Het bericht 'Nieuwe’ geul klaar maar werkt nog niet’ |
|
Aukje de Vries (VVD), Erik Ziengs (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Nieuwe» geul klaar maar werkt nog niet»?1
Ja.
Kunt u aangeven, nu deze eerste bochtafsnijding is gerealiseerd, wat de oorspronkelijk beoogde tijdwinst van deze bochtafsnijding is, wanneer dit zichtbaar moeten zijn en hoe gemonitord wordt of het in de praktijk ook zo uitwerkt?
De bochtafsnijding maakt onderdeel uit van een pakket aan maatregelen om de betrouwbaarheid van de verbinding Holwerd-Ameland te verbeteren (zie ook antwoord 5). Het ontwerp en de ligging van de bochtafsnijding Vloedgeul is in overleg met de belangrijkste stakeholders, waaronder Wagenborg Passagiersdiensten (WPD), de gemeente Ameland en andere gebruikers van de vaargeul tot stand gekomen. De vaarroute is met deze bochtafsnijding 800 meter korter geworden en de beoogde vaartijdwinst is 4 tot 6 minuten. Een kortere vaarroute is echter geen garantie voor het voorkomen van vertragingen. De vaartijd blijft namelijk, zeker in de Waddenzee, sterk afhankelijk van wind, stroming en waterstanden. Op dit moment kan nog niet worden vastgesteld of de beoogde vaartijdwinst is gerealiseerd. Op de monitoring wordt ingegaan bij de antwoorden op vragen 3 en 4.
Op welke termijn zouden de resultaten van de bochtafsnijding, waarvan Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat de natuur nu haar werk moet doen en van een U-vorm een V-vorm moet maken, zichtbaar moeten kunnen zijn en wordt bekend of het werkt? Hoe wordt dit in de gaten gehouden c.q. gemonitord?
De nieuwe geul is binnen de kaders van de vigerende regelgeving voor natuur uitgebaggerd tot de maximaal mogelijke afmetingen van 60 meter breed en 4 meter diep. De hellingen en taluds van de geul worden vervolgens op natuurlijke wijze door de stroming gevormd. Hoe snel de natuur zijn werk doet, is lastig voorspelbaar en onder andere afhankelijk van de stroomsnelheid ter plekke. De ontwikkelingen van de vaargeul worden wekelijks gemonitord door middel van lodingen (dieptemetingen). De breedte en diepte van de Vloedgeul worden ondertussen door onderhoudsbaggerwerk op niveau gehouden. Daarnaast wordt op dit moment een meetcampagne voorbereid waarbij ook de stroomsnelheden en sedimentsamenstelling in kaart worden gebracht. Deze monitoring geeft inzicht in de gevolgen voor het onderhoudsbaggerwerk en het verdere gedrag van de nieuwe geul.
Kunt u, aangezien na de realisatie van de bochtafsnijding er nog steeds vertragingen geconstateerd zijn, de komende tijd tot het eerstvolgende algemeen overleg Wadden op 26 juni 2019 de vertragingen bij de veerdienst Nes – Holwerd monitoren, analyseren en de Kamer daarover voorafgaand aan het algemeen overleg informeren?
De door uw Kamer gevraagde informatie is niet tijdig beschikbaar voor het Algemeen Overleg Wadden van 26 juni 2019. Conform de vervoerconcessie Waddenveren verstrekt WPD elk kwartaal gegevens over de punctualiteit van de veerdienst aan de concessieverlener. Op die manier worden de vertragingen gemonitord. Bij de verzending van het vervoerplan van WPD voor 2020 door de Staatssecretaris aan uw Kamer (conform concessie vóór 1 oktober 2019), zal tevens stilgestaan worden bij de vraag of de situatie is verbeterd sinds de openstelling van de Vloedgeul in april 2019.
Kunt u aangeven wat de planning is van de overige maatregelen om vertragingen te voorkomen voor de vaargeul Ameland en wat de beoogde impact zou moeten zijn om vertragingen in de toekomst te verminderen c.q. tegen te gaan? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de plannen voor en realisatie van een tweede bochtafsnijding?
Over de overige maatregelen om de betrouwbaarheid van de verbinding Holwerd-Ameland voor de korte termijn te verbeteren bent u eerder geïnformeerd, voor het eerst op 19 december 2016 (Kamerstuk 31 409, nr. 131) en voor het laatst op 27 september 2018 (Kamerstuk 27 625, nr. 454). Deze maatregelen zijn inmiddels uitgevoerd of in gang gezet.
In de brief van 19 december 2016 is gemeld dat met het pakket aan maatregelen de vertragingen voor de korte termijn grotendeels kunnen worden opgelost. In de brief van 27 september 2018 is gemeld dat de prestaties uit de eerste helft van 2018, ondanks de inspanningen van WPD en Rijkswaterstaat, nog geen verbetering lieten zien. Daarom heeft de Staatssecretaris Rijkswaterstaat gevraagd onderzoek te laten doen naar de oorzaken van de vertragingen. Over de resultaten van dit onderzoek zal de Staatssecretaris u bij de bij antwoord 4 genoemde verzending van het vervoerplan 2020 informeren.
De voorbereiding voor de tweede bochtafsnijding bij Reegeul-Oost is gestart. Hiervoor wordt, net als voor de Vloedgeul, een uitgebreid vergunningentraject doorlopen met publicatie en inzagetermijnen, aanbesteding en -indien vergunbaar- realisatie. Bij positief doorlopen van alle procedures voor het verwerven van de noodzakelijke vergunningen zou deze bochtafsnijding Reegeul-Oost eind 2020 gereed kunnen zijn. De ervaringen van de bochtafsnijding Vloedgeul worden meegenomen in het ontwerp.
Wanneer is er meer zicht op een mogelijke (middel-)lange termijn en toekomstbestendige oplossing voor de verbinding Nes – Holwerd?
Zoals ik u eerder heb gemeld in de brief van 27 september 2018 is het proces gestart om te komen tot een langetermijnvisie voor een duurzame, betrouwbare en toekomstbestendige verbinding tussen Ameland en de vaste wal na 2029. Dit in samenwerking met de eilandbewoners en -ondernemers, gemeente Ameland, gemeente Noardeast Fryslân, provincie Fryslân en betrokken maatschappelijke organisaties. De eerste resultaten worden in het najaar van 2019 verwacht.
Kunt u de vragen kort (maar tijdig) voor het eerstvolgende algemeen overleg Wadden op 26 juni 2019 beantwoorden om een zo actueel mogelijk overzicht te hebben voor het algemeen overleg?
Ja.
Het bericht ‘Overheid hanteert te ruime gifnormen voor sigaretten, extra risico volksgezondheid’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Overheid hanteert te ruime gifnormen voor sigaretten, extra risico volksgezondheid»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja.
De NVWA houdt toezicht op de maximumwaarden voor TNCO en is daarbij gehouden aan de in de Tabaks- en rookwarenwet voorgeschreven meetmethode en daarin opgenomen meetonzekerheden. De NVWA is bij de handhaving gehouden aan de in de ISO-methoden opgenomen meetonzekerheden. Zij past deze strikt toe.
Nederland is verplicht de maximum toegestane waarden en de onderzoeksmethoden te gebruiken die wordt voorgeschreven door de Europese Tabaksproductenrichtlijn (TPD). In de richtlijn is bepaald dat dit de meetmethode van de ISO is. Nederland kan er niet zelfstandig voor kiezen voor de vaststelling van teer-, nicotine- en koolmonoxidegehalte een andere meetmethode te gebruiken dan is vastgelegd in tabaksproductenrichtlijn.
Sinds de inwerkingtreding van de TPD is er één overtreding van deze eisen onder de Tabaks- en rookwarenwet geconstateerd door de NVWA waarbij zij gebruik moet maken van de wettelijk voorgeschreven meetmethoden en bijbehorende meetonzekerheden.
Wat is uw reactie op de constatering dat de gegevens die de tabaksfabrikanten aanleveren over in hoeverre zij voldoen aan de wettelijke maximumwaarden, compleet verschillen van de resultaten uit de steekproef van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)? In welke metingen heeft u meer vertrouwen?
Bij laboratoriumonderzoek kunnen bij onderzoek van dezelfde producten door verschillende laboratoria verschillende resultaten worden gemeten. Dit komt door de meetonzekerheid van de methode. Alle waarden die binnen dezelfde meetonzekerheid vallen, zijn dus niet significant verschillend. Bij het maximumemissieniveau van 10mg teer per sigaret, wordt een resultaat pas als afwijkend gezien wanneer een gevonden waarde hoger is dan 12mg teer per sigaret. Voor mij zijn de metingen die het RIVM uitvoert maatgevend.
Vindt u het ook schokkend dat uit de steekproef van het RIVM komt dat bij veertig procent van de sigarettenmerken de wettelijke maximumwaarden worden overschreden? Zo ja, wat gaat u ondernemen? Zo nee, waarom vindt u geen schokkend gegeven?
De NVWA en het RIVM zijn bij het onderzoek in het kader van het toezicht op de maximumemissieniveaus gehouden aan de voorgeschreven meetmethoden en bijbehorende meetonzekerheden. Uit de resultaten, die door de NVWA zijn verstrekt aan Stichting Rookpreventie Jeugd, blijkt dat op één na alle bemonsterde en onderzochte sigaretten en shag met toepassing van de wettelijke voorgeschreven meetmethoden en bijbehorende meetonzekerheden voldoen aan de wettelijke maximumemissieniveaus.
Wat heeft de Nedelandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gedaan naar aanleiding van de geconstateerde overschrijdingen? Bent u van mening dat de NVWA voldoende heeft gedaan?
De NVWA treedt bij wettelijke overtredingen op conform het interventiebeleid. Dit interventiebeleid is gepubliceerd op de website van de NVWA. Bij het afwijkende monster, vermeld bij vraag 3, heeft de NVWA een boete opgelegd. Ik ben van mening dat de NVWA juist heeft gehandeld.
Deelt u de mening dat de marges op de wettelijke normen betreffende de hoeveelheid teer, nicotine en koolmonoxide te ruim zijn geformuleerd door de NVWA om daarop goed te kunnen handhaven?
De NVWA heeft eigenstandig geen marges geformuleerd die zij toepast bij de handhaving van de wettelijk voorgeschreven maximumemissieniveaus. De meetonzekerheden zijn vastgelegd in de voorgeschreven ISO meetmethoden. De NVWA past deze voorgeschreven meetonzekerheden strikt toe.
Bent u van mening dat de NVWA in de handhaving de bescherming van de gezondheid van de consument als prioriteit heeft?
De NVWA bewaakt de veiligheid van voedsel en consumentenproducten en is bij het toezicht gehouden aan geldende wet- en regelgeving, zoals de Tabaks- en rookwarenwet.
Is u bekend dat de NVWA zich in de handhavingsdiscussie beroept op het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid van de Tabaks- en rookwarenregeling, welk artikel voorschrijft gebruik te maken van NEN ISO 8243? Is het u bekend dat deze standaard alleen maar (via internet) te verkrijgen is tegen betaling van een substantieel bedrag, terwijl het hier toch gewoon om de Nederlandse wetgeving gaat? Zo ja, vindt u het wenselijk dat de burger voor dit soort vanuit gezondheidsoogpunt cruciale regels alleen kan kennisnemen via betaling aan een commerciële instelling? Zo nee, wat gaat u doen om aan deze situatie een einde te maken?
Ja, dat is mij bekend. Het gaat hier om een beschrijving van de te gebruiken meetmethode en apparatuur voor het afroken van sigaretten en hoe dit proces technisch juist uit te voeren.
Normen worden privaat ontwikkeld door partijen, die aan een normontwikkelingsproces willen deelnemen. Als gevolg daarvan worden normen beschermd door intellectueel eigendom. Er zijn normen die in Nederland worden ontwikkeld, NEN-normen, normen die in Europees verband worden vastgesteld, EN-normen, en normen die wereldwijd worden ontwikkeld, ISO-normen. In sommige gevallen kunnen normen zowel nationaal als internationaal overlappen. Er is dan bijvoorbeeld sprake van een NEN ISO norm. Als het om in Nederland ontwikkelde normen (NEN-normen) gaat zijn deze normen door de overheid afgekocht op het moment dat de normen in regelgeving verplicht worden gesteld. In dit geval gaat het om een norm die zowel nationaal als wereldwijd geldt. Het is nog niet mogelijk deze normen gratis ter beschikking te stellen zodat hiervoor moet worden betaald.
Het gaat in de door u gestelde vragen om technische protocollen/werkwijzen voor het afroken van sigaretten die voor de burger geen direct belang dienen maar door betaling wel toegankelijk voor hen zijn. De aanschaf van de normen via NEN bedraagt overigens voor ISO 8243 € 65,– / ISO 4387 € 98,– / ISO 8454 € 65,– / ISO 10315 € 65,– / ISO 10362–1 € 60,– / ISO 3308 € 130,–.
Ik vind het belangrijk dat rokers een beter beeld krijgen van wat zij in werkelijkheid binnen krijgen bij het roken van een sigaret. Informatie hierover is te vinden op de website van het RIVM: https://www.rivm.nl/tabak/filterventilatie/meetresultaten-van-tnco.
Zoals u weet wil ik van de ISO meetmethode af en maak ik mij daar hard voor in Europees verband (zie antwoord op vraag 13).
Is het u bekend dat de NVWA voor het toelaten van een ruime overschrijding van de maximale emissiewaarden voor sigaretten (de bekende 10 mg voor teer, 1 mg voor nicotine, 10 mg voor koolmonoxide) verwijst naar paragraaf 6.4, tabel 3, van NEN ISO 8243, in welke tabel die ruime marges van 20% voor teer en nicotine respectievelijk 25% voor koolmonoxide voorkomen, en wel zonder exact controleerbare onderbouwing? Zo ja, is het u ook bekend dat de rechtvaardiging voor deze ruime overschrijdingen wordt gemotiveerd met een verwijzing naar weer een andere ISO standaard (ISO/TR 22305), welke voor meer dan 200 euro via internet te koop is, maar die geen eigen wettelijke status heeft verkregen in de Nederlandse wetgeving? Zo ja, vindt u het wenselijk dat de burger voor dit soort vanuit gezondheidsoogpunt cruciale regels alleen kan kennisnemen via betaling aan een commerciële instelling? Zo nee, wat gaat u doen om aan deze situatie een einde te maken?
De juistheid van de teer, nicotine en koolmonoxide emissies moet volgens de Tabaksproductrichtlijn worden vastgesteld aan de hand van ISO-norm 8243. Dit betekent dat de in deze ISO norm opgenomen marges (meetonzekerheden) moeten worden gehanteerd. De deelnorm waarnaar in de NEN ISO 8243 wordt verwezen maakt onderdeel uit van die norm. NEN-normen zijn soms onderverdeeld in deelnormen. Aangezien het een onderdeel is van een norm waarnaar wettelijk wordt verwezen, is ook de deelnorm een verplichting. Voor mijn reactie ten aanzien van betalingen door de burger, zie mijn antwoord op vraag 7. Ook hier geldt dat ik van de ISO methoden af wil en mij daar in Europees verband hard voor maak (zie antwoord op vraag 13).
Is het u bekend dat bij gebruikmaking van de ISO-standaarden uit de Tabaks- en rookwarenregeling steeds gebruik moet worden gemaakt van een rookmachine die eveneens ISO-gestandaardiseerd is (ISO 3308), welke standaard in de Nederlandse wetgeving geen eigen wettelijke status heeft? Zo ja, is het u ook bekend dat deze rookmachine door CORRESTA, het wetenschappelijk bureau van de tabaksindustrie, is ontwikkeld? Zo ja, vindt u het wenselijk dat de tabaksindustrie hier een bepalende invloed uitoefent?
Ja, dit is mij bekend. De ISO 3308 heeft wel een wettelijke status want deze is voorgeschreven in de ISO methode 4387, die is voorgeschreven in de Tabaks- en rookwarenregeling. De invloed van de tabaksindustrie is ook de reden geweest dat het RIVM en de NVWA uit ISO / NEN zijn gestapt, zie Kamerbrief daarover die al is verzonden2.
Is het u bekend dat in de hiervoor genoemde ISO standaard ISO/TR 22305 op grond van een door CORRESTA (de Tabaksindustrie) geleverd onderzoek wordt geconcludeerd dat de overschrijdingsmarges verruimd moeten worden met circa 30% en dat deze verhoging daadwerkelijk is gerealiseerd middels een aanpassing van NEN ISO 8243, zodat wij nu te maken hebben met NEN ISO 8243, 2013? Zo ja, vindt u het wenselijk dat de tabaksindustrie hier een bepalende invloed uitoefent?
Het is mij bekend dat dit de intentie is geweest. Echter de norm is hier niet op aangepast. De invloed van de tabaksindustrie is de reden geweest dat het RIVM en de NVWA uit ISO / NEN zijn gestapt, zie Kamerbrief daarover die al is verzonden.
Is het u bekend dat de NEN grote invloed heeft op de totstandkoming van de ISO-standaarden die onderdeel van de tabakswetgeving zijn en dat de desbetreffende NEN commissie qua samenstelling volledig wordt gedomineerd door afgevaardigden van de tabaksindustrie? Zo ja, vindt u het wenselijk dat de tabaksindustrie hier een bepalende invloed uitoefent?
Ja, dat is mij bekend. De invloed van de tabaksindustrie is ook de reden geweest dat het RIVM en de NVWA uit ISO / NEN zijn gestapt, zie Kamerbrief daarover die al is verzonden.
Bent u het ermee eens dat de bepalende invloed van de tabaksindustrie op de ISO-rookmachine en de ISO-standaards in strijd is met artikel 5.3 van het WHO Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, welk artikel bepaalt dat het vastleggen van het anti-tabaksbeleid moet worden afgeschermd tegen beïnvloeding door de Tabaksindustrie? Zo nee, waarom niet?
Artikel 5.3 van het WHO-kaderverdrag richt zich tot de Staat en zijn organen om te voorkomen dat contacten met de tabaksindustrie kunnen leiden tot beleidsbeïnvloeding. Het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) en het International Organization for Standardization (ISO) zijn geen organen van de staat, maar (inter)nationale organisaties die los staan van de overheid en die het vrij staat een bijdrage te leveren aan de vaststelling van (inter)nationale normen voor de bemonstering van tabaksproducten en de vaststelling van schadelijke stoffen daarin.
Uw voorganger uitte zijn zorgen over «sjoemelsigarettengate», en was voorstander van een Europese gevalideerde testnorm die in overeenstemming is met de werkelijkheid, welke stappen zijn inmiddels in Europees verband genomen om tot een eerlijke testmethode te komen? Als er nog niet veel vooruitgang is geboekt, welke stappen gaat u in deze zetten om tot een eerlijke testmethode in internationaal verband te komen zoals de Canadian-Intense methode, een test die wordt aanbevolen door het RIVM?2
Zoals u weet uit streef ik naar het gebruik van een onafhankelijke meetmethode voor het afroken van sigaretten die een meer realistisch beeld geeft van de TNCO-waarden die de roker binnenkrijgt. Ik richt mij op het overtuigen van andere Lidstaten en de Europese Commissie om zo de voorgeschreven meetmethoden in de TPD aan te passen. Inmiddels heeft een aantal landen (Noorwegen, Denemarken, Finland en IJsland) zich aangesloten bij dit streven en de Commissie door een brief verzocht de meetmethode aan te passen. Ik blijf mij ook de komende periode inzetten meer partners te verzamelen en de Commissie te overtuigen. Dit doe ik door middel van het sturen van brieven en het voeren van bilaterale gesprekken met bewindspersonen van andere Lidstaten en met de verantwoordelijke Commissaris.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik hierbij gedaan.
De vervreemding van objecten behorende tot het nationaal cultureel erfgoed |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u er bekend mee dat op de Franse antiekwebsite proantic.com objecten worden aangeboden met een grote historische waarde voor Nederland?1 2
Ik ben bekend met deze website.
Zouden deze stukken met terugwerkende kracht vallen onder de erfgoedwet? Vindt u dat deze stukken voor Nederland behouden hadden moeten worden?
Op dit moment geldt een terughoudend aanwijzingsbeleid voor de bescherming van objecten in particulier bezit. Ik heb twijfels of de bestaande lijst en dit terughoudende aanwijzingsbeleid nog wel adequaat zijn. Ik heb daarom de Commissie Pechtold de opdracht gegeven om mij te adviseren over de vraag of het huidige wettelijke kader en instrumentarium, zoals neergelegd in de Erfgoedwet en de Beleidsregel aanwijzing beschermde cultuurgoederen 2016, adequaat is om belangwekkend roerend erfgoed in particulier bezit, voor Nederland te kunnen behouden en -voor zover daar naar haar oordeel en in het licht van de situatie in andere landen aanleiding toe bestaat- voorstellen te doen tot aanpassing van deze kaders. Ik wacht het advies van de Commissie Pechthold af en wil daar niet op vooruit lopen. De commissie brengt in oktober 2019 haar advies uit.
Adviseert de commissie Pechtold, die dit jaar benoemd is om te onderzoeken of cultureel erfgoed in privaat bezit dat waardevol is voor Nederland voldoende is beschermd, ook over reeds verkocht erfgoed? Zo ja, wat adviseert de commissie Pechtold over deze objecten?
Zie antwoord vraag 2.
Overweegt u maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat deze objecten weer in Nederlandse handen komen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het huidige beleid met betrekking tot de verkoop van vanuit (kunst)historisch oogpunt belangrijk nationaal cultureel erfgoed in privaat bezit?
De Erfgoedwet 2016 bevat een kader ter bescherming van bijzondere cultuurgoederen in particulier bezit. De inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed ziet hier op toe. Indien een cultuurgoed geen speciale bescherming geniet is het aan de eigenaar te bepalen of, en zo ja op welke wijze, het voor verkoop wordt aangeboden.
Zoals opgemerkt geldt op dit moment een terughoudend beleid ten aanzien van het aanwijzen van cultuurgoederen die voor bescherming in aanmerking komen. Het initiatief tot verwerven van belangwekkende kunstwerken ligt bij de musea. Musea op wier collectie een kunstwerk dat op de markt verschijnt een belangrijke aanvulling vormt, kunnen zich daarbij wenden tot het Mondriaanfonds voor financiële ondersteuning. Ook kunnen zij een beroep doen op het Museaal Aankoopfonds en zijn er particuliere fondsen die hen ondersteunen bij het verwerven van kunstwerken.
Worden er maatregelen genomen om de verkoop van nationaal cultureel erfgoed in handen van private partijen naar het buitenland tegen te gaan? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is het beleid met betrekking tot nationaal cultureel erfgoed van nationaal belang in handen van het Rijk zelf? Wordt dit bezit voldoende beschermd?
De Erfgoedwet, inclusief aanvullende regelgeving, stelt regels aan het behoud en beheer van de rijkscollectie die grotendeels in beheer is bij musea. De inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed ziet hier op toe. Daarnaast stelt deze wet ook regels aan de vervreemding van cultuurgoederen in publiek bezit van het rijk, provincies en gemeenten.
Welke regels gelden er met betrekking tot de verkoop van nationaal cultureel erfgoed in handen van lagere overheden?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat Poetin paspoorten uitdeelt aan inwoners van separatistengebieden in Oost-Oekraïne |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Het bericht ‘Bowing to U.S. demands, UN waters down resolution on sexual violence in conflict’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bowing to U.S. demands, UN waters down resolution on sexual violence in conflict» van 24 april jl.?1
Ja.
Betreurt u het dreigement van de VS met een veto indien de passage «sexueal and reproductive health» zou blijven staan in de resolutie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit kenbaar gemaakt?
Ja, het kabinet betreurt het door u aangehaalde dreigement van de VS. Nederland heeft zich tijdens de interventie in het open debat expliciet uitgesproken voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Welke gevolgen heeft het schrappen van deze passage voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld?
De resoluties uit 2009 en 2013 zijn nog altijd volledig van kracht. De gevolgen van de nieuwe resolutie moeten bezien worden, maar de resolutie heeft geen directe consequenties voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld. Organisaties en landen kunnen uiteraard nog altijd aan seksuele en reproductieve gezondheid van slachtoffers van seksueel geweld blijven werken.
Welk effect heeft de herbevestiging van de aangenomen resoluties uit 2009 en 2013 voor de (medische) hulp aan vrouwen en meisjes die slachtoffer zijn van seksueel geweld?
Zie antwoord vraag 3.
Onderschrijft u de uitspraak van de Franse ambassadeur bij de Verenigde Naties (VN) Francois Delattre: «It is intolerable and incomprehensible that the Security Council is incapable of acknowledging that woman and girls who suffered from sexual violence in conflict -and who obviously didnt choose to become pregnant- should have the right to terminate their pregnancy»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit kenbaar gemaakt?
Ja. Nederland heeft in zijn interventie expliciet verwezen naar, en steun uitgesproken voor, de Franse uitspraak.
Is het u bekend hoeveel andere leden van de VN Veiligheidsraad deze uitspraak openlijk onderschrijven?
Dit is niet precies na te gaan. Naast Frankrijk spraken ook het Verenigd Koninkrijk, België en Zuid-Afrika een kritische stemverklaring uit, waarin zij het belang van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten benadrukten. Ook de Dominicaanse Republiek had zich in haar interventie voor de stemming hiervoor uitgesproken.
Zijn er gevolgen voor de financiering van het VN Bevolkingsfonds UNFPA? Zo ja, welke?
Er zijn geen gevolgen voor de financiering van UNFPA.
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen verwijzing naar het Internationaal Strafhof is afgezwakt en in hoeverre het Internationaal Strafhof nog een rol speelt of kan spelen bij het bestrijden en voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes?
In een eerste versie van de resolutie stond expliciet dat vooral het Internationaal Strafhof de strijd tegen straffeloosheid van de meest ernstige internationale misdrijven tegen vrouwen en meisjes heeft versterkt. In de uiteindelijke versie is de verwijzing naar het Internationaal Strafhof onder druk van een aantal leden van de Veiligheidsraad, waaronder de VS, verwijderd en in plaats daarvan gesteld dat alle nationale en internationale hoven en tribunalen hier aan hebben bijgedragen.
Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het eerste internationale instrument geweest waarin verschillende vormen van seksueel en gender gerelateerde misdrijven werden opgenomen als misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven of, in bepaalde gevallen, genocide. Daders van deze misdrijven kunnen hierdoor vervolgd worden, ook als een land wiens onderdanen het betreft of op wiens grondgebied de misdrijven hebben plaatsgevonden dit niet wil of kan. Het zichtbaar ter verantwoording roepen van personen die verdacht worden van dergelijke misdrijven geeft een signaal aan potentiële plegers.
De vergoeding van glucosemeter die de kwaliteit van leven aanzienlijk verbeterd |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekent met het bericht «Huidsensor voor diabetespatienten voorkomt nare vingerprik en hypo»? 1
Ja.
Hoe vindt u het dat uit onderzoek is gebleken dat een veel groter groep diabetespatienten baat heeft bij glucosemeter Free Style Libre?
Het Zorginstituut bepaalt, naast de zorgverzekeraars, aan de hand van de pakketcriteria welke zorg wel of niet tot het basispakket behoort. In een speciale werkgroep binnen de Ronde Tafel Diabeteszorg zijn de beroepsgroepen samen met de patiënten bezig met het bepalen van de indicatiestelling en welk wetenschappelijk bewijs nodig is om aan te tonen dat de Freestyle Libre (FSL) meerwaarde heeft voor de groep diabetespatiënten die standaard bloed prikt. Op basis van de resultaten uit de werkgroep zal het Zorginstituut een standpunt uitbrengen voor welke patiënten de FSL vergoed kan worden.
Welke alternatieve onderzoeken zijn bekend over de glucosemeter Free Style Libre?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat wanneer behandeling met de glucosemeter Free Style Libre voor veel mensen met diabetes meer kwaliteit van leven en een betere zorg betekent ten opzichte van hun huidige behandeling, dat moet worden onderzocht of deze behandeling kan worden vergoed?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het verschil in kosten tussen de huidige behandeling met de vingerprik en behandeling met de glucosemeter Free Style Libre?
Ik kan slechts een indicatie geven over het kostenverschil omdat het gebruik van het aantal test strips per patiënt die bloed prikt sterk varieert. Bovendien heb ik geen inzicht in de exacte prijzen van hulpmiddelen omdat die tot stand komen tussen zorgverzekeraars en leveranciers. Echter, op basis van de gemiddelde uitgaven aan diabeteshulpmiddelen per jaar per patiënt liggen de kosten voor de Freestyle Libre ongeveer € 1.390,00 hoger ten opzichte van patiënten die vingerprikken.
Wat zou het kosten om glucosemeter Free Style Libre in het zorgpakket op te nemen?
De Freestyle Libre zit sinds 2017 in het basispakket voor een specifieke groep diabetespatiënten. Geschat wordt dat er jaarlijks 30.000 tot 51.800 patiënten voldoen aan de indicaties voor welke het Zorginstituut heeft beoordeeld dat de Freestyle libre effectieve zorg is. Op basis daarvan worden de bruto meerkosten geraamd op € 48,6 miljoen tot € 83,9 miljoen per jaar. In werkelijkheid zullen de maximale bruto kosten lager zijn, omdat een deel van de patiëntenpopulatie al continue glucosemeting gebruikt. Indien op basis van een standpunt van het Zorginstituut de vergoeding van de FSL voor diabetes 1 patiënten met andere indicaties wordt uitgebreid, is de verwachting dat ongeveer 45.000 patiënten extra hiervoor in aanmerking komen en dat de budgettaire impact 72,8 miljoen bedraagt.
Bent u bereid het Zorginstituut Nederland te vragen om glucosemeter Free Style Libre mee te nemen in het pakketadvies en hierover zo snel mogelijk te adviseren?
Zoals ik in mijn antwoord bij vraag 2, 3 en 4 heb gemeld, is het Zorginstituut bezig met het ontwikkelen van een standpunt. Onlangs heeft de Ronde Tafel Diabeteszorg geadviseerd om op basis van de huidige informatie na te gaan of vooralsnog alle mensen met diabetes type 1 de FSL vergoed kunnen krijgen. Door alle betrokken partijen van de Ronde Tafel wordt nu gewerkt aan het bij elkaar brengen en onderbouwen van de benodigde wetenschappelijke studies en overige informatie. Het is de verwachting dat Zorginstituut Nederland voor einde 2019 een uitspraak kan doen over vergoeding van FSL voor mensen met diabetes type 1. Ik zie daarom nu geen aanleiding het Zorginstituut om een aanvullend advies te vragen, aangezien het Zorginstituut reeds werkt aan een standpunt dat zal aangeven voor welke indicaties FGM wel en niet in het basispakket zit.
Het bericht ‘Groen licht voor islamitisch meisjesinternaat in Blerick’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groen licht voor islamitisch meisjesinternaat in Blerick»?1
Ja.
Bent u bereid dit sharia-internaat meteen te sluiten, danwel dicht te laten timmeren?
Nee. Nederland is een open en vrije samenleving. De vrijheden van vereniging en van vergadering zoals vastgelegd in onze Grondwet zijn een groot goed. Het staat iedere burger vrij om hun kinderen buiten de onderwijstijd informeel onderwijs te laten volgen en/of in een jeugdverblijf te laten verblijven.
Wat het kabinet niet wenselijk vindt, is onderwijs dat de integratie in Nederland belemmert of antidemocratische opvattingen stimuleert. Het kabinet vindt het van belang dat in ons land alle mensen meedoen in de samenleving; informeel onderwijs zou dat niet in de weg moeten staan.
Na opening van het jeugdverblijf valt de instelling onder het toezicht dat is gerealiseerd met de Wet op de jeugdverblijven. In deze wet is het toezicht opgedragen aan de gemeente waarin het jeugdverblijf is gevestigd. De burgemeester is bevoegd tot sluiting van het jeugdverblijf bij een gegrond vermoeden van een overtreding of misdrijf dat directe gevolgen heeft voor de veiligheid van de minderjarige dan wel een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van de minderjarige in het jeugdverblijf.
Deelt u de mening dat meisjes in Nederland nooit op een internaat mogen zitten, waarvan de grondslag is gebaseerd op de islam en dus de sharia? Zo ja, bent u dan bereid om alle islamitische internaten, weekendscholen, koranscholen en huiswerkbegeleidingsinstituten te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Verschillende reisadviezen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat lidstaten van de Europese Unie (EU) nog steeds verschillende reisadviezen afgeven voor dezelfde landen? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Bent u het er mee eens dat het wenselijk zou zijn om één Europees reisadvies te hebben, omdat 28 verschillende reisadviezen verwarrend kunnen zijn voor reizigers, vakantiegangers en reisorganisaties?
Kunt u aangeven voor welke populaire reisbestemmingen buiten Europa EU-lidstaten verschillende reisadviezen afgeven? Kunt u aangeven waarom Europese reisadviezen in de nasleep van de aanslagen in Sri Lanka van elkaar verschilden?
Kunt u aangeven of er binnen andere EU-lidstaten de wens bestaat om tot een gemeenschappelijk reisadvies te komen?
Over het algemeen wordt het belang van gelijkluidende reisadviezen binnen de EU zeker erkend. De problemen en verwarring die verschillende adviezen kunnen opleveren voor burgers en reisorganisaties, staan bij de meeste landen goed op het netvlies. Daarom vindt bij een crisis direct afstemming plaats tussen de landen over de inhoud van het reisadvies. Dit gebeurt lokaal, via telefonisch overleg tussen de hoofdkwartieren en via een gezamenlijk online EU-platform (COOL). Nederland maakt zich binnen de EU sterk voor verdere intensivering van deze samenwerking.
U kunt zich echter voorstellen dat er v.w.b. de praktische uitvoering een aantal haken en ogen kleven aan het komen tot één gezamenlijk reisadvies. De afstemmingsprocedure voordat een advies gepubliceerd kan worden, zal
bijvoorbeeld (veel) meer tijd in beslag nemen. En juist bij crises is het van belang een reisadvies snel aan te passen, zodat Nederlanders op de hoogte zijn van de actuele veiligheidsrisico’s in het buitenland.
Een andere lastige factor is dat niet alle lidstaten reisadviezen hebben, en dat sommige lidstaten maar voor een beperkt aantal landen reisadviezen opstellen. Tot slot ligt de wettelijke bevoegdheid ten aanzien van het opstellen van reisadviezen nog immer op nationaal niveau. Dit betekent dat de Minister van BZ politiek verantwoordelijk is voor de inhoud van de reisadviezen van de Nederlandse overheid. Het is onduidelijk waar deze verantwoordelijkheid zich bevindt in geval van een gezamenlijk Europees reisadvies.
Derhalve bestaat er binnen de EU momenteel nog weinig draagvlak voor één Europees reisadvies.
Op welke wijze hebt u zich de afgelopen jaren ingezet voor betere harmonisatie van Europese reisadviezen? Welke stappen wilt u daar de komende tijd zetten?
BZ heeft binnen de EU regelmatig aandacht gevraagd voor het belang van meer uniformiteit tussen de reisadviezen en het verbeteren van de onderlinge samenwerking op dit gebied. Naast het opbrengen van dit punt binnen de consulaire EU werkgroepen (zoals de COCON), heeft BZ er ook voor gezorgd dat organisaties uit de Nederlandse reisbranche spreektijd kregen op belangrijke EU bijeenkomsten omtrent het reisadvies en dit punt konden benadrukken.
Verder heeft BZ tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU in 2016 aandacht gevraagd voor deze vragen, en is sterk ingezet op het bevorderen van de lokale samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van crisisvoorbereiding.
Dit heeft geresulteerd in de wereldwijde uitrol van het Joint EU Consular Crisis Preparedness Framework; een document waarin lokaal afspraken worden vastgelegd over de samenwerking bij crises. Onderdeel van dit plan is ook een risicoanalyse, waarbij gezamenlijk gekeken wordt naar de bestaande veiligheidsrisico’s en dreigingen in het land.
Ik ben bereid het belang van eensgezinde reisadviezen verder te blijven benadrukken binnen de EU. Bij de verscheidene EU-voorzitterschappen zal dit punt onverkort worden gemaakt, onder meer bij het huidige Roemeense voorzitterschap.
Ook bij de samenstelling van de nieuwe Europese Commissie zal Nederland aandacht vragen voor dit onderwerp. De veiligheid van Nederlanders staat voor mij echter altijd voorop. Ik wil daarom strenge criteria koppelen aan de eventuele invoering van een gezamenlijk reisadvies. Daarbij denk ik aan snelheid, kwaliteit en absolute absentie van politieke overwegingen.
Heeft u zich al ingezet om tot een gezamenlijk Europees reisadvies te komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit tot op heden niet is gelukt? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft in EU-verband aandacht gevraagd voor een gezamenlijk Europees reisadvies. Daarbij zijn de onder vraag 4 geschetste uitdagingen ook steeds genoemd, die ook door andere lidstaten worden onderkend.
Nederland staat positief tegenover één gezamenlijk Europees reisadvies. Nederland zal op weg daarnaartoe actief blijven werken aan meer Europese samenwerking en afstemming waar het gaat om de vorm en inhoud van de reisadviezen, zowel in EU-verband als in nauwe bilaterale samenwerking met partners in Europa. De Europese burgers en de professionele reiswereld hebben hier belang bij. We blijven hier de komende tijd binnen de Europa dan ook op inzetten.
Het bericht dat een ALS-patiënt een rekening van €20.000 heeft moeten betalen door een fout van het zorgkantoor |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wilt u reageren op het verhaal van ALS-patiënt Anita die een rekening van € 20.000 van het CAK heeft ontvangen, enkel omdat het Zorgkantoor haar zorg niet op tijd heeft gemeld bij het CAK?1
Door een vertraagde aanlevering van informatie van het Zorgkantoor heeft mevrouw jarenlang een te lage eigen bijdrage betaald voor de zorg die zij ontving. Op het moment dat het CAK de juiste informatie ontving over de zorg van mevrouw heeft het CAK een correctie van de eigen bijdrage doorgevoerd. Hoewel de eigen bijdrage van mevrouw is berekend op basis van haar draagkracht, vind ik het zeer onwenselijk dat zij geconfronteerd wordt met een hoge naheffing.
Ik heb daarom verschillende maatregelen genomen om zulke hoge stapelfacturen tegen te gaan. Ik heb de termijn waarover het CAK een initiële oplegging van de eigen bijdrage mag opleggen verkort van 36 naar 12 maanden. Deze verkorting is voor de Wlz en beschermd wonen ingegaan per 1 januari 2019, voor de extramurale Wmo gaat dit per 1 januari 2020 in. Daarnaast heb ik het CAK en de zorgkantoren verplicht bestandsvergelijkingen uit te voeren voor de Wlz, om verschillen in de registratie van cliënten tijdig op te sporen. Het voornemen is om dergelijke bestandsvergelijkingen op termijn ook voor de Wmo 2015 in te voeren.
Vindt u het wenselijk dat het gezin van Anita nu fors heeft moeten betalen, terwijl dit geld eigenlijk gereserveerd was voor de uitvaart van Anita en voor een woning van haar dochter? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u, zeker nu het zorgkantoor van Zilveren Kruis stelt dat het hier een incident betreft, dat er een tussenoplossing gevonden moet worden waardoor dit gezin niet zo hard getroffen wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, het CAK biedt in soortgelijke situaties een betalingsregeling aan, het gezin heeft echter besloten af te zien van een betalingsregeling. Het CAK honoreert jaarlijks ongeveer 6.500 betalingsregelingen voor de eigen bijdrage Wlz. Deze betalingsregelingen zijn aangepast aan de individuele situaties van de cliënten en hoeveel zij maandelijks financieel kunnen dragen.
Hoeveel mensen hebben een rekening gekregen omdat gemeenten, aanbieders, het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) of zorgkantoren te laat waren met het aanmelden van personen bij het CAK of foutieve gegevens heeft doorgegeven aan het CAK? Kunt u een overzicht geven van zowel gemeenten, aanbieders, het CIZ en zorgkantoren apart om hoeveel personen dit betreft en om welke bedragen het gaat? Zo neen, waarom niet?
In 2018 zijn er in de Wlz in totaal 3,2 miljoen facturen verstuurd. Een groot deel van deze facturen, namelijk ruim 3 miljoen is binnen twee maanden verstuurd. Er wordt gesproken van een stapelfactuur op het moment dat de factuur meer dan twee maanden aan eigen bijdrage bevat. Een dergelijke stapeling treedt vaak op bij de aanvang van de zorg. Daarnaast zijn niet alle stapelfacturen het gevolg van een vertraagde aanlevering of foutieve gegevens. Binnen het totaal van de facturen zijn er 179 duizend stapelfacturen (5,5% van het totaal aantal facturen). Hiervan hadden er 31 duizend betrekking op een periode langer dan 12 maanden. Per 1 januari 2019 kan een initiële oplegging van de eigen bijdrage betrekking hebben op een periode van maximaal 12 maanden (zie antwoord op vraag 5).
Stapelfacturen kunnen verschillende gevolgen voor de cliënt hebben. Zo kan het voorkomen dat een cliënt geld terugkrijgt van het CAK. Dit was het geval bij 34 duizend stapelfacturen. Het kan ook zo zijn dat de factuur geen gevolgen heeft voor de cliënt. Daarvan was in 2018 bij 8 duizend stapelfacturen sprake. Als laatste kan het ook voorkomen dat een cliënt meer eigen bijdrage moet betalen dan eerder is opgelegd. Dit was bij 137 duizend stapelfacturen het geval, die kunnen zien op een periode van drie tot 12 maanden.
Het totale aantal Wmo 2015 facturen over 2018 was 5,7 miljoen. Ongeveer 328 duizend facturen betroffen stapelfacturen (5,8% van het totale aantal facturen). 103 duizend stapelfacturen hadden betrekking op een periode langer dan 12 maanden geleden. Bij 91 duizend stapelfacturen had de factuur geen gevolgen voor de cliënt. In het geval van 37 duizend kreeg de cliënt geld terug van het CAK. Het aantal stapelfacturen waardoor de cliënt een hogere eigen bijdrage aan het CAK moest betalen was 200 duizend (3,5% van het totale aantal facturen).
Het CAK houdt geen expliciete registratie bij welke partij binnen de Wlz en Wmo2015 de geautomatiseerde gegevensaanleveringen (te) laat bij hen aanleveren. Daarom kunnen bovengenoemde cijfers niet worden uitgesplitst. Stapelfacturen zijn overigens niet altijd het gevolg van een fout. Stapelfacturen kunnen ook veroorzaakt worden door veranderende inkomensgegevens, zoals doorgegeven door de Belastingdienst. Daarbij kan de late aanlevering het gevolg zijn van een late belastingaangifte door de burger. Ook komt het voor dat het CIZ een indicatiebesluit voor de Wlz, of de gemeente een besluit in het kader van de Wmo2015, afgeeft met een ingangsdatum in het verleden.
Het totaalbedrag van de stapelfacturen voor zowel de Wlz als de Wmo 2015 kunnen op dit moment niet worden geleverd door het CAK.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om Anita en haar familie te helpen, maar ook om te voorkomen dat dit soort verschrikkelijke situaties in de toekomst niet meer voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb diverse maatregelen genomen om het aantal stapelfacturen flink te verminderen ten opzichte van de cijfers die ik hierboven heb genoemd.
Voor de Wlz en Wmo beschermd wonen heb ik per 1 januari 2019 de termijn waarover een initiële oplegging van de eigen bijdrage mag worden opgelegd verkort van 36 naar 12 maanden. Voor de extramurale Wmo 2015 gaat deze maatregel per 1 januari 2020 in. Aanvullend hierop heb ik het CAK en zorgkantoren verplicht voor de Wlz bestandsvergelijkingen uit te voeren, om verschillen in de registratie van cliënten tijdig op te sporen. Voor de Wmo 2015 wordt op dit moment verkend of een dergelijke bestandsvergelijking ook kan plaatsvinden met gemeenten. Hierdoor worden fouten eerder ontdekt en worden minder cliënten geconfronteerd met een zeer hoge naheffing van de eigen bijdrage.
Daarnaast ben ik op dit moment bezig met het uitwerken van een algemene maatregel van bestuur waarmee de termijn waarover een herziening van de eigen bijdrage mag worden opgelegd in geval van fouten in de keten voor zowel de Wlz als de Wmo 2015 wordt verkort van 36 naar 12 maanden. Cliënten worden op deze manier geconfronteerd met minder hoge naheffingen als het gevolg van een ernstige fout of vertraging van het CAK of één van zijn ketenpartners. Ook creëer ik voor het CAK een bevoegdheid tot het leveren van maatwerk. Deze bevoegdheid geldt zowel voor initiële opleggingen van de eigen bijdrage als een herziening. De inwerkingtreding is voorzien per 1 januari 2020.
Daarnaast zal ook de invoering van het abonnementstarief in de Wmo leiden tot een daling van het aantal stapelfacturen en de hoogte van de naheffingen, omdat sprake is van een vaste lagere bijdrage en eenvoudiger berichtenverkeer.
Het bericht dat drogisten en huisartsen gaan samenwerken om mensen met kleine kwalen beter te helpen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Huisartsen gaan doorverwijzen naar de drogist»?1
Het gaat om een gezamenlijk initiatief van het Centraal Bureau Drogisterijbedrijven (CBD) en zorgverzekeraar Zilveren Kruis, een deel van de monitoring wordt uitgevoerd door het NIVEL. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Patiëntenfederatie Nederland, het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik en de Consumentenbond nemen deel aan de klankbordgroep. Ik ben van mening dat door de expertise in de klankbordgroep en de monitoring van het NIVEL, er gedegen onderzoek kan worden gedaan naar de samenwerking tussen huisarts, drogist en apotheker op het gebied van kleine kwalen.
Wat vindt u van dit initiatief van het Centraal Bureau Drogisterijbedrijven?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het Nederlands Huisartsen Genootschap achter dit initiatief staat? Wat is daarbij de motivatie?
Het NHG laat weten dat zij het initiatief niet formeel steunen. Wel hebben zij iemand afgevaardigd voor de klankbordgroep om te adviseren over de rol van hun publiekswebsite Thuisarts.nl met patiënteninformatie over onder andere zelfzorg en kleine kwalen waar deze proef over gaat. Het NHG wil zelfzorg en de juiste zorg op de juiste plek stimuleren. Het doel van de proef is niet om het huisartsenbezoek terug te dringen. Er zullen namelijk ook mensen zijn die regelmatig bij de drogist komen en die moet worden geadviseerd naar de huisarts te gaan voor hun kwaal. Het gaat om een proef en daar staat het NHG positief tegenover.
Deelt u de mening dat deze samenwerking financiële belangenverstrengeling in de hand speelt en normaliseert, aangezien drogisterijen primair op handel gericht zijn? Vindt u niet dat een dergelijke financiële belangenverstrengeling onwenselijk is?
Het NHG geeft aan dat huisartsen bij kleine kwalen ook nu al vaak verwijzen naar de apotheek of drogist met de voorwaarde dat altijd goede voorlichting wordt gegeven. In de proef wordt de samenwerking ondersteund door het inzetten van een aantal interventies door betrokkenen te stimuleren. Deze interventies zijn gebaseerd op bestaande informatie en standaarden zoals thuisarts.nl, apotheek.nl en de zelfzorgkaarten van het CBD. Ik deel daarom de mening niet.
Denkt u dat deze samenwerking zal leiden tot meer gebruik van onnodige zelfzorggeneesmiddelen voor kleine kwalen (verkoudheid, schaafwonden, insectenbeten) die in principe vanzelf overgaan en waar het gebruik van (zelfzorg)geneesmiddelen niet vereist is?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 gaat het om een gezamenlijk initiatief van het CBD en Zilveren Kruis. Zilveren Kruis financiert het project. In de proef ligt de nadruk op de samenwerking tussen huisarts en drogist en niet op het gebruik van zelfzorgmiddelen. Ik heb van het NHG vernomen dat huisartsen op dit moment al veel doorverwijzen naar apotheek en drogist voor zelfzorggeneesmiddelen, zoals paracetamol, neusspray en antihistaminica. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat er een toename is van het gebruik van zelfzorgmiddelen.
Deelt u de voorkeur voor beantwoording van vragen door een praktijkassistent van een huisarts wanneer mensen zich met een kleine kwaal tot de huisarts richten, in plaats van samenwerking met een commerciële partij? Zo ja, wat gaat u doen om die weg te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen voorkeur hiervoor, maar het is van belang dat mensen voor vragen omtrent kleine kwalen zowel naar de huisarts als naar de apotheek of drogist kunnen. Er zijn geen (financiële) drempels voor mensen om hun vraag neer te leggen bij de huisarts of praktijkassistent. De keuzevrijheid van de patiënt wordt hiermee niet beperkt. Daarom is een extra stimulans niet nodig.
Het bericht ‘Tien jaar Bel-me-niet Register: ‘Het werkt voor geen meter’ |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tien jaar Bel-me-niet Register: «Het werkt voor geen meter»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het functioneren van het Bel-me-niet Register? Is bekend hoeveel particulieren en eenmanszaken hun nummer hierin hebben laten opnemen?
Op 31 december 2018 stonden 9.471.066 telefoonnummers ingeschreven in het Bel-me-niet Register (BMNR). In mijn Consumentenagenda, die ik op 8 oktober 2018 naar de Kamer heb gestuurd, heb ik aangekondigd het Nederlandse systeem voor telemarketing te gaan aanpassen van opt-out naar opt-in.2 Dat betekent dat natuurlijke personen alleen nog maar telefonisch benaderd mogen worden als zij daar toestemming voor hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest) bij dat bedrijf. Hieronder vallen vallen tevens ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap,. en maatschap. In de beantwoording van de feitelijke vragen over mijn Consumentenagenda ben ik uitgebreid ingegaan op het functioneren van het BMNR.3 Volledigheidshalve verwijs ik naar mijn antwoorden op vragen 19 t/m 30 van die beantwoording.
Hoe kan het dat het nog steeds vaak voorkomt dat mensen die staan ingeschreven in het Bel-me-niet Register, worden gebeld door telemarketeers?
Op grond van de Telecommunicatiewet mogen abonnees die natuurlijke personen zijn op dit moment door alle bedrijven worden gebeld voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden, tenzij ze staan ingeschreven in het Bel-me-niet Register (het zogenoemde opt-out systeem). Hierop gelden twee uitzonderingen. Ten eerste geldt het Bel-me-niet-register niet voor bedrijven waaraan een natuurlijk persoon toestemming heeft gegeven om te bellen. Ten tweede geldt het Bel-me-niet Register niet voor bedrijven waarbij de natuurlijk persoon klant is (geweest) voor de verkoop van gelijksoortige producten of diensten van het betreffende bedrijf. In beide gevallen moeten deze bedrijven de natuurlijk persoon tijdens elk gesprek de gelegenheid geven verzet aan te tekenen (het zogenoemde recht van verzet). Indien iemand verzet aantekent, mogen ook deze bedrijven niet meer bellen.
Het onderscheid tussen het Bel-me-niet Register en het recht van verzet is niet voor iedereen duidelijk. Dit kan leiden tot verwarring bij natuurlijke personen die zijn ingeschreven bij het bel-me-niet-register als zij worden gebeld door – met name – bedrijven waarbij zij klant zijn (geweest).
Ik heb aangekondigd het huidige systeem opnieuw te bezien en een opt-in systeem voor telemarketing in te voeren. Dit betekent dat het Bel-me-niet-Register zal verdwijnen, omdat natuurlijke personen straks alleen nog mogen worden gebeld door bedrijven die zij hiervoor toestemming hebben gegeven en door bedrijven waarbij zij klant zijn (geweest). Deze bedrijven zullen nog steeds tijdens elk gesprek de gelegenheid moeten geven verzet aan te tekenen en mogen niet meer bellen indien inderdaad verzet wordt aantekent. Natuurlijke personen zullen met het opt-in systeem beter worden beschermd tegen telemarketing en ik verwacht dat de verwarring hierdoor zal afnemen.
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding, een boete opgelegd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan telemarketeers die mensen bellen die staan ingeschreven? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Om welk bedrag ging het gemiddeld?
De ACM is in 2013 ontstaan uit een fusie van de toezichthouders Consumentenautoriteit, OPTA en NMa. Voor die tijd (sinds de inwerkingtreding van het Bel-me-niet Register op 1 oktober 2009) is er door de OPTA regelmatig gehandhaafd. Zo werden er tussen 1 oktober 2009 en mei 2011 in totaal voor 1,2 miljoen euro aan boetes opgelegd voor het negeren van het Bel-me-niet register.4 Sinds 2013 heeft de ACM verschillende boetes uitgedeeld. In 2014 heeft de ACM Essent beboet voor het negeren van het BMNR, dit ging om een boete van € 47.5005. Daarnaast heeft de ACM sinds 2012 meerdere boetes opgelegd aan bedrijven en feitelijk leidinggevenden voor overtredingen in telefonische verkoopgesprekken, zoals het verstrekken van misleidende informatie in telefonische verkoopgesprekken en het niet vermelden van het commerciële oogmerk aan het begin van dergelijke gesprekken. Ook heeft de ACM recentelijk nog een last onder dwangsom opgelegd aan een bedrijf dat misleidende handelspraktijken hanteerde bij telefonische verkoop. Deze boetes zijn opgelegd vanwege handelen in strijd met consumentenregels in het Burgerlijk Wetboek, niet op basis van handelen in strijd met de Telecommunicatiewet.
In 2014 en 2015 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in drie zaken met betrekking tot telemarketing uitspraken gedaan waaruit blijkt dat de handhaafbaarheid van de regels in de Telecommunicatiewet voor de ACM in bepaalde opzichten moeilijk is.6 De ACM kan bepaalde handelwijzen van bedrijven alleen controleren door gevoerde telefoongesprekken na te luisteren. Ik ben voornemens om in de nieuwe regelgeving, die nu in voorbereiding is te zorgen voor betere handhavingsmogelijkheden.
Herkent u de constatering dat met name thuiswerkende zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) een doelwit zijn van telemarketeers, omdat deze groep zich niet kan beroepen op het consumentenrecht van twee weken bedenktijd? Onderschrijft u de oproep van de ACM aan energieleveranciers om thuiswerkende zzp’ers als consumenten te beschouwen?
Adverteerders, callcenters en andere bedrijven die gebruik maken van telemarketing zijn, op grond van artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet, verplicht te controleren of de contactgegevens van een natuurlijke persoon met wie zij geen klantrelatie hebben zijn opgenomen in het BMNR. Hieronder kunnen ook de contactgegevens van bedrijven vallen, als het telefoonabonnement van dit bedrijf op naam staat van een natuurlijke persoon, zoals het geval kan zijn bij een vennootschap onder firma of een eenmanszaak.
Indien een ondernemer (ongeacht welke rechtsvorm zijn onderneming heeft) benaderd wordt om een overeenkomst te sluiten voor doeleinden die in de privésfeer liggen, is zijn positie vergelijkbaar met die van een consument. Dit geldt ook bij overeenkomsten die deels binnen en deels buiten hun privé sfeer liggen én het beroep-of bedrijfsmatig karakter ervan niet overheerst. In dat geval komen ondernemers in aanmerking voor de bescherming die consumenten op grond van het BW genieten en voor bescherming bij het aangaan van energiecontracten. Vanuit de Elektriciteitswet 1998 en het generieke consumentenrecht is een brede bescherming gewaarborgd, in dit licht verwijs ik ook naar mijn brief van 26 maart jl.7
Ziet u mogelijkheid om het consumentenrecht van twee weken bedenktijd, of een vergelijkbaar instrument, ook voor thuiswerkende zzp’ers te laten gelden?
Zoals toegelicht in antwoord 5, komt een zzp-er die een contract sluit die geheel of grotendeels in de privésfeer ligt, in aanmerking voor de bescherming die consumenten op grond van het BW genieten.
De ACM heeft aangekondigd intensiever te gaan handhaven en extra voorlichting te geven aan ondernemers hierover. Daarnaast worden ondernemers sinds 1 juli 2016 beschermd door de Wet strafbaarheid acquisitiefraude. Met acquisitiefraude worden misleidende handelspraktijken tussen organisaties bedoeld, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt die puur als doel hebben de ander ertoe te bewegen een contract af te sluiten, terwijl de tegendienst niet of nauwelijks wordt geleverd. Als gevolg van deze wetswijziging zijn ondernemers tegen dergelijke misleidende praktijken beschermd.
Herkent u de beschreven praktijk waarbij callcenterverkopers bewust de schijn wekken een andere, betrouwbare, partij te representeren, waarmee de randen van het intellectueel handelsrecht worden opgezocht en soms ook overschreden?
Ik heb van dergelijke praktijken gehoord. Volgens Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is het een handelaar niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten te verrichten. Een oneerlijke handelspraktijk is bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste, misleidende of onvolledige informatie. Voor ondernemers biedt de Wet strafbaarheid acquisitiefraude hier bescherming.
Op welke wijze kan de ACM beter worden ondersteund bij het handhaven van de bestaande regelgeving, bijvoorbeeld door een plicht tot het bewaren van gesprekken door bedrijven?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een Bel-me-wel Register, waarbij particulieren en zzp’ers net zoals bij de ja/ja-sticker voor reclamedrukwerk pas na een actieve keuze door telemarketeers kunnen worden benaderd, ergernissen kan voorkomen en het verkopers lastiger maakt om de wet te omzeilen? Bent u bereid actie te ondernemen om te komen tot een dergelijk register?
In mijn consumentenagenda heb ik een opt-in regime aangekondigd. Dit betekent dat ik werk aan een wetsvoorstel waardoor natuurlijke personen straks alleen nog maar gebeld mogen worden als zij daar expliciet toestemming voor hebben gegeven. Dit maakt naar mijn mening een specifiek Bel-me-wel Register overbodig.
Het bericht ‘Open letter on climate-related financial risks’ |
|
Bart Snels (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de open brief gelezen van vertegenwoordigers van drie centrale banken met daarin vier aanbevelingen voor beleidsmakers en de financiële sector rondom de aanpak van klimaatverandering?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op deze aanbevelingen?
Het rapport waarop de open brief is gebaseerd, bundelt de kennis van 34 centrale banken en toezichthouders over klimaatrisico’s die financiële instellingen lopen. Deze centrale banken en toezichthouders zijn verenigd in het Network for Greening the Financial System (NGFS). Daarmee zijn de aanbevelingen een waardevolle toevoeging in het debat over de aanpak van de risico’s van klimaatverandering. Ik deel de mening dat van belang is dat financiële risico’s van klimaatverandering en transitie worden aangepakt en dat hierop adequaat beleid wordt gevoerd. In zijn algemeenheid kan ik mij daarom goed vinden in de gedane aanbevelingen.
De eerste aanbeveling van het NGFS, met betrekking tot het integreren van klimaatgerelateerde financiële risico’s in toezicht op financiële stabiliteit en instellingen, is in lijn met het streven van dit kabinet. Zoals ik heb aangegeven in mijn agenda financiële sector, moedigt dit kabinet DNB en de AFM aan om duurzaamheidsvraagstukken verder te integreren in het toezicht. Hierop zijn al belangrijke stappen gezet. DNB besteedt reeds aandacht aan fysieke risico’s van klimaatverandering in reguliere stresstesten voor schadeverzekeraars. Ook heeft DNB al klimaatstresstesten uitgevoerd, waarbij de gevolgen van de energietransitie voor het Nederlands financieel systeem in kaart zijn gebracht. De overheid is actief in gesprek met de financiële sector over het vergroenen van het financiële systeem. Binnen het Klimaatakkoord hebben financiële instellingen afgesproken om het CO2-gehalte van relevante financieringen en beleggingen te meten. Vanaf het boekjaar 2020 rapporteren zij daarover publiekelijk. Gezien de grensoverschrijdende dynamiek van klimaatverandering en financiële markten, is een Europese en mondiale aanpak in dit vraagstuk van belang. Ik maak mij dan ook – samen met DNB en de AFM – in Europees en internationaal verband hard voor het integreren van klimaatrisico’s in het risicobeheer van banken, alsmede in het toezicht. Op dat vlak zijn de laatste maanden goede stappen gezet. Zo is zowel in de herziening van het kapitaaleisenraamwerk voor banken, als in de herziening van de Europese toezichthoudende autoriteiten aandacht gekomen voor duurzaamheidsrisico’s.
Met de tweede aanbeveling wordt de intentie getoond van de centrale banken om zelf het voortouw te nemen in het integreren van duurzaamheid in het investeringsbeleid. DNB heeft als eerste centrale bank de Principles for Responsible Investment (PRI) ondertekend. Hiermee committeert DNB zich aan de integratie van duurzaamheid in het beleggingsbeleid van de eigen reserves. Dit kan de financiële sector stimuleren om maatschappelijk verantwoord te beleggen. Ook de Nederlandse overheid zelf wil het goede voorbeeld geven. Nederland geeft met ingang van dit jaar groene staatsobligaties uit. Hiermee wordt de verdere ontwikkeling van de markt voor groene financiering gesteund.
Als derde beveelt het NGFS aan dat publieke autoriteiten klimaatgerelateerde data moeten delen en waar mogelijk openbaar moet maken. Goede data en plausibele scenario’s zijn essentieel om de financiële sector te kunnen laten anticiperen op de risico’s van klimaatverandering en de transitie. Hierin ligt een belangrijke rol voor financiële instellingen en toezichthouders. De financiële sector heeft bij het Klimaatakkoord laten zien deze rol zelf op te pakken. Zoals eerder genoemd is hierin onder andere afgesproken om het CO2-gehalte van relevante financieringen en beleggingen te meten. Het kabinet ziet het belang van informatie bij het anticiperen op klimaatverandering en de bijbehorende energietransitie en zet zich in voor het verbeteren van de toegankelijkheid van data en scenario’s voor financiële instellingen. Dit komt terug in de verkenning naar de markt voor duurzame financiering, die naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamerleden Slootweg en Bruins wordt uitgevoerd.
Tot slot beveelt het NGFS aan om kennis en bewustzijn op te bouwen en te delen binnen de financiële sector. De afgelopen jaren zijn er goede stappen gezet op dit vlak. Het Platform voor Duurzame Financiering, het Network for Greening the Financial System en de recent opgerichte Coalitie van ministers van Financiën voor Klimaatactie zijn sprekende voorbeelden van platformen die kennisopbouw en -deling faciliteren. Op dit vlak is het belangrijk om internationaal samen te werken en om in gesprek te blijven met de financiële sector.
Het NGFS geeft ook twee bredere overwegingen mee. Als eerste stelt het netwerk dat het essentieel is dat internationaal consistent wordt gerapporteerd over klimaatrisico’s. Onder andere de Task Force on Climate-related Financial Disclosures (TCFD) heeft hier al goede eerste stappen ingezet. De Europese Commissie gaat richtsnoeren inzake niet-financiële informatie herzien in lijn met aanbevelingen van de TCFD. De tweede brede aanbeveling roept op om samen te werken bij het ontwikkelen van een classificatiesysteem om te bepalen welke economische activiteiten groen zijn. Zoals eerder aangekondigd in het BNC-fiche over het Actieplan Duurzame Financiering, wordt momenteel gewerkt aan een gezamenlijke taxonomie voor duurzame activiteiten in de EU. Een gedeeld begrip van wat onder duurzaamheid verstaan wordt in de financiële sector, draagt bij aan vergelijkbaarheid en consistentie van financiële producten. Dit helpt om de markt voor duurzame financiering te bevorderen.
Bent u bereid om, voor zover u dat nog niet heeft gedaan, contact te leggen met Network for Greening the Financial System (NGFS) en intensief met hen samen te werken rondom de vergroening van de financiële sector?
Hoewel de invloed van het werk van het NGFS niet beperkt is tot zijn leden, is het NGFS een netwerk van centrale banken en toezichthouders. Ministers van Financiën zijn hier dus niet direct bij betrokken. DNB is een van de oprichters van het netwerk. Het kabinet moedigt DNB aan dat het zich onder andere via dit netwerk inspant voor de vergroening van het financiële systeem. Ik sta in goed contact met DNB en volg het werk van het NGFS met interesse. Zelf neem ik deel aan de recent opgerichte Coalitie van ministers van Financiën voor Klimaatactie. Als onderdeel van deze coalitie zal gesproken worden over de vergroening van het financieel systeem en de aanpak van klimaat- en transitierisico’s. Nederland zal de Coalitie onder andere gebruiken om de initiatieven die in Nederland worden ontplooid internationaal op de kaart te zetten. Ook ziet Nederland ruimte om via deze coalitie te werken aan verdere standaardisatie van meetmethodes voor klimaatimpact van financiële instellingen. In EU verband wordt veelvuldig gesproken over de vergroening van de financiële sector. De taxonomie, genoemd bij het antwoord op vraag 2, is hier een voorbeeld van. Zoals het antwoord op vraag 2 laat zien, worden er al goede stappen gezet op wat het NGFS aanbeveelt.
In hoeverre voldoet de Nederlandse overheid al aan de derde aanbeveling over openheid van data? Zijn er op dit punt verbeteringen mogelijk? Werken bijvoorbeeld de Waterschappen, onderzoeksinstituten en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) actief samen met banken aan risico-analyses?
De Nederlandse overheid zet zich breed in voor het ontsluiten van kennis. Met betrekking tot klimaatrisico’s gebeurt dit onder ander via de Klimaateffectatlas. In deze atlas kan iedereen opzoeken wat de klimaateffecten binnen Nederland zijn voor specifieke gebieden. De Klimaateffectatlas is gebaseerd op alle relevante beschikbare data van onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Planbureau voor de Leefomgeving, de Vrije Universiteit, Deltares, Rijkswaterstaat, de Universiteit van Wageningen en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut.
Er wordt veel werk verricht op het gebied van klimaat gerelateerde data en de klimaatrisico’s die de sector loopt. Onder het Platform Duurzame Financiering, waar ook het Rijk bij aan is gesloten, valt een werkgroep die klimaatrisico’s vertaalt in effecten voor de financiële sector. Deze werkgroep roept bedrijven op om te rapporteren over de impact van klimaatverandering op hun bedrijfsvoering. Daarbij kunnen financiële instellingen ook gebruikmaken van de rapportages van de Task Force on Climate-related Financial Disclosures (TCFD). De TCFD-rapportages bieden investeerders eenvoudig te vergelijken data op sector- en bedrijfsniveau.
Verder staat in het Klimaatakkoord dat de financiële sector zal rapporteren over de klimaateffecten van hun portefeuille, en uiterlijk in 2022 een klimaatdoel zullen stellen ten aanzien van die portefeuille. Op dit moment is er nog geen eenduidige methode hiertoe. De ondertekenaars van het commitment verbinden zich aan een proces om de resultaten vergelijkbaar te maken en stappen te zetten om de meting te verbeteren en te verdiepen. Ik onderschrijf het belang van deze ontwikkeling. Ik verwacht dat dit de sector zal helpen bij het verdiepen van de kennis en hen in staat zal stellen betere klimaatgerelateerde beslissingen te nemen.
Bent u bereid om samen met de financiële markt de juiste data te ontsluiten om de financiële sector te ondersteunen bij het maken van klimaatgerelateerde beslissingen?
Zie antwoord vraag 4.
Is er in internationaal verband regelmatig overleg over vergroening van de financiële sector? Zo ja, bent u bereid de aanbevelingen van NGFS tijdens deze overleggen actief naar voren te brengen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Mozambique: Cyclone Victims Forced to Trade Sex for Food’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Mozambique: Cyclone Victims Forced to Trade Sex for Food»?1
Ja.
Heeft u contact gehad met de Human Rights Watch over de verhalen van slachtoffers, bewoners en hulpverleners over lokale gemeenschapsleiders, die misbruik maken van hun machtspositie bij de distributie van voedsel? Zo ja, wat is uw reactie over deze opstelling van de lokale gemeenschapsleiders? Zo nee, bent u bereid dit op korte termijn te doen?
De Nederlandse ambassade in Mozambique heeft gesproken met de onderzoeksjournalist van Human Rights Watch (HRW) die de berichten over machtsmisbruik door lokale gemeenschapsleiders in Mozambique naar buiten bracht.
Misbruik door lokale gemeenschapsleiders van hun machtspositie bij voedseldistributie is volstrekt onacceptabel. Nederland is van mening dat lokale leiders die zich schuldig maken aan machtsmisbruik binnen het Mozambikaanse rechtssysteem moeten worden berecht en bestraft. Nederland vraagt via verschillende kanalen aandacht voor de positie van kwetsbare mensen en gaat het gesprek met de overheid aan om misbruik aan te kaarten en om concrete maatregelen te vragen.
Deelt u de mening dat met name de positie van vrouwen en kinderen in omstandigheden zoals die zich nu in Mozambique voordoen bijzonder kwetsbaar is en het van groot belang is dat zij bescherming krijgen?
Ja, die mening deel ik. Om misbruik van vrouwen en kinderen te voorkomen en tegen te gaan zijn door de VN de Prevention of Sexual Exploitation and Abuse(PSEA)-richtlijnen ontwikkeld. VN-instellingen, partnerorganisaties en de lokale overheid moeten zich aan deze richtlijnen houden. De richtlijnen schrijven voor wanneer en door wie actie moet worden ondernomen in geval van machtsmisbruik.
Maakt u zich zorgen om de situatie van honderdduizenden vrouwen die door de gevolgen van de cycloon kwetsbaar zijn voor mishandeling, ook met het oog op de volgende cycloon die deze regio bedreigt?
Ik maak mij inderdaad grote zorgen over (seksueel) geweld, machtsmisbruik en uitbuiting waar vrouwen in dergelijke noodsituaties mee te maken kunnen krijgen. Nederland zet zich samen met diverse (internationale) partners actief in voor bestrijding van grensoverschrijdend gedrag in de hulpsector. Vanuit het principe van «zero tolerance for inaction» volgt Nederland nauwgezet of door betrokken organisaties adequaat wordt gehandeld conform de gemaakte afspraken, ook in Mozambique. Zie Kamerbrief d.d. 15 november 2018, (Kamerstuk 35 000-XVII, nr. 10) getiteld Rapportage over bestrijding seksueel grensoverschrijdend gedrag bij hulp- en OS-organisaties2.
Hoe verhouden de leidende beginselen van de Verenigde Naties (VN) inzake interne verplaatsing die bepalen dat ontheemden het recht hebben om bescherming en humanitaire hulp te vragen en te ontvangen van autoriteiten zich tot het machtsmisbruik door lokale leiders dat zich in sommige gebieden in Mozambique nu voordoet?
De hulpverlening in Mozambique wordt geleid door het Mozambikaanse Instituut voor Rampenmanagement (INGC) met ondersteuning van de VN en andere internationale organisaties, zoals het Rode Kruis. Het beleid van de VN en andere hulporganisaties is om voedsel- en noodhulppakketten direct onder getroffenen te verdelen en niet via lokale gemeenschapsleiders. Naast de internationale hulp bestaat er een aanzienlijke stroom van hulpgoederen die door Mozambikaanse burgers, bedrijven en de Mozambikaanse overheid zelf ter beschikking worden gesteld aan slachtoffers. Deze goederen worden grotendeels buiten de VN en internationale organisaties om gedistribueerd.
De VN voert een Zero Tolerance beleid aangaande seksuele exploitatie en uitbuiting. De VN wijst alle betrokken partijen continu op de richtlijnen met betrekking tot PSEA en de verplichting om klachtenmechanismes op te zetten. Helaas lijken, volgens de berichten van Human Rights Watch, lokale leiders toch misbruik te hebben gemaakt van de situatie van hulpbehoevenden.
Sinds het verschijnen van de berichten heeft de VN het beleid rondom PSEA in Mozambique verder aangescherpt en bespreekt de VN dit op verschillende niveaus met de Mozambikaanse overheid. De VN heeft reeds in een vroeg stadium honderden hulpverleners en medewerkers van de Mozambikaanse overheid en het maatschappelijk middenveld getraind op het gebied van PSEA. Ook zijn PSEAfocal points ingesteld voor ondersteuning van mogelijke slachtoffers.
Ook het Mozambikaanse INGC onderschrijft het PSEA-protocol. De getroffen bevolking is doormiddel van een poster campagne van het INGC en de VN in diverse talen geïnformeerd dat het een misdaad is om seksuele diensten in ruil voor hulp te vragen.
Heeft u contact opgenomen of gaat u – in bilateraal of multilateraal verband – contact opnemen met uw Mozambikaanse ambtsgenoot om dit machtsmisbruik te onderzoeken en maatregelen te treffen?
De Nederlandse Ambassadeur in Mozambique zal de zorgen over machtsmisbruik op korte termijn in bilateraal verband opbrengen tijdens een gesprek met Mozambikaanse Minister van Gender, Kinderzaken en Sociale Zaken. De Nederlandse Ambassadeur zal in dit gesprek benadrukken dat daders vervolgd moeten worden en slachtoffers van de ramp bescherming moet worden geboden tegen dergelijk machtsmisbruik.
Ook heeft de ambassade de berichten, direct nadat deze uitkwamen, met de VN en EU-vertegenwoordigers in Mozambique besproken. De VN heeft, met steun van Nederland, de Mozambikaanse autoriteiten verzocht om een officieel onderzoek in te stellen en aangedrongen op aanvullende maatregelen om misbruik door lokale ambtenaren te voorkomen.
Daarnaast zal de Ambassadeur op korte termijn de getroffen regio’s opnieuw bezoeken en spreken met de lokale bevolking en maatschappelijke organisaties over de situatie waarin vrouwen verkeren, de problemen die vrouwen ervaren en mogelijke oplossingen.
Heeft u contact gehad met het VN Wereldvoedselprogramma over mogelijke maatregelen die de distributie van voedsel en het opstellen van distributielijsten onttrekken aan de macht van de lokale leiders? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn er mogelijkheden om dit te doen en zo ja, ziet u mogelijkheden om hiervoor in internationaal verband steun te vergaren?
De Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Rome heeft naar aanleiding van de berichtgeving direct contact opgenomen met het VN Wereldvoedselprogramma. Zoals aangegeven is het beleid van de VN, en dus ook van het VN Wereldvoedselprogramma, om voedsel- en noodhulppakketten direct onder getroffenen te verdelen en niet over te laten aan lokale leiders. Het WFP heeft direct een onderzoek ingesteld, dat bevestigde dat medewerkers van VN-agentschappen en gelieerde hulporganisaties niet betrokken zijn geweest bij deze praktijken.
Het VN Wereldvoedselprogramma intensiveerde het contact met de Mozambikaanse autoriteiten over concrete maatregelen om misstanden te bij voedseldistributie door lokale leiders te voorkomen.
Deelt u de trieste constatering dat wanneer vrouwen meer betrokken zouden zijn bij en meer invloed zouden hebben op de voedseldistributie en de samenstelling van de distributielijsten veel gevallen van misbruik zouden zijn voorkomen?
Ja, ik deel die constatering. Volgens de Mozambikaanse richtlijnen dient noodhulp te worden gedistribueerd via een dorpscomité bestaande uit vijf mannen en vijf vrouwen. In de beginfase van de huidige noodsituatie blijkt dit echter niet altijd te zijn gebeurd, bijvoorbeeld bij voedseldroppings. In de gesprekken van Nederland met de Mozambikaanse autoriteiten en betrokken organisaties wordt het belang van evenwichtige representatie benadrukt en gezocht naar mogelijkheden om vrouwen meer bij het distributieproces te betrekken.
Wat zouden naar uw mening de internationale partners, met name de VN, kunnen doen om meer toezicht te houden op het gedrag van lokale ambtenaren tijdens de distributie van humanitaire hulp?
De VN en internationale partners hebben een belangrijke rol in het bewust maken van slachtoffers van rampen over hun rechten, het organiseren van klachtensystemen en het voorkomen van misbruik bij hulpverlening. Ook dringen zij aan bij de nationale overheid om een Zero Tolerance beleid te voeren. In geval van wangedrag is het van belang dat altijd de dialoog wordt aangegaan met de overheid en betrokken organisaties en aangedrongen op concrete stappen om de schuldigen aan te pakken en herhaling te voorkomen.
Het bericht ‘Lege tank niet beboet’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Lege tank niet beboet»?1
Ja.
Is bekend hoe vaak voertuigen met een lege tank komen te staan langs de snelweg of autoweg? Zijn die gegevens bij autobergers of bij Rijkswaterstaat bekend?
Nee, die gegevens zijn niet bekend. Er vindt vanuit Rijkswaterstaat geen aparte registratie plaats van voertuigen, die met een lege tank komen te staan. In dergelijke situaties op het hoofdwegennet registreert Rijkswaterstaat het voertuig onder een bredere definitie als «pechgeval».
Rijkswaterstaat ontvangt vanuit de bergers aanvullende informatie over pechgevallen op het gehele wegennet, inclusief onderliggend wegennet. Deze registratie is echter niet volledig. Bergers kunnen naar eigen inzicht een speciale reden van het pechgeval noteren, waaronder een lege tank. Ook hiermee is echter niet aan te geven hoe vaak dit voorkomt omdat dit alle wegen betreffen en een eigen inzicht van de berger is.
Deelt u de mening dat dit gevaarlijk kan zijn voor overige weggebruikers en kan leiden tot serieuze ongevallen?
Ja, het met een lege tank op de vluchtstrook staan kan gevaarlijk zijn. Bestuurders moeten zich bewust zijn van de gevaren die het op kan leveren voor henzelf, de passagiers, overige weggebruikers en de hulpdiensten als politie, weginspecteurs en/of bergers als ze stil komen te staan op de snelweg en/of moeten uitwijken naar de vluchtstrook.
Er is geen sluitende registratie beschikbaar van ongevallen op het hoofdwegennet op de vluchtstrook. Er wordt geregistreerd waar voertuigen zijn aangetroffen, niet op welke strook het ongeluk heeft plaatsgevonden. De politie registreert niet of een auto op de vluchtstrook of langs de weg is aangereden.
Hoeveel ongevallen zijn u bekend waarbij auto's op de vluchtstrook of langs de weg zijn aangereden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een lege tank of accu te vermijden valt, en dus dat het dus de eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder hoort te zijn om te voorkomen dat deze stilvalt door een lege tank of accu?
Een lege tank of accu is in principe te voorkomen. Ik ga er vanuit dat een bestuurder niet expres met een lege tank of accu komt te staan. Vrijwel elke auto is immers uitgerust met een waarschuwingslampje en indicator van het brandstofverbruik om de bestuurder daarop attent te maken. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat ook in deze systemen defecten kunnen optreden. Daarnaast is de actieradius, zeker bij elektrische auto’s, mede afhankelijk van files, wind en temperatuur. In die zin is het feit dat je gewaarschuwd wordt niet altijd voldoende: je moet wel de kans hebben (gekregen) om de accu of tank te vullen. Er kan dus niet gesteld worden dat het in alle gevallen te vermijden is.
Welk gevolg verbindt u aan de uitspraak van het Gerechtshof in Leeuwarden waarin brandstofgebrek is aangeduid als een noodgeval? Kunt u daarbij ingaan op de omstandigheid dat vrijwel iedere auto is voorzien van diverse waarschuwingslampjes en digitale brandstofverbruiksindicatoren?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, kunnen waarschuwingslampjes en digitale brandstofindicatoren niet altijd voorkomen dat iemand met een lege tank komt te staan. De uitspraak van het Hof was dat er in de casus die voorlag sprake was van een objectief waarneembare noodsituatie waarbij de (verkeers-)veiligheid in het geding was. Op het moment dat de betrokkene zonder benzine kwam te staan en hij om die reden niet meer verder kon rijden bleef voor hem geen andere mogelijkheid over dan op de vluchtstrook te gaan staan. Derhalve was er volgens het hof geen sprake van overtreding van artikel 43, derde lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990. Als gevolg van deze uitspraak zal er normaal gesproken geen boete meer volgen voor het stilstaan op de vluchtstrook met een brandstofprobleem op grond van artikel 43, derde lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) 1990.
Hoe denkt u erover in de wetgeving een onderscheid te gaan maken tussen technische mankementen die onvermijdelijk zijn en dit soort nalatigheid die te voorkomen is door als automobilist tijdig een pomp- of oplaadstation op te zoeken?
Dit is in de praktijk lastig uitvoerbaar. De politie zal dan aan moeten tonen dat er sprake is van nalatigheid. Wat daarbij van belang is, is dat ook technische mankementen het gevolg kunnen zijn van gebrekkig onderhoud. De politie moet dan telkens vaststellen of er sprake is van verwijtbaarheid. Ik verwacht dat dit lastig te bewijzen zal zijn.
Wat denkt u ervan om de oude boete te herintroduceren voor mensen die vanwege een vermijdbaar brandstof- of acculaadtekort stil komen te vallen op snelwegen en autowegen en daarmee zichzelf en anderen in groot gevaar brengen? Of wat zijn uw alternatieven?
Het ligt niet voor de hand een boete te (her)introduceren voor vermijdbaar stil komen te staan. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7 zal dit lastig te bewijzen zijn. Als er echt sprake is van gevaarlijk gedrag kan op grond van artikel 5 van de Wegenverkeerswet worden opgetreden.
Het bericht ‘UNHCR evacueert honderden vluchtelingen uit kamp bij Tripoli’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «UNHCR evacueert honderden vluchtelingen uit kamp bij Tripoli»?1
Ja.
Heeft u contact gehad met de VN-Vluchtelingenorganisatie UNHCR over de situatie in de vluchtelingenkampen in Libië die – in de woorden van Matthew Brook van de UNHCR-missie in Libië – nog nooit zo gevaarlijk is geweest en dat het van levensbelang is dat vluchtelingen die in gevaar zijn worden vrijgelaten en geëvacueerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt en gaat u doen om deze vluchtelingen te helpen?
Graag verwijs ik u naar de beantwoording van gestelde vragen door uw Kamer aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Buitenlandse Zaken op 23 april jl. waar op deze vragen nader wordt ingegaan.2
Wat vindt u van de oproep van Amnesty International om te (laten) onderzoeken onder welke omstandigheden de twaalf migranten gewond zijn geraakt?
Het kabinet betreurt het voorval in het Qasr Ben Ghasir detentiecentrum. Nederland vindt het belangrijk dat alle partijen bij een gewapend conflict zich aan het internationaal recht houden. Mogelijke schendingen hiervan moeten in de eerste plaats worden onderzocht en personen verantwoordelijk voor deze schendingen mogen niet ongestraft blijven. Het kabinet benadrukt dan ook het belang van strafrechtelijk onderzoek en daarmee de noodzaak voor het afleggen van verantwoording.
Heeft het verzoek van Italië via de Europese Unie (EU), u inmiddels bereikt? Zo ja, op welke manier gaat u zich in EU-verband inzetten? Zo nee, bent u bereid zelf overleg op Europees niveau te initiëren?
Voor zover bekend bij het kabinet heeft Italië een verzoek aan de Europese Commissie gedaan, niet aan de lidstaten. Het kabinet is niet bekend met de inhoud van het verzoek of een eventuele reactie van de Europese Commissie. Uiteraard volgt het kabinet de situatie in Libië nauwlettend. Ten aanzien van de inzet van het kabinet verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording van vergelijkbare vragen gesteld op 23 april jl.3
Wat is uw reactie op de situatie bij het detentiekamp in de buitenwijk Tajoura, waar vluchtelingen die de mogelijkheid om te vluchten is geboden, het kamp niet durven te verlaten uit angst dat ze in gevechten rond de hoofdstad terechtkomen? Ziet u mogelijkheden om deze vluchtelingen in veiligheid te brengen?
Sinds het uitbreken van het geweld rondom Tripoli, is de onveiligheid in detentiecentra toegenomen, zo ook in het detentiecentrum in de buitenwijk Tajoura. In de avond van 7 mei heeft er een luchtaanval plaatsgevonden gericht op een munitieopslagplaats van de militie die het detentiecentrum in Tajoura onder controle heeft. Er zijn geen gewonden gevallen, maar dit incident benadrukt de zorgwekkende situatie van migranten en vluchtelingen in detentiecentra die zich in conflictzones bevinden. Ten aanzien van de mogelijkheden om vluchtelingen in detentiecentra in veiligheid te brengen, verwijs ik kortheidshalve naar de beantwoording van vergelijkbare vragen gesteld op 23 april jl.4
Ziet u mogelijkheden om de UNHCR te ondersteunen om de 3.000 mensen die nog vastzitten in kampen in veiligheid te brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Een aangenomen resolutie door de VN-Mensenrechtenraad |
|
Wim-Jan Renkema (GL) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Three resolutions with an impact on children’s rights adopted by Human Rights Council»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (VN) een resolutie heeft aangenomen die oproept tot volledige implementatie van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) door alle partijen («It calls on States to renew efforts towards the full implementation of the UNCRC by all parties and ratification by non-party States and to raise awareness of the UNCRC as well as to increase action with respect to the right of the child»)?
Ja.
Wat gaat u doen om deze resolutie uit te voeren? Welke hernieuwde inzet gaat u plegen om het verdrag volledig te implementeren?
De resolutie is niet-bindend en wijzigt de bestaande verdragsverplichtingen niet. Het is wel een goede herinnering voor staten dat de rechten van het kind belangrijk zijn.
Zoals aangegeven in de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 mei 2019, vindt er in VN-verband op dit moment een uitgebreide evaluatie plaats over het functioneren van de VN-verdragscomités. Het kabinet wacht deze evaluatie af alvorens een besluit te nemen over ondertekening en ratificatie van de facultatieve protocollen bij het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, het VN-Verdrag Handicap en het VN-Kinderrechtenverdrag.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze resolutie het voorbehoud op artikel 26 het IRVK op te heffen?
Artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) erkent het recht van elk kind op sociale zekerheid. Nederland heeft het gehele Verdrag ondertekend en geratificeerd. Het voorbehoud bij artikel 26 ontkent het recht op sociale zekerheid van het kind niet. Het voorbehoud beoogt enkel te voorkomen dat Nederlandse rechters een rechtstreeks werkend zelfstandig recht op sociale zekerheid van het kind in deze bepaling lezen. Dit is nodig omdat de Nederlandse rechter aan het verdrag zelf toetst en niet aan de Grondwet. Het voorbehoud staat de naleving van het verdrag niet in de weg noch de verplichting om een adequate levenstandaard voor het kind te waarborgen (artikel 27). Het recht van een kind op voorzieningen voor sociale zekerheid is een afgeleid recht op voldoende voorzieningen voor sociale zekerheid van de ouders. De kinderbijslag en het kindgebonden budget zijn voorzieningen voor ouders, waar kinderen in Nederland geen zelfstandig recht op hebben. Ik zie derhalve geen reden om het voorbehoud op te heffen.
Wist u dat de Eurocommissaris Moscovici afgelopen januari met voormalig premier van het Verenigd Koninkrijk de heer Blair en de Hongaarse miljardair de heer George Soros geheime gesprekken heeft gevoerd in de achterkamertjes van het World Economic Forum in Davos over een tweede Brexit-referendum?1
Nee.
Zo ja, waarom heeft u de Tweede Kamer hier niet over geïnformeerd? Zo nee, wat vindt u van dit onderhoud?
Eurocommissaris Moscovici heeft gedurende het World Economic Forum in Davos verschillende gesprekken gevoerd. Het is aan de Europese Commissie zelf om de afweging te maken met wie Eurocommissarissen wel of niet spreken.
Erkent u dat de werkwijze van de Europese Commissie het streven om te komen tot goede afspraken tussen de overgebleven 27 landen van de Europese Unie (EU27) en het Verenigd Koninkrijk in het kader van de Brexit ondermijnt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan de Europese Commissie zelf om te beoordelen met wie Eurocommissarissen wel of niet spreken. Het mandaat met de inzet van de EU27 voor de Brexit-onderhandelingen is vastgelegd in de richtsnoeren van de Europese Raad in artikel 50 samenstelling van 29 april 20172, 15 december 20173, 23 maart 20184 en in de gedetailleerde onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad Algemene Zaken in artikel 50 samenstelling van 22 mei 20175 en 29 januari 20186. De genoemde gesprekken doen geenszins afbreuk aan dit mandaat. Zowel de Europese Commissie als de EU-lidstaten beseffen hoe belangrijk de EU27-eenheid is om gezamenlijke doelen te kunnen bereiken. Tot op heden is het de Europese Commissie, die namens de EU27 onderhandelt met het VK, goed gelukt om die EU27-eenheid te bewaren.
Op welke wijze wordt de zogenaamde eenheid van het optreden van EU27 ondermijnd door dit gesprek door de Eurocommissaris? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op geen enkele wijze. Voor een toelichting zie het antwoord op vraag 3.
Welke verklaring heeft u voor het feit dat deze afspraken niet conform de interne regels van de Europese Commissie niet gepubliceerd zijn op de daarvoor bestemde website?
De leden van de Europese Commissie maken informatie openbaar over alle bijeenkomsten die zij en leden van hun kabinet met organisaties of als zelfstandige werkzame personen hebben gehouden over kwesties die verband houden met beleidsvorming en beleidsuitvoering in de Unie, overeenkomstig de bepalingen van Commissiebesluit C(2014) 9051 van 25 November 2014. De openbaar te maken informatie bestaat uit de datum en de plaats van de bijeenkomst, de naam van het lid van de Europese Commissie en/of van het lid van zijn of haar kabinet, de naam van de organisatie of als zelfstandige werkzame persoon en het onderwerp van de bijeenkomst. In ditzelfde besluit is tevens een aantal uitzonderingen geformuleerd waaronder deze informatie niet openbaar hoeft te worden gemaakt. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat de Europese Commissie hier onterecht gebruik heeft gemaakt van een van deze uitzonderingen.
Vindt u het terecht dat de Europese Commissie verklaart dat de besluitvorming zwaarder weegt dan het publieke belang van transparantie in deze context? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan de Europese Commissie om deze afweging te maken. Deze afweging heeft de Europese Commissie toegelicht in een brief aan EUobserver7, ook te vinden in het artikel van EUoberver waar u in uw vragen aan refereert. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat de Europese Commissie hier een onjuiste afweging heeft gemaakt. De Europese Ombudsman, mevrouw O’Reilly, oordeelt overigens dat het niveau van transparantie dat de Europese Commissie bezigt in de Brexit-onderhandelingen zeer hoog is.8
Deelt u de mening dat het publiek maken van afspraken en het vrijgeven van documenten het publieke belang juist dient? Zo ja, wat gaat u doen om de Europese Commissie te wijzen op deze omissie? Zo nee, waarom niet?
Het is bij uw Kamer bekend dat het kabinet veel waarde hecht aan transparantie van het Europese besluitvormingsproces. Zo zet het kabinet zich in voor, meer transparantie in de triloogfase, proactieve openbaarmaking van documenten in het wetgevende besluitvormingsproces, een standaardpraktijk voor de toepassing en een tussentijdse herbeoordeling van documenten met beperkte toegang (zogenoemde limité-markering), het zo spoedig openbaar maken van die documenten en een Interinstitutioneel akkoord inzake een verplicht transparantieregister. Die inzet zal het kabinet voortzetten binnen de nieuwe EU-legislatuur.9
Deelt u de mening dat de werkwijze van de Europese Commissie de transparantie van het Europese besluitvormingsproces en daarmee de legitimiteit van de Europese Unie ondermijnt? Zo ja, op welke wijze gaat u de Europese Commissie hierop aanspreken en zich inspannen voor meer transparantie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik verwijs u hierbij naar het antwoord op vraag 7.
Wat vindt u ervan dat ook Eurocommissaris Timmermans gesproken heeft met het Tony Blair Instituut for Global Change en de CEO van Apple, Tim Cook?
De Europese Commissie is verantwoordelijk voor haar eigen optreden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is het daarin aan de Europese Commissie zelf om de afweging te maken met wie Eurocommissarissen wel of niet spreken.
Hoe kan het dat er geen notulen beschikbaar zijn van deze bijeenkomsten? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Commissiebesluit C(2014) 9051 van 25 November 2014 geeft aan welke informatie over bijeenkomsten die leden van de Commissie en leden van hun kabinet met organisaties of als zelfstandige werkzame personen hebben gehouden over kwesties die verband houden met beleidsvorming en beleidsuitvoering in de Unie openbaar dient te worden gemaakt en onder welke voorwaarden. Dit besluit bevat geen verplichting tot het maken van notulen. In hoeverre van een bepaald overleg notulen worden gemaakt valt onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie zelf. Dit laat onverlet dat het Reglement van Orde van de Commissie wel vereist dat van vergaderingen van de Commissie notulen worden gemaakt (artikel 11). Van een vergadering van de Commissie is hier geen sprake.
Kunt u aangeven of u de bemoeienis van de Europese Commissie, door meerdere Eurocommissarissen gepast vindt – zeker in het kader van de discussie over buitenlandse bemoeienis met verkiezingen?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
De Europese Commissie is verantwoordelijk voor haar eigen optreden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is het daarin aan de Europese Commissie zelf om de afweging te maken met wie Eurocommissarissen wel of niet spreken.
Erkent u dat het beeld dat de beïnvloeding van buitenlandse mogendheden met onze verkiezingen of politieke positie in een ander daglicht komt staan nu blijkt dat Europese partijen zich fijntjes laten sponsoren door – voornamelijk – Amerikaanse bedrijven en denktanks? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Graag verwijst het kabinet naar de beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp.12
Hoe oordeelt u over het feit dat Eurocommissaris Timmermans recent beslissende onderhandelingen met het Europees parlement en de Raad over een lobbyregister heeft afgezegd en de facto daarmee heeft opgeblazen? Kunt u uw antwoord toelichten?4
In september 2016 heeft de Europese Commissie een voorstel gepubliceerd voor een Interinstitutioneel akkoord voor een verplicht transparantieregister. De Europese Commissie stelt voor om een gezamenlijk transparantieregister voor de Europese Commissie, de Raad en het Europees parlement te creëren, waarin belangenvertegenwoordigers ingeschreven moeten staan alvorens zij bepaalde interacties met de drie instellingen aan mogen gaan. Ook bevat het voorstel een bijbehorende gedragscode voor deze belangenvertegenwoordigers.
De gesprekken omtrent een Interinstitutioneel akkoord inzake een verplicht transparantieregister zullen niet afgerond worden onder de huidige EU-legislatuur. Het kabinet betreurt dit. Het kabinet is positief over het voorstel van de Europese Commissie.14 Voor het kabinet is het essentieel dat het verplichte transparantieregister zo snel mogelijk van toepassing is op de Raad, het Europees parlement en de Europese Commissie. Daartoe zal het kabinet ervoor pleiten dat dit voorstel terug op tafel komt in de nieuwe legislatuur.
Deelt u de mening dat bovenstaande voorbeelden opmerkelijk zijn voor een kandidaat die in de running is om de volgende voorzitter van de Europese Commissie te worden en die naar eigen zeggen transparantie hoog in het vaandel heeft?
Het kabinet doet geen uitspraken over de politieke campagne van een kandidaat-Europarlementariër.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Saoedi-Arabië executeert 37 gevangenen om terrorisme’ |
|
Sadet Karabulut (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Saoedi-Arabië executeert 37 gevangenen om terrorisme» van 23 april 2019?1
Ja.
Heeft u namens Nederland uit afkeuring uitgesproken over het uitvoeren van de doodstraf? Heeft u in EU-verband aangedrongen op een afkeurende reactie richting Saoedi-Arabië? Zo nee, waarom niet?
Nederland beschouwt de doodstraf als een wrede en inhumane wijze van bestraffing. De straf is onomkeerbaar. Daarnaast is niet bewezen dat de doodstraf afschrikwekkend werkt. Nederland streeft naar wereldwijde afschaffing van de doodstraf en draagt dit internationaal uit. Nederland heeft zich in EU-verband hard gemaakt voor een publieke veroordeling van deze executies. Deze verklaring werd op 24 april jl. door de woordvoerder van Hoge Vertegenwoordiger Mogherini gepubliceerd en het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de verklaring via sociale media verder verspreid. De verklaring benadrukt zorgen over gebrek aan eerlijke rechtsgang en veroordeelt specifiek het executeren van mensen die ten tijde van de misdrijven waarvan zij beschuldigd werden minderjarig waren.
Wat is uw oordeel over het feit dat op één dag bij zoveel mensen de doodstraf is uitgevoerd? Wat is uw oordeel over het feit dat het Saoedische persburea SPA expliciet noemt dat in één van de 37 gevallen de veroordeelde gekruisigd is?
Het kabinet betreurt de 37 executies die dinsdag 23 april jl. hebben plaatsgevonden ten zeerste. Nederland is ten allen tijde tegenstander van de doodstraf. Het aantal executies – het hoogste in Saoedi-Arabië uitgevoerde doodstraffen op één dag sinds 2016 – en het gruwelijke detail van de kruisiging versterken de internationale en Nederlandse verontwaardiging.
Wat is uw opvatting over de antiterrorismewet die in 2014 in Saoedi Arabië is aangenomen en volgens welke wet onder meer verstoring van de openbare orde, de nationale eenheid in gevaar brengen of de reputatie, het aanzien van het land schaden en zelfs het oproepen tot deelname aan protesten of groepspetities, terroristische daden zijn?
De strijd tegen internationaal terrorisme is voor Nederland en Saoedi-Arabië een gedeeld belang. Nederland werkt met Saoedi-Arabië samen in de anti-ISIS-coalitie en het Global Counterterrorism Forum (GCTF). Dit neemt niet weg dat Nederland zorgen heeft over de implementatie en de brede interpretatie van de antiterrorismewet die in 2014 in Saoedi Arabië is aangenomen. In de afgelopen jaren is deze wet onder andere gebruikt om mensenrechtenverdedigers te arresteren en veroordelen. Daarnaast beperkt de wet de vrijheid van meningsuiting, waar ook vrije nieuwsvergaring en veiligheid van journalisten onder vallen, en de vrijheid van vereniging en vergadering in Saoedi-Arabië. Nederland heeft Saoedi-Arabië hierop aangesproken, onder meer tijdens de Universal Periodic Review van november 2018 en als medeondertekenaar van een gezamenlijke verklaring over Saoedi-Arabië in de VN-Mensenrechtenraad op 7 maart jl.
Ziet u een toename in arrestaties en veroordelingen van het aantal mensen dat de overheid bekritiseert sinds de invoering van de antiterrorismewet in 2014? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel van de ter dood gebrachte mensen zijn schuldig aan terrorisme volgens de definitie van de Saoedische antiterrorismewet?
Door gebrek aan transparantie van het Saoedische rechtssysteem is vaak niet bekend op basis van welke wet mensen worden gearresteerd of veroordeeld. Wel is duidelijk dat de antiterrorismewet uit 2014 regelmatig wordt ingezet om mensen te detineren. De wet hanteert een zeer brede definitie van terrorisme. De speciaal rapporteur van de VN voor de bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden in de strijd tegen terrorisme concludeerde dit in 2017 ook in zijn eindrapport.2
Omdat uitspraken vaak niet openbaar zijn, is het moeilijk om met zekerheid vast te stellen hoeveel mensen ter dood zijn gebracht op grond van de antiterrorismewetgeving. Amnesty International concludeert in het Global Report on Death Sentences and Executions dat de meeste doodstraffen worden uitgevoerd voor moord, drugshandel of verkrachting.3
Kunt u aangeven of de van terrorisme beschuldigde ter dood veroordeelden zijn veroordeeld door het Saoedische Speciale Strafhof dat zich bezighoudt met «terrorisme» en waarvan bekend is dat zij tientallen mensenrechtenverdedigers en activisten lange gevangenisstraffen op heeft gelegd?
Ja, de 37 mensen die op 23 april werden geëxecuteerd zijn veroordeeld door het Speciale Strafhof voor terrorisme.
Heeft u uw zorgen kenbaar gemaakt over mensen die nu vastzitten in Saoedi-Arabië, waarvan voor sommigen nog niet eens bekend is op grond van welke aanklacht zij zijn opgepakt, voor de mogelijkheid dat zij beschuldigd zullen worden van aan terrorisme gerelateerde misdrijven of het «aannemen van extremistische terroristische ideologieën en het vormen van terroristische cellen»? Zo nee, waarom niet?
Nederland spreekt zich met regelmaat uit over mensenrechten in Saoedi-Arabië, waaronder het belang van eerlijke rechtsgang, vrijheid van meningsuiting en een divers en inclusief maatschappelijk middenveld. Zoals gesteld in de antwoorden op schriftelijke vragen van 3 april jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2162) gebeurt dit tijdens bilaterale gesprekken op alle politieke niveaus. Daarnaast stelt Nederland deze onderwerpen ook aan de orde in multilaterale fora zoals de Mensenrechtenraad en tijdens het proces van de Universal Periodic Review.
Heeft u de indruk dat de Saoedische overheid met deze grootschalige executies een signaal wil afgeven aan mensenrechtenverdedigers, activisten en journalisten? Zo nee, waarom niet?
De achterliggende intenties van de Saoedische overheid van deze executies zijn mij niet bekend. Wel is duidelijk dat de ruimte voor mensenrechtenverdedigers, activisten en journalisten in Saoedi-Arabië substantieel is afgenomen.
Heeft u overwogen de mogelijkheden van sancties of andere maatregelen tegen Saoedi-Arabië met uw Europese ambtsgenoten te bespreken? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven spreekt Nederland Saoedi-Arabië via bilaterale kanalen en in de daarvoor bestemde multilaterale fora aan op de noodzaak de mensenrechtensituatie te verbeteren en tegen de uitvoering van de doodstraf, en zal dat blijven doen. Voor het instellen van sancties is internationaal brede politieke overeenstemming nodig. Dit is voor Saoedi-Arabië op dit moment niet het geval.
Het bericht dat buitenlandse bedrijven Europese partijen sponsoren |
|
Ronald van Raak , Renske Leijten |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Deelt u de mening dat het kopen van invloed van (buitenlandse) bedrijven op politieke partijen onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?1
Politieke partijen spelen een cruciale rol in de democratie en zij moeten die rol in volledige onafhankelijkheid kunnen uitoefenen. Ik deel daarom de mening dat het kopen van invloed op politieke partijen, of dat nu is door bedrijven of door andere organisaties, zeer onwenselijk is. In het regeerakkoord is in dit kader bepaald dat voorkomen moet worden dat onwenselijke invloed wordt gekocht met buitenlandse geldstromen naar binnenlandse politieke, maatschappelijke en religieuze organisaties. Voor nationale politieke partijen is de transparantie van giften reeds geregeld in de Wet financiering politieke partijen (Wfpp). Gelet op het toegenomen risico van buitenlandse beïnvloeding zal het kabinet in aanvulling op de bestaande transparantieregels in de Wfpp giften van buiten de EU verbieden (met uitzondering van giften van in het buitenland woonachtige Nederlandse kiesgerechtigden) en volledige transparantie eisen over giften uit andere EU-landen. Dit wetsvoorstel is nu in voorbereiding en zal na de zomer in procedure worden gebracht.
Follow the Money gebruikt de term «lobbycontacten» voor een gesignaleerde praktijk waarbij Amerikaanse bedrijven in contact zouden kunnen komen met Europese partijen en politici in ruil voor giften. Op Europees niveau worden giften aan Europese politieke partijen en stichtingen gereguleerd door de Verordening nr. 1141/2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Op basis van deze Verordening is er een onafhankelijke Autoriteit die zich bezighoudt met de registratie van giften, het toezicht op financiering en het opleggen van sancties aan Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Het is aan deze Autoriteit om de door Follow the Money genoemde voorbeelden te beoordelen en, indien nodig, maatregelen te nemen.
Deelt u de mening dat het verkopen van «lobbycontracten» aan Amerikaanse bedrijven van Europese partijen onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat grote bedrijven zoals Facebook en Google een standje hebben op een partijcongres van een politieke partij? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 1.
Sluit het kabinet zich aan bij de Franse president Macron dat samenwerken met een Europese partij die zich laat sponsoren door onder andere Monsanto/Bayer onwenselijk is, niet in de laatste plaats omdat het politiek kwetsbaar maakt? Zo nee, waarom niet?2
Het betreft hier een voorbeeld waarbij een nationale partij zich onder bepaalde voorwaarden wel of niet wil aansluiten bij een Europese partij. Wel of niet aansluiten bij een Europese partij is een eigen overweging van een politieke partij en het kabinet hecht grote waarde aan de onafhankelijke positie van politieke partijen.
Wat gaat u doen om het onmogelijk te maken dat via Nederlandse brievenbusmaatschappijen en schimmige constructies invloed gekocht wordt bij Europese politieke partijen?
Verordening nr. 1141/2014 kent momenteel al bepalingen over buitenlandse financiering van Europese politieke partijen. Verdere aanpassing van deze regels vereist een wijziging van deze verordening. Het moment om dit ter discussie te stellen is wanneer het Europees parlement, na raadpleging van de Autoriteit, uiterlijk op 31 december 2021 een verslag publiceert met een evaluatie van de toepassing van de huidige verordening. De Commissie dient uiterlijk zes maanden na de publicatie van het verslag van het Europees parlement een eigen verslag in over de toepassing van deze verordening met, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening. Dit zou de geëigende weg zijn om de regels ten aanzien van buitenlandse financiering van partijen te herzien, ook als het gaat om de door u gesignaleerde vraagstukken.
Gaat het kabinet zich ook inzetten om buitenlandse financiering van Europese politieke partijen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat u zich inzetten om de financiering van Europese politieke partijen transparanter te maken?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat u zich inzetten om de financiering van Europese politieke partijen door bedrijven onmogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 5.
Mutliculti-les Utrechtse ambtenaren |
|
Albert van den Bosch (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Utrechtse ambtenaren moeten op multiculti-les»?1
Ja.
Bent u, net als de wethouder Voortman van GroenLinks, van mening dat het een gemeentelijke taak is om multiculti-lessen aan ambtenaren op te dringen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de gemeente zelf om keuzes te maken over de opleiding van gemeentelijke ambtenaren.
Hoe beoordeelt u het functioneren van gemeentelijke ambtenaren die zich hard inzetten voor hun gemeente? Onderschrijft u bijvoorbeeld dit soort lokale initiatieven waarbij ambtenaren deelnemen aan multiculti-lessen om te werken aan hun vooroordelen?
Het is niet aan het Rijk om het functioneren van gemeentelijke ambtenaren te beoordelen. Ook het ontplooien van dit soort lokale initiatieven is een keuze van de gemeente zelf. Wel onderschrijft het kabinet het belang van een diverse en inclusieve overheid.
Bent u bereid inzichtelijk te maken van welke middelen het «actieplan diversiteit en inclusie» van de gemeente Utrecht betaald wordt en of er eventueel Rijksgelden met dit plan gemoeid zijn? Kunt u dit met de Kamer delen?
Het actieplan wordt betaald uit de algemene middelen van de gemeente Utrecht. Gemeenten leggen over de besteding van algemene middelen verantwoording af aan de gemeenteraad, niet aan het Rijk.
In hoeverre heeft dit dure plan invloed op de deelonderhandelingen ten aanzien van het sociale domein binnen het gemeentefonds nu de gemeente Utrecht kennelijk voldoende middelen heeft voor multicultibeleid met dure cursussen, trainingen, bijeenkomsten, «gesprekskoffers» en «gereedschapskisten», onderzoeksbureaus, themadirecteuren en managers?
Bij financiering via algemene middelen geldt dat er geen directe koppeling mogelijk is tussen inkomsten en uitgaven van gemeenten. Dit vanwege de vrije bestedingsruimte van gemeenten en mogelijke andere inkomsten. Daarom zie ik geen relatie met de gesprekken tussen het Rijk en de VNG over de toereikendheid van de gemeentelijke budgetten voor het sociaal domein.
Bent u van mening dat bij overschrijding van de kosten binnen het sociale domein in de gemeentelijke begroting van Utrecht, het Rijk nimmer over zou moeten gaan tot het verhogen van de Rijksbijdrage aan het gemeentefonds, zolang multiculti-lessen en dit soort actieplannen deel uitmaken van het sociale beleid? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat gaat uw inzet zijn om dit soort gemeentelijke projecten als de multiculti-lessen binnen het «actieplan diversiteit en inclusie», die de gemeentelijke belastingen alleen maar verder doen stijgen, een halt toe te roepen?
Ik zie hier geen rol voor mijzelf. Zie ook het antwoord op vraag 2.