De berichten ‘Waarom is bekostiging e-health zo complex, het kan zoveel simpeler’ en ‘Dankzij een app hebben hartpatiënten minder vaak spoedeisende hulp nodig’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Waarom is bekostiging e-health zo complex, het kan zoveel simpeler»?1, «Dankzij een app hebben hartpatiënten minder vaak spoedeisende hulp nodig»?2
Ja.
Deelt u de mening dat slimme zorg thuis een noodzakelijke oplossing is om de zorg beschikbaar, betaalbaar en bereikbaar te houden?
Ja, slimme zorg thuis kan een oplossing zijn om de zorg beschikbaar, betaalbaar en bereikbaar te houden. Zie ook mijn reactie op de motie Rutte in de brief «moties en toezeggingen» van 20 december 20183.
Kunt u toelichten waarom effectieve slimme zorgoplossingen voor chronische patiënten slechts sporadisch opgeschaald worden, terwijl dit wel in het belang van de patiënt is?
Het opschalen van effectieve slimme zorgoplossingen voor chronische patiënten thuis blijkt een complexe veranderkundige opgave. Ik zie dat er volop beweging is op dit terrein, maar dat er ook nog diverse uitdagingen zijn. Bijvoorbeeld als het gaat om samenwerken in netwerkzorg, financiering, bekostiging en het beschikbaar hebben van de juiste informatie op de juiste plaats op het juiste moment. Ik heb recent bijvoorbeeld een bezoek gebracht aan het initiatief Hartwacht, waarbij dat beeld werd bevestigd.
In de hoofdlijnenakkoorden is, in lijn met het rapport van de taskforce «De Juiste Zorg op de Juiste Plek»4, afgesproken dat veldpartijen slimme zorg thuis in de praktijk gaan brengen.
Onder andere de transformatiegelden uit het hoofdlijnenakkoord medisch specialistische zorg kunnen daar een impuls aan geven. Hierover kunnen zorgverzekeraars met zorgaanbieders afspraken maken, zoals bijvoorbeeld Zilveren Kruis en het Isala ziekenhuis hebben gedaan.
Zie verder ook de voortgangsrapportages Juiste Zorg op de Juiste Plek5 en Innovatie en Zorgvernieuwing6 die uw Kamer onlangs ontving en waarin tal van activiteiten benoemd staan die (ook) een impuls geven aan de transformatie naar slimme zorg thuis.
Deelt u de oplossingsrichting om de benodigde apparatuur te vergoeden vanuit de basisverzekering, als een verstrekking in het kader van de hulpmiddelenwet? Zo ja, op welke wijze gaat u dat realiseren? Zo nee, op welke wijze gaat u er aan bijdragen dat de geschetste problematiek opgelost wordt en de opschaling van slimme zorg thuis versnelt, zodat binnen nu en twee jaar iedere patiënt die daar baat bij kan hebben er ook daadwerkelijk gebruik van kan maken?
Versnelling van slimme zorg thuis is voor mij een belangrijke prioriteit en loopt langs meerdere sporen waar VWS bij betrokken is of (mede-) initiatiefnemer van is. Voorbeelden hiervan zijn: de vliegwielcoalitie van de Patiëntenfederatie Nederland, Zorg op de juiste plek en Innovatie en zorgvernieuwing.
Daarnaast heb ik Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gevraagd om voor de begrotingsbehandeling een uitwerking te maken van de wijze waarop verzekeraars, individueel en gezamenlijk, een bijdrage kunnen leveren aan het versnellen van de gewenste opschaling van bewezen vormen van slimme zorg thuis. ZN pakt dit verzoek op.
Ook ga ik de komende tijd in gesprek met zorgverzekeraars, zorgaanbieders, professionals en patiënten en mantelzorgers om scherp te krijgen wat hen nog meer kan helpen om over enkele jaren slimme zorg thuis regulier onderdeel van «zorg van nu» te laten zijn. Ik onderzoek in samenspraak met de NZa, het Zorginstituut en IGJ de mogelijkheden om meer financiële prikkels te geven via prestaties en tarieven. Verder ga ik door met de gesprekken over de digitale transformatie die ik samen met VNO-NCW voer met leveranciers, werkgevers en financiers. Ook zal ik Health~Holland en de kennisinstellingen hierbij betrekken.
De combinatie van deze actielijnen leidt naar mijn oordeel tot betere resultaten dan het separaat vergoeden van de benodigde apparatuur als hulpmiddel in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
De huidige wet- en regelgeving biedt voldoende ruimte aan partijen om onderling afspraken te maken over het bieden van slimme zorg thuis, inclusief de daarvoor benodigde apparatuur. De NZa e-health wegwijzer bekostiging7geeft een overzicht op hoofdlijnen van de ruimte in de bekostiging in de verschillende sectoren om e-health in te zetten. Tot deze conclusie kom ik na consultatie van o.a. de Nederlandse Zorgautoriteit en het Zorginstituut.
Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat innovatieve, slimme zorg niet op een uniforme wijze geïmplementeerd wordt en dat het daarom wenselijk is te zoeken naar een uniforme wijze van financieren?
Uniforme implementatie en financiering is waar mogelijk en wenselijk een middel om opschaling te bevorderen. Tegelijk is altijd de (regionale) context belangrijk en moet er ruimte blijven voor maatwerk in financiering, implementatie en gebruik. Passend bij de regionale context, uitgaand van het functioneren van mensen en gericht op het voorkomen, verplaatsen of vervangen van zorg waar mogelijk en wenselijk.
Ook ben ik van mening dat het opschalen van innovatieve, slimme zorg geen complexe zoektocht moet zijn waarbij iedereen de weg zelf opnieuw moet vinden. Daarom ben ik dan ook blij met bouwstenen en andere handvatten zoals die geboden worden vanuit de initiatieven die ik noemde bij de beantwoording van vraag 4, om processen te stroomlijnen en daarmee partijen te faciliteren en te helpen keuzes te maken over implementatie en financiering van innovatieve, slimme zorg.
Aanvullend ga ik met partijen dan ook afspreken hoe te komen tot meer uniforme implementatie en financiering, die het makkelijk en lonend maakt voor zorgaanbieders om slimme zorg thuis actief aan te gaan bieden aan patiënten/burgers.
Kunnen voor het versnellen van de implementatie van slimme zorg thuis de zogeheten «transitiegelden» ingezet worden? Zo ja, hoe werkt dat in de praktijk? Zo nee, waarom niet?
Ja dat is mogelijk.
In mijn antwoorden op de vragen van het Kamerlid Ploumen (PvdA) over de rol van verzekeraars bij «de Juiste Zorg op de Juiste Plek» (2019Z05982)8 heb ik aangegeven hoe dit in de praktijk in zijn werk gaat.
In het hoofdlijnenakkoord medisch-specialistische zorg 2019–2022 is afgesproken dat het macrokader medisch-specialistische zorg voor de betreffende jaren incidentele ruimte bevat voor de financiering van initiatieven die bijdragen aan de beweging naar de Juiste Zorg op de Juiste Plek (de zogenaamde transformatiegelden). Zorgaanbieders en zorgverzekeraars kunnen hierover lokaal afspraken maken in de reguliere contractering. Deze afspraken kunnen gedurende het gehele jaar gemaakt worden. De uitgangspunten voor de initiatieven die hiervoor in aanmerking komen zijn vastgelegd in het inkoopbeleid van de zorgverzekeraars.
Mijn verwachting is dat transformatiemiddelen gedurende de looptijd van het hoofdlijnenakkoord in toenemende mate zullen worden benut, in samenhang met andere (meerjarige) contractafspraken.
Er is uniformiteit in die zin dat elke zorgverzekeraar de initiatieven toetst aan de afspraken zoals deze in het hoofdlijnenakkoord zijn vastgelegd. Dat wil zeggen dat initiatieven moeten voldoen aan de volgende uitgangspunten:
Deze uitgangspunten zijn door alle zorgverzekeraars opgenomen in hun inkoopbeleid.
Zorgverzekeraars zullen bij het maken van de afspraken over de inzet van transformatiegelden congruent gedrag vertonen met inachtneming van eigen verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars.
Verdere uniformering van de afspraken acht ik niet wenselijk. Er moet ruimte blijven bestaan om in te spelen op de lokale situatie. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders kunnen op basis van de situatie in de regio en de belangrijkste knelpunten bepalen welke initiatieven het meest bijdragen aan de opgave in de regio.
De omgang van defensie met getraumatiseerde veteranen |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie zet veteranen met rug tegen de muur»?1
Nee. De verzekeringsartsen zijn aangesteld om te beoordelen of de beperkingen van cliënten (in enige mate) verband houden met de uitoefening van de militaire dienst. Om dit te kunnen bepalen worden er tijdens een uitgebreid spreekuur ook vragen gesteld over de jeugd van de cliënt en zijn/haar leven na de diensttijd. Dit is noodzakelijk voor de arts om een compleet beeld te krijgen van het leven van de cliënt. Hiermee kan hij een adequaat advies uit brengen. In de uitnodiging voor het spreekuur wordt dit aangegeven bij de cliënten. De verzekeringsarts is gehouden uit te vragen op basis van Protocollen, waaronder het PTSS-Protocol.
Bij alle cliënten wordt de relevante (behandel-) informatie opgevraagd om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen bij de toetsing voor het MIP. De partijen die benaderd worden, worden door de cliënt zelf aangedragen. Ook kan de verzekeringsarts naar aanleiding van het spreekuur met de cliënt nog besluiten aanvullende informatie op te vragen. Al deze informatie moet worden meegewogen in het advies dat de verzekeringsarts uitbrengt. De adviezen worden voordat ze worden uitgebracht geviseerd door de Pensioen- en Verzekeringsautoriteit. Dit is een onafhankelijke partij gecontracteerd door Defensie.
Het Klantonderzoek ABP laat zien dat het overgrote deel van de klanten die op spreekuur zijn geweest het contact met Sociaal Medische Onderzoek van ABP als prettig en vriendelijk ervaart en vindt dat er voldoende ruimte is om de eigen situatie met de verzekeringsarts te bespreken.
Herkent u het beeld dat bij genoemde veteranen leeft dat bij de toetsing voor het Militair Invaliditeitspensioen (MIP) suggestieve vragen worden gesteld, klachten worden gebagatelliseerd en relevante informatie terzijde wordt geschoven? Kunt u verklaren waarom dit zo ervaren wordt door de veteranen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Defensie schade pas berekent vanaf het moment van vaststelling van die schade, en niet vanaf het moment van ontstaan van die schade, zoals bijvoorbeeld PTSS als gevolg van een missie?
De datum waarop de schade is ontstaan en vanaf wanneer deze berekend wordt, wordt aan de hand van de gegevens uit het dossier en in samenspraak met de belangenbehartiger van de veteraan vastgesteld. Dit als onderdeel van het gezamenlijk te bewandelen schaderegelingstraject. Als deze datum in het verleden ligt, dan wordt daar met de berekening uiteraard van uitgegaan. Specifiek voor PTSS geldt dat de oorzaak hiervan gelegen kan zijn in een uitzending, doch dat de PTSS zich later pas openbaart. Het komt voor dat een militair geruime tijd normaal heeft gefunctioneerd voordat de effecten op de gezondheid (en daarmee schade) zich openbaarden.
Op welke wijze wordt toezicht gehouden op de beoordelingen voor het MIP, die door de ABP-verzekeringsartsen namens Defensie worden gemaakt? Worden bij dit toezicht ook de ervaringen van gekeurde veteranen betrokken? Zo nee, waarom niet?
De eerder genoemde Pensioen- en Verzekeringsautoriteit is door Defensie gecontracteerd om een 100% controle te doen op alle uitgebrachte adviezen bij de beoordelingen voor het MIP en rapporteert dit aan Defensie. Dit zijn ook verzekeringsartsen maar zij hebben geen relatie met het ABP. De ervaringen van veteranen worden niet bij dit toezicht betrokken. De Pensioen- en Verzekeringsautoriteit is een onafhankelijke partij.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat veteranen minder lang met Defensie hoeven te twisten om tot een rechtvaardige regeling te komen?
In 2018 was er behoefte aan twee extra verzekeringsgeneeskundige artsen. De eerste hiervan is op per 1 september 2018 in dienst getreden bij het Bedrijf Sociaal Medisch Onderzoek van het ABP. Per 1 januari 2019 is de capaciteit met nog een tweede verzekeringsarts uitgebreid.
De komst van deze twee artsen betekent niet dat de achterstanden snel kunnen worden ingelopen. Nieuwe krachten moeten worden ingewerkt; dat vergt tijd en capaciteit van de zittende bezetting. Gemiddeld bedraagt de inwerkperiode voor nieuwe verzekeringsartsen 6 tot 8 maanden. Pas daarna draaien zij volledig mee.
Het bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB) van Defensie heeft om die reden aangeboden verzekeringsgeneeskundige capaciteit in te zetten om keuringen voor het Bedrijf Sociaal Medisch Onderzoek van het ABP uit te voeren. Het gaat om 9 keuringen op maandbasis. Van dit aanbod wordt dankbaar gebruik gemaakt en inmiddels is het Bedrijf Sociaal Medische Onderzoek van het ABP gestart met het aanleveren van de eerste dossiers aan BMB.
Deelt u de mening dat een standaard terugkeergesprek met uitgezonden militairen én hun gezin nuttig kan zijn om direct na uitzending psychische problemen vroegtijdig actief te signaleren? Zo ja, wat is er voor nodig qua middelen om dit standaard mogelijk te maken en op welke termijn zou dit te realiseren zijn?
Ongeveer 3 maanden na terugkeer van de uitzending vindt het terugkeergesprek plaats tussen een bedrijfsmaatschappelijk werker van Defensie en de veteraan. In 2017 is Defensie begonnen met een pilotproject, waarin is gekeken naar de meerwaarde van een terugkeergesprek waarbij naast de militair ook diens partner aanwezig is. Uit de pilot bleek dat het terugkeergesprek waarbij de partner aanwezig is, een beter zicht geeft van het persoonlijk functioneren van de militair binnen het gezin en ook kunnen problemen beter worden onderkend. Daarnaast biedt het terugkeergesprek met militairen en partners de mogelijkheid om erkenning en waardering te geven aan de partners. De pilot is vanwege de positieve bevindingen in 2018 voortgezet en uitgebreid. Momenteel wordt bezien of het wenselijk is om standaard aan de veteraan aan te bieden dat de partner aan het terugkeergesprek van de militair kan deelnemen.
Bent u bereid deze vragen vooraf aan of gelijktijdig met het publiceren van de Veteranennota te beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'The hidden subsidy of fossil fuels' |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «The hidden subsidy of fossil fuels»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat er in 2017 wereldwijd voor 5,2 miljard dollar werd gesubsidieerd aan fossiele brandstoffen, gelijk aan 6,5 procent van het wereldwijde GDP en dat als dit niet het geval was er in 2015 alleen al 28 procent minder wereldwijde CO2-uitstoot zou zijn?
Er verschijnen regelmatig internationale rapporten waarin wordt getracht inzicht te geven in het totale bedrag aan subsidies voor fossiele brandstoffen. Een eensluidend beeld komt uit deze rapporten niet naar voren omdat doorgaans een eenduidige definitie voor fossiele subsidies ontbreekt.
Ik kan geen inzicht geven in een aandeel van Nederland in directe subsidies en belastingvoordelen in een totaal ingeschat Europees bedrag. Overigens gaat het in het artikel van The Atlantic niet alleen om daadwerkelijke uitgaven. Het artikel refereert aan de analyse van het IMF dat de negatieve externe effecten in relatie tot milieu en volksgezondheid niet in de energieprijzen worden doorbelast.
Het is een bekend feit dat in een aantal ontwikkelingslanden de energieprijzen, bijvoorbeeld motorbrandstoffen, kunstmatig laag worden gehouden. Dit gebeurt vaak met een sociale doelstelling, zoals het steunen van kwetsbare delen van de bevolking. Er is breed begrip en steun voor de noodzaak om «ineffectieve fossiele subsidies» te hervormen. Dit is in de mondiale duurzame ontwikkelingsagenda opgenomen onder Sustainable Development Goal 12. Ook Nederland steunt deze Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Internationaal heeft het kabinet via de Energy Subsidy Reform Technical Assistance Facility van de Wereldbank al 55 ontwikkelingslanden ondersteund die hun fossiele subsidies willen hervormen.
De steun betreft een combinatie van advisering bij beleidsontwikkeling, publiekscommunicatie en inrichting van alternatieve sociale vangnetten.
In Nederland wordt het gebruik van fossiele brandstoffen niet gestimuleerd. Nederland is een van de koplopers binnen de OESO-landen wat milieubelastingen betreft. Uit een rapport van de OESO onder de titel «Effective Carbon Rates» (gepubliceerd op 18 september 2018) bleek dat Nederland als een van vijf OESO-lidstaten meer dan 90% van de totale broeikasgasemissies beprijsd heeft in 2015.
Niet alle externe milieueffecten worden echter volledig beprijsd. Zo kent Nederland een aantal vrijstellingen van accijns en energiebelasting die ook in de ons omringende landen bestaan.
Kunt u inzicht geven wat het aandeel is van Nederland binnen de 289 miljard dollar die de Europese Unie in 2017 uitgaf aan directe subsidies en belastingvoordelen voor fossiele brandstoffen?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten welke maatschappelijke kosten in Nederland jaarlijks verbonden zijn aan directe subsidies voor fossiele brandstoffen en welke aan indirecte kosten zoals de rekening van milieu en gezondheidskosten voor de samenleving ten gevolge van fossiele uitstoot?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid subsidies die Nederland geeft op fossiele brandstoffen in verhouding tot schone brandstoffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten welke vormen van subsidies aan fossiele brandstoffen in Nederland bestaan en in welke mate de producent dan wel de consument van deze subsidies profiteert?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het onderzoek naar de uiteenlopende definities van milieuschadelijke subsidies verwachten, naar aanleiding van de motie-Van Raan c.s.?3
Uw Kamer heeft mij in de motie van het lid Van Raan op 16 januari 2018 gevraagd om deel te nemen aan het G20-peerreviewproces over subsidiëring van fossiele brandstoffen. Aangezien Nederland geen permanent lid is van de G20, is die deelname niet mogelijk gebleken. Ik heb daarom gekozen voor een alternatieve aanpak om de motie toch zo goed mogelijk uit te voeren. De aanpak houdt in dat onderzoek gedaan wordt naar de uiteenlopende definities van subsidies van onder andere het IMF en de OESO. Vervolgens zullen zowel nationale als internationale stakeholders worden geconsulteerd over de vraag welke definitie het meest passend is om in Nederland te hanteren. Daarna zal een inventarisatie van bestaande subsidies worden uitgevoerd en een concrete beleidslijn worden geformuleerd. Deze wordt vervolgens getoetst in de In-Depth Review van het International Energy Agency, waarvoor een team van internationale experts Nederland in november dit jaar zal bezoeken. Het rapport volgt meestal enkele maanden later. Wanneer het gereed is, zal ik uw Kamer nader informeren.
Deelt u de mening dat het cruciaal is dat het stimuleren van fossiele brandstoffen spoedig wordt afgebouwd? Wat doet het Kabinet om dit te versnellen?
Het kabinet onderschrijft de wenselijkheid om wereldwijd het subsidiëren van fossiele brandstoffen af te bouwen. Nederland is een van de koplopers binnen de OESO-landen wat milieubelastingen betreft. Ook internationaal steunt Nederland hervorming van de fossiele subsidies via de Energy Subsidy Reform Technical Assistance Facility van de Wereldbank. Daarnaast voert het kabinet beleid gericht op het stimuleren van hernieuwbare energie, zoals onder andere blijkt uit de SDE+-regeling.
Ik wacht de bevindingen van het nog af te ronden onderzoek af. Aan de hand van de uitkomsten zal het kabinet besluiten of en zo ja welke verdere actie ondernomen moet worden.
De plaatsing van ex-gedetineerden in een woonwijk in Arnhem |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Komst zorgmijders naar Paasbergflat zorgt voor onrust in Arnhemse wijk»1 en «Stichting Onderdak verrast gemeente Arnhem met plan voor Paasberg»?2
Ja.
Worden er door de Stichting Onderdak op de genoemde locatie, forensische klanten waaronder ex-gedetineerden opgevangen of mensen die op proefverlof zijn dan wel op basis van een andere justitiële titel? Zo ja, om hoeveel personen zal het gaan en worden deze personen door justitie aangemeld bij de stichting?
Stichting Onderdak is een zorgaanbieder die door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) gecontracteerd is voor de Forensische Zorg. Stichting Onderdak geeft aan dat er op 4 juni vijf personen met een forensische titel op de betreffende locatie verbleven. Deze personen zijn hier inderdaad door DJI geplaatst.
Begrijpt u dat er onrust onder buurtbewoners is of kan ontstaan als er zonder vooroverleg ex-gedetineerden of mensen die elders overlast hebben veroorzaakt in hun buurt worden gehuisvest? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp heel goed dat buurtbewoners zorgen hebben als zij niet tijdig geïnformeerd worden over de komst van een instelling met forensische patiënten in hun wijk. Het is voor het gevoel van veiligheid belangrijk dat duidelijk is wat voor instelling zich wil vestigen in een wijk, welke partijen daarbij betrokken zijn en hoe de veiligheid in de wijk gewaarborgd wordt. Het moet voor buurtbewoners en de gemeente dan ook transparant zijn welke plannen een dergelijke instelling heeft.
Goed contact tussen forensische instellingen en gemeenten is van groot belang. In het kader van de lokale openbare orde en veiligheid is het belangrijk voor een gemeente te weten welke doelgroep in de betreffende instelling verblijft. De gemeente dient op basis van die informatie bijvoorbeeld beslissingen te nemen over de inzet van wijkagenten. Instellingen voor forensische zorg hebben een eigen rol in het onderhouden van goede contacten met de gemeente waarin zij zijn gehuisvest. Uit contact met de Stichting en de gemeente blijkt dat dat in het onderhavige geval niet goed is verlopen. Om ervoor te zorgen dat zorgaanbieders actief en regelmatig in contact treden met gemeenten zal dit voortaan als verplichting opgenomen worden in de contracten tussen DJI en de forensische instellingen.
DJI onderhoudt nauw contact met de gemeente Arnhem en Stichting Onderdak over deze zaak. DJI heeft stichting Onderdak nadrukkelijk opgeroepen te zoeken naar een oplossing die werkbaar is voor de gemeente en recht doet aan de maatschappelijke onrust.
De gemeente Arnhem heeft met vertegenwoordigers van de wijkverenigingen van de drie omliggende wijken gesproken over de ontstane situatie, en heeft afgesproken de vertegenwoordigers van de wijkverenigingen in de ontwikkelingen te blijven betrekken. Tevens zijn omwonenden geïnformeerd middels een brief.
Deelt u de mening dat vooraf overleg moet hebben plaatsgevonden met de gemeente over de plaatsing van personen door de genoemde stichting? Zo ja, hoe komt het dat dit niet gebeurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u er voor zorgen dat de gemeente en de bewoners nu wel geïnformeerd gaan worden? Hoe gaat u er voor zorgen dat dit voortaan wel op tijd gaat gebeuren?
Zie antwoord vraag 3.
De berichten ‘Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen ’ en ‘Van seksueel wangedrag tot sabotage van je onderzoek’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen»?1
Ja.
Wat vindt u van deze reconstructie van een verziekte cultuur bij een afdeling van een grote publieke instelling waar macht en angst het wonnen van veiligheid?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat na een diepgravend journalistiek onderzoek over ex-hoogleraar R.B. en de sectie arbeidsrecht, dat gebaseerd is op tientallen (vertrouwelijke) documenten, apps, mails, gespreksverslagen en rapportages, een schokkend en stuitend beeld naar voren komt?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de constatering dat jarenlang een verziekte en onveilige cultuur kon blijven bestaan waarbij deze ex-hoogleraar zelden tot de orde werd geroepen, zelfs niet als er «wél een keer melding werd gedaan»?
Universiteiten moeten een veilige haven zijn waar wetenschappers, docenten, studenten en ondersteunend personeel hun werk moeten kunnen doen zonder last te hebben van onwenselijk gedrag en intimidatie. Elk signaal van dergelijk gedrag is er een te veel. Ik vind het beeld dat in het artikel van NRC wordt geschetst schokkend. Het geschetste gedrag van de hoogleraar, de cultuur waarin dit gedrag niet in een veilige omgeving besproken kon worden en hoe lang dit zich af heeft kunnen spelen, vind ik ontoelaatbaar. Voor de cultuurverandering die nodig is om dit in de toekomst te voorkomen, moeten studenten en personeel kunnen vertrouwen op een veilige werkomgeving en procedures die daarbij passen.
Welke stappen heeft de Universiteit van Amsterdam (UvA) sinds de eerste melding uit 2005 ondernomen om de verziekte en onveilige cultuur te bestrijden? Hoe beoordeelt u deze?
Het is mij niet bekend wat de UvA met de eerste melding uit 2005 heeft gedaan. De UvA heeft mij laten weten dat, nadat in juni 2018 meldingen bij de decaan van de faculteit der Rechtsgeleerdheid binnen kwamen, ze een onafhankelijk, in sociale veiligheid gespecialiseerd bureau hebben ingeschakeld om onderzoek te doen. Dit onderzoek heeft geleid tot het vertrek van de hoogleraar. Na dit vertrek is ondersteuning geboden aan de betreffende afdeling en is interim management aangesteld. De UvA heeft een extern bureau een quick scan uit laten voeren naar het systeem van vertrouwenspersonen. Het rapport met aanbevelingen van dit bureau en een door het bestuur opgesteld overzicht van de organisatie rondom sociale veiligheid binnen de UvA zijn begin 2019 met de centrale medezeggenschap besproken. Naar aanleiding daarvan is universiteitsbreed een aantal maatregelen in gang gezet, zoals de grotere aandacht voor sociale veiligheid en diversiteit in het programma Academisch Leiderschap. Met de Centrale Studentenraad is afgesproken dat er een brede enquête over sociale veiligheid wordt uitgezet onder studenten. Naar aanleiding van het opstellen van het «Kader Diversiteit» zal de UvA een onafhankelijke ombudsfunctionaris aanstellen. Met deze stappen heeft de UvA een beweging in gang gezet om de sociale veiligheid te vergroten zodat in de toekomst ontoelaatbaar gedrag tijdig wordt gesignaleerd en aangepakt. Zie verder mijn antwoord op vraag 9.
Is er inmiddels wel sprake van een functionerend systeem van vertrouwenspersonen opgezet?
Ja. De UvA had al een netwerk van 21 vertrouwenspersonen. Het onafhankelijke bureau dat de opdracht kreeg dit systeem door te lichten heeft geen grote knelpunten aangetroffen. Naar aanleiding van de aanbevelingen van dit bureau wordt onder andere een routekaart vertrouwenspersonen uitgewerkt om de toegankelijkheid te verbeteren. In aanvulling op de vertrouwenspersonen wordt een onafhankelijke ombudsfunctionaris aangesteld.
Hoe beoordeelt u de onderzoeksopzet naar de meldingen en signalen over seksueel overschrijdend gedrag waarbij «de persoon over wie de meldingen gaan, kan lezen wie wat over hem heeft gezegd»?
De UvA heeft mij laten weten dat de onderzoeksopzet de mogelijkheid bood om desgewenst anoniem te verklaren. Ik acht het van belang dat deze mogelijkheid bestaat in een onderzoek naar een gevoelige situatie als deze. Het is echter ook van belang dat de persoon waar onderzoek naar wordt gedaan de mogelijkheid krijgt om op de bevindingen te reageren. Ik begrijp dat het ingewikkeld is om aan beide belangen volledig tegemoet te komen. Uit de onderzoeksopzet van het bureau dat door de UvA is ingeschakeld blijkt dat beide doelen binnen het onderzoek konden worden verwezenlijkt. Of dat ook in voldoende mate is gebeurd, kan ik niet beoordelen.
Hoeveel verklaringen zijn er alsnog ingetrokken en hoeveel verklaringen zijn er anoniem gedaan?
Dat is mij niet bekend. De UvA kon mij deze informatie niet verstrekken in verband met de vertrouwelijkheid.
Welke acties heeft de UvA ondernomen nadat de ex-hoogleraar moest vertrekken omdat een onderzoekscommissie vorig jaar oktober concludeerde dat er «sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag» en er «gedurende een langere periode in de betrokken afdeling een gevoel van onveiligheid heeft geheerst»? Op welke manier blijkt dat de universiteit lering heeft getrokken uit het verleden?
De UvA heeft bij de betreffende afdeling na het ontvangen van het onderzoeksrapport interim management aangesteld en extra psychosociale hulp voor medewerkers beschikbaar gesteld. Binnen de rechtenfaculteit is daarnaast bijvoorbeeld met alle afdelingsleiders gesproken en er zijn trainingen op het gebied van sociale veiligheid georganiseerd. Op 29 maart jl. is aanvullend facultair beleid op het gebied van sociale veiligheid vastgesteld, met daarin aanscherpingen op het gebied van benoemingsprocedures van leidinggevenden, trainingen en een normenkader. Universiteitsbreed wordt onder andere gewerkt aan het versterken van het systeem van vertrouwenspersonen en er wordt naar aanleiding van het nieuwe «Kader Diversiteit» een onafhankelijke ombudsfunctionaris aangesteld.
Bent u bekend met het artikel «Van seksueel wangedrag tot sabotage van je onderzoek»?2 Deelt u de mening dat kennelijk niet alleen op de UvA dergelijke praktijken plaatsvinden?
Ja. Zoals het op 6 mei verschenen onderzoeksrapport «Harassment in Dutch academia» van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) laat zien komen wangedrag en intimidatie in verschillende vormen voor binnen de gehele academie. De onderzoekers van dit rapport stellen tevens dat de cases die zijn geanalyseerd naar alle waarschijnlijkheid het topje van de ijsberg betreft, want de hiërarchische verhoudingen en afhankelijkheidsrelaties die gelden binnen de wetenschap vormen een voedingsbodem voor dit soort praktijken. Een sociaal veilige werkomgeving is in een situatie met dergelijke complexe machtsverhoudingen extra van belang. In huidige debatten rondom het herzien van het systeem van erkennen en waarderen van wetenschap komen dit soort aspecten aan bod en wordt er nagedacht over verandering – daar ben ik blij mee. Universiteiten en kennisinstellingen moeten continu aandacht houden voor het thema sociale veiligheid en de benodigde cultuurverandering teweeg brengen.
Op welke wijze dringt u er bij de UvA en andere universiteiten op aan dat zij verantwoordelijk zijn voor een veilige en stimulerende cultuur voor studenten en wetenschappers? Op welke wijze verwacht u dat zij daar invulling aan geven?
In de wetenschapsbrief heb ik al aangekondigd dat ik na het verschijnen van het rapport van het LNVH in overleg met het veld zou treden over de acties die ondernomen moeten worden. Ik ben blij te zien dat de rectoren van de universiteiten en het LNVH in goed overleg zijn over dit onderwerp en dat de VSNU zich in een statement heeft uitgesproken tegen dit soort praktijken. Ik zal samen met het LNVH en de VSNU bekijken welke stappen er verder genomen kunnen worden, zoals ik ook in het VAO wetenschapsbeleid van 5 juni jl. heb toegezegd aan de Kamer. Ik neem daarbij de aanbevelingen uit de rapporten, zoals het instellen van een ombudsfunctionaris, ter overweging mee. Daarnaast is het belangrijk dat de universiteiten vooral zelf kritisch naar hun bestaande procedures kijken. Enkele universiteiten zijn hier al mee aan de slag gegaan. We moeten ons realiseren dat we er met goed werkende procedures nog niet zijn. Er is een cultuurverandering nodig om tot een sociaal veilige en inclusieve academie te komen. Dit zal ook onderwerp van aandacht zijn tijdens de Europese Gender Summit die Nederland op 3 en 4 oktober organiseert. Op basis daarvan presenteer ik medio 2020 samen met de veldpartijen een nationaal actieplan op gebied van diversiteit in de wetenschap, waarin een veilige en inclusieve cultuur een van de elementen zal zijn.
Het vervoer tijdens de Formule 1 in Zandvoort |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NS: Spoor Zandvoort kan drukte Formule 1 niet aan?1
Ja.
Hoeveel bezoekers verwacht u aan de Grand Prix in Zandvoort? Kunt u uitsplitsen wat de verwachting is hoe dit aantal zich zal verspreiden over de verschillende soorten vervoersmiddelen en vervoerwijzen?
De organisatie gaat uit van circa 100.000 tot 120.000 bezoekers per dag. Het aantal bezoekers en de wijze waarop zij zich zullen verspreiden over de verschillende vervoersmodaliteiten en gedurende het weekend is afhankelijk van verscheidene factoren, zoals bijvoorbeeld het evenementenprogramma, de vervoersmogelijkheden, het aantal en type aangeboden (combi)tickets en de weersverwachting. Het zorgdragen voor een mobiliteitsplan en een goede bereikbaarheid van het evenement is de verantwoordelijkheid van de organisatie in samenwerking met de gemeente Zandvoort, in afstemming met eventuele samenwerkingspartners zoals de provincie en vervoerders. De organisatie heeft recentelijk contact met mij gezocht om mij te informeren over hun plannen.
In hoeverre bent u betrokken geweest bij het verkeers- en mobiliteitsplan waar het circuit, de gemeente en de provincie aan werken? In hoeverre wordt u hier in de toekomst bij betrokken? Wat is er tot nu toe bekend over het verkeers- en mobiliteitsplan?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat het spoor op dit moment ongeschikt is om honderdduizenden bezoekers te vervoeren en dat zonder het upgraden van de bovenleiding NS met veel creativiteit maximaal 100.000 reizigers kan vervoeren in het hele weekend, inclusief de vrijdag (vrije training op het circuit)?
Het baanvak Haarlem-Zandvoort aan Zee wordt op dit moment bediend met 2 treinen per uur. Dit wordt gedurende de zomermaanden én op dagen met mooi weer uitgebreid naar 4 treinen per uur. De infrastructuur en stroomvoorziening is daar ook op berekend.
Door goede afstemming tussen ProRail en NS over de inzet van specifiek materieel en door specifieke instructies aan machinisten te geven is het mogelijk om incidenteel met 6 treinen per uur te rijden. Een dergelijke capaciteitsverhoging heeft recent nog plaatsgevonden tijdens de Jumbo Racedagen op 18 en 19 mei jl. Daarbij zijn zowel dubbeldekstreinen (type VIRM) als sprinters (type SLT) ingezet. Zonder aanpassingen aan de infrastructuur is het niet mogelijk om met meer dan 6 treinen per uur te tijden op dit baanvak.
Wat is het plan om ervoor te zorgen dat de Grand Prix voor het grote publiek bereikbaar wordt qua vervoersmogelijkheden?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Kunt u aangeven of er – voordat bekend werd dat de Formule 1 naar Zandvoort zou komen – al plannen waren met betrekking tot het upgraden van de lijn Haarlem-Zandvoort? Zo, ja welke?
In het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven dat het onder bepaalde voorwaarden mogelijk is om incidenteel met 6 treinen per uur te rijden. ProRail heeft de maakbaarheid van een structurele 5e en 6e treindienst tussen Haarlem-Zandvoort aan Zee onderzocht. Daaruit is gebleken dat er aanvullende maatregelen ten behoeve van stroomvoorziening nodig zijn om het aantal treinen op een veilige en robuuste manier structureel te kunnen verhogen naar 6 per uur. Daarnaast dienen er bijvoorbeeld overwegveiligheidsmaatregelen genomen te worden om de overwegveiligheid op termijn op niveau te houden. Tot op heden is er geen aanleiding geweest om besluiten te nemen over deze maatregelen.
Wat zijn de kosten voor het upgraden van de energievoorziening in de bovenleiding? Hoe kijkt u hier tegenaan, welke actoren zijn eventueel bereid dit te financieren? Zou een eventuele upgrade gereed kunnen zijn voor de eerste Grand Prix?
De benodigde maatregelen, bijbehorende kosten en tijdlijn voor het rijden van méér dan zes treinen per uur worden door ProRail onderzocht. Zodra dit bekend is zal ik deze informatie delen met de organisatie.
Op welke wijze kunnen er slimme oplossingen voor dit traject komen die zowel ten goede komen aan de drukke stranddagen als aan evenementen zoals de Formule 1? Wordt hierbij ook gedacht aan het inzetten van dubbeldekstreinen? Kunnen deze oplossingen ook reguliere topdrukte aan, zoals bijvoorbeeld met Pinksteren (mei 2018) waarop goed strandweer in combinatie met de racedagen op het Zandvoortse circuit zorgde voor tjokvolle treinen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 6 heeft ProRail onderzocht welke maatregelen nodig zijn om structureel een 5e en 6e treindienst te kunnen rijden. Het (incidenteel of structureel) met méér dan 6 treinen per uur rijden lijkt niet mogelijk zonder extra aanvullende maatregelen. Indien maatregelen worden gerealiseerd, zal dat bijdragen aan de bereikbaarheid van Zandvoort tijdens reguliere drukke dagen als tijdens een weekend met een evenement op het circuit. De inzet van dubbeldekstreinen vond tijdens de Jumbo Racedagen ook plaats.
Erkenning en compensatie van getraumatiseerde veteranen |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Getraumatiseerde veteraan vecht voor erkenning en compensatie»?1
Ja.
Herkent u de signalen – ook eerder benoemd door de Veteranenombudsman – dat mensen «aan het lijntje worden gehouden» en klachtenafhandeling uiterst traag verloopt?2
Vanwege capaciteitsproblemen bij het Bedrijf Sociaal Medisch Onderzoek van het ABP – problemen die ook in de civiele wereld spelen – is besloten om de in 2018 geplande termijnherbeoordelingen op te schorten naar 2019 en prioriteit te geven aan de primaire aanvragen voor een militair invaliditeitspensioen (MIP) en de verzoeken om een hoger MIP. Ik heb op 16 november 2018 deze termijnverlenging schriftelijk aan de Veteranenombudsman gemeld; deze brief is op 30 november 2018 aan uw Tweede Kamer doorgestuurd (Kamerstuk 2018D57633).
Ik verwijs u tevens naar mijn reactie op de vragen van het lid Bruins Slot (CDA) die op 14 mei vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3090) over hetzelfde onderwerp heeft ingediend.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen die voor Nederland hebben gevochten op deze manier worden behandeld?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat mensen zo lang moeten wachten op keuringen en dus hun verdiende invaliditeitspensioen?
In 2018 was er behoefte aan extra verzekeringsgeneeskundige artsen. De eerste hiervan is per 1 september 2018 in dienst getreden bij het Bedrijf Sociaal Medisch Onderzoek van het ABP. Per 1 januari 2019 is de capaciteit met nog een tweede verzekeringsarts uitgebreid.
De komst van deze twee artsen betekent niet dat de achterstanden snel kunnen worden ingelopen. Nieuwe krachten moeten worden ingewerkt; dat vergt tijd en capaciteit van de zittende bezetting. Gemiddeld bedraagt de inwerkperiode voor nieuwe verzekeringsartsen 6 tot 8 maanden. Pas daarna draaien zij volledig mee.
Het bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB) van Defensie heeft om die reden aangeboden verzekeringsgeneeskundige capaciteit in te zetten om keuringen voor het Bedrijf Sociaal Medisch Onderzoek van het ABP uit te voeren. Het gaat om 9 keuringen op maandbasis. Van dit aanbod wordt dankbaar gebruik gemaakt en inmiddels is het Bedrijf Sociaal Medische Onderzoek van het ABP gestart met het aanleveren van de eerste dossiers aan BMB.
Herkent u zich in het signaal van veteranen dat Defensie «doorgaans weinig bereid is om mee te denken» en zich «keihard opstelt» met betrekking tot schadevergoedingen? Zo nee, waar denkt u dan dat deze signalen vandaan komen?
Nee. De uitvoering van de Regeling Volledige Schadevergoeding is er op gericht om in onderling overleg tussen Defensie en de belangenbehartiger (van de veteraan) oplossingsgericht het bedrag van de (rest-)schade over een te komen in een vaststellingsovereenkomst. De signalen zijn mogelijk te verklaren uit vooraf verkeerd gewekte verwachtingen door veteranen die actief zijn op sociale media, over de hoogte van de schadevergoeding.
Maakt u zich ook zorgen over hoe veteranen worden behandeld? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om deze situatie te verbeteren?
De erkenning, waardering en bijzondere zorg van de veteraan en zijn relaties staat voor mij voorop als doelstelling van het Veteranenbeleid. Elk signaal van een veteraan die vindt dat hij of zij niet goed wordt behandeld neem ik serieus. Enerzijds betreur ik de aanleiding – langere wachttijden door capaciteitsgebrek bij de verzekeringsartsen – voor het onderzoek dat de Veteranenombudsman is gestart naar de toekenning van het militaire invaliditeitspensioen. Anderzijds steun ik hem daarin, omdat de resultaten van zijn onderzoek mogelijk bijdragen aan verbeteringen voor veteranen. Zo wil ik het stelsel van uitkeringen en compensaties moderniseren zodat de gewonde veteraan nog beter wordt ondersteund bij zijn re-integratie en maatschappelijke participatie.
Onlangs is de evaluatie gestart van de Regeling volledige schadevergoedingen. Daarnaast zijn wij bezig met de herziening van het PTSS-protocol dat kijkt of eerder de medische eindsituatie kan worden bepaald.
De enquête waaruit blijkt dat bijna 70% van de sociaal advocaten overwegen te stoppen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van EenVandaag «7 op de 10 sociaal advocaten overwegen te stoppen: «Dit is de prijs van tien jaar bezuinigen»»? Wat is uw reactie op de bevinding uit de enquête die gehouden is onder meer dan 900 sociaal advocaten dat zoveel sociaal advocaten hebben overwogen te stoppen met dit werk?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Ik ken het onderzoek verder nog niet en zal bij publicatie daarvan kennis nemen.
Ziet u ook het risico dat hierdoor de gesubsidieerde rechtshulp aan rechtszoekenden in gevaar kan komen, als mensen met een kleine portemonnee zonder rechtshulp van een advocaat komen te zitten?
Zoals hiervoor benoemd, ken ik de inhoud van het onderzoek verder nog niet.
De monitor van de Raad voor Rechtsbijstand laat het volgende beeld zien:
Aantallen rechtsbijstandsverleners advocaten
2015: 7.520
2016: 7.410
2017: 7.260
2018: 7.072
Hieruit concludeer ik dat er weliswaar sprake is van een afname van deelnemende advocaten, maar dat deze de cijfers niet onderschrijven dat mensen met een kleine portemonnee zonder rechtshulp van een advocaat komen te zitten. Uit onderzoek van de Raad voor Rechtsbijstand blijkt dat de afname van deelnemende advocaten voornamelijk toe te schrijven is aan advocaten die zich uitschrijven omdat ze niet voldoen aan de minimum inschrijvingsvoorwaarden.
Wat is uw reactie op het gegeven dat maar liefst 98% van de sociaal advocaten die gereageerd hebben op de enquête zich zorgen maken over uw plannen met betrekking tot de stelselherziening gesubsidieerde rechtsbijstand?
De zorgen van de sociaal advocatuur zijn mij bekend, onder meer door de werkbezoeken die ik breng aan advocatenkantoren. Ook de NOvA brengt deze zorg aan mij over. In gesprekken is de afgelopen maanden naar voren gekomen welke onderdelen van de contouren van de stelselherziening tot de grootste zorg leiden. Ik geef deze zorg dan ook een plek in de nadere uitwerking van de contouren.
Wat is op dit moment de stand van zaken van uw plannen? Hoe worden deze verder uitgewerkt en wat is hierbij precies de planning?
Tijdens het AO van 31 januari 2019 heb ik uw Kamer toegezegd dat ik u voor het zomerreces een voortgangsrapportage en uitvoeringsplan toestuur. Hierin zal ik ingaan op de stand van zaken van de plannen, de verdere uitwerking en de planning.
Hoe verlopen de gesprekken met de advocatuur?
Zie antwoord vraag 3.
Leidt deze felle kritiek van sociaal advocaten tot heroverweging van uw plannen?2 Bent u inmiddels, al is het op onderdelen, anders naar de kwestie gaan kijken, sinds de presentatie van de eerste versie van de stelselherziening gesubsidieerde rechtsbijstand en de enorme kritiek die dit heeft opgeleverd? Zijn de plannen reeds nader uitgewerkt, bijgesteld of deels ingetrokken? Zo ja, op welke onderdelen?
Zie antwoord vraag 3.
Het niet tijdig ontvangen van stemdocumenten door Nederlanders in het buitenland |
|
Sven Koopmans (VVD), Tobias van Gent (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van de Stichting Nederlanders buiten Nederland «Nederlanders over de hele wereld vullen op de «stemmen tracker» in of ze hun stemdocumenten (niet) op tijd hebben ontvangen»?1
Ja.
Houdt het ministerie per verkiezing bij hoeveel stembiljetten in het buitenland op tijd worden bezorgd bij stemgerechtigden? Zo ja, hoeveel procent van de stembiljetten werd op tijd ontvangen bij de afgelopen vier verkiezingen waarbij Nederlanders in het buitenland mochten stemmen?
Wat is over het algemeen de oorzaak van de vertraging van de stembiljetten en hoe worden deze aangepakt om te zorgen dat Nederlanders buiten Nederland ook gebruik kunnen maken van hun stemrecht?
Deelt u de mening dat het kabinet alles moet doen om het uitoefenen van het stemrecht van Nederlandse burgers in het buitenland zo makkelijk mogelijk te maken? Hoe zorgen andere Europese landen met een groot aantal burgers in het buitenland ervoor dat deze burgers gebruik kunnen maken van hun stemrecht? Wat kunnen wij hier eventueel van leren?
Welke mogelijkheden ziet u om het stemmen voor Nederlanders buiten Nederland makkelijker te maken? Hoe en op welke termijn zouden deze mogelijkheden gerealiseerd kunnen worden?
Zorgverlof voor ouders van kinderen met kanker |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ouders ernstig zieke kinderen verdienen meer verlof»?1
Ja.
Vindt u het ook onwenselijk dat bijna de helft van de ouders zich ziek meldt, omdat ze niet uit de voeten kunnen met het zorgverlof? Zo ja, wat gaat u doen om de situatie van deze ouders te verbeteren?
Het is vanzelfsprekend dat ouders zoveel als mogelijk aanwezig willen zijn bij hun kind als dat kind ernstig ziek is, bijvoorbeeld kanker heeft. Dat is niet alleen nodig voor de verzorging en begeleiding van het kind, maar ook voor de ouders zelf is het waardevol om deze aangrijpende periode tezamen met hun kind door te brengen.
Er wordt door overheid en ook door werkgevers veel gedaan om ouders hierbij te ondersteunen. Er zijn een aantal mogelijkheden voor verlof, zodat de ouders in ieder geval aanwezig kunnen zijn bij arts of het ziekenhuisbezoek of gedurende een aantal weken het kind thuis kunnen verzorgen. In een aantal gevallen wordt daarbij het loon geheel of gedeeltelijk doorbetaald. Er bestaat een wettelijk recht om tijdelijk minder uren te gaan werken of om het werkrooster aan te passen om dit zo goed mogelijk af te stemmen op de zorgsituatie thuis. Er zijn goede voorbeelden van werkgevers die de ouders in staat stellen om zoveel mogelijk bij hun kind te kunnen zijn en begripvol zijn ten aanzien van het gegeven dat de ouders zich in deze periode niet volledig op hun werk kunnen concentreren. Maar bij langdurige ziekte is dat niet altijd voldoende. De realiteit is echter dat de overheid niet kan garanderen dat beide ouders gedurende de gehele ziekteperiode bij hun kind kunnen zijn en ook niet kan uitsluiten dat men financiële zorgen heeft. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk. Er zijn ook andere situaties, bijvoorbeeld de langdurige verzorging van een zieke partner, waarvoor het wettelijk kader veel mogelijkheden biedt om deze zorg met het werk te combineren, maar ook deze mogelijkheden zijn niet onbeperkt.
Wat in de combinatie van intensieve zorg met werk van belang is, is dat er begrip is van de werkgever en dat werkgever en werknemer in onderling overleg bekijken wat voor de werknemer nodig is en op welke wijze de werkgever hem daarbij zo goed mogelijk kan faciliteren. Dat is niet altijd eenvoudig, omdat het om een zeer persoonlijke en trieste situatie gaat. Met de sociale partners in de Stichting van de Arbeid en het project Mantelzorg & Werk zal ik bekijken hoe we de bewustwording bij werkgevers over de positie van ouders met ernstig zieke kinderen kunnen vergroten. Vervolgens ben ik bereid om handreiking voor werkgevers over de ondersteuning van werknemers met ernstige persoonlijke omstandigheden laten ontwikkelen. Mogelijk kan dit bijdragen aan het beperken van het ziekteverzuim van ouders. Ik heb de NFK en de VOKK reeds verzocht om medewerking bij de uitwerking van deze handreiking en zij hebben positief gereageerd. Ook sociale partners wil ik erbij betrekken.
Vindt u het ook essentieel dat ouders steun kunnen geven aan hun levensbedreigend zieke kind, zonder daarnaast ook nog financiële zorgen te hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u ook dat onbetaald verlof van zes weken ontoereikend is voor ouders wiens kind een langdurige kankerbehandeling ondergaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de oproep van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK) en de Vereniging Ouders, Kinderen en Kanker (VOKK) om de verlofregeling voor deze specifieke groep ouders uit te breiden? Bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de oproep voor langer durend verlof, maar een uitbreiding van de verlofmogelijkheden heb ik niet in overweging. Zoals in de beantwoording op de vragen 2, 3 en 4 reeds is aangegeven zijn de wettelijke mogelijkheden voor verlof niet onbeperkt en is de realiteit dat de overheid niet kan garanderen dat de ouders gedurende de gehele ziekteperiode bij hun kind kunnen zijn. Of het daarbij dan zou gaan om een specifieke regeling voor zorgverlof of ouderschapsverlof is in principe niet relevant.
Ziet u ook mogelijkheden in het uitbreiden van ouderschapsverlof om deze groep tegemoet te komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u ervan dat in sommige bedrijven werknemers hun vrije dagen afstaan aan collega’s die dat hard kunnen gebruiken? Vindt u dat een wenselijke situatie of een teken dat de huidige verlofregelingen niet voldoen?
Als werknemers op vrijwillige basis verlofdagen afstaan aan een collega die om dringende reden verlof nodig zou hebben maar zelf niet meer over verlofdagen beschikt, of anderszins flexibiliteit tonen om hun collega ter wille te zijn dan kan ik deze vorm van collegialiteit waarderen.
Neemt u dit onderzoek mee bij de uitvoering van de motie-Smeulders/Van Weyenberg over het gebruik van zorgverlof bevorderen?2 Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
De leden Smeulders en Van Weyenberg stellen in hun motie terecht dat zorgverlof een goed middel kan zijn om de werkende mantelzorger te ontlasten. Volgens cijfers van het SCP is het gebruik van zorgverlof hoger dan in de motie wordt gesteld (namelijk kortdurend zorgverlof 10% i.p.v. 5% en langdurend zorgverlof 6% i.p.v. 1%), maar is het gebruik hoe dan ook betrekkelijk laag.3) Het gaat hierbij om de werkelijke gebruikscijfers en bevat dus zowel formele als informele afspraken over verlof. Volgens datzelfde rapport van het SCP is een groot deel van het niet-gebruik te verklaren doordat men geen behoefte heeft aan zorgverlof. Slechts 9% van de werkende mantelzorgers beschouwt betaald verlof als de beste manier om werk en zorgtaken beter te combineren. Veel vaker wordt er voor de combinatie van mantelzorg met werk belang gehecht aan begrip op de werkvloer (35%) en flexibele werktijden (23%). Zorgverlof is dus een belangrijke regelmogelijkheid, maar voor een beperkte groep werkende mantelzorgers. Een voorbeeld hiervan zijn ouders met ernstig zieke kinderen, zo blijkt uit het onderzoek van de NFK en VOKK.
Er wordt meer waarde gehecht aan andere vormen van ondersteuning. Sinds april van dit jaar heeft stichting Werk&Mantelzorg het programma «Mantelzorg werkt» gelanceerd met subsidie vanuit de ministeries van VWS en SZW. Dit is het vervolg op de eerdere programma’s Werk&Mantelzorg (2014–2016) en de Next Step (2016–2018) en heeft als doel om erkenning en ondersteuning van mantelzorgers op het werk te stimuleren. Extra aandacht gaat hierbij uit naar bewustwording, beste practices, instrumenten en kennisdeling voor werkgevers, leidinggevende en collega’s om werk en mantelzorg bespreekbaar te maken op het werk en tot maatwerk oplossingen te komen. Uiteraard wordt hierbij ook aandacht besteed aan het vergroten van de bekendheid van de wettelijke voorzieningen zoals flexibel werken en verlofregelingen. Daarnaast wordt via het platform «Hoe werkt Nederland?» regelmatig aandacht besteed aan persoonlijke verhalen van werkende mantelzorgers en goede voorbeelden van organisaties die tot passende afspraken zijn gekomen.
Naar aanleiding van mijn toezegging aan het lid Wiersma tijdens de begrotingsbehandeling SZW van 28 en 29 november 2018 wil ik het volgende toevoegen. Uit een inventarisatie van de Stichting Werk&Mantelzorg over informele afspraken tussen werkgever en werknemers met een mantelzorg taak blijkt de verscheidenheid aan afspraken die op de werkvloer mogelijk zijn4). Een praktijkvoorbeeld van een creatieve oplossingen is een medewerkster van een welzijnsorganisatie die zorgt voor haar zoon met autisme. Deze medewerkers werkte 24 uur per week verdeelt over vier dagen en wilde liever drie dagen werken. In eerste instantie liet het rooster dit niet toe, maar door samen met een andere collega te schuiven met werktijden is het toch gelukt. Bij een bedrijf in de afvalverzameling is met een werknemer afgesproken dat uren die nodig zijn voor een wekelijks wisselende afspraak met de specialist voor zijn zieke kind flexibel op een ander moment kunnen worden ingehaald. Dit geeft de werknemer de ruimte om altijd aanwezig te kunnen zijn bij de bezoeken aan de specialist zonder minder te hoeven werken. In weer een ander geval hebben werkgever en werknemer afgesproken dat de betreffende medewerker voor een periode van een jaar 80% werkt, 90% uitbetaald krijgt en 100% pensioen uitbetaald krijgt.
Het bericht dat repressie niet meer voldoende is in drugsaanpak |
|
Vera Bergkamp (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederlandse drugsaanpak onhoudbaar»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het pleidooi van de Brabantse recherchechef, de heer R. de Groot, dat alleen repressie niet meer voldoende is?
Er is in het Nederlandse drugsbeleid geen sprake van een eenzijdig repressieve aanpak. Het drugsbeleid wordt gekenmerkt door een balans tussen volksgezondheids- en justitieaspecten. Daarbij is ook zeker aandacht voor preventie en ontmoediging van drugsgebruik. De Staatssecretaris van VWS heeft uw Kamer per brief van 25 april 2019 geïnformeerd over het (hard)drugspreventiebeleid.2 Het preventiebeleid zet stevig in op het voorkomen van gebruik en van de normalisering ervan binnen bepaalde groepen. De kern van het beleid is via zoveel mogelijk kanalen – ouders, gemeenten, scholen, professionals, horeca, organisatoren van evenementen en door informatievoorziening – zorgen dat jongeren en jongvolwassenen zich bewust zijn van de risico’s.
Het beleid wordt de komende jaren aangevuld met vijf nieuwe maatregelen. Eén van deze maatregelen is het ontwikkelen van innovatieve interventies, waarmee voorkomen wordt dat jongeren beginnen met drugsgebruik. Daarnaast is een wetswijziging van de Opiumwet in voorbereiding, waarmee in één keer veel gevaarlijke Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS) kunnen worden verboden. Om het drugsgebruik van een aantal middelen, zoals GHB, XTC en lachgas, te ontmoedigen worden er specifieke maatregelen genomen.
Nog voor het zomerreces stuur ik uw Kamer een brief waarin ik inga op het beleid ten aanzien van de problematiek van de synthetische drugs, waaronder het handhavingsbeleid op festivals en evenementen, en de ontwikkelingen op het gebied van wetgeving.
Deelt u de analyse van de heer De Groot dat vanwege de grote winstmarges steeds meer criminelen toetreden tot die markt en dat eenmaal in die markt de kans dat ze ooit nog op een eerlijke manier hun geld verdienen heel klein is? Zo nee, waarom niet?
Hoewel er geen «harde» gegevens beschikbaar zijn over het aantal in de illegale drugsindustrie actieve criminelen, heb ik geen reden te twijfelen aan de analyse van de heer De Groot op dit punt. Het is bekend dat de drugshandel een lucratieve industrie is. Daarom zet ik stevig in op versterking en versnelling van de aanpak van ondermijning met een focus op de illegale drugsindustrie, de grootste aanjager van georganiseerde criminaliteit, en de criminele geldstromen. De versterking van die aanpak wordt ondersteund met financiële middelen, het ondermijningsfonds van € 100 mln. en € 10 mln. structurele gelden, en ondermijningswetgeving.
Deelt u de analyse van emeritus hoogleraar, de heer C. Fijnaut, dat met het verbod op het gebruik van drugs sprake is van een norm die in steeds mindere mate door de bevolking wordt gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse drugsbeleid kent geen verbod op het gebruik van drugs. Bezit, productie en verkoop van middelen die in de Opiumwet staan, is wel verboden. Dit onderscheid dient te voorkomen dat mensen geen hulp zoeken als zij in de problemen komen als gevolg van drugsgebruik. Ik herken dat er binnen bepaalde groepen een zekere normalisatie van harddrugsgebruik plaatsvindt. Over deze normalisatie van drugs maak ik mij zorgen. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven zet het preventiebeleid onder andere stevig in op het voorkomen van gebruik van drugs en de normalisering van het gebruik. Voor de aanpak van de normalisering van drugs wordt samengewerkt met verschillende partijen. Van alle kanten proberen we bijvoorbeeld jongeren en jongvolwassenen te bereiken: via ouders, gemeenten, scholen, horeca, organisatoren van evenementen en door informatievoorziening. De Staatssecretaris van VWS heeft hiernaast het Trimbos-instituut gevraagd om samen met andere partijen een vernieuwde aanpak te ontwikkelen om te voorkomen dat jongeren beginnen met drugsgebruik en om normalisering tegen te gaan. Wij zullen de normalisering van drugsgebruik binnen bepaalde groepen ter discussie blijven stellen en ons blijven inzetten om de beoogde doelgroepen met de juiste boodschap te bereiken.
Deelt u de analyse van de heer Fijnaut dat handhaving van het drugsverbod onbedoeld leidt tot een ernstig neveneffect, namelijk een illegale markt die wordt bediend door criminele organisaties? Zo nee, waarom niet?
Een verbod op enig product leidt, als dat verbod overtreden wordt, per definitie tot een illegale markt. Harddrugs worden dermate schadelijk geacht voor mens en maatschappij, dat de overheid zich genoodzaakt heeft gezien de productie, distributie, verkoop etc. ervan te verbieden. Dit is een principe dat internationaal breed wordt onderschreven en is vastgelegd in internationale verdragen. Tegen criminele netwerken die dit verbod overtreden zullen wij als overheid altijd optreden.
Deelt u de analyse van de heer Fijnaut, dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad zo'n grote prijs heeft dat de vraag opkomt of die aanpak nog wel houdbaar is? Zo nee, waarom niet?
Hoe de strijd tegen de georganiseerde misdaad gevoerd moet worden, is onderwerp van permanente discussie met alle partners in die aanpak. De aanpak van de georganiseerde misdaad is geen vaststaand gegeven: door middel van instrumenten als de vierjaarlijkse Veiligheidsagenda wordt deze aanpak zeer regelmatig tegen het licht gehouden en prioriteiten zo nodig anders gelegd.
Bent u van mening dat de huidige aanpak nog wel houdbaar is? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u daaraan doen?
Het is voor het kabinet evident dát de strijd tegen de georganiseerde misdaad gevoerd moet worden. Dit kabinet investeert fors in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het kabinet investeert incidenteel 100 miljoen euro en structureel 10 miljoen euro in concrete projecten gericht op de aanpak van de drugsindustrie en bijbehorende geldstromen.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 6, zoekt het kabinet daarnaast in samenwerking met alle partners continu naar verbeteringen in de huidige aanpak.
Deelt u de opvatting van de heer De Groot dat teneinde het verdienmodel van de drugshandel succesvol aan te pakken een grondige evaluatie van aanpak en beleid nodig is? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet investeert in de aanpak van de harddrugsindustrie en de bijbehorende criminele geldstromen (zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7) en voert daarnaast een experiment uit met een gesloten cannabisketen om te bezien of het mogelijk is die keten te sluiten en wat de effecten zijn op de criminaliteit, veiligheid, overlast en volksgezondheid. Deze beide beleidstrajecten worden grondig gemonitord en geëvalueerd. Op grond van de bevindingen die daaruit volgen kunnen door het dan zittende kabinet beslissingen over de toekomst van het beleid worden genomen.
Bent u bereid, zoals de heer De Groot suggereert, een brede commissie van wetenschappers in te stellen die moet adviseren of regulatie of legalisatie in Europees verband een oplossing van het probleem vormt? Zo nee, waarom niet?
In het regeerakkoord staat opgenomen dat wij als kabinet een experiment starten met een gesloten cannabisketen, om te bezien wat de effecten zijn op de criminaliteit, veiligheid, overlast en volksgezondheid. Hier wordt momenteel uitvoering aan gegeven. Dit experiment past binnen een voorzichtige internationale trend om anders te kijken naar de regelgeving voor cannabis.
Over harddrugs zoals XTC bestaat een internationale consensus dat ze een onaanvaardbaar risico voor mens en maatschappij vormen. Daarom staan ze in Nederland op lijst I van de Opiumwet. Het in het leven roepen van een commissie acht ik dan ook niet opportuun.
De vergoeding van vruchtbaarheidsbehandelingen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er nog steeds een groep vrouwen is voor wie een vruchtbaarheidsbehandeling niet wordt vergoed?1
Vruchtbaarheidsbehandelingen worden vergoed indien er sprake is van een medische indicatie. De situatie die in het artikel op de website van Freya wordt beschreven betreft geen verzekerde zorg.
Klopt het dat de IVF-behandeling bij eiceldonoren niet wordt vergoed? Zo ja, wat is het verschil met de vergoeding van de behandeling bij orgaandonatie?
De behandeling voor de eiceldonor wordt niet vergoed vanuit de basisverzekering, omdat de donor niet een eigen medische indicatie voor de behandeling heeft. In de situatie dat een wensmoeder een medische indicatie heeft voor eiceldonatie worden de voor haar benodigde behandelingen wel vergoed. Het betreft dan onder meer de laboratoriumfase (bevruchting in de reageerbuis), het voorbereiden van de baarmoeder, het inbrengen van het embryo en de cryopreservatie.
Voor medisch noodzakelijke orgaantransplantaties is een aparte regeling voor de vergoeding van de selectie van de donor (welke niet een medische indicatie heeft) en uitname van het orgaan en de daarmee samenhangende medische zorg bij de donor. Ik zal het Zorginstituut vragen mij te adviseren over vergoeding ten laste van het basispakket in de situatie dat er sprake is van een medisch vruchtbaarheidsprobleem bij de verzekerde, waarbij voor het vervullen van de kinderwens ook een deel van de vruchtbaarheidsbehandeling bij een ander mogelijk of nodig is die daarvoor geen medische indicatie heeft. Ik vraag het Zorginstituut daarbij of en zo ja wanneer het – in de situatie dat er sprake is van een medisch indicatie bij een vruchtbaarheidsprobleem bij de wensouder(s) – wenselijk is om de vergoeding van de medische kosten voor de vruchtbaarheidsbehandeling van de derde ten laste van de zorgverzekering van de verzekerde te laten komen.
Wat zou het kosten om bij vruchtbaarheidsbehandelingen voor vrouwen die geen goede eicellen hebben ten gevolge van kanker of vervroegde overgang de behandeling bij de donor voortaan wel te vergoeden?
Ik heb geen inzicht in wat hiervan de mogelijke kosten zijn.
Door een gebrek aan donoren is er een wachttijd. Ook is niet duidelijk hoeveel vrouwen in aanmerking willen komen voor het ontvangen van eicellen. Dat komt mede doordat er steeds meer mogelijkheden zijn om eigen embryo’s of eicellen voorafgaand aan een oncologische behandeling in te laten vriezen, wat in die situatie dan ook verzekerde zorg betreft.
Bent u bereid, nu u besloten heeft vruchtbaarheidsbehandelingen voor alleenstaande en lesbische vrouwen te vergoeden, ook de vruchtbaarheidsbehandeling voor vrouwen te vergoeden die geen goede eicellen hebben ten gevolge van kanker of vervoegde overgang? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil dan met de eerder genoemde groep?
Een aantal behandelingen voor deze groepen wordt wel vergoed. Zo betreft het invriezen van eigen eicellen van vrouwen die kankerbehandelingen moeten ondergaan in de meeste gevallen verzekerde zorg. Dit geldt ook voor vrouwen die als gevolg van een aandoening of syndroom vervroegd in de overgang komen.
Een ander geval is de situatie waar vrouwen zelf geen goede eicellen meer hebben, bijvoorbeeld als gevolg van ziekte of vervroegde overgang. Het gebruik van eicellen van andere vrouwen kan een oplossing bieden. Daarvoor is een medisch traject nodig bij de vrouw die de eicellen wil doneren. Deze kosten worden niet vergoed door de verzekering van de wensmoeder, omdat de donor zelf geen medische indicatie heeft. Op dit vraagstuk richt zich de adviesvraag die ik aan het Zorginstituut zal voorleggen.
Deelt u de mening dat de redenering dat de behandeling voor deze vrouwen bij de eiceldonor plaatsvindt en daarom niet onder de door u gebruikte voorwaarde «medische noodzaak» valt niet logisch is, aangezien in deze gevallen juist sprake is van een medische indicatie bij de wensouder die alleen kan worden «behandeld» door het aanbod van de donor?
Dit betreft precies het vraagstuk dat ik aan het Zorginstituut zal voorleggen, namelijk de vraag in hoeverre het wenselijk is om de vergoeding van de medische kosten voor de vruchtbaarheidsbehandeling van de derde ten laste van de zorgverzekering van de verzekerde te laten komen.
Het bericht ‘Kritiek op Saoedi’s? Dan dreigt gevaar’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kritiek op Saoedi’s? Dan dreigt gevaar»?1
Ja.
Heeft u contact gehad met de Noorse inlichtingendienst dan wel de Amerikaanse inlichtingendienst CIA over het gevaar dat journalisten lopen die kritisch zijn op het Saoedisch regime? Zo nee, bent u wel op de hoogte van het risico voor journalisten die kritisch zijn op het Saoedisch regime, en dat zij moeten oppassen voor hun veiligheid? Zo ja, wat is uw reactie daarop? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zorgen over de mensenrechtensituatie in Saoedi-Arabië. De vrijheid van critici en andersdenkenden wordt ernstig beperkt. Dit geldt voor activisten, geestelijken en ook journalisten. De afgelopen jaren is vrijheid van meningsuiting verder onder druk komen te staan. Het meest duidelijke voorbeeld hiervan is de verschrikkelijke moord op journalist Jamal Khashoggi. Nederland spreekt met gelijkgestemde landen over de situatie in Saoedi-Arabië. De regering gaat in het openbaar niet in op concrete contacten tussen Nederlandse en buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Bent u bekend met de kritische commentaren en de inzet voor burgerrechten van de in Noorwegen woonachtige journalist İyad el-Baghdadi? Zo ja, valt dit naar uw mening onder de normale werkzaamheden van journalisten? Zo nee, waarom niet?
İyad el-Baghdadi is schrijver, journalist en mensenrechtenverdediger. El-Baghdadi heeft zich regelmatig kritisch uitgelaten over het democratische gehalte van de regeringen in de regio. Het kritisch volgen van ontwikkelingen in de regio behoort uiteraard tot het belangrijke werk dat journalisten, activisten en andere politieke commentatoren doen.
Bent u van mening dat journalisten, schrijvers en anderen die worden vervolgd voor het uitoefenen van hun recht op vrije meningsuiting, bescherming moeten krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze kan deze bescherming invulling krijgen?
Vrijheid van meningsuiting is een voorwaarde voor een goed functionerende democratie en een vrije samenleving, en is daarom één van de Nederlandse mensenrechtenprioriteiten wereldwijd. Nederland zet zich via verschillende kanalen in voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de veiligheid van journalisten. Voorbeelden zijn de bilaterale gesprekken van de Mensenrechtenambassadeur, de aandacht die Nederland in multilateraal verband vraagt voor schendingen van die rechten, bijvoorbeeld in de Mensenrechtenraad, en activiteiten die Nederland steunt die bijdragen aan de versterking van het maatschappelijk middenveld.
Heeft u over het risico dat journalisten, schrijvers en anderen uit Saoedi-Arabië, die worden vervolgd voor het uitoefenen van hun recht op vrije meningsuiting, gesproken met uw Noorse en Europese ambtsgenoten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is er gesproken over een gezamenlijk strategie richting Saoedi-Arabië?
Nederland spreekt in bilateraal contacten en in Europees verband met regelmaat over de situatie in Saoedi-Arabië. De EU heeft gezamenlijke verklaringen afgelegd waarin de moord op journalist Khashoggi in de sterkste bewoordingen wordt afgekeurd en wordt opgeroepen tot grondig, transparant en geloofwaardig onderzoek en vervolging van de daders. Daarnaast hebben alle EU-lidstaten de verklaring van 7 maart jl. in de Mensenrechtenraad ondertekend, waarin de EU haar toenemende zorgen uitspreekt over de arrestaties en behandeling van (mensenrechten)activisten onder anti-terrorismewetgeving. Ook spreekt de EU zich regelmatig uit over het uitvoeren van de doodstraf in Saoedi-Arabië. Meest recentelijk werd dit gedaan door de EU-woordvoerder voor buitenland- en veiligheidsbeleid op 2 april en 24 april jl.
Wat is uw reactie op de waarschuwing van Baghdadi dat de fase waarin de Saoedische kroonprins kon worden gezien als een verlichte hervormer definitief voorbij is en nu een nieuwe fase is aangebroken van keiharde repressie? Heeft u hier contact over gehad met uw Noorse en Europese ambtsgenoten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u, al dan niet in multilateraal verband doen met deze waarschuwing?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 18 oktober jl. zijn er in Saoedi-Arabië verschillende ontwikkelingen zichtbaar. Een aantal van deze ontwikkelingen zijn positief. Zo zorgen de ingezette economische hervormingen voor een verbeterde positie van vrouwen in het land. De afgelopen jaren zijn honderdduizenden Saoedische vrouwen toegetreden tot de arbeidsmarkt. Nederland en de EU steunen verdere economische hervormingen vanuit de overtuiging dat een stabiel en economisch moderniserend Saoedi-Arabië goed is voor de stabiliteit in het land en de regio. Tegelijkertijd is er ook reden tot zorg. De ruimte voor mensenrechtenverdedigers, activisten en journalisten in Saoedi-Arabië is substantieel afgenomen. Ook heeft Nederland zoals bekend zorgen over de rol die Saoedi-Arabië speelt in de oorlog in Jemen. Nederland blijft daarom een kritische dialoog voeren met Saoedi-Arabië via bilaterale kanalen en in de daarvoor bestemde multilaterale fora en in goed overleg met Europese en andere gelijkgezinde landen.
Op welke wijze gaat u gehoor geven aan de oproep van Baghdadi aan Westerse landen om zich krachtig te weer stellen tegen het toenemende repressieve regime in Saoedi-Arabie?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u contact gehad met de Noorse regering en/of uw Europese collega’s over het voorstel om niet langer te investeren in Saoedi-Arabië? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hierover nader informeren?
Nederland is geen voorstander van een boycot of economische sancties tegen Saoedi-Arabië, waarvoor sowieso de benodigde brede internationale consensus zou ontbreken. Zie tevens het antwoord op vraag 5.
De berichten ‘Werkgevers investeren te weinig in ouderen’ en ‘Oudere werkende genegeerd’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Werkgevers investeren te weinig in ouderen» en «oudere werkende genegeerd»1, en de daarin genoemde NETSPAR-studie «Investeren in menselijk kapitaal: een gecombineerd werknemers en werkgeversperspectief»?2
Ja
Deelt u de mening dat een leven lang leren van het grootst mogelijke belang is om elke werknemer en elke zelfstandige tot de AOW-gerechtigde leeftijd (en erna) te laten participeren op arbeidsmarkt en in de maatschappij?
Ja, zoals aangegeven in bijgaande brief.
Erkent u dat organisaties doorgaans veel minder investeren in werknemers vanaf 55 jaar, in het bijzonder mannen? Erkent u dat de trend, met stijgende leeftijd, juist vlakker is in organisaties met veel werknemers in vaste contracten, die tevens veel ontwikkelgesprekken voeren met hun werknemers? Welke cijfers kunt u daarover met de Kamer delen?
NETSPAR heeft onderzoek gedaan naar de mate waarin werkgevers en oudere werknemers uit de publieke sector bereid zijn te investeren in menselijk kapitaal. Uit dit onderzoek blijkt dat werknemers vanaf 56 jaar een lagere kans hebben om een training aangeboden te krijgen dan werknemers van 35 jaar of jonger. Het rapport benoemt dat vrouwen een iets grotere kans hebben, 3,4%, op een trainingsaanbod dan mannen. De onderzoekers wijzen naar een studie uit 2004 die laat zien dat de trainingsparticipatie van mannen afneemt met de leeftijd. Als mogelijke reden wordt genoem dat mannen vaker vaste contracten hebben dan vrouwen en zij zich daardoor minder genoodzaakt voelen om te trainen.
Daarnaast blijkt uit het rapport van NETSPAR dat een stabiele werksituatie, waarin wordt ingezet op een langere arbeidsrelatie en duurzame ontwikkeling, een positieve uitwerking heeft op een leven lang ontwikkelen. De onderzoekers merken op dat bedrijven met relatief veel vaste contracten of ontwikkelgesprekken, ook over andere specifieke kenmerken kunnen beschikken die deze relatie beinvloedt. Een eerder onderzoek van ROA bevestigt de bevinding dat een stabiele werksituatie een positieve invloed kan hebben op een leven lang ontwikkelen.3 De resultaten uit dat onderzoek laten zien dat werknemers met een meer stabiele werksituatie (werknemers met een vast contract of met een tijdelijk contract en uitzicht op vast) vaker deelnemen aan een cursus dan werknemers met een tijdelijk contract zonder uitzicht op vast. Een onderzoek van SCP benoemtdat tijdelijke werknemers zonder uitzicht op een vast contract de afgelopen jaren een relatief lagere scholingsdeelname hadden dan werknemers met een vast contract, waar deze over de periode 2006–2010 nog min of meer op eenzelfde niveau lag.4 In 2014–2016 is de scholingsdeelname onder tijdelijke werknemers weer toegenomen. SCP benoemt dat de schommelingen in scholingdeelname mogelijk toe te schrijven zijn aan veranderingen in de scholingsbereidheid onder tijdelijke werknemers en/of veranderingen in de bereidheid van werkgevers om scholing aan te bieden of te faciliteren. De bevindingen uit de verschillende onderzoeken laten ons zien dat de relatie tussen de contractvorm, investeringsbereidheid van de werkgever en werknemer en een leven lang ontwikkelen complex is.
In hoeverre is hier naar uw mening sprake van leeftijddiscriminatie (de overtuiging van werkgevers dat investeren in oudere werknemers zich door een relatief lager rendement minder snel terugverdient)?
Het rapport benoemt dat de dalende participatie in opleidingen en cursussen bij oudere werknemers wordt veroorzaakt door zowel werkgevers als werknemers. Dit hebben de onderzoekers onderzocht door vignetten af te nemen die causaal meten in hoeverre leeftijdsdiscriminatie bij trainingsallocaties speelt en wat de determinanten zijn van de bereidheid van werknemers om te investeren.
De resultaten uit het rapport laten zien dat werkgevers minder investeren in oudere werknemers. De onderzoekers benoemen dat er sprake kan zijn van discriminatie, maar dat de verminderde investeringsbereidheid ook kan voortkomen uit kosten-batenanalyses of overwegingen over de snelheid tot leren. De term discriminatie moet hier, ook volgens de onderzoekers, dus niet letterlijk worden opgevat.
Daarnaast blijkt bij de bereidheid om opleidingen of cursussen te volgen een sterke afname plaats te vinden bij werknemers na het 60ste levensjaar. Ook eerder onderzoek van de ROA laat ons zien dat 55-plussers een beduidend lagere bereidheid hebben om daadwerkelijk een cursus te gaan volgen dan andere werknemers.5 Dit duidt op verminderde bereidheid van werknemers bij een oudere leeftijd.
Ook maakt het rapport van NETSPAR inzichtelijk welke factoren een rol kunnen spelen bij het verhogen van de werknemersmotivatie. Oudere werknemers zijn bereid om meer tijd te stoppen in een cursus wanneer zij zelf de cursus hebben uitgezocht en wanneer de vaardigheden bruikbaar zijn in het privéleven. Deze inzichten kunnen werkgevers helpen bij het invullen van een trainingsbeleid, dat aansluit bij de mogelijkheden, behoeften en voorkeuren van de werknemers.
Deelt u de conclusie in genoemde NETSPAR-studie dat zowel werkgevers- als werknemersgedrag verantwoordelijk is voor de met de leeftijd dalende deelname aan opleidingen en cursussen, maar dat de aanwijzingen voor werkgeversdiscriminatie sterker zijn? Is het waar dat verschillen in trainingsparticipatie vooral gedreven worden door de bereidheid van de werkgevers?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de conclusie dat er weinig bewijs voor is dat werknemers daadwerkelijk minder bereid zijn om te trainen, en dat als zij al minder bereid zijn om te trainen, dit deels wordt veroorzaakt door een trainingsbeleid dat niet aansluit bij hun mogelijkheden, behoeften en voorkeuren?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat investeringen in omscholing voor oudere baanzoekende werknemers nauwelijk effectief zijn en dat vooral bijscholing het meest effectief is? Bent u bereid en ziet u mogelijkheden in het bijzonder bijscholing te stimuleren, door de bereidheid van werknemers en werkgevers te helpen verhogen? Ziet u mogelijkheden een optimale investeringsstrategie voor bijscholing van ouderen te ondersteunen en te begeleiden?
Het rapport van NETSPAR benoemt dat uit een eerder experiment uit 2016 blijkt dat investeringen in omscholing bij oudere werknemers nauwelijks effectief is en dat bijscholing het meest effectief is. Onderzoek van ROA laat zien dat volwassenen hun kennis en vaardigheden het beste kunnen verbeteren door het uitvoeren van leerrijke taken op het werk.6 Het kabinet wil samen met andere betrokkenen een positieve en sterke leercultuur tot stand brengen. Dit betekent een cultuur waarbij leren gedurende het werkende leven een vanzelfsprekendheid is en er continue aandacht bestaat voor het op peil houden van kennis en vaardigheden. Dit gebeurt door het volgen van cursussen (formeel leren), maar ook veelal op een veel laagdrempelige manier door het leren van taken op de werkplek (informeel leren).
Momenteel wordt er door het kabinet gewerkt aan de uitwerking van een publiek leer- en ontwikkelbudget. Dit zogenoemde STAP-budget komt voor iedereen tot de AOW-gerechtigde leeftijd beschikbaar.7 Met het STAP-budget wordt LLO toegankelijk gemaakt voor iedereen en kunnen mensen zelf de keuze maken aan welke vorm van scholing zij willen doen. Voor 45 plussers wordt op-, om- en bijscholing nog extra gestimuleerd met de Subsidieregeling Ontwikkeladvies. Daarnaast wordt met de motie Wiersma ingezet om werkgevers in het MKB te ondersteunen bij het stimuleren van een positieve leercultuur in het mkb, inclusief bedrijfsscholen en op-, om- en bijscholing.8 Dit biedt kansen voor mkb-werkgevers, die gestimuleerd worden te investeren in leercultuur en scholing, én voor ouderen werkenden, die hun kennis en vaardigheden het beste verbeteren tijdens het werk.
Deelt u de mening van de onderzoekers van NETSPAR dat meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt en het afbreken van de bescherming van de arbeidspositie van oudere werknemers weleens averechts kan werken voor een leven lang leren, en dat het in toenemende mate ontbreekt aan incentives voor werkgevers om te blijven investeren in het menselijk kapitaal van de oudere werknemers? Kunt u uw antwoord motiveren? Wat gaat u specifiek doen om het door de onderzoekers genoemde «afbreken van de bescherming van de arbeidspositie van oudere werknemers» tegen te gaan? Welke bescherming van overheidswege stelt u hier tegenover, om oudere werknemers niet (nog verder) op achterstand te zetten?
De onderzoekers benoemen dat een stabiele werksituatie, waarin wordt ingezet op een langere arbeidsrelatie en duurzame ontwikkeling, een positieve uitwerking heeft op een leven lang ontwikkelen. Met de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) wordt ingezet op het bevorderen van stabiele werksituaties. Het wordt voor werkgevers aantrekkelijker om een vast contract aan te gaan en wordt voor werkenden meer perspectief op zekerheid gecreëerd. Flexibiliteit blijft bestaan, maar de negatieve gevolgen voor werknemers worden verminderd. Deze bescherming geldt voor alle werkenden in Nederland.
Hoe verklaart u de met stijgende leeftijd, en vooral vanaf 45 jaar, afnemende bereidheid van werkgevers om te investeren in duurzame inzetbaarheid van ouderen, gegeven het feit dat niet ouderen, maar juist jongeren eerder geneigd zullen zijn te wisselen van werkgever, waardoor investering in duurzame inzetbaarheid verloren gaat voor de werkgever?
Momenteel wordt er door werkgevers en werknemers vaak pas aan scholing en ontwikkeling gedacht wanneer het eigenlijk te laat is. Veelal wordt er nu nog gekeken naar wat er nodig is op korte termijn en wordt minder gedacht aan het investeren van duurzame inzetbaarheid gedurende de hele loopbaan. Met de kabinetsaanpak LLO willen wij werkgevers en werknemers stimuleren en ondersteunen om de omslag te maken van repareren naar vooruitkijken. Bij iedereen dient het besef te komen dat scholing en ontwikkeling gedurende de hele loopbaan belangrijk is. Duurzame inzetbaarheid is immers voor iedereen van groot belang om mee te kunnen gaan in de steeds dynamischere arbeidsmarkt.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat de motivatie van werknemers om te investeren in hun menselijk kapitaal verder kan worden gestimuleerd als zij de vaardigheden die zij trainen ook kunnen gebruiken in hun privéleven? Bent u bereid te propageren en te stimuleren dat het scholings- en trainingsbeleid meer gericht wordt op de specifieke mogelijkheden, behoeften en omstandigheden van zowel jongeren als ouderen op de werkvloer?
Het rapport benoemt vier factoren die de werknemersmotivatie verder kunnen stimuleren. Dit zijn de volgende factoren:
Eerder onderzoek van het ROA laat ons zien dat wanneer werkgevers het gevoel krijgen dat oudere medewerkers in de organisaties gemotiveerd zijn om te leren, ze meer bereid zijn om deze groep scholing te bieden.9 De concrete aanbevelingen die dit rapport geeft inzake het verhogen van de werknemers motivatie kunnen dus zowel relevant zijn voor werkgevers als werknemers. Werknemers zijn zelf meer geneigd om scholing te volgen wanneer met de bovengenoemde factoren rekening wordt gehouden en de werkgever is meer bereid om dit te faciliteren. Om een leven lang ontwikkelen verder te brengen blijft het belangrijk om werknemers en werkgevers te stimuleren om te investeren in scholing en ontwikkeling. De inzichten uit het rapport kunnen werkgevers en werknemers hier verder bij helpen. De overheid zorgt voor de noodzakelijke randvoorwaarden. Zie bijgaande brief voor de aanpak op LLO vanuit het kabinet.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat, wil men de bereidheid tot leven lang leren bij oudere werknemers stimuleren, loopbaanprofielen (in het bijzonder de mogelijkheid van progressie in de loopbaan) aangepast moeten worden, zodat oudere werknemers ook het gevoel hebben dat investeren in hun menselijk kapitaal «beloond» wordt? Hoe denkt u dit te kunnen bevorderen?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening van onderzoekers, dat het voor het stimuleren van een leven lang leren van belang is, dat voor oudere werknemers opleidingen en cursussen zo veel mogelijk onder werktijd worden aangeboden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven hoe u de fiscale regeling voor private individuele leerrekeningen, en de uitgavenregeling voor publieke individuele leer- en ontwikkelbudgetten, voor iedereen ongeacht leeftijd en startkwalificatie gelijkelijk toegankelijk gaat maken? Hoe ver bent u, en zijn de werkgevers, met de verwezenlijking van een individueel budget (leerrekening) voor algemene scholing en ontwikkeling?
De toepassing van de gerichte vrijstelling in de Wet op de Loonbelasting 1964 bij private individuele leerrekeningen is niet afhankelijk van leeftijd of opleidingsniveau. De uitgavenregeling voor publieke individuele leer- en ontwikkelbudgetten is voor iedereen – in de beroepsbevolking – toegankelijk. Op beide onderwerpen is het kabinet ingegaan in de Kamerbrief Voortgang individuele leerbudgetten en enkele onderwerpen rond flexibilisering aanbod van 3 juni 2019. In de brief is ook aan de orde hoe ver cao-partijen zijn met het realiseren van individuele budgetten: van de 5,6 miljoen werknemers voor wie cao-afspraken gelden, beschikten in 2017 ongeveer 1,3 miljoen (24%) werknemers over een individueel leer- en ontwikkelbudget blijkt uit onderzoek van SZW. Voor het aanzienlijk bredere doel van duurzame inzetbaarheid kunnen volgens werkgeversorganisatie AWVN dit jaar 2,3 miljoen werknemers beschikken over een zogeheten individueel duurzaam inzetbaarheidsbudget, waarvoor € 1,6 miljard beschikbaar is.
Deelt u de mening «(o)m het opleidingsbudget optimaal in te zetten, doen werkgevers er goed aan meer te differentiëren in het opleidingsbeleid tussen oudere en jongere werknemers»? Bent u hierover met werkgevers in gesprek?
De onderzoekers benoemen dat het belangrijk is dat werkgevers meer gaan differentiëren in hun trainingsbeleid tussen oudere en jongere werknemers. Uit hun onderzoek blijkt dat werkgevers nu nog geen onderscheid maken, bij de toewijzing van bepaalde trainingen, tussen werknemers met verschillende leeftijden. Werkgevers hebben de verantwoordelijkheid om te investeren in de ontwikkeling en kansen van werkenden. Hoe zij deze verantwoordelijkheid willen invullen, ligt bij hen zelf. Wij zijn in nauw contract met sociale partner en O&O-fondsen en zullen ook met hun het gesprek blijven voeren.
Wat vindt u van de concrete beleidsaanbevelingen in de NETSPAR-studie? Wat gaat u daarmee doen? Bent u bereid hierover met werkgevers concreet in gesprek te gaan? Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd? Kunt u een reactie geven per beleidsaanbeveling?
Het rapport van NETSPAR geeft ons verdere inzichten over het leven lang ontwikkelen bij oudere werknemers vanuit werkgevers-en werknemersperspectief. Bij de ontwikkeling van het LLO-beleid zijn wij in nauw contact met O&O-fondsen en sociale partners. De inzichten uit het rapport nemen wij mee in deze gesprekken.
De bekostiging van Plusopvang vanuit de Jeugdwet |
|
René Peters (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u er kennis van genomen dat enkele Gelderse gemeenten vanaf 1 september voor een grote groep kinderen stoppen met het financieren van Plusopvang, dat wil zeggen een speciale buitenschoolse opvang (BSO) met extra begeleiding en sturing?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten op zich vrij zijn om een dergelijke Plusopvang op te zetten, maar dat gemeenten daarvoor geen specifieke middelen vanuit de Jeugdwet hebben gekregen?
Gemeenten hebben op grond van de Jeugdwet een jeugdhulpplicht. Het is aan de gemeenten hoe zij invulling hieraan geven. Een mogelijkheid hierin is een speciale buitenschoolse opvang (BSO) te financieren waarbij extra ondersteuning geboden wordt aan kinderen die hulp nodig hebben bij het opgroeien. Voor de genoemde Gelderse gemeenten geldt dat op basis van vraag en aanbod de Plusopvang is opgezet door aanbieders. Voor toelating tot de voorziening moet via (huis)artsen, het lokale team of via een gecertificeerde instelling een verwijzing of een verleningsbeslissing voor specialistische jeugdhulp afgegeven worden.
Wat vindt u er van dat met een dergelijke Plusopvang – waarbij ouders in tegenstelling tot een reguliere BSO zelf niets hoeven bij te dragen – middelen worden ingezet die voor jeugdzorg bedoeld zijn?
Het is niet strijdig met de Jeugdwet dat een gemeente middelen inzet voor een dergelijke plusopvang. Van belang is dat de middelen zo worden ingezet dat de kinderen die behoefte hebben aan jeugdhulp dat ook krijgen. Het is aan gemeenten om de middelen doelmatig in te zetten. Doorgaans kunnen ouders, indien zij beiden werken en de opvang voldoet aan de eisen van de Wet kinderopvang, kinderopvangtoeslag aanvragen voor de kosten van de BSO. Ik begrijp daarom dat gemeenten onderscheid willen aanbrengen tussen de buitenschoolse opvang enerzijds én de extra ondersteuning die daarbij nodig is anderzijds.
Deelt u de mening dat als een Plusopvang gratis wordt aangeboden waar ouders bij een reguliere BSO wel zelf moeten meebetalen, dit ook kan leiden tot een toenemende vraag naar deze voorziening?
Ja, het is aannemelijk dat als een voorziening gratis wordt aangeboden de vraag daarnaar toeneemt. Voor de gemeente Ede en de andere Gelderse gemeenten is de toenemende vraag naar de voorziening één van de redenen waarom zij wil toewerken naar een nieuwe situatie. Een ander belangrijk argument is de wens om zoveel mogelijk alle kinderen gezamenlijk op te vangen, uiteraard met extra ondersteuning vanuit de Jeugdwet indien nodig. Dit vind ik een wenselijke ontwikkeling. In deze nieuwe situatie wordt voor de reguliere opvang kinderopvangtoeslag aangevraagd, de extra ondersteuning bekostigd vanuit de Jeugdwet, en vindt opvang zo veel mogelijk plaats op de reguliere BSO. De plusopvang zal een mogelijkheid blijven voor kinderen voor wie, ondanks die extra ondersteuning, een reguliere BSO niet passend is.
Is bij u bekend hoeveel gemeenten met een soortgelijke Plusopvang zijn gestart? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Daarover worden geen cijfers bijgehouden. Wel is mij bekend dat er in andere regio’s ook plusopvang locaties zijn waarbij de gemeente de extra ondersteuning bekostigt, en ouders de reguliere opvang bekostigen.
Is bij u bekend hoeveel kinderen gratis naar de BSO gaan met middelen die bedoeld zijn voor jeugdzorg? Zo ja, om welke aantallen gaat dat en welke budgetten zijn hiermee gemoeid?
Nee, dit wordt niet bijgehouden.
Het bericht ‘Blauwe Moskee biedt podium aan radicale prediker’ |
|
Bente Becker (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Blauwe Moskee biedt podium aan radicale prediker»?1
Ja.
Kent u de extreem hatelijke uitspraken richting LHBT’ers, Joden en vrouwen van deze radicale salafistische haatimam Umair Bantvawala?
Zoals u weet ga ik niet in op individuele gevallen. Wel stel ik vast dat de persoon in kwestie de Nederlandse nationaliteit heeft. In het algemeen geldt dat het niet mogelijk is Nederlandse staatsburgers te weren uit Nederland. De overheid heeft meermaals laten zien niet te weifelen personen de toegang tot Nederland of Europa te ontzeggen wanneer de mogelijkheid daartoe bestaat, zoals het recente overheidsoptreden omtrent de heer Steven Anderson onderstreept. Voor sprekers die niet uit Nederland kunnen worden geweerd, concentreert de aanpak zich op het weerbaar maken van de samenleving via de zogenoemde drie-sporenaanpak (dialoog, aanspreken en handhaven) bij problematische gedragingen. In het geval van strafbare feiten kan het Openbaar Ministerie onderzoek doen en vervolging instellen. De aanpak zal echter vaak niet-justitieel van aard zijn. De drie-sporenaanpak wordt door gemeenten toegepast in geval van omstreden sprekers die actieve onverdraagzaamheid of andere vormen van anti-integratief gedrag uiten dat niet strookt met de uitgangspunten van de Nederlandse rechtsstaat, of die de gelijkwaardige positie van welke persoon dan ook, zoals bedoeld in art. 1 van de Grondwet, ondermijnt. Dit soort uitingen vind ik onacceptabel. Ik heb begrepen dat de gemeente Amsterdam in gesprek is met de Blauwe Moskee en dat zij de ontwikkelingen in de gaten houdt. Ten slotte is het belangrijk te benoemen dat gemeenschappen een actieve rol spelen in het tegengaan van radicaal of extremistisch gedachtegoed. Ik heb uw Kamer hierover bij brief van 15 mei jl. tevens over geïnformeerd2.
Deelt u de mening dat deze haatzaaier, die geldt als de volgeling van de omstreden Brits-Palestijnse sjeik Haitam al-Haddad die Joden «nakomelingen van apen en varkens» noemde, homoseksualiteit omschreef als «het kwaad» en zich weigerde te distantiëren van zelfmoordaanslagen, door zijn uitlatingen en oproepen een gevaar kan vormen voor de openbare orde in Nederland en een zeer onveilige sfeer kan creëren voor onder andere de LHBT gemeenschap en de Joodse gemeenschap in Nederland? Zo ja, welke acties bent u van plan te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u voorts de mening dat mensen die haat en verderf prediken niets te zoeken hebben in Nederland? Zo ja, welke instrumenten heeft u hem aan te merken als ongewenste vreemdeling? Bent u bereid alles in het werk te stellen wat mogelijk is teneinde deze prediker uit Nederland te weren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u met spoed in overleg treden met de burgemeester teneinde via een gebiedsverbod te voorkomen dat de radicale prediker vrijdag zijn giftige boodschap in Amsterdam kan komen verspreiden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u via de recent opgerichte Taskforce «Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering», die bedoeld is om problematisch gedrag binnen de salafistische beweging aan te pakken, om deze imam met zijn haatzaaiende en discriminerende boodschap geen ruimte te geven in Nederland?
De Taskforce Problematisch gedrag & ongewenste buitenlandse financiering (PG&OBF) is eind vorig jaar opgericht. Binnen deze Taskforce werken de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (inclusief de AIVD), Justitie en Veiligheid (inclusief de NCTV) en Buitenlandse Zaken nauw samen met politie om gemeenten en gemeenschappen steviger en proactief te adviseren en ondersteunen ten aanzien van vragen die betrekking hebben op problematisch gedrag.
Klopt het, dat het goedpraten van vrouwenbesnijdenis en het verketteren van homo’s en Joden onder discriminatie en haat zaaien valt en dus strafbaar is? Kunt u ervoor zorgen dat het openbaar ministerie tot vervolging overgaat indien deze radicale imam zijn boodschap onverhoopt toch in Nederland verkondigt?
Het Openbaar Ministerie bepaalt zelf of gepleegde handelingen of feiten aanleiding zijn om een onderzoek te starten en eventueel te vervolgen. Het past mij als Minister niet om in die rol te treden. Om diezelfde reden kan ik u niet antwoorden of de genoemde feiten strafbaar zijn, dat is immers aan de rechter. Dat gezegd hebbende wil ik wel aangeven dat ik het aanmoedigen van vrouwenbesnijdenis en het verketteren van personen op grond van hun geaardheid of geloof abject vind en sterk afkeur.
Biedt het huidige artikel 2:20 BW, of anders de aanscherping zoals aangekondigd in het regeerakkoord, de mogelijkheid organisaties die een podium bieden aan haatzaaien en discrimineren te verbieden en te ontbinden? Zo ja, bent u bereid de Blauwe Moskee dit in het vooruitzicht te stellen als zij hun voornemen doorzetten dit soort radicale imams een podium te bieden voor een haatzaaiende en discriminerende boodschap? Welke andere mogelijkheden ziet u de Blauwe Moskee te sanctioneren voor het bieden van een podium aan een haatprediker?
Op 21 december 2018 heeft de Minister voor Rechtsbescherming een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht om de mogelijkheden voor het Openbaar Ministerie uit te breiden om via de rechter radicale organisaties te verbieden. Het wetsvoorstel is inmiddels geconsulteerd en de reacties worden verwerkt voordat het voorstel aan de Raad van State zal worden gestuurd. Binnen het geconsulteerde voorstel kan niet alleen de werkzaamheid maar ook het doel van een rechtspersoon leiden tot een rechterlijk verbod van die organisatie. Een dergelijk verbod is echter alleen aan de orde als de gedraging zo ver gaat dat dit leidt tot strijd met de openbare orde, bijvoorbeeld door structureel op te roepen tot geweld of aan te zetten tot haat en discriminatie.
Heeft u inzicht in de financieringsstromen richting de Blauwe Moskee en kunt u aangeven of uit de hoek, dan wel het netwerk van deze radicale prediker ook financiële middelen richting de Blauwe Moskee gaan?
Volgens een factsheet, die de Blauwe Moskee in Nieuw-West in 2013 zelf publiceerde, ontving het 400.00 euro uit Qatar en 2,3 miljoen euro via het Ministerie van Religieuze Zaken in Koeweit. Om het inzicht in de aard en totale omvang van buitenlandse geldstromen aan (alle) religieuze organisaties te vergroten, is in opdracht van het kabinet onlangs een onafhankelijk WODC-onderzoek gestart, zoals u ook is gemeld in de brief die ik op 11 februari jl. naar uw Kamer heb gestuurd.3 De uitkomsten hiervan worden eind 2019 verwacht.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met de op korte termijn geplande preek van Bantvawala?
In verband met interne afstemming is het niet mogelijk gebleken om deze vragen voor het bezoek van de spreker aan de Blauwe Moskee naar uw Kamer te sturen.
Het bericht ‘Burgemeester moet slapende rekenkamer wekken’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «burgemeester moet slapende rekenkamer wekken» en heeft u kennisgenomen van het advies van de werkgroep lokale rekenkamers?1
Ja.
Hoeveel gemeenten houden zich niet aan de Gemeentewet doordat zij op dit moment geen rekenkamer hebben? Welke gemeenten zijn dit?
In een representatief onderzoek dat Berenschot in 2015 heeft uitgevoerd in opdracht van BZK gaf 8% van de griffiers aan dat er in de eigen gemeente een slapende rekenkamer was.2 Uit de gesprekken die de werkgroep lokale rekenkamers in 2018 en 2019 heeft gevoerd met gemeenten over het functioneren van rekenkamers blijkt dat 16 gemeenten een slapende rekenkamer hebben of die momenteel aan het activeren zijn. Daarnaast heeft de werkgroep (nog) niet gesproken met zeven gemeenten die een slapende rekenkamer hebben of die aan het activeren zijn. Het rapport van de werkgroep geeft geen landelijk dekkend beeld over het al dan niet bestaan en functioneren van lokale rekenkamers, maar dat gedeeltelijke beeld zal de komende periode wel vervolmaakt gaan worden.
Zowel de onderzoekers van Berenschot als de werkgroep lokale rekenkamers hebben aan de gemeenten toegezegd vertrouwelijk met de verkregen informatie om te gaan en derhalve is in beide rapporten niet openbaar gemaakt welke gemeenten een slapende rekenkamer hebben. Die afspraak wil ik respecteren. Mijn beleid is er in de eerste plaats op gericht om structurele verbetering in de breedte te bewerkstelligen voor alle rekenkamers en indien nodig ga ik met individuele gemeenten in gesprek over de activering van hun rekenkamer.
Hoeveel gemeenten hebben op dit moment een zogenaamde slapende rekenkamer? Welke gemeenten zijn dit?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten zich aan de Gemeentewet moeten houden en een rekenkamer moeten instellen? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend moeten gemeenten zich aan de Gemeentewet houden. Zij moeten derhalve een rekenkamer(commissie) instellen en die ook zodanig ondersteunen dat deze actief onderzoek kan verrichten. Zo heeft de wetgever het bedoeld. Een slapende rekenkamer is in strijd met de Gemeentewet.
Deelt u de mening dat het de bedoeling van de wetgever is om een actieve rekenkamer in elke gemeente te laten instellen en dat een zogenaamde slapende rekenkamer in strijd is met de geest van de Gemeentewet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het feit dat vijf gemeenten met een slapende rekenkamer hebben aangegeven niet met de door u ingestelde werkgroep in gesprek te willen?
Ik heb uw Kamer bij brief van 29 januari jl. geïnformeerd over mijn beleid ter versterking van lokale rekenkamers.3 Uw Kamer heeft deze brief geagendeerd voor het AO lokale democratie van 27 juni a.s. Met het beleid ter versterking van lokale rekenkamers wil ik bewerkstelligen dat in alle gemeenten een rekenkamer functioneert dan wel wordt ingesteld om daarmee de controlerende rol van de raad te versterken. Zoals ik in die brief reeds aankondigde heb ik een wetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers, mede namens de Minister van Financiën, voor advies naar de afdeling advisering van de Raad van State gezonden. Met het wetsvoorstel wordt beoogd een sluitend stelsel voor gedegen rekenkameronderzoek tot stand te brengen ter ondersteuning van de controlerende rol van de raad. Het wetsvoorstel is een noodzakelijke voorwaarde voor gedegen rekenkameronderzoek in elke gemeente. Ter verdere ondersteuning van mijn beleid heeft de werkgroep lokale rekenkamers gesprekken met afzonderlijke gemeenten gevoerd om de toegevoegde waarde van rekenkameronderzoek voor het voetlicht te brengen. Ten slotte verstrek ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies.
Dat sommige gemeenten niet in gesprek willen met een door mij ingestelde werkgroep over hoe lokaal rekenkameronderzoek de gemeenteraden bij het uitvoeren van de controlerende taak kan ondersteunen, onderstreept voor mij het belang dat verbetering van de positie van lokale rekenkamers het beste kan worden bewerkstelligd door de gecombineerde inzet van bovenstaande instrumenten. De werkgroep doet in zijn rapport aanbevelingen om rekenkamers verder te versterken, waaronder ook een aantal aanbevelingen om slapende rekenkamers te activeren. Die aanbevelingen zal ik de komende periode verder oppakken en uitwerken.
De provincie heeft geen taak om toe te zien op de naleving van de Gemeentewet. De provincie is financieel toezichthouder op gemeenten. Het financieel toezicht ziet op het bewaken van het begrotingsevenwicht, en niet op een beoordeling van de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Dat is aan een lokale rekenkamer om te onderzoeken. Verder is het interbestuurlijk toezicht door de provincie alleen gericht op de uitvoering van wettelijke medebewindstaken door gemeenten. Dit volgt uit artikel 124 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de provincie in de plaats kan treden als een gemeentebestuur krachtens een andere wet dan de Gemeentewet een besluit niet of niet naar behoren uitvoert.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle gemeenten een functionerende rekenkamer zullen instellen? Welke rol speelt de provincie als interbestuurlijk toezichthouder bij het toezichthouden op het goed naleven van de Gemeentewet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de gemeenteraden (nogmaals) te informeren over hun wettelijke plicht om een rekenkamer in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie verstrekt regelmatig informatie aan gemeenten over de huidige en toekomstige verplichtingen inzake de inrichting van de rekenkamer; ook is er overleg met de VNG en de beroepsverenigingen. In het verleden heb ik gemeenten op grond van artikel 118 Gemeentewet om ambtsbericht gevraagd inzake de rekenkamer en daarbij gewezen op hun wettelijke verplichtingen, en ben ik vervolgens daarover met gemeenten het gesprek aangegaan. Dat zal ik waar nodig blijven doen. Er is op dit moment geen mogelijkheid om in te grijpen als gemeenteraden een taak niet uitvoeren die op grond van de Gemeentewet van gemeenteraden wordt gevraagd. Het heeft mijn voorkeur om in te blijven zetten op de in antwoord op vraag 6 en 7 beschreven gecombineerde aanpak ter versterking van lokale rekenkamers. Dat laat onverlet dat ik ook bereid ben om op basis van de beschikbare rapporten over dit onderwerp het wettelijk instrumentarium nog eens tegen het licht te houden.
Zijn er sanctiemogelijkheden wanneer gemeenten zich niet houden aan de Gemeentewet door geen rekenkamer in te stellen? Zo ja, welke zijn deze mogelijke sancties? Zo nee, waarom niet? En zo nee, bent u bereid om te onderzoeken of en zo ja, welke mogelijke sancties ingesteld zouden kunnen worden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u de aanbeveling van de werkgroep dat het goed zou zijn om burgemeesters een verantwoordelijkheid te geven bij het instellen en/of het activeren van gemeentelijke rekenkamers? Bent u bereid om deze aanbeveling nadrukkelijk te onderzoeken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
De werkgroep doet een zestal aanbevelingen aan mij om het instrument lokale rekenkamer verder te versterken, waarvan één aanbeveling is om de burgemeester, in samenspel met de griffier, een verantwoordelijkheid te geven in het instellen of activeren van een rekenkamer. De aanbevelingen apprecieer ik als ondersteuning van mijn beleid. De burgemeester heeft een algemene verantwoordelijkheid ter bevordering van goed bestuur (artikel 170 Gemeentewet), daarmee ligt het op zijn weg dat hij de raad actief wijst op de wettelijke verlichtingen inzake lokale rekenkamers. Ik zal, zoals ik ook in antwoord op vraag 6 en 7 heb geantwoord, de aanbevelingen de komende periode verder oppakken en uitwerken, samen met de betrokkenen in het lokaal bestuur. Ik zal uw Kamer over de verdere uitwerking nader informeren.
Het bericht ‘Staatsbosbeheer wil duidelijker bosbeleid van minister’ |
|
Femke Merel Arissen (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Staatsbosbeheer wil duidelijker bosbeleid van Minister»?1
Ja.
Is het waar dat er jaarlijks 300.000 kuub hout door Staatsbosbeheer wordt «geoogst» uit de Nederlandse bossen en dat Staatsbosbeheer daarbij een belang heeft van 25 miljoen euro?
Het is inderdaad zo dat ongeveer 300.000 m3 hout geoogst wordt uit bossen van Staatsbosbeheer. De houtoogst bij Staatsbosbeheer, inclusief landschappelijke beplantingen, over de laatste drie jaar was:
2016
318.000 m3 regulier
2017
271.000 m3 regulier en 42.000 m3 essentaksterfte
2018
247.000 m3 regulier en 85.000 m3 essentaksterfte
De totale omzet van houtverkoop en biomassa door Staatsbosbeheer bedroeg, blijkens de jaarstukken 2018, € 27.445.000,- in 2018. Hiervan was € 20.829.000,- afkomstig uit houtverkoop (Kamerstuk 29 659, nr. 153). Dit betreft de brutoopbrengst. De netto-opbrengst, na aftrek van exploitatie- en transportkosten, bedraagt hiervan ongeveer 50%. De netto-opbrengsten worden weer besteed aan het bosbeheer of andere maatschappelijke opgaven. In de normkosten voor het bepalen van de hoogte van de provinciale Subsidie Natuur en landschap (SNL) wordt voor bos rekening gehouden met inkomsten uit houtoogst.
Is het waar dat er jaarlijks meer bosvolume verdwijnt dan er bij komt via nieuwe aanplant? Zo ja, welke consequenties heeft dat voor de netto CO2 effecten van ons bos?
In hectares is er inderdaad sprake van een netto-afname van het areaal bos. Wetenschappers van Wageningen Environmental Research hebben in het Vakblad Natuur, Bos en Landschap uit september 2017 («Het Nederlandse bos als bron van CO2») cijfers gepubliceerd over ontbossing in Nederland. Hierin stellen zij dat (na correctie) gedurende de periode 2013–2017 de netto-ontbossing (het saldo van bebossing minus ontbossing) per jaar gemiddeld 1.350 ha besloeg. De brutoontbossing (dus zonder het meetellen van bebossing) bedroeg in deze periode 3.036 ha. De bruto ontbossing van deze 3.036 ha per jaar komt volgens het artikel in het Vakblad overeen met een uitstoot van 1,5 Mton CO2 per jaar.
In broeikasgasrapportages telt ontbossing veel zwaarder mee dan bosaanleg. Bij ontbossing telt het verdwijnen van de hele voorraad mee, terwijl de opbouw van de koolstofvoorraad in nieuw bos een factor veertig langzamer gaat.
Is het waar dat de jaarlijkse kap (inclusief de afvoer van het gekapte hout) niet is afgerond voor aanvang van het broedseizoen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de gedragscode bosbeheer die voorschrijft dat er in gemengd bos na 15 maart geen werkzaamheden in dit kader worden uitgevoerd?2
Er zijn inderdaad situaties denkbaar waarin werkzaamheden niet voor aanvang van het broedseizoen zijn afgerond. Volgens de gedragscode mogen tussen 15 maart en 15 juli alleen boswerkzaamheden plaatsvinden in percelen met naaldbomen en populieren. Bovendien mag dit alleen indien is vastgesteld dat daar geen broedgevallen voorkomen. In gemengd bos mogen in deze periode helemaal geen boswerkzaamheden plaatsvinden. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt door Staatsbosbeheer ecologisch onderzoek gedaan met betrekking tot eventuele broedende vogels, ook buiten de in de gedragscode genoemde periode. De Wet natuurbescherming hanteert immers geen standaardperiode voor het broeden van vogels, waardoor deze inventarisatie ook buiten de periode van 15 maart tot 15 juli moet plaatsvinden. Indien buiten deze periode broedgevallen worden geconstateerd, worden de broedsels beschermd en neemt Staatsbosbeheer maatregelen om te voorkomen dat aanwezige populaties van beschermde soorten negatief worden beïnvloed.
Is het waar dat sommige soorten zoals bosuilen al nestelen voorafgaand aan officiële start van het broedseizoen zoals genoemd in de gedragscode?
Ja. Vogelsoorten hebben elk hun eigen voortplantingscyclus. Vogels beginnen met broeden als de klimatologische omstandigheden voor hen gunstig zijn. Er zijn vogelsoorten waarvan de voortplantingsperiode vóór 15 maart begint.
Staatsbosbeheer monitort dan ook buiten de in de gedragscode genoemde periode. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Welke effecten hebben massale kapwerkzaamheden met grote machines op mogelijke verstoring van broedgevallen?
In het reguliere bosbeheer is geen sprake van massale bomenkap. Indien op grotere schaal werkzaamheden moeten worden uitgevoerd is in de meeste gevallen sprake van calamiteiten zoals boomziektes (bijvoorbeeld essentaksterfte en letterzetter) of gebeurt dit omwille van natuurherstel. Uiteraard wordt verstoring van broedgevallen zo veel mogelijk voorkomen en handelt Staatsbosbeheer binnen de kaders van de gedragscode.
Is er in de bossen van Staatsbosbeheer voorafgaand aan de massale bomenkap een ecologische inventarisatie uitgevoerd zoals voorgeschreven in de gedragscode? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze met ons delen?
Ja, Staatsbosbeheer voert, zoals voorgeschreven in de gedragscode voorafgaand aan kapwerkzaamheden in bossen een ecologische inventarisatie uit.
Staatsbosbeheer beschikt over twee soorten inventarisaties.
De eerste categorie betreft structurele inventarisaties die Staatsbosbeheer in het kader van de provinciale Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) per gebied om de twaalf jaar doet en die vooral betrekking heeft op broedvogels, vegetatie- en de bosstructuur. De meeste van deze inventarisaties worden door onafhankelijke derde partijen, zoals ecologische adviesbureaus of soortenorganisaties gedaan. De gegevens worden ten bate van SNL-verantwoording aan de provincies ook opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
De tweede categorie betreft inventarisaties voorafgaand aan beoogde vellingen, uitgevoerd door de boswachter ecologie van Staatsbosbeheer; de zogenaamde checklist gedragscode bosbeheer. Dit zijn documenten die conform de gedragscode bij uitvoeren van de werkzaamheden beschikbaar moeten zijn.
In hoeverre is Staatsbosbeheer voor haar bedrijfsvoering afhankelijk van de massale kap van bomen?
Van de € 197,64 miljoen aan totale inkomsten is een beperkt deel, namelijk € 27,44 miljoen, afkomstig van verkoop van rondhout en biomassa. Dit hout is niet alleen afkomstig uit bossen; biomassa komt voor een belangrijk deel ook vrij bij het beheer van landschapselementen en het verwijderen van houtige opslag op heides en hoogvenen. In de normkosten voor het bepalen van de hoogte van de SNL-subsidie voor bos wordt rekening gehouden met inkomsten uit houtoogst.
Zie ook het antwoord op vraag 2.
Is het waar dat Natuurmonumenten voortijdig is gestopt met de massale bomenkap na klachten van tientallen natuurorganisaties, waar Staatsbosbeheer de kap voortzette ondanks de protesten?
Natuurmonumenten heeft begin april 2019 bekend gemaakt voorlopig te stoppen met het kappen van bomen vanwege groeiende kritiek op het huidige kapbeleid. Alleen vanuit veiligheidsoverwegingen wordt nog gekapt. Gedurende deze tijdelijke stop raadpleegt Natuurmomenten haar achterban.
Voor wat betreft houtkap bij Staatsbosbeheer moet een onderscheid gemaakt worden tussen bomenkap voor natuurherstel en voor houtkap voortkomend uit regulier beheer.
Ten aanzien van plannen voor omvorming van bos naar andere natuur in verband met Natura 2000-doelstellingen en maatregelen in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), bekijkt Staatsbosbeheer welke ruimte er in de bestaande plannen zit om beoogde houtkap te voorkomen. Dit hangt samen met de inventarisatie die de provincies doen. Staatsbosbeheer voert deze plannen veelal uit in opdracht van provincies.
Ten aanzien van het reguliere beheer wijzigt Staatsbosbeheer zijn beleid op dit moment niet. Wel zal bij het maken van de bossenstrategie, die ik samen met de provincies ga ontwikkelen, ook worden ingegaan op het beheer van bossen en de vragen die daarbij spelen.
Ik verwijs u ten slotte voorts naar mijn brief over de beoogde bossenstrategie, waarbij ik op verzoek van uw vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ook uitgebreid inga op de overwegingen van Staatsbosbeheer ten aanzien van houtkap (Kamerstuk 33 576, nr. 163).
Kunt u aangeven waarom het bijstoken van biomassa buiten de registratie van uitstoot van CO2 valt, terwijl duidelijk is dat nieuw aangeplante bomen die uitstoot niet of nauwelijks kunnen compenseren op korte termijn?
Het kabinet baseert zich hierbij op internationale afspraken. Op basis daarvan wordt biomassa, mits passend in de strikte duurzaamheidscriteria, beschouwd als duurzaam, omdat de CO2-emissie bij verbranding evenveel is als de vegetatie bij groei heeft opgenomen uit de lucht.
Het klopt dat er tijd overheen gaat om de uitstoot die vrijkomt bij het stoken van biomassa weer op te nemen in nieuwe bomen. In de duurzaamheidscriteria die gelden voor de SDE+ is vastgelegd dat de aangroei en het behoud van het bos waaruit (vaste) biomassa wordt verkregen groter is dan het verlies aan koolstof. Op die manier treedt geen netto schuld op, maar wordt daadwerkelijk een vermindering van de CO2-uitstoot bereikt.
Kent u het Trillion Trees project waarin gepleit wordt voor de grootschalige aanplant van extra bossen om de klimaatverandering het hoofd te bieden?3
Ja.
Bent u bereid massieve aanplant van nieuwe bomen en bossen tot onderdeel te maken van het klimaatbeleid van het kabinet? Zo ja, op welke termijn en wijze en wat zal hiervan het netto effect zijn op de uitstoot van CO2? Zo nee, waarom niet?
Aanplant van bomen en bossen is een belangrijk onderdeel van de klimaatmaatregelen. In het ontwerpKlimaatakkoord hebben overheden, beheerders, grondeigenaren en andere partijen gezamenlijk te nemen maatregelen afgesproken voor 0,3–0,6 Mton CO2 per jaar, onder meer door aanleg van bomen en bos. De uiteindelijke CO2-vastlegging van nieuwe bossen is afhankelijk van de uitwerking van deze afspraken. Uw Kamer wordt hierover binnenkort geïnformeerd. Ook in de bossenstrategie die ik samen met de provincies ga opstellen zal ik ingaan op bosuitbreiding en het vastleggen van CO2 door de aanleg van nieuwe bossen.
Is het bericht waar dat Nederland tot de top-5 importeurs behoort van houtpellets?4
Ik heb kennis genomen van dit bericht. Ik kan het echter niet bevestigen. De ontwikkeling van deze wereldmarkt wordt niet structureel bijgehouden door het Rijk en ik weet niet hoeveel houtpellets andere landen importeren.
Deelt u de mening dat het EU-standpunt om bijstook in kolencentrales van gekapt hout tot CO2 neutraal te bestempelen onjuist is en bestreden dient te worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u bezwaar maken tegen dit standpunt?
Dat het gebruik van biomassa als klimaatneutraal gezien wordt, is een uitgangspunt dat in VN-verband is vastgelegd in richtlijnen voor het klimaatbeleid. Deze afspraken werken door in de wet- en regelgeving van de EU en daarom werken we ook op nationaal niveau met deze afspraken. Zo werkt bijvoorbeeld ook het Planbureau voor de Leefomgeving met dezelfde afspraken. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Deze afspraken vormen de basis voor het mondiale, Europese en nationale klimaatbeleid. Het is mij bekend dat er ook andere meningen zijn, maar ik moet mij uiteindelijk baseren op de internationale afspraken. Andere inzichten moeten uiteindelijk in VN-verband besproken worden en kunnen daar zo mogelijk leiden tot aanpassing van de afspraken.
Het bericht ''Helft vrouwelijke journalisten heeft met bedreigingen te maken' NRC checkt' |
|
Joost Sneller (D66), Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht ««Helft vrouwelijke journalisten heeft met bedreigingen te maken» NRC checkt»?1
Ja
Bent u bekend met de conclusie uit het onderzoek Een onveilig klimaat2 door Marjolein Odekerken en Laura Das, waarin wordt gesteld dat bijna de helft van het aantal vrouwelijke journalisten te maken heeft gehad met bedreigingen of geweld in het kader van hun werk? Hoe duidt u deze conclusie?
Ik ben bekend met de conclusies uit het aangehaalde onderzoek. Bedreigingen, intimidaties en (gewelds)incidenten zijn onacceptabel. Voor journalisten, ongeacht hun geslacht, achtergrond of arbeidsmarktpositie, geldt dat in het bijzonder vanwege de belangrijke rol die zij vervullen in de vertegenwoordiging van het vrije woord. Het is onaanvaardbaar dat journalisten die hun werk uitvoeren, belemmerd worden in de uitvoering hiervan door de acties van anderen.
Hoe duidt u voorts de conclusie dat met name freelancers en/of journalisten met een migratieachtergrond kwetsbaar zijn en te maken te krijgen met bedreigingen, intimidaties of geweld in het kader van hun werk? Deelt u de zorgen dat deze bedreigingen de persvrijheid van deze groepen specifiek belemmert?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de aanbevelingen van Dr. Odekerken en Dr. Brenninkmeijer voortvloeiend uit het bovengenoemde onderzoek?3 Hoe duidt u deze aanbevelingen?
In reactie op de (beknopte) aanbevelingen zoals deze recent zijn gepubliceerd, kan ik u meegeven dat deze in lijn zijn met eerdere aanbevelingen die Dr. Odekerken en Prof. dr. Brenninkmeijer hebben gedaan naar aanleiding van hun onderzoek «Een dreigend klimaat».4 Deze aanbevelingen hebben geresulteerd in de oprichting van de Stuurgroep Agressie en Geweld tegen Journalisten en het op 19 juli 2018 door de Stuurgroep gesloten «Akkoord Stuurgroep Agressie en geweld tegen journalisten»5, waarin diverse maatregelen zijn aangekondigd om de positie van journalisten tegen geweld en agressie te versterken.
Zo zijn er in het akkoord maatregelen opgenomen die bijdragen aan de bescherming van journalisten, zoals trainingen over juridische mogelijkheden en het opvangen van slachtoffers in de eigen organisatie door middel van bijvoorbeeld psychische hulp. Andere maatregelen zijn gericht op het stimuleren van het doen van aangifte, zoals normstelling, standaardisering, mede namens het slachtoffer aangifte doen als werkgever/opdrachtgever en het onderhouden van de contacten met politie en justitie namens het slachtoffer.
In het akkoord zijn ook afspraken opgenomen die journalisten een speciale positie geven als er sprake is van agressie of een geweldsdelict. Zo is bijvoorbeeld afgesproken dat politie en OM prioriteit zullen geven aan opsporing en vervolging van agressie en geweld tegen journalisten.
Als er geen weerstand geboden kan worden door de journalist of de werkgever tegen een dreiging, kan het lokaal bevoegd gezag onder de werking van het Stelsel Bewaken en Beveiligen maatregelen nemen. Zij doet dit altijd op basis van dreiging en risico.
Deze en andere onderdelen van het akkoord worden verder uitgewerkt in het project «PersVeilig». Op 1 april jl. is de website van het project met een meldpunt voor bedreigde journalisten gelanceerd. Daarnaast is per 1 april jl. in de OM-aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (2019A003) een paragraaf opgenomen over de mogelijkheid om hogere straffen te eisen bij agressie of geweld tegen journalisten.
Bovengenoemde maatregelen zijn gericht op de brede journalistieke doelgroep. In de brief van 12 juni 2018 die door de Minister van JenV mede namens mij is verstuurd aan uw Kamer, wordt aangegeven dat het aspect van bedreiging specifiek gericht op vrouwelijke journalisten en journalisten met een migratieachtergrond onder de aandacht van de Stuurgroep gebracht zou worden.6 Ik heb via de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) vernomen dat dit onderwerp binnen de Stuurgroep de aandacht heeft. In het Veiligheidsplan voor de Nederlandse media dat op verzoek van de Stuurgroep op dit moment wordt ontwikkeld en in het najaar zal worden gepubliceerd, wordt uitgebreid de kwetsbare positie van vrouwelijke journalisten en journalisten uit minderheidsgroepen behandeld. De kwetsbare positie van freelance journalisten wordt daarin ook belicht. Een concrete uitwerking van het specifieke beleid binnen het Veiligheidsplan en de te ontwikkelen trainingen, gericht op genoemde groepen, zal in het najaar als onderdeel van de totaalaanpak van de Stuurgroep gepresenteerd worden.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen er al bestaan om persveiligheid in het algemeen te waarborgen? Zijn daarvan maatregelen specifiek gericht op vrouwelijke journalisten, freelancers en/of journalisten met een migratieachtergrond? Op welke wijze komt deze problematiek aan bod binnen de Stuurgroep Geweld en Agressie tegen Journalisten?
Zie antwoord vraag 4.
Indien er geen maatregelen bestaan of geen extra inzet wordt gepleegd om persveiligheid voor specifiek vrouwelijke journalisten, freelancers en/of journalisten met een migratieachtergrond te waarborgen, bent u bereid dit aspect specifiek toe te voegen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De ongerustheid in Amsterdam rond de pilot landelijke vreemdelingen voorziening (LVV) |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Inspraak over locatie 24 uursopvang was een farce»?1
Ja.
Klopt het dat u met vijf steden, waaronder Amsterdam, via een landelijk programma stapsgewijs wil onderzoeken hoe een landelijke vreemdelingenvoorziening kan leiden tot een bestendige oplossing voor de illegaliteit, waarbij het uitgangspunt is vertrek uit Nederland, tenzij zich alsnog nieuwe feiten zouden voordoen waardoor iemand recht heeft op verblijf?
Ja.
Is dit ook de insteek van de gemeente Amsterdam, gelet op eerdere uitspraken van wethouder Groot Wassink dat hij niet zal meewerken aan gedwongen uitzettingen van illegalen2 en zijn voornemen Dublin claimanten op te vangen?
Ja. Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de insteek van de gemeente Amsterdam. Het bieden van onderdak aan Dublin claimanten doet de gemeente Amsterdam overigens onder eigen verantwoordelijkheid, buiten het samenwerkingsverband voor de pilot-LVV.
Hoe beoordeelt u het recente bericht «gemeente vraagt Vreemdelingenpolitie om terughoudendheid»3, waaruit blijkt dat wethouder Groot Wassink stelt dat ongedocumenteerden die straks een plek krijgen in de opvang, niet bang hoeven te zijn voor uitzetting en de gemeente afspraken hierover wil maken met de Vreemdelingenpolitie? Klopt het dat dit niet de bevoegdheid van de wethouder is en de Vreemdelingenpolitie over moet kunnen gaan tot uitzetting van uitgeprocedeerden, zeker wanneer zij overlast veroorzaken en de wet overtreden?
Ja. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heb ik het gezag over de vreemdelingenrechtelijke taken van de Politie. Daarbij geldt in beginsel dat wanneer de politie een vreemdeling aantreft zonder rechtmatig verblijf, deze vreemdeling wordt overgedragen aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM).
In de resultaatafspraken over de politiële migratietaken is wel ruimte geboden aan regionale prioriteiten, mits deze passen binnen het huidige vreemdelingrechtelijke kader. Het gaat hierbij om het leggen van lokale accenten. Indien op dit gebied strategische keuzes moeten worden gemaakt, onder andere ten aanzien van capaciteit, dan vindt hier overleg over plaats tussen politie, de Minister van Justitie en Veiligheid en het bevoegd gezag.
In meer algemene zin benadruk ik dat vreemdelingen die in een pilot-LVV zitten aan het Nederlandse straf- en bestuursrecht gehouden zijn. Wanneer deze personen de wet overtreden, is het normale handhavingskader van toepassing. De AVIM kan de toepassing van maatregelen bespreken in het lokale casusoverleg en de lokale stuurgroep waar zij lid van is. Ze zal daarbij de context betrekken van de betreffende vreemdeling en zijn of haar begeleidingstraject. Het uitgangspunt is dat er geen rechtsongelijkheid tussen onrechtmatig verblijvende vreemdelingen binnen en buiten Amsterdam mag ontstaan.
Welke mogelijkheden heeft u teneinde een gemeentebestuur aan de gemaakte afspraken uit het regeerakkoord te houden, namelijk dat men alleen in aanmerking komt voor opvang in een LVV als men na twee weken meewerkt aan het vertrek uit Nederland?
De gemaakte afspraken uit het regeerakkoord zijn per gemeente nader uitgewerkt in convenanten. Daarbij is leidend dat de lokale convenantspartners, te weten mijn ministerie, de betrokken gemeente, de DT&V, de IND en de AVIM, een gezamenlijke beslissing nemen over de toelating tot de pilot-LVV, het begeleidingsscenario en de uitstroom van een vreemdeling uit de pilot-LVV. Ik stuur de convenanten die met Amsterdam en de andere vier pilotgemeenten zijn gesloten in de bijlage toe4.
Hoe heeft u tot nu toe de stappen gemonitord die de gemeente Amsterdam heeft gezet om binnen de pilot tien locaties in de stad te openen en hoe ziet u toe op het verdere proces richting totstandkoming?
Het is niet aan mij, als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, om te treden in lokale besluitvorming over de locaties van de pilot-LVV’s. Het vinden van locaties is binnen het LVV-samenwerkingsverband een taak van de gemeenten. De samenwerkende partijen in Amsterdam hebben regulier overleg met elkaar via de lokale stuurgroep voor de pilot-LVV, waar ook over de locaties voor de pilot-LVV´s wordt gesproken.
Hoe moet in de toekomst door gemeenten aan u worden gerapporteerd over de werkwijze in de LVV-locaties, waaronder de vraag of per uitgeprocedeerde asielzoeker actief wordt meegewerkt aan zijn of haar vertrek en bent u bereid hierover ook periodiek de Kamer te informeren?
Zoals hierboven reeds geantwoord, zijn de lokale convenantspartners voortdurend met elkaar in gesprek, zowel op lokaal als landelijk niveau. Op lokaal niveau wordt door alle convenantspartners over individuele casuïstiek gesproken, inclusief de vraag of een vreemdeling voldoende meewerkt.
Ik zal uw Kamer na de zomer informeren over de stand van de zaken wat betreft de ontwikkeling van de pilot-LVV’s. De pilot-LVV’s worden, zoals eerder aan uw kamer gemeld, in opdracht van het WODC geëvalueerd door een onafhankelijk extern onderzoeksbureau. In de evaluatie zal onder worden andere gekeken naar het aantal teruggekeerde vreemdelingen en de vraag of actief wordt meegewerkt aan terugkeer. Over de uitkomsten van deze evaluatie informeer ik uw Kamer begin 2021.
Klopt het dat de gemeente Amsterdam binnen de gemaakte afspraken in eerste instantie zelf aan zet is voor de keuze van de locaties en daarbij rekening dient te houden met het draagvlak bij bewoners en mogelijke negatieve veiligheidsaspecten voor een bepaalde buurt? Zo ja, op basis van welke criteria en randvoorwaarden beoordeelt u of dit door gemeenten, en in dit geval Amsterdam, zorgvuldig wordt opgepakt? Doet u dit tussentijds of aan het einde van de pilot?
Bent u bekend met het feit dat een van de gekozen locaties in Amsterdam dichtbij een Joodse school ligt die al te maken heeft met beveiliging in verband met een verhoogd veiligheidsrisico en waarvan de gemeenschap nu grote zorgen heeft over de extra negatieve gevolgen voor de veiligheid?
Deelt u de mening dat voldoende draagvlak en veiligheid van omwonenden belangrijke randvoorwaarden zouden moeten zijn voor het slagen van de pilots en dat het zorgelijk is dat omwonenden in Amsterdam momenteel het gevoel hebben niet betrokken te zijn? Zo ja, welke mogelijkheid ziet u voor de diverse partners in de LVV-pilot het draagvlak en de veiligheid te verbeteren?
Welke formele mogelijkheden heeft u in het kader van de pilot en op welk moment in de twee jaar durende testfase, om aanwijzingen te geven, dan wel in te grijpen, of financiele middelen in te trekken, als een gemeentebestuur onvoldoende rekening houdt met het draagvlak en de veiligheid en/of onvoldoende meewerkt aan het uitgangspunt van de pilot namelijk vertrek uit Nederland? Bent u bereid tussentijds over de vorderingen in de gemeenten en eventueel ingrijpen vanuit het rijk te rapporteren aan de Kamer?