tot beëindiging besloten?
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze casus, het feit dat bij beëindiging van het verscherpte toezicht nog niet alle kinderen, jongeren en ouders tijdig de bescherming, begeleiding en hulp kregen die zij nodig hadden, de kwaliteit van de uitvoering deels onvoldoende was en het vertrouwen van de inspecties in de verbeterkracht van Jeugdbescherming Noord kwetsbaar bleef?
Geeft deze casus u aanleiding om met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de vraag of intensivering van het toezicht op Jeugdbescherming Noord noodzakelijk is?
Is het overlijden bij de IGJ gemeld? Zo ja, wanneer en door welke betrokken organisatie(s)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar het handelen van de betrokken jeugdbeschermings- en jeugdhulporganisaties voorafgaand aan het overlijden, waarbij in ieder geval wordt onderzocht wat met de waarschuwingen van de moeder is gedaan, of tijdig is opgeschaald en of capaciteit, caseload of de beschikbaarheid van passende jeugdhulp daarbij een rol hebben gespeeld?
Deelt u de mening dat wanneer een ouder expliciet en herhaaldelijk waarschuwt voor de veiligheid van een kind dat onder toezicht staat, aantoonbaar moet worden beoordeeld of onmiddellijk ingrijpen of opschaling noodzakelijk is? Hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke ernstige signalen niet tussen verschillende organisaties blijven liggen?
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de zaak en het feit dat het een overleden minderjarige betreft, met spoed beantwoorden?
Het bericht 'Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting' |
|
Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting»?1
Wat vindt u ervan dat middelen van Preventie met Gezag (PmG) terechtkomt bij een organisatie die betrokken is bij witwaspraktijken?
Hoeveel middelen vanuit PmG via de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen bij de alliantie ONE Jongerenwerk en de daarin deelnemende stichtingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het?
Welke eisen stelt het Rijk aan gemeenten die PmG-middelen doorverstrekken aan stichtingen en andere uitvoeringsorganisaties, als het gaat om de integriteit van de ontvanger? Is een integriteitstoets, zoals een Bibob-toets, daarbij een voorwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat bijna alle gemeenten subsidies in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat het instrument bij subsidies in de praktijk weinig wordt ingezet en dat vooralsnog geen enkele verleende subsidie naar aanleiding van een Bibob-onderzoek is ingetrokken?
Bent u bereid om, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), te bevorderen dat gemeenten bij meerjarige subsidies boven een bepaald drempelbedrag aan organisaties die werken met kwetsbare of risicojongeren standaard een Bibob-toets uitvoeren? Bent u bereid dit als voorwaarde te verbinden aan de besteding van PmG-middelen?
Op welk detailniveau ontvangt u verantwoordingsinformatie over PmG: alleen op programmaniveau, of ook per interventie en per uitvoerende organisatie en bent u van mening dat u voldoende zicht heeft op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de middelen die worden besteed via PmG?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk om PmG-middelen terug te vorderen of te korten wanneer blijkt dat deze onrechtmatig, in strijd met de doelstellingen zijn besteed of waarvan de doelmatigheid niet kan worden vastgesteld?
In hoeverre voldoen de interventies die de gemeente Amsterdam met PmG-middelen financiert aan het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat PmG-middelen worden ingezet bij witwasconstructies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het tweeminutendebat Jeugdcriminaliteit beantwoorden?
Herindicaties en de continuïteit van medische kindzorg |
|
Eveline Tijmstra (CDA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat zorgverzekeraars bij kinderen die intensieve verpleegkundige zorg ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) aandringen op een aanvraag voor de Wet langdurige zorg (Wlz), ook wanneer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerder geen Wlz-indicatie heeft afgegeven?
Deelt u de mening dat ouders van ernstig zieke kinderen hun tijd en energie moeten kunnen besteden aan hun kind, in plaats van telkens te moeten bewijzen dat noodzakelijke zorg nog steeds nodig is of vast te lopen door gedoe met instanties over wie deze zorg betaalt? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen?
Deelt u de mening dat het voor ouders die laaggeletterd zijn, een licht verstandelijke beperking hebben of de Nederlandse taal minder goed beheersen, niet te doen is om alle regels en instanties te kennen? Hoe zorgt u ervoor dat de kinderen van deze ouders ook de zorg krijgen die nodig is?
Welke verantwoordelijkheid heeft een zorgverzekeraar wanneer deze van mening is dat een kind onder de Wlz zou moeten vallen, terwijl het CIZ geen Wlz-indicatie heeft afgegeven? Kan uitsluitend dit verschil van inzicht aanleiding zijn om noodzakelijke Zvw-zorg te weigeren, te verminderen of niet te verlengen? Kunt u de juridische grondslag van uw antwoord toelichten?
Onder welke omstandigheden mag een zorgverzekeraar na een eerdere afwijzing door het CIZ opnieuw aandringen op een Wlz-aanvraag? Welke nieuwe feiten of veranderingen in de zorgbehoefte moeten daarvoor aanwezig zijn en wie beoordeelt dit?
Hoe wordt bij deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen een intensieve verpleegkundige zorgbehoefte in een geneeskundige context en een zorgbehoefte die toegang geeft tot de Wlz? Hoe worden de ouders, indicerend kinderverpleegkundige en hoofdbehandelaar hierbij betrokken?
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheden over het toepasselijke wettelijke kader, beoordeling of geschillen over een Wlz-aanvraag, leiden tot een onderbreking van de zorg? Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van een onderbreking?
Hoeveel signalen over dergelijke geschillen zijn de afgelopen twee jaar ontvangen door uw ministerie, Het Juiste Loket en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Hoe vaak ging dit gepaard met vertraging, vermindering of onderbreking van zorg? Bent u bereid dit uit te zoeken wanneer deze gegevens ontbreken?
Hoe geeft u voor kinderen met een chronische ziekte of blijvende beperking uitvoering aan door ons eerder ingediende moties en de afspraak uit het coalitieakkoord dat zij hun aandoening niet telkens opnieuw hoeven aan te tonen? Welke maatregelen gelden daarbij voor medische kindzorg vanuit de Zvw, zowel bij zorg in natura als bij een persoonsgebonden budget (pgb)?
Deelt u de mening dat het evalueren van de ontwikkeling en actuele zorgbehoefte van een kind iets anders is dan het opnieuw moeten aantonen dat een aandoening blijvend is? Hoe wordt dit onderscheid in het herindicatieproces toegepast?
Hoe verhoudt het slechts bij uitzondering toestaan van tweejarige indicaties en toekenningen zich tot de aangenomen motie-Mohandis/Werner1 en motie-Beckerman c.s.2 die vragen om indicaties van minstens twee jaar als standaard en de aangenomen motie-Westerveld/Krul3 die vraagt om het uitgangspunt dat in alle zorgwetten langjarige indicaties worden afgegeven. Bent u bereid de uitvoering hiervan opnieuw te bezien in het licht van het coalitieakkoord? Bent u bereid een vereenvoudigde verlenging mogelijk te maken wanneer de indicerend kinderverpleegkundige en het gezin vaststellen dat de zorgbehoefte niet wezenlijk is veranderd?
Hoeveel kinderen hebben sinds de landelijke afspraak uit juli 2025 een tweejarige Zvw-pgb-toekenning gekregen, uitgesplitst naar zorgverzekeraar? Hoe wordt gecontroleerd of alle verzekeraars deze mogelijkheid daadwerkelijk toepassen en ouders hierover informeren?
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde opname van deze afspraak in de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb en van de evaluatie van de Handreiking Indicatieproces Kindzorg en de Toolbox? Welke verbeteringen zijn doorgevoerd in de betrokkenheid van de hoofdbehandelaar?
Hoe wordt nagegaan of bij herindicaties bestaande informatie wordt hergebruikt en medische documentatie door de indicerend verpleegkundige wordt opgevraagd, zoals eerder afgesproken? Hoe voorkomt u dat ouders alsnog telkens dezelfde stukken moeten verzamelen en aanleveren?
Welke eisen gelden voor de zorginhoudelijke onderbouwing wanneer een zorgverzekeraar afwijkt van de verpleegkundige indicatie of een lager budget toekent? Hoe wordt gezorgd dat ouders een schriftelijke uitleg ontvangen in begrijpelijke taal? Hoe wordt gezorgd dat er overleg is met de indicerend kinderverpleegkundige voordat noodzakelijke zorg wordt verminderd?
Welke laagdrempelige, onafhankelijke ondersteuning krijgen gezinnen bij een geschil over een herindicatie of de afbakening tussen de Zvw en Wlz? Wie neemt de regie wanneer bestaande ondersteuningsroutes geen tijdige oplossing bieden en de zorgcontinuïteit in gevaar komt?
Hoe voorkomt u dat vertraging of vermindering van professionele zorg ertoe leidt dat ouders noodgedwongen extra verpleegkundige zorg overnemen, minder gaan werken of overbelast raken? Hoe wordt bij herindicaties rekening gehouden met de draagkracht van het gehele gezin, waaronder eventuele broers en zussen?
Bent u bereid de knelpunten bij herindicaties en de afbakening tussen Zvw en Wlz expliciet mee te nemen in de toekomstvisie op integrale medische kindzorg waarom de aangenomen motie-Westerveld c.s. vraagt?4 Wanneer ontvangt de Kamer deze visie en welke concrete verbeteringen kunnen gezinnen al eerder verwachten?
Het bericht 'Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. ‘Als van uitstel maar geen afstel komt’' |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. «Als van uitstel maar geen afstel komt»» en wat is uw reactie daarop?1
Deelt u de mening dat zeven maanden wachttijd voor zwemles te lang is? Zo ja, wat is volgens u een acceptabele wachttijd? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen de vrees van de Nationale Raad Zwemveiligheid dat de diploma-ongelijkheid verder toeneemt?
Hoe gaat u voorkomen dat de portemonnee van de ouders van de kinderen gaat bepalen hoe lang deze kinderen moeten wachten voordat ze op zwemles kunnen?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn gesloten?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn geopend?
Hoe kijkt u aan tegen de dalende trend in het aantal vierkante meters zwembad met het oog op deze lange wachttijden?
Bent u van mening dat de Aanpak wachtlijsten zwemles en landelijk dekkend aanbod2 heeft gewerkt, gezien het feit dat er nog steeds zulke lange wachttijden zijn?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voordat het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Sport op 2 november 2026 plaatsvindt?
De stijging van verplichte zorg in de ggz |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cijfers dwang in de ggz opnieuw gestegen» en de onderliggende cijfers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?1
Hoe beoordeelt u het feit dat het geregistreerde aantal ggz-cliënten dat te maken kreeg met verplichte zorg is gestegen van 13.022 in 2024 naar 13.722 in 2025, een stijging van ongeveer 5 procent?2, 3
In hoeverre kan deze stijging volgens u worden verklaard door een daadwerkelijke toename van verplichte zorg en in hoeverre door betere registratie? Kunt u dit zo veel mogelijk kwantificeren?
Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal cliënten dat sinds de inwerkingtreding van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met verplichte zorg te maken heeft gekregen, uitgesplitst per jaar en naar vorm van verplichte zorg?
Hoe beoordeelt u dat zorgprofessionals tegenover de IGJ aangeven dat personeelstekorten, instabiele teams en hoge werkdruk kunnen leiden tot gevoelens van onveiligheid bij zorgverleners, waardoor sneller tot insluiting kan worden overgegaan?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat personeelsproblemen ertoe leiden dat patiënten eerder of vaker worden ingesloten?
Klopt het dat een landelijke registratie van het feitelijke aantal separeerverblijven en Extra Beveiligde Kamers (EBK’s) ontbreekt? Waarom bestaat deze landelijke registratie nog steeds niet?
Hoe kunt u beoordelen of het beleid om separeerverblijven en insluitingen in EBK’s af te bouwen daadwerkelijk succesvol is als niet landelijk bekend is hoeveel van deze ruimtes er zijn?
Kunt u verklaren waarom het aantal geregistreerde toepassingen van een EBK is gestegen van 2.529 in 2024 naar 2.893 in 2025, terwijl wordt ingezet op het terugdringen van insluiting?
Kunt u aangeven hoeveel van de 12.111 geregistreerde toepassingen van insluiting in 2025 daadwerkelijk eenzame opsluiting betroffen? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd?
Wanneer wordt de aangekondigde nulmeting naar het aantal klassieke separeercellen uitgevoerd en wanneer ontvangt de Kamer de resultaten?
Welke concrete en meetbare doelstellingen hanteert u voor het verminderen van insluiting en andere vormen van verplichte zorg in de ggz en op welke termijn moeten deze worden bereikt?
Hoeveel middelen heeft de rijksoverheid de afgelopen vijf jaar beschikbaar gesteld voor het terugdringen van dwang en insluiting in de ggz en welke aantoonbare resultaten zijn daarmee bereikt?
De IGJ geeft aan dat de gepubliceerde trendanalyse niet alle zorgaanbieders omvat, bent u bereid ervoor te zorgen dat er een volledig en landelijk vergelijkbaar beeld komt van de toepassing van verplichte zorg, insluiting, separatie en het gebruik van EBK’s?
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van verplichte zorg in de ggz, uitgesplitst naar de verschillende vormen daarvan, waaronder afzonderlijk insluiting in een separeerverblijf en een EBK?
Mishandeling van kinderen in sanatoria en het ontbreken van erkenning voor hun leed |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit De Gelderlander «Eigen braaksel eten, urenlang onder wollen dekens in de brandende zon: leed sanatoriumkinderen blijkt onbekend»?1 over de duizenden kinderen die met onder meer tuberculose die in sanatoria zijn ondergebracht?
Kunt u zich voorstellen dat kinderen die deze ervaringen hebben, daar de rest van hun leven onder hebben geleden? Is bekend hoeveel kinderen, die inmiddels volwassen zijn of niet meer leven, vernederende straffen en ander leed hebben doorgemaakt in sanatoria?
Deelt u de mening dat deze verhalen en het boek Sanatoriumkind van Inge Mutsaers vragen om erkenning en nader onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Welke informatie is bij de overheid bekend over lichamelijk, psychisch en seksueel geweld en emotionele verwaarlozing van kinderen in Nederlandse sanatoria? Zijn hierover eerder meldingen ontvangen of onderzoeken verricht? Zo ja, wat is daarmee gedaan? Is de behandeling van deze kinderen ooit eerder onderwerp geweest in Kamerdebatten, of in het publieke debat?
Welke verantwoordelijkheid hadden de overheid en de toenmalige inspectiediensten voor de veiligheid van kinderen in sanatoria? Welke informatie is nog beschikbaar over het toezicht, eventuele klachten en het optreden naar aanleiding daarvan?
In hoeverre zijn ervaringen van voormalige sanatoriumkinderen betrokken bij eerdere onderzoeken naar geweld en misbruik in instellingen, waaronder de onderzoeken van de commissies-Deetman, -Samson en -De Winter? Kunt u per onderzoek toelichten of deze kinderen binnen de onderzoeksopdracht vielen en of hun ervaringen daadwerkelijk zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat de aard van de instelling waarin een kind verbleef niet mag bepalen of vergelijkbare ervaringen van geweld en vernedering worden onderzocht en erkend? Hoe voorkomt u dat voormalige sanatoriumkinderen tussen de afbakeningen van eerdere onderzoeken en erkenningsregelingen blijven vallen?
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met voormalige sanatoriumkinderen, hun vertegenwoordigers en onderzoekers om hun ervaringen en behoeften in kaart te brengen? Hoe zorgt u ervoor dat ook mensen worden bereikt die hun ervaringen tot nu toe niet hebben durven delen of nooit die gelegenheid hebben gehad?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek mogelijk te maken naar geweld, misbruik en verwaarlozing van kinderen in sanatoria, met aandacht voor de rol van instellingen, religieuze organisaties en de overheid? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat getuigenissen en archiefmateriaal verloren gaan, gezien de hoge leeftijd van veel betrokkenen? Bent u bereid vooruitlopend op eventueel onderzoek te bevorderen dat getuigenissen zorgvuldig worden vastgelegd en relevante archieven worden veiliggesteld?
Welke mogelijkheden hebben voormalige sanatoriumkinderen om hun eigen dossiers en relevante instellingsarchieven terug te vinden en in te zien? Welke ondersteuning kunt u bieden wanneer een instelling is opgeheven, dossiers ontbreken of onduidelijk is wie de archieven beheert?
Kunnen voormalige sanatoriumkinderen aanspraak maken op eerdere regelingen voor erkenning of financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld en misbruik in instellingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken welke vorm van erkenning en tegemoetkoming voor deze groep passend is?
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger eerder in antwoord op schriftelijke vragen over de mishandeling van een jongere in een jeugdzorginstelling benadrukte dat de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter ook bedoeld zijn voor slachtoffers van wie de individuele zaak inmiddels is verjaard?2 Deelt u deze mening? Zo ja, deelt u de mening dat dit ook consequenties heeft voor de overheid als het gaat over kinderen die zijn mishandeld, maar niet onder de onderzoeksopdracht vielen van commissies Samson, Deetman of De Winter?
Welke lessen uit de evaluatie van de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter zijn relevant voor voormalige sanatoriumkinderen, in het bijzonder waar het gaat om mensen die door de afbakening buiten een regeling vallen? Hoe betrekt u daarbij de aangenomen motie-Westerveld over het meenemen van de lessen uit het traject-De Winter en de mening van ervaringsdeskundigen en nabestaanden in het plan voor erkenning en herstel?3
Waar kunnen voormalige sanatoriumkinderen op dit moment terecht voor lotgenotencontact, ondersteuning en zo nodig gespecialiseerde psychologische hulp? Bent u bereid om samen met hen de behoeften in kaart te brengen?
Bent u bereid de betrokkenen te vragen of en zo ja, aan welke vormen van publieke erkenning zij behoefte hebben en passend zijn, zoals excuses of het zichtbaar maken van deze geschiedenis? Kunt u daarbij zorgen dat hun wensen daarbij leidend zijn en dat erkenning ook wordt verbonden aan concrete ondersteuning?
De sluiting van Huize Soria in Spanje en de veiligheid van Nederlandse kinderen |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Valenciaanse overheid Huize Soria in Aspe heeft bevolen de activiteiten onmiddellijk te beëindigen omdat de instelling zonder de vereiste vergunning opereerde?1
Bent u bekend met het project Adios Holanda en de relatie met Huize Soria? Kunt u de geschiedenis van beide namen, de betrokken rechtspersonen en bestuurders en eventuele wijzigingen daarin uiteenzetten, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor?2
Hoeveel Nederlandse kinderen verbleven bij Huize Soria toen dit besluit werd genomen? Waar bevinden zij zich nu en wie controleert ter plaatse of zij veilig zijn?
Bent u bereid deze kinderen met spoed naar Nederland terug te halen en voor ieder kind passende opvang en aansluitende hulp te organiseren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hebben kinderen bij Huize Soria geplaatst? Wie had vóór plaatsing moeten controleren of de vereiste vergunning aanwezig was en waarom is dit niet gebeurd?
Wanneer ontvingen uw ministerie, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de betrokken plaatsende instanties de eerste signalen over mogelijke misstanden bij Huize Soria of het project Adios Holanda? Welke concrete maatregelen zijn vervolgens genomen?
Zijn na deze eerste signalen nog kinderen bij Huize Soria geplaatst of bestaande plaatsingen verlengd? Zo ja, door wie en op welke gronden?
Beschikt u over het onderzoeksrapport waarin volgens het bericht signalen staan over voedselbeperkingen, fysieke fixatie, bestraffing en beperkingen van privécontact met familie of voogden? Bent u bereid dit rapport, zo nodig geanonimiseerd, aan de Kamer te verstrekken?
Hoe zorgt u ervoor dat huidige en voormalige bewoners onafhankelijk worden gehoord, zonder aanwezigheid van medewerkers van Huize Soria, en zo nodig medische zorg, traumabehandeling en ondersteuning bij het doen van aangifte krijgen?
Hoeveel Nederlands publiek geld is aan plaatsingen bij Huize Soria en het project Adios Holanda besteed, uitgesplitst per jaar en betalende instantie? Bent u bereid te laten onderzoeken of betalingen kunnen worden stopgezet en middelen kunnen worden teruggevorderd?
Bent u bereid onafhankelijk te laten onderzoeken wie verantwoordelijk is voor het plaatsen en laten verblijven van kinderen bij een instelling zonder de vereiste vergunning, en welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden? Neemt u daarbij ook de volledige voorgeschiedenis onder de naam Adios Holanda en eventuele andere handelsnamen of rechtspersonen mee?
Bent u bereid onmiddellijk te controleren of andere buitenlandse instellingen waar Nederlandse kinderen verblijven over de vereiste vergunningen beschikken en daadwerkelijk onder toezicht staan? Wat doet u wanneer de veiligheid van kinderen daar onvoldoende kan worden gegarandeerd?
Wilt u bij de beantwoording over eerdere plaatsingen, signalen, toezicht, financiering en nazorg expliciet ook het project Adios Holanda betrekken, in ieder geval vanaf 2016 en waar relevant ook daarvoor, en uw onderzoek niet beperken tot de huidige naam Huize Soria?
Kunt u de vragen over de huidige verblijfplaats, veiligheid en terugkeer van de kinderen binnen 48 uur beantwoorden en de overige vragen afzonderlijk zo spoedig mogelijk?
De bescherming van minderjarigen tegen plegers van seksuele misdrijven |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waaruit blijkt dat iemand die is veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarigen, ondanks een opgelegd beroepsverbod, gedurende het hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen kan blijven werken?1
Deelt u de zorgen dat deze casus een bredere kwetsbaarheid blootlegt, namelijk de bescherming van minderjarigen, omdat iemand na een veroordeling wegens een seksueel misdrijf tegen minderjarigen nog steeds beroepsmatig toegang tot hen kan houden zolang de veroordeling niet onherroepelijk is?
Welke wettelijke mogelijkheden heeft een rechter op dit moment om na een veroordeling in eerste aanleg onmiddellijk te voorkomen dat iemand die is veroordeeld wegens een seksueel misdrijf tegen een minderjarige, in afwachting van hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen blijft werken?
Ziet u hierin een leemte in de huidige wetgeving, waaronder de Wet seksuele misdrijven en de regels rond beroepsverboden? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of een beroepsverbod ter bescherming van minderjarigen onder strikte voorwaarden direct uitvoerbaar moet kunnen worden verklaard, met behoud van de nodige rechtsbescherming?
Klopt het dat voor dansdocenten geen wettelijke VOG-plicht geldt en zij ook niet onder een systeem van continue screening vallen? Vindt u deze situatie verantwoord voor een beroep waarin volwassenen intensief en soms één-op-één met minderjarigen werken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke beroepen en sectoren waarin volwassenen structureel met minderjarigen werken geen VOG-plicht of continue screening geldt, en of aanvullende wettelijke waarborgen voor deze beroepen noodzakelijk zijn?
Klopt het dat de Opvolgingscommissie Dansen in januari 2026 in hun rapport concludeerde dat voor 28 van de 33 aanbevelingen uit Schaduwdansen (2023) nog aanvullende maatregelen nodig waren? Zo ja, hoe beoordeelt u dan tegen die achtergrond de voortgang bij het structureel veiliger maken van de danssector?
Hoeveel publiek geld is sinds de verschijning van Schaduwdansen besteed aan de Alliantie Dans Veilig en andere maatregelen gericht op sociale veiligheid in de danssector en welke concrete en meetbare verbeteringen als het gaat om de bescherming van (minderjarige) dansers zijn met deze middelen gerealiseerd? Kunt u dit uitgebreid beantwoorden?
Kunt u specifiek aangeven hoeveel dansaanbieders inmiddels aantoonbaar werken met concrete veiligheidswaarborgen, zoals een VOG, gedragscode, onafhankelijk meldpunt en adequate opvolging van signalen en welk aandeel dit vormt van de totale danssector? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat, ondanks jarenlange aandacht, rapporten en publieke financiering, structurele waarborgen zoals een algemene VOG-plicht, continue screening en een sluitend systeem om personen die een risico vormen voor minderjarigen uit de sector te weren nog altijd ontbreken?
Welke concrete wettelijke en andere maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de overheid en de sector zelf preventief en structureel bescherming organiseren?
De continuïteit van de jeugdbescherming in Brabant |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderbescherming in Brabant onder hoogspanning door ruzie over geld: onzeker hoe het na de jaarwisseling verder moet»?1
Klopt het dat de onderhandelingen tussen de vijf Brabantse jeugdhulpregio’s en Jeugdbescherming Brabant, de William Schrikker Stichting en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering over de contractering vanaf 1 januari 2027 zijn vastgelopen?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van deze situatie en wanneer is uw ministerie hierover voor het eerst geïnformeerd?
Hoeveel kinderen in Brabant ontvangen momenteel jeugdbescherming via deze gecertificeerde instellingen en voor hoeveel van deze kinderen loopt de hulp na 1 januari 2027 door?
Kunt u garanderen dat geen enkel kind vanaf 1 januari 2027 zonder noodzakelijke jeugdbescherming of begeleiding komt te zitten als gevolg van het vastlopen van deze onderhandelingen? Zo ja, hoe garandeert u dit concreet?
Welke risico’s voor de beschikbaarheid en continuïteit van de jeugdbescherming zijn inmiddels bij de Nederlandse Zorgautoriteit gemeld? Hoe beoordeelt de NZa deze risico’s en welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen?
Waarop zijn de onderhandelingen financieel vastgelopen en hoe groot is het verschil tussen het aanbod van de gemeenten en het bedrag dat volgens de gecertificeerde instellingen noodzakelijk is om hun werkzaamheden verantwoord te kunnen uitvoeren?
Acht u de door de gemeenten aangeboden tarieven toereikend om kwalitatief goede en veilige jeugdbescherming te kunnen blijven leveren? Zo ja, waarop baseert u dit?
Hoe verklaart u dat, ondanks eerdere maatregelen om de financiële positie en tarieven van gecertificeerde instellingen te verbeteren, opnieuw een situatie ontstaat waarin de continuïteit van de jeugdbescherming voor kwetsbare kinderen onder druk staat?
Heeft u inmiddels gesproken met de betrokken Brabantse jeugdhulpregio’s en de drie gecertificeerde instellingen om tot een oplossing te komen? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Welk concreet noodscenario ligt klaar indien partijen niet tijdig tot overeenstemming komen, en welke maatregelen bent u vanuit uw verantwoordelijkheid voor het jeugdstelsel bereid te nemen om te voorkomen dat kinderen vanaf 1 januari 2027 zonder noodzakelijke jeugdbescherming komen te zitten?
Kunt u deze vragen, gezien de mogelijke gevolgen voor kwetsbare kinderen en de naderende jaarwisseling, met spoed beantwoorden?
Het bericht ‘Onderzoeksraad: 7000 kinderen in asielnoodopvang structureel verwaarloosd’ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoeksraad: 7000 kinderen in de asielnoodopvang structureel verwaarloosd?»1
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar dat kinderen in Nederland mogelijk permanente schade oplopen door een tekort aan opvangplekken? Zo nee, wat gaat u op korte termijn doen om dit te voorkomen?
Wat vindt u ervan dat Nederland zich niet houdt aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Kunt u toelichten binnen welke termijn kinderen uit de noodopvang kunnen worden gehaald en kunnen worden geplaatst in reguliere opvang bestemd voor kinderen? Welk doel stelt u uzelf om dit voor elkaar te krijgen?
Wat is er in de afgelopen twee jaar, sinds voorzitter van het Kinderrechtencollectief Marc Dullaert aan de bel trok, gebeurd om kinderen uit de noodopvang te krijgen?
Hoe staat het met de uitvoering van aangenomen motie Westerveld om geen nieuwe kinderen meer te plaatsen op (crisis)noodopvangplekken (Kamerstuk 19 637, nr. 3513)?
Kunt u toezeggen dat er op korte termijn een overzicht wordt gemaakt van alle onveilige plekken in noodopvanglocaties en deze worden verholpen om de veiligheidssituatie voor kinderen te verbeteren? Zo ja, binnen welke termijn wordt dit opgepakt?
Kunt u toezeggen het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid ook te betrekken bij de gesprekken met gemeenten die onder bestuurlijk toezicht staan om de noodzaak van het realiseren van reguliere opvang voor kinderen te benadrukken en hen expliciet te vragen om opvang voor kinderen en gezinnen te realiseren?
Kunt u aangeven wat de voortgang is van de uitvoering van de motie Podt over psychosociale ondersteuning voor kinderen in de noodopvang (Kamerstuk 19 637, nr. 2486)? Waarom is dit programma nog niet uitgerold en binnen welke termijn verwacht u dit alsnog te kunnen doen?
Kunt u toelichten hoeveel kinderen in de noodopvang op dit moment geen toegang hebben tot onderwijs? Kunt u toezeggen dat deze kinderen alsnog een vorm van (tussentijds) onderwijs krijgen om te voorkomen dat zij een achterstand oplopen?
Kunt u reageren op elk van de aanbevelingen uit het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarbij u in ieder geval aangeeft hoe u opvolging geeft aan de aanbevelingen?
Kunt u reflecteren op de constatering van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er «robuust bestuur» nodig is om de veiligheid in de noodopvang te herstellen? Hoe bent u voornemens hier gehoor aan te geven?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende debat over vreemdelingen- en asielbeleid?
Twee meisjes die kerkasiel aanvragen en zeggen bang te zijn voor hun vader en de jeugdzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meisjes van 11 en 14 vragen kerkasiel aan «omdat we bang zijn voor onze vader en de jeugdzorg»» van Trouw van 20 september 2026?1
Wat vindt u ervan dat twee meisjes van 11 en 14 jaar weglopen, zeggen bang te zijn voor hun vader én de jeugdzorg, om kerkasiel vragen en vervolgens weer bij hun vader terechtkomen?
Wie heeft in deze zaak vastgesteld dat het voor deze meisjes veilig was om terug te keren naar hun vader en op basis waarvan is dat vastgesteld?
Deelt u de mening dat wanneer kinderen van 11 en 14 jaar weglopen en aangeven bang te zijn voor de ouder bij wie zij verblijven, dit een zeer serieus veiligheidssignaal is dat zorgvuldig moet worden onderzocht voordat zij worden teruggebracht? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat kinderen vrijuit hun verhaal kunnen doen wanneer zij aangeven óók bang te zijn voor de jeugdbescherming die bij hun situatie betrokken is? Wie komt er in zo’n situatie onafhankelijk voor deze kinderen op?
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen SAVE de afgelopen vijf jaar betrokken is geweest bij situaties waarin een kind bij een ouder verbleef of werd geplaatst terwijl het kind nadrukkelijk aangaf daar niet te willen verblijven of geen contact met die ouder te willen? Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Klopt het dat SAVE bij ouder-kindcontactproblemen gebruik heeft gemaakt van kennis of expertise van professionals die werken vanuit ideeën over ouderverstoting? Zo ja, welke rol speelt deze kennis binnen de huidige werkwijze van SAVE en op welke wetenschappelijke onderbouwing is deze werkwijze gebaseerd?
Hoe wordt voorkomen dat signalen van mishandeling, misbruik of andere onveiligheid ten onrechte worden gezien als beïnvloeding door de andere ouder, met het risico dat een kind terechtkomt bij een ouder voor wie het zegt bang te zijn?
Hoe beoordeelt u deze nieuwe signalen in samenhang met de eerdere problemen rond SAVE, waaronder de plaatsingen van Nederlandse kinderen in Spanje waarbij de vereiste procedure niet in alle gevallen is gevolgd? Ziet u aanleiding om, naast het reeds aangekondigde onderzoek naar de buitenlandse plaatsingen, ook breder naar de werkwijze van SAVE te kijken?
Bent u bereid bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aandacht te vragen voor deze signalen en te bezien of nader toezicht op de werkwijze van SAVE nodig is, in het bijzonder waar het gaat om veiligheidssignalen en het horen van kinderen? Wilt u de Kamer hierover informeren?
Nederlandse jongeren in buitenlandse jeugdhulp |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Nieuwsuur/NOS van 16 september 2026 over Nederlandse jongeren die in buitenlandse jeugdzorginstellingen verblijven en met de daarin beschreven signalen over onder meer vrijheidsbeperking, fixatie, het ontbreken van onderwijs en het verrichten van zwaar en onbetaald werk?1
Hoeveel Nederlandse jeugdigen verblijven op dit moment in het buitenland in het kader van jeugdhulp? Kunt u dit uitsplitsen naar land, aanbieder, duur van de plaatsing en vrijwillig of gedwongen kader? Indien u deze aantallen niet kunt geven, hoe kan de Nederlandse overheid dan controleren of deze kinderen veilig zijn en passende jeugdhulp ontvangen?2 3
Hoe verklaart u dat volgens Nieuwsuur de laatste telling van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2007 dateert, toen 330 jongeren in het buitenland verbleven, en er bijna twintig jaar later geen actueel totaaloverzicht bestaat van Nederlandse jeugdigen die voor jeugdhulp in het buitenland verblijven?4 5
Klopt het dat de IGJ al in 2009 intern waarschuwde voor risico’s van jeugdhulp in het buitenland en in 2019 alle gemeenten hiervoor heeft gewaarschuwd? Wanneer is uw ministerie voor het eerst over deze problematiek op de hoogte gebracht en waarom is de Kamer hierover destijds niet geïnformeerd?6 7 8
Hoe verklaart u dat de IGJ aangeeft dat de situatie sinds deze waarschuwingen niet wezenlijk is veranderd? Welke concrete maatregelen zijn tussen 2009 en heden genomen naar aanleiding van deze waarschuwingen en waarom hebben deze kennelijk onvoldoende resultaat gehad?9 10
Hoeveel meldingen of signalen heeft de IGJ de afgelopen tien jaar ontvangen over Nederlandse jeugdigen in buitenlandse jeugdhulp waarbij sprake was van vrijheidsbeperking, fixatie, het ontbreken van onderwijs, onbetaald of zwaar werk, geweld, verwaarlozing of andere mogelijke onveilige situaties? Kunt u aangeven wat met deze meldingen is gedaan?11
Klopt het dat vrijheidsbeperkende maatregelen zoals het fixeren van jongeren en het niet mogen verlaten van een terrein in deze vormen van jeugdhulp niet zijn toegestaan? Zo ja, welke actie wordt ondernomen zodra aanwijzingen bestaan dat een Nederlands kind in het buitenland aan dergelijke maatregelen wordt onderworpen?12
Hoe wordt bij een melding over mogelijke onveiligheid vastgesteld dat een jeugdige daadwerkelijk veilig is wanneer de IGJ zelf geen toezicht kan uitoefenen op een buitenlandse locatie? Wie gaat fysiek naar het kind toe en wie draagt uiteindelijk de verantwoordelijkheid wanneer niemand dat doet?13 14
Hoe beoordeelt u dat toezicht op Nederlandse jeugdigen in het buitenland volgens Nieuwsuur in de praktijk mede via beeldbellen plaatsvindt? Hoe kan worden gegarandeerd dat een jeugdige tijdens zo’n gesprek vrijuit kan spreken en dat buiten beeld geen medewerker van de aanbieder aanwezig is of invloed uitoefent?15 16
Hoeveel Nederlandse jeugdigen verblijven momenteel voor jeugdhulp in Marokko? Welke Nederlandse of Marokkaanse instantie houdt daar daadwerkelijk toezicht op de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de jeugdige, en hoe vaak vindt fysiek toezicht op locatie plaats?17 18
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven werkwijze waarbij het feit dat jongeren de taal niet spreken en het land niet kennen als onderdeel of meerwaarde van het traject wordt gezien? Hoe wordt voorkomen dat een jeugdige hierdoor volledig afhankelijk wordt van de aanbieder en feitelijk geïsoleerd raakt?19 20
Herinnert u zich de op 10 februari 2026 unaniem aangenomen motie-Moinat c.s. (Kamerstuk 36 800-XVI, nr. 56), waarin de regering wordt verzocht jeugdigen in beginsel in Nederland te plaatsen en buitenlandse plaatsing alleen toe te staan wanneer deze in het belang van het kind is, geen passend alternatief in Nederland beschikbaar is en de plaatsingsprocedure via de regels van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden en het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd verloopt?21
Hoeveel jeugdigen zijn sinds de aanneming van deze motie op 10 februari 2026 nieuw in het buitenland geplaatst? Kunt u per plaatsing aangeven in welk land dit was, waarom geen passend alternatief in Nederland beschikbaar was, hoe is vastgesteld dat de buitenlandse plaatsing in het belang van het kind was en of de voorgeschreven plaatsingsprocedure volledig is gevolgd?22 23 24
Kunt u garanderen dat alle buitenlandplaatsingen sinds 10 februari 2026 voldoen aan alle voorwaarden uit de aangenomen motie-Moinat c.s.? Zo nee, hoeveel plaatsingen voldeden daar niet aan en welke actie is daarop ondernomen?25
U heeft de Kamer recent laten weten dat het kabinet nog met betrokken partijen in overleg is om afspraken te maken over de uitvoering van de motie-Moinat c.s. en dat de Kamer hierover pas eind dit jaar nader wordt geïnformeerd. Waarom is ruim zeven maanden na de unanieme aanneming van deze motie nog steeds overleg nodig om ervoor te zorgen dat jeugdigen in beginsel in Nederland worden geplaatst?26 27
Bent u, gezien de ernst van de bevindingen van Nieuwsuur, bereid niet tot het einde van het jaar te wachten, maar de Kamer op korte termijn te informeren over de concrete uitvoering van de motie-Moinat c.s. en daarbij in ieder geval de aantallen en landen van alle buitenlandplaatsingen sinds 10 februari 2026 te verstrekken?28 29
Bent u bereid per direct een landelijke inventarisatie van alle Nederlandse jeugdigen in buitenlandse jeugdhulp uit te voeren en per jeugdige vast te stellen waar deze verblijft, op welke juridische grondslag, wie verantwoordelijk is voor de plaatsing, of de voorgeschreven procedure is gevolgd, of passend onderwijs wordt ontvangen en hoe de veiligheid en kwaliteit van de zorg daadwerkelijk worden gecontroleerd?30 31 32
Bent u bereid alle bestaande buitenlandplaatsingen waarbij de rechtmatigheid, veiligheid, het onderwijs, de kwaliteit van de jeugdhulp of het daadwerkelijke toezicht niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd met spoed opnieuw te laten beoordelen en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?33 34 35
Deelt u de opvatting dat zolang Nederland niet weet hoeveel Nederlandse jeugdigen in buitenlandse jeugdhulp verblijven en de IGJ daar zelf geen toezicht kan uitoefenen, niet kan worden gegarandeerd dat ieder van deze kinderen veilig is? Zo nee, waarop baseert u die garantie?36 37 38
De veiligheid van kinderen bij Veilig Thuis West-Brabant |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Veilig Thuis West-Brabant kampt met ernstige financiële en organisatorische problemen en dat meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling langer blijven liggen dan wettelijk is toegestaan?
Hoeveel meldingen waarbij minderjarigen betrokken zijn overschrijden momenteel de wettelijke termijnen bij Veilig Thuis West-Brabant? Hoeveel kinderen betreft dit en hoe lang wachten zij inmiddels?
Kunt u garanderen dat de kinderen achter deze meldingen op dit moment veilig zijn? Zo nee, deelt u de mening dat onmiddellijk moet worden vastgesteld of zich onder deze kinderen slachtoffers bevinden die momenteel worden mishandeld, verwaarloosd of anderszins in een onveilige situatie verkeren, en hoe gaat u hiervoor zorgen?
Wie houdt gedurende een termijnoverschrijding zicht op de veiligheid van deze kinderen en wie grijpt in wanneer hun situatie verslechtert?
Hoe is het mogelijk dat twee jaar later opnieuw wettelijke termijnen worden overschreden, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in 2024 bij Veilig Thuis West-Brabant al ernstige termijnoverschrijdingen constateerde, waarbij een veiligheidsbeoordeling soms viereneenhalve maand duurde en het starten van een onderzoek of de dienst Voorwaarden & Vervolg in een casus elf maanden op zich liet wachten?
Welke verbetermaatregelen zijn sinds het IGJ-onderzoek uit 2024 daadwerkelijk uitgevoerd en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een situatie is ontstaan waarin meldingen te lang blijven liggen?
Erkent u dat u als stelselverantwoordelijke niet kunt volstaan met de constatering dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de organisatie en financiering van Veilig Thuis wanneer binnen dat stelsel wettelijke termijnen structureel worden overschreden en mogelijk de veiligheid van kinderen in het geding is? Zo nee, waarom niet?
Op welk moment acht u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid ingrijpen noodzakelijk wanneer een Veilig Thuis-organisatie niet langer in staat blijkt haar wettelijke taken tijdig uit te voeren, en is dat moment bij Veilig Thuis West-Brabant wat u betreft inmiddels bereikt? Zo nee, wat moet er dan nog gebeuren voordat u ingrijpt?
Welke concrete maatregelen neemt u nu vanuit uw stelselverantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat alle kinderen achter de wachtende meldingen bij Veilig Thuis West-Brabant zo snel mogelijk in beeld zijn, hun veiligheid wordt beoordeeld en waar noodzakelijk direct wordt ingegrepen?
Kunt u uitsluiten dat bij andere Veilig Thuis-organisaties vergelijkbare problemen bestaan? Zo nee, bent u bereid op korte termijn landelijk inzichtelijk te maken hoeveel meldingen de wettelijke termijnen overschrijden, hoeveel minderjarigen daarbij betrokken zijn en welke maatregelen u vanuit uw stelselverantwoordelijkheid neemt om deze achterstanden terug te dringen?
De bezuinigingen op de Luisterlijn vanaf 2027 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De bezuinigingen op de Luisterlijn geven een jammerlijk signaal af»?1
Klopt het dat per 2027 structureel 10 procent van het jaarbudget, oftewel € 700.000, bezuinigd zal worden op de Luisterlijn? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan? Zo ja, kunt u nader toelichten waarom gekozen is voor deze bezuiniging?
Hoe verhoudt deze geplande bezuiniging zich tot het feit dat de Luisterlijn in 2025 een recordaantal van 331.861 gesprekken voerde, oftewel ruim 900 gesprekken per dag? Deelt u de mening dat een stijgende vraag naar een laagdrempelig luisterend oor juist aanleiding zou moeten zijn om de voorziening, waar nodig, te versterken in plaats van te verzwakken?
Herkent u de constatering dat deze geplande bezuiniging zal leiden tot het sluiten van verschillende trainings- en werklocaties en mogelijk zelfs dat een deel van de vrijwilligers zal stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven welke gevolgen u verwacht als gevolg van de subsidiekorting voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de Luisterlijn?
Bent u bekend met het feit dat het kabinet-Rutte IV in 2022 naar aanleiding van een marktverkenning al concludeerde dat er geen (andere) marktpartij is die het bieden van een luisterend oor aan (jong)volwassenen en kinderen zonder overheidssubsidie kan uitvoeren? Zo ja, hoe rijmt u dit met de geplande bezuiniging?
Op basis waarvan is geconcludeerd dat de Luisterlijn deze bezuiniging kan opvangen zonder dat dit ten koste gaat van de dienstverlening? Bent u bereid eventuele nieuwe marktverkenningen, evaluaties of doelmatigheidsanalyses te delen met de Kamer?
Hoe rijmt deze bezuiniging met de wettelijke taak, die voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, om te voorzien in een anonieme, kosteloze mogelijkheid om te spreken over persoonlijke situaties en advies te vragen? Hoe rijmt deze bezuiniging met de aanpak Een tegen Eenzaamheid?
Deelt u de mening dat een voorziening als de Luisterlijn juist erg belangrijk is voor mensen die wel behoefte hebben aan contact of ondersteuning, maar niet direct een beroep doen of kunnen doen op formele zorg? Zo ja, hoe rijmt dat met de geplande bezuiniging?
Deelt u de mening dat de laagdrempelige hulp van de Luisterlijn bijdraagt aan preventie en kan voorkomen dat mensen een beroep doen op de ggz of andere vormen van psychosociale hulp? Is berekend hoeveel extra kosten uiteindelijk bespaard worden door de Luisterlijn?
Welke concrete maatregelen gaat u inzetten om te voorkomen dat deze bezuiniging ertoe gaat leiden dat mensen zich pas melden wanneer hun problemen zijn geëscaleerd en daardoor uiteindelijk een beroep doen op zwaardere en vaak duurdere zorg?
De aanhoudende problemen bij Jeugd Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vakbond kaart situatie jeugdzorg Lelystad aan bij Arbeidsinspectie»?1
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven aanhoudende onrust bij Jeugd Lelystad en de vraagtekens die worden geplaatst bij het onderzoek naar de inmiddels ontslagen bestuurder?
Was u bij de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen op 11 augustus 2026 op de hoogte van het feit dat FNV Jeugdzorg de situatie bij Jeugd Lelystad reeds in april had gemeld bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Autoriteit Persoonsgegevens? Zo ja, waarom zijn deze meldingen en de daaraan ten grondslag liggende zorgen niet betrokken bij uw beantwoording?
Hoe beoordeelt u de samenloop van de door FNV gemelde ernstige personele problemen en de door de Nederlandse Zorgautoriteit gesignaleerde risico’s voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp in Lelystad?
Kunt u aangeven wat sinds uw beantwoording van 11 augustus 2026 concreet is verbeterd aan de beschikbaarheid, toegankelijkheid en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad? Kunt u daarbij aangeven hoeveel kinderen momenteel wachten op een besluit over of de daadwerkelijke inzet van passende jeugdhulp?
Deelt u de mening dat ernstige personele uitval en langdurige bestuurlijke onrust binnen een organisatie die verantwoordelijk is voor de toegang tot jeugdhulp gevolgen kunnen hebben voor de continuïteit en tijdigheid van die toegang? Zo nee, waarom niet?
Heeft u inmiddels vastgesteld of kinderen en gezinnen door de bestuurlijke en personele problemen bij Jeugd Lelystad langer hebben moeten wachten op jeugdhulp of anderszins nadeel hebben ondervonden? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom is dit nog niet vastgesteld?
U antwoordde op 11 augustus 2026 op de vraag welke aanvullende maatregelen u bereid bent te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van kwetsbare kinderen uitsluitend met: «Geen.» Bent u, gelet op de aanhoudende problemen en de meldingen bij toezichthouders, nog steeds van mening dat geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Zo ja, wat moet er volgens u nog gebeuren voordat u als stelselverantwoordelijke wel aanleiding ziet aanvullende maatregelen te nemen?
U gaf in uw eerdere beantwoording aan dat bij mogelijke taakverwaarlozing eerst signalering en factfinding plaatsvinden en dat het Rijk vervolgens via interbestuurlijk toezicht kan optreden. Is naar aanleiding van de situatie in Lelystad inmiddels sprake van signalering of factfinding in het kader van interbestuurlijk toezicht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van de onderzoeken of meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en andere betrokken toezichthouders, voor zover deze relevant zijn voor de beschikbaarheid, toegankelijkheid, continuïteit en kwaliteit van de jeugdhulp in Lelystad?
Het stijgende aantal jongeren in de bijstand zonder duidelijke verklaringen of inzicht in oorzaken |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van NRC Handelsblad «Hoe kan het toch dat het aantal jongeren in de bijstand toeneemt?»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de stijging van jongeren in de Participatiewet sterker is dan van andere leeftijdsgroepen en al dertien kwartalen op rij aanhoudt?
Hoe ontwikkelde de instroom van jongeren in de bijstand volgens u in de afgelopen vijf jaar, waar mogelijk uitgesplitst naar leeftijd, achtergrond, kwetsbare positie, voorgaande betrekking, bijstandsduur, en reden van instroom?
Deelt u de constatering van de onderzoekers in het artikel dat er geen eenduidige verklaring bestaat en wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken ontbreekt?
Heeft de regering onderzoek gedaan of laten doen naar de oorzaken van de structurele stijging van het aantal jongeren in de Participatiewet? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Aangezien werkende jongeren relatief vaak een flexibel contract hebben en hierdoor bij tegenslag vaak als eerste hun baan verliezen, welke maatregelen neemt u om het aandeel vaste contracten onder jongeren te verhogen?
Hoeveel jongeren, die door een kort arbeidsverleden alleen recht hebben op de minimale WW-duur van drie maanden, stromen jaarlijks na afloop van deze WW-duur door naar de bijstand? Hoe verhoudt zich dit tot andere leeftijdsgroepen?
Herkent u dat met de stijging van het aantal jongeren in de bijstand ook het aantal dakloze jongeren toeneemt, en kunt u hier de meest actuele cijfers over verstrekken? Biedt de Participatiewet dienstverlening aan instromende jongeren om hun huurwoning te behouden of om een huurwoning te bemachtigen?
Herkent u dat jongeren kort na hun achttiende relatief vaak en steeds vaker in problematische schulden raken, mede door online gokken of «buy now pay later»- diensten, en dit bijdraagt aan bijstandsinstroom? Welke bewindspersoon draagt de beleidsverantwoordelijkheid voor de samenhang tussen online kansspelen, consumentenkrediet, schuldenbeleid en de bijstandsinstroom van jongeren?
Hoe weegt u de samenhang tussen de mentale gezondheid van jongeren en hun arbeidsmarkt- en bijstandspositie, wetende dat onderzoek van het RIVM2 en GGD GHOR laat dat bijna de helft van de jongeren de eigen mentale gezondheid als niet goed (matig of slecht) beoordeelt? Hoe wordt interdepartementale samenwerking op dit thema vormgegeven en welke resultaten levert dit op?
Welke maatregelen neemt de regering om de dertien kwartalen aanhoudende stijging van jongeren in de bijstand te keren? Hoe gaat u de Kamer periodiek informeren over de voortgang en de resultaten van het beleid?
Het bericht “Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school” |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school»1, waarin vier op de tien jonge lhbtiq+'ers aangeeft zich niet veilig te voelen op school en een kwart zich thuis onveilig voelt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat vrijheid het recht is om jezelf te kunnen zijn en de plicht de ander te accepteren? En dat religieuze, culturele of andere opvattingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen voor intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+-jongeren?
Ja, deze mening deel ik. Gelijkwaardigheid en vrijheid zijn fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. In Nederland moeten lhbtiq+ personen overal en altijd veilig en vrij zichzelf kunnen zijn. De vrijheid van de één mag nooit ten koste gaan van de vrijheid van de ander. Intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+ personen is onacceptabel.
Herkent u het geschetste beeld en de gepresenteerde cijfers? Hoe beoordeelt u de bevinding dat de onveiligheid zich niet alleen op straat of op school voordoet, maar in aanzienlijke mate ook in de eigen thuissituatie?
Ja, ik herken het geschetste beeld. Verschillende onderzoeken laten zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. Dit blijkt ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (hierna: LVM) in het funderend onderwijs, die inzicht biedt in de ervaren veiligheid op school van onder anderen lhbt leerlingen.2 Die signalen zijn dus helaas niet nieuw. Toch ben ik geschrokken van deze cijfers. Het is aangrijpend dat zoveel lhbtiq+ jongeren zich ook thuis onveilig voelen. Thuis zou juist een veilige omgeving moeten zijn.
Beschikt uw ministerie over historische data om te beoordelen of hier sprake is van een stijgende trend in het gevoel van onveiligheid onder lhbtiq+-jongeren, of dat er sprake is van een continue/structurele problematiek?
Ja, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert periodiek onderzoek uit naar de ervaren veiligheid van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Dit onderzoek gaat niet over de thuissituatie van lhbtiq+ jongeren. Lhbt leerlingen3 voelen zich minder veilig, worden vaker gepest en maken vaker geweld mee dan niet-lhbt leerlingen in het funderend onderwijs.
Dit geldt voor zowel het primair als voortgezet onderwijs.4 Tabel 1 geeft een overzicht van de veiligheidscijfers in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar verschillende jaren.
2014
2016
2018
2021
2022
Veiligheidsgevoel
Lh(b)t
83,0%
86,8%
89,9%
95%
95%
Niet-lhbt
94,2%
95,6%
97,1%
98%
98%
Pesten
Lh(b)t
24,1%
18,0%
7,7%
13%
17%
Niet-lhbt
10,5%
7,4%
4,7%
4%
6%
Verbaal geweld
Lh(b)t
40,0%
39,5%
29,8%
N.b.
36%
Niet-lhbt
29,0%
26,3%
26,9%
N.b.
30%
De percentages in de jaren 2014, 2016 en 2018 laten het gemiddelde zien over lesbische, homoseksuele en transgender leerlingen. In deze monitors is geen uitsplitsing gemaakt naar biseksuele leerlingen. In 2018 was het aantal transgender respondenten laag, waardoor resultaten gevoelig zijn voor toevallige afwijkingen.
Heeft u inzicht in de redenen dan wel de achtergrond van deze stagnatie in het veiligheidsgevoel van jonge lhbtiq+'ers? Kunt u die inzichten delen?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam (2025) geeft inzicht in de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.5 De onderzoekers concluderen dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren een complex samenspel van factoren zijn, dat niet te reduceren valt tot één factor. De lhbtiq+-opvattingen van jongeren hangen samen met de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg. Daarnaast zijn er signalen dat de opkomst van de manosfeer en religieus conservatisme een rol spelen. Medio 2027 publiceert de Universiteit van Amsterdam aanvullend onderzoek met daarin aandacht voor de rol van sociale media en de manosfeer. Ook verschijnt de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 volgend jaar, met cijfers over de lhbtiq+-opvattingen van jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. Op basis van de resultaten hiervan weeg ik af welk aanvullend onderzoek nodig is.
Klopt het dat scholen wettelijk verplicht zijn om de sociale veiligheid van leerlingen te waarborgen? Hoe verklaart u tegen die achtergrond dat vier op de tien ondervraagde lhbtiq+-jongeren zich desondanks niet veilig voelen op school?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent dat scholen samen met leraren, leerlingen en medezeggenschap, veiligheidsbeleid maken om incidenten te voorkomen (preventie) en af te handelen, jaarlijks (of vaker) de veiligheid van leerlingen onderzoeken, een coördinator hebben om pestgedrag tegen te gaan, een contactpersoon hebben bij wie leerlingen terecht kunnen als zij worden gepest, handelen in lijn met de meld-, overleg- en aangifteplicht seksuele misdrijven en ervoor zorgen dat elk personeelslid een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft.
Het onderzoek van de NOS is weliswaar niet representatief, maar schetst een zorgelijk beeld dat ik herken. Ook uit recent onderzoek in opdracht van Stichting School & Veiligheid blijkt dat lhbtiq+ leerlingen meer negatieve uitspraken richting zich krijgen dan niet-lhbtiq+ leerlingen6. In de Staat van het Onderwijs signaleert iets meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs negatieve uitingen over lhbtiq+ personen.7 Verklaringen hiervoor bevinden zich niet enkel binnen het domein van het onderwijs, maar in de hele samenleving.
Heeft u inzicht in het aantal scholen dat de afgelopen vijf schooljaren door de onderwijsinspectie is aangesproken omdat zij onvoldoende zorg droegen voor de sociale veiligheid van lhbtiq+-leerlingen? Welke consequenties werden daaraan verbonden?
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht voor sociale veiligheid van alle leerlingen op een school op basis van de wettelijke vereisten. Onderdeel daarvan is dat de inspectie erop let of leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals lhbtiq+ leerlingen, zich veilig voelen. Wanneer een school niet voldoet aan haar wettelijke zorgplicht, volgt een herstelopdracht en kan bij uitblijven van herstel een financiële sanctie volgen. Als de inspectie een herstelopdracht geeft op de standaard veiligheid, is dat voor de sociale veiligheid als geheel, bijvoorbeeld doordat er geen aanspreekpunt pesten of antipest-coördinator aanwezig is op school. Hierbij wordt niet geregistreerd in hoeverre de veiligheid van een specifieke groep de aanleiding is voor de herstelopdracht.
Op basis van steekproeven van de inspectie kreeg 8% van de scholen in het primair onderwijs een herstelopdracht voor de standaard veiligheid. In het speciaal onderwijs gold dat voor 16% van de scholen en in het voortgezet onderwijs betrof dat 28% van de scholen.
Hebben schoolleiders op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om direct en zo nodig disciplinair op te treden tegen het discrimineren van dan wel het gebruik van geweld tegen leerlingen? Zo nee, wat hebben zij nodig?
Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid is verboden en strafbaar. Scholen en schoolleiders hebben de mogelijkheid om op te treden. Dat begint uiteraard met goed veiligheidsbeleid, het uitvoeren van de burgerschapsopdracht en een positief pedagogisch klimaat op school. Als het nodig is, kunnen scholen ook repressieve maatregelen treffen. Bijvoorbeeld schorsing, verwijdering en aangifte. Verder ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilige school. Ook de VO-raad en PO-Raad ontvangen subsidie om samen met scholen en ouders te werken aan een positieve pedagogische schoolcultuur.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat schoolbesturen signalen van onveiligheid voortaan direct onderzoeken en daar daadwerkelijk consequenties aan verbinden? Hoe ondersteunt u scholen daarin?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid. Dat houdt ook in dat scholen optreden bij onveiligheid. De inspectie houdt toezicht op de naleving van wettelijke plichten en kan indien nodig handhavend optreden door middel van het opleggen van een herstelopdracht. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast ondersteunt het kabinet scholen bij het versterken van de sociale veiligheid door te investeren in praktische ondersteuning. Via COC Nederland wordt onder meer de Paarse Vrijdag-aanpak verder ontwikkeld, inclusief ondersteuningsmateriaal voor scholen, trainingen en handvatten voor schoolleiders en leraren.
Welke onderdelen van het inmiddels verworpen wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht u nog steeds noodzakelijk om deze problematiek aan te pakken en wanneer komt het kabinet met een nieuw voorstel om de ontstane lacunes te dichten?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen zich veilig moeten voelen op school. Om die reden beraad ik mij momenteel over een vervolg. Zodra daar meer duidelijk over is, informeer ik de Tweede Kamer hierover. De maatregelen die onderdeel waren van dit wetsvoorstel kunnen niet zonder meer opnieuw ingezet worden in beleid of wetgeving. Zaken als een evaluatie van het veiligheidsbeleid of het hebben van een vertrouwenspersoon zijn helaas nog niet gebruikelijk op alle scholen.
Hoe worden jongeren die zich in hun thuissituatie onveilig voelen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit ondersteund en hoe wordt hierin samengewerkt met gemeenten, de jeugdzorg en maatschappelijke organisaties?
Leerlingen die zich onveilig voelen kunnen in het onderwijs terecht bij leraren, mentoren, vertrouwenspersonen of zorgcoördinatoren. Jongeren die een luisterend oor nodig hebben, kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon, Switchboard en Genderpraatjes. Op www.injebol.nl kunnen jongeren terecht voor betrouwbare informatie over mentale gezondheid, laagdrempelige ondersteuning en doorverwijzingen naar meer specifieke vormen van ondersteuning. Op dit platform is ook informatie te vinden over seksualiteit en seksuele gerichtheid.
Deze jongeren kunnen ook terecht bij het lokale wijkteam of Veilig Thuis voor advies en ondersteuning. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp en de samenwerking met onder meer onderwijs en sociaal domein. Maatschappelijke organisaties, zoals COC Nederland, bieden laagdrempelige ondersteuning, informatie en contact met lotgenoten.
Het kabinet werkt ook aan preventie van onveiligheid bij lhbtiq+ personen en specifiek jongeren. Zo financiert het kabinet het programma Regenboogsteden die op lokaal niveau werken aan het verbeteren van de sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbtiq+ personen. Op school kunnen jongeren zich ook aansluiten bij Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), een initiatief van COC Nederland. Dit zijn groepen die leerlingen zelf vormen om steun en herkenning te vinden bij elkaar.
Welke indicatoren en meetinstrumenten worden gebruikt om te bepalen of beleidsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een veiliger klimaat voor lhbtiq+-jongeren op scholen en in de samenleving?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor. Deze monitor bevat cijfers over de ervaren leefbaarheid en veiligheidsbeleving in de woonbuurt, waaronder die van lhbtiq+ personen.8 Daarnaast geeft de tweejaarlijkse Lhbtiqa+-monitor inzicht in onder andere de veiligheid, discriminatie en gezondheid van lhbtiq+ personen in Nederland.9 Deze monitor wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Uw Kamer ontvangt de eerstvolgende monitor in Q4 van dit jaar.
Ik werk momenteel aan het Wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in uw Kamer. Dit wetsvoorstel bevat een wettelijke taak en grondslag om tweejaarlijks de veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te monitoren middels de LVM. Het wetsvoorstel en de onderliggende regeling regelen dat de LVM inzicht geeft in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Daarmee komt er actueel zicht op de trends en trendontwikkelingen in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Dit kan betrokken worden bij de beoordeling en evaluatie van het landelijke beleid.
Een van de beleidsmaatregelen ter bevordering van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen op school is het hebben van een GSA. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft GSA’s erkend als goed onderbouwde interventie. Daarnaast laat veel onderzoek positieve effecten van GSA’s zien op de veiligheid en het welbevinden van lhbtiq+ jongeren. Ook weten we dat het bespreekbaar maken van diversiteit zorgt voor een veiliger schoolklimaat. Ik wil hier graag nader onderzoek naar laten doen binnen de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid.
Bent u bereid om de veiligheidsbeleving van jonge lhbtiq+'ers (zowel op school als in de thuissituatie) jaarlijks expliciet op te nemen als vast meetpunt in bijvoorbeeld voortgangsbrieven?
Met de LVM zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 wordt tweejaarlijks inzicht gegeven in de veiligheidsbeleving van lhbtiq+’ers op school. Deze rapportage wordt ook met de Kamer gedeeld. Ook de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor en Lhbtiqa+-monitor worden met uw Kamer gedeeld.
Het bericht dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) moet krimpen van 950 naar 650 arbeidsplaatsen |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «IGJ moet krimpen van 950 naar 650 arbeidsplaatsen»1 en «Zwaarbelaste toezichthouder op de zorg moet ook nog eens inkrimpen»2?
Ja.
Wanneer en op welke wijze is de Kamer specifiek geïnformeerd over deze ingrijpende krimpopgave bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De Tweede Kamer is eerder geïnformeerd over de financiële taakstellingen waarmee de Rijksoverheid en daarmee ook de IGJ te maken hebben3. Bij de IGJ gaat het onder meer om kortingen en taakstellingen vanaf 2022 en om het aflopen van incidenteel toegekende budgetten, zoals de WAU-middelen. In het Jaarbeeld IGJ 2025 is aangegeven dat de IGJ als gevolg hiervan haar formatie heeft moeten verlagen. Ook is aangegeven dat deze bezuinigingen de komende jaren effect zullen hebben en dat de IGJ hiervoor een meerjarig plan opstelt.
De omvang van de reductie en de wijze waarop de IGJ deze de komende jaren wil realiseren, zijn onderdeel van de verdere uitwerking door de IGJ. De IGJ is verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie binnen de geldende financiële en wettelijke kaders.
Klopt het, zoals in het artikel van Zorgvisie wordt bericht, dat het Ministerie van VWS vanaf het begin bij deze opgave is betrokken? Kunt u toelichten op welke momenten en op welk niveau dit is gebeurd, en wat de inzet van u daarbij is geweest?
Het Ministerie van VWS is vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de IGJ betrokken bij de financiële en organisatorische kaders waarbinnen de IGJ haar taken uitvoert. Daarbij geldt dat de IGJ als toezichthouder onafhankelijk is in de uitvoering van haar toezicht.
De huidige personele opgave is het gevolg van de financiële kaders en de daaruit voortvloeiende taakstellingen waarmee de IGJ te maken heeft. De precieze vertaling daarvan naar de organisatie en de personele formatie is de verantwoordelijkheid van de IGJ.
De IGJ en VWS zijn hierover met elkaar in gesprek. Voor het kabinet staat daarbij voorop dat de IGJ haar wettelijke taken als onafhankelijk toezichthouder effectief en risicogericht moet kunnen blijven uitvoeren, opdat zij haar rol bij het borgen en verbeteren van de kwaliteit en veiligheid van de zorg kan blijven vervullen. De beschikbare capaciteit en de prioriteiten binnen het toezicht moeten daarom met elkaar in balans zijn.
De IGJ werkt aan een verdere ontwikkeling van haar toezicht, onder meer door meer datagedreven te werken en keuzes te maken in de wijze waarop toezicht wordt uitgevoerd.
Op welke manier is de arbeidsbesparing die het bestuur van de IGJ denkt te behalen onderbouwd? Kunt u inzichtelijk maken hoe groot de besparing is per zorgsector en per deeltaak van de IGJ?
De veranderopgave van de IGJ vloeit zowel voort uit de ontwikkelingen in de zorg als uit de verwachte afname van het beschikbare budget. Om met minder mensen effectief toezicht te kunnen blijven houden, zal de IGJ haar toezicht nog meer risicogericht, gedifferentieerd en sector overstijgend vormgeven.
De IGJ zet daarbij onder meer in op het versterken van haar informatiepositie, proactief en risicogericht toezicht, een regionale oriëntatie, sectoroverstijgend werken, de inzet van multidisciplinaire teams en een bredere inzet van specialistische kennis. Ook wil de IGJ individuele signalen selectiever opvolgen en specifieke toezichtafspraken maken met aanbieders die aantoonbaar professioneel sturen op kwaliteit en veiligheid. Daarnaast werkt de IGJ aan een versterking van de inzet van data en risicoanalyses, zodat de beschikbare toezicht capaciteit gerichter kan worden ingezet.
De precieze personele gevolgen van deze veranderingen en de verdeling daarvan over de verschillende taken zijn nog niet definitief vastgesteld. Daarom kan op dit moment geen onderbouwde uitsplitsing van de arbeidsbesparing per zorgsector of deeltaak worden gegeven.
Kan de IGJ met deze verminderde capaciteit alle taken blijven uitvoeren die zij momenteel uitvoert, mede gelet op het jaarlijks stijgende aantal meldingen, de al twee jaar geldende vacaturestop en de oplopende werkdruk?
De IGJ maakt ieder jaar keuzes binnen de grote diversiteit aan taken. De veranderingen in de zorg en het feit dat het financiële kader van de IGJ de komende zes jaar krimpt, vragen om een andere inrichting van het toezicht en om scherpe inhoudelijke keuzes. Deze plannen worden momenteel uitgewerkt. Het Ministerie van VWS is vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de IGJ betrokken bij de financiële en organisatorische kaders waarbinnen de IGJ haar taken uitvoert.
Deelt u de verwachting van de inspecteur-generaal dat datagericht en risicogericht werken de krimp grotendeels kan opvangen? Waarop is die verwachting gebaseerd, mede in het licht van de kanttekening van hoogleraar gezondheidsrecht Legemaate dat voor veel inspectietaken mensen nodig blijven zoals tuchtzaken en het bezoeken van instellingen?
Het kabinet steunt de inzet van de IGJ om door meer data- en risicogericht te werken de beschikbare toezicht capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten.
Tegelijkertijd blijven professionele beoordeling, specialistische kennis en toezicht op locatie voor verschillende toezichtstaken noodzakelijk. Datagedreven werken is daarom vooral een middel om de beschikbare capaciteit gerichter in te zetten en geen volledige vervanging van menselijk toezicht.
Hoe rijmt deze krimpopgave met de inzet van het kabinet, op basis van het coalitieakkoord, op de aanpak van zorgfraude, mede gezien het bericht dat onlangs al een fraudeteam van de IGJ is opgeheven?
De krimpopgave en de aanpak van zorgfraude staan los van elkaar. Het is daarom niet juist om uit de krimpopgave te concluderen dat het kabinet minder prioriteit geeft aan de aanpak van zorgfraude. De aanpak van zorgfraude is juist een expliciete prioriteit van het kabinet, onder meer naar aanleiding van het coalitieakkoord en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Ook de beëindiging van het tijdelijke programma Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) van de IGJ staat hier los van. De IGJ beschouwt zorgfraude als een prioriteit en heeft aangegeven dat de binnen het programma opgebouwde kennis, ervaring en werkwijzen worden geborgd in de lijnorganisatie. De IGJ blijft toezicht houden op zorgfraude en blijft samenwerken met andere partijen binnen de fraudeketen.
Op welke manier kan worden gegarandeerd dat de reductie in personeel de aanpak van misstanden in de jeugdzorg niet in het gedrang brengt?
De kwaliteit en veiligheid van jeugdhulp en de bescherming van kinderen en jongeren zijn belangrijke prioriteiten van het kabinet. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp. De IGJ zal in haar toezicht aandacht blijven besteden aan de misstanden in de jeugdzorg. De wijze waarop de IGJ dit doet, wordt jaarlijks bepaald.
Kunt u garanderen dat deze ingrijpende krimpopgave bij de IGJ niet ten koste gaat van de uitvoering van de motie van het lid Synhaeve c.s. (Kamerstuk 31 839, nr. 1155) waarin jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers altijd vooraf gescreend worden in plaats van de huidige situatie waarin de IGJ reactief handelt?
Het kabinet onderzoekt momenteel hoe deze motie kan worden uitgevoerd.
Is u bekend dat de IGJ voor oktober een meerjarenbeleidsplan en begin 2027 een reorganisatieplan prsenteert? Bent u bereid de Kamer over beide plannen te informeren voordat onomkeerbare stappen worden gezet?
Ja, het kabinet is bekend met de voorgenomen planning van de IGJ. De IGJ is onafhankelijk en maakt binnen de geldende wettelijke en financiële kaders haar eigen afwegingen over de inrichting en uitvoering van het toezicht. Tegelijkertijd draagt de Minister van VWS ministeriële verantwoordelijkheid voor de IGJ. Daarom vindt regelmatig inhoudelijk overleg plaats tussen het Ministerie van VWS en de IGJ, onder meer over de prioritering en de te maken keuzes.
De IGJ werkt momenteel aan een nieuw Meerjarenbeleidsplan en het Jaarplan 2027. Zoals ook bij het huidige meerjarenbeleidsplan en jaarplan is gebeurd, zal het kabinet deze plannen na vaststelling aan de Kamer sturen.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat «Goed bestuur en toezicht in de zorg (+IGJ en Zorgfraude)» en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd» van Investico en Trouw van 14 juli 2026?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat ruim 200 kinderen geen vaste voogd hebben, terwijl het gezag van hun ouders door de rechter is beëindigd en de overheid daarmee verantwoordelijk is voor hun bescherming?
Als de overheid ingrijpt in het gezag van ouders en de kinderrechter een maatregel voor kinderbescherming oplegt, dan moeten het kind en de ouders kunnen rekenen op een snelle inzet van een jeugdbeschermer. Zoals ik u de afgelopen periode helaas al vaker heb moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel.3 Dat vind ik uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit.
De GI’s hanteren een gezamenlijk handelingsperspectief als kinderen en gezinnen noodgedwongen op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer komen te staan. Dit perspectief is een door de GI’s gezamenlijk opgestelde minimale werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van personele onderbezetting. Spoedmaatregelen, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS), worden altijd direct opgepakt. Ook zaken waarbij sprake is van directe kind-onveiligheid worden direct opgepakt.
Als bij een GI sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers dan wordt op basis van risicotaxatie bepaald welke kinderen direct geholpen moeten worden en welke kinderen noodgedwongen moeten wachten. Dat kunnen zowel kinderen met een OTS-maatregel als een met een voogdij maatregel zijn.
Bij voogdij kan sprake zijn van een meer stabiele opvoedsituatie (door bijvoorbeeld een langdurige plaatsing in pleeggezin of een gezinshuis) dan bij een OTS. In dat geval kan de afweging gemaakt worden dat een voogdijkind op de wachtlijst wordt geplaatst omdat bij een OTS-kind meer risico’s spelen.
Ook wordt afgestemd met het betrokken professioneel netwerk over hoe de veiligheid wordt gemonitord en hoe vorm wordt gegeven aan de evaluatie van de kindveiligheid en voortgang op de hulpverleningsdoelen. Vaak is al een professioneel netwerk betrokken omdat de hulp in vrijwillig kader is gestart of omdat de hulp al eerder door een jeugdbeschermer is gestart – maar het kind nu op de interne wachtlijst staat omdat er nog géén opvolger is gevonden voor de jeugdbeschermer die de organisatie verlaten heeft. De veiligheid van het kind wordt periodiek gemonitord door het wachtlijstteam van de GI. Op basis van deze monitoring wordt direct een jeugdbeschermer ingezet als dat nodig is.
De inspecties hebben in september 2025 kritische rapporten geschreven over de problemen bij de gecertificeerde instellingen (GI’s).4 Daarbij constateren de inspecties dat de belangrijkste oorzaken gelegen zijn in arbeidsmarktproblemen en ontbrekende of ontoegankelijke passende hulp. Dit zijn factoren waar de GI’s zelf weinig directe invloed op hebben. In reactie op deze rapporten hebben we in de brief van 2 december 2025 aangegeven als Rijk hier het voortouw in te nemen om samen met gemeenten en GI’s gezamenlijk afspraken te maken om in het hier en nu mede op basis van de aanbevelingen van de inspecties te zorgen voor betere bescherming en tijdige hulp voor kinderen en hun ouders.5 De GI’s werken in dat kader aan het verbeteren van de interne werkprocessen op basis van «good practices» uit de sector en met het verbeteren van de «betekenisvolle contacten» tussen jeugdbeschermer en met name het kind. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat juist deze kwetsbare kinderen geen vaste voogd hebben die hen persoonlijk kent, hun veiligheid bewaakt en namens hen belangrijke beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het bij alle kinderen onwenselijk dat ze moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer, ook voor voogdijkinderen. Gegeven de situatie dat sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers is het echter voorstelbaar dat op basis van een risicotaxatie gekozen wordt om het kind met de grootste risico’s eerst te helpen.
Hoeveel kinderen hebben momenteel geen vaste voogd? Kunt u dit uitsplitsen per gecertificeerde instelling, aangeven hoe lang zij gemiddeld en maximaal zonder vaste voogd zitten en in welke vorm van opvang zij verblijven?
De specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Wie draagt gedurende deze periode de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze kinderen en voor besluiten over onder meer medische behandelingen, onderwijs, jeugdhulp, contact met ouders en familieleden en officiële documenten? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat deze besluiten worden genomen door iemand die het kind daadwerkelijk kent?
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt dit via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. Dit gaat nog niet in alle gevallen goed. Ook de verhalen die zijn beschreven door Trouw en Investico geven daar voorbeelden van. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten op basis van «good practices» en wordt gewerkt aan het verbeteren va de betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Hoe wordt gedurende de periode zonder vaste voogd geborgd dat ieder kind regelmatig persoonlijk wordt gesproken en dat voortdurend zicht bestaat op zijn of haar veiligheid en ontwikkeling?
De GI’s hebben in het handelingsperspectief opgenomen dat de veiligheid van het kind beoordeeld wordt, na aanmelding dient het eerste contact met het gezin binnen 10 dagen plaats te vinden en dient informatievoorziening plaats te vinden. Per GI is de wijze van en de frequentie van het contact uitgewerkt. De bedoeling is dat het kind ook altijd gesproken wordt en afhankelijk van de situatie ook apart. Ook worden met het professionele en sociale netwerk rondom het kind afspraken gemaakt om de GI te informeren als daartoe aanleiding is.
Hoeveel belangrijke beslissingen zijn het afgelopen jaar vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was en welke gevolgen heeft dit gehad voor de betrokken kinderen?
Er wordt niet geregistreerd welke belangrijke beslissingen het afgelopen jaar zijn vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was.
Zijn bij u, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of de Inspectie Justitie en Veiligheid incidenten, calamiteiten of onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld? Zo ja, hoeveel en wat was de aard daarvan?
Bij de inspecties zijn calamiteiten, incidenten en onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld. Gegevens over het aantal en de aard van de incidenten, calamiteiten of onveilige situaties door het ontbreken van een voogd hebben de inspecties niet, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel hebben de inspecties in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de problematiek van het niet (tijdig) hebben van een vaste jeugdbeschermer/voogd:
De inspecties maken in rapporten vaak geen onderscheid tussen voogden of jeugdbeschermers (die ook de voogd kunnen zijn). Daarom spreken ze in rapporten vaak van jeugdzorgwerkers.
Hoe verhoudt het ontbreken van een vaste voogd zich tot de wettelijke taak van gecertificeerde instellingen om uitvoering te geven aan een door de rechter opgelegde voogdijmaatregel?
De wet bepaalt dat een kind waarvoor een maatregel voor kinderbescherming is uitgesproken, dan wel waarvoor jeugdreclassering is opgelegd, binnen 5 werkdagen een (gezins)voogd of een jeugdreclasseringsmedewerker krijgt toegewezen. Zoals de inspectie ook constateert kan, mede door arbeidsmarktproblematiek, niet ieder kind in de praktijk direct van een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder worden voorzien. In die gevallen wordt gewerkt volgens het handelingsperspectief (zie het antwoord op vraag 2).
In de praktijk doen de GI’s meer dan beschreven in het handelingsperspectief en maken zij zoals hierboven beschreven afspraken met het sociale en professionele netwerk om de veiligheid zo goed mogelijk te borgen. En bij directe onveiligheid wordt meteen gehandeld. Dit neemt niet weg dat met het werken volgens het handelingsperspectief niet de gebruikelijke begeleiding van een reguliere uitvoering gerealiseerd kan worden. In die zijn krijgen kinderen en ouders niet de bescherming die zij mogen verwachten. Zie de antwoorden op vraag 2 en 5 voor een overzicht van de maatregelen die ingezet worden om de wachtlijsten te verminderen en het gebruik van het handelingsperspectief onnodig te maken. Ook in gevallen waarin het handelingsperspectief wordt ingezet, hebben de ouders uiteraard recht op gebruikelijke rechtsbescherming volgens het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling of de voogdij maatregel. Het handelingsperspectief is een oplossing voor het ontbreken van een vaste voogd, maar biedt niet hetzelfde niveau van bescherming, er is immers geen vaste voogd. Ik acht het huidige handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting onder de huidige omstandigheden en gezien de inzet op verbetermaatregelen een toereikend alternatief.
Hoe beoordeelt u het feit dat een kinderrechter weliswaar een gecertificeerde instelling als voogd benoemt, maar dat er geen wettelijke waarborg bestaat dat een kind binnen een bepaalde termijn een vaste jeugdbeschermer of voogd krijgt die het kind persoonlijk kent en de voogdij feitelijk uitvoert? Acht u dit verenigbaar met de rechtsbescherming en de belangen van deze kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u het huidige Handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting toereikend voor kinderen van wie het ouderlijk gezag is beëindigd, gelet op de eerdere constateringen van de inspecties dat hierdoor onvoldoende zicht kan bestaan op de veiligheid van kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten, terwijl de inspecties al jaren waarschuwen voor personeelstekorten, hoge werkdruk en onvoldoende continuïteit binnen de jeugdbescherming?
Mede op basis van de motie Hijink – waarin al gerefereerd wordt aan de signalen van de inspecties – informeren we uw Kamer over het totaal aantal kinderen dat op een vaste jeugdbeschermer wacht. De inspecties geven in hun rapportages aan dat sprake is van onvoldoende continuïteit in de jeugdbescherming maar maken bij de wachtlijsten geen onderscheid naar het soort maatregel. Zoals bij het antwoord vraag 2 en 3 is aangegeven wordt op basis van een risicobepaling bepaald of een kind direct geholpen moet worden dan wel dat het kind noodgedwongen op de wachtlijst komt te staan. Omdat wordt uitgegaan van risico’s voor het kind en niet van het soort maatregel is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechterlijke voogdijbeslissingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat ieder kind tijdig een vaste voogd krijgt?
In brief van 2 december 2025 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de wachtlijsten in de jeugdbescherming en jeugdreclassering te verminderen.10 Daarbij hebben we aangegeven dat de GI’s gaan werken aan het verbeteren van hun werkwijze op basis van «good practices» en dat ze aan de slag gaan met het verbeteren van betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het debat met uw Kamer van 30 september 2026 infomeren we u over de stand van zaken.
Naast het werken aan «good practices» werkt het Rijk aan een aanpassing van het stelsel met de Hervormingsagenda Jeugd en specifiek voor de jeugdbeschermingsketen met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Op 8 juli 2026 hebben we uw Kamer geïnformeerd over de «veranderingsstrategie» Kind- en Gezinsbescherming en de acties die in dat kader genomen worden om kinderen eerder te beschermen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor Kinderbescherming noodzakelijk is en daarmee de druk op de wachtlijsten te verminderen. Met deze concrete verbetermaatregelen streven we ernaar de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen bij GI’s te verbeteren en de druk van stelselproblematiek te verminderen.
Bent u bereid de gecertificeerde instellingen opdracht te geven kinderen zonder vaste voogd met voorrang een vaste voogd toe te wijzen en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan?
Er is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor kinderen zonder vaste voogd; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Bent u bereid de Kamer binnen 6 weken te informeren over het exacte aantal kinderen zonder vaste voogd, de duur van de wachtperiode per gecertificeerde instelling en de maatregelen waarmee deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd?
Op dit moment beschik ik niet over de gegevens over het aantal voogdijkinderen dat wacht op een vaste voogd. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik de wachtlijsten kan specificeren voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Ik kan u dan in november hierover informeren ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
In de brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september zal ik u nader informeren over de stand van zaken van de in de brief van 2 december 2025 opgenomen maatregelen.11