De fraudejacht bij de inkomstenbelasting |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Sinds wanneer bent u bekend met de code 1043 in relatie tot fraudebestrijding bij de inkomstenbelasting?1 2
Eind april heb ik, mede naar aanleiding van vragen van uw Kamer, uitleg gevraagd over de projectcode 1043. Op 4 mei jl. heb ik een notitie ontvangen met een toelichting. Op basis van deze toelichting was de indruk dat heel goed uitgezocht moet worden wat het gebruik van deze term inhoudt en dat dit nog onvoldoende duidelijk was. In de brief van 10 juli jl.3 is aangegeven dat meer onderzoek gedaan moet worden naar de werking van projectcode 1043 en de gevolgen die het heeft voor belastingplichtigen.
Sinds wanneer bent u bekend met de werking van Combiteam Aanpak Facilitators (CAF)-onderzoeken buiten Toeslagen die mogelijk vooringenomen zijn?
Mij is geen informatie bekend dat hiervan (mogelijk) sprake is. Sinds mijn aantreden als Staatssecretaris ben ik uiteraard bekend met het feit dat het Combiteam Aanpak Facilitators ook onderzoek heeft gedaan buiten Toeslagen.
Hoeveel mensen staan op de uitworplijst 1043?
Allereerst dient opgemerkt te worden dat geen sprake is van een uitworplijst, maar een projectcode voor het toezicht op aangiftes met een verhoogd risico op systeemfraude.
Vanaf het begin van het project 1043 in 2010 zijn de aangiften van circa 158.000 belastingplichtigen beoordeeld op een mogelijk risico op systeemfraude.
Kunt u aangeven hoe mensen op de uitworplijst kwamen en hoe zij geïnformeerd werden over de reden van controle van hun aangifte?
Een ingediende aangifte inkomstenbelasting wordt bij binnenkomst aan de «Poort» -een afdeling van de Belastingdienst in Heerlen- door analisten geanalyseerd. Deze analyse vindt plaats aan de hand van verschillende query’s. Uit deze zogenaamde «detectie aan de poort» kan volgen dat de analisten van mening zijn dat op basis van de uitgevoerde analyse een verhoogd risico op systeemfraude aanwezig is. Wanneer de analisten van mening zijn dat sprake is van een verhoogd risico op systeemfraude hebben zij de mogelijkheid tot het opvoeren van twee soorten Aanslagbelastingensysteemklantinformatie-codes (hierna AKI): AKI 1043 en AKI 1044.
De AKI 1043 staat voor aangiften van belastingplichtigen waarbij sprake is van een risicovolle aangifte van een individuele belastingplichtige dan wel van een belastingplichtige wiens risicovolle aangifte door tussenkomst van een facilitator is gedaan. De AKI 1044 staat voor aangiften van belastingplichtigen waarvan de fiscaal dienstverlener of facilitator in een strafrechtelijk onderzoek is betrokken. Door het opnemen van AKI’s worden de aangiften vervolgens herkend door de selectiemodule en via uitworp gewenst voor behandeling verder geleid naar een Intensief Toezicht Team binnen de directie Particulieren.
Naast het opvoeren van (nieuwe) AKI’s hebben de analisten ook de mogelijkheid om een bestaande AKI te verwijderen, als de binnengekomen aangifte geen risico’s bevat die intensief toezicht opnieuw noodzakelijk maken. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als bij de beoordeling van de vorige aangifte van de betreffende belastingplichtige gebleken is deze geen verhoogd risico op systeemfraude bevatten.
Naast het opvoeren van AKI 1043 bij binnenkomst van de aangifte bij de «Poort» kan een AKI 1043 ook worden opgevoerd door een behandelaar als sprake is van een handmatige behandeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een behandelaar uit een regulier toezichtteam een aangifte ter beoordeling van een reguliere uitworpreden (dus niet AKI 1043 of 1044) krijgt aangeboden, maar die naar zijn professionele oordeel kenmerken bevat die kunnen wijzen op systeemfraude. Het Intensief Toezicht Team neemt dan de behandeling over van deze behandelaar van het reguliere team.
Wanneer een aangifte wordt behandeld beoordeelt de inspecteur of de aangifte juist is. Hierbij maakt de inspecteur gebruik van alle informatie die hij tot zijn beschikking heeft. Indien nodig kan de inspecteur ervoor kiezen om een vragenbrief te sturen naar de belastingplichtige om aanvullende (originele) stukken aan te leveren, die van belang kunnen zijn voor de beoordeling door de inspecteur.
Indien de inspecteur na beoordeling van de aangifte tot de conclusie komt dat deze onjuist is, wordt de belastingplichtige schriftelijk in kennis gesteld van het voornemen om van de aangifte af te wijken. In deze brief staat opgenomen met betrekking tot welk onderwerp de aangifte (naar de mening van de inspecteur) onjuist is. In deze brief wordt de belastingplichtige in staat gesteld om aanvullende (originele) stukken aan te leveren die nog van belang kunnen zijn.
Klopt het dat mensen jaar na jaar te maken konden krijgen met controle? In hoeverre is dit proportioneel geweest?
De aan de Poort opgevoerde AKI’s blijven geldig voor de vijf belastingjaren volgend op het belastingjaar waarin de AKI werd opgevoerd. Hierdoor kan in de volgende jaren gemonitord worden of behandeling door het Intensief Toezichtteam nodig is. Als de aangifte voor het eerste jaar na de opvoering van de AKI binnenkomt, ziet de Poort de resultaten van de beoordeling van het voorgaande jaar. Die beoordeling is een zwaarwegende factor bij het bepalen van het gewenste toezicht voor het nieuwe jaar. Als de aangifte voor het nieuwe jaar geen risico’s bevat die behandeling door het Intensief Toezicht-team vereisen, dan deblokkeert de Poort de AKI. Dit gebeurt met terugwerkende kracht door de einddatum te zetten op het voorafgaande jaar. Dus vanaf het onderliggende jaar zit de AKI niet meer op de aangifte.
Indien een belastingplichtige persisteert in het in aftrek brengen van bedragen die (gedeeltelijk) niet aftrekbaar zijn, zal de AKI-code 1043 niet worden verwijderd en worden de aangiften van belastingplichtige over latere belastingjaren ook uitgeworpen. Voor de beoordeling van de AKI 1043 wordt de belastingplichtige vervolgens op de reguliere manier gevraagd om de opgevoerde aftrekpost te onderbouwen middels (originele) bescheiden en betalingsbewijzen.
Ondanks deze deblokkering kan het voorkomen dat in latere belastingjaren, na analyse aan de poort, de aangiften van belastingplichtigen een nieuwe AKI 1043 of AKI 1044 rechtvaardigen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor in de situatie dat de analisten in latere belastingjaren aan de poort opnieuw aanleiding hebben voor een vermoeden van systeemfraude. In dat geval krijgt een aangifte waarvan de AKI 1043 was verwijderd, over een volgend belastingjaar opnieuw een AKI 1043 of een AKI 1044.
Hoe de deblokkering in de praktijk werkte en hoe het zou moeten werken wordt meegenomen in het eerdergenoemde vervolgonderzoek naar de waarborgen voor projectcode 1043. Als er signalen zijn dat de deblokkeringsprocedure niet altijd juist is toegepast, dan zullen deze nader onderzocht worden. Op dit moment zijn deze signalen ons niet bekend.
Welke andere uitworplijsten zijn er die werking hebben als ware het een zwarte lijst?
Zoals tevens aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Omtzigt4 is er geen duidelijke (juridische) definitie, ook niet in de AVG, wat een zwarte lijst is. Dat laat onverlet dat de Belastingdienst de processen zorgvuldig en conform en wet- en regelgeving, zoals de AVG, moet uitvoeren. Dit betekent dat burgers niet onterechte gevolgen zouden mogen ondervinden van toezicht- en handhavingsprocessen.
Ten aanzien van de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV) heeft KPMG geconcludeerd5 dat er onvoldoende waarborgen waren om aan de zes kernbeginselen van de AVG te voldoen. Hierdoor is de behandeling van burgers niet in alle gevallen voldoende zorgvuldig geweest en is in een aantal gevallen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van burgers, bijvoorbeeld doordat signalen te lang zijn bewaard en mogelijk verder verwerkt zijn buiten FSV om. Het KPMG-rapport concludeert dat er binnen de in het rapport beschreven context, geen primaire processen of toezichtprocessen zijn gevonden die in dezelfde mate risicosignalen verwerken, of die een sterke gelijkenis met FSV vertonen. Het rapport bevat een overzicht van in meer of mindere mate vergelijkbare toezichtprocessen.
Om nog beter in beeld te krijgen welke lijsten en applicaties er zijn en waarvoor ze precies gebruikt worden, heb ik besloten om een grondige, dienstbrede analyse uit te voeren waarbij het gehele applicatie- en gegevenslandschap wordt doorlopen.
Totdat het onderzoek is afgerond, zorgen wij voor extra waarborgen rondom de toezichtprocessen (o.m. meerogenprincipes). We zorgen ook voor extra waarborgen ten aanzien van de criteria op basis waarvan aangiften worden geselecteerd voor behandeling, de rechtsstatelijkheid van de beoordeling, de mogelijkheid van belastingplichtigen om in bezwaar en beroep te gaan als zij het niet eens zijn met het oordeel en het tijdig verwijderen van onterecht gebleken vermeldingen van gegevens. We laten uw Kamer voor het AO Belastingdienst weten hoe we dat precies gaan inrichten.
Specifiek voor 1043 geldt dat we de komende periode geen AKI-codes 1043 en 1044 aan aangiften koppelen en de beoordeling van uitgeworpen aangiften in het kader van de AKI-codes 1043 en 1044 extra laten toetsen door fiscaal-rechtelijke vakspecialisten. Deze periode stopt zodra helder is welke waarborgen getroffen zijn die de rechtstatelijke toekenning van deze AKI’s garanderen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de brief van 12 oktober jl. «Onderzoek naar projectcode 1043 en beantwoording Kamervragen» waaraan deze beantwoording is bijgevoegd.
Is er intern aan de bel getrokken over uitworplijsten die de werking van een zwarte lijst hebben?
Er zijn mij geen signalen bekend dat er intern aan de bel is getrokken over problemen omtrent dergelijke lijsten. Wel is de Belastingdienst begonnen aan een uitgebreide inventarisatie van de gebruikte lijsten en applicaties en hun werking. De resultaten van deze zoekactie zullen zorgvuldig geanalyseerd worden. Ten behoeve van dit onderzoek worden oude gegevens bewaard.
Uw Kamer heeft daarnaast een specifiek verzoek gedaan om te stoppen met schonen. Zoals aangegeven begrijpen wij dit verzoek. Eerder hebben wij aangegeven dat de lopende vernietigingsactiviteiten door Doc-Direkt voor wat betreft toeslagendossiers zijn stopgezet en dat de dossiers die voor vernietiging in aanmerking zouden komen apart zijn opgeslagen. Ook is, ten aanzien van Toeslagen, besloten om managementverslagen, mails en overige zaakgebonden informatie tot nader order niet te vernietigen.
Wij willen dit ook gaan doen ten aanzien van de omgang met risico-selectie en fraudesignalen. Wij zullen de niet-gestructureerde informatie, zoals mails en afdelingsschijven, bewaren voor verder onderzoek. Uiteraard worden de juiste juridische en technische waarborgen hierbij in acht genomen. Voor de ondersteunende systemen ten behoeve van de handhaving- en toezichtprocessen onderzoeken we hoe we kunnen waarborgen dat de informatie uit deze systemen beschikbaar blijft voor verder onderzoek.
Kunt u de gespreksinstructies van de BelastingTelefoon om mensen te woord te staan die onderwerp waren van fraudeonderzoeken, van CAF, zowel binnen Toeslagen als daarbuiten, als ook van uitworplijsten als 1043, naar de Kamer sturen?
Ja, deze instructies zijn als bijlage6 meegestuurd. De belastingtelefoonmedewerkers gebruiken voor het verstrekken van informatie aan belastingplichtigen (burgers en bedrijven) dialoogondersteuningen en kunnen daarnaast een aantal informatiesystemen raadplegen. De basislijn is dat belastingtelefoonmedewerkers alleen informatie verstrekken aan belastingplichtigen waarover belastingplichtigen zelf ook (kunnen) beschikken. De Belastingtelefoon heeft nadere instructies voor het informeren van de belastingplichtige bij project 1043 en 1044. In deze instructies is over project 1044 opgenomen dat sprake is van georganiseerde fraude. Dit is fout, aangezien projectcode 1044 ziet op «Steekproef Ondernemingen» en niet ziet op systeemfraude. Dit heeft daarom mogelijk tot een verkeerd beeld geleid bij de behandelend medewerker van de BelastingTelefoon. We betreuren dit. De instructies worden op dit punt verbeterd en geactualiseerd. Daarnaast staat in de dialoogondersteuning op enkele plekken project 1043/1044 waar AKI-code 1043/1044 wordt bedoeld (zie bijlage »Criteria niet opstarten AVA-proces aangifte IB en bijlage »DO 1043/1044). Ook deze instructie wordt verbeterd.
Kunt u de handboeken voor de zogeheten AKI's naar de Kamer sturen?
Ja, de Handleiding ABS Beheertaken is als bijlage7 meegestuurd.
Welke methoden gebruikt de Belastingdienst in zijn wens fraude aan te tonen? Is dit enkel boekencontrole en het uitvragen van gegevens, of zijn er ook andere methoden, zoals het plaatsen van spyware in computers van bijvoorbeeld mensen die veel aangiften doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Belastingdienst plaatst geen spyware in computers van mensen.
Voor het opsporen van systeemfraude hanteert de Belastingdienst verschillende methoden. Dit gebeurt met name middels de hiervoor beschreven controles bij binnenkomst van de aangifte aan de «Poort», door middel van reguliere risicoselectie, door de aanpak van facilitators door het CAF (Combiteam Aanpak Facilitators) en de samenwerking met externe (overheids)organisaties.
Zoals ook genoemd in de brief van 10 juli jl.8 is het werk van het CAF-team per 3 juli jl. opgeschort.
Door middel van controles bij binnenkomst van de aangifte aan de «Poort» kunnen vroegtijdig aan de hand van diverse soorten gegevens en contra-informatie onjuiste uitbetalingen van gelden worden voorkomen.
Voor uitgeworpen aangiften die worden geselecteerd voor een inhoudelijke beoordeling, geldt dat aanvullende bewijsstukken en gegevens kunnen worden opgevraagd. Indien stukken worden opgevraagd, wordt de aangifte na ontvangst van de gevraagde bewijsstukken beoordeeld op fiscale juistheid aan de hand van alle relevante gegevens (waaronder de overgelegde bewijsstukken). In geval van afwijking van de ingediende aangifte wordt belastingplichtige in kennis gesteld van (het voornemen tot) afwijking. Een eventuele reactie wordt beoordeeld en uiteindelijk leidt dit tot vaststelling van de aanslag. Deze definitieve aanslag is achtereenvolgens vatbaar voor bezwaar en beroep.
De samenwerking met andere overheidsorganisaties en private partijen, zoals banken, de Financial Intelligence Unit (FIU) en het Anti Money Laundering Centre (AMLC), is bedoeld om fraude te bestrijden, de compliance te verhogen, eventueel witwassen te bestrijden en ervaring op te doen met publiek-private informatiedeling en samenwerking.
Het bericht ‘Gemeentepolis verdwijnt langzaam. Wat is er aan de hand?’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gemeentepolis verdwijnt langzaam. Wat is er aan de hand?»1?
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Herinnert u zich de eerdere Kamervragen die over dit onderwerp zijn gesteld op 20 augustus 2018, 18 juli 2019 en op 19 augustus 2019?2, 3 en 4
Ja, ik herinner me deze Kamervragen.
Zou u zich, anders dan in de antwoorden op die vragen, deze keer wel sterk willen maken voor gemeenten die hun inwoners met een laag inkomen een passende ziektekostenpolis willen aanbieden en op die wijze ook voor de desbetreffende inwoners?
De gemeentepolis is één van de instrumenten die gemeenten kunnen inzetten om bijvoorbeeld afspraken te maken over armoede, schulden en het tegengaan van ongewenste zorgmijding. Het is echter niet per definitie de beste oplossing. Zo is de gemeentepolis niet voor iedere verzekerde de meest voordelige en de meest passende polis. Dit hangt af van de zorgbehoefte van de verzekerde, de afspraken die gemaakt worden in de gemeentepolis en van de premie en de gemeentelijke bijdrage. Gemeenten hebben ook andere opties om hun burgers te ondersteunen, zoals het aanbieden van keuzehulpen. Een voorbeeld hiervan is de VoorzieningenWijzer. Dit initiatief helpt verzekerden bij het vinden van de juiste zorgpolis en bij het benutten van andere voorzieningen, zoals de zorgtoeslag en indien relevant de bijzondere bijstand.
Verder zijn er andere vindplaatsen om armoede en schulden te signaleren. Binnen de brede schuldenaanpak wordt er gewerkt aan vroegsignalering. Op basis van de gewijzigde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening mogen gemeenten met ingang van 1 januari 2021 gegevens ontvangen van zorgverzekeraars, woningcorporaties en nutsbedrijven over beginnende betalingsachterstanden (zonder toestemming van de burger). Ook gebruiken gemeenten de lijst wanbetalers zorgpremie van het CAK als vindplaats voor schuldenproblematiek. Gemeenten kunnen op basis van deze gegevens actie ondernemen.
Momenteel lopen er verschillende relevante onderzoeken. Zo vindt er onderzoek plaats naar de effectiviteit van de maatregelen die gemeenten en zorgverzekeraars in kunnen zetten om ongewenste zorgmijding vanwege financiële redenen onder kwetsbare groepen tegen te gaan. Daarnaast loopt er een onderzoek naar relevante feiten rondom de gemeentepolis, zoals de ontwikkelingen in de afgelopen jaren in het aanbod, de premies en de dekkingen van deze polis. Beide onderzoeken verwacht ik dit najaar naar uw Kamer te kunnen sturen.
Bent u het eens met de stelling dat een collectieve gemeentepolis het makkelijker maakt om goede afspraken te maken over het signaleren van armoede en schulden?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u er zicht op in hoeverre na het schrappen van een collectieve gemeentepolis vaker sprake is van bijvoorbeeld zorgmijding of het ontstaan van financiële problemen van mensen met een laag inkomen? Bent u bereid daarnaar, bijvoorbeeld in overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), onderzoek te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het ook vreemd en niet te rechtvaardigen dat een zorgverzekeraar niet geïnteresseerd is in een collectieve zorgverzekering voor mensen met een kleine portemonnee, omdat die «buiten het kerngebied» van de desbetreffende verzekeraar zouden vallen, maar die verzekeraar blijkbaar tegelijkertijd wel zo’n collectieve verzekering wil afsluiten voor ambtenaren in datzelfde gebied (met vermoedelijk veel lagere zorgkosten)? Wilt u daarover met zorgverzekeraars in gesprek gaan?
Er zijn verschillende redenen waarom enkele verzekeraars zich terug trekken uit gemeenten. Eén van de redenen is dat de samenwerking tussen de verzekeraar, gemeenten, aanbieders en bijvoorbeeld zorgkantoor moelijker tot stand komt buiten het kernwerkgebied van de verzekeraar. Het is primair een verantwoordelijkheid van gemeenten en verzekeraars zelf om samenwerking voor specifieke doelgroepen vorm te geven. Ik heb gemeenten meerdere keren opgeroepen kritisch te kijken naar de invulling van de gemeentepolis, de effectiviteit en eventuele alternatieven. We zien vaker dat gemeenten kosten – die voorheen via de bijzondere bijstand werden vergoed – laten lopen via de gemeentelijke collectiviteiten, bijvoorbeeld de kosten voor een bril, een compensatie voor het eigen risico. Dat maakt dat de rekening ook voor zorgverzekeraars steeds hoger wordt. Het is aan gemeenten en zorgverzekeraars om desgewenst tot een collectieve zorgpolis te komen. Het afsluiten van een collectieve zorgpolis voor gemeenten is geen doel op zich.
Waarom heeft u niet gereageerd op de in het artikel aangehaalde brandbrief van de gemeente Heerde en bent u bijvoorbeeld niet met desbetreffende gemeente in gesprek gegaan? Bent u daartoe alsnog bereid?
Op 29 januari 2020 hebben toenmalig Minister Bruins en ikzelf, destijds als Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op de brandbrief van de gemeente Heerde gereageerd. In deze reactie heb ik dezelfde overwegingen als in bovenstaande beantwoording weergegeven.
De column ‘Er is een klimaat dat het voor agressieve horken eenvoudig maakt om anderen het leven zuur te maken’ |
|
Chris van Dam (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de column van Özcan Akyol met de titel «Er is een klimaat dat het voor agressieve horken eenvoudig maakt om anderen het leven zuur te maken»?1
Ja.
Deelt u de mening van de columnist en de vragensteller dat «zolderkamerpsychopaten» moeten leren inzien dat ze niet straffeloos vanuit een bureaustoel alles en iedereen met de dood kunnen bedreigen en dat het maar zeer de vraag is of dat strafdoel wordt bereikt wanneer een ernstige bedreiger er met een lichte taakstraf mee wegkomt?
Dergelijke bedreigingen zijn onaanvaardbaar. Of er in een bepaald geval aanleiding is om een straf op te leggen en zo ja, welke, wordt bepaald door de officier van justitie of door de rechter.
Vindt u een taakstraf in zijn algemeenheid passend bij ernstige bedreiging met geweld en/of de dood?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de columnist en de vragensteller dat ons rechtssysteem in de praktijk nog steeds onderscheid maakt tussen fysieke en digitale misdrijven en dat het de vraag is of een dergelijk onderscheid (nog) terecht is?
De strafvorderingsrichtlijn Bedreiging van het Openbaar Ministerie geeft een opbouw van zwaarte van de bedreigingen met oplopende strafrichtlijnen.
De LOVS-oriëntatiepunten voor de rechtspraak zijn op vergelijkbare wijze opgebouwd.
Het klopt dat bij een mondelinge bedreiging een lagere geldboete als uitgangspunt geldt dan bij een schriftelijke bedreiging, mits de bedreiger geen wapen bij zich heeft om daadwerkelijk de daad bij het woord te voegen. De reden hierachter is dat een mondelinge bedreiging in een opwelling kan worden geuit, terwijl een bedreiger die diens dreigement schriftelijk uit, doorgaans enige bedenktijd heeft gehad om van diens voornemen tot bedreiging af te zien. Dit neem niet weg dat de officier van justitie bij het bepalen van de strafmaat (bij zelfstandige afdoening door het OM) of de strafeis in iedere individuele zaak rekening zal houden met de ernst van de bedreiging(en) en met eventuele andere strafverzwarende omstandigheden, zoals bedreiging van kwetsbare slachtoffers, discriminatoire aspecten of grote maatschappelijke impact.
Klopt het dat bedreiging langs digitale weg door het openbaar ministerie (OM) en door de Rechtspraak anders wordt gewogen dan fysieke bedreiging? Klopt het dat, kijkend naar de Richtlijn strafvordering bedreiging (2019R005) op het schriftelijk (waaronder per internet) bedreigen in de ogen van het OM een zwaardere straf zou moeten staan dan op mondeling bedreigen? Is het in de praktijk ook zo dat de strafeis van schriftelijke bedreiging doorgaans hoger is dat die van mondelinge bedreiging? Zou u hier onderzoek naar willen laten uitvoeren?
Zie antwoord vraag 4.
Is het feit dat een slachtoffer een journalist is in de praktijk ook een factor van betekenis? (gelet op de Richtlijn voor strafvordering bedreiging, 2019R005)? Zo niet, waarom niet?
Bedreiging tegen journalisten kan, conform de afspraken die hierover gemaakt zijn in het Protocol PersVeilig tussen de politie, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse Vereniging van Journalisten en het Genootschap van Hoofdredacteuren, aanleiding geven de straf(eis) te verhogen.
Het bericht ‘Hoe een Haagse moskee een ‘verzamelplaats voor jihadisten’ werd |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een Haagse moskee een «verzamelplaats voor jihadisten» werd»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
In hoeveel gevallen zijn potentiële uitreizigers/jihadisten gederadicaliseerd door de aanpak van de gemeente Den Haag en op basis van welk wetenschappelijk bewijs was dat?
In de voortgangsrapportage (RIS305025) van de aanpak radicalisering van de gemeente Den Haag wordt het aantal personen in de persoonsgerichte aanpak CTER en de werkwijze hierin beschreven. Wetenschappelijk onderzoek (Douglas e.a. 2019) laat zien dat de integrale persoonsgerichte aanpak een doelgerichte, breed gedragen en duurzame bijdrage kan leveren aan de preventie en aanpak van radicalisering.
Zoals eerder aan de Kamer gecommuniceerd, is en blijft het lastig om vast te stellen hoeveel personen daadwerkelijk zijn gederadicaliseerd. Betrokkenheid van de verschillende partners en monitoring is daarom van belang. Binnen detentie worden gemeenten reeds betrokken bij het opstellen van een re-integratieplan waarin wordt ingezet op deradicalisering. Dit wordt vormgegeven binnen een Multidisciplinair Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) waar de betrokken gemeente en Reclassering vaste partners zijn. Na detentie wordt de betrokkene vanuit het lokale casusoverleg onder regie van de gemeente met diverse zorg- en veiligheidspartners gemonitord en het re-integratieplan verder vormgegeven.
Verder is de inzet van zowel het gespecialiseerde team Terrorisme, Extremisme en Radicalisering (TER-team) van de reclassering als van het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) in 2018 positief geëvalueerd. Met verschillende partners wordt geïnvesteerd in het doorontwikkelen en inzicht krijgen in de effectiviteit van interventies gericht op deradicalisering. Zo ontstaat steeds meer zicht op welke interventies en begeleiding bijdragen aan disengagement, deradicalisering en re-integratie. Ook gemeenten worden gestimuleerd meer zicht te krijgen op de effectiviteit en werkzame elementen van interventies. Zo kunnen gemeenten Versterkingsgelden aanvragen voor het (laten) uitvoeren van evaluatie van lokale interventies en is de Toolkit Evidence Based Werken ontwikkeld om gemeenten concreet te ondersteunen in de verschillende manieren waarop dergelijke evaluaties zijn uit te voeren.
Hoe kan het dat u een nooit geëvalueerde aanpak als een succes beschouwt?
De Persoonsgerichte Aanpak (PGA) is en wordt op verschillende manieren geëvalueerd. In 2019 is er een evaluatie in Arnhem afgerond en een aantal gemeenten onderzoekt momenteel vanuit het ondersteuningsaanbod van het Rijk, wat de werkzame elementen binnen hun PGA zijn. Tot slot loopt er thans een landelijke evaluatie van de CT-strategie waar de PGA onderdeel van uitmaakt.
Waarom is dit broeinest van jihadisten nog steeds open en bent u bereid deze moskee per direct te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Het artikel gaat niet over de huidige werkwijze, noch over recente gebeurtenissen. Er is daarom geen aanleiding noch noodzaak om deze moskee te sluiten.
Hoeveel radicalen en terroristen konden op deze manier met behulp van gemeente en de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) doorgaan met hun werving van andere radicalen en (potentiële) terroristen en het verkondigen van hun boodschap in en rond de moskee?
Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Laat ik duidelijk zijn dat er een rol voor de overheid ligt wanneer personen anderen uitnodigen die radicaal gedachtengoed uitdragen of zelfs de gewelddadige jihad aanhangen of promoten, óf wanneer zij hun verantwoordelijkheid niet nemen om bezoekers van hun moskee te beschermen tegen radicaal gedachtegoed.
Verschillende partijen hebben daarbij verschillende verantwoordelijkheden om te zorgen dat werving van personen met een radicaal gedachtegoed rondom bijvoorbeeld moskeeën niet wordt toegelaten. Binnen dat kader zijn het Ministerie van SZW en Justitie en Veiligheid (waaronder de NCTV) betrokken bij het weren van extremistische sprekers en het in algemene zin vergroten van de informatiepositie en het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk én het versterken van weerbaarheid van gemeenschappen en de bredere samenleving. Het kabinet heeft hiervoor de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering ingericht zoals is toegelicht in de Kamerbrief van 11 februari 2019.2
Verder hebben gemeenten als bevoegd gezag voor openbare orde en veiligheid een cruciale rol in het tegengaan van radicalisering en het reduceren van dreiging die uit kan gaan van extremistische personen.
Wie waren dat allemaal?
Zie antwoord vraag 5.
Hebben betrokkenen spijt van de aanpak en zijn zij bereid de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen?
Het beeld dat wordt geschetst in het artikel geeft inzicht in met name de eerste fase van de persoonsgerichte aanpak waar gezocht werd naar een effectieve werkwijze om jongeren te kunnen weerhouden van radicalisering en uitreizen naar Jihadistisch strijdgebied. De overheid doet er, binnen de grenzen van onze rechtstaat, alles aan om de jihadistische dreiging tegen te gaan. Op 18 april 2019 is een rapportage naar uw Kamer verstuurd, waarin de inzet in het kader van de integrale aanpak van terrorisme en extremisme sinds eind 2017 tot april 2019 werd gepresenteerd.3 De mix van zowel preventieve als meer repressieve maatregelen die de aanpak biedt, geeft het kabinet de mogelijkheid om indien nodig de inzet bij te stellen op basis van actuele ontwikkelingen.
In hoeverre heeft deze casus, inclusief het misbruik dat betrokkenen hebben gemaakt van alle knullige fouten aan de kant van de overheid, u tot het inzicht gebracht dat de islam een parallelle samenleving heeft gecreëerd waarin de islamitische belangen voorop staan?
Ik deel dit beeld met betrekking tot deze casus niet.
Bent u bereid administratieve detentie in te voeren en te stellen boven deze knullige aanpak waarbij Nederland in de maling wordt genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet bereid om administratieve detentie in te voeren.
Administratieve detentie, als een vorm van preventieve detentie, is niet één van de in artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) genoemde gevallen waarin vrijheidsontneming mogelijk is. Het preventief opsluiten van personen past dan ook niet in onze rechtsstaat.
Geweldsaanwending door de politie |
|
Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wordt er bij de registratie van geweldsaanwending door de politie, zoals toegelicht in uw brief «Cijfers geweldsaanwending politie 2019», onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van fysiek geweld?1
In 2019 is een nieuwe registratiewijze ingevoerd, vooruitlopend op de per 1 juli jl. van kracht geworden Ambtsinstructie eerste tranche. Op basis hiervan worden het gebruik van fysiek geweld en geweldsmiddelen geregistreerd, waaronder pepperspray en wapenstok. Binnen de categorie fysiek geweld wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van fysiek geweld.
Is het mogelijk om vormen van fysiek geweld verder uit te splitsen op basis van de meldingsformulieren geweldsaanwending, zoals ook is gedaan in het onderzoek «Met gepast geweld»? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoe de aantallen toepassing van fysiek geweld door de politie in 2019 zijn opgesplitst? Zo nee, waarom niet?2
Nee, deze informatie kan niet automatisch uit de politiesystemen worden gegenereerd. In het genoemde onderzoek is een erg arbeidsintensieve, handmatige zoekslag gemaakt.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak de politie de nekklem als geweldsmiddel heeft ingezet in 2019? Kunt u tevens inzichtelijk maken hoe vaak daarbij sprake was van een verwurgingstechniek?
Het begrip «nekklem» heeft betrekking op verschillende soorten technieken met een verschillend doel, die kunnen worden gebruikt om iemand fysiek in zijn vrijheid van handelen te beperken. Daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de (hoofd)controletechniek en anderzijds de verwurgingstechniek. Door het hoofd te omklemmen kan de persoon gestuurd worden. Daarnaast kan de «nekklem» afhankelijk van de stand van de arm en de uitgeoefende kracht op de nek, als verwurgingstechniek worden gebruikt. Gelet op de risico’s wordt de verwurgingstechniek niet tijdens de politieopleiding aangeleerd.3 De (hoofd)controletechniek maakt wel deel uit van de politieopleiding en wordt inderdaad, toegepast in situaties waarin mensen zich hevig verzetten. Verwurging is daarbij nooit het doel, de techniek is gericht op controle. Tijdens de training worden politieambtenaren actief bewust gemaakt van het risico dat bij het toepassen van de (hoofd)controletechniek toch onbedoeld sprake is van verwurging. Die training zorgt ervoor dat de politieambtenaar in staat is om deze techniek toe te passen zonder dat deze uitmondt in een verwurging. Uit te sluiten is dit echter niet, bijvoorbeeld wanneer het verzet zo hevig is dat de situatie uitmondt in noodweer zijdens de politieambtenaar. Het gebruik van de «nekklem» als verwurgingstechniek dient evenwel beperkt te blijven tot die gevallen waarin er geen, minder risicovol, alternatief voorhanden is.
Omdat de fysieke geweldtechnieken niet apart worden geregistreerd – ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 – zijn er geen betrouwbare cijfers te geven over de toepassing van controle of verwurgingstechnieken.
Klopt het dat de nekklem is bedoeld voor situaties waarin mensen zich hevig tegen de politie verzetten en moeilijk onder controle te brengen zijn? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het risico op verwurging? Zo nee, voor welke situaties is de nekklem als geweldsmiddel dan bedoeld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de noodzaak van de nekklem als verwurgingstechniek in het scala van geweldsmiddelen voor de taakuitvoering toelichten?
Zoals ik al eerder heb gesteld leidt het verbieden van de toepassing van de «nekklem» tot een hiaat in het geweldsspectrum.4 Niet alleen voor politiemensen, maar ook voor andere ambtenaren met een geweldbevoegdheid, zoals medewerkers van DJI, geldt dat door het snel onder controle brengen van een persoon de kans op verder en heftiger fysiek geweldgebruik door of tegen deze persoon kan worden verminderd. Bij DJI vormt de nekklem als controletechniek een van de meest effectieve mogelijkheden om in een gevaarsituatie iemand onder controle te krijgen. Zoals gezegd worden ambtenaren die bevoegd zijn deze vorm van fysiek geweld te gebruiken tijdens hun opleiding bewust gemaakt van de risico’s van verwurging. Het onderscheidenlijk verbieden van alleen de verwurgingstechniek is juridisch een erg moeilijk begaanbare weg. Een juridische definitie is niet goed te geven.
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan de motie van de leden Groothuizen en Den Boer die oproept tot periodiek casusoverstijgend onderzoek naar alle gevallen waarbij mensen te maken krijgen met politiegeweld?3
De politie is op dit moment bezig met de nadere uitwerking van de motie. De voorzitters en secretarissen van de nieuwe commissies geweldsaanwending komen inmiddels periodiek bij elkaar, onder meer om casusoverstijgend inzicht te krijgen in geweldgebruik door de politie. Naar verwachting zullen de eerste resultaten hiervan in het voorjaar van 2021 beschikbaar zijn. De politie heeft de intentie dit periodiek te herhalen, om zo goed zicht te houden op de inzet van geweld en beter te kunnen leren van toegepast geweld. Ook het nieuwe systeem van melden, registreren en beoordelen van geweld geeft een belangrijke impuls aan het leren van geweld door de politie. De informatie uit dit proces is input voor de leercirkel.
Het bericht over een grote Duitse zaak van kindermisbruik |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kindermisbruikzaak Duitsland steeds groter, duizenden verdachten in beeld»?1
Ja.
Zijn er Nederlandse verdachten in deze zaak? Zo ja, om hoeveel verdachten gaat het en wat is de aard van de verdenkingen?
Nederland heeft een goede samenwerking met Duitsland op het gebied van de bestrijding van online seksueel kindermisbruik. Het is niet bekend of er in de kindermisbruikzaak in Duitsland ook Nederlandse verdachten zijn betrokken. Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hebben over deze zaak geen signalen ontvangen van de Duitse autoriteiten. Wanneer er Nederlandse verdachten zijn in deze zaak zullen OM en politie door de Duitse autoriteiten hiervan op de hoogte worden gebracht.
Zijn de Nederlandse justitiële autoriteiten betrokken bij het onderzoek naar deze kindermisbruikzaak? Zo ja, op welke wijze?
Nee.
Wat doet Nederland in internationaal verband aan de opsporing en vervolging van internationale netwerken van kindermisbruikers?
Vanuit het team bestrijding kinderporno en kindersekstoerisme van de politie wordt voortdurend onderzoek gedaan naar internationale netwerken die zich bezighouden met de verspreiding en vervaardiging van kinderpornografisch materiaal. Een onderdeel daarvan is de monitoring van de kinderpornoforums die actief zijn op het zogenaamde darkweb. Hierbij wordt intensief samengewerkt met buitenlandse politiediensten (waaronder Duitsland), Interpol en Europol.
Daarnaast worden Flexibele Liaisons ingezet voor een soepeler en meer voortvarende internationale informatie-uitwisseling, het beter initiëren van lokale onderzoeken en meer lokale aandacht en bewustwording voor de aanpak van seksueel kindermisbruik. In aanvulling daarop is vanaf november 2019 een strategische flexibele Liaison Officer kindersekstoerisme binnen de politie aangesteld om de bestrijding van seksueel kindermisbruik, onder andere middels versteviging van de internationale (politie)samenwerking, te bevorderen.
Waar mogelijk agendeer ik de aanpak van online seksueel kindermisbruik in Europa. Op 9 juni jl. heb ik deelgenomen aan een webinar van het Europees parlement en de Europese Commissie over de bestrijding van seksueel kindermisbruik. In mijn toespraak heb ik de Nederlandse publiek-private samenwerking voor een schoon en veilig internet toegelicht en heb ik de oproep gedaan om onze krachten in de EU te bundelen in de strijd tegen online seksueel kindermisbruik. Tijdens de informele JBZ-Raad van 7 juli jl. heb het belang van een preventieve aanpak en publiek-private samenwerking benadrukt naast de strafrechtelijke aanpak.
Twijfels bij het gebruik van een bepaald risicotaxatie-instrument bij de reclassering vanwege het gevaar op etnisch profileren |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de algoritmes die de reclassering gebruikt mogelijk voor etnisch profileren zorgen?1
Ja.
Is of wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid dan wel de reclassering zelf getoetst of het in het aangehaalde artikel algoritme indirect tot etnisch profileren kan leiden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog grondig te toetsen?
Bij de ontwikkeling van de Nederlandse versie van het betreffende instrument, de OxRec (Oxford Risc of Recidivism Tool) in 2017, heeft de reclassering vanaf het begin als randvoorwaarde gesteld dat er in het instrument geen aspecten vastgelegd worden ten aanzien van etniciteit. Daarom wordt in de Nederlandse versie ook niet gevraagd naar de migratie-achtergrond van de verdachte, waar dat in de Engelse versie wel het geval is.
In het aangehaalde artikel wordt gesteld dat het opnemen van de buurtscore indirect kan leiden tot etnische profilering. Door de buurtscore in de OxRec op te nemen wordt niet op basis van ras, etniciteit, religie of afkomst geselecteerd maar op basis van de sociaal economische status van de verdachte. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dit namelijk van invloed te zijn op het recidiverisico.
Hoe groot is het belang van het algoritme in het geheel van instrumenten waarmee de reclassering een inschatting van het recidiverisico maakt? Wordt dit algoritme bijvoorbeeld helemaal aan het einde van de risico-inschatting gebruikt ter verificatie van de taxatie die de reclasseringsmedewerker zelf al had gemaakt of vormt het algoritme juist een integraal onderdeel van de uiteindelijke risicotaxatie?
De OxRec is een integraal onderdeel van het werk van de reclasseringswerker. Het ondersteunt de reclasseringswerker bij het inschatten van de kans op recidive en het opstellen van het reclasseringsadvies. Het is ontworpen als hulpmiddel hierbij zodat de reclasseringswerker niets over het hoofd ziet en zijn eigen beoordeling kritisch bekijkt.
Klopt het dat het algoritme dat door de reclassering gebruikt wordt, gebruik maakt van informatie over de postcode waar iemand woont, de criminaliteitscijfers in die buurt en het percentage bijstandsuitkeringen? Zo ja, waarom acht u dit wenselijk?
Voor alle factoren die in de OxRec worden gemeten geldt dat deze zijn gevalideerd aan de hand van data van Nederlandse en Zweedse justitiabelen. Er is dus onderzocht of deze factoren inderdaad bijdragen aan het inschatten van de kans op recidive. In het instrument wordt inderdaad de postcode van de justitiabele ingevuld. Op basis van sociaal economische gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft de OxRec een buurtscore. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk dat dit de voorspellende waarde van het instrument verhoogt. Met andere woorden, het levert een betrouwbaarder inschatting van het recidiverisico op. Verder kan de score ook uitgezet worden voor cliënten zonder vaste woon- of verblijfplaats of als zij in detentie verblijven. De reclassering heeft de buurtscore opgenomen in het instrument om de justitiabele ook op dit punt gericht te kunnen ondersteunen en begeleiden om zo het recidiverisico te verminderen.
In hoeverre heeft de reclassering zelf inzicht in de broncode van het algoritme en dus in de werking van het algoritme? Kan zij zelf zien op welke onderdelen iemand hoog scoort of produceert het algoritme slechts één uitkomst, bijvoorbeeld: hoog risico, middelmatig risico, laag risico?
De reclassering heeft inzicht in het algoritme dat wordt gebruikt in de OxRec en de wijze waarop dit tot stand is gekomen. De ontwikkelaars zijn bij het ontwikkelen van de OxRec namelijk transparant te werk gegaan. Hierdoor is duidelijk welke stappen genomen zijn in de ontwikkeling en validatie van het model. Zo is vooraf een protocol van onderzoek ingediend en wordt achteraf verantwoord in welke mate hier al dan niet van afgeweken is. Artikelen zijn peer reviewed en open access gepubliceerd zodat ze toegankelijk zijn voor iedereen om te lezen. Daarmee is inzichtelijk welke risicofactoren zijn gekozen en welke statistische modellen zijn gebruikt om de uitkomst te berekenen.
Bij het gebruik van de OxRec is de uitkomst niet een hoge of lage risicocategorie. Het model maakt een inschatting van de kans op recidive waarbij een waarschijnlijkheidsscore uitgedrukt in percentages gegeven wordt. Dit wordt weergegeven voor zowel algemene recidive als geweldsrecidive binnen 1 en 2 jaar.2 Het is daarmee genuanceerd, transparant en inzichtelijk voor de reclasseringswerker.
Klopt het dat de foutmarges in de berekeningen van het algoritme aanzienlijk zijn? Zo ja, acht u dit wenselijk gezien de gevolgen die dit kan hebben voor een verdachte? Zo nee, kunt u aantonen wat de foutmarges zijn van OxRec?
Een risicotaxatie is een inschatting waarbij men kenmerken van een individu afzet tegen een groepsgemiddelde van een groep personen met vergelijkbare kenmerken. Het recidiverisico inschatten als laag betekent dus niet dat iemand zeker niet zal recidiveren en het inschatten van het risico als hoog betekent niet dat recidive bij een individu met zekerheid vast te stellen is. In die zin is bij het gebruik van risicotaxatie-instrumenten dus altijd sprake van een onzekerheidsmarge. Het is zaak dat die marge zo klein mogelijk is, maar het voorspellen van menselijk gedrag, in dit geval recidive, is zeer complex.
Er is wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd naar hoe goed de OxRec de kans op recidive inschat.3 Dit onderzoek toont aan dat de nauwkeurigheid van het instrument binnen het bereik valt dat je mag verwachten van risicotaxatie-instrumenten. Er bestaan meerdere risicotaxatie-instrumenten waarmee een inschatting van de kans op recidive wordt gemaakt. De voorspellende waarde van de OxRec doet niet onder voor die van andere instrumenten.
Het bericht ‘Nederland internationaal onder vuur om drugshandel per post’ |
|
Helma Lodders (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: Nederland internationaal onder vuur om drugshandel per post?1
Ja.
Klopt het dat Nederlandse dealers maandelijks naar schatting 9000 postpakketten met drugs naar het buitenland sturen? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal onderschepte postpakketten met drugs dat naar het buitenland wordt verstuurd opgesplitst per jaar en per land vanaf 2017? En kunt u overzicht geven hoe en waar deze postpakketten onderschept zijn?
De schatting van 9.000 postpakketten met drugs, betrof een extrapolatie van vondsten tijdens een risicogerichte controle-actie. Deze actie komt voort uit een pilot gericht op een intelligentere, innovatievere en informatie gestuurde detectie van drugs. Ten aanzien van deze schatting is daarom voorzichtigheid geboden.
Hieronder is een overzicht gegeven van de door de Nederlandse Douane inbeslaggenomen verdovende middelen in uitgaande postpakketten naar Niet-EU-landen2, uitgesplitst naar de meest voorkomende landen van bestemming en naar meest voorkomende soort drugs. Indien uit de bevindingen in de niet-EU stroom uiterlijke kenmerken naar voren komen die ook onmiddellijk zichtbaar zijn in de EU post, dan worden ook die poststukken nader onderzocht en bij een vermoeden van verdovende middelen in beslag genomen. Dat verklaart dat er ook EU landen zijn vermeld.
In de afgelopen jaren zijn vanaf 2017 tot heden de navolgende aantallen en kilo’s verdovende middelen door de douane in beslaggenomen in de uitgaande postpakketten.
De meest voorkomende bestemmingslanden per soort drugs in de uitgaande pakketten varieert:
Klopt het dat met name cocaïne, xtc, speed en steeds meer crystal meth vanuit Nederland per post worden verstuurd naar andere landen? Zo ja, kan een overzicht worden gegeven van de soorten drugs die vanuit Nederland per post naar het buitenland worden verstuurd opgesplitst per jaar en per land vanaf 2017?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een overzicht worden gegeven van de landen die de meeste drugspakketten per post vanuit Nederland ontvangen? Zo ja, in hoeverre kunnen postpakketten bestemd voor risicolanden extra worden gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
In Nederland worden geen cijfers bijgehouden van het aantal drugspakketten dat per post vanuit Nederland in andere landen wordt onderschept.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk zou zijn als postpakketten vanuit Nederland op den duur in de ban worden gedaan door andere landen, met name vanwege onze handelspositie? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te treffen om de controle op postpakketten te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik zeker. Voor de aanpak van misbruik van post- en pakketdiensten verwijs ik u naar de antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Kuiken en Moorlag van 30 juni 2020 (2020Z12693).
Welke landen voeren een beleid van 100% controle ten aanzien van postpakketten uit Nederland? Sinds wanneer hebben deze landen dat beleid ingevoerd?
Er zijn landen die intensief controleren, maar onduidelijk is of dit 100% controles zijn.
Klopt het dat de douane en de politie eerst toestemming moeten vragen aan een officier van justitie, die vervolgens groen licht moet krijgen van een rechter-commissaris, om een pakket te controleren? Zo ja, is het een mogelijkheid om het controleren van verzendingen te vereenvoudigen door de bevoegdheid om pakketten te openen neer te leggen bij politie- of douanebeambten zelf? Zo nee, waarom niet?
De Douane heeft de bevoegdheid om zonder toestemming van een rechter-commissaris (pakket)post waarop geen briefgeheim rust, te openen en een controle in te stellen.
In artikel 101 lid 2 Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de officier van justitie tot de kennisneming van de inhoud van o.a. pakketten niet overgaat voor daartoe door de rechter-commissaris gemachtigd te zijn. Na de modernisering van het wetboek van Strafvordering zullen opsporingsambtenaren bevoegd worden om zelfstandig postpakketten in beslag te nemen en om het postpakket vervolgens te openen en kennis te nemen van de inhoud. Er is dan geen machtiging nodig van de rechter-commissaris. Deze wijziging zorgt voor een vereenvoudiging en versnelling van het proces van het opsporen van drugs in postpakketten.
Klopt het dat er een toename is van het aantal Nederlandse drugspostzendingen die vanuit Duitsland en België worden verstuurd? Zo ja, bent u bereid in gesprek te gaan met uw collega’s in deze landen om het aantal drugspostzendingen terug te dringen?
Criminelen blijven vindingrijk en als blijkt dat het moeilijker wordt om drugs vanuit Nederland te versturen, zullen criminelen andere wegen zoeken. Uit opsporingsonderzoeken die het PIT draait op verdachte subjecten blijkt de tendens dat in toenemende mate postpakketten worden verstuurd vanuit deze landen. Exacte cijfers zijn echter niet te geven.
Internationaal staat het misbruik van de post- en pakketteninfrastructuur op de agenda. Zowel bij de Europese Commissie als bij de Wereldpostunie en PostEurop. UPU is een partnerschap aangegaan met de International Narcotics Control Board (INCB) om de postale sector te beschermen tegen crimineel misbruik. PostNL is in Nederland aangewezen als de verlener van de Universele Postdienst (UPD) en is in die hoedanigheid bij deze overlegstructuren betrokken. Binnen de Europese Raad is er een thematische discussie «Secure Post» opgezet over de problematiek van drugs in postzendingen. SecurePost is een project onder de vlag van PostEurop in reactie op de oproep vanuit de Europese Commissie om te komen met voorstellen op het thema «Prevention, detection response and mitigation of combined physical and cyber threats to critical infrastructure in Europe».
Ziet u het invoeren van een legitimatieplicht bij het versturen van pakketten naar het buitenland als oplossing? Zo ja, kan de Kamer op korte termijn nader worden geïnformeerd over deze mogelijke maatregel en hoe dit vormgegeven zou kunnen worden, tevens met aandacht voor de AVG? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar de antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Kuiken en Moorlag van 30 juni 2020 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 117).
Drugspakketjes die vanuit Nederland naar het buitenland worden verzonden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Nederland internationaal onder vuur ligt wegens drugshandel per post?1
Ja.
Kunt u verduidelijken welke klachten er precies zijn binnengekomen bij politie en justitie vanuit andere landen? Klopt het dat op rechtshulpverzoeken vanuit Nederland langzamer wordt geantwoord dan voorheen vanwege de drugszendingen uit Nederland? Zo nee, hoe plaatst u de opmerkingen met die strekking uit bovengenoemd bericht?
Ik verwijs u graag naar de antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Kuiken en Moorlag van 30 juni 2020 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 117), die u gelijktijdig met de beantwoording van deze vragen ontvangt.
Kunt u uiteenzetten wat u vindt van de suggestie om een legitimatieplicht in te voeren bij het verzenden van post naar het buitenland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid het idee van de legitimatieplicht binnen de Europese Unie (EU) op de kaart te zetten, aangezien dit plan waarschijnlijk alleen nut heeft als dit binnen de gehele EU wordt afgesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom lukt het ontvangende landen wél om drugs in pakketjes te detecteren en lukt het Nederland, als het zendende land, niet om die drugs tegen te houden? Kunt u dit uitgebreid onderbouwen?
De Douane controleert in het goederenverkeer met landen buiten de EU en doet dat risicogericht, dus niet elk pakketje wordt gecontroleerd. Dit is vanwege de omvang van de goederenstroom en omdat niet alle pakketten risicovol zijn.
De Politie, toezichthouder voor het binnenlandse postverkeer en het postverkeer naar en vanuit de andere EU-landen, en de Douane werken internationaal intensief samen met landen binnen en buiten de EU waar het risico op smokkel via uitgaande postzendingen onderkend is. Dat levert inzicht op in de smokkelmethodieken richting die landen. Hiermee kunnen politie en de Douane hun handhavingsaanpak aanscherpen. Daarbij wordt de inzet bovenal gericht op slimme en gerichte controles en – gegeven de omvang van de totale pakketstroom – niet op het openmaken van alle pakketten.
Is er genoeg capaciteit bij PostNL en de douane beschikbaar om pakketjes en brieven die bestemd zijn voor het buitenland, grondig te scannen op drugs? Zo nee, wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Bij het controleren van pakketten op drugs werkt PostNL voor de zendingen naar EU-landen samen met het Postinterventieteam van de politie, waarna eventueel een opsporingsonderzoek wordt gestart. Voor de zendingen naar landen buiten de EU werkt PostNL samen met de Douane. Gelet op de hoeveelheid pakketten (jaarlijks 107 miljoen) die naar het buitenland verzonden worden, wordt dit steekproefsgewijs en waar mogelijk risicogericht gecontroleerd.
Tegen deze achtergrond is het zaak om een integrale, publiek-private aanpak te ontwikkelen, waarbij gezamenlijk met partners intelligente barrières kunnen worden opgeworpen. Om die aanpak nog beter in te vullen zal de controle-capaciteit van de Douane in de brief- en pakketpost worden uitgebreid.
Klopt het dat pakketjes met een bestemming binnen de EU nauwelijks gecontroleerd worden, vanuit de redenatie dat dit vrij verkeer van goederen behelst? Acht u dit wenselijk in het licht van de rol die Nederland klaarblijkelijk speelt in het verspreiden van drugs per brief- en pakketpost?
Ik verwijs u naar de antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Yesilgöz-Zegerius en Lodders van 1 juli 2020 (2020Z12910), die u gelijktijdig met de beantwoording van deze vragen ontvangt.
Internationale drugshandel per post |
|
Attje Kuiken (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland internationaal onder vuur om drugshandel per post»1 en herinnert u zich uw eerdere antwoorden op meerdere vragen van de leden Kuiken en Moorlag over dit onderwerp?2
Ja.
Is het waar dat de handel in harddrugs per post naar het buitenland groeit? Zo ja, over welke cijfers dan wel indicaties beschikt u? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het is niet met zekerheid te zeggen of sprake is van een groei in de handel in harddrugs per brievenbuspost en postpakketten naar het buitenland.
De Politie (toezichthouder voor het binnenlandse postverkeer en het postverkeer naar en vanuit de andere EU-landen) en de Douane (toezichthouder goederenverkeer met landen buiten de EU) hebben beperkt cijfers beschikbaar.
Bovendien kan een stijging in het aantal pakketten en door buitenlandse autoriteiten in beslaggenomen kilo’s verdovende middelen, sterk beïnvloed kunnen zijn door incidentele zaken. Er vindt geen mondiale vastlegging, dan wel uitwisseling plaats van gegevens over de totale hoeveelheden inbeslaggenomen harddrugs per brievenbuspost en postpakketten.
Voor een overzicht van de beschikbare cijfers, verwijs ik u graag naar de antwoorden op Kamervragen (vraag 2 en 3) van de Kamerleden Yesilgöz-Zegerius en Lodders van 1 juli 2020 (2020Z12910), die u gelijktijdig met de beantwoording van deze vragen ontvangt.
Voor de brievenbuspost naar landen buiten de EU is op dit moment geen indicatie te geven over de hoeveelheden in beslag genomen verdovende middelen. Brieven mogen vanwege het wettelijke briefgeheim niet zomaar geopend worden door de douane. Daarvoor is toestemming nodig van een Rechter-Commissaris.
Is het waar dat bij een proef van de Nederlandse douane tijdens een paar uur intensief controleren bij driekwart van de vijfhonderd pakketten onderzochte pakketten drugs werden gevonden? Zo ja, deelt u de mening dat dit een zeer verontrustend gegeven is? Zo nee, wat is er dan niet waar aan het gestelde?
In het kader van een pilot, gericht op een intelligente, innovatieve en informatie gestuurde detectie van drugs, heeft de Nederlandse douane in 2019 en 2020 bij controleacties gericht op specifieke bestemmingslanden in enkele uren tijdsbestek honderden inbeslagnames van verdovende middelen in uitgaande post(pakket)zendingen naar landen buiten de EU gedaan. Doel van de pilot is om het misbruik van post- en pakketdiensten voor (internationale) drugshandel efficiënter en effectiever tegen te gaan. De pilot levert positieve resultaten op. Thans wordt bezien hoe we deze innovatieve manier van detecteren breder kunnen toepassen.
Is het waar dat de drugsverzendingen vanuit Nederland de samenwerking met buitenlandse justitiële autoriteiten onder druk zet omdat rechtshulpverzoeken met vertraging worden afgehandeld? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het Openbaar Ministerie krijgt van opsporingsinstanties vanuit een aantal landen signalen dat er veel verdovende middelen worden toegestuurd via de post vanuit Nederland. Deze signalen komen tot het OM via rechtshulp-kanalen, via contacten op (internationale) bijeenkomsten, maar ook bijvoorbeeld via de door Nederland in het buitenland gestationeerde Liaison Officers. Deze signalen zijn bijvoorbeeld gekomen vanuit Duitsland, Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk, de Baltische staten, de Verenigde Staten, Hong Kong en Thailand. Er is vooralsnog geen indicatie dat de behandeling van Nederlandse rechtshulpverzoeken met vertraging heeft plaatsgevonden.
Hoe komt het dat, ondanks de eerder aangekondigde intensivering van de opsporing van drugs in pakketten, de inspanningen van postorderbedrijven en het Postinterventieteam (Pit) toch nog naar schatting maandelijks 9.000 pakketten met harddrugs worden verstuurd?
De schatting van maandelijks 9.000 pakketten – zo blijkt uit navraag bij de betrokken diensten – betreft een extrapolatie van de vondsten tijdens een risicogerichte controle-actie. Ten aanzien van deze schatting is dus voorzichtigheid geboden. In dit kader is met name relevant dat de post- en pakketstroom zeer omvangrijk is; zo maakt de Post- en Pakkettenmonitor van de Autoriteit Consument en Markt melding van het vervoeren van 576 miljoen pakketten in 2019, binnenlandse en grensoverschrijdende pakkettenbezorging samen. Tegen deze achtergrond is het zaak om in het kader van publiek-private samenwerking een breed spectrum aan mogelijke intelligente barrières in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat de grote hoeveelheid pakketten met drugs aangeeft dat de opsporing nog meer geïntensiveerd moet worden? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, is het zaak om in het kader van publiek-private samenwerking een breed spectrum aan mogelijke intelligente barrières in kaart te brengen. Mede met dit doel wordt sinds dit jaar door politie (PIT), Openbaar Ministerie, douane, RIEC, het Ministerie van JenV, PostNL en het landelijk aanjaagteam ondermijning, actief samengewerkt in de zogeheten Regiegroep PPS Post- en Pakketdiensten. Uitgangspunt is de onderlinge samenwerking te intensiveren en de gezamenlijke informatiepositie te verstevigen. Daarvoor wordt momenteel gewerkt aan een fenomeengericht criminaliteitsbeeld. Dit criminaliteitsbeeld gaat de basis vormen voor een gezamenlijke strategische aanpak, waarbij ook zal worden bekeken hoe kan worden toegewerkt naar intelligente en effectieve toezicht en opsporing. Daarbij blijft de inzet bovenal gericht op slimme en gerichte controles en – gegeven de omvang van de totale pakketstroom – niet op het openmaken van alle pakketten. Om daar nog beter invulling aan te kunnen geven zal de controle-capaciteit van de Douane in de brief- en pakketpost worden uitgebreid.
Ik verwijs in dit verband graag tevens naar de beantwoording op de Kamervragen van de leden Kuiken en Moorlag van 28 januari 20193.
Waarom werkt het Pit alleen op structurele basis samen met PostNL en met andere postbedrijven op basis van casussen en meldingen?3 Acht u het nodig om ook met andere postbedrijven tot een structurele samenwerking te komen? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het PIT is in de basis bedoeld als een samenwerking tussen overheid en de post- en pakketvervoerders (branche), dus niet alleen specifiek PostNL. De politie gaat daarom de samenwerking met andere pakketvervoerders intensiveren.
Deelt u de mening dat zolang niet te achterhalen valt wie de verzender van pakketten is het probleem niet goed kan worden aangepakt omdat degenen die de drugs verzenden buiten schot blijven? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat hier verandering in komt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het voorgaande reeds aan de orde is gesteld, worden momenteel mogelijke intelligente barrières in het kader van brede publiek-private samenwerking in kaart gebracht. Zowel intensivering van opsporing en vervolging als het idee van een legitimatieplicht zullen hierin worden betrokken.
Deelt u de mening van de teamleider van het Pit en de genoemde officier van justitie dat een legitimatieplicht voor verzenders van postpakketten naar het buitenland zal helpen bij het tegengaan van drugszendingen? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet? Bent u dan nog steeds van mening dat een legitimatieplicht ondanks het gegeven dat het om 9.000 pakketten per maand gaat «gelet op het totale volume aan pakketpost, de inbreuk op de privacy en de verzwaring van de administratieve lasten niet proportioneel [is] om drugscriminaliteit tegen te gaan»?4
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening van de teamleider van het Pit en de genoemde officier van justitie dat het makkelijker moet worden om verzendingen te controleren op inhoud? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Wat vindt u van het idee dat politieambtenaren zelf de bevoegdheid moeten krijgen om een pakket te openen?
Ja, die mening deel ik. In artikel 101 lid 2 Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de officier van justitie tot de kennisneming van de inhoud van o.a. pakketten niet overgaat voor daartoe door de rechter-commissaris gemachtigd te zijn. Na de modernisering van het wetboek van Strafvordering zullen opsporingsambtenaren bevoegd worden om zelfstandig postpakketten in beslag te nemen en om het postpakket vervolgens te openen en kennis te nemen van de inhoud. Er is dan geen machtiging nodig van de rechter-commissaris. Deze wijziging zorgt voor een vereenvoudiging en versnelling van het proces van het opsporen van drugs in postpakketten.
De uitzending van Argos over ritueel misbruik |
|
Attje Kuiken (PvdA), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de radiouitzending van Argos «Glasscherven en duistere rituelen: Argos onderzoekt satanisch ritueel misbruik»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Kunt u uitsluiten, vanwege de aard en het aantal meldingen dat bij Argos is binnengekomen, dat er in Nederland sprake is van ritueel misbruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Er valt niet uit te sluiten dat ritueel misbruik in Nederland voorkomt. Seksuele misdrijven zijn ernstige misdrijven met voor slachtoffers vaak heel indringende, langdurige en traumatiserende gevolgen. Dat maakt dat zedenzaken ingrijpend zijn. Zoals u weet zet ik mij sinds mijn aantreden als Minister van Justitie en Veiligheid in voor modernisering van de zedenwetgeving. Hierbij wordt gewerkt aan de introductie van de nieuwe strafbaarstelling van seks tegen de wil en seksuele intimidatie, waarbij niet de dwang, maar het handelen tegen de wil uitgangspunt wordt voor strafbaarheid. Met de nieuwe strafbaarstelling wordt het duidelijker voor slachtoffers voor welke strafbare feiten een dader vervolgd kan worden.
Samen met de Minister voor Rechtsbescherming neem ik ook maatregelen om slachtoffers van misbruik beter te beschermen en slachtoffers te informeren waar ze terecht kunnen voor goede hulp. Vanaf het voorjaar van 2018 zijn meerdere acties en projecten gestart door de politie om de werkwijze en de opvang van zedenslachtoffers verder te verbeteren. Ook het Centrum Seksueel Geweld biedt laagdrempelig multidisciplinaire hulp aan slachtoffers van seksueel geweld. Via een landelijk telefoonnummer en de recent gemoderniseerde website is hulp en kennis beschikbaar. Daarnaast is in november 2019 de overheidscampagne watkanmijhelpen.nl gestart die meerjarig aandacht zal vragen voor mensen die kort geleden seksueel geweld hebben meegemaakt. Ook is langs die weg breed bekend gemaakt welke organisaties slachtoffers welke hulp kunnen bieden.
Zoals aangegeven door de Minister voor Rechtsbescherming in de beantwoording van de Kamervragen van de PvdA, D66 en SP op 25 mei 2020 inzake duivelsuitdrijving bij kinderen2, worden er door het Ministerie van VWS gesprekken gevoerd met de GGZ-sector om aandacht te vragen voor misbruikpraktijken binnen kerkelijke kringen. Die gesprekken gaan over de rol die de GGZ heeft bij het signaleren van mogelijke kindermishandeling bij duivelsuitdrijving en bij het signaleren van het onthouden van zorg.
In geval van een melding of aangifte van seksueel misbruik met rituele aspecten doet de politie opsporingsonderzoek om aanwijzingen en objectieve feiten te verzamelen die wel of juist geen ondersteuning bieden voor de beschuldigingen, net als bij alle andere zedenzaken. Uit de – veelal uitvoerige – opsporingsonderzoeken die in de afgelopen decennia zijn uitgevoerd naar aangiften of meldingen van ritueel misbruik, is echter tot op heden geen ondersteuning gevonden voor ritueel misbruik. De politie is continu bezig om de kwaliteit van zedenrechercheurs en zedenonderzoeken te verbeteren. Zowel voor het slachtoffer en zijn of haar naasten als voor de opsporing is het van belang dat zedenzaken zo snel mogelijk in behandeling worden genomen. Met dank aan uw Kamer is tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op 19 september jl. de motie van het lid Klaver c.s. aangenomen waarbij structureel 15 miljoen extra beschikbaar wordt gesteld voor extra capaciteit voor de zedenpolitie, opleiding tot zedenrechercheurs en forensisch (medisch) onderzoek.
Krijgt de Landelijk Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) van de politie ook meldingen door die kunnen duiden op ritueel misbruik? Zo ja, hoeveel waren er dat de afgelopen jaren en welk gevolg is aan die meldingen gegeven? Zo nee, hoe komt dat?
Sinds de oprichting meer dan twintig jaar geleden, heeft de LEBZ in totaal meer dan 900 zaken behandeld. In circa 25 gevallen betrof het zedenzaken waarin sprake was van aspecten van ritueel misbruik, waarvan slechts drie in de afgelopen zeven jaar. Op basis van het veelal uitgebreide opsporingsonderzoek dat de politie in deze zaken uitvoerde voordat de zaak werd voorgelegd aan de LEBZ, bleek objectieve ondersteuning voor de geuite beschuldigingen in de vorm van forensisch, tactisch, digitaal of overig bewijs vaak te ontbreken en/of bevatte het dossier feiten die strijdig waren met de aangifte. In enkele zaken constateerde de LEBZ dat nog nadere opsporingshandelingen konden worden verricht en werd daarover advies uitgebracht. In geen van de genoemde 25 zaken is vervolging ingesteld door het openbaar ministerie.
Deelt u de mening dat de LEBZ er in eerste instantie op gericht moet zijn om te bezien of meldingen van ritueel misbruik reden voor verder onderzoek opleveren en dat daarna pas het doel het voorkomen van onterechte aangiften zou moeten zijn? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik. Dit is ook nadrukkelijk het geval.
De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) is in 1999 door het College van procureurs-generaal in het leven geroepen om de feiten die door de politie zijn verzameld in een opsporingsonderzoek nader te analyseren. De LEBZ is een multidisciplinair samengestelde groep deskundigen met uitgebreide wetenschappelijke kennis en expertise op het vlak van klinische psychologie, orthopedagogiek, cognitieve psychologie, rechtspsychologie, zedenrecherche en recherchepsychologie. De LEBZ is multidisciplinair samengesteld, om deskundigen met mogelijk tegenstelde visies te laten samenwerken aan een zaak en zo het risico op tunnelvisie te voorkomen. De LEBZ wordt door de officier van justitie geconsulteerd in de loop van de opsporingsfase en kan adviseren over eventueel nog te verrichten opsporingshandelingen. Tevens kan de LEBZ adviseren om over te gaan tot vervolging van de beschuldigde(n) of adviseren om een opsporingsonderzoek te beëindigen. De adviezen van de LEBZ zijn niet bindend.
Waarom is het advies van de toenmalige werkgroep Ritueel Misbruik om een beraad op te richten om de ontwikkelingen rondom ritueel misbruik te blijven volgen niet opgevolgd?
De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) is in 1999 door het College van procureurs-generaal in het leven geroepen om de feiten die door de politie zijn verzameld in een opsporingsonderzoek nader te analyseren. Conform de Aanwijzingen van het openbaar ministerie waren officieren van justitie verplicht de LEBZ te consulteren bij onder andere zaken met aspecten van ritueel misbruik en zaken met aspecten van hervonden herinneringen
Sinds een nieuwe Aanwijzing in 2016 geldt deze verplichting niet meer gezien het zeer geringe aantal aangifte van zaken met aspecten van ritueel misbruik. In de afgelopen zeven jaar zijn drie zaken met aspecten van ritueel misbruik voorgelegd aan de LEBZ.
Deelt u de mening dat er nieuw onderzoek nodig is naar de aard en de omvang van ritueel misbruik in Nederland? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het verloop van (het geringe aantal) opsporingsonderzoeken in de afgelopen jaren – zoals verwoord in het antwoord op vraag 3 – zie ik geen noodzaak om nu een dergelijk onderzoek te initiëren. Ik zal de politie vragen mij actief te informeren indien er signalen zijn die op een andere trend wijzen. De Minister voor Rechtsbescherming heeft in antwoord op eerdere vragen van de PvdA, D66 en SP op 25 mei 2020 inzake duivelsuitdrijving bij kinderen3 aangegeven dat gezien de omvangrijke onderzoeksagenda van het WODC en de hoeveelheid onderzoeken die nog in de wachtrij staan – niet wenselijk om een separaat onderzoek naar de aard en omvang van duivelsuitdrijvingen in Nederland op te starten. In het onlangs afgeronde onderzoek door Bureau Beke naar homoconversietherapieën is deels ook duivelsuitdrijving bij kinderen meegenomen. Na de zomer zal de Minister voor Rechtsbescherming u dit rapport samen met een beleidsreactie toesturen.
Deelt u de mening dat er een laagdrempelige voorziening nodig is waar mensen zich kunnen melden, voor hulp, advies en doorverwijzing? Erkent u dat Sektesignaal nuttig werk deed, in een uitdrukkelijke behoefte voorzag en niet afgeschaft had moeten worden? Wat gaat u er aan doen een dergelijke voorziening weer terug te krijgen?
Slachtoffers van strafbare feiten in het kader van ritueel misbruik kunnen zich melden bij de politie, onregelmatigheden kunnen worden gemeld bij inspecties/toezichthouders en GGZ-instellingen kunnen waar nodig psychosociale hulp leveren. Sektesignaal heeft er een belangrijke rol in gespeeld dat verschillende partijen elkaar nu binnen de RIEC’s weten te vinden en gezamenlijk kunnen optrekken en informatie kunnen delen om misstanden vroegtijdig te herkennen en aan te pakken. Mede vanwege deze verworvenheden zie ik geen meerwaarde in het opnieuw opbouwen van een doorverwijzingspunt.
Het bericht dat de Nederlandse regering waarschuwingen negeert over het financieren van een NGO met banden met terrorisme |
|
Raymond de Roon (PVV), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dutch government ignored warnings about funding terror linked NGO»?1
Ja.
Hoeveel subsidie ontving de Union of Agricultural Work Committees (UAWC) in de afgelopen jaren en dit jaar van de Nederlandse staat?
Nederland startte in september 2007 financiering van het Land Development 2 programma, dat werd uitgevoerd door een consortium met de Union of Agricultural Work Committees (UAWC) als één van de uitvoerende partners. In daaropvolgende programma’s nam UAWC eveneens als uitvoerende partnerorganisatie deel aan door Nederland gefinancierde consortia en in 2013 werd UAWC, gezien bewezen expertise, kennis en capaciteit, trekker van een nieuw consortium voor uitvoering van het Land and Water Resource Management programma Fase 1. In 2017 startte Fase 2 van dit programma. Dit programma wordt uitgevoerd op de Westelijke Jordaanoever en is erop gericht Palestijnse boeren te helpen toegang te behouden tot hun land en water. Daarnaast wordt ondersteuning geboden om zoveel mogelijk klimaatverantwoord te kunnen werken. Zo wordt er bijvoorbeeld ingezet op het effectief hergebruik van regenwater voor landbouw en advisering voor het planten van waterzuinige gewassen. Het consortium ontvangt een bijdrage van 11,7 mln. euro uit decentrale middelen voedselzekerheid (ODA artikel 2.1) voor een periode van 4 jaar (2017–2020). Dit jaar werd 1,27 mln. euro uitbetaald aan UAWC. Tussen 2013 en 2017 was UAWC de trekker van een consortium dat een programma uitvoerde dat gericht was op het vergroten van de landbouwproductie en inkomsten van Palestijnse boeren. De totale bijdrage voor dat programma was 8,5 mln. euro. Tevens werkt Nederland met UAWC samen in de volgende andere programma’s: Women Peace and Humanitarian Fund en het Multidonor Agricultural Programme van de FAO (samen met onder meer de EU). UAWC voert daarnaast projecten uit met financiering van de EU, een brede groep landen en meerdere internationale NGOs.
Kunt u bevestigen dat de UAWC banden onderhoudt met dePopular Front for the Liberation of Palestine (PFLP)?
Nee, er zijn geen aanwijzingen bekend bij Nederland en andere donoren dat UAWC banden onderhoudt met de PFLP. Subsidiering had dan geen doorgang kunnen vinden.
Het kabinet verwerpt terrorisme en verwacht van alle partners waarmee wordt samengewerkt dat zij zich niet schuldig maken aan terrorisme, aanzetten tot geweld, haat zaaien of andere activiteiten die strijdig zijn met het Nederlands buitenlands beleid. Dit wordt uiteraard standaard besproken met alle organisaties waarmee Nederland samenwerkt, ook in de Palestijnse gebieden, inclusief UAWC.
Voordat UAWC in 2013 de leidende rol kreeg in het consortium heeft Nederland uitgebreid contact gehad met andere partners van UAWC, ook over de beschuldigingen van banden met PFLP. Australië had in 2012 UAWC grondig doorgelicht na eerdere beschuldigingen van steun aan PFLP en kwam tot de conclusie dat de beschuldigingen niet gegrond waren, ondanks het feit dat enkele medewerkers van UAWC in Israëlische administratieve detentie hadden gezeten. UAWC is niet aangemerkt als een terroristische organisatie door de EU en/of de VN. De bestuursleden van UAWC komen evenmin voor op EU-sanctielijsten.
In de samenwerkingsovereenkomst met UAWC is vastgelegd dat de Nederlandse financiering niet gebruikt mag worden voor doeleinden die in strijd zijn met het Nederlands buitenlands beleid. Uit het Nederlands toezicht op UAWC zijn geen aanwijzingen gekomen dat UAWC en de partners in het consortium de Nederlandse bijdrage anders gebruikt hebben dan zoals is overeengekomen. Het toezicht bestaat uit werkbezoeken, financiële en inhoudelijke rapportages en onafhankelijke audits door internationale auditorganisaties. Uit eerdere internationale controles en uit het Nederlands toezicht op UAWC zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen van banden tussen UAWC en organisaties op een internationale terreurlijst.
Na de arrestatie van de twee medewerkers van UAWC op verdenking van het plegen van een bomaanslag bleek dat beiden niet betrokken waren bij de project management unit van het Nederlandse project. Bij nader archiefonderzoek naar aanleiding van deze schriftelijke vragen is echter geconstateerd dat zij wel een deel van hun salaris ontvingen als onderdeel van de overheadkosten in het contract met UAWC. In 2017 hebben beide personen, net als andere medewerkers van NGO’s die door Nederland worden gesteund, voor de periode van 1 jaar een pasje gekregen van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah waarmee zij zich konden identificeren als medewerkers van een partnerorganisatie van de Nederlandse vertegenwoordiging. Ook andere landen geven papieren aan medewerkers van partnerorganisaties waarmee zij kunnen aantonen voor de vertegenwoordigingen van die landen projecten uit te voeren.
Zoals ik eerder in deze brief aangaf was de informatie dat de twee personen die verdacht zijn van het plegen van een bomaanslag salaris ontvingen als onderdeel van de overheadkosten van het door Nederland gefinancierde programma met UAWC voor mij direct reden om verdere betalingen aan UAWC aan te houden. Het kabinet acht zorgvuldig handelen op dit punt dermate belangrijk dat Nederland een extern onderzoek zal laten verrichten naar eventuele banden tussen PFLP en UAWC en de wijze waarop UAWC invulling geeft aan het eigen beleid dat medewerkers politiek niet actief mogen zijn, alvorens een besluit kan volgen over de verdere samenwerking met UAWC. Met het aanhouden van betalingen en verder onderzoeken van de feiten volgt Nederland de standaard aanpak die in alle vergelijkbare gevallen, in alle landen gehanteerd wordt.
Nederland heeft hierbij ook nauw contact met andere donoren van UAWC. Net als Nederland nemen zij beschuldigingen over mogelijke banden van medewerkers van UAWC met terroristische organisaties uitermate serieus. Geen van deze landen heeft in de jaren dat Nederland met UAWC samenwerkt, zowel voor als na de aanslag van augustus 2019, hierom reden gezien UAWC uit te sluiten van directe of indirecte financiering. Evenmin is in onderzoek van andere donoren geconstateerd dat er banden bestaan tussen UAWC en PFLP. Geen van de andere donoren heeft besloten betalingen aan te houden.
Op dit moment zijn de twee personen verdachten. Nederland volgt de zaak nauwgezet.
Klopt de bewering dat de PFLP te karakteriseren is als een terreurgroep die de staat Israël wil vernietigen? Is deze organisatie bijvoorbeeld schuldig aan een dodelijke bomaanslag op 23 augustus 2019?
De EU en dus ook Nederland heeft de PFLP aangemerkt als terroristische organisatie. De groepering staat op de Europese terrorismelijst. Israël verdenkt PFLP van de bomaanslag van 23 augustus 2019.
Kunt u bevestigen dat (voormalig) medewerkers van de UAWC, zoals dhr. Abdul Razaq Farraj, berecht zijn of worden om steun of deelname aan terroristische activiteiten?
Zie antwoord op vraag 3.
Heeft u gereageerd op brieven van de UK Lawyers for Israel (UKLFI) aan de Nederlandse staat, in mei 2019 en mei 2020, met informatie over de banden tussen UAWC en PFLP? Zo ja, bent u bereid deze antwoorden openbaar maken? Zo nee, waarom heeft u hier niet op gereageerd, en bent u voornemens dit alsnog te doen?
In mei 2019 schreef UK Lawyers for Israel de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah aan, die de brief vervolgens op 19 juni 2019 beantwoord heeft. De strekking daarvan is dat de Nederlandse overheid geen informatie bezit die leidt tot de conclusie dat de Nederlandse financiële bijdrage aan UAWC gebruikt is door organisaties die door Nederland en de EU als terroristische organisaties zijn aangemerkt. De brieven van mei en juni 2020 van UKLFI zijn door het Ministerie van Buitenlandse Zaken beantwoord op 20 juli 2020. Dit antwoord wordt als bijlage bij deze brief gevoegd3.
Wilt u in kaart brengen welke door Nederland gesubsidieerde organisaties, zoals de UAWC, banden hebben met terreurgroepen, en de financiering van deze organisaties zo snel mogelijk stopzetten?
Fondsen van Nederland worden pas verstrekt zodra zorgvuldige beoordelingsprocedures zijn doorlopen. Conform internationale en Nederlandse audit richtlijnen vindt er toezicht plaats gedurende de uitvoering van de programma’s en vindt er controle plaats op de daadwerkelijke uitvoering van projecten. Beschuldigingen van steun aan terroristische organisaties worden door Nederland uitermate serieus genomen en individueel onderzocht en beoordeeld. Indien wordt geconstateerd dat er sprake is van schending van de (subsidie)voorwaarden worden maatregelen getroffen, waarbij het opschorten of beëindigen van de bijdrage vanzelfsprekend tot de mogelijkheden behoort (zie ook de antwoorden op Kamervragen van de leden Ten Broeke, Van der Staaij en Voordewind d.d. 30 augustus 2018, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 3027).
Wilt u tevens zo snel mogelijk de directe of indirecte financiering van organisaties, die op basis van hun doelstellingen of middels hun activiteiten een boycot van, of sancties tegen Israël nastreven of bevorderen, beëindigen, in het bijzonder van organisaties die daarin een voortrekkersrol spelen?2
Het kabinet is tegen een boycot van Israël en streeft naar versterking van de economische relaties met Israël binnen de grenzen van 1967. Het kabinet hanteert de strikte lijn dat Nederland geen activiteiten financiert die Boycott, Divestment and Sanctions (BDS-beweging) tegen Israël propageren.
Het feit dat organisaties de beweging die oproept tot Boycott, Divestment and Sanctions (BDS-beweging) ondersteunen is voor het kabinet geen afwijzingscriterium voor financiering van deze organisaties, aangezien uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en bevestigd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in diens uitspraak op 11 juni jl.
Het lekken van data van slachtoffers van mensenhandel |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Data slachtoffers mensenhandel op internet gezet»?1
Ja
Wat was de aard en omvang van de gegevens die online zijn gezet?
De gegevens betroffen informatie omtrent meldingen door het COA van signalen over mensenhandel en -smokkel. Het document in kwestie bevat 1185 meldingen van signalen over mensenhandel en -smokkel uit de periode 1 februari 2017 tot en met 11 februari 2020, waarvan 87 met betrekking tot asielzoekers met de Nigeriaanse nationaliteit. Omdat de persoonsgegevens van de Nigeriaanse asielzoekers gewit waren, konden deze niet uit het document gehaald worden. De gegevens van de niet-Nigeriaanse asielzoekers die verborgen waren gemaakt konden, zo bleek achteraf, echter zichtbaar gemaakt worden. Persoonsgegevens met betrekking tot deze groep konden dus achterhaald worden.
In het document staan de namen, geboortedata en de nationaliteiten van mogelijke slachtoffers, daders en getuigen van mensenhandel of -smokkel. In voorkomende gevallen worden gegevens over voertuigen in het kader van een melding genoemd. Ook de COA locatie waar er is gesignaleerd, wordt in het bestand genoemd en in sommige gevallen worden daarnaast ook de namen van COA-medewerkers genoemd. Omdat het een lijst met signalen van mensenhandel en -smokkel van het COA betreft, omvat het document in de regel geen asielgerelateerde of medische informatie. Het feit dat door dit datalek bepaalde (persoons)gegevens openbaar zijn geworden kan in individuele gevallen echter mogelijk gevolgen hebben voor lopende asielaanvragen. Zie hieromtrent ook mijn antwoord op vraag 7.
Zie ook de brief die ik uw Kamer heb gezonden op 24 juni jl.2
Hoe kon het dat deze informatie tot twee keer toe op internet kwam te staan? Kunt u een feitenrelaas over deze gang van zaken geven?
In mijn brief aan uw Kamer van 24 juni jl. heb ik een uitgebreide
weergave van het feitelijk verloop van deze zaak uiteengezet. Kortheidshalve verwijs ik u daarnaar.
Heeft of gaat het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) de mensen van wie de gegevens gelekt zijn, persoonlijk daarvan op de hoogte stellen? Zo ja, wat is de stand van zaken dienaangaande? Zo nee, waarom niet?
Na het melden van het datalek heeft het COA een uitgebreide analyse op het bewuste document gedaan, met daaraan gekoppeld een risicoprofiel. De analyse en het risicoprofiel zijn met de relevante COA-opvanglocaties gedeeld, waarna de locaties de betrokkenen zoveel mogelijk persoonlijk informeren.
Het COA heeft inmiddels met het merendeel van de betrokkenen contact gezocht. In die gevallen waarin dat mogelijk was persoonlijk, anders via berichten op de website, per brief of per mail. Daarbij moet wel het voorbehoud gemaakt worden dat, hoewel het COA zich maximaal inzet om met iedereen contact te leggen, niet alle betrokkenen (nog) bij het COA of zelfs in Nederland verblijven en hun huidige contactgegevens dan ook niet altijd bekend zijn. Mede daarom heeft het COA via zijn website en op social media een nieuwsbericht geplaatst over het datalek. Op de speciale bewonerswebsite van het COA (MyCOA.nl) worden de asielzoekers in meerdere vreemde talen over het datalek geïnformeerd.
Kunt u uitsluiten dat de inmiddels van het internet afgehaalde gegevens voor die tijd door derden al zijn opgeslagen? Zo ja, hoe kunt u dit uitsluiten? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek van het COA blijkt dat 11 succesvolle downloads van dit document zijn geregistreerd vanaf 7 IP-adressen. Het COA heeft getracht te achterhalen wie vanaf deze IP-adressen het document gedownload hebben, maar dat bleek niet meer mogelijk. Wel monitort het COA de komende tijd of het bestand op internet terugkomt.
Daarnaast is contact gelegd met de betrokken journalisten. Zij hebben aangegeven het document alleen voor eigen onderzoek te gebruiken, niet met derden te delen en het na het onderzoek te zullen zal vernietigen.
Acht u het mogelijk dat door dit datalek toch al kwetsbare slachtoffers van mensenhandel nog kwetsbaarder zijn geworden of in gevaar kunnen komen? Zo ja, wat gaat u doen om deze slachtoffers extra te beschermen? Zo nee, hoe kunt u dit dan uitsluiten?
In het gesprek dat het COA met betrokkenen heeft, zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, wordt stil gestaan bij mogelijke maatregelen, voor zover die nodig zijn. Dit is altijd maatwerk en kan gaan om maatregelen die binnen de mogelijkheden van het COA liggen maar ook om maatregelen die betrokkene zelf kan nemen. Daarnaast kan bijvoorbeeld gewezen worden op de mogelijkheid van slachtofferhulp, psychische ondersteuning, etc.
Deelt u de mening dat, indien slachtoffers van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting door deze datalek grotere risico’s zijn gaan lopen, dat van invloed moet zijn op het toekennen van een verblijfstatus in Nederland? Zo ja, waarom en hoe zijn de regels in dit verband? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u deze slachtoffers dan wel helpen?
Voor slachtoffers van mensenhandel geldt in het algemeen dat zij in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning indien zij aangifte hebben gedaan van mensenhandel en waarna vervolging door het OM is ingesteld. Bij een eventueel sepot geldt dat een slachtoffer van mensenhandel een verblijfstatus wordt verleend (behoudens contra-indicaties), indien hij of zij heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij of zij Nederland verlaat. In ieder geval wordt bij deze beoordeling gekeken naar risico’s van represailles in het land van herkomst bij terugkeer, het risico van vervolging in het land van herkomst en de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie. Indien in een individueel geval aannemelijk is gemaakt dat door het datalek sprake is van een verhoging van deze risico’s of een beperking van de mogelijkheden van herintegratie, dan kan dat van invloed zijn op het toekennen van een verblijfstatus.
Voor lopende asielaanvragen geldt dat momenteel overleg plaatsvindt tussen het COA en de IND om te inventariseren welke gevolgen dit mogelijk heeft. Elke asielaanvraag wordt, conform het huidige kader, beoordeeld op zijn eigen, individuele gronden. Indien uit een individueel geval blijkt dat als gevolg van het datalek een asielzoeker een risico loopt op vervolging of ernstige bedreiging van zijn persoon dan wordt dat meegenomen in de beslissing omtrent zijn aanvraag.
Zijn er door het publiceren van deze gegevens strafrechtelijke onderzoeken verstoord? Zo ja, wat is de aard en omvang van die verstoring? Zo nee, hoe weet u zeker dat dit niet het geval is?
Momenteel vindt ook overleg plaats tussen het OM en de Politie om vast te stellen welke gevolgen dit heeft voor lopende processen en onderzoeken. Momenteel is nog niet duidelijk welke omvang dit precies heeft.
Het bericht ‘Hoe beveiligers van Thierry Baudet met geweld een demonstrant onschadelijk maken’ |
|
Kathalijne Buitenweg (GL), Nevin Özütok (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe beveiligers van Thierry Baudet met geweld een demonstrant onschadelijk maken»?1
Ja.
Is het juist dat een demonstrant uit het artikel door particuliere (persoons)beveiligers met gebruik van fysiek geweld belemmerd is in zijn recht op demonstratie?
Het in goede banen leiden van demonstraties, onder meer door het stellen van voorschriften en beperkingen, is op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) een bevoegdheid van het lokale gezag. Volgens de berichtgeving in de media ging het hier evenwel om een eenmansprotest, een dergelijk protest valt in principe niet onder het bereik van de Wom.
In algemene zin geldt dat het handhaven van de openbare orde en veiligheid taken zijn van de overheid en niet van individuele burgers, waartoe ook particuliere beveiligers moeten worden gerekend. De bij het protest betrokken persoon heeft van het voorval aangifte gedaan bij de politie.
Deelt u de mening dat politici, politieke partijen en welke organisatie of individu dan ook de demonstratievrijheid niet zelfstandig mogen inperken en dat de demonstratievrijheid alleen door het bevoegde gezag op grond van de Wet op de openbare manifestaties kan worden ingeperkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat particuliere beveiligers – die niet meer bevoegdheden hebben dan iedere andere burger – demonstranten hardhandig met fysiek geweld het demonstreren onmogelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Het geweldsmonopolie ligt bij de overheid. Het gebruik van geweld door andere personen of organisaties is verboden en onacceptabel. Particuliere beveiligers hebben, net als iedere andere burger, geen bevoegdheid tot het aanwenden van geweld.
Zijn u meer incidenten met particuliere (persoons)beveiligers bekend? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit de afgelopen 5 jaar is gemeld en hoeveel aangiftes hiervan de afgelopen 5 jaar zijn binnengekomen?
Eventuele incidenten met particuliere (persoons)beveiligers worden niet apart geregistreerd door de politie. Derhalve kan deze informatie niet eenvoudig en automatisch uit de politiesystemen worden gegenereerd.
Bent u bereid om maatregelen te nemen tegen de beveiligingsbedrijven waarvan medewerkers of ingehuurde particuliere (persoons)beveiligers zich bij herhaling schuldig maken aan strafbare feiten? Zo ja, welke maatregelen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
Bij overtreding van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) kunnen diverse maatregelen worden genomen. Zo kunnen er bestuurlijke boetes tot € 11.250,- worden opgelegd en waar nodig kan ook worden overgegaan tot intrekking van de vergunning in het kader van de Wpbr. Dit laatste betekent sluiting van het bedrijf.
Beveiligingsorganisaties zijn onderwerp van toezicht vanuit de politie en de Dienst Justis. De politie screent particuliere beveiligers, verleent toestemming om binnen de branche te mogen werken en houdt toezicht. De Dienst Justis verleent de vergunningen voor particuliere beveiligingsorganisaties en toestemming om met de leiding van zo’n organisatie te mogen worden belast.
Het bericht dat er grootschalige handel plaatsvindt in privégegevens verkregen via callcenters |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de grootschalige handel in privégegevens, verkregen door corrupte callcentermedewerkers?1
Ja, ik ben op de hoogte van het bericht.
Zijn er gevallen bekend dat op deze manier informatie is verkregen van callcenters van overheidsinstanties, zoals de Belastingtelefoon, het UWV en DUO?
Zowel de BelastingTelefoon, het UWV en DUO melden dat er geen gevallen bekend zijn dat op deze manier informatie is verkregen via callcenters van deze overheidsinstanties.
Hoeveel externe inhuur is er bij de callcenters van de grote overheidsinstanties als eerder genoemd?
Bij de BelastingTelefoon werken ongeveer 1350 extern ingehuurde medewerkers op het klantcontactcenter. Dit is circa 55% (peilmoment juli 2020).
Bij het UWV werken ongeveer 600 extern ingehuurde medewerkers op het klantcontactcenter. Dit is circa 50% (peilmoment juli 2020).
Het percentage externe inhuur is op dit moment hoger dan normaal bij het klantcontactcenter. Dit komt doordat er voor de uitvoering van tijdelijke COVID-19 overbruggingsmaatregelen als de NOW (Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid) en TOFA (Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten), extra flexkrachten zijn ingestroomd. De aantallen van april 2020 zijn representatiever. In april werkten 391 flexkrachten op het callcenter. Dit was toen circa 40%.
Bij DUO werken ongeveer 80 extern ingehuurde medewerkers op het klantcontactcenter. Dit is circa 20% (peilmoment juli 2020).
Hoeveel procent van de mensen die werken bij de callcenters van de grote overheidsinstanties, werkt op basis van een tijdelijke aanstelling?
De BelastingTelefoon meldt dat minder dan 1% van de interne medewerkers een tijdelijke aanstelling heeft (peilmoment juli 2020).
UWV meldt dat circa 5% van de interne medewerkers op het klantcontactcenter een tijdelijke aanstelling heeft (peilmoment juli 2020).
DUO meldt dat geen van de interne medewerkers van het klantcontactcenter een tijdelijke aanstelling heeft (peilmoment juli 2020).
Hoeveel procent van de mensen die werken bij de callcenters van de grote overheidsinstellingen, verdient meer dan 1.991 euro bruto per maand?
Bij de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van € 1.991,– bruto per maand op basis van een fulltime dienstverband.
Zowel de BelastingTelefoon als het UVW melden dat alle medewerkers meer verdienen dan € 1.991,– bruto per maand, op basis van een fulltime dienstverband.
DUO meldt dat 95% bij het klantcontactcenter meer verdient dan € 1.991,– bruto per maand.
De aangeboden petitie/brandbrief draf- en rensport |
|
William Moorlag (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de petitie/brandbrief draf- en Rensport die op 23 juni is aangeboden aan de Tweede Kamer en kent u de brief die de voorzitter van de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport heeft doen toekomen aan de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân?1
Ja.
Is er naar uw oordeel een draagkrachtige motivering om selectieproeven voor de draf- en rensport te blijven verbieden, in ogenschouw nemende dat de Stichting Draf- en Rensport een getoetst protocol heeft opgesteld, de activiteiten in de buitenlucht plaatsvinden waarbij anderhalf meter afstand houden mogelijk is, er geen publiek aanwezig is en gegeven de situatie dat deze activiteiten in heel Europa wel zijn toegestaan? Zo ja, welke is dat? Zo nee, op welke gronden kan een verbod zonder draagkrachtige motivering naar uw oordeel dan in stand blijven?
Met de aangekondigde versoepeling van maatregelen per 1 juli zijn er geen medisch-inhoudelijke redenen meer om wedstrijden te verbieden. Dat geldt dus ook voor selectieproeven.
Ziet u mogelijkheden om de activiteiten van de draf- en rensport op korte termijn toe te staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, indien u niet zelf niet over de mogelijkheid daartoe beschikt, bereid inspanningen te plegen om te bevorderen dat de beperking op de activiteiten van de draf- en rensport worden opgeheven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Gezien het antwoord op vraag 2 en 3 acht ik dat op dit moment niet nodig.
Bent u bereid bovenstaande vragen te beantwoorden voor het coronadebat dat op 25 juni 2020 plaatsvindt?
Dit is helaas niet gelukt.
De gang van zaken rondom de demonstratie d.d. 21 juni 2020 op het Malieveld tegen de anderhalvemetersamenleving |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bevatten de noodverordeningen inzake corona die van kracht zijn, een beperking van het grondwettelijk recht om te demonstreren? In welke mate is het toegestaan om middels noodverordeningen het recht om te demonstreren in te perken?
De huidige noodverordeningen ter bestrijding van covid-19 bevatten geen beperking van het recht om te demonstreren. De Wet openbare manifestaties (Wom) is daarop van toepassing gebleven.
Voor de regulering van demonstraties geldt derhalve de normale procedure op grond van de Wom. Bij toepassing van artikel 39 Wet veiligheidsregio’s is in crisissituaties niet de burgemeester, maar de voorzitter van de veiligheidsregio het bevoegde gezag om toepassing te geven aan de Wom. Bij demonstraties moet de in de noodverordeningen voorgeschreven veilige afstand van 1,5 meter worden aangehouden. Dit wordt niet beschouwd als een beperking van het demonstratierecht, omdat een redelijk gebruik van dit grondrecht mogelijk blijft.
Er zijn situaties denkbaar waarin verdergaande regels en bevelen inzake demonstraties vereist zijn dan de Wom mogelijk maakt. De toepassing van noodbevoegdheden op grond van de Gemeentewet, zoals het uitvaardigen van een noodverordening, behoort in dergelijke – uitzonderlijke – omstandigheden tot de mogelijkheden.1
Kent u de kennisgeving d.d. 10 juni 2020 die is gedaan ten aanzien van de demonstratie d.d. 21 juni 2020 op het Malieveld tegen de anderhalvemetersamenleving?
Van een demonstratie moet op grond van de Wom worden kennisgegeven aan het lokale gezag, dat verantwoordelijk is voor het in goede banen leiden van demonstraties. Bewindspersonen komen terzake geen bevoegdheden toe, om die reden wordt door ons niet beschikt over een kennisgeving.
Hoe verklaart u dat de gemeente Den Haag naar buiten heeft gebracht dat de organisatie 100 demonstranten had aangemeld, terwijl op grond van de kennisgeving van meet af aan rekening werd gehouden met 50.000 demonstranten?
Het lokale gezag, in dit geval plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden, legt desgevraagd verantwoording af over de uitoefening van zijn bevoegdheden aan de gemeenteraad en eventueel aan de rechter. Het is niet aan mij een oordeel te geven over de wijze waarop het lokale gezag in dit geval is omgegaan met zijn verantwoordelijkheid en een kennisgeving van een demonstratie heeft beoordeeld.
Heeft u op enig moment op enige wijze contact gehad met de burgemeester van Den Haag omtrent de demonstratie? Zo ja, wilt u een chronologisch overzicht verstrekken van de aard en inhoud van deze contacten? Heeft u op enig moment contact gehad met de burgemeesters van Maastricht, Utrecht, Amsterdam omtrent (voorgenomen) demonstraties van de organisatie Viruswaanzin? Zo ja, wilt u een chronologisch overzicht verstrekken van de aard en inhoud van deze contacten?
Zoals aangegeven is het lokaal gezag verantwoordelijk voor de besluitvorming rondom demonstraties. Bewindspersonen hebben daarbij geen rol. Er is geen sprake van dat zij maatregelen goedkeuren of richting geven.
Is het toegestaan om een demonstratie in het geheel te verbieden, indien er ook minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn?
Op grond van de Wom is het lokale gezag bevoegd om voorschriften of beperkingen te stellen aan een demonstratie en deze in het uiterste geval te verbieden of te beëindigen. Dit mag uitsluitend als dit noodzakelijk is in verband met de bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Een verbod is dus een ultimum remedium en pas aan de orde als minder ingrijpende (geschikte) maatregelen niet mogelijk zijn.
Gegeven de grootte van het Malieveld, wat is uw inschatting van het aantal demonstranten dat zou kunnen deelnemen aan een protest, met inachtneming van de anderhalve meter?
Het faciliteren en reguleren van demonstraties is een bevoegdheid van het lokale gezag. Het is dan ook aan het lokale gezag om de (on)mogelijkheden voor het houden van een demonstratie aan de hand van de plaatselijke omstandigheden te beoordelen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de kennis van de lokale situatie. Het lokale gezag legt over die beslissing verantwoording af aan de gemeenteraad en eventueel aan de rechter. Het is niet aan mij om hierover een oordeel te geven.
Ik verwijs naar de brief d.d. 23 juni jl.2 die het college van burgemeester en wethouders over de demonstraties op 20 en 21 juni aan de Haagse gemeenteraad heeft gestuurd.
Waarom is de demonstratie op voorhand in het geheel verboden? Waarom gebeurde dit pas op het allerlaatste moment? Is er met de organisatie overlegd over bepaalde aanpassingen aan de plannen om de demonstratie wel te kunnen toestaan?
Zie antwoord vraag 6.
Is de bewering van de organisatie juist dat de NOS eerder op de hoogte was van de uitspraak van de rechter op vrijdag 19 juni dan de organisatie zelf? Zo ja, hoe verklaart u dat?
Deze bewering is mij niet bekend en ik ben ook niet op de hoogte van de juistheid hiervan.
Heeft de organisatie zich bereid getoond aanpassingen aan de aard of de inhoud van de demonstratie door te voeren, zoals bijvoorbeeld het maximeren van het aantal bezoekers, het schrappen van sprekers of programma-onderdelen, zoals muziek, of het inkorten van het programma?
Zoals hiervoor vermeld betreft het een lokale aangelegenheid. Desgevraagd legt het lokale gezag verantwoording af aan de gemeenteraad over de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het is niet aan mij om daarin te treden.
Is het correct dat het contact van de organisatie met de burgemeester verliep via de politie en staatsbosbeheer? Zo ja, heeft de gemeente de moeite genomen om zelf in contact te treden met de organisatie? Zo nee, gegeven de grote bezwaren die de gemeente had, die volgens de organisatie niet gedeeld werden door de politie, waarom is de gemeente dan niet direct in contact getreden met de organisatie? Begrijpt u dat dit de indruk wekt dat de gemeente nooit van zins is geweest om mee te werken aan het protest?
Zie antwoord vraag 9.
Is het waar dat contact met de organisatie al die tijd via één contactpersoon bij de politie verliep en dat de organisatie pas op 19 juni, de dag van de uitspraak van de rechter, voor het eerst met de politie om tafel gingen? Zo ja, waarom is niet eerder met de organisatie om tafel gegaan?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft de politie een positief advies gegeven aan de gemeente over het protest? Zo ja, wat zijn dan de overwegingen geweest om dat advies niet over te nemen? Is bij het advies van de politie aan de gemeente überhaupt sprake geweest van een maximumaantal bezoekers? Zo ja, hoe hoog lag dat aantal?
Zie antwoord vraag 9.
Mag de verwachting dat «harde kern»-voetbalsupporters aan een demonstratie wensen deel te nemen, bepalend zijn voor het besluit om een demonstratie te verbieden? Zo ja, betekent dit dat «harde kern»-voetbalsupporters een beperkt recht hebben om te demonstreren tegen beleid van de overheid?
Het recht om te demonstreren is een fundamenteel grondrecht en geldt voor iedereen gelijkelijk. Een demonstratie mag in het uiterste geval worden verboden, maar uitsluitend als dit noodzakelijk is in verband met de bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De achtergrond van een demonstrant zal op zichzelf niet bepalend zijn voor het verbieden van een demonstratie door het lokale gezag, maar kan wel een factor zijn die meeweegt bij een goede risico-inschatting.
Erkent u dat het grondwettelijk recht om te demonstreren ook inhoudt dat vreedzame demonstranten niet mogen worden aangehouden wegens het enkele feit dat een demonstratie verboden was? Zo ja, hoe heeft het kunnen gebeuren dat de burgemeester van Den Haag opdracht heeft gegeven om vreedzame demonstranten wegens dit enkele feit aan te houden?
Op grond van artikel 11 van de Wom is het strafbaar om deel te nemen aan betogingen waarvoor een verbod is gegeven. Indien demonstranten in weerwil van een verbod (blijven) demonstreren kan onder gezag van de officier van justitie daartegen strafrechtelijk worden opgetreden. Hierover vindt afstemming plaats binnen de driehoek. Zie verder het antwoord op de vragen 6, 7, 9, 10, 11 en 12.
Waarom gaf de burgemeester op 21 juni 2020 rond 13.00 uur ineens toch toestemming voor een demonstratie? Aan wie en op welke wijze is die toestemming verleend? Hoe is het mogelijk dat de organisatie dit uit de media heeft moeten vernemen? Wat betekent dit voor de mensen die voor die tijd al waren aangehouden wegens het enkele feit dat zij demonstreerden terwijl dit verboden was? Betekent dit dat zijn eerdere beslissing om de demonstratie in het geheel te verbieden, bij nader inzien onnodig ver ging? Waarom gold de uiteindelijke toestemming voor slechts 30 minuten?
Zie het antwoord op de vragen 6 en 7 en 9, 10, 11 en 12.
Heeft u kennisgenomen van de beelden van de demonstratie, waarop te zien is dat door de politie geweld wordt gebruikt tegen vreedzame demonstranten? Op grond van welke instructies of aanwijzingen handelden deze agenten? Hoe beoordeelt u dit politieoptreden?
De driehoek stelt, op basis van vooraf geformuleerde beleidsuitgangspunten, tolerantiegrenzen vast. Deze vormen de basis voor het politieoptreden tijdens een demonstratie. Het gebruik van geweld door de politie is aan strenge randvoorwaarden gebonden. In bovengenoemde brief van 23 juni jl. is aan de gemeenteraad van Den Haag verantwoording afgelegd over het politieoptreden.
Bent u bekend met de beelden waaruit blijkt dat personen die eruitzien als demonstranten, zich ophouden in en rondom een politievoertuig? Kunt u bevestigen dat dit agenten in burgerkleding («stillen») zijn? Zo ja, welke instructies en aanwijzingen hebben deze «stillen» gekregen? Welke regels gelden er omtrent de inzet van «stillen» rondom demonstraties? Kunt u uitsluiten dat «stillen» op enige wijze de demonstranten hebben opgeruid?
Over de eventuele inzet van agenten in burger doe ik in beginsel geen mededelingen.
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat leden van de aanhoudingseenheid deel uitmaken van de ME. De aanhoudingseenheid is geoefend en uitgerust om bij (grootschalige) ordeverstoringen waarnemingen te verrichten en daarbij ordeverstoorders aan te houden.
Welke aanwijzingen of instructies heeft de burgemeester van Den Haag direct of indirect aan de politie gegeven rondom de demonstraties van 20 en 21 juni op het Malieveld? Wilt u hiervan voor beide dagen afzonderlijk een chronologisch overzicht verstrekken? Hoe verhouden deze instructies zich tot de coulance-instructies van de Eindhovense burgemeester Jorritsma aan de politie bij een Black Lives Matter (BLM)-demonstratie begin juni?
De politie handelt bij het handhaven van de openbare orde onder de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, in genoemde gevallen de (plaatsvervangend) voorzitters van de veiligheidsregio. Zoals in de antwoorden hiervoor geschetst betreft het een (boven)lokale verantwoordelijkheid en is het niet aan mij om een oordeel te geven over de wijze waarop het lokale gezag met zijn bevoegdheden is omgegaan.
Gezien het gegeven dat het handhaven van de anderhalve meter één van de redenen was om het protest te verbieden, hoe verhoudt dat zich tot het bij elkaar drijven van de demonstranten? Welke gevaren voor de volksgezondheid ziet u daarin?
Ik verwijs naar de brief d.d. 23 juni jl. die het college van burgemeester en wethouders over de demonstraties op 20 en 21 juni aan de Haagse gemeenteraad heeft gestuurd.
Hoe verklaart u dat de afgelopen weken alle protesten tegen vermeend racisme doorgang mochten vinden, zelfs die van een dag eerder tevens op het Malieveld, vaak zelfs indien daarbij de anderhalvemeternorm niet werd nageleefd, terwijl vrijwel alle protesten tegen de anderhalvemetersamenleving in mindere of meerdere mate zijn verboden? Begrijpt u dat dit de schijn wekt dat er anders wordt opgetreden rondom demonstraties die de overheid welgevallig zijn, dan bij demonstraties die zich tegen het overheidsbeleid richten?
Het lokale gezag maakt een inschatting van een (voorgenomen) demonstratie of manifestatie. Het lokale gezag dient zich altijd actief op te stellen om demonstreren te faciliteren, zodat het demonstratierecht zo goed mogelijk kan worden uitgeoefend. Het zal er bij iedere demonstratie van afhangen hoe een situatie zich ontwikkelt en hoe het lokale gezag de bevoegdheden – gelet ook op de vastgestelde tolerantiegrenzen – gebruikt. Juist de afwegingen die per afzonderlijke demonstratie moeten worden gemaakt maken dat situaties verschillen en niet goed met elkaar te vergelijken zijn.
Hoe verklaart u dat op maandag 1 juni, een moment in de tijd dat de Corona-maatregelen strenger waren dan zondag 21 juni, ruim 10.000 mensen, waaronder burgemeester Femke Halsema, zich op de Dam in Amsterdam mochten verzamelen voor een protest? Begrijpt u dat dit de indruk wekt dat sommige demonstraties worden toegestaan omdat ze een voor de overheid welgevallig geluid laten horen? Begrijpt u dat dit de indruk wekt dat toestemming wordt verleend op basis van politieke intentie?
Zie antwoord vraag 20.
Weet u dat de politie bij één of meerdere demonstraties tegen vermeend racisme in uniform heeft deelgenomen aan de demonstratie door samen met de andere demonstranten te knielen en de rechtervuist gebald in de lucht te houden? Zo ja, bij welke demonstraties is dit gebeurd? Waren deze agenten op dat moment aan het werk? Zo nee, waarom droegen zij dan hun uniform? Hoe beoordeelt u deze actie van de agenten?
De politie is er in de uitvoering van haar taken voor iedereen. Dat vergt een hoge mate van professionaliteit en dus van inzicht en voorzichtigheid. De politie tracht demonstraties altijd zo goed mogelijk te accommoderen.
Uitgangspunt is dat politiemensen zich onder werktijd neutraal opstellen en zich in beginsel onthouden van steunbetuigingen en standpunten bij een demonstratie, in welke vorm dan ook.
Is het agenten toegestaan om onder werktijd in de hoedanigheid van demonstrant deel te nemen aan demonstraties? Wat betekent dit voor de neutraliteit die de politie uit zou moeten stralen? Wat betekent dit voor de mate waarin zij hun werk op dat moment kunnen doen?
Zie antwoord vraag 22.
Het bericht ‘Activist Zarza neergestoken in Leeuwarden, familie vermoedt politiek motief’ |
|
Martijn van Helvert (CDA), Harry van der Molen (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Activist Zarza neergestoken in Leeuwarden, familie vermoedt politiek motief»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel zou zijn als buitenlandse mogendheden in Nederland mensen laten liquideren?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de aanval op Sadegh Zarza een politiek motief had, zoals wordt gesteld door de advocaat van de verdachte, de heer Peter Bonthuis?
Het is aan het Openbaar Ministerie om leiding te geven aan het strafrechtelijk onderzoek naar het strafbare feit en het eventuele motief. Daarbij zal ook onderzoek worden gedaan naar de persoon van de verdachte en diens achtergrond. Het onderzoek loopt op dit moment en daarom kan ik hier geen inhoudelijke mededelingen over doen. Op het moment dat resultaten kunnen worden gemeld, zal het Openbaar Ministerie dat doen.
Klopt het dat de 38-jarige verdachte van de aanval op Sadegh Zarza sinds maart in Nederland is om promotieonderzoek te doen aan het Erasmus MC in Rotterdam?
Zie antwoord vraag 3.
Is de verdachte voorafgaand aan zijn toelating aan de Erasmus Universiteit gescreend door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de bevindingen van de screening?
Inzake de screening geldt dat het kabinet geen uitspraken doet in individuele gevallen. Het kabinet ziet op dit moment voorts geen aanleiding de screeningsvoorwaarden voor Iraanse academici in Nederland breder van toepassing te verklaren. Internationale sancties die de overdracht van specifieke kennis en vaardigheden verbieden, kunnen een grondslag bieden voor een toetsing van studenten en onderzoekers. Zo zijn er sancties jegens Noord-Korea en Iran van kracht, die in het geval van Noord-Korea betrekking hebben op o.a. de overdracht van kennis die kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Noord-Korea of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens. Met betrekking tot Noord-Korea besluit de overheid op grond van de sanctieregeling Noord-Korea of een ontheffing verleend kan worden. In het geval van Iran is er een verbod op de overdracht van goederen en technologie die kan bijdragen aan de ontwikkeling van het ballistische raketprogramma en het verlenen van technische bijstand met betrekking tot deze goederen en technologie voor gebruik in Iran. De daarvoor ingerichte toetsing is erop gericht de universiteiten te ondersteunen om te voorkomen dat deze verboden worden overtreden en ongewenste kennisoverdracht plaatsvindt (Kamerstuk 30 821, nr. 100). Er wordt uitsluitend getoetst bij technische onderzoeksgebieden waar daadwerkelijk een risico bestaat op overtreding. Iedereen in de daarvoor aangewezen en specifieke onderwijs- en onderzoeksgebieden wordt getoetst, ongeacht nationaliteit. Dat geen onderscheid naar nationaliteit gemaakt mag worden heeft de Hoge Raad bevestigd in het arrest van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX8351).
Ziet u aanleiding de screeningsvoorwaarden voor Iraanse academici in Nederland breder van toepassing te verklaren dan alleen bij gevoelige technische studierichtingen, zodat alle academici afkomstig uit Iran worden gescreend?
Zie antwoord vraag 5.
Staan naar uw weten nog meer Nederlanders op de dodenlijst van het Iraanse regime? Kunnen zij op voldoende bescherming rekenen van de Nederlandse overheid?
Het kabinet doet geen mededelingen over eventuele dodelijke dreiging tegen personen, noch over mogelijke analyses of maatregelen in dat verband. De overheid is alert op dreigingen tegen personen die in Nederland wonen of verblijven. Dat betekent ook alertheid voor wat betreft druk of dreiging vanuit het land van herkomst. Wanneer er sprake is van mogelijke strafbare gedragingen, zoals bedreiging, dan roept het kabinet iedereen in Nederland op om altijd contact op te nemen met dan wel aangifte te doen bij de politie.
Welke stappen heeft u ondernomen nadat de AIVD vorig jaar bekendmaakte dat er sterke aanwijzingen waren dat Iran achter de liquidatie zat van twee Iraanse mannen in Nederland?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief d.d. 8 januari 20192 heeft het kabinet in juni 2018 diplomatieke maatregelen getroffen tegen Iran. De Iraanse ambassadeur is ontboden en twee medewerkers van de Iraanse ambassade zijn uitgezet. Deze diplomaten zijn niet uitgezet op basis van strafrechtelijk vastgestelde betrokkenheid van Iran bij de (aansturing van) de liquidaties. Zij zijn uitgezet op basis van de bevindingen van de AIVD dat Iran waarschijnlijk achter deze ernstige zaken zit. Daarmee gaf Nederland een duidelijk signaal af dat dit ontoelaatbaar is.
Op 8 januari 2019 heeft de Europese Unie, mede op voordracht van Nederland, in het kader van de EU-sanctielijst (Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB) sancties opgelegd tegen het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid (MOIS) en twee Iraanse personen. Dit betekent dat van deze entiteit en deze twee personen tegoeden en andere financiële activa zijn bevroren. Bij het afkondigen van de sancties heeft Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en België bij de Iraanse autoriteiten de ernstige zorgen overgebracht over de waarschijnlijke betrokkenheid van Iran bij deze vijandelijke acties op Europees grondgebied. Iran is te kennen gegeven dat betrokkenheid bij dergelijke zaken totaal onacceptabel is en onmiddellijk gestaakt moet worden.
Klopt het dat de twee Iraanse diplomaten die Nederland op 7 juni 2018 uitzette het land moesten verlaten vanwege de Iraanse betrokkenheid bij de liquidaties van twee Iraniërs in Nederland?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen, mocht blijken dat Iran betrokken is geweest bij de liquidatiepoging in Leeuwarden?
Daar kan ik in dit stadium niet op vooruit lopen.
Is de Minister van Buitenlandse Zaken bereid in de Europese Unie te pleiten voor zwaardere sancties tegen de personen en instanties, die bij dit soort geheime operaties betrokken zijn?
Mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken heeft mij laten weten hiertoe op dit moment geen aanleiding te zien.
Het bericht ‘Hoe moet het verder? Politieonderzoek ter discussie’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe moet het verder? Politieonderzoek ter discussie» van Prof. Dr. Piet van Reenen?1
Ja.
Bent u bekend met het rapport naar aanleiding waarvan dit artikel geschreven is: «De stand van politieresearch; inventarisatie en perspectief»?2
Ja.
Welke sturing vindt er nu en in de komende jaren plaats op het aanbesteden en uitvoeren van politie-relevant wetenschappelijk onderzoek? Wie is «aan de bal» als het gaat om het formuleren van een visie op dit onderwerp en op de regie over dit type onderzoek? U, de korpsleiding? Is er sprake van een visie op dit onderwerp, kunt u die kort beschrijven?
Visievorming, sturing en regie op het aanbesteden, begeleiden en uitvoeren van politie-relevant toegepast wetenschappelijk onderzoek voor Politie en Politieacademie vindt plaats conform artikel 94 en 95 van de Politiewet 2012, met in achtneming van artikel 84, vierde lid (de advisering door de Politieonderwijsraad) en vijfde lid (de uitbesteding door de Politieonderwijsraad) van die wet.
Dat houdt het volgende in. Ik dien samenhang en focus in het toegepast wetenschappelijk onderzoek te bewerkstelligen door minimaal eens in de vier jaar, na advies van de Politieonderwijsraad, de Strategische Onderzoeksagenda voor de politie vast te stellen. Deze komt tot stand in overleg met alle relevante stakeholders. Op basis van die agenda stelt de directeur van de Politieacademie, mede ten behoeve van de politie, zijn (door hemzelf inhoudelijk uitgewerkte) onderzoeksprogramma/jaarprogrammering vast. Naast dat onderzoeksprogramma, doch binnen de kaders van de Strategische Onderzoeksagenda voor de politie, kan de directeur van de Politieacademie ander toegepast wetenschappelijk onderzoek verrichten. De uitbesteding en begeleiding ervan neemt de (Commissie Kennis en Onderzoek (CKO) van de) Politieonderwijsraad op zich. Die commissie nodigt jaarlijks, door middel van een zogenaamde Call, onderzoekers uit om onderzoeksvoorstellen in te dienen.
Buiten de kaders van de Strategische Onderzoeksagenda voor de politie valt: het wetenschappelijk onderzoek (en ook buiten de reikwijdte van de door u genoemde publicatie) van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), het onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en onderzoek dat op sommige plaatsen binnen de politie zelf geschiedt, of door de politie zelf wordt aanbesteed. De korpschef sloot een overeenkomst voor onderzoek bij TNO en heeft een overeenkomst met, en laat net als ik op ad hoc basis onderzoek doen door, het CBS.
De sturing op wetenschappelijk politie-relevant onderzoek dat ikzelf entameer vindt plaats binnen de kaders van mijn regeling van 25 november 2019 betreffende de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC). Uw Kamer en ik doen ook onderzoeksvoorstellen, die ik voorleg aan het WODC.
De komende vijf jaar zetten de Politieacademie, de politie en ik samen in op een wetenschappelijk onderzoeksprogramma dat ziet op de evaluatie van de effecten van politieoptreden onder de noemer van What Works in Policing. In onze visie is dit nodig. Dit doen wij door tussenkomst van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) en haar instituut het Nederlands Studiecentrum voor Rechtshandhaving (NWO-i NSCR). Met de NWO sprak ik af dat bredere introductie aan Nederlandse kennisinstellingen van dit type onderzoek, onderdeel van het onderzoeksprogramma is.
Wordt dit type wetenschappelijk onderzoek ingezet op specifieke problematiek, geformuleerd door u, de (operatie van de) politie, of is er ook ruimte voor vrijer academisch onderzoek? Hoe wordt die ruimte in de toekomst gegarandeerd, ook financieel?
Het onderzoek bij de Politieacademie, WODC, TNO, CBS en NWO-i NSCR wordt voornamelijk ingezet op specifieke, door mij of de Politie(academie), vooraf geformuleerde onderzoeksvragen. Daarnaast vullen al deze kennisinstellingen ook zelf de vrije onderzoeksruimte in waarover zij beschikken. Er is daarmee ruimte voor vrijer academisch onderzoek. Ik ben met de NWO nadrukkelijk overeengekomen om de helft van het beoogde NWO-i NSCR-onderzoeksprogramma ongebonden te laten zijn, juist om mij en de politie een onafhankelijke kritische spiegel voor te houden.
Klopt het dat er in 2018 een onderzoek is gedaan naar het gebruik van de uitkomst van wetenschappelijk onderzoek door de politie? Wat was de uitkomst van dat onderzoek (quick scan) en welke lessen zijn daaruit geleerd?
In 2018 is de Strategische Onderzoeksagenda 2015–2019 van de Politieacademie geëvalueerd. «Het onderzoek van de Politieacademie: Quick scan van de benutting van onderzoek uitgevoerd in het kader van de strategische onderzoeksagenda 2015–2019 van de Politieacademie». De voornaamste les die hieruit is geleerd, is de noodzaak van het voorafgaand aan de start van onderzoek regelen van doorwerking van de resultaten van dat onderzoek. Dit heeft haar weg gevonden in de Strategische Onderzoeksagenda voor de politie.
Klopt het dat er al een meerjarenagenda voor onderzoek bestaat bij uw ministerie en dat er een vierjarige onderzoeksagenda van de politie en de politieacademie is? Hoe zijn die tot stand gekomen, hoe worden die gemonitord? Kunt u bij de beantwoording van deze vragen een exemplaar van beide agenda’s meezenden naar de Kamer?
Een meerjarenagenda voor specifiek politieonderzoek is er nog niet op mijn ministerie, er is wel een algemene JenV Strategische Kennis, Innovatie en Onderzoeksagenda. Een onderzoeksagenda ondermijning is in de maak. De totstandkoming en monitoring van de Strategische onderzoeksagenda voor de politie verloopt conform de wetsartikelen genoemd bij vraag 3.
De vierjarige onderzoeksagenda Strategische Onderzoeksagenda voor de politie en de Onderzoeks- of Jaarprogrammering van de Politieacademie zend ik mee in de bijlagen van deze brief. 3
Op welke wijze zijn wetenschappelijke onderzoeken en ervaringen in het buitenland van invloed op de onderzoeksagenda van het Nederlandse wetenschappelijke politie-relevante onderzoek? Deelt u de opvatting dat veel te leren is van de ontwikkelingen in landen als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk?
Ik deel de opvatting dat er bijzonder veel is te leren van de wetenschappelijke ontwikkelingen in voornamelijk Angelsaksische landen. Op dit moment is Nieuw-Zeeland voorloper, waar de politie zelf een Evidence Based Policing Centre heeft. Zij onderzoekt binnen dat centrum systematisch, samen met een universiteit, een strategische private partner en een kennisinstelling, de effecten van haar eigen handelen om daarvan te leren. De start van het onderzoeksprogramma bij het NOW-i NSCR is een concrete uiting van de introductie van onderzoek en ervaring uit het buitenland.
Wat is de rol van het programma Politie en Wetenschap als het gaat om politie-relevant wetenschappelijk onderzoek?
Het gaat hier om het werk van de Commissie Kennis en Onderzoek van de Politieonderwijsraad. Binnen de kaders van Strategische Onderzoeksagenda van de politie, selecteert deze commissie het onderzoek dat haar bereikt naar aanleiding van de door haar zelf geformuleerde Call. De Call is een openbare oproep tot indienen van onderzoek ideeën.
Nieuwe miljoenenfraude bij Vestia |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Weer miljoenenfraude bij Vestia»?1
Deelt u de opvatting dat fraude en corruptie onaanvaardbaar is?
Hoe heeft de fraude kunnen plaatsvinden?
Op welke punten moeten het toezicht, de bestuursstructuur en de cultuur bij Vestia worden verbeterd om fraude in de toekomst te voorkomen?