Gepubliceerd: 17 september 2013
Indiener(s): Jeroen Dijsselbloem (PvdA)
Onderwerpen: begroting financiën
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33750-IX-2.html
ID: 33750-IX-2

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoud

   

Pag.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

6

1.

LEESWIJZER

6

2.1

DE BELEIDSAGENDA

9

2.2

DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

22

 

Artikel 1: Belastingen

22

 

Artikel 2: Financiële Markten

37

 

Artikel 3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

43

 

Artikel 4: Internationale Financiële Betrekkingen

50

 

Artikel 5: Exportkredietverzekeringen - garanties en investeringsverzekeringen

54

 

Artikel 6: BTW-compensatiefonds

59

 

Artikel 7: Beheer Materiële Activa

63

2.3

NIET-BELEIDSARTIKELEN

65

 

Artikel 8: Centraal Apparaat

65

 

Artikel 9: Algemeen

68

 

Artikel 10: Nominaal en Onvoorzien

69

2.4

DE BELEIDSARTIKELEN (Nationale Schuld)

70

 

Artikel 11: Financiering Staatsschuld

70

 

Artikel 12: Kasbeheer

74

3.

PARAGRAAF INZAKE HET AGENTSCHAP

77

4.

BIJLAGEN

83

4.1

Budgettair overzicht interventies

83

4.2

Overzicht staatsdeelnemingen

88

4.3

Overzicht RWT’s en ZBO’s

89

4.4

Subsidieoverzicht

93

4.5

Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

94

4.6

Verdiepingshoofdstukken

97

4.7

Begrippenlijst

109

4.8

Lijst met afkortingen

112

4.9

Moties en Toezeggingen

115

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

De afwijkingen van de Comptabiliteitswet 2001 die in de wetsartikelen 5 tot en met 7 van deze begrotingswet worden doorgevoerd, zijn tijdelijke voorzieningen. Deze voorzieningen zijn gelijk aan de afwijkingen zoals opgenomen in de begroting van 2013. De Tweede Kamer is hiervan eerder op de hoogte gesteld (zie voor de desbetreffende kamerstukken in de onderstaande artikelsgewijze toelichtingen). Deze tijdelijke voorzieningen worden verwerkt in een structurele wijziging van de Comptabiliteitswet 2001, te weten de Zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001.

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën voor het jaar 2014 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2014. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2014.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten van de begrotingsstaat van de Nationale Schuld en van de begrotingsstaat van Financiën voor het jaar 2014 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

Wetsartikel 3

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het baten-lastenagentschap Domeinen Roerende Zaken voor het jaar 2014 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen die een baten-lastenstelsel voeren.

Wetsartikel 5

Met dit wetsartikel wordt geregeld dat de begroting 2014 van Nationale Schuld niet meer door middel van een separaat begrotingswetsvoorstel, maar als onderdeel van het wetsvoorstel waarin ook de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën ter autorisatie wordt aangeboden, dient te worden opgenomen. Hiermee wordt een administratieve lastenverlichting gerealiseerd zonder dat er materieel sprake is van informatieverlies. Het voornemen hiertoe is al eerder met de Tweede Kamer besproken (Kamerstukken II, Kamerstuk 31 700-IXB, nr.3).

Deze gewijzigde begrotingspresentatie en -vaststelling werkt door in de presentatie van de beide jaarverslagen, in die zin dat de jaarverslagen van Nationale Schuld en het Ministerie van Financiën in één boekwerk zullen worden opgenomen. Omdat de jaarverslagen niet in de vorm van wetsvoorstellen aan de Staten-Generaal worden voorgelegd, hoeft de Comptabiliteitswet 2001 daarvoor niet te worden gewijzigd.

Een van de voorwaarden bij de integratie is dat de Algemene Rekenkamer op dezelfde manier kan blijven rapporteren over de onrechtmatigheden en onzekerheden en hieraan op dezelfde wijze conclusies kan verbinden. De voorgestelde integratie voldoet aan deze voorwaarde en leidt ook niet tot wijziging van de tolerantiegrenzen die bij de controle worden gehanteerd. Door het opnemen van twee separate begrotingsstaten worden de tolerantiegrenzen namelijk niet verruimd, omdat de bedragen bij de begrotingsartikelen in die twee staten niet bij elkaar worden opgeteld.

De integratie leidt tot een administratieve lastenverlichting voor alle bij het begrotings- en verantwoordingsproces betrokken partijen (Ministerie van Financiën, ministerraad, Kabinet van de Koning, Afdeling advisering van de Raad van State, Algemene Rekenkamer, Tweede Kamer, Eerste Kamer en de drukker van de kamerstukken), omdat er minder afzonderlijke wetsvoorstellen en jaarverslagen opgesteld hoeven te worden.

Wetsartikel 6

In het streven naar een vermindering van regeldruk en administratieve lasten binnen de overheid is de Tweede Kamer in 2006 op de hoogte gesteld van het voornemen tot het integreren van de Voorlopige Rekening in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (Kamerstukken II, 2005/06, 29 949, nr. 55). Met ingang van het begrotingsjaar 2012 wordt de Voorlopige Rekening niet langer afzonderlijk naar de Kamer verzonden. De wijzigingen van de begrotingen na de Najaarsnota, die tot nog toe in de Voorlopige Rekening werden gemeld, worden voortaan opgenomen in het Financieel Jaarverslag van het Rijk en worden, overigens zoals gebruikelijk, via de slotwetten aan de Kamer voorgelegd.

Wetsartikel 7

De aanvullingen en de afwijking van de Comptabiliteitswet 2001 die voor het jaar 2014 in dit artikel met betrekking tot verplichtingen-kasagentschappen worden doorgevoerd, vloeien voort uit de besluiten die het kabinet heeft genomen naar aanleiding van de evaluatie van het baten-lastendienstmodel. De Tweede Kamer is van die besluiten op de hoogte gebracht bij de brief van de Minister van Financiën van 25 augustus 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 28 737 nr. 21).

Een verplichtingen-kasagentschap is een nieuw type agentschap, dat nevengeschikt is aan een baten-lastenagentschap (in de huidige Comptabiliteitswet nog aangeduid als baten-lastendienst).

Voor het instellen van een verplichtingen-kasagentschap dient hetzelfde instellingstraject te worden doorlopen als voor het instellen van een baten-lastenagentschap. Dit wordt geregeld in het eerste lid, onderdeel c. Dit instellingstraject, alsmede de nadere regels met betrekking tot verplichtingen-kasagentschappen, bedoeld in onderdeel d., en de voorwaarden die aan een kasreserve van een verplichtingen-kasagentschap kunnen worden gesteld (onderdeel e) zullen worden opgenomen in de Regeling agentschappen.

In de onderdelen f, g en h wordt geregeld dat voor verplichtingen-kasagentschappen in de begroting en in het jaarverslag in plaats van baten, lasten, kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten zullen worden opgenomen de financiële verplichtingen, de (kas)uitgaven en de (kas)ontvangsten, zoals dat op grond van het verplichtingen-kasstelsel ook voor gewone departementale diensten het geval is.

Een kasreserve (onderdeel e) is een niet-geoormerkte, meerjarige budgettaire voorziening die een verplichtingen-kasagentschap op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën aanhoudt, bedoeld om jaarlijkse fluctuaties in de exploitatie op te vangen. De toevoegingen en onttrekkingen aan een kasreserve zullen, evenals dat het geval is bij een begrotingsreserve, als uitgaven en ontvangsten worden beschouwd. Dat wordt in het tweede lid geregeld.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De begroting IX is opgebouwd uit negen beleidsartikelen met uiteenlopende beleidsterreinen en drie niet-beleidsartikelen. Deze beleidsartikelen weerspiegelen het gehele werkterrein van het Ministerie van Financiën inclusief het beheer van de staatsschuld en het kasbeleid van het Rijk.

De beleidsartikelen voor Financiën zijn:

  • 1. Belastingen

  • 2. Financiële markten

  • 3. Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4. Internationale financiële betrekkingen

  • 5. Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

  • 6. Btw- compensatiefonds

  • 7. Beheer materiële activa

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • 8. Centraal apparaat kerndepartement

  • 9. Algemeen

  • 10. Nominaal en onvoorzien

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld zijn

  • 11. Financiering staatsschuld (transactiebasis)

  • 12. Kasbeheer (transactiebasis)

De begrotingstoelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat de beleidsagenda, de beleidsprioriteiten en de begroting op hoofdlijnen. Ook wordt in hoofdstuk 2 op de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen ingegaan. De budgettaire mutaties worden per artikel toegelicht in het verdiepingshoofdstuk (internetbijlage). In hoofdstuk 3 is de paragraaf inzake het agentschap Domeinen Roerende Zaken opgenomen. Als bijlagen zijn onder meer opgenomen het budgettair overzicht interventies, lijst met staatsdeelnemingen en de bijlage ZBO’s en RWT’s. Als laatste volgen de bijlagen afkortingen- en begrippenlijst. Het begrotingsbeleid en algemeen financieel-economisch beleid worden toegelicht in de Miljoenennota en komen beknopt aan de orde in de beleidsagenda. Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de Minister van Financiën. In de begroting voor 2014 wordt daarom geen nadere aandacht gegeven aan het RVOB.

Motie Schouw

Motie Schouw1 zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Commissie op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling (bij het onderwerp houdbare financiering beleidsprioriteiten).

Motie van Hijum

In de toelichting op artikel 8 centraal apparaat is een tabel opgenomen met de cijfermatige verdeling van de taakstelling Rutte II over het kerndepartement, het agentschap en de ZBO’s.

Financiering Staatsschuld en Kasbeheer

Sinds 2013 behandelt deze begroting tevens de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het Ministerie van Financiën. De extern gefinancierde schuld wordt in het artikel financiering staatsschuld behandeld (artikel 11). Het geïntegreerd middelen beheer wordt behandeld in het artikel kasbeheer (artikel 12). Beide artikelen worden middels een aparte begrotingstaat vastgesteld.

De begroting van Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen die zijn vastgelegd in de Comptabiliteitswet (CW). De eerste eigenschap is dat beide artikelen geen verplichting kennen om afzonderlijke ramingen op te nemen van de verwachte kasuitgaven en de verwachte juridisch vastgelegde financiële verplichtingen. Dit is het gevolg van de inherente onvoorspelbaarheid van de leenbehoefte van de Staat (artikel 11) en de fluctuerende geldstromen in het geïntegreerd middelenbeheer (artikel 12).

De tweede eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten van artikel 11 en artikel 12 in deze begroting niet op kasbasis (zoals voor andere onderdelen voor de rijksbegroting is besloten in artikel 3, eerste lid van de CW), maar op transactiebasis worden verantwoord. Er wordt dus niet gekeken naar de geldelijke betalingen en ontvangsten in het jaar, maar naar de rentekosten en renteopbrengsten die op transactiebasis aan een jaar worden toegerekend.

Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt voldaan aan de Europese voorschriften van het ESR 1995 (Europees Stelsel van Rekeningen). Het ESR 1995 is de Europese methode om onder meer het EMU-saldo en het geharmoniseerde BNP (Bruto Nationaal Product) als grondslag voor de afdracht van de eigen middelen van de Europese Unie te berekenen.

Kredietcrisis

Als gevolg van de kredietcrisis is door de Minister van Financiën een aantal maatregelen getroffen om het vertrouwen in de financiële sector en de reële economie te herstellen. Dit heeft grote invloed gehad op deze begroting. In de bijlage financiële interventies in het kader van de kredietcrisis is daarom een overzicht van de getroffen maatregelen te vinden en worden de gevolgen voor het beleid toegelicht. In paragraaf 2.2.2 wordt dieper ingegaan op het beleidsterrein financiële markten. Het beleid met betrekking tot ABN AMRO, ASR en SNS REAAL en de Illiquid Assets Back-up facility (IABF) wordt toegelicht in paragraaf 2.2.3. In paragraaf 2.2.4 zijn de verstrekte garanties voor het stabiliteitsmechanisme verwerkt en de lening aan Griekenland. De effecten van de kredietcrisis maatregelen op de staatsschuld zijn verwerkt in artikel 11. In de begroting wordt geen nadere aandacht gegeven aan de vordering op IJsland. IJsland en de curatoren hebben de verwachting uitgesproken dat de boedel van Landsbanki voldoende middelen zal bevatten om de gehele hoofdsom aan Nederland te voldoen. Wanneer het resterende bedrag geïnd kan worden is niet met zekerheid te zeggen. Als er sprake is van nieuwe ontwikkelingen dan wordt de Kamer hier separaat over geïnformeerd.

2.1 DE BELEIDSAGENDA

2.1.1 Het werkterrein van het Ministerie van Financiën op hoofdlijnen

De Minister van Financiën draagt de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en uitvoering van onder meer:

  • a) het algemeen financieel-economische en internationale financiële beleid;

  • b) het begrotingsbeleid en doelmatig beheer van ’s- Rijks financiën;

  • c) het financieringsbeleid;

  • d) het fiscale beleid;

  • e) het heffen, controleren en innen van de belastingen;

  • f) het beheer van roerende materiële activa van het Rijk.

Het begrotingsbeleid en het algemeen financieel-economisch beleid worden primair toegelicht in de Miljoenennota en komen slechts beknopt aan de orde in deze beleidsagenda. Ook de belastingontvangsten worden voornamelijk toegelicht in de Miljoenennota.

De financiën van de decentrale overheden, waarvoor de Minister van Financiën medeverantwoordelijk is, komen aan de orde in de Miljoenennota en in de begrotingen van het Gemeente- en Provinciefonds.

2.1.2 Beleidsagenda 2014

In de beleidsagenda wordt ingegaan op relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de beleidsartikelen wordt de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

1. Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Gezonde overheidsfinanciën zijn van essentieel belang. Voor het kabinet is het op orde brengen van de overheidsfinanciën één van de belangrijkste prioriteiten. Dit wordt bemoeilijkt door de lastige economische positie waarin Nederland zich op dit moment bevindt. Zonder ingrijpen dreigt de overheidsschuld verder op te lopen en wordt de rekening doorgeschoven naar volgende generaties. Het kabinet heeft daartoe bij Regeerakkoord besloten tot een ambitieus hervormingsprogramma en ombuigingspakket oplopend tot € 16 mld. in 2017 structureel.

Aanvullend daarop heeft het kabinet deze zomer besloten tot een aanvullend beleidspakket van structureel netto € 6 mld. euro om zodoende verder invulling te geven aan de ambitie tot het structureel op orde brengen van de overheidsfinanciën. Onderdeel van het pakket omvat ook een pakket aan gerichte stimuleringsmaatregelen waarmee het kabinet oog heeft voor de kwetsbare positie waarin onze economie zich op dit moment bevindt. In de Miljoenennota wordt een overzicht gegeven van het pakket en de budgettaire gevolgen daarvan.

Hoewel volgens de huidige inzichten het buitensporig tekort niet volledig in 2014 gecorrigeerd zal zijn, is het kabinet in het licht van de huidige economische situatie van mening dat met het aanvullende beleidspakket van € 6 mld. effectief invulling is gegeven aan de aanbevelingen in het kader van de buitensporigtekortprocedure en het nationaal hervormingsprogramma. Het uiteindelijke oordeel hierover is aan de Europese Commissie.

Het wetsvoorstel dat verplicht schatkistbankieren door provincies, gemeenten en waterschappen mogelijk maakt is in juli 2013 aangenomen door de Tweede Kamer. In het najaar volgt de behandeling door de Eerste Kamer. Als de Eerste Kamer ook instemt met het wetsvoorstel treedt schatkistbankieren naar verwachting eind 2013 in werking.

2. Herstellen en bewaken stabiliteit Eurozone

In 2014 zal het herstellen en bewaken van de financiële stabiliteit van de eurozone een belangrijk onderwerp blijven. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie. In 2014 zal de naleving van de aangescherpte regels ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact een rol krijgen op de politieke agenda. Daarnaast zal er aandacht zijn voor de vooruitgang in de lopende steunprogramma’s voor Cyprus, Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal. Bij het herstel van financiële stabiliteit in de eurozone zullen de Europese noodfondsen (EFSF, EFSM en ESM) en het IMF een belangrijke rol spelen.

In de afgelopen jaren is er voor een gezamenlijke Europese aanpak voor de crisis gekozen. Nederland heeft hierbij een actieve rol gespeeld. In de komende jaren is het van groot belang om vast houden aan die aanpak en gemaakte afspraken te implementeren. Begin 2013 is Minister Dijsselbloem voorzitter geworden van de Eurogroep. Deze rol als voorzitter biedt bij uitstek de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

3. Sobere en effectieve EU-begroting

Nederland streeft naar een sobere en effectieve EU-begroting waarin duidelijke prioriteiten worden gesteld en waarbij de afdrachten evenwichtiger en transparanter worden verdeeld. De gunstige afronding van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader moet worden geïmplementeerd. Deze afspraken betreffen een substantiële vermindering van de afdrachten (een korting op de Nederlandse afdrachten van ruim € 1 mld.) en een moderne EU-begroting (de budgetten voor onderzoek en innovatie hebben aan relatief belang gewonnen ten opzichte van de klassieke posten als landbouw- en cohesiebeleid). De Minister van Financiën zet zich in de Begrotingsraad in om dit standpunt in de jaarbegroting van de EU terug te zien.

4. Robuuste financiële sector

De overheid wil dat de activiteiten van financiële instellingen gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven. Uitgangspunt daarbij is dat gestreefd moet worden naar een solide, transparante, integere en dienstbare financiële sector met voldoende concurrentie die de klant centraal stelt en geen risico vormt voor de stabiliteit van de overheidsfinanciën of de reële economie. De overheid, toezichthouders en financiële sector voeren hiertoe onder meer de volgende hervormingen uit:

  • de banken weerbaarder en beter afwikkelbaar maken;

  • het aanscherping van de kapitaal- en liquiditeitseisen;

  • de consument meer centraal stellen in financiële dienstverlening;

  • het beter besturen van financiële instellingen;

  • het versterken en verbreden van toezicht.

In 2014 zal op Europees niveau verder worden gewerkt aan de totstandkoming van een bankenunie, die in ieder geval moet bestaan uit Europees bankentoezicht, geharmoniseerde toezichtsregels en een Europees resolutiemechanisme, met als sluitstuk een Europees depositogarantiestelsel. Ook zullen in 2014 de herziening van de richtlijn kapitaalvereisten en de verordening betreffende prudentiële vereisten voor banken in werking treden. Met de implementatie van deze richtlijn en verordening worden geleidelijk de kapitaaleisen voor banken verhoogd om zo de kans op financiële crises fors te verkleinen.

Verder zullen in 2014 verscheidene andere richtlijnen en verordeningen geïmplementeerd dan wel uitonderhandeld worden. Het betreft onder andere de herziening van de richtlijn markten in financiële instrumenten en de gelijknamige verordening, regels omtrent bemiddelaars en aanbieders van hypothecair krediet en omtrent verzekeringsproducten, een regulering van benchmarks en indices, regels om de transparantie over complexe producten voor consumenten te vergroten en tenslotte een verordening inzake marktmisbruik en regels die de onafhankelijkheid van accountantsorganisaties versterken.

Daarnaast wordt gewerkt aan een Wet beloningsbeleid financiële sector, waarin onder meer wordt vastgelegd het in het regeerakkoord opgenomen bonusplafond van 20% van de vaste beloning voor personen werkzaam in de financiële sector. Deze wet zal naar verwachting op 1 januari 2015 in werking treden. Tevens wordt gewerkt aan een verbreding van de bankierseed, die gepaard gaat met strenge sancties, zoals opgenomen in het regeerakkoord. Ook zullen vanaf 2015 de bankmedewerkers verantwoordelijk voor transacties met hoge risico’s voortaan – naast de al bestaande toetsing voor bestuurders en commissarissen – door de toezichthouders worden gescreend.

5. Financieel beheer interventies financiële sector

Het beleid is gericht op een afgewogen, zakelijk verantwoorde exit uit ASR, ABN AMRO en SNS REAAL en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. De stichting NL Financial Investments (NLFI) heeft de Minister van Financiën geadviseerd over de te volgen exitstrategie voor ABN AMRO en ASR. In dit advies is aan de orde gekomen wat de mogelijkheden zijn voor een exit. De Minister van Financiën heeft op basis van dit advies de Kamer zijn toekomstplannen met betrekking tot de financiële instellingen toegelicht (ABN AMRO, ASR en ook SNS REAAL). De toekomstplannen geven richting aan hoe een exit er waarschijnlijk uit gaat zien, er is vooralsnog geen besluit genomen over wanneer en hoe een exit zal plaatsvinden.

Ook voor de IABF (Illiquid Asset Backup Facility, de hypothekenportefeuille van ING) zal worden bezien wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van een exitstrategie.

6. Effectief financieel beheer en toezicht in de semipublieke sector

Mede naar aanleiding van recente financiële incidenten bij een aantal instellingen in de semipublieke sector kijkt het kabinet sectoroverstijgend naar de verbetering van financieel beheer, verantwoording en toezicht in deze sector. Zeker in tijden van bezuinigingen zullen deze instellingen hun financiële risico's moeten beperken en hun maatschappelijke opdracht weer centraal moeten stellen, waarbij soberheid en dienstbaarheid de leidraad zijn. Hiervoor zijn, naast een juiste houding en gedrag, duidelijke normen voor goed financieel beheer, verantwoording en toezicht van belang. Om te zorgen dat in ieder geval aan minimumnormen wordt voldaan, stelt het kabinet een gemeenschappelijk normenkader op voor goed financieel beheer en financieel toezicht. Dit kader helpt instellingen om hun financiële beheer en verantwoording zodanig in te richten dat zij in control zijn. Ook worden plannen ontwikkeld om het externe financiële toezicht op de semipublieke sector te versterken, zodat het financiële toezicht voldoende tegenwicht kan bieden aan het toezicht op de kwaliteit van de publieke taakuitvoering. De Minister van Financiën zal het normenkader in september 2013 aan de Tweede Kamer aanbieden. Na besluitvorming hierover zullen in 2014 maatregelen worden ingevoerd.

7. Exportkredietverzekering en -financiering

Het Nederlandse exportverzekeringsinstrumentarium is gemiddeld tot goed bestand tegen de concurrentiedruk van andere overheidsgesteunde exportkredietverzekeraars. Uit internationale vergelijkingen blijkt echter ook dat de rol van overheidsexportkredietverzekeraars aan het veranderen is. Er wordt in verschillende vormen steeds meer gedaan op het gebied van (her)financieren van exporttransacties. In Nederland gebeurt dit niet. Om er voor te zorgen dat Nederlandse exporterende bedrijven niet op een achterstand komen te staan ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten wordt in 2014 meer dan voorheen ingezet op het beschikbaar houden van voldoende financiering tegen een scherpe prijs. Om dit te bereiken, zonder dat de Staat onnodig op de stoel van de marktpartijen gaat zitten, wordt er in samenwerking met banken en de exportsector bekeken in welke mate exportfinanciering verder ontwikkeld kan worden. Ook wordt er via het Dutch Good Growth Fund van het Ministerie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingezet op een pakket van exportfinancierings- en verzekeringsinstrumenten naar landen waar marktpartijen minder mogelijkheden bieden.

8. Fiscale voornemens

Van de fiscale maatregelen die in het regeerakkoord zijn opgenomen is een deel al omgezet in wetgeving. Een ander deel is in de vorm van wetsvoorstellen bij het Parlement aanhangig gemaakt, in een aantal gevallen in wetsvoorstellen van andere bewindspersonen dan die van het Ministerie van Financiën. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de fiscale maatregelen uit het regeerakkoord en het aanvullend pakket die in het pakket Belastingplan 2014 zijn opgenomen. Daarnaast wordt ingegaan op een aantal lopende projecten en zal waar mogelijk inzicht worden geboden in de belangrijke stappen die daarin reeds zijn gezet en welke stappen op (korte) termijn kunnen worden verwacht.

In het Belastingplan 2014 zijn zoveel mogelijk de nog resterende fiscale maatregelen uit het regeerakkoord opgenomen. Dit betreft met name:

  • de afschaffing van de afdrachtvermindering onderwijs;

  • de fiscale begunstiging van lokaal opgewekte duurzame energie;

  • de verhoging van de accijns op tabak, alcohol, diesel en LPG;

  • de versobering van de vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor oldtimers;

  • de aanpassing van zowel de algemene heffingskorting als de arbeidskorting, rekening houdend met het koopkrachtpakket zoals dat voortvloeit uit de motie Zijlstra/Samsom en het aanvullend pakket 2;

  • de versobering van de zelfstandigenaftrek (ingangsdatum 1 januari 2015);

  • de versobering van de fiscale innovatieregelingen;

  • het fiscaal vrijvallen van de zogenoemde stamrechten en niet langer fiscaal faciliteren van nieuwe stamrechten;

  • het bevriezen van de belastingschijven en heffingskortingen;

  • de verlenging van de werkgeversheffing voor hoge lonen;

  • de afschaffing van de integratieheffing btw;

  • de verruiming van de schenkbelasting in relatie tot de eigen woning.

Voorts bevat het Belastingplan 2014 de fiscale maatregelen uit de augustus besluitvorming 2013.

Onderdeel van het pakket Belastingplan 2014 vormt het afzonderlijke wetsvoorstel dat een antwoord geeft op de fraude die zich voordoet in de toeslagen en de fiscaliteit. Dit wetsvoorstel bevat een groot aantal maatregelen die de Belastingdienst handvatten geeft om deze fraude adequaat aan te pakken.

Een eenvoudiger en fraudebestendig belastingstelsel

Het kabinet blijft streven naar een eenvoudiger belastingstelsel. Het gaat daarbij om het terugdringen van de complexiteit van wet- en regelgeving en het verminderen van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Op dit terrein is de afgelopen jaren een aantal stappen gezet, maar er is op verschillende fronten verdere winst te behalen. Het uitgangspunt van fraudebestendigheid, eenvoud en robuuste belastingontvangsten, vereist dat elke keer opnieuw kritisch wordt gekeken naar de inzet en vormgeving van fiscale faciliteiten.

In 2013 is een wetsvoorstel bij het parlement aanhangig gemaakt om het formeel verkeer met de Belastingdienst te vereenvoudigen door onder andere te voorzien in een soepele herziening van de aanslag, een verkorting van aanslagtermijnen en een basis voor elektronisch berichtenverkeer tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst. Het kabinet streeft ernaar om het wetsvoorstel in 2015 in werking te laten treden.

Een goed vestigingsklimaat

Nederland heeft een goed vestigingsklimaat. Dit stimuleert de bedrijvigheid en werkgelegenheid in Nederland. Het is zaak deze positie te behouden. De combinatie van verschillende, ieder voor zich verantwoorde regelingen, heeft er echter ook toe geleid dat Nederland, net als andere landen, geconfronteerd wordt met fiscale planningsmogelijkheden door internationale mismatches en het verschuiven van grondslag naar laagbelastende jurisdicties. De roep om deze mogelijkheden te beperken klinkt steeds luider. Dit betreft internationale problematiek die ook alleen internationaal echt tot een oplossing kan worden gebracht. Het zou de concurrentiepositie van Nederland en het in Nederland gevestigde bedrijfsleven schaden indien Nederland als enige maatregelen neemt. Ook het recente SEO-onderzoek «Uit de schaduw van het bankwezen» naar de bijzondere financiële instellingen in Nederland wijst hierop. Daarom zal Nederland actief participeren in internationale initiatieven op dit terrein, zoals het OESO BEPS-project (Base Erosion and Profit Shifting) en het EU actieplan met een mededeling en twee aanbevelingen tegen belastingfraude en -ontwijking. In de brief van 30 augustus 12013 zijn de Staatssecretaris van Financiën en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking daar dieper op ingegaan.

Commissie Van Dijkhuizen

In juni 2013 heeft de Commissie Van Dijkhuizen haar eindrapport uitgebracht. Daarin is een aantal aanbevelingen opgenomen die kunnen bijdragen aan verbetering en meer transparantie van het stelsel van de inkomstenbelasting en de toeslagen. Het streven is om aan het einde van het eerste kwartaal 2014 een reactie op het rapport te geven.

Onderzoek ter voorbereiding van Autobrief II

Bij de behandeling van de Wet uitwerking Autobrief is toegezegd ruim voor 2015 een evaluatie te starten en te komen tot een periodieke herijking van de CO2-grenzen voor de periode 2016–2019. Een eerste evaluatie, in de vorm van een overzicht van de verkopen van zuinige, zeer zuinige en nulemissie auto’s, zal binnenkort naar de Kamer worden gezonden. Het onderzoek ter voorbereiding van Autobrief II is in 2013 gestart.

ANBI: Transparantie en Toezicht

Ter uitwerking van het convenant «Ruimte voor geven» is in het najaar van 2012 de visie op toezicht en verantwoording in de filantropische sector afgerond. In dat kader zijn al diverse wettelijke maatregelen vastgesteld. Ook het Belastingplan 2014 bevat een aantal voorstellen op dit terrein, bijvoorbeeld de mogelijkheid om bij een periodieke gift een gestandaardiseerde onderhandse schenkingsovereenkomst te gebruiken in plaats van een notariële akte.

Invoering belastingplicht overheidsbedrijven

Afgelopen jaren is verkend hoe overheidsbedrijven in de vennootschapsbelasting betrokken kunnen worden. Inmiddels is hierover verschillende malen overleg gevoerd met de Tweede Kamer, laatstelijk nog op 25 juni 2013 naar aanleiding van de zogenoemde «dienstige maatregelen» die de Europese Commissie op 2 mei 2013 aan Nederland heeft voorgesteld. Op dit moment is de inventarisatie naar de mogelijke winstgevende activiteiten bij overheden en de vormgeving daarvan in de afrondende fase. Deze inventarisatie vormt de basis voor de wetgeving die naar verwachting in 2014 aan het parlement zal worden voorgelegd.

9. Handhaving Belastingdienst

Toezicht

De algemene doelstelling van de Belastingdienst is het bevorderen van het nalevingsgedrag van burgers en bedrijven. Toezicht is, naast dienstverlening en een snelle en correcte afhandeling van zaken, een belangrijk instrument om het nalevingsgedrag te bevorderen. Door te werken met actuele gegevens en het betalingsgedrag actief te monitoren bewaakt de Belastingdienst de tijdige en juiste afdracht van belastingen. Het kabinet heeft bij regeerakkoord structureel € 157 mln. aan de Belastingdienst beschikbaar gesteld voor het versnellen van de aanslagregeling, het beoordelen van meer aangiften, het verrichten van meer boekenonderzoeken bij ondernemers en het aanscherpen van administratieve controles (bijvoorbeeld de controle op verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting) en voor structureel extra invorderingen. De FIOD heeft middelen gekregen om de opsporing te versterken, onder meer om extra witwaszaken aan te pakken. De meeropbrengsten van deze intensiveringen in 2014 worden geraamd op € 533 mln.

Invulling taakstellingen

Ook de Belastingdienst draagt zijn deel bij aan de realisatie van de rijksbrede taakstellingen. Uitgangspunt is dat de invulling van de rijksbrede taakstellingen niet ten koste mag gaan van de belasting- en premieopbrengsten, het toezicht en de dienstverlening aan burgers en bedrijven. De invulling van taakstellingen van voorgaande kabinetten heeft plaatsgevonden door efficiencymaatregelen in de ondersteunende processen en vereenvoudiging van regelgeving. Een deel van de besparingen moet nog worden gevonden in de huisvesting van de Belastingdienst. Deze huisvesting maakt onderdeel uit van een rijksbrede operatie om de huisvesting efficiënter en daardoor goedkoper te maken, waarvoor de Minister voor Wonen & Rijksdienst stelselverantwoordelijk is.

In het regeerakkoord is vanaf 2016 een aanvullende apparaatstaakstelling op de Rijksdienst opgenomen waaraan ook de Belastingdienst een bijdrage zal moeten leveren. Ook hiervoor is het streven veranderingen te laten plaatsvinden zonder wijziging van het kwaliteitsniveau van dienstverlening en toezicht en bij vereenvoudiging ook burgers en bedrijven mee te laten profiteren.

Fraudebestrijding

Het effectief voorkomen en bestrijden van fraude is één van de pijlers van het fiscale beleid. Belastingplichtigen moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid al het mogelijke doet om iedereen aan zijn verplichting te laten voldoen. Fraude schaadt de schatkist en daarmee andere belastingplichtigen. Daarom wordt streng opgetreden tegen burgers en bedrijven die op valse gronden verzoeken om teruggaven indienen of burgers die onrechtmatig toeslagen aanvragen. Ongewenst fiscaal gedrag uit zich bijvoorbeeld in schijnconstructies en het misbruik van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Om al deze vormen van misbruik tegen te gaan heeft het kabinet al maatregelen in gang gezet die in 2014 verder hun beslag moeten krijgen. 3 4 5 Ook de bestrijding van btw-carrouselfraude en de aanpak van witwassen krijgen in 2014 onverminderd aandacht, gezien de aanzienlijke financiële en maatschappelijke belangen die hiermee gemoeid zijn.

Aanpak toeslagfraude

De mogelijkheden om op frauduleuze wijze toeslagen aan te vragen worden in belangrijke mate beperkt door de maatregelen die zijn aangekondigd in de brief van 10 mei 2013. 6 Het kabinet werkt deze maatregelen uit in het Belastingplan 2014, zodat zij per 1 januari 2014 geïmplementeerd kunnen worden. De gedachte achter deze maatregelen is om fraude zoveel mogelijk aan het begin van het aanvraagproces te detecteren en te voorkomen. Daarom wordt in sommige gevallen van burgers extra informatie gevraagd, voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. Dit kan er dus soms toe leiden, dat zij tot na deze aanvullende verificatie op een toeslagbetaling moeten wachten.

De kwaliteit van de gegevens in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens is voor het beperken van fraudemogelijkheden van groot belang. In de brief van 10 mei 2013 zijn hiervoor maatregelen aangekondigd.

2.1.3 De begroting op hoofdlijnen

In deze paragraaf wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de samenstelling en ontwikkeling van de uitgaven en ontvangsten op begrotingshoofdstuk IX (Financiën en Nationale Schuld). In deze paragraaf wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven en ontvangsten van de (niet-) beleidsartikelen 1 tot 10 en de beleidsartikelen 11 en 12.

Beleidsartikelen Ministerie van Financiën

De totale uitgaven op de artikelen 1 tot en met 10 bedragen € 9,2 mld. Hiervan is € 3,1 mld. apparaat (inclusief apparaat agentschap Domein Roerende Zaken (DRZ), zie grafiek 1). De overige uitgaven zijn programma-uitgaven (€ 6,2 mld., zie grafiek 2). De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst worden in artikel 1 toegelicht, de apparaatsuitgaven van het kerndepartement in artikel 8 en de apparaatsuitgaven van het agentschap DRZ in hoofdstuk 3.

Grafiek 1: Verdeling Apparaat Financiën (x € 1.000)

Grafiek 1: Verdeling Apparaat Financiën (x € 					 1.000)

Grafiek 2: Verdeling programma-uitgaven begroting IX Financiën (x € 1.000)

Grafiek 2: Verdeling programma-uitgaven begroting IX 					 Financiën (x € 1.000)

De programma-uitgaven worden per artikel nader toegelicht. De grootste programma-uitgaven zijn: BTW-compensatiefonds (€ 2,8 mld., artikel 6), uitgaven voor de IABF (€ 1,6 mld., artikel 3) en garanties voor het ESM (€ 0,9 mld., artikel 4).

Grafiek 3: Niet-belastingontvangsten begroting IX Financiën (x € 1.000)

Grafiek 3: Niet-belastingontvangsten begroting IX 					 Financiën (x € 1.000)

In grafiek 3 wordt een overzicht gegeven van de programmaontvangsten op de departementale begroting van Financiën. De grootste programmaontvangsten zijn ontvangsten uit het IABF (€ 1,6 mld., artikel 3), Winstafdracht DNB (€ 1,2 mld., artikel 3) en de ontvangen aflossingen en couponbetaling op de kapitaalverstrekkingen aan financiële instellingen (€ 1,1 mld., artikel 3).

Grafiek 4: Verleende garanties begroting IX Financiën (* € 1 mln.)

Grafiek 4: Verleende garanties begroting IX Financiën (* € 					 1 mln.)

In grafiek 4 wordt een overzicht gegeven van de verleende garanties op de begroting van Financiën. De grootste garanties zijn verleend aan het EFSF (€ 49,6 mld., artikel 4), DNB – deelneming in kapitaal IMF (€ 46,5 mld., artikel 4) en het ESM (€ 35,4 mld., artikel 4).

Grafiek 5: Overzicht Uitgaven en Ontvangsten begroting IX Financiën

Grafiek 5: Overzicht Uitgaven en Ontvangsten begroting IX 					 Financiën

De hogere uitgaven in 2013 worden voornamelijk veroorzaakt door de nationalisatie van SNS. Voor meer informatie over de belastingontvangsten wordt verwezen naar de Miljoenennota.

Beleidsartikelen Nationale Schuld

In deze paragraaf wordt de verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar weergegeven, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Het betreft de staatsschuld. De schuldtoerekening als gevolg van de IABF (Illiquid Asset Backup Facility met ING) en de EFSF (European Financial Stability Facility) zijn niet meegenomen. Deze worden verantwoord in artikel 3.

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 11

Grafiek 6: Overzicht Staatsschuld en Rentekosten artikel 					 11

De omvang van de staatsschuld (artikel 11) ultimo 2014 bedraagt naar verwachting circa € 394 mld. De raming voor de rentekosten in 2014 bedraagt € 8,7 mld. De onderstaande tabel geeft ook de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen weer, zoals rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), Sociale Fondsen en zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s).

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties (in € 1 mld.)
 

2012

2013

2014

EMU-schuld

427

451

466

Staatsschuld 1

356

378

394

Schuldverhouding met ABN AMRO

3,8

3,8

3,6

Interne schuldverhouding (artikel 12)

– 21,3

– 31,4

– 35,8

Rentekosten staatsschuld

10,3

9,7

9,2

Rentekosten schuldverhouding ABN AMRO

– 0,2

– 0,1

– 0,1

Rentekosten staatsschuld (artikel 11)

10,1

9,6

9,1

Rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 12)

– 0,5

– 0,5

– 0,4

Rentekosten totaal (artikel 11 en 12)

9,6

9,1

8,7

X Noot
1

Exclusief de schuldtoerekening vanwege de IABF (Illiquid Assets Back-up Facility met ING), en EFSF (European Financial Stability Facility). Deze worden verantwoord in artikel 3.

2.1.4 Beleidsdoorlichtingen

Beleidsdoorlichtingen:
 

(Realisatie)

(planning)

Artikel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Financiën

             

1 Belastingen

             

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgt er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

     

     

2 Financiële Markten

             

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

         

 

3 Financieringsactiviteiten publieke-private sector

             

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

 

   

   

4 Internationale Financiële Betrekkingen

             

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

     

     

5 Exportkrediet- en investeringsverzekeringen

             

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

   

 

   

6 Btw-compensatiefonds

             

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

       

   

7 Beheer Materiële Activa

             

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

 

     

 

Overig

             

Financieel en Economisch beleid van de overheid

       

   
               

Nationale schuld

             

11 Financiering Staatsschuld

             

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting

     

     

12 Kasbeheer

             

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

   

     

Toelichting:

In de Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Dit kan bijvoorbeeld eens in de vier jaar en ten minste eens in de zeven jaar. Er moet volgens RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen. De bovenstaande meejarige programmering van beleidsdoorlichtingen voor Financiën is dekkend en voldoet aan de RPE voorschriften.

In 2013 worden twee beleidsdoorlichtingen bij Financiën afgerond. De beleidsdoorlichting over Staatsdeelnemingen is vanwege de samenloop met het Interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) Staatsdeelnemingen samengevoegd. Het IBO is recentelijk afgerond en naar de Kamer gestuurd. De beleidsdoorlichting bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) betreft het gehele beleidsartikel en bevindt zich nu in de eindfase. Deze zal binnenkort naar de Kamer worden gestuurd.

Voor 2014 staan een tweetal beleidsdoorlichtingen gepland. De beleidsdoorlichting over Exportkrediet en investeringsverzekeringen heeft betrekking op Exportkredietgaranties (EKG). Het resterende deel van het begrotingsartikel zal in 2016 worden doorgelicht. De beleidsdoorlichting over Kasbeheer betreft Schatkistbankieren.

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN (Financiën)

2.2.1 Artikel 1 Belastingen

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgt er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een regisserende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • het te voeren fiscale beleid;

  • het opstellen van fiscale wet- en regelgeving;

  • het internationaal behartigen van de Nederlandse fiscale belangen.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk en heeft een uitvoerende rol op het terrein van de fiscaliteit. Daarbij gaat het om:

  • de heffing en inning van de rijksbelastingen en douanerechten;

  • de heffing en inning van de premies werknemers- en volksverzekeringen;

  • de heffing en inning van de inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet;

  • de heffing en inning voor derden van een aantal belastingen, heffingen en vorderingen;

  • de vaststelling en de uitbetaling van toeslagen;

  • de controle op VGEM-aspecten (veiligheid, gezondheid, economie en milieu) bij invoer, doorvoer en uitvoer van goederen;

  • handhavingstaken op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voert de Belastingdienst de heffing en inning van de rijksbelastingen uit. Op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) voert Belastingdienst/Toeslagen de toeslagregelingen uit voor de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Op grond van de Algemene Douane wet voert de Douane de controle op VGEM-aspecten uit. Op grond van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten voert de FIOD de handhavingstaken uit op het gebied van de economische ordening en financiële integriteit.

De Minister bevordert, door inzet van de Belastingdienst, compliance door passende dienstverlening te leveren, massale processen juist en tijdig uit te voeren, adequaat toezicht uit te oefenen en waar nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen.

De Belastingdienst meet elk jaar de houding van burgers en bedrijven ten aanzien van het voldoen aan fiscale verplichtingen en de klanttevredenheid door middel van een set enquêtevragen in de Fiscale Monitor 7. Aan de geënquêteerden wordt ondermeer gevraagd of zij belastingontduiking onaanvaardbaar achten, of zij de stelling onderschrijven dat zelf belasting ontduiken uitgesloten is, en of zij het betalen van belasting als een maatschappelijke bijdrage ervaren. Over de uitkomsten wordt gerapporteerd in de halfjaarrapportages Belastingdienst.

C. Beleidswijzigingen

Voor de voorgestelde wijzigingen op fiscaal terrein wordt verwezen naar het Belastingplan 2014 en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

3.357.051

3.404.562

3.297.439

3.208.780

3.131.846

3.033.965

2.997.469

               

Uitgaven (1) + (2)

3.268.814

3.404.562

3.297.439

3.208.780

3.131.846

3.033.965

2.997.469

               

(1) Programma-uitgaven

445.016

441.714

406.614

390.664

394.304

361.304

361.304

waarvan juridisch verplicht:

             

Waarvan:

             

             

Rente

             

Heffings- en invorderingsrente

440.182

435.800

395.700

379.750

383.390

350.390

350.390

Rentevergoeding depotstelsel

   

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

               

Bekostiging

             

Proceskosten

3.872

3.536

3.536

3.536

3.536

3.536

3.536

Overige programma-uitgaven

962

2.378

2.378

2.378

2.378

2.378

2.378

               

(2) Apparaatsuitgaven

2.823.798

2.962.848

2.890.825

2.818.116

2.737.542

2.672.661

2.636.165

waarvan uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

9.502

9.502

9.502

9.502

9.502

Waarvan:

             

Personele uitgaven

2.063.065

2.143.943

2.136.729

2.079.805

2.013.289

1.975.419

1.953.039

waarvan: Eigen personeel

1.877.434

1.940.051

1.971.326

1.943.818

1.900.998

1.871.628

1.855.248

waarvan: Inhuur externen

185.631

203.892

165.403

135.987

112.291

103.791

97.791

Materiële uitgaven

760.733

818.905

754.096

738.311

724.253

697.242

683.126

waarvan: ICT

232.263

225.272

213.456

212.419

202.253

197.253

192.253

waarvan: Bijdrage SSO's

222.993

228.427

230.186

226.760

216.778

206.778

201.778

             

Ontvangsten (3) + (4)

105.863.956

109.824.747

115.246.411

121.794.539

128.361.154

135.584.598

140.684.097

               

(3) Programma-ontvangsten

105.838.010

109.804.775

115.226.789

121.774.917

128.341.532

135.564.976

140.664.475

Waarvan:

             

Belastingontvangsten

105.037.894

109.012.622

114.368.836

120.818.964

127.340.579

134.530.023

139.599.522

               

Rente

Heffings- en invorderingsrente

432.004

447.000

468.000

546.000

591.000

625.000

655.000

               

Boetes en schikkingen

Ontvangsten boetes en schikkingen

168.749

147.877

192.677

212.677

212.677

212.677

212.677

               

Bekostiging

Kosten vervolging

199.363

197.276

197.276

197.276

197.276

197.276

197.276

               

(4) Apparaatsontvangsten

25.946

19.972

19.622

19.622

19.622

19.622

19.622

D2. Budgetflexibiliteit

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De rente-uitgaven komen voort uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 en zijn voor 100% juridisch verplicht. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

Bekostiging

De uitgaven onder bekostiging betreffen onder andere de proceskostenvergoeding aan belastingplichtigen indien hun bezwaar of beroep wordt gehonoreerd. De regeling ligt vast in de Algemene wet bestuursrecht. De uitgaven zijn 100% juridisch verplicht. Verder valt onder dit budget een bijdrage aan de Waarderingskamer die 100% juridisch verplicht is op basis van Wet waardering onroerende zaken. Er is geen einddatum voor deze regeling vastgesteld.

E. Toelichting op de instrumenten

Rente

Dit budget betreft de belasting- en invorderingsrente die wordt vergoed aan belastingplichtigen. De post rentevergoeding depotstelsel betreft tegoeden die in het kader van de Wet Keten Aansprakelijkheid worden afgedragen aan de Belastingdienst door onderaannemers ter verzekering dat belasting en sociale premies worden afgedragen. De opgebouwde rente in het depot moet worden vergoed aan de betreffende partij.

Bekostiging

Uitgaven: belastingplichtigen komen in aanmerking voor een proceskostenvergoeding, indien zij in het gelijk worden gesteld bij een bezwaar- of beroepsprocedure.

De overige programma-uitgaven bestaan onder andere uit een bijdrage aan de Waarderingskamer en de Douaneraad.

Ontvangsten: aan belastingschuldigen worden de kosten doorberekend van invorderingsmaatregelen (aanmaning, dwangbevel, beslaglegging, etc.). Dit gebeurt op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.

Boetes en schikkingen

Deze ontvangstenpost betreft de opbrengsten van bestuurlijke boetes en van schikkingen.

De in de tabel budgettaire gevolgen opgenomen belastingontvangsten zijn netto-ontvangsten. De netto-ontvangsten zijn gelijk aan de totale belastingontvangsten minus de afdrachten aan het Gemeentefonds en het Provinciefonds op grond van de Financiële-verhoudingswet, en minus de afdrachten aan het BTW-Compensatiefonds en het BES-fonds.

In onderstaande tabel staat de aansluiting van de Miljoenennota 2014 met het hoofdstuk IX. De Miljoenennota bevat een toelichting op de belastingontvangsten.

Belastinguitgaven en -ontvangsten
Tabel aansluiting belastingontvangsten Miljoenennota 2014 met IXB (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totale belastingontvangsten

127.861.023

131.069.047

136.771.184

141.389.701

147.759.016

154.865.397

159.865.397

Afdracht Gemeentefonds

– 18.500.288

– 17.836.203

– 18.381.232

– 16.812.819

– 16.689.443

– 16.603.071

– 16.543.321

Afdracht Provinciefonds

– 1.619.525

– 1.529.766

– 1.171.987

– 908.545

– 879.799

– 883.227

– 873.378

Afdracht BTW-Compensatiefonds

– 2.664.772

– 2.656.643

– 2.816.420

– 2.816.664

– 2.816.486

– 2.816.367

– 2.816.367

Afdracht BES- fonds

– 38.545

– 33.813

– 32.709

– 32.709

– 32.709

– 32.709

– 32.809

               

Belastingontvangsten IXB

105.037.894

109.012.622

114.368.836

120.818.964

127.340.579

134.530.023

139.599.522

Belastinguitgaven

Conform de conclusie van het kabinet naar aanleiding van de «beleidsdoorlichting evaluatie belastinguitgaven» (Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 6), worden de belastinguitgaven die onder verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Financiën in deze begroting weergegeven. Het zijn vooral fiscale faciliteiten die geen directe relatie hebben met een specifiek beleidsterrein van andere departementen.

Belastinguitgaven

Budgettair belang (mln. euro) in 2014

Doorschuiven inkomen aanmerkelijk belang bij aandelenfusie

96

Ouderentoeslag forfaitair rendement

92

Vrijstelling rechten op kapitaaluitkering bij overlijden forfaitair rendement

22

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaaluitkeringen

949

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

397

Giftenaftrek

430

Faciliteiten successiewet algemeen nut beogende instellingen (ANBI)

199

Omzetbelasting vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen en kerken

138

Omzetbelasting vrijstelling fondsenwerving

173

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting motorrijtuigen ouder dan 25 jaar

63

Vrijstelling motorrijtuigenbelasting reinigingsdiensten

1

Apparaatsbudgetten

Apparaatsuitgaven

De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst betreffen personeel (ca. € 2 mld.) en materieel (ca. € 0,7 mld.). Het apparaatsbudget betreft de uitvoeringskosten voor het primaire proces binnen de Belastingdienst en de ondersteuning daarvan. Het primaire proces omvat de bedrijfsonderdelen: Belastingdienst, Douane, Toeslagen, FIOD, BelastingTelefoon en Centrale Administratie. De ondersteuning betreft: Centrum voor Kennis en Communicatie, Centrum voor Facilitaire Dienstverlening, het Centrum voor Applicatieontwikkeling en Onderhoud en het Centrum voor Infrastructuur en Exploitatie.

Onderstaand cirkeldiagram geeft een verdeling op hoofdlijnen (in %) van de inzet van personele capaciteit op de instrumenten dienstverlening, toezicht en opsporing en massale processen. De verdeling is op basis van de formatie van de Belastingdienst in 2013.

Inzet capaciteit op instrumenten (in %)

Inzet capaciteit op instrumenten (in 						%)

Apparaatsontvangsten

De apparaatsontvangsten ad € 19,6 mln. bestaan onder andere uit ontvangsten in verband met werkzaamheden die de Belastingdienst voor andere overheidsorganisaties uitvoert.

F1. Fiscaal beleid en wetgeving

Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbelastingen, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

De fiscale wetgeving die in 2013 wordt voorbereid zal vooral in het teken staan van de uitwerking van de in het regeerakkoord opgenomen maatregelen die in 2014 of later in werking zullen treden. Ook dient in 2013 uitvoering te worden gegeven aan het zogenoemde Woonakkoord 8, het Sociaal Akkoord 9 en het aanvullend akkoord. De fiscale maatregelen die betrekking hebben op de woningmarkt zullen in de vorm van separate wetsvoorstellen worden ingediend. Dat betreft allereerst de in het Regeerakkoord voorziene aftrekbeperking in jaarlijkse stappen van 0,5%-punt vanaf 2014, de terugsluis (met ingang van 1 januari 2018) van de eerder in de wet vastgelegde verplichting tot annuïtair aflossen en (met ingang van 1 januari 2014) de terugsluis van de hiervoor genoemde aftrekbeperking.

Daarnaast blijft het kabinet inzetten op de bestrijding van belastingfraude; het kabinet wenst een belastingstelsel dat eerlijk uitwerkt en waarin iedereen zijn deel bijdraagt. Het pakket Belastingplan 2014 bevat een separaat en omvangrijk wetsvoorstel met maatregelen die de Belastingdienst mogelijkheden biedt om de fraude in de toeslagen en fiscaliteit adequaat aan te pakken.

Het kabinet zet tegelijkertijd in op handhaving van ons goede vestigingsklimaat. Rust en duidelijkheid zijn daarbij van belang terwijl er tegelijkertijd oog moet zijn voor de fiscale planningsmogelijkheden door internationale mismatches en het verschuiven van grondslag naar laagbelastende jurisdicties. Zoals ook al aangegeven in de brief van 17 januari 2013 van de Staatssecretaris van Financiën 10 en in de brief van 30 augustus van de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, betreft dit internationale problematiek die ook alleen internationaal echt tot een oplossing kan worden gebracht. Het zou de concurrentiepositie van Nederland en het in Nederland gevestigde bedrijfsleven schaden indien Nederland als enige maatregelen neemt. Daarom zal Nederland actief participeren in internationale initiatieven van de OESO en de EU op dit terrein, zoals bijvoorbeeld de BEPS (Base Erosion and Profit Shifting) en het EU actieplan met een mededeling en twee aanbevelingen tegen belastingfraude en -ontwijking.

In juni 2013 heeft de Commissie Dijkhuizen haar eindrapport uitgebracht. Daarin is een aantal aanbevelingen opgenomen die bijdragen aan de verbetering en meer transparantie van het stelsel van de inkomstenbelasting en de toeslagen. Aan het einde van het eerste kwartaal van 2014 komt het kabinet met een reactie op dit rapport.

Wat betreft de internationale context worden bilaterale belastingverdragen afgesloten en uitgevoerd, bijvoorbeeld met het oog op het voorkomen van dubbele belastingen. Nederland heeft al een vrij uitgebreid netwerk van verdragen dat ook regelmatig terugkerend onderhoud vergt. In dat kader bestaat het voornemen om onderhandelingen te voeren of voort te zetten met landen als China en India met als doel de bestaande belastingverdragen te herzien. Daarnaast worden de besprekingen met Aruba, Curaçao en Sint Maarten voortgezet om – gegeven de nieuwe staatkundige verhoudingen per 10 oktober 2010 – de Belastingregeling voor het Koninkrijk aan die nieuwe verhoudingen aan te passen.

In de hiervoor genoemde brief van 30 augustus 2013 is ook aangekondigd dat meer aandacht zal worden gegeven aan anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen met ontwikkelingslanden.

F2. Belastingdienst

Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Passende dienstverlening zorgt ervoor dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden hun verplichtingen kunnen nakomen en hun rechten kunnen verwezenlijken.

De dienstverlening van de Belastingdienst sluit aan op de behoeftes en wensen van burgers en bedrijven. Het heeft daarnaast als doel om te verduidelijken wat burgers en bedrijven van de Belastingdienst mogen verwachten. Om de verwachtingen waar te maken, wil de Belastingdienst inzicht hebben in de fiscale situatie van de klanten, daarop passende communicatie aanbieden, voldoende beschikbaar zijn voor vragen en begrijpelijke taal gebruiken.

In de Fiscale Agenda zijn vereenvoudigingen aangekondigd in de contacten tussen belastingplichtigen en Belastingdienst 11. Onder meer door het breder gebruik van elektronisch berichtenverkeer, het verkorten van termijnen voor goedwillende belastingplichtigen en het invoeren van soepel herzien voor definitieve aanslagen. Het eerste spoor hiervoor is het zoveel mogelijk verleggen van de brievenstroom naar burgers en bedrijven naar digitale communicatie. Het tweede spoor is het realiseren van een persoonlijk domein (op internet, toegankelijk via DigiD) voor burgers. Via dit domein kunnen burgers algemene informatie verkrijgen, persoonlijke gegevens opvragen en controleren en wijzigingen doorgeven.

Voor burgers die geen digitale vaardigheden bezitten blijft een vangnet beschikbaar. Bij iedere verandering wordt daarom gekeken hoe deze groep burgers wordt geraakt en wat er nodig is om voor hen de dienstverlening op peil te houden. Telefoon en balie zullen de komende jaren nog belangrijke ondersteunende kanalen zijn voor het verlenen van informatiediensten.

De Belastingdienst analyseert situaties waarin burgers en bedrijven in de bureaucratie de weg kunnen kwijtraken. Als bepaalde procedures en werkwijzen onbedoeld tot verwarring en vragen leiden, worden deze aangepakt om de dienstverlening te verbeteren.

Meetbare gegevens 12

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Bereikbaarheid Belastingtelefoon

82

82

80–85

80–85

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen Belastingtelefoon (extern gemeten)

87

86

80–85

80–85

Afgehandelde bezwaren binnen AWB-termijn

94

94

95–100

95–100

Afgehandelde klachten binnen AWB-termijn

96

95

98–100

98–100

Klanttevredenheid

       

• Internet

90

90

80–90

80–90

• Balie

76

89

80–90

80–90

• Telefonie

       

– Algemeen

82

81

70–80

70–80

– Intermediairs

82

87

80–90

80–90

Toelichting

  • Bereikbaarheid.

    De bereikbaarheidsnorm geeft het percentage weer van het aantal bellers dat daadwerkelijk verbinding heeft gekregen met de BelastingTelefoon. De doelstelling van 80–85% geldt als gemiddelde jaardoelstelling.

  • Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BelastingTelefoon.

    De Belastingtelefoon streeft kwalitatief goede beantwoording na. Dit wordt bereikt door goed opgeleide telefoniemedewerkers en digitale voorzieningen voor het beantwoorden van vragen van bellers. Door externe bureaus wordt gemeten of de fiscaal juiste antwoorden worden gegeven.

  • Afgehandelde bezwaren en klachten binnen AWB-termijn.

    Bezwaren en klachten worden AWB-conform behandeld. Gekozen is voor een marge omdat gelet op de omvang van het aantal bezwaarschriften volledige afdoening binnen de wettelijke termijnen in de praktijk niet altijd haalbaar is. Om de voorraad bezwaren en klachten beheersbaar te houden worden de afhandelingsprocessen op uniforme wijze ingericht en waar mogelijk geconcentreerd.

  • Klanttevredenheid.

    De klanttevredenheid wordt jaarlijks met behulp van de Fiscale Monitor voor alle dienstverleningskanalen gemeten.

Handhaving

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

De Belastingdienst streeft na het gedrag van burgers en bedrijven zodanig te beïnvloeden dat een optimaal effect wordt bereikt op de compliance, het bereidwillig naleven door belastingplichtigen van de fiscale regels. Op basis van kennis over het gedrag van belastingplichtigen en gegeven de beschikbare capaciteit, zet de Belastingdienst de handhavingsinstrumenten in die het meest bijdragen aan de compliance. Dit wordt handhavingsregie genoemd.

De handhavingsregie bestrijkt het gehele toezichtpalet: van vooringevulde aangifte tot de fiscale opsporing en recherche. Bij Regeerakkoord zijn structurele middelen gereserveerd voor versterking van het toezicht 13. Dit ziet in 2014 onder meer op het versnellen van de aanslagregeling Particulieren en automatisch corrigeren, meer boekenonderzoeken en verscherpen van administratieve controles voor de omzetbelasting. Hierdoor is de door de Commissie Stevens bepleite balans in de handhavingsregie beter te verwezenlijken. Daarnaast zijn extra middelen uitgetrokken voor structureel extra invorderingen. Over de intensivering van het toezicht wordt (tussentijds) verantwoording afgelegd via de halfjaarlijkse rapportage.

Bij de uitvoering van zijn taken laat de Belastingdienst zich leiden door rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Professionaliteit, duidelijkheid en snelheid zijn daarbij van belang. Door middel van risicoselectie beoordeelt de Belastingdienst welke gevallen we aan een nader onderzoek willen onderwerpen. Bij ernstige overtredingen van de regels, voert de FIOD een strafrechtelijk onderzoek uit.

De Belastingdienst verdeelt belastingplichtigen in drie segmenten: Particulieren, Midden- en Kleinbedrijf (MKB) en Grote Organisaties (GO). Het MKB-segment bestaat uit drie subsegmenten: Starters, ZZP en MKB+. De Belastingdienst maakt onderscheid in individuele en groepsgewijze klantbehandeling. In het segment GO vindt individuele klantbehandeling plaats. Voor de segmenten Particulieren en MKB is gegeven de omvang van deze segmenten sprake van groepsgewijze klantbehandeling, uiteindelijk resulterend in correcties op individuele aangiften.

Het toezicht bij Toeslagen is gericht op het correct, dat wil zeggen op basis van de wettelijke grondslagen, uitbetalen van het juiste bedrag. Het toezichtbeleid komt tot stand in afstemming met de departementen die beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de inkomensafhankelijke regelingen. Zoals aangekondigd in de brief van 10 mei 2013 14 is het kabinet voornemens extra maatregelen te nemen tegen systeemfraude bij toeslagen. In voorkomende gevallen zal parallel hieraan de Awir moeten worden aangepast om de Belastingdienst extra tijd te geven voor het uitvoeren van extra controles, voordat wordt overgegaan tot uitbetaling van een toeslagenvoorschot.

De maatregelen worden opgenomen in een apart wetsvoorstel in het pakket belastingplan 2014. Het gaat onder andere om de volgende maatregelen:

  • het niet verlenen van een voorschot aan een voor de Belastingdienst onbekende aanvrager. In beginsel wordt een dergelijke aanvraag pas na afloop van het toeslagjaar uitbetaald, tenzij de aanvrager zich eerder met de benodigde informatie meldt.

  • voorschotten worden daarnaast niet verleend bij een verhoogd frauderisico, deze gevallen worden eerst extra gecontroleerd.

  • tevens vervalt bij het ontbreken van een actueel adresgegeven het recht op een voorschot. Als de gemeente een inschrijving in de GBA in onderzoek heeft, wordt er op basis van een signaal van de gemeente geen toeslagenvoorschot door de Belastingdienst uitbetaald. Vanuit de Belastingdienst vindt tevens terugmelding van nieuwe informatie aan de GBA plaats. Dit proces wordt geautomatiseerd.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voert de kwaliteitsagenda GBA uit. In dit kader zijn er risicoprofielen op woonadressen ontwikkeld waar gemeenten gebruik van kunnen maken om gericht huisbezoeken uit te voeren. Tevens worden op landelijk niveau maatregelen genomen om patronen te herkennen die een signaal zijn voor gemeenten om hun inschrijfproces verder aan te scherpen. De wet Basisregistratie Personen (BRP) voorziet in registratie van niet-ingezetenen (RNI) waaronder arbeidsmigranten. Ook wordt de mogelijkheid geïntroduceerd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit zal leiden tot een nog meer sluitende registratie van personen die een relatie hebben met de Nederlandse overheid.

Tot slot wil het kabinet een drietal maatregelen nader onderzoeken met als doel om systeemfraude met toeslagen verder te beperken. Het gaat om een verdere beperking van het recht op een toeslag met terugwerkende kracht – zoals nu al bij de kinderopvangtoeslag van toepassing – voor de zorg- en huurtoeslag en voor het kindgebonden budget. Het vooraf (ex ante) toetsen van de verzekeringsstatus van de zorgtoeslagaanvrager in plaats van de huidige toets per kwartaal achteraf (ex post). En het op Europees niveau intensiveren van de uitwisseling van informatie, fraudesignalen en risico-analyses.

Het toezicht bij de Douane is gericht op goederen die via Nederland de Europese Unie (EU) binnenkomen of verlaten. Hiermee draagt de Douane bij aan een veilig en gezond Europa. Gelijktijdig worden ook Europese (en Nederlandse) fiscale en economische belangen bewaakt. Daarbij wordt zoveel mogelijk samengewerkt met het bedrijfsleven en andere handhavingspartners, al dan niet in internationaal verband. Bij het toezicht hanteert de Douane een risicogerichte aanpak en wordt op basis daarvan de meest passende toezichtsvorm of mix van toezichtsvormen gekozen. De Douane zet daarbij verschillende – technologische – hulpmiddelen in, waaronder scan- en detectieapparatuur. De toezichtsvormen verschillen naar aard en intensiteit. Zo kent de Douane:

  • toezicht op (grensoverschrijdende) vervoersstromen, waarbij gebruik wordt gemaakt van aangiften, leidend tot risicogerichte selectie en controle van zendingen, vervoermiddelen, containers, etc.;

  • toezicht op gebieden, langs de buitengrens (lucht en zee), waarbij onder andere gebruik wordt gemaakt van radarbeelden, surveillance en cameratoezicht;

  • systeemtoezicht bij vergunninghouders en gecertificeerde bedrijven, waarbij het gaat om controles, gericht op het functioneren van bedrijfseigen controlemechanismen en kwaliteits- en veiligheidssystemen.

Het beleid van de Douane is erop gericht het overgrote deel van de goederenstroom met systeemtoezicht af te dekken, waarbij het uiteindelijke doel is 100% van de grensoverschrijdende goederenstroom onder toezicht te hebben.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal toezicht 1

n.v.t.

3.000 – 3.500

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant

75.000–100.000

75.000–100.000

Aantallen behandelde aangiften IH (betreft Particulieren en MKB) 2

n.v.t.

1.000.000 – 1.225.000

Aantallen behandelde aangiften Vpb

n.v.t

29.000 – 37.000

Aantallen boekenonderzoeken

n.v.t.

35.750 – 38.750

X Noot
1

De prestatie-indicator is ten opzichte van 2013 gewijzigd en in lijn gebracht met de indicator MKB ondernemingen onder horizontaal toezicht.

X Noot
2

De prestatie-indicatoren «aantallen behandelde aangiften IH», «aantallen behandelde aangiften Vpb» en «aantallen boekenonderzoeken» zijn ten opzichte van eerdere begrotingen nieuw en weerspiegelen de investeringen in verticaal toezicht.

Toelichting

  • Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal toezicht.

    De Belastingdienst richt zich bij de individuele klantbehandeling in het segment Grote Ondernemingen op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten. De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert organisaties om de kwaliteit van de aangifte te versterken. De Belastingdienst bespreekt met de organisatie hoe hij zijn verantwoordelijkheid invult met betrekking tot zijn aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe de organisatie omgaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De organisatie beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Met horizontaal toezicht wil de Belastingdienst zicht krijgen op de mate waarin het bedrijf zelf fiscaal in control is. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Voor organisaties die nog niet adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing beoordeelt de Belastingdienst of het horizontaal toezichttraject kan worden gecontinueerd. Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

  • Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant.

    De Belastingdienst richt zich bij groepsgewijze klantbehandeling in het segment MKB onder meer op de klantbehandeling via intermediairs. Dit betreft fiscale dienstverleners als belastingadviseurs en administratiekantoren. Het doel is om horizontaal toezicht zo vorm te geven dat de samenwerking met fiscale dienstverleners leidt tot een aanvaardbare aangifte en meer zekerheid voor de ondernemer. In de convenanten met fiscale dienstverleners worden afspraken gemaakt over de kwaliteitsborging door de fiscale dienstverlener van de aangiften van hun klanten. Het aantal MKB-ondernemingen dat deelneemt aan een intermediair convenant, bedroeg ultimo 2012 ruim 87.000.

  • Aantallen behandelde aangiften IH en Vpb.

    Het toezicht op het volledig en juist doen van aangifte uit zich in de aangiftebehandeling. Risicoanalyse is bepalend voor de behandeling van aangiften. Jaarlijks wordt een set van selectieregels vastgesteld met behulp waarvan geautomatiseerd aangiften worden uitgeworpen, waarop toezicht plaatsvindt. In 2014 (en 2013) zal het aantal aangiften IH en Vpb dat wordt behandeld boven het niveau liggen van 2012 door investering in het versnellen en intensiveren van de aanslagregeling. Ook wordt ingezet op het automatisch corrigeren van aangiften op basis van contra-informatie. De toegenomen kwaliteit van de heffingssystemen en de gegevens van derden maken dit mogelijk.

  • Aantallen boekenonderzoeken.

    Boekenonderzoeken zijn specifiek gericht op de controle van aangiften om de juistheid van gegevens zo snel en zo actueel mogelijk vast te stellen. Het aantal boekenonderzoeken bij ondernemers die niet onder horizontaal toezicht vallen wordt ten opzichte van 2012 vergroot. Het gaat hierbij zowel om de middelgrote en grote ondernemingen als om ondernemers in het MKB. Binnen de groep MKB-ondernemers wordt een gedifferentieerde aanpak in het toezicht toegepast. De onderzoeksaandacht variëert daarbij van korte onderzoeken op deelaspecten tot diepgaande onderzoeken.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Percentage contacten met starters: startersbezoeken en klantgesprekken (ten opzichte van het totaal aantal starters)

20%.

23%

15–25%

15–25%

Tijdigheid aangiften:

 

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

64%

69%

50–60%

50–60%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

93%

90%

90–95%

90–95%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet winst)

87%

74%

90–95%

65–75%

Achterstand invordering

2,4%

2,3%

2,5%-3,0%

2,5%-3,0%

Toelichting

  • Percentage contacten met starters.

    De aanpak voor de contacten met starters is preventief gericht op het voldoen aan aangifte- en betalingsverplichtingen.

  • Tijdigheid aangifte.

    Een gedeelte van de burgers en bedrijven doet niet of niet altijd tijdig hun aangifte. In 2014 continueert de Belastingdienst het beleid gericht op het tijdig ontvangen van deze aangiften door zo snel mogelijk contact op te nemen met de belastingplichtigen die in gebreke blijven. De Belastingdienst legt ambtshalve aanslagen op of boetes op aan belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen.

    De streefwaarde voor het bereiken van belastingplichtigen na verzuim OB zijn hierbij lager dan voor de LH en de IH niet winst omdat het bereik via belacties verloopt in korte termijnen. Voor de IH worden vooral brieven verstuurd waarmee sneller grotere groepen belastingplichtigen worden bereikt. Voor de LH zijn de volumes laag; deze kunnen ook met belacties vrijwel volledig worden bereikt. De streefwaarde voor het te bereiken percentage belastingplichtigen na verzuim IH niet winst is lager dan in 2013 omdat het aantal belastingplichtigen met verzuim voor dit belastingmiddel in absolute zin daalt door het beleid van de Belastingdienst. De groep die overblijft is lastiger te bereiken. De Belastingdienst legt ambtshalve aanslagen op of boetes op aan belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen

  • Achterstand invordering.

    De stand invordering is het bedrag van de betalingsachterstand (de openstaande vorderingen waarvan de betalingstermijn is verstreken en waartegen geen bezwaar is ingediend) uitgedrukt in een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten. Het is een kengetal voor de (relatieve) omvang van de debiteurenpositie van de Belastingdienst. De Belastingdienst stelt een grens van maximaal 3% aan de betalingsachterstand bij invordering om te bewaken dat tijdig maatregelen in gang worden gezet als de achterstand oploopt.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Toezicht toeslagen

Grotendeels behaald

Behaald

Het toezicht wordt volgens planning uitgevoerd.

Het toezicht wordt volgens plan uitgevoerd.

Toelichting

De zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderopvangtoeslag berusten op grondslagen die zoveel mogelijk geverifieerd worden met gegevens uit onafhankelijke registraties op basis van contra-informatie. Dit verifiëren gebeurt als regel aan het begin van het aanvraagproces. Daarvoor wordt in sommige gevallen van burgers extra informatie gevraagd, voordat tot uitbetaling wordt overgegaan. In geval dat voorafgaand toezicht niet mogelijk is bij voorlopig toekennen, vindt dat in ieder geval plaats bij het definitief toekennen. Door toezicht vóór of tijdens de voorschotfase uit te voeren, wordt gerealiseerd dat de grondslaggegevens in afdoende mate zijn geverifieerd vóór het moment van definitief toekennen. Door zowel gebruik te maken van bij andere organisaties aanwezige contra-informatie als convenanten af te sluiten met brancheorganisaties (horizontaal toezicht), worden de toezichtlasten zoveel mogelijk beperkt.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Controles op de goederenstroom

341.600

352.000

295.000- 365.000

295.000–365.000

Gecertificeerde goederenstromen

51%

85%

> 70%

> 85%

Controles op passagiersvluchten

12.500

13.100

12.000 – 15.000

12.000–15.000

Toelichting

  • Controles op de goederenstromen 15.

    De Douane voert controles uit op de reguliere goederenstroom (vracht en post). Daarbij gaat het om scancontroles en fysieke controles.

  • Gecertificeerde goederenstromen.

    De prestatie-indicator geeft aan welk deel van de reguliere goederenstroom (in- en uitvoer) betrekking heeft op authorised economic operators (AEO).

  • Controles op passagiersvluchten.

    De Douane gaat bij de controle van passagiersvluchten uit van een gradatie in risico’s op vluchtniveau, met bijbehorende controledichtheid en inzet van handhavingsmiddelen. Die controledichtheid variëert van 100% (de hoog-risicovluchten) tot 5% (de laag-risicovluchten). Bij de hierbij ingezette handhavingsmiddelen moet gedacht worden aan profiling, fysieke controles op passagiers, inzet van speurhonden en security-scans.

Bij het uitvoeren van toezicht gaat de Douane door op de ingeslagen weg waarbij steeds meer samen wordt gewerkt met andere handhavingsdiensten in Nederland. De uitvoering is er op gericht om als één toezichtsdienst op te treden (one stop shop) met gezamenlijke prioriteitstelling, risicoanalyses en selecties en rijksbrede convenanten. Deze samenwerking komt onder andere tot uiting in het meerjarenprogramma Beveiliging en Publieke Veiligheid Schiphol (BPVS).

Het SmartGate-concept op Schiphol is naar verwachting vanaf 2016 volledig operationeel, maar in de aanloop daarnaartoe worden reeds functionaliteiten in werking gesteld die de afhandelingssnelheid in positieve zin zullen beïnvloeden.

Naar verwachting wordt Maasvlakte 2 in 2014 gefaseerd in gebruik genomen. De voorbereiding hiervoor bestaat onder meer uit: afstemming met de terminalbedrijven, bestellen en plaatsen van scan- en detectieapparatuur en het opleiden van een eerste groep medewerkers.

Een andere voor de Douane belangrijke ontwikkeling is dat op 1 november 2013 het douanewetboek van de Unie in werking treedt (beter bekend als UCC: Union Customs Code). De UCC is aangepast aan het Verdrag van Lissabon en voorziet in een verdere vereenvoudiging van de internationale handel, veilige buitengrenzen voor de Europese unie en volledig elektronische afhandeling van alle douaneformaliteiten in de gehele EU.

De implementatie van het UCC moet uiterlijk op 1 mei 2016 zijn afgerond en raakt alle bedrijfsprocessen van de Douane. Bovendien heeft een en andere grote impact op het bedrijfsleven.

De Douane werkt ook aan het verder automatiseren van het vergunningaanvraag en -behandelproces voor de uitvoer van strategische goederen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering hiervan, maar heeft de Douane gemandateerd een aantal uitvoerings- en handhavingstaken uit te voeren, die met dit systeem ondersteund worden. De eerste tranche van het systeem zal, naar verwachting, op 1 januari 2014 in gebruik genomen worden, daarna zullen – in overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken – additionele functionaliteiten aan het systeem worden toegevoegd.

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie (%)

84%

84%

82–85%

82–85%

Toelichting

De Belastingdienst geeft bij het selecteren van aanmeldingen voor strafrechtelijk onderzoek prioriteit aan zaken die zowel financieel, als anderszins maatschappelijk van voldoende gewicht zijn. De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie is een resultante van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) en is een indicator voor de kwaliteit van de door de FIOD aangeleverde zaken.

De FIOD werkt aan de rechtshandhaving door bijdragen te leveren aan het tegen gaan van fiscale, financiële en economische fraude (inclusief fraude met premies, subsidies, toeslagen en douane), witwas bestrijding, het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel en de bestrijding van de financiële georganiseerde criminaliteit

De FIOD gaat het bestrijden van witwassen intensiveren door het uitbreiden van het aantal witwasteams en het opzetten van een centrum voor operational excellence voor witwasbestrijding. Door het witwassen van criminele gelden wordt het plegen van criminele activiteiten in standgehouden en bevorderd. Daarnaast kunnen criminelen met hun investeringen en bestedingen invloed krijgen op personen, ondernemingen en legale sectoren. Witwassen vormt hierdoor een ernstige bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en het economische verkeer aan.

Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

De Belastingdienst maakt bij zijn werkzaamheden veel gebruik van ICT toepassingen, waarmee de verschillende bedrijfsprocessen op een snelle en efficiënte wijze worden uitgevoerd. Voor burgers en bedrijven betekent dit dat zij sneller zekerheid krijgen over hun fiscale positie.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2011

Waarde 2012

Streefwaarde 2013

Streefwaarde 2014

Postzendingen zonder fouten

100%

100%

>99%

>99%

Toelichting

De Belastingdienst zorgt dat belastingplichtigen en toeslaggerechtigden de juiste berichten ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. De indicator betreft het percentage poststukken dat zonder fouten is verzonden. 16

2.2.2 Artikel 2: Financiële Markten

A. Algemene doelstelling

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De Minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten, de institutionele structuur van het toezicht, en voor de besluitvorming over eventuele besteding van publieke middelen bij een crisis. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het gaat hierbij om (het toezicht op) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

De Minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C. Beleidswijzigingen

De financiële crisis heeft duidelijk gemaakt dat een hervorming van de wet- en regelgeving in de financiële sector noodzakelijk is. In de G20, het Bazels Comité voor bankentoezicht en in Europa zijn hiertoe meerdere voorstellen gedaan, die grotendeels door middel van richtlijnen in nationale regelgeving zijn en worden geïmplementeerd. De hervormingen van de financiële sector moeten leiden tot een robuuste financiële sector die solide, verantwoordelijk en transparant is. Daartoe zijn in de beleidsagenda de prioriteiten voor 2014 aangegeven. Via een jaarlijks te sturen brief wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het verloop van de hervormingen en de veranderingen die op het terrein van wet- en regelgeving zijn te verwachten.

Hieronder wordt kort ingegaan op twee belangrijke Europese trajecten: enerzijds de herziening van de kapitaaleisen en anderzijds de totstandkoming van een Bankenunie.

Herziening kapitaaleisen

Per 1 januari 2014 zullen de Capital Requirement Directive IV (CRD IV) en de Capital Requirements Regulation (CRR) van kracht worden. Door middel van deze richtlijn en verordening wordt het Bazel III-akkoord, alsmede additionele regels, in de Europese Unie geïmplementeerd, om het toezicht op banken en beleggingsondernemingen in Europees verband verder te harmoniseren. De prudentiële regels voor banken en beleggingsondernemingen worden aangescherpt en uitgebreid, terwijl tegelijkertijd het toezicht op deze financiële ondernemingen wordt verbeterd. Het doel van deze regelgeving is om de financiële soliditeit, stabiliteit en weerbaarheid van zowel banken als beleggingsondernemingen te versterken. Daarnaast kan DNB vanaf 2014 systeemrelevante banken aanwijzen die additionele buffers moeten aanhouden om risico’s verder in te perken.

Bankenunie

Nederland zet zich actief in voor een goed functionerende Bankenunie, die in ieder geval moet bestaan uit Europees bankentoezicht, geharmoniseerde toezichtregels en een Europees resolutiemechanisme. Een Europees depositogarantiestelsel vormt een sluitstuk van een Bankenunie. De Europese Commissie heeft voor de zomer van 2013 een plan gepresenteerd voor een Europees resolutiemechanisme. Het is de bedoeling dat de Raad en het Europees Parlement voor het einde van de zittingstermijn van het huidige Europese parlement, uiterlijk in april 2014, een akkoord bereiken over dit voorstel. Tevens zal het vierde kwartaal van 2014 hoogstwaarschijnlijk in het teken staan van de start van het bankentoezicht door de Europese Centrale Bank.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

– 15.864.348

– 3.092.421

57.004

18.199

18.832

16.609

16.609

waarvan garantieverpichtingen

– 15.932.412

           

Garantie kredietfaciliteit AFM

             

Garantieregeling bancaire leningen

– 15.932.477

– 3.153.073

         

Garantie en waarborg NWB

65

           
               

Uitgaven

71.169

60.652

57.004

18.199

18.832

16.609

16.609

waarvan juridisch verplicht

   

81%

       
               

Subsidies

1.467

3.068

964

965

966

966

966

Afwikkeling Geldmuseum en collectiebeheer

689

1.685

530

530

530

530

530

CDFD

778

1.383

434

435

436

436

436

               

Bekostiging

9.776

15.120

13.775

13.775

13.775

13.775

13.775

Rechtspraak Financiële Markten

687

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Muntcirculatie

8.500

13.385

12.385

12.385

12.385

12.385

12.385

Afname munten in circulatie

             

Overig

589

485

140

140

140

140

140

               

Garanties

             

Terugbet.fee gar.banc.leningen

             

             

Leningen

             

Voorfinanciering DNB (DGS)

             
               

Opdrachten

2.091

1.282

270

270

270

270

270

Wijzer in geldzaken

2.091

1.282

270

270

270

270

270

               

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

57.432

40.782

41.595

2.789

3.421

1.198

1.198

Bijdrage toezicht AFM

29.722

16.919

20.737

734

735

623

623

Bijdrage toezicht DNB

27.710

23.863

20.858

2.055

2.686

575

575

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

403

400

400

400

400

400

400

Caribean Financial Action Taskforce

23

20

20

20

20

20

20

IASB

380

380

380

380

380

380

380

               

Ontvangsten

586.778

208.276

162.931

7.597

7.377

7.288

7.108

               

Garanties

230.242

161.348

155.554

       

feeopbrengsten gar. banc. leningen

230.242

161.348

155.554

       
               

Leningen

293.150

           

terugontv. voorfinanciering DNB (DGS)

293.150

           
               

Bekostiging

60.313

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

ontvangsten muntwezen

1.768

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

5.184

toename munten in circulatie

58.545

           
               

Overig

3.073

41.744

2.193

2.413

2.193

2.104

1.924

D2. Budgetflexibiliteit

Subsidies

CDFD

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) is belast met het toezicht op de naleving door exameninstituten van de artikelen 9 en 10 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Genoemde artikelen bevatten een nadere uitwerking van artikel 4:9, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht. De aanwijzing van het CDFD is bij Koninklijk besluit gebeurd (Instellingsbesluit CDFD). Door deze aanwijzing kan zij namens de Minister van Financiën beslissen over het verlenen, onthouden en intrekken van een erkenning.

Bekostiging

Rechtspraak Financiële Markten

Op grond van artikel 21 van de Wet tuchtrechtspraak accountants worden de kosten van de accountantskamer (Rechtspraak Financiële Markten) volledig gedragen door de Minister van Financiën.

Muntcirculatie

Krachtens artikel 6, eerste lid van de Muntwet 2002 kunnen munten uitsluitend in opdracht van de Staat worden vervaardigd en uitgegeven. Met het oog daarop heeft de Minister een aantal afspraken met de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen de Staat en KNM.

Opdrachten

Wijzer in geldzaken

Samen met private partijen financiert het ministerie het platform Wijzer in geldzaken. Het Ministerie van Financiën heeft zich in 2010 gecommitteerd aan een meerjarige bijdrage aan het platform, waarbij uitgangspunt is dat de sector de helft van het benodigde bedrag voor haar rekening neemt. In het voorjaar van 2013 heeft het ministerie dit commitment herbevestigd. Momenteel wordt overwogen de financiering van het platform in regelgeving vast te leggen.

Bijdrage aan ZBO’s en RTW

Dit betreft de bijdragen aan de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank voor het door hen uit te oefenen toezicht op de financiële markten. De verplichting tot betaling van deze bijdrage is, met uitzondering van de bijdrage voor het toezicht op de BES-eilanden, in de Wet bekostiging financieel toezicht vastgelegd.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Carribean Financial Action Task Force

De bijdrage aan de Carribean Financial Action Task Force (CFATF) hangt samen met de status van Nederland als co-operating and supporting nation. De bijdrage is niet juridisch verplicht. In de afgelopen jaren is de Nederlandse bijdrage gereserveerd voor de evaluatie van wetgeving en beleid van Curaçao en Sint Maarten.

IASB

Sinds 2008 verstrekt het Ministerie van Financiën jaarlijks een financiële bijdrage van € 380.000 aan de International Accounting Standards Board (IASB). Met de oprichting van de IASB kon Nederland bepaalde werkzaamheden overdragen. Zo werd tot dan toe wetgeving inzake accountingstandaarden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.

E. Toelichting op de instrumenten

Subsidie CDFD

Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) ondersteunt en adviseert de Minister van Financiën over de uitvoering van de regels met betrekking tot vakbekwaamheid van financiële dienstverleners zoals deze zijn neergelegd in de Wet financieel toezicht (Wft) en het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Het CDFD heeft onder andere als taak het adviseren van de Minister bij het vaststellen van toets- en eindtermen en het oordelen van erkenningen van exameninstituten. Voor de uitvoering van deze taken ontvangt het CDFD subsidie.

Afwikkeling Geldmuseum

De reguliere subsidie aan het Geldmuseum komt met ingang van het jaar 2014 te vervallen. Er wordt rekening gehouden met de kosten die samenhangen met de toekomstige opslag en beheer van het deel van de museumcollectie dat toebehoort aan het Ministerie van Financiën. Hierover moeten nog definitieve afspraken, mogelijk met De Nederlandsche Bank, worden gemaakt. Voorlopig is er voor gekozen om de hoogte van het bedrag voor de collectie gelijk te houden aan de tot nu toe jaarlijks aan het Geldmuseum verstrekte reguliere bijdrage.

Rechtspraak Financiële Markten (accountantskamer)

De Accountantskamer beoordeelt klachten over gedragingen van accountants bij hun beroepsmatig handelen. Het gaat daarbij vooral om gedragingen die mogelijk in strijd zijn met de wet of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. In een tuchtprocedure staat het belang van een goede beroepsuitoefening voorop.

Muntcirculatie

Muntcirculatie bestaat uit uitgaven die betrekking hebben op de muntproductie en de vergoeding van de kosten van het Nationaal Analysecentrum voor Munten. De muntproductie in de jaren 2014 en verder is afhankelijk van de ontwikkelingen in de muntvraag.

Afname munten in circulatie

Het in omloop brengen van reguliere euromunten leidt tot ontvangsten voor de Staat en tegelijkertijd tot een schuld aan het publiek. Wanneer er meer munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, neemt het aantal munten in circulatie toe. Deze toename leidt tot een netto ontvangst omdat de nominale waarde van de munten wordt ontvangen door de Staat. Wanneer er minder munten in omloop worden gebracht dan dat er uit omloop terugkomen, leidt dit tot een afname van munten in circulatie en tot een netto uitgave, omdat de nominale waarde wordt terugbetaald. Met de invoering van de euro deed ook de migratie van deze munten haar intrede. De realisaties van voorgaande jaren laten een wisselend beeld zien met zowel positieve als negatieve resultaten. Om deze reden wordt een stelpost van nul opgenomen voor zowel de ontvangst als de uitgave aan munten in circulatie.

Wijzer in geldzaken

Het platform Wijzer in geldzaken heeft het vergroten van financiële kennis en vaardigheden in Nederland de afgelopen jaren met succes op de kaart gezet. Uitgangspunt voor de begroting van Wijzer in geldzaken is dat het Ministerie van Financiën samen met een aantal partijen uit de sector het platform financiert.

Bijdrage toezicht AFM en DNB

DNB en AFM voeren het toezicht op de Financiële Markten uit. De hoogte van de overheidsbijdrage aan de toezichthouders AFM en DNB is met ingang van 1 januari 2013 geregeld in artikel 10 van de Wet bekostiging financieel toezicht (Wbft). Tot 2015 betaalt de Rijksoverheid mee aan dit toezicht.

Bijdrage internationale organisaties

Hieronder vallen de jaarlijkse contributie aan de International Accounting Standards Board, alsmede de bijdrage in de kosten van de Caribean Financial Action Task Force (CFATF). De CFATF is een regionale organisatie in het Caribische gebied die witwassen en het financieren van terrorisme bestrijdt.

Overig

Deze post is een verzameling van kleine instrumenten: de monitoring commissies Code Banken, Verzekeraars en Corporate Governance en de commissie Wijffels.

Ontvangsten

Feeopbrengsten

Sinds 1 januari 2011 is het mogelijk voor banken die onder de garantieregeling leningen hadden uitgegeven (delen van) gegarandeerde leningen vervroegd af te lossen. ABN AMRO, Achmea en NIBC hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Ontvangsten muntwezen

De ontvangsten muntwezen hebben betrekking op de uitgifte van bijzondere euromunten, de afdracht van de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) aan de Staat van de totale nominale waarde van uitgegeven muntsets, de bijzondere euromunten en van royalty's. Royalty's zijn vergoedingen die de Staat ontvangt voor dukaten die KNM produceert en verkoopt. De ontvangsten muntwezen hebben tevens betrekking op verkocht metaalschroot.

2.2.3 Artikel 3: Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A. Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, politiek belangrijke investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek- private investeringen in Nederland. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten van politiek belang die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt, zodat vakdepartementen in staat worden gesteld hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit te realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn Design-Build-Finance-Maintain-(Operate) [DBFM(O)] projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en projecten waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O) beleid en de regie van het systeem dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen;

  • het beheren van de Illiquid Asset Back-up Facility binnen de contractvoorwaarden;

  • zwaarwegende en/of principiële beslissingen (o.a. exitstrategie en beloningsbeleid) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI).

De Minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet en als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de onderneming;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code;

  • bedrijfseconomische, juridische en corporate governance-expertise en kennis en kunde op het gebied van projectfinanciering en risicomanagement;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen;

  • overleg met betrokken vakdepartementen over de mate waarin en de wijze waarop de relevante publieke belangen worden geborgd;

  • besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, in het bijzonder artikel 6: huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, zoals DBFM(O) en andere langjarige complexe projecten, mogen pas worden gesloten na overeenstemming met de Minister van Financiën;

  • PPS-code: de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten;

  • wet Stichting Administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI).

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en Comptabiliteitswet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

C. Beleidswijzigingen

Na de zomer van 2013 zal de Minister van Financiën de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 presenteren. In de Nota wordt onder meer uiteengezet welke toegevoegde waarde het kabinet ziet in het staatsaandeelhouderschap bij de borging van publieke belangen. Daarnaast wordt beschreven op welke wijze de Staat als aandeelhouder zijn rol invult op het gebied van strategie, doelmatigheid en rendement, vermogenspositie, investeringen, benoemingen en beloningsbeleid. De Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 is ook een kabinetsreactie op het IBO Staatsdeelnemingen dat maart 2013 naar de Kamer is gestuurd 17. In dat kader gaat de nota onder meer in op de rolverdeling tussen de Staat als aandeelhouder en de Staat als beleidsmaker.

Begin 2013 zijn beide Kamers geïnformeerd over het voornemen de aandelen die de Staat der Nederlanden indirect houdt in URENCO Ltd. te vervreemden, onder de randvoorwaarde dat de publieke belangen inzake non-proliferatie, veiligheid en leveringszekerheid geborgd zijn 18. Om aan het voornemen tot verkoop, en de borging van de publieke belangen die daarbij een rol spelen verder invulling te geven, worden intensieve besprekingen gevoerd tussen de verdragsstaten bij het Verdrag van Almelo en de aandeelhouders in URENCO. De Kamer zal naar verwachting na de zomer 2013 worden geïnformeerd over het resultaat van de besprekingen.

In het regeerakkoord is afgesproken dat het aanbieden van gokspelen geen kerntaak van de overheid is. Daarom wordt Holland Casino onder voorwaarden verkocht. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Financiën werken aan voorstellen voor een gemoderniseerde inrichting en -ordening van de kansspelmarkten. Gelijktijdig wordt in beeld gebracht wat dit betekent voor de betrokken staatsdeelnemingen.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1. 000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

68.581

14.737.037

303.866

281.366

229.367

185.367

141.367

waarvan garantieverplichting:

             

Garanties en vrijwaringen (FCI, NS, WST en TenneT)

 

– 13.600

         

Regeling BF

 

– 387

         

Garantie SNS

 

5.000.000

         

Garantie DNB

 

5.700.000

         
               

Uitgaven

2.993.758

5.793.624

1.652.866

1.589.366

1.356.367

1.167.367

943.367

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Vermogensverschaffing

             

Kapitaaluitbreiding TenneT

300.000

           

Kapitaalinjectie SNS

 

2.700.000

         
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

5.250

5.310

5.052

5.052

5.052

5.052

5.052

               

Lening

             

Management fee IABF

33.206

26.000

24.000

21.000

18.000

15.000

12.000

Funding fee IABF

2.644.371

1.939.000

1.614.000

1.554.000

1.324.000

1.138.000

917.000

Overbruggingskrediet SNS

 

1.100.000

         
               

Garantie

             

Regeling BF

0

600

100

100

100

100

100

Dotatie begrotingsreserve TenneT

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

Uitbetalingen garanties en vrijwaringen verkoop deelnemingen

 

600

         

Opdrachten

             

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

6.131

17.314

4.914

4.414

4.415

4.415

4.415

               

Ontvangsten

5.131.796

6.586.681

4.864.748

4.050.438

2.496.397

2.192.397

1.884.397

               

Vermogensonttrekking

             

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

12.441

           

Dividend staatsdeelnemingen

312.510

560.876

397.497

444.897

425.297

425.297

425.297

Winstafdracht DNB

749.494

1.974.772

1.166.000

789.000

620.000

506.000

422.000

waarvan Griekse inkomsten ANFA

 

43.881

45.000

45.000

45.000

45.000

33.000

Waarvan Griekse inkomsten SMP

 

163.852

138.000

104.000

74.000

59.000

50.000

Afdrachten Holland Casino

     

10.000

10.000

10.000

10.000

Afdrachten Staatsloterij

100.000

88.000

96.000

90.000

90.000

90.000

90.000

Opbrengst verkoop vermogenstitels

38

132.000

         

Dividend financiële instellingen

121.302

394.000

400.000

       

Rijksbijdrage Landwinning Havenbedrijf Rotterdam

 

295.482

         
               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

2.419

4.153

4.300

4.300

4.300

4.300

4.300

               

Leningen

             

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

2.433.653

1.764.000

1.459.000

1.418.000

1.211.000

1.044.000

844.000

Garantie fee IABF

73.054

58.000

52.000

46.000

39.000

33.000

26.000

Additionele fee IABF

46.350

37.000

34.000

30.000

23.000

18.000

13.000

Additionele garantie fee IABF

109.713

88.000

79.000

69.000

58.000

50.000

40.000

Verhandelbaarheidsfee IABF

14.807

18.000

15.000

13.000

11.000

7.000

5.000

Rente SNS krediet

6.765

6.596

     

Aflossing kapitaalversterkingen ING, Aegon en SNS REAAL

750.000

750.000

750.000

750.000

     

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS REAAL

375.000

375.000

375.000

375.000

     

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

             
               

Garantie

             

Regeling BF

210

278

         

Premie-ontvangsten garantie Tennet

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

             

Premie-inkomsten counter indemnity

25.555

25.555

25.555

6.441

     
               

Opdrachten

             

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

450

10.000

         
D2. Budgetflexibiliteit

Bijdrage aan RWT

Betreft een bijdrage aan NLFI, dit is voor 100% juridisch verplicht op basis van de door Minister van Financiën goedgekeurde begroting van NLFI en artikel 7 Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen. De begroting NLFI van het aankomende jaar wordt telkens voor het einde van het lopende jaar vastgesteld en ter goedkeuring aan de Minister voorgelegd. De verplichting loopt zolang NLFI kosten maakt bij de uitvoering van haar wettelijke taak.

Lening

Dit instrument betreft grotendeels de Funding Fee van het IABF. Deze is verplicht op basis van een overeenkomst met ING. De back-upfaciliteit heeft in principe een looptijd tot 2048. De Staat en ING kunnen de back-upfaciliteit onder voorwaarden eerder beëindigen.

Garantie

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met TenneT. De verplichting loopt door tot 2020/2021.

Opdrachten

Dit budget is grotendeels juridisch verplicht op basis van contracten met adviseurs omtrent het beheer van de staatsdeelnemingen. Deze verplichting loopt tot eind 2014.

E. Toelichting op de instrumenten

Vermogensverschaffing

Op 1 februari 2013 heeft de staat SNS REAAL genationaliseerd. Na de nationalisatie heeft er een totale herkapitalisatie van SNS REAAL plaatsgevonden. Onderdeel van de herkapitalisatie is een kapitaalinjectie van de Staat van in totaal € 2,2 mld. (€ 1,9 mld. voor SNS Bank en € 300 mln. voor de Holding SNS REAAL). Daarnaast zal er een kapitaalinjectie van € 0,5 mld. aan eigen vermogen plaatsvinden voor de oprichting van de vastgoedbeheerorganisatie. Door de herkapitalisatie kunnen de operationele kosten bij oprichting worden betaald. Het eigen vermogen dient tevens als een buffer voor onverwachte ontwikkelingen.

Vermogensonttrekking

De geraamde bedragen zien op de reguliere staatsdeelnemingen zoals Holland Casino, de NS, Schiphol en de tijdelijke financiële deelnemingen (ABN AMRO, ASR, RFS en SNS REAAL). Er wordt nog onderzocht wat het precieze budgettaire effect van het niet meer rijden van de Fyra is op het dividend van de NS.

Bijdrage aan RWT

De stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI) – een rechtspersoon met een wettelijke taak – is in juli 2011 opgericht. De nettokosten om uitvoering te geven aan deze wettelijke taak zijn € 0,9 mln. over 2014.

Leningen

IABF

De back-up faciliteit is een constructie gedefinieerd rond kasstromen. In de transactie was initieel sprake van vier kasstromen. De Staat heeft 80% van het risico op de Alt-A portefeuille van ING overgenomen en ontvangt van ING 80% van alle kasstromen die binnenkomen op de portefeuille. Daarnaast ontvangt de Staat een garantiefee. Voor 20% van de portefeuille is het risico op de balans van ING gebleven. De Staat betaalt een funding fee en een management fee aan ING. In oktober 2009 is een additionele betaling overeengekomen tussen de Staat en ING, waardoor twee extra kasstromen zijn toegevoegd. De extra betalingen komen overeen met een verhoging van de garantiefee met 0,826 procentpunt en een verlaging van de rentecomponent van de funding fee met 0,5 procentpunt. De management fee en de (extra) garantie fee worden jaarlijks berekend over de resterende omvang van de portefeuille. De overige kasstromen zijn maandelijkse betalingen. De verhandelbaarheidsfee is een zevende kasstroom. Het betreft een vergoeding die de Staat van ING ontvangt voor het omzetten van een deel van de kasstromen naar een verhandelbare lening die in de repo kan worden gebruikt (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 371, nr. 362). Iedere dollar die in 2014 wordt ontvangen wordt naar verwachting gebruikt om de verplichting aan ING versneld af te bouwen.

Overbruggingskrediet SNS

Door de onteigening van de effecten en vermogensbestanddelen van SNS REAAL zal de onderneming na nationalisatie, naar inschatting van DNB, de eerste tijd moeilijk aan financiering kunnen komen. Om de liquiditeitsbehoefte van de holding op te kunnen vangen heeft de Staat een overbruggingskrediet van € 1,1 mld. verstrekt. Dit krediet wordt gebruikt om senior schuld en interne leningen af te lossen. Deze lening zal worden terugbetaald indien de verzekeraar is verkocht of zoveel eerder als dat SNS REAAL in staat is gebleken zelf in de financiering te kunnen voorzien. Over het overbruggingskrediet ontvangt de Staat een rente van euribor + 110 basispunten (+1,1%). Deze vergoeding is marktconform en ligt hoger dan de rentekosten waartegen de Staat zelf leent.

Garanties

Onder het instrument garanties staan de regeling Bijzondere Financiering, de garantie aan de Stichting Beheer Doelgelden en de contragarantie die is verstrekt aan ABN AMRO in het kader van de verkoop van HBU aan Deutsche Bank.

Voor het beheer van de laatste distressed assets die voortkomen uit de BF-regeling wordt door NIBC een beheersvergoeding gerekend alsmede een vergoeding voor de kosten van de jaarlijkse externe accountantscontrole.

De Staat heeft in 2010 een garantie verstrekt van maximaal € 300 mln. ten behoeve van de Stichting Beheer Doelgelden tegen een marktconforme vergoeding 19. Op basis hiervan verkreeg TenneT Holding de financiering voor de overname van Transpower. De jaarlijkse, marktconforme premie die de Staat ontvangt, wordt afgestort in een begrotingsreserve.

Er zijn wederzijdse aansprakelijkheden ontstaan door de afsplitsing van HBU (Newbank) uit het oude ABN AMRO, nu RBS N.V. genaamd. Indien RBS N.V. niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, kunnen crediteuren onder specifieke voorwaarden tot maximaal € 950 mln. claimen bij HBU. Hiervoor heeft ABN AMRO een vrijwaring afgegeven aan de kopende partij Deutsche Bank. Aangezien ABN AMRO het risico van uitbetaling niet zelf kan lopen, is er een contragarantie door de Staat afgegeven. Voor deze garantie ontvangt de Staat een premie van € 25,6 mln. op jaarbasis.

Zoals in de Kamerbrief 20 over de nationalisatie van SNS REAAL is opgenomen zal de Staat een garantie verstrekken op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie. Het gaat hierbij om een garantie van circa € 5 mld. De financiering van de vastgoedbeheerorganisatie wordt initieel verstrekt door SNS Bank. De bank loopt hiermee nog steeds een risico op de portefeuille; als verliezen verder oplopen bestaat het risico dat de vastgoedbeheerorganisatie deze financiering niet terug kan betalen. De staatsgarantie vangt dit risico op. Voor de garantie op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie zal de Staat een garantiepremie ontvangen. De hoogte van deze premie moet nog worden vastgesteld, maar zal eveneens marktconform zijn. De vastgoedbeheerorganisatie zal vermoedelijk geen dividend uitkeren.

Opdrachten

Met de nationalisatie van SNS REAAL en de daarop volgende herstructurering en afsplitsing van Property Finance zijn omvangrijke advieskosten gemoeid, nu geschat op € 10 mln. Deze kosten zullen worden doorbelast aan SNS REAAL.

Meetbare gegevens staatsdeelnemingen

De Staat is aandeelhouder vanwege de met haar deelnemingen gemoeide publieke belangen. De publieke belangen dienen dan ook centraal te staan in de strategie en de investeringen van deze ondernemingen. Niettemin stuurt de Staat als aandeelhouder haar deelnemingen op zakelijke wijze aan, opdat de ondernemingen financieel zelfstandig kunnen blijven en eigenstandig de voor het publieke belang noodzakelijke investeringen kunnen doen. De nieuwe nota deelnemingenbeleid 2013 gaat hier verder op in.

De publieke belangen die de deelnemingen dienen te bevorderen zijn veelal geborgd via wet- en regelgeving. De verantwoordelijkheid voor borging van die belangen ligt bij het vakdepartement, dat doorgaans ook de instrumenten heeft om die publieke belangen te toetsen dan wel af te dwingen, zoals concessies en vergunningen. De onderstaande indicatoren zien op aspecten van financieel belang en corporate governance en liggen daarom binnen de directe invloedssfeer van de Staat als aandeelhouder. De meetbare indicator rendement is gewijzigd ten opzichte van vorig jaar. Het streven is om in 2013 en 2014, in overleg met de deelnemingen, ondernemingspecifieke minimum streefrendementen vast te stellen, die zijn afgestemd op activiteiten en risico’s van het desbetreffende bedrijf en/of de sector waarin deze opereert. De streefrendementen zullen daarna worden gevolgd en periodiek worden herijkt. Indien de specifieke rendementseis bij een deelneming nog niet is vastgesteld dan geldt de staande portefeuillebrede rendementseis van 8% als norm.

De Minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te kunnen meten. Hiervoor zijn de volgende meetbare indicatoren en streefwaarden opgenomen:

Indicator 1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Percentage deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply-or-explain» toepast

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI)

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage van deelnemingen met dividend pay-out ratio 2van ten minste 40%

33%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Percentage van deelnemingen waar de specifieke minimum rendementseis (RoE) wordt gehaald

n.v.t.

70%

80%

80%

80%

80%

80%

X Noot
1

Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de Minister van Financiën zijn meegenomen in de kengetallen. Voor de indicatoren zijn Thales en KLM buiten beschouwing gelaten vanwege de beperkte toepasbaarheid van de methodiek.

X Noot
2

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio.

Meetbare gegevens publiek private samenwerking

Bij publiek private investeringen is het van belang dat gekozen wordt voor de meest doelmatige uitvoeringsvorm. Het aantal goed uitgevoerde PPC’s 21 is een indicator die aangeeft in hoeverre deze keuze op de juiste manier wordt afgewogen. Het uitvoeren van een PPC geeft zicht op de voor- en nadelen van verschillende vormen waarin een groot overheidsproject kan worden uitgevoerd: in een publieke of private variant of in andere (meng)vormen. Het gebruik van de PPC is voorgeschreven in het kader van het Rijksbrede DBFM(O) beleid en wordt aanbevolen voor bedrijfsvoeringsprojecten zoals ICT-projecten van het Rijk. De Minister van Financiën houdt toezicht op het gebruik van de PPC. In onderstaande tabel zijn de PPC’s voor DBFM(O) weergegeven:

Indicator

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Percentage van projecten binnen het Rijk (infrastructuur, Rijkshuisvesting) waar een PPC voor is uitgevoerd zoals afspraken voorschrijven

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor «comply-or-explain» is toegepast

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarbij gekozen is voor DBFM(O)

67%

90%

90%

90%

90%

90%

Bron: Vakdepartementen; vakdepartementen geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is. Op basis van deze informatie komt de tabel tot stand. De voortgang en prestaties op het gebied van DBFM(O) worden uitvoeriger beschreven in de tweejaarlijkse DBFM(O) voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer.

2.2.4 Artikel 4: Internationale Financiële Betrekkingen

A. Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Om het bovenstaande doel te bereiken heeft de Minister van Financiën een regisserende rol in Nederland. De internationale inzet van de Minister is van belang omdat de Nederlandse economie door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk wordt beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Een sterke Europese economie heeft een directe weerslag op de Nederlandse economie. Nederland is mede hierdoor gebaat bij een gezonde financieel economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de Europese Unie en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

Ten behoeve van de bevordering van financiële stabiliteit in de toekomst neemt de Minister actief deel aan internationaal toezicht ter bevordering van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de EMU. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU, zoals door een nieuw verdrag voor begrotingsdiscipline tussen lidstaten van de EU en een procedure voor economische onevenwichtigheden. Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en voor euro-invoering. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU begroting uit.

De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Dit doet de Minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin en door een intensieve lobby bij Europese partners.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden economische ontwikkelingen, als gevolg van hun rol bij het financieel-economische beleidstoezicht en als financieel vangnet in geval van een crisis. Goed beleid van deze instellingen draagt daarom bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden. De Minister draagt hieraan bij door toezicht te houden op de uitvoering van de taken van de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. Daarnaast levert de inbreng van de Minister bij discussies in internationale fora zoals de Ecofin, Eurogroep, Working Party 3 (van de OESO) en discussies bij het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere IFI’s een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons.

C. Beleidswijzigingen

In internationaal verband zijn maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel economische crisis en te zorgen dat de gevolgen, mocht een dergelijke crisis opnieuw plaatsvinden, zo beperkt mogelijk blijven. Hierbij zal het versterken van de rol van de IFI bij crisispreventie en het vormen van een vangnet voor landen die in ernstige problemen dreigen te raken voortgezet worden. De Minister van Financiën heeft hier voor Nederland als bewaker van de financiële belangen van de Nederlandse overheid en burger een centrale rol in.

Op Europees vlak zal er in 2014 substantiële aandacht zijn voor een verder herstel van de financiële stabiliteit van de eurozone. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (onder andere versterkt Stabiliteits- en Groeipact). Gekoppeld hieraan zal er aandacht zijn voor de lopende steunprogramma’s voor Griekenland, Ierland, Portugal, Cyprus en het programma voor Spanje (gericht op de Spaanse banken). De Minister van Financiën neemt namens Nederland deel aan discussies en besluitvorming op ministerieel niveau in Eurogroep en Ecofin verband en in de Raad van gouverneurs van het ESM over deze onderwerpen. Eurogroep en Ecofin vergaderingen vinden in beginsel iedere maand plaats.

Zoals eerder is toegezegd zijn de mogelijkheden verkend om de publieke externe controle op het EFSF onder te brengen bij het auditcomité van het ESM. Deze verkenning wijst dat het niet mogelijk is de publieke externe controle op het EFSF te laten verrichten door het auditcomité van het ESM; het EFSF kan als private onderneming onder Luxemburgs recht niet worden gecontroleerd door een gremium dat niet bestaat uit leden van de Board of Directors. Wel zal op korte termijn een EFSF-auditcomité worden ingesteld, bestaande uit een aantal leden van de Board of Directors, waardoor het toezicht op de afwikkeling van de bestaande leningenprogramma’s voor Ierland, Portugal en Griekenland zal worden versterkt.

De onderhandelingen in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014–2020 van de EU zijn in 2013 afgerond. Volgens de huidige planning kan het nieuwe MFK daarmee vanaf 1 januari 2014 in werking treden. In het nieuwe MFK, dat circa € 34 mld. lager ligt dan het huidige MFK, hebben de budgetten voor onderzoek en innovatie aan relatief belang gewonnen ten opzichte van de klassieke posten als landbouw- en cohesiebeleid. Tevens heeft Nederland in deze onderhandelingen wederom een korting op de afdrachten bedongen van ruim € 1 mld. Voor een compleet overzicht van de resultaten wordt verwezen naar de Kamerbrieven 1.

Op 21 januari 2013 is de Minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, door de collega’s uit de Eurogroep benoemd als voorzitter van de Eurogroep voor een periode van 2,5 jaar. In de afgelopen jaren is een gezamenlijke Europese aanpak voor de crisis gekozen. Nederland heeft hierbij een actieve rol gespeeld. In de komende jaren is het van groot belang om vast houden aan die aanpak en gemaakte afspraken te implementeren. De rol als voorzitter van de Eurogroep biedt bij uitstek de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

38.336.697

– 47.707.765

1.081.076

402.551

380.551

1.094.862

171.598

waarvan:

             

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

120.110

181.519

842.590

181.841

181.841

918.837

16.153

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

– 825.772

113.445

113.445

113.445

113.445

113.445

113.445

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

5.000

– 48.141.770

         

EFSF

             

EFSM

6.000

           

ESM

35.445.400

           
               
               

Uitgaven

2.005.213

2.599.757

1.119.514

447.187

399.010

270.229

254.438

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Deelname aan internationale instellingen

1.987.667

2.460.716

994.473

339.922

313.745

207.649

212.438

Multilarerale ontwikkelingsbanken en fondsen

158.227

183.054

79.753

339.922

313.745

207.649

212.438

EFSF

             

ESM

1.829.440

1.829.440

914.720

       

EIB

 

448.222

         
               

Griekenland

17.546

139.041

125.041

107.265

85.265

62.580

42.000

Lening aan Griekenland

4.546

           

Uitkering aan Griekenland

13.000

139.041

125.041

107.265

85.265

62.580

42.000

               

Ontvangsten

50.131

34.186

29.970

56.336

72.133

87.848

87.848

               

Deelname aan internationale instellingen

9.454

8.480

4.418

665

672

655

655

Ontvangsten IFI's

9.454

8.480

4.418

665

672

655

655

               

Lening

40.677

25.706

25.552

55.671

71.461

87.193

87.193

Rente ontvangsten lening Griekenland

40.677

25.706

25.552

55.671

71.461

87.193

87.193

D2. Budgetflexibiteit

Deelname aan internationale instellingen

Dit budget betreft grotendeels de Nederlandse bijdrage aan het ESM, dit budget is juridisch verplicht op basis van internationale overeenkomsten (ESM verdrag). De laatste betaling van het gestort kapitaal van het ESM is voor eerste helft van 2014 geraamd. Het overige deel betreft deelname aan het International Development Association (IDA) programma van de Wereldbank.

Uitkering inkomsten obligaties

De uitkering van de inkomsten op de Griekse obligaties zijn juridisch verplicht vanwege internationale overeenkomsten. De verplichting loopt door tot ten minste 2026. In de periode 2026–2038 gaat het echter om een relatief klein bedrag, dat in een keer in 2026 zal worden uitgekeerd.

E. Toelichting op de instrumenten

Met het oog op de financiële stabiliteit van de eurozone en Nederland zijn verschillende maatregelen genomen, waaronder de steunprogramma’s voor Griekenland, Ierland, Portugal, Cyprus en het programma voor Spanje. Tevens zijn de stabilisatiemechanismen EFSF en ESM opgericht. De Minister van Financiën vertegenwoordigt de Nederlandse belangen bij het beheer van de stabilisatiemechanismen EFSF en ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Daarnaast vertegenwoordigt de Minister van Financiën de Nederlandse belangen bij het tot stand komen van steunprogramma’s. Dit doet de Minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin en door een intensieve lobby bij Europese partners.

Het overige deel van de raming voor garantieverplichtingen heeft betrekking op het zogenaamde garantiekapitaal van de internationale financiële instellingen (het deel van de verplichting dat waarschijnlijk niet tot betaling komt, het «callable capital»), op garantie-overeenkomsten tussen de Staat en DNB (onder meer de Nederlandse deelneming in IMF) en deelneming in de door de BIS te verstrekken kredietfaciliteiten.

Daarnaast draagt Nederland via algemene bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen bij aan ontwikkelingssamenwerking. Deze bijdragen zijn direct na ondertekening meerjarig en onvoorwaardelijk verschuldigd. Voor een deel van de verplichtingen- en uitgavenramingen geldt dat door wisselkoersinvloeden de realisaties kunnen afwijken van de ramingen; dit deel van de realisaties is daarmee niet beleidsmatig te beïnvloeden.

2.2.5 Artikel 5: Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A. Algemene doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur van de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit. De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder de uitvoerder van de faciliteit verzekeringen mag afgeven. Sinds de stelselwijziging die op 1 januari 2010 in werking is getreden, treedt de Staat op als verzekeraar en voert Atradius Dutch State Business N.V. de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de Staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen.

Op basis van de Kaderwet Financiële Verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, ter aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Met de verschillende producten beschikbaar binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen (de EKV-faciliteit) kunnen Nederlandse bedrijven meer grote en op (middel)lange termijn gefinancierde exportorders verwerven, hetgeen een positief effect heeft op de werkgelegenheid.

De randvoorwaarden voor het aangaan van verzekeringen kunnen ieder moment worden aangepast zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt daarom nauwlettend gevolgd door het Ministerie van Financiën door middel van een Risk Management Framework.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de Staat risico’s in verzekering neemt die door de markt kunnen worden gedekt, is de «risicodracht» opgezet. In de risicodracht staat vermeld op welke risico’s (landen, looptijd en omvang) de Staat potentieel dekking aanbiedt. Voor de overige risico’s gaat de Staat er in principe vanuit dat deze door de markt zelf in dekking kunnen worden genomen. De risicodracht wordt periodiek aangepast na overleg met de uitvoerder van de faciliteit of indien reacties van marktpartijen hiertoe aanleiding geven.

De Minister heeft een stimulerende rol ten aanzien van het bevorderen van een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt door Nederland in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen. Zo worden in OESO- en EU-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals minimum premies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoord leenbeleid. De OESO voert een actieve dialoog met de opkomende economieën die geen deel uitmaken van de OESO om mogelijke verstoringen van het speelveld zoveel mogelijk te beperken.

C. Beleidswijzigingen

Om ervoor te zorgen dat de exportkredietverzekeringsfaciliteit aansluit bij de huidige marktbehoefte is er periodiek contact met exporteurs. De laatste tijd geven de exporteurs regelmatig aan dat de financieringsmogelijkheden bij marktpartijen sterk teruglopen en dat verschillende overheden hier maatregelen tegen treffen. Op basis van de internationale vergelijking, zoals uitgevoerd binnen het benchmarkonderzoek over 2012, blijkt inderdaad dat er internationaal steeds meer wordt gedaan op het gebied van (her)financieren van exporttransacties. In Nederland gebeurt dit niet. Om er voor te zorgen dat Nederlandse exporterende bedrijven niet op een achterstand komen te staan ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten wordt in 2014 meer dan voorheen ingezet op het beschikbaar houden van voldoende financiering tegen een scherpe prijs. Om dit te bereiken, zonder dat de Staat onnodig op de stoel van de marktpartijen gaat zitten, wordt er in samenwerking met banken en de exportsector bekeken in welke mate exportfinanciering verder ontwikkeld kan worden. Hierbij kan worden gedacht aan een herfinancieringsfaciliteit.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.934.821

10.616.386

10.616.386

10.616.386

10.616.386

10.616.386

10.616.386

waarvan garantieverplichtingen:

2.922.409

10.603.780

10.603.780

10.603.780

10.603.780

10.603.780

10.603.780

Reguliere EKV

2.942.882

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

10.000.000

Investeringsverzekeringen

– 20.473

453.780

453.780

453.780

453.780

453.780

453.780

MIGA

 

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

150.000

               

Uitgaven

70.109

113.106

110.006

118.006

118.006

118.006

118.006

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Exportkredietverzekering

             

Schade-uitkering EKV

57.697

100.000

96.900

104.900

104.900

104.900

104.900

Schade-uitkering investeringsverzekeringen

 

500

500

500

500

500

500

Schade-uitkering MIGA

             

Schade-uitkering Omzetpolissen

             

Uitgaven Seno-Gom

286

           
               

Opdrachten

             

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.126

12.606

12.606

12.606

12.606

12.606

12.606

               

Ontvangsten

350.432

143.550

99.500

83.750

82.250

82.250

69.750

Premies EKV

43.629

55.000

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

Premies investeringsverzekeringen

537

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

1.250

Premies omzetpolissen

15

           

Schaderestituties EKV

97.911

52.300

28.000

28.000

28.000

28.000

28.000

Schaderestituties Seno-Gom

185

           

Ontvangsten Seno-Gom

207.655

34.500

29.750

14.000

12.500

12.500

0

Overige ontvangsten

500

500

500

500

500

500

500

D2. Budgetflexibiliteit

Exportkredietverzekering

Dit budget is 100% juridisch verplicht op basis van door exporteurs en exportfinanciers (banken) afgesloten exportkredietverzekeringen indien de verzekerde risico’s zich materialiseren en aan alle verzekeringsvoorwaarden is voldaan. De openstaande garantieverplichting was ultimo 2012 € 17,4 mrd.

Opdrachten

Dit budget is juridisch verplicht op basis van een overeenkomst met Atradius DSB. Deze overeenkomst loopt door tot en met 2014.

E. Toelichting op de instrumenten

Exportkredietverzekering

Voor de exportkredietverzekering is in de begroting een bedrag van € 10 mld. opgenomen als plafond voor hoeveel de Staat jaarlijks als saldo van nieuwe verplichtingen kan aangaan.

Via de exportkredietverzekeringen worden Nederlandse exporteurs en hun financiers gedekt tegen het politieke en commerciële risico dat zij lopen bij middellange en langlopende exportcontracten naar landen met een (ver)hoog(d) risico en/of buitenlandse afnemers met een relatief hoog risicoprofiel. Dit instrument vergroot dus de mogelijkheden voor Nederlandse export.

Voor zowel de inkomsten als de schade-uitkeringen, behorende bij dit instrument, geldt dat deze worden beïnvloed door externe factoren, zoals de vraag naar exportkredietverzekeringen door exporteurs en het betaalgedrag van debiteuren in derde landen.

Tevens kan de Staat jaarlijks voor maximaal € 453 mln. aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren gedekt tegen het politieke risico dat zij lopen in het land. Onderstaande grafiek laat de ontwikkeling zien van het totaal door de Staat verzekerde bedrag in de afgelopen jaren: het totale uitstaande obligo. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen definitieve verzekeringen (polissen) en voorlopige verzekeringen (dekkingstoezeggingen).

Opdracht

Atradius Dutch State Business (ADSB) is de uitvoerder van de EKV-faciliteit. ADSB geeft in naam en voor rekening van de Staat der Nederlanden exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen af. Voor de uitvoering en het beheer van de portefeuille ontvangt ADSB jaarlijks een vergoeding.

Meetbare gegevens

Binnen de EKV-faciliteit worden twee kengetallen gebruikt om inzicht te krijgen in hoeverre de doelstelling wordt behaald. Beide kengetallen, de benchmark en BERB, bieden informatie over het gelijkwaardige speelveld. Er wordt gestreefd naar een best of class notering (A rating) binnen de jaarlijkse benchmark op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden. De benchmark is een vergelijkend onderzoek tussen de Nederlandse faciliteit en faciliteiten in een aantal voor de concurrentie relevante landen. Een best of class resultaat betekent dat de Nederlandse faciliteiten aansluiten bij de landen die het beste scoren op de verzekeringsvoorwaarden en -mogelijkheden.

Internationaal is afgesproken dat EKV-faciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentieverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten en de netto schade-uitkeringen (inclusief de recuperaties) te dekken. De kostendekkendheid van de Nederlandse faciliteit wordt gemeten door het model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB). Daaruit blijkt dat de Nederlandse EKV-faciliteit over de periode 1999 t/m 2012 een positief resultaat van € 226 mln. heeft geboekt. Gegeven de voorwaarde dat het resultaat minimaal nul moet zijn, is er hoewel er in een individueel jaar een negatieve uitschieter kan zijn, op de lange termijn een grotere kans op een licht positief resultaat. De omvang van het huidige cumulatieve positieve resultaat is, gegeven de verplichtingen over diezelfde periode, dusdanig beperkt dat dit geen aanleiding is om het huidige acceptatiebeleid aan te passen.

Kengetallen

2014

2015

2016

2017

2018

BERB

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

> 0 mln

Benchmark

A

A

A

A

A

2.2.6 Artikel 6: BTW-compensatiefonds

A. Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor en heeft een uitvoerende rol bij:

  • verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;

  • beheer van het BTW-compensatiefonds.

Het BTW-compensatiefonds is opgericht zodat de btw geen rol speelt bij de afweging door decentrale overheden tussen het uitbesteden van werkzaamheden of het uitvoeren ervan door de eigen organisatie. Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s kunnen de betaalde btw terugvragen bij het BTW-compensatiefonds. De betaalde btw moet daarvoor wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet de btw betaald zijn over een niet-ondernemerstaak en mag geen sprake zijn van verstrekking aan een individuele derde. Voorbeelden van taken waarvoor gemeenten btw kunnen terugclaimen zijn de inzameling van huisvuil, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn in 2014 geen beleidswijzigingen ten aanzien van het BTW-compensatiefonds gepland.

Het kabinet heeft aanvankelijk het voornemen gehad om het BTW-compensatiefonds per 2015 af te schaffen. Hoewel het primaire doel van het BTW-compensatiefonds bereikt is, blijkt niet uit de evaluatie dat het fonds tot het achterliggende doel – doelmatigheidswinst door meer uitbesteding – heeft geleid. Politieke, strategische en beleidsmatige factoren hebben meer impact op de beslissing om al dan niet uit te besteden dan doelmatigheid. Tegelijkertijd is het BTW-compensatiefonds budgettair gezien aanzienlijk in omvang toegenomen.

In het financieel akkoord 22 dat het Rijk en de medeoverheden op 18 januari 2013 gesloten hebben, heeft het kabinet met de gemeenten en provincies de afspraak gemaakt het BTW-compensatiefonds niet af te schaffen. Onderdeel van deze afspraak is dat de ingeboekte korting gehandhaafd blijft en op het gemeentefonds en provinciefonds wordt toegepast. Eveneens wordt het voor het BTW-compensatiefonds jaarlijks beschikbare budget gemaximeerd. Concreet betekent dit dat er per 2015 een plafond op het BTW-compensatiefonds komt. Het plafond wordt gekoppeld aan de accrespercentages zoals deze volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en provinciefonds. Uitgangspunt voor het plafond is de raming van het BTW-compensatiefonds voor 2014 zoals weergegeven in de begroting 2013, namelijk € 3,1 mld. Vanaf 2015 groeit dit bedrag met het accrespercentage. Het plafond wordt tevens aangepast voor taakmutaties (zoals de decentralisaties) die gepaard gaan met onttrekkingen of toevoegingen aan het BTW-compensatiefonds. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds en provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond, komt het verschil ten gunste aan het gemeentefonds en provinciefonds. De toevoeging of uitname wordt over het gemeentefonds en provinciefonds verdeeld conform de aandelen van de gezamenlijke gemeenten en gezamenlijke provincies in het BTW-compensatiefonds in het gerealiseerde jaar.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid

De tabel budgettaire gevolgen van beleid laat de meest actuele raming van het BTW-compensatiefonds zien. Het feit dat de raming voor 2014 in deze begroting verschilt van de raming voor 2014 zoals opgenomen in de begroting 2013, heeft geen gevolgen voor het uitgangspunt voor het plafond van het BTW-compensatiefonds. Het uitgangspunt voor het plafond blijft € 3,1 mld.

Het verschil tussen de geraamde realisatie van het BTW-compensatiefonds en het geraamde plafond van het BTW-compensatiefonds – dus de geraamde toevoeging of onttrekking aan het gemeentefonds en provinciefonds – wordt gereserveerd op de aanvullende posten van het gemeentefonds en provinciefonds.

In de ramingen is rekening gehouden met de gevolgen van een taakmutatie, namelijk het overgaan van taken van gemeenten naar veiligheidsregio’s per 2014. Gegeven deze aanpassing zal naar huidig inzicht in 2015 circa € 180 mln. worden toegevoegd aan het gemeente- en provinciefonds.

Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.664.772

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

               

Uitgaven

2.664.772

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

               

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Instrument: Btw-compensatieregeling

             

w.v. bijdragen aan gemeenten en kaderwetgebieden

2.360.993

2.354.196

2.490.095

2.490.255

2.490.183

2.490.095

2.490.095

w.v. bijdragen aan provincies

303.779

302.447

326.325

326.409

326.303

326.272

326.272

               

Ontvangsten

2.664.772

2.656.643

2.816.420

2.816.664

2.816.486

2.816.367

2.816.367

D2. Budgetflexibiliteit

De bijdrage ter compensatie van de door gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s betaalde btw is opgenomen in de Wet op het BTW-compensatiefonds. Deze wet bevat de voorwaarden waarbinnen gemeenten en provincies kunnen claimen uit het BTW-compensatiefonds, maar stelt geen grens aan de totale omvang van claims uit het fonds. Het BTW-compensatiefonds is daarmee wettelijk inflexibel in zijn totaliteit.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BTW-compensatiefonds dan provincies. Dit declaratiepatroon ligt in het verlengde van de ruimere budgettaire mogelijkheden van gemeenten ten opzichte van provincies; het gemeentefonds is namelijk groter dan het provinciefonds.

In relatieve zin declareren de provincies meer bij het BTW-compensatiefonds. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat de provincies vooral actief zijn op het gebied van verkeer en vervoer, hetgeen een uitgavencategorie is die veelal voor compensatie van btw-bedragen in aanmerking komt.

De raming van het fonds is aangepast op basis van de jaarbeschikking over 2012, het geraamde effect van de btw-verhoging, (geraamde) voorschotten en voorgenomen beleidsmutaties.

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Controlebeleid

De controle op de toepassing van de Wet op het BTW-compensatiefonds is belegd bij de Belastingdienst. De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van naleving van de regels door belastingplichtigen. Om dat te bereiken zet de Belastingdienst meerdere toezichtinstrumenten in. Een van die instrumenten is het horizontaal toezicht, dat gebaseerd is op vertrouwen en transparantie. De vorm en intensiteit van het toezicht van de Belastingdienst wordt daarbij aangepast aan de kwaliteit van de interne organisatie van de gemeenten en provincies.

Meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Waarde 2012

Waarde 2013

Streefwaarde 2014

Aantal gemeenten en provincies onder HT 1

n.v.t.

n.v.t.

200–250

X Noot
1

De prestatie-indicatoren zijn ten opzichte van 2013 gewijzigd om beter aan te sluiten bij het toezichtsproces zoals de Belastingdienst dat uitvoert. Hiermee wordt eveneens consistentie bereikt met de indicatoren zoals opgenomen in de toelichting bij artikel 1 Belastingen.

De Belastingdienst richt zich ten aanzien van provincies en gemeenten op het vergroten van de zekerheid over de juistheid en volledigheid van de belastingontvangsten.

De Belastingdienst ondersteunt en stimuleert provincies en gemeenten om de kwaliteit van de aangifte te verbeteren. De Belastingdienst bespreekt met de provincie respectievelijk gemeente hoe zij haar verantwoordelijkheid invult met betrekking tot haar aangifte. Daarbij wordt vastgesteld hoe deze omgaat met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De provincie/gemeente beoordeelt daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en deelt de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit proces en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Periodiek wordt dit getoetst, doorgaans door steekproefsgewijze controles. Voor de organisaties die nog niet adequaat werken aan opzet, bestaan en werking van de fiscale beheersing beoordeelt de Belastingdienst of het horizontaal toezichtstraject kan worden gecontinueerd.

Waar horizontalisering van het toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst op basis van handhavingsregie passende interventies uit.

2.2.7 Artikel 7: Beheer Materiële Activa

A. Algemene doelstelling

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft een uitvoerende rol op het gebied van roerende materiële activa. De Minister is verantwoordelijk voor het vervoeren, bewaren, vernietigen en verkopen van overtollige en in beslaggenomen roerende zaken. Deze taken zijn opgedragen aan het baten-lastenagentschap Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het Ministerie van Financiën is eigenaar van DRZ. Het aan Financiën toebehorende deel van de verkoopopbrengsten van in beslag genomen goederen staat geraamd in de tabel budgettaire gevolgen van beleid. De hoogte van de verkoopopbrengsten wordt voornamelijk bepaald door de te nemen (verkoop)beslissingen over in beslag genomen goederen door het Openbaar Ministerie. Om deze reden is bij dit artikel geen prestatie-indicator opgenomen. Voor de doelmatigheidsindicatoren wordt verwezen naar de paragraaf inzake de baten-lastendienst.

Het Rijk bezit namelijk materiële activa die nodig zijn voor de realisatie van rijksdoelstellingen. De wettelijk basis voor deze uitvoerende rol ligt in de Comptabiliteitswet. Daarin staat dat de Minister van Financiën belast is met de verantwoordelijkheid voor het (privaatrechtelijk) beheer van de roerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet krachtens de Wet bij een of meer andere Ministers is gelegd.

C. Beleidswijzigingen

Op grond van artikel 7 van de Regeling agentschappen heeft een doorlichting van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) plaatsgevonden. Aangezien DRZ niet volledig voldoet aan de Regeling, is besloten de agentschapsstatus van DRZ in te trekken met ingang van 1 januari 2015 en de organisatie om te vormen tot een reguliere ambtelijke dienst (zo mogelijk binnen het Ministerie van Financiën). De budgettaire implicaties van de herpositionering zullen worden verwerkt in de Ontwerpbegroting 2015.

Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de Minister van Financiën. Ook de taken en organisatie van de directie Rijksvastgoed, – opgericht ter ondersteuning van de afstemming tussen zowel uitvoerende diensten als departementen ten aanzien van rijksvastgoed in respectievelijk de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR) en de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV), zijn overgeheveld van het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de portefeuilleverdeling die in het constitutionerend beraad is overeengekomen, is het rijksvastgoed opgenomen onder de Minister voor Wonen en Rijksdienst.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

100.220

606

306

306

306

306

306

                 

Uitgaven

 

99.942

606

306

306

306

306

306

Waarvan juridisch verplicht

   

0%

       
                 

Beheerskosten DRZ

500

606

306

306

306

306

306

                 

Uitgaven mbt RVOB in 2012

99.442

           
                 

Ontvangsten

163.501

2.100

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

                 

Programma-ontvangsten Batenlastenagentschap

             

Vervreemding DRZ

2.767

2.100

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

                 

Ontvangsten mbt RVOB in 2012

160.734

           
D2. Budgetflexibiliteit

De beheerskosten € 0,3 mln. zijn niet juridisch verplicht, maar worden gedaan om ontvangsten te kunnen realiseren.

E. Toelichting op de instrumenten

Vervreemding DRZ

De verkoop van roerende zaken brengt jaarlijks € 1,8 mln. op. Het gaat in de praktijk om de verkoopopbrengsten van in beslaggenomen goederen. De kosten die hiermee gemoeid zijn bedragen jaarlijks circa € 0,3 mln. De baten-lastendienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) is door de Minister belast met de uitvoering van zijn taken met betrekking tot de roerende zaken van het Rijk.

Niet uit tabel blijkende budgettaire gevolgen

Middelenafspraken

De Minister van Financiën verzorgt behalve de ingebruikgeving en vervreemding van de eigen (overtollige) roerende zaken ook de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) roerende zaken van andere Ministers. Wanneer een middelenafspraak is gemaakt met een Minister, dan wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze Minister verantwoord op zijn eigen begroting.

2.3 NIET-BELEIDSARTIKELEN

2.3.1 Artikel 8: Centraal Apparaat

A. Apparaat kerndepartement

Op dit artikel staan alle personele en materiële uitgaven en ontvangsten van Financiën met uitzondering van de Belastingdienst (zie artikel 1) en het agentschap Domeinen Roerende Zaken (DRZ) (zie de baten-lastenparagraaf). Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) is november 2012 overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het omvat de verplichtingen en uitgaven voor ambtelijk personeel (inclusief personele exploitatie), inhuur externen en materieel (inclusief ICT) voor het kerndepartement.

B. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
A. Apparaatuitgaven Kerndepartement
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

182.512

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

               

Uitgaven

189.009

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

Personeel Kerndepartement

123.624

136.303

131.714

128.923

125.970

123.107

121.671

Waarvan eigen personeel

118.331

130.772

127.895

125.560

122.607

119.980

118.554

Waarvan inhuur externen

4.990

5.000

3.293

2.837

2.837

2.837

2.837

Waarvan overig personeel

303

531

526

526

526

290

280

               

Materieel Kerndepartement

65.385

81.957

72.974

72.089

71.034

68.751

68.510

waarvan ICT

10.321

15.943

12.041

11.066

11.074

11.075

10.605

waarvan bijdrage aan SSO's

27.716

30.440

26.822

26.926

22.905

22.901

22.654

waarvan overig materieel

27.348

35.574

34.111

34.097

37.055

34.775

35.251

               

Ontvangsten

36.539

34.470

30.385

31.511

31.161

31.165

31.015

Personeel Kerndepartement

Dit betreft alle personeelsuitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement. De inhuur is beperkt. Inhuur externen in verband met de kredietcrisis is op artikel 3 uitvoeringskosten staatsdeelnemingen ondergebracht.

Materieel Kerndepartement

Dit betreft de materieeluitgaven van het kerndepartement en omvat onder andere zaken aangaande diensten, middelen en communicatie. ICT bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven zoals onderhoud en licenties. De bijdrage aan Shared Service Organisaties betreft onder andere Digitale Werkomgeving Rijk (DWR), P-Direkt (salarisbedrijf van het Rijk) en de Rijksgebouwendienst.

C. Totaal overzicht Apparaat Financiën

Financiën is verantwoordelijk voor het agentschap DRZ. Het RVOB valt per november 2012 onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De apparaatuitgaven en ontvangsten van DRZ worden verder uitgesplitst en toegelicht in de baten-lastenparagraaf. Voor de AFM, Waarderingskamer en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor apparaat.

De onderstaande tabel geeft de totale apparaatuitgaven/kosten voor Financiën weer inclusief DRZ, ZBO’s en RWT’s.

C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten incl. BLD en ZBO's/RWT's

Budgettaire gevolgen (* € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal apparaatuitgaven Financiën

3.179.108

2.901.513

2.837.128

2.752.546

2.682.519

2.644.346

– Kerndepartement

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

– Belastingdienst

2.960.848

2.696.825

2.636.116

2.555.542

2.490.661

2.454.165

Budgettaire gevolgen (* € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal apparaatkosten BLD's en ZBO's/RWT's

71.524

72.632

33.548

33.415

31.192

31.192

             

Baten-Lastendienst

21.047

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

– Domeinen Roerende Zaken

21.047

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

             

ZBO's en RWT's

50.477

50.783

11.977

12.609

10.386

10.386

– AFM

17.168

20.737

734

735

623

623

– DNB

23.863

20.858

2.055

2.686

575

575

– Waarderingskamer

4.136

4.136

4.136

4.136

4.136

4.136

– NLFI

5.310

5.052

5.052

5.052

5.052

5.052

D. Tabel apparaatsuitgaven kerndepartement per DG
Budgettaire gevolgen (* € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Kerndepartement

218.260

204.688

201.012

197.004

191.858

190.181

GT

24.591

23.019

21.651

20.539

20.455

20.089

DGRB

21.225

20.879

20.740

20.679

20.563

20.255

SG-cluster

158.414

146.929

144.925

142.130

137.228

136.275

DGFZ

14.029

13.861

13.697

13.656

13.612

13.562

Toelichting

De totale apparaatuitgaven van het kerndepartement van Financiën worden in bovenstaande tabel opgesplitst naar de Generale Thesaurie, de twee Directoraten-generaal Rijksbegroting en Fiscale Zaken en het cluster Secretaris-Generaal. De apparaatuitgaven van het SG-cluster zijn ten opzichte van de GT en de andere Dictoraten-generaal hoog omdat hier alle centrale uitgaven aan de SSO’s en de Auditdienst Rijk onder vallen.

Invulling taakstelling Rutte II (*mln €)

bedragen (* € 1.000)
 

2016

2017

2018

structureel

Departementale taakstelling (totaal)

49.655

111.225

135.055

135.055

– Kerndepartement

3.455

7.739

9.400

9.400

– Belastingdienst

46.200

103.486

125.655

125.655

– Agentschap

       

– ZBO's

       

Taakstelling Belastingdienst sinds Rutte I (*mln €)

Organisatie

Taakstelling

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Belastingdienst

             
 

Coalitieakkoord 2010, totale bezuiniging

– 82.173

– 124.275

– 165.459

– 172.484

– 179.636

– 187.707

 

Coalitieakkoord 2012, totale bezuiniging

     

– 46.248

– 103.469

– 125.655

 

Intensivering 1

 

169.000

157.000

157.000

157.000

157.000

X Noot
1

De intensivering toezicht en invordering (ITI) komt aan de orde in de tabel belangrijkste beleidsmatige mutaties en is geen verlichting van de opgelegde taakstellingen, o.a. omdat er andere kosten mee gemoeid zijn.

2.3.2 Artikel 9: Algemeen

Niet in gebruik.

2.3.3 Artikel 10: Nominaal en Onvoorzien

A. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Tabel budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

 

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

               

Uitgaven

 

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

               

Onvoorzien

 

3.901

3.425

2.948

3.368

1.972

1.792

Loonbijstelling

             

Prijsbijstelling

             
               

Ontvangsten

400.000

400.000

400.000

400.000

Toelichting

Vanuit dit artikel wordt de loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen overgeboekt. Dit artikel is bedoeld om eventuele onzekere ontwikkelingen op de begroting IX op te vangen. In de jaren 2014 tot 2018 is een technische stelpost opgenomen voor de opbrengsten van de kredietcrisisinterventies. Deze wordt nog verdeeld binnen begroting IX.

2.4 DE BELEIDSARTIKELEN (NATIONALE SCHULD)

2.4.1 Artikel 11: Financiering staatsschuld

A. Algemene doelstelling

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

B. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën heeft een uitvoerende rol bij de financiering van de staatsschuld. Het doel is om de schuld tegen zo laag mogelijke rentekosten met een acceptabel risico voor de begroting te financieren. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 2001 23.

Het risico voor de begroting is laag wanneer de rentes op leningen zo lang mogelijk vast worden gezet. Als de rente langer vastgezet wordt, gaat dit echter over het algemeen gepaard met hogere kosten. Er is daarom een balans gezocht tussen kosten en risico. Mede op basis van onderzoek in 2007 wordt de balans tussen kosten en risico optimaal geacht als de rente steeds voor 7 jaar wordt vastgezet 24. Daarom werkt het Agentschap van de Generale Thesaurie sinds 2008 met een renterisico voor de staatsschuld dat gelijk is aan dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Een dergelijke financiering is efficiënt in de zin dat er geen portefeuille is met een gelijk risico maar lagere kosten, of gelijke kosten maar een lager risico.

Om te meten hoe goed de 7-jaars gecentreerde portefeuille benaderd wordt, wordt sinds 2008 gewerkt met een benchmark. De benchmark is een theoretische financiering van de staatsschuld waarbij elke dag een deel van financieringsbehoefte wordt gefinancierd met de uitgifte van een 7-jarige lening. Ieder jaar wordt in het jaarverslag gerapporteerd in hoeverre de benchmark benaderd is. De benchmark maakt het mogelijk om de gevolgen van bewuste afwijkingen van het renterisicokader transparant te rapporteren. Het gaat dan om zowel de kosten als het risico van de feitelijke portefeuille ten opzichte van de benchmark.

Sinds 2012 is het onder voorwaarden mogelijk om van dit kader af te wijken en de rente op een kapitaalmarktuitgifte niet met renteswaps om te zetten naar de 7-jaarsrente. De voorwaarden zijn dat afwijkingen niet mogen leiden tot meer risico voor de begroting en de rentelasten inpasbaar zijn binnen de begroting.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen wijzigingen van het beleid voorzien.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Budgettaire gevolgen van beleid artikel11 Financiering Staatsschuld (x € 1 mln.) 1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Uitgaven

53.467

38.424

41.563

59.093

35.631

46.185

44.423

               

Juridisch verplicht

   

100%

       

             

Programma-uitgaven

53.436

38.403

41.537

59.074

35.612

46.166

43.688

               

Leningen

             

Totaal Rentelasten

10.312

9.730

9.355

10.513

11.984

12.961

13.656

Rentelasten vaste schuld

10.088

9.669

9.153

9.741

10.774

11.439

12.272

Rentelasten vlottende schuld

199

61

202

772

1.120

1.462

1.384

Uitgaven voortijdige beëindiging

25

           
               

Aflossing vaste schuld

33.325

28.658

32.182

48.561

23.718

33.265

30.748

Mutatie vlottende schuld

9.799

15

         
               

Overige kosten

30

22

26

19

19

19

19

               

Ontvangsten

65.891

50.109

48.529

64.525

41.213

50.472

46.607

               

Programma- ontvangsten

65.891

50.109

48.529

64.525

41.213

50.472

46.607

               

Leningen

             

Totaal Rentebaten schuld

226

109

216

1.163

1.630

1.623

1.313

Rentebaten vaste schuld

106

1.040

1.529

1.525

1.257

Rentebaten vlottende schuld

223

109

110

123

101

98

56

Ontvangsten voortijdige beëindiging

3

           
               

Uitgifte vaste schuld

65.665

50.000

48.312

63.362

39.582

48.849

45.294

Mutatie vlottende schuld

             
X Noot
1

Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

D2. Budgetflexibiliteit

Voor dit artikel is de budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen in deze begroting zijn op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.

De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de operationele doelstelling bestaan uit renteontvangsten en rentebetalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en de kapitaalmarkt. Aangezien de (betalings)verplichtingen van de aangegane staatsschuld voortvloeien uit beleids- en bedrijfsvoeringsuitgaven die ten laste van andere begrotingen komen, heeft een verplichtingenbenadering (als begrotingsstelsel) voor de begroting van Nationale Schuld noch uit het oogpunt van budgettaire beheersing, noch uit het oogpunt van budgetrecht meerwaarde ten opzichte van het kasstelsel. Om die reden is in de Comptabiliteitswet 2001 bepaald dat voor de uitgaven ten laste van de begroting van Nationale Schuld de verplichtingen in een jaar gelijk gesteld mogen worden aan de uitgaven in dat jaar.

E. Toelichting

De totale uitgaven en totale ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen. Ten eerste worden rentelasten en rentebaten verantwoord. Ten tweede zijn de aflossing en uitgifte vaste schuld de mutatie vlottende schuld in de tabel opgenomen. De derde post betreft de overige kosten.

Rentelasten en rentebaten

Binnen de rentelasten wordt onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar), de rentelasten vlottende schuld (korter dan een jaar) en uitgaven voortijdige beëindiging. De grootste post binnen de rentelasten wordt gevormd door de rentelasten over de vaste schuld (Dutch State Loans, ook afgekort als DSL’s). Hieronder vallen ook rentekosten vanwege de euriborswaps. Dit zijn de renteswaps die afgesloten worden om het profiel van het renterisico in overeenstemming te brengen met de 7-jaars gecentreerde portefeuille.

Er worden zogenaamde payer en receiverswaps afgesloten. Bij payerswaps wordt een vaste rente betaald en een variabele rente ontvangen. Bij receiverswaps is het andersom: er wordt een vaste rente ontvangen en een variabele rente betaald. Per saldo geeft dit rentelasten of rentebaten. Dit saldo wordt meegeteld bij de rentelasten of rentebaten vaste schuld.

De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates, ook afgekort als DTC’s), Commercial Paper (CP’s) en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden. Ook eventuele rentelasten vanwege de eoniaswaps maken onderdeel uit van de rentelasten vlottende schuld. De eoniaswaps worden afgesloten om het renterisico van de korte financiering (geldmarkt) op «overnight» te brengen. Het streven is om de geldmarkt te financieren tegen daggeldtarief (overnight). De Staat geeft kort schuldpapier uit met looptijden variërend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Via het afsluiten van een eoniaswap wordt het rentetarief (en renterisico) teruggebracht op 1 dag.

De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit vergoedingen over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo en uit eventuele rentebaten vanwege eoniaswaps. Ook de rentebaten over de overgenomen schulden van ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) vallen onder deze rubriek.

Aflossing en uitgifte vaste schuld en mutatie vlottende schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt.

De raming van de uitgifte vaste schuld is gebaseerd op de omvang van de af te lossen DSL’s en de raming voor het tekort op kasbasis. Er wordt verondersteld dat de afgeloste schuld weer opnieuw wordt uitgegeven en dat daarnaast extra uitgifte van vaste schuld plaatsvindt om het kastekort te financieren. In werkelijkheid zal de uitgifte van vaste schuld afwijken van de som van de aflossingen en het tekort, omdat de uit te geven hoeveelheid vaste schuld wordt verkleind of vergroot door de hoeveelheid kortlopende schuld te laten toe- of afnemen. Dit leidt tot een mutatie in de vlottende schuld.

Op het moment dat het financieringsplan staatsschuld 2014 wordt gepubliceerd (december 2013) wordt de raming van de uitgifte vaste schuld voor 2014 definitief vastgesteld.

Overige kosten

Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten Primary Dealers. De Nederlandse Staat maakt gebruik van een stelsel van momenteel 15 banken (Primary Dealers) voor de distributie en promotie van Nederlandse Staatsleningen. De Primary Dealers verplichten zich onder andere om Dutch State Loans (DSL’s) af te nemen, te verspreiden en te promoten. Tot de verplichtingen hoort ook een maandelijkse rapportage over de verrichte activiteiten op de secundaire markt en het quoteren van DSL’s en DTC’s.

In onderstaande tabel worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2013 weergegeven.

Belangrijkste mutaties rentekosten sinds ontwerpbegroting 2013 (x € 1 mln.)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

artnr.

Stand ontwerpbegroting 2013 1

9.674

9.713

9.629

10.308

10.975

   

Mutaties:

           

11

Renteswaps

– 120

– 223

– 104

– 157

– 149

 

11

Bijstelling kassaldo

 

69

61

9

– 108

 

11

Bijstelling rekenrente

– 309

– 536

– 567

– 800

– 965

 

11

Effect van schulduitgifte

– 721

– 374

– 322

– 214

– 149

 

11

Bijstelling rente interne schuldverhoudingen

– 41

88

134

385

574

 

12

Stand ontwerpbegroting 2014

9.132

8.738

8.832

9.530

10.178

10.932

 
X Noot
1

Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de rente-uitgaven en -ontvangsten vermeerderd met het saldo van de overige apparaatsuitgaven en -ontvangsten. Dit totale saldo is aangeduid als rentekosten. Uitsplitsing vindt plaats in de beleidsartikelen en het verdiepingshoofdstuk.

De rentekosten over de staatsschuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkeling en daarmee de schuldopbouw in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.

Mutaties in de raming worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe swaps die afgesloten zijn in de periode na het verschijnen van de vorige begroting. In de tweede plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Als de nieuwe saldoraming tegenvalt ten opzichte van de vorige raming, stijgen de rentekosten. Als de saldoraming meevalt, dalen de rentekosten. In de derde plaats leiden bijstellingen in de rekenrente (bron: CPB) tot mutaties in de rentekosten. Ten vierde ontstaan mutaties als gevolg van nieuwe uitgiftes. Als de rente op de uitgiftes afwijkt van de rekenrente wordt de raming aangepast.

2.4.2 Artikel 12: Kasbeheer

A. Algemene doelstelling

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

B. Rol en Verantwoordelijkheid Minister

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en de bijbehorende geldstromen. Het doel is dat publieke middelen doelmatig worden beheerd en financiële risico’s worden voorkomen. De wettelijke basis voor deze uitvoerende rol is geregeld in de Comptabiliteitswet 2001 25.

Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

Bij Schatkistbankieren heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Schatkistbankieren houdt in dat instellingen met een publieke taak die hiervoor gelden van het Rijk ontvangen hun middelen aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Publieke middelen verlaten de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Hierdoor is de externe financieringbehoefte van het Rijk minder groot. Onder voorwaarden kunnen deelnemers aan schatkistbankieren ook leningen krijgen bij het Ministerie van Financiën. Het schatkistbankieren wordt uitgevoerd door het Agentschap van de Generale Thesaurie van het Ministerie.

Ook bij het betalingsverkeer van de rijksoverheid heeft de Minister van Financiën een uitvoerende rol. Het betalingsverkeer is verdeeld in percelen die periodiek worden aanbesteed. Door de aanbesteding worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs-kwaliteitverhouding aan te bieden. Het Ministerie van Financiën treedt in deze aanbestedingsprocedures op als opdrachtgever.

C. Beleidswijzigingen

In het Begrotingsakkoord 2013 is afgesproken dat in 2013 alle provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen hun tegoeden aan gaan houden in de Nederlandse schatkist. Het deelnemen van decentrale overheden aan schatkistbankieren zal op termijn een verlagend effect hebben op de Nederlandse EMU-schuld van naar verwachting enkele procentpunten bbp. In de begroting 2013 is deze beleidswijziging al aangekondigd. In juli 2013 is het wetsvoorstel dat schatkistbankieren door decentrale overheden mogelijk maakt aangenomen door de Tweede Kamer. Als ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel tijdig aanneemt dan kunnen de decentrale overheden naar verwachting eind 2013 gaan deelnemen aan schatkistbankieren. Voor 2014 zijn er geen verdere beleidswijzigingen gepland.

D1. Budgettaire gevolgen van beleid
Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 Kasbeheer (x € 1 mln.) 1
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Uitgaven

7.352

11.700

7.179

6.572

9.974

12.817

14.024

               

Juridisch verplicht

   

100%

       

             

Programma-uitgaven

7.353

11.700

7.179

6.572

9.974

12.817

14.024

               

Rentelasten

67

15

42

105

147

189

189

Verstrekte leningen

2.059

1.386

1.267

1.267

1.267

1.267

1.267

Afname saldi in rekening-courant en deposito’s²

5.227

10.298

5.869

5.200

8.559

11.361

12.568

Uitgaven bij voortijdige beëindiging

             
               

Apparaatuitgaven

             
               

Ontvangsten

2.652

2.077

3.120

1.833

2.245

2.527

2.866

               

Programmaontvangsten

2.652

2.077

3.120

1.833

2.245

2.527

2.866

               

Rentebaten

521

503

442

623

880

1.289

1.600

Ontvangen aflossingen

2.130

1.573

2.678

1.210

1.365

1.238

1.266

Toename saldi in rekening-courant en deposito’s²

             

Ontvangsten bij voortijdige beëindiging

1

           
X Noot
1

Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

D2. Budgetflexibiliteit

De ontvangsten en uitgaven op dit artikel zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. Alle rentelasten en rentebaten zijn juridisch verplicht omdat deze volgen uit de leningen, deposito's en rekening-couranttegoeden die deelnemers bij de schatkist aanhouden. De andere uitgaven en ontvangsten volgen ook uit de toename of afname van de middelen die door deelnemers in de schatkist worden aangehouden of uit de schatkist worden geleend.

E: Toelichting op de instrumenten

De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) verstrekte leningen en ontvangen aflossingen, (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s, (4) uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging. Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan baten-lastendiensten, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), sociale fondsen en, waarschijnlijk vanaf eind 2013, decentrale overheden over de bij het Rijk aangehouden middelen. De rentebaten bestaan uit de door deelnemers betaalde rente op leningen en roodstanden in de rekening-courant. De posten toe- en afname van de saldi in rekening-courant en deposito geeft het bedrag weer dat naar verwachting door de deelnemers in hun rekening-courant of deposito's zal worden gestort (ontvangst voor het Rijk) of juist wordt opgenomen (uitgave voor het Rijk). De post verstrekte leningen en ontvangen aflossingen geeft de geraamde verstrekte leningen weer (uitgave voor het Rijk) en de aflossingen op eerder afgesloten leningen (ontvangst voor het Rijk). Het uitstaande bedrag aan leningen, rekening-courant saldi en deposito's bepaalt de schuldverhouding van het Rijk met de deelnemers van het geïntegreerd middelenbeheer.

3. PARAGRAAF INZAKE HET AGENTSCHAP

Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het agentschap RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de Minister van Financiën.

Op grond van artikel 7 van de Regeling agentschappen heeft een doorlichting van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) plaatsgevonden. Aangezien DRZ niet volledig voldoet aan de Regeling, is besloten de agentschapsstatus van DRZ in te trekken met ingang van 1 januari 2015 en de organisatie om te vormen tot een reguliere ambtelijke dienst (zo mogelijk binnen het Ministerie van Financiën).

3.1 Domeinen Roerende Zaken

3.1.1 Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

Realisatie

2012

Ontwerp

2013

Ontwerp

2014

Ontwerp

2015

Ontwerp

2016

Ontwerp

2017

Ontwerp

2018

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

151

50

50

50

50

50

50

Opbrengst overige departementen

17.763

18.022

17.977

17.699

17.676

17.676

17.676

Opbrengsten derden

2.781

2.650

3.050

3.050

3.050

3.050

3.050

Rentebaten

63

30

30

30

30

30

30

Vrijval voorzieningen

299

300

742

742

0

0

0

Buitengewone baten

355

           

Exploitatie bijdrage

             

Totaal baten

21.412

21.052

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

Personele kosten

5.248

6.103

6.116

6.116

6.116

6.116

6.116

– waarvan eigen personeel

5.168

5.998

6.086

6.086

6.086

6.086

6.086

– waarvan externe inhuur

79

105

30

30

30

30

30

Materiele kosten

12.383

14.339

15.046

14.768

14.003

14.003

14.003

– waarvan ICT

1.103

950

1.025

1.025

1.025

1.025

1.025

– waarvan bijdrage aan SSO's

3.355

3.250

3.250

3.250

2.950

2.950

2.950

Rentelasten

4

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

             

Materieel

464

410

460

460

460

460

460

Immaterieel

130

195

227

227

227

227

227

Dotaties voorzieningen

930

           

Buitengewone lasten

1.232

           

Totaal lasten

20.390

21.047

21.849

21.571

20.806

20.806

20.806

               

Saldo van baten en lasten

1.021

5

0

0

0

0

0

Toelichting op de baten

Opbrengsten moederdepartement

De opbrengsten betreffen opslag voor de Douane.

Opbrengsten overige departementen

  • Met het Openbaar Ministerie is in 2012 een 5-jarig dienstverleningsmodel afgesloten met betrekking tot vervoer, opslag, verwerking en vernietiging van in beslaggenomen goederen. De totale inkomsten zijn geraamd op € 9,2 mln. Daarnaast wordt € 0,1 mln. ontvangen voor deelname in het Beslagportaal;

  • Domeinen Roerende Zaken voert in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het kader van het Programma Aanpak Georganiseerde Hennepteelt de landelijke logistieke coördinatie van de ontmantelingen van hennepkwekerijen. De geraamde baten bedragen € 7,1 mln;

  • Diverse opbrengsten voor opslag, taxaties, advies en verkoopfaciliteiten met betrekking tot het CJIB (€ 0,2 mln.), Defensie (€ 0,1 mln.) en Rijkswaterstaat (€ 0,2 mln.);

  • Opbrengsten uit hoofde van vernietiging van datadragers die door departementen worden afgestoten (€ 0,7 mln.);

  • Rijksmarktplaats voor kantoormeubilair en benodigdheden en overige opbrengsten (€ 0,4 mln.);

Opbrengsten derden

De opbrengsten bestaan met name uit opgelden (€ 2,9 mln.). Daarnaast zijn er opbrengsten van boetes bij ontbonden verkopen en opbrengsten van kentekenbewijzen bij verkoop van voertuigen (€ 0,2 mln.).

Vrijval voorzieningen

DRZ heeft in 2011 een reorganisatievoorziening opgebouwd voor toekomstige personele kosten. Deze voorziening valt jaarlijks (in 2014: € 0,3 mln.) gedeeltelijk vrij.

Voor de freeze van de gebruikersvergoeding van het pand in Bleiswijk heeft DRZ een voorziening genomen. Deze valt voor 50% vrij in 2014 (€ 0,4 mln.) en voor 50% in 2015.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De categorie personele kosten omvat de salariskosten en opleidingskosten (0,1 mln.) van ambtelijk personeel. DRZ heeft een formatie (101,8 fte) waarvan 97,6 fte is ingezet. De gemiddelde loonkosten van de operaties per fte bedragen € 60.196.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit de volgende kostencategorieën:

  • Huren Rijksgebouwendienst (RGD) € 3,3 mln.

  • Overige huisvestingkosten € 1,0 mln.

  • Vernietigingskosten hennepkwekerijen € 6,0 mln.

  • Vernietigingskosten vuurwerk en overige in beslaggenomen goederen € 0,7 mln.

  • Automatisering € 1,0 mln.

  • Transportkosten m.b.t. vuurwerk en voertuigen € 0,8 mln.

  • Bedrijfsmiddelen € 0,3 mln.

  • Courtage bemiddeling verkoop € 0,4 mln.

  • Schadeuitkeringen € 0,2 mln.

  • Reis- en verblijfkosten, bureaukosten en communicatie € 0,4 mln.

  • Taxatie- en bemiddeling, externe opslag, kosten kentekens, advies- en overige kosten € 0,9 mln.

Totaal € 15,0 mln.

Afschrijvingen

Afschrijvingen van immateriële activa houden verband met de technische realisatie van het Beslagportaal, aanpassing barcodering, Rijksmarktplaats, digitaal loket en digi-inkoop. Afschrijvingen van materiële activa houden voornamelijk verband met beveiliging, voertuigen, een heftruck, accu’s, camera’s, gereedschappen en verbouwing.

3.1.2 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2014 (x € 1.000)

Kasstroomoverzicht (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1. Rekening courant RHB 1/1

6.226

5.008

5.518

5.163

4.808

5.195

5.582

               

2. Totaal operationele kasstroom

2.102

610

– 55

– 55

687

687

687

               

3a. –/– Totaal investeringen

– 780

– 100

– 300

– 300

– 300

– 300

– 300

3b +/+ Totaal boekwaarde desinvesteringen

24

           

3 Totaal investeringskasstroom

– 756

– 100

– 300

– 300

– 300

– 300

– 300

               

4a. –/– Eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 2.564

           

4b. +/+ Eenmalige storting door moederdepartement

             

4c. –/– Aflossingen op leningen

             

4d. +/+ Beroep op de leenfaciliteit

             

4 Totaal financieringskasstroom

– 2.564

0

0

0

0

0

0

               

5. Rekening courant RHB 31/12

5.008

5.518

5.163

4.808

5.195

5.582

5.969

Toelichting

De geraamde investeringen (€ 0,3 mln.) worden aangewend t.b.v. poolauto’s, aanpassing van het gebouwbeheerssysteem te Bleiswijk, vloerbedekking, camera’s, een heftruck, accu’s, gereedschappen en reguliere vervanginginvesteringen. De financiering vindt plaats uit eigen middelen.

3.1.3 Doelmatigheidsindicatoren
Doelmatigheidsindicatoren

Indicatoren

Realisatie

2012

OB

2013

OB

2014

OB

2015

OB

2016

OB

2017

OB

2018

Kostendekking

105%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Bewaartaak

96%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Hennep

114%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Verkooptaak

98%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vernietiging datadragers

208%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Vernietiging vuurwerk

86%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

             

FTE-totaal (excl. Externe inhuur)

97,6

101,8

101,8

101,8

101,8

101,8

101,8

               

Omzet per productgroep *€ 1.000

             

Bewaren

9.871

9.239

8.998

8.739

8.716

8.716

8.716

Verkopen

2.781

2.650

3.050

3.050

3.050

3.050

3.050

Vernietiging datadragers

1.151

525

710

710

710

710

710

Verwerking vuurwerk

1.338

1.500

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

Vernietiging hennep

5.554

6.808

7.119

7.100

7.100

7.100

7.100

Totale omzet

20.694

20.722

21.077

20.799

20.776

20.776

20.776

             

Saldo van baten en lasten (%)

5%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Betalingstermijn facturen – binnen 30 dagen

91%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

               

Gegrond aantal klachten DRZ – categorie

             

verkoop

1,5%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

< 0,8%

opslag

0,3%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

< 0,5%

art. 117 Sv schadeloosstelling

7,5%

< 7%

< 7%

< 7%

< 7%

< 7%

< 7%

               

Uitvoering kwaliteitsprogramma

90%

100%

90%

90%

90%

90%

90%

             

Klanttevredenheid

7.0

7.0

Kostendekkendheid DRZ

De kostendekkendheid van de kerntaken wordt berekend door de geplande kosten af te zetten tegen de verwachte opbrengsten. Voor 2014 zijn geen bijzonderheden te verwachten en zal DRZ haar taken kostendekkend uitvoeren.

Omzet naar productgroep

Bewaren: Bewaren betreft een breed begrip voor DRZ. Deze categorie bevat omzet die gepaard gaat met het ten uitvoer brengen van de wettelijke taak opslag en verwerking van inbeslaggenomen goederen. Ook het vervoer van en naar de opslaglocatie valt hieronder.

Verkopen: de omzet van de verkopen neemt toe als gevolg van verkopen via een veilinghuis. Dit geldt voor een groot deel van de goederen.

FTE-totaal

Het vermelde aantal fte’s betreft de begrotingssterkte.

Saldo van baten en lasten (%)

Het percentage is als volgt berekend: het saldo van baten en lasten gedeeld door de totale baten.

Betalingstermijn facturen (%)

De gemiddelde termijn (aantal dagen) waarbinnen leveranciersfacturen betaald worden bedraagt 30 dagen. De norm is dat 90% binnen deze termijn betaald wordt.

Gegrond aantal klachten (%)

Eind 2011 is geconstateerd dat de indicator van 20% gegrond niet aansluit bij de verschillende klachtenstromen. Besloten is de indicator te herzien en op te splitsen naar: de categorieën verkoop, opslag en artikel 117 Sv. Deze klachten worden respectievelijk afgezet tegen het aantal kavels, aantal teruggegeven goeddetails en aantal geboekte schadeloosstellingen. Dat levert onderstaande normering op:

Klachten categorie

Norm

Verkoop

< 0,8%

Opslag

< 0,5%

Art. 117 Sv schadeloosstelling

< 7%

Uitvoering kwaliteitsprogramma (%)

Het kwaliteitsprogramma (verbijzonderde interne controle plan) zal ten minste voor 90% uitgevoerd worden.

Klanttevredenheid

Het klanttevredenheidsonderzoek heeft betrekking op zowel de aanleverende klant als de afnemende klant. De meting van klanttevredenheid zal plaatsvinden in 2014.

4. BIJLAGEN

4.1 Budgettair overzicht interventies t.b.v. de financiële sector

Sinds het najaar van 2008 heeft het kabinet interventies gepleegd om het financiële stelsel gezond te houden en de rust te helpen herstellen in de financiële wereld. Vanaf 2010 heeft de overheid ook aan Europese faciliteiten bijgedragen, in het bijzonder door het verstrekken van garanties. Deze gebruikelijke bijlage geeft middels een aantal tabellen een overzicht van de verschillende interventies.

Tabel 1 geeft de kasstromen en de garanties die met de interventies gepaard gaan en de vindplaatsen ervan in de begroting IX integraal weer. Daarnaast zijn de effecten van de maatregelen op achtereenvolgens: het EMU saldo, de EMU schuld en de staatsschuld per thema becijferd. De kolom «telling» geeft hierbij aan welke posten bij elkaar moeten worden opgeteld. Onderaan de tabel worden de totalen van alle maatregelen geconsolideerd.

Tabel 1a. Budgettair overzicht interventies kredietcrisis (in miljoenen euro)

#

Stand: Miljoenennota 2014

Telling

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Som:

Bron:

 

A. Fortis/RFS/AA

                   
                       

1

Aanschaf ABN AMRO Group – ASR Verzekeringen – RFS Holdings (incl. Z-share en residual N-share)

 

23.340

3.600

1.031

 

– 16

0

0

27.955

IX art.3

2

waarvan relevant voor het EMU saldo

   

2.200

900

         

CBS/Eurostat

3

Overbruggingskrediet (voormalig) Fortis

 

44.341

– 36.516

– 3.250

– 825

0

0

– 200

3.550

IX art. 11

                     

4

Renteontvangsten overbruggingskredieten (voormalig) Fortis

 

– 502

– 705

– 167

– 169

– 152

– 103

– 99

– 1.897

IX art. 11

5

Dividend ABN Amro Group

 

0

0

0

– 200

– 50

– 250

– 500

IX art.3

6

Dividend ASR Verzekeringen

 

0

0

0

0

– 71

– 88

– 159

IX art.3

7

Dividend RFS Holdings

 

0

0

– 6

0

0

0

– 6

IX art.3

8

Dividend financiële instellingen

 

0

0

0

0

0

– 56

– 400

– 456

IX art.3

9

Premieontvangsten capital relief instrument

 

0

– 28

– 165

0

0

0

0

– 193

IX art.3

10

Premieontvangsten counter indemnity

 

0

0

– 26

– 26

– 26

– 26

– 26

– 128

IX art.3

                       
 

Verleende garanties

                   

11

Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)

 

0

32.611

0

       

32.611

IX art.3

12

waarvan vervallen

 

0

0

– 32.611

       

– 32.611

IX art.3

13

Counter Indemnity ABN-AMRO

 

0

0

950

       

950

IX art.3

                       
 

Totale uitgaven minus ontvangsten

1, 3 t/m 10

67.179

– 33.649

– 2.583

– 1.220

– 315

– 523

– 725

28.164

 
 

Effect op EMU saldo

2, 4 t/m 10

502

– 1.427

– 564

395

299

523

525

253

 
 

Effect op EMU schuld

1, 3 t/m 10

67.179

– 33.649

– 2.686

– 1.220

– 315

– 523

– 725

28.061

 
 

Effect op staatsschuld

1, 3 t/m 10

67.179

– 33.649

– 2.686

– 1.220

– 315

– 523

– 725

28.061

 
                       
 

B. SNS Reaal

                   
                       

14