Oxfam Novib |
|
Mona Keijzer , Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
SG-beraad |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de secretarissen-generaal (SG) van de ministeries op structurele basis bijeenkomen in het SG-beraad en dat daar interdepartementale afstemming plaatsvindt over lopende beleidsdossiers? Zo nee, hoe kwalificeert u de feitelijke werkzaamheden van dit overleg?
Hoe vaak vindt het SG-beraad gemiddeld plaats, hoeveel bijeenkomsten waren er het afgelopen jaar?
Welke functionaris is eindverantwoordelijk voor het bijeenroepen en structureren van het SG-beraad en wie stelt de agenda vast?
Op basis van welke concrete criteria worden onderwerpen wel of niet geagendeerd voor het SG-beraad en wie kan besluiten een onderwerp eventueel niet te behandelen?
Kunt u de gebruikelijke volgorde schetsen waarin beleidsdossiers ambtelijk worden afgestemd – inclusief gremia zoals het SG-beraad – voordat deze aan bewindspersonen of de ministerraad ter besluitvorming worden voorgelegd?
Welke rol speelt ambtelijke afstemming, inclusief het SG-beraad, bij het bepalen welke beleidsopties of varianten uiteindelijk aan bewindspersonen worden voorgelegd?
In welke vorm worden uitkomsten van het SG-beraad verwerkt in stukken richting bewindspersonen (bijvoorbeeld via beslisnota’s, annotaties of afgestemde varianten)?
Kan het SG-beraad, naast een coördinerende en informerende rol, soms ook een besluitvormende invloed uitoefenen op beleidsdossiers? Zo ja, hoe is deze rol staatsrechtelijk en bestuursrechtelijk verankerd, mede gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid en het uitgangspunt dat politieke besluitvorming plaatsvindt door bewindspersonen en de ministerraad?
Kunt u, bij benadering, aangeven of het aantal dossiers dat jaarlijks via ambtelijke gremia zoals het SG-beraad wordt afgestemd, enkele tientallen, honderden of het merendeel van de beleidsdossiers betreft?
Klopt het dat in het ambtelijke voortraject keuzes worden gemaakt welke beleidsopties wel en niet worden uitgewerkt of aan bewindspersonen worden voorgelegd? Zo ja, op basis van welke overwegingen vindt deze selectie plaats? Speelt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierbij nog een rol?
Het bericht dat rechters verkeersboetes te hoog vinden en dit mogelijk gevolgen heeft voor kabinetsbeleid |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spectaculair: rechters vinden verkeersboetes te hoog, mogelijk gevolgen voor kabinetsbeleid» van het AD d.d. 3 juli 2026?1
Ja.
Bent u bekend met de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de daarin opgenomen rechtsoverwegingen waaruit blijkt dat de verhoging van de boetebedragen uit 2024 en 2025 onverbindend is verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?2
Ja.
Hoe reflecteert u op het oordeel van drie kantonrechters dat de verhogingen van de verkeersboetes in 2024 en 2025 onredelijk zijn en neerkomen op verkapte belastingheffing bij verkeersovertreders?3
De rechtspraak laat een wisselend beeld zien. In enkele recente zaken heeft de kantonrechter inderdaad geoordeeld dat het besluit waarmee de verkeersboetes in 2024 en 2025 zijn verhoogd onverbindend is in verband met strijd met het evenredigheidsbeginsel. De in deze zaken opgelegde verkeersboetes zijn daarom verlaagd naar het niveau in 20234. In verschillende andere zaken hebben rechters echter geoordeeld dat de verhogingen van de verkeersboetes niet onrechtmatig waren en dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.5 De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken. Ik zal deze ontwikkelingen nauwlettend volgen.
Ten aanzien van «détournement de pouvoir» kan worden opgemerkt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, de hoogste rechter voor verkeerszaken die worden afgedaan op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, eerder heeft geoordeeld dat met de verhoging van de sanctietarieven per 1 maart 2024 niet is gehandeld in strijd daarmee of met het specialiteitsbeginsel.6 Ook heeft het hof in deze zaak geoordeeld dat het bedrag van de opgelegde sanctie in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de onderhavige gedraging, zodat ook hier geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.7
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, de kritiek dat de overheid daarmee haar boekje te buiten gaat wanneer zij een wettelijke bevoegdheid voor verkeersveiligheid inzet voor een ander, oneigenlijk budgettair doel, oftewel détournement de pouvoir?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre acht u uw beleid rechtsstatelijk houdbaar, nu de overheid burgers met steeds hogere verkeersboetes aanspreekt op naleving van de wet, terwijl diezelfde overheid deze boetes mede inzet als begrotingsinstrument en daarmee volgens meerdere rechters (on)geschreven regels, zoals het evenredigheidsbeginsel, schendt?4
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangegeven laat de rechtspraak nog een wisselend beeld zien. Het is zaak om het verdere verloop van rechtelijke procedures eerst af te wachten.
Waarom heeft u geen dragende juridische motivering gegeven voor de verhouding tussen de verhoogde boetes op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) en boetes voor commune delicten, terwijl zowel het Openbaar Ministerie als de Raad van State nadrukkelijk op deze disbalans heeft gewezen?
Ik heb eerder meerdere malen erkend dat er sprake is van een disbalans tussen de Wahv-boetes en de boetes voor commune delicten en dat deze disbalans onwenselijk is. De benodigde bezuinigingen om de disbalans op te lossen, acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk moeilijk uitlegbaar is dat foutparkeren op een gehandicaptenplaats kan leiden tot een hogere boete dan een geldboete die in de strafrechtpraktijk regelmatig wordt opgelegd voor mishandeling? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de meest recente Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (juli 2026) geldt voor een eenvoudige mishandeling die bestaat uit een droge klap of schop (met alleen pijn en geen letsel) als oriëntatiepunt een geldboete van € 700,–.9 Voor het onterecht parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats die specifiek is toegekend aan een bepaald kenteken (voor het parkeren voor de eigen woning of voor de werkplek) is het boetebedrag € 500,–. Voor het onterecht parkeren op een algemene gehandicaptenparkeerplaats geldt een boete van € 400,–. Het bezetten van een parkeerplaats voor een minder valide persoon beperkt direct de mobiliteit van mensen met een beperking. Een stevige normstelling en een hoge boete is derhalve en in algemene zin op zijn plaats.
Hoe gaat u nu voorkomen dat een wettelijke bevoegdheid die bedoeld is voor verkeersveiligheid, normhandhaving en bestraffing van verkeersovertredingen, wordt ingezet voor het dichten van begrotingsgaten?
Zoals ik reeds eerder meerdere malen heb toegezegd zal ik de verkeersboetes niet beleidsmatig verhogen en enkel jaarlijks indexeren. In het kader van de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bekijk ik momenteel welke mogelijkheden er zijn om te waarborgen dat verkeersboetes ook in de toekomst primair worden ingezet als instrument voor verkeersveiligheid en niet als begrotingsmiddel.
Kunt u de verhoging van de verkeersboetes in 2024 en 2025 uitsplitsen naar aard en hoogte, waarbij per boetecategorie inzichtelijk wordt gemaakt welk deel voortvloeit uit inflatiecorrectie en welk deel uit een beleidsmatige keuze, en hoeveel deze beleidsmatige verhogingen exact hebben opgeleverd voor de staatskas?
De verhoging van de verkeersboetes op grond van de Wahv bedroeg in 2024 10%. Daarvan was 5,7% inflatiecorrectie en 4,3% een beleidsmatige aanvullende verhoging. Deze beleidsmatige verhoging heeft extra opbrengsten van (bij benadering) ongeveer 37 miljoen euro opgeleverd. De strafrechtelijke verkeersboetes zijn in dat jaar enkel geïndexeerd op basis van de inflatie van 5,7%. In 2025 zijn de verkeersboetes, zowel de Wahv-boetes als de strafrechtelijke verkeersboetes, enkel met 3,2% geïndexeerd.
Bij eerdere beleidsmatige verhogingen van de verkeersboetes, zijn ook de strafrechtelijke tarieven altijd met hetzelfde percentage verhoogd.
Kunt u vervolgens uiteenzetten hoe deze extra opbrengsten budgettair zijn verwerkt, waaraan zij zijn besteed en welk concreet maatschappelijk of verkeersveiligheidseffect daarmee is bereikt?
Alle ontvangsten op grond van de Wahv zijn onderdeel van de Rijksbegroting. Er is geen nadere specificatie waaraan deze zijn besteed.
Hoe beoordeelt u het risico dat ook andere rechters de verhogingen van 2024, 2025 en 2026 exceptief gaan toetsen en onverbindend verklaren wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?
Het is niet aan mij om daar op vooruit te lopen. De rechtspraak laat tot nu toe een wisselend beeld zien. Vanzelfsprekend volg ik deze ontwikkeling nauwlettend. Ik verwijs hiervoor ook naar het antwoord op de vragen 3 en 4.
Bent u zich ervan bewust dat, wanneer deze zaken uiteindelijk bij het gerechtshof of de Hoge Raad terechtkomen en ook daar wordt geoordeeld dat de verhogingen van de verkeersboetes uit 2024 en 2025 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, dit kan dwingen tot verlaging van de hoogte van verkeersboetes in Nederland?
Ja. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4 ten aanzien van het huidige beeld van de rechtspraak.
Op 3 juli 2026 heeft de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad advies uitgebracht. Hij stelt dat Wahv-verhogingen door hun afschrikwekkende en bestraffende karakter niet kunnen worden afgedaan als louter incassomaatregel. Hoe rechtvaardigt u dat deze verhogingen automatisch worden opgelegd zonder de rechtsbescherming die hoort bij een criminal charge onder Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?5
De conclusie van de advocaat-generaal is een advies aan de Hoge Raad. De prejudiciële vraag over de ophogingen bij Wahv-boetes is momenteel in behandeling bij de Hoge Raad. De vraag of de ophogingen in strijd zijn met artikel 6 EVRM en – indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord – welke eventuele gevolgen dit heeft voor de inrichting van de rechtsbescherming moet dus nog worden beantwoord.
Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal op twee verschillende aspecten zien. Waar de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland raken aan de hoogte van verkeersboetes zelf, gaat de conclusie van de advocaat-generaal over de verhogingen van verkeersboetes bij niet-tijdige betaling van een verkeersboete.
Los van de toezegging dat ik de verkeersboetes niet beleidsmatig zal verhogen (zie ook het antwoord op vraag 8), onderneem ik naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland nu geen stappen. Zoals eerder in het antwoord op vragen 3 en 4 aangegeven laten de uitspraken nog een wisselend beeld zien. Ik acht het van belang om eerst af te wachten hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken en wil daar niet op vooruitlopen.
Wat betreft de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad geldt het volgende. De Hoge Raad heeft de vraag als gezegd op dit moment in behandeling. Na de uitspraak van de Hoge Raad kan de procedure bij de rechtbank Den Haag, die de prejudiciële vraag heeft gesteld, worden voortgezet.
Er kan niet vooruit worden gelopen op rechterlijke uitspraken. Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vraag 18 van de feitelijke vragen van de VKC JenV naar aanleiding van het rondetafelgesprek op 15 april jl. bereiden het CJIB en het Ministerie van Justitie en Veiligheid zich wel voor op mogelijke scenario’s. Als de uitkomst van de procedure helder is, zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de eventuele implicaties en hoe dit wordt opgepakt.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van deze rechterlijke uitspraken, met een integraal voorstel te komen om verkeersboetes, verhogingen en aanmaningskosten proportioneel te maken en te voorkomen dat verkeersboetes mensen onnodig in problematische schulden duwen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangeven, laat de rechtspraak nu nog een wisselend beeld zien. De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan kijken. Zoals u weet zie ik op dit moment ook geen mogelijkheden voor wijzigingen in het verkeersboetebeleid. De benodigde bezuinigingen hiervoor acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
De opgelegde Amerikaanse sancties hebben gevolgen voor gesanctioneerde individuele ambtsdragers en hun gezinsleden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen op het gebied van bancaire dienstverlening, verzekeringen en digitale dienstverlening.
Als verdragspartij en gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om het functioneren van het Hof te faciliteren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.
Nederland zet zich in om deze gevolgen van maatregelen en sancties zoveel mogelijk te voorkomen en te mitigeren. Zo is er doorlopend overleg met het Hof en gesanctioneerde functionarissen over de impact van sancties en over mitigerende maatregelen. Op basis van deze gesprekken is er, samen met betrokken ministeries, contact met relevante dienstverleners om zogenoemde overcompliance te voorkomen en alternatieve oplossingen uit te werken waar dat nodig is.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van deze laatste ontwikkeling samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Nederland zal zich aan de gastlandverplichtingen blijven houden, ook als dat door aanvullende maatregelen of sancties meer inzet vergt.
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Het is van groot belang dat ambtsdragers en medewerkers van het Internationaal Strafhof hun werk onafhankelijk en ongestoord kunnen doen. Reisbeperkingen, visumproblemen en intimidatiepogingen kunnen dat bemoeilijken. Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren.
Zoals eerder gesteld, staat Nederland in nauw contact met het Hof over veiligheidszorgen en praktische gevolgen van Amerikaanse sancties. Waar passend kan Nederland, in overleg met het Hof, diplomatieke ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door problemen bij derde landen aan te kaarten in bilateraal of in EU-verband, of in de context van de Vergadering van verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Vanwege veiligheidsoverwegingen doet het kabinet publiekelijk nooit uitspraken over veiligheidsmaatregelen. Wel kan ik u verzekeren dat ten aanzien van intimidatie en inmengingsactiviteiten de betrokken gezagen in nauw contact staan met de Nederlandse veiligheids – en opsporingsdiensten en waar nodig passende maatregelen treffen.
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Zie antwoord op vraag 2.
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door, ook rechtstreeks met de regering-Trump, waarbij onder meer onze zorgen over de campagne tegen het Internationaal Strafhof worden overgebracht en de daarbij gehanteerde kwalificaties worden ontkracht.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat en acties die het Hof ondermijnen ten zeerste afkeurt. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder (politieke) inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en Verdragspartijen bij het Statuut van Rome.
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
De inzet van de VS ten aanzien van het Internationaal Strafhof is recent door de VS uiteengezet in o.a. een persverklaring uitgebracht door het VS State Department. Deze boodschap heeft de VS inmiddels herhaald in bilaterale contacten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Nederland staat pal achter het Hof en zijn medewerkers en zal zich, samen met gelijkgezinde partners, onverminderd blijven inzetten om het Hof te beschermen en ondersteunen waar nodig. Het Internationaal Strafhof is de belichaming van het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap, zodat deze misdrijven niet onbestraft blijven.
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Het kabinet anticipeert op verschillende scenario’s, waaronder mogelijke sancties tegen het Hof als organisatie, of bredere beperkingen op dienstverlening door Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen aan het Hof.
De getroffen voorbereidingen en het doorlopende werk dat het Hof hier met ondersteuning van gastland Nederland en andere verdragspartijen en dienstverleners op verricht kan vanwege de vertrouwelijkheid niet in detail worden toegelicht. Op alle in de vraag genoemde terreinen is en wordt op verschillende niveaus gewerkt aan mitigerende maatregelen en alternatieven.
Zoals gezegd doet Nederland dit niet alleen, het kabinet zet zich er doorlopend voor in om ook in EU-verband en met de andere 124 verdragspartijen dergelijke maatregelen voor te bereiden. Ook omdat dienstverlening aan het Hof ook buiten Nederland plaatsvindt.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld al ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU-maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, Verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Zoals reeds aan de Kamer is gemeld, dringt Nederland steevast aan op een gezamenlijke aanpak in de EU om het Hof te beschermen en in algemene zin stappen te zetten op het terrein van EU-weerbaarheid en autonomie. In dat kader pleit Nederland actief voor het treffen van alle benodigde voorbereidingen voor toepassing van het Blocking Statute.
Indien de VS overgaat tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof significant belemmeren zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig – waaronder toepassing van het Blocking Statute.
Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor aan- en toepassing van het Blocking Statute. Dergelijke actie vraagt echter om een zorgvuldige afweging. Alle aspecten moeten daarbij worden meegewogen zoals timing, effectiviteit, diplomatieke inzet en belangen van het bedrijfsleven.
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Het artikel Israël doet officieel weer mee met Songfestival: 'AVROTROS in de knel |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met het bericht dat Israël ook in 2027 zal deelnemen aan het Eurovisie Songfestival en dat AVROTROS eind augustus of begin september een besluit zal nemen over Nederlandse deelname?1
Ja.
Bent u van mening dat Nederland moet mee doen aan het EurovisieSongfestival?
De Nederlandse Publieke Omroep gaat over de eigen programmatische keuzes. Vanwege de redactionele onafhankelijkheid die is vastgelegd in de Mediawet 2008 en de persvrijheid die volgt uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, heb ik als Minister geen rol in dit soort keuzes.
Deelt u de opvatting dat voorkomen moet worden dat Nederland door interne discussies bij een omroep afwezig is op een van de grootste culturele evenementen van Europa? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de Europese radiounie (EBU), de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en AVROTROS over de Nederlandse deelname aan het Eurovisie Songfestival?
De NPO is officieel de lid-organisatie van de EBU maar is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de programma's. Waar het gaat om het Songfestival wordt direct geschakeld tussen de AVROTROS en de EBU. AVROTROS is de omroep die inhoudelijk invulling geeft aan het Eurovisie Songfestival: de AVROTROS selecteert de Nederlandse inzending, draagt zorg voor de Nederlandse delegatie en verzorgt de registratie en uitzending(en) rond het Songfestival.
Indien AVROTROS besluit af te zien van deelname in 2027, welke mogelijkheden bestaan er om de organisatie van de Nederlandse deelname onder te brengen bij een andere publieke omroep, zoals Omroep MAX of de NOS? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan?
Of er wordt deelgenomen aan het Eurovisie Songfestival en welke omroep die deelname verzorgt is aan de NPO en omroepen zelf. Wettelijk gezien zijn er geen beperkingen om het verzorgen van deelname aan het Eurovisie Songfestival bij een andere omroep dan AVROTROS onder te brengen. Het is niet aan mij daarover het gesprek aan te gaan; zie mijn antwoord op vraag 2. Ik kan u wel melden dat de NPO mij desgevraagd heeft laten weten dat er tijdig gesprekken gevoerd zullen worden over deelname en welke omroep die in 2027 zou kunnen verzorgen, mocht AVROTROS besluiten niet te willen deelnemen.
Welke termijnen gelden voor het aanwijzen van een deelnemende omroep, de selectie van een Nederlandse artiest en van de inzending, en andere noodzakelijke voorbereidingen voor deelname aan het Eurovisie Songfestival 2027?
Ik heb geen inzicht in de voorbereidingen van deelname aan het Eurovisie Songfestival en welke tijdpaden daarmee gepaard gaan; ik ga daar ook niet over. De EBU is een samenwerkingsverband van publieke omroepen. Deelname door commerciële omroepen is daarmee uitgesloten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, heeft de NPO mij laten weten tijdig in gesprek te gaan over deelname door een andere omroep wanneer AVROTROS besluit niet deel te nemen.
Wat is de deadline voor zo’n besluit om een andere omroep of commerciële tv-zender daar toe uit te nodigen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid, indien AVROTROS niet deelneemt en een alternatief binnen het publieke bestel niet tijdig beschikbaar blijkt, te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan om de Nederlandse deelname op andere wijze, via bijvoorbeeld de commerciële media, te waarborgen zodat Nederland niet door onnodige discussies bij een omroep afwezig is bij het Eurovisie Songfestival 2027?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden?
In verband met het zomerreces is beantwoording binnen drie weken helaas niet gelukt.
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Waarom geeft u wel een algemeen antwoord1 over het belang van de aanhouding van Jos Leijdekkers, maar weigert u in te gaan op de concrete beschuldigingen2 dat voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers?
Waarom beroept u zich op operationele vertrouwelijkheid om geen antwoord te geven op vragen over de politieke verantwoordelijkheid van voormalig Minister Brekelmans? Welk concreet operationeel of veiligheidsbelang wordt volgens u geschaad door te bevestigen of te ontkennen of voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden?
Deelt u de mening dat, indien voormalig Minister Brekelmans vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden en daarmee zijn eigen belang boven het landsbelang heeft gesteld, de Kamer en de Nederlandse samenleving het recht hebben dit te weten? Zo nee, waarom niet?
Aangezien u deze vraag in de beantwoording van de eerdere Kamervragen onbeantwoord heeft gelaten, verzoek ik u nogmaals het volgende aan te geven: welke rol heeft voormalig Minister Brekelmans gespeeld bij de besluitvorming over de voorgenomen operatie tegen Jos Leijdekkers en heeft hij daarbij vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid bezwaar gemaakt tegen de uitvoering van die voorgenomen operatie?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Ja
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie heftig en verdrietig vind voor de mensen die bij Pluryn wonen, hun verwanten en de mensen die iedere dag voor hen zorgen. Het betreft kwetsbare mensen die goede en liefdevolle zorg nodig hebben. Ik heb naar aanleiding van dit artikel en gerelateerde artikelen in De Gelderlander contact gehad met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie) en zij hebben mij bevestigd dat dit hun volle aandacht heeft. Het is ook goed te beseffen dat Pluryn zorg biedt aan een groep mensen met een zeer complexe zorgvraag en veel gedragsproblematiek, waarbij incidenten helaas kunnen voorkomen. Net als andere aanbieders doen zij dat onder moeilijke omstandigheden. Het tekort aan goed toegerust personeel is niet uniek voor deze organisatie. De inspectie wijst erop dat bekend is dat bij grote zorgaanbieders er een afstand kan worden ervaren tussen directie en werkvloer. Ook geeft de inspectie aan dat de continuïteit en veiligheid van zorg bij personeelstekorten en bij veel wisselingen van personeel een punt van aandacht is doordat nieuwe zorgverleners en invalkrachten cliënten vaak (nog) niet goed kennen en hierdoor signalen kunnen missen of niet goed weten hoe zij moeten handelen. Door wisselingen in personeel kan ook onrust ontstaan bij cliënten doordat ze te maken krijgen met nieuwe gezichten. Dat kan voor cliënten met een (verstandelijke) beperking leiden tot onrust en escalaties.
Ik herken overigens niet de suggestie in het artikel dat schaalgrootte gelijk staat aan verwaarlozing van cliënten. Er zijn veel zorgorganisaties, groot en klein, die goede zorg voor hun cliënten bieden. Het bestuur van Pluryn herkent en erkent de incidenten en geeft aan dat zij daarin te leren heeft. Pluryn heeft mij laten weten daarin te investeren. De incidenten waaraan wordt gerefereerd in het artikel zijn of worden ook onderzocht door de juiste instanties (het Openbaar Ministerie / Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd). Ik vind het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt.
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
In totaal heeft de inspectie de afgelopen vijf jaar van Pluryn 274 meldingen ontvangen. Dit waren:
Naast bovenstaande meldingen heeft de inspectie in de afgelopen vijf jaar 218 signalen van diverse aard bij het Landelijk Meldpunt Zorg ontvangen. Over de inhoud van de meldingen en signalen kan ik geen mededelingen doen. Een vergelijking met andere zorginstellingen van soortgelijke omvang is niet te maken. Dit hangt onder andere samen met de doelgroepen die de instellingen in zorg hebben.
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
In 7 van de 45 gemelde calamiteiten is sprake van overlijden van een cliënt. Dit betekent niet dat in alle gevallen er een oorzakelijk verband is vastgesteld tussen overlijden en de kwaliteit van de geboden zorg.
Zorgaanbieders zijn conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Jeugdwet verplicht om van een aantal zaken melding te doen bij de inspectie. Zo moeten zorgaanbieders melding maken van calamiteiten (Wkkgz en Jeugdwet), geweld in de zorgrelatie (Wkkgz en Jeugdwet), ontslag wegens disfunctioneren (Wkkgz) en van suïcide (Leidraad Meldingen Jeugd 2026 Jeugdwet).
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Zie mijn antwoord op vraag 2. Er zijn mij geen gevallen bekend waarin (oud)-medewerkers en betrokkenen signalen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn direct hebben gedeeld met het ministerie, maar mijn ministerie is uiteraard bekend met eerdere incidenten, waaronder het incident in Groesbeek in 2023, waarvoor ook aandacht is geweest vanuit uw Kamer.
De inspectie ontvangt diverse «andere meldingen» en signalen van cliënten, cliëntvertegenwoordigers en anderen waaronder soms van zorgverleners. Deze «andere meldingen» gaan over diverse zaken. Over de inhoud van deze meldingen en signalen kan ik verder geen mededelingen doen.
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Pluryn heeft mij laten weten dat cliënten die nieuw in zorg komen bij Pluryn (ofwel hun verwanten en/of wettelijk vertegenwoordigers), een welkomstbrief ontvangen met een leaflet (folder) waarop belangrijke informatie over de zorg begrijpelijk en toegankelijk wordt toegelicht. Het versturen van de welkomstbrieven en leaflets gebeurt centraal, vanuit het Klantbureau van Pluryn.
Indien een cliënt wisselt van zorgverantwoordelijke eenheid (ZVE) of financieringsstroom, wordt door het Klantbureau gecontroleerd of eerder een welkomstbrief is gedeeld en of het nodig is om aanvullende informatie te delen.
In het leaflet worden twee mogelijke routes aangereikt voor het melden dan wel bespreken van situaties die niet passend of wenselijk zijn:
Ook op de website van Pluryn wordt dezelfde informatie gedeeld.
In het algemeen geldt dat bewoners (cliënten) en hun naasten onveilige situaties op meerdere plekken kunnen melden. Zij kunnen situaties intern bij de zorgaanbieder bespreekbaar maken met de betrokkenen. Ook kunnen zij een klacht indienen bij de klachtfunctionaris en bij de betrokken geschilleninstantie. Zij kunnen zich laten bijstaan door de cliëntenvertrouwenspersoon.
Zorgaanbieders moeten conform de Wkkgz een regeling treffen die ervoor zorgt dat er sprake is van een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van klachten. Conform de Jeugdwet moeten zorgaanbieders een directe toegang tot een klachtencommissie hebben. De zorgaanbieder dient dit op een passende wijze onder de aandacht van cliënten en hun vertegenwoordigers te brengen (Wkkgz en Jeugdwet). Ook kunnen bewoners en hun naasten signalen melden bij de inspectie. Zij kunnen hiervoor contact opnemen met het Landelijk Meldpunt Zorg waar zij laagdrempelig situaties kunnen melden.
In de meest recente rapporten over de jeugdzorg vanuit Pluryn is de norm rond klachtenregeling groen gescoord. Voor jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet betekent dit dat zij worden geïnformeerd over de klachtenprocedure en het is duidelijk dat er een directe lijn is ingericht richting klachtencommissie. De jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet kennen de vertrouwenspersoon van Jeugdstem en geven aan eventuele klachten met begeleiders en managers te bespreken.
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
Pluryn heeft mij laten weten dat er voor medewerkers externe vertrouwenspersonen zijn waar zij terecht kunnen. Maar het kan ook zijn dat men na een ingrijpende gebeurtenis behoefte heeft aan een vertrouwelijk gesprek. Dan kunnen medewerkers terecht bij collega’s van het Bedrijfsopvang Team (BOT). Momenteel richt Pluryn een interne vertrouwensstructuur in, om het melden van onveilige situaties voor collega’s nog laagdrempeliger en toegankelijker te organiseren. De vertrouwenspersoon draagt in eerste instantie zorg dat de melder ondersteund wordt om de eigen ervaring in de lijn te delen. Indien dit niet lukt of niet mogelijk is, kan de vertrouwenspersoon escaleren naar de raad van bestuur – in afstemming met de melder. Jaarlijks wordt door de vertrouwenspersoon een jaarverslag opgesteld met o.a. een analyse van signalen en opvallende zaken. De raad van bestuur en de directeur HR reflecteren gezamenlijk op dit jaarverslag.
Ten algemene geldt daarnaast dat medewerkers onveilige situaties bij de inspectie kunnen melden. Dit kan digitaal via de website van de inspectie. Deze meldingen worden meegenomen in het toezicht op de betreffende zorgaanbieder.
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Voor Pluryn geldt dat jaarlijks een tevredenheidsonderzoek wordt uitgevoerd onder cliënten, ouders en verzorgers. Bij volwassen cliënten wordt een (Ben ik Tevreden) BIT-vragenlijst afgenomen en bij jongeren een (Cliënttevredenheidsonderzoek) CTO-vragenlijst. Afgeleid van deze vragenlijsten, ontvangen ouders en verzorgers ook minimaal jaarlijks een tevredenheidsonderzoek-vragenlijst.
Het thema veiligheid komt terug in het leefklimaat-onderzoek, dat in de jeugdzorg wordt afgenomen. Pluryn is voornemens om het thema veiligheid ook op te nemen in de vragenlijst voor volwassenen.
De centrale cliëntenraad van Pluryn bestaat uit een goede afspiegeling van cliënten en verwanten, inclusief een jongerenafvaardiging. Elke zorgverantwoordelijke eenheid beschikt ook over een lokale cliënten- of jongerenraad en er vinden structurele overlegmomenten plaats met de directies. De cliënten- en jongerenraden geven gevraagd en ongevraagd advies over de zorg en over (voorgenomen) besluiten die het leven van cliënten en jongeren bij Pluryn raken.
Daarnaast levert Pluryn jaarlijks een Kwaliteitsbeeld op, waarin Pluryn beschrijft hoe zij werkt aan de kwaliteit van zorg, de dienstverlening en de verbeterdoelen voor de komende periode. Ook een reflectie vanuit de vertegenwoordiging van cliënten en naasten (centrale cliëntenraad) is onderdeel van het Kwaliteitsbeeld.
Ten algemene geldt dat de Wmcz 2018 de medezeggenschap van cliënten bij zorgaanbieders en jeugdhulpaanbieders regelt. In deze wet staan de regels over het moeten hebben van cliëntenraden en over het bieden van inspraak door aanbieders. Het doel van deze wet is om cliënten medezeggenschap te geven bij besluiten die hen kunnen raken, zoals bij besluiten over de kwaliteit en de veiligheid van zorg. Ook naasten van cliënten kunnen deelnemen in de cliëntenraden.
De Jeugdwet vraagt zorgaanbieders verplichte meldingen calamiteit of geweld te melden. Deze worden volgens de Leidraad Meldingen Jeugd 2026 behandeld, vaak door de zorgaanbieder de calamiteit of geweld te laten onderzoeken.
In geval van calamiteiten vraagt de inspectie conform de Wkkgz de zorgaanbieder onderzoek te doen volgens de richtlijn calamiteitenrapportage. Deze richtlijn beschrijft wat de inspectie van een zorginstelling verwacht van de calamiteitenrapportage. Ook in geval van een melding geweld in de zorgrelatie verzoekt de inspectie de zorgaanbieder om onderzoek te doen. In dat geval volgens de richtlijn rapportage geweld in de zorgrelatie. Onderdeel van deze richtlijnen is het betrekken van de cliënt en/of zijn naasten om ook hun inbreng in het onderzoek mee te nemen.
De inspectie hoort regelmatig dat zorgaanbieders cliënten en hun naasten actief betrekken bij evaluaties van kwaliteit en veiligheid van de zorg. Daarnaast zijn belangrijke manieren waarop cliënten en hun naasten betrokken kunnen worden de cliënttevredenheidsonderzoeken en de evaluatiegesprekken van de voortgang van de zorg voor de individuele cliënten evenals de zorgplanbesprekingen.
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
De inspectie houdt onafhankelijk toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg, jeugdhulp en medische producten. De inspectie controleert of zorgaanbieders voldoen aan wet- en regelgeving. Zorgaanbieders zijn zelf primair verantwoordelijk voor veilige zorg, de inspectie ziet erop toe dat zij deze verantwoordelijkheid waarmaken.
De verantwoordelijkheden van de inspectie in het toezicht omvatten de volgende kerntaken:
Voor het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp heeft de Jeugdwet twee rijksinspecties aangewezen, te weten de Inspectie Justitie en Veiligheid en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
De gemeente houdt toezicht op de zorgaanbieders vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarnaast hebben de gemeenten een toezichthoudende taak waar het gaat om onregelmatigheid voor de Jeugdwet en de Wmo. Voor de inkoop van hulpverlening van uit de Jeugdwet zijn gemeenten de aangewezen partij. Gemeenten kunnen diverse veiligheids- en kwaliteitseisen toevoegen in hun inkoopeisen.
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
De gestelde vraag suggereert een directe koppeling tussen de situatie waarin er sprake is organisatorische omstandigheden als personeelstekorten, hoog verloop, onvoldoende continuïteit van zorg en het plaatsvinden van de incidenten die in het artikel in het AD aan de orde komen. Dat deze factoren eraan kunnen bijdragen dan er incidenten plaatsvinden, deel ik met u, maar ik ben van mening dat een dergelijk oorzakelijk verband niet veralgemeniseerd kan worden.
Los daarvan zie ik wel een aantal zaken waarvan ik vind dat ze beter kunnen in de gehandicaptenzorg, en met name in de zorg voor de mensen met complexe problematiek en een intensieve zorgvraag. Ik denk dan aan het voorkomen van onnodig geëscaleerde zorgvragen, het voorkomen van overplaatsing en uitstoting van cliënten, het investeren in deskundig personeel, vaste medewerkers en vaste begeleiders op een groep, het organiseren van domeinoverstijgend aanbod voor mensen met multiproblematiek en het vergroten van de bereidheid bij zorgorganisaties om regionaal samen te werken en van elkaar te leren. Voor een overzicht van mijn inzet hierop, en die van mijn ambtsvoorgangers, verwijs ik u graag naar eerdere brieven van 3 juni 20252 en 8 april 20263 aan uw Kamer.
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Zorgaanbieders hebben de verantwoordelijkheid om kwalitatief goede en veilige zorg te leveren. Dat staat uiteraard voorop en dat deel ik met u. In de contractstandaarden voor de jeugdzorg zijn bepalingen opgenomen over de veiligheid van de zorg. Die worden meegenomen in de inkoopgesprekken van gemeenten met zorgaanbieders. Zorgkantoren doen dat ook in hun inkoopgesprekken met zorgaanbieders.
De inspectie houdt toezicht op de veiligheid van de zorg. Uit de inspectie rapporten over de incidenten bij Pluryn in de afgelopen jaren volgt niet dat financiële overwegingen de oorzaak zijn van de situaties waarin zich deze incidenten hebben voorgedaan. Daarmee is niet uit te sluiten dat financiële druk en organisatorische omstandigheden als een personeelstekort bijdragen aan dergelijke situaties. Een toereikende financiering is een randvoorwaarde voor zorgaanbieders om in staat te zijn om, met voldoende zorgverleners, passende zorg en ondersteuning voor hun cliënten te organiseren.
Op 1 juli 2026 heb ik uw Kamer daarom geïnformeerd over de groeiruimte die ik de komende jaren beschikbaar stel voor de Wlz-gehandicaptenzorg. Ik wil tempo maken om te komen tot bestuurlijke afspraken in de gehandicaptenzorg, omdat naast een financieel perspectief vooral het gebrek aan personeel begint te knellen en om noodzakelijke veranderingen vraagt. Er liggen grote opgaven in de sector, waaronder het zeker stellen van de kwaliteit van leven voor mensen met een beperking en hun naasten en het verkrijgen en behouden van deskundig personeel, met trots om in de sector te werken. Ik doe dat samen met cliëntenorganisaties, zorgprofessionals, zorgaanbieders, zorgkantoren en gemeenten. Ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheid. Gezamenlijk zetten we ons in voor een gehandicaptenzorg die toekomstbestendig is en op lange termijn toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit blijft.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Zie antwoord vraag 11.
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand onder het Europese Migratiepact |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juridische bijstand in asielzaken onder nieuwe EU-migratiepact loopt nu al mis: afspraken met asieladvocaten tijdelijk stopgezet»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen dagen een aanzienlijk aantal intakegesprekken tussen asielzoekers en hun rechtsbijstandverlener geen doorgang heeft kunnen vinden doordat uitnodigingen niet of te laat zijn verstuurd en vervoer niet was geregeld?
Het klopt dat na invoering van het Pact zowel intakegesprekken als nabesprekingen van het gehoor tijdelijk niet zijn doorgegaan. Sinds 25 juni 2026 stonden op de locaties Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar de eerste gesprekken met asieladvocaten gepland na inwerkingtreding van het EU-Migratiepact. In de periode 25 t/m 29 juni zijn daar in totaal 115 gesprekken ingepland, waarvan 85 geen doorgang vonden wegens niet-verschijnen van de asielzoeker. Dit betrof met name logistieke knelpunten: uitnodigingen die de asielzoeker niet (tijdig) bereikten en vervoer dat niet was geregeld. Op de locatie Schiphol worden in de asielgrensprocedure eveneens zaken onder het Migratiepact behandeld. Daar hebben sinds 12 juni jl. alle geplande intakes en nabesprekingen volgens planning plaatsgevonden.
Hoeveel intakegesprekken en nabesprekingen zijn sinds de inwerkingtreding van het Europese Migratiepact gepland, hoeveel daarvan zijn niet doorgegaan en wat zijn daarvan de oorzaken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Raad voor Rechtsbijstand de planning van nieuwe rechtsbijstandsgesprekken tijdelijk heeft opgeschort? Zo ja, sinds wanneer en welke gevolgen heeft dit voor de voortgang van asielprocedures? Wanneer worden de rechtsbijstandgesprekken weer hervat?
De Raad voor Rechtsbijstand heeft op 29 juni 2026 een communicatiebericht verspreid over de logistieke problemen met de planning van kennismakingsgesprekken onder alle asieladvocaten. Advocaten die stonden ingeroosterd voor gesprekken die geen doorgang vonden, zijn individueel geïnformeerd. Op 2 juli 2026 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de planning in asielprocedures weer kunnen hervatten.
Welke organisaties zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken, het organiseren van vervoer, de afstemming tussen Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Raad voor Rechtsbijstand?
Er is geen wettelijke bepaling die één partij exclusief verantwoordelijk maakt voor het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken. In de praktijk nodigt iedere betrokken instantie de asielzoeker zelf per brief uit voor de betreffende afspraak. Post voor asielzoekers wordt geleverd bij de receptie van de opvanglocatie. De asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig openen en opvolgen van deze post en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer de asielzoeker (nog) niet is toegewezen aan een opvanglocatie en daardoor moeilijk bereikbaar is voor postbezorging.
Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van openbaarvervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Deze verstrekking maakt onderdeel uit van het reguliere opvangpakket en vloeit voort uit de aan het COA toegekende taken op grond van de Wet COA.
Worden gehoren door de IND uitgesteld wanneer een asielzoeker vooraf geen daadwerkelijk gesprek met zijn of haar advocaat heeft kunnen voeren? Zo nee, hoe waarborgt u in dat geval het recht op effectieve rechtsbijstand? Zo ja, welke vertraging brengt dit in praktijk met zich mee?
In beginsel spreekt de aanvrager twee dagen voor het gehoor zijn advocaat voor een kennismakingsgesprek. Dit gesprek is niet bedoeld als inhoudelijke voorbereiding op het gehoor. De intake is bedoeld om de advocaat tijdig te kunnen koppelen aan een asielzoeker, kennis te maken en toegang te geven tot het dossier. Het uitblijven van dit gesprek staat het doorgaan van het gehoor daarmee niet in de weg. Twee dagen na het gehoor vindt de nabespreking met de advocaat plaats. Vanaf dat moment vervult de advocaat ook formeel een rol in de versnelde en niet-versnelde asielprocedure.
Deelt u de opvatting dat effectieve toegang tot rechtsbijstand een essentieel onderdeel vormt van een zorgvuldige asielprocedure en van de implementatie van het Europese Migratiepact?
Ja. Effectieve toegang tot rechtsbijstand is een essentieel onderdeel van een zorgvuldige asielprocedure. Dit is geborgd doordat gedurende de hele procedure rechtsbijstand beschikbaar is. Juridische counseling is beschikbaar vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan de koppeling met een advocaat, waarna de advocaat de juridische vertegenwoordiging overneemt.
Bestaat het risico dat besluiten die onder deze omstandigheden met problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand worden genomen door de rechter worden vernietigd vanwege onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen? Heeft u hierover juridisch advies ingewonnen?
De tijdelijke onderbreking van de planning van asielrechtsbijstand heeft enkele dagen geduurd. Inmiddels is de planning hervat. Dit heeft er niet toe geleid dat in lopende procedures besluiten zijn genomen zonder dat rechtsbijstand beschikbaar was. Gehoren zijn doorgegaan en in overleg met de advocatuur is gezorgd dat nabesprekingen, die aanvankelijk niet konden plaatsvinden, alsnog worden ingepland. De IND heeft vanwege de tijdelijke onderbreking geen besluit genomen en zal geen besluit nemen voordat de asielzoeker rechtsbijstand heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond zie ik geen reëel risico dat besluiten door de rechter worden vernietigd wegens onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen als gevolg van deze tijdelijke onderbreking.
Zijn deze uitvoeringsproblemen het gevolg van onvoldoende voorbereiding op de invoering van het migratiepact, capaciteitsproblemen, ICT-problemen, logistieke knelpunten of andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Door een achterstand bij de uitplaatsing vanuit Ter Apel naar opvanglocaties verspreid over het land moesten asielzoekers voor gesprekken met hun advocaat en voor IND gehoren naar behandellocaties in het land worden vervoerd. Dat vervoer bleek niet in alle gevallen geregeld. Daarnaast ontstonden knelpunten doordat uitnodigingen voor een gesprek met de advocaat niet tijdig op het juiste adres werden bezorgd of de asielzoeker niet bereikten. Dit werd mede veroorzaakt doordat personen niet konden uitstromen uit de Centrale Ontvangstlocatie (COL) waardoor post niet goed kon worden uitgereikt. Als gevolg hiervan konden veel gesprekken niet doorgaan. De COL is ingericht voor kortdurende opvang en niet voor langdurig verblijf. Voorzieningen voor langer verblijf, zoals een reguliere postvoorziening, waren daarom in beginsel niet beschikbaar. Dit is ondervangen door in Ter Apel een extra postkamer in te richten.
Welke acute maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand, vervoer en communicatie zo snel mogelijk weer volledig functioneren?
Om een goede overgang te borgen, zijn tijdelijke werkafspraken gemaakt tussen COA, IND en Raad voor de Rechtsbijstand over betere informatievoorziening, tijdige aanlevering van afsprakenlijsten en duidelijke afspraken over het vervoer voor asielzoekers. In Ter Apel is een extra postkamer ingericht om ervoor te zorgen dat informatie asielzoekers tijdig en correct bereikt. Volwassen asielzoekers zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van hun post, waaronder berichten over het contact met hun advocaat. Deze maatregelen gelden totdat er structurele afspraken worden gemaakt in de uitvoeringsketen. Met deze maatregelen functioneren de informatievoorziening, rechtsbijstand en het vervoer weer volgens de gemaakte werkafspraken. De uitvoering wordt wekelijks gemonitord, zodat de tijdelijke werkprocessen waar nodig kunnen worden bijgesteld. Hiermee wordt de uitvoering verder gestabiliseerd en worden risico's op vergelijkbare knelpunten zoveel mogelijk voorkomen.
Om herhaling te voorkomen worden structurele ketenafspraken voorbereid. Het COA, de IND en de Raad voor Rechtsbijstand verduidelijken verantwoordelijkheden in de uitvoeringsketen en stellen vaste procedures vast voor het tijdig verstrekken van uitnodigingen en het organiseren van vervoer naar afspraken met de IND en de rechtsbijstandverlener. Daarnaast wordt de informatievoorziening verder verbeterd.
Welke structurele maatregelen neemt u om te voorkomen dat vergelijkbare uitvoeringsproblemen zich opnieuw voordoen tijdens de verdere implementatie van het Europese Migratiepact?
Zie antwoord vraag 10.
De uitspraak dat het islamitische geloof “het minst tolerant” zou zijn |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om, naar aanleiding van een onderzoek naar lhbtiq+-opvattingen onder jongeren, te stellen dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn in vergelijking met het christendom en andere geloofsovertuigingen?
Ik sta pal voor vrijheid en gelijkwaardigheid als fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. Deze waarden zijn niet onderhandelbaar. In Nederland moet iedereen in vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn, ongeacht godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of welke grond dan ook.
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam1 stond op de convocatie van het Commissiedebat Emancipatie van 25 juni jongstleden. Tijdens dit debat vond een discussie plaats tussen de leden van de commissie. Hierbij vroegen de leden om een toelichting over acceptatie in relatie tot religie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt. Het onderzoek meldt dat religieuze jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen hebben dan niet-religieuze jongeren. Onder religieuze jongeren hebben islamitische jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen dan christelijke en andersgelovige jongeren (p. 45–46 van het rapport).
Klopt het dat het onderzoek geen oordeel geeft over de tolerantie van religies, maar uitsluitend ziet op opvattingen van jongeren over lhbtiq+-personen? Zo ja, waarop baseerde u dan uw uitspraak dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn?
Het onderzoek brengt in kaart welke factoren correleren met de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Uit het onderzoek blijkt dat met name de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg een rol spelen bij de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Zie het antwoord op vraag 1.
Heeft u deze uitspraak gedaan namens het kabinet, onder het beginsel van eenheid van kabinetsbeleid, of betrof dit uw persoonlijke opvatting?
Zie de antwoorden op vragen 1 en 2. In de kabinetsreactie op het onderzoek
Indien dit kabinetsbeleid betreft: kan het kabinet bevestigen dat het islamitische geloof volgens het kabinet «het minst tolerant» is? Indien dit niet het geval is, waarom heeft u deze uitspraak dan gedaan als bewindspersoon?
Zie de antwoorden op vragen 1, 2 en 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen een algemene kwalificatie te geven van «het islamitische geloof», terwijl het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op opvattingen van respondenten die zichzelf als moslim identificeren?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongerenwas onderwerp van gesprek in het Commissiedebat Emancipatie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt als het gaat om religie en verschillen tussen religies.
Zie ook het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat uw uitspraak een algemene kwalificatie van het islamitische geloof inhoudt, terwijl de onderzoekers zelf geen conclusies trekken over religies, maar uitsluitend rapporteren over opvattingen van een onderzochte groep jongeren? Erkent u daarmee dat u met uw algemene duiding verder bent gegaan dan de onderzoekers zelf verantwoorden?
Mijn uitspraken komen voort uit eerdergenoemd onderzoek en zijn gedaan in het Commissiedebat Emancipatie dat ging over de mogelijke zorgen met betrekking tot afnemende lhbtiq+-acceptatie onder jongeren.
Heeft u vooraf kennisgenomen van de methodologische kanttekeningen van de onderzoekers, waarin zij waarschuwen dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd? Zo ja, waarom heeft u die waarschuwingen niet betrokken bij uw publieke duiding?
Ja. In het verlengde daarvan zijn aanvullende onderzoeken en inzichten nodig om beter te begrijpen hoe het complex van factoren met betrekking tot lhbtiq+-acceptatie werkt en daar beleid op te maken voor het verbeteren van de vrijheid en gelijkwaardigheid van lhbtiq+ personen. In 2027 wordt aanvullend onderzoek gepubliceerd dat onder andere nader inzicht moet geven in de invloed van (verschillende vormen van) religieus conservatisme. Op basis van die resultaten weeg ik af welk aanvullend onderzoek en toezicht nodig is.
Bent u bereid uw woorden in te trekken en excuses aan te bieden aan de moslimgemeenschap in Nederland?
Ik ga graag in gesprek met de moslimgemeenschap over lhbtiq+-acceptatie in het algemeen en de vrijheid en gelijkwaardigheid van islamitische lhbtiq+ jongeren in het bijzonder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?