| Ingediend | 5 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 21 april 2026 (na 47 dagen) |
| Indiener | Sarah Dobbe (SP) |
| Beantwoord door | Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
| Onderwerpen | internationaal organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z04364.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1696.html |
Nederland toetst alle aanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht tot een afwijzing gebieden. In de toetsing worden alle belangen meegenomen, waarbij juridische verplichtingen en veiligheidsbelangen boven economische belangen staan.
Nederland kent afhankelijk van het type uitvoer en overdracht individuele vergunningen, globale vergunningen en algemene vergunningen.
Het kabinet heeft de bevoegdheid om, wanneer nieuwe omstandigheden zich voordoen, een verleende vergunning opnieuw te beoordelen, al is het daartoe niet verplicht. Dit heeft in het verleden ook geleid tot een intrekking van een eerder afgegeven vergunning.
Zie antwoord vraag 7.
Nederland toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht leiden tot een afwijzing van de vergunningaanvraag. Daarin is er verder specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Dit geldt ook voor het omleidingsrisico naar Soedan. Er zijn bij de regering geen aanwijzingen bekend dat dergelijke omleiding onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen plaatsgevonden heeft.
Voor de actuele kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen verwijs ik u graag naar het overzicht hierover op rijksoverheid.nl.5
Het kabinet heeft op 14 juli 2023 het aanvullend nationaal beleid in de vorm van de presumption of denial afgeschaft6. De presumption of denial kon ertoe leiden dat ook transacties die niet duidelijk in verband konden worden gebracht met ongewenste inzet in Syrië en Jemen, maar tegemoetkwamen aan een legitieme veiligheidsbehoefte, moesten worden afgewezen.
In de praktijk bleek de presumption of denial evenmin noodzakelijk om te voorkomen dat Nederlandse strategische goederen in Jemen of Syrië worden ingezet. Een toets van de transactie aan de acht criteria van het wapenexportbeleid, in het bijzonder aan criteria 2 «risico op schendingen van het humanitair oorlogsrecht en/of mensenrechten» en 4 «bijdrage aan regionale conflicten», had dezelfde uitkomst in geval van ongewenste transacties.
Naast de hierboven genoemde effecten past het voeren van aanvullend nationaal beleid in de vorm presumption of denial ook niet goed bij de systematiek van het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken) waar Nederland zich bij wil aansluiten. In dat Verdrag vertrouwen verdragspartners op elkaars exportcontroletoets aangezien alle verdragspartijen aan dezelfde of zeer vergelijkbare toetsingskaders gebonden zijn. Voortzetting van depresumption of denial zou kunnen leiden tot een ongewenste situatie waarin Nederland dergelijke transacties onder dit Verdrag zou tegenhouden.
Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.
Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.
Nee, zie antwoord op vraag 11.
Conform het coalitieakkoord wenst het kabinet toe te treden tot het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken). Geopolitieke ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid. Het kabinet zet daarom in op het verdiepen van de Europese defensiesamenwerking. Het Verdrag bevordert Europese defensiesamenwerking, specifiek de ontwikkeling en productie van defensiematerieel. Toetreding tot het Verdrag zal de bredere nationale en Europese veiligheidsbelangen dienen.
Dit verdrag berust op het vertrouwen dat verdragspartijen hebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen, onder andere omdat deze zijn gestoeld op toetsing aan de gezamenlijk overeengekomen EU-wapenexportcriteria in het EUGS. Als verdragspartijen een uiteenlopende risico-inschatting hebben bij de uitvoer van militaire goederen naar een derde land hebben zij de mogelijkheid om elkaar te consulteren. Verdragspartijen kunnen in uitzonderlijke gevallen bezwaar maken tegen een voorgenomen export als deze in strijd wordt geacht met de nationale veiligheid of een direct nationaal belang. Ook zijn alle verdragspartijen gehouden aan de bepalingen van het VN-Wapenhandelsverdrag.7
Zoals eerder aangegeven is er in het kader van de legitieme veiligheidsbehoefte van de landen in kwestie in specifieke gevallen weloverwogen besloten het PoD-beleid niet doorslaggevend te laten zijn. Het ging hier bijvoorbeeld om afweer van inkomende projectielen op zee en ontmijningsdrones voor trainingsdoeleinden. In alle gevallen was sprake van een positieve toetsing op de criteria van het EUGS.
Nee. Medeplichtigheid onder het internationaal recht kan niet ontstaan wanneer hulp of bijstand bijdraagt aan de algemene militaire capaciteit van een staat, aangezien dat geen internationaal onrechtmatige daad inhoudt. Zie voor verdere toelichting de Kamerbrief van 12 januari 2024 betreffende de Zienswijze op het concept van medeplichtigheid onder internationaal recht.9
In vervolg op de schriftelijk gestelde vragen van het lid Dobbe (SP) over het artikel «Kabinet overtrad beperking wapenexport die schending mensenrechten moest voorkomen» (2026Z04364) deel ik u mede dat het niet mogelijk is gebleken om de beantwoording binnen de gestelde termijn aan uw Kamer te doen toekomen. Nadere interne afstemming is nodig om de vragen zorgvuldig en volledig te beantwoorden. Het streven is de beantwoording zo spoedig mogelijk aan uw Kamer te sturen.