De middelen voor terugkeer naar Syrië. |
|
Nicole Maes (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
In de Kamerbrief over de afspraken rondom de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2026 gaf u aan dat 25 miljoen euro wordt vrijgemaakt voor «stabiliteit en wederopbouw ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer naar Syrië», en dat deze middelen gereserveerd blijven voor de betreffende beleidsdoelen1. Kunt u herbevestigen dat het faciliteren en realiseren van vrijwillige terugkeer het leidende beleidsdoel is voor de inzet van deze 25 miljoen euro?
Zoals toegelicht in de nota van wijziging bij de wijziging van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor het jaar 20261, zal 25 miljoen euro worden ingezet voor een stabiel perspectief voor Syriërs en wederopbouw in Syrië ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer. Dit beleidsdoel is onveranderd. Gebrek aan veiligheid, stabiliteit, en basisvoorzieningen vormen een belangrijke barrière voor terugkeer, en 58% van de Syriërs in Nederland geeft aan terugkeer te overwegen wanneer de voorwaarden hiervoor verbeteren. Derhalve zullen deze middelen enerzijds bijdragen aan verbetering van de socio-economische omstandigheden in Syrië, met name via wederopbouw en economisch herstel, en anderzijds worden ingezet voor institutionele capaciteitsopbouw van de Syrische overheid, waaronder de Syrische ontmijningsautoriteit. Dat is in het belang van Syrië met wie deze inzet is besproken, en verbetert de condities voor terugkeer. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie en Veiligheid werken de nadere invulling van deze middelen in gezamenlijkheid uit. Hiermee wordt een geïntegreerde aanpak geborgd, met aandacht voor de Syrische behoeften en noden, de brede Nederlands-Syrische relatie, en de Nederlandse belangen.
Welke stappen heeft u reeds gezet om dit beleidsdoel te realiseren, en wat voor soort programma's of bestedingsplannen worden momenteel uitgewerkt voor de besteding van die 25 miljoen euro?
Het normaliseren van diplomatieke betrekkingen en het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Asiel & Migratie aan Syrië in juni jl. waren de eerste stappen naar een brede relatie, waarbij Nederland in Syrië investeert vanuit een langetermijnperspectief en wederzijdse belangen. Voor stabiliteit en wederopbouw staat de behoefte van de Syrische autoriteiten en bevolking centraal. Tegelijkertijd versterkt onze inzet de mogelijkheden om samen te werken op vraagstukken die voor Nederland van belang zijn, waaronder terugkeer. Deze prioriteiten worden vastgelegd in een memorandum of understanding, dat momenteel voorligt bij de Syrische autoriteiten.
In de aanwending van de aanvullende middelen voor dit jaar werken we langs de volgende lijnen: 1) structurele wederopbouw (scholen, ziekenhuizen, infrastructuur, elektriciteit), 2) creëren van economische perspectieven (onder meer in de landbouw, waar om Nederlandse kennis en kunde is gevraagd) en 3) randvoorwaarden voor duurzame terugkeer van ontheemden.
Daarnaast gelden effectiviteit, complementariteit met bestaande inzet op opvang in de regio, stabiliteit, inclusiviteit, ontmijning en financiële haalbaarheid als belangrijke kaders.
Hoe gaat u borgen dat deze middelen uitsluitend worden toegekend aan projecten die een aanwijsbare en meetbare bijdrage leveren aan het verhogen van het aantal terugkeerders vanuit Nederland, wetende dat de evaluatie «grip op migratie» van de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) heeft uitgewezen dat bepaalde activiteiten nauwelijks of geen effect hebben?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie en Veiligheid werken de nadere invulling van deze middelen in gezamenlijkheid uit. Hierbij wordt ingezet op een effectieve- en efficiënte inzet van de middelen gericht op stabiliteit en wederopbouw, die bijdraagt aan het faciliteren van vrijwillige terugkeer, ook vanuit Nederland.
Later dit najaar wordt de Kamer per brief geïnformeerd over inzet van het Kabinet op het internationale migratiebeleid, waarbij de aanbevelingen van zowel de evaluatie «Op zoek naar Grip» van de directie Internationaal Onderzoek en beleidsevaluatie (IOB) als het advies «Migratie in Partnerschap: sturen op Recht en Resultaat» van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviesraad Migratie (AM) worden meegenomen.
Hoe kijkt u naar de IOB-evaluatie «grip op migratie» die heeft uitgewezen dat bepaalde activiteiten nauwelijks of geen effect hebben op het terugdringen van migratie?
Zie beantwoording vraag 3.
Op welke wijze maakt u voor de Kamer inzichtelijk dat de besteding van de 25 miljoen euro daadwerkelijk bijdraagt aan het faciliteren van vrijwillige terugkeer naar Syrië?
De extra middelen zullen nog in 2026 worden aangewend en ingezet voor de hiervoor vermelde doelen, waarbij moet worden opgemerkt dat de gefinancierde activiteiten doorlopen in 2027. De Kamer zal zodra dit mogelijk is worden geïnformeerd over de resultaten van de ingezette programma's.
Worden de middelen uitgegeven aan projecten in Syrië of zijn deze ook inzetbaar voor maatregelen in Nederland ten behoeve van terugkeer?
De middelen worden uitgegeven vanuit de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan projecten in Syrië die bijdragen aan stabiliteit en wederopbouw ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer naar Syrië.
Wat verwacht u van de Syrische regering in dit kader en staat in het contact terugkeer centraal?
Terugkeer is een belangrijk onderdeel van de bilaterale gesprekken met de Syrische autoriteiten. Daarbij wordt ook gesproken over de bredere randvoorwaarden voor duurzame terugkeer, zoals ontmijning, wederopbouw, sociaal en economisch herstel, beschikbaarheid van basisvoorzieningen en recht en rekenschap voor misdaden. De Nederlandse inzet op stabiliteit en wederopbouw draagt daar expliciet aan bij. Van de Syrische autoriteiten wordt een constructieve inzet verwacht op deze onderwerpen, om vrijwillige terugkeer daadwerkelijk mogelijk te maken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 7 september a.s. beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat een levenslanggestrafte vanaf 25 jaar detentie in aanmerking kan komen voor toelating tot de re-integratiefase. De re-integratiefase is een voortraject dat deel uitmaakt van de herbeoordelingsprocedure van de levenslange gevangenisstraf3 en bestaat uit het stapsgewijs en gecontroleerd werken aan een eventuele terugkeer in de samenleving. Na toelating tot de re-integratiefase is het mogelijk om re-integratieverlof toegewezen te krijgen, eerst begeleid en later mogelijk onbegeleid (afhankelijk van hoe eerdere verloven zijn verlopen). Verloven vormen een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving.
Als verantwoordelijk bewindspersoon beslis ik of iemand wordt toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doe ik naar aanleiding van (vervolg)advisering door het Adviescollege levenslanggestraften (ACL). Wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, is artikel 20d van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) van toepassing om te bepalen of en wat voor verlof wordt verleend, danwel de Verlofregeling TBS indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) verblijft.
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Over verlofbeslissingen ten aanzien van individuele gedetineerden wordt uw Kamer niet geïnformeerd.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
In algemene zin geldt dat slachtoffers en nabestaanden die dat wensen, kunnen deelnemen aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek uitgevoerd door Slachtofferhulp Nederland ten behoeve van de advisering van het ACL. Verder kunnen slachtoffers en nabestaanden desgewenst gehoord worden door het ACL. Deze inbreng wordt betrokken bij het advies dat ik van het ACL ontvang over de aanvang van eventuele re-integratieactiviteiten.4 Over dit besluit worden slachtoffers en nabestaanden desgewenst geïnformeerd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Ten aanzien van eventueel verlof geldt dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Mijn ambtsvoorgangers en mijn ambtenaren hebben verschillende gesprekken gevoerd met slachtoffers en nabestaanden en daarbij geconstateerd dat verbeteringen in de informatievoorziening nodig waren.5 Sindsdien is ingezet op toegankelijke informatievoorziening over de herbeoordelingsprocedure en duidelijke communicatie met slachtoffers en nabestaanden daarover.
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
De advisering over het al dan niet laten aanvangen van re-integratieactiviteiten door een levenslanggestrafte vindt plaats op basis van de criteria zoals genoemd in het vierde lid, artikel 4 van het Besluit ACL, waarmee onder andere wordt getoetst of er sprake is van recidiverisico of delictgevaarlijkheid. Het ACL vraagt ten behoeve van de advisering bij diverse instanties stukken op. Het gaat in het bijzonder om het strafdossier, het volledige detentiedossier, veiligheidsinformatie (er wordt onder andere gekeken of er signalen zijn van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie en/of de gedetineerde (nog) onderdeel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband), eventuele medische gegevens, eerdere Pro Justitia- en reclasseringsrapportages en gratiedossiers. Verder ontvangt het ACL rapportages van het Pieter Baan Centrum, naar aanleiding van observatieonderzoek aldaar, en Reclassering Nederland.
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 4 geldt verder dat wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, artikel 20d van de Rtvi van toepassing is om te bepalen of verlof wordt verleend. Als onderdeel van de diverse beoordelingscriteria voor het tijdelijk verlaten van de inrichting wordt onder de Rtvi, naast eerder genoemde rapportages, onder andere gebruik gemaakt van de informatie die voortkomt uit het instrument Risicoscreener Geweld. Indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een FPC verblijft en dus de Verlofregeling TBS van toepassing is, adviseert het Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT) aan de hand van een verlofaanvraag waarin de veiligheidsrisico’s zijn beschreven door het FPC.
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 en 6 geldt ten aanzien van eventueel verlof in algemene zin dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Ik ga zoals eerder aangegeven niet in op vragen over een individuele casus. Als sprake is van verlof van een levenslanggestrafte, kan het van geval tot geval verschillen welke bijzondere voorwaarden daaraan worden verbonden. Dat kan bijvoorbeeld een locatie- of contactverbod zijn. Toezicht op voorwaarden kan variëren afhankelijk van het soort voorwaarde. Conform artikel 20d Rtvi geldt dat verloven vanuit de PI geschieden onder elektronisch toezicht. De politie heeft een handhavende rol ten aanzien van de vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden en bij nieuwe strafbare feiten.
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Gratie kan worden verleend als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (art. 2, onder b, van de Gratiewet). Over eventuele gratieverlening wordt advies gevraagd aan het Openbaar Ministerie en het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd. Het advies van het gerecht weegt zwaar en is daarmee in beginsel leidend. Wanneer niet wordt voldaan aan het criterium voor gratie, wordt de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf voortgezet.
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Ook hier geldt het uitgangspunt dat ik niet inga op individuele gevallen. Zodoende ben ik niet voornemens uw Kamer te informeren bij een (positieve voordracht tot) gratieverlening.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Het CJIB onderhoudt contact met slachtoffers en nabestaanden in de fase van tenuitvoerlegging. Mochten slachtoffers en nabestaanden er daarnaast behoefte aan hebben, dan kunnen zij in gesprek met ambtenaren van mijn ministerie. Zij kunnen dit dan bij het CJIB kenbaar maken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
Ik heb de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. De beantwoording heeft zo snel als mogelijk plaatsgevonden.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert.
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000 statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders. Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes: minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving en voorspoedig in te burgeren.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten. Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen te nemen.
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens. Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling van statushouders hier ook een effect op hebben.
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende huisvesting kan worden gerealiseerd.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er 51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari 2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer 2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire of extra toegang tot deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Ja
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
De bekostiging van de medische zorg voor asielzoekers en vergunninghouders in de opvang verloopt via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ik herken dat de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers over de afgelopen jaren zijn gestegen. Deze stijging is in belangrijke mate verklaarbaar door de stijging van het aantal personen dat door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt opgevangen en de stijging van de kosten voor medische zorg in zijn algemeenheid. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
De totale zorgkosten voor respectievelijk de jaren 2025 en 2024 bedragen, conform de jaarrekening van het COA, € 358 miljoen en € 294 miljoen. Dit is inclusief de kosten voor tbc-onderzoek en de publieke gezondheidszorg. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen daarmee uit op respectievelijk € 4.775 voor 2025 en € 4.275 voor 2024. De totale medische kosten zijn gebaseerd op de daadwerkelijk gedeclareerde kosten onder de ziektekostenregeling2. Voor 2025 geldt dat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening door het COA ongeveer 75 procent (€ 172.718.552) van de kosten was gedeclareerd. Voor de nog niet gedeclareerde maar te verwachten kosten is een voorziening opgenomen. Ten aanzien van de exacte zorgkosten voor 2025 en daarmee de gemiddelde kosten per asielzoeker geldt derhalve nog een mate van onzekerheid.
Buitenland
36.859
62.979
Farmacie – apotheken
14.013.865
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
3.867.765
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
38.073.259
28.847.203
Huisarts (passant)
1.999.111
1.843.291
Hulpmiddelen
3.132.946
2.585.163
Kraamzorg
1.627.759
1.618.532
M&I verrichtingen1
93.145
Maatschappelijk Werk
127.545
232.854
Medisch specialistische zorg
57.928.727
70.093.771
Mondzorg
23.019.534
18.476.208
Overig2
922.538
768.987
Paramedisch
2.402.591
1.756.086
Verloskunde
1.671.846
2.040.338
Verslavingszorg
1.168.270
Vervoer
10.052.328
12.016.514
Wijkverpleging
6.147.770
4.720.258
WLZ
3.913.687
4.583.515
WMO
1.486.729
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
1.125.422
980.558
Tbc-onderzoek
2.495.000
2.375.000
Publieke gezondheidszorg
30.945.000
23.692.000
Overige zorgkosten
94.204.598
88.171.820
Bezetting
74.982
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Daar waar mogelijk heeft het COA de informatie over de kosten voor de medische zorg gedeeld en is deze openbaar in het jaarverslag van het COA. Voor de uitvoering van de medische zorg aan asielzoekers moeten, op basis van aanbestedingen, contractafspraken gemaakt met de verschillende contractpartners. Een deel van deze gegevens kan en mag op basis van de gemaakte afspraken niet worden gedeeld omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kosten voor de huisartsenzorg door GZA, GGD-GHOR, tolkdiensten, uitvoeringskosten voor de tbc-screening. In het overzicht zijn deze opgenomen als overige zorgkosten.
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van misbruik of fraude met de RMA. Vanzelfsprekend moeten voorzieningen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende toezicht hierop is zodat fraude of misbruik kan worden tegengegaan. Binnen het COA is ook ten aanzien van de uitgaven aan de medische zorg aan asielzoekers deze controle ingericht. Mochten er vermoedens zijn dat er sprake is van misbruik dan wordt hier door het COA, samen met de uitvoeringspartners ook op ingegrepen en maatregelen getroffen.
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
De stijging van de zorgkosten wordt verklaard door de toename van het aantal bewoners van het COA en de toename van de kosten in de zorg in zijn algemeenheid door onder andere gestegen personeelskosten of invoering van een diagnose-behandelcombinatie in de publieke zorg en niet door fraude.
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Voor de medische zorg die door het COA wordt vergoed komen enkel personen in aanmerking die staan ingeschreven bij het COA. Hier wordt ook op gecontroleerd. Zorgkosten die worden gemaakt door personen die niet (meer) staan ingeschreven bij het COA worden niet door het COA vergoed. De kosten voor de medische zorg aan asielzoekers komen ten laste van de begroting Ministerie van JenV.
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
De medische zorg voor asielzoekers volgt het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Er wordt ook gebruik gemaakt van dezelfde zorginstellingen als die er zijn voor andere inwoners van Nederland. Hierbij worden dezelfde tarieven gehanteerd die in de reguliere zorg gelden. Aanpassingen daarin die gericht zijn op het verlagen van de kosten voor medische zorg worden ook gevolgd.
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
De eigen bijdrage in de opvang kan niet één-op-één worden vergeleken met de vaste lasten van een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen.
Bij een netto maandinkomen van € 2.000 betaalt een alleenstaande bewoner van de opvang een eigen bijdrage van € 563,49 per maand. Een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen heeft doorgaans recht op toeslagen, zoals huurtoeslag en/of zorgtoeslag, waardoor de netto woon- en zorglasten lager uitvallen dan de bruto lasten. Hoewel de totale netto uitgaven aan wonen, voeding en zorg doorgaans hoger liggen dan de eigen bijdrage in de opvang, is een directe vergelijking slechts beperkt mogelijk. De eigen bijdrage betreft een inkomensafhankelijke bijdrage aan een collectieve, tijdelijke opvangvoorziening. Deze opvangvoorziening gaat gepaard met een strenger rechten- en plichtenpakket, beperkte keuzevrijheid ten aanzien van de woonlocatie, de inrichting van het dagelijks leven en de afname van voorzieningen. De lasten waar een zelfstandig wonende persoon mee te maken heeft gaan daarentegen gepaard met rechten en zekerheden die de opvang naar haar aard niet biedt: huurbescherming, een eigen woonruimte, meer zeggenschap over de woon- en leefsituatie, de mogelijkheid een duurzaam zelfstandig huishouden op te bouwen en – in geval van een koopwoning – vermogensopbouw. Hierdoor laat de vergelijking zich ook niet reduceren tot een eenvoudige beoordeling in termen van «gunstiger» of «ongunstiger»
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Zie antwoord vraag 9.
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de bestaande Regeling eigen bijdrage asielzoekers (Reba) moeten asielzoekers die werken reeds een eigen bijdrage betalen voor de asielopvang. Deze eigen bijdrage staat los van het moment waarop asielzoekers mogen gaan werken maar hangt af van het feit of de asielzoeker vermogen of inkomen heeft. De implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact staat hier los van. Wel zal doordat asielzoekers eerder kunnen werken ook eerder bijgedragen kunnen worden aan de kosten voor de opvang.
De publicatie ‘’Becoming a refugee during your studies’’ van de Universiteit Maastricht |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ELPEEDA-publicatie «Becoming a refugee during your studies» van de Universiteit Maastricht?
Klopt het dat de universiteit in kwestie actief verschillende ondersteunende diensten aanbiedt voor studenten die asiel zoeken en voor degenen die al een vluchtelingenstatus hebben en wat houdt dat concreet in?
Klopt het voorts dat de Universiteit Maastricht een stap-voor-stap handleiding aanbiedt voor het aanvragen van asiel en acht u deze diensten passend bij de wettelijke taken van een universiteit en haar verantwoordelijkheid als erkend referent?
Kunt u reflecteren op de inhoud van deze stap-voor-stap handleiding?
Hoeveel geld en capaciteit besteedt de Universiteit Maastricht aan advisering en begeleiding bij asielaanvragen en welke middelen worden hiervoor ingezet en vindt u dat een wenselijke besteding?
Klopt het dat de webpagina over deze ondersteunende diensten eerder expliciet vermeldde dat de universiteit adviseert over of en wanneer studenten asiel moeten aanvragen en daarbij ook verwees naar deze stap-voor-stap handleiding? Klopt het voorts dat deze pagina’s op de huidige website ontbreken en wanneer en waarom is deze informatie aangepast?
Is er de afgelopen tijd contact geweest over dit onderwerp tussen uw ministerie en de Universiteit Maastricht naar aanleiding van de recente casus van een Gazaanse student en zijn de bovengenoemde aanpassingen het gevolg van dat contact?
In hoeverre acht u het wenselijk dat de Universiteit Maastricht tot recent nog actieve hulp aanbood aan studenten die «overwegen om asiel aan te vragen» en in hoeverre kan dit worden gezien als het faciliteren van en/of actief aanmoedigen van asielaanvragen?
In hoeverre passen de diensten die de Universiteit Maastricht kennelijk aanbiedt rond het faciliteren van asielaanvragen zich tot het kabinetsbeleid dat juist gericht is op meer controle en een verminderde instroom van asielmigranten?
Hoeveel asielaanvragen zijn er door studenten die «overwegen om asiel aan te vragen» ingediend naar aanleiding van gesprekken met medewerkers van de Universiteit Maastricht?
Wat zijn de nationaliteiten van de studenten die naar aanleiding van deze gesprekken asiel hebben aangevraagd?
Bent u bereid om in contact te treden met de Universiteit van Maastricht om opheldering te vragen over de diensten die zij aanbieden en de Kamer over deze contacten te informeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De middelen voor terugkeer naar Syrië. |
|
Nicole Maes (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
In de Kamerbrief over de afspraken rondom de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2026 gaf u aan dat 25 miljoen euro wordt vrijgemaakt voor «stabiliteit en wederopbouw ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer naar Syrië», en dat deze middelen gereserveerd blijven voor de betreffende beleidsdoelen1. Kunt u herbevestigen dat het faciliteren en realiseren van vrijwillige terugkeer het leidende beleidsdoel is voor de inzet van deze 25 miljoen euro?
Zoals toegelicht in de nota van wijziging bij de wijziging van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor het jaar 20261, zal 25 miljoen euro worden ingezet voor een stabiel perspectief voor Syriërs en wederopbouw in Syrië ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer. Dit beleidsdoel is onveranderd. Gebrek aan veiligheid, stabiliteit, en basisvoorzieningen vormen een belangrijke barrière voor terugkeer, en 58% van de Syriërs in Nederland geeft aan terugkeer te overwegen wanneer de voorwaarden hiervoor verbeteren. Derhalve zullen deze middelen enerzijds bijdragen aan verbetering van de socio-economische omstandigheden in Syrië, met name via wederopbouw en economisch herstel, en anderzijds worden ingezet voor institutionele capaciteitsopbouw van de Syrische overheid, waaronder de Syrische ontmijningsautoriteit. Dat is in het belang van Syrië met wie deze inzet is besproken, en verbetert de condities voor terugkeer. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie en Veiligheid werken de nadere invulling van deze middelen in gezamenlijkheid uit. Hiermee wordt een geïntegreerde aanpak geborgd, met aandacht voor de Syrische behoeften en noden, de brede Nederlands-Syrische relatie, en de Nederlandse belangen.
Welke stappen heeft u reeds gezet om dit beleidsdoel te realiseren, en wat voor soort programma's of bestedingsplannen worden momenteel uitgewerkt voor de besteding van die 25 miljoen euro?
Het normaliseren van diplomatieke betrekkingen en het bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Asiel & Migratie aan Syrië in juni jl. waren de eerste stappen naar een brede relatie, waarbij Nederland in Syrië investeert vanuit een langetermijnperspectief en wederzijdse belangen. Voor stabiliteit en wederopbouw staat de behoefte van de Syrische autoriteiten en bevolking centraal. Tegelijkertijd versterkt onze inzet de mogelijkheden om samen te werken op vraagstukken die voor Nederland van belang zijn, waaronder terugkeer. Deze prioriteiten worden vastgelegd in een memorandum of understanding, dat momenteel voorligt bij de Syrische autoriteiten.
In de aanwending van de aanvullende middelen voor dit jaar werken we langs de volgende lijnen: 1) structurele wederopbouw (scholen, ziekenhuizen, infrastructuur, elektriciteit), 2) creëren van economische perspectieven (onder meer in de landbouw, waar om Nederlandse kennis en kunde is gevraagd) en 3) randvoorwaarden voor duurzame terugkeer van ontheemden.
Daarnaast gelden effectiviteit, complementariteit met bestaande inzet op opvang in de regio, stabiliteit, inclusiviteit, ontmijning en financiële haalbaarheid als belangrijke kaders.
Hoe gaat u borgen dat deze middelen uitsluitend worden toegekend aan projecten die een aanwijsbare en meetbare bijdrage leveren aan het verhogen van het aantal terugkeerders vanuit Nederland, wetende dat de evaluatie «grip op migratie» van de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) heeft uitgewezen dat bepaalde activiteiten nauwelijks of geen effect hebben?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie en Veiligheid werken de nadere invulling van deze middelen in gezamenlijkheid uit. Hierbij wordt ingezet op een effectieve- en efficiënte inzet van de middelen gericht op stabiliteit en wederopbouw, die bijdraagt aan het faciliteren van vrijwillige terugkeer, ook vanuit Nederland.
Later dit najaar wordt de Kamer per brief geïnformeerd over inzet van het Kabinet op het internationale migratiebeleid, waarbij de aanbevelingen van zowel de evaluatie «Op zoek naar Grip» van de directie Internationaal Onderzoek en beleidsevaluatie (IOB) als het advies «Migratie in Partnerschap: sturen op Recht en Resultaat» van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviesraad Migratie (AM) worden meegenomen.
Hoe kijkt u naar de IOB-evaluatie «grip op migratie» die heeft uitgewezen dat bepaalde activiteiten nauwelijks of geen effect hebben op het terugdringen van migratie?
Zie beantwoording vraag 3.
Op welke wijze maakt u voor de Kamer inzichtelijk dat de besteding van de 25 miljoen euro daadwerkelijk bijdraagt aan het faciliteren van vrijwillige terugkeer naar Syrië?
De extra middelen zullen nog in 2026 worden aangewend en ingezet voor de hiervoor vermelde doelen, waarbij moet worden opgemerkt dat de gefinancierde activiteiten doorlopen in 2027. De Kamer zal zodra dit mogelijk is worden geïnformeerd over de resultaten van de ingezette programma's.
Worden de middelen uitgegeven aan projecten in Syrië of zijn deze ook inzetbaar voor maatregelen in Nederland ten behoeve van terugkeer?
De middelen worden uitgegeven vanuit de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan projecten in Syrië die bijdragen aan stabiliteit en wederopbouw ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer naar Syrië.
Wat verwacht u van de Syrische regering in dit kader en staat in het contact terugkeer centraal?
Terugkeer is een belangrijk onderdeel van de bilaterale gesprekken met de Syrische autoriteiten. Daarbij wordt ook gesproken over de bredere randvoorwaarden voor duurzame terugkeer, zoals ontmijning, wederopbouw, sociaal en economisch herstel, beschikbaarheid van basisvoorzieningen en recht en rekenschap voor misdaden. De Nederlandse inzet op stabiliteit en wederopbouw draagt daar expliciet aan bij. Van de Syrische autoriteiten wordt een constructieve inzet verwacht op deze onderwerpen, om vrijwillige terugkeer daadwerkelijk mogelijk te maken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 7 september a.s. beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Een massale bestorming van de Spaanse exclave Ceuta door bijna 50.000 migranten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 50.000 migranten aangekomen in Spaanse exclave Ceuta na massale bestorming vanuit Marokko, zeker 18 doden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onbestaanbaar is dat bijna 50.000 migranten de EU-buitengrenzen bestormen in Ceuta? Zo nee, waarom niet?
Ja, ontstane situatie in Ceuta is onacceptabel, zeer zorgelijk en een uitzonderlijke situatie. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en effectief opgetreden zou worden. Nederland heeft daarom op vrijdagochtend, 31 juli jl. direct contact opgenomen met de Minister van Buitenlandse Zaken van Marokko, de Minister van Buitenlandse Zaken van Spanje en de Eurocommissaris van Binnenlandse Zaken van de Europese Commissie
Acht u Spanje in staat om de grens(controle) in Ceuta weer onder controle te krijgen? Kunt u met spoed de Spaanse regering aanspreken op hun verantwoordelijkheid om deze massale bestorming een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Spanje heeft, in nauwe samenwerking met Marokko en de Europese Commissie acuut opgetreden, door te starten met de grootschalige terugkeer en de versterking van de grens. Maatregelen die Spanje heeft genomen op vrijdag 31 juli zijn onder andere extra fysieke grensbescherming, een zee barrière, inzet van het leger en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta. Spanje en Marokko hebben op grote schaal personen laten terugkeren naar Marokko. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Bent u bereid aan uw Spaanse ambtsgenoot mede te delen dat u verwacht dat Spanje aan geen van deze migranten een verblijfsvergunning af zal geven vanwege de aanzuigende werking die hierdoor zal ontstaan? Bent u hierbij ook van plan om mede te delen dat deze migranten onder geen enkel beding naar het Europese vasteland mogen worden overgebracht? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft Nederland samen met 21 andere lidstaten2 een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad, om nogmaals het belang van een acute aanpak te benadrukken en te vragen om een gecoördineerde aanpak om mensensmokkel, instrumentalisering van migranten en hybride dreigingen tegen te gaan en zo de EU weerbaarder te maken. In deze brief hebben de ondertekenaars ook benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken, benadrukt dat smokkelaars geen ruimte mogen krijgen en aangegeven dat de perceptie moet worden weggenomen dat dergelijke illegale binnenkomst direct leiden tot legaal verblijf.
De Commissie staat blijvend nauw in contact met Spanje. De Minister van Asiel en Migratie heeft op vrijdagochtend Eurocommissaris Brunner opgeroepen om snel ondersteuning te bieden en te komen tot een gecoördineerde EU-aanpak om de buitengrens te versterken en de migranten te laten terugkeren. Daarnaast heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Kunt u verzekeren dat elke optie in het Europese Asiel- en Migratiepact om deze migranten te weren uit Europa zal worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat deze illegale migranten teruggestuurd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie ook voorgaande beantwoording. Zoals reeds heeft Spanje gestart, o.a. naar aandringen van Nederland, met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Op welke manier bent u bereid Spanje te ondersteunen bij de terugkeerprocedures van deze illegale migranten?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Als verdere ondersteuning nodig is dan is Nederland en de Europese Commissie daartoe bereid. Daarnaast blijft de Commissie nauw in contact met Spanje. Ook heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak.
Wat is de rol van Marokko bij deze bestorming? Meent u dat de Marokkaanse autoriteiten alles hebben gedaan om deze bestorming tegen te houden?
Het kabinet ziet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko heeft zich constructief opgesteld en voortvarend meegewerkt aan de terugkeer van de migranten.
Welke rol speelt het Spaanse voorstel om meer dan een miljoen illegale migranten in het land te legaliseren en de uitspraak van het Spaanse hooggerechtshof dat op zee onderschepte migranten niet meer rechtstreeks teruggestuurd mogen worden bij deze bestorming?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere lidstaten3 aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welke effect deze ontwikkelingen precies hebben gehad is moeilijk te kwantificeren. Nederland zal in de JBZ-raad vragen om een onderzoek naar de oorzaken en de tekortkomingen uitgevoerd door de Europese Commissie om hierover meer helderheid te krijgen.
Bent u bereid om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje extra grenscontroles uit te laten voeren op alle directe vluchten afkomstig vanuit Spanje om te voorkomen dat deze migranten door zullen reizen naar Nederland? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft aangegeven dat geen van de migranten die irregulier in Ceuta zijn aangekomen, zijn doorgereisd naar de EU.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u van plan om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje bij de Europese Commissie een klacht in te dienen met als doel het starten van een inbreukprocedure tegen Spanje? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft de situatie nu onder controle. Echter benadrukt het kabinet dat de situatie in Ceuta een ongekende schending is van de integriteit van de buitengrens van Europa en alles moet er dan ook op gericht zijn om dit in de toekomst te voorkomen. Er zal een grondig onderzoek moeten plaatsvinden door de Europese Commissie over hoe deze situatie heeft kunnen ontstaan. Het kabinet benadrukt dat het cruciaal is dat Spanje, in samenwerking met Marokko en ondersteund door de Europese Commissie, beziet hoe de buitengrens bij Ceuta versterkt kan worden en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De Commissie moet, als hoeder van de verdragen, hierin een leidende rol hebben en rapporteren aan de lidstaten over de uitkomsten van deze evaluatie. Het kabinet zal tijdens de informele JBZ-raad hierop aandringen. Bij het verslag over de informele JBZ-raad zal uw Kamer over bovenstaande punten opnieuw worden geïnformeerd.
Bent u bereid om, gezien de omvang van deze bestorming, te pleiten voor een extra JBZ-Raad? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft samen met 21 andere lidstaten op zaterdagochtend 1 augustus jl. opgeroepen tot een extra informele JBZ-raad. Deze vindt op dinsdag 4 augustus plaats.
Wat vindt u van het standpunt van de Italiaanse regering over opschorting van Schengen en is dit voor het kabinet een reële mogelijkheid?
Met de aanscherping van de Schengengrenscode in 2022 is het instrumentarium dat een lidstaat ter beschikking heeft om te reageren op situaties van ernstige bedreigingen voor de openbare orde en binnenlandse veiligheid substantieel uitgebreid. Elke lidstaat kan binnen de Schengengrenscode tijdelijke interne grenscontroles herinvoeren wanneer sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of binnenlandse veiligheid, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden.
Naar het oordeel van het kabinet biedt de Schengengrenscode adequate mogelijkheden voor lidstaten om te reageren met onder meer informatie en risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied. Door het adequate optreden Spanje heeft direct de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Daarnaast is het binnen de kaders van de Schengengrenscode niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta. Het kabinet acht het van belang dat Schengenlidstaten transparant en open tekortkomingen en verbeterpunten in het Schengengebied bespreken, om te zorgen dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken, en waar nodig elkaar kunnen ondersteunen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen zeven dagen beantwoorden?
Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
De PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian over contrabande in Justitieel Complex Zaanstad |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian, waarin hij spreekt over zijn detentieperiode in Justitieel Complex Zaanstad?1
Ik ben bekend met de aflevering.
Wat vindt u ervan dat in deze aflevering het beeld wordt geschetst van Justitieel Complex Zaanstad als een «feestbajes», waar gedetineerden volgens betrokkene konden beschikken over telefoons, drugs en andere verboden spullen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat gedetineerden in een penitentiaire inrichting zouden kunnen beschikken over binnengesmokkelde telefoons, drugs en andere verboden goederen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich dan ook hard in om invoer van contrabande tegen te gaan, door toepassing van verscherpte techniek en controles. De Taskforce «penitentiaire inrichtingen (PI) schoonvegen» die, naar aanleiding van motie van het Kamerlid Ellian (24 587, nr. 1077), op 11 februari jl. is gestart, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken. De Kamer zal, overeenkomstig deze motie, in september 2026 worden geïnformeerd over de resultaten van deze Taskforce.
Kunt u per genoemde categorie aangeven of bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) bekend is of dit in Justitieel Complex Zaanstad heeft plaatsgevonden: het binnensmokkelen van contrabande zoals mobiele telefoons op cel, cocaïne of andere drugs, het voor handen krijgen van kostbaar vlees tijdens kerst dat niet door DJI beschikbaar is gesteld, het verstoppen van drugs in het washok door het verkrijgen van privileges als wasmeester en prostitutiebezoek door middel van bezoek zonder toezicht?
Voor wat betreft de aangetroffen contrabande kan ik stellen dat er in 2025 359 stuks aan verboden goederen zijn aangetroffen in Justitieel Complex Zaanstad. Voor een verdere uitsplitsing verwijs ik naar eerder beantwoordde Kamervragen welke een overzicht bieden van de aangetroffen contrabande per PI in 2023, 2024 en 2025.2 Voor wat betreft de overige punten geldt dat DJI bekend is met de volgende incidenten in het JC Zaanstad:
In 2023 is in het JC Zaanstad een medewerker de toegang tot de inrichting ontzegd omdat hij etenswaren, waaronder vlees, mee naar binnen had gebracht voor gedetineerden. Na onderzoek door het Bureau Integriteit is deze medewerker ontslagen.
Er zijn in 2022 in een washok meerdere mobiele telefoons gevonden bij een bijzondere spitactie, in een periode waarin het JC Zaanstad veel last had van drones. Het JC Zaanstad heeft toen passende maatregelen getroffen, onder meer door het intensiveren van dergelijke zoekacties. Overigens was het JC Zaanstad een van de eerste inrichtingen in Nederland met dronedetectie.
Het verstoppen van drugs in een washok is in het JC Zaanstad niet bekend.
Prostitutiebezoek is in het JC Zaanstad niet vastgesteld.
Bent u het ermee eens dat deze praktijken afbreuk doen aan de strafdoelen van detentie en er sprake is van een afbreuk van de rechtsstaat wanneer criminelen in detentie door kunnen gaan met het ondermijnen van het gezag?
Ik ben het ermee eens dat het binnensmokkelen van verboden goederen afbreuk doet aan de strafdoelen van detentie en dat er sprake is van afbreuk van de rechtstaat wanneer criminelen in detentie het gezag ondermijnen. Zoals in de beantwoording bij vraag 2 gesteld zet DJI zich hard in om invoer van contrabande tegen te gaan door toepassing van verscherpte techniek en controles. De genoemde Taskforce PI schoonvegen, die naar aanleiding van motie Ellian is ingesteld, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken.
Welke lessen trekt u uit het verhaal dat een gedetineerde volgens eigen zeggen als wasmeester over extra privileges beschikte, waaronder toegang tot een washok en daar kennelijk contrabande kon verstoppen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat DJI een samenstel aan maatregelen treft ter voorkoming van het verbergen van contrabande in het washok. Zo wordt de wasmeester geselecteerd uit het plusprogramma voor goed gedrag en wordt, gelet op de aard van deze functie en de bijhorende toegang tot ruimtes, voortdurend gemonitord. Daarnaast is het washok een van de ruimtes die standaard gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van contrabande. Op basis van signalen en risicoanalyses worden deze controles geïntensiveerd en spitacties uitgevoerd.
Welke controles gelden voor gedetineerden met interne functies, zoals wasmeester, schoonmaker of andere werkzaamheden waarbij zij toegang hebben tot ruimtes of materialen die andere gedetineerden niet hebben?
Functies zoals wasmeester, schoonmaker of anderszins worden toegekend aan gedetineerden die wegens goed gedrag in het plusprogramma verblijven, en pas nadat de voordracht voor deze werkzaamheden is besproken in het Multidisciplinair Overleg. Vanaf het moment dat deze speciale functies zijn toegekend, wordt de gedetineerde doorlopend gemonitord. Desgewenst worden er inlichtingen ingewonnen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid, een bureau dat in elke inrichting voorhanden is, juist om ondermijning en ander ongewenst c.q. ongeoorloofd gedrag tegen te gaan.
Welke voorschriften gelden er voor bezoek zonder toezicht en hoe kan het dat door middel van bezoek zonder toezicht prostitutiebezoek plaats heeft kunnen vinden? Kunt u hierop reflecteren?
Bezoek van prostituees is niet toegestaan. Het is voor gedetineerden mogelijk om in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Dit geldt alleen voor gedetineerden waarvan geen veiligheidsrisico’s uitgaan, in normaal beveiligde inrichtingen. Aan dit bezoek zonder toezicht zijn, zoals in de beantwoording van vraag 3 weergegeven, voorwaarden gesteld. Er dient sprake te zijn van een duurzame relatie, wat aangetoond dient te worden door bijvoorbeeld het overleggen van een huwelijksakte of samenlevingscontract.3 Bezoek van prostituees is daarmee niet toegestaan.
Wat vindt u van de uitspraak dat een gedetineerde die «de jongens rustig houdt» en ervoor zorgt dat personeel veilig kan werken, in ruil daarvoor «van alles» kan regelen? Herkent u dit risico van het afnemen van penitentiaire scherpte wanneer een gedetineerde zich ogenschijnlijk voorbeeldig gedraagt? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Detentie kent het systeem van promoveren en degraderen waarbij ongewenst gedrag wordt bestraft en gewenst gedrag juist wordt beloond met meer interne vrijheden. Een besluit tot promotie tot een plusprogramma is voorbehouden aan de vestigingsdirecteur, en wordt niet op de werkvloer genomen. Het behouden van penitentiaire scherpte vind ik uiterst belangrijk. Dit geldt voor alle regimes en alle gedetineerden, ongeacht hun status. DJI investeert dan ook structureel in de opleiding en weerbaarheid van hun medewerkers zodat de orde en veiligheid in detentie op correcte wijze gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen of is onderzocht of er in dit geval sprake is geweest van ongeoorloofde contacten, privileges of een relatie tussen een gedetineerde en een penitentiair inrichtingswerker? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Mochten dergelijke incidenten zich voordoen, dan wordt dit door DJI onderzocht en worden er passende maatregelen getroffen. Voor een uitgebreidere toelichting hierop verwijs ik naar de beantwoording van vraag 10.
Uit de voorvallenlijst van DJI blijkt dat relaties tussen gevangenispersoneel en gedetineerden vaker voorkomen. Wat doet u eraan om dit te voorkomen?
Iedereen die voor DJI komt werken, ongeacht de werkrelatie, wordt bij de start van de werkzaamheden over de gedragscode geïnformeerd. DJI-medewerkers worden getraind in de omgang met justitiabelen. De gedragscode en de kernwaarden komen aan de orde bij de centrale onboarding en integriteit is een belangrijke leerlijn die in alle (basis)opleidingen terugkomt en waar nadrukkelijk aandacht aan wordt besteed. Niet alleen tijdens de opleiding maar ook bij de beëdiging van nieuwe collega’s en op de werkvloer wordt hier aandacht en invulling aan gegeven.
Het is van belang dat medewerkers zich kunnen uitspreken in situaties betreffende afstand/nabijheid tussen medewerker en justitiabele. Hiervoor is een sociaal veilig werkklimaat nodig. Met de aanpak van DJI gericht op sociale veiligheid wordt bevorderd dat medewerkers signalen kunnen herkennen en zich veilig kunnen uitspreken. Hierdoor wordt het lerend vermogen van DJI als organisatie gestimuleerd: niet alleen via onboarding en opleiding, maar ook door reflectie op situaties die zich in het werk voordoen.
In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een PI. Het is vastgelegd in de gedragscode DJI dat een relatie tussen een medewerker en een justitiabele niet is toegestaan. Als daarvan toch sprake blijkt te zijn, en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen worden zorgvuldig genomen door de directie van de penitentiaire inrichting, op basis van de beschikbare informatie op dat moment. Deze moeten juridisch standhouden. Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat resocialisatie en vrijheden binnen detentie ertoe leiden dat gedetineerden over telefoons, drugs of andere contrabande kunnen beschikken en daarmee de veiligheid van personeel, medegedetineerden en de samenleving in gevaar brengen?
Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van externe vrijheden in het kader van de re-integratie, wordt een afweging gemaakt tussen het gedrag gedurende de detentie, risico's en slachtofferbelangen. Dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Rtvi. Ook worden adviezen van ketenpartners meegenomen in de beslissing. Per individuele casus wordt bepaald of maatregelen nodig zijn om het verlof zo veilig mogelijk te kunnen realiseren. Bijvoorbeeld door begeleid verlof of elektronisch toezicht. Daarnaast wordt een urinecontrole afgenomen zodra een gedetineerde terugkeert van verlof.
Zoals in de beantwoording van vraag 8 gesteld vind ik het behouden van penitentiaire scherpte uiterst belangrijk, ook wanneer het aankomt op vrijheden voor bepaalde gedetineerden met oog op hun re-integratie.
Welke maatregelen neemt u om, zoals in het coalitieakkoord omschreven staat, de handhaving op contrabande te verscherpen?
DJI zet zich hard in om contrabande tegen te gaan. Door middel van een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basiscontroles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
Daarbij wordt ingezet op de verscherpte handhaving onder meer door de Taskforce «PI Schoonvegen». Verder is per 1 juli jl. via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen voor DJI-medewerkers de bevoegdheid gecreëerd om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Dit zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om drones met contrabanden te weren.
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert.
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000 statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders. Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes: minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving en voorspoedig in te burgeren.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten. Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen te nemen.
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders. Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens. Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling van statushouders hier ook een effect op hebben.
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende huisvesting kan worden gerealiseerd.
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er 51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari 2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer 2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties) of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire of extra toegang tot deze ondersteuning.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat een levenslanggestrafte vanaf 25 jaar detentie in aanmerking kan komen voor toelating tot de re-integratiefase. De re-integratiefase is een voortraject dat deel uitmaakt van de herbeoordelingsprocedure van de levenslange gevangenisstraf3 en bestaat uit het stapsgewijs en gecontroleerd werken aan een eventuele terugkeer in de samenleving. Na toelating tot de re-integratiefase is het mogelijk om re-integratieverlof toegewezen te krijgen, eerst begeleid en later mogelijk onbegeleid (afhankelijk van hoe eerdere verloven zijn verlopen). Verloven vormen een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving.
Als verantwoordelijk bewindspersoon beslis ik of iemand wordt toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doe ik naar aanleiding van (vervolg)advisering door het Adviescollege levenslanggestraften (ACL). Wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, is artikel 20d van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) van toepassing om te bepalen of en wat voor verlof wordt verleend, danwel de Verlofregeling TBS indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) verblijft.
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Over verlofbeslissingen ten aanzien van individuele gedetineerden wordt uw Kamer niet geïnformeerd.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
In algemene zin geldt dat slachtoffers en nabestaanden die dat wensen, kunnen deelnemen aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek uitgevoerd door Slachtofferhulp Nederland ten behoeve van de advisering van het ACL. Verder kunnen slachtoffers en nabestaanden desgewenst gehoord worden door het ACL. Deze inbreng wordt betrokken bij het advies dat ik van het ACL ontvang over de aanvang van eventuele re-integratieactiviteiten.4 Over dit besluit worden slachtoffers en nabestaanden desgewenst geïnformeerd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Ten aanzien van eventueel verlof geldt dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Mijn ambtsvoorgangers en mijn ambtenaren hebben verschillende gesprekken gevoerd met slachtoffers en nabestaanden en daarbij geconstateerd dat verbeteringen in de informatievoorziening nodig waren.5 Sindsdien is ingezet op toegankelijke informatievoorziening over de herbeoordelingsprocedure en duidelijke communicatie met slachtoffers en nabestaanden daarover.
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
De advisering over het al dan niet laten aanvangen van re-integratieactiviteiten door een levenslanggestrafte vindt plaats op basis van de criteria zoals genoemd in het vierde lid, artikel 4 van het Besluit ACL, waarmee onder andere wordt getoetst of er sprake is van recidiverisico of delictgevaarlijkheid. Het ACL vraagt ten behoeve van de advisering bij diverse instanties stukken op. Het gaat in het bijzonder om het strafdossier, het volledige detentiedossier, veiligheidsinformatie (er wordt onder andere gekeken of er signalen zijn van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie en/of de gedetineerde (nog) onderdeel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband), eventuele medische gegevens, eerdere Pro Justitia- en reclasseringsrapportages en gratiedossiers. Verder ontvangt het ACL rapportages van het Pieter Baan Centrum, naar aanleiding van observatieonderzoek aldaar, en Reclassering Nederland.
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 4 geldt verder dat wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, artikel 20d van de Rtvi van toepassing is om te bepalen of verlof wordt verleend. Als onderdeel van de diverse beoordelingscriteria voor het tijdelijk verlaten van de inrichting wordt onder de Rtvi, naast eerder genoemde rapportages, onder andere gebruik gemaakt van de informatie die voortkomt uit het instrument Risicoscreener Geweld. Indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een FPC verblijft en dus de Verlofregeling TBS van toepassing is, adviseert het Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT) aan de hand van een verlofaanvraag waarin de veiligheidsrisico’s zijn beschreven door het FPC.
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 en 6 geldt ten aanzien van eventueel verlof in algemene zin dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Ik ga zoals eerder aangegeven niet in op vragen over een individuele casus. Als sprake is van verlof van een levenslanggestrafte, kan het van geval tot geval verschillen welke bijzondere voorwaarden daaraan worden verbonden. Dat kan bijvoorbeeld een locatie- of contactverbod zijn. Toezicht op voorwaarden kan variëren afhankelijk van het soort voorwaarde. Conform artikel 20d Rtvi geldt dat verloven vanuit de PI geschieden onder elektronisch toezicht. De politie heeft een handhavende rol ten aanzien van de vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden en bij nieuwe strafbare feiten.
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Gratie kan worden verleend als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (art. 2, onder b, van de Gratiewet). Over eventuele gratieverlening wordt advies gevraagd aan het Openbaar Ministerie en het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd. Het advies van het gerecht weegt zwaar en is daarmee in beginsel leidend. Wanneer niet wordt voldaan aan het criterium voor gratie, wordt de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf voortgezet.
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Ook hier geldt het uitgangspunt dat ik niet inga op individuele gevallen. Zodoende ben ik niet voornemens uw Kamer te informeren bij een (positieve voordracht tot) gratieverlening.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Het CJIB onderhoudt contact met slachtoffers en nabestaanden in de fase van tenuitvoerlegging. Mochten slachtoffers en nabestaanden er daarnaast behoefte aan hebben, dan kunnen zij in gesprek met ambtenaren van mijn ministerie. Zij kunnen dit dan bij het CJIB kenbaar maken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
Ik heb de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. De beantwoording heeft zo snel als mogelijk plaatsgevonden.
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Berendsen , Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het bericht 'Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: ’Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Medische kosten asielzoekers ruimschoots verdubbeld: «Door achterstallige zorg kunnen ziektes zijn verergerd»»?1
Ja
Herkent u het beeld dat de uitgaven aan medische kosten voor asielzoekers exponentieel groeit?
De bekostiging van de medische zorg voor asielzoekers en vergunninghouders in de opvang verloopt via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ik herken dat de kosten voor de medische zorg voor asielzoekers over de afgelopen jaren zijn gestegen. Deze stijging is in belangrijke mate verklaarbaar door de stijging van het aantal personen dat door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wordt opgevangen en de stijging van de kosten voor medische zorg in zijn algemeenheid. Het kabinet zet in om het beperken van de asielinstroom. Daarmee gaan uiteindelijk ook de totale kosten voor de medische voor asielzoekers omlaag.
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is uitgegeven binnen de verschillende zorgposten voor asielzoekers? Hoe verhoudt dit bedrag zich tot 2024?
De totale zorgkosten voor respectievelijk de jaren 2025 en 2024 bedragen, conform de jaarrekening van het COA, € 358 miljoen en € 294 miljoen. Dit is inclusief de kosten voor tbc-onderzoek en de publieke gezondheidszorg. De gemiddelde zorgkosten per asielzoeker komen daarmee uit op respectievelijk € 4.775 voor 2025 en € 4.275 voor 2024. De totale medische kosten zijn gebaseerd op de daadwerkelijk gedeclareerde kosten onder de ziektekostenregeling2. Voor 2025 geldt dat ten tijde van het opmaken van de jaarrekening door het COA ongeveer 75 procent (€ 172.718.552) van de kosten was gedeclareerd. Voor de nog niet gedeclareerde maar te verwachten kosten is een voorziening opgenomen. Ten aanzien van de exacte zorgkosten voor 2025 en daarmee de gemiddelde kosten per asielzoeker geldt derhalve nog een mate van onzekerheid.
Buitenland
36.859
62.979
Farmacie – apotheken
14.013.865
13.234.412
Farmacie – ziekenhuizen
3.867.765
5.992.205
Geestelijke gezondheidszorg
38.073.259
28.847.203
Huisarts (passant)
1.999.111
1.843.291
Hulpmiddelen
3.132.946
2.585.163
Kraamzorg
1.627.759
1.618.532
M&I verrichtingen1
93.145
Maatschappelijk Werk
127.545
232.854
Medisch specialistische zorg
57.928.727
70.093.771
Mondzorg
23.019.534
18.476.208
Overig2
922.538
768.987
Paramedisch
2.402.591
1.756.086
Verloskunde
1.671.846
2.040.338
Verslavingszorg
1.168.270
Vervoer
10.052.328
12.016.514
Wijkverpleging
6.147.770
4.720.258
WLZ
3.913.687
4.583.515
WMO
1.486.729
10.275.159
Zorg Zintuiglijk Gehandicapten
1.125.422
980.558
Tbc-onderzoek
2.495.000
2.375.000
Publieke gezondheidszorg
30.945.000
23.692.000
Overige zorgkosten
94.204.598
88.171.820
Bezetting
74.982
68.868
Dit zijn aanvullende vergoedingen voor de huisarts die buiten het abonnementstarief van de huisarts vallen, bijvoorbeeld kleine ingrepen.
Onder deze post vallen kleinere posten voor o.a. zwangerschapsafbreking, hepatitis vaccinaties, TBC test, tbc-behandeling en consulten van GGD-instellingen en vergoeding van moeder-en-kind huis/ blijf-van-mijn-lijf huis.
Hoe apprecieert u de stelling van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) dat deze informatie niet gedeeld kan worden vanwege de AVG? Waarom zou het niet mogelijk zijn om deze informatie te delen op een manier waarop de bescherming van persoonsgegevens geborgd blijft?
Daar waar mogelijk heeft het COA de informatie over de kosten voor de medische zorg gedeeld en is deze openbaar in het jaarverslag van het COA. Voor de uitvoering van de medische zorg aan asielzoekers moeten, op basis van aanbestedingen, contractafspraken gemaakt met de verschillende contractpartners. Een deel van deze gegevens kan en mag op basis van de gemaakte afspraken niet worden gedeeld omdat deze herleidbaar zijn en daarmee concurrentiegevoelige gegevens bevatten Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kosten voor de huisartsenzorg door GZA, GGD-GHOR, tolkdiensten, uitvoeringskosten voor de tbc-screening. In het overzicht zijn deze opgenomen als overige zorgkosten.
Deelt u het beeld dat de stijging aan kosten minstens voor een deel door fraude wordt veroorzaakt? Zo ja, hoe denkt u dat dit veroorzaakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van misbruik of fraude met de RMA. Vanzelfsprekend moeten voorzieningen worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn. Het is dan ook belangrijk dat er voldoende toezicht hierop is zodat fraude of misbruik kan worden tegengegaan. Binnen het COA is ook ten aanzien van de uitgaven aan de medische zorg aan asielzoekers deze controle ingericht. Mochten er vermoedens zijn dat er sprake is van misbruik dan wordt hier door het COA, samen met de uitvoeringspartners ook op ingegrepen en maatregelen getroffen.
In welke mate schat u dat de toename aan uitgaven hieraan veroorzaakt wordt doordat meer zorg geleverd wordt en in welke mate denkt u dat deze toename veroorzaakt wordt door fraude?
De stijging van de zorgkosten wordt verklaard door de toename van het aantal bewoners van het COA en de toename van de kosten in de zorg in zijn algemeenheid door onder andere gestegen personeelskosten of invoering van een diagnose-behandelcombinatie in de publieke zorg en niet door fraude.
In welke mate komt de stijging aan uitgaven aan zorg voor onverzekerden door asielzoekers?
Voor de medische zorg die door het COA wordt vergoed komen enkel personen in aanmerking die staan ingeschreven bij het COA. Hier wordt ook op gecontroleerd. Zorgkosten die worden gemaakt door personen die niet (meer) staan ingeschreven bij het COA worden niet door het COA vergoed. De kosten voor de medische zorg aan asielzoekers komen ten laste van de begroting Ministerie van JenV.
Neemt u als expliciet doel mee bij de nieuwe regeling om de kosten van deze zorg op hetzelfde of lager niveau te krijgen dan voor andere zorg? Zo ja, hoe bent u dat van plan? Zo nee, waarom niet?
De medische zorg voor asielzoekers volgt het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Er wordt ook gebruik gemaakt van dezelfde zorginstellingen als die er zijn voor andere inwoners van Nederland. Hierbij worden dezelfde tarieven gehanteerd die in de reguliere zorg gelden. Aanpassingen daarin die gericht zijn op het verlagen van de kosten voor medische zorg worden ook gevolgd.
Hoe verhoudt de eigen bijdrage die statushouders met een maandsalaris van € 2.000,– kwijt zijn aan huisvesting, maaltijden, kleding en zorg zich tot de vaste lasten die de gemiddelde Nederlander met zo’n salaris per maand heeft?
De eigen bijdrage in de opvang kan niet één-op-één worden vergeleken met de vaste lasten van een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen.
Bij een netto maandinkomen van € 2.000 betaalt een alleenstaande bewoner van de opvang een eigen bijdrage van € 563,49 per maand. Een zelfstandig wonende persoon met een vergelijkbaar inkomen heeft doorgaans recht op toeslagen, zoals huurtoeslag en/of zorgtoeslag, waardoor de netto woon- en zorglasten lager uitvallen dan de bruto lasten. Hoewel de totale netto uitgaven aan wonen, voeding en zorg doorgaans hoger liggen dan de eigen bijdrage in de opvang, is een directe vergelijking slechts beperkt mogelijk. De eigen bijdrage betreft een inkomensafhankelijke bijdrage aan een collectieve, tijdelijke opvangvoorziening. Deze opvangvoorziening gaat gepaard met een strenger rechten- en plichtenpakket, beperkte keuzevrijheid ten aanzien van de woonlocatie, de inrichting van het dagelijks leven en de afname van voorzieningen. De lasten waar een zelfstandig wonende persoon mee te maken heeft gaan daarentegen gepaard met rechten en zekerheden die de opvang naar haar aard niet biedt: huurbescherming, een eigen woonruimte, meer zeggenschap over de woon- en leefsituatie, de mogelijkheid een duurzaam zelfstandig huishouden op te bouwen en – in geval van een koopwoning – vermogensopbouw. Hierdoor laat de vergelijking zich ook niet reduceren tot een eenvoudige beoordeling in termen van «gunstiger» of «ongunstiger»
Deelt u de mening dat statushouders met dit salaris die verblijven op COA-locaties niet gunstiger af mogen zijn qua vaste lasten dan de gemiddelde Nederlander met hetzelfde salaris?
Zie antwoord vraag 9.
Gaan kansrijke asielzoekers die als gevolg van de implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact binnen drie maanden na het indienen van hun aanvraag in Nederland mogen werken ook een eigen bijdrage betalen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de bestaande Regeling eigen bijdrage asielzoekers (Reba) moeten asielzoekers die werken reeds een eigen bijdrage betalen voor de asielopvang. Deze eigen bijdrage staat los van het moment waarop asielzoekers mogen gaan werken maar hangt af van het feit of de asielzoeker vermogen of inkomen heeft. De implementatie van het Europese Asiel- en Migratiepact staat hier los van. Wel zal doordat asielzoekers eerder kunnen werken ook eerder bijgedragen kunnen worden aan de kosten voor de opvang.
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Ik deel de opvatting dat het niet past dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerde gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Het gebruik van het adres van een justitiële inrichting als vestigings- of postadres van een bedrijf is niet in lijn met de bestemming van die inrichting en past niet binnen het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Ik ga niet in op individuele gevallen. Verder verwijs ik naar de toelichting onder vraag 2.
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
De Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) bevat geen expliciete verbodsbepaling voor het voeren van een (online) onderneming vanuit detentie. Gedetineerden kunnen in beginsel een rechtspersoon oprichten of een onderneming starten of voortzetten. Het is uiteraard niet toegestaan om met een onderneming of rechtspersoon verboden activiteiten te ontplooien of een verboden doel na te streven. Zo is het oprichten van een organisatie die in strijd is met de openbare orde bij wet verboden.
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
In de Kamerbrief van 22 november 2021 (Kamerstukken 29 911, 29 279 en 24 587, nr. 339) schreef zoals bij vraag 4 is aangegeven dat de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming het oprichten van organisaties vanuit detentie aan banden wilde leggen dan wel verbieden voor gedetineerden die in de EBI of op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verblijven. In de voortgangsbrief van 13 juni 2022 (Kamerstuk 29 911, nr. 353) is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van dit onderzoek. Hierbij is aangegeven dat het complex is om een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vorm te geven, dat het bovendien al verboden is om een organisatie op te richten die in strijd is met de openbare orde, en dat een dergelijke maatregel op gespannen voet staat met het resocialisatiebeginsel. Om die redenen is destijds besloten hier niet verder op in te zetten.
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6, waarin ik heb uiteengezet waarom destijds is besloten niet in te zetten op een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vanuit detentie, en welke maatregelen sindsdien wel zijn getroffen ten aanzien van financiële transacties.
Gelet op de redenen die toen zijn aangevoerd zie ik op dit moment geen aanleiding om dat standpunt te herzien.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 5 en 6 is er geen algemene grondslag om het exploiteren van ondernemingen door gedetineerden te verbieden. Wel bieden de Pbw en de huisregels de directeur de bevoegdheid om op te treden wanneer een gedetineerde beschikt over niet-toegestane communicatiemiddelen of wanneer zijn gedragingen de orde of veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast is, zoals toegelicht in antwoord 1, de financiële handelingsruimte van gedetineerden sinds 1 januari 2024 verder ingeperkt: het saldo op de rekening-courant is gemaximeerd op € 250 en transacties vinden plaats onder toezicht van medewerkers van de PI.
Het bericht ‘Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht van de NOS op 26 mei jongstleden.
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl 20 jaar is opgelegd door de rechter?
Ik realiseer mij dat het maatschappelijk en voor nabestaanden mogelijk moeilijk te begrijpen is wanneer een veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf niet volledig ondergaat, in het bijzonder bij ernstige misdrijven zoals moord. Tegelijkertijd is het van belang deze zaak, waarin sprake is van een zogeheten combinatievonnis, te bezien in het licht van het wettelijk kader dat gold ten tijde van de tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen. Bij een combinatievonnis legt de rechter zowel een gevangenisstraf als de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op.
In 1997 werd de zogenoemde Fokkensregeling ingevoerd.2 Deze regeling maakte het mogelijk dat een veroordeelde met een combinatievonnis onder bepaalde omstandigheden na het ondergaan van een derde van de gevangenisstraf kon starten met de tbs-behandeling. Hieraan lag de overtuiging ten grondslag dat een tbs-behandeling voor personen met een ernstige psychische stoornis effectiever is wanneer daarmee zo spoedig mogelijk wordt gestart. Zonder toepassing van de Fokkensregeling kon de tbs-behandeling in de regel pas starten nadat twee derde van de gevangenisstraf was ondergaan, gelet op de koppeling met het moment van voorwaardelijke invrijheidsstelling.3 De Fokkensregeling is in 2010 afgeschaft.4 Op grond van het overgangsrecht had deze afschaffing echter geen gevolgen voor veroordeelden die reeds op basis van deze regeling waren geplaatst in een tbs-kliniek, nadat een derde van de gevangenisstraf ten uitvoer was gelegd.5 In de onderhavige zaak gaat het derhalve om een uitvloeisel van het destijds geldende wettelijk kader voor de tenuitvoerlegging van combinatievonnissen. De gang van zaken past binnen dat kader.
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt u dan een schatting maken?
Het komt in de rechtspraktijk voor dat de officier van justitie een vordering tot verlenging indient, maar deze vordering ter terechtzitting niet handhaaft. Ook kan de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel door de rechter worden afgewezen. In beide gevallen is het context- en zaaks afhankelijk. Er vindt door het OM geen afzonderlijke registratie plaats van deze beslissingen, waardoor geen zicht is op het aantal zaken waarin (initieel) een vordering is ingediend door het OM dan wel de vordering door de rechter (rechtbank en/of gerechtshof) wordt afgewezen. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft het OM aan ook geen schatting te kunnen maken.
De Rechtspraak heeft desgevraagd aangegeven dat in de afgelopen vijf jaar in ongeveer 7 tot 9% van de gevallen waarin het OM in eerste aanleg verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd, deze vordering door de rechter is afgewezen. In 2025 bedroeg het aantal vorderingen tot verlenging van tbs circa 1.490. In de managementinformatiesystemen van de Rechtspraak wordt geen registratie bijgehouden van gevallen waarin de officier van justitie een vordering tot verlenging van de tbs-maatregel indient, maar deze ter terechtzitting niet handhaaft. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft de Rechtspraak aan ook geen schatting te kunnen maken.
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Vooropgesteld moet worden dat het mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet past om te treden in het oordeel van de rechter in een individuele zaak. Wel kan ik aangeven dat de voortgang van een tbs-behandeling en de beoordeling of het risico op gevaar voor de samenleving voldoende is teruggebracht niet uitsluitend worden gebaseerd op een delictscenario, maar worden bezien in samenhang met de overige onderdelen van de behandeling en adviezen van deskundigen.
Een tbs-behandeling bestaat uit diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en resocialisatie, uitstroom en nazorg. Deze onderdelen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek of worden optimaal geacht en frequent toegepast door professionals. Sinds 2022 vormt het Kwaliteitskader Forensische Zorg de basis voor kwaliteit in het forensische zorgveld.6 Professionals werkzaam in de forensisch klinische zorg handelen dienovereenkomstig, waarbij het verkleinen van het recidiverisico vooropstaat. In de behandeling wordt te allen tijde uitgegaan van de strafrechtelijke veroordeling, ook als een tbs-gestelde het delict (gedeeltelijk) ontkent of daarover wisselend verklaart. Indien een tbs-gestelde vanuit een ontkennende houding geen stappen in de behandeling zet, komt diegene niet in aanmerking voor verlof en andere vervolgstappen.
Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat een beslissing tot onvoorwaardelijke beëindiging van tbs met dwangverpleging niet lichtvaardig wordt genomen. Daaraan gaat in de regel een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vooraf van ten minste één jaar, waartoe de rechter besluit op basis van adviezen van deskundigen. Bij de beoordeling van een eventuele beëindiging van de maatregel wordt de rechter opnieuw door deskundigen geadviseerd.
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk uitgeoefend?
Het beperkt spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen is per 1 januari 2025 in werking getreden. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) raadpleegt slachtoffers en nabestaanden of zij gebruik wensen te maken van dit spreekrecht en geeft dit door aan het OM. Het OM roept de slachtoffers en nabestaanden vervolgens op voor de zitting. Het is onbekend hoeveel slachtoffers zijn bevraagd over hun wensen, hoeveel slachtoffers zijn opgeroepen voor de zitting en hoeveel slachtoffers tijdens de zitting daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van het beperkt spreekrecht. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar in de systemen van CJIB, OM en Rechtspraak. Ik verwijs op dit punt tevens naar de eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp.7
Het beperkt spreekrecht is onderdeel van de inhoudelijke effectevaluatie van de Wet Uitbreiding Slachtofferrechten die naar verwachting later dit jaar van start gaat. Het CJIB kijkt bij de verdere optimalisering van het werkproces van het raadplegen over het beperkt spreekrecht naar de mogelijkheden voor monitoring van cijfers daarvan.
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Zoals bij alle slachtofferrechten is aandacht voor een goede uitvoering in de praktijk van groot belang. Als echter alle inspanningen ten spijt, een slachtoffer of nabestaande geen gebruik heeft kunnen maken van het beperkt spreekrecht, kan via de bestaande klachtenprocedure een klacht worden ingediend bij de betreffende organisatie. Dit kan erkenning bieden aan het slachtoffer of de nabestaande en draagt tevens bij aan het lerend vermogen en een betere kwaliteit van de dienstverlening.
Naast de klachtenprocedure worden via de tweede aanvullingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorstellen gedaan om de naleving van slachtofferrechten te versterken, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie van het lid Ellian (VVD).8 Dit ziet op het beter inzetten en faciliteren van klachtenprocedures bij organisaties. Daarnaast wordt bezien of het slachtoffer een recht kan krijgen om een financiële uitkering te verzoeken bij niet-naleving van bepaalde wettelijke voorschriften waarbij herstel niet mogelijk is, zoals het oproepen voor een zitting. De formele consultatie van het conceptvoorstel voor de tweede aanvullingswet loopt tot 11 september 2026.
Het bericht 'Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen – Zwolle ongeldig' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duizenden boetes voor asielzoekers die zwartrijden op lijn Emmen-Zwolle ongeldig»?1
Hoeveel asielzoekers zijn in 2025 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle? Hoe verhoudt dit zich tot 2024?
Hoeveel asielzoekers zijn er tot dusver in 2026 beboet vanwege zwartrijden op de lijn Emmen-Zwolle?
Hoeveel asielzoekers die in 2026 zijn beboet hebben zichzelf geïdentificeerd met een pas van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Hoe verklaart u dat de COA-pas sinds begin 2026 niet meer gebruikt kan worden om zwartrijdende asielzoekers te identificeren, terwijl dit voor 2026 wel kon?
Wat is uw reactie op de constatering van de woordvoerder van Arriva in het artikel, die stelt dat deze beslissing het werken bijna onmogelijk maakt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zwartrijdende asielzoekers door deze beslissing worden beloond? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel met een rechtsgeldig vervoersbewijs gebruik maakt van het openbaar vervoer? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om er alsnog voor te zorgen dat alle boetes die zijn uitgedeeld aan zwartrijdende asielzoekers worden betaald?
Welk gevolg heeft het ongeldig verklaren van boetes van zwartrijdende asielzoekers op de mogelijkheid om een reisverbod op te leggen?
Hoe verhoudt het besluit om deze boetes ongeldig te verklaren zich tot de voorgenomen maatregel uit het Coalitieakkoord om zwartrijdende asielzoekers sneller en vaker een reisverbod op te leggen?
Hoe verklaart u dat negen op de tien boetes voor zwartrijdende asielzoekers niet worden betaald?
Welke maatregelen neemt het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) om boetes voor zwartrijdende asielzoekers, die ook weigeren hun uitstel van betaling niet te betalen, alsnog te innen?
Deelt u de mening dat het feit dat deze boetes kennelijk nauwelijks betaald worden niet uit te leggen valt richting eenieder die in Nederland wel netjes eventuele boetes betaalt voor het niet hebben van een geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer?
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat boetes van zwartrijdende asielzoekers alsnog betaald worden? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om leefgeld van asielzoekers in te houden, de mogelijkheid om de asielzoeker in zijn bewegingsvrijheid te beperken, de mogelijkheid om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en de mogelijkheid om de asielaanvraag af te wijzen?
Bent u van plan om aan zwartrijdende asielzoekers die weigeren boetes te betalen naast bovenstaande maatregelen ook een taakstraf op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Klopt de suggestie uit het artikel dat zwartrijdende asielzoekers niet kunnen worden gedwongen om hun boetes te betalen omdat het COA de post van asielzoekers niet mag openen?
Indien het antwoord op vraag 16 positief luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de post van zwartrijdende asielzoekers alsnog door het COA mag worden geopend?
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Ja.
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Het is niet uit te sluiten dat vreemdelingen ook in Nederland hulp krijgen bij het construeren van een asielrelaas op grond van seksuele gerichtheid. Daarbij zijn verschillende varianten denkbaar en deze vorm van fraude is lastig te onderkennen. Op dit moment zijn echter geen concrete signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het opstellen van valse verklaringen of bewijsstukken.
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Vooropgesteld: een asielzoeker hoort geen verblijfstitel te verkrijgen door
valse verklaringen af te leggen over de seksuele gerichtheid. Dit is misleiding van de autoriteiten en mag niet worden beloond. Waar mogelijk zal in zulke gevallen de verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken.
De IND registreert momenteel asielmotieven niet op gestructureerde, telbare wijze en daarmee kan niet worden bepaald hoeveel vreemdelingen een vergunning asiel hebben verkregen op basis van de seksuele gerichtheid. De seksuele gerichtheid van vreemdelingen wordt ook niet op gestructureerde wijze in de systemen geregistreerd.
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
De IND is alert op fraude. Daarvoor is een informatieknooppunt2 ingericht waar signalen van buitenaf maar ook door IND medewerkers zelf kunnen worden doorgegeven. Hier worden deze signalen verzameld, geregistreerd en wordt de informatie waar mogelijk verrijkt. Vervolgens wordt beoordeeld of dit aanleiding geeft om verder onderzoek te doen en/of kenbaar binnen de organisatie te delen zodat ook medewerkers hierop kunnen acteren.
De IND houdt niet bij hoe vaak specifiek gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs zijn aangevoerd in aanvragen waarin LHBTIQ+ is aangevoerd als motief. De IND onderkent dat fraudesignalen rond dit motief kunnen binnenkomen en is hier zeer alert op. Indien deze signalen reden genoeg vormen om daarop te handelen, zal de IND dat doen. De mogelijkheden daarvoor zijn het doen van aangifte, het betrekken van de signalen (en dus mogelijk valse of fraudeleuze stukken) bij de beoordeling (afwijzing) van de aanvraag en/of het opnieuw beoordelen van een reeds verleende vergunning.
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Wanneer de IND na inwilliging van de asielaanvraag een fraudesignaal ontvangt zal hier verder onderzoek naar gedaan worden en kan dit leiden tot een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning.
Om tot een intrekking over te kunnen gaan dient de IND aan te tonen dat er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast rust op de IND wat betekent dat de IND zal moeten bewijzen dat er zowel nu als destijds sprake is geweest van een onterecht beroep op asielbescherming. Het toetsingskader ten behoeve van een intrekking is daarmee complex.
Zoals toegelicht in antwoord op vraag 3, wordt de (seksuele) gerichtheid niet gestructureerd geregistreerd.
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Met invoering van het Migratiepact wordt de screening van vreemdelingen die in Ter Apel asiel aanvragen bij de IND ondergebracht. Tijdens de screening wordt ook informatie opgehaald ter voorbereiding van de behandeling van de asielaanvraag. Met deze informatie worden direct alle relevante onderzoeken gestart. Vervolgens vindt zo snel mogelijk het gehoor plaats. Het streven is dat dit binnen twee maanden plaatsvindt. Hierdoor heeft de IND snel alle informatie om de asielaanvraag te beoordelen maar ook om signalen van fraude te herkennen.
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
Zoals reeds aangegeven, is er reeds een systeem ingericht om fraude te signaleren en tijdig op signalen van fraude te acteren. Dit systeem blijft onverminderd van kracht, zowel voor asielzaken (waar het Pact op van toepassing is), als ook reguliere en nareiszaken. Voor nu zie ik geen aanleiding om hierop nog aanvullende maatregelen in kaart te brengen.
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
De vrijheden binnen onze democratische rechtsorde zijn een groot goed, waarin fundamentele grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, centraal staan. Hierbij hoort ruimte te zijn voor het openbare debat, kritiek en vormen van activisme binnen de wettelijke kaders. Waar deze grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld bij gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen of een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, dient opgetreden te worden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om de fundamentele waarden van onze samenleving te waarborgen en te beschermen. Onderdeel hiervan is het weren van extremistische vreemdelingen die een bedreiging vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, door hen de toegang tot Nederland te ontzeggen dan wel hun verblijfsrecht te beëindigen.
Onder de bevoegdheid van de Minister van Asiel en Migratie is de besluitvorming voor toegangsweigering aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien het visumplichtige derdelanders betreft, ligt de bevoegdheid bij de Minister van Buitenlandse zaken. Ten behoeve van deze taakuitoefening is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) door de Minister van Asiel en Migratie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemachtigd om door het gebruik van publiek online openbare bronnen persoonsgegevens te verwerken, met als doel extremistische vreemdelingen te kunnen duiden.
Hierbij wordt bezien of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.2 Daarnaast wordt ook gebruik gemaakt van andere vormen van beschikbare informatie, bijvoorbeeld van de algemene inlichtingen- en veiligheidsdiensten of van het lokaal bestuur. Indien er sprake is van een bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan een vreemdeling worden geweerd door een visum te weigeren, de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) te signaleren voor grensweigering en, waar aan de orde en afhankelijk van de nationaliteit, een ongewenstverklaring dan wel een inreisverbod op te leggen.
Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft voor visumvrije vreemdelingen de Electronic Travel Authorisation (ETA) ingevoerd. Visumvrije personen die geen ETA krijgen, kunnen een visumaanvraag indienen als zij toch het VK willen inreizen. Indien de visumaanvraag geweigerd wordt, dan mag de vreemdeling het VK niet inreizen. Nederland kent een ander systeem. Visumvrije vreemdelingen mogen in beginsel zonder voorafgaande toestemming Nederland inreizen, tenzij er wordt vastgesteld dat niet aan de toegangsvoorwaarden wordt voldaan. Het weren van vreemdelingen die extremistisch gedachtegoed uitdragen, gebeurt in lijn met het toetsingskader rondom het weren van extremistische vreemdelingen.3
Zoals benoemd tijdens het debat Taskforce Antisemitismebestrijding op 21 april jl. wordt momenteel bezien wat binnen de huidige wettelijke kaders mogelijk is ten aanzien van deze casus.
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
In algemene zin geldt dat de beoordeling van eventuele veiligheidsrisico’s en maatschappelijke spanningen, evenals de besluitvorming over het al dan niet doorgaan van het evenement en de te treffen maatregelen, primair bij de lokale autoriteiten ligt, in het bijzonder de burgemeester als bevoegd gezag.
De Gemeentewet biedt geen grondslag om preventief de vrijheid van meningsuiting te beperken vanwege het verbod op censuur. Het vooraf verbieden van een optreden is daarom alleen mogelijk als er aantoonbaar sprake is van ernstige wanordelijkheden of een concrete en ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Wanneer daarvan geen sprake is, kunnen lokale overheden hun zorgen bespreken met de uitbater van de locatie. Het is vervolgens aan de uitbater om ervoor te zorgen dat extremistische boodschappen geen podium krijgen.
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht in Nederland en vormt een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. De vrijheid van meningsuiting is echter niet onbeperkt; wanneer strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld in geval van haatzaaien, discriminatie of het aanzetten tot geweld, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om in een individueel geval te bepalen of een bepaalde uiting een strafbaar feit oplevert en of strafrechtelijke vervolging opportuun is. Het uiteindelijke oordeel daarover, mede in het licht van de vrijheid van meningsuiting, is aan de rechter.
Het tegengaan van extremisme is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid. In de Nationale Extremismestrategie 2024–2029 is onderkend dat extremistische aanjagers boodschappen kunnen verspreiden die een dreiging kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De aanpak hiervan vraagt om maatwerk, waarbij – afhankelijk van de aard, het bereik en het effect van de uitingen – verschillende instrumenten kunnen worden ingezet. Afhankelijk van de precieze inhoud van een (extremistische) boodschap is een strafrechtelijke aanpak mogelijk.
Het kabinet zet echter niet alleen in op een strafrechtelijke aanpak, maar ook op het eerder herkennen en duiden van extremistische dreigingen. Dat gebeurt onder meer door gerichte informatie- en kennisuitwisseling tussen betrokken partners te versterken. Zo kunnen signalen van radicalisering en extremistische dreiging tijdig worden gedeeld, beter worden beoordeeld en waar nodig leiden tot passende maatregelen. Het doel van de inzet is het beperken van de groei van extremistische groepen, het tegengaan van verspreiding ervan en daarmee het bestrijden van de dreiging voor de democratische rechtsorde. De mate van de dreiging bepaalt de inzet.
Tegelijkertijd vindt deze inzet plaats binnen de kaders van de democratische rechtsstaat, waarbij grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, het uitgangspunt blijven, maar niet onbegrensd zijn. Daarom wordt steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid enerzijds en het waarborgen van het recht op vrijheid van meningsuiting anderzijds.
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Antisemitische uitingen en gedragingen raken niet alleen de veiligheid en vrijheid van Joodse gemeenschappen, maar staan ook haaks op de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat. Het kabinet treedt daarom stevig op tegen antisemitisme. Tegelijkertijd dient onderscheid te worden gemaakt tussen antisemitisme als fenomeen en extremistische ideologieën. Antisemitisme vormt op zichzelf geen afzonderlijke extremistische ideologie, maar kan wel onderdeel zijn van of versterkend werken binnen verschillende extremistische stromingen.
Ten aanzien van personen die een extremistische ideologie aanhangen kan ik het volgende zeggen. Voor mensen die naar Nederland willen komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden, en zodoende een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid, is geen plaats. Extremisme ondermijnt onze rechtstaat en onze manier van samenleven. Het kabinet is er dan ook alles aan gelegen om de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan.
Het bestaande juridische instrumentarium biedt toereikende mogelijkheden om op te treden tegen extremistische uitingen en gedragingen. Daarbij kan op verschillende wijzen worden ingegrepen, te weten op lokaal niveau of door inzet van het vreemdelingenrecht of het strafrecht.
Indien de spreker een aantoonbaar risico vormt voor de openbare orde, kan de burgemeester op lokaal niveau besluiten om het evenement of de manifestatie vooraf te beperken of te verbieden. Wanneer dit niet het geval is, kunnen lokale overheden hun zorgen over de spreker of het evenement met de uitbater van de locatie bespreken. Het is aan de uitbater zelf om te zorgen dat extremistische boodschappen bij hem geen podium krijgen.
Daarnaast kan op vreemdelingrechtelijk niveau de toegang tot Nederland worden geweigerd door een ongewenstverklaring en/of een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS III) worden opgelegd, uiteraard indien een individuele casus voldoet aan de criteria die voor toepassing van dergelijke maatregelen gelden. Deze maatregelen vallen binnen de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie.
Bij het plegen van strafbare feiten, zoals uitingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie of die bijvoorbeeld opruiing of groepsbelediging opleveren, is strafrechtelijk optreden in individuele gevallen mogelijk. Dit is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Dit scala aan instrumenten maakt het mogelijk om in verschillende fasen en via verschillende routes effectief op te treden.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Ja.
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Het totaal aantal Syrische asielzoekers per 1 april is 17.310.
Het totaal aantal Syrische statushouders per 1 april is 76.200.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Het gaat om 70.840 personen, per 1 april 2026.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Dit betreft 5.360 personen per 1 april 20262.
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Een asielaanvraag wordt op basis van de individuele merites van de zaak beoordeeld. In het geval van Syrië wordt daarbij gebruik gemaakt van het landgebonden asielbeleid. Landgebonden asielbeleid komt zorgvuldig tot stand op basis van actuele, feitelijke informatie over een land van herkomst. Op 22 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over enkele wijzigingen in het landenbeleid Syrië. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie van artikel 15c aangewezen. Voor druzen heb ik een risicoprofiel aangewezen, naast de al aangewezen risicoprofielen voor LHBTIQ+ en alawieten. Het algemene uitgangspunt dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief, is komen te vervallen.
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Ook in bovengenoemde brief van 22 april jl. en bijbehorende nota ga ik daarop in. Daar verwijs ik dan ook naar.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de vanaf 12 juni in werking tredende Kwalificatieverordening en jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds werden ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren op de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw worden bezien of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Reeds direct na de val van het Assad-regime meldden zich Syriërs bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor ondersteuning bij terugkeer naar Syrië. De DTenV heeft deze ondersteuning ook direct geboden. In de eerste maanden ging het daarbij met name om het organiseren van de daadwerkelijke terugkeer door het boeken en financieren van vliegtickets en ondersteuning bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht van vorig jaar konden Syriërs ook weer gebruik maken van de reguliere herintegratieondersteuning. Sinds de val van Assad zijn inmiddels meer dan 1400 personen3 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Onder de personen die vrijwillig zijn teruggekeerd zitten zowel personen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun asielaanvraag, personen zonder verblijfsrecht en personen in bezit van een vergunning voor (on)bepaalde tijd. Gedwongen terugkeer heeft nog niet plaatsgevonden. Wel blijven we in gesprek met de Syrische autoriteiten over het mogelijk maken van terugkeer, zowel gedwongen als vrijwillig. Nederland heeft hier in Damascus reeds op politiek en hoogambtelijk niveau gesprekken over gevoerd met de Syrische autoriteiten. Daarnaast draagt Nederland bij aan het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden en de veiligheidssituatie in Syrië zodat Syriërs die terugkeren ook duurzaam kunnen re-integreren.
Tijdens het IMRF heeft Nederland samen met Syrië een bijeenkomst georganiseerd over de vraag hoe terugkeer de wederopbouw kan ondersteunen en hoe reconstructie-inspanningen op hun beurt duurzame terugkeer mogelijk maken. De komende tijd zal de dialoog met Syrië worden voortgezet om samen tot concrete mogelijkheden voor samenwerking te komen.
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief d.d. 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid Syrië. In deze brief heb ik u laten weten dat het de inzet van het Kabinet is om tot herbeoordelen over te gaan zodra dat kan maar dat dit op dit moment nog niet aan de orde is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht opnieuw onderzoek te verrichten naar de situatie in Syrië en daarover eind dit jaar een nieuw ambtsbericht te publiceren. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien of de situatie in Syrië dermate is ontwikkeld dat er tot herbeoordelen overgegaan kan worden.
Nederland onderschrijft het door Duitsland benoemde belang van terugkeer van Syriërs. Daarbij ziet Nederland dat het investeren in wederopbouw een positieve bijdrage kan leveren aan (vrijwillige) terugkeer. Verder onderkent Nederland, net als Duitsland, dat de terugkeer van Syriërs een gunstige invloed kan hebben op het realiseren van wederopbouw. Het kabinet zet daarom in op het vrijwillig laten terugkeren van grote aantallen Syriërs, zoals ook nader toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl4.
Overlastgevend gedrag van asielzoekers is per definitie onaanvaardbaar. Daarom geven we in algemene zin ook prioriteit aan overlastgevers in het terugkeerproces. Nederland zet in dat verband ook in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10, zet het kabinet in op het laten vertrekken van zoveel mogelijk Syriërs. Het hanteert daarbij geen streefgetallen of -percentages.
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 7 en 8 zijn er reeds mogelijkheden voor ondersteuning bij vrijwillige terugkeer naar Syrië. Deze ondersteuning staat ook open voor personen met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Samen met Buitenlandse Zaken, andere EU-lidstaten en internationale organisaties wordt gekeken hoe Syrië verder kan worden ondersteund bij de wederopbouw. Daarin zal ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het bedrijfsleven in Nederland en de EU worden meegenomen alsmede de inzet van de Syrische diaspora.
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
De uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1
Ja.
Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?
De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?
Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.
Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?
De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?
Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?
Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.
Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?
Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.
Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?
In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.
Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.
Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.
Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.
In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?
Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.
In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?
Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.
Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?
Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?
Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Het bericht dat Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, '40 miljoen in prullenbak' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, «40 miljoen in prullenbak»»?1
Ja.
Klopt het dat bij de oprichting van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) al duidelijk was dat deze dienst tijdelijk zou zijn en dat de taken per 12 juni 2026 in verband met het Europese Asiel- en Migratiepact door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zouden worden overgenomen? Zo ja, waarom is desondanks gekozen voor de oprichting van een aparte dienst?
Ja. DISA is verantwoordelijk voor het identificeren en registreren (I&R) van asielaanvragers in Nederland. Voorheen was de Afdeling Vreemdelingenzaken Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de Nationale Politie verantwoordelijk voor de taakuitvoering van het I&R proces. Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van Kabinet Schoof is besloten om de administratieve taken die de politie uitvoert in de asielketen over te hevelen naar een ter zake kundige organisatie zodat de politie zich meer kan richten op haar kerntaken. Voordat de taakoverdracht heeft plaatsgevonden, is binnen de migratieketen verkend of de I&R taak kon worden belegd bij een bestaande organisatie. Uit deze verkenning bleek de IND de meest logische organisatie om de taak bij te beleggen. De IND heeft aangegeven deze taak op zich te kunnen nemen bij de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026. Om die reden is onder voornoemd primaat van de politiek besloten om een tijdelijke taakorganisatie (DISA) op te richten om het I&R proces per 1 januari 2025 over te nemen. DISA voert de I&R taken voor eerste aanvragers uit in Ter Apel en Budel.
Klopt het dat voor DISA een nieuw computersysteem is ontwikkeld dat circa 40 miljoen euro heeft gekost? Wat gebeurt er met dit systeem na opheffing van DISA en in hoeverre blijft dit systeem bruikbaar voor de IND?
Nee dit klopt niet. De ontwikkeling van de DISApp (het computersysteem) heeft circa twee miljoen euro gekost. Het systeem is zo ontworpen dat het overdraagbaar is en binnen de keten blijft. De gegevens die hierin zijn opgeslagen zijn beschikbaar voor de IND. Voor het Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA) proces heeft de IND een eigen proces ingericht met eigen systemen.
Klopt het dat de 120 medewerkers van DISA niet overgaan naar de IND? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen, en hoe voorkomt u dat de binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening verloren gaan?
De binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening blijft vanzelfsprekend beschikbaar voor de migratieketen als geheel en voor de IND in het bijzonder. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het OVA-proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde I&R proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot.
Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid.
Hoe waarborgt u dat de overdracht van deze taken aan de IND niet leidt tot meer fouten, nieuwe achterstanden of extra druk op de IND, mede gelet op signalen dat DISA de foutmarge juist aanzienlijk zou hebben teruggebracht?
Vanaf 12 juni 2026, bij de ingang van de inwerkingtreding van het Europees migratiepact, voert de IND de binnenlandse screening uit op de aanmeldlocatie in Ter Apel. De screening wordt geïntegreerd in het asielproces. Door deze taken te combineren met het OVA-proces worden overdrachtsmomenten in de keten beperkt en kan informatie eerder worden opgehaald ten behoeve van het hoor- en beslisproces. De IND heeft het proces zo ingericht dat het aantal asielzoekers dat zich meldt op de aanmeldlocatie binnen de gestelde termijnen het screeningsproces kan doorlopen. De implementatie van de nieuwe asielprocedure en screeningsprocedure is nog in volle gang. Het is mijn verwachting dat een belangrijk deel van eventuele risico’s in de komende tijd verholpen worden en zo aan de meeste randvoorwaarden kan worden voldaan.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.