Ernstig dierenleed bij transporten van honderdduizenden zieke en kwetsbare biggetjes naar Zuid-Europa |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Nieuwsuur gezien en de beelden die zijn gemaakt door Stichting Eyes on Animals, waarin transporten van zieke en kwetsbare biggetjes van Nederland naar Zuid-Europa zijn gevolgd – een lot dat jaarlijks honderdduizenden biggetjes moeten ondergaan alleen maar omdat het goedkoper is om de dieren daar te slachten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beelden?
De NVWA onderzoekt de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Wat vindt u ervan dat kwetsbare biggetjes met afwijkingen, zoals breuken, groeiproblemen, aangebeten oren of abcessen, vanwege economische belangen op jonge leeftijd op transport worden gezet naar slachthuizen in Kroatië, Italië en Spanje?
Het betreft hier biggen die door een bepaalde afwijking niet grootgebracht kunnen worden tot vleesvarken. Zolang deze biggen geschikt zijn voor het geplande transport, mogen ze naar een slachthuis vervoerd worden. Die transporten volgen vraag en aanbod. In Nederland is er weinig tot geen vraag naar dit soort biggen, die worden hier nauwelijks tot niet gegeten. Daarom gaan deze biggen naar slachthuizen in het buitenland, waar er wel vraag is naar deze dieren.
Bent u ermee bekend dat deze transporten 18 tot 24 uur duren, de zieke en kwetsbare biggetjes gedurende de hele reis in overvolle vrachtwagens verblijven en geen toegang hebben tot voedsel en geen of zeer beperkte toegang tot water?
Ik ben ermee bekend dat in de praktijk gespeende biggen, mits zwaarder dan 10 kg, 18 tot 24 uur vervoerd worden. Dergelijke lange transporten van varkens, waaronder ook biggen, zijn op basis van de EU-Transportverordening toegestaan. Alle biggen moeten geschikt zijn voor het voorgenomen transport. Na een transporttijd van 24 uur moeten ze worden uitgeladen op een controlepost waar ze eten, drinken en minimaal 24 uur rust krijgen. Daarna mogen ze opnieuw 24 uur getransporteerd worden. Deze cyclus mag volgens EU-verordening 2020/688 (diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de EU van landdieren) maximaal 20 dagen duren. Het is wettelijk verplicht dat biggen tijdens transport voortdurend toegang hebben tot water via een geschikt drinkwatersysteem. Tijdens het vervoer moeten alle biggen ten minste gelijktijdig kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding kunnen staan. Varkenshouders, exploitanten van verzamelcentra en vervoerders zijn wettelijk verplicht deze regels na te leven. De NVWA houdt hier toezicht op.
Heeft u ervan kennisgenomen dat de onderzoekers van Eyes on Animals hebben waargenomen dat biggetjes in de vrachtwagens wanhopig naar water zoeken, zoveel honger hebben dat ze het zaagsel eten en over elkaar heen lopen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben bekend met de inhoud van de publicaties van Eyes on Animals. Biggen horen tijdens het transport voortdurend de toegang te hebben tot water via drinkwatersystemen die voor hen toegankelijk zijn. Op de beelden is te zien dat de biggen niet goed uit het beschikbare drinksysteem lijken te kunnen drinken ondanks dat het systeem toegankelijk is voor de dieren. Het wroeten in en het eten van zaagsel is niet per definitie een indicator dat de biggen honger hebben. Dit past ook bij normaal, onderzoekend gedrag van varkens. Op sommige beelden is verder te zien dat biggen dicht op elkaar liggen. Voor een deel is dit natuurlijk gedrag van varkens. Aan de hand van de beelden kan onvoldoende vastgesteld worden of alle dieren gelijktijdig konden gaan liggen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af om te bepalen of nog extra maatregelen nodig zijn.
Bent u ermee bekend dat de voorzitter van de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) in reactie op de beelden liet weten «niets schokkends» te hebben gezien?
Ik heb de reactie van de voorzitter van de POV gezien.
Heeft u kennisgenomen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) juist stelt dat op de beelden overtredingen te zien zijn, zoals dat varkens met grote abcessen in overvolle transportwagens worden getransporteerd, met het risico dat andere varkens op deze abcessen trappen of liggen, wat voor het dier zelf zeer pijnlijk is?
Ik heb kennisgenomen dat de NVWA stelt dat op de beelden biggen te zien zijn met ernstige navelbreuken die niet vervoerd hadden mogen worden. Het onderzoek naar de beelden loopt nog. De NVWA bekijkt hoe ze passend maatregelen kan nemen.
Hoe verklaart u dat de varkenssector zelf zegt niets schokkends op de beelden te zien en daarmee aangeeft dat de praktijken op deze beelden normaal zijn, terwijl de NVWA juist aangeeft dat er sprake is van overtredingen van de transportwetgeving?
Het is niet aan mij om de reactie van de sector te interpreteren.
Bent u bereid om de varkenssector te corrigeren en erop te wijzen dat er wel degelijk schokkende en onacceptabele praktijken te zien zijn op de beelden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van de sector dat zij zich aan de geldende wet- en regelgeving houdt. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 onderzoekt de NVWA de beelden. Dit onderzoek loopt nog. Ik wacht de resultaten van dit onderzoek af.
Heeft u gezien dat de NVWA, vanwege gebrek aan capaciteit, de varkenssector zelf heeft gevraagd om een goede voorselectie te doen van de biggen die op transport worden gezet?
De sector is verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorselectie van dieren voorafgaand aan deze transporten. Daarover heeft de NVWA met ondersteuning van mijn departement heldere afspraken gemaakt met verschillende brancheorganisaties, die zijn vastgelegd in het sectorprotocol transportwaardigheid. Ik verwacht dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Waar dat niet gebeurt, grijpt de NVWA in. Bijvoorbeeld door een nieuwe voorselectie te eisen of door geen gezondheidscertificaat af te geven voor dieren die niet goed zijn voorgeselecteerd. Deze afspraken zijn niet gemaakt vanwege gebrek aan capaciteit bij de NVWA.
Vindt u dit een verstandig besluit, aangezien de sector zelf aangeeft van mening te zijn dat dit dierenleed niet schokkend is, en dit weinig vertrouwen schept dat zij zelf streng zullen toezien op dierenwelzijn?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven welke sancties of maatregelen de NVWA heeft opgelegd aan de transportbedrijven en varkenshouderijen naar aanleiding van de overtredingen die in beeld zijn gebracht door Eyes on Animals?
Het onderzoek van de NVWA loopt op dit moment nog dus kan ik niet vooruitlopen op mogelijke uitkomsten.
Hoe verklaart u dat ondanks het toezicht en de regelmatige berichtgeving over het structurele dierenleed bij diertransporten, ernstige overtredingen blijven plaatsvinden?
Zoals hierboven aangegeven, staat de huidige wet- en regelgeving lange transporten van levende dieren toe. Dit soort transporten zijn uitdagend voor de dieren die ze ondergaan. Bij het werken met levende dieren, kunnen zaken anders lopen dan van tevoren ingeschat. Ondernemers, zoals vervoerders, maar ook medewerkers bij verzamelcentra hebben daarbij de verantwoordelijkheid om – conform de regelgeving – met respect met dieren om te gaan en ervoor te zorgen dat pijn en onnodig lijden wordt voorkomen. De sector is dus aan zet om ervoor te zorgen dat dierenleed bij vervoer niet voorkomt. Tegelijkertijd houdt de NVWA risicogericht toezicht en grijpt in op het moment dat overtredingen worden vastgesteld.
Bent u bereid om de omvang van de varkenssector aan te passen op de toezichtcapaciteit van de NVWA, zodat de NVWA wel ordentelijk toezicht kan houden op het welzijn van dieren en daarmee kan voorkomen dat dit ernstige lijden blijft plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. De reden hiervoor staat in mijn antwoord op vraag 13.
Wat vindt u ervan dat Nederland actief een systeem in stand houdt waarin jonge dieren die ziek en kwetsbaar zijn honderden of zelfs duizenden kilometers worden vervoerd om te worden geslacht in andere landen omdat dit daar iets goedkoper is, met grote gevolgen voor het welzijn van de dieren zelf?
Lang transport van dieren – waaronder ook van deze biggen – is toegestaan volgens de Europese Transportverordening. Het betreft hier EU-regels waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. Wat Nederland doet, is zich bij de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening inzetten conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112 nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de Kamer de regering al jarenlang oproept om diertransporten drastisch in te perken, waaronder een verbod op transporten die langer dan zes uur duren, een forse daling van het aantal diertransporten, geen diertransporten naar landen buiten Europa, een verlaging van de maximumtemperatuur en een einde aan transporten op zee (Kamerstuk 36 755, nr. 31, Kamerstuk 28 286, nr. 1348, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507)?
Ja.
Klopt het dat het hoogst onzeker is dat de herziening van de Europese Transportverordening gaat voldoen aan de kaders die zijn gesteld door de Kamer, zoals verwoord in deze verschillende aangenomen moties, en dieren op transport naar verwachting ernstig zullen blijven lijden?
De onderhandelingen aangaande de herziening van de transportverordening zijn in volle gang. Het krachtenveld is echter zeer uitdagend, met een meerderheid van de lidstaten die vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Ik zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het inderdaad hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.
Bent u bereid om deze beelden persoonlijk aan de Europese Commissie en de landbouwministers van andere lidstaten te laten zien met daarbij de klemmende oproep om dergelijke transporten te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 17.
Deelt u de mening dat het de taak is van de Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn om maatregelen te treffen als blijkt dat dieren in de veehouderij structureel lijden en de huidige wetgeving en handhaving onvoldoende is om hier een einde aan te maken? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van gehouden dieren ligt bij de houder van het dier. De wetgeving hierin is al duidelijk; dieren die je houdt, moet je met respect behandelen. Als dit niet gebeurt, is het in de eerste plaats aan de houders van dieren en de sector in zijn geheel om maatregelen te treffen om zich aan de wet te houden. Ik verwacht dit ook van de sector en spreek ze hierop aan waar nodig.
Wat gaat u zelf op de korte termijn doen om een einde te maken aan het lijden van deze biggetjes, aangezien we weten dat wachten op wetgeving vanuit de Europese Unie naar alle waarschijnlijkheid niet gaat leiden tot een fatsoenlijke bescherming van dieren en een einde aan dit structurele leed?
Zoals aangegeven op mijn antwoord op vraag 15 is lang transport van dieren toegestaan volgens de EU-Transportverordening. Het betreft hier Europese regels, waarbij het niet mogelijk is om strengere regels te stellen aan het transport van biggen naar Kroatië. De Nederlandse inzet bij de herziening van de transportverordening is helder: alleen kort transport (<9 uur) voor kwetsbare dieren en slachtdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen één voor één beantwoord.
De walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de walvisjacht van Fuglafjørður, zoals gedocumenteerd door Sea Shepherd, waarbij 285 grienden van 300–400 dieren werden gedood, wat leidt tot een totaal van 992 gedode walvisachtigen op de Faeröer-eilanden in 2025?1 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Ik betreur de jacht die in september heeft plaatsgevonden ten zeerste en ben van mening dat deze jaarlijkse jacht niet acceptabel is.
Kunt u bevestigen dat walvis- en dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas (ASCOBANS), waarin de Faeröer eilanden geen partij zijn, maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Het ASCOBANS beschermings- en beheerplan dat als annex is toegevoegd aan de tekst van de Overeenkomst zegt: «de Partijen zullen streven naar het instellen van (a) het verbod onder nationale wetgeving om het opzettelijk nemen en doden van kleine walvisachtigen waar dit niet al in werking is, en (b) de verplichting tot directe vrijlating van elk dier dat levend en in goede gezondheid gevangen is. Maatregelen om deze regels te handhaven zullen op nationaal niveau worden uitgewerkt.»
De Faeröer-eilanden zijn Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. Lidstaten hebben een eigen verantwoordelijkheid om bij traditionele evenementen op een juiste wijze om te gaan met dieren. Als autonoom onderdeel van het Koninkrijk Denemarken zijn de Faeröer-eilanden zelf verantwoordelijk voor het beheer van hun natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de jacht op walvisachtigen.
De Faeröer-eilanden liggen weliswaar buiten het ASCOBANS gebied, het betreft echter wel dezelfde populaties als uit het ASCOBANS-gebied. Daarom zijn er, op verzoek van de ASCOBANS Adviescommissie, waar Nederland vicevoorzitter van is, meerdere brieven gestuurd aan de Faeröerse overheid om met de oproep om te stoppen met deze jacht. In reactie op de meest recente brief van 16 november 2023, stuurde de Faeröerse overheid 26 augustus 2024 een brief met een informatief memo waarin zij aangeven dat de jacht op grienden en witflankdolfijnen onderhevig is aan een wetenschappelijke beoordeling over de toestand van de populaties en dat quota worden bepaald aan de hand van die beoordelingen. Deze beoordelingen worden uitgevoerd en periodiek herzien in het kader van de Noordoost-Atlantische Zeezoogdieren Commissie (NAMMCO). In 2025 zou een nieuwe beoordeling worden gedaan, die tellingen uit 2015 en 2024 meeneemt. Dit proces wordt nauwkeurig gevolgd door zowel de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) als ASCOBANS.
Bent u bereid Denemarken er op aan te spreken dat deze jachten strijdig zijn met internationale afspraken over de bescherming van walvisachtigen, en te verzoeken dat Denemarken maatregelen neemt om een einde te maken aan de Grindadráp? Zo nee, waarom niet?
In 2021 heeft de Nederlandse ambassadeur in Denemarken hier meerdere gesprekken over gevoerd met de Faeröerse vertegenwoordigers. Tijdens deze gesprekken is de boodschap overgebracht dat Nederland deze jacht niet acceptabel vindt. Als reactie hierop is door de Faeröerse vertegenwoordigers duidelijk gemaakt dat zij zich zeer bewust zijn van de internationale kritiek, maar hebben zij ook aangegeven dat zij handelen binnen de kaders van internationale afspraken en dat de meerderheid van de Faeröerse bevolking op dit moment geen voorstander is van een verbod. Dit zou op termijn kunnen veranderen, omdat de jongere generatie minder waarde hecht aan de traditionele jacht. Nederland zal waar opportuun blijven pleiten voor een totaalverbod op de jacht.
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnen- en walvisslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 ook aangegeven, zijn de Faeröer-eilanden Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. De Faeröer eilanden vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Nederland heeft in 2021 wel, samen met een aantal andere lidstaten en de Europese Commissie, het initiatief genomen om vanuit de Europese Raadswerkgroep voor de walvisjacht een statement te sturen naar de Faeröerse overheid. Dit statement was een reactie op de uitzonderlijk grote slachting van witflankdolfijnen in september 2021. In navolging hierop is dit statement aan alle IWC Verdragspartijen gestuurd en op de IWC website gepubliceerd2. Dit statement veroordeelt de jacht, roept op om deze te stoppen en vraagt om een grondig onderzoek naar deze casus en vraagt daarbij ook om een bredere evaluatie van alle jacht op walvisachtigen. In reactie op onder andere dit statement, heeft de wetenschappelijke commissie van de IWC hun aanbeveling herhaald dat er geen levende vangsten of oogst van kleine walvisachtigen mogen worden goedgekeurd totdat een volledige beoordeling van de status van de soort is gemaakt. Ook sprak de wetenschappelijk commissie van de IWC haar zorg uit over de hoge aantallen gedode witflankdolfijnen. Juist voor deze soort werken de IWC en ASCOBANS samen om de bedreigingen voor de populatie beter in beeld te brengen.
Hoe ziet u de rol van Nederland in het internationaal bevorderen van de bescherming van walvisachtigen, bijvoorbeeld via de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) en binnen de Verenigde Naties, in het licht van deze recente gebeurtenissen?
Zie ook mijn antwoord op vragen 2 en 4. Nederland is actief lid binnen de International Whaling Commission (IWC) en de Overeenkomst ter bescherming van kleine walvisachtigen in de Noordzee, Oostzee en Noordoost-Atlantische Oceaan (ASCOBANS). Nederland is groot voorstander van de bescherming van alle walvisachtigen en zal zich daar voor blijven inzetten.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het volgende overleg met Denemarken en/of binnen de EU over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal dit punt blijven agenderen in de bilaterale gesprekken met Faeröerse overheid en in internationale fora. Aangezien dit in lijn zal zijn met voorgenoemde standpunten, zie ik geen noodzaak om de Kamer nogmaals te informeren.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk optreden tegen de walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden, bijvoorbeeld door de kwestie te agenderen bij de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft mijn voorganger dit actief bepleit in de Raadswerkgroep voor de walvisjacht. Dit zal ik blijven doen in die Raadswerkgroep, die daar het meest geëigende forum voor is.
De economische impact van extra defensie-uitgaven volgens het Centraal Planbureau (CPB). |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel – op basis van onderzoek van het CPB – over de beperkte economische impact van extra defensie-uitgaven?1
Ja, Defensie is bekend met het artikel en de studie van het CPB waarover deze rapporteert.
Hoe beoordeelt u het CPB-onderzoek dat de meeste defensie-investeringen geen economische groei in Nederland zullen opleveren?
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Als gevolg van de toenemende dreigingen in Nederland en Europa, groeide de Nederlandse Defensie-industrie tussen 2022 en 2023 fors van 5,7 naar 7,7 miljard. Defensie zet momenteel stappen op veel van de punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–2029 zet Defensie in op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en daarmee ook op de opschaling van deze industrieën. Ook draagt Defensie positief bij aan lokale economieën rond defensielocaties en regio’s met innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische spill-over effecten zal leiden, bijvoorbeeld voor lokale ondernemers.
Defensie vindt het van groot belang dat er vanuit verschillende invalshoeken wordt nagedacht over de optimale koers van het beleid en volgt publicaties zoals deze daarom nauwlettend. In de tweede helft van 2026 wordt de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-Industrie gepresenteerd. Dit betreft een advies over de opgave omtrent de opschaling van de defensie-industrie. Daarin wordt ook gekeken naar economische effecten van uitgaven aan Defensie, de resultaten van o.a. dit CPB-rapport worden daarin meegenomen.2
Wat is uw plan om te voorkomen dat extra investeringen slechts zullen leiden tot een budget-stapeling zonder operationele verbetering?
De Defensienota 2024 geeft inzicht in de investeringen die nodig zijn om de krijgsmacht de komende jaren te versterken.3 Defensie versterkt zowel de gevechtskracht die nodig is om een groot conflict te voorkomen en zo nodig te kunnen voeren en winnen, als ondersteunende capaciteiten om inzet lang vol te houden. Hierbij is het van belang dat Defensie beschikt over het juiste personeel. Daarom richten investeringen zich ook op mensen en goed werkgeverschap om de organisatie te laten groeien en schaalbaar te maken.
De Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) benadrukt het belang van het opschalen van de defensie-industrie in Nederland en Europa. Dit stelt Defensie beter in staat om de bestaande behoeften in te vullen. Dit betekent meer investeren in het vergroten van de productie- en leveringszekerheid, waarbij meer uitgaven aan Defensie ook moeten bijdragen aan het versterken van de eigen economie. Defensie gaat extra investeren in de 5 NLD gebieden (kwantum, slimme materialen, intelligente systemen, ruimtevaarttechnologie, sensoren) en in de maritieme maakindustrie. Deze technologische gebieden zijn gebaseerd op de behoeften van de krijgsmacht en de (potentiële) sterktes van de Nederlandse economie. Deze technologische focusgebieden zijn niet alleen voor Defensie van belang, maar brengen ook zogeheten spill-over effecten naar de bredere economie met zich mee en dragen bij aan de Nederlandse kenniseconomie.
Waarom kiest het kabinet ervoor om Nederlandse investeringsuitgaven grootschalig te besteden in het buitenland?
Zoals hierboven genoemd, zet Defensie met de D-SII in op industrieversterkend inkopen in Nederland, en daarmee ook op de opschaling van Nederlandse industrieën. Dit draagt bij aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische effecten kan leiden. Defensie schat hierbij in dat Nederland een significante bijdrage kan leveren aan de Europese veiligheid door te investeren in technologieën met een sterk dual-use karakter, zoals drones of slimme materialen. Defensie speelt in op economische sterktes van Nederland, creëert daarmee kansen voor aangrenzende industrieën en jaagt daarmee innovatie en groei in bestaande ecosystemen aan. Daarnaast werkt Defensie hard aan vraagbundeling binnen Europa om schaalvoordelen te realiseren en de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken.
Wanneer Defensie materieel importeert wordt ingezet op Industriële Participatie, wat inhoudt dat Defensie met buitenlandse leveranciers afspreekt dat de Nederlandse industrie of kennispartners bij orders wordt betrokken. Het Ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het Industrieel Participatiebeleid. Zij maakt afspraken met buitenlandse leveranciers om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen onder andere bij orders te betrekken. Zo zijn in het kader van de aanschaf van onderzeeboten afspraken met de leverancier gemaakt die er mede voor zorgen dat tijdens de productiefase ruim € 1 miljard aan opdrachten bij de Nederlandse industrie terechtkomt.4 Ook bij andere aanschaftrajecten wordt participatie van de Nederlandse industrie verzekerd, zo verkrijgt de Nederlandse industrie op jaarbasis opdrachten met een waarde van ruim € 200 miljoen in samenhang met de verwerving van de F-35.5
Defensie zet bij de inkoop meer in op single-source inkoop, door toepassing van WVEU 346, wat het mogelijk maakt gericht te sturen op de herkomst van producten. Daardoor kan snel en gericht in Nederland worden ingekocht. Met een Government-to-Government office en actieve business development werkt Defensie ook actief aan het aansporen van export door de Nederlandse industrie.
Bent u bereid een plan te ontwikkelen om de Nederlandse defensie-industrie te versterken zodat er minder Nederlands belastinggeld naar het buitenland lekt?
De D-SII geeft richting aan het versterken en opschalen van de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB). Defensie zet sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Defensie zal herkomst en tijdigheid van levering zwaarder meewegen bij de aanschaf van materieel. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter aandeel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Zoals hierboven genoemd, zal de D-SII bijdragen aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en in Europa. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland wordt aangeschaft.
Met het inzetten van de productielocatie van VDL, eerder een leegstaande hal, vindt nu economische activiteit plaats. Ook investeert Defensie onder andere middels het SecFund in nieuwe start- en scale ups waardoor ecosystemen worden opgebouwd en de Nederlandse industrie een grotere rol speelt bij de opschaling van de krijgsmacht. Met de C-UAS challenge daagt Defensie bedrijven uit om met innovatieve oplossingen te komen waarmee Defensie in haar behoeften kan voorzien. Zie ook vraag 8 hieronder over de inzet van Defensie op technologie.
Hoe voorkomt u een verdere krapte op de arbeidsmarkt doordat defensie extra personeelsleden probeert te werven?
Defensie herkent de arbeidsmarktkrapte uitdagingen die in Nederland spelen en heeft hier aandacht voor bij de groeiopgave. De huidige geopolitieke situatie vraagt om een groei van het aantal militairen om als Defensie in NAVO-verband geloofwaardig te kunnen afschrikken. Daarom bouwt Defensie aan een schaalbare krijgsmacht die in 2030 bestaat uit 100.000 mensen en wanneer nodig schaalbaar is naar maximaal 200.000 mensen. Die schaalbare capaciteit wordt vooral ingevuld door reservisten. Door in te zetten op het vergroten van het aantal reservisten kan Defensie het personeelsbestand uitbreiden terwijl de gevolgen voor de arbeidsmarkt beperkt blijven. Reservisten blijven werkzaam bij hun dagelijkse werkgever en zetten zich daarnaast deeltijd in voor Defensie. Reservisten werken bij allerlei verschillende bedrijven en nemen hun kennis niet alleen mee naar Defensie en nemen ook vaardigheden mee terug naar hun civiele werk. Zoals ook wordt toegelicht in de Stand van Defensie is een versnelling nodig om de doelstellingen op het gebied van de personele opschaling te behalen.
Kunt u uitsluiten dat de extra defensie-uitgaven worden gefinancierd middels lastenverzwaringen die een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie, zoals het CPB waarschuwt?
Besluitvorming over de financiering van de extra defensie-uitgaven is aan een volgend Kabinet. Het budgetrecht ligt bij het parlement en daar zal dan ook het definitieve besluit over de defensie-uitgaven worden genomen.
Waarom investeert defensie relatief weinig in zogeheten «dual-use» technologie, die dus ook de civiele innovatie versterkt?
In lijn met de D-SII investeert Defensie veel in dual-use. Dat betreft enerzijds investeringen in dual-use technologieën en fundamenteel onderzoek op basis van de 10 basisgebieden. Anderzijds betreft dit investeringen in de 5 NLD-gebieden waar Defensie de rol vervult van smart developer en launching customer. Defensie heeft recent geïnvesteerd in diverse instrumenten6 die erop gericht zijn om kennis, technologie en innovaties op het gebied van dual-use bij start-ups, MKB en kennisinstituten (TO2, universiteiten, hogescholen). Nederland besteedt 1,3% van haar Defensiebegroting aan Research & Technology (R&T) en houdt dit vast als minimum. R&T bestedingen kunnen bredere economische spill-over effecten hebben. Ook als onderdeel van materieelprojecten worden investeringen in innovatie gedaan.
Hoe verklaart u dat het kabinet defensie-uitgaven presenteert alsof ze economische groei zouden genereren, terwijl het CPB nu duidelijk laat zien dat dit niet tot nauwelijks het geval is?
Het CPB laat zien dat de Nederlandse economie krapte ervaart die het effect op de economie van Defensie-uitgaven beperken. De bijdrage kan echter hoger uitvallen als de juiste omstandigheden worden gecreëerd. Zoals aangegeven werkt Defensie aan beleid waarvan aannemelijk is dat het de multiplier zal verhogen, bijvoorbeeld door in te zetten op opschaling van de defensie-industrie in Nederland, meer middelen beschikbaar te maken voor innovatie, o.a. gericht op fundamenteel onderzoek en dual-use. Uitgaven gericht op innovatieve sectoren zoals space kunnen positieve economische effecten hebben voor de bredere maatschappij. Ook wordt het «weglek-effect» verkleind doordat wordt ingezet op het opschalen van de defensie-industrie binnen Nederland en Europa. Tot slot geldt ook dat uitgaven aan Defensie van belang zijn om economische schade door geopolitieke instabiliteit te verminderen door middel van geloofwaardige afschrikking. Het CPB-onderzoek benadrukt dit ook.
Bent u bereid transparanter te zijn over de beperkte impact die extra defensie-investeringen zullen hebben op de Nederlandse economie?
Ja, Defensie is hier zeker toe bereid. Defensie heeft recentelijk een onderzoek in opdracht gegeven om beter inzicht te krijgen in de brede economische effecten van de opschaling zodat deze effecten, zonder concessies aan de veiligheid, zo hoog mogelijk te houden. Ook de EBA Defensie-industrie, die voor de zomer 2026 wordt gepubliceerd, zal ingaan op de economische effecten van defensie-uitgaven.
Deelt u de opvatting dat defensie-investeringen – waar mogelijk – zo veel mogelijk ten goede zouden moeten komen aan de Nederlandse economie en de Nederlandse defensie-industrie?
Zie Kamerstuk 31 125 134 en de beantwoording vraag 5.
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn voor de arbeidsmarkt wanneer defensie inzet op uitbreiding van het personeelsbestand?
Zie beantwoording vraag 6.
Bent u bereid om de focus veelal te leggen op Nederlandse productie en industrie in plaats van het buitenland?
Zie beantwoording vraag 5.
Kunt u een transparante kosten-effectiviteitsanalyse opstellen waarin duidelijk wordt in hoeverre extra uitgaven zorgen voor daadwerkelijke weerbaarheid en veiligheid van Nederland?
De doelstelling van de NAVO om 3,5% van het bbp aan Defensie uit te geven berust op een uitgebreide analyse van de capabilities die de NAVO nodig heeft om de veiligheid en afschrikking binnen het verdragsgebied te garanderen. Defensie vult deze opgave in via uitgaven aan zaken als personeel, materieel en onderhoud. Defensie houdt in de aanschaf rekening met een aantal zaken, waaronder de kosteneffectiviteit van de uitgaven. Uw Kamer is eerder dit jaar geïnformeerd over het NAVO-planningsproces waarin tevens aandacht werd besteed aan de financiële consequenties van deze doelstellingen.7 In de Stand van Defensie rapporteert Defensie over het totaalbeeld van de voortgang van de doelstellingen.8
Hoe verhouden de investeringen in materieel, zoals wapensystemen en voertuigen, zich tot de met name digitale bedreiging zou vormen?
Defensie werkt aan het versterken van haar capaciteiten in alle domeinen: land, lucht, zee, ruimte en cyber. Het digitale domein is randvoorwaardelijk en ondersteunend aan al deze domeinen. Op al deze gebieden worden investeringen gedaan die Defensie in staat stellen haar missie effectiever te vervullen. De Defensienota 2024 en de Digitale Transformatie Strategie9 beschrijven de investeringen die worden gedaan om de huidige doelstellingen te vervullen. Defensie stelt zich met deze investeringen in staat om samen met onze bondgenoten alle relevante dreigingen het hoofd te bieden. Met het Defensieprojectenoverzicht 2025 is uw kamer geïnformeerd over de aanschaf van materieel.10
Hoe verantwoord u dat Nederlandse belastingmiddelen vooral buitenlandse defensie-industrieën – en daarmee hun weerbaarheid – versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zet Defensie sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter deel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en van onze bondgenoten. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland kan worden aangeschaft. We kopen vaker dezelfde producten als onze bondgenoten. Wat goed is voor hen, is ook goed voor ons (en andersom). Nederland schaft daarbij hoofdzakelijk materieel aan bij nauwe bondgenoten, met voorkeur in Europa en anders bij NAVO-partners. Partners van Nederland schaffen ook in Nederland zaken aan. Bovendien positioneren we Nederlandse industrie in het buitenland door toepassing van Industriële Participatie.
Ziet u mogelijkheden om Nederlandse belastingmiddelen meer in te zetten voor de Nederlandse defensie-industrie en de Nederlandse weerbaarheid?
Ja, zie beantwoording vraag 4 en 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat defensie-uitgaven maximaal rendabel zijn?
Defensie zorgt er allereerst voor dat haar uitgaven maximaal rendabel zijn in relatie tot de capabilities die nodig zijn om onze veiligheid te garanderen. Dit zijn capabilities waarover binnen het NATO Defence Planning Process (NDPP) afspraken worden gemaakt om ervoor te zorgen dat bondgenoten samen het NAVO-grondgebied kunnen verdedigen. Daarmee wordt voorzien in een cruciale voorwaarde voor een gezonde economie. Tegelijkertijd zal Defensie oog hebben voor kansen om door middel van verhoogde aanschaf in Nederland en inzet op innovatie positieve economische effecten te garanderen. Onderzoeken zoals het CPB-rapport bieden inzichten die Defensie helpen economische kansen te benutten. Echter blijft de missie van Defensie om de veiligheid te garanderen daarbij leidend. Het versterken van de defensie-industrie draagt daaraan bij; minder strategische afhankelijkheid en leveringszekerheid dragen ook bij aan afschrikking.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
Het bericht ‘Staking bij vrouwengevangenis Nieuwersluis om uitblijven loonsverhoging’ |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat medewerkers van de vrouwengevangenis in Nieuwersluis staken vanwege ontevredenheid over een achterblijvende loonsverhoging1? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Wat vindt u van de kwalificatie van FNV dat het «Code zwart» is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)?
Kunt u aangeven hoe groot het huidige personeelstekort is in het gevangeniswezen? Kunt u een indicatie geven van de algemene tevredenheid van DJI-medewerkers over de omstandigheden waaronder zij hun werk moeten verrichten? En in hoeverre is het hanteren van de nullijn dienstbaar aan het werven van nieuwe DJI-collega’s?
Bent u bereid om te bezien in hoeverre medewerkers van DJI, met het oog op de moeilijke omstandigheden waaronder zij hun zware werk moeten verrichten, kunnen worden uitgezonderd van de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om te onderzoeken of voor DJI-medewerkers een afzonderlijke CAO kan worden gesloten om te voorkomen dat de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn ertoe leidt dat het huidige personeelstekort bij DJI nóg groter wordt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om deze vragen voorafgaand aan het komende commissiedebat over het Gevangeniswezen te beantwoorden?
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
Het bericht ‘Vechtpartijen, vernielingen en vrouwen die worden lastiggevallen: reljeugd teistert treinreizigers in Zeeland’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat openbaar vervoer veilig moet zijn en dat iedereen te allen tijde zonder angst moeten kunnen reizen, vooral juist en vooral ook meisjes en vrouwen?1
Deelt u de mening dat reizigers zich niet zouden moeten hoeven aanpassen aan het gedrag van een overlastgevende groep en dat NS-personeel het werk niet onder druk, met gevoel van onveiligheid moet hoeven uitvoeren?
Sinds wanneer is deze overlast op het Zeeuwse spoor en stations ontstaan? Om hoeveel incidenten gaat het? Of is het beeld structureel?
In hoeverre neemt de problematiek toe, niet alleen in aantallen meldingen, maar ook in de ernst van het gedrag? En wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen incidentele verstoringen en structurele overlast door dezelfde groepen? Hoe is het beeld in de rest van het land?
In hoeverre zijn deze dadergroepen bij politie en NS in beeld? Wordt er gewerkt met een persoonsgerichte aanpak van veelplegers, bijvoorbeeld via vervoersverboden in het openbaar vervoer, gebiedsontzeggingen of andere interventies die verder gaan dan het steeds opnieuw reageren op incidenten? Welke rol nemen gemeenten in het proces?
Hoe houdbaar is de goede tijdelijke maatregel om extra toezicht en het meereizen van politie voort te zetten?
Welke structurele, voortdurende maatregelen ziet u om de sociale veiligheid ín de trein voor reizigers en personeel te verbeteren, aanvullend op maatregelen op stations?
Hoe effectief is het recent geïntroduceerde noodnummer waarmee reizigers de conducteur kunnen bereiken bij bedreigende of vervelende situaties? In welke mate voelen conducteurs zich veilig genoeg om zelf in te grijpen wanneer zij bericht worden over een bedreigende of vervelende situatie? Hoe effectief is dit noodnummer en wat is de reizigerservaring hierop? Is dit noodnummer ook gebruikt bij deze overlastgevende situaties in Zeeland?
Overweegt u, of de NS, nog andere, aanvullende veiligheidsmaatregelen, bijvoorbeeld het implementeren van niet alleen een noodnummer maar ook een noodknop in de treincoupés? Kunt u de Kamer meenemen in mogelijkheden die u en de NS overwegen?
Zijn bij u nog andere effectieve voorbeelden bekend van maatregelen in het buitenland waar vergelijkbaar overlast in het openbaar vervoer is teruggedrongen? En vooral maatregelen die wij in Nederland nog niet toepassen? Zo ja, welke lessen kunnen daaruit worden getrokken voor Nederland?
Hoe effectief blijken de camera's aan boord van de trein bij het registreren en opvolgen van de overlast? Zijn daar verbeteringen mogelijk en denkbaar? Wat is daarvoor nodig?
In welke mate kunnen slimme AI-camera's om, binnen de kaders van de AVG, onwenselijke gedragingen, vrij van persoonskenmerken, te detecteren, vast te leggen en te verwerken de oplossing zijn? Kan dat ook in de trein? Zijn deze camera's effectiever dan de huidige?
Deelt u de mening dat de pakkans aanmerkelijk verhogen preventief werkt? Wat is uw standpunt en – voor zover bekend – van de NS hierover?
Indien cameratoezicht goed wordt ingezet, is er ruimte om raddraaiers en overlastgevers te herkennen en een (tijdelijk) reisverbod op te kunnen leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Dienstencentrum van de politie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Dienstencentrum van de politie en de rol die dit centrum vervult bij facilitaire dienstverlening, waaronder catering en inkoop?
Kunt u een volledig en actueel overzicht geven van alle leveranciers waarmee het Dienstencentrum van de politie momenteel samenwerkt?
Kunt u per leverancier aangeven:
Kunt u een overzicht verstrekken van alle lopende contracten die door of via het Dienstencentrum van de politie zijn afgesloten, inclusief einddata en eventuele verlengingsopties?
Welke aanbestedingen zijn op dit moment lopende of recent afgerond door het Dienstencentrum van de politie, en welke financiële omvang vertegenwoordigen deze aanbestedingen?
Op basis van welke criteria (prijs, kwaliteit, duurzaamheid, sociale voorwaarden) worden deze aanbestedingen beoordeeld?
Klopt het dat politieagenten op politielocaties momenteel circa € 3,00 betalen voor een flesje spa/blauw en circa € 15,00 voor een lunchpakket? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen en welke contractuele afspraken hieraan ten grondslag liggen? Zo nee, hoe ziet dit er dan uit?
Welke overwegingen hebben geleid tot het afsluiten van contracten met cateraars waarbij dergelijke prijzen worden gehanteerd voor basale consumpties?
Acht u deze prijsstelling passend voor medewerkers van de politie, gezien hun publieke taak en onregelmatige diensten?
In hoeverre is bij het afsluiten van deze contracten rekening gehouden met het principe van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel?
Zijn er binnen de huidige contracten mogelijkheden om andere prijsafspraken te maken, bijvoorbeeld door:
Ziet u mogelijkheden om efficiency-slagen te maken binnen de facilitaire dienstverlening van de politie, specifiek op het gebied van catering en inkoop? Zo nee, waarom niet?
Heeft het Dienstencentrum van de politie inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van cateringvoorzieningen voor de politieorganisatie?
Hoe verhouden deze kosten zich tot vergelijkbare overheidsorganisaties of andere grote werkgevers binnen de (semi)publieke sector?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige contracten leiden tot onnodig hoge kosten voor politiepersoneel en of heronderhandeling of aanpassing wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het rekenen van hoge prijzen voor basisvoorzieningen, zoals eten en drinken tijdens diensttijd, moeilijk te rijmen is met goed werkgeverschap?
Hoe kijkt u, in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever, aan tegen de huidige situatie en welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf als Minister?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele maatregelen die u wilt nemen om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten te verbeteren?
Kunt u toezeggen dat bij toekomstige aanbestedingen explicieter wordt gestuurd op betaalbaarheid voor medewerkers en op doelmatige besteding van publieke middelen?
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Heijnen , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het lot van de Jezidi’s |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Beter op straat in Nederland dan terug naar Irak» – nieuw landenbeleid doet de hoop van jezidi’s op asiel vervliegen»?1
Bent u het eens met Houman Oliaei, de Amerikaanse antropoloog die in het artikel bewijs aanlevert dat «Irak voor de jezidi’s geen veilige haven is om naar terug te keren»? Zo nee, waarom niet?
Is het kabinet nog dezelfde mening toegedaan als voormalig Minister van Justitie en Veiligheid Yesilgöz «dat er voldoende feiten zijn vastgesteld om te kunnen stellen dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide»?2 Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat de genocide in 2014 geen geïsoleerd incident was maar dat geweld tegen Jezidi's een terugkerend fenomeen is en dat de bescherming van de Jezidi's in Irak nauwelijks verbeterd is? Erkent u dat erkenning van dit feit een voorwaarde is om dit in de toekomst te voorkomen?
Is het kabinet nog steeds van mening «dat Jezidi’s in Irak in een kwetsbare positie verkeren»?3 Kunt u toelichten wat deze kwetsbare positie inhoudt?
Bent u van mening dat de VS een cruciale rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen onder Koerdisch gezag en in de wederopbouw van Sinjar?
Deelt u de mening dat het wegvallen van de Amerikaanse steun sinds het aantreden van president Trump de kwetsbare positie van Jezidi’s in Irak nog verder heeft verslechterd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het gebrek aan publieke diensten die beschikbaar zijn voor mensen in Sinjar, inclusief een groot gebrek aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma's als gevolg van de genocide?
Bent u bekend met het gebrek aan humanitaire hulp en ontwikkelingsgelden om publieke voorzieningen te versterken?
Bent u het eens met de constatering van het Thematisch ambtsbericht Irak uit november 2025 dat «88 procent van de binnenlands ontheemden die terugkeerden naar Sinjar onder zware leefomstandigheden» leeft?4 Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de constatering van datzelfde ambtsbericht dat het terugtrekken van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties resulteerde in «een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen»?
Bent u bekend met het feit dat de Irakese overheid afgelopen mei 19.000 gevangenen, waaronder voormalige leden van IS, heeft vrijgelaten na de aanname van een nieuwe Amnestiewet?5
Ziet u risico’s voor Jezidi’s in Irak na de vrijlating van deze voormalige leden van IS? Zo nee, waarom niet?
Vindt u dat, alles meewegende, de positie van Jezidi’s in Irak dit jaar is verbeterd of verslechterd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat vindt u van de stelling van de UNHCR, die stelt dat leden van religieuze en etnische minderheidsgroepen uit betwiste gebieden als Sinjar waarschijnlijk internationale bescherming behoeven en oproept hen niet naar hun oorspronkelijke woongebieden terug te sturen?6
Gezien al het bovenstaande, deelt u de mening dat in het Nederlandse asielbeleid de beschermingsbehoefte van de Jezidi 's moet worden onderkend en hierbij in aanmerking moet worden genomen dat er in de regel geen sprake is van een redelijk vestigingsalternatief in Irak en dat de Koerdische Autonome Regio niet als «normale woon-en verblijfplaats» geldt voor binnenlands ontheemden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Berichten op sociale media over het vrijlaten van jihadistische strijders uit voorheen door de SDF bewaakte detentiefaciliteiten |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten op sociale media dat door de recente transitie in Syrië en de verschuivende gezagsverhoudingen in het noordoosten van het land, jihadistische strijders uit voorheen door de Syrian Democratic Forces (SDF) bewaakte detentiefaciliteiten zijn vrijgelaten of ontsnapt?1
Kunt u bevestigen of de instabiliteit tijdens de machtswisseling in Damascus direct heeft bijgedragen aan een beveiligingsvacuüm in de regio's waar IS-gevangenen werden vastgehouden? Hoe beoordeelt u de risico's hiervan voor de nationale veiligheid van Nederland en de Europese Unie (EU)?
Hoe weegt u de algemene hervormingsagenda van de regering onder Ahmad al-Sharaa? Ziet u op dit moment voldoende bewijs dat Damascus een koers vaart die leidt tot duurzame vrede en een inclusieve samenleving, als voorwaarde voor verdere normalisatie?
Wat is uw visie op het proces waarbij de SDF worden geïntegreerd in de nationale defensiestructuren? Deelt u de zorg dat deze «absorptie» niet mag leiden tot de ontmanteling van de seculiere waarden en de unieke operationele expertise van de SDF?
In hoeverre is er volgens uw informatie sprake van druk vanuit Turkije om de Koerdische autonomie binnen de nieuwe Syrische staatsstructuur volledig te beëindigen? Hoe streeft Nederland diplomatiek naar een balans tussen de veiligheidsbelangen van een NAVO-bondgenoot en de bescherming van de Koerdische bondgenoten?
Op welke wijze monitort de Nederlandse regering de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten en de bescherming van religieuze en etnische minderheden zoals de Koerden, Alawieten en Druzen ter plaatse, en in hoeverre is de mate van verdere diplomatieke erkenning van de Al-Sharaa regering afhankelijk van de institutionele borging van deze rechten?
Kunt u toelichten in hoeverre de recente ontwikkelingen, zoals de druk op de SDF-structuren en de berichten over de onveiligheid in IS-detentiefaciliteiten, zich verhouden tot het besluit om EU-sancties te versoepelen? Is deze versoepeling volgens u gestoeld op de verwachting van verdere hervormingen, en op welke wijze wordt geborgd dat deze verlichting niet contraproductief werkt voor de veiligheid van minderheden?
Kunt u toelichten hoe de toezegging van het Europese steunpakket van 700 miljoen euro voor Syrië zich verhoudt tot de actuele ontwikkelingen op de grond, zoals de druk op de Koerdische zelfbeschikking en de positie van minderheden, en op welke wijze wordt concreet toegezien op de besteding van deze middelen om te borgen dat deze niet bijdragen aan de verdere marginalisering van deze groepen?
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op harde voorwaarden voor de uitbetaling van de resterende tranches van het steunpakket, specifiek gekoppeld aan de veiligheid en politieke vertegenwoordiging van minderheidsgroepen?
Onder welke voorwaarden ziet u Syrië op de lange termijn als een volwaardige partner voor vrede in het Midden-Oosten, en op welke wijze borgt u dat verdere normalisatie van de betrekkingen gelijke pas houdt met de voortgang op het gebied van de rechten van minderheden?
Het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Waarom weigert u de aangenomen motie Dobbe1 uit te voeren, waarmee een tweederde meerderheid van de Kamer u verzocht om «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?
Waarom bent u niet bereid om een wervingscampagne op te zetten voor de zorg, terwijl de personeelstekorten in de zorg één van de grootste problemen in Nederland is?
Erkent u dat het feit dat uw ministerie niet rechtstreeks de werkgever is van zorgverleners het niet onmogelijk maakt om een wervingscampagne op te zetten?2
Deelt u de mening dat het wel of niet opzetten van een wervingscampagne voor de zorg, terwijl er ook in andere sectoren personeelstekorten zijn, een politieke keuze is die een ruime meerderheid van de Kamer al heeft gemaakt? Zo ja, waarom maakt u deze weging dan eigenhandig opnieuw?
Vindt u ook niet dat het ondemocratisch is om als dubbeldemissionair Minister, namens een coalitie die rust op 17% van de Kamer, een heel duidelijke, simpele en uitvoerbare wens van 101 Kamerleden naast u neer te leggen?
Wat betekent een aangenomen motie voor u? Is dat enkel een suggestie die u alleen uitvoert als u het er toevallig mee eens bent? Of bent u ook bereid om voorstellen uit te voeren waar u zelf niet achter staat, als de Kamer u daartoe oproept?
Bent u bereid om alsnog een wervingscampagne op te zetten voor de zorg?
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel «Grote drukte bij notariskantoren: meer akten met minder notarissen»1, waarin wordt beschreven dat de vraag naar notariële diensten sterk toeneemt terwijl het aantal notarissen achterblijft?
Herkent u het geschetste beeld dat notariskantoren te maken hebben met structurele drukte en personeelstekorten, en welke gevolgen ziet u hiervan voor burgers en ondernemers die afhankelijk zijn van tijdige notariële dienstverlening?
Welke risico’s ziet u voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van notariële diensten als deze ontwikkeling zich de komende jaren doorzet?
Deelt u de opvatting dat een verandering in de manier van werken binnen het notariaat noodzakelijk is en dat digitalisering daarbij een wezenlijk onderdeel van de oplossing kan zijn? Zo ja, hoe ziet u die rol van digitalisering concreet voor zich; zo niet, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de conclusie dat verdere vertraging in de digitalisering van het notariaat de drukte bij notariskantoren zal verergeren en de toegang tot het recht onder druk zet?
Welke concrete stappen heeft u sinds de toezegging in april 2022 gedaan door toenmalig Minister Weerwind om het juridisch mogelijk te maken om meer typen notariële akten digitaal tot stand te laten komen?2
Kunt u toelichten welke typen notariële akten u op korte termijn geschikt acht voor digitaal passeren, en welke waarborgen daarbij noodzakelijk zijn voor identiteit, wilsbekwaamheid en rechtszekerheid?
Dient er een voorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt te komen om digitaal passeren van (meer of alle) akten mogelijk te maken?
Wilt u de Kamer informeren over een concreet tijdpad waarbinnen verdere digitalisering van het notariaat wordt gefaciliteerd en geïmplementeerd?
Op welke wijze betrekt u notarissen, beroepsorganisaties en gebruikers van notariële diensten bij de uitwerking van deze digitaliseringsslag, zodat deze bijdraagt aan zowel verlichting van de werkdruk als behoud van kwaliteit en vertrouwen?
Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede: «Ik sla weleens een maaltijd over»»?1
Waren deze signalen bij u bekend?
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat steeds meer studenten de noodzaak voelen te kiezen tussen het betalen van collegegeld, zorgpremie, huur of de boodschappen?
Wat is uw reactie op het onderzoek van State of Youth NL waaruit blijkt dat niet alleen studenten, maar ruim 80 procent van de 12- tot 29-jarigen in het algemeen stress ervaart als gevolg van geldproblemen en bijna twee derde moeite heeft om rond te komen?
Heeft u inzicht in hoeveel studenten genoodzaakt zijn zich te wenden tot reguliere voedselbanken omdat ze te weinig geld overhouden voor de boodschappen?
Hoe ziet u dit nieuws in het licht van onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA), waaruit blijkt dat geldzorgen negatieve invloed op de studieresultaten en het privéleven van studenten hebben?2
Deelt u de zorgen over de onderzoeksresultaten van de HvA waaruit blijkt dat 22 procent van de studenten niet alleen geldzorgen heeft, maar ook nog eens achterstallige rekeningen waarvoor weer driekwart van de studenten geen betalingsregeling heeft getroffen? Heeft u in beeld hoe groot deze problemen onder studenten van andere instellingen zijn?
Deelt u de mening dat het kosteloos aanbieden van budgetcoaches voor financiële hulp en begeleiding geen extra kostenpost voor onderwijsinstellingen zou moeten zijn, zoals nu bij de HvA het geval is, maar voor alle studenten van alle instellingen toegankelijk moet zijn, zeker omdat dit het risico op financiële problemen later in het leven vermindert en voorkomt dat problemen verergeren?
Zijn er acties ondernomen naar aanleiding van de resultaten van Europees onderzoek dat in januari 2022 met de Kamer is gedeeld waaruit blijkt dat studenten eerder op zichzelf gaan wonen als hun ouders een krappe portemonnee hebben, en studenten op kamers weer vaker financiële zorgen dan thuiswoners hebben?34
Deelt u de mening dat de financiële situatie van ouders geen invloed zou mogen hebben op de studieperiode van hun kinderen?
Is een basisbeurs van 130,21 euro per maand voor thuiswonenden en 324,52 euro per maand voor uitwonenden wat u betreft voldoende om de kosten te dekken, zeker met de stijgende kosten voor huur- en levensonderhoud? Deelt u de mening dat een bijbaan dit verschil niet zomaar kan overbruggen?
Welke stappen onderneemt u of gaat u ondernemen om de geldstress onder jongeren en studenten naar beneden te brengen?
Misbruik door turboliquidaties |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op»1, «Fiscus loopt in tien jaar ruim € 1,5 mrd mis door spoorloze ondernemers en plof-bv’s»2 en «Fraude en turboliquidaties in Nederland»3?
Deelt u de analyse dat turboliquidaties in Nederland steeds vaker worden misbruikt om tijd te kopen en verantwoordelijkheid te laten verdampen, waardoor schuldeisers met lege handen achterblijven?
Hoe komt het volgens u dat inmiddels bijna 80 procent van de ondernemingen, die worden beëindigd, worden opgeheven via een turboliquidatie?
Klopt de inschatting dat de Belastingdienst de afgelopen tien jaar naar schatting 1,5 miljard euro aan inkomsten is misgelopen door ondernemers die veelal spoorloos verdwijnen na turboliquidaties? Waarom is er vanuit het kabinet niet veel meer actie ondernomen om dit tegen te gaan?
Kunt u de interne analyses van de Belastingdienst met de Kamer delen waaruit blijkt dat ruim tweeduizend ondernemers hun bedrijf ophieven, terwijl zij nog voor enkele honderden miljoenen euro’s aan panden, boten of ander bezit hadden?
Wat is er precies gebeurd met het onderzoek dat het ministerie in 2019 is gestart naar de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Waarom is dit nog niet voltooid en wanneer kan de Kamer de onderzoeksresultaten verwachten?
Klopt het dat misbruikers in Duitsland minder snel ongeschonden wegkomen, doordat zij eerder persoonlijke aansprakelijkheid riskeren? Wat kunnen wij hier in Nederland van leren? Zijn er andere landen die ook een «turboliquidatie»-procedure kennen, en zo ja, hoe gaan die landen om met het in de bovengenoemde artikelen geschetste risico op fraude en misbruik?
Deelt u de analyse dat aanscherping van de wet onvermijdelijk is? Bijvoorbeeld voor automatische signalering van herhaald gebruik of zwaardere aansprakelijkheid bij recidive en sancties die echt afschrikken. Welke stappen gaat u zetten om misbruik tegen te gaan?
Hoe komt het volgens u dat informatie van de Kamer van Koophandel waar de Belastingdienst van afhankelijk is vaak niet klopt, zoals het FD schrijft? Wat gaat u doen om te zorgen dat deze informatie in de toekomst wel betrouwbaar is?
Onderschrijft u de conclusie van het WODC in haar onderzoek naar de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voor rechtspersonen, namelijk dat effectievere handhaving noodzakelijk is om misbruik te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u de handhaving verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de in het FD aangehaalde experts die stellen dat het huidige budget van de Belastingdienst om specifiek misbruik van turboliquidaties te onderzoeken een fractie is van wat nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit budget te verhogen?
Waarom is het mogelijk voor een turboliquidatie te kiezen als er sprake is van schulden? Is het wat u betreft een optie om turboliquidaties alleen nog mogelijk te maken voor volledige lege rechtspersonen, dat wil zeggen zonder bezittingen én zonder schulden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fiscaliteit?
Het bericht dat Curaçao wordt gebruikt als doorvoerhaven voor Venezolaanse olie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Klopt het dat een tanker met Venezolaanse olie recent is aangemeerd bij Curaçao voor tijdelijke opslag, en zo ja, welke hoeveelheden zijn betrokken en in wiens opdracht gebeurt dit?1
Hoe beoordeelt u de uitspraak van premier Pisas dat deze ontwikkeling een «buitenkansje» is voor Curaçao?
Bent u vooraf geïnformeerd over de aankomst en opslag van Venezolaanse olie op Curaçao? Zo ja, wanneer en door wie?
Deelt u de mening dat de oliehandel via Curaçao het signaal afgeeft dat schendingen van internationaal recht door de illegale acties van de VS geen gevolgen hoeven te hebben zolang economische belangen spelen?
Hoe voorkomt u dat Nederlandse bedrijven economisch profiteren van een situatie die is ontstaan door illegale interventie van de VS in Venezuela?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao structureel wordt gepositioneerd als fossiele doorvoerhub? Acht het kabinet dit in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de EU-klimaatdoelstellingen? Zo nee, wat doet het kabinet om het structureel inbedden van een fossiele doorvoerhaven te voorkomen?
Bent u bereid om met Curaçao in gesprek te gaan over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag, en die niet het gevolg zijn van een illegale interventie door de VS? Zo ja, welke concrete stappen zijn daarvoor voorzien?
Acht u het wenselijk dat Curaçao zich profileert als doorvoerhaven voor fossiele olie, terwijl Nederland zich internationaal uitspreekt voor klimaatdoelen, afbouw van fossiele afhankelijkheid en het beperken van de macht van olie-exporterende staten?
Hoe verhoudt het faciliteren van de doorvoer en opslag van Venezolaanse olie via Curaçao zich tot het Nederlandse beleid om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en olie-exporterende staten te verminderen, en tot de inzet op strategische energie-onafhankelijkheid?
Een verbod op de AI-chatbot van X |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «X komt met nieuwe beperkingen voor gebruik Grok, maar mensen uitkleden blijft simpel»1, «Politie en instanties slaan alarm om AI-app Grok: BN’ers digitaal uitgekleed, verbod in Nederland op tafel»2 en «Topoverleg tussen OM en Minister over uitkleed-app Grok, topman Musk komt beloftes niet na met nieuwe update»3?
Is het bij u bekend dat de AI-chatbot Grok van xAI wordt gebruikt om seksuele deepfakes te maken op X? Wat is daarop uw reactie?
Welke conclusies trekt u op basis van de berichtgeving? Vindt u dat X en xAI verantwoord handelen? Zo niet, welke maatregelen kunt u zowel nationaal als Europees nemen om misbruik van xAI tegen te gaan?
Wat heeft u met het Openbaar Ministerie besproken in het overleg van 15 januari 2026, waarover het AD bericht heeft? Kunt u de uitkomsten met de Kamer delen?
Zijn uitkleedapps en -tools verboden in Nederland? Hoe wordt hierop gehandhaafd, en welke gevolgen heeft het voor X dat het platform het genereren van seksuele deepfakes standaard aanbiedt via Grok?
Welke mogelijkheden bent u aan het verkennen om op te treden tegen uitkleedapps en -tools? Hoe bent u dit aan het onderzoeken en op welke termijn gaat u de uitkomsten met de Kamer delen?4 Hoe snel zou u aanvullende maatregelen kunnen nemen?
Vindt u de maatregelen die X heeft aangekondigd voldoende, namelijk een geoblokkade voor de AI-functie om seksuele deepfakes te genereren in landen die daar wetten tegen hebben? Wat betekent dit voor Nederlandse slachtoffers?
Deelt u de zorgen van de indiener dat deze geoblokkade gemakkelijk te omzeilen is en geen recht doet aan het leed van slachtoffers die ongewenst seksueel zijn afgebeeld?
Onder welke voorwaarden vindt u het acceptabel dat Grok beschikbaar blijft op X? Bent u, ook na de technische aanpassingen van de chatbot, van mening dat deze niet langer beschikbaar moet zijn?
Bent u bereid om, net als in België en het Verenigd Koninkrijk, over te gaan tot het blokkeren van de AI-chatbot Grok? Welke andere ingrijpen heeft u tot uw beschikking?
Steunt u de oproep van de Europese Commissie dat alle interne documenten en data gerelateerd aan de chatbot Grok moet worden vrijgegeven in het lopende onderzoek naar de contentmoderatie van X?5
Kunt u de relevante toezichthouders, in dit geval de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens, vragen om hun reactie? Hebben zij voldoende mogelijkheden om toezicht te houden en te handhaven?
Hoeveel klachten en meldingen zijn er gedaan door slachtoffers van seksuele deepfakes door Grok? Hoe wordt hier opvolging aan gegeven? Gebeurt dit altijd tijdig?
Hoe is uw contact met X? Heeft u de zorgen over deepfakes al met X besproken? Zo ja, wanneer is dat gebeurd en wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? Zo niet, kunt u dit zo spoedig mogelijk alsnog doen?
Voldoen X en xAI naar uw weten aan de ethische- en transparantieverplichtingen van Nederlandse en Europese wet- en regelgeving? Welke gevolgen heeft het als dit niet het geval is?
Behoren het verbieden van X of het vertrekken van overheidsorganisaties van de dienst tot de mogelijkheden als X stelselmatig de nationale en Europese wet- en regelgeving blijft overtreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Heeft u voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal overleg gevoerd met burgemeesters en/of de lokale driehoeken over de reële kans op ongeregeldheden en geweldplegingen? Zo ja, welke concrete risico’s zijn daarbij benoemd en welke maatregelen zijn afgesproken om de openbare orde te waarborgen?1
Is er op landelijk niveau een risicobeeld opgesteld voor deze wedstrijd, mede op basis van eerdere ervaringen met rellen na wedstrijden van Marokko? Kunt u uiteenzetten welke dreigingen daarin zijn meegenomen?
Wordt er actief gemonitord op sociale media en berichtenapps op oproepen tot rellen, geweld of verstoring van de openbare orde in relatie tot deze wedstrijd? Zo ja, hoe worden deze signalen in de praktijk benut?
Is de beschikbare politiecapaciteit rondom de wedstrijd Marokko-Senegal voldoende om bij eventuele grootschalige ongeregeldheden snel en hard op te treden? Hoeveel extra agenten zijn landelijk extra stand-by gezet voor deze avond?
Is er voldoende arrestanten- en celcapaciteit beschikbaar om bij escalatie massaal te kunnen aanhouden en vasthouden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie (OM), als er sprake is van grootschalige escalatie, doet met vervolgingen? Kunt u garanderen dat dit adequaat en naar behoren wordt opgepakt? Kunt u hier dan ook een terugkoppeling van geven?
Welke specifieke preventieve en repressieve maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het voor of na de wedstrijd opnieuw uit de hand loopt, zoals bij eerdere gelegenheden? Betreft dit onder meer gebiedsverboden, noodbevelen, inzet van Mobile Eenheid, cameratoezicht, fouilleeracties en het afsluiten van stadscentra?
Kunt u in het geval van ongeregeldheden de Kamer volledig te informeren over het aantal incidenten, aanhoudingen, geweldsdelicten en de schade aan openbare eigendommen?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal beantwoorden, zodat duidelijk is of Nederland daadwerkelijk voorbereid is op mogelijke ordeverstoringen?
De afsluiting van de A30 in verband met groot onderhoud |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de lokale weerstand tegen de voorgenomen afsluiting van een groot deel van de A30 in verband met groot onderhoud?1, 2
Op welke wijze is het participatietraject vormgegeven? In hoeverre zijn lokale ondernemers daarbij betrokken?
Is de veronderstelling juist dat: lokaal verkeer nu ook veel gebruik maakt van de A30/A1, dat omrijden via Utrecht of Arnhem voor deze groep verkeersdeelnemers geen optie is en dat volledige afsluiting van een groot deel van de A30 derhalve tot grote druk op het lokale wegennet zal leiden?
Kunt u aangeven, ook richting betrokken gemeenten, wat de verwachte verkeersintensiteit is op de verschillende lokale (gebiedsontsluitings)wegen bij volledige wegafsluiting en bij een meer gefaseerde afsluiting (zoals voorgesteld door ondernemers)? Kunt u enig inzicht geven in de bijbehorende gevolgen voor doorstroming en verkeersveiligheid?
Hoe waardeert u de keuze voor een volledige wegafsluiting in plaats van een meer gefaseerde afsluiting?
Welke maatregelen worden genomen voor een zo vlot en veilig mogelijke doorstroming op lokale wegen tijdens de afsluiting, bijvoorbeeld van en naar de op- en afrit op de A1 bij Voorthuizen en ook aan de zuidkant van Barneveld en in de gemeente Ede?
De invloed van de suikertaks op sportsupplementbedrijven zoals XXL Nutrition en de gevolgen voor het Nederlandse ondernemersklimaat. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van Nieuws van de Dag waarin wordt gesteld dat de suikertaks ertoe leidt dat het bedrijf XXL Nutrition overweegt om naar het buitenland te verhuizen vanwege de toenemende regeldruk?1
Acht u het wenselijk dat steeds meer bedrijven overwegen om Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk?
In het geval van XXL Nutrition moet suikertaks worden betaald over eiwit- en maaltijdshakes, omdat deze door de overheid worden aangemerkt als «limonade»; bent u het ermee eens dat een eiwitshake – en ook een maaltijdshake – niet gelijk te stellen zijn aan limonade of frisdrank?
Indien het antwoord op vraag 3 ja luidt, acht u het dan niet rechtvaardiger om eiwit- en maaltijdshakes uit te zonderen van de suikertaks?
Op basis van welke juridische basis wordt een eiwitshake momenteel aangemerkt als «limonade» voor de toepassing van de suikertaks?
Acht u het wenselijk dat producten die primair bedoeld zijn voor sport en gezondheid onder dezelfde fiscale categorie vallen als frisdrank?
Kunt u inzichtelijk maken of de invoering van de suikertaks daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad op het gezonder maken van de bevolking?
In hoeverre acht u deze interpretatie in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel, gezien de onduidelijkheid voor ondernemers?
Kunt u aangeven welke extra administratieve lasten de suikertaks met zich meebrengt voor middelgrote en grote producenten van voedingssupplementen?
Bent u het ermee eens dat de suikertaks in de praktijk vooral een middel is gebleken om meer belastinginkomsten te genereren, in plaats van een effectief instrument voor de volksgezondheid?
Hoe rijmt u de suikertaks met uw beleid om oneerlijke concurrentie voor Nederlandse bedrijven tegen te gaan, aangezien diverse andere landen geen suikertaks kennen?
In het genoemde voorbeeld overweegt XXL Nutrition een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de daar ervaren grotere ondernemingsvrijheid; hoe gaat u zorgen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat in Nederland, zodat bedrijven als XXL Nutrition niet vertrekken of juist terugkeren?
U heeft op 15 december 2025 aangekondigd om vóór de zomer van 2026, 500 regels te willen schrappen die het ondernemen bemoeilijken; valt de suikertaks hier ook onder?2
Volgens het item van Nieuws van de Dag zijn tot op heden slechts zeven van de beoogde 500 regels aangepast; hoe verklaart u deze beperkte voortgang?
Hoe bent u concreet van plan om uw doelstelling – het schrappen van 500 regels vóór de zomer van 2026 – alsnog te realiseren?
Op welke wijze kan deze fractie u ondersteunen bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen, zodat ondernemen in Nederland weer aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven behouden blijven voor Nederland?