Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Lisa Westerveld (GL), Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Wij herkennen dat het recht op onderwijs voor minderjarige asielzoekers onder druk staat en er nog steeds kinderen in de asiel(nood)opvang zijn bij wie de toeleiding naar het onderwijs niet goed verloopt. Dit is reden tot grote zorg en wij zoeken dan ook samen met ketenpartners naar mogelijkheden om deze situatie te verlichten.
Het COA probeert de toegang tot en continuïteit van het onderwijs van kinderen in de asielopvang te waarborgen door hen te plaatsen op locaties met voldoende passend onderwijsaanbod in de omgeving, maar dit lukt door de grote tekorten aan opvangplekken niet altijd. Verhuizingen leiden daardoor regelmatig tot schoolwisselingen en vertraging bij de start van het onderwijs. Om dan toch het onderwijs voor deze kinderen te organiseren, worden diverse maatregelen ingezet zoals de inzet van regiocoördinatoren van OCW om scholen en gemeenten te adviseren. Scholen werken onderling ook samen om deze kinderen onderwijs te geven, in een taalklas, internationale schakelklas of met extra taalondersteuning in een reguliere klas. In het uiterste geval kunnen gemeenten sinds 2023 een tijdelijke nieuwkomersvoorziening laten inrichten om zo meer kinderen (tijdig) toegang tot onderwijs te geven.
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Naar aanleiding van het rapport hebben wij op 25 juni 20262 een beleidsreactie aan uw Kamer gezonden. Graag zeggen wij in aanvulling daarop toe om komend najaar gezamenlijk met de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie voor Justitie en Veiligheid in gesprek te gaan over de aanbevelingen en oplossingsrichtingen.
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Ja.
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Daarvoor zien wij verschillende oorzaken. Tijdig en goed onderwijs voor minderjarige asielzoekers valt of staat met vroegtijdige afstemming en samenwerking. De toegang tot onderwijs en de organisatie van opvang zijn namelijk nauw met elkaar verweven, maar er zijn verschillende actoren en stelsel bij betrokken. Waar het COA verantwoordelijk is voor de opvang, begeleiding van minderjarige asielzoekers en een initiërende rol heeft in hun toeleiding naar school, organiseren gemeenten en provincies in overleg met scholen voldoende onderwijsplekken en dragen schoolbesturen zorg voor een goed onderwijsaanbod. Tijdige afstemming tussen COA, scholen, gemeenten en provincies is een randvoorwaarde om gezamenlijk aan deze maatschappelijke opgave te voldoen.
De beschikbaarheid en organisatie van onderwijs op lokaal en regionaal niveau spelen hierbij een belangrijke rol. Scholen in het reguliere en gespecialiseerde primair en voortgezet onderwijs geven bijvoorbeeld aan handelingsverlegen te zijn om leerlingen met een andere moedertaal en vaak zeer diverse en onderbroken onderwijsgeschiedenis goed les te geven. Scholen met weinig ervaring met nieuwkomers missen bijvoorbeeld deskundigheid op het gebied van Nederlands als tweede taal (NT2). Zeker in het voortgezet onderwijs gaan minderjarige asielzoekers -en andere nieuwkomers- daarom doorgaans één of twee jaar naar een internationale schakelklas (isk), waar veel expertise is op het gebied van NT2. Het aantal isk’s in Nederland is echter niet landelijk dekkend en relatief kostbaar. Ook zorgen constante schommelingen in het aantal nieuwkomersleerlingen ervoor dat scholen niet altijd het benodigde personeel duurzaam kunnen behouden. Bij een grotere en/of plotselinge leerlinginstroom moeten zij dan eerst nieuw bevoegd personeel werven.
COA probeert bij de plaatsing van kinderen zoveel mogelijk rekening te houden met de beschikbaarheid van onderwijs in de omgeving. Tegelijkertijd is het onder de huidige druk op de opvangcapaciteit niet altijd mogelijk om kinderen en jongeren te plaatsen en gedurende langere tijd te laten verblijven op een locatie waar het gewenste onderwijsaanbod direct beschikbaar is. Daar komt bij dat verhuisbewegingen van jeugdigen als gevolg hebben dat kinderen vaker snel van school moeten wisselen. Zeker als er groepen kinderen tegelijk verhuizen, hebben scholen soms even tijd nodig om het onderwijsaanbod op te schalen. Voor kinderen is de consequentie dan dat ze moeten wennen aan een andere school met andere lesmethoden, leraren en andere klasgenoten.
Tenslotte zien we dat binnen de groep minderjarige asielzoekers de groep alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv) extra kwetsbaar is. Deze amv hebben geen ouders of gezin in Nederland om hen te ondersteunen en krijgen een jeugdbeschermer van Nidos toegewezen. Bij verhuizingen naar een andere opvanglocatie verandert ook de regionale context waarin de jongere wordt begeleid en onderwijs wordt georganiseerd. Het kan daardoor extra complex zijn om de begeleiding, de beschikbaarheid van onderwijs en de start op een nieuwe school goed op elkaar af te stemmen. Dit vraagt om goede samenwerking tussen COA, Nidos, gemeenten en onderwijsinstellingen. De aanmelding door Nidos van kinderen op een school komt hierdoor niet altijd tijdig tot stand en ook het snel signaleren en aanpakken van bijvoorbeeld verzuim kan bij een verhuizing extra aandacht vragen.
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Wij erkennen dat de rechten van kinderen op tijdige toegang tot volwaardig onderwijs niet altijd voldoende kunnen worden nageleefd door de oorzaken zoals beschreven in het antwoord op vraag 4. Deze situatie heeft onze aandacht.
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Er is geen afzonderlijke, onafhankelijke juridische toets uitgevoerd of Nederland met het onderwijsaanbod aan kinderen in de noodopvang en reguliere opvang volledig voldoet aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Reden hiervoor is dat de kaders voor dit onderwijs niet afwijken van het onderwijs dat aan andere leerlingen wordt gegeven.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Voor de korte termijn bieden regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs scholen en gemeenten informatie en advies om de toegang voor nieuwkomersleerlingen onder wie minderjarige asielzoekers, te organiseren en waar nodig het onderwijsaanbod op te schalen. Er is sinds 2023 ook de mogelijkheid om in uiterste situaties een tijdelijke nieuwkomersvoorziening (hierna: tnv) te starten. Tot nu toe is dit in 20 gemeenten aan de orde geweest.
Het Ministerie van OCW werkt aan een wetgevingstraject om het onderwijs aan nieuwkomers (nog) beter te organiseren. Daarbij wordt ook gekeken naar de toegankelijkheid en organiseerbaarheid van het onderwijs voor nieuwkomers en naar mogelijkheden voor méér samenwerking tussen scholen en met andere actoren. Deze en overige maatregelen staan benoemd in de brief «Een betere start voor kinderen met Nederlands als tweede taal» die de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie uw Kamer in juni 2025 heeft toegestuurd.3
De uitvoerbaarheid van het onderwijs op lokaal en regionaal niveau blijft echter ook afhankelijk van de plaatsing en verblijfsduur van kinderen in asielopvanglocaties. JenV en COA werken er samen met andere betrokken ketenpartners hard aan om de situatie in de opvang voor kinderen te verbeteren, zowel door alle inspanningen om noodopvang af te bouwen en het aantal verhuizingen terug te brengen, als ook door maatregelen te nemen om de toegang tot onderwijs te waarborgen. Zo vraagt COA bij bestuurlijke afspraken met gemeenten aandacht voor de toegang tot onderwijs en zijn er werkinstructies voor opvanglocaties opgesteld zodat de werkwijze rond toegang tot onderwijs helder is. Ook de Nationale Opvangorganisatie (NOO) is vanuit JenV betrokken bij het signaleren van knelpunten op het gebied van onderwijs en staat in contact met OCW.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Dat kan alleen door een rechter worden vastgesteld door de specifieke feiten te beoordelen.
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Dit is niet bekend. Er is geen wachtlijst speciaal voor asielzoekerskinderen. Ook hebben COA, Nidos, J&V en OCW geen cijfers beschikbaar over hoeveel kinderen verblijvend in de (nood)opvang niet naar school gaan.
Het COA heeft voor het tweede opeenvolgende jaar een inventarisatie gedaan naar de leef- en verblijfomstandigheden van kinderen en amv op de COA-locatie, waaronder de toegang tot onderwijs. Hierdoor is er beter inzicht verkregen in de locaties waar knelpunten worden ervaren en het aantal kinderen die hierdoor wordt geraakt. Dit is vervolgens in nauwe samenwerking met OCW opgepakt. Ook zijn er recent signalen dat de problematiek het laatste jaar is afgenomen ten opzichte van enkele jaren geleden.
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Deze gegevens zijn niet bekend. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Ja, dat komt voor. Indien een van de regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs van OCW, de Inspectie van het Onderwijs, COA of Nidos een signaal ontvangt dat dit aan de orde is, gaat deze in gesprek met de betreffende gemeente of school om te stimuleren dat alsnog zo spoedig mogelijk in onderwijs wordt voorzien.
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
Deze capaciteit verschilt per regio en ook per onderwijssector. Zo zijn er in het primair onderwijs veel meer nieuwkomers die meteen naar een reguliere school gaan, of waar een reguliere school een taalklas start, dan in het voortgezet onderwijs. Er zijn daarmee veel basisscholen die nieuwkomers onderwijs geven. In het voortgezet onderwijs is dat nauwelijks het geval: daar worden nieuwkomersleerlingen in de regel naar een internationale schakelklas (isk) verwezen. De isk’s zijn verspreid over het hele land. De opvanglocaties zijn niet altijd in de buurt van de isk’s.
Omdat de bezetting en duur van opvanglocaties kunnen fluctueren, het opvanglandschap regelmatig verandert en kinderen vaak verhuizen, is er geen betrouwbare inschatting van de benodigde of de beschikbare onderwijscapaciteit specifiek voor nieuwkomersleerlingen.
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Capaciteitsproblemen spelen met name bij (soms seizoensgebonden) noodopvang voor grote groepen leerplichtigen waarvoor snel onderwijs georganiseerd moet worden voor een relatief korte periode. Ook bij verhuisbewegingen van meerdere minderjarigen naar een andere opvanglocatie waar zij meteen weer onderwijs moeten kunnen volgen, zoals we vaker zien bij groepen amv, vraagt het veel van scholen en gemeenten om het onderwijsaanbod, zowel personeel als onderwijshuisvesting, snel op te schalen. Zie verder ook het antwoord op vraag 12.
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
De Staat van Migratie 2026 is onlangs gepubliceerd, zie migratiecijfers.nl/publicaties. In paragraaf 4.3.2.1 wordt ingegaan op de verhuisbewegingen van minderjarige kinderen die onderdeel zijn van een gezin en van amv. In deze paragraaf staan tabellen over het aantal verhuisbewegingen van kinderen binnen COA-locaties en separaat van amv naar reden van verhuizing en het gemiddeld aantal verhuisbewegingen per kind. Ook wordt gerapporteerd over het totaal aantal verhuisbewegingen en de gemiddelde verblijfsduur bij uitstroom. Verhuisbewegingen in noodopvanglocaties zijn in deze cijfers meegenomen. Een verblijf korter dan 30 dagen wordt niet meegeteld als verhuisbeweging, omdat de school dan -gemiddeld genomen- nog niet gestart is.
Er is geen informatie over gemiste onderwijstijd die verloren is gegaan vanwege verhuizingen. Het plaatsingsbeleid is erop gericht om kinderen en amv zo min mogelijk in noodopvang te plaatsen en het streven is om het aantal verhuisbewegingen te minimaliseren.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Wij vinden het onwenselijk dat kinderen regelmatig moeten verhuizen en daardoor onderwijs missen, van school moeten wisselen en steeds nieuwe sociale contacten moeten opbouwen. Stabiliteit is van groot belang voor hun ontwikkeling en welzijn.
Zolang de druk op de opvangcapaciteit hoog blijft, kunnen verhuizingen niet altijd worden voorkomen. En, zoals eerder genoemd, hebben die verhuizingen en de kortdurende opvanglocaties direct effect op de mate waarin het onderwijs tijdig en goed georganiseerd kan worden. Het kabinet werkt daarom samen met het COA aan een stabieler opvanglandschap door de reguliere opvangcapaciteit uit te breiden, onder meer via de uitvoering van de Spreidingswet. Daarnaast werken het kabinet, gemeenten, scholen, het COA en DUO aan een betere continuïteit van onderwijs, onder meer door de gegevensuitwisseling tussen onderwijs en opvang te verbeteren wanneer kinderen verhuizen. Zodra de opvangcapaciteit dit toelaat, heeft het hoge prioriteit om kinderen uitsluitend te plaatsen op locaties waar toegang tot onderwijs geborgd is en waar zij langere tijd kunnen verblijven. Daarbij is voor de stabiliteit in het leven van kinderen in de opvang niet alleen voldoende en duurzame opvangcapaciteit van belang, maar een goed functionerende asielketen. Snelle procedures en tijdige doorstroom naar huisvesting dragen bij aan het verminderen van de druk op de opvangcapaciteit en bieden kinderen meer stabiliteit en continuïteit.
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Het beperken van verhuisbewegingen blijft leidend, maar dit is onder de huidige omstandigheden nog niet structureel te realiseren. Met de uitvoering van de Spreidingswet, waaronder de inzet van interbestuurlijk toezicht, wordt gewerkt aan het vergroten van het aandeel reguliere, duurzame opvanglocaties en het verminderen van de afhankelijkheid van noodopvang. Dat is noodzakelijk om het aantal verhuisbewegingen van kinderen daadwerkelijk en duurzaam te kunnen beperken. Daarnaast blijft ook een tijdige doorstroom van vergunninghouders naar gemeentelijke huisvesting van groot belang. Momenteel verblijven er nog veel kinderen met een verblijfsvergunning in de COA-opvang, terwijl huisvesting in gemeenten hen meer stabiliteit en perspectief biedt. Een goede doorstroom vermindert de druk op de opvangcapaciteit, beperkt zo de noodzaak tot verhuisbewegingen, geeft kinderen de kans om te participeren in de gemeenschap waar ze ook wonen en draagt bij aan het welzijn en de ontwikkeling van kinderen.
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Minderjarigen hebben recht op onderwijs ongeacht waar zij verblijven en ongeacht hun verblijfsstatus en zij kunnen -als zij voor hun 18e jaar met een opleiding zijn gestart- deze opleiding ook afmaken. Wel kan het zo zijn dat voor een jongere die bijna 18 jaar is, een isk niet meer de meest geschikte onderwijsplaatsing is. Een jongere volgt dan in de regel immers onderwijs met kinderen die (veel) jonger zijn en gebruikt lesmaterialen bedoeld voor jongere leerlingen. Ook stroomt een meerderjarige leerling na één of twee jaar isk niet meer door naar het voortgezet onderwijs. Afhankelijk van verschillende factoren is er de mogelijkheid om te starten in het mbo of in het vavo.
Als OCW signalen ontvangt dat leerlingen van 17 jaar geen toegang krijgen tot onderwijs in verband met hun leeftijd, dan gaan de regiocoördinatoren van het ministerie met de betreffende school of mbo-instelling en gemeente in gesprek om te zoeken naar een passende oplossing.
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Om deze jongeren te laten meedoen, is het wenselijk dat het onderwijs goed aansluit op hun mogelijkheden en motivatie. Juist omdat voor oudere leerlingen het toekomstperspectief kan verschillen, is het wenselijk dat in goed overleg met leerling en ouders of voogd wordt besproken welk onderwijs wordt gevolgd en waar naartoe wordt gewerkt. In het wetsvoorstel onderwijs aan nieuwkomers, waarover u in september een brief met de eerste contouren ontvangt, zal ook aandacht zijn voor een gedifferentieerd aanbod voor deze doelgroep.
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Wettelijk bestaat deze mogelijkheid al en ook de herschikte Opvangrichtlijn4 stelt dat asielzoekers niet uit het onderwijs mogen worden geweerd omdat zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Er zijn weinig signalen dat dit op isk’s niet wordt nageleefd. Waar nodig, komen wij ook komend schooljaar in actie als er signalen binnenkomen dat dit niet gebeurt.
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Schoolbesturen en gemeenten voeren tenminste jaarlijks overleg over de invulling van het onderwijs aan nieuwkomers. Dat biedt een startpunt om gezamenlijk afspraken te maken over de benodigde onderwijscapaciteit en eventuele regionale samenwerking. Daarbij is het wenselijk om eerst te verkennen wat er binnen de bestaande onderwijscapaciteit en personeel mogelijk is, waarbij bijvoorbeeld de bestaande aanpak voor personele tekorten kan worden gevolgd. Voor kinderen en jongeren die extra onderwijsondersteuning en/of zorg en jeugdhulp nodig hebben, kan het samenwerkingsverband passend onderwijs meedenken over een passend arrangement.
Biedt dit onvoldoende oplossing, dan kan de regio in overleg met de regiocoördinator nieuwkomersonderwijs van het Ministerie van OCW onderzoeken of een aanvraag voor een tijdelijke nieuwkomersvoorziening passend is. In een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan een schoolbestuur afwijken van de eisen aan onderwijsinhoud en -personeel om op deze wijze het onderwijs sneller op te kunnen schalen in het belang van de leerlingen.
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
De aanpak van de personele tekorten in het onderwijs aan nieuwkomers loopt mee in de brede aanpak van de tekorten, zoals de subsidieregeling voor zij-instromers en de aanpak via de onderwijsregio’s. Uit de tekortmeting vo van 2025 blijkt dat het tekort aan docenten op isk’s (internationale schakelklassen) vergelijkbaar is met die van het overige reguliere onderwijs, namelijk 3,5% op isk’s t.o.v. 3,3% in het reguliere vo5. In het po ligt het tekort in taalklassen lager dan in reguliere klassen6. Bij deze cijfers moet opgemerkt worden dat er binnen het nieuwkomersonderwijs grote fluctuaties bestaan door het op- en afschalen van opvanglocaties, ook gedurende een schooljaar en dat daarmee de zoektocht naar onderwijspersoneel een uitdaging is die inherent is aan de verhuisbewegingen in de asielketen.
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Momenteel is geen sprake van wijdverspreide wachtlijsten voor het onderwijs aan nieuwkomers, maar kunnen kinderen niet altijd direct in het onderwijs terecht na een verhuizing naar een andere opvanglocatie. Zoals in de antwoorden op vragen 1, 4, 12 en 13 is toegelicht, hangen de knelpunten voor het verzorgen van onderwijs aan nieuwkomersleerlingen o.a. samen met de vele verhuisbewegingen van kinderen in de asielketen en schommelingen in de leerlinginstroom. Bij de scholen die wel te maken hebben met personele tekorten, is bovendien lang niet altijd een gebrek aan financiering het probleem. Er zijn dan bijvoorbeeld geen bevoegde, geschikte kandidaten voor een vacature of er is een tekort aan onderwijshuisvesting.
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 22.
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Het kabinet onderschrijft dat goede afstemming tussen de verschillende partijen nodig is om de toegang tot onderwijs voor kinderen in de asielopvang zo goed mogelijk te borgen. Daarbij is het van belang dat de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen worden gerespecteerd: gemeenten en onderwijsbesturen zijn verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs, terwijl het COA verantwoordelijk is voor de opvang en bij de plaatsing van kinderen waar mogelijk rekening houdt met de beschikbaarheid van onderwijs.
OCW, JenV, en VWS werken daarom aan een interdepartementale routekaart waarin de verschillende verantwoordelijkheden, signaleringslijnen en mogelijke interventies beter met elkaar worden verbonden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Buitenlandplaatsingen in de jeugdhulp naar aanleiding van X-post van de minister |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat u als Minister stelselverantwoordelijk bent voor een goed functionerend jeugdstelsel en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming van jeugdhulp aan Nederlandse jeugdigen, ook wanneer gemeenten deze hulp inkopen en jeugdigen in het buitenland worden geplaatst? Zo nee, kunt u nauwkeurig uiteenzetten waar uw verantwoordelijkheid eindigt en die van gemeenten begint?1
Deelt u de mening dat gemeenten die jeugdhulp in het buitenland inkopen verantwoordelijk zijn voor het vooraf controleren en gedurende de plaatsing bewaken van de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming, waaronder de vergunningen, het gekwalificeerd personeel, het toezicht, de klachtenprocedures, de vrijheidsbeperkende maatregelen en de feitelijke veiligheid van de locatie? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete controles moeten gemeenten uitvoeren voordat zij een jeugdige bij een buitenlandse jeugdhulpaanbieder plaatsen en gedurende de plaatsing blijven uitvoeren?
Hoe zijn volgens u in het gedwongen kader de verantwoordelijkheden voor de plaatsing, de kwaliteit, de veiligheid, de rechtsbescherming en het toezicht precies verdeeld tussen de gemeente, de gecertificeerde instelling (GI), de jeugdhulpaanbieder en een eventuele plaatsingscoördinator? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment voldoende duidelijk en is voor iedere plaatsing ondubbelzinnig vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om deze verantwoordelijkheden te verduidelijken?
Welke instantie controleert of gemeenten deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk nakomen en welke instantie kan ingrijpen wanneer dit onvoldoende gebeurt? Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijk Minister wanneer blijkt dat deze controle tekortschiet?
Acht u het aanvaardbaar dat Nederlandse jeugdigen in het buitenland worden geplaatst wanneer niet kan worden gegarandeerd dat daar voldoende toezicht bestaat op de kwaliteit van zorg, veiligheid en rechtsbescherming? Zo ja, waarom?
Kunt u garanderen dat voor iedere Nederlandse jeugdige die momenteel in het buitenland verblijft in het kader van jeugdhulp aantoonbaar is vastgesteld dat de betreffende instelling aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en dat duidelijk is welke instantie daadwerkelijk toezicht houdt? Zo nee, hoeveel jeugdigen verblijven momenteel op locaties waarvoor dit niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd?
Hoe kan een gemeente naar uw oordeel verantwoord besluiten een jeugdige in het buitenland te plaatsen wanneer Nederlandse toezichthouders daar niet dezelfde toezichtsmogelijkheden hebben als bij jeugdhulp in Nederland? Deelt u de opvatting dat onvoldoende zicht op de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming een onaanvaardbaar risico vormt? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel Nederlandse jeugdigen momenteel voor jeugdhulp in het buitenland verblijven, uitgesplitst naar land, gemeente, jeugdhulpaanbieder en type jeugdhulp? Kunt u daarbij per plaatsing aangeven op welke wijze vooraf is gecontroleerd of de aanbieder over de vereiste vergunningen beschikt, aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en onder welk toezicht deze plaatsing valt?
Welke maatregelen neemt u ten aanzien van Nederlandse jeugdigen die momenteel in het buitenland verblijven wanneer niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat hun veiligheid, rechtsbescherming en de kwaliteit van de geboden jeugdhulp voldoende zijn geborgd?
Bent u bereid te stoppen met nieuwe plaatsingen van Nederlandse jeugdigen voor jeugdhulp in het buitenland en ervoor te zorgen dat passende jeugdhulp voor deze jeugdigen in Nederland beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete juridische belemmeringen bestaan er volgens u om nieuwe buitenlandplaatsingen volledig te beëindigen? Kunt u per belemmering aangeven uit welke nationale of internationale wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling deze voortvloeit?
Welke bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) zouden er volgens u aan in de weg kunnen staan dat Nederland als uitgangspunt hanteert dat Nederlandse jeugdigen jeugdhulp in Nederland ontvangen? Kunt u dit per bepaling juridisch onderbouwen?
Indien u van mening bent dat het IVRK of andere internationale verplichtingen vereisen dat in uitzonderlijke gevallen plaatsing in het buitenland mogelijk moet blijven, kunt u dan aangeven in welke concrete situaties daarvan sprake kan zijn en waarom de benodigde passende hulp in die situaties niet in Nederland georganiseerd kan worden?
Deelt u de mening dat het feit dat bepaalde specialistische jeugdhulp momenteel mogelijk onvoldoende beschikbaar is in Nederland geen reden mag zijn om Nederlandse jeugdigen naar het buitenland te plaatsen, maar aanleiding moet zijn om de noodzakelijke capaciteit in Nederland te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat opnieuw Nederlandse jeugdigen worden geplaatst bij buitenlandse instellingen waarvan vergunningen, toezicht, kwaliteit of veiligheid onvoldoende zijn geborgd?
Bent u bereid vanuit uw stelselverantwoordelijkheid de regie te nemen om te waarborgen dat Nederlandse jeugdigen de noodzakelijke jeugdhulp in Nederland kunnen ontvangen en dat gemeenten niet langer genoodzaakt zijn hiervoor uit te wijken naar buitenlandse aanbieders? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet op de Industrial Accelerator Act en de recente publicatie van het Jacques Delors Centre |
|
Tom van der Lee (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicatie Buy European need not break the bankvan het Jacques Delors Centre?1
Onderschrijft u de conclusie dat strengere Europese voorkeursregels en eisen aan koolstofarme productie mogelijk zijn zonder hoge meerkosten voor eindgebruikers?
Hoe reflecteert u op de conclusie dat het huidige voorstel voor de Industrial Accelerator Act (IAA) onvoldoende prikkels biedt voor investeringen in de Europese industrie en dat strengere Europese voorkeurseisen gewenst zijn?
Onderschrijft u dat brede uitzonderingen op Europese voorkeursregels en groene producteisen de effectiviteit beperken, maar ook extra bureaucratie en onzekerheid veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u hierbij specifiek ingaan op de generieke kostenuitzondering en de positionering van Nederland op dit principe? Hoe reflecteert u op de kritiek in dit onderzoek?
Bent u bereid om de reikwijdte van de IAA uit te breiden naar meer markten en aanvullende strategische componenten, zoals de publicatie aanbeveelt? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiest u voor terughoudendheid bij Europese oorsprongseisen, en een brede definitie van wat Europees is, terwijl een nauwere definitie en harde Europese voorkeursregels volgens de publicatie de vraag naar Europese producten vergroten en daarmee investeringen in Europese productie stimuleren?
Kunt u toelichten hoe u de overweging maakt of u voor of tegen Europese oorsprongseisen voor (strategische) producten bent?
Waarom zorgt de Nederlandse positie volgens u voor meer investeringszekerheid in Europese verduurzaming van de industrie dan de positie die in de publicatie wordt onderbouwd?
Bent u bereid om voor strategische sectoren oplopende minimumpercentages voor koolstofarme – en Europese – productie in te stellen met oog op een duidelijk einddoel, zodat producenten zekerheid krijgen over de toekomstige vraag? Zo nee, waarom niet?
Ziet u op basis van de publicatie reden om uw positionering op de IAA te heroverwegen en te pleiten voor ambitieuzere Europese voorkeursregels en groene mandaten? Zo nee, waarom niet?
Zijn er onderdelen van deze publicatie die u in overweging neemt voor de positionering van Nederland bij toekomstige Europese wetgeving t.a.v. industriebeleid?
Het bericht 'Kenner Politieke Islam waarschuwt Nederland: “Netwerken achter Franse rellen zijn ook hier actief' |
|
Bente Becker (VVD), Claire Martens-America (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kenner Politieke Islam waarschuwt Nederland: «Netwerken achter Franse rellen zijn ook hier actief»»1?
Herkent u de analyse uit het artikel dat ook in Nederland netwerken gelieerd aan de moslimbroederschap actief zijn? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Wat weet u over de mate waarin in Nederland netwerken gelieerd aan de moslimbroederschap actief zijn in Nederland en hun werkwijze? Wat kunt u delen, desnoods vertrouwelijk?
Welk beleid voert u tegen de inmenging vanuit de moslimbroederschap in Nederland?
Hoe voorkomt u dat leden van deze netwerken gesprekspartner zijn voor de overheid bij beleidsontwikkeling van het integratiebeleid of het onderwijs?
Bent u bereid de inmenging vanuit dit soort (islamistische) netwerken de komende tijd, eventueel samen met de diensten, extra nauwgezet te monitoren, gelet op de rellen die we in andere landen om ons heen zagen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen spoedig te beantwoorden, op z’n laatst bij de extra toegezegde brief over ongewenste buitenlandse inmenging voor de begroting J&V?
De veelpleger Tarek el A. die ondanks tientallen misdrijven niet is uitgezet en nu een gezin halfdood heeft geslagen en gestoken. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het schokkende bericht dat Tarek el A., die ondanks tientallen eerdere diefstallen en geweldsfeiten nog altijd een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had, nu een gezin halfdood heeft geslagen en gestoken?1
Hoe is het mogelijk dat Tarek el A. na tientallen strafbare feiten nog steeds in ons land verbleef? Waarom is deze Marokkaanse crimineel niet direct na zijn allereerste strafbare feit het land uitgezet?
Erkent u dat dit onbeschrijfelijke leed voor dit gezin voorkomen had kunnen en moeten worden als er eerder was ingegrepen? Hoe rechtvaardigt u dit fatale falen tegenover de slachtoffers?
Hoe kijkt u naar het feit dat we na Mohammed K. weer te maken hebben met een losgeslagen criminele vreemdeling die jarenlang zijn gang kon gaan?
Hoeveel asielzoekers en statushouders zijn inmiddels al meerdere keren in de fout gegaan? Hoeveel van deze veelplegers zijn daadwerkelijk uitgezet en hoeveel lopen er op dit moment nog vrij rond in onze samenleving?
Deelt u de mening dat een straf van veertien maanden, waarvan een halfjaar voorwaardelijk, een lachertje is voor een poging tot doodslag waarbij een heel gezin is geterroriseerd? Zo, ja bent u bereid minimumstraffen in te voeren?
Voelt u zich verantwoordelijk voor het brute geweld dat dit soort types kunnen plegen doordat u weigert hen uit te zetten?
Kunt u garanderen dat deze gevaarlijke crimineel direct na het uitzitten van zijn celstraf definitief wordt uitgezet en een levenslang inreisverbod krijgt? Zo nee, waarom niet?
Bent u nu eindelijk bereid onze grenzen te sluiten en een asielstop af te kondigen?
De nucleaire samenwerking met Frankrijk |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de vergaderagenda was van het gesprek vorige week met Frankrijk over samenwerking op het gebied van kernwapens?1 Zo nee, waarom niet?
Wat was de inbreng van Nederland in dit gesprek over samenwerking met Frankrijk op het gebied van kernwapens? Bent u bereid deze inbreng met de Kamer te delen?
Aangezien volgens een bericht op het Ministerie van Defensie de mogelijkheden voor verdere versterking van de Europese dimensie van nucleaire afschrikking zijn besproken, kunt u aangeven welke concrete opties aan de orde zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Welke (voorlopige) besluiten zijn genomen? Zijn er besluiten genomen rond nauwere samenwerking in trainen en oefenen, doelstellingen waar u op de wekelijkse persconferentie naar verwijst?2
Klopt het dat begin december verder gepraat wordt met Frankrijk hierover, door de premier?3 Wat staat er dan op de agenda? Worden er besluiten voor die vergadering voorbereid? Zo ja, welke?
Wat wordt de inbreng van Nederland tijdens het gesprek begin december? Bent u bereid deze inbreng vooraf met de Kamer delen?
Kunt u uitsluiten dat Franse kernwapens op Nederlandse bodem worden geplaatst? Zo nee, waarom noemt u dit in de wekelijke persconferentie dan «helemaal niet aan de orde»?4
Kunt u uitsluiten dat Nederland gaat deelnemen aan nucleaire proeven? Zo nee, waarom niet?
Waarom hecht u er belang aan de nucleaire samenwerking met Frankrijk in de persconferentie herhaaldelijk historisch te noemen? Verandert de beoogde samenwerking bijvoorbeeld iets aan het bestaande Nederlandse kernwapenbeleid?
Wat is het einddoel van de gesprekken met Frankrijk?
Hoe verhouden de gesprekken over deelname van Nederland aan het Franse kernwapenprogramma zich tot tot het door Nederland ondertekende non-proliferatieverdrag?
Waarom heeft u over de door u ontraden motie Dobbe cs,5 die verzocht de Kamer te informeren over de nucleaire samenwerking met Frankrijk, gezegd dat die «naar allerlei zaken vraagt waar gewoon helemaal geen sprake van is», terwijl het Ministerie van Defensie nu meedeelt dat er stappen gezet zijn in een beoogde (nucleaire) samenwerking met Frankijk? Waarin en waarom verschilt uw lezing van de motie van de communicatie van uw eigen ministerie?
Vindt u dat de Tweede Kamer zijn controlerende taak moet kunnen uitoefenen met betrekking tot de nucleaire samenwerking met Frankrijk op het gebied van kernwapens? Zo ja, welke ontwikkelingen rond kernwapens zijn volgens u belangrijk genoeg om de Kamer wél over te informeren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De AIVD-publicatie 'De moderne auto als mogelijke spion' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie «De moderne auto als mogelijke spion. Digitale dreigingen in slimme voertuigen» van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) van 30 september 2026?1
Zijn er in Nederland gevallen bekend waarin microfoons of camera’s in voertuigen op afstand zijn ingeschakeld of waarin dat is geprobeerd en bent u bereid de Kamer hierover zo nodig vertrouwelijk te informeren?
Deelt u, gelet op de vaststelling van de AIVD dat risico’s via gps, de telematicamodule en laadpalen «niet te voorkomen [zijn] met techniek of door gedrag», de opvatting dat deze risico’s niet bij de individuele gebruiker kunnen worden neergelegd maar om regelgeving vragen?
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor beveiligingseisen die uitsluiten dat verplicht voorgeschreven systemen met microfoons en camera’s, zoals eCall en bestuurdersmonitoring, kunnen worden misbruikt om af te luisteren of mee te kijken?
Steunt u in de onderhandelingen over de herziening van de Cybersecurity Act dat de Europese Commissie de bevoegdheid krijgt om leveranciers met een hoog risico in de toeleveringsketen van verbonden voertuigen te weren? Zo nee, waarom niet?
Op welke concrete wijze waarborgt u in de Raad en richting de Europese Commissie dat voertuigdata, zoals locatie-, camera- en microfoongegevens en gegevens van gekoppelde telefoons, niet worden opgeslagen of verwerkt bij partijen of in landen waar statelijke actoren toegang tot die gegevens kunnen afdwingen?
Geldt de regel dat defensiemedewerkers in niet-operationele voertuigen alleen ongerubriceerde informatie mogen bespreken inmiddels ook voor de rest van de rijksoverheid, inclusief bewindspersonen? Zo nee, waarom niet?
Is het rijkswagenpark, inclusief de voertuigen waarin bewindspersonen worden vervoerd, getoetst aan de adviezen uit de AIVD-publicatie over onder meer externe camera’s, het koppelen van telefoons en ingebouwde navigatie? Zo nee, bent u bereid dit te laten doen?
Hoe borgt u bij de opschaling van bidirectioneel laden dat er cybersecurity-eisen gelden voor laadpunten, de achterliggende beheersystemen en aggregators, zodat grote aantallen gekoppelde voertuigen niet kunnen worden ingezet om het elektriciteitsnet te verstoren?
Organisaties die pro-Palestijnse en anti-Israëlische demonstraties organiseren |
|
Mona Keijzer |
|
David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het AIVD-jaarverslag 2025, waarin wordt beschreven dat in Nederland een netwerk actief is dat gelieerd is aan Hamas en zich onder meer bezighoudt met propaganda, lobbywerk en fondsenwerving, en dat dit netwerk betrokken is bij organisaties die pro-Palestijnse en anti-Israëlische demonstraties organiseren?
Kunt u toelichten wat de AIVD bedoelt met de betrokkenheid van dit netwerk die demonstraties organiseren?
Kunt u toelichten op welke manier wordt voorkomen dat dergelijke organisaties financiering ontvangen van terroristische organisaties?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat terroristische organisaties via maatschappelijke organisaties invloed uitoefenen op demonstraties of deze gebruiken voor campagnes en fondsenwerving?
Bent u bekend met het feit dat Amnesty International in Nederland de Rode Lijn-demonstratie promoot met een afbeelding van Ayman Nijmeh, voorzitter van de Palestijnse Gemeenschap Nederland (PGNL), terwijl de AIVD waarschuwt voor de betrokkenheid van een Hamas-netwerk bij organisaties die pro-Palestijnse demonstraties organiseren?
Is bekend of er concrete banden bestaan tussen Nijmeh, PGNL en dit netwerk. Zo niet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Kunt u toelichten hoe u kijkt naar het feit dat Amnesty International een persoon met mogelijke banden met Hamas inzet voor haar campagne?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat tijdens de Rode Lijn-demonstratie terroristische propaganda wordt verspreid, steun aan Hamas wordt betuigd of wordt opgeroepen tot geweld en antisemitisme?
Deelt u de opvatting dat organisaties die bewust banden onderhouden, aanhalen of sympathiseren met Hamas, onderzocht moeten worden op mogelijke betrokkenheid bij terrorisme en mogelijk als terroristische organisatie aangemerkt moeten worden?
Hoe kijkt u ernaar dat Amnesty International jaarlijks bijna 1 miljoen euro belastinggeld ontvang via subsidies en vervolgens demonstraties promoot waarvan de organisatie in verband wordt gebracht met banden met een terroristische organisatie?
Bent u van mening dat de Nederlandse belastingbetaler dit dient te betalen?
Zo nee, bent u bereid om alle overheidssubsidies stop te zetten aan Amnesty International?
Bent u bekend met de aangehouden motie van de leden Keijzer en Schilder over geoormerkt meespelen bij goededoelenloterijen?
De Nationale Postcodeloterij financiert jaarlijks voor miljoenen Amnesty International, deelt u de mening dat deelnemers zelf moeten kunnen aangeven of ze willen meebetalen aan dergelijke praktijken zoals Amnesty International doet?
Bent u bereid om de motie alsnog oordeel kamer te geven? Zo nee, waarom niet?
Een overzicht van nationaal klimaat- en energiebeleid dat verder gaat dan Europese verplichtingen |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de volgende twee afspraken uit het coalitieakkoord «Aan de slag» u bekend zijn: «Onze ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen» en «Als we nieuw beleid invoeren kijken we standaard naar de effecten op het gelijke speelveld met omringende landen»?
Bent u bekend met de brief van de Minister van Financiën met een inventarisatie van nationale koppen en aanvullende nationale vereisten voor de financiële sector?1
Bent u bereid de Kamer een vergelijkbaar overzicht te sturen van nationale koppen en aanvullend beleid dat Nederland treft voor het klimaat- en energiebeleid en circulariteit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in dat overzicht in ieder geval alle geldende en voorgenomen wet- en regelgeving en ander beleid op het terrein van klimaat en energie en circulariteit opnemen? Kunt u in ieder geval de volgende categorieën meenemen:
Bij welke maatregelen uit het overzicht ziet u mogelijkheden om deze te schrappen, af te zwakken of terug te brengen naar een 1-op-1-implementatie, in lijn met het coalitieakkoord? Op welke termijn acht u dit mogelijk?
Toetst u, conform het coalitieakkoord, bij het uitwerken van nieuw klimaat- en energiebeleid en beleid op het gebied van circulariteit standaard of er sprake is van een nationale kop en wat de effecten zijn op het gelijke speelveld? Bent u bereid hier in elke memorie van toelichting en iedere beleidsbrief een apart kopje aan te wijden?
Bent u bereid het overzicht van nationale koppen periodiek te actualiseren, bijvoorbeeld gelijktijdig met de Klimaat- en Energieverkenning?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden? Kunt u de vragen beantwoorden vóór de plenaire behandeling van de begroting van Klimaat en Groene Groei en het Klimaatfonds?
Online oproepen tot een demonstratie op 31 oktober in Den Haag en het mogelijke risico op gewelddadige rellen zoals in Frankrijk |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproepen op TikTok en andere sociale media om op zaterdag 31 oktober 2026 vanaf 14.00 uur te demonstreren op het Malieveld in Den Haag, onder de naam «Generatie Z Protest»?
Bent u bekend met de online berichten waarin wordt verwezen naar de recente gewelddadige rellen in Frankrijk en waarin wordt gesproken over het massaal optrekken richting winkelgebieden en designerwinkels in Den Haag, en deelt u de zorgen dat dergelijke oproepen kunnen wijzen op plannen voor geweld, vernielingen of plunderingen?
Hoe beoordeelt u het risico dat de aangekondigde demonstratie op 31 oktober uitloopt op ernstige ongeregeldheden, en welke concrete signalen liggen aan deze inschatting ten grondslag?
Zijn de politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken instanties actief bezig met het volgen en beoordelen van online oproepen rond deze demonstratie, waaronder berichten op TikTok, Telegram en besloten chatgroepen, en worden hierbij waar nodig en wettelijk toegestaan ook personen of groepen onderzocht die mogelijk geweld voorbereiden?
Wordt onderzocht wie achter de oproepen tot deze demonstratie zitten, of sprake is van georganiseerde groepen die uit zijn op confrontaties met de politie en of er aanwijzingen zijn dat personen vanuit andere steden naar Den Haag willen komen om ongeregeldheden te veroorzaken?
Is er inmiddels overleg geweest tussen het ministerie, de politie, het Openbaar Ministerie en de gemeente Den Haag over de aangekondigde demonstratie en het risico op rellen, en welke preventieve maatregelen worden momenteel voorbereid?
Wordt er rekening gehouden met de inzet van extra politiecapaciteit, waaronder de Mobiele Eenheid, om eventuele grootschalige ongeregeldheden op 31 oktober direct te kunnen aanpakken, en is voldoende capaciteit beschikbaar om tegelijkertijd de veiligheid in andere delen van het land te waarborgen?
Welke concrete maatregelen worden eventueel voorbereid om winkeliers, ondernemers en omwonenden in Den Haag te beschermen tegen mogelijke vernielingen, geweld en plunderingen, en kunt u garanderen dat de politie voldoende capaciteit heeft om bij ernstige ongeregeldheden snel in te grijpen en deze ondernemers te beschermen?
Bent u bekend met de recente maatregelen van de Italiaanse regering tegen gewelddadige rellen, waaronder hogere straffen, het preventief kunnen vasthouden van jongeren tussen de 14 en 17 jaar, het aansprakelijk stellen van ouders voor vernielingen door hun kinderen en de inzet van militairen ter bescherming van kwetsbare locaties, en hoe beoordeelt u deze maatregelen in de Nederlandse context?
Welke mogelijkheden bestaan er in Nederland om personen van wie op basis van concrete aanwijzingen wordt verwacht dat zij geweld of vernielingen willen plegen, voorafgaand aan een demonstratie tegen te houden, aan te houden of een gebiedsverbod op te leggen, en acht u deze bevoegdheden voldoende?
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende preventieve bevoegdheden, naar voorbeeld van Italië, noodzakelijk zijn om personen die aantoonbaar uit zijn op geweld al vóór het uitbreken van rellen effectief te kunnen aanpakken, en zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de inzet van plaatselijke avondklokken in Frankrijk om verdere rellen en plunderingen te voorkomen, en ziet u dergelijke tijdelijke maatregelen ook als een mogelijkheid om mogelijke ernstige ongeregeldheden te voorkomen – en niet enkel als maatregel achteraf?
Klopt het dat burgemeesters op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet bij ernstige vrees voor grootschalige wanordelijkheden al preventief tijdelijke gebiedsgebonden uitgaansverboden kunnen instellen, en welke juridische beperkingen gelden daarbij voor het specifiek richten van dergelijke maatregelen op groepen die een aantoonbaar risico vormen voor de openbare orde?
Acht u de bestaande bevoegdheden voldoende om bij concrete aanwijzingen voor georganiseerde rellen preventief op te treden tegen risicogroepen, bijvoorbeeld door tijdelijke gebiedsverboden, groepsverboden of uitgaansbeperkingen, en bent u bereid aanvullende wetgeving te overwegen als deze mogelijkheden tekortschieten (voor de toekomst)?
Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om te voorkomen dat vreedzame demonstraties worden misbruikt door personen die uit zijn op geweld, vernielingen of plunderingen, en bent u bereid hierover vóór 31 oktober concrete afspraken te maken met de betrokken autoriteiten?
Bent u bereid deze vragen, gezien de aangekondigde demonstratie op 31 oktober en de mogelijke risico’s voor de openbare orde, uiterlijk dinsdag 27 oktober 2026 te beantwoorden, zodat de Kamer tijdig kan beoordelen of voldoende maatregelen worden getroffen?
Het bericht ‘Hooggerechtshof Pakistan bevestigt doodstraf Pakistaanse christen wegens godslastering’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Hooggerechtshof Pakistan bevestigt doodstraf Pakistaanse christen wegens godslastering»?1
Welke juridische mogelijkheden staan na deze uitspraak nog verder open?
Bent u bereid om, zowel bilateraal als in EU-verband, aan te dringen op vrijlating van deze man en u in te spannen om hem in veiligheid te brengen?
Heeft u in beeld hoeveel mensen in Pakistan momenteel vanwege godslastering in de dodencel zitten? Wat is uw inzet om hen vrij te krijgen?
Welke betekenis heeft de recente rapportage van de Europese Commissie in het kader van de status van Generalized Scheme of Preferences Plus (GSP+) die geldt voor Pakistan, inclusief het gedeelte over de blasfemiewetgeving?2
Welke concrete maatregelen worden van Pakistan op het gebied van mensenrechten verwacht, binnen welke termijn moeten deze worden genomen en welke consequenties volgen er als deze maatregelen zullen uitblijven? Zijn effectieve maatregelen van Pakistan tegen het misbruik van blasfemiewetgeving voorwaardelijk voor de voortzetting van de GSP+-status?
Bent u bereid om, mede in het licht van de rapportage van de Europese Commissie, het misbruik van blasfemiewetgeving in Pakistan aan te kaarten bij de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken? Zo ja, wat is uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Het vergroten van de doelmatigheid van de doorbraakmiddelen uit het AZWA en het voorkomen van ongewenste marktverstorende effecten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen uit het veld over onbedoelde concurrentie tussen subsidiegedreven projecten en ondernemers als gevolg van verstrekte IZA-subsidies, bijvoorbeeld in het digitale zorgdomein? Zo nee, bent u bereid om hier proactief onderzoek naar te doen?
Is er bij het verstrekken van IZA-middelen actief gekeken naar bestaande oplossingen van bijvoorbeeld private partijen of zorgorganisaties, om terughoudendheid bij het verstrekken van subsidies in die situaties te bevorderen? Zo ja, kunt u een toelichting geven op hoe dit is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Welke lessen heeft u getrokken op het gebied van doelmatigheid en transparante en eerlijke concurrentie uit de evaluatie van het Integraal Zorgakkoord (IZA)? Hoe worden deze lessen geborgd bij het verstrekken van subsidies uit de doorbraakmiddelen van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)?
Bent u bereid om een marktscan in te bouwen bij het verstrekken van de doorbraakmiddelen uit het AZWA om ongewenste concurrentie met al bestaande toepassingen te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u deze vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten op welke wijze er een gelijk speelveld wordt geborgd tussen publieke en private spelers bij het toekennen van specifieke doorbraakmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in de toekomst alternatieve publiek-private routes te verkennen om te bezien hoe de samenwerking tussen de zorgsector en het bedrijfsleven structureel geborgd kan worden om in gezamenlijkheid de grote transitieopgaven het hoofd te bieden? Bent u daarbij ook bereid om te kijken naar andere financieringsconstructies zoals het benutten van de nog op te richten Nationale Investeringsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten wie verantwoordelijk is voor het toetsen van mogelijke marktverstorende effecten bij het toekennen van de doorbraakmiddelen uit het AZWA? Op welke wijze wordt geborgd dat deze beoordeling onafhankelijk van de betrokken zorgverzekeraars en zorgaanbieders plaatsvindt? Bent u bereid om hier een onafhankelijke toets voor in te richten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om als voorwaarde voor het toekennen van doorbraakmiddelen uit het AZWA te stellen dat aanvragers aantoonbaar hebben onderzocht welke bestaande toepassingen al op de markt beschikbaar zijn? En ook waarom het ontwikkelen of financieren van een alternatief doelmatiger zou zijn dan het inkopen danwel opschalen van deze toepassingen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een procedure in te richten waarmee private partijen mogelijke marktverstorende effecten van de inzet van IZA- en AZWA-middelen kunnen melden? En ook het onafhankelijk kunnen laten beoordelen? Bent u daarbij ook bereid om te bezien onder welke omstandigheden de al toegekende middelen kunnen worden bijgestuurd of stopgezet wanneer sprake blijkt van ongewenste marktverstoring? Zo nee, waarom niet?
Het offline halen van belangrijke websites door een cyberkwetsbaarheid |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Kunt u reageren op het nieuws dat verschillende overheidswebsites offline zijn gehaald vanwege het risico op hacks?1
Welke websites van de overheid en belangrijke instanties zijn (tijdelijk) offline gehaald? Welke gevolgen heeft dit (gehad) voor burgers en organisaties?
Wat gaat u doen om problemen die ontstaan als gevolg van het (tijdelijk) offline halen van deze websites op te lossen? Bij welke belangrijke processen, zoals inloggen met DigiD of het maken van een online afspraak, is hier mogelijk sprake van?
Wanneer waren de kwetsbaarheden bekend?2 Hoeveel tijd zat er tussen de ontdekking en het openbaar maken van deze informatie? Is er een aanleiding om te denken dat de kwetsbaarheid is misbruikt door hackers?
Hoe heeft u gereageerd om zo snel mogelijk het risico op hacks te voorkomen? Welke afstemming vindt er plaats om de reactie met alle getroffen overheden en bedrijven te coördineren?
Welke rol heeft het Nationaal Cyber Security Center (NCSC) in het ondersteunen van overheden en organisaties die wellicht dezelfde kwetsbare programmeertaal gebruiken, maar hier geen weet van hebben?
Hoe wordt actuele en belangrijke informatie met de juiste partijen gedeeld als de website van het NCSC zelf ook offline is gehaald? Waar kunnen burgers en organisaties betrouwbare informatie in dit geval vinden?
Ligt er een plan klaar voor het tijdig beschermen van belangrijke websites en instanties zodra een dergelijke kwetsbaarheid wordt gevonden? Zo ja, wat is het beleid hiervoor?
Ziet u, gezien het groeiende aantal kwetsbaarheden, storingen en cyberaanvallen, aanleiding om bestaande wetten en beleid aan te scherpen? Zo ja, wat moet aangepast worden en op welke termijn gaat u hier voorstellen voor doen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De Franse staatsschuld en de risico’s voor financiële stabiliteit in het eurogebied |
|
Erik van der Maas (VVD), Inge van Dijk (CDA), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u in kaart brengen hoe de Franse staatsschuld, de rente op staatsobligaties en de spread met Duitse obligaties de afgelopen jaren zijn gestegen?
Via welke kanalen kunnen bovenstaande ontwikkelingen effect hebben op de Nederlandse economie en de financiële markten? Welke effecten zijn hiervan momenteel al zichtbaar?
Is er momenteel sprake van een sovereign-bank nexus, waarbij Franse banken blootgesteld zijn aan Franse staatsobligaties? In hoeverre zijn de effecten hiervan nu al zichtbaar, en wat laten de meest recente stresstesten zien?
Hoe kijkt u naar de bovengenoemde risico’s voor de situatie in Italië, waar de staatsschuld en rente op staatsobligaties ook blijft oplopen?
Met welke andere scenario’s houdt u rekening voor de gevolgen voor het eurogebied en Nederland, gegeven het feit dat Frankrijk de op één na grootste economie van de Europese Unie is? Kunt u daarbij in ieder geval ingaan op de wisselkoers van de euro, de gevolgen voor financiële stabiliteit en de bredere macro-economische effecten?
In hoeverre verschilt de situatie nu met de situatie van Griekenland tussen 2012 en 2015?
Het grootste Nederlandse pensioenfonds ABP gaf recent het belang van Franse staatsobligaties in haar portefeuille af te bouwen. Zijn er signalen van meer Nederlandse beleggers die hun afhankelijkheden van Frankrijk momenteel afbouwen?
Kunt u toelichten welke mogelijkheden voor hervormingen u ziet om de Franse staatsschuld te stabiliseren en de financiële markten te kalmeren?
Kun u beschrijven hoe de EU en Eurogroep een actieve rol kunnen spelen in de noodzakelijke Franse economische hervormingen? Welke instrumenten zijn er om druk te zetten op Frankrijk bij de verschillende Europese instellingen? En waar zitten juist risico’s omdat handelingsperspectief (nog) ontbreekt? Welke concrete stappen gaat u de komende tijd nemen om bij te dragen aan dit proces?
Hoe zorgelijk is het dat Italië het ESM-verdrag tot op heden nog niet heeft geratificeerd? Welke stappen zijn er nodig om dit op korte termijn voor elkaar te krijgen?
Hoe kijkt u naar de recente speculaties over het mogelijke ingrijpen van de ECB om Frankrijk te ondersteunen, bijvoorbeeld door TPI in te zetten of de verkoop van staatsobligaties uit eerdere aankoopprogramma’s te pauzeren? Welke concrete stappen gaat u de komende tijd zetten om te voorkomen dat de ECB haar geloofwaardigheid verliest door in te grijpen, en om hervormingen af te dwingen via marktprikkels (hogere rentes)?
Kunt u reflecteren op hoe marktwerking – hervorming van begroting onder druk van oplopende rentes op staatsobligaties – zou moeten functioneren in het eurogebied? Hoe kijkt u daarbij naar de verstorende rol van hedgefunds, die profiteren van hogere yields op Franse staatsobligaties in zogenaamde «carry trades» en daarbij heftige koersschommelingen veroorzaken?1 Welke maatregelen zijn denkbaar om dit speculatiegedrag van hedgefunds te mitigeren?
Kunt u de Kamer regelmatig informeren over de economische en financiële risico’s van de situatie in het eurogebied?
Mogelijke afvalwaterinjecties door de NAM in Rossum (gemeente Dinkelland) |
|
Hanneke Steen (CDA), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dinkelland krijgt bericht van de NAM: nieuwe vergunningen aangevraagd voor injectieputten in Rossum»?1
Klopt het dat de NAM een nieuwe vergunningaanvraag heeft ingediend? Zo ja, wat is de precieze reikwijdte van deze aanvraag en binnen welke termijn moet hierover een besluit worden genomen?
Kunt u precies aangeven welke onderdelen van het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) voor Rossum-Weerselo-2 worden geactualiseerd en waarom deze wijzigingen nodig zijn?
Begrijpt u dat deze vergunningaanvraag voor afvalwaterinjectie wederom voor onrust onder bewoners zorgt? In hoeverre is deze vergunningaanvraag van de NAM volgens u verenigbaar met eerdere toezeggingen van het Rijk aan de gemeente Dinkelland en haar inwoners over het beëindigen van afvalwaterinjecties en de definitieve verwijdering van de putten?
Welke concrete noodsituaties zouden een nieuwe inzet van deze putten kunnen rechtvaardigen, aan welke voorwaarden zou in dat geval moeten worden voldaan en wie beslist daarover? Hoe verhoudt een eventuele inzet van deze reserveputten zich tot het uitgangspunt van definitieve verwijdering van de putten? Is dat nog steeds het uitgangspunt?
Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot de beschikbare en benodigde injectiecapaciteit in Schoonebeek? In hoeverre is deze capaciteit toereikend en welke alternatieven worden overwogen indien de beschikbare capaciteit ontoereikend is? Welke rol spelen de putten in Rossum daarbij?
Hoe worden de gemeente Dinkelland en haar inwoners geïnformeerd en betrokken bij de vergunningaanvraag van de NAM? Welke mogelijkheden hebben omwonenden om hun zorgen kenbaar te maken voordat een besluit wordt genomen?
Bent u bereid om, voordat een besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen, in ieder geval met de gemeente Dinkelland en omwonenden in gesprek te gaan over de aanvraag, de mogelijke inzet van de reserveputten en de verhouding tot eerdere toezeggingen van het Rijk? Zo nee, waarom niet?
Ambulancezorg in en tussen grensregio’s |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Als de ambulance niet over de grens naar het ziekenhuis mag: «Soms verlies je kostbare tijd, met alle risico’s van dien voor de patiënt»»?1
Welke juridische, bestuurlijke en financiële knelpunten staan de aanpassing van de Benelux-regelgeving voor grensoverschrijdende ambulancezorg nog in de weg? Welke concrete stappen zijn nodig om deze op te lossen?
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot het advies van het Schakelpunt Grensbelemmeringen uit juli 2025 om de Benelux-beschikking aan te passen? Welke stappen zijn sindsdien gezet en welke partijen moeten nog instemmen voordat de wijziging in werking kan treden?
Welke gevolgen heeft de voorgestelde aanpassing van de Benelux-beschikking voor de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van Nederlandse en Belgische ambulancediensten en meldkamers? Wat zou dit betekenen voor eventuele aansprakelijkheid?
Welke afspraken zijn nog nodig over de vergoeding van ziekenhuiszorg wanneer een Belgische ambulance een patiënt naar Nederland brengt? Welke stappen zet u om hierover met België tot overeenstemming te komen?
Hoe wordt bij de aanpassing van de Benelux-beschikking gewaarborgd dat Belgische ambulances patiënten daadwerkelijk naar het meest geschikte ziekenhuis kunnen vervoeren, waarbij de medische noodzaak, de reistijd en de benodigde specialistische zorg leidend zijn?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Benelux verdere afspraken te maken om grensoverschrijdende ambulancezorg eenvoudiger te organiseren? Welke juridische of praktische belemmeringen kunnen hiermee worden weggenomen?
Wat is de stand van zaken bij het oplossen van knelpunten in het grensoverschrijdend ambulancevervoer tussen Nederland en Duitsland? Welke belemmeringen bestaan er nog op het gebied van bevoegdheden, kosten, privacy en aansprakelijkheid?
Welke mogelijkheden ziet u om de samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse hulpdiensten binnen de Euregio Maas-Rijn verder te verbeteren?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie afspraken te maken die grensoverschrijdende zorg eenvoudiger maken? Op welke terreinen kan Europese samenwerking helpen om belemmeringen door verschillen in nationale wet- en regelgeving weg te nemen?
Hoe wordt grensoverschrijdende ambulancezorg in het kader van weerbare zorg meegenomen in het opschalingsplan voor grootschalige en langdurige crises, zodat ambulances en ziekenhuizen aan beide kanten van de grens bij een ramp als één netwerk kunnen samenwerken?
Het bericht ‘Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe de voedingsindustrie ruim baan krijgt om tegen Wet kindermarketing te lobbyen»?1
Wat is uw reactie op de conclusie van het artikel dat de voedselindustrie intensief betrokken is bij de Wet kindermarketing, terwijl gezondheidsorganisaties veel minder in de gelegenheid zijn en worden gesteld mee te praten?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten de voedselindustrie, in ieder geval de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en de Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie (VBZ), betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Klopt het dat de FNLI en de VBZ hebben kunnen meelezen en meedenken op concept-Kamerbrieven? Zo ja, op welke brieven en tot welke aanpassingen heeft dit geleid?
Kunt u precies aangeven hoe en op welke momenten andere net zo relevante maatschappelijke stemmen zoals de gezondheidsfondsen betrokken zijn (geweest) bij de totstandkoming van de Wet kindermarketing?
Deelt u de mening dat de voedselindustrie een groot belang heeft bij het zo min mogelijk reguleren van kindermarketing en dat het daarom des te belangrijker is dat ook stemmen die het gezondheidsbelang vertegenwoordigen betrokken worden? Zo ja, in hoeverre bent u van mening dat deze verschillende perspectieven voldoende zijn meegenomen?
Kunt u per geschrapte maatregel of marketingtechniek (algemene norm, antropomorfische afbeeldingen van dieren, fantasiefiguren, producten in de vorm van een dier, speelgoed gekoppeld aan het (verpakte) product en gebruik van de term «kind») aangeven waarom deze uit het wetsvoorstel is geschrapt en of hierover verschil van inzicht bestond tussen uw ambtenaren en de voedselindustrie?
Klopt het dat een interne jurist heeft gewaarschuwd dat uitzonderingen «juridisch kwetsbaar» zijn? Zo ja, kunt u deze overwegingen met de Kamer delen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van het grootste belang is dat de Wet kindermarketing er snel komt, gezien de toenemende problemen met overgewicht bij kinderen en de ineffectiviteit van vrijblijvende afspraken?
Deelt u de mening dat afzwakkingen van het wetsvoorstel niet in lijn zijn met het coalitieakkoord, waarin juist is afgesproken dat de wet die kindermarketing gaat reguleren aangescherpt wordt? Zo ja, hoe gaat u het coalitieakkoord uitvoeren?
Bent u bereid om er vanaf nu voor te zorgen dat zowel de voedselindustrie als gezondheidsorganisaties in gelijke mate betrokken worden bij de Wet kindermarketing?
Het bericht dat 1000 ASML-collega’s de Koning en de premier om hulp vragen om Omar Elshal terug te halen |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «1000 ASML-collega’s vragen Koning en premier om hulp om Omar terug te halen»?1
Wat is uw reactie op het verzoek om premier Jetten en de Koning een persoonlijke rol te laten spelen om op te komen voor de belangen van Omar Elshal?
Is de regering bereid, in lijn met de aangenomen motie waarin de regering wordt verzocht om de zaak van Omar Elshal op het hoogste diplomatieke en politieke niveau aan te kaarten bij de Egyptische regering (Kamerstuk 32 735, nr. 437), een mogelijkheid te creëren zodat premier Jetten de zaak van Omar Elshal persoonlijk bij de Egyptische autoriteiten kan aankaarten? Zo ja, wanneer zal premier Jetten dit doen? Zo nee, waarom niet?
Wat kunt u mededelen over de mogelijkheid dat de Koning in diplomatiek verband een persoonlijke rol kan spelen om de zaak van Omar Elshal op te brengen bij de Egyptische autoriteiten?
Heeft u in uw gesprek op 12 oktober 2026 met uw Egyptische collega de zaak van Omar Elshal opgebracht? Zo ja, wat heeft u opgebracht? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat er een nieuwe zitting gepland staat op 26 oktober? Zo ja, doet Nederland er alles aan om ervoor te zorgen dat er nu wel sprake is van ongehinderde toegang van Elshal tot zijn zitting en zal Nederlands ambassadepersoneel ter zitting aanwezig zijn om consulaire toegang te krijgen?
Heeft u reeds in Europees verband contact gehad over de zaak van Omar Elshal en kunt u aangeven of de vertegenwoordiging van de EU in Egypte de zaak van Elshal inmiddels ook opbrengt in de contacten die zij heeft met Egyptische autoriteiten?
Bent u bereid om, vanwege de zittingsdatum, deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?
Het artikel ‘Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van Smakelijke Reus in Schimmert naar DAF Space Cab»?1
Herkent u het signaal dat ondernemers bij financiële problemen of een faillissement ondersteuning vinden, maar dat die ondersteuning niet altijd voldoende gericht is op de situatie van ondernemers, zoals de verwevenheid van bedrijf met inkomen, identiteit, verantwoordelijkheid voor personeel, omvang van de schulden en verschil in positie van de vpb en ib-ondernemer?
Welke rol kan het Ministerie van Economische Zaken spelen om te voorkomen dat de ondernemers tussen de diverse dienstverlening zoals bedrijfseconomische ondersteuning, schuldhulpverlening en gezondheidszorg vallen?
Kunt u aangeven welke vorm van schuldhulpverlening er is voor een ondernemer met een BV (vpb-ondernemer)? Op welke wijze is dit georganiseerd?
Klopt het dat een vpb ondernemer eerst failliet moet gaan om in aanmerking te komen voor de reguliere schuldhulpverlening?
Welke landelijke voorzieningen bestaan momenteel specifiek voor ondernemers die als gevolg van financiële problemen, bedrijfsbeëindiging of faillissement ernstige mentale klachten of suïcidale gedachten ontwikkelen? Hoe worden ondernemers actief naar deze voorzieningen geleid?
De Kamer van Koophandel beschrijft op hun website dat er een ondersteuningsnetwerk is; wordt bijgehouden hoeveel ondernemers via de Kamer van Koophandel daadwerkelijk passende ondersteuning ontvangen en of zij na een doorverwijzing ook bij de juiste hulp terechtkomen? Zo ja, wat zijn de resultaten?
De ondernemer wijst in zijn verhaal dat er behoefte bestaat aan een eerstelijnsorganisatie voor ondernemers die is gericht op vroegsignalering, warme doorverwijzing en nazorg bij ondernemers in zwaar weer; hoe kijk u hierna? Bent u eventueel bereid om te onderzoeken wat de meerwaarde kan zijn van een aanspreekpunt specifiek voor ondernemers?
Het feit dat NS voornemens is de tickets en abonnement tot liefst 5% te verhogen in 2027 |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht1 «Treinkaartjes weer duurder: NS verhoogt prijs van een doorsnee kaartje met bijna 5 procent en lokt reiziger naar daluren» van De Telegraaf d.d. 20 oktober 2026?
Welke concrete maatregelen hebben u en de NS het afgelopen jaar genomen om deze nieuwe prijsverhoging te voorkomen of te beperken? Wat is de reden dat deze maatregelen kennelijk onvoldoende bleken?
Kunt u inzichtelijk maken hoe de aangekondigde prijsverhoging van bijna 5 procent is opgebouwd en welk deel hiervan voortvloeit uit gestegen operationele kosten, inflatie en eerder gemaakte financiële afspraken?
Welke gevolgen verwacht u dat deze nieuwe prijsverhoging heeft voor het aantal treinreizigers? Heeft de NS onderzocht hoeveel reizigers door de aanhoudende prijsstijgingen mogelijk afhaken en kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Wat betekent deze prijsverhoging voor de concurrentiepositie van de NS ten opzichte van andere vervoersmiddelen, in het bijzonder de auto?
Deelt u de zorg dat de trein zichzelf door de steeds hogere tarieven voor een groeiende groep Nederlanders uit de markt prijst?
Deelt u de constatering dat de Kamer inmiddels vrijwel ieder jaar dezelfde vragen kan stellen over nieuwe prijsverhogingen, financiële tegenvallers en de toekomstbestendigheid van de NS? Vindt u het acceptabel dat er kennelijk nog altijd geen structurele oplossing is gevonden, en wanneer mogen reizigers eindelijk verbetering verwachten?
Erkent u dat de NS zich in een aanhoudende neerwaartse spiraal lijkt te bevinden, waarbij stijgende kosten leiden tot hogere tarieven, hogere tarieven reizigers kunnen afschrikken en teruglopende reizigersaantallen vervolgens weer druk zetten op de financiële positie van de NS? Welke concrete maatregelen gaat u nemen om deze ontwikkeling te doorbreken?
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van IenW?
Strafvermindering als gevolg van lange doorlooptijden in de strafrechtketen |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Druk op politie, OM en rechters leidt tot lagere straffen»?1 Wat is uw reactie op de geschetste problematiek en herkent u het beeld dat de toenemende druk op de strafrechtketen ertoe leidt dat veroordeelden strafvermindering krijgen vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
In hoeveel procent van de strafzaken wordt strafvermindering toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn? Kunt u hiervan cijfers over de afgelopen vijf jaar verstrekken? Als exacte cijfers ontbreken, kunt u dan een onderbouwde indicatie geven?
Wat is de gemiddelde strafvermindering die wordt toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn, zowel in absolute zin als procentueel ten opzichte van de straf die zonder termijnoverschrijding zou zijn opgelegd? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen verschillende soorten straffen?
Welk percentage van de strafzaken waarin strafvermindering wordt toegepast vanwege termijnoverschrijding betreft ernstige delicten, waaronder geweldsdelicten, zedendelicten, drugscriminaliteit en high impact crimes? Kunt u dit uitsplitsen naar delictcategorie?
Hoe beoordeelt u de stelling in het artikel dat de strafvermindering vanwege termijnoverschrijding in de regel beperkt is, gelet op de genoemde voorbeelden waarin aanzienlijke strafvermindering is toegepast, waaronder de zaak van een drugsdealer uit Helmond? Deelt u de opvatting dat dergelijke strafverminderingen moeilijk als beperkt kunnen worden aangemerkt?
In het artikel wordt gewezen op de toenemende complexiteit van strafzaken als verklaring voor de langere doorlooptijden; waaruit bestaat deze toegenomen complexiteit precies? Welke factoren spelen hierin de grootste rol en in hoeverre dragen deze aantoonbaar bij aan de langere doorlooptijden?
Ziet u mogelijkheden om door een gerichtere inzet van enkelvoudige strafkamers, in plaats van meervoudige strafkamers, de beschikbare zittingscapaciteit efficiënter te benutten en daarmee de doorlooptijden te verkorten? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om digitale of online strafzittingen vaker in te zetten om de beschikbare zittingscapaciteit efficiënter te benutten en de doorlooptijden te verkorten, met behoud van de rechten van verdachten en slachtoffers? Zo ja, welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Welke andere concrete efficiencymaatregelen ziet u om de doorlooptijden binnen de strafrechtketen terug te dringen? Welke maatregelen worden momenteel al uitgevoerd, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk en welk tijdpad hanteert u daarbij?
Deelt u de opvatting dat het bijzonder onwenselijk is wanneer daders van ernstige criminaliteit, waaronder geweldsdelicten, zedendelicten, drugscriminaliteit en high impact crimes, strafvermindering krijgen doordat de strafrechtketen onvoldoende in staat is hun zaken tijdig af te handelen? Bent u bereid met de betrokken ketenpartners concrete afspraken te maken om termijnoverschrijdingen in deze zaken met voorrang te voorkomen, zodat strafvermindering vanwege lange doorlooptijden zo veel mogelijk wordt tegengegaan? Zo ja, welke afspraken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?