Het vergoeden van kosten voor het opruimen van drugsafval |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Drugsafval in je tuin»1 en de uitzending van Radar over dit onderwerp2?
Ja.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het eerdere budget voor het opruimen van drugsafval? Hoeveel daarvan was er na het aflopen van die subsidieregeling nog niet uitgegeven? Was dat bedrag daarna geheel beschikbaar voor hetzelfde doel en hoeveel is er inmiddels van uitgegeven?
De totale onderbesteding van de afgelopen, tijdelijke co-financieringsregeling bedraagt € 1,2 miljoen. De middelen die aan het provinciefonds zijn toegevoegd, zijn – op grond van het Convenant waarin deze regeling is uitgewerkt – bedoeld voor het opruimen van drugsafval. Provincies kunnen dus nog vooruit met de reeds beschikbaar gestelde middelen in de jaren 2015, 2016 en 2017.
Deelt u de mening dat het opruimen van drugsafval op een particulier terrein onder andere de publieke belangen van het voorkomen van grondwatervervuiling, andere milieuproblemen en bedreiging van de volksgezondheid dient? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Hoe hoog zijn de kosten voor het opruimen van drugsafval per storting? Kunt u aangeven aan welke bedragen gedacht moet worden?
De directe opruimkosten per dumping kunnen uiteenlopen van een paar honderd euro tot tienduizenden euro’s. Dat hangt af van vele factoren, zoals de hoeveelheid gedumpt drugsafval, de status van de dumping (o.a. lekkende vaten, verontreinigde bodem, schoonmaakkosten wegdek, wegslepen uitgebrande auto) en de wijzen van opruimen en aanbesteding van het opruimen.
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat getroffen particulieren niet zelf het opruimen van drugsafval hoeven te regelen maar dat dat door de overheid wordt geregeld?
Gelet op de verantwoordelijkheden in het voorkomen van mogelijke schade voor volksgezondheid en milieu, ligt hier de verantwoordelijkheid bij regionale en lokale overheden. Provincies kunnen nog vooruit met de reeds beschikbaar gestelde middelen en kunnen particulieren snel helpen met raad, daad en financiële compensatie voor de directe opruimkosten. De meeste provincies hebben inmiddels provinciale subsidieregelingen ingesteld, die overigens worden gevoed door de resterende € 1,2 miljoen vanuit het Rijk.
Het kabinet maakt nu voor de periode 2019 tot en met 2024 structureel nog € 1 miljoen per jaar vrij op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de directe kosten van het opruimen van drugsdumpingen te kunnen (co)financieren. Met de beschikbaar gestelde middelen zullen nu de particuliere grondeigenaren volledig worden gecompenseerd voor de directe opruimkosten van drugsdumpingen op hun grond en worden ook gemeenten voor een gedeelte gecompenseerd voor de financiële gevolgen van drugsdumpingen.
Deelt u de mening dat het onbillijk is om een particulier, die geheel buiten zijn schuld geconfronteerd wordt met drugsafval op zijn grond, op te laten draaien voor de kosten van het opruimen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, indien de particulier geen schuld heeft aan de dumping blijven deze kosten, gelet op de wettelijke verantwoordelijkheden, voor rekening van de gemeente. Verder wordt u verwezen naar de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid die op 28 maart 2019 aan uw Kamer is gestuurd3.
Deelt u de mening dat er van overheidswege een structurele financiële regeling moet worden getroffen om getroffen particulieren volledig te compenseren voor de kosten van het opruimen van drugsafval? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom zouden particulieren dan wel zelf die kosten moeten dragen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 5.
Deelt u ook de mening dat getroffen particulieren niets hebben aan een al te lang voortslepend bestuurlijk overleg tussen gemeenten, provincies en het rijk maar snel met raad, daad en financiële compensatie voor de kosten moeten worden geholpen? Zo ja, kunt u daar vanuit het rijk op zeer korte termijn voor gaan zorgen en de verdeling van de verantwoordelijkheden desnoods daarna gaan regelen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 5.
De Week zonder vlees |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vorig jaar via Twitter heeft opgeroepen om mee te doen aan de eerste Week zonder vlees?1
Bent u bereid het publiek dit jaar ook te vragen om mee te doen aan de Week zonder Vlees die op 11 maart 2019 begint? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid de keuzevrijheid van alle deelnemers aan diners op uw ministerie te vergroten en tegelijk klimaatwinst te boeken door alle diners in principe geschikt te maken voor iedereen -carnivoren, herbivoren en omnivoren- en de maaltijd alleen op verzoek uit te breiden met vlees of vis, volgens het concept van «Carnivoor? Geef het door.»?2 Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Kent u het bericht «Tweede week zonder vlees grootser van opzet»?3
Welke rol speelt de Nederlandse overheid in het initiatief dat inmiddels door 69 partners gesteund wordt?
Kent u het onderzoek van CE Delft waaruit blijkt dat de jaarlijkse schade door externaliteiten ten gevolge van de vleesproductie en -consumptie 4,5 mrd. euro bedragen?4 Deelt u de mening dat deze externaliteiten in de prijs van vleesproducten tot uitdrukking zouden moeten komen en het ontmoedigen van de consumptie van vlees rechtvaardigen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zijn er op uw ministerie in het afgelopen jaar initiatieven ontplooid om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen? Zo ja, welke initiatieven waren dat en tot welk resultaat hebben ze geleid? Zo nee, waarom niet?
Kent u het voedingsadvies van de Canadese overheid om de eiwitcomponent van maaltijden voor 88% uit plantaardige bronnen te laten bestaan?5 Inspireert deze opvatting u om de Week zonder Vlees op uw ministerie te promoten onder uw medewerkers? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen voor 11 maart 2019 beantwoorden?
Het niet goed aansluiten van strafmaxima bij delicten omtrent het nalaten van hulpverlening bij levensgevaar |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving omtrent de zaak van de vorig jaar overleden Rotterdamse tiener Orlando, een zaak die laat zien hoe in dit soort gevallen de strafmaxima in het strafrecht wellicht niet helemaal goed op elkaar aansluiten?1 2
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgeving omtrent deze zaak.
Op elke burger rust de morele plicht om een ander persoon te helpen wanneer die ander in levensgevaar verkeert. Die morele plicht wordt een rechtsplicht ingeval de hulpbehoevende in levensgevaar verkeert en de burger in staat is de nodige hulp te verlenen. Het nalaten van het verlenen van die hulp is in artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) als overtreding strafbaar gesteld. Alleen het nalaten van het verlenen van hulp is strafbaar is gesteld; de rechter hoeft zich niet in te laten met de vraag wat de dader heeft bewogen tot zijn verzuim (aantekening bij artikel 450 Sr, Noyon, Langemeijer en Remmelink). De wet vereist aldus geen bewijs van het opzettelijk nalaten, reden waarom het feit als een minder ernstig delict wordt beschouwd en met een betrekkelijk lichte sanctie wordt bedreigd.
Dit geldt in vergelijkbare zin voor artikel 474 Sr. Strafbaarstelling van het opzettelijk nalaten van het verlenen van hulp aan hulpbehoevenden heeft de wetgever beperkt tot specifieke situaties. Zo bedreigt het misdrijf van artikel 414 Sr de kapitein of schipper met straf indien deze opzettelijk zijn wettelijke verplichtingen tot hulpverlening niet nakomt. En artikel 255 Sr betreft het misdrijf van het opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen of laten. Deze strafbepalingen kennen duidelijk hogere wettelijke strafmaxima. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever verdergaande strafbaarstellingen van het opzettelijk niet nakomen van morele (hulp)verplichtingen buiten de strafwet willen houden: «Slechts waar men krachtens de wet of overeenkomst tot verzorging verpligt was en het verzaken van dien pligt den hulpbehoevende in gevaar brengt, heeft de staat het regt, daartegen straf te bedreigen.» (Smidt 1891/1892, p. 381).
Dit samenstel van strafbaarstellingen betreffende het al dan niet opzettelijk nalaten van het verlenen van hulp aan hulpbehoevenden acht ik wat betreft de wettelijke strafmaxima, ook vanuit het onderscheid tussen misdrijf en overtreding, nog steeds een logisch en consistent geheel.
Bij artikel 450 Sr gaat het om situaties waarin de overtreder wordt geconfronteerd met een reeds aanwezige levensgevaarlijke toestand waarin de hulpbehoevende verkeert. De strafbepaling ziet als gezegd op diegenen die om welke reden dan ook in een dergelijke situatie niet handelen. Daarbij is van belang dat de hulpbehoevende niet door toedoen van de overtreder in die situatie is terecht geraakt. Indien die relatie wel bestaat en het slachtoffer komt vervolgens te overlijden, vormt het misdrijf van artikel 307 Sr (dood door schuld) het juiste spoor voor het openbaar ministerie om te vervolgen. Het gaat er dan om dat de dood van een ander is te wijten aan de schuld van de verdachte. Juist dat rechtstreeks aan het dodelijk gevolg gerelateerde handelen of nalaten van de verdachte rechtvaardigt het verschil tussen de strafmaat van artikel 450 Sr en van artikel 307 Sr. Ik zie dan ook geen aanleiding om op dit punt een wetswijziging te initiëren.
Bent u van mening dat het terecht is dat het nalaten van het verlenen van hulp aan iemand die in direct levensgevaar verkeert, wanneer de dood daarop volgt, niet als misdrijf wordt aangemerkt, maar slechts als overtreding? Acht u dit voor alle denkbare gevallen wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat het grote verschil in strafmaat tussen artikel 450 Wetboek van Strafrecht (Sr.) (nalaten hulpverlening bij levensgevaar) en artikel 307 Sr. (dood door schuld), te rechtvaardigen is? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Geeft de strafmaat van maximaal drie maanden hechtenis van artikel 450 Sr. op dit moment wel voldoende ruimte aan de strafrechter om in concrete gevallen een passende straf op te leggen? Zo ja, waar baseert u dit op? Zo nee, bent u bereid om te overwegen of de strafmaat van artikel 450 Sr. niet verhoogd zou moeten worden?
Zie antwoord vraag 1.
De Week zonder vlees |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vorig jaar via Twitter heeft opgeroepen om mee te doen aan de eerste Week zonder vlees?1
Bent u bereid het publiek dit jaar ook te vragen om mee te doen aan de Week zonder Vlees die op 11 maart 2019 begint? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de keuzevrijheid van alle deelnemers aan diners op uw ministerie te vergroten en tegelijk klimaatwinst te boeken, door alle diners in basis geschikt te maken voor iedereen -carnivoren, herbivoren en omnivoren- en de maaltijd alleen op verzoek uit te breiden met vlees of vis, volgens het concept van «Carnivoor? Geef het door?»2 Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Kent u het bericht «Tweede week zonder vlees grootser van opzet»?3
Welke rol speelt de Nederlandse overheid in het initiatief dat inmiddels door 69 partners wordt gesteund?
Kent u het onderzoek van CE Delft waaruit blijkt dat de jaarlijkse schade door externaliteiten ten gevolge van de vleesproductie en -consumptie 4,5 miljard euro bedragen?4 Deelt u de mening dat deze externaliteiten in de prijs van vleesproducten tot uitdrukking zou moeten komen en het ontmoedigen van de consumptie van vlees rechtvaardigt? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zijn er op uw ministerie in het afgelopen jaar initiatieven ontplooid om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen? Zo ja, welke initiatieven waren dat en tot welk resultaat hebben ze geleid? Zo nee, waarom niet?
Kent u het voedingsadvies van de Canadese overheid om de eiwitcomponent van maaltijden voor 88% uit plantaardige bronnen te laten bestaan?5 Inspireert deze opvatting u om de Week zonder Vlees op uw ministerie te promoten onder uw medewerkers? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen voor 11 maart 2019 beantwoorden?
Het bericht ‘Ministerie erkent blunder met energierekening: Tweede Kamer boos’ |
|
Matthijs Sienot (D66), Agnes Mulder (CDA), Carla Dik-Faber (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie erkent blunder met energierekening: Tweede Kamer boos»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat er is misgegaan?
Veel huishoudens zijn onaangenaam verrast door de stijging van de energierekening. Dit roept terecht vragen op over uitlatingen die vanuit het kabinet zijn gedaan over de verwachte ontwikkeling van de energierekening.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2017 ramingen van de energierekening gemaakt op basis van de inzichten van toen. Het kabinet baseert zich wat betreft haar verwachtingen van de energierekening altijd op de ramingen van het PBL. In dit geval is dat de meest recente Nationale Energieverkenning (NEV), uit 2017. Na het verschijnen van de NEV 2017 zijn de energieprijzen op de markt gestegen.
In 2018 heeft het PBL geen nieuwe editie van de NEV opgesteld. De directie van het PBL heeft hiertoe besloten in april 2018 en hierover gecommuniceerd via een persbericht. De belangrijkste reden hiervoor was dat vanwege de lopende onderhandelingen voor het Klimaatakkoord er geen betrouwbare projecties konden worden gemaakt. Die zouden immers weer achterhaald zijn als het akkoord zou zijn gesloten en er allerlei maatregelen waren genomen. Daarnaast speelde mee in het besluit dat vanwege het werk aan het Klimaatakkoord het PBL veel onderzoekscapaciteit beschikbaar moest stellen om de benodigde analyses te doen, waardoor de benodigde diepgang en zorgvuldigheid van de NEV en analyses voor het Klimaatakkoord onder druk zouden komen te staan. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief van 26 april 2018 over de Update Kostennotitie (Kamerstuk 32 813, nr. 186).
Het kabinet had zich eind vorig jaar minder stellig moeten uitlaten en meer moeten benadrukken dat het hier ging om een raming uit 2017. Ook zijn signalen vanuit de samenleving dat de gas- en elektriciteitsprijzen veel sneller stegen dan gedacht, op dat moment onvoldoende geëxpliciteerd. Dit is het PBL niet aan te rekenen. De komende tijd wil het kabinet met het PBL, met het Nibud, maar ook met partijen in de samenleving bezien hoe we de informatie op dit punt kunnen verbeteren.
Kunt u aangeven welke raming er op welk moment gebruikt werd en waarom?
Het kabinet baseert zich wat betreft zijn verwachtingen van de energierekening altijd op de ramingen van het PBL. Het PBL is op hun terrein de onafhankelijke rekenmeester die het kabinet adviseert.
De meest recente raming is gemaakt in najaar 2017 en is gebaseerd op:
Waarom hanteert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een ander gemiddeld energiegebruik dan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)? Wat ligt hier ten grondslag aan?
Het kabinet baseert zich wat betreft haar verwachtingen van de energierekening altijd op de raming van de Nationale Energieverkenning van het PBL. De NEV wordt samengesteld door een consortium van het PBL, ECN part of TNO, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en het CBS.
In de NEV 2017 wordt onder meer een raming gemaakt voor het totale gas- en elektriciteitsverbruik in woningen. Gegeven het totale aantal huishoudens in Nederland resulteert dan een gemiddeld gas- en elektriciteitsgebruik per huishouden. Dan blijkt dat sprake is van een dalende trend in het gemiddelde huishoudensgebruik van gas en elektriciteit. Ook in de statistieken van het CBS blijkt deze dalende tendens.
Voor het ramen van de gemiddelde energierekening (persbericht 16 februari jl.) heeft het CBS gerekend met een gemiddeld gasverbruik over de periode 2013–2017 en een gemiddeld elektriciteitsverbruik over de periode 2015–2017 bij een voorbeeldhuishouden van 2 volwassenen en 2 kinderen. Het gemiddelde gas- en elektriciteitsverbruik zoals het PBL en het CBS dat in de NEV inschatten, wijkt daar substantieel van af, omdat de dalende trend door het CBS niet is meegenomen en is uitgegaan van een groter huishouden dan in de NEV.
Ging het PBL uit van constant energieverbruik over de jaren heen? Zo ja, ging hij uit van een stijging of daling en heeft deze trend zich gematerialiseerd? Zo nee, waarom niet?
Uit realisaties van het CBS blijkt dat er een trendmatige daling van het gas- en elektriciteitsverbruik bij huishoudens plaatsvindt. De raming van het PBL in de NEV 2017 spoort met die door het CBS gesignaleerde trend.
In hoeverre heeft deze misrekening ook gevolgen voor de doorrekening van het Klimaatakkoord? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de onafhankelijke rekenmeesters van de overheid om te zorgen dat bij de doorberekeningen van het Klimaatakkoord wordt gewerkt met een goed beeld van de betaalbaarheid van de energierekening?
Er zijn geen gevolgen. Dit is geen diskwalificatie van de doorrekening van het klimaatakkoord. Het CPB is gevraagd te kijken naar budgettaire effecten en de lasten- en inkomenseffecten van zowel het Klimaatakkoord als het energie- en klimaatbeleid uit het basispad (het regeerakkoord en Energieakkoord). In het ramen van de inkomenseffecten van het energie- en klimaatbeleid wordt door het CPB geen gebruik gemaakt van de leveringstarieven van de NEV. Het CPB bekijkt hier alleen de effecten van het beleid in 2021 en 2030. Het betreft effecten op het inkomen van huishoudens die het gevolg zijn van beleid, en tot uiting komen via de energierekening. Tevens neemt het CPB daarin de indirecte effecten van het beleid mee, bijvoorbeeld doordat bedrijven hun hogere energielasten doorberekenen aan huishoudens.
De doorrekening van het PBL ziet niet op de effecten op de energierekening. Het PBL berekent de CO2-reductie-effecten van de maatregelen en de kosten die de maatschappij als geheel (burgers en bedrijven) hiervoor moet maken, los van de vraag waar deze kosten neerslaan. Het PBL bekijkt hierbij de situatie in 2030: het jaar waarin het doel van -49% moet zijn gerealiseerd.
Het PBL maakt hier ook de effecten zichtbaar van de meest recente prognoses van CO2-prijs en de energieprijzen (de World Energy Outlook van het Internationaal Energie Agentschap). Er is nogmaals bij het PBL via de reguliere ambtelijke kanalen het belang benadrukt van een zo actueel mogelijke doorrekening.
Het kabinet heeft bovendien het PBL gevraagd om een actualisatie te geven van de NEV 2017 wat betreft de energierekening voor huishoudens. Dit verzoek staat echter los van de doorrekening en heeft voor de resultaten of kwaliteit van de doorrekeningen door het CPB en het PBL ook geen gevolgen.
Kunt u aangeven wat de geraamde stijging van de energierekening was ten tijde van het vaststellen van de begroting voor 2019?
Ten tijde van het vaststellen van de EZK-begroting voor 2019 was de raming op basis van de Nationale Energieverkenning 2017 een toename van de totale energierekening van ongeveer 108 euro ten opzichte van 2018.
Ten grondslag daaraan lag een dalend verbruik van elektriciteit en gas, een min of meer gelijkblijvende leveringstarief voor gas en elektriciteit, een aanpassing van de energiebelasting en een verdere stijging van de ODE-tarieven, beide conform regeerakkoord.
Ik kan nu geen precieze raming geven. Ik heb het PBL gevraagd om een geactualiseerde beeld van de energierekening binnen een paar weken op te stellen. Dat zal leiden tot verschillen met de raming uit de NEV 2017 aangezien de leveringstarieven in de markt voor gas en elektriciteit hoger uitvallen dan eerder ingeschat.
Wat is de precieze geraamde stijging nu? Wat verklaart het verschil?
Zie antwoord vraag 7.
Welk deel van de stijging van de energierekening is te wijten aan maatregelen van dit kabinet (zoals de maatregelen in het Belastingplan 2019) en welk deel is te wijten aan marktontwikkelingen en andere maatregelen?
Ongeveer de helft van de door het CBS gerapporteerde toename van de energierekening komt voort uit hogere leveringstarieven en een door het CBS hoger ingeschat verbruik. Oorzaak voor de hogere leveringstarieven zijn de hogere inkooptarieven in de markt waarmee energieleveranciers worden geconfronteerd en die zij doorberekenen aan hun afnemers. De redenen voor de hogere inkooptarieven zijn ontwikkelingen op de olie- en gasmarkt, de hogere CO2-prijs, en de energiesituatie in België.
De andere helft van de door het CBS gerapporteerde toename van de energierekening komt voort uit overheidsbeleid (het regeerakkoord), te weten de stijgende energiebelasting (EB), opslag duurzame energie (ODE) en de verlaging van de belastingvermindering in de energiebelasting die de energierekening verhogen. Het overheidsbeleid was bekend. De aanpassing van de energiebelasting conform het regeerakkoord is met uw Kamer besproken bij de behandeling van het Belastingplan 2019 en de wijziging van de ODE-tarieven voor 2019 is in het kader van het wetsvoorstel ODE 2019 door uw Kamer behandeld.
Klopt het dat naast de belastingen ook de prijzen van energie en leveringskosten van energie hoger uitvallen? Zo ja, wat is de verklaring voor deze stijging?
Het klopt dat de leveringstarieven van energieleveranciers zijn gestegen doordat zij met hogere inkoopprijzen zijn geconfronteerd en deze doorgaans doorberekenen aan hun afnemers. Dit komt door een stijging van de gas- en elektriciteitsprijzen op de markt, maar ook door een hogere CO2-prijs.
Hield het kabinet rekening met een stijging van de energieprijzen die energieleveranciers rekenen? Zo ja, in welke mate is dit meegenomen in de berekening die het kabinet heeft gemaakt omtrent de stijgende energierekening? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hield op basis van de analyses van het PBL in de NEV 2017 in publicaties rond de energierekening rekening met ongeveer gelijkblijvende prijzen. De effecten van tussentijds wijzigende energieprijzen zijn via de inflatieraming van het CPB wel meegenomen in ramingen van de koopkrachtontwikkeling.
Welke delen van de stijging van de energierekening waren eerder niet te voorzien? Waarom niet?
De zogenoemde beleidsmatige stijging van de energierekening is voorzien want deze hangt direct samen met de aanpassingen in de sfeer van de energiebelasting en de verhoging van de ODE in 2019, beide conform het regeerakkoord.
De rest van de stijging ligt aan hogere leveringstarieven op de markt. Deze kostenstijgingen werden vanaf december jl. meer zichtbaar.
Wordt de prijsstijging meegenomen in de raming van het CPB van 2019?
Ja. Het CPB raamt de ontwikkeling van alle prijzen samen. De energierekening maakt in de koopkrachtberekeningen van het CPB onderdeel uit van de verwachte inflatie. Het CPB maakt zelf een inschatting welk effect energieprijzen en hogere energiebelastingen hebben op de inflatie. De raming dat de meeste huishoudens er in 2019 in koopkracht op vooruit zouden gaan, is gebaseerd op een inflatieraming van het CPB van 2,4%. Het eerste cijfer van het CBS over januari 2019, waarin het effect van de hogere btw en energierekening is verwerkt, laat zien dat de inflatie is uitkomt op 2,2%, wat in lijn is met de CPB-raming voor 2019.
Hoe komt het dat er gedateerde ramingen van het PBL werden gebruikt? In hoeverre waren deze ramingen van het PBL überhaupt betrouwbaar en valide?
Het kabinet baseert zich wat betreft haar verwachtingen van de energierekening altijd op de raming van de Nationale Energieverkenning van het PBL.
De reden voor het gebruiken van achteraf gedateerde ramingen was dat het PBL in 2018 geen nieuwe editie van de NEV kon opstellen. De directie van het PBL heeft hiertoe besloten in april 2018 en hierover gecommuniceerd via een persbericht. De belangrijkste reden hiervoor was dat vanwege de lopende onderhandelingen voor het Klimaatakkoord er geen betrouwbare projecties konden worden gemaakt. Die zouden immers weer achterhaald zijn als het akkoord zou zijn gesloten en er allerlei maatregelen waren genomen. Daarnaast speelde mee in het besluit dat vanwege het werk aan het Klimaatakkoord het PBL veel onderzoekscapaciteit beschikbaar moest stellen om de benodigde analyses te doen, waardoor de benodigde diepgang en zorgvuldigheid van de NEV en analyses voor het Klimaatakkoord onder druk zouden komen te staan. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de Kamerbrief van 26 april 2018 over de Update Kostennotitie (Kamerstuk 32 813, nr. 186).
Het kabinet had zich eind vorig jaar minder stellig moeten uitlaten en meer moeten benadrukken dat het hier ging om een raming uit 2017.
Is het gesprek met het PBL aangegaan over de gedateerde ramingen? Is aangedrongen op nieuwere ramingen en het belang daarvan?
Ja, ik heb het PBL gevraagd om zo spoedig mogelijk een geactualiseerd beeld te geven. Het PBL heeft toegezegd deze actualisatie spoedig te zullen leveren.
Wat is het effect op de maatregelen in het Belastingplan 2019? Waarop is de terugsluis van de publieke maatregelen in de inkomstenbelasting gebaseerd?
Er is geen effect op de maatregelen in de energiebelasting en overigens ook niet op de ODE. De actualisering betreft met name de hogere leveringstarieven, waar deze beleidsmaatregelen niets mee van doen hebben. De terugsluis is gebaseerd op het totale budgettaire beeld van de maatregelen in de sfeer van de energiebelasting. Dat beeld zal niet wijzigen.
Is er duidelijkheid over de effecten van deze hoger dan voorziene stijging op de koopkracht?
Een belangrijke notie is dat het opgetreden verschil tussen de NEV 2017 en het persbericht van het CBS van 16 februari 2019 niet de validiteit van de eerdere koopkrachtraming aantast.
De energierekening is onderdeel van de koopkrachtontwikkeling. Wat betreft de aannames van de gehele koopkrachtontwikkeling geldt dat het kabinet aansluit bij de ramingen van het CPB. De onderliggende inflatieraming bevat de meest recente inzichten van de ontwikkeling van alle prijzen, inclusief de energieprijzen. De raming dat de meeste huishoudens er in 2019 in koopkracht op vooruit zouden gaan, is gebaseerd op een inflatieraming van het CPB van 2,4%. Het eerste cijfer van het CBS over januari, waarin het effect van de hogere btw en energierekening is verwerkt, laat zien dat de inflatie uitkomt op 2,2%, wat in lijn is met de CPB-raming voor 2019.
Hoewel niet zeker is hoe de inflatie zich de komende maanden gaat ontwikkelen, laten de cijfers zien dat er op dit moment geen reden is om aan te nemen dat de koopkrachtcijfers niet zouden kloppen. In maart aanstaande zal het CPB een nieuwe raming maken van de koopkrachtontwikkeling en daarbij de meeste recente inzichten meenemen. Het kabinet zal zich vervolgens buigen over de uitkomsten van het CPB.
Wanneer komen er nieuwe berekeningen over de energierekening? Hoe wordt ervoor gezorgd dat er bij de nieuwe berekeningen wordt uitgegaan van de juiste cijfers?
Ik heb het PBL gevraagd om een geactualiseerd beeld van de energierekening binnen een paar weken op te stellen en dit tegelijkertijd met de doorrekening van het Klimaatakkoord klaar te hebben.
De uitvoering van de motie-Stoffer |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2019 over de uitvoering van de motie-Stoffer?1
Ja.
Vindt u het wenselijk om werkgevers die ondersteund moeten worden om werknemers met een arbeidsbeperking in dienst te nemen af te rekenen op een wijziging van regels waarover zij niet publiek zijn voorgelicht?
Ik ben het eens met de heer Stoffer dat het van het grootste belang is dat mensen met een arbeidsbeperking aan het werk worden geholpen. Ik ben daarom blij met het nieuwe instrument loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak dat werkgevers een steuntje in de rug geeft. De maatregelen rondom het loonkostenvoordeel (LKV) banenafspraak zijn uitgebreid gecommuniceerd via o.a. Rijksoverheid.nl en via de reguliere communicatiekanalen van UWV (www.uwv.nl) en de Belastingdienst (belastingdienst.nl). Hiermee is er voor werkgevers voldoende voorlichting is geweest over de wijziging van regels.
Kunt u aangeven waarom de coulanceregeling de uiterste datum van 1 oktober hanteert, terwijl scholen pas op 1 oktober voor het eerst kennis konden nemen van voorlichting over de gewijzigde regels?2 Hoe verhoudt deze datum zich tot het feit dat op 29 november in de Tweede Kamer het verzoek is uitgesproken om werkgevers niet te duperen door een gebrek aan voorlichting van de overheid?
Het LKV is ingevoerd met ingang van 1 januari 2018. Om werkgevers te laten wennen aan de specifieke situatie rondom de stagiaires is, mede naar aanleiding van schriftelijke Kamervragen van de D66-fractie, met UWV een coulanceregeling afgesproken tot 1 oktober 2018, zodat werkgevers 9 maanden konden wennen aan de nieuwe situatie. De coulance regeling gedoogt het afwijken van de wet- en regelgeving en moet daarom per definitie tijdelijk zijn.De coulance regeling heeft 9 maanden gelopen; dat acht ik voldoende tijd voor werkgevers om te wennen aan de nieuwe situatie.
Kunt u aangeven waarom het redelijk is dat werkgevers het loonkostenvoordeel mislopen doordat een doelgroepenverklaring ontbreekt, terwijl de betreffende werknemer wel in het doelgroepenregister vermeld staat?
Een van de voorwaarden voor het ontvangen van een loonkostenvoordeel is het hebben van een doelgroepverklaring als bewijs dat men voldoet aan de voorwaarden. Voor het LKV banenafspraak lijkt dit overbodig, aangezien deze mensen ook al geregistreerd staan in het landelijk doelgroepregister (LDR). Daarom heb ik in mijn brief van 20 november 20183 aangekondigd voornemens te zijn, onder voorbehoud van een uitvoeringstoets door UWV, de doelgroepverklaring voor deze groep af te schaffen. Dit betekent een vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting voor zowel de werkgever als de werknemer.
In hoeverre is het acceptabel dat jongeren die in 2018 door gebrekkige voorlichting niet tijdig een doelgroepenverklaring hebben aangevraagd hiervan jarenlange negatieve gevolgen moeten ondervinden?
Om te voorkomen dat werkgevers het loonkostenvoordeel mislopen is er voor de stagiaires, zoals gezegd, coulance geweest met de aanvraagtermijn van 3 maanden om aan de regeling te kunnen wennen. Bovendien is er voor het nieuwe schooljaar 2018/2019 een voorlichtingscampagne gevoerd om scholen en stagebegeleiders te attenderen op de spelregels rondom stagiaires. Ik heb er daarom vertrouwen in dat scholen (met name stagebegeleiders) jongeren er voortaan op wijzen hun doelgroepverklaring tijdig aan te vragen zodat de stagewerkgever het loonkostenvoordeel kan toepassen.
De doelgroepverklaring blijft dan ook geldig als er na afloop van de stage een arbeidsovereenkomst tot stand komt met de stagewerkgever. Als er na de stage bij een andere werkgever gewerkt wordt, kan de werknemer opnieuw een doelgroepverklaring aanvragen voor het werk bij die werkgever. Hiervoor geldt dan opnieuw de aanvraagtermijn van drie maanden na aanvang dienstbetrekking.
Tot slot; indien deze jongeren bij de stagewerkgever als gevolg van een te late aanvraag niet voldoen aan de voorwaarden van het LKV banenafspraak, dan voldoen zij mogelijkerwijs wel aan de voorwaarden van het lage-inkomensvoordeel (LIV) zodat hun werkgever aanspraak kan maken op een in hoogte vergelijkbare tegemoetkoming.
De vermeende overschrijding van het stikstofplafond |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Hoe weegt u de afspraak met de Europese Commissie dat voor het bepalen van de jaarlijkse fosfaat- en stikstofproductie in relatie tot de productieplafonds gerekend mag worden met de gemiddelde ruwvoersamenstelling van de afgelopen vijf jaar met weglating van de twee meest extreme waarden?1
Door weersinvloeden kan het fosfor- en stikstofgehalte in ruwvoer per jaar variëren. In het kader van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn heb ik met de Europese Commissie afgesproken dat bij het opgeven van de definitieve cijfers over de fosfaat- en stikstofproductie door de melkveehouderij uitgegaan mag worden van de gemiddelde ruwvoersamenstelling van de afgelopen vijf jaar met weglating van de twee meest extreme waarden. Ik vind dit een belangrijke afspraak, omdat boeren geen invloed hebben op de weersomstandigheden en het effect van extreme weersomstandigheden op de beleidsmatige afrekening van de fosfaat- en stikstofproductie met deze methodiek wordt gedempt.
Is de veronderstelling juist dat in de recente monitor fosfaat- en stikstofexcretie bij de prognose van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2018 op basis van het gemiddelde aantal aanwezig dieren is uitgegaan van de ruwvoersamenstelling in 2018 en niet van de hiervoor genoemde middeling over de afgelopen vijf jaar?2
Ja.
Deelt u de constatering dat in 2018 sprake was van extreem hoge stikstofgehalten in het ruwvoer en dat deze waarden in de hiervoor genoemde middeling daarom weggelaten hadden moeten worden?
De met de Europese Commissie afgesproken middeling wordt toegepast bij de definitieve cijfers over 2018, die in de zomer bekend zullen worden.
De recente monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest die op 15 februari 2019 door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is gepubliceerd, geeft een zo gedetailleerd mogelijk beeld van de fosfaat- en stikstofproductie in 2018 op basis van de meest recente cijfers. Echter, niet alle definitieve data zijn nu al beschikbaar. Daarom is in deze monitor en de aanbiedingsbrief die ik aan uw Kamer heb gestuurd (15 februari 2019, Kamerstuk 33 037, nr. 350) uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om voorlopige cijfers waarvoor nog een onzekerheidsmarge geldt. De extreme weersomstandigheden van afgelopen zomer zorgen hierbij voor extra onzekerheid.
Uit deze monitor blijkt dat het stikstofgehalte in het ruwvoer in 2018 zeer hoog was. Het fosforgehalte in het ruwvoer was in hetzelfde jaar juist bijzonder laag. Daardoor is het waarschijnlijk dat, wanneer de definitieve cijfers niet ver van de voorlopige cijfers afwijken, de cijfers over 2018 niet worden meegenomen in het berekenen van een vijf jaar gemiddelde met weglating van de twee meest extreme waarden. Wanneer de cijfers van 2018 niet mee worden genomen in de middeling zou dit waarschijnlijk voor stikstof resulteren in een verlaging van de excretie, voor fosfaat juist in een verhoging.
Kunt u aangeven hoe de fosfaat- en stikstofexcretiecijfers uitvallen als de voornoemde middeling over de afgelopen vijf jaar gehanteerd wordt?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat de in de Kamerbrief over de recente fosfaat- en stikstofproductiecijfers genoemde stikstofexcretiecijfers, gelet op voornoemde punten, met tenminste vijf procent naar beneden bijgesteld moeten worden indien deze cijfers vergeleken worden met de productieplafonds?3
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 geldt uitdrukkelijk een onzekerheidsmarge bij de cijfers uit de monitor van 15 februari jl. en zal de middeling worden toegepast bij de definitieve cijfers over 2018, die in de zomer bekend zullen worden. Ik kan hier dan ook niet op vooruitlopen.
Is de veronderstelling juist dat dan in geen enkel geval sprake is van overschrijding van stikstofproductieplafonds?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uw opmerkingen dat sprake is van een geprognosticeerde overschrijding van het stikstofproductieplafond, dat die problematisch is en dat een generieke korting afgewend moet worden, toelichten?4
2018 was een extreem jaar wat betreft weersomstandigheden, met een zeer laag fosforgehalte en een zeer hoog stikstofgehalte in het ruwvoer tot gevolg. Dergelijke extreme weersomstandigheden zullen echter naar verwachting steeds vaker voorkomen. Daar komt bij dat er de laatste jaren een algehele trend te zien is waarbij het aandeel fosfor in het rantsoen afneemt, terwijl dit voor stikstof nauwelijks het geval is. Ook de definitieve cijfers over 2017 lieten een overschrijding van zowel het nationale stikstofplafond als het sectorale stikstofplafond van de melkveehouderij zien. De verrekening met de gemiddelde ruwvoersamenstelling over vijf jaar zorgde er toen voor dat de stikstofproductie op het nationale plafond uit kwam.
Het is mogelijk dat de weglating van de extreme waarden in 2018 uit de middeling over de definitieve cijfers over 2018 voor voldoende demping zorgt om op of onder het stikstofplafond te komen. Maar feit blijft dat de stikstofproductie door de melkveehouderij zich de laatste jaren op of rond het plafond bevindt. Een overschrijding van het stikstofplafond dit jaar of komende jaren ligt daardoor nadrukkelijk op de loer. Ik acht het nemen van maatregelen om de stikstofproductie omlaag te brengen daarom onverminderd van belang.
Pallas en het Lighthouse project |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in Cadarache in Frankrijk de Jules Horowitz-reactor bijna klaar is en dat met deze reactor tot 50% van de Europese markt van medische isotopen kan worden bediend? Klopt het dat in München de FRM-II op dit moment wordt aangepast voor de productie van molybdeen, waarmee ook 50% van de Europese markt kan worden bediend?
De Jules Horowitz-reactor (JHR) is inderdaad in een vergevorderd stadium. Het klopt dat JHR aangeeft te kunnen voorzien in 25% van de Europese vraag naar molybdeen-99m en indien gewenst in 50% van de Europese vraag. De OECD Nuclear Energy Agency (NEA) heeft in 2018 het rapport «The supply of Medical radioisotopes» uitgebracht.1 Hierin wordt rekening gehouden met een jaarlijkse productie door de JHR van 115.200 Ci, waarbij de verwachting is dat 2023 het eerste jaar van volledige productie is.
De Duitse FRM-II geeft aan in 50% van de Europese vraag naar molybdeen-99m te kunnen gaan voorzien. In het rapport van de OECD NEA wordt voorzien dat de FRM-II vanaf 2020 molybdeen-99m kan gaan leveren met een bijdrage van 67.200 Ci.
Ter vergelijking, de Belgische BR2-reactor kan 136.500 Ci leveren, de Nederlandse HFR maximaal 241.800 Ci. De nieuwe capaciteit die de JHR en FRM-II kunnen gaan leveren, is dus aanzienlijk lager dan de capaciteit van de BR2 en de HFR, die beiden op gevorderde leeftijd zijn. Hoewel de JHR en FRM-II dus een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de Europese vraag, ligt de focus van deze reactoren op het doen van onderzoek, en niet op de productie van medische isotopen. In het dit jaar verschenen rapport «European Study on Medical, Industrial and Research Applications of Nuclear and Radiation Technology», gedaan in opdracht van de Europese Commissie, wordt geconcludeerd dat een bevoorradingssituatie zonder een nieuwe onderzoeksreactor in Europa niet zal leiden tot Europese zelfvoorziening en op wereldschaal tekorten zouden kunnen ontstaan tot 2030.2
Ook moet opgemerkt worden dat de voorspellingen over de bijdrage die geleverd kan worden aan de Europese markt alleen betrekking hebben op molybdeen-99m, het meest gebruikte diagnostische isotoop. Welke bijdrage de JHR en FRM-II kunnen leveren aan de productie van therapeutische isotopen is onzeker. De verwachting is dat de vraag naar therapeutische isotopen verder zal toenemen.
Klopt het dat Pallas nog niet voldoende financiers heeft gevonden en niet eerder dan 2025 medische isotopen kan produceren?
De gesprekken tussen Pallas en de potentiële financiers van Pallas verlopen constructief. Dit jaar moet duidelijk worden of private financiers zullen instappen. De huidige planning is onveranderd en daarmee is de verwachting inderdaad dat Pallas niet eerder dan 2025 medische isotopen zal produceren.
Klopt de bewering van ASML-topman Wennink dat Lighthouse, het project om medische isotopen te produceren zonder kernafval en wat is uitgeroepen tot Nationaal Icoon, niet geholpen is door de Nederlandse overheid terwijl de bouw van een nieuwe kerncentrale voor medische isotopen wel financieel wordt ondersteund?1
Het reguliere EZK-instrumentarium is gericht op (innovatieve) projecten die niet geheel uit eigen middelen of door de markt gefinancierd kunnen worden. Daarbij is voor een project van dergelijke omvang waarvan de technische haalbaarheid nog niet was aangetoond, een aanzienlijke bijdrage van een private investeerder vereist. De Nederlandse overheid heeft Lighthouse daarom actief gesteund bij het zoeken naar investeerders of samenwerkingspartners en heeft daarin een bemiddelende rol gespeeld. Daarbij is met diverse partijen gesproken over een mogelijke investering in het project. Ondanks dat er veel belangstelling was voor deze vernieuwende technologie en de toepassingsmogelijkheden daarvan, vonden deze partijen de risico’s van de benodigde investering te hoog, vanwege de genoemde onzekerheden ten aanzien van de technische haalbaarheid.
De financiering aan Pallas bestaat uit een lening uit 2012 van € 80 miljoen van het Rijk en de provincie Noord-Holland voor de voorbereidingsfase (bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure) van de Pallas-reactor. Bij Pallas gaat het daarbij, in tegenstelling tot Lighthouse, om een bestaande technologie gericht op de productie van zowel diagnostische als therapeutische isotopen. Het technische risico is hierdoor beperkter en beter in te schatten.
Klopt het dat Lighthouse nu wordt gerealiseerd in België met behulp van isotopenleverancier Nationaal Instituut voor Radio Elementen (IRE), een van de grootste klanten van de huidige kernreactor in Petten? Welke gevolgen heeft het voor de financierbaarheid van Pallas wanneer IRE geen molybdeen meer zal afnemen van Pallas omdat Lighthouse dit kernafvalvrij kan produceren?
Het Belgische IRE zal de komende tijd samen met andere partijen inzetten op een verdere ontwikkeling van Lighthouse met als doel een eerste productielijn in België te realiseren. Zoals in de brief over de vervolgonderzoeken van de hoogambtelijke werkgroep nucleair landschap (Kamerstuk 25 422, nr. 251) is aangegeven is de verwachting dat indien beide initiatieven uiteindelijk op de markt komen dit de komende 20 jaar leidt tot overcapaciteit op de wereldwijde markt voor Molybdeen-99. Het effect hiervan op de financierbaarheid van Pallas is daarbij onzeker, maar naar verwachting beperkt. Dit komt met name doordat Pallas in de businesscase rekening houdt met het op de markt komen van alternatieve productiemethode voor molybdeen-99, zoals Lighthouse. De businesscase van Pallas hangt daarnaast af van de ontwikkeling van de vraag naar therapeutische isotopen.
Deelt u de mening dat het gezien de Europese ontwikkelingen rondom concurrerende isotopenproducten, de kosten van kernafval, de andere bezwaren tegen kernafval en het belang van innovatie op het gebied van medische isotopen, het Lighthouse-project beter ondersteund had kunnen worden ten faveure van het Pallas-project? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het op dat moment niet verstandig was om een keuze te maken tussen beide initiatieven. Zoals in de brief over de vervolgonderzoeken van de hoogambtelijke werkgroep nucleair landschap (Kamerstukken 25 422 en 30 196, nr. 220) is aangegeven was het van belang dat er voortgang werd gemaakt met zowel Pallas als Lighthouse om de risico’s op tekorten aan medische radioisotopen te beperken. Beide projecten zijn vervolgens op hun eigen merites beoordeeld, waarbij er bij Pallas sprake was van een reeds eerder toegekende lening. Voor Lighthouse is, zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, gekeken naar de inzet van het EZK-instrumentarium, als co-financiering naast private investeringen. Echter ondanks dat er veel belangstelling was vonden deze partijen het risico van de investering in die fase te hoog.
Het bericht ‘Sportclubs moeten verduurzaming aantonen’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat sportclubs vanaf 1 juli dit jaar verplicht moeten aantonen wat zij aan energiebesparing doen?1
Ja.
Klopt het bericht dat voetbal-, hockey-, tennis- en andere buitensportverenigingen vanaf 1 juli dit jaar verplicht moeten aantonen wat zij aan energiebesparing doen en als zij niet voldoen aan deze informatieplicht een dwangsom opgelegd kunnen krijgen?
Ja, sportverenigingen met een energieverbruik van meer dan 50.000 kWh elektriciteit of meer dan 25.000 m3 gas (equivalent) moeten uiterlijk op 1 juli 2019 aan het bevoegd gezag (gemeenten) gerapporteerd hebben welke erkende energiebesparende maatregelen zij toegepast hebben en welke (nog) niet. Op het niet rapporteren voor genoemde datum kan het bevoegd gezag een dwangsom opleggen, om alsnog de gevraagde informatie af te dwingen.
Klopt het dat ook sportverenigingen vallen onder de 19 bedrijfstakken met erkende maatregelen voor energiebesparing en dus aantoonbare energiebesparende maatregelen moeten nemen?
Ja, in Bijlage 10 van de Activiteitenregeling milieubeheer worden de sportaccommodaties van sportverenigingen geduid als bedrijfstak onder «Sport en recreatie». Onder deze erkende maatregelenlijst vallen inrichtingen waar sprake is van sport en recreatie. Het gaat om vakantie- en recreatieparken en campings, zwembaden, sporthallen, sportzalen, ijsbanen, sauna’s en sportvelden en combinaties daarvan. De erkende maatregelenlijst Sport en recreatie is tot stand gekomen in samenspraak met de sport- en recreatiebranche.
Deelt u de mening dat sportverenigingen waar hoofdzakelijk vrijwilligers werken moeilijk te vergelijken zijn met bedrijfsmatig gerunde bedrijven en instellingen?
Sportverenigingen hebben een eigen dynamiek door het vrijwillige kader waar zij uit bestaan. Om verenigingen te ondersteunen in vraagstukken zoals deze hebben zowel de sportbonden als de gemeenten lokaal verenigingsondersteuners die direct naar de sportvereniging toe gaan.
Mijn collega van Economische Zaken en Klimaat is bereid de sportverenigingen te ondersteunen bij het eenvoudig en efficiënt laten verlopen van de informatieplicht voor sportverenigingen. Sportverenigingen met vragen over de informatieplicht kunnen terecht bij de eigen sportbond of bij De Groene Club.
De Groene Club is een initiatief van de sportbonden en ondersteunt de sportverenigingen bij het verduurzamen van hun sportaccommodatie. Daarmee beogen de sportbonden om sportverenigingen een gezonde financiële positie geven over de as van duurzaamheid. De maatregelen die op de erkende maatregelenlijst staan zijn geen bijzondere maatregelen en hebben een korte terugverdientijd (minder dan vijf jaar) die het nemen van deze maatregelen juist voor sportverenigingen financieel interessant maakt.
Zowel de sportbonden als De Groene Club kunnen de verenigingen helpen bij het invullen van het E-loket informatieplicht energiebesparing van RVO.
In het kader van het Sportakkoord ondersteun ikzelf de sportsector in het mogelijk maken van nog meer en betere ondersteuning van de sportverengingen op het verduurzamingsvraagstuk. De sportsector is momenteel deze ondersteuning aan het inrichten.
Deelt u de opvatting dat deze maatregelen niet passend zijn voor een sportvereniging die gerund wordt door vrijwilligers en die geen winstoogmerk hebben, maar met name afhankelijk zijn van ledencontributies?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven hoe voorkomen kan worden dat eventuele boetes aan sportverenigingen tot verhoging van de contributie leidt?
Wanneer sportverenigingen tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 1 juli 2019, rapporteren aan het bevoegd gezag, dan wordt voldaan aan de informatieplicht en kan geen boete worden opgelegd. In de rapportage wordt door de sportverenigingen aangegeven welke maatregelen al genomen zijn en welke nog genomen moeten worden. Daarover kunnen sportverenigingen afspraken maken met het bevoegd gezag, de gemeenten.
Hoeveel van de 25.000 sportverenigingen hebben een aanvraag voor de subsidieregeling «Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties» ingediend? Hoeveel van deze sportverenigingen hebben ook daadwerkelijk de aanvraag toegekend gekregen?
De subsidieregeling heeft gelopen van 2016 tot en met 2018. In deze tijd hebben in totaal 1848 unieke aanvragers ingediend, waarvan 1528 sportvereniging en 320 sportstichtingen. Er zijn in totaal 1742 aanvragen toegekend, waarvan 1449 sportverenigingen en 293 sportstichtingen.
Bent u bereid om sportverenigingen vanwege het specifieke karakter uit te zonderen van de boetesystematiek met betrekking tot verduurzaming om te voorkomen dat contributies omhoog gaan en dit de drempel om te gaan of om te blijven sporten hoger maakt en daarmee niet in lijn ligt met de ambities van het Sportakkoord?
Het opleggen van een dwangsom is een zelfstandige bevoegdheid van het ter plaatse bevoegde gezag. Het bevoegd gezag bepaalt of er sprake is van een overtreding en of deze ernstig genoeg is om sancties op te leggen. Normaliter worden eerst termijnen opgelegd om de overtreding alsnog binnen een redelijke termijn ongedaan te maken.
Sportverenigingen kunnen met eventuele vragen ook terecht bij de eigen gemeente. De VSG informeert de gemeenten hier ook actief over.
De VSG zal daarbij ook richting de gemeenten aandacht voor de situatie van de sportverenigingen vragen, om bijvoorbeeld te voorkomen dat hierdoor de contributies onverwacht omhoog zouden moeten.
Verder ondersteunen zowel mijn collega van Economische Zaken als ikzelf de sportsector om de uitvoering van de informatieplicht zo eenvoudig en efficiënt mogelijk te laten verlopen.
Het EenVandaag-onderzoek: ‘Mbo-studenten willen graag een titel’ |
|
Zihni Özdil (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het representatieve onderzoek dat het EenVandaag opiniepanel heeft gedaan in samenwerking met de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) en het Nederlands Debat Instituut, waaruit blijkt dat 63 procent van de mbo-studenten vindt dat afgestudeerde mbo'ers een titel moeten krijgen als blijk van erkenning?1
Ja.
Kunt u zich de door u gedane uitspraak voor de geest halen dat u het GroenLinksplan mbo-titulatuur van afgelopen oktober een «sympathieke gedachte» vond?2
Ja.
Waarom heeft u op het representatieve EenVandaag-onderzoek – dat is opgezet in samenwerking met de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) en het Nederlands Debat Instituut en waaruit blijkt dat 63 procent van de mbo-studenten vindt dat afgestudeerde mbo'ers een titel moeten krijgen – afwijzend gereageerd met de volgende woorden: «in de gesprekken die wij met mbo-studenten voeren is ons meerdere keren verteld dat ze geen meerwaarde in een titel zien«?
Mijn reactie was afgestemd met de JOB. De JOB is de vertegenwoordigende gesprekspartner van mbo-studenten, die met regelmaat OCW van gevraagd en ongevraagd advies voorziet. Ik hecht daar veel waarde aan.
Uit gesprekken van het JOB-bestuur kwam naar voren dat bij mbo-studenten de nadruk werd gelegd op het werk en de vaardigheden, waar mbo’ers zich mee onderscheiden. Voor de berichtgeving, die in de vragen wordt genoemd, waren er door JOB geen signalen ontvangen dat mbo studenten geïnteresseerd waren in titels. Dat is voor mij uiteraard van betekenis. Ik erken echter dat er nu met het onderzoek van EenVandaag een ander signaal op tafel ligt. Ik zal hierover met de JOB nader overleg voeren.
Deelt u de mening dat uw afwijzing van de behoefte onder 63 procent van de mbo-studenten voor titulatuur tot grote teleurstelling kan leiden onder mbo-studenten, zoals ook presentator Gijs Rademaker uitlegde tijdens de TV- aflevering van EenVandaag op 14 februari 2019? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Ik zou juist willen waken voor veel grotere teleurstellingen. Ik heb gezegd dat ik een titel voor mbo-studenten een sympathieke gedachte vind. Ik verwelkom in principe elk idee dat kan bijdragen aan meer waardering van mbo’ers, omdat vakmensen voor onze samenleving cruciaal zijn.
Draagvlak voor dit idee is voor mij, evenals voor de JOB, wel cruciaal. Als blijkt dat mbo-studenten toch hechten aan een titel (en het onderzoek, dat in de vraag wordt bedoeld, geeft daarvan een signaal af), dan zal ik dit verder met JOB bespreken. Mijn inzet in dat gesprek zal er echter wel op gericht zijn om al te hoge verwachtingen te temperen. Een titel voor mbo-afgestudeerden moet immers breed erkend en gedragen worden: door studenten zelf en door werkgevers in binnen -en buitenland, waar afgestudeerden aan de slag willen. Als een dergelijke titel niet door werkgevers in Nederland of in andere landen herkend wordt, is deze niet functioneel. Vooralsnog is mij niet gebleken dat in andere landen titels voor afgestudeerde mbo’ers gangbaar zijn. Ik heb ook nog niet van werkgevers in Nederland begrepen dat zij aan een titel voor afgestudeerde mbo’ers waarde ontlenen. Uiteraard ben ik bereid dit met nader met hen te bespreken.
Heeft u de wens over titulatuur in het mbo aan méér of minder mensen voorgelegd dan de 1170 mbo-studenten die aan het onderzoek van het EenVandaag-opiniepanel meededen? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Met welke- en hoeveel mbo-studenten heeft u precies gesproken na de publicatie van het EenVandaag-onderzoek en voor indiening van deze schriftelijke vragen om tot uw afwijzende reactie op dat EenVandaag-onderzoek te komen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Erkent u naar aanleiding van het door EenVandaag, in samenwerking met onder andere JOB, opgezette onderzoek waaruit blijkt dat 63% van de mbo-studenten wel behoefte heeft aan titulatuur, dat er wel behoefte is aan titulatuur onder mbo-studenten? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoorden op vraag 3 en vraag 4.
De schokkende beelden van een hondenshow in Eindhoven |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de beelden die zijn gemaakt op een hondenshow in Eindhoven waarop te zien is hoe mannen honden betasten op hun geslachtsdeel?1
Deze beelden zijn mij bekend.
Vindt u het normaal dat honden betast worden op hun geslachtsdeel om ze rustig te houden tijdens een hondenshow? Deelt u de mening van de geciteerde dierenarts dat een dergelijke handeling «zeer ongepast is, in welke situatie dan ook»?
Ontuchtige handelingen met dieren keur ik ten allen tijde af. Als er tijdens een hondenshow sprake is van ontuchtige handelingen met honden acht ik dergelijke handelingen zeer ongepast.
Klopt het dat deze handeling strafbaar is volgens artikel 254 van het Wetboek van Strafrecht en er maximaal anderhalf jaar celstraf op staat? Vindt u het terecht dat er aangifte is gedaan?
Artikel 254 van het Wetboek van Strafrecht stelt ontuchtige handelingen met dieren strafbaar. De maximale gevangenisstraf bij overtreding van dat artikel bedraagt anderhalf jaar of een geldboete van de vierde categorie. Ik heb vernomen dat er inmiddels aangifte is gedaan. Over de strafvervolging gaat het Openbaar Ministerie.
Wat vindt u ervan dat de organisator van de hondenshow zegt dat deze mannen zouden zijn weggestuurd indien ze op heterdaad waren betrapt?
Dat de organisator aangeeft dat hij deze personen gelijk zou wegsturen duidt er mijns inziens op dat ook hij deze handelingen stellig afkeurt.
Deelt u de mening dat de organisatie van een hondenshow meteen aangifte moet doen wanneer er sprake is van verdenking van het plegen van een strafbaar feit, zoals ontuchtige handelingen met dieren?
Het verplicht doen van aangifte geldt voor enkele misdrijven. Het plegen van ontuchtige handelingen met dieren valt daar echter niet onder. Het spreekt voor zich dat ik mensen wel aanmoedig om in dergelijke gevallen aangifte te doen.
Erkent u dat honden tijdens een hondenshow niet kunnen wegvluchten van harde geluiden en drukte, noodgedwongen lang vast zitten in een kooi en urenlang op een kaptafel moeten staan en erkent u dat een hond hierdoor stress zal ervaren en in de ogen van mensen afwijkend gedrag zal kunnen gaan vertonen?
Baasjes die met hun honden deelnemen aan een hondenshow dienen hun verantwoordelijkheid te nemen voor de gezondheid en het welzijn van hun dieren. Elke hond is anders en de ene hond zal een drukke, vreemde omgeving beter tolereren dan een andere hond. Ook in een andere omgeving zoals in een stad kunnen honden drukte en harde geluiden ervaren waarvoor zij niet kunnen wegvluchten. Bij een goed gesocialiseerde hond is dit in de regel geen probleem. Indien een hond goed gesocialiseerd is, en een eigenaar goed kijkt naar de behoefte en het karakter van zijn hond dan hoeft een show mijns inziens geen probleem te zijn. Ook dient de organisatie te zorgen voor een zo geschikt mogelijke omgeving. De Raad van Beheer op Kynologisch gebied heeft op hun shows bijvoorbeeld een eigen welzijnsteam rondlopen dat toezicht houdt op het welzijn van de deelnemende honden.
Wat vindt u ervan dat sommige baasjes de hond rustig proberen te houden door ze te betasten op het geslachtsdeel in plaats van iets te doen aan bovengenoemde problemen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 vind ik dit zeer ongepast. Indien een hond te onrustig wordt door zijn omgeving dan dient de eigenaar met de hond weg te gaan uit die omgeving.
Erkent u dat het eigen is aan hondenshows dat mogelijkheden voor de hond om natuurlijk gedrag te vertonen en zich te onttrekken aan beangstigende of stressvolle situaties, zeer gering zijn?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 6 dient een eigenaar goed te kijken naar zijn eigen hond en er voor te zorgen dat de hond geen onnodige stress ervaart. Ook dient de organisator te zorgen voor een geschikte omgeving voor de dieren.
Erkent u dat structurele welzijnsaantastingen onlosmakelijk verbonden zijn met hondenshows? Zo nee, waarom niet?
Indien op een show voldoende aandacht wordt besteed aan het welzijn van de honden, en alleen honden worden meegenomen die weinig stress ervaren ten gevolge van drukte en geluiden dan hoeft dit niet zo te zijn. Zo zijn er honden die al vanaf jongs af aan gewend zijn aan een dergelijke omgeving. Het is aan de houder van de hond om goed te kijken naar het karakter en het gedrag van zijn eigen hond om het welzijn van zijn hond te kunnen borgen. Het is aan de organisatoren van de show om te zorgen voor een goede inrichting van de locatie en het toezicht op het welzijn van de honden. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat hiermee artikel 1.3 van de Wet dieren wordt overtreden, waarin de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1.3 van de Wet dieren richt zich tot de overheid en bevat geen directe verplichting voor burgers. In het artikel wordt de intrinsieke waarde van dieren erkend en wordt de overheid verplicht om bij het stellen van regels en het nemen van besluiten bij of krachtens de Wet dieren ten volle rekening te houden met de gevolgen die deze regels hebben voor de intrinsieke waarde van het dier.
Waar baseert u het op dat honden het leuk zouden vinden om iets met hun baas te ondernemen in relatie tot hondenshows, waardoor u een verbod op hondenshows afwijst?2
Elke hond is anders. Welke activiteiten wel en niet leuk zijn voor de hond dan wel stress veroorzaken hangt af van het individuele dier. Veel mensen zijn actief met hun hond (speurtraining, behendigheid) en ik ben ervan overtuigd dat veel honden ook plezier beleven aan activiteiten. Indien zowel het karakter van de hond zelf in acht wordt genomen en de organisator en houders zich inspannen voor een zo welzijnsvriendelijke omgeving hoeft een show mijns inziens niet schadelijk te zijn voor de hond. Daarom wil ik een show ook niet verbieden. Wel acht ik het van belang dat er toezicht wordt gehouden op de show door vakbekwame personen en dierenartsen, zodat kan worden ingegrepen bij misstanden.
Bestaat er onafhankelijk onderzoek naar het welzijn van honden in relatie tot de (on)mogelijkheid van het vertonen van natuurlijk gedrag op hondenshows?
In het rapport «Ongerief bij gezelschapsdieren» van WUR en RUU (2010) wordt genoemd dat deelnemen aan evenementen tot stress kan leiden, maar dat dit voor goed gesocialiseerde honden geen ongerief hoeft op te leveren.
Wanneer ontvangt de Kamer uw plannen voor een efficiëntere en effectievere handhaving van de dierenwelzijnsbepalingen over fokkerij in het Besluit houders van dieren en bent u bereid in uw plannen specifiek toe te lichten hoe u de problematiek omtrent de fokkerij maar ook omtrent stress en de onmogelijkheid om natuurlijk gedrag te vertonen op hondenshows, aan wilt gaan pakken?3
Ik verwijs u hiervoor naar mijn Dierenwelzijnsbrief van 4 oktober 2018 en naar mijn brief over de voortgang van de hondenfokkerij en Fairfok heeft u onlangs van mij een brief gekregen.
Kunt u de vragen apart beantwoorden en niet gebundeld?
Ja.
Wat was de doelstelling van de Nederlandse subsidie voor het onderzoek van B’Tselem naar het Israëlische Hooggerechtshof?1 Klopt het dat die subsidie 176.000 euro betrof? Klopt het dat het onderzoek daarmee 4.100 euro per pagina heeft gekost? Kan de Minister specificeren waar het geld allemaal voor nodig was?
De Nederlandse bijdrage aan B’Tselem bedroeg in 2018 € 176.000. Deze bijdrage is toegekend op basis van een strategisch werkplan met verschillende activiteiten dat past binnen de doelstelling van B’Tselem om een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Dit sluit aan bij de Nederlandse inzet voor de verwezenlijking van de twee-statenoplossing. De steun aan B’Tselem is tevens conform de motie Sjoerdsma c.s. over steun aan mensenrechtenorganisaties in Israël d.d. 14/06/2016 (Kamerstuk 23 432, nr. 425). B’Tselem kon dit bedrag naar eigen inzicht gebruiken, mits de activiteiten aansloten bij het strategische werkplan en de Nederlandse beleidsdoelstellingen.
In het Nederlandse beoordelingsmemorandum (financieringsdocument) zijn de verschillende activiteiten uit het strategische werkplan overgenomen, ongeacht of deze met Nederlands geld bekostigd zouden worden. In 2018 bedroeg het totale budget van B’Tselem € 2,3 miljoen. Nederland droeg dus 7,6% van het budget bij. De rest van het geld is afkomstig van andere donoren, VN-organisaties, EU, mensrechtenfondsen, familiefondsen en private donoren.
Klopt het dat de Nederlandse regering betrokken is geweest bij het formuleren van de doelstelling van het onderzoek?
Nee. De onderzoeksdoelen zijn van tevoren door B’Tselem opgesteld, en de conclusies zijn door B’Tselem getrokken op basis van het uitgevoerde onderzoek. Nederland heeft op geen enkele manier op voorhand, of tijdens de uitvoering van het onderzoek sturing gegeven aan onderzoeksdoelen of conclusies.
Onderschrijft u de doelstelling van het rapport die erop gericht is «to «erode the status quo by challenging the principal mechanisms that maintain the occupation, and by calling for international action to end the occupation»?
De activiteiten en doelstellingen van B’Tselem, zoals geformuleerd in het strategisch werkplan, sluiten aan bij het Nederlands beleid dat gericht is op de verwezenlijking van vrede en veiligheid door het bereiken van de twee-statenoplossing, en daarmee een einde van de bezetting.
Is het kabinetsbeleid om «het beeld uit te hollen «that Israel seeks to promote of a clean and lawful occupation»», zoals in het artikel staat?
Deze formulering is afkomstig van B’Tselem. B’Tselem wil in Israël en daarbuiten de discussie aanzwengelen over de wijze waarop publieke instellingen bijdragen aan het voortduren van de bezetting en hoe dat de bezetting lijkt te legitimeren. B’Tselem heeft als doelstelling een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Dit sluit aan bij de inzet van het kabinet voor het behoud van perspectief op, en voor de verwezenlijking van, de twee-statenoplossing.
Deelt u de mening dat het merkwaardig is om een onderzoek te financieren dat bij voorbaat kritisch staat ten opzichte van een bevriende overheid?
De conclusies van het rapport zijn gebaseerd op het onderzoek dat B’Tselem heeft gedaan en stonden niet bij voorbaat vast. Nederland streeft naar het versterken van de banden met Israël binnen de grenzen van 1967, maar staat tegelijkertijd zeer kritisch tegenover het nederzettingenbeleid van Israël. Het werk van B’Tselem dat in Israël bijdraagt aan een discussie over de bezetting en de rol van Israëlische actoren daarbij, sluit aan bij de Nederlandse inzet voor het behoud en verwezenlijking van de twee-statenoplossing.
Hoe zou u het waarderen als een bevriend land een kritisch onderzoek naar het Nederlandse beleid of naar de Nederlandse rechterlijke macht financiert? Zijn daar voorbeelden van bekend?
Het kabinet steunt de ruimte voor het maatschappelijk middenveld en het bevorderen van mensenrechten waar dan ook ter wereld, dus ook in eigen land. Het kabinet is van mening dat een democratische rechtsstaat de beste voedingsbodem is voor welvaart, stabiliteit, groei en ontwikkeling.
De verzending van drugs via brievenpost |
|
William Moorlag (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Deze ondernemer krijgt ongevraagd cocaïne op de deurmat»1 en herinnert u zich uw antwoorden op de eerdere Kamervragen over het bericht dat criminelen misbruik maken van pakketbezorgers PostNL?2
Ja en ja.
Heeft u enig inzicht hoeveel drugs er via brievenpost vanuit Nederland worden verzonden? Zo ja, om welke hoeveelheid gaat het naar schatting? Zo nee, waarom heeft u dit inzicht niet? Acht u het een probleem dat het bestuderen waard is?
Nee, dat inzicht hebben wij niet omdat deze cijfers niet bekend zijn.
Het kabinet bekijkt met de partners of de aard en omvang in kaart is te brengen.
Ik verwijs u verder naar het antwoord hierna op vraag 4 en de antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Kuiken en Moorlag van 28 januari 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2187) en de antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Van Dam van 29 januari 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2186).
Kent u meer berichten van Nederlandse ondernemers of particulieren waarvan de adresgegevens klaarblijkelijk misbruikt worden voor het verzenden van drugs? Zo ja, wat is de aard en de omvang van die berichten? Zo nee, kunt u dit laten onderzoeken?
Vanuit de eenheden van de politie worden signalen ontvangen dat van zowel bedrijven als particulieren de adresgegevens worden misbruikt voor het verzenden van verdovende middelen naar het buitenland, om zo die zendingen naar het buitenland betrouwbaar te laten lijken. Zoals in het voorgaande antwoord reeds is aangegeven, gaat het kabinet met de partners kijken of de aard en omvang in kaart is te brengen.
Is het Postinterventieteam ook actief op het gebied van brievenpost? Zo ja, wat zijn de resultaten daarvan? Zo nee, waarom niet? Acht u interventies met betrekking tot brievenpost wel gewenst en hoe gaat u hier dan voor zorgen?
Het Postinterventieteam richt zich op pakketpost. Er zijn geen structurele drugscontroles op briefpost. Als er een vermoeden is van verboden inhoud in de briefpostzendingen worden deze overgedragen aan het Postinterventieteam dan wel de Douane voor verder onderzoek. Het is lastig verdachten op te sporen, omdat niet exact te achterhalen is waar de brief is gepost. Ik acht interventies gewenst met betrekking tot de wijze waarop drugs in briefpost terecht komen. Een voorbeeld daarvan is websites (al dan niet op Darkweb) uit de lucht halen waarop verboden middelen worden aangeboden. Hierdoor wordt het probleem dichter bij de bron aangepakt. Vanuit PPS «sensing», het Publiek-Private Samenwerkingsverband waarbij onder meer de politie, het Landelijke en Regionale Expertise centrum (RIEC), vervoerders waaronder PostNL en de Stichting Dutch Institute for Technology, Safety & Security (DITSS) samenwerken, wordt er al op integraal niveau onderzoek gedaan naar het misbruik van de logistieke sector door criminelen.
Hoe kunnen bona fide Nederlandse ondernemers of particulieren voorkomen dat zij onterecht worden aangezien voor drugscrimineel? Wat kunt u daaraan doen?
Personen die ongevraagd drugs ontvangen via de post, doen er goed aan dit zo snel mogelijk te melden bij de politie en de drugs daar in te leveren. Het lijkt in dat geval niet waarschijnlijk dat iemand – enkel op basis van die ongevraagde ontvangst van drugs – als verdachte zou worden aangemerkt.
Het schenden van regels van zoutbedrijven bij diesel in de ondergrond |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht over de zoutbedrijven die regels schenden bij het gebruik van diesel?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja. Het handhavingstraject dat Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) is gestart, is gericht op het in overeenstemming brengen van het gebruik van dieselolie bij nieuwe zoutwinningsactiviteiten met de geldende wet- en regelgeving. Ik ben het hiermee eens.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat Nedmag en Nouryon zich niet aan de regels hebben gehouden? Kunt u eveneens uitleggen hoe het kan dat dit nog niet eerder bekend is geworden?
Sinds eind zestiger jaren van de vorige eeuw wordt bij de zoutwinning voor het uitlogen van een caverne gebruik gemaakt van diesel als mijnbouwhulpstof. De diesel in de zoutcaverne drijft op de pekel en voorkomt zo dat de bovenkant van de zoutcaverne, het zogenoemde cavernedak, onbeheerst oplost.
In 2004 heeft Nouryon in overleg met SodM nieuwe voorschriften voor de winning van pekel en de ontwikkeling van cavernes ingevoerd. Deze regels worden de «Good Salt Mining Practice Guidelines» (GSMP-richtlijn) genoemd. De richtlijn beschrijft onder andere het gebruik van diesel om het dak van de caverne te beschermen en ook de wijze waarop de diesel in de caverne wordt gemonitord.
In 2006 is de Europese stoffenwetgeving «Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemicals» (REACH) van kracht geworden. REACH ziet er op toe dat alle in Europa gebruikte stoffen en ook de toepassing ervan worden geregistreerd bij het «European Chemical Agency» (ECHA) door producenten en of importeurs. Gebruikers van stoffen hebben de plicht om de risico’s van diesel bij zoutwinning in kaart te brengen, hiervan melding te maken bij ECHA en deze rapporten beschikbaar stellen voor SodM.
Het eindgebruik van diesel als mijnbouwhulpstof bij de zoutwinning voor de bescherming van het cavernedak bij zoutwinning had in dat kader geregistreerd moeten worden, maar is destijds door geen enkel zoutbedrijf geregistreerd bij ECHA. Ook blijken de chemische veiligheidsrapporten met bijbehorende blootstellingscenario’s niet afdoende opgesteld om te kunnen voldoen aan de REACH wetgeving.
Naar aanleiding van het onderzoek van SodM en de conclusies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RivM) dat niet wordt voldaan aan de REACH-wetgeving heeft in januari een gesprek plaatsgevonden met de drie zoutbedrijven en SodM. Zowel SodM als de zoutbedrijven zijn daarbij tot de conclusie gekomen dat momenteel niet wordt voldaan aan de REACH-wetgeving. SodM heeft toen een bestuursrechtelijk traject aangekondigd om naleving af te dwingen. Daarnaast heeft SodM de zoutbedrijven gevraagd om onderzoek te doen naar mogelijke alternatieven. Op 13 februari 2019 heeft SodM alle zoutbedrijven gevraagd voor 1 september 2019 de resultaten van hun onderzoek naar alternatieven voor het gebruik van diesel als mijnbouw hulpstof bij zoutwinning toe te sturen.
In mei 2018 heeft SodM ook het rapport «Staat van de Sector Zout»2 gepubliceerd. In mijn brief3 van 27 september 2018 heb ik aangegeven hoe ik de aanbeveling omtrent het gebruik van diesel zal opvolgen. De aangenomen motie4 van het lid Sienot c.s. verzoekt mij om samen met de zoutbedrijven te werken aan alternatieven voor het gebruik van diesel.
Zou de overtreding voor Nouryon niet direct moeten betekenen dat deze bestraft moet worden omdat het bedrijf al onder verscherpt toezicht staat?
Bestraffing bij de milieudelicten kan alleen strafrechtelijk. Het openbaar ministerie zal eigenstandig een afweging moeten maken of zij aanleiding ziet een strafrechtelijk onderzoek te starten.
SodM heeft in september 2016 verscherpt toezicht op Nouryon ingesteld vanwege een aantal vastgestelde lekkages bij boorputten en een groot aantal lekkages van pekel en brak water uit de horizontale transportleidingen. In mijn brief5 van 17 augustus 2018 heeft SodM het verscherpte toezicht op Nouryon geëvalueerd. SodM heeft geconcludeerd dat het verscherpte toezicht heeft geleid tot verbetering van de kwaliteit van het pijpleidingnetwerk en het monitoringssysteem. Ook heeft het een impuls gegeven aan het opsporen en saneren van putlekkages. SodM heeft ook geconcludeerd dat de huidige mijnbouwregeling afdoende basis geeft om daadkrachtig toezicht te houden en indien nodig handhavend op te treden.
Is dit voor Nedmag niet de aanleiding om ook onder verscherpt toezicht te komen, omdat keer op keer blijkt dat het bedrijf onzorgvuldig handelt of zich niet aan de regels houdt?
Uit het toezicht van SodM volgt niet het beeld dat Nedmag keer op keer onzorgvuldig heeft gehandeld. Een intensivering van het milieutoezicht door SodM heeft geleid tot een constatering van deze overtreding en een bestuursrechtelijk traject om naleving af te dwingen. Tot op heden stelt Nedmag zich coöperatief op en ziet SodM vooralsnog geen noodzaak tot verscherpt toezicht anders dan het intensieve contact wat reeds aan de orde is.
Bent u ook in het bezit van het veiligheidsrapport dat Nouryon heeft overhandigd aan het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)? Wanneer deelt u dat rapport met de Kamer?
Ja, mijn ministerie heeft twee rapporten van Nouryon ontvangen:
De rapporten zijn een onderdeel van het handhavingstraject dat SodM gestart is. Het is aan de toezichthouder om een oordeel te geven of de rapporten voldoen en of de registratie van diesel als mijnbouwhulpstof conform REACH is uitgevoerd. Ik zal uw Kamer over dit oordeel van SodM informeren. De bovengenoemde technische rapporten zal ik hierbij toevoegen.
Bent u bereid de zoutwinning per direct tot een minimum te beperken totdat het SodM conclusies heeft getrokken naar aanleiding van het onderzoek of gebruik van dieselolie überhaupt veilig is? Zo nee, hoe legt u dan uit dat er alleen sprake kan zijn van mijnbouw als het veilig kan?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Recente incidenten tonen aan dat risico’s bestaan met betrekking tot het gebruik van diesel als mijnbouwhulpstof bij zoutwinning. Het is van belang dat deze risico’s op een systematische wijze inzichtelijk zijn en het gebruik van diesel als mijnbouwhulpstof bij zoutwinning voldoet aan de geldende wetgeving. Dit maakt dat een weloverwogen afweging gemaakt kan worden over het gebruik van diesel als mijnbouwhulpstof bij zoutwinning.
Nu een bestuursrechtelijk traject is gestart, zal op afzienbare termijn blijken of de risico’s van dieselgebruik bij zoutwinning voldoende onder controle zijn. SodM zal de door de bedrijven ingediende chemische veiligheidsrapporten en daarbij behorend blootstellingscenario’s hierop beoordelen. Afhankelijk van de uitkomsten van dit traject zal bezien worden of nadere maatregelen nodig zijn.
Bent u bereid om, gezien de risico’s die zoutwinning met zich mee brengt en de onzorgvuldigheid die de zoutwinningsbedrijven betrachten, een afbouwplan voor zoutwinning te maken? Zo nee, bent u dan bereid te investeren in onderzoek naar vervangende producten waarbij geen mijnbouwactiviteiten nodig zijn?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Mijnbouw gaat gepaard met risico’s. Waar deze risico’s en de maatschappelijke gevolgen door deskundigen als beheersbaar en acceptabel worden geacht en de toezichthouder oordeelt dat mijnbouw veilig plaats kan vinden, wil ik deze niet verbieden of afbouwen. Mijn beleid, de vergunningverlening en het toezicht op de activiteiten zijn gericht op een zorgvuldige beoordeling van risico’s en toezicht op de activiteiten. Ik heb van de toezichthouder geen advies gekregen dat direct een afbouwplan gemaakt moet worden voor zoutwinning en ik zie geen aanleiding dat nu in gang te zetten.
De mantelzorgmakelaar in relatie tot de onafhankelijke cliëntondersteuner |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mantelzorgmakelaar trekt mensen tegen betaling uit zorgmoeras»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat het verschil is tussen een «mantelzorgmakelaar» en de «onafhankelijke cliëntondersteuning» waar cliënten binnen zowel de Wet langdurige zorg (Wlz)2, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)3 als de Zorgverzekeringswet (Zvw)4 recht op hebben?
De essentie van cliëntondersteuning is voor mij dat iemand naast de cliënt staat en hem of haar met informatie, advies en voorlichting bijstaat om een hulpvraag te verhelderen en de weg te vinden in «het stelsel». Onafhankelijk cliëntondersteuners helpen in het contact met gemeenten, zorgkantoren, instanties en aanbieders. Deze ondersteuning kan eenmalig zijn, maar kan ook periodiek nodig zijn gedurende enige of langere tijd. Door cliëntondersteuning worden regie en zelfredzaamheid versterkt, krijgen kwetsbare mensen passende voorzieningen om de grip op hun leven te versterken of om naar vermogen mee te doen in de samenleving. Wanneer de hulpvraag zich uitstrekt over meerdere levensdomeinen, kan cliëntondersteuning ook daarop adviseren en een bijdrage leveren aan integrale dienstverlening door gemeenten en instanties. Goede cliëntondersteuning, ook voor de mantelzorger, draagt dus bij aan het verlichten van mantelzorg.
Mantelzorgmakelaars richten zich specifiek op de zorg voor mantelzorgers. Mantelzorgers zijn soms veel tijd kwijt aan het invullen van formulieren om zorg en ondersteuning te regelen. De mantelzorgmakelaar biedt daarin belangrijke ondersteuning door regeltaken over te nemen, zodat de mantelzorger uiteindelijk op eigen kracht verder kan. Zij dragen bij aan het totale systeem van de mantelzorger, de cliënt en het sociale netwerk om overbelasting te verminderen. Het kan hierbij gaan om het aanvragen van een indicatie of een persoonsgebonden budget (pgb), het invullen van formulieren, het afstemmen van werk en privé met de werkgever, of het op orde krijgen van de financiële administratie. Op deze manier kan de mantelzorger de zorg langer volhouden. De mantelzorgmakelaar is daarmee een op mantelzorg gespecialiseerde cliëntondersteuner. Het extra van de mantelzorgmakelaar zit in de kennis van en werkzaamheden binnen alle wetten en tevens de preventieve taak om de mantelzorger te ondersteunen en zo nodig in gesprek te gaan met de werkgever ter voorkoming van een burn-out. De dienstverlening van een mantelzorgmakelaar is opgenomen in veel aanvullende zorgverzekeringen. Ook vergoeden sommige gemeenten de kosten voor een mantelzorgmakelaar.
Hoe verhoudt de (gecertificeerde) mantelzorgmakelaar waarvoor de mantelzorger in gevallen zelf betaalt, waarbij deze kosten op kunnen lopen tot € 70 per uur, zich tot de kosteloosheid van de onafhankelijk cliëntondersteuner zoals dit wettelijk is vastgelegd in artikel 2.1.4, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015?
Sinds de decentralisaties in 2015 is een markt ontstaan van partijen die onafhankelijke cliëntondersteuning bieden. Er zijn partijen die zich richten op een speciaal onderwerp of op een specifieke doelgroep. Hierdoor ontstaat keuzevrijheid voor de cliënt, mits de cliëntondersteuning is gecontracteerd of onderdeel is van de aanvullende polis van de cliënt Zvw. Het ontstaan van de markt voor cliëntondersteuning mag echter geen afbreuk doen aan het recht op gratis cliëntondersteuning. De gemeente heeft beleidsruimte in de wijze waarop de ondersteuningsfunctie wordt vormgegeven.
Cliënt en mantelzorger moeten samen vaststellen of een mantelzorgmakelaar van toegevoegde waarde kan zijn. En of deze dus ook vergoed wordt via een aanvullend pakket door de betreffende verzekering van de cliënt. In sommige gevallen zijn mantelzorgmakelaars tevens werkzaam bij een mantelzorgsteunpunt – bekostigd door de gemeente – en daarmee gratis toegankelijk. Tevens komt het voor dat de werkgever bereid is de mantelzorgmakelaar te vergoeden.
Klopt het dat gezien de definitie zoals gehanteerd in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015, namelijk dat een cliëntondersteuner iemand ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening, een onafhankelijke cliëntondersteuner ook de mantelzorger ondersteunt?
Ja, een mantelzorger kan ook gebruik maken van diensten van een onafhankelijke cliëntondersteuner.
Wat vindt u van de opkomst van allerlei nieuwe beroepen, zoals de mantelzorgondersteuners, mantelzorgmakelaar en mantelzorgconsulenten, gezien de wettelijke verplichting van uitvoerders als gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren, een cliëntondersteuner aan te bieden?
Ondersteuning van mantelzorgers vraagt om maatwerk vanuit de gemeente en de zorgverzekeraar om vast te stellen waar de mantelzorger behoefte aan heeft. Ik vind het een goede ontwikkeling als dit maatwerk bestaat uit onder andere het wegnemen van regeldruk via het inzetten van mantelzorgmakelaars en dat partijen hierin willen investeren. De centrale coördinatie binnen een gemeente voor het ondersteunen van mantelzorgers ligt veelal bij de lokale mantelzorgsteunpunten. Zij kunnen voorzieningen, zoals een mantelzorgmakelaar, aanbieden als uit het maatwerkgesprek blijkt dat overbelasting van de mantelzorger hierdoor voorkomen kan worden.
We zien in de praktijk dus wel degelijk dat mantelzorgmakelaars van toegevoegde waarde kunnen zijn in het ontlasten van de mantelzorger. Naast de diensten die de onafhankelijke cliëntondersteuner kan aanbieden.
Bent u bereid Saif al-Malook voor te dragen voor de Mensenrechtentulp, aangezien hij met gevaar voor eigen leven Asia Bibi verdedigd heeft in de zaak tegen haar vanwege vermeende godslastering?
De afgelopen jaren, wanneer er een reguliere uitreiking van de Mensenrechtentulp plaatsvond, kon iedereen een mensenrechtenverdediger of -organisatie nomineren om in aanmerking te komen voor de Mensenrechtentulp. Vervolgens beoordeelde een onafhankelijke jury de nominaties. In de oproep voor nominaties en de eerste fase van de selectieprocedure heeft de Minister van Buitenlandse Zaken geen rol. Alleen in 2018 is eenmalig afgeweken van deze procedure met een speciale editie van de Mensenrechtentulp vanwege het 70-jarig bestaan van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief over de intensivering van het mensenrechtenbeleid d.d. 30 oktober 2018 (Kamerstuk 32 735, nr. 227) wordt momenteel verkend op welke manier het doel en de impact van de Mensenrechtentulp verder kunnen worden geoptimaliseerd. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten van deze verkenning.
Nu hij met gevaar voor eigen leven is teruggekeerd om ook de laatste fase van Asia Bibi’s proces zelf af te ronden en haar opnieuw te verdedigen, bent u bereid hem opnieuw bescherming te bieden wanneer de bedreigingen tegen hem opnieuw urgent worden? Is hij te allen tijde welkom in Nederland als zijn veiligheidssituatie dat vereist?
Het kabinet kan niet vooruit lopen op een eventueel nieuw verzoek van de heer Malook voor bescherming en/of plaatsing in het Shelter City programma in Nederland. Tijdelijke opvang in het Shelter City programma is in principe voor een periode van maximaal 3 maanden.
Klopt het dat het Europese Schengenvisum van de heer Malook nog steeds geldig is?
Het Schengenvisum voor de heer Malook is niet afgegeven door Nederland. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de geldigheid van het Schengenvisum van individuen, mede omdat het kabinet niet gemachtigd is deze persoonsgegevens te delen.
Kan Nederland bijdragen aan zijn veiligheid in Pakistan? Zo ja, hoe?
De heer Malook heeft zelf de keuze gemaakt Nederland te verlaten en terug te keren naar Pakistan. Het is aan de Pakistaanse autoriteiten om zorg te dragen voor zijn veiligheid als hij daar om zou vragen.
Is Saif ul-Malook welkom om de Mensenrechtentulp zelf in Nederland in ontvangst te nemen, mocht deze inderdaad aan hem worden toegekend?
Het kabinet nodigt de winnaar van de Mensenrechtentulp standaard uit in Nederland om de prijs in ontvangst te nemen.
De uitwerking FATCA voor Nederlandse burgers en signalen dat bankrekeningen geblokkeerd gaan worden |
|
Steven van Weyenberg (D66), Helma Lodders (VVD), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van verschillende banken aan de mensen die te maken hebben met de gevolgen van FATCA (Foreign Account Tax Compliance Act), waarbij aangekondigd wordt dat als de TIN of CLN niet wordt opgestuurd de bankrekening(en) worden geblokkeerd of beëindigd?
Ik ben bekend met het feit dat banken brieven met een steeds indringender toon aan hun rekeninghouders sturen over FATCA. In deze brieven vragen zij hun rekeninghouders die kwalificeren als US Person om extra gegevens – zoals hun Amerikaanse burgerservicenummer (US TIN of SSN) – aan te leveren. Banken hebben immers de verplichting om gegevens te verzamelen over alle US Persons die een rekening bij deze bank aanhouden. De IRS stelt op zijn website expliciet dat indien een US Person het US TIN niet verstrekt, dit ertoe kan leiden dat de (niet-Amerikaanse) bank niet langer bankdiensten kan verlenen.1
De banken zitten in een spagaat. Enerzijds kunnen zij getroffen worden door sancties van de VS als zij niet aan hun (Amerikaanse) verplichtingen voldoen. Zij hebben daarom de laatste jaren veel moeite gedaan om de US Persons in hun klantenkring te wijzen op hun Amerikaanse verplichtingen. Ze hebben daar verschillende brieven aan gewijd richting deze groep. Met ingang van 1 januari 2020 komt een eind aan de Amerikaanse overgangsregeling die inhoudt dat de banken een geboortedatum in plaats van een Social Security Number (SSN) mogen aanleveren van hun rekeninghouders die kwalificeren als US Person. De VS hebben dan US Persons vijf jaar de tijd gegeven om een SSN aan te vragen.
Anderzijds moeten banken voldoen aan Nederlandse regelgeving (op grond van een geïmplementeerde Europese richtlijn) op het gebied van basisbetaalrekeningen. Op grond hiervan zijn banken in Nederland – kort samengevat – verplicht om een basisbetaalrekening aan te bieden, tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is. Een basisbetaalrekening is – kort gezegd – een betaalrekening waarbij geen debetstand mogelijk is. Het enkel ontbreken van een US TIN/SSN vormt voor de toepassing van deze wetgeving geen weigeringsgrond en kan daarmee geen aanleiding zijn om een basisbetaalrekening te weigeren of op te zeggen (zie ook het antwoord op vraag 6, 11 en 12). Ik wil benadrukken dat de gegevens van Amerikaanse rekeninghouders – ook degenen die geen US TIN/SSN hebben aangeleverd bij hun bank – door de banken bij de Nederlandse Belastingdienst worden gerapporteerd en vervolgens worden verstrekt aan de VS. Amerikaanse onderdanen die in Nederland wonen zijn op basis van Amerikaanse nationale wetgeving aangifte- en belastingplichtig in de VS. Voor het voldoen aan hun Amerikaanse (fiscale) verplichtingen is een US TIN/SSN vereist.
Kunt u, in het verlengde van de op 8 maart 2018 beantwoorde Kamervragen over de omvang van de groep die te maken heeft met de gevolgen van FATCA, aangeven of u inmiddels kan bevestigen dat het om ongeveer 40.000 mensen in Nederland gaat die de Nederlandse en Amerikaanse nationaliteit hebben?1
Dat kan ik niet bevestigen. Wel kan ik u de volgende informatie verstrekken. Met betrekking tot FATCA wordt door Nederlandse banken over 48.000 rekeningen van natuurlijke personen gerapporteerd aan de VS (cijfers 2018). Van deze rekeningen is voor 60% van de gevallen een US TIN/SSN voorhanden en voor 40% niet. Dit aantal is echter niet gelijk aan het aantal mensen in Nederland dat zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit heeft. Dat heeft de volgende oorzaken:
De NVB heeft mij geïnformeerd dat de banken de systemen recent hebben doorzocht op te rapporteren rekeningen van personen die worden aangemerkt als US Person op basis van hun Amerikaanse geboorteplaats, een adres in Nederland hebben en waarbij er geen geldig US TIN/SSN is. Hierbij gaat het naar schatting van de NVB om rekeningen van bijna 1.000 personen. In deze groep zitten geen andere rekeningen waarover ook gerapporteerd moet worden, bijvoorbeeld personen die zelf – middels een self certification formulier – verklaren US Person te zijn, Amerikaanse expats, of omdat een van de ouders de Amerikaanse nationaliteit heeft. Momenteel wordt nog nader onderzoek gedaan naar de totale populatie US Persons waarvan nog geen US TIN/SSN voorhanden is.
Klopt het dat je de Amerikaanse nationaliteit automatisch krijgt als je geboren bent in Amerika (ook al ben je er met je ouders op vakantie)?
Ja dat klopt. Tijdens de behandeling van het FATCA Verdrag in uw Kamer is aangegeven onder welke omstandigheden iemand het Amerikaans staatsburgerschap verkrijgt.3
Klopt het dat de Amerikaanse nationaliteit pas bij het bereiken van de leeftijd van achtien jaar kan worden opgezegd, dat dit 2.350 dollar kost en dat opzegging alleen kan als betrokkene geen belastingachterstand heeft?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat ook de mensen met een geldige «greencard» (verblijfsvergunning) geraakt worden door FATCA, omdat zij in Amerika belastingplichtig zijn? Kunt u bevestigen dat dit een groep is van ongeveer 100.000 mensen?
Ja, ook greencard houders kunnen belastingplichtig zijn in de VS. Een greencard kan ongeldig worden bij verblijf buiten de VS langer dan 1 jaar. De situatie dat men in Nederland woont en belasting moet betalen in de VS omdat men een greencard heeft, zal zich dus niet vaak voordoen. Of er 100.000 greencard houders in Nederland zijn kan ik niet bevestigen.
Is een bank verplicht om iedere inwoner van Nederland een betaalrekening te verstrekken? Zo ja, waar is deze plicht voor banken en/of het recht voor inwoners vastgelegd (zowel nationaal als Europees)? Klopt het dat regelgeving van buiten de Europese Unie deze plicht of het recht kan overrulen? Wat vindt u van deze situatie?
In de eerste plaats is het in beginsel aan banken om te bepalen welke klantengroepen zij willen bedienen en dus met welke klanten zij een relatie willen aangaan. In dat kader mogen banken zelf bepalen of zij een betaalrekening met een bepaalde rekeninghouder al dan niet willen voortzetten, mits banken zich daarbij houden aan de geldende wet- en regelgeving.
In 2016 zijn bepalingen over de toegang tot een basisbetaalrekeningen opgenomen in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Dit betreft implementatie van regels uit de Richtlijn betaalrekeningen (PAD). Op grond hiervan zijn banken in Nederland – kort samengevat – verplicht om op aanvraag een basisbetaalrekening te openen, tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is. Deze weigeringsgronden worden expliciet – en limitatief – genoemd in de Wft.
Een bank weigert bijvoorbeeld een verzoek om een basisbetaalrekening te openen indien niet wordt voldaan aan de bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) gestelde eisen.7 Ook een bestaande rekening kan worden opgezegd als niet wordt voldaan aan de eisen uit de Wwft. Een voorbeeld hiervan is als er sprake is van een (hoog) risico op witwassen en/of belastingontduiking. Het enkel ontbreken van een US TIN/SSN zal op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat een rekeninghouder een hoog risico vormt in de zin van de Wwft, op grond waarvan een basisbetaalrekening zou moeten worden geweigerd of een bestaande betaalrekening zou moeten worden beëindigd vanwege het niet voldoen aan de eisen van de Wwft. Hierbij moet een bank in een individueel geval aantonen dat er sprake is van opzettelijk witwassen en/of belastingontduiking. Gelet hierop zijn banken op grond van de Wft verplicht om – op aanvraag – een basisbetaalrekening te openen voor een US Person die niet beschikt over een US TIN/SSN, als geen sprake is van een weigeringsgrond.
Indien het huidige overgangsrecht niet wordt verlengd8, kan de IRS banken die niet van iedere Amerikaanse rekeninghouder een US TIN/SSN rapporteren niet compliant verklaren. Deze situatie is niet uniek voor Nederland; in elke lidstaat doet deze situatie zich voor. Er is echter een lange weg te gaan voordat de IRS een Nederlandse bank definitief als significant niet compliant zal aanmerken. Hiervoor moet sprake zijn van significante tekortkomingen van de Nederlandse bank. Ook krijgt een Nederlandse bank op grond van de FATCA IGA een periode van 18 maanden om eventuele tekortkomingen te herstellen.
Ik acht het – zeker in dit stadium – niet voor de hand liggen dat een Nederlandse bank als «significant niet compliant» wordt verklaard. Nederlandse banken rapporteren bij 60% van hun Amerikaanse bankrekeningen een Amerikaanse US TIN/SSN en leveren forse inspanningen om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit FATCA en de IGA (zie ook antwoord op vraag 10).
Wat vindt u van het schrijven van banken dat rekeningnummers geblokkeerd worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven wat er gebeurt als een bankrekeningnummer voor een inwoner geblokkeerd wordt? Op welke manier kan deze persoon bijvoorbeeld een salaris ontvangen of de betaling aan de Nederlandse Belastingdienst voldoen?
De Nederlandse Vereniging van Banken («NVB») heeft mij geïnformeerd dat bij een algehele blokkade van een rekening (een blokkade voor af- en bijschrijvingen) deze rekening niet meer kan worden gebruikt door een klant. Inkomsten en uitgaven zijn dus niet mogelijk via deze rekening. Een blokkade kan ook slechts voor afschrijvingen van de rekening gelden. In dat geval kan de klant geen betalingen meer verrichten, maar kunnen er nog wel bijschrijvingen plaatsvinden.
Wat vindt u van de situatie dat steeds meer banken geen zogenoemde US persons (zowel de groep Nederlanders met een dubbele nationaliteit als de greencardhouders) als klant willen of kunnen hebben? Bent u bekend met de situatie dat mensen gevraagd worden naar hun status en dat, indien sprake blijkt te zijn van een US person, deze persoon als klant geweigerd? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen spaarproducten en beleggingsproducten?
In de eerste plaats is het in beginsel aan banken om te bepalen welke klantengroepen zij willen bedienen en dus met welke klanten zij een relatie willen aangaan. In dat kader mogen banken zelf bepalen of zij een betaalrekening met een bepaalde rekeninghouder al dan niet willen voortzetten, mits banken zich daarbij houden aan de geldende wet- en regelgeving. Als US Persons beschikken over een SSN of de aanvraag daarvan kunnen aantonen, zullen de banken de bank- en spaarrekeningen niet sluiten. Als een US Person niet beschikt over een US TIN/SSN is, kan dat voor een bank een aanleiding om dienstverlening te weigeren of beëindigen. Een bank zal zich daarbij wel altijd moeten houden aan de regels omtrent de basisbetaalrekening (zie antwoord op vraag 6 en4. Dat is anders als het gaat om beleggingsproducten. Daarvoor gelden de regels rondom basisbetaalrekeningen niet. Er gelden echter ook strikte (Amerikaanse) regels voor het aanbieden van beleggingsproducten aan US Persons. Dat laatste is echter niet het gevolg van FATCA-wetgeving, maar veelal van niet-fiscale regelgeving zoals de Dodd Frank Act. De uitvoering van effectendiensten aan US Persons is op grond van Amerikaanse effectenwetgeving alleen toegestaan met een registratie als broker/dealer of investment adviseur bij de Securities Exchange Commission (SEC), de Amerikaanse toezichthouder voor effectentransacties. Alleen als een bank daar als zodanig is geregistreerd is het toegestaan om beleggingsdiensten aan te bieden aan US Persons buiten de VS.5
Wat is er veranderd tussen 14 december 2017, toen u in de beantwoording van Kamervragen schreef dat een financiële instelling geen sancties hoeft te vrezen, indien voldaan wordt aan de verplichtingen die volgen uit de FATCA en de Inter Governmental Agreement (IGA) tussen Nederland en de VS, en het huidige moment, waarop steeds meer banken overgaan tot het blokkeren van bankrekeningen? Welke stappen gaat u ondernemen richting de banken?2
Een financiële instelling hoeft nog steeds geen sancties te vrezen indien voldaan wordt aan de verplichtingen die volgen uit FATCA en de IGA tussen Nederland en de VS. Een van de verplichtingen is het verstrekken van de US TIN/SSN’s van de US Persons door banken. Wat wel is veranderd, is dat de overgangsregeling, bedoeld om tijdig een SSN te kunnen verkrijgen, aflopend is. Deze overgangsregeling is in september 2017 door de VS verlengd en eindigt op 31 december 2019. Het aflopen van de regeling heeft tot gevolg dat banken hun klanten die US Person zijn nogmaals aanmanen een SSN te verkrijgen.
Naar de letter van de (Amerikaanse) wetgeving zouden banken die niet van alle Amerikaanse rekeninghouders de US TIN/SSN hebben gerapporteerd in de toekomst als niet compliant kunnen worden aangemerkt. Dit geldt niet alleen voor Nederlandse banken, maar ook voor alle andere niet-Amerikaanse banken.
Het ministerie heeft richting de NVB aangegeven dat de problemen die Nederlandse banken ervaren met het verzamelen van de benodigde US TIN/SSN gegevens niet fundamenteel zal verschillen van andere niet-Amerikaanse banken. Daarop heeft de NVB aangegeven dat het met name de visie van de Amerikaanse bevoegde autoriteit belangrijk vindt wanneer een bank als «(significant) niet compliant» wordt aangemerkt. Op basis van FATCA en de IGA is het immers uiteindelijk aan de Amerikaanse bevoegde autoriteit om aan de hand van de aangeleverde gegevens vast te stellen of en in welke situatie bij een niet-Amerikaanse bank sprake is van «significant non-compliance». Binnen dit kader ondersteun ik dan ook de brief die de NVB samen met de andere Europese banken in februari 2019 aan de Amerikaanse autoriteiten heeft gestuurd over het mogelijk verlengen en/of uitbreiden van het huidige overgangsrecht.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor mensen als zij geen rekeningnummer hebben? Kunt u ingaan op alle verschillende rekeningen die er zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Kunnen banken aangesproken worden op de zorgplicht? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet en vindt u dit een wenselijke situatie?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u ermee bekend dat Nederlandse banken uit angst voor sancties alleen zaken willen doen met andere banken op de zogenoemde witte lijst, die dus ook geen klanten hebben met de Amerikaanse nationaliteit?
Ik ga ervan uit dat met de «witte lijst» de banken worden bedoeld die kwalificeren als deelnemende bank (Participating FI) op grond van FATCA. Volgens het FATCA-raamwerk dienen banken die willen kwalificeren als Participating FI zich te registreren op de website van de Amerikaanse belastingdienst.9 Ik heb de NVB gevraagd hoe onder hun leden wordt omgegaan met de toepassing van deze lijst.
De NVB geeft aan dat met de registratie als Participating FI de bank aangeeft dat zij de voorschriften met betrekking tot FATCA toepast en zich ertoe verbindt om Amerikaanse rekeninghouders te rapporteren. Registratie op deze lijst betekent dat andere banken kunnen zien dat hun bancaire tegenpartij een Participating FI is, zodat er geen verplichtingen zijn om Amerikaanse boetebelasting op bepaalde betalingen in te houden. Als een bank niet op de lijst staat, betekent dit dat deze ervoor heeft gekozen om niet te voldoen aan FATCA of dat deze bank is gesanctioneerd door de Amerikaanse belastingdienst en vervolgens van de lijst is verwijderd. Als een bank is gesanctioneerd en van de lijst is verwijderd, kunnen tegenpartijen overwegen om niet langer zaken te doen met dergelijke gesanctioneerde banken als dit niet past binnen hun beleid inzake fiscale integriteit.
Het is in deze context dus niet relevant of de betreffende bank wel of geen klanten heeft met de Amerikaanse nationaliteit.
Klopt het dat een Nederlander met de Amerikaanse nationaliteit alleen door de Internal Revenue Service (IRS) gecontroleerd wordt wanneer hij meer dan 50.000 dollar aan spaargeld heeft?
Nee, dat klopt niet. Wel is het zo dat de banken de mogelijkheid hebben om een drempel te hanteren van 50.000 dollar op een rekening op de peildatum (31 december). Onder deze drempel hoeven zij de rekening van een natuurlijk persoon dan niet te rapporteren. Indien men boven dat bedrag uitkomt moet er alsnog gerapporteerd worden.
Wat vindt u van de situatie dat klanten bij wie blijkt dat zij een US person zijn bijvoorbeeld de beleggingshypotheekrekening kan worden opgezegd? Acht u het rechtvaardig dat sommige hypotheekvormen, namelijk die met een beleggingscomponent, niet voor alle Nederlanders toegankelijk zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 9 mogen beleggingsproducten niet aangeboden worden aan US Persons door een bank die niet geregistreerd is bij de SEC. Dit is dus niet het gevolg van FATCA wetgeving. Het niet toegankelijk zijn van deze producten voor Nederlanders die tevens US Person zijn, is dus het gevolg van Amerikaanse wetgeving ten aanzien van beleggingsproducten. Voor beleggingshypotheken geldt geen vergelijkbare regeling als die omtrent «basisbetaalrekeningen» zoals beschreven in antwoord op vraag 6 en 12.
Bent u bekend met de situatie dat van de 40.000 mensen die de Nederlandse en Amerikaanse nationaliteit hebben de helft nog geen zogeheten social security number heeft? Kunt u aangeven of het mogelijk is dat deze mensen nog voor het einde van het jaar een social security number kunnen ontvangen? Zo nee, wat gaat u doen aan deze situatie waarbij dus 20.000 mensen de kans lopen dat zij zonder een bankrekeningnummer komen te zitten?
Op dit moment wordt van 60% van de in beeld zijnde bankrekeningen voor FATCA een US TIN/SSN gerapporteerd. Indien Amerikaanse onderdanen nog geen nummer hebben, verwacht ik dat in de meeste gevallen waarin een juiste en complete aanvraag nu wordt ingediend voor het einde van het jaar een US TIN/SSN kan worden afgegeven.
Mogelijk hebben de meeste US Persons die nog niet over een US TIN/SSN beschikken, inmiddels een SSN aangevraagd. Zij hebben immers de eerste brieven hierover van hun bank in 2015 ontvangen. Er is contact met de VS autoriteiten over de procedure van de SSN-aanvraag en de daaraan gerelateerde gewijzigde bereikbaarheid van het VS consulaat in Nederland. De in de vragen naar voren gedragen punten zijn daarbij ook (nogmaals) overgebracht. Tevens probeer ik langs verschillende wegen te bewerkstelligen dat banken kunnen volstaan met het rapporteren van een geboortedatum in plaats van een SSN. Dat zou het permanent maken van de overgangsregeling betekenen. Ik kan dat niet alleen, daarom breng ik het onderwerp ook onder de aandacht van mijn collega’s in de andere EU-lidstaten.
Is er een alternatief voor deze mensen? Zo ja, welk alternatief en hoe ziet de procedure eruit om voor een alternatief in aanmerking te komen? Welke bank(en) gaan deze procedure en dit alternatief uitvoeren? Zo nee, wat betekent dit voor deze mensen?
Er is nog geen alternatief voor de aanvraag van een SSN. Afstand doen van je Amerikaanse nationaliteit is slechts een optie als men al over een SSN beschikt. Bovendien moet dan nog over de vijf voorgaande jaren belastingaangifte gedaan worden.
Bent u ermee bekend dat, om een social security number aan te vragen, mensen een geboortebewijs moeten opvragen, dat bij het aanvragen van je geboortebewijs een social security number gevraagd wordt, en dat de doorlooptijd zes tot negen maanden bedraagt? Bent u ermee bekend dat bij het aanvragen van een geboortebewijs aangetoond moet worden dat de betreffende persoon in Nederland heeft gewoond? Weet u dat deze bewijzen afgegeven dienen te worden bij het consulaat? Bent u het ermee eens dat het voor de mensen die nog moeten starten met het aanvragen van het social security number bijna onmogelijk is om nog tijdig over dit nummer te beschikken? Wat gaat u voor deze mensen doen?
Zie antwoord vraag 16.
Bent u bekend met de gewijzigde procedure van het consulaat waarbij mensen vanaf 1 januari 2019 maar één uur per maand (inloop, dus niet op afspraak) terecht kunnen op het consulaat voor deze procedure? Bent u bereid om met het consulaat het gesprek aan te gaan en te pleiten voor een betere en snellere bereikbaarheid van de dienstverlening?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u – in aanvulling op uw beantwoording tijdens het debat op 6 februari 2019 over de goedkeuring van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving – nader ingaan op de IGA tussen Nederland en de Verenigde Staten? Wat is daarin exact geregeld dat raakt aan FATCA en de medewerking van Nederland aan de uitvoering daarvan, hoe wordt hieraan uitvoering gegeven en welke mogelijkheden zouden er eventueel zijn om zowel door andere vormgeving of uitvoering van de IGA de gevolgen voor Nederlanders die worden geraakt door FATCA te beperken?
De IGA is het op 18 december 2013 tot stand gekomen Verdrag tussen Nederland en de VS tot verbetering van de internationale naleving van de belastingplicht en tenuitvoerlegging van de FATCA. De goedkeuring van dit verdrag is voorgelegd aan beide Kamers en grondig besproken.10 Andere Europese landen hebben gelijksoortige IGA’s gesloten met de VS
In de IGA is afgesproken dat informatie wordt uitgewisseld over personen die in het andere land belastingplichtig is. Nederland ontvangt dus bankinformatie van de VS over personen die belastingplichtig zijn in Nederland (in de regel: inwoner zijn van Nederland). Nederland stuurt bankinformatie aan de VS over personen die belastingplichtig zijn in de VS (in de regel: inwoners van de VS en onderdanen van de VS).
Op grond van het Amerikaanse belastingsysteem moet elke inwoner van de VS (ongeacht de nationaliteit) en elke Amerikaanse staatsburger (ongeacht zijn woonplaats) belastingaangifte doen in de VS. FATCA heeft tot doel informatie van Amerikaanse belastingplichtigen gerapporteerd te krijgen om vermogen en inkomen dat ten onrechte niet is aangegeven in de VS, in de Amerikaanse belastingheffing te kunnen betrekken. De bedoeling was belastingontwijkers op te sporen. De IGA en de FATCA leggen dus niet de verplichting op om aangifte te doen in de VS want die verplichting was er al. De IGA heeft met name druk gezet op de financiële instellingen om de informatie te verstrekken door de dreiging van pittige sancties als de banken niet meewerken, namelijk een 30% strafheffing over bepaalde inkomsten.
De wereldwijde belastingplicht van Amerikanen in combinatie met het feit dat je de Amerikaanse nationaliteit al verkrijgt als je geboren bent in de VS of als (een van) je ouders Amerikaan zijn (is), kan tot onverwachte gevolgen leiden. Iemand hoeft nooit in de VS geweest te zijn, of heeft er slechts als kind gewoond, en er later achter komen toch belastingaangifte te moeten doen in de VS.
Kunt u aangeven of er in de afgelopen periode nog overleg is geweest met de Verenigde Staten? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken?
Vanuit het ministerie is aandacht gevraagd bij de Amerikaanse ambassade voor de wijzigingen in de openingstijden rondom de US TIN/SSN aanvraagprocedure vlak nadat de eerste signalen daarover zijn opgevangen. Daarnaast zijn er diverse contactmomenten geweest met de Amerikaanse regering. Daarbij heeft een vertegenwoordiging van de Commissie de FATCA-problematiek en de toegang tot bancaire dienstverlening van «accidental Americans» bij het Amerikaanse Department of Treasury aan de orde gesteld. Vertegenwoordigers van de Commissie hebben de problematiek zowel op ambtelijk niveau als op politiek niveau aangekaart bij het Department of Treasury.
In navolging daarop heeft de Nederlandse ambassade ook contact opgenomen het Department of Treasury om verschillende oplossingen – zowel binnen als buiten het fiscale domein – te bespreken. Hierbij is gesproken over aanpassingen in de SSN/TIN aanvraagprocedure, de procedure om afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit en wijzigingen in de FATCA-regelgeving (zoals het permanent maken van de huidige overgangsregeling die eind 2019 afloopt). De Nederlandse ambassade in Washington blijft een aanjagende rol spelen om het gesprek in Washington op gang te houden. Ook zelf ben ik voornemens om naar de Verenigde Staten af te reizen om hierover in gesprek te gaan met de Amerikaanse regering.
Kunt deze vragen beantwoorden vóór het gesprek dat de commissie voor Financiën voert met de Amerikaanse Ambassadeur op 27 maart aanstaande?
Ja.
Het data-lek bij het ziekenhuis OLVG waardoor onbevoegde studenten medische dossiers hebben ingezien |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Patiëntdossiers in te zien door lek bij ziekenhuis OLVG»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met het bewuste artikel. Ik vind het zorgelijk als medische gegevens van patiënten in verkeerde handen vallen. Patiënten moeten te allen tijde kunnen vertrouwen op het veilig beschermen en delen van hun gegevens. Zorgaanbieders zijn in eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de informatieveiligheid van hun patiënten. Ze moeten passende maatregelen nemen om ongeoorloofde inzage in patiëntendossiers te voorkomen en adequaat handelen wanneer een datalek zich voordoet.
Het OLVG heeft mij als volgt gemeld. Het OLVG heeft melding gemaakt van een datalek bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en er zijn maatregelen genomen. Men heeft mij ook gemeld dat de autorisatie van medewerkers tot de EPD-systemen verder is aangescherpt en dat privacy een nadrukkelijker plek in het inwerkprogramma voor werkstudenten en voor alle andere medewerkers binnen het OLVG krijgt. Het OLVG doet onderzoek naar de dossiers die onrechtmatig zijn ingezien door onbevoegde werkstudenten. Betrokken patiënten en de AP zullen over de resultaten van het onderzoek worden geïnformeerd.
Is al bekend hoeveel en welke dossiers het betreft en zijn de betreffende patiënten op de hoogte gesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hebben onbevoegde werkstudenten nog steeds toegang of is het data-lek inmiddels waterdicht?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u al een actieplan klaarliggen om deze en andere data-lekken in de zorgsector aan te pakken?
Zoals ik in de beantwoording op vragen 1, 2 en 3 heb aangegeven valt informatiebeveiliging in de eerste instantie onder de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders zelf. Zorgaanbieders moeten zich reeds onder meer houden aan een aantal zorgbrede Nederlandse normen voor informatieveiligheid in de zorg (NEN-normen) en de voorschriften van de Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG). Datalekken of andere ICT-incidenten moeten worden gemeld bij de AP.
Gezien het belang van informatieveiligheid ondersteunt VWS de zorgsector hierbij in toenemende mate. Zoals ik in mijn Kamerbrief over «Elektronische gegevensuitwisseling in de zorg» van 20 december 2018 jl. heb aangekondigd, wil ik toewerken naar wettelijke verplichting om onder andere veiligheidsbelemmeringen in elektronische gegevensuitwisseling in de zorg aan te pakken. Daarnaast is met ondersteuning van VWS het Computer
Emergency Response Team (Z-CERT) voor de zorgsector opgezet en in januari 2018 officieel gestart. Deze organisatie helpt aangesloten zorginstellingen bij monitoring, preventie en reparatie van ICT-incidenten. VWS ziet Z-CERT als het cybersecuritycentrum voor de zorg en draagt bij aan de doorontwikkeling ervan.
Ik vind dat alle zorginstellingen aangesloten zouden moeten zijn bij een organisatie als Z-CERT. Zoals toegezegd op de aangenomen motie Ellemeet2 onderzoek ik het verplichtstellen van de deelname van zorginstellingen aan Z-CERT zal tevens de publieke rol ten aanzien van informatieveiligheid in de zorg herijken. Ik zal uw Kamer hierover in de loop van dit jaar informeren.
Tot slot hebben zorgkoepels in samenwerking met VWS een Actieplan Verhoging bewustzijn informatiebeveiliging Patiëntengegevens opgesteld en hiermee de verhoging van bewustwording van informatiebeveiliging zelf opgepakt. Het Actieplan is uitgebreid en verbreed naar alle zorgbranches. Het actieplan wordt geleid door Brancheorganisaties Zorg (BoZ). Voor het zomerreces wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het actieplan.
Deelt u de mening dat we moeten stoppen met het delen van complete medische dossiers en dit moeten beperken tot een basisset waar de patiënt zelf de regie over voert? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat niet één basisset van gegevens die op zichzelf voldoet in alle uitwisselingen van informatie die in het kader van behandeling plaatsvinden. Elke overdracht en uitwisseling vereist een andere set gegevens die noodzakelijk is voor de (vervolg)behandeling van een patiënt.
Regie voor de patiënt omarm ik van harte. Ik vind het van groot belang dat patiënten weten waar hun gegevens zich bevinden en weten en mee kunnen bepalen wat ermee gebeurt. In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (de WGBO) is geregeld dat gegevens uit een medisch dossier alleen met toestemming van de patiënt aan anderen kunnen worden verstrekt. Uit de WGBO volgt echter ook een aantal uitzonderingen op deze regel. Zo is expliciete toestemming niet nodig voor het verstrekken van noodzakelijke inlichtingen aan degene die rechtstreeks betrokken is bij de behandelrelatie en degene die optreedt als vervanger van de hulpverlener.
Het proces rond het Beeguidance document |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat u de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie over het proces rond het Beeguidance Document en de Nederlandse positie hierin, gesteld in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019, niet of nauwelijks heeft beantwoord?1
Ik heb de vragen bij het schriftelijk overleg zo goed en beknopt mogelijk trachten te beantwoorden door aan te geven dat de Europese Commissie het EFSA Bee guidance document gefaseerd wil invoeren als EU geharmoniseerd richtsnoer, dat Nederland voorstander is van zo’n geharmoniseerd richtsnoer, dat er inhoudelijk nog niets is veranderd, dat uw Kamer wordt geïnformeerd zodra er een concreet voorstel gereed is en dat besluitvorming op zijn vroegst in maart 2019 zal plaatsvinden. Ondertussen is gebleken dat besluitvorming op zijn vroegst in mei zal plaatsvinden.
Kunt u onderstaande vragen, gesteld tijdens het genoemde schriftelijk overleg en hieronder herhaald (vraag 3 tot en met 9) per stuk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja, maar aangezien enkele vragen overlap vertonen, is verwijzing naar eerdere antwoorden onvermijdelijk.
Kunt u de Kamer laten weten hoe de discussie over het Beeguidance document van de European Food Safety Authority (EFSA) tot nu toe is verlopen?
Sinds de totstandkoming van het Bee guidance document in 2013 is het document nog niet vastgesteld door het Permanent Comité van de lidstaten (SCoPAFF) en wordt zodoende niet geharmoniseerd toegepast als richtsnoer. Dit omdat een groot aantal lidstaten onderdelen van het document niet uitvoerbaar vinden, omdat deze destijds erg conservatief zijn uitgewerkt. Genoemde bezwaren zijn de grenswaarden voor de chronische toxiciteit voor honingbijen, de gehanteerde veiligheidsfactoren voor hommels en solitaire bijen en de zeer strikte eisen aan veldstudies die daardoor in de praktijk zeer moeilijk kunnen worden uitgevoerd. Bovendien ontbreken voor bepaalde onderdelen nog gestandaardiseerde testmethoden, zoals voor solitaire bijen. Verder is de afgelopen jaren nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar gekomen die in het EFSA Bee guidance document moet worden verwerkt.
Omdat de Europese Commissie (EC) op korte termijn geen verschuiving ziet in de posities van lidstaten, zal de EC nu voorstellen de gefaseerde invoering van het Bee guidance document aan te passen. Dit betekent dat de onderdelen waar consensus over heerst eerst worden ingevoerd en dat EFSA tegelijkertijd een mandaat krijgt om het document op de onderdelen waarop door lidstaten bezwaren zijn geuit, binnen 2 jaar uit te werken en in lijn te brengen met de huidige stand der wetenschap. Hierna treedt ook dit deel van het Bee guidance document in werking.
Met dit compromisvoorstel wordt een stap gezet in de verbetering van de bescherming van bijen door de niet-problematische delen van het Bee guidance document op korte termijn te implementeren. Besluitvorming wordt nu op zijn vroegst in mei 2019 verwacht, dus twee maanden later dan voorafgaand aan de SCoPAFF vergadering van 24 en 25 januari tijdens het Schriftelijk Overleg Landbouw en Visserijraad was ingeschat.
Kunt u de Kamer laten weten wat daarin (steeds) de opstelling van Nederland is geweest?
Nederland heeft bij de EC aangedrongen op het zo spoedig mogelijk vaststellen van het Bee guidance document als richtsnoer met daarbij een gefaseerde invoering van de onderdelen waarover consensus bestaat en heeft hier altijd actief aan bijgedragen, onder andere door inbreng van experts in de Europese werkgroep en in OESO-verband (ontwikkelen en vaststellen van testrichtsnoeren). Nederland heeft daarnaast aangegeven dat de praktische toepassing van het Bee guidance document kan worden verbeterd en gevraagd om mandaat te verlenen aan EFSA om samen met experts de problematische onderdelen van het guidance document bij te werken aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten. Het onderzoek van de WUR naar beoordelingsmethodieken op bijen en hommels, dat in opdracht van mijn ministerie wordt uitgevoerd, kan daar een bijdrage aan leveren. Voor solitaire bijen vergt dit een grotere opgave want hiervoor is meer kennis nodig.
Op het moment dat er een concreet voorstel ligt om het Bee guidance vast te stellen zal ik, na advies te hebben gevraagd van het Ctgb, uw Kamer nader informeren over het voorstel en mijn positie.
Is het oorspronkelijke voorstel in de loop der tijd gewijzigd? Zo ja, hoe?
Het is voor de beantwoording van deze en komende vragen relevant te vermelden dat EFSA geen voorstel doet. EFSA heeft een Bee guidance document opgesteld. Het is aan de Europese Commissie om een voorstel te doen voor de adoptie en implementatie van dat guidance document.
Het EFSA Bee guidance document is sinds 2014 niet gewijzigd. Het voorstel van de EC voor een gefaseerde invoering is in het recente conceptvoorstel wel gewijzigd, maar dit heeft geen directe invloed op de inhoud van het Bee guidance document. De EFSA krijgt daarnaast wel het mandaat van de EC om een aantal onderdelen van het Bee guidance document binnen 2 jaar verder uit te werken en in lijn te brengen met de laatste stand der wetenschap.
Hoe heeft Nederland zich daar steeds over opgesteld?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
Wat is het voorstel dat nu op tafel ligt tijdens de bijeenkomst van de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) van 24 en 25 januari?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3. Besluitvorming wordt nu op zijn vroegst in mei 2019 verwacht, dus twee maanden later dan voorafgaand aan de SCoPAFF-vergadering van 24 en 25 januari tijdens het Schriftelijk Overleg Landbouw en Visserijraad was ingeschat.
Hoe verhoudt dit zich tot het oorspronkelijke voorstel van de EFSA?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op vragen 3 en 5. Het EFSA Bee guidance document is sinds 2014 niet gewijzigd. Het voorstel van de EC voor een gefaseerde invoering is in het recente conceptvoorstel wel gewijzigd, maar dit heeft geen directe invloed op de inhoud van het Bee guidance document. De EFSA krijgt daarnaast wel het mandaat van de EC om een aantal onderdelen van het Bee guidance document binnen 2 jaar verder uit te werken en in lijn te brengen met de laatste stand der wetenschap.
Wat is de huidige positie van Nederland ten opzichte van het voorstel en hoe zit dat met de andere lidstaten?
Nederland heeft nog geen positie aangezien er nog geen eindvoorstel officieel is voorgelegd aan de lidstaten. Ik sta echter wel positief tegenover het conceptvoorstel van de EC voor een gefaseerde invoering omdat hiermee een stap wordt gezet in de verbetering van de bescherming van bijen doordat de niet-problematische onderdelen op korte termijn worden geïmplementeerd. Tegelijkertijd worden de overige onderdelen, via het mandaat aan EFSA, verder uitgewerkt en in lijn gebracht met de huidige stand van de wetenschap. Hiermee komt een einde aan de Europese patstelling van de afgelopen jaren. Dat is positief en gewenst.
Ik heb momenteel geen eenduidig beeld van de positie van overige lidstaten. Een aantal lidstaten heeft net als Nederland verklaard nog geen positie in te nemen zolang er nog geen concreet voorstel aan lidstaten wordt voorgelegd.
Kunt u bevestigen dat bij agendapunt C.1 van de SCoPAFF-bijeenkomst op 24 en 25 januari jongstleden een discussie heeft plaatsgevonden over een «draft Commission Regulation amending Commission Regulation (EU) No 546/2011... as regards bees principles for evaluation and authorisation of plant protection products»? Zo ja, wat heeft Nederland ingebracht in deze discussie?2
Dit agendapunt is onderdeel van en vloeit voort uit de beoogde gefaseerde implementatie van het Bee guidance document. Onderdelen van het Bee guidance document betreffen te gebruiken drempelwaarden («trigger values») voor honingbijen. Die drempelwaarden worden vastgelegd in de Uniforme Beginselen (Regulation (EU) 546/2011) voor de evaluatie en toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor worden de beoordelingseisen voor de risico’s voor bijen verankerd in de risicobeoordeling. Nederland heeft gedurende de betreffende SCoPAFF-bijeenkomst geen specifieke inbreng geleverd voor dit agendapunt.
Kunt u bevestigen dat bij agendapunt A.08 van de SCoPAFF-bijeenkomst op 23 en 24 oktober 2018 een implementatieplan voor het Guidance document is besproken? Zo ja, wat heeft Nederland ingebracht in deze discussie?3
Ja. Nederland heeft ingebracht dat verbetering van de praktische toepassing van het Bee guidance document wenselijk is alvorens het volledig te implementeren. Nederland heeft hier meerdere malen voorstellen voor aangeleverd. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u bevestigen dat bij deze bijeenkomst in oktober 16 lidstaten hebben aangedrongen op herziening van het Beeguidance document voordat het kan worden geïmplementeerd? Zo ja, wat was hierin de positie van Nederland?
Ja, zie mijn antwoord op vraag 11 voor de Nederlandse inbreng.
Na de SCoPAFF-vergadering van oktober heeft de EC geconcludeerd dat het Bee guidance document met het bijbehorende implementatieplan niet op een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten kon rekenen. Hierop heeft de EC het implementatieplan aangepast naar een gefaseerde invoering met daarbij het voornemen om een duidelijk mandaat aan EFSA te geven.
Erkent u dat op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er tenminste tweemaal is gesproken over een voorstel, draft of concept van het Beeguidance document? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak in de beantwoording van de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019 dat er geen concreet voorstel is?
Het Bee guidance document wordt iedere SCoPAFF-vergadering in meer of mindere mate besproken. Met een conceptvoorstel wil de EC bij lidstaten inventariseren hoe men staat tegenover een gefaseerde invoering van het Bee guidance document. Zodra de EC een eindvoorstel aan lidstaten voorlegt zal ik mij hierover laten adviseren door het Ctgb en uw Kamer vervolgens informeren over mijn positie.
Wat waren de inhoudelijke verschillen tussen deze twee versies en wat zijn de inhoudelijke verschillen tussen deze versies en het originele EFSA-voorstel uit 2013?
De verschillen tussen de conceptvoorstellen van de Commissie zitten in de wijze waarop het EFSA Bee guidance document zal worden geïmplementeerd. Het implementatieplan is dusdanig gewijzigd dat de implementatie van de onderdelen waarover consensus bestaat (zoals acute toxiciteit) direct na accordering worden geïmplementeerd en dat de onderdelen waarvoor onvoldoende steun is eerst, via het mandaat aan EFSA, verder worden uitgewerkt en in lijn worden gebracht met de laatste wetenschappelijke inzichten alvorens deze worden geïmplementeerd.
Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3 en vraag 5.
Bent u bereid de versies van het document zoals deze bij de genoemde bijeenkomsten zijn besproken en/of eventuele bijbehorende agendastukken bij deze agendapunten naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit betreft werkdocumenten die binnen een technische discussie worden verspreid. Wanneer de EC een concreet voorstel aan de lidstaten voorlegt, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Zijn er buiten deze twee momenten nog meer SCoPAFF-bijeenkomsten geweest waarin het Beeguidance document is besproken? Zo ja, hoe vaak en wanneer, wat is daar besproken en wat was daarbij de inbreng van Nederland?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 4, 9, 11 en 13.
Bent u op de hoogte van het feit dat Politico de hand heeft weten te leggen op gelekte documenten die betrekking hebben op de voorstellen voor het Beeguidance document?4
Ik ben bekend met het betreffende nieuwsbericht.
Heeft u gezien dat de Europese Commissie in het Politico-artikel bevestigt dat er tijdens de bijeenkomst in januari een nieuwe versie van het Beeguidance document zou worden gepresenteerd aan de lidstaten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak in de beantwoording van de vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019 dat er inhoudelijk nog niets is veranderd aan het voorstel?
De EC heeft een conceptvoorstel gedaan het Bee guidance document gefaseerd in te voeren. Inhoudelijk is het Bee guidance Document niet veranderd. Dit heb ik zo ook in het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad medegedeeld.
Kunt u bevestigen dat uit de gelekte stukken blijkt dat binnen SCoPAFF is gesproken over wijzigingen in het voorstel waardoor de criteria voor de beoordeling of een stof een negatieve invloed heeft op bijen en hommels worden versoepeld, waardoor bijvoorbeeld de chronische toxiciteit niet meer hoeft te worden meegewogen of onderzocht? Zo ja, wat is hiervoor de reden en wat is de positie van Nederland in deze discussie over het toetsen op chronische toxiciteit? Zo nee, kunt u toelichten hoe het zit?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vragen 3 en 4. Dit wil overigens niet zeggen dat chronische toxiciteit voor bijen niet hoeft te worden meegewogen of onderzocht. Op grond van de Europese datavereisten moeten aanvragers data aanleveren over de chronische toxiciteit voor bijen en dit is ook nu onderdeel van de risicobeoordeling.
Kunt u bevestigen dat de implementatie van de eis om de effecten van stoffen op hommels en solitaire bijen te testen voorlopig niet zal worden ingesteld, omdat de implementatie daarvan wordt uitgesteld? Zo ja, wat is hiervoor de reden en wat is de positie van Nederland in deze discussie? Zo nee, kunt u toelichten hoe het zit?
Ja, deze onderdelen zullen ook via een mandaat aan EFSA verder worden uitgewerkt en aangepast aan de laatste stand van de wetenschap alvorens ze worden geïmplementeerd. Dit wordt gedaan omdat deze onderdelen uit het Bee guidance document nog onvoldoende werkbaar zijn. Zo zijn de beschermdoelen voor hommels en solitaire bijen nog afgeleid van de beschermdoelen voor honingbijen waardoor deze te conservatief uitvallen. Verder ontbreken nog internationaal vastgestelde testprotocollen voor solitaire bijen. Ik sta daarom positief tegenover de intentie van de EC om dit onderdeel eerst verder uit te werken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad, dat op 13 maart plaatsvindt?
Ja.
De berichtgeving over de Qatarese vestiging van NHL Stenden |
|
Judith Tielen (VVD), Zihni Özdil (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel getiteld «Op de vestiging in Qatar krijg je zo een Nederlands diploma»?1
Ja.
Bent u bekend met de in het artikel genoemde feiten aangaande het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, dat volgens het artikel sinds oktober 2018 loopt? Kunt u de Kamer hierover een toelichting geven?
Ja. De inspectie heeft in de zomer van 2018 aangekondigd een onderzoek te doen naar aanleiding van een in 2018 ontvangen signaal over het onderwijs dat wordt aangeboden door NHL Stenden in haar international campus Stenden Qatar. Naar verwachting wordt het onderzoek dit voorjaar afgerond. Indachtig de wettelijk vastgelegde zorgvuldigheidseisen (waaronder hoor en wederhoor) verwacht de inspectie dit onderzoek in juni te kunnen publiceren. Ik zeg u toe dit onderzoek naar uw Kamer te zullen sturen inclusief mijn reactie.
Deelt u de mening dat branche campuses een waardevol element kunnen zijn van onderwijsinternationalisering?
Het volledig verzorgen van Nederlandse opleidingen in het buitenland of het aanbieden van onderwijs in het buitenland in structurele samenwerking met een Nederlandse instelling kan de uitwisseling van studenten en docenten vergemakkelijken en biedt instellingen de mogelijkheid om internationale netwerken te versterken. Het kan de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland een impuls geven. Daarbij vind ik het van belang dat het aanbieden van onderwijs in het buitenland een bijdrage levert aan de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs.
Deelt u de mening dat het van belang is dat dit onderwijs van «Nederlandse kwaliteit» dient te zijn als dit door Nederlandse onderwijsinstellingen wordt aangeboden?
Ja. Ook wanneer het op basis van een structurele samenwerkingsrelatie in het buitenland aangeboden onderwijs op individuele basis vrijstellingen biedt voor een opleiding die leidt tot een Nederlands diploma. Hieraan zijn voorwaarden gesteld waar uw Kamer in 2012 over is geïnformeerd.2
Hoe garandeert u dat onderwijs in het buitenland aan Nederlandse onderwijsinstellingen van goede kwaliteit is?
Op verschillende manieren wordt gegarandeerd dat het onderwijs in het buitenland aan Nederlandse onderwijsinstellingen van goede kwaliteit is. Indien een Nederlandse instelling beoogt een buitenlandse nevenvestiging te openen van een Nederlandse opleiding, dus een situatie waarbij een Nederlandse instelling een opleiding volledig in het buitenland verzorgt, kan de Minister volgens de WHW daartoe toestemming verlenen onder de voorwaarde dat (verdragsrechtelijk) wordt geregeld dat de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) en de inspectie toegang hebben tot de desbetreffende nevenvestiging om hun taken uit te oefenen. Indien niet in de toegang van de NVAO en de inspectie tot de opleiding wordt voorzien, kan de opleiding in het buitenland niet worden verzorgd.
Wanneer het een structurele samenwerkingsrelatie betreft waarbij een deel van het onderwijs (tot maximaal 75%) in het buitenland wordt verzorgd en op basis waarvan in Nederland vrijstelling voor bepaalde vakken kan worden verkregen, geldt dat in Nederland de inspectie regulier toezicht houdt en de NVAO een reguliere opleidingsbeoordeling uitvoert bij de Nederlandse opleiding. Tijdens de accreditatieprocedure van de Nederlandse opleiding dient de NVAO in het bijzonder aandacht te schenken aan de werkwijze van de examencommissie. De examencommissie dient immers zorgvuldige besluiten te nemen met betrekking tot de eventuele vrijstellingen die worden verkregen voor het in het buitenland gevolgde onderwijs. Indien het inspectieonderzoek daar aanleiding toe geeft ga ik bezien of deze waarborgen afdoende zijn.
Bent u bekend met de manier waarop de kwaliteit van het onderwijs aan de buitenlandse vestigingen van NHL Stenden gedurende de afgelopen jaren is gecontroleerd? Kunt u de Kamer hierover berichten?
De inspectie in februari 2012 een aantal herstelafspraken gemaakt met het College van Bestuur van NHL Stenden. Naar het oordeel van de inspectie in mei 2014 is door de instelling voldoende tegemoet gekomen aan deze afspraken en is het onderzoek afgesloten.
De NVAO accrediteert de Nederlandse opleiding en heeft daarin ook aandacht voor de werkwijze van de examencommissie. De kwaliteit van het diploma wordt immers mede gegarandeerd doordat de examencommissie zorgvuldige beargumenteerde besluiten dient te nemen over elk afzonderlijk geval ten aanzien van vrijstellingen voor in het buitenland gevolgd onderwijs. De NVAO heeft de betreffende opleidingen van NHL Stenden in Nederland zoals te doen gebruikelijk in de afgelopen zes jaar beoordeeld.
Heeft u signalen ontvangen dat de kwaliteit van andere buitenlandse vestigingen van NHL Stenden en andere onderwijsinstellingen onder druk staat? Zo ja, kunt u de Kamer daarover berichten?
Er zijn geen signalen ontvangen over andere buitenlandse onderwijsactiviteiten van Nederlandse hoger onderwijsinstellingen.
Deelt u de mening dat deze affaire laat zien dat de lessen van de eerdere Yantai-affaire onvoldoende zijn getrokken?
De RUG was voornemens volledige Nederlandse opleidingen te verzorgen aan een branch campus in het Chinese Yantai. Zij zou daarvoor bij de Minister van OCW een aanvraag hebben moeten indienen, op basis waarvan beoordeeld zou worden of aan alle in de wet vastgelegde voorwaarden werd voldaan. Door het College van Bestuur van de RUG is besloten een dergelijke aanvraag niet in te dienen omdat zij onvoldoende draagvlak zag bij de Universiteitsraad voor de aanvraag.
NHL Stenden biedt in haar international campus Stenden Qatar al enkele jaren een traject aan. Bij een dergelijk traject kan een deel van het onderwijs (tot maximaal 75%) in het buitenland worden verzorgd.
Het door Stenden aangeboden traject en het indertijd door de RUG voorgenomen traject zijn dus verschillend. Voor ik inga op de casus Stenden Qatar wil ik eerst het onderzoek van de inspectie afwachten.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat het aanzien van internationalisering wordt geschaad door dit soort affaires?
In de wet heb ik een groot aantal voorwaarden opgenomen waaraan een Nederlandse instelling moet voldoen voordat ik toestemming verleen voor het verzorgen van een volledige opleiding in het buitenland. Dat betreft onder meer voorwaarden ten aanzien van kwaliteitswaarborgen, financiële en bestuurlijke stabiliteit en beheersbaarheid, maar ook voorwaarden om de veiligheid en rechten van studenten en de academische vrijheid te borgen.
Voor het verzorgen van maximaal 75% van een opleiding in het buitenland in een structurele samenwerkingsrelatie met een Nederlandse instelling zijn ook voorwaarden verbonden. De in een beleidsnotitie opgenomen voorwaarden zijn in 2012 (opnieuw) gestuurd aan alle instellingen voor hoger onderwijs.3 Uitgangspunt is dat de student in Nederland vrijstelling kan ontvangen voor het in het buitenland gevolgde onderwijs. De kwaliteit van het diploma wordt gegarandeerd doordat de examencommissie zorgvuldige beargumenteerde besluiten dient te nemen over elk afzonderlijk geval ten aanzien van deze vrijstellingen.
Het is aan de Nederlandse instelling de kwaliteit van het buitenlandse onderwijs te onderzoeken en blijvend verantwoordelijkheid te nemen voor deze kwaliteit. Indien het inspectieonderzoek daar aanleiding toe geeft zal ik zo nodig overgaan tot verheldering of aanscherping van deze regels.
Deelt u de mening dat fraude en omkoping die leiden tot een Nederlands diploma absoluut ontoelaatbaar zijn?
De waarde van het Nederlands diploma staat voor mij voorop. Als de diplomakwaliteit in het geding is, zijn maatregelen nodig. Daarom is het ook van belang dat de inspectie bij signalen die hierop wijzen, zorgvuldig onderzoek kan uitvoeren. Zoals eerder aangegeven moet blijken uit dit onderzoek of in het onderhavige geval daadwerkelijk de waarborgen voor het eindniveau en het verlenen van een diploma in het geding zijn.
Bent u bereid om buitenlandse vestigingen van Nederlandse onderwijsinstellingen per direct te sluiten, indien blijkt dat het onderwijs van onvoldoende kwaliteit is en/of als corruptie en fraude een rol blijken te spelen bij het verkrijgen van examenresultaten en diploma’s?
Zie antwoord vraag 10.