De beperkte opname van klimaatindicatoren in de BHOS-indicatorenlijst |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in het nieuwe BHOS-indicatorenoverzicht op het thema klimaat slechts één indicator staat, namelijk het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie?
Ja.
Bent u van mening dat klimaatadaptatie en -weerbaarheid een substantieel onderdeel moeten vormen van het Nederlandse klimaatbeleid, mede gegeven dat meer dan 50% van de klimaatfinanciering naar adaptatie gaat?
Ja, dat is ook het geval.
Waarom is klimaat beperkt tot één indicator, terwijl adaptatie de helft van de klimaatfinanciering beslaat en beleidsmatig als prioriteit wordt benoemd?
De aan de Kamer toegezonden lijst betreft het BHOS-indicatorenoverzicht dat tot nu toe werd opgenomen in deel D, bijlage 4, van het BHOS-jaarverslag. In dit overzicht was het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie de afgelopen jaren de enige indicator voor het thema klimaat.
Zoals toegelicht in de brief van 11 mei jl. (Kamerstuk 31 865, nr. 302) wordt de verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag BHOS 2027 verbeterd. De afzonderlijke indicatorentabel vervalt en indicatoren en streefwaarden worden voortaan in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag. Daarmee ontstaat meer ruimte om de resultaten op klimaat, waaronder adaptatie, in samenhang en in context te presenteren.
Bent u van mening dat de huidige klimaatindicatoren ontoereikend zijn, gegeven de beperkte reikwijdte en discrepantie met de financiering (meer dan 50% naar adaptatie)?
De nieuwe verantwoordingssystematiek is erop gericht een completer en samenhangender beeld te geven van de behaalde resultaten op de beleidsdoelstellingen, waaronder resultaten op het gebied van klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve gegevens als informatie over bredere ontwikkelingen en resultaten. Ook resultaten op het gebied van klimaatadaptatie binnen andere beleidsterreinen worden hierbij meegenomen. Zo wordt binnen de inzet op water en voedselzekerheid onder meer gemonitord hoeveel mensen toegang krijgen tot een verbeterde waterbron en hoeveel hectare landbouwgrond wordt bereikt met activiteiten gericht op duurzaam landgebruik. De resultaten worden in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes? Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes?
Zie antwoord vraag 4.
Zo nee, waarom acht u het aanvaardbaar dat een substantieel deel van het klimaatbeleid en de klimaatfinanciering onzichtbaar blijft in de BHOS-verantwoording?
Zie antwoord vraag 4.
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Nederland levert militaire steun aan de Oekraïense Strijdkrachten. De Oekraïense Strijdkrachten bepalen vervolgens eigenstandig hoe deze steun zo efficiënt en effectief mogelijk kan worden ingezet en welke organisatieonderdelen deze kunnen gebruiken tegen de voortdurende Russische agressie.
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Internationaal is er toenemend bewustzijn met betrekking tot de omleidingsrisico’s die gepaard gaan met grootschalige wapenleveranties aan Oekraïne, met name op het gebied van kleine en lichte wapens, in een situatie van een toekomstig permanent staakt-het-vuren of vrede. In dat licht wordt op dit moment in verschillende initiatieven van diverse actoren (o.a. Europese Commissie, Europol, OVSE en de VS) gewerkt aan de versterking van de capaciteiten van de Oekraïense autoriteiten om (toekomstige) illegale handel in wapens, munitie en explosieven te voorkomen en te bestrijden. Op deelterreinen is Nederland ook actief. De Oekraïense autoriteiten tonen zich bewust van de omleidingsrisico’s en nemen mitigerende maatregelen. Daarnaast staat Nederland in nauw contact met Europese partners om te voorkomen dat geleverde wapens in het kader van de steun aan Oekraïne tegen de Russische agressie terecht komen bij ongewenste eindgebruikers.
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Waar mogelijk zijn de vragen afzonderlijk beantwoord. Vanwege de inhoudelijke samenhang van verschillende vragen zijn sommige vragen gezamenlijk beantwoord.
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Ja.
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zoveel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Een voorbeeld hiervan is het door Nederland medegefinancierde «Global Water Security and Sanitation Partnership» met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijft het ministerie op reguliere basis in gesprek over inclusief programmeren met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
De samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport op de uitvoering van dit verdrag is incidenteel van aard, zoals bijvoorbeeld rondom aanbevelingen van het VN-Comité over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap en de campagne «Heb je iets nodig?»1
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over een afzonderlijke, systematische en gecoördineerde strategie specifiek voor de uitvoering van artikel 32 van het verdrag. De uitgangspunten van artikel 32 zijn geïntegreerd in het bredere beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Bij de ontwikkeling en uitvoering van programma’s geldt inclusiviteit als leidend principe, zodat niemand wordt uitgesloten. Dit omvat vanzelfsprekend ook de toegankelijkheid van programma’s voor mensen met een beperking.
Het ministerie voert ook geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Wel is er aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperkingin de beleidsvoorbereiding, programmering, monitoring en evaluatie.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Mensen met een beperking en de organisaties die hen vertegenwoordigen worden niet in alle fasen van de beleidscyclus systematisch betrokken bij ontwikkelings-samenwerking. Wel vindt regulier overleg plaats met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s. Daarnaast kunnen organisaties van en voor mensen met een beperking deelnemen aan subsidietenders en zo een rol spelen in de uitvoering van programma’s.
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Zie het antwoord op vraag 2, 5 en 6.
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Ja, dat klopt. De eerstvolgende deadline voor een vervolg op de rapportages op grond van het VN-verdrag Handicap is vastgesteld op 14 juli 2030. Daarnaast zie ik erop toe dat vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking actief worden betrokken bij de opvolging van het overleg dat ik had op 8 april jl. met 60 organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Zie antwoord op vraag 2.
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.
Het statement van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN over de “crackdown on fundamental freedoms” in Uganda |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het statement van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN van 30 juli 2026 over de «crackdown on fundamental freedoms» in Uganda?1
Bent u bereid om de in het statement genoemde mensenrechtenschendingen publiekelijk en in niet mis te verstane bewoordingen te veroordelen, zowel bilateraal als in multilateraal verband? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de rol en de uitspraken van generaal Kainerugaba, die op sociale media onder meer oppositieleider Bobi Wine heeft bedreigd en herhaaldelijk heeft opgeschept over het martelen en gevangenhouden van opposanten, waaronder de veiligheidschef en lijfwacht van Bobi Wine, Eddy Mutwe, en die publiekelijk heeft verklaard dat de veiligheidsdiensten oppositieleden hebben gedood?
Bent u bereid om, al dan niet in EU-verband, gerichte sancties te overwegen tegen personen die verantwoordelijk zijn voor deze mensenrechtenschendingen?
Bent u bereid om zich, bilateraal en in EU-verband, in te zetten voor de onmiddellijke vrijlating van Kizza Besigye, die inmiddels bijna twee jaar zonder proces vastzit op een vermeende hoogverraadaanklacht en die eind juli 2026 in kritieke, levensbedreigende toestand op de intensive care belandde na een instorting tijdens zijn rechtszaak? Bent u bereid om bij de Ugandese autoriteiten aan te dringen op toegang tot onafhankelijke medische zorg voor Besigye?
Bent u bereid om binnen de EU te pleiten voor een gezamenlijk, onafhankelijk onderzoek naar het verloop van deze verkiezingen, en voor het koppelen van eventuele EU-steun aan Uganda aan de uitkomsten daarvan?
Kunt u een overzicht geven van de huidige bilaterale samenwerking met Uganda, inclusief lopende trajecten op het gebied van migratie, veiligheid, handel en ontwikkelingssamenwerking? Bent u bereid om de samenwerking, in het licht van bovenstaande, te herzien? Zo nee, waarom niet?
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat Nederlandse steun of samenwerking direct of indirect bijdraagt aan de genoemde mensenrechtenschendingen?
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, stelling te nemen tegen de geleidelijke uitholling van de rechtsstaat en ter bescherming van fundamentele vrijheden in Uganda?
Bent u bereid te onderzoeken hoe onafhankelijke steun aan mensenrechtenverdedigers, journalisten en het maatschappelijk middenveld in Uganda kan worden vergroot, mede in het licht van de beperkingen die de «Protection of Sovereignty Act» oplegt aan internationale financiering? Bent u tevens bereid te verkennen hoe Nederland specifiek kan bijdragen aan de bescherming en opvang van Ugandese politieke vluchtelingen? Zo nee, waarom niet?
De voortgaande oorlog en buitenlandse steun aan strijdende partijen in Soedan |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe rapport van de onafhankelijke VN-Fact-Finding Mission (FFM), waarin wordt geconcludeerd dat buitenlandse rekruterings- en steunnetwerken de militaire capaciteit van strijdende partijen in Soedan vergroten en daarmee het conflict en de schade aan burgers aanjagen?1 Welke concrete maatregelen, naast hetgeen genoemd in uw Kamerbrief, gaat Nederland naar aanleiding van deze nieuwe bevindingen nemen om deze netwerken daadwerkelijk te ontmantelen?2
Hoe beoordeelt u dat de Verenigde Arabische Emiraten deel uitmaken van de Quad die een staakt-het-vuren in Soedan probeert te bewerkstelligen, terwijl de FFM tegelijkertijd rapporteert dat private entiteiten, logistieke tussenpersonen en recruiters die onder meer vanuit de VAE opereren betrokken zijn bij het leveren van personeel, training, wapens en logistieke steun aan de RSF?
Acht u het onder deze omstandigheden wenselijk dat de VAE deze rol in het vredesproces blijft vervullen, en gaat Nederland dit binnen de EU en met de andere betrokken landen aan de orde stellen?
Bent u bekend met de bevindingen van Amnesty International dat kinderen in Noord-Darfur niet slechts slachtoffer waren van het geweld, maar onder meer doelgericht werden gedood, verkracht, ontvoerd, vastgehouden en onder dwang gerekruteerd, en dat Amnesty verschillende RSF-commandanten heeft geïdentificeerd die verantwoordelijk zouden zijn voor ernstige schendingen? Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar deze specifieke commandanten en voor gerichte sancties tegen degenen tegen wie voldoende bewijs bestaat?
Welke specifieke steun biedt Nederland aan kinderen die in Soedan slachtoffer zijn van onder meer gedwongen rekrutering, seksueel geweld en ontvoering? Bent u bereid deze steun te intensiveren?
Hoe beoordeelt u dat de EU onderhandelt over een vrijhandelsakkoord met de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl de VAE volgens het FFM betrokken zijn bij het aanjagen van de oorlog in Soedan? Bent u bereid ervoor te pleiten deze onderhandelingen op te schorten zolang deze betrokkenheid voortduurt? Deelt het kabinet de zorgen dat de VAE dankzij dit verdrag mogelijk meer aanjaagt op de oorlog, doordat er geen duidelijke Europese ethische grens wordt getrokken?
Hoe beoordeelt u de bevindingen dat in Soedan militaire goederen van onder meer Britse, Franse en Bulgaarse makelij zijn aangetroffen die vermoedelijk via de VAE bij de RSF terecht zijn gekomen?3 Bent u, gezien deze concrete aanwijzingen voor de omleiding van Europees militair materieel, bereid binnen de EU te pleiten voor een gezamenlijke aanscherping van de wapenexport naar de VAE zolang het risico op verdere omleiding naar Soedan niet is weggenomen?
Bent u bereid te onderzoeken of de Europese waarborgen voor wapenexport naar de VAE, die voor Nederland in 2023 aanleiding waren om eerdere beperkingen op te heffen, in de praktijk voldoende effectief zijn gebleken nu Europees militair materieel via de VAE in Soedan is aangetroffen, en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de bevindingen van de FFM dat maximaal 2.000 voormalige Colombiaanse militairen naast de RSF zouden hebben geopereerd en onder meer gevechtsdrones, artillerie en geavanceerde wapens zouden hebben bediend, en dat netwerken van private ondernemingen, recruiters en logistieke tussenpersonen hun inzet zouden hebben gefaciliteerd? Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat personen en entiteiten die dergelijke rekrutering, training, financiering of logistieke ondersteuning mogelijk maken gericht worden onderzocht en, waar daarvoor voldoende grond bestaat, op de Europese sanctielijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen neemt Nederland om te voorkomen dat de Europese handel in Arabische gom en andere Soedanese grondstoffen inkomsten oplevert voor strijdende partijen?
Hoe voorkomt het kabinet dat het tegengaan van irreguliere migratie opnieuw leidt tot samenwerking met autoritaire of gewapende actoren, nu eerdere Europese migratiedeals met Soedan volgens Amnesty en Clingendael hebben bijgedragen aan de versterking en legitimatie van actoren waaruit de huidige RSF is voortgekomen?
Hoe beoordeelt u de oproep van Amnesty International tot de inzet van een onafhankelijke en goed uitgeruste internationale troepenmacht om burgers in Soedan te beschermen tegen misdrijven door alle partijen bij het conflict, en bent u bereid de mogelijkheden voor een dergelijke internationale beschermingsmissie in VN-verband te onderzoeken of te ondersteunen?
Deelt het kabinet de zorgen van Amnesty International en de VN-Fact-Finding Mission over mogelijke genocide in Soedan?4 Welke concrete maatregelen neemt Nederland om genocide te voorkomen?
De mensenrechtensituatie in Argentinië |
|
Suzanne Kröger (PRO), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Sensing the Surveillance State: Argentina's expanding policies and technologies of mass surveillance» van Amnesty International van 19 augustus 20261?
Kunt u een inhoudelijke reactie geven op de belangrijkste bevindingen van dit rapport, in het bijzonder op de conclusie dat de Argentijnse overheid sinds december 2023 haar surveillance- en inlichtingencapaciteiten sterk heeft uitgebreid, grotendeels buiten het parlement om?
Deelt u de zorgen van Amnesty International en van mijn fractie over de toenemende druk op het maatschappelijk middenveld in Argentinië, waaronder journalisten, mensenrechtenverdedigers, vakbonden en feministische en sociale bewegingen, die volgens het rapport in toenemende mate worden geïntimideerd en in de gaten gehouden? Zo ja, op welke wijze brengt Nederland deze zorgen, bilateraal of in EU-verband, onder de aandacht van de Argentijnse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de ontwikkelingen rond het demonstratierecht in Argentinië, met name het zogenoemde «anti-picket»-protocol waarmee betogingen zonder rechterlijke tussenkomst kunnen worden uiteengedreven en waarbij gegevens van demonstranten, organisaties en voertuigen worden verzameld en geregistreerd?
Bent u bereid zich, al dan niet in EU-verband, uit te spreken tegen het gebruik van massasurveillance rond demonstraties, in lijn met verklaringen van bijvoorbeeld de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten en VN-rapporteurs hierover uit 2025?
Kunt u reageren op de vaststelling in het rapport door Amnesty International dat Argentinië de rechten op privacy, gelijkheid en non-discriminatie, vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering schendt? Wat is de reactie van het Nederlandse kabinet op deze conclusie?
Op welke wijze kunnen de bilaterale handels- en investeringscontacten tussen Nederland en Argentinië, en het EU-Mercosur-akkoord, bijdragen aan het verbeteren van mensenrechten, arbeidsrechten, democratische rechtsstatelijkheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen in Argentinië? Bent u bereid om mensenrechten te agenderen in toekomstige handelsgesprekken en overleggen met Argentinië?
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om binnen de handels- en investeringsrelatie met Argentinië bij te dragen aan het verantwoord gebruik van technologie, waaronder surveillance- en veiligheidstechnologie, met inachtneming van mensenrechten en internationale standaarden?
Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de export van drones, gezichtsherkenningstechnologie of andere surveillance- en veiligheidsapparatuur naar Argentijnse veiligheids- of inlichtingendiensten? Zo ja, kunt u uitleggen hoe deze export voldoet aan criterium 2a van het Europees Gemeenschappelijk Standpunt (overheden moeten export weigeren als er een duidelijk risico is dat de goederen worden gebruikt voor binnenlandse onderdrukking), gelet op het risico dat dergelijke apparatuur wordt ingezet tegen demonstranten, journalisten en het maatschappelijk middenveld?
Op welke wijze ondersteunt Nederland het Argentijnse maatschappelijk middenveld bij het versterken van mensenrechten en democratische instituties, en hoe kan deze inzet worden verbonden aan de bredere Nederlandse handels- en investeringsrelatie met Argentinië? Ziet het kabinet mogelijkheden om juist via de combinatie van diplomatie, handel en maatschappelijke samenwerking bij te dragen aan het verbeteren van mensenrechten en de democratische rechtsstaat in Argentinië?
Worden er vanuit het Mensenrechtenfonds op dit moment maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers in Argentinië ondersteund die zich uitspreken tegen de uitbreiding van staatssurveillance en de inperking van de burgerruimte? Bent u bereid te bezien of er extra middelen voor dit fonds kunnen worden vrijgemaakt?
De aanhoudende blokkade van humanitaire hulpverlening in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Rode Kruis «Rode Kruis luidt noodklok: steeds minder hulpgoederen bereiken Gaza»1 en de waarschuwing dat hierdoor een steeds grotere medische crisis ontstaat?
Hoe beoordeelt u de cijfers waaruit blijkt dat in augustus slechts 93 pallets hulpgoederen de Palestijnse Rode Halve Maan bereikten, tegenover ruim 1.500 pallets in november vorig jaar, terwijl de afgesproken capaciteit van 600 vrachtwagens per dag structureel niet wordt gehaald?
Deelt u de zorgen van de VN dat er onvoldoende onderdak en noodzakelijke materialen beschikbaar zijn om de komende winter het hoofd te bieden2? Welke concrete stappen zet Nederland om ervoor te zorgen dat broodnodige humanitaire hulp Gaza wél tijdig bereikt?
Deelt u de constatering dat de sterk afgenomen humanitaire hulp, de groeiende medische crisis en de naderende winter aanleiding geven om de druk op Israël om humanitaire hulp Gaza binnen te laten aanzienlijk verder op te voeren? Welke aanvullende druk gaat het kabinet concreet uitoefenen?
Is het kabinet, gezien de gezamenlijke verklaring3 die Nederland op 8 juni 2026 samen met 21 andere landen en de Europese Commissie aflegde dat humanitaire toegang tot Gaza «non-negotiable» is, van oordeel dat de oproepen aan Israël om humanitaire hulp toe te laten effect hebben gehad? Waaruit blijkt dat? Zo nee, welke conclusies trekt het kabinet daaruit voor de wijze waarop het de druk op Israël de komende periode zal opvoeren?
Voldoet Israël, gelet op de hiervoor genoemde beperkingen op de toegang van humanitaire hulp tot Gaza, naar het oordeel van het kabinet aan de verplichtingen die voortvloeien uit Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo ja, waarop baseert het kabinet dit oordeel?
Is het kabinet bereid, eventueel samen met de andere ondertekenaars van de gezamenlijke verklaring van 8 juni, publiekelijk op te roepen tot snelle opschorting van het handelshoofdstuk van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid binnen de EU te pleiten voor verdere concrete maatregelen tegen Israël zolang de verwoesting, verdrijving en het blokkeren van hulp in Gaza voortduren?
Nieuwe VN-/UNICEF-cijfers over de voedingssituatie in Gaza |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vragen van mevrouw Keijzer en de heer Markuszower d.d. 7 augustus 2026 over de recente IPC-/UNICEF-analyse over acute ondervoeding in Gaza, waarin wordt geconcludeerd dat de gemeten acute ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar aanzienlijk lager ligt dan eerdere prognoses en dat de onderzochte gebieden zijn ingedeeld in de laagste categorie van acute ondervoeding?1 2
Op welke rapportages, datasets en analyses heeft het uw ministerie zich sinds oktober 2023 gebaseerd bij de beoordeling voor de verlening van humanitaire hulp in Gaza?
Kan per belangrijke beleidsbeslissing of aanvullende humanitaire bijdrage ten aanzien van Gaza worden aangegeven welke informatiebronnen daarbij zijn gebruikt, welke indicatoren daarbij doorslaggevend waren en of deze informatie betrekking had op gemeten gegevens of prognoses?
Heeft de recente IPC-/UNICEF-analyse aanleiding gegeven om de Nederlandse humanitaire inzet te herzien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat in meerdere van u afkomstige Kamerbrieven het woord «hongersnood», «femine» of soortgelijke termen zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze uitspraken naar aanleiding van de recente IPC-/UNICEF-analyse te rectificeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de vele beelden die al langere tijd via sociale media circuleren waarop voedselmarkten, winkels, restaurants en andere voedselvoorzieningen in Gaza zichtbaar zijn en waarop een aanzienlijke beschikbaarheid van voedsel wordt getoond?3 4
Bent u van mening dat deze beelden het beeld tegenspreken dat er sprake zou zijn geweest van een algemene voedselcrisis of grootschalige voedseltekorten in Gaza? Zo nee, waarom niet en hoe beoordeelt u deze beelden in het licht deze aannames?
Hoeveel aanwijzingen zijn er volgens u nog nodig voordat Nederland erkent dat een deel van de humanitaire hulp niet of nauwelijks bij de burgerbevolking terechtkomt, maar in handen valt van Hamas, zoals niet alleen blijkt uit videobeelden5 6 7, maar ook uit verklaringen van de VN8 9 dat Hamas humanitaire hulpgoederen heeft gestolen? En hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de nieuwe VN-/Unicef-cijfers over de voedingssituatie?
Bent u van mening dat, gelet op de financiële druk waaronder veel Nederlandse huishoudens momenteel staan en het feit dat veel Nederlanders hun dagelijkse boodschappen nu al niet meer kunnen betalen, direct met iedere vorm van ontwikkelingshulp gestopt moet worden te beginnen bij humanitaire hulp aan Gaza dat aantoonbaar bij terroristen terecht komt? Zo nee, waarom niet?
De beperkte opname van klimaatindicatoren in de BHOS-indicatorenlijst |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in het nieuwe BHOS-indicatorenoverzicht op het thema klimaat slechts één indicator staat, namelijk het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie?
Ja.
Bent u van mening dat klimaatadaptatie en -weerbaarheid een substantieel onderdeel moeten vormen van het Nederlandse klimaatbeleid, mede gegeven dat meer dan 50% van de klimaatfinanciering naar adaptatie gaat?
Ja, dat is ook het geval.
Waarom is klimaat beperkt tot één indicator, terwijl adaptatie de helft van de klimaatfinanciering beslaat en beleidsmatig als prioriteit wordt benoemd?
De aan de Kamer toegezonden lijst betreft het BHOS-indicatorenoverzicht dat tot nu toe werd opgenomen in deel D, bijlage 4, van het BHOS-jaarverslag. In dit overzicht was het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie de afgelopen jaren de enige indicator voor het thema klimaat.
Zoals toegelicht in de brief van 11 mei jl. (Kamerstuk 31 865, nr. 302) wordt de verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag BHOS 2027 verbeterd. De afzonderlijke indicatorentabel vervalt en indicatoren en streefwaarden worden voortaan in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag. Daarmee ontstaat meer ruimte om de resultaten op klimaat, waaronder adaptatie, in samenhang en in context te presenteren.
Bent u van mening dat de huidige klimaatindicatoren ontoereikend zijn, gegeven de beperkte reikwijdte en discrepantie met de financiering (meer dan 50% naar adaptatie)?
De nieuwe verantwoordingssystematiek is erop gericht een completer en samenhangender beeld te geven van de behaalde resultaten op de beleidsdoelstellingen, waaronder resultaten op het gebied van klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve gegevens als informatie over bredere ontwikkelingen en resultaten. Ook resultaten op het gebied van klimaatadaptatie binnen andere beleidsterreinen worden hierbij meegenomen. Zo wordt binnen de inzet op water en voedselzekerheid onder meer gemonitord hoeveel mensen toegang krijgen tot een verbeterde waterbron en hoeveel hectare landbouwgrond wordt bereikt met activiteiten gericht op duurzaam landgebruik. De resultaten worden in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes? Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes?
Zie antwoord vraag 4.
Zo nee, waarom acht u het aanvaardbaar dat een substantieel deel van het klimaatbeleid en de klimaatfinanciering onzichtbaar blijft in de BHOS-verantwoording?
Zie antwoord vraag 4.
Oxfam Novib |
|
Ingrid Coenradie (PVV), Mona Keijzer |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Suzanne Kröger (PRO), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Eerenberg , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
Het bericht: ‘Trump administration probes UNRWA over alleged employment of 1,500 terrorists’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de regering-Trump een onderzoek is gestart naar de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) vanwege beschuldigingen dat duizenden medewerkers banden zouden hebben met terroristische organisaties, zoals Hamas?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe beschuldigingen tegen UNRWA?
Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Ik wil dan ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek. Navraag bij UNRWA levert op dat vooralsnog geen informatie is gedeeld over dit lopende onderzoek jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de opvatting dat ook de schijn dat Nederlands belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij personen met banden met terroristische organisaties volstrekt onacceptabel is?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.1 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen.
Welke garanties kunt u geven dat geen enkele euro Nederlands belastinggeld via UNRWA terechtkomt bij personen of organisaties die betrokken zijn bij terrorisme of terrorisme ondersteunen?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas. Uit het onafhankelijk onderzoek van Office of Internal Oversight Services (OIOS) naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA-medewerkers blijkt eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport2 over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Daarnaast neemt Nederland deel aan de werkgroep over neutraliteit en integriteit. Deze groep ziet nauw toe op de implementatie van de aanbevelingen.
Bent u bereid alle Nederlandse financiële bijdragen aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten conform dit mandaat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Op deze manier draagt UNRWA bij aan de stabiliteit in een onrustige regio. Verder is UNRWA essentieel in het bieden van humanitaire hulp in zowel Gaza als Libanon.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is sinds 7 oktober 2023 aan UNRWA verstrekt of toegezegd?
In totaal heeft Nederland in de periode sinds 7 oktober 2023 tot nu 63 miljoen euro bijgedragen aan UNRWA. Na 7 oktober heeft Nederland in 2023 een extra 18 miljoen euro bijgedragen gezien de hoge noden in de regio. In 2024, 2025 en 2026 heeft Nederland de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt, waarvan 2025 en 2026 conform amendement Stoffer/Eerdmans3.
Welke concrete controles voert Nederland uit om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld indirect ten goede komt aan terroristische organisaties?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Indien uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andere malversaties, zal het ministerie daartegen optreden.
Ook is Nederland lid van de verschillende bestuursorganen van VN-organisaties, waarbij wordt toegezien op het effectief functioneren van de organisaties.
Eveneens bestaat het Multilateral Organisation Performance Assessment Network (MOPAN), waar Nederland ook lid van is en in 2025 voorzitter van was. Dit netwerk ziet toe op de effectiviteit, transparantie en resultaten van multilaterale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, middels onafhankelijke doorlichtingen.
Bent u bereid toekomstige Nederlandse bijdragen aan UNRWA definitief af te schaffen indien de ernstige beschuldigingen (gedeeltelijk) worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.4 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Bent u bereid zich er in Europees- en internationaal verband voor in te zetten dat geen belastinggeld meer terechtkomt bij organisaties waarvan de neutraliteit ernstig ter discussie staat? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in contact met partners en andere lidstaten om te blijven toezien op de integriteit en neutraliteit van de hulpverlening.
Beschikt u of het kabinet over aanwijzingen dat sinds 7 oktober 2023 Nederlands overheidsgeld, direct of indirect, terecht is gekomen bij Hamas of aan Hamas gelieerde personen of organisaties, dan wel dat door Nederland gefinancierde humanitaire- of ontwikkelingshulp door Hamas is verduisterd, omgeleid of in beslag genomen? Zo ja, om welke bedragen, gevallen en maatregelen gaat het? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert het kabinet dat hiervan geen sprake is?
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die met de kamer op 11 oktober 2023 gedeeld is.5
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het opnieuw weggeven van Nederlands belastinggeld aan Gaza terwijl Hamas eerdere hulpgelden liet verdwijnen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Hoeveel van de door de Europese Unie (EU) bijeengebrachte circa 883,6 miljoen euro voor Gaza wordt door Nederland opgehoest1 2? Kunt u dit bedrag exact noemen en aangeven op welke begrotingspost dit wordt gedekt?
Bent u bekend met de publieke erkenning van Mahmoud al-Habbash, adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Abbas, dat eerdere hulpgelden voor Gaza via Hamas zijn ingezameld en vervolgens gewoon zijn «verdwenen»3?
Erkent u het risico dat het geen hypothetisch scenario is dat ook dit nieuwe pakket van 900 miljoen euro4 in de zakken van Hamas verdwijnt, maar een patroon dat door de eigen topadviseur van Abbas zelf is bevestigd5? Zo nee, op basis van welke harde garantie meent u dat het dit keer wel goed gaat?
Kunt u concreet, met naam en toenaam, aangeven welke «vertrouwde partners» dit geld gaan beheren en welk sluitend controlemechanisme uitsluit dat ook maar één euro bij Hamas of aan Hamas gelieerde structuren terechtkomt6? Zo u dat niet kunt, erkent u dan dat dit pakket in de praktijk een blanco cheque is aan een terreurorganisatie?
Waarom blijft u, ondanks jarenlange en nu ook door de Palestijnse Autoriteit zelf bevestigde verduistering van hulpgelden door Hamas7, keer op keer Nederlands belastinggeld toezeggen aan dit soort ondoorzichtige constructies?
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan dit pakket per direct stop te zetten nu vaststaat dat eerdere hulpgelden voor Gaza structureel in handen van Hamas zijn verdwenen? Erkent u dat ontwikkelingshulp aan het buitenland direct zou moeten worden afgeschaft en dat Nederlands belastinggeld uitsluitend aan de eigen bevolking moet worden besteed, bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid en koopkracht, in plaats van aan buitenlandse bandieten en corrupte regimes? Zo nee, waarom vindt u het financieren van buitenlandse bandieten belangrijker dan het besteden van belastinggeld aan Nederlanders?
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Ja.
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zoveel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Een voorbeeld hiervan is het door Nederland medegefinancierde «Global Water Security and Sanitation Partnership» met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijft het ministerie op reguliere basis in gesprek over inclusief programmeren met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
De samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport op de uitvoering van dit verdrag is incidenteel van aard, zoals bijvoorbeeld rondom aanbevelingen van het VN-Comité over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap en de campagne «Heb je iets nodig?»1
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over een afzonderlijke, systematische en gecoördineerde strategie specifiek voor de uitvoering van artikel 32 van het verdrag. De uitgangspunten van artikel 32 zijn geïntegreerd in het bredere beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Bij de ontwikkeling en uitvoering van programma’s geldt inclusiviteit als leidend principe, zodat niemand wordt uitgesloten. Dit omvat vanzelfsprekend ook de toegankelijkheid van programma’s voor mensen met een beperking.
Het ministerie voert ook geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Wel is er aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperkingin de beleidsvoorbereiding, programmering, monitoring en evaluatie.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Mensen met een beperking en de organisaties die hen vertegenwoordigen worden niet in alle fasen van de beleidscyclus systematisch betrokken bij ontwikkelings-samenwerking. Wel vindt regulier overleg plaats met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s. Daarnaast kunnen organisaties van en voor mensen met een beperking deelnemen aan subsidietenders en zo een rol spelen in de uitvoering van programma’s.
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Zie het antwoord op vraag 2, 5 en 6.
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Ja, dat klopt. De eerstvolgende deadline voor een vervolg op de rapportages op grond van het VN-verdrag Handicap is vastgesteld op 14 juli 2030. Daarnaast zie ik erop toe dat vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking actief worden betrokken bij de opvolging van het overleg dat ik had op 8 april jl. met 60 organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Zie antwoord op vraag 2.
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet inderdaad dat herhaaldelijk sprake is van situaties waarin medisch en humanitair personeel dat toestroomt na een aanval wordt getroffen door een vervolgaanval. Aanvallen waarbij hulpverleners worden getroffen verontrusten het kabinet altijd, en dit geldt des te meer voor vervolgaanvallen, waarbij het risico aanzienlijk toeneemt dat hulpverleners worden getroffen. Het kabinet kent ook de cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie over het hoge aantal zorgverleners dat is omgekomen in Libanon sinds de start van het conflict op 2 maart. De impact van de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten, en daarmee op de gehele hulpverlening, in Libanon is zorgwekkend.
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht genieten ziekenhuizen, medisch personeel en ambulances een speciale, beschermde status. Het doelbewust aanvallen van medische gebouwen, transporten of medisch personeel die herkenbaar zijn en hun neutrale taak uitvoeren, is een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht. Onder het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het opzettelijk aanvallen van medische gebouwen, medische eenheden en transporten gecategoriseerd als een oorlogsmisdrijf. De bescherming onder het humanitair oorlogsrecht vervalt alleen als een medische entiteit buiten haar humanitaire taak wordt gebruikt om handelingen te verrichten die schadelijk zijn voor de vijand.
Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt dan ook doelbewuste aanvallen op hulpverleners en medische faciliteiten. Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd worden vastgesteld wat de precieze omstandigheden zijn. Het kabinet dringt aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om dergelijk onderzoek te doen. In dat kader steunt Nederland de komende vier jaar het Nationale Comité voor het Humanitair Oorlogsrecht (National International Humanitarian Law Committee) van Libanon met een financiële bijdrage, zodat dit onderzoek kan doen naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht.
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Zoals bekend in uw Kamer waren in mei 2025 de humanitaire situatie in de Gazastrook, de situatie op de Westelijke Jordaanoever, en de Israëlische positie die wezen op de herbezetting van (delen van) de Gazastrook, Syrië en Libanon reden om de EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Kallas te verzoeken om een evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Naar aanleiding van de conclusie van de HV en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het Associatieakkoord heeft Nederland zich in EU-verband ingezet voor concrete EU-maatregelen. Het beoogde doel van de Nederlandse inzet voor maatregelen was de druk op te voeren en Israël van koers te doen veranderen. Hiervoor blijkt tot op heden te weinig draagvlak onder lidstaten. Niettemin blijft de kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord erop gericht om voldoende steun te vergaren voor EU-maatregelen.2
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt of lijkt te gebeuren, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, hulpverleners en medische faciliteiten.
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Het kabinet zet zich – met partners en naar vermogen – in om de situatie in Israël, de Palestijnse Gebieden en de bredere regio te de-escaleren en te verbeteren. Het kabinet benut daarvoor de goede relaties die Nederland heeft met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit, en staat in nauw en intensief contact met landen in de regio, o.a. om regionale spanningen te verlagen en humanitaire hulp te bieden. Zowel voor als achter de schermen is het kabinet actief om invloed uit te oefenen. Het kabinet brengt zorgen over het optreden van Israël in Libanon consistent op bij de autoriteiten.
Zoals bekend in uw Kamer is naast dialoog ook het opvoeren van druk een belangrijk onderdeel van de diplomatieke inspanningen, o.a. om gedragsverandering van Israël te realiseren Die inzet gaat door. Daarom zet het kabinet zich in EU-verband in om de draagvlak voor EU-maatregelen te vergroten
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 4.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Zie beantwoording vraag 6.
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Een reactie op het rapport vindt u in de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Het conflict in Soedan gaat gepaard met veelvuldig en ernstig geweld tegen burgers, waarbij het grootschalige, etnische en seksuele geweld in de nasleep van de val van El Fasher als een dieptepunt wordt gezien. Militaire, logistieke en/of financiële steun aan betrokken partijen draagt bij aan het voortduren van dit geweld. Er geldt bovendien een VN wapenembargo voor Darfoer. In diverse verklaringen hebben de EU en Nederland dan ook opgeroepen tot het stoppen van wapenstromen door externe partijen. Voorbeelden van de Nederlandse diplomatieke inzet vormen de ministeriële verklaring van de Soedan Kerngroep in de mensenrechtenraad van 26 februari jl. en de EU-verklaring van 21 april jl. Ook heeft het kabinet meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder binnen de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Nederland spreekt met alle relevante landen in de regio, waaronder ook de VAE, over Soedan, waarbij wij zorgen uiten over de humanitaire- en mensenrechtensituatie en het belang bepleiten van het beëindigen van het conflict en het stoppen van wapenleveranties aan de strijdende partijen.
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Het VN-wapenembargo verplicht alle staten om de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat wapens en aanverwant materieel van welke aard dan ook alsmede technische training en bijstand, worden geleverd aan actoren die actief zijn in Darfoer. De verplichting voor de handhaving van het embargo is daarmee gericht aan staten, niet aan bedrijven of individuen. Als de VN veiligheidsraad vaststelt dat individuen of entiteiten de stabiliteit in Darfoer bedreigen kan de veiligheidsraad overgaan tot sancties.
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Nederland pleit reeds in EU-verband voor aanvullende sancties tegen de oorlogseconomie en tegen individuen en eniteiten verantwoordelijk voor het conflict en mensenrechtenschendingen in Soedan. Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument, kan niet meer informatie gegeven worden over status van individuele sancties.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Door diverse organisaties, waaronder de onafhankelijke internationale Fact Finding Mission, het Panel of Experts on the Sudan van de VN veiligheidsraad, het Internationaal Strafhof, en diverse NGO’s en mediaorganisaties wordt reeds onderzoek gedaan naar het conflict in Soedan, inclusief de rol van externe actoren en bedrijven daarbij. Nederland spant zich in om te zorgen dat er gedegen onderzoek naar het conflict in Soedan kan plaatsvinden. Het kabinet pleit bijvoorbeeld in de Soedan kerngroep in de Mensenrechtenraad in voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Missie en Nederland doet een financiële bijdrage aan het landenkantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten in Soedan.
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent het omleidingsrisico van militaire goederen naar Soedan. Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval en zorgvuldig aan de Europese wapenexportcriteria en de criteria van het VN-Wapenhandelsverdrag. Daarbij is er specifiek aandacht voor het omleidingsrisico naar Soedan. Als er een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. De inzet en activiteiten van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan richten zich onder andere op de coördinatie van bewijsvergaring van mensenrechtenschendingen, gezamenlijke statements en sanctioneren van daders en actoren die het conflict in standhouden.
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Nederland levert militaire steun aan de Oekraïense Strijdkrachten. De Oekraïense Strijdkrachten bepalen vervolgens eigenstandig hoe deze steun zo efficiënt en effectief mogelijk kan worden ingezet en welke organisatieonderdelen deze kunnen gebruiken tegen de voortdurende Russische agressie.
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Internationaal is er toenemend bewustzijn met betrekking tot de omleidingsrisico’s die gepaard gaan met grootschalige wapenleveranties aan Oekraïne, met name op het gebied van kleine en lichte wapens, in een situatie van een toekomstig permanent staakt-het-vuren of vrede. In dat licht wordt op dit moment in verschillende initiatieven van diverse actoren (o.a. Europese Commissie, Europol, OVSE en de VS) gewerkt aan de versterking van de capaciteiten van de Oekraïense autoriteiten om (toekomstige) illegale handel in wapens, munitie en explosieven te voorkomen en te bestrijden. Op deelterreinen is Nederland ook actief. De Oekraïense autoriteiten tonen zich bewust van de omleidingsrisico’s en nemen mitigerende maatregelen. Daarnaast staat Nederland in nauw contact met Europese partners om te voorkomen dat geleverde wapens in het kader van de steun aan Oekraïne tegen de Russische agressie terecht komen bij ongewenste eindgebruikers.
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Waar mogelijk zijn de vragen afzonderlijk beantwoord. Vanwege de inhoudelijke samenhang van verschillende vragen zijn sommige vragen gezamenlijk beantwoord.
Het artikel ‘Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zelfs tijdens het Amerikaanse bezoek van de Koning lagen mogelijke exportrestricties voor ASML op tafel»?1
Ja.
Op welke wijze trekt u in deze casus samen op met andere bondgenoten die mogelijk eveneens gevolgen ondervinden van het Amerikaanse wetsvoorstel MATCH Act (Multilateral Alignment of Technology Controls on Hardware)?
Hoe beoordeelt u inhoud en reikwijdte van de voorgestelde MATCH Act in het licht van bestaande bilaterale en multilaterale afspraken over exportcontrole en economische samenwerking met de Verenigde Staten?
Hoe duidt u de mogelijke extraterritoriale werking van deze Amerikaanse wet, waarbij van bondgenoten wordt verlangd hun exportbeleid aan te passen, en hoe verhoudt dit zich tot Nederlandse en Europese beleidsautonomie?
Welke gevolgen kunnen ontstaan indien de MATCH Act wordt aangenomen en bondgenoten niet overgaan tot aanscherping van hun eigen exportwetgeving?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die van de MATCH Act uitgaat. Dit druist in tegen het uitgangspunt dat Nederland haar eigen exportcontrolebeleid vormgeeft. Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten. Dit zal ook in komende bezoeken aan de VS worden toegelicht.
In hoeverre acht u het risico reëel dat een serviceverbod kan leiden tot juridische claims wegens contractbreuk tegen ASML of Nederlandse toeleveranciers?
Kunt u aangeven of bestaande Nederlandse of Europese instrumenten bedrijven kunnen beschermen tegen eventuele extraterritoriale toepassing van Amerikaanse wetgeving?
In algemene zin zetten derde landen steeds meer unilaterale en extraterritoriale instrumenten in. Zowel Nederland als de EU zijn geen voorstander van dergelijke maatregelen. Europese wetgeving kent verschillende mitigatiemogelijkheden voor extraterritoriale bepalingen van andere landen.
Specifiek in relatie tot de MATCH Act hecht het kabinet eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen. Het kabinet gaat niet speculeren over de inzet van welk instrument dan ook in relatie tot de Act.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de conceptwettekst nadrukkelijk in de VS onder de aandacht brengen op alle niveaus.
Hoe voorkomt u dat legitieme veiligheidszorgen rond China in de praktijk leiden tot onevenredige economische nadelen voor Europese bedrijven?
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik. Overleg in multilaterale exportcontroleregimes draagt bij aan een breed gedeeld gelijkwaardig toetsingskader en aan een gelijk speelveld voor bedrijven. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Welke Chinese tegenmaatregelen acht u realistisch indien de MATCH Act in de huidige vorm wordt aangenomen, en welke gevolgen zouden dergelijke maatregelen kunnen hebben voor Nederlandse bedrijven in de halfgeleidersector?
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin geldt dat de halfgeleidersector zeer complexe internationale waardeketens kent die gevoelig zijn voor verstoringen.
Kunt u de Kamer informeren over de gevolgen van een mogelijke Chinese «Malicious Entity List» voor Nederlandse bedrijven?2
Het kabinet gaat niet speculeren over mogelijke tegenmaatregelen van derde landen.
In algemene zin richt het Countering foreign states» unlawful extraterritorial jurisdiction measuredecreet, dat is uitgevaardigd door de Chinese overheid, zich op extraterritoriale maatregelen van landen die volgens de Chinese overheid in strijd zijn met het internationale recht en basisnormen van internationale relaties die volgens China de soevereiniteit, veiligheid en ontwikkeling en de legitieme rechten en belangen van Chinese burgers en organisaties raken.
Dit decreet biedt China de mogelijkheid om tegenmaatregelen te treffen tegen extraterritoriale wetgeving. Die tegenmaatregelen kunnen op haar plaats ook weer extraterritoriaal zijn. Hierbij is onder andere aangekondigd dat China een entiteitenlijst opstelt van buitenlandse organisaties en individuen die meewerken aan de implementatie van buitenlandse extraterritoriale wetgeving.
De vleesgigant JBS |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Greenpeace wil uitbreidingsplannen vleesgigant JBS in Nigeria blokkeren via Nederlandse rechtbank»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een bedrijf met een Nederlands hoofdkantoor volledige transparantie moet bieden over de impact van dergelijke miljardenprojecten op het klimaat, de lokale biodiversiteit en de rechten van lokale gemeenschappen in Nigeria?
De EU-richtlijn inzake de duurzaamheidsrapportering, de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), waarvan de implementatievoorstellen momenteel in het parlement aanhangig zijn, verplicht een onderneming niet tot transparantie over de duurzaamheidsgevolgen van een specifiek voorgenomen project tot uitbreiding van de onderneming. Pas zodra de uitbreiding is gerealiseerd, dient die meegenomen te worden in de duurzaamheidsrapportering door de onderneming als zij onder de CSRD-verplichtingen valt.
Een onderneming valt onder de CSRD-verplichtingen in Nederland indien zij een statutaire zetel in Nederland heeft of een beursvennootschap is met Nederland als land van herkomst, een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft en meer dan duizend werknemers. Indien de onderneming een dochtermaatschappij met statutaire zetel in Nederland is met een netto-omzet van meer dan € 200 miljoen, waarvan de moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd en in de EU een netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft, dan dient die dochtermaatschappij een verslag inzake duurzaamheid openbaar maken waarin verslag wordt gedaan over de duurzaamheid van het hele concern van de moedermaatschappij.
Bent u bereid om te onderzoeken of de groeiplannen van JBS in Nigeria (waaronder zes nieuwe vleesverwerkingsfabrieken) verenigbaar zijn met de internationale klimaatdoelen die Nederland heeft onderschreven?
Elke partij levert volgens het Parijs-akkoord op basis van hun «National Determined Contribution» een bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering. Dat zijn vrijwillige bijdragen van de individuele landen. Het is dus niet aan Nederland om naar bovenstaande onderzoek te gaan doen in Nigeria; dit is aan Nigeria als partij aan het Parijs-akkoord.
Wel zal de Nederlandse regering via de Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (Wivo) de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) implementeren en handhaven. De Wivo ziet erop toe dat in Nederland gevestigde bedrijven zich wereldwijd inspannen om misstanden, zoals klimaatschade en mensenrechtenschendingen, te voorkomen.
Gaat de Nederlandse overheid de «zorgplicht» actief handhaven nu JBS een Nederlands bedrijf is, zeker gezien de link met illegale ontbossing in de Amazone en de recente schikkingen wegens kinderarbeid in de VS?
Als met zorgplicht de verplichting voor bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen bedoeld wordt, is het inderdaad de bedoeling hiervoor adequaat toezicht in te richten. Gepaste zorgvuldigheid komt terug in verschillende Europese wetten die binnenkort van kracht worden. Zo is het kabinet momenteel bezig eerdergenoemde CSDDD te implementeren met de eerdergenoemde Wivo. De CSDDD dient uiterlijk 26 juli 2028 omgezet te zijn in nationale wetgeving en een jaar later moeten bedrijven aan de wet voldoen. De Wivo zal ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van de wet vallen verplichten om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. Dit betekent dat grote ondernemingen feitelijke en potentiële nadelige gevolgen voor mens en milieu, inclusief meetbare milieuschade zoals schadelijke emissies, in hun keten moeten identificeren en deze vervolgens moeten voorkomen, beperken of beëindigen. Beoogd toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) zal op de naleving hiervan toezien.
Daarnaast zal de Europese Ontbossingsverordening (EUDR) van toepassing worden vanaf 2027. Deze verordening verplicht bedrijven die onder haar toepassingsbereik vallen om aan te tonen dat hun producten niet afkomstig zijn van recent ontboste gebieden en dat zij legaal zijn geproduceerd. De bevoegde autoriteiten zullen toezicht houden op de naleving en kunnen bij overtredingen handhavend optreden. Of in een specifiek geval, zoals dat van JBS, handhaving aan de orde is, hangt af van de specifieke omstandigheden en het oordeel van de toezichthouders.
Is de regering bereid om, in het kader van de Wet Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), strengere eisen te stellen aan bedrijven die Nederland enkel als juridische uitvalsbasis gebruiken voor activiteiten die elders ter wereld leiden tot grootschalige natuurverwoesting (klimaatverandering en mensenrechtenschendingen)?
De Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (Wivo), de wet die de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) implementeert, wordt momenteel geschreven en geldt nog niet. De CSDDD dient uiterlijk 26 juli 2028 omgezet te zijn in nationale wetgeving en een jaar later moeten bedrijven aan de wet voldoen. De Wivo zal ondernemingen die binnen het toepassingsbereik van de wet vallen verplichten om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun waardeketen. Dit betekent dat grote ondernemingen feitelijke en potentiële nadelige gevolgen voor mens en milieu, inclusief meetbare milieuschade zoals schadelijke emissies, in hun keten moeten identificeren en deze vervolgens moeten voorkomen, beperken of beëindigen.
Ondernemingen vallen onder het toepassingsbereik van de Wivo wanneer zij binnen Nederland gevestigd zijn en een jaaromzet van ten minste € 1,5 miljard en 5.000 medewerkers hebben. Indien JBS aan deze criteria voldoet wanneer de wet in juli 2028 in werking treedt, zal het onder de handhaving van de Nederlandse toezichthouder vallen.
Nederland hecht groot belang aan een zo hoog mogelijk niveau van harmonisatie bij de implementatie van de CSDDD in de lidstaten, om een gelijk speelveld binnen de Europese Unie te waarborgen. De Wivo wordt mede daarom zuiver en lastenluw geïmplementeerd.
Welke stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat Nederland een «safe haven» wordt voor multinationals die hun expansie financieren ten koste van het klimaat en de natuur elders?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 5, wordt momenteel gewerkt aan de implementatie van de CSDDD in de nationale wetgeving. Daarmee ontstaat een gelijk speelveld op het gebied van gepaste zorgvuldigheid in de Europese Unie en kan Nederland op dat gebied geen «safe haven» worden.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat financiële instellingen buiten de reikwijdte van de EU-ontbossingsverordening (EUDR) vallen, waardoor investeringen in ontbossingsbedrijven zoals JBS ongehinderd doorgaan, en bent u bereid zich in Europees verband hard te maken om deze tekortkoming in de wetgeving alsnog aan te pakken?
Het kabinet is van mening dat de EUDR in de huidige vorm geen geschikt instrument is voor het controleren van financiële stromen, omdat deze zich richt op toeleveringsketens van fysieke producten.