Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het Limburgse spoor |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eerste Limburgse spooroverleg is een succes: Infrabel wil kostenraming maken voor heropening spoorlijn 20»?1
Hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat de spoorbrug, de Sint Servaasbrug en de Wilhelminabrug gezamenlijk bepalend zijn voor zowel de hydraulische doorstroming als bevaarbaarheid van de Maas? En wordt onderzocht welke aanpassingen aan deze drie bruggen noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen op het gebied van hoogwaterveiligheid en scheepvaart te realiseren?
De Maas heeft de afgelopen decennia op veel plekken meer ruimte gekregen door een combinatie van delfstoffenwinning en hoogwaterbescherming. In Maastricht zelf zijn daarbij geen maatregelen genomen, waardoor de breedte van het rivierbed hier significant kleiner is dan boven- en benedenstroom van de stad. De Sint Servaasbrug, Wilhelminabrug en Spoorbrug Maastricht liggen op het smalste deel van de rivier, waarbij de pijlers van de bruggen voor extra opstuwing zorgen. De pijlers van de Spoorbrug Maastricht zorgen bijvoorbeeld al voor een opstuwend effect van vijf centimeter.
Doordat de Maas in Maastricht relatief smal is ten opzichte van de delen ten noorden en zuiden van de stad nemen bij hogere rivierafvoeren de stroomsnelheden snel toe. Deze hoge stroomsnelheden hebben onder andere een negatief effect op de bevaarbaarheid van dit traject. Schepen hebben dan meer ruimte nodig, waardoor het passeren van andere schepen lastiger wordt. Daarnaast wordt het passeren van de bruggen risicovoller door de beperkte breedte. Specifiek bij de Spoorbrug Maastricht speelt de afwijkende oriëntatie van de beweegbare opening aan de westoever, terwijl de doorgaande vaarroute tussen Julianakanaal en Sint Servaasbrug zich langs de oostoever bevindt. De sloop van de Spoorbrug Maastricht leidt tot een aanzienlijke verbetering van de nautische veiligheid.
In het project Zuidelijk Maasdal wordt onderzocht hoe de waterstanden in het centrum van Maastricht kunnen worden verlaagd met het oog op hoogwaterveiligheid. Daarnaast onderzoekt het project welke maatregelen nodig zijn om de bevaarbaarheid bij hogere afvoeren te verbeteren.
Wat is de reden dat de besluitvorming over de spoorbrug vooruitlopend op de uitkomsten van deze integrale studie afzonderlijk behandeld wordt?
Het proces voor onttrekking van de spoorlijn en sloop van de Spoorbrug Maastricht liep reeds voor de start van het project Zuidelijk Maasdal. Beide trajecten samenvoegen zou tot vertraging van het proces rondom de besluitvorming van de Spoorbrug Maastricht leiden. Dat is onwenselijk omdat de onderhoudskosten voor de Spoorbrug Maastricht dan langer door zouden lopen waardoor ook de verkenning in omvang zou toenemen. Daarnaast zou het nautisch en waterveiligheidsknelpunt blijven bestaan. Het voorkeursalternatief van de studie Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht betreft de sloop van de Spoorbrug Maastricht in combinatie met de realisatie en een langzaamverkeersverbinding. Dit is als uitgangspunt gehanteerd voor het project Zuidelijk Maasdal.
Welke alternatieven zijn onderzocht waarbij waterveiligheid, scheepvaart, de langzaamverkeersverbinding en een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt in één integraal ontwerp worden meegenomen?
In het Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht zijn integrale alternatieven onderzocht voor waterveiligheid, scheepvaart, een langzaamverkeersverbinding en de monumentale waarde van de Spoorbrug Maastricht. Een integraal ontwerp met een toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt is niet onderzocht vanwege het ontbreken van concrete initiatieven of een realistisch perspectief.
Klopt het dat de huidige spoorbrug nautische beperkingen kent, onder meer vanwege de ligging van de oostelijke pijler, de positie van het hefdeel en de beperkte doorvaartbreedte?
Dat klopt. De oostelijke pijler van de Spoorbrug Maastricht staat schuin op de huidige stroomrichting in de rivier. Dit geeft een atypische stroming rondom de pijler en daarnaast is het daardoor lastiger de breedte van de doorvaartopening onder de brug in te schatten. Het hefdeel bevindt zich aan de westelijke oever, terwijl de doorvaartopening van de Wilhelminabrug en de invaart van het Julianakanaal zich aan de oostoever bevinden. Dit betekent dat schepen moeten slingeren over de Maas, hetgeen vooral bij hogere afvoeren tot risico’s leidt. Door de afnemende doorvaarthoogte moeten meer schepen dan door het hefdeel varen. Bovendien hebben schepen door de hoge stroomsnelheden meer moeite om de manoeuvre te maken. Ook kunnen er geen schepen tegemoetkomen terwijl andere schepen oversteken of onder het hefdeel varen.
Daarnaast vormt de Spoorbrug Maastricht een obstakel voor schepen die vanuit sluis Bosscherveld naar het Julianakanaal varen en vice versa. Om te voorkomen dat deze bij de splitsing op de landtong worden gedrukt door de stroming, moeten zij een stuk stroomopwaarts varen en dan draaien. Daarvoor is alleen tussen de Spoorbrug Maastricht en de Wilhelminabrug voldoende ruimte. Deze schepen moeten daarom twee keer de Spoorbrug Maastricht passeren.
Worden in de studie Zuidelijk Maasdal ook varianten onderzocht met behoud van de spoorbrug, met een verhoogde spoorbrug of met een nieuwe spoorbrug zonder pijlers in de hoofdvaarroute? Zo nee, waarom niet?
Het project Zuidelijk Maasdal hanteert het uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht wordt gesloopt. Zowel in het bepalen van de nautische opgave als in de uitwerking van de oplossingen wordt daarom een situatie zonder Spoorbrug Maastricht beschouwd.
Voorafgaand aan het project Zuidelijk Maasdal is in 2017 door Rijkswaterstaat een onderzoek uitgevoerd naar de nautische veiligheid in Maastricht. Hierin zijn wel eventuele aanpassingen aan de Spoorbrug Maastricht bekeken, namelijk het verhogen van de brug door deze vast te verhogen of beweegbaar te maken. Het vast verhogen van de brug bleek toen niet haalbaar omdat de aansluitingen van het spoor dan ook verhoogd en verlengd moeten worden. Dit was niet in te passen met het stationsemplacement aan de oostzijde omdat de aansluitingen dan te steil zouden worden. Ook het beweegbaar maken van de brug is als technisch zeer ingewikkeld en kostbaar aangemerkt en daarom niet nader uitgezocht.
Klopt het dat de spoorverbinding Maastricht-Luik momenteel door Arriva wordt geëxploiteerd, terwijl de concessieverantwoordelijkheid nog onder het hoofdrailnet valt? Wat is de stand van zaken en planning van de voorgenomen decentralisatie en welke gevolgen heeft dit voor de geplande frequentieverhoging van de Drielandentrein? Is dit nog te realiseren in deze kabinetsperiode?
De Drielandentrein wordt in samenwerking tussen NS, Arriva en NMBS geëxploiteerd. Enkel het Nederlandse deel van de verbinding tussen Maastricht en Luik valt onder de Hoofdrailnetconcessie. In de Hoofdrailnetconcessie zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de decentralisatie. Tijdens het BO MIRT van januari 2026 hebben IenW en de provincie Limburg afgesproken dat decentralisatie plaatsvindt vanaf 2028 of als dit redelijkerwijs niet mogelijk blijkt vanaf de volgende regionale concessieperiode (vanaf eind 2031). Hier zijn het ministerie en de provincie dus over in gesprek. De geambieerde frequentieverhoging vereist aan de Nederlandse zijde van de grens veiligheidsverbeteringen aan overwegen bij Eijsden.
Klopt het dat in de Bestuurlijke Overleggen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) afspraken zijn gemaakt over de sanering van de spoorwegovergang tussen Maastricht en Eijsden, terwijl nog geen definitieve afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de frequentieverhoging Maastricht-Luik?
Dat klopt.
Op welke wijze hangen de voorgenomen frequentieverhoging Maastricht-Luik, de sloop van de spoorbrug en de aanleg van de langzaamverkeersbrug bestuurlijk, juridisch en financieel met elkaar samen? Klopt het dat er in de bestuurlijke afspraken geen koppeling is gelegd tussen de sloop van de spoorbrug en het realiseren van de frequentieverhoging van de Drielandentrein Maastricht – Luik en dat deze frequentieverhoging dus ook kan doorgaan als de brug niet wordt gesloopt?
Op het BO MIRT van eind 2025 en begin 2026 hebben IenW en provincie Limburg afgesproken om de AROV-middelen2 te herbestemmen aan een viertal projecten. Dit is een integrale aanpak, waarmee wij afspreken dat al deze projecten worden uitgevoerd. Hieronder vallen onder andere de sloop van de Spoorbrug Maastricht en het verbeteren van overwegen tussen Maastricht en Eijsden ten behoeve van een frequentieverhoging van de Drielandentrein tussen Maastricht en Luik.
Klopt het dat de rijksbijdrage voor de langzaamverkeersbrug afhankelijk is gemaakt van het tijdig verkrijgen van een vergunning voor de sloop van de spoorbrug? Zo ja, wat is de inhoudelijke onderbouwing van deze afhankelijkheid? Zijn tevens alternatieven onderzocht waarbij de aanleg van de langzaamverkeersbrug niet afhankelijk is van een besluit over de spoorbrug?
Rijkswaterstaat stelt vanuit scheepvaartveiligheid eisen aan de minimale afstand tussen bruggen over de vaarweg. Een nieuwe langzaamverkeersbrug en Spoorbrug Maastricht zouden te dicht op elkaar komen te liggen. De realisatie van een nieuwe langzaamverkeersbrug is daarom enkel mogelijk als de Spoorbrug Maastricht gesloopt is.
Welke financiële risico's dragen het Rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maastricht ieder afzonderlijk indien de huidige planning rond de spoorbrug wordt gewijzigd en/of indien de kosten voor de sloop van de spoorbrug, de aanpassingen van de overwegveiligheid tussen Maastricht en Eijsden of de realisatie van de langzaamverkeersbrug hoger uitvallen dan de genoemde bedragen in de afsprakenlijst Bestuurlijke Overleggen MIRT 6 en 7 november 2024?
IenW en de provincie Limburg leggen de financiële afspraken vast in een nader af te spreken bestuursovereenkomst.
Welke betekenis kent u toe aan de toezegging van Infrabel om een kostenraming te maken voor de heropening van spoorlijn 20? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen met kennis van ProRail? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er sinds de reactivering slechts één trein gereden. Het traject heeft een lage maximale snelheid en is niet voorzien van bovenleiding. Exploitatie voor reizigersvervoer zal grote investeringen vragen van meerdere tientallen miljoenen. Deze investering weegt niet op tegen de baten. Mede op basis van de beoordeling van ProRail concludeer ik dat heropening van het traject Maastricht – Lanaken niet realistisch is.
Welke rol ziet het kabinet voor de spoorverbinding Maastricht-Hasselt binnen het grensoverschrijdende mobiliteitsbeleid en de bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn nu een tramverbinding niet doorgaat en een busverbinding nooit een acceptabele reistijd kan behalen?
IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt. Binnen de regio werken de Nederlandse en Belgische partners samen via de huidige OV-verbindingen om reizigers een alternatief te bieden voor spoorvervoer. Dit geschiedt per bus. De Vlaamse vervoersmaatschappij De Lijn rijdt in diverse lijnvoeringen vanuit Vlaanderen naar Maastricht.
Welke gesprekken voert het kabinet met de Belgische federale overheid, Infrabel en de betrokken Belgische regio’s over de toekomst van de spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Bent u bereid gezamenlijk met de Federale en Vlaamse overheid te komen met een visie op het toekomstige openbaar vervoer systeem in de grensregio waarin de spoorlijn Hasselt-Maastricht een centrale rol speelt?
IenW en de Belgische federale overheid hebben middels de gezamenlijke verklaring spoordossiers februari jl. ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen naar het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met de ambitie van vervoerder Arriva om het grensoverschrijdende spoorvervoer verder uit te breiden, waaronder een mogelijke spoorverbinding Maastricht-Hasselt? Heeft u hierover overleg gehad met Arriva en andere betrokken partijen en wat waren daarvan de conclusies?
Ja, ik ben bekend met de ambitie van vervoerder Arriva. Het ministerie heeft, naar aanleiding van de reactie van Arriva op de internetconsultatie die in oktober-november 2025 open stond, een gesprek gevoerd met Arriva. In een later gesprek in 2026 heeft Arriva hun toekomstvisie en een rapport van een ingenieursbureau toegelicht. In de rapportage zien adviseurs van een adviesbureau het exploiteren van een treinverbinding als «zeer ambitieus». Grote aanpassingen aan de infrastructuur zijn benodigd in zowel Nederland als België.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen het definitief verwijderen van de bestaande spoorbrug heeft voor de mogelijkheid om op termijn een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt te realiseren? Zo ja, wat zijn deze conclusies? Zo nee, waarom niet?
Het traject Maastricht – Lanaken is in 2009 door ProRail gereactiveerd voor goederenvervoer. Helaas heeft er, zoals eerder toegelicht, sinds de reactivering slechts één trein gereden. In 2020 is het spoor aan Nederlandse zijde buiten gebruik gesteld. In 2020 is door de Belgische Minister middels een ministeriële toelating toestemming gegeven aan Infrabel om de spoorlijn aan Belgische zijde van de grens niet meer te onderhouden. De Spoorbrug Maastricht in huidige vorm en staat voldoet niet aan de vereisten voor een rechtstreekse spoorverbinding Maastricht-Hasselt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 6, heeft Rijkswaterstaat meerdere scenario’s onderzocht. Eventuele her-ingebruikname van de Spoorbrug Maastricht vraagt dat de constructie wordt verhoogd ten behoeve van de scheepvaart, wat feitelijk nieuwbouw betekent. Dit is zeer lastig in te passen in de omgeving en kostbaar. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 14, hebben IenW en de Belgische federale overheid ambities uitgesproken omtrent verbindingen tussen Nederland en België. Hier blijven we over in gesprek. Het staat regionale overheden daarnaast vrij om gezamenlijk een visie op te stellen over het toekomstig openbaar vervoerssysteem in de grensregio Hasselt-Maastricht.
Bent u bekend met het belang dat Nederland, België en Duitsland hechten aan een goede grensoverschrijdende bereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn in het kader van de kandidatuur voor de Einstein Telescope? Op welke wijze worden de verbetering van de internationale spoorverbindingen, waaronder Maastricht-Luik, Maastricht-Aken en een mogelijke heropening van Maastricht-Hasselt, betrokken bij de verdere uitwerking van de Nederlandse bijdrage aan het bidboek?
De Euregio Maas-Rijn onderscheidt zich in Europees perspectief en van andere kandidaat-regio's voor de vestiging van de Einstein Telescope onder meer door het sterke internationale leef- en vestigingsklimaat. Dat maakt de Euregio aantrekkelijk voor onderzoekers en innovatieve bedrijven die willen samenwerken bij de technologieontwikkeling en de exploitatie van de Einstein Telescope. Goede grensoverschrijdende verbindingen en verdere verbeteringen van die verbindingen zijn dus van groot belang voor die grensoverschrijdende samenwerking en daarmee voor de kansen voor de Euregio als vestigingslocatie. Dit is dus een belangrijk onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan het Bidbook van de Euregio Maas-Rijn voor de Einstein Telescope. IenW ziet geen rol voor spoorvervoer in de grensoverschrijdende mobiliteit tussen de regio Maastricht en de regio Hasselt.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare infrastructurele besluiten die de toekomstige internationale spoorbereikbaarheid van de Euregio Maas-Rijn kunnen beperken, zorgvuldig moeten worden afgewogen? Bent u daarom bereid de besluitvorming over de toekomstige spoorfunctie van de Maasovergang expliciet te betrekken bij de bredere visie op de internationale bereikbaarheid en de economische ontwikkeling van de Euregio Maas-Rijn, mede gelet op de recente bestuurlijke afspraken in België om de mogelijkheden voor heropening van spoorlijn 20 verder te onderzoeken?
Ik ben van mening dat onomkeerbare infrastructurele besluiten zorgvuldig moeten worden afgewogen. Om die reden hebben mijn voorganger en ik afgelopen periode een intensief traject doorlopen, waar mijn voorganger middels een internetconsultatie betrokkenen gevraagd heeft hun mening te delen. Vervolgens is mijn voorganger met een groot aantal partijen in gesprek gegaan om deze argumenten te kunnen betrekken in de afweging. Ook hebben mijn voorganger en ik het voorgenomen besluit meermaals besproken met Minister Crucke. Er volgt nog een allesomvattend gesprek tussen Minister Crucke en mij rond verschillende infrastructurele besluiten die genomen moeten worden. Op basis van de argumenten zie ik vooralsnog geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen en nader onderzoek te doen.
Deelt u de opvatting dat onomkeerbare besluiten over de bestaande spoorbrug bij voorkeur worden genomen nadat zowel de integrale studie Zuidelijk Maasdal als de aangekondigde Belgische kostenraming voor de heropening van spoorlijn 20 beschikbaar zijn, zodat besluiten over waterveiligheid, scheepvaart, de toekomstige internationale spoorverbinding Maastricht-Hasselt en ruimtelijke ontwikkeling in samenhang kunnen worden genomen? Bent u bereid voorafgaand aan een dergelijk besluit de maatschappelijke, economische en vervoerkundige gevolgen voor een mogelijke toekomstige spoorverbinding Maastricht-Hasselt expliciet in kaart te brengen?
Het project Zuidelijk Maasdal heeft als uitgangspunt dat de Spoorbrug Maastricht gesloopt wordt. Het uitstellen van het besluit over de Spoorbrug Maastricht leidt tot een wijziging van het uitgangspunt voor het project. Dit heeft direct gevolgen voor de planning en het budget van de verkenningsfase, waardoor ook de uitvoering van andere onderdelen van de integrale scope, zoals de verbetering van de waterveiligheid in het gebied, vertraging oplopen.
Hoe staat het met het oplossen van de problematiek met betrekking tot het nog steeds niet kunnen gebruiken van de ov-chipkaart en OV-pay op het deeltraject Maastricht-Luik van de drielandentrein? Waarom duren deze problemen inmiddels zo lang?
De vervoerders op de Drielandentrein slagen er op dit moment niet in het Nederlandse check-in-check-out-systeem met paaltjes uit te breiden naar de Belgische stations op de Drielandentrein. Daarom kunnen reizigers daar nu geen gebruik maken van zowel de OV-chipkaart en OVpay. Tijdens het implementatietraject is recent gebleken dat in tegenstelling tot eerdere verwachtingen een goede integratie van het Belgische tarievensysteem in het Nederlandse OV-chipkaart-systeem met correcte beprijzing niet mogelijk is. Daarom is door de vervoerders geadviseerd om van een implementatie van in- en uitchecken met de OV-chipkaart op het Belgische deel af te zien tot de volledige migratie naar OVpay in 2027. Dit is namelijk technisch wel compatibel met de integratie van het Belgisch systeem.
Herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorganger van 3 maart 2025 op eerdere schriftelijke vragen d.d. 5 februari 2025 over de problemen met de drielandentrein uit 2025?2 Kunt u aangeven of de destijds genoemde acties om de punctualiteit te verbeteren en de rituitval tegen te gaan duidelijk effect hebben gehad? Zo nee, welke extra acties zijn er noodzakelijk om de uitvoering van deze treindienst te verbeteren?
Ja, dat herinner ik mij. Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen inzake de afspraken met België over spoordossiers4, rijdt de Drielandentrein momenteel in het algemeen zoals beoogd op het gehele traject Aachen-Heerlen-Maastricht-Liège Guillemins en vice versa. Door (geplande) werkzaamheden in Duitsland en door stakingen in België was het de afgelopen periode niet mogelijk zonder hinder te rijden. Behoudens deze (externe) oorzaken is de betrouwbaarheid van de verbinding sinds de start fors verbeterd. De prestaties op het traject van en naar Duitsland voldoen echter niet aan de (Nederlandse) normen, omdat er beperkte capaciteit op dit traject is, waarvoor overbelastverklaringen zijn opgesteld.
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Harmen Krul (CDA), Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
De inbeslagname van een server door de Amsterdamse politie op verzoek van de Amerikaanse regering |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het NRC over de Amsterdamse politie die een server in beslag genomen van de Italiaanse internetdienstverlener Autistici/Inventati (A/I), op basis van een Amerikaans rechtshulpverzoek en dat een kopie van de inhoud van de server naar de VS wordt gestuurd?1
Wat vindt u van de reactie van de Amsterdamse politie die tegen het NRC heeft gezegd dat wanneer een dergelijk verzoek komt: „Dat voer je dan gewoon uit»?
Op welke juridische basis is dit verzoek van de Verenigde Staten uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat ongeacht de juridische basis «een verzoek niet mag leiden tot een schending van mensenrechten en dat daarom een rechtshulpverzoek altijd eerst wordt getoetst aan internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving»?2 Heeft u deze toets uitgevoerd en zo ja, wat is er uit deze toets gekomen? Kunt u de uitkomsten van deze toets voor dit specifieke geval met de Kamer delen?
Hoe verhoudt deze toets zich tot de uitspraken van de Amsterdamse politie die zegt dat een dergelijk verzoek «gewoon» wordt uitgevoerd?
Kunt u bevestigen dat de server in bezit was van een Italiaanse antifascistische en feministische organisatie die zichzelf heeft opgeheven nadat ze door de Amerikaanse regering op de sanctielijst zijn geplaatst?3
Klopt het dat de Amerikaanse regering uit politieke motieven deze organisatie op de sanctielijst heeft gezet? Wat is uw standpunt over het plaatsen van deze organisatie op de sanctielijst?
Kunt u bevestigen dat de Amsterdamse politie van plan is een kopie van de server naar Amerika te sturen? Op basis van welke rechtsgrond gaat dat gebeuren? Bent u bereid om in te grijpen om te voorkomen dat een kopie van de server naar Amerika wordt gestuurd?
Heeft de Amerikaanse regering vergelijkbare rechtsverzoeken gedaan aangaande het Internationaal Strafhof, omdat ook het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst gezet en eveneens in Nederland zetelt?
Hoe beoordeelt u de uitvoering van het Amerikaans verzoek in het licht van pogingen van de Amerikaanse regering om de technologische afhankelijkheid van Europese lidstaten in te zetten als politiek en economisch drukmiddel?
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Kunt u in ieder geval per direct uitvoering geven aan vraag 8?
Het optreden tegen een anti-Hamas-bord tijdens een demonstratie in Amsterdam en de positie van burgemeester Halsema |
|
Mona Keijzer , Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden waarop te zien zou zijn dat de politie tijdens een demonstratie in Amsterdam een demonstrant sommeert zijn bord met de tekst «FCK HMS», oftewel «Fuck Hamas», te verwijderen, terwijl eerder in dezelfde stad openlijk steun werd betuigd aan de terroristische organisatie Hamas door bijvoorbeeld een spandoek met de tekst «We Support Hamas»?1
Heeft u inmiddels contact opgenomen met burgemeester Halsema om te achterhalen of het klopt dat de politie deze demonstrant heeft opgedragen zijn bord te verwijderen en, zo ja, waarom deze opdracht is gegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het in hemelsnaam dat in Amsterdam spandoeken met teksten als «We Support Hamas» mogen worden getoond, terwijl iemand die zich juist uitspreekt tégen deze terroristische organisatie door de politie wordt gesommeerd zijn bord te verwijderen?
Deelt u de mening dat hier op zijn minst de schijn van een volstrekt onacceptabele dubbele maatstaf ontstaat? Zo nee, waarom niet?
Hoe valt te rechtvaardigen dat de politie in Amsterdam ingrijpt tegen een demonstrant die met zijn bord «FCK HMS» duidelijk afstand neemt van een terroristische organisatie? Vindt u dit optreden zelf ook niet volstrekt buitenproportioneel?
Deelt u de mening dat de politie haar handen vol zou moeten hebben aan het aanpakken van daadwerkelijke strafbare uitingen en ordeverstoringen, in plaats van demonstranten lastig te vallen die zich uitspreken tegen een terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het ronduit absurd zou zijn wanneer de overheid kennelijk meer moeite heeft met het uitschelden van een terroristische organisatie dan met het openlijk betuigen van steun aan diezelfde organisatie? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt bij demonstraties waarbij openlijk steun wordt betuigd aan Hamas niet veel nadrukkelijker onderzocht of sprake is van reeds strafbare uitingen, zoals opruiing, bedreiging of het aanzetten tot geweld?
Hoeveel personen zijn de afgelopen drie jaar tijdens demonstraties in Amsterdam aangehouden en vervolgd wegens strafbare uitingen ter ondersteuning van Hamas?
Klopt het dat Amsterdamse politieagenten wilden ingrijpen tegen demonstranten die openlijk steun betuigden aan Hamas, onder meer door spandoeken met teksten als «We Support Hamas» in beslag te nemen, maar daarvoor geen toestemming kregen?
Welke rol heeft burgemeester Halsema gespeeld bij het besluit om hier niet tegen op te treden?
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel zou zijn als burgemeester Halsema rechtmatig politieoptreden tegen mogelijke strafbare steunbetuigingen aan een terroristische organisatie heeft tegengehouden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het vertrouwen in een onafhankelijke en onpartijdige uitoefening van het burgemeestersambt ernstig wordt geschaad wanneer bij demonstraties de indruk ontstaat dat met twee maten wordt gemeten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de gang van zaken rond het verwijderen van dit anti-Hamas-bord volledig te laten ophelderen, inclusief de vraag wie opdracht gaf tot het ingrijpen en of sprake was van ongelijke behandeling? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het toestaan van spandoeken met teksten als «We Support Hamas» tijdens demonstraties in Amsterdam pijnlijk duidelijk maakt waarom ons initiatiefwetsvoorstel «Wet Weerbare Waarden» noodzakelijk is en bent u bereid dit wetsvoorstel te steunen om onze democratische rechtsstaat beter te beschermen tegen de openlijke verheerlijking en ondersteuning van terroristische en antidemocratische stromingen en organisaties? Zo nee, waarom niet?
Veiligheid van bruggen |
|
Habtamu de Hoop (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Is het feit dat op basis van de beschikbare informatie geen aanwijzing voor een acuut veiligheidsrisico is, zoals de Minister schrijft in zijn brief van 8 oktober (2026Z21741), een garantie voor de veiligheid van de bruggen of een indicatie voor te weinig informatie?
Als het onmogelijk is om de volledige wapening van bepaalde constructies te onderzoeken, en het voorspanstaal in niet onderzochte delen wel aangetast kan zijn, hoe kan dan een acuut veiligheidsrisico worden uitgesloten? In hoeverre is hier spraken van «geen nieuws is goed nieuws»-redenering?
Waarom is het feit, dat er door de specialistische kennis die nodig is voor onderzoek en analyse het onderzoeksproces vertraging heeft opgelopen, aanleiding voor de conclusie van de Minister dat er geen acuut risico is? Is het niet ontdekken van acuut risico door achterstallig, of slechts oppervlakkig onderzoek, geen false-negative conclusie?
Is het feit dat er (nog) geen (grote) problemen zijn ontdekt bewijs dat er geen grote problemen zijn?
Hebben we alle informatie die nodig is?
Is het actuele inspectieregime alles wat we redelijkerwijs kunnen doen, is het voldoende voor wat we moeten doen, kunnen we doen wat we moeten doen of weten we niet (goed) wat we zouden moeten doen, om alle bruggen veilig te houden?
Kan u toelichten waarom de Kamer niet is geïnformeerd over het feit dat het inspectieregime tussen april 2025 en nu flink is aangepast?
Weten we nu, na de recente inspecties, materiaalonderzoeken en uitwisseling met Duitsland, beter dan twee jaar geleden of de bruggen veilig zijn?
Hoe beoordeelt u, terugkijkend, de claim van de vorige Minister, dat alle bruggen veilig zijn, ondanks dat alle hierboven uitgevoerde onderzoeken destijds nog niet waren verricht?
Klopt het dat veel of alle betroffen spanstaalbruggen, gezien hun constructiewijze, niet (goed) kunnen worden versterkt en dus vervangen moeten worden? Hoe verhoudt zich dit met de eerdere verwachte afschrijving/levensduur en het vervangingsregime?
Kunt u bij elk van de 16 bruggen aangeven wat hiervoor het gekozen regime voor controle, monitoring, aanpassing en vervanging is? Ook in de tijd en met een indicatie van structurele en incidentele kosten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar voor de begrotingsbehandeling IenW beantwoorden?
Racisme bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Discriminatie bij UWV: mensen met biculturele achternaam krijgen vaker én hogere boetes»?1
Welke signalen, meldingen, analyses, klachten of andere aanwijzingen over mogelijke discriminatie of ongelijke behandeling binnen UWV Handhaving waren vóór december 2025 bekend? Wanneer zijn deze signalen ontvangen, op welk organisatieniveau waren zij bekend en welke concrete maatregelen zijn daarop genomen?
Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over signalen van mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving, welke informatie is toen gedeeld en welke acties heeft het ministerie vervolgens ondernomen?
Klopt het dat naar aanleiding van de interne analyse is geadviseerd nader onderzoek te verrichten? Zo ja, wanneer is dit advies uitgebracht, wanneer is hierover besloten en welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij de timing van het vervolgonderzoek?
Op basis van welke inhoudelijke, methodologische of statistische gronden is de interne analyse als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld? Hoe verhoudt dit oordeel zich tot het besluit om op basis van dezelfde signalen een onafhankelijk vervolgonderzoek te starten?
Zijn dossiers waarin mogelijk sprake is geweest van discriminatie of ongelijke behandeling inmiddels herbeoordeeld? Zo ja, hoeveel dossiers betreft dit en welke uitkomsten heeft dit opgeleverd? Zo nee, bent u bereid een onafhankelijke herbeoordeling te laten uitvoeren en eventuele benadeelde cliënten actief te informeren en waar nodig te compenseren?
Hoeveel meldingen van racisme, discriminatie of ongewenste omgangsvormen zijn sinds 2020 binnen UWV Handhaving geregistreerd? Welke opvolging hebben deze meldingen gekregen, welke verbetermaatregelen zijn getroffen en wie droeg en/of draagt verantwoordelijkheid voor de uitvoering en monitoring daarvan?
Is onafhankelijk onderzocht of (ex) medewerkers die melding maakten van discriminatie, racisme of ongewenst gedrag vervolgens nadeel hebben ondervonden in hun werkpositie, loopbaanontwikkeling of beoordeling?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog onafhankelijk te laten onderzoeken?
Welke maatregelen worden getroffen indien uit onderzoek blijkt dat melders zijn benadeeld, geïntimideerd of anderszins nadelige gevolgen hebben ondervonden van het doen van een melding?
Is daarnaast onderzocht of de werkwijze van het interne bureau Integriteit bij meldingen van discriminatie, racisme en ongewenst gedrag voldoende onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is geweest? Kan worden uitgesloten dat melders door selectieve feitenverzameling, suggestieve onderzoeksmethoden of andere vormen van vooringenomenheid (bias) zijn benadeeld of dat signalen hierdoor onvoldoende serieus zijn genomen? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
Is onderzocht of de gemelde discriminerende uitlatingen, signalen van ongelijke behandeling en ervaren onveiligheid wijzen op structurele patronen binnen de organisatiecultuur, werkprocessen of aansturing van UWV Handhaving? Zo ja, wat zijn de bevindingen?
Welke concrete doelstellingen, prestatie-indicatoren en tijdlijnen zijn verbonden aan het verbeterplan? Op welke momenten wordt hierover publiek gerapporteerd en welke onafhankelijke partij beoordeelt of daadwerkelijk sprake is van verbetering van de werkcultuur en gelijke behandeling van cliënten?
Op welke wijze wordt vastgesteld of burgers financieel of anderszins nadeel hebben ondervonden van mogelijk discriminerende handhaving, en welke vorm van herstel of compensatie wordt overwogen indien daarvan sprake blijkt te zijn?
Is in het onderzoek naar mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving onderzocht of het risicokenmerk «land van herkomst», nadat dit in 2020 volgens de geldende instructies buiten gebruik had moeten worden gesteld, daadwerkelijk geen invloed meer heeft gehad op de selectie van cliënten voor handhaving? Kunt u inzicht geven in eventuele verschillen in de samenstelling van de onderzochte populatie, opgelegde maatregelen en boetes vóór en na 2020? Zo nee, waarom is dit niet onderzocht?
Kunt u omschrijven welke onderzoeksopzet en welke kaders en scope er geldt voor het uit te voeren onderzoek van KPMG?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook externen / oud-UWV medewerkers worden gesproken over hun ervaringen?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook reeds uitgevoerde en afgeronde onderzoeken binnen UWV worden betrokken? Kunt u hier specifiek en los ingaan op de onderzoeken over gefingeerde dienstverbanden, gezondheidsfraude, Werkloosheidswet (WW) en eventuele boetebesluiten?
Bent u bereid de regeringscommissaris die voortkomt uit de motie Patijn-Ceder2 de opdracht te geven naar de cultuur waaronder het racisme bij UWV te kijken?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Werknemersverzekeringen van 4 november 2026?
Herindicaties en de continuïteit van medische kindzorg |
|
Eveline Tijmstra (CDA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat zorgverzekeraars bij kinderen die intensieve verpleegkundige zorg ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) aandringen op een aanvraag voor de Wet langdurige zorg (Wlz), ook wanneer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerder geen Wlz-indicatie heeft afgegeven?
Deelt u de mening dat ouders van ernstig zieke kinderen hun tijd en energie moeten kunnen besteden aan hun kind, in plaats van telkens te moeten bewijzen dat noodzakelijke zorg nog steeds nodig is of vast te lopen door gedoe met instanties over wie deze zorg betaalt? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen?
Deelt u de mening dat het voor ouders die laaggeletterd zijn, een licht verstandelijke beperking hebben of de Nederlandse taal minder goed beheersen, niet te doen is om alle regels en instanties te kennen? Hoe zorgt u ervoor dat de kinderen van deze ouders ook de zorg krijgen die nodig is?
Welke verantwoordelijkheid heeft een zorgverzekeraar wanneer deze van mening is dat een kind onder de Wlz zou moeten vallen, terwijl het CIZ geen Wlz-indicatie heeft afgegeven? Kan uitsluitend dit verschil van inzicht aanleiding zijn om noodzakelijke Zvw-zorg te weigeren, te verminderen of niet te verlengen? Kunt u de juridische grondslag van uw antwoord toelichten?
Onder welke omstandigheden mag een zorgverzekeraar na een eerdere afwijzing door het CIZ opnieuw aandringen op een Wlz-aanvraag? Welke nieuwe feiten of veranderingen in de zorgbehoefte moeten daarvoor aanwezig zijn en wie beoordeelt dit?
Hoe wordt bij deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen een intensieve verpleegkundige zorgbehoefte in een geneeskundige context en een zorgbehoefte die toegang geeft tot de Wlz? Hoe worden de ouders, indicerend kinderverpleegkundige en hoofdbehandelaar hierbij betrokken?
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheden over het toepasselijke wettelijke kader, beoordeling of geschillen over een Wlz-aanvraag, leiden tot een onderbreking van de zorg? Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van een onderbreking?
Hoeveel signalen over dergelijke geschillen zijn de afgelopen twee jaar ontvangen door uw ministerie, Het Juiste Loket en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Hoe vaak ging dit gepaard met vertraging, vermindering of onderbreking van zorg? Bent u bereid dit uit te zoeken wanneer deze gegevens ontbreken?
Hoe geeft u voor kinderen met een chronische ziekte of blijvende beperking uitvoering aan door ons eerder ingediende moties en de afspraak uit het coalitieakkoord dat zij hun aandoening niet telkens opnieuw hoeven aan te tonen? Welke maatregelen gelden daarbij voor medische kindzorg vanuit de Zvw, zowel bij zorg in natura als bij een persoonsgebonden budget (pgb)?
Deelt u de mening dat het evalueren van de ontwikkeling en actuele zorgbehoefte van een kind iets anders is dan het opnieuw moeten aantonen dat een aandoening blijvend is? Hoe wordt dit onderscheid in het herindicatieproces toegepast?
Hoe verhoudt het slechts bij uitzondering toestaan van tweejarige indicaties en toekenningen zich tot de aangenomen motie-Mohandis/Werner1 en motie-Beckerman c.s.2 die vragen om indicaties van minstens twee jaar als standaard en de aangenomen motie-Westerveld/Krul3 die vraagt om het uitgangspunt dat in alle zorgwetten langjarige indicaties worden afgegeven. Bent u bereid de uitvoering hiervan opnieuw te bezien in het licht van het coalitieakkoord? Bent u bereid een vereenvoudigde verlenging mogelijk te maken wanneer de indicerend kinderverpleegkundige en het gezin vaststellen dat de zorgbehoefte niet wezenlijk is veranderd?
Hoeveel kinderen hebben sinds de landelijke afspraak uit juli 2025 een tweejarige Zvw-pgb-toekenning gekregen, uitgesplitst naar zorgverzekeraar? Hoe wordt gecontroleerd of alle verzekeraars deze mogelijkheid daadwerkelijk toepassen en ouders hierover informeren?
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde opname van deze afspraak in de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb en van de evaluatie van de Handreiking Indicatieproces Kindzorg en de Toolbox? Welke verbeteringen zijn doorgevoerd in de betrokkenheid van de hoofdbehandelaar?
Hoe wordt nagegaan of bij herindicaties bestaande informatie wordt hergebruikt en medische documentatie door de indicerend verpleegkundige wordt opgevraagd, zoals eerder afgesproken? Hoe voorkomt u dat ouders alsnog telkens dezelfde stukken moeten verzamelen en aanleveren?
Welke eisen gelden voor de zorginhoudelijke onderbouwing wanneer een zorgverzekeraar afwijkt van de verpleegkundige indicatie of een lager budget toekent? Hoe wordt gezorgd dat ouders een schriftelijke uitleg ontvangen in begrijpelijke taal? Hoe wordt gezorgd dat er overleg is met de indicerend kinderverpleegkundige voordat noodzakelijke zorg wordt verminderd?
Welke laagdrempelige, onafhankelijke ondersteuning krijgen gezinnen bij een geschil over een herindicatie of de afbakening tussen de Zvw en Wlz? Wie neemt de regie wanneer bestaande ondersteuningsroutes geen tijdige oplossing bieden en de zorgcontinuïteit in gevaar komt?
Hoe voorkomt u dat vertraging of vermindering van professionele zorg ertoe leidt dat ouders noodgedwongen extra verpleegkundige zorg overnemen, minder gaan werken of overbelast raken? Hoe wordt bij herindicaties rekening gehouden met de draagkracht van het gehele gezin, waaronder eventuele broers en zussen?
Bent u bereid de knelpunten bij herindicaties en de afbakening tussen Zvw en Wlz expliciet mee te nemen in de toekomstvisie op integrale medische kindzorg waarom de aangenomen motie-Westerveld c.s. vraagt?4 Wanneer ontvangt de Kamer deze visie en welke concrete verbeteringen kunnen gezinnen al eerder verwachten?
Het bericht dat bewoners van verzorgingshuis Tamarinde in de kou zitten met dikke luiers en vet haar |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bewoners van verzorgingshuis Tamarinde in de kou zitten met dikke luiers en vet haar?1
Hoe reageert u op de reactie van de vakbonden op deze problemen?2
Hoe kan het gebeuren dat ouderen een jaar lang niet gedoucht worden, zonder dat er wordt ingegrepen?
Waarom is er op basis van de meldingen niet ingegrepen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Deelt u de mening dat er een link is tussen de misstanden die hier bestaan en het afbraakbeleid dat door de afgelopen kabinetten en het huidige kabinet op de ouderenzorg is gevoerd?
Deelt u de mening dat het aantrekkelijker moet worden gemaakt om als vaste kracht te werken in de ouderenzorg, door in ieder geval fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden te bieden?
Het rapport van de NAM over bodemdaling door gaswinning onder Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de NAM «Gaswinning Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen»?
Wat vindt u ervan dat het advies aangeeft dat de grenzen van bodemdaling door gaswinning onder Waddenzee dichterbij komen?
Onderschrijft u dat in de komberging Zoutkamperlaag de bodemdaling plus zeespiegelstijging nu al 4,33 mm per jaar bedraagt, bij een grens van 5 mm?
Hebt u er kennis van genomen dat het rapport een gemiddelde hoogwaterstijging bij Lauwersoog van 4,3 mm per jaar over 2007–2025 vermeldt, terwijl in de toets op de gebruiksruimte wordt gerekend met 3,65 mm? Hoe verklaart u dit verschil?
Hoe beoordeelt u dat vijf van de dertien Natura 2000-broedvogelsoorten niet meer in het Lauwersmeer broeden, en dat de gemeten maaivelddaling daar beduidend groter is dan de gemodelleerde bodemdaling?
Hebt u er kenis van genomen dat volgens het rapport de Wulp, Kanoet en Tureluur in het beïnvloedingsgebied harder achteruit gaan dan in de rest van de Nederlandse Waddenzee? Waarom leidt dit niet tot de conclusie dat een effect van gaswinning niet kan worden uitgesloten? Gaat u hier nader onderzoek naar doen?
Valt een hervatting van de productie in de velden Vierhuizen-Oost en Lauwersoog-Oost binnen het bestaande winningsplan? Wordt deze vooraf getoetst aan de huidige, krappe marges?
Klopt het dat de NAM beroep heeft ingesteld tegen het geldende Gebruiksruimtebesluit, omdat zij het zeespiegelstijgingsscenario te conservatief vindt? Wat is de stand van die procedure? Hoe verhoudt het aanvechten van dit scenario zich tot het «hand aan de kraan»-principe, waarop de NAM zichzelf beroept?
Bent u bereid uit te sluiten dat het meegroeivermogen of het zeespiegelscenario wordt versoepeld om meer winning mogelijk te maken?
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de NAM zelf beoordeelt of er een relatie is tussen natuurachteruitgang en haar eigen gaswinning? Bent u bereid om te regelen dat deze beoordeling onafhankelijk plaatsvindt?
Het bericht ‘UWV stopt met ICT-project dat 55 miljoen euro kostte: Niet genoeg vertrouwen’. |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht «UWV stopt met ICT-project dat 55 miljoen euro kostte: Niet genoeg vertrouwen»1?
Kunt u aangeven wanneer het UWV wist dat de kwaliteit van de data uit de systemen van het UWV onvoldoende was om de applicatie te laten werken zoals oorspronkelijk was bedoeld?
Wanneer bent u op de hoogte gesteld van dit besluit? Wanneer wist u dat er binnen het UWV sprake was van een digitaliseringsproject dat niet tot de gewenste uitkomst leidde?
Wat is de totale omvang van de schade voor de belastingbetaler als gevolg van dit besluit inclusief de interne kosten en inzet van het UWV?
Klopt het dat de geraamde waarde van de aanbesteding aanvankelijk circa € 5.000.000 tot € 7.000.000 bedroeg, maar uiteindelijk in het gunningsbericht werd vastgesteld op € 58.150.000 exclusief btw? Zo ja, kunt u toelichten hoe dit aanzienlijke verschil is ontstaan?
Kunt u toelichten waarom de aanzienlijke stijging van de opdrachtwaarde niet heeft geleid tot een nieuwe aanbesteding?
Bent u bereid om in de door u aangekondigde evaluatie ook de besluitvorming over de gunning van deze aanbesteding mee te nemen?
Wanneer verwacht u dat de evaluatie wordt opgeleverd?
Zijn er nog andere projecten binnen het UWV waarvoor kosten worden gemaakt, maar waarbij de beoogde resultaten nog niet zijn behaald of waarvan de daadwerkelijke meerwaarde nog onvoldoende is aangetoond? Zo ja, om welke projecten gaat het en welke kosten zijn hiermee gemoeid?
Het bericht dat het UWV de stekker trekt uit een mislukt ICT-project dat de afgelopen vijf jaar maar liefst 55 miljoen euro aan belastinggeld heeft gekost |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van onder meer de NOS over het feit dat het UWV na vijf jaar en 55 miljoen euro stopt met de ontwikkeling en implementatie van De Bemiddelingsservice (BMS) omdat er onvoldoende vertrouwen is in het systeem en wat is uw reactie daarop?1
Vindt u het aanvaardbaar dat 55 miljoen euro aan belastinggeld gewoon is weggegooid door het UWV? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt uiteenzetten waaraan de 55 miljoen euro de afgelopen jaren is besteed? Kunt u daarbij een gespecificeerd overzicht verstrekken, uitgesplitst naar jaar en kostenpost?
Hoe legt u het uit dat het kabinet de bestuurlijke dwangsom bij het UWV tijdelijk wil afschaffen om onder meer geld te besparen, terwijl datzelfde UWV kennelijk wel 55 miljoen euro aan belastinggeld kan verspillen aan een mislukt ICT-project? Deelt u daarbij de opvatting dat dit niet uit te leggen valt aan de burgers die door het UWV worden gedupeerd?
Kunt u uitleggen waarom het project niet al in februari 2026 is stopgezet, toen het Adviescollege ICT-toetsing een vernietigend rapport uitbracht? Kunt u bovendien uitleggen waarom niet al eerder is besloten om het project stop te zetten, nu blijkt dat ook de softwareleverancier fundamentele kritieken ten aanzien van de datatoevoer heeft geuit bij het UWV?
Hoeveel geld is er aan het project uitgegeven nadat het Adviescollege ICT-toetsing in februari 2026 zijn kritieken ten aanzien van het project kenbaar maakte?
Deelt u de mening dat het verkwanselen van 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld niet uit te leggen valt en dat, in samenhang met de totale chaos en het wanbeleid dat bij het UWV de dienst uitmaakt, dit niet zonder consequenties ten aanzien van de Raad van Bestuur van het UWV kan blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wie heeft binnen het UWV de verantwoordelijkheid gehad om de afgelopen jaren te beslissen dat, ondanks de aanhoudende problemen, door te gaan met het project en zodoende belastinggeld te blijven investeren in deze bodemloze put?
Deelt u de opvatting dat wanneer het UWV 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld investeert in een project waarover herhaaldelijk ernstige kritiek is geuit, er moeilijk anders geconcludeerd kan worden dan dat er sprake is van verwijtbare bestuurlijke fouten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat een derde partij (mede)verantwoordelijk is voor het mislukken van dit project en zo ja kunt u een deel van het verloren gemeenschapsgeld verhalen op die partij(en)? Zo ja, om welke partijen gaat dit, waarom zijn zij volgens u medeverantwoordelijk en hoeveel geld verwacht u te kunnen terug halen?
Herkent u de kritiek van de softwareleverancier, die stelt dat de slechte kwaliteit van de door het UWV aangeleverde gegevens een belangrijke oorzaak is in het mislukken van het ICT-project? Zo ja, hoe kan het dat een organisatie als het UWV miljoenen investeert in nieuwe software zonder vooraf voldoende vast te stellen of de eigen gegevens hiervoor geschikt zijn?
Welke gevolgen heeft het stoppen van dit project voor werkzoekenden en werkgevers?
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de wens om een dergelijk systeem te implementeren? Gaat het UWV zoeken naar een nieuwe methode en zo ja, hoe voorkomt u dat opnieuw jarenlang en voor tientallen miljoenen euro’s aan belastinggeld wordt verspild aan een alternatief systeem?
Wanneer werd in de afgelopen vijf jaar voor het eerst duidelijk dat het project allicht zou gaan mislukken? Kunt u daarbij een gespecificeerde lijst doen toekomen van alle relevante interne reviews, tests en adviezen?
Hoeveel andere grote ICT-projecten lopen momenteel bij het UWV en wat is de totale financiële omvang hiervan? Kunt u daarbij garanderen dat bij deze projecten niet dezelfde fouten worden gemaakt? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
Wilt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling van SZW beantwoorden?
Het bericht 'Migratie is de dominante factor op de woningmarkt' op WNL op 12 oktober 2026 |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «migratie is de dominante factor op de woningmarkt»?1
Het rapport van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), Migratie en de woningmarkt (oktober 2026), kwalificeert de veelgeciteerde stelling dat statushouders slechts circa zeven procent van de toewijzingen in de sociale huursector krijgen als een «hardnekkig misverstand», omdat dit percentage totale toewijzingen (inclusief doorstromers die een woning achterlaten) vermengt met netto extra vraag; wat is uw reactie op dit rapport?
Kunt u aangeven wanneer u voor het eerst op de hoogte was van dit onderscheid tussen bruto toewijzingen en netto extra woningvraag door statushouders, en waarom dit onderscheid jarenlang niet expliciet is gemaakt?
Het EIB concludeert dat migratie verantwoordelijk was voor circa 60 procent van de extra woningvraag in 2015–2024 en dat asielmigratie structureel een belangrijke factor is in de sociale huursector; kunt u aangeven of de regering voornemens is het EIB-rapport te gebruiken in toekomstige communicatie en beleid rond de woningmarkt?
Bent u van mening dat het niet maken van het onderscheid tussen bruto toewijzingspercentages en netto extra vraag door statushouders heeft bijgedragen aan een vertekend publiek beeld van de oorzaken van de woningnood?
Klopt het dat de verdunning van de grootte van huishoudens een andere belangrijke oorzaak is voor de huidige woningnood?
Kunt u bevestigen dat tal van overheidsregelingen samenwonen financieel bestraffen en het daarmee het samenwonen en samenleven actief ontmoedigen?
Het bericht 'Dit maakt je helemaal kapot': gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Dit maakt je helemaal kapot»: gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over»?1
Hoe reageert u op het feit dat ondernemers nog altijd geen compensatie hebben gekregen voor de ondernemingsschade die zij hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Wat zegt het over de houding van de overheid naar haar eigen burgers, dat de Landsadvocaat in rechtszaken de ondernemingsschade toegebracht in het toeslagenschandaal bestempelt als een «ondernemingsrisico» en een «ongelukkig incident»?
Waarom is in de discussie over het toeslagenschandaal de schade voor duizenden ondernemers zo lang onderbelicht gebleven?
Hoeveel ondernemers hebben ondernemingsschade geleden als gevolg van het toeslagenschandaal en hoeveel van hen zijn door het toeslagenschandaal failliet gegaan?
Waarom is ervoor gekozen om ondernemers niet te compenseren voor de vaak dramatische financiële gevolgen voor hun onderneming van het toeslagenschandaal?
Hoe reageert u op de suggestie dat er sprake was van samenwerking in de Belastingdienst tussen de afdelingen mkb en particulieren?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst in de fraudeselectie bij ondernemers gebruik maakte van de zorg- en huurtoeslag?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst gebruik maakte van de nationaliteit van gedupeerden?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst bij minstens één kinderopvangbedrijf klanten heeft geselecteerd op hun afkomst?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Staat de link tussen de fraudelijsten en faillissementen wel gaat erkennen?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle ongelakte en verdwenen stukken met betrekking tot de gedupeerde ondernemers zo snel mogelijk boven water komen?
Wanneer verwacht u dat alle gedupeerde mkb’ers volledig zijn gecompenseerd voor de financiële schade die zij onterecht hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het beschermen van consumenten tegen online misleiding door malafide aanbieders van spoeddiensten |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Belgische werkwijze om online misleiding tegen te gaan, waarbij internetgebruikers die een als malafide aangemerkte website proberen te bezoeken, automatisch worden doorgeleid naar een waarschuwingspagina?1 Bent u tevens bekend met de resultaten van deze aanpak, die ertoe heeft geleid dat reeds honderdduizenden Belgische consumenten op deze wijze zijn gewaarschuwd?2
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerder gestelde schriftelijke vragen, waarin u schreef dat weren van advertenties door zoekmachines onvoldoende is om consumenten te beschermen, omdat bijvoorbeeld ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven leiden? (Aanhangsel Handelingen II, 2025–2026, nr. 1809). Deel u de mening dat de Belgische werkwijze een antwoord biedt op deze constatering?
Bent u bereid te verkennen of een vergelijkbare aanpak in Nederland kan worden ingevoerd, mede gezien de meldingen van online fraude en malafide websites bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM)? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming de Autoriteit Consument en Markt (ACM) al de bevoegdheid geeft om consumenten door te leiden naar een waarschuwingspagina als zij een website van malafide partijen bezoeken? Hoe vaak heeft de ACM van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en welke mogelijkheden biedt deze bepaling voor een aanpak naar Belgisch voorbeeld?
Kunt u reflecteren op de Belgische wetgeving en aanpak om advertenties van malafide aanbieders van zoekmachines te weren? Hoe verhouden deze zich tot de Nederlandse wetgeving en aanpak? Bent u bereid om in gesprek met uw Belgische ambtsgenoot te bezien welke lessen uit het Belgische voorbeeld voor Nederland kunnen worden getrokken? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven»?1
Wat vindt u van het bericht dat de cao-lonen al jaren achterblijven bij de arbeidsproductiviteit en koopkracht voor werkenden dus ook al langer achterblijft?
Wat vindt u van het feit dat de arbeidsinkomensquote al jaren onder een volgens de polder passende loonkostenontwikkeling ligt? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Waar is volgens u de niet-uitbetaalde loonruimte terecht gekomen? Heeft u gegevens waaruit blijkt in welke mate dit in de vorm van winst is uitgekeerd aan aandeelhouders of is geherinvesteerd?
Deelt u de mening van de SP dat een langdurige achterblijvende loonontwikkeling de koopkracht van werknemers onder druk kan zetten? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u voor de economische groei en de bestaanszekerheid van huishoudens?
In welke sectoren blijft de loonontwikkeling het sterkst achter bij de beschikbare loonruimte?
Welke mogelijkheden ziet u om in te grijpen om er zo voor te zorgen dat werknemers structureel meer profiteren van de groei van de arbeidsproductiviteit?
Welke rol ziet u daarbij voor het verhogen van het minimumloon en het versterken van de positie van werknemers in de collectieve onderhandelingen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om te bevorderen dat werkgevers de beschikbare loonruimte daadwerkelijk benutten voor betere arbeidsvoorwaarden, in plaats van dat de economische opbrengsten voornamelijk bij aandeelhouders terechtkomen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De woningvraag als gevolg van migratie |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuw te bouwen woningen massaal nodig voor asielzoekers: In tien jaar tijd 340.000 extra huizen voor migranten» en het onderliggende onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB)?1
Kunt u zich in de conclusie van het EIB herkennen dat er bij een gelijkblijvende instroom het komende decennium circa 340.000 nieuwbouwwoningen nodig zijn voor migranten, waarbij asielmigratie volgens het EIB structureel de grootste component is?
Het EIB stelt dat het cijfer dat slechts zeven procent van de sociale huurwoningen naar statushouders gaat, een vertekend beeld geeft, omdat daarin ook verhuizingen van huurders binnen de sector zijn meegeteld. Bent u bereid de toewijzing aan statushouders voortaan ook te rapporteren als aandeel van de starters?
Volgens het EIB komt 90 procent van de statushouders in een sociale huurwoning terecht. Van de 80.000 mensen in de opvang moeten er volgens het EIB naar verwachting nog 60.000 doorstromen naar een reguliere woning. Hoeveel sociale huurwoningen zijn hiervoor nodig en wat betekent dit voor de wachttijd voor de rest van de woningzoekenden?
Deelt u de opvatting dat het, gezien de lange wachttijden en de druk van asielmigratie op de sociale huur, niet houdbaar is om statushouders voorrang te geven bij sociale huurwoningen?
Loopt u op schema om dit jaar nog met wetgeving te komen om de voorrang voor statushouders af te schaffen?
Verder stelt het EIB in het artikel dat het aantal woningen in de vrije sector recent sterk is gedaald door de Wet betaalbare huur, waardoor woningzoekenden het moeilijker krijgen op de woningmarkt. Bent u het eens met deze constatering?
Deelt u de opvatting dat de Wet betaalbare huur de druk op de huurmarkt vergroot, zeker nu er door migratie extra woningvraag bijkomt? Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat het aanbod op de huurmarkt verder krimpt?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Extra huizen voor migranten |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het interview met de Telegraaf van 13 oktober 2026 waarin u spreekt over de huisvesting van statushouders en de positie van starters op de woningmarkt?1
Klopt het dat u in dit interview, in reactie op de situatie van jonge starters die geen woning kunnen vinden, heeft gezegd dat starters «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»? Zo ja, wat bedoelde u precies met deze uitspraak?
Begrijpt u dat deze uitspraak hard aankomt bij jonge Nederlanders die soms noodgedwongen jarenlang thuis wonen omdat zij geen betaalbare woning kunnen vinden?
Waarom geldt de door u genoemde «pauzestand» voor statushouders zonder woning volgens u niet voor een 28-jarige starter die noodgedwongen op zijn oude slaapkamer bij zijn ouders woont en daardoor geen zelfstandig bestaan kan opbouwen?
Deelt u de mening dat van Nederlandse jongeren niet kan worden verwacht dat zij het woningtekort oplossen door maar langer bij hun ouders te blijven wonen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen waarom het ontbreken van zelfstandige woonruimte bij een statushouder volgens u om een snelle oplossing vraagt, terwijl thuis wonen bij de ouders bij een jonge woningzoekende kennelijk als een mogelijke uitkomst wordt genoemd?
Waarom spreekt u over de positie van statushouders in termen van urgentie en noodzakelijke oplossingen, terwijl u bij starters verwijst naar de mogelijkheid om bij hun ouders te blijven wonen? Welke boodschap geeft u daarmee volgens u aan de honderdduizenden jonge woningzoekenden?
Bent u Minister van Volkshuisvesting voor alle woningzoekenden of vindt u dat de huisvestingsopgave voor statushouders urgenter is dan die voor Nederlandse starters? Hoe blijkt dit uit de prioriteiten die u stelt en uitspraken die u doet?
Vindt u het rechtvaardig dat een starter jarenlang op een wachtlijst kan staan, terwijl een statushouder op grond van zijn of haar status eerder voor een woning in aanmerking kan komen? Waarom wel of niet?
Waarom heeft u, ondanks uw constatering dat de voorrang voor statushouders steeds meer knelt voor andere woningzoekenden, het eerdere wetsvoorstel ingetrokken in plaats van deze voorrang zo snel mogelijk te beëindigen?
Waarom stelt u als voorwaarde dat eerst voldoende alternatieve huisvesting voor statushouders beschikbaar moet zijn voordat hun voorrang verdwijnt? Waarom geldt andersom niet dat eerst voldoende woningen voor Nederlandse starters beschikbaar moeten zijn voordat schaarse sociale huurwoningen met voorrang aan andere groepen worden toegewezen?
Wat verstaat u precies onder «voldoende» alternatieve huisvesting? Aan welke concrete voorwaarden moet zijn voldaan voordat gemeenten statushouders niet meer op grond van hun status voorrang kunnen geven?
Kunt u garanderen dat het koppelen van het verbod aan voldoende alternatieve huisvesting niet betekent dat de huidige mogelijkheid tot voorrang in de praktijk nog jaren blijft bestaan?
Waarom stelt u voor jonge starters niet dezelfde extra inzet en financiële ondersteuning beschikbaar als voor de huisvesting van statushouders?
Bent u bereid om als uitgangspunt te hanteren dat verblijfsstatus op zichzelf nooit mag betekenen dat iemand eerder toegang krijgt tot een schaarse sociale huurwoning dan iemand die al jarenlang op een woning wacht? Zo nee, waarom niet?
Geldt de door u uitgesproken urgentie dat iedereen een dak boven het hoofd moet hebben ook voor Nederlandse jongeren die noodgedwongen bij hun ouders wonen, en welke concrete maatregelen neemt u voor hen?
Deelt u de mening dat het enkele feit dat iemand statushouder is nooit voldoende reden mag zijn om die persoon voorrang te geven op een sociale huurwoning boven iemand die al jarenlang op een woning wacht? Zo nee, waarom acht u dat verschil in behandeling gerechtvaardigd?
U zegt dat iedereen die hier wil wonen een dak boven het hoofd moet hebben; waarom leidt dat uitgangspunt bij statushouders tot de noodzaak van een woonoplossing, terwijl een starter die noodgedwongen bij zijn ouders woont volgens u «gelukkig» daar terecht kan?
Bent u het ermee eens dat het draagvlak voor de huisvesting van statushouders onder druk kan komen te staan wanneer woningzoekenden het gevoel krijgen dat zij zelf achteraan moeten aansluiten? Zo ja, hoe weegt u dat mee in uw beleid?
Begrijpt u dat jonge woningzoekenden uit uw uitspraken de boodschap kunnen halen: voor de statushouder zoekt de overheid een woning, maar de Nederlandse starter kan voorlopig bij zijn ouders blijven wonen? Vindt u dat een aanvaardbare boodschap van een Minister van Volkshuisvesting?
Bent u bekend met de financieringsproblemen rond de aanleg van een spoortunnel in Oss en de gevolgen daarvan voor de voorgenomen bouw van circa 3.000 woningen?1
Klopt het dat voor de aanleg van deze tunnel nog 11,8 miljoen euro aan financiering ontbreekt? Kunt u aangeven wat de totale geraamde kosten zijn, welke bijdragen het Rijk, de provincie en de gemeente hebben toegezegd en hoe groot het resterende tekort is?
Deelt u de opvatting dat de inzet van het Rijk op woningbouw onvoldoende resultaat oplevert wanneer noodzakelijke infrastructuur niet wordt gefinancierd? Welke verantwoordelijkheid neemt u om te voorkomen dat de woningbouw hierdoor vastloopt?
Deelt u de opvatting dat over veiligheid van rijksinfrastructuur niet onderhandeld kan worden? Deelt u de mening dat met het uitblijven van de financiering en de bouw van extra woningen voor de inwoners de spoorweg dwars door de stad met tien gelijkvloerse spoorkruisingen onveiliger wordt en de gemeente daar niet alleen de verantwoordelijkheid kan en mag dragen?
Bent u bereid om met de gemeente Oss en de provincie Noord-Brabant afspraken te maken over het dichten van het financieringstekort? Zo ja, welke bijdrage en welke termijn stelt u daarbij voor? Zo nee, op welke gronden wijst u ondersteuning af en welk uitvoerbaar alternatief biedt u om de woningen alsnog tijdig te realiseren?
Kunt u een actueel overzicht geven van de besteding van de 7,5 miljard euro die het Rijk begin 2026 heeft uitgetrokken voor de bereikbaarheid van nieuwe woningen? Welk deel is daadwerkelijk uitgegeven, welk deel is juridisch verplicht en welk deel is nog vrij beschikbaar? Zijn middelen verschoven naar andere doelen en, zo ja, hoeveel en met welke gevolgen voor de woningbouw?
Welke concrete maatregelen uit het Actieplan Versnelling Woningbouw bieden een oplossing voor projecten die vastlopen op de financiering van noodzakelijke infrastructuur? Kunt u per maatregel aangeven welk budget beschikbaar is, wie verantwoordelijk is voor de uitvoering en wanneer gemeenten daarvan gebruik kunnen maken?
Hoe verhoudt het uitblijven van een oplossing voor Oss zich tot uw ambitie om jaarlijks 100.000 woningen te realiseren? Hoeveel woningen lopen landelijk vertraging op door ontbrekende infrastructuurfinanciering en welke concrete besluiten neemt u, samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, om deze projecten alsnog mogelijk te maken?
Kunt u een overzicht opstellen van woningbouwprojecten met meer dan 300 woningen die dreigen niet door te gaan vanwege een financieringstekort voor noodzakelijke infrastructuur? Kunt u daarbij per project aangeven om hoeveel woningen het gaat, hoe groot het financieringstekort is en welke maatregelen u neemt om het project alsnog mogelijk te maken?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het commissiedebat Staat van de Volkshuisvesting op 28 oktober aanstaande te beantwoorden, zodat de antwoorden bij dat debat kunnen worden betrokken?
De (wettelijke) rol van de NPO en die van de taak- en ledenomroepen bij de Nederlandse deelname aan het Eurovisiesongfestival |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 400 medewerkers van de publieke omroepen de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) een brandbrief hebben gestuurd waarin staat dat zij willen dat de NPO afziet van deelname aan het Songfestival komend jaar?1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een meerderheid van de ledenomroepen zich afvraagt of de NPO wel de wettelijke bevoegdheid heeft om dit besluit te nemen zonder inhoudelijke instemming van de omroepen?2
Hoe heeft de NPO als taakorganisatie zonder uitzendlicentie – vooropgesteld dat de verantwoordelijkheid om wel of niet deel te nemen aan dit festival aan de omroepen is – de omroepen betrokken bij het overleg en de daaropvolgende besluitvorming over de keuze om toch wel mee te doen aan het Songfestival, mede in het licht van het gebruik dat bij gezamenlijke evenementen, zoals Serious Request en de Top 2000, besluitvorming doorgaans plaatsvindt in samenspraak met de omroepen en binnen de geëigende zender-, net- en redactiestructuren?
Klopt het beeld dat de begeleiding van een Nederlandse inzending bij het Songfestival een inhoudelijke rol betekent die duidelijk verder gaat dan zomaar het programma uitzenden en dat dit alleen door een omroep kan worden gedragen?
Klopt het dat uit de autonomie van de leden- en taakomroepen zoals deze is geregeld in artikel 2.88 van de Mediawet 2008 voortvloeit dat de NPO geen uitzendlicentie heeft en dat de NPO daarmee geen inhoudelijke en redactionele rol heeft in het bestel?3
Klopt het dat de NPO conform de wet (taak-) en ledenomroepen niet mag dwingen als zij niet willen meewerken aan het Eurovisiesongfestival en dat alleen omroepen met een uitzendvergunning verantwoordelijkheid dragen voor de inhoud en redactionele afwegingen en de begeleiding van de Nederlandse inzending bij het Songfestival?
Mocht geen enkele omroep de inhoudelijke en redactionele verantwoordelijkheid voor een Nederlandse inzending op zich willen nemen – er zijn signalen dat er nauwelijks omroepen zijn die bereid zijn de rol van AVROTROS over te nemen, nadat AVROTROS met brede steun in de samenleving een zorgvuldige afweging heeft gemaakt4 – dan kan een projectteam van de NPO zonder zendmachtiging het Songfestival toch niet inhoudelijk begeleiden?
Is bij u bekend of de NPO, nadat AVROTROS besloten had ook komend jaar geen Nederlandse inzending en uitzending te begeleiden, een andere omroep bereid heeft gevonden de volledige rol (dus niet alleen het uitzenden) op zich te nemen? Zo ja, welke omroep is dat? Zo nee, deelt u dan de mening dat deze besluitvorming indruist tegen de wettelijke rolverdeling? Kunt u daarbij ook toelichten hoe deze besluitvorming is verlopen?
Klopt het dat Nederland zich in oktober nog zonder kosten kan terugtrekken indien geen enkele omroep de rol van de AVROTROS wil overnemen? Kunt u bij de NPO navragen welke besluiten de NPO vóór die datum nog moet nemen en hen wijzen op de wettelijke rollen en bevoegdheid van de NPO enerzijds en de taak- en ledenomroepen in het publieke bestel anderzijds, conform artikel 2.88 Mediawet?5
De uitspraak 'Starters kunnen gelukkig bij hun ouders wonen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u op 13 oktober als reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat nieuw te bouwen woningen massaal nodig zijn voor asielzoekers de uitspraak «we zien dat heel veel starters gelukkig, niet ideaal, maar gelukkig nog bij hun ouders mogen wonen of kunnen blijven wonen» heeft gedaan?
Welke doelgroep heeft bij u prioriteit? Jongeren die al jaren op zoek zijn naar een eigen dak boven hun hoofd of asielzoekers die hier kort zijn?
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is voor honderdduizenden jonge Nederlanders, die vaak jarenlang op een wachtlijst staan, geen gezin kunnen stichten of zelfstandig kunnen wonen, dat een Minister van Volkshuisvesting hun woonprobleem wegwuift met de opmerking dat zij «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»?
Bent u zich er bewust van wat de maatschappelijke effecten zijn van het feit dat een groot deel van de jongeren niet of pas veel later aan hun leven kunnen beginnen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid uit te spreken dat bij schaarste op de woningmarkt de belangen van Nederlandse starters prioriteit hebben aangezien zij hier geworteld zijn, Nederlands staatsburger zijn en hun ouders hier vaak ook al decennia wonen en al jaren belasting betalen?
Hoe reflecteert u op het feit dat statushouders voor negentig procent terecht komen in sociale huurwoningen en de asielmigratie hiermee druk zet op een sociale sector waar de wachttijden al lang zijn en verder zijn opgelopen in recente jaren? Wie hoort volgens u voorrang te krijgen: jongeren die al jarenlang op een wachtlijst staan of statushouders?
Klopt het dat ruim twintig procent van de beschikbare woningen voor starters in 2023 ging naar statushouders, wat meer is dan woningcorporaties toevoegden in dat jaar? Hoe reflecteert u hierop?
Hoeveel van de totale beschikbare sociale huurwoningen gingen in 2025 naar statushouders? Waar baseert u dit cijfer op?
Bent u, gezien het feit dat asielmigratie wel degelijk een belangrijke factor is geweest, bereid het initiatiefwetsvoorstel Keijzer, Claassen en Clemminck over nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders (Kamerstuk 36 935) direct over te nemen? Zo niet, waarom niet? Welke maatregelen gaat u dan op korte termijn nemen?
Hoe ziet u voldoende alternatieve huisvesting voor zich? Welke invulling krijgen zogenaamde «doorstroomlocaties» die een soort nieuwe asielzoekerscentra (azc’s) zijn voor mensen met een verblijfsvergunning?
Worden gemeenten ook gedwongen deze doorstroomlocaties te realiseren in het kader van de spreidingswet? Indien het antwoord nee is: gaat u daar dan een nieuwe spreidingswet of andere wettelijke verplichting voor maken?
Hoe reflecteert u op het feit dat er lange tijd ontkend is dat migratie een grote impact zou hebben op de volkshuisvesting? Wat gaat u, nu het feiten zijn, concreet doen om mensen die hier van jongs af aan wonen een toekomst te bieden door middel van een woning?
De voorgenomen tracékeuze voor de 380 kV-hoogspanningsverbinding Diemen–Ens ter hoogte van Muiderberg en de Hollandse Brug. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van bewoners, ondernemers en recreatieorganisaties in de omgeving van Muiderberg en de Hollandse Brug over de voorgenomen ligging van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Diemen en Ens?
Klopt het dat het onderzochte voorkeurstracé ter hoogte van Muiderberg circa 300 meter afwijkt van het eerder door de regio voorgestelde tracé? Zo ja, wanneer en op basis van welke technische, ruimtelijke of financiële overwegingen is besloten hiervan af te wijken?
Welke rol heeft het regioadvies van de provincie Noord-Holland gespeeld bij de totstandkoming van het huidige voorkeurstracé? Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van dit advies niet zijn overgenomen, waarom hiervan is afgeweken en op welke wijze de betrokken medeoverheden hierover zijn geïnformeerd?
Deelt u de opvatting dat bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij bestaande infrastructuur, zoals snelwegen en bestaande hoogspanningsverbindingen, om verdere versnippering van het landschap en aantasting van de leefomgeving te beperken? Zo ja, hoe is dit uitgangspunt toegepast bij de tracékeuze ter hoogte van de A6 en de Hollandse Brug?
Welke alternatieve tracés zijn onderzocht waarbij de nieuwe hoogspanningsverbinding dichter langs de A6 wordt gerealiseerd? Kunt u per alternatief inzichtelijk maken waarom dit wel of niet technisch uitvoerbaar wordt geacht en welke gevolgen dit heeft voor de kosten, de ruimtelijke inpassing en de omgeving?
Klopt het dat de aanwezigheid van een gasleiding een van de belemmeringen vormt om de hoogspanningsverbinding dichter langs de A6 aan te leggen? Zo ja, is onderzocht of deze gasleiding kan worden verlegd of dat andere technische maatregelen mogelijk zijn? Wat zijn hiervan de geraamde kosten en waarom is eventueel van deze mogelijkheden afgezien?
Kunt u aangeven hoeveel woningen, bedrijven en recreatievoorzieningen binnen een afstand van respectievelijk 100, 300 en 500 meter van het huidige voorkeurstracé liggen, en hoe deze aantallen zich verhouden tot een alternatief dat dichter langs de A6 wordt gerealiseerd?
Op welke wijze zijn de gevolgen van de voorgenomen hoogspanningsverbinding voor de bedrijfsvoering, uitbreidingsmogelijkheden en economische toekomst van de betrokken ondernemers onderzocht? Is daarbij ook gekeken naar mogelijke beperkingen voor agrarische bedrijven, recreatieondernemers en andere grondeigenaren?
Op welke wijze zijn bewoners, ondernemers, grondeigenaren en lokale overheden betrokken bij de afweging tussen de verschillende tracévarianten? Welke concrete bezwaren en alternatieven zijn vanuit de omgeving aangedragen en hoe zijn deze verwerkt in de besluitvorming?
Kunt u toelichten welke criteria en wegingsfactoren worden gehanteerd bij de uiteindelijke tracékeuze, waaronder technische uitvoerbaarheid, aanlegkosten, leveringszekerheid, natuur, landschap, gezondheid, woonomgeving en economische belangen? Kunt u daarbij inzichtelijk maken hoe deze belangen ten opzichte van elkaar worden gewogen?
Deelt u de opvatting dat eventuele meerkosten van een alternatieve tracéligging niet uitsluitend moeten worden afgezet tegen de directe aanlegkosten, maar ook tegen de maatschappelijke gevolgen voor bewoners, ondernemers, natuur en landschap? Zo ja, hoe wordt dit in de besluitvorming geborgd?
Bent u bereid om, voordat een definitieve tracékeuze wordt gemaakt, inzichtelijk te maken of een tracé dichter langs de A6 technisch en financieel haalbaar is en welke verschillen dit oplevert voor de gevolgen voor woningen, bedrijven, natuur en landschap? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de huidige tracékeuze opnieuw te beoordelen indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat een alternatief langs bestaande infrastructuur aantoonbaar minder gevolgen heeft voor omwonenden, ondernemers en natuur, zonder dat dit leidt tot onevenredige technische of financiële bezwaren?
Het wegvallen van de zeehondenopvang in Lauwersoog |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de financiële problemen bij het Werelderfgoedcentrum Waddenzee (WEC) zijn ontstaan en waarom het niet is gelukt om met de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland tot een oplossing te komen?1
Ziet u ook een verantwoordelijkheid voor het Rijk bij het vinden van een oplossing voor de ontstane situatie?
Bent u bereid om hierover op korte termijn met de provincie Groningen, de gemeente Het Hogeland en andere betrokken partijen in gesprek te gaan?
Klopt het dat door het dreigende faillissement de komende maanden ongeveer 70 zeehonden, waaronder 35 pasgeboren pups, mogelijk niet kunnen worden opgevangen? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor het dierenwelzijn?
Welke maatregelen worden op korte termijn genomen om ervoor te zorgen dat zieke, gewonde en verzwakte zeehonden ook tijdens dit pupseizoen kunnen worden opgevangen? Bent u bereid met spoed noodopvang te organiseren?
Welke rol kunnen andere zeehondenopvangcentra spelen bij het opvangen van deze dieren? Is er bij deze centra voldoende capaciteit, personeel en financiële ruimte om de opvang over te nemen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen zijn nodig?
Bent u bereid om op korte termijn met het WEC, andere opvangcentra en betrokken overheden in gesprek te gaan om de continuïteit van de zeehondenopvang te waarborgen, ook als het WEC daadwerkelijk failliet gaat?
Welke gevolgen heeft het mogelijke faillissement voor het lopende wetenschappelijke onderzoek naar zeehondenpopulaties en de gezondheid van de Waddenzee, waaronder het onderzoek naar het verdwijnen van jonge gewone zeehonden?
Hoe wordt voorkomen dat belangrijke onderzoeksgegevens, kennis en lopende onderzoeksprojecten verloren gaan? Welke mogelijkheden ziet u om deze onderzoeken voort te zetten, bijvoorbeeld in samenwerking met universiteiten en andere onderzoeksinstellingen?
Welke concrete stappen gaat u zetten om zowel de opvang van zeehonden tijdens het aankomende pupseizoen als de voortzetting van belangrijk wetenschappelijk onderzoek naar de Waddenzee veilig te stellen? Op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Bent u van mening dat de recente ontwikkelingen rondom de zeehondenopvang aanleiding geven om dit akkoord opnieuw tegen het licht te houden, gezien het feit dat het huidige Zeehondenakkoord uit 2020 stamt? Bent u bereid om samen met de betrokken partijen te onderzoeken of een actualisatie van het Zeehondenakkoord nodig is, zodat de opvang van zeehonden ook in de toekomst gewaarborgd blijft?