Het bericht dat de regering van Curaçao gevangenen met een enkeltje naar Nederland wil sturen |
|
Eric Lucassen (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het bericht «Curaçao wil gevangenen uit Bonaire terugsturen»?1
Ja
Hoe beoordeelt u de manier waarop de regering van Curaçao hierover communiceert? Bent u van plan de regering van Curaçao tot de orde te roepen? Zo nee, waarom niet?
Curaçao biedt op dit moment een tijdelijke oplossing voor gedetineerden die uit veiligheidsoogpunt niet direct op Bonaire konden worden geplaatst. Het betreft een groep van 22 gedetineerden die hun delicten vóór 10 oktober 2010 hebben gepleegd op Bonaire en ook vóór die datum veroordeeld zijn onder Nederlands Antilliaans recht. De Minister van Justitie van Curaçao heeft bij mij aangegeven dat deze situatie niet langer verantwoord is en heeft mij verzocht bij te dragen aan een oplossing. Aangezien een verder verblijf in detentie op Curaçao of Bonaire vanwege dringende redenen van veiligheid van vijf gedetineerden onverantwoord is, heb ik – mede vanuit het oogpunt van slachtoffers en nabestaanden – besloten hen vóór 22 december 2011 gefaseerd over te plaatsen naar Nederland. Zodra de nieuwbouw van de gevangenis op Bonaire gereed is (2015) en daarmee de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen gegarandeerd zijn, zullen deze gedetineerden naar Bonaire worden overgebracht. De overige 17 gedetineerden zullen te beginnen op 5 september 2011 gefaseerd overgeplaatst worden naar Bonaire. Aangezien Curaçao een tijdelijke oplossing biedt voor de gedetineerden die niet direct op Bonaire kunnen worden geplaatst, betaalt Nederland aan Curaçao een bedrag van maximaal 720 000 Nederlands Antilliaanse guldens voor de huisvesting van deze gedetineerden gedurende de periode tot 22 december 2011. Alle 22 gedetineerden zullen de laatste periode van hun detentie op Bonaire doorbrengen.
Welke mogelijkheden heeft Nederland om te voorkomen dat Curaçao gevangenen met een enkeltje naar Nederland stuurt? Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Curaçao dit dreigement ten uitvoer brengt? Kunt u garanderen dat deze gevangenen niet in Nederland worden gedumpt?
Zie antwoord vraag 2.
Welk percentage van de gedetineerden in Nederland is afkomstig uit de voormalige Nederlandse Antillen? Hoeveel daarvan zijn afkomstig uit Curaçao?
Op het peilmoment 17 augustus 2011 was 7,2% van de strafrechtelijk gedetineerden in Nederland afkomstig uit de voormalige Nederlandse Antillen. Van die 7,2% (852 gedetineerden) was 85,3% afkomstig uit Curaçao (727 gedetineerden).
Bent u, wanneer Curaçao dit plan doorzet, bereid om deze gedetineerden dan ook met een enkele reis terug te sturen naar het eiland waar ze vandaan komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Fouten in het computersysteem van de politie |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Waarom staan zeker 8 000 personen die zijn overleden in de computersystemen van de politie?1
Het onderzoek «De Staat van Informatie» van de Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vormt de basis voor berichtgeving in de media. De onderzoekers hebben het voorbehoud gemaakt dat uit het onderzoek niets valt af te leiden over de werking van het operationele HKS. Het onderzoek was namelijk gericht op het landelijk onderzoeksbestand van HKS, een archiefbestand. De berichtgeving in de media lijkt ten onrechte uit te gaan van de veronderstelling dat de conclusies zien op het operationele deel van het HKS waardoor betrokken burgers mogelijk last ondervinden.
De WRR heeft voor haar onderzoek gebruik gemaakt van per jaar «bevroren» landelijke onderzoeksbestanden van de dienst IPOL van het KLPD. Deze gegevens zijn vanwege hun aard niet getoetst op actualiteit in het operationele HKS-systeem, Het gaat om jaarlijkse extracten uit HKS, momentopnames die bestemd zijn voor statistische- en onderzoeksdoeleinden ter verkrijging van strategische inzichten. Zo kan het dus zijn dat er in de «bevroren» bestanden over de periode 1996–2008 verdachten voorkomen die thans zijn overleden of vrijgesproken. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om tot individuen herleidbare (politie)gegevens.
Aangenomen mag worden dat de 8 000 personen van wie bekend is dat zij zijn overleden en de 2 800 personen die zijn vrijgesproken, juist wél uit het operationele HKS zijn verwijderd. Betreffende personen hebben namelijk een code gekregen waardoor de gegevens automatisch binnen de wettelijke termijn worden verwijderd.
Wat het operationele deel van het HKS betreft geeft de politie aan dat wijzigingen niet in alle gevallen snel en accuraat worden ingevoerd. Ik hecht er aan dat de gegevens in het belang van de burger actueel en juist zijn. De korpsen zullen hiervoor zorg dragen.
Waarom staan zeker 2 800 personen die zijn vrijgesproken ten onrechte als verdachte of crimineel in de computersystemen van de politie?
Zie antwoord vraag 1.
Welke gevolgen kan het hebben voor mensen, dat zij ten onrechte als verdachte of crimineel in de computersystemen van de politie staan en hoe kunnen zij worden geholpen om deze gevolgen ongedaan te maken?
Uit de beantwoording van de vragen 1 en 2 moge blijken dat de betrokkene van een opname in een bevroren bestand geen negatieve gevolgen ondervindt.
Op basis van artikel 25 van de wet Politiegegevens kan op verzoek van betrokkene worden meegedeeld of en zo ja welke deze persoon betreffende politiegegevens zijn vastgelegd. Betrokkene kan dan op basis van artikel 28 van de wet Politiegegevens een verzoek doen aan de verantwoordelijke korpsbeheerder om de hem of haar betreffende politiegegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, onvolledig of niet ter zake dienend zijn. De verantwoordelijke korpsbeheerder neemt dan een beslissing op het verzoek en zorgt dat een beslissing tot verbetering aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.
Hoe kunnen mensen die ten onrechte als verdachte of crimineel staan geregistreerd uit de computersystemen van de politie worden gehaald?
Zie antwoord vraag 3.
Welke fouten staan er nog meer in het computersysteem van de politie? Welke maatregelen gaat u nemen om deze fouten zo spoedig mogelijk uit de computersystemen te verwijderen?
Ik verwijs naar de beantwoording van vraag 2.
HKS maakt onderdeel uit van het aanvalsplan ICT van de politie. Voor de langere termijn geldt dat het HKS zal deel gaan uitmaken van de nieuw te vormen basisvoorziening politie.
‘Curaçao wil gevangenen uit Bonaire terugsturen’ |
|
André Bosman (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel gevangenen uit Bonaire zijn opgesloten in een gevangenis op Curaçao?1 Hebben deze gevangenen de misdaden waarvoor ze zijn veroordeeld gepleegd op Bonaire of op Curaçao?
Er zijn thans 22 personen afkomstig uit Bonaire gedetineerd in de gevangenis in Curaçao. De betreffende gedetineerden hebben delicten gepleegd op Bonaire.
In hoeverre zijn de misdaden door de gedetineerden uit Bonaire gepleegd voor de transitie van 10 oktober 2010 in het land de Nederlandse Antillen? Kunt u aangeven of er gedetineerden uit de BES-eilanden na de transitie in gevangenissen op Curaçao en Sint-Maarten zijn beland? Zo ja, om hoeveel gedetineerden gaat het?
De betreffende gedetineerden hebben de delicten gepleegd vóór 10 oktober 2010 in het land de Nederlandse Antillen. Daarnaast is één gedetineerde uit de Justitiële Inrichting in Bonaire om veiligheidsredenen (tijdelijk) overgeplaatst naar de gevangenis in Curaçao.
Kunt u verklaren waarom deze gevangenen nog steeds vastzitten in een gevangenis op Curaçao en niet in een gevangenis op Bonaire? Wanneer verwacht u dat deze gevangenen naar Bonaire worden overgeplaatst?
Curaçao biedt op dit moment een tijdelijke oplossing voor gedetineerden die uit veiligheidsoogpunt niet direct op Bonaire konden worden geplaatst. Het betreft een groep van 22 gedetineerden die hun delicten vóór 10 oktober 2010 hebben gepleegd op Bonaire en ook vóór die datum veroordeeld zijn onder Nederlands Antilliaans recht. De Minister van Justitie van Curaçao heeft bij mij aangegeven dat deze situatie niet langer verantwoord is en heeft mij verzocht bij te dragen aan een oplossing. Aangezien een verder verblijf in detentie op Curaçao of Bonaire vanwege dringende redenen van veiligheid van vijf gedetineerden onverantwoord is, heb ik – mede vanuit het oogpunt van slachtoffers en nabestaanden – besloten hen vóór 22 december 2011 gefaseerd over te plaatsen naar Nederland. Zodra de nieuwbouw van de gevangenis op Bonaire gereed is (2015) en daarmee de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen gegarandeerd zijn, zullen deze gedetineerden naar Bonaire worden overgebracht. De overige 17 gedetineerden zullen te beginnen op 5 september 2011 gefaseerd overgeplaatst worden naar Bonaire. Aangezien Curaçao een tijdelijke oplossing biedt voor de gedetineerden die niet direct op Bonaire kunnen worden geplaatst, betaalt Nederland aan Curaçao een bedrag van maximaal 720 000 Nederlands Antilliaanse guldens voor de huisvesting van deze gedetineerden gedurende de periode tot 22 december 2011. Alle 22 gedetineerden zullen de laatste periode van hun detentie op Bonaire doorbrengen.
Zijn er in de aanloop naar 10 oktober 2010 afspraken gemaakt over gedetineerden van de BES-eilanden die vastzitten op Curaçao of Sint-Maarten? Zo ja, kunt u deze toelichten en daarbij vermelden welke eventuele kosten verbonden zijn aan deze afspraken en wie deze betaalt? Zo nee, waarom niet?
Nee. De minister van Veiligheid en Justitie is formeel niet verantwoordeljjk voor de tenuitvoerlegging van vonnissen gewezen onder het Nederlands Antilliaans recht. Een verzoek tot overdracht van gedetineerden was en is mogelijk op grond van artikel 40 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden.
Zijn er ook gevangenen die inwoner van Curaçao zijn en die in Nederland gevangen worden gehouden voor een misdaad gepleegd op Curaçao? Zijn er voorts ook gevangenen die om een andere redenen in Nederland vastzitten, maar eigenlijk op Curaçao in een gevangenis thuishoren? Zo ja, om hoeveel gevangenen gaat het en bent u voornemens om hen, in lijn met de argumentatie van de Curaçaose minister van Justitie Wilsoe, terug te sturen naar Curaçao?
Er verblijven drie gedetineerden in gevangenissen in Nederland die afkomstig zijn uit Curaçao en die daar ook zijn veroordeeld. Deze gedetineerden verblijven daar op grond van artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Een verzoek tot overdracht van deze gedetineerden naar Curaçao is dan ook niet aan de orde.
De veroudering van het HKS-register |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Register politie hopeloos verouderd»?1
Ja.
Klopt het dat de gegevens in het zogenoemde herkenningsdienstsysteem (HKS) zijn verouderd, vaak geen accurate voorstelling van zaken geven en er dus personen ten onrechte te boek staan als verdacht en crimineel? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen om ervoor te zorgen dat het systeem zo snel mogelijk weer helemaal «actueel» is?
Ik verwijs hierbij naar de beantwoording van de vragen 1 en 2 van het lid Van Raak (SP), vraagnummer 2011Z16386.
Op welke termijn zal het nieuwe systeem, dat het verouderde HKS moet vervangen, in gebruik worden genomen?
Het oude HKS zal opgaan in de nieuwe basisvoorziening Politie. Deze volledige transitie zal enkele jaren in beslag nemen.
Op welke wijze zal ervoor gezorgd worden dat de foute gegevens niet «meeverhuizen» naar het nieuwe systeem?
Voor zover er sprake is van «foute»gegevens zullen de korpsen het bestand voor
conversie schonen.
Deelt u de mening het herstel van de fouten niet nog jaren mag duren maar dat er zo spoedig mogelijk sprake moet zijn van een accuraat systeem? Zo ja, kunt u hiervoor een concrete deadline aangeven?
Zie de beantwoording van de vragen 3. en 4.
Herinnert u zich dat u op 21 juni 2011 aan de Kamer schreef: «Indien zich belangrijke veranderingen voordoen in Libië zal worden beoordeeld of het op dat moment wel mogelijk is de Libische autoriteiten om medewerking in deze zaak te verzoeken.»?1
Ja.
De Nederlandse overheid wil de openingen die de ontwikkelingen in Libië bieden, zoveel mogelijk benutten om voortgang te boeken in deze tragische kwestie. Daarover is onlangs gesproken met de grootouders van I.A. In dat gesprek is toegezegd om de zaak onder de aandacht te brengen bij het nieuwe bewind in Libië, zodra zich een mogelijkheid voordoet. Hierbij is wel de kanttekening geplaatst dat Libië op dit moment een uiterst turbulente en fragiele periode doormaakt en er nog geen sprake is van een optimaal functionerende overheid.
Bent u bereid om bij contacten met het nieuwe bewind in Libië te pleiten voor snelle uitlevering, zodat recht gedaan wordt in deze zaak?
De Nederlandse overheid blijft alert op mogelijkheden om uitlevering te realiseren. Vooralsnog verbiedt de Libische wetgeving echter de uitlevering van eigen onderdanen. Veel landen kennen een dergelijk verbod. Hoewel er een nieuw bewind is in Libië, heb ik niet de verwachting dat dit op korte termijn anders zal zijn.
Bent u bereid om het besluit om de vader niet op de nationale opsporingslijst te plaatsen te heroverwegen?
Aangezien bekend is dat betrokkene nog steeds in Libië verblijft, ziet het Openbaar Ministerie geen aanleiding dit besluit te heroverwegen. Ik verwijs hieromtrent naar de beantwoording van de door de leden Omtzigt en Van Toorenburg gestelde vragen, ingezonden op 17 juni 2011 (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2851).
Welke andere inspanningen doet u op dit moment om ervoor te zorgen dat deze man opgespoord wordt?
Het Openbaar Ministerie heeft nauwelijks mogelijkheden betrokkene in Libië op te sporen, omdat het aldaar geen opsporingsbevoegdheden heeft.
Doordat er nog geen geïnstitutionaliseerde samenwerking met het nieuwe Libische bewind bestaat en mede gelet op de voortdurende onduidelijke situatie in het land, zijn er op dít moment geen andere mogelijkheden dan het plaatsen van een nationale en internationale signalering in het opsporingsregister. Deze signaleringen hebben reeds plaatsgevonden.
De gevolgen van de bezuinigingen voor het aantal inbraken |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meer woninginbraken in juni en juli»?1
Ja.
Kunt u de in het bericht genoemde cijfers ten aanzien van het toegenomen aantal inbraken in de afgelopen maanden bevestigen? Zo nee, over welke cijfers beschikt u?
Het ANP baseert zich op voorlopige cijfers van 14 van de 25 regiokorpsen. Het door de politie geregistreerde aantal inbraken in woningen vertoont sinds enige jaren weer een licht stijgende lijn. Volgens de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is het totaal aantal geregistreerde woninginbraken: 70 245 in 2008, 73 855 in 2009 en 81 925 in 2010.
Deelt u de mening dat een toename van circa 10% zorgwekkend is? Zo ja, wat gaat u doen om het aantal inbraken te laten dalen? Zo nee, waarom niet en wat acht u dan wel zorgwekkend?
Een toename van woninginbraak is voor mij een zorgwekkend signaal. In samenspraak met het Korpsbeheerdersberaad (KBB) is een aantal landelijke prioriteiten voor de politie afgesproken. Een van deze afspraken is gericht op het bestrijden van «high impact» criminaliteit, waaronder woninginbraken.
In hoeverre draagt het aantal woninginbraken bij aan (de toename van) de onveiligheid en onveiligheidsgevoelens?
«High impact» criminaliteit zoals overvallen, geweldsmisdrijven en ook woninginbraken hebben een negatieve invloed op onveiligheidsgevoelens. In sterke mate geldt dit voor het slachtoffer zelf, maar de berichtgeving over deze «high impact» criminaliteit kan ook veiligheidsgevoelens van andere burgers, die zelf geen slachtoffer zijn geworden, beïnvloeden.
Welke maatregelen neemt u om aan de professionalisering van de inbrekers het hoofd te bieden?
De overheid stimuleert inbraakpreventie langs verschillende lijnen. In het Bouwbesluit is bepaald dat nieuw te bouwen woningen moeten voldoen aan de daarin vastgelegde vereisten van inbraakwerendheid. Met het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) wordt gestimuleerd dat mensen op vrijwillige basis veranderingen aanbrengen ter verbetering van de inbraakwerendheid van hun bestaande woning. Daarnaast wordt in het kader van het verbetertraject dat door de politie is ingezet in kaart gebracht welke extra maatregelen tegen woninginbraak getroffen kunnen worden.
Deelt u de mening dat daar waar burgers zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen ten aanzien van inbraakpreventie, zij dit ook moeten doen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat burgers geholpen en gestimuleerd moeten worden die eigen verantwoordelijkheid te nemen? Zo ja, hoe doet u dit? Acht u maatregelen in het kader van het Politiekeurmerk Veilig Wonen afdoende?
Ja. Vanuit mijn Ministerie worden burgers en bedrijven gestimuleerd om zelf verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van inbraakpreventie. Daarvoor is een reeks aan maatregelen in voorbereiding, waaronder het inrichten van een website met informatie voor burgers en bedrijven over effectieve en veelbelovende maatregelen die men zelf kan nemen tegen allerlei vormen van veelvoorkomende criminaliteit. Het PKVW sluit hier goed op aan.
Deelt u de mening dat burgers bij de aanschaf van inbraakwerende materialen steun verdienen bijvoorbeeld blijkend uit een positieve financiële prikkel zoals het verlagen van de BTW op deze materialen of andere financiële prikkels? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad goed als burgers en bedrijven die inbraakpreventieve maatregelen nemen, hiervoor worden beloond. Met een kopie van het certificaat Veilige Woning kan men bij de verzekeringsmaatschappij om een premiekorting op de inboedelverzekering vragen.
Kent u de gegevens van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid waaruit blijkt dat het tempo waarin huizen veiliger worden, aan het vertragen is? Zo ja, kunt u die gegevens met de Kamer delen? Zo nee, over welke cijfers beschikt u dan wel?
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) heeft mij medegedeeld dat sinds het Bouwbesluit van 1999 er aan de woningbeveiliging van nieuwbouwwoningen veel verbeterd is. Het aantal verstrekte PKVW certificaten neemt wel af. In de periode 2004–2005 waren dit er nog circa 60 000 per jaar, in 2010 zijn er circa 33 000 certificaten afgegeven. De daling komt deels door de afname van de productie van nieuwbouwwoningen en deels doordat veel gemeenten het PKVW niet in hun beleid hebben opgenomen en daarop controleren.
Deze cijfers zijn openbaar en te vinden op de website van het CCV (http://www.hetccv.nl/dossiers/Politiekeurmerk+Veilig+Wonen/Landelijk+-+De+effectiviteit+van+PKVW).
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat het veiliger maken van bestaande huizen vanwege bezuinigingen onder druk komt te staan? Zo ja, wat gaat u doen om die beveiliging te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
De benodigde bezuinigingen mogen niet ten koste gaan van de veiligheid in de samenleving. Burgers en bedrijven worden door het kabinet actief gestimuleerd om hun verantwoordelijkheid te nemen bij het waarborgen van de eigen veiligheid. Daarnaast zullen extra preventieve en repressieve maatregelen getroffen worden om woninginbraak tegen te gaan.
Het bericht ‘Zesvoudig moordenaar eist verlof’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zesvoudig moordenaar eist verlof»?1
Ja.
Is het waar dat de toenmalige minister en staatssecretaris van Justitie hebben besloten dat deze crimineel vanwege de ontstane commotie in de samenleving nooit verlof mag krijgen ondanks het feit dat hij naar een tbs-kliniek is overgeplaatst? Zo ja, deelt u de mening dat in dat geval de enige juiste beslissing in het door deze crimineel aangespannen kort geding is dat er geen verlof wordt toegekend en het verzoek aldus wordt afgewezen? Zo ja, bent u bereid om in te grijpen wanneer de rechter onverhoopt het verzoek zal toewijzen? Zo nee, waarom niet?
Betrokkene wordt sinds 2001 in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) behandeld voor een psychiatrische stoornis. Met het fpc is destijds afgesproken dat betrokkene als een tbs-patiënt zou worden bejegend, dus inclusief – op termijn – de mogelijkheid van verlof. Destijds waren er in het verlofbeleid geen bijzondere bepalingen ten aanzien van levenslanggestraften, die immers in beginsel alleen door gratieverlening in de maatschappij kunnen terugkeren.
In 2005 en 2007 is het verlofbeleid voor levenslanggestraften aangescherpt. Daardoor is verlof voor levenslanggestraften thans niet meer mogelijk, met een uitzondering voor incidenteel beveiligd verlof van humanitaire aard. Als gevolg hiervan is ook de verlofmachtiging voor het begeleid verlof van betrokkene destijds ingetrokken. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) oordeelde een beroepschrift van betrokkene tegen deze beslissing echter gegrond. Omdat het niet mogelijk is om tegen een uitspraak van de RSJ in hoger beroep te gaan, kan betrokkene als enige levenslanggestrafte in Nederland aanspraak maken op begeleid verlof.
Namens de Staat heeft de Landsadvocaat in kort geding, dat op 24 augustus diende, betoogd dat betrokkene geen recht heeft op een machtiging voor onbegeleid verlof. Zonder uitzicht op gratie is terugkeer naar de samenleving immers niet aan de orde. Op 9 september jl. heeft de Rechtbank te Den Haag uitspraak gedaan. De vordering van betrokkene – kortweg – inhoudende dat de Staatssecretaris een machtiging tot onbegeleid verlof zou afgeven, is afgewezen. Dat betekent dat betrokkene geen onbegeleid verlof krijgt.
Zie ook de antwoorden op de schriftelijke vragen van uw Kamer met de nummers 2009Z15192, 2009Z15194, 2010Z10886 en 2010Z10891.
Het bericht ‘Zorgpersoneel op dievenpad’ |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgpersoneel op dievenpad?1
Het bericht is mij bekend.
Klopt het dat tweederde van de diefstallen in ziekenhuizen door het eigen ziekenhuispersoneel gepleegd wordt ? Is dit in verpleeghuizen ook het geval? Zo nee, hoe ligt de verhouding tussen diefstal door personeel en personen van buitenaf in verpleeghuizen?
Er zijn mij geen cijfers bekend over diefstal door personeel in ziekenhuizen en verpleeghuizen in Nederland. De bron die vermeld wordt in het artikel, het bedrijf Trigion Beveiliging, kon de cijfers uit het artikel desgevraagd niet bevestigen.
Deelt u de mening dat het van de zotte is dat onze ouderen bestolen worden door het personeel door wie zij verzorgd worden en zodoende moeten kunnen vertrouwen?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat stelend personeel altijd op staande voet ontslagen moet worden? Zo ja, hoe wilt u dit vorm gaan geven?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat stelend personeel, net als winkeldieven, altijd een proces verbaal en een geldboete ter hoogte van 151 euro moeten krijgen?
Het bedrag van € 151 dat bij winkeldieven wordt geïnd naast een strafrechtelijke boete is een standaard schadevergoeding voor de tijd die een winkelier aan de aanhouding en afhandeling moet besteden. Zorginstellingen kunnen ook een schadevergoeding verhalen op de dader. Een standaardregeling voor zorginstellingen acht ik niet noodzakelijk.
Deelt u de mening dat dit personeel nooit meer werkzaam mag zijn in de zorg? Acht u de recent verplicht gestelde «Verklaring omtrent gedrag» voor zorgpersoneel voldoende om dit te garanderen?
Stelen van zorgcliënten is onacceptabel. Zorgpersoneel dat steelt van cliënten hoort niet werkzaam te zijn in de zorg. Het is evenwel aan zorginstellingen zelf om actie te ondernemen. Het ontslagrecht biedt voldoende mogelijkheden om stelend personeel te ontslaan. Voor nieuw aan te trekken personeel vind ik de verklaring omtrent gedrag een goed middel voor een werkgever om op de hoogte te raken van het relevante justitiële verleden van betrokkene. Daarom heb ik in de onlangs aan uw kamer verzonden nota van wijziging bij het wetsvoorstel wet cliëntenrechten zorg de verplichting voor een verklaring omtrent gedrag wettelijk verankerd.
Spookfacturen |
|
Ad Koppejan (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het probleem van spookfacturen zoals wordt vermeld in het artikel «Pak gesjoemel met spookfactuur aan»?1
Ja.
Zijn er bij de overheid klachten binnengekomen van bedrijven (merkhouders) met betrekking tot dit probleem? Zo ja, hoeveel klachten zijn dit en kunt u aangeven welke maatregelen en/of acties u hierop hebt ondernomen?
Het probleem van spookfacturen is bekend. Bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE), de officiële instantie voor de registratie van merken en modellen in de Benelux, zijn de afgelopen jaren enkele tientallen klachten per jaar binnen gekomen. Ook de Fraudehelpdesk ontvangt geregeld meldingen over dit type fraude, maar precieze aantallen hiervan zijn niet voorhanden.
Sinds september 2010 staat er een permanente waarschuwing voor misleidende facturen op de website van het BBIE. Onder de kop «pas op voor misleidende facturen» geeft het BBIE tips aan degenen die worden benaderd voor diensten die betrekking hebben op de merken die de betrokkenen bij BBIE hebben gedeponeerd. Ook NL Octrooicentrum en een aantal internationale organisaties, zoals de World Intellectual Property Office (WIPO), het Office for Harmonization in the Internal Market (OHIM) en het European Patent Office (EPO), waarschuwen op hun websites voor spookfacturen. De Fraudehelpdesk plaatst op basis van ontvangen meldingen geregeld waarschuwingen op zijn website voor notoire merkregistratie- en/of acquisitiefraudeurs. Deze waarschuwingen sorteren effect in die zin dat gewaarschuwde ondernemers minder snel slachtoffer worden van dit type fraude.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat merkregistratiefraudeurs in Nederland een paar maanden na een civiele procedure weer opduiken onder een andere naam om zo hun kwalijke praktijken voort te zetten? Deelt u de mening dat dit niet wenselijk is en derhalve dient te worden voorkomen?
Het is onwenselijk dat merkregistratiefraudeurs steeds weer opduiken onder een andere naam en zo gelegenheid vinden om door te gaan met hun praktijken. Het gaat hier vaak om goed georganiseerde fraudeurs die zich niet snel laten afschrikken. De meest effectieve manier om deze fraude te bestrijden is door bedrijven van deze praktijken bewust te maken en zo te voorkomen dat zij slachtoffer worden. De in antwoord op vraag 2 genoemde maatregelen zijn hier ook op gericht. In gevallen waarin sprake is van een strafbaar feit en gebruik wordt gemaakt van een rechtspersoon, bestaat daarnaast inmiddels de mogelijkheid om een strafrechtelijk bestuursverbod op te leggen. Verder is uw Kamer reeds toegezegd dat binnenkort een wetsvoorstel voor een civielrechtelijk bestuursverbod zal worden voorgelegd. Beide maatregelen maken het mogelijk om een fraudeur gedurende een aantal jaren uit te sluiten van het formeel of feitelijk besturen van een rechtspersoon.
Bent u bekend met het feit dat in de kleine lettertjes op de achterzijde van de spookfactuur valt te lezen dat het eigenlijk om een offerte gaat en niet om een factuur? In ons strafrecht is bepaald dat er in deze vorm geen sprake is van bedrog in strafrechtelijke zin. Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat fraudeurs op dergelijke wijze onder hun straf kunnen uitkomen?
Het is niet zonder meer juist dat dergelijke praktijken met «spookfacturen» niet strafbaar zijn. In gevallen waar naast de bewuste offertes ook sprake is geweest van mondeling of telefonisch contact kan er sprake zijn van oplichting.
De bewijsbaarheid is in dergelijke gevallen vaak wel een probleem. Ook dit is een reden om bij de aanpak van dit type fraude vooral in te zetten op preventie.
Vormt dit bericht voor u aanleiding om maatregelen te nemen zodat ondernemers zich beter kunnen wapenen en fraude beter kan worden besteden? Zo nee, waarom niet?
Naast de preventieve, voorlichtende activiteiten die ik heb genoemd in antwoord op vraag 2, het strafrechtelijke bestuursverbod en de aanstaande invoering van een civielrechtelijk bestuursverbod gelden voor ondernemers de algemene beschermingsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, zoals ten aanzien van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden. Vooralsnog ga ik ervan uit dat deze maatregelen voldoende soelaas bieden voor de Nederlandse situatie, en zie ik geen reden om wetgeving zoals die in België te overwegen.
Bent u bekend met het feit dat België sinds kort zelfs een aparte wet heeft die dergelijke misleidende registraties in niet-officiële registers expliciet strafbaar stelt? Bent u van mening dat dit voor Nederland ook een geschikt instrument zou zijn om dit probleem te tackelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Afluisteren door particuliere recherchebureaus |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat geen aangifte kan worden gedaan van het afluisteren door een privé-detective, met als doel bewijs te leveren voor een civiele procedure over inkomsten en het al dan niet hebben van een nieuwe liefde?1
Er kan wel degelijk aangifte worden gedaan van het afluisteren door een privé-detective, en – anders dan in het artikel in Vrij Nederland wordt vermeld – is dat in dit betreffende geval ook gebeurd. Wat er aan de hand was is dat toen betrokkene zich op het politiebureau meldde over de vermeende afsluiterpraktijken door een privé-detective, zij aangaf hiervoor bewijs te hebben in de vorm van papieren. Daarop is haar aanbevolen dit fysieke bewijs mee te brengen bij het doen van de aangifte. Kennelijk heeft betrokkene dit opgevat als een weigering om de aangifte op te nemen. Zij heeft zich enkele weken later opnieuw op het politiebureau gemeld, waarbij de aangifte is opgenomen en de aanvullende fysieke informatie is ontvangen.
Wat is terechtgekomen van de belofte van de regering op 16 juni 2009 dat de politie meer en beter toezicht zou gaan houden op particuliere recherchebureaus?2
Samen met de politie en de brancheorganisaties in de veiligheidszorg heb ik een traject gestart dat heeft geresulteerd in maatregelen ter versterking van het toezicht op de particuliere beveiligingsorganisaties en onderzoeksbureaus. Enkele van deze maatregelen zijn inmiddels ingevoerd, zoals de invoering van een risico-analyse-instrument bij de politie voor de uitvoering van het pro-actieve toezicht (de handhaving) en de verbetering van de toegankelijkheid van de administratie van particuliere recherchebureaus. Daarnaast zal de ontwikkeling naar de nationale politie behulpzaam zijn in het streven om te komen tot uniformiteit in betrouwbaarheidsbeoordelingen en om te komen tot een goede landelijke, geautomatiseerde gegevensuitwisseling.
Klopt het dat particuliere recherchebureaus slechts telefoonverbindingen mogen aftappen in opdracht van de rechthebbende van de aansluiting, en dat dit alleen mag indien dit noodzakelijk is voor het leveren van bewijs van strafbare feiten?
Degene die een telefoongesprek dat niet voor hem is bedoeld aftapt of opneemt is op grond van artikel 139c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht strafbaar. Het tweede lid van dit artikel bevat op deze strafbaarstelling echter een uitzondering. Er is geen sprake van strafbaarheid als wordt afgetapt door of in opdracht van de gerechtigde tot een voor telecommunicatie gebezigde aansluiting, behoudens in geval van kennelijk misbruik. Bij deze uitzondering werd onder meer gedacht aan de situatie dat een werknemer belt via een telefoonlijn van de werkgever. Een redelijke controle werd door de wetgever toelaatbaar geacht. Wat redelijk is en wanneer sprake is van kennelijk misbruik is ter bepaling aan de rechter, en zal afhangen van de omstandigheden van het geval.
Hoe gaat u de naleving van de Privacygedragscode voor particuliere onderzoeksbureaus verbeteren?
De naleving van de privacygedragscode wordt verbeterd door het toezicht op de particuliere onderzoeksbureaus te versterken. Zie hierover het antwoord op vraag 2. Daarnaast wordt bestuursrechtelijk sanctionerend opgetreden bij geconstateerde overtredingen van de normen van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, waaronder de privacygedragscode. De branche zelf draagt ook bij aan verbetering van de naleving door te werken aan verdergaande zelfregulering, onder meer door invoering van het keurmerk voor particuliere onderzoeksbureaus.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat privé-detectives tegen de regels in burgers blijven afluisteren?
Het tegen de regels in afluisteren van burgers betekent een overtreding van de privacygedragscode. De versterking van het (pro-actieve) toezicht zal ertoe moeten leiden dat eventuele overtredingen vaker worden vastgesteld. Hiervan zal een preventieve werking uitgaan.
Het bericht dat nepvuurwapens grootschalig worden gebruikt voor het begaan van misdrijven |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden misdrijven met nepvuurwapens»?1
Ja.
Is het waar dat slechts één derde van het aantal politiekorpsen meewerkt aan het registreren van nepvuurwapens die bij misdrijven worden gebruikt? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit verbeteren? Zo nee, wat is de situatie ten aanzien van de registratie van deze wapens dan wel?
Politiekorpsen gaan op dit moment zeer verschillend om met de registratie van wapens. Dit zal bij de inrichting van de informatiehuishouding van de politie in het nationale bestel worden verbeterd.
Wat is uw mening over de mogelijkheid en wenselijkheid van een algeheel importverbod van natuurgetrouwe kopieën van echte vuurwapens? Biedt de huidige Wet wapens en munitie al een grond om dergelijke wapens uit Nederland te weren?
Natuurgetrouwe kopieën van echte vuurwapens zijn al verboden in Nederland. In artikel 3 van de Regeling wapens en munitie is bepaald dat dergelijke wapens behoren tot categorie I van de wet Wapens en munitie en in artikel 13 van de Wet wapens en munitie is een algeheel verbod op categorie I wapens geregeld.
Bevinden zich onder de nepvuurwapens waarmee misdrijven zijn gepleegd ook daadwerkelijk functionerende en niet of nauwelijks van echte vuurwapens te onderscheiden wapens? Zo ja, kunt u een indicatie geven hoe vaak dit het geval is en wat zegt dit over de wenselijkheid van een verbod op luchtdrukwapens?
In het proces verbaal wordt alleen geregistreerd tot welke categorie het wapen behoort. Op echte wapens gelijkende nepvuurwapens en op echte wapens gelijkende luchtdrukwapens horen beide tot categorie I. Daardoor is het niet mogelijk om te specificeren hoe vaak er bij misdrijven gebruik is gemaakt van op echt gelijkende luchtdrukwapens. Voor de wenselijkheid van een verbod op luchtdrukwapens verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen 5 en 6.
Uit welke overwegingen heeft de wetgever toentertijd gemeend dat luchtdrukwapens niet verboden moesten worden, maar onder categorie IV van de Wet wapens en munitie dienden te vallen? Gelden die overwegingen naar uw mening nu nog? Zo nee, op welke punten niet meer?
Onder categorie IV vallen de relatief ongevaarlijke (hand)wapens, niet zijnde vuurwapens, waarover in beginsel vrijelijk beschikt mag worden, maar waarvan het dragen op openbare plaatsen verboden is, waaronder de luchtdrukwapens. De wetgever was toentertijd van mening dat luchtdrukwapens relatief ongevaarlijk zijn, behoudens voor zover zij op vuurwapens lijken.
Zoals de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tijdens het plenaire debat Messenverbod op 16 februari jongst leden heeft toegezegd, wordt de regelgeving over luchtdrukwapens eind van dit jaar bezien (Handelingen 2010–2011, nr. 53, item 9.
Acht u het wenselijk om ook luchtdrukwapens onder een strenger regime binnen de Wet Wapens en Munitie te brengen en voor deze wapens een vergunningensysteem op te zetten met een daaraan gekoppelde beperking ten aanzien van de verkoop van deze luchtdrukwapens?
Zie antwoord vraag 5.
Schietincidenten op snelwegen |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over schietincidenten op de snelwegen?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel schietincidenten tot nu toe zijn voorgevallen?
Onder leiding van het Openbaar Ministerie te Rotterdam wordt door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) onderzoek gedaan. Het onderzoek is gestart op 7 augustus jl. Sinds 2 september is de scope van het onderzoek verbreed. Er wordt niet meer alleen rekening gehouden met een scenario waarin er sprake is van een snelwegschutter maar ook met scenario's waarin sprake is van ander soortige oorzaken (zoals bijvoorbeeld steenslag) van autoruitschades op de snelwegen.
Tot en met 12 september zijn 61 aangiften van autoruitschades op de snelwegen betrokken in het onderzoek.
Kunt u aangeven wat de camera’s boven de Rijkssnelwegen thans technisch kunnen en klopt het dat deze beelden niet worden opgeslagen?
De camera’s van Rijkswaterstaat langs het hoofdwegennet zijn bedoeld voor verschillende doeleinden: verkeersobservatie, -management en -onderzoek, informatievergaring, bediening van tunnels, bruggen en spitsstroken en objectbeveiliging. Daarnaast staan er camera’s van het Openbaar Ministerie die bedoeld zijn voor de handhaving van de verkeersveiligheid.
De camera’s van Rijkswaterstaat zijn zodanig geplaatst dat daarmee de verkeersstromen in de lengterichting bekeken kunnen worden, bijvoorbeeld om aanrijdingen te lokaliseren of te bewaken dat het verkeer veilig kan doorstromen. Alle camera’s zijn 360 graden draaibaar, maar het is niet mogelijk om met de camera's individuele voertuigen te bekijken. Inzoomen is maar beperkt mogelijk.
Binnen het huidig wettelijk kader mag RWS alleen beelden opnemen en bewaren ten behoeve van de eigen primaire taken, te weten verkeersobservatie, verkeersmanagement en objectbeveiliging. Alleen voor tunnels die langer zijn dan 500 m. geldt om veiligheidsredenen een wettelijke verplichting om beelden op te nemen. Voor tunnels en bruggen kan per rijrichting het beeld van maximaal 1 camera tegelijk worden opgenomen. De opnamecapaciteit is echter beperkt. Oude beelden worden overschreven zodra de maximale opslagcapaciteit is bereikt.
Het trajectcontrolesysteem, dat in beheer is bij het Openbaar Ministerie (landelijk parket, afdeling Verkeer) heeft andere faciliteiten. Dit registreert de kentekens van alle passerende auto's. Deze worden tijdelijk opgeslagen in het wegkantsysteem. Als aan het eind van het traject blijkt dat sprake is van een overtreding worden de betreffende kentekengegevens rechtstreeks doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie. De gegevens worden niet doorgezet naar de verkeerscentrale. Alle andere kentekengegevens worden direct gewist.
De politie werkt op een beperkt aantal locaties boven snelwegen met ANPR (Automatic Number Plate Recognition) camera’s. De toepassing van ANPR maakt het mogelijk om in het kader van controle en handhaving gescande kentekens automatisch en onmiddellijk te vergelijken met kentekens die zijn opgenomen in een zogenaamd referentiebestand. Technisch gezien kunnen ANPR camera’s eveneens worden ingezet om waargenomen kentekens, ook als er geen hit is, enige tijd te bewaren om die gegevens op een later moment te kunnen gebruiken in een opsporingsonderzoek. Deze praktijk is begin 2010 echter gestaakt. In dit verband verwijs ik naar de brief van 2 februari 2010 van de toenmalige bewindslieden van Justitie en van BZK (Kamerstuk 31 051, nr. 6, vergaderjaar 2010–2011). Alleen binnen het kader van een concreet, lopend opsporingsonderzoek wordt ANPR op deze wijze ingezet, waarbij de politie door middel van ANPR gerichte zoekacties kan starten.
Deelt u de mening dat, indien de beelden nu niet mogen worden opgeslagen, dat dit wel zou moeten kunnen?
Ik verwijs in dit verband naar mijn brief van 29 november 2010 (Kamerstuk 31 051, nr. 8, vergaderjaar 2010–2011). Daarin heb ik aangegeven dat wetgeving wordt voorbereid die het bewaren van ANPR gegevens mogelijk maakt. Ik streef er naar om een wetsvoorstel in november 2011 aan te bieden aan de Raad van State.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk te bewerkstelligen dat dit wel kan (eventueel voor een bepaald traject voor een bepaalde tijd)? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie zal in het kader van het opsporingsonderzoek naar de mogelijke beschietingen gebruik maken van alle, noodzakelijke, opsporingsbevoegdheden die de wet biedt. Hieronder kan zowel vallen het gebruik van ANPR als het vorderen van specifieke camerabeelden die door camera’s boven rijkswegen zijn opgeslagen.
Het bericht dat kinderen die ernstig bedreigd worden in hun ontwikkeling te weinig hulp krijgen |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bij Bureau Jeugdzorg Rotterdam tientallen kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd te weinig hulp krijgen?1
In het artikel in het AD van 11 augustus jl. wordt gerefereerd aan het feit dat kinderen die in Rotterdam onder toezicht zijn gesteld niet in een team voor jeugdbescherming komen maar in het beheerteam waar de caseload aanzienlijk hoger is.
Zoals ik in juni jl., in antwoord op de Kamervragen van lid Kooiman (Kamerstukken II, 2010/11, nr. 2996) aangaf, vind ik het instellen van een beheerteam onwenselijk. Kinderen waarover een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken moeten direct de noodzakelijke zorg en toezicht krijgen.
Er kunnen zich situaties voordoen waardoor de verantwoordelijke partijen tijdelijk een wachtlijst of beheerteam instellen. Het gaat hierbij om zaken waarbij sprake is van een onder toezichtstelling en dus een noodzaak tot toezicht en zorg, maar waarbij het veiligheidsrisico minder acuut is. De veiligheid van de kinderen mag niet in gevaar komen. BJZ moet de veiligheid blijven monitoren en indien nodig direct ingrijpen.
Deelt u de mening dat een kind waarvan is aangetoond dat hij of zij zeer ernstig in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd niet in een beheerteam horen? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten? Zo ja, wat gaat u doen om dit op te lossen en voor de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zijn de gevolgen voor kinderen en hun ouders als gezinsvoogdijwerkers niet meer met de Deltamethode voor de gezinsvoogdij kunnen werken, omdat deze is ontwikkeld voor een gemiddelde caseload van 15 kinderen? Als dit niet bekend is, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Uit de evaluatie van de Deltamethode in 2010 komt naar voren dat de toepassing van de Deltamethode positieve effecten met zich meebrengt voor het onder toezicht gestelde kind. Uw kamer is hierover bij brief d.d. 6 oktober 2010 (Kamerstukken II, 2010/11, 32 202, nr. 6) geïnformeerd. Daarom heb ik op verschillende momenten uitgesproken dat ik belang hecht aan het kwalitatief goed uitvoeren van de Deltamethode, en dus het handhaven van de daarbij behorende caseload. Het instellen van beheerteams is per definitie een tijdelijke situatie.
Ik zal geen tijd en geld beschikbaar stellen teneinde de gevolgen van het tijdelijk instellen van beheerteams in kaart brengen.
Bent u van mening dat het instellen van een beheerteam ook consequenties heeft voor andere kinderen omdat de overige gezinsvoogdijwerkers enkel zware zaken mogen begeleiden die veel tijd en aandacht nodig hebben? Zo ja, wat gaat u doen om deze situatie te verbeteren? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Met de Bureau’s Jeugdzorg is de afspraak dat de gemiddelde caseload van de gezinsvoogdijwerkers 1:15 is. Dit betreft een gemiddelde, waarbij soms meer en soms minder zaken worden behandeld. Op deze wijze kan afhankelijk van de zwaarte van de zaak worden gedifferentieerd in aanpak.
Bent u bereid aan de ontwikkelaars van de Deltamethode voor te leggen wat het effect is op de DeltaMethode bij het instellen van het beheerteam zoals bij Bureau Jeugdzorg Rotterdam? Zo ja, wilt u de uitkomsten hiervan dan naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat kinderen, waarbij de kinderrechter heeft beoordeeld dat een kind zeer ernstig in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd, niet begeleid moeten worden door een medewerker van het beheerteam die nog 39 andere kinderen moet begeleiden? Zo nee, waarom niet en kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat een kind waarbij een rechter heeft geoordeeld dat het in zijn of haar ontwikkeling wordt bedreigd door een gezinsvoogd met een gemiddelde caseload van 1:15 moet worden begeleid.
Het is aan de gemeente en het Bureau Jeugdzorg om structurele maatregelen te nemen waardoor een beheerteam niet nodig is.
Overigens zal de Algemene Rekenkamer in november resultaten van haar onderzoek naar de tekorten in de jeugdbescherming presenteren. Ik heb aangeboden om bureaus die dit jaar in acute financiële nood komen, te ondersteunen. Bureau Jeugdzorg Rotterdam heeft een aanvraag gedaan voor steun in het kader van acute financiële problematiek. Op korte termijn zal daartoe een financiële doorlichting plaatsvinden van Bureau Jeugdzorg Rotterdam. Ik wil mij er namelijk van vergewissen dat de middelen die de Bureaus Jeugdzorg beschikbaar hebben doelmatig worden besteed en dat sprake is van een goede bedrijfsvoering.
In hoeverre heeft u ervoor kunnen zorgen dat Bureau Jeugdzorg Amsterdam niet meer hoeft te werken met wachtlijsten bij de gezinsvoogdij? Als er nog wachtlijsten zijn, wanneer heeft u deze dan weggewerkt?
In het kader van de acute financiële problematiek hebben zowel de stadsregio Amsterdam als mijn Ministerie middelen beschikbaar gesteld om acute problemen op te lossen. Het is aan de provincie, stadsregio en Bureau Jeugdzorg om wachtlijsten weg te werken.
Terreur van Marokkaanse jongeren in Helmond |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kut-Hollander roepen pik ik niet»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de situatie in de wijk Binnenstad Oost in Helmond? Zo ja, is er inderdaad sprake van de in het bericht genoemde incidenten, dreigementen, intimidaties en beledigingen? Hoe lang duurt deze situatie al en wat is uw mening daarover? Zo nee, wilt u zich dan op de hoogte stellen van die situatie en de Kamer daarover berichten?
De politie en de gemeente hebben ons geïnformeerd over de situatie in de wijk Binnenstad Oost te Helmond. Er is sprake van een overlastsituatie die aangepakt moet worden. Er is geen sprake van een onbeheersbare situatie zoals deze wordt voorgesteld in genoemd artikel. Enkele meldingen van overlast en incidenten hebben in juni van dit jaar geleid tot een intensieve integrale aanpak onder regie van het gemeentebestuur en in samenspraak met de driehoek. In het kader van deze aanpak worden de volgende acties ondernomen:
Bij de integrale aanpak zijn betrokken:
Op 1 mei jongstleden zijn 5 verdachten aangehouden. Op 20 augustus jongstleden is een gebiedsverbod opgelegd aan een 21-jarige inwoner van Helmond. Deze persoon pleegde herhaaldelijk overlast en speelde een leidende rol in de overlast die door een groep werd veroorzaakt. Het gebiedsverbod geldt voor de Binnenstad Oost en een gedeelte van Oud-West voor een periode van 3 maanden.
Verder is van belang dat vanuit de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties expertise ter ondersteuning van de lokale aanpak wordt ingezet.
In de wijk is al sedert tien jaar een traject van verbetering in de wijk aan de gang, de stedebouwkundige vernieuwing heeft aansprekende resultaten opgeleverd en ook de recente veiligheidscijfers laten zien dat het op dat vlak steeds beter gaat. De inspanningen blijken hun vruchten af te werpen. Zie daaromtrent verder het antwoord op vraag 9.
Hoe groot is de groep die zich bezighoudt met het terroriseren van de wijk? Hoe is de samenstelling van die groep (leeftijd, geslacht of afkomst)?
Er is geen sprake van een duidelijke groep. De overlastgevende jongeren komen in wisselende samenstellingen bij elkaar in kleine groepjes. Het totale aantal hangjongeren betreft ongeveer 50 jongens/mannen van voornamelijk allochtone (Marokkaanse) afkomst. Er zijn enkele autochtone jongeren bij betrokken. Zij zijn allen woonachting in Helmond en variëren in leeftijd tussen de 12 en 26 jaar.
Deelt u de mening dat ouders als opvoeder ook een rol hebben bij het tegengaan van criminaliteit van hun kinderen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat ouders betrokken worden bij het tegengaan van wandaden van hun kinderen? Wat is de stand van uitvoering van de motie-Marcouch c.s. over een sociaal verhoor»2? Zo nee, waarom niet?
Ouders moeten zich bewust zijn van hun bijzondere verantwoordelijkheid voor de opvoeding van een minderjarige en mogelijke scheefgroei daarin. Het snel betrekken van ouders bij het strafrechtelijke traject van hun minderjarige kind vinden wij belangrijk en wordt door ons en de verschillende partners in de uitvoering actief bevorderd. De politie, de Raad voor de kinderbescherming, de jeugdreclassering en de justitiële jeugdinrichtingen leggen contact met de ouders van minderjarige delinquenten. Deze instanties hebben een belangrijke taak in het detecteren van achterliggende gezinsproblematiek en de toeleiding tot de benodigde hulpverlening of opvoedingsondersteuning, of -in ernstige gevallen- ondertoezichtstelling. In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 maart 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 32 500 VI, nr. 84) is uitvoerig belicht hoe op deze wijze uitvoering wordt gegeven aan het gesprek met de ouders (sociaal verhoor) dat de motie-Marcouch beoogt. Sinds 1 januari 2011 zijn de ouders verplicht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting van hun minderjarige kind. Deze zogenaamde verschijningsplicht beoogt eveneens de betrokkenheid van ouders bij de opvoeding te vergroten en daardoor de recidive bij de jeugdige delinquent te verminderen.
Behoort deze groep tot de criminele jeugdbendes waarvan u onlangs hebt beloofd ze van de straat te halen? Zo ja, hoe gaat u dat doen en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Er is (conform toepassing van de Beke-methode) geen sprake van een criminele jeugdbende of groep. Er is hier sprake van overlastgevende jongeren.
Deelt u de mening dat het optreden van het werk van burgemeester en van wethouders en de politie richting bewoners en overlastgevers de afgelopen jaren tekort geschoten is en dat zij de controle over de situatie kwijt zijn? Zo ja, wat gaat u doen om de situatie in de wijk Binnenstad Oost in Helmond (te doen) verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het formeren van een knokploeg ongewenst is maar dat het ook een begrijpelijke uiting kan zijn van machteloze woede van terroriseerde bewoners? Zo ja, wat gaat u doen om verdere escalatie van beide kanten te voorkomen, de orde op straat te herstellen en overlastgevers op te pakken? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is er, voor zover bij gemeente en politie bekend, geen sprake van een geformeerde knokploeg of concrete plannen bij wijkbewoners om die te formeren. Bewoners van de wijk zijn vanzelfsprekend – net als de betrokken instanties – wel bezorgd om de veiligheid en leefbaarheid van hun wijk. Om die reden maakt het betrekken en informeren van bewoners ook deel uit van de integrale aanpak.
Kunt u een overzicht geven van de instanties die zich inmiddels met de problemen in deze wijk bezighouden, hun concrete acties en de resultaten daarvan? Acht u deze inspanningen voldoende? Zo ja, waarom verbetert de situatie in de wijk dan niet? Zo nee, welke extra inspanningen zijn dan nog nodig en hoe gaat u bewerkstellingen dat die worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak is er het afgelopen jaar aangifte gedaan in verband met bedreigingen, belediging, vernieling of andere misdrijven in de wijk Binnenstad Oost?
Aangiften:
periode 1 januari tot 1 mei 2011
1 mei 2011 tot heden
bedreiging
4
bedreiging
1
vernieling
10
vernieling
2
mishandeling
2
mishandeling
1
belediging
1
belediging
1
brandstichting
1
Uit bovenstaande cijfers van de regiopolitie blijkt dat het aantal incidenten in de maanden mei, juni, juli en de eerste week van augustus 2011 beduidend lager is dan in de eerste 4 maanden van 2011 (voor intensivering aanpak).
Overlastmeldingen:
1 januari t/m 10 augustus 2010
1 januari t/m 10 augustus 2011
41 meldingen
29 meldingen
Uit bovenstaande cijfers blijkt dat het aantal overlastmeldingen in vergelijkbare periodes in 2010 en 2011 een daling van ruim 25% in 2011 geeft.
Kunt u zich voorstellen dat bewoners gezien de situatie in de wijk en de sfeer van intimidatie en bedreiging, geen aangifte meer durven te doen? Zo ja, wat gaat u doen om de aangiftebereidheid te verhogen? Zo nee, waarom niet?
De bewoners van de wijk Binnenstad Oost zullen altijd aangifte moeten kunnen doen. Door de gemeente is naast het algemene overlasttelefoonnummer van de gemeente aan de buurtbewoners een telefoonnummer bekend gemaakt waarop de buurtbewoners (eventueel anoniem) overlastsituaties kunnen melden waarop de toezichthouders van de gemeente Helmond inzet plegen. Hier is overigens tot op heden geen enkele melding gedaan. Door de politie is op bewonersavonden en in individuele contacten gewezen op de mogelijkheid van 0900–8844 en Meld Misdaad Anoniem. Ook zal er door politie gewezen worden op de mogelijkheid voor aangevers en getuigen om voor de aangifte elders domicilie te kiezen.
Is het waar dat zeventig procent van de bewoners uit de wijk zouden vertrekken als ze de kans zouden krijgen? Is de waarde van koophuizen in de wijk inderdaad sterk gedaald? Zo ja, wat is uw mening hierover?
Er zijn geen objectieve gegevens voorhanden om dit soort uitspraken te staven. De algehele trend van dalende prijzen op de woningmarkt geldt ook voor het betreffende gebied. Het verloop in deze wijk is niet significant anders dan in de overige vergelijkbare wijken in Helmond.
Is het waar dat camerabeelden niet live worden gevolgd? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit wel moet gebeuren?
Momenteel worden de camerabeelden niet live uitgekeken. Gezien de huidige frequentie en spreiding van overlastmeldingen en incidenten (11 in totaal sinds 1 mei jl.) is dit niet opportuun.
De beelden kunnen achteraf bekeken worden indien zich incidenten en overlastmeldingen voordoen. Indien er in de (nabije) toekomst aanleiding voor is, zullen de beelden live worden bekeken.
Is het waar dat er een samenscholingsverbod in de wijk van kracht is maar dat dat door de politie niet wordt gehandhaafd? Zo ja, wat is uw mening hierover? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Er is geen samenscholingsverbod van kracht in de wijk.
Kritiek op het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De privacy wordt nauwelijks bewaakt; College Bescherming Persoonsgegevens mag weinig en doet weinig»?1
Ja.
Deelt u het in genoemde artikel gestelde dat het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) in de praktijk een bescheiden rol speelt bij het bewaken van de privacy van de Nederlandse burger? Zo ja, waar blijkt dat uit en in hoeverre zullen bezuinigingen de positie van het CBP verder aantasten? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het CBP treedt op bij ernstige overtredingen die de privacy van grote groepen mensen raken. Het CBP boekt daar ook successen mee, zoals onder andere blijkt uit enkele grote zaken (Google, OV-Chipkaart) waar het optreden van het CBP tot aanpassingen in de werkwijze heeft geleid. Natuurlijk is het zo dat het CBP een keuze moet maken uit de zaken die het oppakt, maar door de risicogestuurde aanpak hoeft dit de effectiviteit van de handhaving niet negatief te beïnvloeden. De inzet van het CBP is erop gericht om de aanstaande bezuinigingen te implementeren zonder dat dit de positie van het CBP aantast.
Is het waar dat bedrijven en burgers met individuele klachten ten aanzien van privacyschendingen slecht geholpen worden door het CBP? Zo ja, hoe komt dat en wat gaat u doen om dit te verbeteren? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Ik heb niet het beeld dat het CBP slecht omgaat met individuele klachten. Zo heeft het CBP iedere werkdag een telefonisch spreekuur en is er een website (www.mijnprivacy.nl) die speciaal gericht is op burgers. Naast het verstrekken van algemene informatie kunnen via deze wegen ook klachten kenbaar worden gemaakt. Problemen die uit individuele klachten naar voren komen zijn mede bepalend voor de prioriteiten die het CBP zich stelt, al zal niet iedere afzonderlijke klacht opgevolgd kunnen worden.
Deelt u de mening van het CBP dat de bescheiden rol van deze instelling te maken zou hebben met de relatief weinig bevoegdheden, personeel en budget? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om de positie van het CBP als privacywaakhond te verbeteren?
Ik kan niet bevestigen dat het CBP relatief onderbedeeld is in vergelijking met toezichthouders in andere EU-landen. In ieder geval ben ik van mening dat het personeel en budget toereikend zijn voor de Nederlandse situatie, ook na de geplande bezuinigingen. Daarbij is van belang dat dit kabinet de bevoegdheden van het CBP zal verruimen door, zoals aangekondigd bij brief van 29 april 2011 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 32 761, nr. 1), de mogelijkheid te creëren dat het CBP bestuurlijke boetes oplegt. Overigens vormt de uitbreiding van bevoegdheden geen taakuitbreiding, maar is het een verruiming van het instrumentarium van het CBP om met overtredingen om te gaan. Het is aan het CBP is om, gegeven het budget, keuzes te maken in de afdoeningwijze, met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit ten aanzien van degene bij wie de normoverschrijding is geconstateerd.
Is het waar dat de meeste privacy toezichthouders in andere EU-landen over relatief meer middelen beschikken dan het CPB? Zo ja, waarom is het CPB relatief onderbedeeld?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhouden de aangekondigde bezuinigingen op het CBP zich tot de passage in het Regeerakkoord dat de informatieveiligheid en bescherming van persoonsgegevens verbeterd worden?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de taken van en de vragen aan het CPB en het beschikbare budget zich de afgelopen 10 jaar ontwikkeld? Vindt u dat in evenwicht?
Zoals blijkt uit de hierna volgende tabel is er in de afgelopen 10 jaar per saldo sprake geweest van een forse toename in het budget van het CBP. Gelijktijdig met deze toename is er sprake geweest van grote technologische ontwikkelingen en een sterk toegenomen beroep op de privacytoezichthouder. Er is daarbij steeds oog voor geweest dat deze ontwikkelingen met elkaar in evenwicht zijn.
Jaar
Budget ( x € 1 000)
2001
2 961
2002
3 919
2003
4 615
2004
4 950
2005
5 898
2006
5 957
2007
6 147
2008
7 166
2009
7 285
2010
7 699
2011
7 631
Gaat de wetswijziging die in voorbereiding is voor uitbreiding van bevoegdheden van het CPB ook gepaard met uitbreiding van het budget? Zo ja, hoeveel? Zo nee, hoe dient het CPB deze taakuitbreiding dan te realiseren?
Zie antwoord vraag 4.
Het vrijlaten van een terreurverdachte |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Terreurverdachte Almere vrijgelaten»?1
Ja.
Deelt u de mening dat verdachten van terrorisme altijd in voorlopige hechtenis dienen te worden genomen en gehouden vanwege de ernst van het misdrijf waarvan ze verdacht worden en vanwege het vluchtgevaar dat in dergelijke situaties zeer groot is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid artikel 67a van het Wetboek van Strafvordening aan te passen door het toevoegen van een nieuwe grond voor voorlopige hechtenis inhoudende het verdacht worden van (betrokkenheid bij) een terroristisch misdrijf?
Deze mening deel ik niet. Bij het opleggen van voorlopige hechtenis is het van belang dat steeds per geval wordt beoordeeld of daartoe noodzaak bestaat. De factoren aan de hand waarvan de rechter die afweging maakt, zijn in de wet opgenomen. Ik acht het van belang dat de wet de rechter voldoende mogelijkheden geeft verdachten in voorlopige hechtenis te doen plaatsen en houden, indien dat in de desbetreffende zaak aangewezen is. Naar mijn mening biedt de wet daarvoor thans voldoende mogelijkheden. Hoe deze factoren in individuele gevallen worden gewogen, is aan de rechter.
Acquisitiefraude |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichtgeving over de aanhoudende en verergerde problematiek rondom acquisitiefraude?1
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de hierna volgende vragen.
Erkent u dat deze vorm van financieel-economische criminaliteit al jaren vrijwel ongemoeid door kan gaan? Klopt het dat de betreffende zwendelaars nooit zijn aangepakt door het Openbaar Ministerie (OM)?
Ik deel de opvattingen niet dat acquisitiefraude vrijwel ongemoeid wordt gelaten en er geen oplossingen zouden zijn om slachtofferschap van acquisitiefraude te voorkomen. Ik verwijs in dit verband onder meer naar de door de toenmalige Minister van Economische Zaken mede namens de toenmalige Minister van Justitie gegeven antwoorden op vragen van het lid Elias van uw Kamer (Kamerstukken II, 2009–2010, Aanhangsel Handelingen nr. 2350), en naar mijn antwoord op vragen 5 en 6.
Erkent u dat acquisitiefraude niet alleen voorkomt bij particulieren, maar ook bij ondernemers, overheidsinstellingen, ziekenhuizen en scholen?
Ja, beide zaken blijken uit de door het Steunpunt acquisitiefraude verzamelde gegevens.
Hoe kan het dat er al die jaren geen constructieve oplossing is gezocht danwel gevonden om acquisitiefraude een halt toe te roepen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u nog niet opgetreden tegen de Holland Internet Group (voorheen Website Services), die bovendien reeds een aantal rechtszaken heeft verloren, waar onder andere de Stichting Aanpak Financieel-Economische Criminaliteit in Nederland (hierna te noemen: SafeCin) u meerdere malen op heeft gewezen? Bent u bereid dit alsnog te doen, of in ieder geval het OM de opdracht te geven een strafrechtelijk onderzoek te starten naar dit bedrijf?
In het verleden is tegen Website Services BV, de gestelde voorganger van Holland Internet Group, de mogelijkheid van strafvervolging onderzocht. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs geseponeerd. Tegen deze beslissing is een klacht op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering ingesteld die door het Gerechtshof Leeuwarden ongegrond is verklaard.
Mochten zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarbij de genoemde bedrijven zich schuldig maken aan strafbare feiten, dan zal het Openbaar Ministerie de mogelijkheden van strafrechtelijk optreden wederom onderzoeken. Het enkele oordeel van de civiele rechter is hiervoor onvoldoende, omdat dit oordeel is gebaseerd op een ander wettelijk kader.
Overigens merk ik op dat de gevallen die hier worden aangeduid met acquisitiefraude vaak niet strafrechtelijk te sanctioneren zijn. Het handelen kan weliswaar betiteld worden als onbetamelijk en maatschappelijk ongewenst, maar is vaak geen oplichting in strafrechtelijke zin. Mede om deze reden wordt bij de aanpak van acquisitiefraude vooral ingezet op preventie.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar deze bedrijven indien de rechter in de rechtszaak die MKB Nederland ondertussen zelf heeft moeten opstarten tegen drie bedrijven die zich waarschijnlijk schuldig maken aan acquisitiefraude oordeelt dat inderdaad sprake is van frauduleus handelen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u, ondanks een uitspraak van de rechter hierover, bereid de Wet op de Oneerlijke Handelspraktijken ook van toepassing te verklaren op ondernemers en daarmee actief over te gaan tot aanpassing van deze wet?
De richtlijn oneerlijke handelspraktijken is tot stand gekomen ter bescherming van consumenten. De kern van de richtlijn is dat een consument in alle vrijheid en goed geïnformeerd een besluit over een aankoop kan nemen. Voor ondernemers gelden de algemene beschermingsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, zoals ten aanzien van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden. De regelgeving inzake oneerlijke handelspraktijken leent zich niet om één op één te worden overgenomen ter bescherming van ondernemers. Ik heb al contact met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over de vraag of de regelgeving inzake oneerlijke handelspraktijken als voorbeeld kan dienen voor een eventuele op ondernemers toe te snijden maatregel. Daarbij betrekken wij de uitspraak van de rechter in de zaak die MKB Nederland heeft aangespannen.
Erkent u dat met de oprichting van de fraude helpdesk in 2010 het probleem op zichzelf niet is opgelost en dat deze onvoldoende middelen heeft om preventief te werk te gaan?
De Stichting Aanpak Financiële- Economische Criminaliteit in Nederland (SafeCin) verzorgt naast het Steunpunt acquisitiefraude ook de fraudehelpdesk. Deze helpdesk is erop gericht burgers en kleine ondernemers te helpen een weg te vinden in het fraudeveld. De fraudehelpdesk geeft voorlichting en verstrekt bijvoorbeeld voorwaarschuwingen over gesignaleerde fraude- of oplichtingspraktijken om de doelgroep weerbaarder te maken en slachtofferschap te verminderen. Tevens heeft de helpdesk een doorverwijzende functie als het gaat om meldingen en vragen die op het werkterrein van andere netwerkpartners liggen zoals de politie, AFM en Consumentenautoriteit. Mij is niet gebleken dat de fraudehelpdesk over onvoldoende middelen zou beschikken. Er is een evaluatie van de helpdesk voorzien voor het einde van 2011.
Bent u bereid de fraudehelpdesk, en daarmee SafeCin, voldoende financiële middelen te verschaffen om preventief op te kunnen treden tegen acquisitiefraude?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat er meer moet worden gewerkt aan uitgebreide voorlichting over dit onderwerp, nu gezien de groei van deze vorm van financieel-economische criminaliteit duidelijk is geworden dat de door u in 2008 voldoende geachte informatieverschaffing2 via media en de Kamer van Koophandel onvoldoende is?
De mate waarin anno 2011 voorlichting wordt gegeven over fraudevormen, waaronder acquisitiefraude, is ten opzichte van 2008 al toegenomen door onder andere de komst van de in mijn antwoord op vragen 8 en 9 genoemde fraudehelpdesk.
Gaat u het idee van SafeCin, te weten het oprichten van een landelijk loket om digitaal aangifte te doen3, overnemen of in ieder geval de mogelijkheid hiervan onderzoeken?
Eenvoudig aangifte kunnen doen is van groot belang. De politie werkt momenteel aan de verbetering van het aangifteproces in brede zin. Bovendien onderzoekt mijn departement in samenwerking met de relevante ketenpartners of er bijzondere voorzieningen, waaronder een centraal loket, getroffen kunnen worden voor meldingen en aangiftes van landelijk georganiseerde private partijen zoals SAFECIN.
Erkent u dat deze frauduleuze praktijken steeds meer grensoverschrijdend zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze problematiek aan te kaarten in de Raad van Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, teneinde middels internationale samenwerking alsnog te onderzoeken welke oplossing kan worden geboden tegen deze vorm van financieel-economische criminaliteit?
Gezien het grensoverschrijdende karakter van deze problematiek beraad ik mij op de wijze waarop deze problematiek effectief aangekaart kan worden op Europees niveau.
Het hoge aantal vrijspraken in zaken tegen (vermeende) loverboys |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «de bewijsproblematiek van loverboypraktijken»?1
Ja.
Deelt u de mening en kwantitatieve analyse dat verdachten van loverboypraktijken relatief vaak worden vrijgesproken? Zo nee, waarin is in deze mening en analyse dan niet waar?
Ja, zie verder ook het antwoord op vraag 7.
Hoe komt het dat het aantal vrijspraken bij het nieuwe artikel 273a/f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) relatief hoger ligt dan ten opzichte van het vorige oude artikel 250av Sr? Acht u het mogelijk dat doordat in het nieuwe artikel andere vormen van uitbuiting dan seksuele vormen van uitbuiting zijn opgenomen, het artikel te onoverzichtelijk is geworden en dat dit nadelig uitwerkt voor een correcte tenlastelegging?
Als een van de mogelijke redenen voor het relatief toegenomen aantal vrijspraken op basis van art. 273a/f Sr. in vergelijking met art. 250 av Sr. in loverboy-zaken noemt de auteur de complexiteit van het eerstgenoemde artikel. Uit haar onderzoek blijkt overigens niet dat er als zodanig iets mis is met de strafbaarstelling van art. 273a/f Sr. Ook de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM) constateert in haar zevende rapportage (2009) dat het een complex artikel betreft. Zij stelt dat het onderscheid tussen de aard van verschillende soorten werk c.q. dienstverlening, en tussen meerderjarige en minderjarige slachtoffers, maakt dat er een groot aantal subonderdelen nodig was om alle strafbaar te stellen gedragingen te beschrijven. Derhalve meent de NRM dat het artikel niet eenvoudig te doorgronden is, hetgeen volgens haar mede het gevolg is van het gebruik van een aantal termen – afkomstig uit internationale regelingen die ten grondslag liggen aan de mensenhandelbepaling – die niet nader zijn uitgelegd.
Dit behoeft evenwel geen belemmering voor succesvolle vervolging te zijn. Wel vergt het bijzondere aandacht. Zo is het van belang dat mensenhandelzaken – niet alleen loverboy-zaken – worden behandeld door functionarissen met voldoende (specialistische) kennis en expertise. De toenmalige Minister van Justitie is daarop al ingegaan in zijn reactie op bovengenoemde 7de rapportage van de NRM (5630171/10). Bij het Openbaar Ministerie is in iedere regio een specialistische mensenhandelofficier aangesteld. Het Openbaar Ministerie heeft mij bericht in cursussen ook specifieke aandacht te besteden aan het opstellen van tenlasteleggingen in mensenhandelzaken.
Juist vanwege de complexiteit van het artikel wordt door de specialistische officieren voortdurend gewerkt aan het verhogen van de kwaliteit van het requisitoir met het oog op het sorteren van maximaal rendement op de zitting. Belangrijk is het goed uiteenrafelen en interpreteren van het artikel, het maken van gerichte keuzes bij de opsporing en vervolging, mede met het oog op een goede en verantwoorde uitleg ter zitting.
De Raad voor de rechtspraak heeft mij bericht dat, zoals reeds is aangegeven in het (op rechtspraak.nl gepubliceerde) advies van de Raad over het wetsvoorstel Herziening gerechtelijke kaart van 18 februari 2011, de Raad van mening is dat, aangezien het gaat om ongeveer 150 zaken per jaar met een zeer specialistisch karakter, het voor de hand ligt dat zaken op het gebied van mensenhandel voorlopig ressortelijk geconcentreerd worden. Dat wil zeggen in eerste aanleg bij de rechtbanken Rotterdam, Oost-Nederland, Amsterdam en Oost-Brabant en in tweede aanleg bij de gerechtshoven 's-Gravenhage en Arnhem-Leeuwarden.
Is het waar dat er vrijspraken zijn geweest vanwege onjuiste, niet volledige en/of opmerkelijke tenlasteleggingen? Zo ja, hoe vaak hebben rechters vanwege een dergelijke tenlastelegging verdachten vrijgesproken en wat zegt dit over de kennis van de desbetreffende officier van justitie? Zo nee, wat is er op dit punt dan niet waar aan het in het artikel gestelde?
Het is lastig te zeggen in welke mate er sprake is geweest van fouten in tenlasteleggingen en in welke mate eventuele fouten en/of niet volledige tenlasteleggingen hebben geleid tot vrijspraken. Immers, soms waardeert een rechter een tenlastelegging anders dan het Openbaar Ministerie. Daarmee is niet perse sprake van een fout. Ook is niet altijd duidelijk of een andere waardering steeds de (enige) reden voor een vrijspraak is. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Hoe oordeelt u over de in het artikel geconstateerde problemen bij het bewijzen dat slachtoffers zich daadwerkelijk onvrijwillig beschikbaar hebben moeten stellen voor prostitutie?
Uit de hiervoor genoemde rapportage van de NRM blijkt dat de aangiftes en belastende verklaringen ten aanzien van verdachte(n) van slachtoffers van mensenhandel in het algemeen een belangrijke rol als bewijsmiddel spelen in mensenhandelzaken. Gebleken is dat slachtoffers vaak tijdens het opsporingsonderzoek, in tegenstelling tot slachtoffers van andersoortige delicten, nog op één of andere manier onder invloed zijn van de vermeende daders waarbij liefdes- of angstgevoelens vaak nog lange tijd een rol spelen. De NRM meent dan ook dat dit problemen kan opleveren voor het vergaren van bewijs, aangezien het slachtoffers ervan kan weerhouden aangifte te doen of anderszins een belastende verklaring af te willen leggen.
Is het waar dat rechters de instemming van een slachtoffer met de prostitutie regelmatig als een serieuze instemming lijken aan te merken en daarmee voorbij lijken te gaan aan de listige werkwijzen van loverboys en de daarmee samenhangende problematiek van liefdes- en/of angstgevoelens van de slachtoffers? Zo ja, heeft dit te maken met een gebrek aan goede en volledige kennis omtrent de daarmee samenhangende problematiek van liefdes- en /of angstgevoelens van de slachtoffers? Zo ja, hoe gaat u bewerkstelligen dat deze kennis wordt verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Mij past geen oordeel over de wijze waarop rechters individuele zaken beoordelen en de beslissingen die daarin worden genomen. Wel constateer ik dat de auteur van het in vraag 1 genoemde artikel in enkele gevallen het oordeel van de rechter niet lijkt te delen. Onderbouwing voor die twijfel aan de beoordeling van de rechters in die zaken, wordt niet gegeven. Hierbij dient ook in ogenschouw te worden genomen dat de rechter bij de beoordeling van een zaak, in hoge mate afhankelijk is van de bewijsmiddelen die hem worden gepresenteerd. Die middelen zullen toegesneden dienen te zijn op het maken van een afweging op het lastige terrein van de relatie tussen het (vermoedelijke) slachtoffer en de verdachte. Dat vergt ook bij de politie en het Openbaar Ministerie een specialistische aanpak. Ik verwijs u daaromtrent naar het antwoord op vraag 3.
In hoeverre komen de bevindingen in het genoemde artikel overeen met de bevindingen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in haar laatste rapportage en in hoeverre niet?
Als gezegd bevestigt de NRM de complexiteit van artikel 273f Sr. Daarnaast deelt de NRM het beeld dat het percentage volledige vrijspraken voor mensenhandel in het algemeen, in vergelijking met het percentage vrijspraken voor het delict verkrachting relatief hoog ligt. Tevensconstateert de NRM dat (zware) geweld- en zedendelicten het meest frequent naast mensenhandel ten laste zijn gelegd en deze zware delicten daarmee ook als dwangmiddelen van een mensenhandelfeit beschouwd kunnen worden. Voorts meent de NRM dat door de bewijsproblematiek (zie het antwoord op vraag 5), verklaringen van slachtoffers, en met name consistentie daarin, een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van het bewijs.
Een in Madrid gearresteerde radicale moslim |
|
Harm Beertema (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Hassan B. de Marokkaan die in de nacht van 21 op 22 juli 2011 werd gearresteerd in Madrid, sinds 2005 werkzaam was als docent op de Islamitische Universiteit van Europa in Rotterdam?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de artikelen in genoemde media.
Bent u ervan op de hoogte dat deze man tot twee keer toe in Marokko ter dood is veroordeeld als moslimterrorist?2
Ja. Zie antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat een moslimterrorist zoals Hassan B. die zich ten doel stelt om met moord en terreur Marokko om te vormen tot een islamitische staat, in Nederland nooit zou mogen werken als docent? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening in die zin dat medewerkers van onderwijsinstellingen en rechtspersonen voor hoger onderwijs geen gevaar mogen vormen voor de openbare orde, openbare rust of nationale veiligheid (zie verder het antwoord op vraag 5). Daarbij wijs ik erop dat vreemdelingen die zich in Nederland willen vestigen of in het bijzonder naar Nederland komen om arbeid in loondienst te verrichten voor een werkgever in Nederland, een verblijfsvergunning nodig hebben. Bij de aanvraag hiervoor wordt o.a. gekeken of de aanvrager een strafblad heeft in het land van herkomst en of hij een gevaar kan vormen voor de Nederlandse openbare orde, openbare rust of nationale veiligheid.
Verder wijs ik erop dat de betrokken instelling niet tot de erkende Nederlandse hoger-onderwijsinstellingen behoort. Ik heb geen bemoeienis met deze instelling die zich «universiteit» noemt. Zoals eerder toegezegd (brief van toenmalig staatssecretaris Van Bijsterveldt van 6 april 2010 naar aanleiding van de motie van het lid Jan Jacob van Dijk) zijn maatregelen in voorbereiding om wettelijke begrippen, zoals de naam «universiteit» of «university», beter te beschermen. Doel is om het gebruik van wettelijke keurmerken (instellingsnaam, graden en titels) voor te behouden aan instellingen die daartoe op grond van de WHW zijn erkend. Een wetsontwerp van die strekking kan de Kamer in 2012 tegemoet zien.
Was het stichtingsbestuur van de zogenaamde Islamitische Universiteit van Europa ervan op de hoogte dat Hassan B. een veroordeelde moslimterrorist is? Zo nee, hoe verklaart u dat deze informatie onbekend was bij het bestuur?
Ik kan het eerste deel van uw vraag niet beantwoorden, omdat ik geen bemoeienis heb met de onderhavige instelling. Wat betreft het tweede deel van uw vraag kan ik melden dat een werkgever die een vreemdeling in dienst wil nemen die reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning, een tewerkstellingsvergunning moet aanvragen, maar zich niet op de hoogte behoeft te stellen van de gronden bij de verblijfsvergunning of verdere specifieke achtergronden van die persoon.
Deelt u de mening dat een onderwijsinstelling die onze kernwaarden van vrijheid, gelijkwaardigheid en emancipatie niet deelt, onmiddellijk gesloten moet worden? Zo nee, betekent dat dan dat u de vrijheid van onderwijs gunt aan een onderwijsinstelling die zich baseert op een ideologie die diezelfde vrijheid actief en met geweld wil vernietigen?
Indien mij signalen zouden bereiken dat een instelling die opereert binnen het kader van de Nederlandse onderwijswetgeving, tekortschiet in de naleving van de wettelijke regels van onze democratische rechtsstaat, zal ik niet aarzelen om de nodige stappen te zetten. Ik wil overigens nogmaals benadrukken, dat de hier in het geding zijnde Islamitische Universiteit van Europa op geen enkele wijze door OCW wordt erkend en niet onder de Nederlandse onderwijswetgeving valt.
Op elke rechtspersoon, dus ook op de Islamitische Universiteit van Europa en de onderwijsinstellingen die opereren binnen het kader van de onderwijswetgeving, zijn de normale regels van het strafrecht en het burgerlijk recht van toepassing. Een rechtspersoon die werkzaam is in strijd met de openbare orde, kan door de rechtbank op vordering van het openbaar ministerie verboden worden verklaard en worden ontbonden (BW, Boek 2, artikel 20).
Het bedreigen en wegpesten van een lesbisch stel uit Haarlem |
|
Attje Kuiken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Lesbisch stel uit Haarlem met dood bedreigd»1en «Lesbisch stel verlaat wijk na getreiter en doodsbedreiging»2 en herinnert u zich de vragen van de leden Marcouch en Kuiken over het wegpesten van homo’s?3
Ja.
Is het waar dat het genoemde stel sinds 2008 meer dan 20 keer aangifte of melding heeft gedaan bij de politie? Zo ja, wat zegt dit over de situatie waarin dit stel zich de afgelopen jaren zich heeft bevonden? Zo nee, hoe vaak is er dan wel aangifte of melding gedaan?
Er zijn in deze zaak vele contacten geweest tussen het betrokken stel en de politie. De politie is in gesprek gegaan met beide partijen en heeft afspraken gemaakt over de wederzijdse bejegening. Tegelijkertijd zijn betrokken agenten gebrieft over de situatie en hield de politie de situatie in de gaten zodat alert kon worden gereageerd. De politie heeft daarbij meldingen van het genoemde stel opgepakt en verwerkt. In tien gevallen is een melding opgenomen in het politieregistratiesysteem Basisvoorziening Handhaving (BVH). Daar waar er vraag was om aangifte op te nemen is dit gedaan. In zes gevallen is er een aangifte opgemaakt. De twee aangiftes waarbij een opsporingsindicatie aanwezig was, zijn verder onderzocht en aan het openbaar ministerie aangeboden. De officier van justitie zal hierover een vervolgingsbeslissing nemen.
De gemeente Haarlem heeft getracht via buurtbemiddeling de zaak tot een goed einde te brengen. Dit heeft echter niet tot resultaat geleid. Ook is onderzocht of er bestuurlijk repressieve maatregelen konden worden getroffen tegen de mogelijke daders. Na een aanbod van de woningbouwcorporatie heeft het stel inmiddels een andere woning betrokken.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van deze aangiftes en meldingen? In hoeverre hebben die geleid tot concrete acties, waaronder vervolging van de mogelijke daders?
Zie antwoord vraag 2.
Wat hebben politie, justitie en andere (lokale) autoriteiten gedaan om deze vrouwen te beschermen? Acht u dit afdoende? Zo ja, hoe verklaart u dan dat het stel desondanks de wijk wil verlaten? Zo nee, wat had er meer moeten gebeuren?
Zie antwoord vraag 2.
Kent u eerdere gevallen uit de afgelopen jaren waarbij lesbische vrouwen, homo’s, biseksuelen en transgenders (LHBT’s), vanwege bedreigingen en/of pesterijen zich genoodzaakt gezien om te verhuizen? Weet u hoe vaak dit voorkomt of kunt u daar een schatting van geven? Is er sprake van een toename van het aantal van dit soort incidenten?
Het kabinet kent eerdere incidenten waarbij LHBT’s zich genoodzaakt zagen te verhuizen vanwege bedreigingen en pesterijen. Er zijn evenwel geen concrete cijfers beschikbaar waaruit blijkt hoe vaak dit voorkomt. Zoals is gemeld in de discriminatiebrief4 zijn na de publicatie van Poldis 2009 stappen gezet ter verbetering van de dataverzameling om registratie van discriminatie transparant en eenduidig op orde te krijgen.
Deelt u de mening dat slachtoffers die vanwege pesterijen gaan verhuizen dit niet vrijwillig doen, maar zich daartoe gedwongen voelen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het de daders van homo pesterijen en anti-LHBT geweld moeten zijn waartegen moet worden opgetreden? Gaat u maatregelen treffen om in de toekomst te voorkomen dat slachtoffers zich genoodzaakt zien om te moeten verhuizen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet? Gaat u maatregelen nemen ten aanzien van daders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt (stelselmatige) pesterijen en discriminatie op welke grond dan ook. Pesterijen, discriminatie en uitsluiting vinden bij uitstek plaats tussen burgers onderling. De overheid heeft een belangrijke rol in het adequaat reageren op uitingen van discriminatie, in voorlichting en educatie en in het kanaliseren van klachten en aangiften over discriminatie. Het kabinet meent dat discriminatie tegen LHBT’s harder bestraft dient te worden. Om dit te bewerkstelligen is een aantal maatregelen genomen, waaronder een verhoging van de strafeis van het openbaar ministerie bij ingrijpende delicten met een discriminatoir karakter van +100%. Deze maatregelen staan genoemd in de discriminatiebrief4 die op 13 juli jl. aan uw Kamer is aangeboden.
Bent u bereid landelijk een specifieke aangiftecode voor anti-LHBT geweld in de politiedatabases te introduceren, opdat dit verschijnsel beter in beeld gebracht en aangepakt kan worden? Zo nee, waarom niet?
De maatregelen om te komen tot verbetering en afstemming van de politieregistratie zullen ook bijdragen aan een correct gebruik van de huidige meldcodes. Vanaf 27 april 2009 is bij de politie het nieuwe BVH in gebruik genomen. Dit systeem is momenteel verder in ontwikkeling. Vooralsnog kiest het kabinet daarom niet voor ict-aanpassingen van het huidige BVH als het introduceren van de mogelijkheid om een vinkje te kunnen plaatsen om LHBT-incidenten te kunnen registreren.
Bent u bereid tot het introduceren van een wetsartikel waarin het wettelijk strafmaximum bij discriminerend geweld wordt verhoogd (een zogenaamd «hate crimes» artikel)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is vooralsnog geen voorstander van de introductie van een apart hatecrimes artikel in het Wetboek van Strafrecht. Er worden in Nederland reeds hogere straffen geëist wanneer er bij de dader discriminatoire motieven spelen. In de Aanwijzing Discriminatie is bepaald dat de officier van justitie bij discriminatiefeiten en bij commune delicten met een discriminatoir aspect de strafeis verzwaart en dat hij dit gemotiveerd aangeeft in het requisitoir. In de discriminatiebrief4 heeft de minister van Veiligheid en Justitie deze werkwijze nader toegelicht. Het kabinet is van mening dat deze aanpak effectiever is dan het introduceren van een separaat wetsartikel.
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie-Marcouch over het bevorderen van de aangiftebereidheid van LHBT-personen?3
In de discriminatiebrief6 heeft de minister van Veiligheid en Justitie een groot aantal maatregelen opgesomd om de aangiftebereidheid in het algemeen en van LHBT’s in het bijzonder te bevorderen. Zo zal onder andere de campagne ter bestrijding van hatecrimes landelijk worden uitgerold, zal het eenvoudiger worden om aangifte van discriminatie te doen en zal het landelijk uitrollen van de werkwijze van Roze in Blauw naar verwachting een drempelverlagend effect hebben om aangifte te doen.