Het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden |
|
Laura Bromet (GL), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme, technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd. Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt. Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische, en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames. Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming, op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd». In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot «verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan en zo in eerste instantie veilig zijn.
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van 27 januari over schrijft?1
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen. Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei 2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen. Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig (zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken (zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken. Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie» en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld «de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie» opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen. [..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan, is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie. Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren. Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied) is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van 2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt, hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen, landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden», inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht, voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele dagen tot weken later?
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden, waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit volgens u hetzelfde?
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000 mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders; de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden, spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau. Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s en schade bij hoogwater.
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar, los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens het basisbeschermingsniveau.
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken? Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast, dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen hierbij een belangrijke rol.
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat eilandbewoners dit cynisch vinden?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari 2026?
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat. Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen. In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Ja.
Zoals onderstreept in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) blijven de zorgen over het jihadistische online milieu onverminderd groot.2 Met name de snelle online radicalisering van een nieuwe generatie jongeren wordt daarin als zorgwekkend aangemerkt.
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen nadere uitspraken doen.
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
De aanhoudingen kunnen passen in het beeld zoals onder meer geschetst in het meest recente DTN. Op openbare sociale media, in besloten chatgroepen en op gaming-platformen komen individuen buiten het zicht van ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten gemakkelijker en op jongere leeftijd dan voorheen in aanraking met extremistisch gedachtegoed. Door sociale media hoeven gebruikers niet altijd naar extremistische content te zoeken, maar kunnen zij ook onbedoeld en zonder ideologische motivatie met deze content in aanraking komen. Daarnaast kunnen zij onderdeel worden van online netwerken van gelijkgestemden, waar zij soms zelf extremistische content produceren en verspreiden, hetgeen weer bijdraagt aan de radicalisering van anderen.
De jonge leeftijd van een aantal verdachten past in het bredere beeld dat steeds meer terrorismeverdachten minderjarig zijn en (online) geïnspireerd raken door onder andere de Islamitische staat (ISIS). De geografische spreiding van de verdachten laat verder zien dat fysieke nabijheid geen vereiste is voor samenwerking. Online platformen maken het mogelijk dat terroristische netwerken ontstaan die gemeente- en regiogrenzen overstijgen.
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Het gedachtegoed van ISIS is online eenvoudig toegankelijk en wijdverspreid. Jihadistische propaganda, jihadistische groepen en netwerken bevinden zich op verscheidene online platformen. Deze online aanwezigheid zorgt ervoor dat het jihadistische gedachtegoed in stand blijft, hetgeen leidt tot nieuwe aanwas van jihadisten en het mogelijk vergroten van de actiebereidheid bij hen. Bovendien is de omvang van jihadistische online propaganda de laatste jaren sterk toegenomen. Het is lastig om zicht krijgen op de totale omvang van deze propaganda, omdat zij soms verstopt is op minder toegankelijke kanalen zoals besloten chatgroepen.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) heeft in de open publicatie «Een web van haat» uit 2025 eerder benoemd dat de brede online beschikbaarheid en toegankelijkheid van extremistische en terroristische propaganda zeer waarschijnlijk bijdraagt aan een blijvende jihadistische dreiging.3 Daarnaast onderschrijft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat online radicalisering onder jihadistische jongeren een groeiend probleem is in Nederland en in Europa.4 In de afgelopen jaren heeft deze radicalisering van jonge jihadisten in Nederland echter nog niet geleid tot een daadwerkelijke geweldsdaad in Nederland: aanslagplannen kwamen niet tot uitvoer of autoriteiten wisten voornemens tot een aanslag tijdig te onderkennen. Desondanks kunnen uit online contacten op termijn ook jihadistische netwerken ontstaan die een terroristische dreiging kunnen vormen.
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
Terroristische en extremistische groepen en netwerken maken in hun online propaganda vaak gebruik van verhullende communicatie om detectie door opsporingsdiensten en online platformen te omzeilen. Ze gebruiken daarbij codetaal, symboliek, zogenoemde «hondenfluitjes» of humor, verwerkt in memes, afbeeldingen, video’s en games. Op deze manier kunnen extremistische boodschappen op grote platformen worden verspreid en een breder publiek bereiken. Naarmate contentmoderatie strenger wordt, neemt ook de mate van verhulling toe.
Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van detectiemechanismen en het in kaart brengen van nieuwe uitingsvormen van terroristische online content.
Daarnaast zijn hostingbedrijven en online platformen verplicht zorgvuldig om te gaan met de content die zij aanbieden. Zo legt de Digital Services Act (DSA) voor zeer grote online platformen (VLOPs) zorgvuldigheidsverplichtingen op met betrekking tot de inrichting van hun platform en de content die daarop wordt gehost of verspreid. De DSA verplicht platformen om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht en de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platformen hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de structurele dialoog met de online platformen hiervoor aandacht te vragen.
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Sociale mediaplatformen kunnen problemen ondervinden bij het tijdig detecteren en verwijderen van terroristische propaganda wanneer omzeilingstechnieken worden gebruikt. Zoals aangegeven in antwoord 4 maken terroristische en extremistische groepen en netwerken vaak gebruik van verhullende communicatie om moderatie-inspanningen te omzeilen. Het blijft dan ook van belang dat sociale mediaplatformen oog houden voor nieuwe omzeilingstechnieken en investeren in moderatie kwaliteit en in kennis. Hoewel platformen zoals TikTok en de Meta-diensten (Instagram) geavanceerde AI inzetten voor de detectie van ernstige schendingen, blijkt de handhaving in de praktijk vaak inconsistent en traag. Dit is omdat deze geautomatiseerde systemen nog steeds moeite hebben met de contextuele en culturele nuances van de steeds veranderende codetaal. Bovendien belemmert de architectuur van gepersonaliseerde-algoritmen de moderatie, omdat gebruikers content te zien krijgen die aansluit bij hun interesses, waardoor zij minder snel geneigd zijn om propaganda te rapporteren.
In Nederland geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) uitvoering aan de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en is bevoegd om terroristische content te detecteren en deze te laten verwijderen of ontoegankelijk te laten maken. De ATKM streeft ernaar om in samenwerking met de platformen moderatie van terroristische online content verder te verbeteren en spreekt hen aan wanneer zij naar haar oordeel meer kunnen doen. Waar nodig zet zij hierbij verwijderingsbevelen en haar handhavingsinstrumentarium in.
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf. Zo bevat het huidige wettelijke instrumentarium, zoals de TOI-verordening en de DSA, duidelijke verplichtingen voor de bestrijding van terroristische en andere illegale content op online platformen.
De ATKM heeft op grond van de TOI-verordening primair tot taak terroristische online-inhoud te identificeren en het ontoegankelijk maken van online terroristische online-inhoud af te dwingen.
Indien terroristische online-inhoud is geïdentificeerd, vaardigt de ATKM een verwijderingsbevel uit aan de aanbieder van hostingdiensten waar de terroristische online-inhoud wordt gehost. De ATKM kan een verwijderingsbevel uitvaardigen aan alle aanbieders van hostingdiensten die hun diensten aanbieden in de Europese Unie. Hierop heeft de aanbieder van hostingdiensten één uur de tijd om deze inhoud te verwijderen óf de toegang daartoe in alle EU-lidstaten te blokkeren. De ATKM houdt scherp toezicht op deze 1-uurs termijn. In vrijwel alle gevallen hebben internetbedrijven hieraan opvolging gegeven.5
Wanneer een verwijderingsbevel niet (tijdig) door een aanbieder van hostingdiensten wordt nageleefd, kan de ATKM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Indien een aanbieder systematisch of aanhoudend de verwijderingsbevelen niet naleeft, is het wettelijk maximum boetebedrag € 1.100.000 of, indien dat meer is, ten hoogste 4% van de mondiale omzet van de onderneming.
Wanneer een in Nederland gevestigde aanbieder van hostingdiensten twee of meer definitieve verwijderingsbevelen heeft ontvangen kan de ATKM besluiten dat deze aanbieder is blootgesteld aan terroristisch online inhoud. De aanbieder dient dan onder andere aanvullende specifieke maatregelen te nemen om zijn diensten te beschermen tegen de verspreiding van terroristisch online inhoud. De aanbieder kiest zelf welke specifieke maatregelen hij hiervoor treft en rapporteert hierover aan de ATKM.6
De verplichtingen onder de DSA zijn gelaagd en afhankelijk van de omvang van de dienst. Online platformen moeten op grond van artikel 16 beschikken over een gebruiksvriendelijk meldsysteem voor illegale inhoud. Bij een vermoeden van een strafbaar feit dat het leven of de veiligheid van een persoon bedreigt, moeten zij volgens artikel 18 de opsporingsdiensten informeren. Daarnaast moeten meldingen van trusted flaggers op basis van artikel 22 met voorrang worden behandeld.
Voor VLOPs gelden strengere eisen. Zij moeten volgens artikel 34 systemische risico’s rond de verspreiding van illegale content analyseren en op grond van artikel 35 passende maatregelen nemen. Bij ernstige nalatigheid kunnen op grond van artikel 52 boetes tot 6% van de wereldwijde jaaromzet worden opgelegd. Ook moeten VLOPs de mogelijke risico’s voor bijvoorbeeld de openbare veiligheid analyseren en beperken, bijvoorbeeld door algoritmische versterking te verminderen of gebruikers naar hulpinstanties te verwijzen. De Europese Commissie houdt toezicht op deze verplichtingen.
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Het wettelijk instrumentarium, zoals de DSA en de TOI-verordening, biedt mogelijkheden om op te treden tegen onveilige online omgevingen. Zo is in het kader van voorgenoemde wetten een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien.
Wat betreft de manier waarop er gehandhaafd kan worden onder de TOI-verordening door de ATKM verwijs ik u graag naar het uitgebreide antwoord op vraag 6. Om de doeltreffendheid en praktische effecten van de Uitvoeringswet TOI en de bevoegdheden van de ATKM te beoordelen, is in 2025 de evaluatie van deze wet gestart. Daarin wordt de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. In het najaar van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de resultaten hiervan.
Daarnaast heeft Nederland in december 2025, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie opgeroepen om in samenspraak met onder andere online platformen een vrijwillige gedragscode op te stellen ter bestrijding van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme.7 De voorstellen voor de gedragscode richten zich op de bescherming van gebruikers van online platformen, het delen van signalen van online radicalisering, en het tegengaan van zogeheten «platform migratie» waarbij (geblokkeerde) gebruikers (telkens) naar andere platformen uitwijken (en accounts op nieuwe platformen openen).
De DSA biedt ruimte voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse toezichthouder, en de Europese Commissie om handhavend op te treden bij niet-naleving van de verplichtingen uit de verordening. De verordening laat in een uiterst geval en onder voorwaarden ruimte voor de toezichthouder om de rechter te verzoeken de toegang tot een dienst tijdelijk te beperken wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk die neerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd. De Europese Commissie kan VLOPs dwingende maatregelen opleggen en boetes uitdelen wanneer zij systemische risico's onvoldoende mitigeren.
In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Om dit instrumentarium verder te versterken, zal Nederland een actieve rol spelen in deze evaluatie en ons inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk en mogelijk is. Daarbij richten wij ons niet alleen op de aanpak van illegale en schadelijke content, maar nadrukkelijk ook op het gebrek aan transparantie en de werking van schadelijke algoritmen. Deze inzet sluit aan bij de doelstellingen uit het coalitieakkoord. Zo zal het kabinet zich inzetten om sociale media veiliger te maken door middel van strenger toezicht op platformen en transparantie over algoritmen, en effectieve handhaving tegen illegale content. In de komende periode zal worden bezien op welke wijze hier nadere invulling aan kan worden gegeven.
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Zoals het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, zijn er verspreid over negen politie-eenheden in totaal zestien verdachten aangehouden. Volgens het Openbaar Ministerie hebben dertien verdachten de Syrische nationaliteit en drie verdachten de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet doet geen uitspraken over individuele verblijfsstatussen of andere persoonsgegevens van de verdachten.
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
De NCTV houdt de ontwikkelingen omtrent de jihadistische dreiging nauwlettend in de gaten en rapporteert daarover in het DTN. Ook wordt voortdurend bezien of de huidige aanpak voldoende handvatten biedt of dat aanscherping van maatregelen nodig is.
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
De lokale aanpak vormt een essentieel onderdeel van de kabinetsinzet tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, waarbij altijd sprake is van maatwerk. Met name waar het jongeren betreft is het belang van effectieve vroegsignalering groot en dergelijk maatwerk vereist – een noodzaak die ook door de AIVD is benadrukt in haar publicatie «Een web van haat».8 Hierbij is een grote rol weggelegd voor preventie, bijvoorbeeld door het bevorderen van digitale weerbaarheid van jongeren, het ondersteunen van ouders en het trainen van (lokale) professionals zoals jeugdwerkers en leerkrachten om mogelijke signalen van (online) radicalisering vroegtijdig te herkennen.
Het versterken van digitale weerbaarheid is een belangrijke pijler binnen de preventieve aanpak van online radicalisering9, waarbij passende en effectieve interventies op lokaal niveau van groot belang zijn. Op dit gebied werk ik intensief samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), waaronder bij het toekennen van de Versterkingsgelden aan gemeenten. Vanuit de Versterkingsgelden worden diverse lokale interventies ondersteund die bijdragen aan het versterken van de digitale weerbaarheid van jongeren, zoals lessen op school over mediawijsheid en online jongerenwerk. SZW zet daarnaast ook op lokaal niveau preventief in op het versterken van bewustwording, kennisontwikkeling en -deling en samenwerking van professionals op het thema online radicalisering.10 De NCTV heeft de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit in 2025 en 2026 gevraagd met regionale advisering de lokale aanpak te ondersteunen, met als doel duurzame netwerken tussen lokale professionals op te bouwen ter bevordering van lokale preventie en deskundigheidsbevordering. Tevens is de aansluiting tussen zorg- en veiligheidspartners een aandachtspunt. Daarbij is een extra focus aangebracht voor de aanpak van snelle online radicalisering van jongeren door jongerenwerkers, onderwijzers, ouders en jongeren, en hoe deze aanpak zelf kan worden vormgegeven door inzet op online veiligheid en digitale weerbaarheid.
Tot slot is het van groot belang dat (lokale) professionals uit het sociaal-, onderwijs-, zorg- en veiligheidsdomein over de juiste kennis en handvatten beschikken om signalen vroegtijdig te herkennen zodat hierop effectief kan worden gehandeld. Het Rijksopleidingsinstituut tegen Radicalisering (ROR) werkt samen met gemeentes aan de deskundigheid van professionals door middel van kennisverspreiding en het versterken van vaardigheden en biedt diverse trainingen en workshops aan professionals, zoals een workshop «Online Radicalisering» of de serious game voor docenten genaamd «Botsende ideeën». Daarnaast biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en mensen die in hun privé omgeving te maken krijgen met (mogelijke) radicalisering of extremisme.
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
In algemene zin kunnen uitingen die online worden gedaan direct of indirect effect hebben in de fysieke wereld. Intolerante en gewelddadige boodschappen worden, met name door de komst van sociale media, razendsnel verspreid om de geesten van anderen ontvankelijk te maken voor terroristische denkbeelden. Als mensen online propaganda van terroristische organisaties voorgeschoteld krijgen, kan dat radicalisering in de hand werken en van invloed zijn op de wijze waarop deze personen zich gedragen in onze maatschappij, niet alleen online maar ook op straat, bijvoorbeeld bij bijeenkomsten of demonstraties.
Personen die online radicaliseren door veelvuldige blootstelling aan terroristische boodschappen kunnen hun intolerante gedachtegoed in de openbare ruimte uitdragen, bijvoorbeeld door terroristische misdrijven te verheerlijken of door steun te betuigen aan terroristische organisaties. Om deze verheerlijkende propaganda nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Uiteraard kan er op dit moment ook al strafrechtelijk worden opgetreden tegen strafbare uitingen die online of offline in het openbaar worden gedaan.
Op het moment dat er strafbare uitlatingen worden gedaan tijdens een demonstratie is het aan het Openbaar Ministerie als gezag om een afweging te maken of de politie moet ingrijpen. Het Openbaar Ministerie kan eveneens na een demonstratie ingrijpen door dan tot strafvervolging over te gaan. Deze afweging is aan het Openbaar Ministerie.
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme en terrorisme aan te pakken – in het bijzonder waar het jongeren betreft. Er wordt voortdurend bezien of de huidige wet- en regelgeving toereikend is en er wordt stevig ingezet op preventie, bewustwording en samenwerking met lokale en internationale partners. In het voorjaar van 2026 zal ik in de volgende voortgangsbrief van de Versterkte Aanpak Online nader ingaan op de verdere ontwikkelingen in het tegengaan van online extremisme en terrorisme.
Het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over ‘brede welvaart’ te vergroten' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna 40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart», sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch domein volgt.
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen wordt doorgedrukt?
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf. Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren?
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen, zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie van OCW voor dit doel.
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart», duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en ondernemerschap?
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Ja.
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Het Arcadis-rapport geeft informatie over verschillende groepen stoffen. Figuur 0–1 in het rapport geeft o.a. aan dat de hoogste overschrijdingen van de gehanteerde normen of signaleringswaarden worden aangetroffen in de groep «overige verontreinigende stoffen».
Dat neemt niet weg dat de gerapporteerde informatie over de aanwezigheid en normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen én biociden) en PFAS zorgelijk is. Binnen de EU is overeenstemming bereikt over de aanpassing van de Richtlijn prioritaire stoffen, de Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn water (KRW). Afronding van de besluitvorming hierover is rond april dit jaar voorzien. Hiermee ontstaat ook duidelijkheid over de normen die voor dit soort stoffen moeten worden gehanteerd voor het vaststellen van normoverschrijdingen.
Naar aanleiding hiervan zal de Kamer nader geïnformeerd worden over de wijze waarop met provincies, drinkwaterbedrijven en waterschappen op een onderling afgestemde eenduidige wijze gerapporteerd kan worden over kwaliteit van grondwater. Dit is in lijn met acties uit het advies van de Studiegroep grondwater (Kamerstukken 27 625, nr. 594) over monitoring van grondwaterkwaliteit: actie 7A, «stem de bestaande grondwatermeetnetten beter op elkaar af zodat verontreiniging en toestand en trends daarvan eenduidig kunnen worden vastgesteld», actie 7B, «meet in het ondiepe grondwater om snel problemen te signaleren» en actie 7C, «Ontwikkel een indicator voor vergrijzing (mengseltoxiciteit»). Uitvoering van deze 3 acties is momenteel lopende en uitkomsten hiervan worden in de loop van dit jaar besproken met IPO, Unie van Waterschappen, VNG en de Vewin in het Bestuurlijk Overleg Water.
Bij het beoordelen van de gerapporteerde gegevens over gewasbeschermingsmiddelen moet ook in overweging genomen worden dat een aantal genoemde werkzame stoffen waarvan metabolieten/afbraakproducten zijn aangetroffen, niet meer toegelaten is. Er zijn dus al maatregelen getroffen om verdere verontreiniging te voorkomen. In het kader van het Uitvoeringsprogramma van de toekomstvisie gewasbescherming 2030 is met vertegenwoordigers van provincies, drinkwaterbedrijven, LTO, Croplife NL, Ctgb, LVVN en IenW een traject gestart om gezamenlijk de opgaven en oplossingen voor verbetering van grondwaterkwaliteit in beeld te brengen. Daarbij wordt ook vastgesteld welke in grondwater aangetroffen stoffen, of metabolieten daarvan, nog een toelating hebben en in hoeverre het al bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal leiden tot het terugdringen van normoverschrijdingen. Hierbij wordt ook vastgesteld of in het grondwater aangetroffen stoffen uitsluitend afkomstig zijn van gebruik als gewasbeschermingsmiddel of ook nog een ander gebruik als oorsprong hebben.
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Vervuiling van grondwater in gebieden waar dat gebruikt wordt voor winning van drinkwater moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De gegevens van dit rapport betreffen provinciale meetnetten. Meetpunten van de provincies liggen doorgaans niet in grondwaterbeschermingsgebieden waar grondwater onttrokken wordt voor drinkwaterproductie.
Voor de beoordeling van de bedreiging van drinkwaterbronnen wordt gewezen op het binnenkort te verschijnen rapport over «early warning monitoring» in grondwaterbeschermingsgebieden die vallen binnen het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens. Dit rapport wordt ook betrokken bij het afwegen van beleid voor bescherming van drinkwaterbronnen en de eventuele uitbreiding van drinkwaterwinningen buiten de nu bestaande grondwaterbeschermingsgebieden. Zie ook het antwoord op vraag 21.
Met betrekking tot het deel van de vraag over natuur: ter uitvoering van het «Verbeterprogramma Vogel- en Habitatrichtlijn» is door de grondwaterbeheerders overleg gestart met de uitvoeringsorganisatie BIJ12 die dit verbeterprogramma uitvoert.
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
We weten dat PFAS schadelijke effecten kunnen hebben op de gezondheid van mensen. Of PFAS daadwerkelijk gezondheidseffecten geven, hangt onder andere af van hoeveel PFAS mensen binnen krijgen over de tijd. Mensen in Nederland krijgen te veel PFAS binnen via voedsel en drinkwater, heeft eerder onderzoek van het RIVM uitgewezen2. Dit vindt het kabinet een onwenselijke situatie en daarom wordt ingezet op vermindering van PFAS via vier sporen:
Om de gezondheid van mensen te beschermen zijn PFAS en andere chemische stoffen genormeerd in het Drinkwaterbesluit. Voor PFAS is dat een norm van 100 nanogram per liter (ng/l) voor 20 PFAS, die sinds 12 januari 2026 van kracht is in het Drinkwaterbesluit. Binnen de EU is de afweging van een aanscherping van deze norm nog gaande. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) werkt op verzoek van de Europese Commissie aan een advies over de blootstelling aan PFAS. Voor meer informatie zie ook de Kamerbrief over PFAS van 21 juli 20253.
De Europese contaminantenwetgeving4 bepaalt de maximumgehalten aan ongewenste stoffen in levensmiddelen, zoals mycotoxinen, zware metalen, dioxines, PFAS en nitraten, om de volksgezondheid te beschermen.
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel mogelijk in kaart laten brengen?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in juni 2025 het rapport «Actualisering monetaire milieuschade» gepubliceerd»5. In dit rapport heeft het PBL op eigen initiatief berekend dat de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in 2022 voor € 46 miljard schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van mens en natuur in Nederland. Het PBL is in de berekening uitgegaan van een conservatieve schatting. Voor veel milieugevaarlijke stoffen bestaat nog onvoldoende kennis over de omvang van de emissies, de verspreiding door het milieu of de effecten op menselijke gezondheid en ecosystemen om de monetaire milieuschade te kunnen berekenen. Daarnaast is ook de waardering van de milieuschade aan onzekerheid onderhevig. In dit onderzoek concludeert het PBL dat het nog niet mogelijk is om voor bepaalde moeilijk of niet-afbreekbare stoffen, zoals PFAS, milieuschade te berekenen, omdat daarvoor geen milieuprijzen bekend zijn. De broeikasgassen CO2, methaan en N2O zorgen voor iets meer dan de helft van de berekende schade. Luchtverontreinigende stoffen die onder de Europese NEC-richtlijn vallen (NOx, ammoniak, zwaveldioxide, fijnstof en NMVOS) veroorzaken bijna alle overige schade. Andere schadelijke stoffen, waarvan de emissies meestal veel lager liggen, zorgen voor de resterende twee procent van de schade, aldus het PBL. Deze cijfers zijn in lijn met de conclusie van het in 2023 mede door Nederland ingediende voorstel voor een brede Europese PFAS-restrictie waarin is vastgesteld dat de sociaaleconomische lasten van het gebruik van PFAS groter zijn dan de baten.
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Het kabinet zet in op vermindering van PFAS via vier sporen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4. Deze sporen vormen een totaalaanpak die moet leiden tot een sterke vermindering van PFAS in onze leefomgeving. Dat betekent helaas niet dat PFAS per direct een halt toegeroepen kunnen worden. Het zijn persistente stoffen die soms al decennia geleden in ons milieu terecht gekomen zijn en daar niet of nauwelijks afbreken. Een belangrijk deel van de problemen nu wordt veroorzaakt door de historische vervuiling. Ook wordt er op dit moment nog volop PFAS-houdende producten gebruikt. Met het onder vraag 4 genoemde voorstel voor een Europese restrictie willen we dat gebruik zo ver mogelijk terugdringen.
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Het aanpakken van PFAS is een prioriteit van het kabinet, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4, en er worden dan ook volop acties op ingezet. Zo is Nederland een van de initiatiefnemers voor het voorstel voor de Europese restrictie op PFAS en zijn eind 2024 alle PFAS aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stoffen, waarvoor een minimalisatieplicht geldt. Ook worden decentrale overheden ondersteund bij het aanpakken van met PFAS verontreinigde grond via een specifieke uitkering (SPUK Bodem).
Over de voortgang van het onderzoeksprogramma PFAS is de Kamer onlangs geïnformeerd (Kamerstukken 35 334, nr. 421). Op de website https://www.rivm.nl/pfas/onderzoeksprogramma wordt per thema een overzicht gegeven van alle lopende en geplande onderzoeken uit het onderzoeksprogramma. Daarnaast wordt gewezen op de Kamerbrief van 21 juli 2025 met als onderwerp «Problematiek rondom stikstof en PFAS» (Kamerstukken 35 334, nr. 407) die onder punt 5 specifiek in gaat op het onderwerp «PFAS in drinkwater».
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 5, 8 en 9.
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Het kabinet heeft zich ingezet voor en blijft inzetten op transparante communicatie richting burgers over schadelijke stoffen en de aanwezigheid van deze stoffen in producten/middelen. Dit wordt onder andere gedaan via de website van het RIVM. Hier bevindt zich ook een PFAS «landingspagina», waar algemene informatie wordt gegeven over PFAS, het gebruik ervan, de effecten en de aanwezigheid van PFAS in de mens en het milieu. Ook over andere stoffen is informatie te vinden bij het RIVM, zoals via de website Risico's van stoffen van het RIVM6.
Daarnaast wordt via de website https://waarzitwatin.nl/ informatie gegeven over chemische stoffen, waaronder PFAS, en de aanwezigheid van chemische stoffen in producten en middelen. Dit is een website gericht op consumenten, waarbij per productgroep de mogelijkheid voor de aanwezigheid van (schadelijke) chemische stoffen in het product en de mogelijke risico’s hiervan worden besproken in begrijpelijke taal. Op de website van MilieuCentraal is informatie te vinden over bestrijdingsmiddelen7. Al deze genoemde websites worden regelmatig bijgewerkt wanneer nieuwe relevante informatie beschikbaar is gekomen.
Industriële bedrijven zijn verplicht om de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) naar lucht en water minimaal eenmaal per vijf jaar te rapporteren aan het Bevoegd Gezag. Sinds 1 januari 2025 is het verplicht om deze rapportage te doen via de ZZS-emissiedatabase. De informatie hieruit zal te zijner tijd actief openbaar worden gemaakt na de evaluatie van deze database die gepland staat voor 2026.
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Zie de antwoorden op vragen 3 en 4.
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Dat de toelating van een aantal eerder als gewasbeschermingsmiddel toegelaten stoffen, veelal herbiciden/onkruidbestrijdingsmiddelen, is ingetrokken duidt erop dat het toelatingsbeleid zijn uitwerking heeft. Zoals in de antwoorden op vraag 2 en 3 is aangegeven wordt momenteel met betrokken partijen in beeld gebracht welke opgaven resteren en of het bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen naar verwachting ook volstaat om verdere achteruitgang van grondwaterkwaliteit (ook wel vergrijzing genoemd) en normoverschrijdingen te voorkomen. Hierbij wordt ook in beeld gebracht hoe aan de hand van monitoringsresultaten van grondwater eerder kan worden vastgesteld of een herbeoordeling nodig is om normoverschrijdingen te voorkomen.
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er wel of niet mee heeft gedaan?
Verwezen wordt o.a. naar de Tussenevaluatie van de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst met de titel «Geïntegreerde gewasbescherming nader beschouwd»8 (Kamerstukken 27 858, nr. 478) en het koepelrapport van de Tussenevaluatie van de KRW (Kamerstukken 27 625, nr. 696).
Daarnaast heeft de Kamer via een brief van de Minister van LVVN en de Staatssecretaris van IenW de evaluatie van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ontvangen (Kamerstukken 35 756, nr. 29).
Met een brief van de Minister van LVVN ontving de Kamer recent de evaluatie van het Nationaal actieplan dat voor implementatie de Richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden is opgesteld (Kamerstukken 27 858, Nr. 741). De duiding van deze evaluaties geeft aan wat er met de aanbevelingen wordt gedaan.
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wordt verwezen naar de antwoorden van de Minister LVVN op de Kamervragen die het lid Bromet eerder over dit onderwerp heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 203) en naar de appreciatie van de verworpen motie van het lid Bromet om in navolging van Denenmarken PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te verbieden (Kamerstukken 27 585, nr. 725).
Ook is van belang dat het Ctgb op 18 december 2025 publiek heeft gemaakt dat naar aanleiding van het besluit van de Deense toelatingsautoriteit, in Nederland 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS bevatten tussentijds opnieuw beoordeeld zullen worden. Net als Noorwegen en Zweden, die ook voor herbeoordeling kozen, wil het Ctgb daarover uiterlijk op 30 april 2028 alle besluiten nemen9. Het Ctgb heeft per brief de Ministers van LVVN en IenW geïnformeerd over de stappen die volgens artikel 44 van de EU-Verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk zijn om juridisch houdbaar robuuste bescherming van het grondwater te kunnen waarborgen. De Minister van LVVN heeft de Kamer deze brief op 19 januari jl. toegezonden (bijlage bij Kamerstukken 27 858, nr. 739).
Het Ctgb constateert dat de herbeoordeling mogelijk grote gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland en adviseert het Rijk o.a. om een impactanalyse te laten uitvoeren en alternatieven te inventariseren voor middelen die mogelijk wegvallen. De Minister LVVN heeft de WUR gevraagd deze impactanalyse uit te voeren en de uitkomsten daarvan worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Ja. Mede om die reden loopt op dit moment zowel Europees als nationaal een herbeoordeling van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een PFAS als werkzame stof. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Het is bekend dat de blootstelling aan PFAS via voedsel en het drinkwater boven de gezondheidskundige grenswaarde ligt.10 Dat betekent dat effecten van PFAS op het immuunsysteem niet uit te sluiten zijn. Met het PFAS-programma wordt beoogd de blootstelling aan PFAS te verminderen. Naar aanleiding van Deens onderzoek, dat laat zien dat verschillende PFAS stoffen afbreken tot TFA en in het grondwater komen, heeft het Ctgb besloten 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS bevatten tussentijds opnieuw te gaan beoordelen. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks afbreekbaar zijn?
Zie antwoorden op de vragen 16, 17 en 18.
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze burgers niet?
Nee. Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 16, 17 en 18 gaat het Ctgb 46 gewasbeschermingsmiddelen die PFAS als werkzame stof bevatten tussentijds opnieuw beoordelen. Het Ctgb gebruikt de nieuwe gegevens over de vorming van TFA en het Nederlandse grondwatermodel om te bepalen of de betreffende middelen ook hier leiden tot overschrijding van de grondwaternorm. In dat geval voldoen de middelen niet meer aan de toelatingscriteria en moeten toelatingen worden gewijzigd of worden ingetrokken. PFAS kan in een bestrijdingsmiddel (gewasbeschermingsmiddelen en biociden) zitten als werkzame stof of als hulpstof. De eerste groep is uitgesloten van de brede Europese PFAS restrictie, de tweede groep gaat wel vallen onder deze restrictie.
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Dit wordt verder afgewogen bij de uitvoering van de motie-Tjeerd de Groot (Kamerstukken 27 858, nr. 587) die oproept om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden te stoppen. Aangezien dit rapport aantoont dat in grondwater aangetroffen stoffen vooral onkruidbestrijdingsmiddelen of metabolieten van deze middelen betreffen, behoeft juist de onkruidbestrijding in grondwaterbeschermingsgebieden specifieke aandacht bij de uitvoering van deze motie. De Kamer wordt specifiek geïnformeerd over de uitvoering van deze motie. Hierbij worden zo mogelijk ook de uitkomsten van de in het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens uitgevoerde early warning monitoring betrokken (zie het antwoord op vraag 3).
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Daarnaast wordt er voor de goede orde gewezen op dat het onder de verantwoordelijkheid van de provincies opgestelde rapport het volgende aangeeft: «Dit rapport is geen Kaderrichtlijn water (KRW)-rapportage», maar deze rapportage heeft een «early warning» functie». Zo zal het ook benut worden voor de bestuurlijke dialoog over het behalen van KRW-doelen die o.a. met de provincies in het Bestuurlijk Overleg KRW gevoerd wordt.
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
De provincies en drinkwaterbedrijven zijn als eerste verantwoordelijk voor monitoring van grondwaterkwaliteit en het is aan hen om hierin een afweging te maken. Dit in afstemming met het ministerie IenW in het kader van de in het antwoord op vraag 2 benoemde uitwerking van de acties 7A, 7B en 7C uit het advies van de Studiegroep grondwater. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Op dit moment is er geen aanleiding voor meer regie op het toezicht op afvalwaterlozingen zoals bij het bedrijf CFS. In het geval van afvalwaterlozingen hebben bedrijven monitoring- en rapportageverplichtingen, en doet het bevoegd gezag onafhankelijke controles hierop.
Bedrijven zijn verplicht hun lozingen te meten, te registreren en te rapporteren conform de vergunningsvoorschriften. Deze gegevens vormen een belangrijk onderdeel van het toezicht, maar staan niet op zichzelf. Waterbeheerders, zoals waterschappen en Rijkswaterstaat, voeren daarnaast eigen metingen uit. Deze metingen vormen, in samenhang met de bedrijfseigen cijfers, de basis voor de controle op de naleving van vergunningen. Deze onafhankelijke controles bieden een noodzakelijke en structurele borging van de juistheid van de emissiedata en verkleinen de afhankelijkheid van bedrijfsrapportages.
Waar signalen daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag aanvullende metingen uitvoeren of specifieke meetverplichtingen opleggen. Ook wordt bij vergunningverlening en actualisatie steeds bezien of de voorgeschreven monitoring passend is bij de risico’s voor de waterkwaliteit, met bijzondere aandacht voor prioritaire en zeer zorgwekkende stoffen. Ik zie daarom op dit moment geen aanleiding voor meer regie in de gekozen systematiek voor afvalwaterlozingen.
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen met een tijdpad van mogelijke
Hier is aan voldaan met de Kamerbrief «Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden» gepubliceerd op 19 december 2025 (Kamerstukken 28 089, nr. 346). De onderzoeksuitkomsten zijn als bijlage bij de genoemde Kamerbrief gevoegd en de vervolgacties worden in de Kamerbrief toegelicht.
acties die hieruit voortvloeien?
Vanwege de benodigde afstemming tussen de ministeries van IenW, VWS en LVVN was het niet mogelijk om deze vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden. De Kamer heeft hierover een uitstelbrief ontvangen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Stientje van Veldhoven (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
(on)mogelijkheden van burgemeesters om de overlast door personen met onbegrepen/verward gedrag aan te kunnen pakken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «10.000 euro boete, een huisverbod, een lantaarnpaal verplaatst: Arnhem zette alles in tegen overlast Koert H.», «Wacht niet op steekpartij of brand maar laat overlastgevers afkicken, betoogt Marcouch» en kent u de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 3 februari 2026?1, 2, 3
Kunt u zich voorstellen dat in bewoners, lokale handhavers, de burgemeester en wellicht nog anderen «de wanhoop nabij» waren toen nadat heel het beschikbare instrumentarium om overlast tegen te gaan gebruikt was de overlast toch niet stopte? En dat de overlast pas stopte na een ingrijpend incident? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van de burgemeester van Arnhem dat het te laat kan zijn als er pas in het geval acuut gevaar voor de overlastgever en zijn omgeving is er handelingsperspectief ontstaat om in te kunnen grijpen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat burgemeesters de mogelijkheid moeten krijgen «om mensen ook al voor de fase dat gevaar acuut wordt, op te laten nemen»? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Herkent het in de VNG-brief gestelde dat «vrijwel iedere gemeente personen met verward en onbegrepen gedrag kent, waarbij het bestuurders ontbreekt aan handelingsperspectief» waarbij gemeentebestuurders «de huidige wettelijke kaders als ontoereikend [ervaren] voor (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, die niet in aanmerking komen voor gedwongen zorg of voor een strafrechtelijk kader»? Zo ja, over welke informatie beschikt u?
Deelt u de mening van de VNG «om de wettelijke (on)mogelijkheden en mogelijke aanvullingen op de huidige wettelijke kaders te inventariseren»? En zo ja, hoe en op welke termijn gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom acht u die inventarisatie niet nodig?
Het bericht ‘Al vijf weken geen gasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: 'Anders is het voorbij'’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het hospice in Dedemsvaart de deuren dreigt te moeten sluiten?1
Deelt u de mening dat de kracht van hospices juist ligt in lokale verankering en dat de inzet van vrijwilligers van groot belang is? Hoe beoordeelt u in dit kader het risico dat centralisatie van hospices leidt tot een afname van vrijwilligers, gezien hun sterke lokale binding?
Welke wijzigingen in de bekostiging van hospices zijn doorgevoerd of voorzien, en wat zijn de gevolgen hiervan voor kleinschalige hospices en bijna-thuis-huizen, mede in relatie tot versnipperde financiering en personeelstekorten?
Kunt u ingaan op de specifieke situatie in de regio Salland, waar niet alleen het hospice in Dedemsvaart, maar bijvoorbeeld ook in Hardenberg onder druk staat? Is de toegankelijkheid van hospicezorg in de regio Salland voldoende geborgd?
Hoe kijkt u naar het voorbestaan van de hospices in Dedemsvaart en Hardenberg in het licht van de vergrijzing?
Kunt u toelichten hoe binnen het beleid rekening wordt gehouden met regionale verschillen, zoals bevolkingsdichtheid en reisafstanden tot hospices?
Klopt het dat thuiszorgorganisaties de nachtzorg in kleinschalige hospices steeds lastiger rond krijgen vanwege een tekort aan personeel? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u om het tekort aan zorgpersoneel in de nachtzorg te verlichten?
Deelt u de mening dat de inzet van vrijwilligers in kleinschalige hospices cruciaal is? Zo ja, hoe neemt u dit mee in de verbetering van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis en in de Toekomstagenda?
Hoe geeft u concreet uitvoering aan uw uitspraak in het schriftelijk overleg over het rapport «Hospices in Nederland» dat het van belang is om de ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen?
Studentenhuisvesting |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom bouwen we voor studenten alleen nog maar studio’s, terwijl we dat eigenlijk niet willen?»?1
Herkent u het beeld dat de bouw van studentenhuisvesting in toenemende mate bestaat uit zelfstandige studio’s, terwijl de vraag van studenten juist vaak uitgaat naar onzelfstandige woonruimten met gedeelde voorzieningen?
Kunt u inzicht geven in de verhouding tussen het aantal gerealiseerde zelfstandige studentenwoningen (studio’s) en onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar?
Kunt u aangeven naar welke verhouding tussen zelfstandige studio’s en onzelfstandige studentenkamers u streeft, mede in het licht van de woonwensen van studenten en de maatschappelijke effecten van verschillende woonvormen?
Kunt u aangeven hoeveel onzelfstandige studentenkamers in de afgelopen vijf jaar aan de markt zijn onttrokken en hoeveel onzelfstandige kamers zijn omgezet naar zelfstandige studio’s of andere woonvormen?
Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken dat ontwikkelaars en investeerders vaker kiezen voor de bouw van studio’s in plaats van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Welke financiële en fiscale prikkels dragen bij aan een scheve verhouding tussen het aantal gerealiseerde studio’s en onzelfstandige studentenkamers?
In hoeverre spelen gemeentelijke regels rond verkamering, splitsing en grondbeleid een rol bij deze ontwikkeling?
Deelt u de opvatting dat «op kamers gaan» bijdraagt aan gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid en mentale problematiek onder studenten?
Op welke wijze wordt in het huidige beleid rekening gehouden met maatschappelijke baten, zoals het verminderen van eenzaamheid en mentale problemen bij studenten/jongeren bij de afweging tussen verschillende typen studentenhuisvesting?
Kunt u aangeven hoeveel vierkante meter woonruimte gemiddeld nodig is voor een zelfstandige studio ten opzichte van een onzelfstandige studentenkamer met gedeelde voorzieningen?
Welke stappen en met welk tijdpad bent u van plan te zetten om te komen tot een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting gericht op gemeenten buiten de G4, conform de aangenomen motie?2
Op welke wijze wordt binnen dit programma specifiek ingezet op het stimuleren van de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie die oproept tot het ontwikkelen van een methodiek en instrumentarium om maatschappelijke baten, zoals sociale cohesie en ontmoeting, structureel mee te nemen in woningbouwprojecten.3
Hoe wordt in deze methodiek concreet geborgd dat investeringen in gemeenschappelijke ruimten zoals gedeelde woonkamers, studieruimten en groenvoorzieningen worden meegewogen in de businesscases van de bouw van studentenhuisvesting?
Zou u inzicht willen geven in wat er nodig is om op een vergelijkbare manier de maatschappelijke baten van onzelfstandige woonruimten ten opzichte van studio’s mee te rekenen in businesscases?
Zou u in kaart willen brengen welke maatregelen er mogelijk zijn om gemeenten en projectontwikkelaars te stimuleren om vaker te kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting en te investeren in gemeenschappelijke ruimten, mede met het oog op de maatschappelijke voordelen voor studenten en wijken?
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn, dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden hebben dan direct aangestelde collega’s?
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
Het bericht 'Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran»?1
Hoeveel militaire vluchten verbonden aan de illegale oorlog in Iran maken gebruik van het Nederlandse luchtruim?
Hoeveel militaire en commerciële vracht verbonden aan de illegale oorlog in Iran wordt via Nederlandse havens en -luchtruim naar het Midden-Oosten verstuurd?
Kunt u reflecteren op het feit dat deze militaire vracht mogelijk gebruikt kan worden voor mensenrechtenschendingen?
Bent u voornemens om u aan te sluiten bij het besluit van Zwitserland, Spanje, Italië, en Frankrijk en het Nederlandse luchtruim en militaire bases te sluiten voor militaire en commerciële vracht dat bestemd is voor de illegale oorlog in Iran? Zo nee, waarom niet?
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Spaanse Minister Carlos Cuerpo dat «dit besluit deel uitmaakt van het eerder genomen besluit van onze regering om niet mee te doen of bij te dragen aan een oorlog die in strijd [is] met het internationaal recht»?
Kunt u deze vragen apart en voor maandag 6 april beantwoorden?
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het stopzetten van Q- en C-support |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?
Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Kwetsbaarheden in het verkiezingsproces bij stemmen per volmacht |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stemt vaak per volmacht: «Zwakte in ons verkiezingsproces»»?1
Hoe beoordeelt u het gegeven dat circa één op de tien kiezers bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen via een volmacht heeft gestemd?
Deelt u de zorgen van internationale waarnemers dat het grootschalige gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en het principe van «one man, one vote»?
Hoe beoordeelt u de grote regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen, waarbij op sommige stembureaus tot een derde van de stemmen per volmacht wordt uitgebracht? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de situatie in de gemeente Den Haag?
In hoeverre acht u het risico reëel dat kiezers onder druk worden gezet of actief gevraagd wordt om een volmacht af te geven, of dat hun stem niet conform hun wens wordt uitgebracht?
Kunt u aangeven welke verschillen u ziet in de risico’s van het gebruik van een schriftelijke volmacht, een onderhandse volmacht, het stemmen per post en vroegtijdig stemmen?
Kunt u voor de verkiezingen die in de afgelopen drie jaar plaatsgevonden hebben per type volmacht in kaart brengen in hoeverre er gebruik gemaakt is van schriftelijke of onderhandse volmachten?
Hoe kijkt u, gezien de recente ontwikkelingen, aan tegen het advies van de staatscommissie parlementair stelsel uit 2018 om vervroegd stemmen in te voeren?
Welke stappen bent u voornemens te nemen om de risico’s van het gebruik van volmachten te ondervangen?