Het bericht dat Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, '40 miljoen in prullenbak' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, «40 miljoen in prullenbak»»?1
Ja.
Klopt het dat bij de oprichting van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) al duidelijk was dat deze dienst tijdelijk zou zijn en dat de taken per 12 juni 2026 in verband met het Europese Asiel- en Migratiepact door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zouden worden overgenomen? Zo ja, waarom is desondanks gekozen voor de oprichting van een aparte dienst?
Ja. DISA is verantwoordelijk voor het identificeren en registreren (I&R) van asielaanvragers in Nederland. Voorheen was de Afdeling Vreemdelingenzaken Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de Nationale Politie verantwoordelijk voor de taakuitvoering van het I&R proces. Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van Kabinet Schoof is besloten om de administratieve taken die de politie uitvoert in de asielketen over te hevelen naar een ter zake kundige organisatie zodat de politie zich meer kan richten op haar kerntaken. Voordat de taakoverdracht heeft plaatsgevonden, is binnen de migratieketen verkend of de I&R taak kon worden belegd bij een bestaande organisatie. Uit deze verkenning bleek de IND de meest logische organisatie om de taak bij te beleggen. De IND heeft aangegeven deze taak op zich te kunnen nemen bij de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026. Om die reden is onder voornoemd primaat van de politiek besloten om een tijdelijke taakorganisatie (DISA) op te richten om het I&R proces per 1 januari 2025 over te nemen. DISA voert de I&R taken voor eerste aanvragers uit in Ter Apel en Budel.
Klopt het dat voor DISA een nieuw computersysteem is ontwikkeld dat circa 40 miljoen euro heeft gekost? Wat gebeurt er met dit systeem na opheffing van DISA en in hoeverre blijft dit systeem bruikbaar voor de IND?
Nee dit klopt niet. De ontwikkeling van de DISApp (het computersysteem) heeft circa twee miljoen euro gekost. Het systeem is zo ontworpen dat het overdraagbaar is en binnen de keten blijft. De gegevens die hierin zijn opgeslagen zijn beschikbaar voor de IND. Voor het Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA) proces heeft de IND een eigen proces ingericht met eigen systemen.
Klopt het dat de 120 medewerkers van DISA niet overgaan naar de IND? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen, en hoe voorkomt u dat de binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening verloren gaan?
De binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening blijft vanzelfsprekend beschikbaar voor de migratieketen als geheel en voor de IND in het bijzonder. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het OVA-proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde I&R proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot.
Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid.
Hoe waarborgt u dat de overdracht van deze taken aan de IND niet leidt tot meer fouten, nieuwe achterstanden of extra druk op de IND, mede gelet op signalen dat DISA de foutmarge juist aanzienlijk zou hebben teruggebracht?
Vanaf 12 juni 2026, bij de ingang van de inwerkingtreding van het Europees migratiepact, voert de IND de binnenlandse screening uit op de aanmeldlocatie in Ter Apel. De screening wordt geïntegreerd in het asielproces. Door deze taken te combineren met het OVA-proces worden overdrachtsmomenten in de keten beperkt en kan informatie eerder worden opgehaald ten behoeve van het hoor- en beslisproces. De IND heeft het proces zo ingericht dat het aantal asielzoekers dat zich meldt op de aanmeldlocatie binnen de gestelde termijnen het screeningsproces kan doorlopen. De implementatie van de nieuwe asielprocedure en screeningsprocedure is nog in volle gang. Het is mijn verwachting dat een belangrijk deel van eventuele risico’s in de komende tijd verholpen worden en zo aan de meeste randvoorwaarden kan worden voldaan.
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
De vrijheden binnen onze democratische rechtsorde zijn een groot goed, waarin fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, centraal staan. Hierbij hoort ruimte te zijn voor het openbare debat, kritiek en vormen van activisme binnen de wettelijke kaders. Waar deze grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen of een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, dient opgetreden te worden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om de fundamentele waarden van onze samenleving te waarborgen en te beschermen. Onderdeel hiervan is het weren van extremistische vreemdelingen die een bedreiging vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, door hen de toegang tot Nederland te ontzeggen dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen.
Onder de bevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie is de besluitvorming voor toegangsweigering aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien het visumplichtige derdelanders betreft, ligt de bevoegdheid bij de Minister van Buitenlandse zaken. Ten behoeve van deze taakuitoefening is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) door de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd om door het gebruik van publiek online openbare bronnen persoonsgegevens te verwerken, met als doel extremistische vreemdelingen te kunnen duiden.
Hierbij wordt bezien of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.2 Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van andere vormen van beschikbare informatie, bijvoorbeeld van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdiensten of van het lokaal bestuur. Indien er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan een vreemdeling worden geweerd door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) te signaleren voor grensweigering en, waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een ongewenstverklaring dan wel een inreisverbod op te leggen.
Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft voor visumvrije vreemdelingen de Electronic Travel Authorisation (ETA) ingevoerd. Visumvrije personen die geen ETA krijgen, kunnen een visumaanvraag indienen als zij toch het VK willen inreizen. Indien de visumaanvraag geweigerd wordt, dan mag de vreemdeling het VK niet inreizen. Nederland kent een ander systeem. Visumvrije vreemdelingen mogen in beginsel zonder voorafgaande toestemming Nederland inreizen, tenzij er wordt vastgesteld dat niet aan de toegangsvoorwaarden wordt voldaan. Het weren van vreemdelingen die extremistisch gedachtegoed uitdragen, gebeurt in lijn met het toetsingskader rondom het weren van extremistische vreemdelingen.3
Zoals benoemd tijdens het debat Taskforce Antisemitismebestrijding op 21 april jl. wordt momenteel bezien wat binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is ten aanzien van deze casus.
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
In algemene zin geldt dat de beoordeling van eventuele veiligheidsrisico’s en maatschappelijke spanningen, evenals de besluitvorming over het al dan niet doorgaan van het evenement en de te treffen maatregelen, primair bij de lokale autoriteiten ligt, in het bijzonder de burgemeester als bevoegd gezag.
De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken vanwege het verbod op censuur. Het vooraf verbieden van een optreden is daarom alleen mogelijk als er aantoonbaar sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Wanneer daarvan geen sprake is, kunnen lokale overheden hun zorgen bespreken met de uitbater van de locatie. Het is vervolgens aan de uitbater om ervoor te zorgen dat extremistische boodschappen geen podium krijgen.
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht in Nederland en vormt een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. De vrijheid van meningsuiting is echter niet onbeperkt; wanneer strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld in geval van haatzaaien, discriminatie of het aanzetten tot geweld, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te bepalen of een bepaalde uiting een strafbaar feit oplevert en of strafrechtelijke vervolging opportuun is. Het uiteindelijke oordeel daarover, mede in het licht van de vrijheid van meningsuiting, is aan de rechter.
Het tegengaan van extremisme is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid. In de Nationale Extremismestrategie 2024–2029 is onderkend dat extremistische aanjagers boodschappen kunnen verspreiden die een dreiging kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De aanpak hiervan vraagt om maatwerk, waarbij – afhankelijk van de aard, het bereik en het effect van de uitingen – verschillende instrumenten kunnen worden ingezet. Afhankelijk van de precieze inhoud van een (extremistische) boodschap is een strafrechtelijke aanpak mogelijk.
Het kabinet zet echter niet alleen in op een strafrechtelijke aanpak, maar ook op het eerder herkennen en duiden van extremistische dreigingen. Dat gebeurt onder meer door gerichte informatie- en kennisuitwisseling tussen betrokken partners te versterken. Zo kunnen signalen van radicalisering en extremistische dreiging tijdig worden gedeeld, beter worden beoordeeld en waar nodig leiden tot passende maatregelen. Het doel van de inzet is het beperken van de groei van extremistische groepen, het tegengaan van verspreiding ervan en daarmee het bestrijden van de dreiging voor de democratische rechtsorde. De mate van de dreiging bepaalt de inzet.
Tegelijkertijd vindt deze inzet plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, waarbij grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het uitgangspunt blijven, maar niet onbegrensd zijn. Daarom wordt steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid enerzijds en het waarborgen van het recht op vrijheid van meningsuiting anderzijds.
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Antisemitische uitingen en gedragingen raken niet alleen de veiligheid en vrijheid van Joodse gemeenschappen, maar staan ook haaks op de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat. Het kabinet treedt daarom stevig op tegen antisemitisme. Tegelijkertijd dient onderscheid te worden gemaakt tussen antisemitisme als fenomeen en extremistische ideologieën. Antisemitisme vormt op zichzelf geen afzonderlijke extremistische ideologie, maar kan wel onderdeel zijn van of versterkend werken binnen verschillende extremistische stromingen.
Ten aanzien van personen die een extremistische ideologie aanhangen kan ik het volgende zeggen. Voor mensen die naar Nederland willen komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden, en zodoende een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, is geen plaats. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan.
Het bestaande juridische instrumentarium biedt toereikende mogelijkheden om op te treden tegen extremistische uitingen en gedragingen. Daarbij kan op verschillende wijzen worden ingegrepen, te weten op lokaal niveau of door inzet van het vreemdelingenrecht of het strafrecht.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester op lokaal niveau besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden. Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken. Het is aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hem geen podium krijgen.
Daarnaast kan op vreemdelingrechtelijk niveau de toegang tot Nederland worden geweigerd door een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) worden opgelegd, uiteraard indien een individuele casus voldoet aan de criteria die voor toepassing van dergelijke maatregelen gelden. Deze maatregelen vallen binnen de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie.
Bij het plegen van strafbare feiten, zoals uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie of die bijvoorbeeld opruiing of groepsbelediging opleveren, is strafrechtelijk optreden in individuele gevallen mogelijk. Dit is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Dit scala aan instrumenten maakt het mogelijk om in verschillende fasen en via verschillende routes effectief op te treden.
Het bericht 'Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: ‘Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: «Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de verdachte ten tijde van het incident een asielzoeker was?
Kunt u bevestigen dat de verdachte verbleef op een opvanglocatie in Hendrik-Ido-Ambacht?
Kunt u bevestigen dat de verdachte afkomstig is uit Marokko?
In welke fase van de asielprocedure bevond betrokkene zich ten tijde van het incident? Kunt u daarbij aangeven of al sprake was van een voornemen, besluit in eerste aanleg, of een (hoger) beroep?
Was er in deze casus al begonnen met een terugkeerprocedure? Zo nee, waarom niet? Zo ja, werkte de asielzoeker mee aan terugkeer?
Kunt u aangeven hoe lang betrokkene op dat moment in Nederland verbleef, hoelang hij in de opvang verbleef en hoelang zijn aanvraag liep?
Is in deze zaak een versnelde procedure toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke doorlooptijd gold in deze zaak vanaf aanmelding tot en met besluitvorming?
Welke gemiddelde doorlooptijden hanteert u momenteel voor versnelde behandeling van aanvragen van vreemdelingen uit een veilig land van herkomst? Kunt u die afzetten tegen de reguliere procedure?
De lijst met veilige landen is opgeschort. De IND hanteert richtlijnen voor de afhandeling van kansarme asielaanvragen. De beoogde behandeltijd van dergelijke aanvragen is 4 weken.
Deelt u de opvatting dat bij aanvragen uit landen die in de praktijk veelal kansarm zijn, snelheid in de procedure mede een veiligheidsbelang kan dienen voor de omgeving van opvanglocaties? Zo nee, waarom niet?
Ja. Snelheid in de asielprocedure kan bijdragen aan de veiligheid rond opvanglocaties. Daarom is de inzet van de asielketen erop gericht om asielprocedures van overlastgevende en criminele asielzoekers snel en slagvaardig af te doen, zodat de verblijfsduur in de opvang wordt beperkt. Daarnaast worden aanvragen met weinig kans op een verblijfsvergunning met prioriteit opgepakt.
Waren er voorafgaand aan dit incident signalen bekend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), of andere ketenpartners over overlastgevend, gewelddadig, of anderszins risicovol gedrag van betrokkene? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen?
Zoals toegelicht kan op individuele casuïstiek niet worden ingegaan.
Worden COA-incidenten waarbij asielzoekers betrokken zijn in alle gevallen gedeeld met de IND, voor zover die incidenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van openbare orde of nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) registreert verschillende typen incidenten op opvanglocaties. Signalen van ernstige overlast worden gedeeld met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zodat de asielprocedure waar mogelijk kan worden versneld. Daarnaast kan sprake zijn van strafbare feiten die verblijfsrechtelijke consequenties hebben. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Welke toets hanteert de IND momenteel bij de beoordeling of sprake is van gevaar voor de openbare orde in asielzaken? Kunt u uiteenzetten welke indicatoren daarbij een rol spelen, welke bronnen worden betrokken en hoe de evenredigheidstoets wordt uitgevoerd?
De toets of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde in asielzaken is afhankelijk van de grond voor vergunningverlening. De werkwijze is door de IND uitgewerkt en toegelicht in de openbare werkinstructie 2026/012.
Eerst toetst de IND of een vreemdeling in aanmerking komt voor een asielvergunning. Als een vreemdeling moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling, kan de vergunning alleen worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een «bijzonder ernstig misdrijf». Relevante indicatoren zijn onder meer de ernst van het misdrijf, de maximale en feitelijke opgelegde straf, de omvang van de schade, opzettelijkheid en verzachtende of verzwarende omstandigheden. Het strafrechtelijk vonnis is hierbij van belang. Daarnaast moet er ook sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap.
Indien de vreemdeling geen verdragsvluchteling is maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, moet sprake zijn van een veroordeling voor een «ernstig misdrijf». Ook hier is het strafrechtelijk vonnis van belang en moet er sprake zijn van een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.
In beide gevallen wordt het Unierechtelijk openbare orde criterium getoetst. Dit houdt in dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen.
Bij intrekking van de asielvergunning op grond van openbare orde geldt bovendien de zogenoemde glijdende schaal. Hierbij wordt de hoogte van opgelegde straf afgezet tegen de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland. Hoe langer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, hoe hoger de opgelegde straf moet zijn voordat de vreemdeling in aanmerking komt voor intrekking van het verblijfsrecht.
Daarnaast wordt in beide gevallen beoordeeld of het weigeren of intrekken van de verblijfsvergunning asiel evenredig is. Dit betreft een individuele beoordeling waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. De IND hanteert daarbij het uitgangspunt dat aan het beschermen van de openbare orde een zwaar gewicht toekomt.
Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming, wordt de asielaanvraag afgewezen. Het gevaar voor de openbare orde kan dan een aanvullende afwijzingsgrond vormen. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf.
Is in deze zaak overwogen om maatregelen te treffen die de bewegingsvrijheid beperken, zoals overplaatsing naar een locatie met strenger toezicht, een vrijheidsbeperkende maatregel, of vreemdelingenbewaring? Zo nee, waarom niet?
Op individuele casuïstiek kan niet worden ingegaan.
Kunt u aangeven welke drempels in de praktijk gelden om vreemdelingenbewaring te kunnen inzetten bij asielzoekers met ernstige openbare-orde-signalen? Acht u die drempels in de uitvoering toereikend?
In eerste instantie wordt bij verstoring van de openbare orde ingezet op straf- en bestuursrecht. Daarna kan worden bekeken of vreemdelingrechtelijke maatregelen kunnen worden ingezet. Vreemdelingenbewaring is hierbij geen doel op zichzelf en wordt uitsluitend als uiterste middel toegepast. Primair dient vreemdelingenbewaring ertoe iemand beschikbaar te houden voor de procedure en onttrekking aan het toezicht van de autoriteiten te voorkomen. Vreemdelingenbewaring moet altijd proportioneel zijn. Een grond voor die proportionaliteit is de openbare orde. De Opvangrichtlijn biedt daarvoor ruimte, maar in de jurisprudentie wordt dit criterium strikt ingevuld. Pas bij een aanzienlijke inbreuk op de openbare orde kan op deze grond een asielzoeker in bewaring worden genomen. De openbare orde is echter niet de enige wettelijke grondslag voor detentie. Ook het onttrekken aan onderzoek of de noodzaak van nader onderzoek naar de identiteit en de nationaliteit kunnen reden zijn voor vreemdelingenbewaring. In sommige gevallen kan bewaring op andere gronden dan de openbare orde worden toegepast.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers er in 2025 zijn aangehouden vanwege een verdenking van verkrachting of van een poging tot verkrachting?
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) brengt jaarlijks overlast en criminaliteit door asielzoekers in beeld. De cijfers over 2025 worden naar verwachting voor het zomerreces gepubliceerd.
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Letschert , Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Hilde Wendel (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Het bericht ‘Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven?1
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl 20 jaar is opgelegd door de rechter?
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan een schatting maken?
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk uitgeoefend?
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Het bericht 'Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen – Zwolle ongeldig' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen-Zwolle ongeldig»?1
Hoeveel asielzoekers zijn in 2025 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle? Hoe verhoudt dit zich tot 2024?
Hoeveel asielzoekers zijn er tot dusver in 2026 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle?
Hoeveel asielzoekers die in 2026 zijn beboet hebben zichzelf geïdentificeerd met een pas van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Hoe verklaart u dat de COA-pas sinds begin 2026 niet meer gebruikt kan worden om zwartrijdende asielzoekers te identificeren, terwijl dit voor 2026 wel kon?
Wat is uw reactie op de constatering van de woordvoerder van Arriva in het artikel, die stelt dat deze beslissing het werken bijna onmogelijk maakt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zwartrijdende asielzoekers door deze beslissing worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel met een rechtsgeldig vervoersbewijs gebruik maakt van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om er alsnog voor te zorgen dat alle boetes die zijn uitgedeeld aan zwartrijdende asielzoekers worden betaald?
Welk gevolg heeft het ongeldig verklaren van boetes van zwartrijdende asielzoekers op de mogelijkheid om een reisverbod op te leggen?
Hoe verhoudt het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren zich tot de voorgenomen maatregel uit het Coalitieakkoord om zwartrijdende asielzoekers sneller en vaker een reisverbod op te leggen?
Hoe verklaart u dat negen op de tien boetes voor zwartrijdende asielzoekers niet worden betaald?
Welke maatregelen neemt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om boetes voor zwartrijdende asielzoekers, die ook weigeren hun uitstel van betaling niet te betalen, alsnog te innen?
Deelt u de mening dat het feit dat deze boetes kennelijk nauwelijks betaald worden niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel netjes eventuele boetes betaalt voor het niet hebben van een geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat boetes van zwartrijdende asielzoekers alsnog betaald worden? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om leefgeld van asielzoekers in te houden, de mogelijkheid om de asielzoeker in zijn bewegingsvrijheid te beperken, de mogelijkheid om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen?
Bent u van plan om aan zwartrijdende asielzoekers die weigeren boetes te betalen naast bovenstaande maatregelen ook een taakstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Klopt de suggestie uit het artikel dat zwartrijdende asielzoekers niet kunnen worden gedwongen om hun boetes te betalen omdat het COA de post van asielzoekers niet mag openen?
Indien het antwoord op vraag 16 positief luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de post van zwartrijdende asielzoekers alsnog door het COA mag worden geopend?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
De vrijheden binnen onze democratische rechtsorde zijn een groot goed, waarin fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, centraal staan. Hierbij hoort ruimte te zijn voor het openbare debat, kritiek en vormen van activisme binnen de wettelijke kaders. Waar deze grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen of een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, dient opgetreden te worden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om de fundamentele waarden van onze samenleving te waarborgen en te beschermen. Onderdeel hiervan is het weren van extremistische vreemdelingen die een bedreiging vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, door hen de toegang tot Nederland te ontzeggen dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen.
Onder de bevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie is de besluitvorming voor toegangsweigering aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien het visumplichtige derdelanders betreft, ligt de bevoegdheid bij de Minister van Buitenlandse zaken. Ten behoeve van deze taakuitoefening is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) door de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd om door het gebruik van publiek online openbare bronnen persoonsgegevens te verwerken, met als doel extremistische vreemdelingen te kunnen duiden.
Hierbij wordt bezien of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.2 Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van andere vormen van beschikbare informatie, bijvoorbeeld van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdiensten of van het lokaal bestuur. Indien er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan een vreemdeling worden geweerd door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) te signaleren voor grensweigering en, waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een ongewenstverklaring dan wel een inreisverbod op te leggen.
Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft voor visumvrije vreemdelingen de Electronic Travel Authorisation (ETA) ingevoerd. Visumvrije personen die geen ETA krijgen, kunnen een visumaanvraag indienen als zij toch het VK willen inreizen. Indien de visumaanvraag geweigerd wordt, dan mag de vreemdeling het VK niet inreizen. Nederland kent een ander systeem. Visumvrije vreemdelingen mogen in beginsel zonder voorafgaande toestemming Nederland inreizen, tenzij er wordt vastgesteld dat niet aan de toegangsvoorwaarden wordt voldaan. Het weren van vreemdelingen die extremistisch gedachtegoed uitdragen, gebeurt in lijn met het toetsingskader rondom het weren van extremistische vreemdelingen.3
Zoals benoemd tijdens het debat Taskforce Antisemitismebestrijding op 21 april jl. wordt momenteel bezien wat binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is ten aanzien van deze casus.
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
In algemene zin geldt dat de beoordeling van eventuele veiligheidsrisico’s en maatschappelijke spanningen, evenals de besluitvorming over het al dan niet doorgaan van het evenement en de te treffen maatregelen, primair bij de lokale autoriteiten ligt, in het bijzonder de burgemeester als bevoegd gezag.
De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken vanwege het verbod op censuur. Het vooraf verbieden van een optreden is daarom alleen mogelijk als er aantoonbaar sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Wanneer daarvan geen sprake is, kunnen lokale overheden hun zorgen bespreken met de uitbater van de locatie. Het is vervolgens aan de uitbater om ervoor te zorgen dat extremistische boodschappen geen podium krijgen.
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht in Nederland en vormt een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. De vrijheid van meningsuiting is echter niet onbeperkt; wanneer strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld in geval van haatzaaien, discriminatie of het aanzetten tot geweld, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te bepalen of een bepaalde uiting een strafbaar feit oplevert en of strafrechtelijke vervolging opportuun is. Het uiteindelijke oordeel daarover, mede in het licht van de vrijheid van meningsuiting, is aan de rechter.
Het tegengaan van extremisme is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid. In de Nationale Extremismestrategie 2024–2029 is onderkend dat extremistische aanjagers boodschappen kunnen verspreiden die een dreiging kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De aanpak hiervan vraagt om maatwerk, waarbij – afhankelijk van de aard, het bereik en het effect van de uitingen – verschillende instrumenten kunnen worden ingezet. Afhankelijk van de precieze inhoud van een (extremistische) boodschap is een strafrechtelijke aanpak mogelijk.
Het kabinet zet echter niet alleen in op een strafrechtelijke aanpak, maar ook op het eerder herkennen en duiden van extremistische dreigingen. Dat gebeurt onder meer door gerichte informatie- en kennisuitwisseling tussen betrokken partners te versterken. Zo kunnen signalen van radicalisering en extremistische dreiging tijdig worden gedeeld, beter worden beoordeeld en waar nodig leiden tot passende maatregelen. Het doel van de inzet is het beperken van de groei van extremistische groepen, het tegengaan van verspreiding ervan en daarmee het bestrijden van de dreiging voor de democratische rechtsorde. De mate van de dreiging bepaalt de inzet.
Tegelijkertijd vindt deze inzet plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, waarbij grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het uitgangspunt blijven, maar niet onbegrensd zijn. Daarom wordt steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid enerzijds en het waarborgen van het recht op vrijheid van meningsuiting anderzijds.
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Antisemitische uitingen en gedragingen raken niet alleen de veiligheid en vrijheid van Joodse gemeenschappen, maar staan ook haaks op de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat. Het kabinet treedt daarom stevig op tegen antisemitisme. Tegelijkertijd dient onderscheid te worden gemaakt tussen antisemitisme als fenomeen en extremistische ideologieën. Antisemitisme vormt op zichzelf geen afzonderlijke extremistische ideologie, maar kan wel onderdeel zijn van of versterkend werken binnen verschillende extremistische stromingen.
Ten aanzien van personen die een extremistische ideologie aanhangen kan ik het volgende zeggen. Voor mensen die naar Nederland willen komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden, en zodoende een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, is geen plaats. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan.
Het bestaande juridische instrumentarium biedt toereikende mogelijkheden om op te treden tegen extremistische uitingen en gedragingen. Daarbij kan op verschillende wijzen worden ingegrepen, te weten op lokaal niveau of door inzet van het vreemdelingenrecht of het strafrecht.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester op lokaal niveau besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden. Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken. Het is aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hem geen podium krijgen.
Daarnaast kan op vreemdelingrechtelijk niveau de toegang tot Nederland worden geweigerd door een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) worden opgelegd, uiteraard indien een individuele casus voldoet aan de criteria die voor toepassing van dergelijke maatregelen gelden. Deze maatregelen vallen binnen de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie.
Bij het plegen van strafbare feiten, zoals uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie of die bijvoorbeeld opruiing of groepsbelediging opleveren, is strafrechtelijk optreden in individuele gevallen mogelijk. Dit is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Dit scala aan instrumenten maakt het mogelijk om in verschillende fasen en via verschillende routes effectief op te treden.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
De uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1
Ja.
Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?
De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?
Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.
Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?
De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?
Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?
Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.
Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?
Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.
Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?
In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.
Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.
Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.
Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.
In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?
Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.
In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?
Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.
Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?
Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?
Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Het bericht dat Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, '40 miljoen in prullenbak' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, «40 miljoen in prullenbak»»?1
Ja.
Klopt het dat bij de oprichting van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) al duidelijk was dat deze dienst tijdelijk zou zijn en dat de taken per 12 juni 2026 in verband met het Europese Asiel- en Migratiepact door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zouden worden overgenomen? Zo ja, waarom is desondanks gekozen voor de oprichting van een aparte dienst?
Ja. DISA is verantwoordelijk voor het identificeren en registreren (I&R) van asielaanvragers in Nederland. Voorheen was de Afdeling Vreemdelingenzaken Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de Nationale Politie verantwoordelijk voor de taakuitvoering van het I&R proces. Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van Kabinet Schoof is besloten om de administratieve taken die de politie uitvoert in de asielketen over te hevelen naar een ter zake kundige organisatie zodat de politie zich meer kan richten op haar kerntaken. Voordat de taakoverdracht heeft plaatsgevonden, is binnen de migratieketen verkend of de I&R taak kon worden belegd bij een bestaande organisatie. Uit deze verkenning bleek de IND de meest logische organisatie om de taak bij te beleggen. De IND heeft aangegeven deze taak op zich te kunnen nemen bij de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026. Om die reden is onder voornoemd primaat van de politiek besloten om een tijdelijke taakorganisatie (DISA) op te richten om het I&R proces per 1 januari 2025 over te nemen. DISA voert de I&R taken voor eerste aanvragers uit in Ter Apel en Budel.
Klopt het dat voor DISA een nieuw computersysteem is ontwikkeld dat circa 40 miljoen euro heeft gekost? Wat gebeurt er met dit systeem na opheffing van DISA en in hoeverre blijft dit systeem bruikbaar voor de IND?
Nee dit klopt niet. De ontwikkeling van de DISApp (het computersysteem) heeft circa twee miljoen euro gekost. Het systeem is zo ontworpen dat het overdraagbaar is en binnen de keten blijft. De gegevens die hierin zijn opgeslagen zijn beschikbaar voor de IND. Voor het Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA) proces heeft de IND een eigen proces ingericht met eigen systemen.
Klopt het dat de 120 medewerkers van DISA niet overgaan naar de IND? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen, en hoe voorkomt u dat de binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening verloren gaan?
De binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening blijft vanzelfsprekend beschikbaar voor de migratieketen als geheel en voor de IND in het bijzonder. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het OVA-proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde I&R proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot.
Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid.
Hoe waarborgt u dat de overdracht van deze taken aan de IND niet leidt tot meer fouten, nieuwe achterstanden of extra druk op de IND, mede gelet op signalen dat DISA de foutmarge juist aanzienlijk zou hebben teruggebracht?
Vanaf 12 juni 2026, bij de ingang van de inwerkingtreding van het Europees migratiepact, voert de IND de binnenlandse screening uit op de aanmeldlocatie in Ter Apel. De screening wordt geïntegreerd in het asielproces. Door deze taken te combineren met het OVA-proces worden overdrachtsmomenten in de keten beperkt en kan informatie eerder worden opgehaald ten behoeve van het hoor- en beslisproces. De IND heeft het proces zo ingericht dat het aantal asielzoekers dat zich meldt op de aanmeldlocatie binnen de gestelde termijnen het screeningsproces kan doorlopen. De implementatie van de nieuwe asielprocedure en screeningsprocedure is nog in volle gang. Het is mijn verwachting dat een belangrijk deel van eventuele risico’s in de komende tijd verholpen worden en zo aan de meeste randvoorwaarden kan worden voldaan.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: ‘Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: «Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt»»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de verdachte ten tijde van het incident een asielzoeker was?
Kunt u bevestigen dat de verdachte verbleef op een opvanglocatie in Hendrik-Ido-Ambacht?
Kunt u bevestigen dat de verdachte afkomstig is uit Marokko?
In welke fase van de asielprocedure bevond betrokkene zich ten tijde van het incident? Kunt u daarbij aangeven of al sprake was van een voornemen, besluit in eerste aanleg, of een (hoger) beroep?
Was er in deze casus al begonnen met een terugkeerprocedure? Zo nee, waarom niet? Zo ja, werkte de asielzoeker mee aan terugkeer?
Kunt u aangeven hoe lang betrokkene op dat moment in Nederland verbleef, hoelang hij in de opvang verbleef en hoelang zijn aanvraag liep?
Is in deze zaak een versnelde procedure toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke doorlooptijd gold in deze zaak vanaf aanmelding tot en met besluitvorming?
Welke gemiddelde doorlooptijden hanteert u momenteel voor versnelde behandeling van aanvragen van vreemdelingen uit een veilig land van herkomst? Kunt u die afzetten tegen de reguliere procedure?
De lijst met veilige landen is opgeschort. De IND hanteert richtlijnen voor de afhandeling van kansarme asielaanvragen. De beoogde behandeltijd van dergelijke aanvragen is 4 weken.
Deelt u de opvatting dat bij aanvragen uit landen die in de praktijk veelal kansarm zijn, snelheid in de procedure mede een veiligheidsbelang kan dienen voor de omgeving van opvanglocaties? Zo nee, waarom niet?
Ja. Snelheid in de asielprocedure kan bijdragen aan de veiligheid rond opvanglocaties. Daarom is de inzet van de asielketen erop gericht om asielprocedures van overlastgevende en criminele asielzoekers snel en slagvaardig af te doen, zodat de verblijfsduur in de opvang wordt beperkt. Daarnaast worden aanvragen met weinig kans op een verblijfsvergunning met prioriteit opgepakt.
Waren er voorafgaand aan dit incident signalen bekend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), of andere ketenpartners over overlastgevend, gewelddadig, of anderszins risicovol gedrag van betrokkene? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen?
Zoals toegelicht kan op individuele casuïstiek niet worden ingegaan.
Worden COA-incidenten waarbij asielzoekers betrokken zijn in alle gevallen gedeeld met de IND, voor zover die incidenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van openbare orde of nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) registreert verschillende typen incidenten op opvanglocaties. Signalen van ernstige overlast worden gedeeld met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zodat de asielprocedure waar mogelijk kan worden versneld. Daarnaast kan sprake zijn van strafbare feiten die verblijfsrechtelijke consequenties hebben. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Welke toets hanteert de IND momenteel bij de beoordeling of sprake is van gevaar voor de openbare orde in asielzaken? Kunt u uiteenzetten welke indicatoren daarbij een rol spelen, welke bronnen worden betrokken en hoe de evenredigheidstoets wordt uitgevoerd?
De toets of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde in asielzaken is afhankelijk van de grond voor vergunningverlening. De werkwijze is door de IND uitgewerkt en toegelicht in de openbare werkinstructie 2026/012.
Eerst toetst de IND of een vreemdeling in aanmerking komt voor een asielvergunning. Als een vreemdeling moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling, kan de vergunning alleen worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een «bijzonder ernstig misdrijf». Relevante indicatoren zijn onder meer de ernst van het misdrijf, de maximale en feitelijke opgelegde straf, de omvang van de schade, opzettelijkheid en verzachtende of verzwarende omstandigheden. Het strafrechtelijk vonnis is hierbij van belang. Daarnaast moet er ook sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap.
Indien de vreemdeling geen verdragsvluchteling is maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, moet sprake zijn van een veroordeling voor een «ernstig misdrijf». Ook hier is het strafrechtelijk vonnis van belang en moet er sprake zijn van een misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.
In beide gevallen wordt het Unierechtelijk openbare orde criterium getoetst. Dit houdt in dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen.
Bij intrekking van de asielvergunning op grond van openbare orde geldt bovendien de zogenoemde glijdende schaal. Hierbij wordt de hoogte van opgelegde straf afgezet tegen de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland. Hoe langer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, hoe hoger de opgelegde straf moet zijn voordat de vreemdeling in aanmerking komt voor intrekking van het verblijfsrecht.
Daarnaast wordt in beide gevallen beoordeeld of het weigeren of intrekken van de verblijfsvergunning asiel evenredig is. Dit betreft een individuele beoordeling waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. De IND hanteert daarbij het uitgangspunt dat aan het beschermen van de openbare orde een zwaar gewicht toekomt.
Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming, wordt de asielaanvraag afgewezen. Het gevaar voor de openbare orde kan dan een aanvullende afwijzingsgrond vormen. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf.
Is in deze zaak overwogen om maatregelen te treffen die de bewegingsvrijheid beperken, zoals overplaatsing naar een locatie met strenger toezicht, een vrijheidsbeperkende maatregel, of vreemdelingenbewaring? Zo nee, waarom niet?
Op individuele casuïstiek kan niet worden ingegaan.
Kunt u aangeven welke drempels in de praktijk gelden om vreemdelingenbewaring te kunnen inzetten bij asielzoekers met ernstige openbare-orde-signalen? Acht u die drempels in de uitvoering toereikend?
In eerste instantie wordt bij verstoring van de openbare orde ingezet op straf- en bestuursrecht. Daarna kan worden bekeken of vreemdelingrechtelijke maatregelen kunnen worden ingezet. Vreemdelingenbewaring is hierbij geen doel op zichzelf en wordt uitsluitend als uiterste middel toegepast. Primair dient vreemdelingenbewaring ertoe iemand beschikbaar te houden voor de procedure en onttrekking aan het toezicht van de autoriteiten te voorkomen. Vreemdelingenbewaring moet altijd proportioneel zijn. Een grond voor die proportionaliteit is de openbare orde. De Opvangrichtlijn biedt daarvoor ruimte, maar in de jurisprudentie wordt dit criterium strikt ingevuld. Pas bij een aanzienlijke inbreuk op de openbare orde kan op deze grond een asielzoeker in bewaring worden genomen. De openbare orde is echter niet de enige wettelijke grondslag voor detentie. Ook het onttrekken aan onderzoek of de noodzaak van nader onderzoek naar de identiteit en de nationaliteit kunnen reden zijn voor vreemdelingenbewaring. In sommige gevallen kan bewaring op andere gronden dan de openbare orde worden toegepast.
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers er in 2025 zijn aangehouden vanwege een verdenking van verkrachting of van een poging tot verkrachting?
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) brengt jaarlijks overlast en criminaliteit door asielzoekers in beeld. De cijfers over 2025 worden naar verwachting voor het zomerreces gepubliceerd.
Het bericht ‘Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk 50.000 gevallen zijn waarin signalen waren over foutieve tenaamstellingen in onherroepelijke vonnissen en hoe verhoudt dit tot de 876 strafzaken die tot nu toe bekend waren?
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd.2 Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen de leidende administratieve identiteit vaststelt en dat in ongeveer 14.000 gevallen per jaar een extra beoordeling nodig is. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties in het proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
De problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.
In hoeveel gevallen is tot nu toe bekend dat een straf geheel of gedeeltelijk aan de onjuiste persoon ten uitvoer is gelegd? Om welke delicten ging dit?
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over vier extra gevallen waarin sprake is van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.3 Het ging in deze zaken om het opzettelijk gebruik maken van een vals ID-bewijs (rijbewijs), poging tot diefstal in vereniging met inbraak, diefstal in vereniging en mishandeling en openlijke geweldspleging. In twee van deze gevallen zijn personen tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld. Ook de andere twee zaken zijn toegevoegd aan de lijst van zaken die ter correctie van de gegevens worden getoetst en behandeld.
In hoeveel gevallen zijn daders onterecht vrijuit gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen? Om welke delicten ging dit?
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoelang zijn de daders die vrijuit zijn gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen al op vrije voeten en welke acties bent u voornemens te ondernemen om deze groep alsnog hun straf te laten ondergaan?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om aanvullend onderzoek te doen naar de signalen dat de aantallen van onjuiste tenaamstellingen mogelijk veel groter zijn dan eerder was onderzocht?
Justid doet momenteel aanvullend onderzoek naar de vraag of en in hoeverre ook andere historische zaken nog kunnen worden achterhaald.
Wat vindt u ervan dat medewerkers zich niet vrij hebben gevoeld te kunnen praten met de onderzoekers van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk en acht u aanvullend onderzoek naar zowel de aard, ernst en omvang van de fouten en de werkcultuur passend? Zo ja/nee, waarom?
Recent is door de Auditdienst Rijk (ADR) een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het vraagstuk over de foutieve tenaamstelling van reeds onherroepelijke vonnissen in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. De ADR heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties voortvarend en zorgvuldig opgepakt. Zo wordt er bijvoorbeeld voor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Een grote crimineel (Lysander de R.) die naar een regulier detentieregime is afgeschaald |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust in gevangenis Heerhugowaard: motorbende-leider wil wraak»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Klopt het dat Lysander de R. recent in een regulier regime is geplaatst?
Ik ga niet in op individuele casussen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 15.
Hoe kan het dat een gedetineerde die bekend staat als het «bajesbeest» en de «schrik van Zaanstad» en in meerdere Penitentiaire Inrichtingen een schrikbewind voerde, al enige tijd op een reguliere afdeling is geplaatst?
Ik ga niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Ik beantwoord de vragen daarom in algemene zin.
In het algemeen geldt dat de selectiefunctionarissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) namens mij beslissen waar en in welk regime een gedetineerde wordt geplaatst. Gedetineerden worden geplaatst op een regime dat passend is bij de veiligheidsrisico’s. Bij de eerste plaatsing van een gedetineerde wordt een risicoprofiel vastgesteld waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Het uitgangspunt is dat een gedetineerde wordt geplaatst in een normaal beveiligde inrichting of afdeling en dat gedetineerden enkel aan beperkingen mogen worden onderworpen indien dit voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting noodzakelijk is. Wanneer individuele veiligheidsmaatregelen niet afdoende zijn om gestelde risico’s te beperken, kan plaatsing in de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) of de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) aan de orde zijn.
Plaatsing op een AIT of in een EBI wordt zorgvuldig gewogen conform de procedure uit artikel 26 Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog). Elke twaalf maanden wordt getoetst of nog steeds wordt voldaan aan de plaatsingscriteria en wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in AIT of EBI wordt verlengd voor wederom een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie van de organisatie zelf en/of het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV), het Landelijk Bureau Inlichtingen en veiligheid (LBIV) en de Detentie Intelligence Unit (DIU) bestaande uit politie, OM en DJI. Deze informatieproducten dragen bij aan plaatsingsbeslissingen en het treffen van aanvullende veiligheidsmaatregelen waar nodig.
Waarom is deze gedetineerde al langer dan een jaar uit de Afdeling Intensief Toezicht geplaatst?
Zoals ik eerder aangaf ga ik niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Wanneer een gedetineerde in de AIT verblijft, wordt elke twaalf maanden beoordeeld of dit verblijf wordt verlengd met wederom twaalf maanden. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie.
Wanneer niet wordt voldaan aan de plaatsingscriteria van de AIT zal het verblijf daar niet worden verlengd en vindt afschaling naar een lager beveiligingsniveau plaats, al dan niet met individuele maatregelen.2
Waarom wordt een gedetineerde, die evident en aantoonbaar betrokken is bij voortgezet crimineel handelen uit detentie, in een Penitentiaire Inrichting (Zuyderbosch) geplaatst waar in 2025 maar liefst 31 keer communicatiemiddelen zijn aangetroffen bij gedetineerden?
In algemene zin wordt door de Selectiefunctionaris, volgens het proces zoals beschreven in antwoord 3, een keuze gemaakt voor een passende plaatsing van een gedetineerde. In die afweging wordt ook meegenomen welke PI geschikt is voor het huisvesten van de gedetineerde. De Selectiefunctionaris kijkt in eerste instantie naar de woonplaats van de gedetineerde voorafgaand aan detentie in verband met bezoek en naar eventuele contra-indicaties voor plaatsing in een bepaalde PI (zoals bij welke andere gedetineerden de gedetineerde niet kan worden geplaatst). Daarnaast is het relevant in welk arrondissement de strafvervolging plaatsvindt.3 Het plaatsen van een gedetineerde is het resultaat van een zorgvuldig en weloverwogen proces.
Op welke wijze worden bij het afbouwen van toezichtsmaatregelen op basis van de lijst gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico, feiten betrokken zoals het leiding geven vanuit detentie aan een motorclub zoals MC Hardliners, het oprichten daarvan en leider zijn van een dergelijke criminele organisatie?
Bij de afweging om toezichtsmaatregelen al dan niet af te bouwen wordt alle relevante informatie betrokken. Als bij deze afweging blijkt dat er mogelijke risico’s voor de orde en veiligheid van de inrichting of de samenleving zijn, heeft de vestigingsdirecteur de mogelijkheid om individuele (toezicht)maatregelen op te leggen en toezichtsmaatregelen juist niet af te bouwen. Ook in deze afweging maakt DJI gebruik van actuele, betrouwbare en concrete informatie.
Op welke wijze worden de B- en C-grond uit artikel 13 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden gewogen indien sprake is van een gedetineerde die aantoonbaar vanuit detentie crimineel handelen heeft voortgezet en een leidende rol heeft bij een criminele organisatie zoals een motorclub?
Lidmaatschap van een criminele organisatie leidt niet automatisch tot plaatsing in een AIT. De wijze waarop de B- en C-grond uit artikel 13 Rspog (plaatsing in de AIT) worden gewogen is een zorgvuldig proces dat wordt uitgevoerd door de selectiefunctionaris van DJI waarbij informatie wordt meegenomen van de organisatie zelf en/of de Detentie Intelligence Unit (DIU) bestaande uit politie, OM en DJI. Dit wordt elke twaalf maanden getoetst indien een gedetineerde geplaatst is in een AIT.4
Hoe kan er geen sprake zijn van een hoog risico op aanhoudende ongeoorloofde contacten met de buitenwereld met een maatschappelijk ontwrichtend karakter indien een gedetineerde hoogstwaarschijnlijk betrokken is bij ernstige bedreigingen jegens een burgemeester?
Zoals eerder aangegeven ga ik niet in op individuele casussen, daarmee ook niet op een individuele toetsing.
Indien de feiten als genoemd in vragen 4, 5 en 6 zich zouden voordoen: waarom zit zo een gedetineerde dan niet in de Extra Beveiligde Inrichting?
In algemene zin geldt dat plaatsing op een strenger regime plaatsvindt, zoals de AIT of de EBI, indien wordt voldaan aan de geldende plaatsing criteria.
Dit wordt per individuele gedetineerde bepaald op basis van actuele informatie zoals bij de antwoord 3 uiteen is gezet.
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor fasering als de voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechter is ingetrokken?
Wanneer de voorwaarden van een voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) worden geschonden, kan het OM besluiten de v.i. te herroepen. In dat geval wordt de gedetineerde opnieuw in een penitentiaire inrichting geplaatst om het resterende deel van de opgelegde vrijheidsstraf alsnog uit te zitten.
Na deze terugplaatsing kan een gedetineerde onder omstandigheden afhankelijk van de duur van het strafrestant alsnog in aanmerking komen voor fasering binnen het detentiestelsel. Fasering vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de inrichting en op basis van een besluit van DJI. Het maakt onderdeel uit van het detentie- en re-integratiebeleid en is gericht op een gecontroleerde en verantwoorde terugkeer in de samenleving, met als doel het verminderen van recidive.
De mogelijkheid tot fasering betekent echter niet dat de eerdere schending van de v.i. zonder gevolgen blijft. De gedetineerde verblijft eerst opnieuw in een penitentiaire inrichting en moet laten zien dat hij of zij zich houdt aan de geldende regels en voorwaarden. De inrichting (DJI) bepaalt, op basis van het detentie- en re-integratieplan (D&R-plan) en het gedrag tijdens detentie, of en wanneer re-integratiestappen zoals fasering passend zijn. Pas wanneer uit gedrag, risicobeoordelingen en het detentieverloop blijkt dat een volgende stap verantwoord is, kan fasering worden overwogen.
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor meer vrijheden indien hij betrokken is bij feiten zoals genoemd in de vragen 4, 5 en 6?
Herroeping van een v.i. betekent niet automatisch dat detentiefasering en resocialisatie ter voorbereiding op een goede terugkeer is uitgesloten.
Detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling zijn twee verschillende dingen. Detentiefasering vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de PI en op basis van een besluit van DJI. Het OM beslist over het verlenen en herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het in aanmerking komen van meer vrijheden tijdens de detentie past binnen een traject van detentiefasering en resocialisatie.
Wanneer gaat u inzien dat criminele kopstukken er alles aan zullen doen om in lagere detentieregimes terecht te komen?
DJI is zich zeer bewust dat gedetineerden bij voorkeur geplaatst worden in lagere beveiligde regimes en beslist zeer zorgvuldig, samen met betrokken partijen, of plaatsing in een lager regime verantwoord is. Een goede informatie-uitwisseling én analyse ten aanzien van gedetineerden zijn daarbij cruciaal. Zoals in het antwoord bij vraag 3 aangegeven beschikt elke PI over een BIV en is er landelijk LBIV. Samen met de DIU zorgen zij voor gezamenlijke analyse van relevante data van het OM, de politie en DJI. Deze informatieproducten dragen bij aan plaatsingsbeslissingen en het treffen van aanvullende veiligheidsmaatregelen waar nodig.
Wat gaat u de samenleving precies uitleggen indien een gedetineerde zoals Lysander de R. vanuit detentie wederom de samenleving vrees zal aanjagen en mogelijk ernstige strafbare feiten zal laten plegen?
Wanneer er een risico is op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie zullen passende maatregelen genomen worden. Per situatie wordt gekeken wat de meest geschikte maatregelen zijn, dat kan variëren van toezichtsmaatregelen op de contacten met buiten tot overplaatsing naar een zwaarder detentieregime, zoals de EBI of de AIT. Alle inzet is erop gericht om ook tijdens de detentie de samenleving te beschermen tegen (hoog)risicogedetineerden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 1 maart 2026 beantwoorden?
Deze Kamervragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Indien u bij beantwoording op sommige vragen zult antwoorden dat u «niet ingaat op individuele gevallen», kunt u daarbij dan uitgebreid motiveren waarom u niet op individuele gevallen kunt ingaan terwijl de uitvoering van strafrechtelijke vonnissen rechtstreeks onder uw verantwoordelijkheid valt?
Als Staatssecretaris is het mijn primaire taak om algemeen beleid en wetgeving te vormen en uit te voeren. Het beoordelen van individuele gevallen is voorbehouden aan de daarvoor aangewezen instanties, zoals uitvoeringsorganisaties en het OM.
De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG) regelt hoe justitie en het OM omgaan met strafrechtelijke gegevens, waaronder tenuitvoerleggingsinformatie. Er zijn specifieke beleidsregels in WJSG voor de verstrekking van deze tenuitvoerleggingsgegevens aan derden. Het delen van deze informatie is gebonden aan wettelijke grondslagen. Daarnaast kan informatie omtrent de plaatsing leiden tot extra druk en bedreiging van de medewerkers van DJI.
Om uw Kamer te voorzien van (voor zover mogelijk) volledige en juiste informatie om haar democratische controletaak uit te voeren heeft mijn ambtsvoorganger daarom het aanbod gedaan van een vertrouwelijke briefing, onder andere over het proces dat wordt doorlopen bij plaatsing van hoogrisicogedetineerden, in de laatste voortgangsbrief over de aanpak georganiseerde criminaliteit tijdens detentie van 23 januari jl.5 om u hierover nader te laten informeren door DJI.
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
De Arbeidstijdenwet en opschaling van de krijgsmacht |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Defensie bij realistische, meerdaagse en geïntegreerde oefeningen gebruikmaakt van externe opleiders die werkzaamheden verrichten die inhoudelijk gelijk zijn aan die van defensiepersoneel, onder militair gezag plaatsvinden en direct samenhangen met de operationele gereedheid van eenheden?
Defensie maakt bij opleidingen en oefeningen gebruik van externe opleidingscapaciteit van civiele partijen. Deze opleiders verrichten hun werkzaamheden op basis van civielrechtelijke overeenkomsten met hun werkgever. Zij vallen niet onder militair gezag en zijn geen defensiepersoneel.
In hoeverre herkent u dat de onverkorte toepassing van de Arbeidstijdenwet in deze situaties kan botsen met realisme, veiligheid en continuïteit van de opleiding?
Defensie onderkent dat bij intensieve en meerdaagse opleidingen spanning kan ontstaan tussen de gewenste opleidingsrealiteit en de kaders van de Arbeidstijdenwet. Bij de inzet van externe opleiders berust de formele verantwoordelijkheid voor naleving van deze wet bij de betreffende werkgever. Defensie heeft een zorgplicht en moet erop toezien dat de ingehuurde medewerkers niet in strijd met toepasselijke wet- en regelgeving werkzaam zijn. Defensie maakt hierover vooraf duidelijke afspraken met de civiele werkgever en richt opdrachten zodanig in dat zowel operationele doelstellingen als geldende arbeidswetgeving worden gerespecteerd.
Welke ruimte biedt artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet ruimte om de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren wanneer toepassing de uitvoering van wettelijke taken belemmert?
Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet biedt de mogelijkheid om, onder voorwaarden, bepalingen uit de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren voor defensiepersoneel, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wettelijke taken van Defensie.
Hoe wordt deze bepaling momenteel toegepast ten aanzien van externe opleiders die in een militair-operationele context functioneren?
Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op defensiepersoneel en wordt niet toegepast op extern ingehuurde opleiders. Voor deze laatste groep medewerkers blijft het civiele arbeidsrechtelijk kader, waaronder de Arbeidstijdenwet, volledig van kracht.
Bent u bereid om te verkennen of een strikt afgebakende ministeriële regeling op grond van artikel 2:4 ATW mogelijk en wenselijk is, die uitsluitend ziet op aangewezen opleidingssituaties en externe opleiders daarin tijdelijk functioneel gelijkstelt aan defensiepersoneel, met passende waarborgen voor arbeidsomstandigheden, veiligheid en herstel? Zo ja, kunt u de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning zo snel mogelijk informeren? Zo nee, waarom niet?
Het ligt in de rede dat uitzonderingsbepalingen binnen de Arbeidstijdenwet terughoudend worden toegepast en enkel van toepassing zijn op defensiepersoneel dat onder militair gezag valt. Voor extern ingehuurde opleiders geldt immers het civiele arbeidsrechtelijk kader. Wel herkennen we het vraagstuk. Daarom ben ik bereid met SZW hierover in gesprek te gaan. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten informeren.
Het bericht ‘Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens’ |
|
Jeltje Straatman (CDA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens (AP)»?1
Ja.
Wanneer raakte u op de hoogte van de klacht van de AP over het register voor het notariaat in de zin van artikel 5 van de Wet op het notarisambt en artikel 8 van het Besluit op het notarisambt? En wat is er namens u besloten nadat de klacht gegrond werd verklaard?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft op 28 januari 2025 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gemeld een brief van de AP te hebben ontvangen, waarna een dag later contact is geweest tussen het ministerie en de KNB over de inhoud van die brief. Vervolgens is in contact tussen JenV en de KNB op 3 februari 2025 besproken dat het niet in strijd met de wet zou zijn als de KNB (voorlopig) de mogelijkheid zou stopzetten om het register online te raadplegen. Ook is besproken dat het verstandig zou zijn te wachten op publicatie van de uitkomsten van het destijds nog lopende Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-onderzoek naar gegevensbescherming in openbare registers vóórdat de KNB verdere beslissingen zou nemen over het register. De KNB heeft daarna besloten de online toegang tot het register (voorlopig) te beëindigen en feitelijk uitvoering gegeven aan dat besluit.
Bent u van mening dat op dit moment in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt? Zo ja of nee, waarom?
Ja, op dit moment wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Een register blijft openbaar, ook wanneer de manier van toegang geven tot gegevens wijzigt of verschilt per doelgroep.2 Het niet online kunnen raadplegen van een register, maar het moeten aanvragen van gegevens door het invullen van een webformulier of per telefoon of post, is geen zodanige hindernis dat effectief de openbaarheid wordt belemmerd.3 Op de website waar voorheen de openbare gegevens van het register voor het notariaat online raadpleegbaar waren, vinden bezoekers nu informatie hoe zij die openbare gegevens kunnen verkrijgen.
Kunt u toelichten waarom namens u is besloten niet in beroep te gaan, waardoor de facto de Wet op het notarisambt niet correct wordt uitgevoerd en het voor mensen niet effectief mogelijk is de integriteit van notarissen te controleren?
De brief van de AP bevat een constatering en geen handhavingsbesluit, zodat een beroep niet aan de orde was. Overigens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Hoe kan volgens u effectief worden gecontroleerd of notarissen inmiddels wel voldoen aan hun wettelijke verplichting hun nevenbetrekkingen openbaar te maken, nadat in 2024 bleek dat driekwart van de notarissen hun nevenbetrekkingen niet of niet juist heeft doorgegeven?
De controle op het nakomen door notarissen van hun wettelijke verplichtingen is een taak van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Sinds 2022 heeft het BFT de naleving van de verplichting van de notarissen om nevenbetrekkingen op te geven ook nadrukkelijk opgenomen in de reguliere toezichtonderzoeken. Ook wordt door het BFT op reguliere basis aan de hand van het handelsregister gecontroleerd of de inschrijvingen in het register notariaat overeenkomen met de registraties in het handelsregister.
Kunt u bevorderen dat het register zo snel mogelijk weer online komt te staan? Zo ja, welke stappen bent u voornemens hiertoe te zetten?
Voor een aantal wettelijke openbare registers in het domein van JenV is onderzoek uitgevoerd door het WODC4 naar de bescherming van persoonsgegevens. Het register voor het notariaat behoort niet tot de onderzochte registers, maar het in het WODC-onderzoek opgenomen kader voor het toetsen van de gegevensbescherming en de aanbevelingen voor verbetering zijn volgens de onderzoekers toepasbaar op alle openbare registers met persoonsgegevens.
De KNB is vanuit het JenV gewezen op de relevantie van dat WODC-onderzoek voor het beheer van het register voor het notariaat. Dit onderzoek biedt handvatten aan de registerhouder om een goede belangenafweging te kunnen maken tussen gegevensbescherming en de wijze van openbaarheid. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 zullen door JenV geen stappen worden gezet om te bevorderen dat het register (geheel of gedeeltelijk) online te raadplegen is.
Bent u bereid een overzicht te verstrekken van alle overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP al dan niet tijdelijk offline zijn gehaald? Zo nee, waarom niet en kunt u in contact treden met de AP om een overzicht op te stellen?
JenV beschikt niet over een overzicht van alle overheidsregisters die offline zijn gehaald en kan daarom deze gegevens niet aan uw Kamer verstrekken. Voor de openbaarheid van een register is online toegankelijkheid geen noodzakelijke voorwaarde. Daarmee is er voor mij geen reden alsnog een overzicht te laten maken van overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP offline zijn gehaald.
Bent u bereid te bevorderen dat klachten die de AP verstuurt naar bestuursorganen zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt, zodat tijdig een weging van belangen kan plaatsvinden en bestuursorganen ook van elkaar kunnen leren? Zo nee, waarom niet?
Voor dit antwoord wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op klachten die de AP ontvangt, omdat het in de onderhavige zaak ging om een klacht van een betrokkene bij de AP en omdat de AP zelf geen «klachten» indient. Op grond van artikel 77 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan iedere betrokkene een klacht indienen bij de AP over niet-naleving van de AVG. Volgens de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie moet een dergelijke klacht worden geduid als «verzoek tot handhaving» aan de AP.5 Een verzoek tot handhaving kan leiden tot een handhavingsbesluit. Openbaarmaking van handhavingsbesluiten is nu in beginsel verplicht op basis van artikel 3.1 Wet open overheid, tenzij de voorzieningenrechter ernstige twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit. Volgens haar eigen beleidsregels over openbaarmaking publiceert de AP in beginsel alle handhavingsbesluiten, met uitzondering van berispingen.6