Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Ja
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Ja
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
EU-lidstaten, inclusief Nederland, hebben de week voorafgaand aan het gesprek de uitnodiging ontvangen voor dit gesprek in Brussel. Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Dit gesprek was hier onderdeel van. Naar aanleiding van deze uitnodiging is besloten dat een Nederlandse ambtenaar op operationeel niveau het gesprek zou bijwonen.
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Op 16 oktober jl., hebben verschillende lidstaten, waaronder Nederland, een brief gestuurd aan Eurocommissaris Brunner met de oproep om op Europees niveau vrijwillige terugkeer van personen zonder verblijfsrecht in de EU te stimuleren en de mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Afghanistan te onderzoeken, voor lidstaten die dat willen. Uw Kamer heeft een afschrift van deze brief ontvangen2. De Commissie heeft gevolg gegeven aan deze oproep door over deze onderwerpen op operationeel niveau met de facto autoriteiten te spreken. De gesprekken in Brussel waren een voortzetting hierop.
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Zie antwoord op vraag 4.
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Zoals ook benadrukt in antwoord op vraag 6, is de situatie in Afghanistan onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. Het niet naleven van deze leefregels kan voor vrouwen en meisjes verstrekkende gevolgen hebben voor hun veiligheid, bewegingsvrijheid, toegang tot onderwijs, werk en maatschappelijke participatie.
In de systematiek van het tot stand komen van landgebonden asielbeleid wordt er op basis van de informatie uit het door Buitenlandse Zaken gepubliceerde ambtsbericht gekeken welke (groepen) personen risico lopen op vervolging of ernstige schade. Een geüpdatet versie van het landgebonden asielbeleid is 28 mei jl. met uw Kamer gedeeld. Wanneer daarvan sprake is, verzet het beginsel van non-refoulement zich tegen afwijzing van de asielaanvraag. Afhankelijk van de mate van vervolging kan er worden geoordeeld dat er sprake is van groepsvervolging of kan een risicoprofiel worden aangewezen. Uiteindelijk gaat het om een individuele beoordeling waarbij geldt dat ook personen die niet onder groepsvervolging vallen of niet zijn aangemerkt als risicoprofiel nog steeds in aanmerking kunnen komen voor bescherming. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Momenteel leidt die individuele beoordeling bij Afghaanse vrouwen en meisjes in vrijwel alle gevallen tot vergunningverlening. Nederland blijft zich in EU- en VN-verband inzetten voor het beschermen van mensenrechten, en roept in deze gremia de Taliban op om mensenrechten te beschermen, in het bijzonder de rechten van vrouwen en meisjes, te respecteren in overeenstemming met internationale verdragsverplichtingen.
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Nederland erkent het Taliban-regime niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. De gesprekken in Brussel passen in dit kader.
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Nee, het onderhouden van minimale operationele contacten is geen stap richting erkenning van het Taliban regime. Het kabinet steunt het initiatief van de Europese Commissie en gelooft dat er middels het operationele EU spoor mogelijk een handelingsperspectief is om terugkeer naar Afghanistan vanuit EU lidstaten te bevorderen. Erkenning van het Taliban regime is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Nee.
Het besteden van miljoenen euro’s belastinggeld aan het uitkopen van een illegaal opererende varkenshouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dit is niet de bedoeling van ons belastinggeld», waaruit blijkt dat een van de grootste varkensbedrijven van Nederland, dat al jarenlang illegaal opereert, via de landelijke beëindigingsregeling aanspraak maakt op minstens vijf miljoen euro aan belastinggeld?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de betreffende varkenshouder jarenlang meer dieren heeft gehouden dan was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had?2
De provincie (gedeputeerde staten) is doorgaans bevoegd gezag daar waar het gaat om het verlenen en handhaven van een natuurvergunning (omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit). De gemeente (het college van B&W) is doorgaans bevoegd gezag daar waar het gaat om een milieuvergunning (omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit).
Of en in welke mate de betreffende varkenshouder meer dieren heeft gehouden dan volgens de milieuvergunning van het college van B&W was toegestaan, niet voldeed aan geldende milieuregels en de omgevingsvergunning niet op orde had is dan ook ter beoordeling van de gemeente. Wel oordeelde de rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 17 oktober 2023 dat op de betreffende varkenshouderijlocatie meer dieren gehouden zijn «dan was toegelaten in de vergunning van 2008». Het betrof hier de milieuvergunning. Hoe lang deze situatie zich heeft voorgedaan kan uit de uitspraak niet worden opgemaakt.
Bent u ermee bekend dat de rechtbank Oost-Brabant in 2023 heeft geoordeeld dat het bedrijf al sinds 2004 illegaal opereerde?3
Ik ben bekend met de door de leden van de fractie van de PvdD aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2023.
Kunt u bevestigen dat dit bedrijf, ondanks jarenlange juridische procedures, handhavingsverzoeken en rechterlijke uitspraken over illegale bedrijfsvoering, alsnog aanspraak maakt op circa vijf miljoen euro aan belastinggeld? Hoe hoog is het exacte subsidiebedrag?
De betreffende varkenshouder heeft op 27 oktober 2023 op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (hierna: Lbv) een subsidieaanvraag ingediend. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) heeft bij de beoordeling vastgesteld dat de aanvraag aan alle subsidievoorwaarden voldeed. Als onderdeel van deze beoordeling heeft RVO bij bevoegde gezagen nagevraagd of de door de betreffende varkenshouder bij diens aanvraag aangeleverde milieu en natuurvergunning de vigerende vergunningen zijn. Zowel de betreffende gemeente als provincie hebben hierop bevestigend geantwoord. Op 1 juni 2024 is op deze aanvraag een positief besluit genomen. Over de hoogte van het toegekende subsidiebedrag kan ik vanuit privacyoverwegingen op dit moment geen mededelingen doen. Conform de vereisten uit de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (hierna: de Richtsnoeren)4 dient Nederland, nadat subsidievaststelling heeft plaatsgevonden en de uitvoering van de regeling is afgerond, van iedere subsidieontvanger de hoogte van het uitgekeerde subsidiebedrag te publiceren. Op dit moment is de uitvoering van de Lbv nog niet afgerond.
Onderschrijft u de noodzaak van een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van de 20 miljard euro aan belastinggeld die is vrijgemaakt voor het samenhangende pakket voor landbouw, natuur en stikstof?
Ja.
Hoe rijmt u het verstrekken van miljoenen euro’s subsidie aan een veehouderijbedrijf dat structureel milieuwetgeving overtreedt met een efficiënte, rechtmatige en doelmatige besteding van dit geld, terwijl de overheid in dergelijke gevallen ook kan handhaven, illegale situaties kan beëindigen en vergunningen kan intrekken?
De subsidieaanvraag van betreffende varkenshouder is door RVO beoordeeld aan de hand van de subsidievoorwaarden zoals deze in de Lbv zijn opgenomen. Daarbij is geoordeeld dat de aanvraag voldoet aan alle voorwaarden die de regeling stelt. De subsidieontvanger moet, om in aanmerking te komen voor subsidieverlening voldoen aan de subsidievoorwaarden. Op 1 juni 2024 heeft RVO aan de aanvrager de beschikking tot subsidieverlening gegeven. Dat betekent dat RVO heeft vastgesteld dat de betreffende varkenshouder aan de voorwaarden heeft voldaan voor subsidieverlening. De ondernemer heeft vervolgens twee voorschotten ontvangen maar nog geen verzoek tot subsidievaststelling gedaan.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de provincie doorgaans bevoegd gezag daar waar het gaat om het verlenen van een natuurvergunning en de gemeente daar waar het gaat om een milieuvergunning. Het is vanuit deze bevoegdheden dat provincies en gemeenten de taak en verantwoordelijkheid hebben om te controleren of ondernemers zich aan de voorwaarden en vereisten van de aan hen verstrekte vergunning(en) houden en om handhavend op te treden, daar waar sprake is van een overtreding die ingrijpen noodzakelijk maakt.
Ten algemene zijn, naar het oordeel van het kabinet, beëindigingsregelingen zoals de Lbv zowel een doeltreffend als doelmatig instrument om, als onderdeel van een breed palet aan maatregelen, de emissie van stikstof te reduceren en daarmee bij te dragen aan noodzakelijk natuurherstel.
Bent u ermee bekend dat de gedeputeerde staten van Noord-Brabant in 2024 nog verklaarden dat aan dit bedrijf geen provinciale subsidies zou worden verleend vanwege structurele overtredingen van milieuregels?4
Ja.
Wat vindt u ervan dat er nu alsnog miljoenen euro’s aan belastinggeld dreigen te worden uitgekeerd aan precies die locaties waarvan de rechter heeft vastgesteld dat daar jarenlang illegaal is geopereerd?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is toegelicht heeft de betreffende varkenshouder aan de voorwaarden voor subsidieverlening voldaan en aan de vereisten voor het verstrekken van voorschotten. Er is nog geen sprake van subsidievaststelling.
Deelt u het inzicht dat iedere euro die wordt besteed aan het vrijwillig uitkopen van bedrijven die illegaal opereren, niet meer beschikbaar is voor andere noodzakelijke maatregelen voor de landbouwtransitie, stikstofreductie en natuurherstel?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is toegelicht voldeed de aanvraag aan de voorwaarden voor subsidieverlening en heeft subsidieverlening daarom op rechtmatige wijze plaatsgevonden.
Erkent u dat het efficiënt, rechtmatig en doelmatig besteden van belastinggeld binnen de stikstofaanpak ook betekent dat wordt gekeken of illegale bedrijfsvoering kan worden beëindigd door handhaving of het intrekken van vergunningen, in plaats van dat er miljoenen euro’s aan vrijwillige uitkoopsubsidies worden verstrekt aan dit soort bedrijven die de wet overtreden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is de gemeente bevoegd gezag als het gaat om het verlenen en handhaven van een milieuvergunning. Op grond van de Omgevingswet beschikt de gemeente over de bevoegdheid om maatregelen te nemen als wordt vastgesteld dat een ondernemer de voorwaarden die zijn verbonden aan een milieuvergunning overtreedt. De controle en handhaving van milieuvergunningen (en natuurvergunningen) is geen bevoegdheid van de Minister van LNNV.
Het kabinet heeft ten algemene de verantwoordelijkheid om publieke middelen doelmatig en rechtmatig te besteden, niet alleen binnen de stikstofaanpak. In beëindigingsregelingen zoals de Lbv zijn strikte subsidievoorwaarden en -vereisten opgenomen die waarborgen dat subsidies op rechtmatige wijze worden verleend. De Lbv-regelingen (Lbv, Lbv-plus, Lbv kleinere sectoren) hebben tot doel de stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden te reduceren door de definitieve en onherroepelijke beëindiging van de productie en productiecapaciteit op veehouderijlocaties. Door de afbakening van de doelgroepen en door de wijze waarop genoemde regelingen zijn vormgegeven wordt een blijvende, geborgde en daarmee doelmatige reductie van stikstofdepositie gerealiseerd.
Bent u bereid om de subsidietoekenning voor dit varkensbedrijf per direct op te schorten en in plaats daarvan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de provincie en de omgevingsdienst te bezien of de illegale bedrijfsvoering via handhaving, het intrekken van vergunningen of andere maatregelen kan worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is toegelicht voldeed de aanvraag aan de voorwaarden voor subsidieverlening en heeft subsidieverlening op rechtmatige wijze plaatsgevonden. Er is dan ook geen aanleiding om de aan betreffende varkenshouder verleende subsidie in te trekken.
Bent u bereid om binnen de bredere landbouwaanpak ook te kijken naar alternatieve routes naast vrijwillige uitkoop, zoals striktere handhaving, het intrekken van vergunningen en het beëindigen van illegale situaties, om zo de efficiëntie, doelmatigheid en rechtvaardigheid van de besteding van belastinggeld te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 is de controle en handhaving van milieu en natuurvergunningen al staand beleid en beschikken provincies en gemeentes over de bevoegdheid om handelend op te treden daar waar illegale situaties worden vastgesteld.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn, maar in ieder geval voordat u de toegezegde aanpak voor landbouw, natuur en stikstof naar de Kamer stuurt, beantwoorden?
Voor beantwoording van de vragen was afstemming noodzakelijk met de provincie Noord-Brabant, de gemeente Land van Cuijk en met RVO. Hierdoor was beantwoording niet mogelijk binnen de gebruikelijke termijn. U bent hiervan op de hoogte gesteld per brief van 10 juni jongstleden.
Het gebrek aan draagvlak voor de uitvoering van de Spreidingswet en de inzet van dwangmaatregelen jegens gemeenten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Asielminister Van den Brink wil uitleg over opvangplekken: dit is het tekort in jouw gemeente»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat op dit moment 250 van de 342 gemeenten niet voldoen aan de taakstelling uit de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: de Spreidingswet), en dat ruim honderd gemeenten in het geheel geen opvang bieden?
Gemeenten hebben op 26 mei een brief ontvangen in het kader van het interbestuurlijk toezicht. Op basis van de informatie die het Ministerie van Justitie en Veiligheid op die datum tot zijn beschikking had, waren er 119 gemeenten die voldeden aan hun wettelijke taak. 116 gemeenten voldeden gedeeltelijk aan hun wettelijke taak en 107 gemeenten voldeden niet (dat wil zeggen dat zij geen enkele asielopvangplek realiseerden). De som van de gemeenten die gedeeltelijk of niet voldoen telt op tot 223 van de 342 gemeenten. Ten aanzien van deze gemeenten worden stappen gezet in het kader van het interbestuurlijk toezicht. De afgelopen weken hebben de eerste ambtelijke gesprekken met deze gemeente plaatsgevonden.
Indien de cijfers in bovenstaande vraag niet correct zijn, hoeveel gemeenten voldoen op dit moment dan niet aan de taakstelling van de Spreidingswet en hoeveel gemeenten bieden in zijn geheel geen opvang?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een situatie waarin bijna driekwart van de gemeenten niet aan de wettelijke taak voldoet, wijst op een breed en structureel gebrek aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de gedwongen vestiging van asielzoekerscentra?
Indien u de in vraag 4 verwoorde opvatting niet deelt, hoe verklaart u dan dat na ruim twee jaar werking van de wet slechts 92 gemeenten aan hun opgave voldoen?
Acht u het uitvoerbaar en proportioneel om een wet met dwang te handhaven waarvan de naleving bij een ruime meerderheid van de gemeenten uitblijft?
Indien het antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, op grond van welke afweging?
Is er naar uw oordeel een omstandigheid denkbaar die een tekort aan opvangplekken in een gemeente kan rechtvaardigen?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke omstandigheden acht u dan legitiem, en betrekt u daarbij factoren als het ontbreken van lokaal draagvlak, ruimtelijke beperkingen en zorgen over de openbare orde en veiligheid?
Indien het antwoord op vraag 8 ontkennend luidt, met welk oogmerk nodigt u gemeenten dan uit om uitleg te komen geven, indien de uitkomst van die gesprekken reeds op voorhand vaststaat?
Kunt u uiteenzetten in welke gevallen een door een gemeente aangevoerde reden kan leiden tot bijstelling van haar taakstelling?
Acht u het wenselijk de autonomie van 250 gemeenten te doorkruisen door over te gaan tot actief toezicht en, in laatste instantie, tot het aanwijzen van opvanglocaties die gemeenten verplicht zijn te accepteren?
Erkent u dat het zelf aanwijzen van opvanglocaties, tegen een besluit van de gemeenteraad in, een vergaande inbreuk vormt op de lokale democratische besluitvorming?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid af te zien van dwangmaatregelen jegens gemeenten waar aantoonbaar geen lokaal draagvlak bestaat?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom weegt de uitvoering van de taakstelling voor u zwaarder dan de uitkomst van het lokale democratische proces?
Bent u bereid de Spreidingswet in te trekken indien de medewerking van gemeenten niet wezenlijk verbetert?
De huidige situatie in de asielopvang laat eens te meer zien dat voor de lange termijn voldoende opvang noodzakelijk is. De Spreidingswet is het instrument om op lange termijn voldoende opvang te realiseren. Om een rechtvaardige verdeling over gemeenten te borgen, houdt dit kabinet de Spreidingswet in stand. Wanneer er voldoende vaste en flexibele opvangplekken van het COA zijn, en er dus een stabiel opvanglandschap is, wordt inzet van de wet overbodig.
Indien u niet bereid bent tot intrekking, bent u dan bereid een gedoogbeleid te voeren waarbij de dwangbepalingen van de Spreidingswet niet worden uitgevoerd zolang het vereiste lokale draagvlak ontbreekt?
Zie antwoord vraag 17.
Waarom kiest u niet voor het reduceren van de instroom tot nihil, als structurele oplossing?
Dit kabinet zet zich in om de instroom duurzaam en structureel te verminderen, onder andere aan de hand van de Wet invoering tweestatusstelsel. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van het Europees Asiel- en Migratiepact dat afgelopen maand in werking is getreden. Ook wordt er ingezet op terugkeer. Dit doet er niet aan af dat asielzoekers die zich eenmaal in Nederland bevinden, fatsoenlijk moeten worden opgevangen. Daartoe zijn we volgens internationale en Europese wettelijke kaders ook verplicht.
Beschikt uw ministerie over voldoende ambtelijke capaciteit (fte) om de circa 250 niet-voldoende presterende gemeenten onder actief toezicht te plaatsen?
Kunt u kwantificeren hoeveel fte gemoeid is met het onder actief toezicht plaatsen van één gemeente, en welk totaal beslag dit zou leggen indien dit voor 250 gemeenten gelijktijdig zou moeten geschieden?
Indien de daarvoor benodigde capaciteit ontbreekt, betekent dit dan dat het instrument van actief toezicht in de praktijk slechts selectief of symbolisch kan worden ingezet?
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot een gelijke behandeling van gemeenten?
Hoe verhoudt het uitnodigen van gemeentebestuurders om zich op uw ministerie te verantwoorden zich tot gemeentelijke autonomiteit?
Gemeenten hebben een wettelijke taak vanuit de Spreidingswet. Voor gemeenten die niet voldoen aan hun wettelijke taak, is zoals gebruikelijk het rijksbrede kader voor interbestuurlijk toezicht van toepassing. Onderdeel van dit kader zijn eerst de ambtelijke gesprekken met gemeenten en vervolgens, indien nodig, bestuurlijke gesprekken.
Bent u bereid de verslagen of notulen van de gesprekken met gemeenten openbaar te maken, dan wel vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven?
Het is belangrijk dat de ambtelijke en bestuurlijke gesprekken in vertrouwelijkheid plaatsvinden. In zo’n gesprek zal ook vertrouwelijke informatie besproken worden, zoals de voornemens van gemeenten over hoe ze aan de wettelijke taak willen voldoen en welke (premature) plannen ze daarvoor hebben. Ik vind het belangrijk dat gemeenten volledige openheid durven te geven. De gespreksverslagen worden daarom niet openbaar gemaakt.
Indien u daartoe niet bereid bent, waarom niet?
Zie antwoord vraag 25.
Het schriftelijk overleg met als onderwerp 'Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat het bestuursorganen is toegestaan om zienswijzen uit te vragen via het toezenden van een informatieve brief?
Zoals ik ook in mijn brief van 10 juni 2026 heb aangegeven1 kan een bestuursorgaan kiezen voor het uitvragen van zienswijzen via het toezenden van een informatieve brief. Indien een verzoek een veelvoud aan derde-belanghebbenden kent, is het gebruikelijk om de zienswijze uit te vragen via de Staatscourant. Het verspreiden van de oproep tot het geven van zienswijzen in de Staatscourant wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zorgvuldig en in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht gezien.2
Klopt het dat de eis van de mediabedrijven, waarbij zij de rechtbank Den Haag verzochten om De Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) te verbieden om zienswijzen via toezending van een informatieve brief, is afgewezen door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439)?
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 5.8 van dit vonnis aan dat de bestuursrechter de aangewezen rechter is om een oordeel te geven over de te volgen zienswijze bij besluitvorming over Woo-verzoeken die zien op dezelfde of vergelijkbare emissiegegevens. In dezelfde overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat de eisers op dit punt niet worden ontvangen in hun vordering. Uit het vonnis volgt geen inhoudelijke afwijzing van de vordering.
Klopt het dat dit ook de gebruikelijke wijze is van het uitvragen van een zienswijze?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 1.
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/ of u beschikken over de e-mailadressen van agrarische bedrijven, onder andere omdat zij deze invullen bij de gecombineerde opgave?
RVO beschikt over e-mailadressen van agrarische bedrijven die zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave.
Waarom worden derde-belanghebbenden niet tevens per e-mail geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
E-mailadressen die specifiek zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave kunnen vanwege privacy niet zomaar worden ingezet voor een ander doel. In de situatie dat er een veelvoud van derdebelanghebbenden is, is het individueel benaderen per e-mail bovendien niet efficiënt en foutgevoelig. Een effectieve en minder foutgevoelige werkwijze is het informeren via de Staatscourant in combinatie met het aanschrijven van de diverse belangenorganisaties met het verzoek dit onder de aandacht te brengen van hun achterban. De recente praktijk – waarbij er 3000 agrariërs via de belangenorganisatie hun zienswijze heeft uitgebracht – heeft geleerd dat dit werkt.
Hoeveel agrariërs hebben een abonnement op de Staatscourant en hoeveel agrariërs hebben een abonnement op een agrarisch weekblad?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op de Staatscourant. Er zijn bij het ministerie ook geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op een agrarisch weekblad.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal zienswijzen dat is ingediend bij Wet open overheid (Woo)-procedures waarbij meer dan 500 belanghebbende agrariërs zijn betrokken sinds 2020, waarbij per procedure wordt aangegeven hoe derde-belanghebbenden zijn geïnformeerd over de zienswijzeprocedure?
Het aantal derde-belanghebbenden bij Woo-procedures wordt niet geregistreerd, waardoor deze uitsplitsing niet te maken valt.
Welk percentage van de agrarische derde-belanghebbenden leest binnen een week na publicatie van een kennisgeving over een Woo-procedure in de Staatscourant deze kennisgeving?
Hierover zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar.
Waarom worden agrariërs niet tevens via advertenties in een agrarisch weekblad geïnformeerd over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Rijksbreed is de lijn informeren via de Staatscourant. Aanvullend daarop worden extra stappen gezet. Belangenorganisaties worden geïnformeerd over de publicatie van twee kennisgevingen in de Staatscourant: de «voorgenomen openbaarmaking gegevens» en het «besluit openbaarmaking gegevens». Deze belangenorganisaties kunnen vervolgens agrariërs hierover informeren. Daarnaast wordt dit op de RVO-website vermeld en zal dit in de RVO-nieuwsbrief onder de aandacht worden gebracht.
Waarom krijgen derde-belanghebbende geen afschrift van de stukken die u voornemens bent om over hen openbaar te maken?
Bij Woo-verzoeken over emissiegegevens zijn de stukken door derde-belanghebbenden zelf ingediend bij RVO, veelal via de Gecombineerde opgave en/of het I&R-registratiesysteem (Identificatie en Registratie). De documenten zijn dus reeds in het bezit van derde-belanghebbenden. Aanvullend is een afschrift van deze documenten door derde-belanghebbenden in te zien via het portaal Mijn RVO en/of het I&R-registratiesysteem.
Deelt u de analyse dat een derde-belanghebbende deze stukken nodig heeft om een goede zienswijze te kunnen geven?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Kan een derde-belanghebbende deze stukken tijdens de zienswijzeprocedure opvragen bij RVO en/ of de Minister?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Wordt de termijn tot het indienen van een zienswijze verlengd op het moment dat een derde-belanghebbe een afschrift opvraagt van de stukken die deze derde-belanghebbende betreffen? Zo nee, waarom niet?
De termijn waarbinnen een bestuursorgaan op een Woo-verzoek moet beslissen, wordt opgeschort vanaf de dag waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat een zienswijzeprocedure wordt uitgevoerd tot en met de dag waarop de zienswijzen zijn ontvangen of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voor het indienen van een zienswijze moet een redelijke termijn worden gegeven. De termijn voor het indienen van een zienswijze wordt daarom niet verlengd, tenzij sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden die dit rechtvaardigen. Ook omdat dit gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen een Woo-verzoek feitelijk kan worden afgehandeld.
Waarom worden derde-belanghebbende niet gewezen op hun recht om ook mondeling een zienswijze te geven (op grond van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Artikel 4:9 Awb geeft het recht aan de belanghebbende om te kiezen tussen een schriftelijke en mondelinge toelichting. De keuze is aan de belanghebbende. In de zienswijzebrieven wordt daarom een telefoonnummer vermeld waarmee telefonisch een zienswijze gegeven kan worden.
Bent u bereid om derde-belanghebbenden erop te wijzen dat zij ook mondeling hun zienswijze naar voren kunnen brengen middels een zienswijzegesprek?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 14.
Gaat u weer zienswijzen uitvragen door het toezenden van een informatieve brief aan derde-belanghebbenden, met daarbij een afschrift van de stukken die u voornemens is om openbaar te maken met betrekking tot die derde-belanghebbende?
Ik onderschrijf het belang van het informeren van agrarisch ondernemers over het feit dat informatie over hun bedrijf openbaar wordt gemaakt en dat zij weten welke gegevens dit betreft. In de vorige kabinetsperiode is, bovenstaande punten indachtig, gekozen om alle belanghebbenden individueel aan te schrijven over de mogelijkheid tot een zienswijzeprocedure.
Na zorgvuldige afweging kom ik echter tot een andere conclusie ten aanzien van de wijze waarop die zienswijzen het meest effectief kunnen worden uitgevraagd. Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Bij Woo-verzoeken met veel derde-belanghebbenden willen we zienswijzen effectief uitvragen zonder afbreuk te doen aan de positie van agrarisch ondernemers.
De nieuwe werkwijze doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de procedure, maar biedt met behoud van alle waarborgen een andere, efficiëntere aanpak. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen en maak ik mij zorgen over de sociale veiligheid van agrarische ondernemers. Daarom wordt onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kunnen vervolgstappen worden gezet. Overigens zijn bedrijfsadressen ook op andere manieren toegankelijk, zoals in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Klopt het dat de bekendmaking van een besluit aan derde-belanghebbenden op grond van artikel 3:41 van de Awb plaats moet vinden via toezending en dat is gebleken dat bekendmaking ook gewoon op deze wijze kan geschieden?
Artikel 3:41 van de Awb regelt de wijze van bekendmaking aan diegenen tot wie het besluit zich richt. Woo-besluiten zijn gericht aan de verzoeker(s), niet aan derde-belanghebbenden. Verzoeker(s) ontvangen de Woo-besluiten door (elektronische) toezending. Op grond van artikel 4.4 lid 6 van de Woo moet de beslissing om informatie openbaar te maken tegelijkertijd worden meegedeeld aan de belanghebbende die daartegen naar verwachting bezwaar heeft. Dit sluit aan bij de algemene mededelingsplicht uit artikel 3:43 Awb. Wanneer het gaat om grote groepen derde-belanghebbenden waarbij individuele toezending niet effectief of onmogelijk is, kan toezending niet dekkend zijn. Dan kan het in de rede liggen om het besluit te publiceren in de Staatscourant om te borgen dat alle belanghebbenden tijdig worden bereikt.
Gaat u de bekendmaking van Woo-besluiten aan derde-belanghebbenden door middel van toezending voortzetten? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 16.
Hoe gaat u de zienswijzeprocedure inrichten indien u mogelijk over gaat tot actieve openbaarmaking (zoals voortvloeit uit artikel 3.1, derde lid, van de Woo)?
Op dit moment is nog niet besloten tot het actief openbaar maken van emissiegegevens. Momenteel wordt onderzocht hoe emissiegegevens actief openbaar gemaakt kunnen worden op een manier die recht doet aan de verschillende belangen. Hiertoe worden onder andere gesprekken gevoerd met brancheverenigingen. Indien hiertoe wordt besloten zal vervolgens worden bezien hoe derde-belanghebbenden geïnformeerd worden over actieve openbaarmaking van dezen informatie.
Hoe gaat u de bekendmakingsprocedure van een openbaarmakingsbesluit bij actieve openbaarmaking inrichten?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 19.
Hoe betrekt u derde-belanghebbenden bij het horen tijdens een bezwaarprocedure in een Woo-procedure op grond van artikel 7:2 van de Awb?
In de bezwaarprocedure is van belang dat niet alleen rekening wordt gehouden met belangen van de bezwaarmaker, maar ook met de belangen van eventuele derde-belanghebbenden. Twee situaties zijn te onderscheiden.
In de ene situatie wordt alleen bezwaar gemaakt door de verzoeker, die meent dat onvoldoende tegemoetgekomen is aan zijn verzoek tot openbaarmaking. Op dat moment is er geen aanleiding voor het bestuursorgaan ook derde-belanghebbenden te horen. Die aanleiding kan wel ontstaan als het bestuursorgaan na het horen van de bezwaarmaker aan het bezwaar van de verzoeker tegemoet wil komen door openbaarmaking van informatie die één of meer derde-belanghebbenden betreft. In dat geval wordt de derde-belanghebbende(n) alsnog een zienswijze gevraagd en wordt toepassing gegeven aan artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo (uitgestelde verstrekking).
De andere situatie is dat de derde-belanghebbende zelf bezwaar maakt. In dat geval wordt deze gehoord op grond van artikel 7:2 Awb. In beide situaties is vanuit zorgvuldigheidsoogpunt gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de belangen van derde-belanghebbenden en dat zij niet worden benadeeld. Er kan ook worden afgezien van het horen om specifieke redenen die worden genoemd in artikel 7:3 Awb.
Waarom zijn derde-belanghebbenden niet betrokken bij het horen in Woo-procedure Woo/2023/066?
Genoemd Woo-verzoek is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen heeft de verzoeker bezwaar gemaakt. Op 12 januari jl. zijn de derde-belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze is meegenomen bij het besluit op bezwaar. Na beslissing op bezwaar, resteert louter de optie tot beroep.
Hoeveel bezwaarschriften zijn als beroepschrift doorgestuurd aan de rechtbank in Woo-procedure Woo/2023/066?
Er zijn 1.956 bezwaren als beroepen naar de rechtbank gestuurd.
Klopt het dat het niet horen van derde-belanghebbende op basis van de vaste jurisprudentie leidt tot het veroordelen van het bestuursorgaan tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 30 oktober 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9169))?
Nee. In algemene zin kan niet worden gezegd dat het niet-horen van een belanghebbende in de bezwaarfase altijd ten onrechte is en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten leidt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan van horen worden afgezien als in de beslissing op bezwaar uitvoering moet worden gegeven aan een dwingende uitspraak van de rechter en het horen geen toegevoegde waarde kan hebben.
Klopt het dat RVO en/ of u de bezwaarmakers in Woo-procedure Woo/2023/066 onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het Woo-besluit?
Dat klopt inderdaad, helaas is de verwijzing naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Daarom heb ik een herstelactie laten uitvoeren waarin alle bezwaarmakers per brief zijn geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie heb ik ook de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt.
Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Deelt u de opvatting dat het op de weg ligt van RVO en/ of u om het griffierecht te betalen voor de bezwaarden van wie het bezwaarschrift als beroepschrift naar de rechtbank is doorgezonden in Woo-procedure Woo/2023/066? Dit omdat dit voortvloeit uit uw fout en u hoogstwaarschijnlijk sowieso wordt veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht in verband met het niet betrekken van de derde-belanghebbenden bij de bezwaarprocedure?
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: de verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar. Hiermee hebben de rechtsmiddelen van het reguliere bestuursrechtelijke proces opengestaan en dit betekent dat bezwaarden dus geen rechtsmiddel is ontnomen. In de herstelactie heb ik de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en daarmee kosten maakt. Bovendien kan betrokkene in het uiterste geval de procedure ook beëindigen door de griffierechten niet te betalen.
Bent u bereid om voor alle bezwaarden in Woo-procedure Woo/2023/066 de griffierechten te betalen? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 26.
Welke documenten vallen volgens u onder de definitie van «officiële documenten» zoals gebruikt in artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679?
Artikel 86 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gebruikt het begrip «officiële documenten», maar geeft daarvan geen autonome, expliciete definitie. De bepaling omkleedt het begrip en laat het aan de lidstaten over om, met inachtneming van het Unierecht en het nationale recht, de toegang van het publiek tot dergelijke documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.
In Nederland is het recht op toegang tot publieke informatie geregeld in de Wet open overheid (Woo). In de Woo wordt het begrip «officiële documenten» beheerst door het documentbegrip in artikel 2.1 van de Woo.
Deelt u de analyse dat artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679 is geïntroduceerd op verzoek van Scandinavische landen, waar het openbaarmakingsregime slechts van toepassing is op «officiële documenten» in plaats van alle documenten?
De ontstaansgeschiedenis van artikel 86 van de AVG laat een genuanceerder beeld zien. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 28, laat de verordening de nodige ruimte aan lidstaten om hun nationale gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming te brengen met het recht op openbaarmaking. Een algemene stelling over het openbaarmakingsbeleid in Scandinavië valt niet eenduidig te geven. In bepaalde opzichten is de openbaarmaking in bepaalde Scandinavische landen restrictiever, terwijl in andere opzichten dit wat uitgebreider is ingericht.
Deelt u de analyse dat niet alle documenten die zich onder een bestuursorgaan bevinden kwalificeren als «officiële documenten»?
Het uitgangspunt van de Woo is dat informatie die onder een bestuursorgaan berust in principe openbaar is. Alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Het principe is dus «openbaar, tenzij». De uitzonderingsgronden op basis waarvan openbaarmaking achterwege kan of moet blijven, zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Woo.
Deelt u de opvatting dat de bezwaarprocedure in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 onzorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. Over deze eerdere verzoeken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 24 september 2025 uitspraak gedaan. Hierin is geoordeeld dat de gegevens binnen twee weken openbaar moeten worden gemaakt.3 Dit is op 7 oktober 2025 door mijn ambtsvoorganger gedaan. In de verzoeken Woo/2024/040 en Woo/2024/073 wordt gevraagd om dezelfde gegevens over een recentere periode. Op grond hiervan kon niet anders worden beslist dan dat de gevraagde informatie openbaar moet worden gemaakt en dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.
Waarom is in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 niet ingegaan op de individuele bezwaargronden van bezwaarmakers?
Voor de ontvankelijke bezwaren is in de inhoudelijke beslissing op bezwaar m.b.t. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 ingegaan op de door bezwaarmakers aangevoerde bezwaargronden. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk of nog niet in behandeling genomen omdat bezwaarmakers bijvoorbeeld geen gronden hebben ingediend waardoor geen inhoudelijke beslissing op het bezwaar kan worden genomen. Deze bezwaarmakers hebben of zullen daarom een andere, niet inhoudelijke beslissing op bezwaar ontvangen. Hierbij wordt niet ingegaan de inhoud van eventuele aangevoerde bezwaargronden. De bezwaarmaker krijgt de gelegenheid om dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het (tijdig) hersteld, dan is het bezwaar ontvankelijk en wordt het in behandeling genomen. Wordt het niet (tijdig) hersteld, dan wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Waarom zijn bezwaarmakers niet gehoord in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073?
De bezwaren zijn kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7:3 en onder de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Denkt u dat de bezwaarmakers zich serieus genomen voelen?
Bij het besluiten op een Woo-verzoek worden zienswijzen of bezwaren meegenomen in de afwegingen van het besluit. In het besluit wordt ook toegelicht wat hiermee is gedaan. Bij verzoeken met veel belanghebbenden worden argumenten van gelijke strekking gegroepeerd en gezamenlijk beantwoord.
Bij de beoordeling wordt gekeken naar de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt in het geval van emissiegegevens dat deze openbaar gemaakt moeten worden. Er zijn op grond van de Woo geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG). Het kabinet blijft zich in Brussel inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen. Voorts kan op basis van de uitkomsten van de wetsevaluatie worden gekeken naar de door de richtlijn toegestane uitzonderingsgronden voor emissiegegevens. Ik begrijp dat openbaarmaking van emissiegegevens (die tevens woonadresgegevens zijn) veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Bent u zich bewust dat de handelwijze, door de bezwaren in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zonder horen kennelijk ongegrond te verklaren, zeer afwijkt van de normale behandeling van bezwaarschriften en ook zeer afwijkt van de behandeling van bezwaren rondom de openbaarmaking van emissiegegevens door andere bestuursorganen?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 31, 32 en 33.
Bent u voornemens om ook in de toekomst bezwaarmakers via een standaardbrief, zonder horen, kennelijk ongegrond te verklaren?
Dat is afhankelijk van de bezwaren. Bezwaren worden per geval beoordeeld.
Waarom zijn in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 allemaal aparte beslissingen op bezwaar genomen, terwijl er bij verschillende bezwaren tegen één besluit één beslissing op bezwaar genomen moet worden (zie onder andere de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3763)?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 32. Daarop aanvullend: voor Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn de inhoudelijke beslissingen op bezwaar qua inhoud gelijkluidend. Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk en deze bezwaarmakers hebben/zullen daarom een andere beslissing op bezwaar qua inhoud ontvangen.
Waarom zijn bezwaren tegen verschillende primaire besluiten in een veelvoud geconsolideerde beslissingen op bezwaar afgedaan, waarbij per beslissing op bezwaar zowel werd besloten op bezwaren tegen de besluiten met kenmerk Woo/2024/040 als ook kenmerk Woo/2024/073? Acht u dat er voldoende samenhang tussen deze primaire besluiten is om een gecombineerde beslissing op het bezwaar te nemen? Zo ja, waarom?
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 over de verzoeken Woo/2022/192 en Woo/2022/194 ook gezamenlijk uitspraak gedaan. Deze samenhang was aanleiding om tot een geconsolideerd besluit te komen.
Wat als straks een beroepszaak van één van de bezwaarden in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 of Woo/2024/073 wél gegrond wordt verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wordt, maar andere bezwaarden niet in beroep gaan? Moeten dan alle beslissingen op de bezwaren als vernietigd worden beschouwd? Gaat u dan het volledige primaire besluit herroepen bij een nieuwe beslissing op het bezwaar?
Indien dat geval zich voordoet, zal ik eerst de uitspraak moeten bestuderen.
Deelt u de opvatting dat de Woo een zware en complexe uitvoeringslast met zich meebrengt?
De uitvoering van de Woo vraagt uiteraard om een gedegen, zorgvuldige en continue inzet van de ambtelijke organisatie. De zorgvuldige afweging tussen transparantie en wettelijke belangen, zoals privacy, vereist daarbij een hoge mate van precisie en expertise. Het kabinet blijft zich er dan ook voor inzetten om bestuursorganen te ondersteunen bij het optimaliseren van hun werkprocessen, zodat de ambities van de wet op een verantwoorde wijze, zodat de Woo efficiënt kan worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo wordt gekeken hoe de wet beter toepasbaar kan worden gemaakt. Vooruitlopend hierop en parallel hieraan worden uiteraard al wel maatregelen getroffen om de uitvoering van de Woo te verbeteren binnen het huidige wettelijke kader.
Is de regering voornemens om met wetsvoorstellen te komen om de Woo aan te passen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsbrief Open Overheid van de Minister van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 13 mei 2026.4
Op basis van de wetsevaluatie van de Woo zal worden gekeken welke aanpassingen in het wettelijk kader van de Woo al dan niet nodig zijn om de wet beter toepasbaar te maken.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Flach/Van der Plas over het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn beter afbakenen (Kamerstuk 32 802, nr. 120)?
De Staatssecretaris van BZK heeft in de brief inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 8 juni 2026 5aangegeven dat ter uitvoering van deze motie bij andere lidstaten een uitvraag is gedaan in hoeverre het spanningsveld tussen de openbaarheid van emissiegegevens en privacy van agrariërs en andere ondernemers ook in die landen speelt, en of maatregelen worden overwogen. Op basis van de uitkomsten van deze uitvraag is geconstateerd dat op dit moment onvoldoende steun is voor het beter afbakenen van het begrip «emissiegegevens» uit de richtlijn in Europa. Desalniettemin zal het kabinet zich in Brussel blijven inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Wijen-Nass over de mogelijkheid verkennen om het Verdrag van Aarhus op te zeggen (Kamerstuk 36 512, nr. 83)?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025 (Kamerstuk 36 512 nr. 104).
Kunt u deze vragen betrekken bij de antwoorden van het schriftelijk overleg «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens»?
U ontvangt hierbij separaat antwoord op de hierboven gestelde vragen. Vanwege het volume en de specificiteit was het niet mogelijk deze binnen de gevraagde versnelde termijn te beantwoorden.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht van een man met 7 oktober shirt in de Albert Heijn in Amsterdam |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en de foto gepubliceerd op 9 augustus 2026 door onder andere het Centrum Informatie- en Documentatie Israel (CIDI),waaruit blijkt dat een man in een rood shirt, met daarop aan de achterzijde duidelijk bedrukt «October 7», ongemoeid door de Albert Heijn aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West kon wandelen en winkelen en zo openlijk steun kon betuigen aan de Hamas-terreuraanslag van 7 oktober 2023, waarbij 1.200 onschuldige Israëlische burgers werden gemarteld, verkracht en vermoord?1
Bent u het ermee eens dat deze openlijke steun voor de grootste moord op Joden sinds de Holocaust, dan wel verheerlijking van de betrokken islamitische terreurgroepen walgelijk, schandalig en volstrekt ontoelaatbaar is en dat dergelijk virulent islamitisch antisemitisme niet thuishoort in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de dader zich blijkbaar onaantastbaar waant en denkt deze daad straffeloos te kunnen plegen? Waarom heeft Albert Heijn niet ingegrepen? Wat zegt dit over Albert Heijn in het algemeen en het betreffende Amsterdamse filiaal in het bijzonder? Waarom hebben de autoriteiten niet onmiddellijk tegen deze islamitische provocatie opgetreden? Zijn ze bereid dat alsnog binnen 24 uur te doen nu?
Bent u bereid om alle middelen die de Nederlandse staat tot zijn beschikking heeft tegen de dader aan te wenden en om, als dat nog niet is gebeurd, alles op alles te zetten om de dader onmiddellijk te identificeren, op te sporen, te arresteren en te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat er voor de dader, die op zo’n schaamteloze wijze de Nederlandse waarden vertrapt, islamitische terreur viert en zich daarmee onmiskenbaar tegen de Nederlandse samenleving keert, geen plek in Nederland is én dat hij na veroordeling onmiddellijk dient te worden gedenaturaliseerd en het land uit moet worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de integratie en de opvoeding van dit sujet evident hopeloos is mislukt en dat dit ook onvermijdelijk consequenties moet hebben voor het gezin en familie waar deze dader uit afkomstig is, bestaande uit het deporteren van zijn familie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij naturalisatie en/of verblijfsrecht steun aan terrorisme of verheerlijking van 7 oktober als absolute uitsluitingsgrond te hanteren en bestaande verblijfsvergunningen op grond daarvan in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid met Albert Heijn in gesprek te gaan en dit bedrijf mede te delen dat er in Nederland geen plaats is voor bedrijven die niet optreden tegen dit soort walgelijke vormen van terreurverheerlijking
Welke maatregelen neemt u verder om te voorkomen dat dergelijke openlijke steunbetuigingen aan Hamas en haar terreur in Nederlandse openbare ruimten zich blijven voordoen? Bent u bereid om gerichte instructies te geven aan politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten en andere autoriteiten om hierop onmiddellijk en hard op te treden, inclusief arrestatie, denaturalisatie en deportatie van dader én gezin? Zo nee, waarom niet?
Bent u ook Minister-President van de joodse Nederlanders? Zo ja, kunt u, mede gelet op het gestelde in de vragen 3 en 4 en het urgente karakter hiervan, deze vragen als Minister-President binnen 48 uur beantwoorden?
De IPC-analyse van de voedingssituatie in de Gazastrook |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze IPC-analyse van de acute ondervoedingssituatie in de Gazastrook?1 2
Kunt u bevestigen dat volgens deze analyse alle door de IPC geanalyseerde gouvernementen in de Gazastrook voor de periode van 16 april tot en met 30 juni 2026 zijn geclassificeerd op IPC AMN Fase 1 (Acceptabel) en voor de projectieperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026 op IPC AMN Fase 2 (Alert), waarbij Rafah wegens onvoldoende gegevens niet is geanalyseerd? Zo nee, waarom niet en welke classificatie hanteert u dan?
Kunt u bevestigen dat de IPC in deze analyse vaststelt dat sinds het staakt-het-vuren van oktober 2025 grootschalige hulpverlening heeft geleid tot verbeteringen in de voedselzekerheid en voedingsomstandigheden in de Gazastrook, en dat de voedingssituatie sinds begin 2026 aanzienlijk is verbeterd, terwijl de behoeften volgens de IPC hoog blijven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u in de beantwoording van de Kamervragen van 24 september 2025, in antwoord op vraag 20, heeft gesteld dat er sprake was van een hongercrisis in de Gazastrook «vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël» en dat dit «een gevolg van menselijk handelen» was? Kunt u tevens bevestigen dat u in antwoord op vraag 11 heeft gesteld: «De hongercrisis in de Gazastrook is het gevolg van menselijk handelen. Israël heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid.»? Handhaaft het kabinet deze kwalificaties en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de meest recente IPC-analyses? Zo ja, op welke actuele feiten en bronnen baseert het kabinet deze beoordeling? Zo nee, bent u bereid de eerdere beoordeling expliciet richting de Kamer te actualiseren?3
Kunt u aangeven welke bronnen het kabinet tot dusver heeft gehanteerd voor zijn kwalificaties van de voedselzekerheids- en ondervoedingssituatie in de Gazastrook en in hoeverre het zijn beoordeling bijstelt naar aanleiding van de meest recente IPC-analyses? Bent u tevens bereid deze analyses, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen acute ondervoeding (AMN) en acute voedselonzekerheid (AFI), actief onder de aandacht te brengen bij EU-partners en de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Nieuwe VN-/UNICEF-cijfers over de voedingssituatie in Gaza |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vragen van mevrouw Keijzer en de heer Markuszower d.d. 7 augustus 2026 over de recente IPC-/UNICEF-analyse over acute ondervoeding in Gaza, waarin wordt geconcludeerd dat de gemeten acute ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar aanzienlijk lager ligt dan eerdere prognoses en dat de onderzochte gebieden zijn ingedeeld in de laagste categorie van acute ondervoeding?1 2
Op welke rapportages, datasets en analyses heeft het uw ministerie zich sinds oktober 2023 gebaseerd bij de beoordeling voor de verlening van humanitaire hulp in Gaza?
Kan per belangrijke beleidsbeslissing of aanvullende humanitaire bijdrage ten aanzien van Gaza worden aangegeven welke informatiebronnen daarbij zijn gebruikt, welke indicatoren daarbij doorslaggevend waren en of deze informatie betrekking had op gemeten gegevens of prognoses?
Heeft de recente IPC-/UNICEF-analyse aanleiding gegeven om de Nederlandse humanitaire inzet te herzien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat in meerdere van u afkomstige Kamerbrieven het woord «hongersnood», «femine» of soortgelijke termen zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze uitspraken naar aanleiding van de recente IPC-/UNICEF-analyse te rectificeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de vele beelden die al langere tijd via sociale media circuleren waarop voedselmarkten, winkels, restaurants en andere voedselvoorzieningen in Gaza zichtbaar zijn en waarop een aanzienlijke beschikbaarheid van voedsel wordt getoond?3 4
Bent u van mening dat deze beelden het beeld tegenspreken dat er sprake zou zijn geweest van een algemene voedselcrisis of grootschalige voedseltekorten in Gaza? Zo nee, waarom niet en hoe beoordeelt u deze beelden in het licht deze aannames?
Hoeveel aanwijzingen zijn er volgens u nog nodig voordat Nederland erkent dat een deel van de humanitaire hulp niet of nauwelijks bij de burgerbevolking terechtkomt, maar in handen valt van Hamas, zoals niet alleen blijkt uit videobeelden5 6 7, maar ook uit verklaringen van de VN8 9 dat Hamas humanitaire hulpgoederen heeft gestolen? En hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de nieuwe VN-/Unicef-cijfers over de voedingssituatie?
Bent u van mening dat, gelet op de financiële druk waaronder veel Nederlandse huishoudens momenteel staan en het feit dat veel Nederlanders hun dagelijkse boodschappen nu al niet meer kunnen betalen, direct met iedere vorm van ontwikkelingshulp gestopt moet worden te beginnen bij humanitaire hulp aan Gaza dat aantoonbaar bij terroristen terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Het artikel waaruit blijkt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Alleen Nederlandse chauffeurs krijgen boete als ze over Merwedebrug rijden: «Pure concurrentievervalsing»» en kunt aangeven of het klopt dat alleen Nederlandse chauffeurs een boete krijgen als ze over de Merwedebrug rijden? Zo nee, kunt u toelichten waar de bevindingen van het AD vandaan komen en waarom deze onjuist zijn?1
Bent u indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is bereid om het uitschrijven van bekeuringen aan Nederlandse chauffeurs te staken zolang buitenlandse chauffeurs geen bekeuring kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat louter het bekeuren van Nederlandse chauffeurs discriminatie is en dat dit past in de trend bij de overheid waarin Nederlanders overmatig worden benadeeld ten opzichte van niet-Nederlanders? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vereisen dat overtreders ongeacht nationaliteit op gelijke wijze worden behandeld? Zo ja, hoe wordt daarop toegezien en hoe gaat u deze evidente discriminerende situatie oplossen?
Acht u het indien buitenlandse overtreders niet of moeilijk kunnen worden beboet dan rechtvaardig dat Nederlandse ondernemers hierdoor relatief zwaarder worden getroffen?
Hoe lang verwacht u dat het verbod voor vrachtverkeer op de Merwedebrug nog noodzakelijk blijft en wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de duur van de maatregel?
Wanneer gaat u eindelijk eens (adequaat) investeren in de infrastructuur teneinde te voorkomen dat het bekeuren van vrachtwagenchauffeurs überhaupt nodig is?
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Oxfam Novib |
|
Ingrid Coenradie (PVV), Mona Keijzer |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Mirjam Sterk (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?