Arbeidsmigranten die een goudmijn zijn voor verhuurders |
|
Jasper van Dijk (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat vakantiehuisjes in Ewijk een goudmijn zijn voor verhuurders door er arbeidsmigranten in te huisvesten?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja, ik ken het bericht. Ik vind het onwenselijk als arbeidsmigranten puur en alleen als verdienmodel worden ingezet. Arbeidsmigranten zijn een belangrijk onderdeel van onze economie en maatschappij. Het is daarom belangrijk dat zij op een goede manier gehuisvest en behandeld worden.
Sommige ondernemers van vakantieparken kunnen het tempo van de veranderende consumentenvraag niet bijbenen. Wanneer de recreatiewoningen voldoen aan alle eisen voor het Bouwbesluit, zou een vakantiepark zonder recreatief perspectief, huisvesting aan arbeidsmigranten kunnen bieden. Naast de fysieke kwaliteit dient hiervoor uiteraard goed overleg te zijn met de gemeente en moeten de huisjes voor een fatsoenlijke prijs worden verhuurd.
Wat is uw bestuurlijke en morele oordeel over de constatering dat een exploitant «al snel duizend euro minder» per maand verdient aan recreanten dan aan arbeidsmigranten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel andere eigenaren van vakantiehuizen verhuren hun huisjes aan arbeidsmigranten naast het uitzendbureau OTTO Workforce, en in hoeveel van deze gevallen wonen meer arbeidsmigranten in een huisje dan is toegestaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn meerdere werkgevers en uitzendbureaus die hun werknemers (tijdelijk) huisvesten op een vakantiepark. Een groot deel doet dit in overleg met de gemeente, waardoor zij tijdelijk kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Er zijn in totaal 10.000 bedden van ondernemingen met een keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF) die zich op een recreatieterrein bevinden. Controles van SNF kijken niet naar de lokale regelgeving, dat is voor eigen rekening van de verhuurder.
Het aantal arbeidsmigranten dat in een woning mag wonen is afhankelijk van lokale regelgeving en de aanwezigheid van een SNF-keurmerk. Voor woningen met een SNF-keurmerk gelden diverse regels, waaronder een minimale oppervlakte eis per persoon van minimaal 10 m2. In een woning van 60 m2 zouden dus – als aan alle andere voorwaarden van het keurmerk is voldaan – 6 arbeidsmigranten mogen verblijven. Daarnaast kunnen gemeenten zelf eisen stellen aan het aantal mensen dat in een object mag verblijven. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de handhaving.
In hoeverre vindt u dat er sprake is van uitbuiting van arbeidsmigranten in Ewijk en omgeving, zowel qua werk- als woonomstandigheden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan op basis van de berichtgeving niet beoordelen of er sprake is van uitbuiting of oordelen over de specifieke woonomstandigheden, mede omdat de expertise om te beoordelen of hier sprake van is bij andere organisaties is belegd.
De huisvesting van werknemers uit het buitenland wordt – net zoals andere huisvesting – door de gemeente gecontroleerd via het bouw- en woningtoezicht. De huisvesting dient daarbij te voldoen aan geldende wet- en regelgeving, zoals het Bouwbesluit, het bestemmingsplan en eventuele aanvullende eisen van de brandweer of die de gemeente stelt voor het verlenen van een vergunning in het kader van de huisvestingsverordening.
Zoals in de eerdere beantwoording is aangegeven zet het Rijk in op de aanpak van uitbuiting. Wanneer er een vermoeden is van arbeidsuitbuiting of ernstige benadeling van werknemers, kunnen betrokken partijen een melding doen bij de Inspectie SZW.
Waar gaan zowel de permanente bewoners als de arbeidsmigranten wonen als de gemeente Beuningen overgaat tot ontruiming dan wel op een andere manier een einde maakt aan de bewoning? Op welke manieren wordt daarbij rekening gehouden met de betaalbaarheid van huisvesting aan de enerzijds en de leefbaarheid van een buurt of verdringing van wachtenden op een wachtlijst anderzijds?
De uiteindelijke aanpak voor vakantieparken blijft een lokale afweging en keuze. Daar is immers ook het beste zicht op de situatie. Ik verwacht dat partijen daar een weloverwogen keuze maken en zoeken naar integrale maatwerkoplossingen, per park en per bewoner. Daarbij verwacht ik dat overheden hun verantwoordelijkheid nemen door bijvoorbeeld bij sluiting van een vakantiepark kwetsbare mensen te ondersteunen bij het vinden van alternatieve (semi-) structurele huisvesting.
Kunnen u en de gemeente Beuningen garanderen dat er geen mensen dakloos raken, in de schulden raken of nog meer afhankelijk worden van hun werkgever?2
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat er voldoende zicht is op het al dan niet uitbuiten van arbeidsmigranten, aangezien u in eerdere Kamervragen geen antwoord kon geven op de vraag of er sprake was van uitbuiting op Voorne-Putten of in Loon op Zand?3 4
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre wisselen de Inspectie SZW en de gemeenten ervaringen en tips uit en is hierbij sprake van structurele of periodieke contacten? In hoeverre wordt het toezicht bemoeilijkt omdat de arbeidsinspectie landelijk toezicht houdt, maar de huisvesting lokaal wordt gecontroleerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Inspectie SZW en gemeenten wisselen op verschillende manieren informatie uit.
Allereerst wordt door de Inspectie SZW en gemeenten samengewerkt in interventieteams in de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI-verband). Deze interventieteams werken projectmatig. Soms concentreert een interventieteam zich op een specifieke branche zoals uitzendbureaus of schoonmaakorganisaties, maar er wordt ook samengewerkt in specifieke gebieden zoals bijvoorbeeld een wijk of een recreatiepark. De samenwerking in interventieteamverband heeft onder andere als doel uitkeringsfraude, fraude met belastingen en toeslagen en overtredingen van arbeidswetgeving en daarmee samenhangende misstanden, aan te pakken en te voorkomen.
Naast LSI-verband wordt er door de Inspectie SZW en gemeenten ook samengewerkt in de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC). In de RIECs wordt informatie over criminaliteit uitgewisseld tussen de Inspectie SZW, gemeenten en een aantal andere partners zoals de Belastingdienst, de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het Openbaar Ministerie.
De Inspectie SZW en de gemeenten houden ieder vanuit hun eigen rol toezicht.
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het woonbeleid. De gemeenten houden toezicht op de huisvesting in hun gemeenten, waaronder de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit doen zij via het bouw- en woningtoezicht.
De Inspectie SZW werkt landelijk en houdt risicogericht toezicht op de naleving van de arbeidswetgeving zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet. De Inspectie SZW controleert onder andere op de rechtmatigheid van de inhoudingen op het Wet minimumloon, waaronder inhouding voor huisvesting.
Er mag voor huisvesting maximaal 25% worden ingehouden. Een van de voorwaarden voor inhoudingen voor huisvesting is dat de huisvesting moet voldoen aan de kwaliteitseisen die zijn overeengekomen in de cao tussen sociale partners. Daarnaast dienen deze kwaliteitseisen te zijn gecontroleerd door een geaccrediteerde instelling, zoals de Stichting Normering Flexwonen (SNF).
Indien de Inspectie SZW signalen ontvangt dat sprake is van misstanden in een gemeente, bijvoorbeeld ten aanzien van slechte huisvesting, worden deze signalen gedeeld met de betreffende gemeente. Daarnaast delen gemeenten eveneens signalen met de Inspectie SZW.
Wat is de stand van zaken van het aanvullende wettelijke instrumentarium om huisjesmelkerij in verschillende vormen, dus ook op vakantieparken en bij arbeidsmigranten, te voorkomen, aan te pakken en te beboeten? Waarom duurt het zo lang voor er maatregelen worden genomen?5
Zoals ik mijn brief «Aanpak goed verhuurdershap» van 9 november jl. heb toegezegd, verken ik met de betrokken partijen hoe op een gerichte wijze met aanvullende wettelijke maatregelen tegen de malafide verhuurder kan worden opgetreden met inbegrip van de nodige sanctionering.
In dat licht heb ik begin dit jaar met 5 grote gemeenten afspraken gemaakt over het opzetten van een pilot «Aanpak goed verhuurderschap», die in elke gemeente op een ander aspect van de aanpak focust. Voor de uitvoering van deze vijf pilots heb ik bovendien voor iedere gemeente € 500.000 beschikbaar gesteld.
De opgedane kennis en ervaringen zullen de gemeenten met mij en de G40 delen, waaronder ook de studentensteden. Op basis daarvan zullen de mogelijke juridische risico’s in beeld komen en bekeken zal worden of en hoe die kunnen worden weggenomen. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang.
Bent u bereid om onderzoek te doen naar de omvang en de aard van misstanden bij huisvesting en werkomstandigheden van arbeidsmigranten in ons land en hoe het toezicht hierop kan verbeteren? Zo nee, waarom niet, aangezien de Inspectie SZW zelf stelt dat arbeidsmigranten kwetsbaarder zijn voor uitbuiting, gedwongen huisvesting als verdienmodel fungeert en verschillende gemeenten tegen onwenselijke huisvestingssituaties aanlopen?6 7
Voor de zomer kom ik, samen met mijn collega’s van SZW en EZK, met een Kamerbrief waarin maatregelen staan aangekondigd om misstanden beter aan te pakken. Het meer en beter signaleren en het voorkomen van misstanden bij werk en woonomstandigheden maakt onderdeel uit van de aanpak. Een onderzoek acht ik in dit kader niet nodig. In de brief neem ik ook mijn toezegging mee zoals gedaan in het debat over discriminatie op de woningmarkt van 26 maart j.l. om in een brief in te gaan op de afhankelijkheidsrelatie tussen de arbeidsmigrant en de werkgever die tevens huisbaas is.
Bent u bereid de vragen afzonderlijk te beantwoorden en niet te clusteren?
Daar waar de vragen vragen om verschillende antwoorden zal ik deze afzonderlijk beantwoorden. Om overlap te voorkomen heb ik echter ook enkele antwoorden samengevoegd.
De uitzending van BOOS over het feit dat mbo-studenten zakken op keuzedelen |
|
Peter Kwint |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Kent u de de uitzending van BOOS over het feit dat mbo-studenten zakken op keuzedelen? Wat is uw reactie op deze uitzending?1
Ik ken de uitzending. De uitzending benadrukt wat mij betreft het belang van goede voorlichting aan en communicatie met mbo-studenten in het algemeen, en specifiek over het moment waarop de behaalde resultaten voor keuzedelen gaan meetellen voor het behalen van een mbo-diploma. Ik ben blij dat, mede door de interventie van BOOS, er een passende oplossing is gevonden voor de betreffende studenten.
Heeft u signalen ontvangen van andere mbo-instellingen of mbo-studenten over deze problematiek?
Nee, signalen over deze problematiek heb ik niet eerder ontvangen.
Is het waar dat je niet kan zakken op het cijfer, maar dat de mogelijkheid bestaat om geen cijfer te geven voor een keuzedeel waardoor de student alsnog zakt?
De introductie van keuzedelen heeft aanzienlijke impact op het mbo. Daarom is ervoor gekozen om de mbo-sector de ruimte te geven om ervaring op te doen met de keuzedelen, voordat het behaalde resultaat mee gaat tellen voor het behalen van het diploma. Om die reden geldt voor studenten die nu starten aan hun opleiding wel de verplichting om keuzedelen te volgen en hierin examen af te leggen, maar is de hoogte van het behaalde resultaat nog niet bepalend voor het behalen van het diploma. Voor studenten die starten met een mbo-opleiding vanaf het studiejaar 2020/2021 gaat de hoogte van de behaalde resultaten voor keuzedelen meetellen voor het behalen van het diploma.
Hoe het examen voor een keuzedeel eruitziet, bepaalt de mbo-school zelf. Dit kan een schriftelijk of mondeling examen zijn, maar ook via een portfolio met opdrachten, of een combinatie hiervan. Van tevoren moet de mbo-school aan de student duidelijk maken wat de student moet doen voor het examen. Als de student aan de betreffende voorwaarden voldoet, dan krijgt hij hiervoor een resultaat. Zoals hiervoor gezegd, is het alleen aanwezig zijn van dit resultaat op dit moment nog voldoende voor het behalen van het diploma.
Hoe gaat u voorkomen dat studenten in de toekomst kunnen zakken op keuzedelen zolang ze niet meetellen voor de slaag/zakregeling?
Zoals in het antwoord op vraag 3 weergegeven geldt voor studenten die nu een mbo-opleiding volgen dat ze niet het diploma kan worden ontzegd ten gevolge van de hoogte van het behaalde resultaat van de keuzedelen. Ik heb ook geen signalen dat dit ergens is gebeurd.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de regels met betrekking tot keuzedelen duidelijk naar studenten gecommuniceerd worden?
Vanaf de inwerkingtreding van de keuzedelen is ingezet op duidelijke communicatie hierover. Onder meer in mijn opdracht door de toenmalige regisseur herziening kwalificatiestructuur samen met het mbo veld, alsook via landelijk beschikbare websites zoals het Kennispunt MBO Onderwijs en Examinering (www.onderwijsenexaminering.nl) en van de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (www.jobmbo.nl). Het is een verantwoordelijkheid van mbo-instellingen zelf om hun studenten te informeren over voor hun relevante onderwerpen zoals de regels met betrekking tot examinering van keuzedelen.
Afschaffing van het 500 euro biljet |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Exit 500 eurobiljet»?1
Ja.
Bent u het eens met het pleidooi van een teamleider van de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU; in het artikel aangeduid als de witwaspolitie) om het 500 eurobiljet af te schaffen?
Grote sommen contant geld spelen een belangrijke rol bij criminele geldstromen en hoge coupures kunnen hieraan bijdragen. Zoals ook aangekondigd in het plan van aanpak witwassen dat vandaag naar de Tweede Kamer is verzonden, gaan Minister Grapperhaus en ik ons inzetten voor het afschaffen van het 500 eurobiljet. Afschaffing zorgt ervoor dat het witwassen van crimineel vermogen via hoge coupures moeilijker wordt gemaakt. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft de productie en uitgifte van het 500 eurobiljet in 2019 stopgezet. Dit biljet is echter nog wel in roulatie en de ECB heeft aangekondigd dat dit ook de komende tijd zo zal blijven. In Europese wetgeving is dwingend vastgelegd wat wettig betaalmiddelen zijn. Dit geldt ook voor het 500 eurobiljet. Individuele lidstaten kunnen hier niet van afwijken. Daarom zullen we via de Nederlandsche Bank (DNB) bij de ECB pleiten voor een einddatum waarop het 500 eurobiljet permanent uit de omloop wordt gehaald. Daarnaast zullen we in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) aankaarten hoe de acceptatie van het 500 eurobiljet in Nederland, zolang dit nog in omloop is, kan worden beperkt.
Deelt u de mening dat een biljet waar nauwelijks mee wordt betaald maar wel volop in het criminele circuit circuleert weg moet als wettig betaalmiddel? Deelt u de mening dat het 500 eurobiljet de internationale drugsvaluta is geworden en niet voor niks «bin ladens» worden genoemd in het criminele circuit?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat ongeveer 30 procent van de waarde van de euro’s in contanten wordt vertegenwoordigd door 500 eurobiljetten, terwijl vrijwel niemand er ooit mee betaalt? Is het ook waar dat de helft van de biljetten in Zuid-Amerika wordt gebruikt en dat dat duidt op grootscheeps misbruik? Ze hebben daar de euro toch niet ingevoerd?
Volgens de ECB waren er eind april 2019 22,5 miljard eurobankbiljetten in omloop, met een totale waarde van € 1.229 miljard. Hiervan bestond 20,6% uit 500 eurobiljetten, wat neerkomt op een waarde van € 253,4 miljard.2 Uit een enquête van de ECB over het gebruik van contant geld blijkt dat consumenten in de EU contant geld in verschillende coupures vooral gebruiken voor hun dagelijkse bestedingen, om mee te sparen of om opzij te zetten als voorzorgsmaatregel.3
Hoeveel 500 eurobiljetten er precies in Zuid-Amerika circuleren is niet bekend. De ECB schat in dat, uitgedrukt in waarde, ongeveer 30% van de in omloop zijnde eurobankbiljetten buiten het eurogebied circuleert. Het betreft vooral de hogere coupures en deze worden met name in aangrenzende EU-landen aangehouden. De biljetten worden doorgaans gebruikt als spaarinstrument en voor de afwikkeling van transacties op internationale markten.4 Uit onderzoek blijkt dat het 500 eurobiljet ook gebruikt wordt voor niet-legitieme redenen zoals smokkel. Dit blijkt onder meer uit een wetenschappelijke publicatie uit 2016 getiteld «Cash and carry: the high cost of currency smuggling in the drug trade».5
Wanneer verwacht de Europese Centrale Bank (ECB) dat de 500 eurobiljetten uit omloop zijn? Bent u bereid een einddatum voor het 500 eurobiljet met de ECB af te spreken, bijvoorbeeld 2021, waarna de biljetten alleen nog bij de centrale banken omgewisseld kunnen worden?
De ECB heeft in 2016 besloten de productie en uitgifte van het 500 eurobiljet permanent te beëindigen. In 2019 is de uitgifte van het 500 eurobiljet daadwerkelijk stopgezet. In navolging van de uitgiftestop van de centrale banken in het Eurosysteem zijn de Nederlandse banken gestopt met het recirculeren van deze coupure. Dat betekent dat de coupure bij een Nederlandse bank nog kan worden gestort, maar niet meer kan worden opgenomen. Hierdoor zullen de 500 eurobiljetten geleidelijk uit de omloop gaan; sinds 2016 is een daling in de omloop van deze coupures te zien.6 Zolang het biljet nog in omloop is, kan het worden ingewisseld bij banken. Hier is op dit moment nog geen einddatum aan verbonden. Zoals beschreven in het antwoord op de vragen 2, 3, 6 en 9 en in het plan van aanpak witwassen zal ik daarom, met mijn ambtsgenoot van Justitie en Veiligheid, via DNB bij de ECB pleiten voor een einddatum waarop het 500 eurobiljet permanent uit de omloop wordt gehaald. Daarnaast zullen we in het MOB aankaarten hoe de acceptatie van het 500 eurobiljet in Nederland, zolang dit nog in omloop is, kan worden beperkt.
Ziet ook u het voordeel dat door het 500 eurobiljet af te schaffen drugscriminelen het leven in de toekomst zuurder wordt gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, vergelijkbaar met wat oud-minister Lieftinck in 1945 deed in het kader van de naoorlogse geldzuivering, ervoor te pleiten dat het 500 eurobiljet ongeldig wordt verklaard? Ziet u ook het voordeel dat boeven die op stapels geld zitten zo hun zwarte geld nergens kwijt kunnen en hen dus recht in het hart raakt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke partijen, naast criminelen, zijn er in Europa eigenlijk nog voorstander van om de 500 eurobiljetten in stand te houden? Het is toch zo dat de Amerikanen om dezelfde reden, bestrijding van criminaliteit, de grotere coupures al veel eerder hebben afgeschaft en dat ook andere landen niet geen bankbiljetten met een zo grote waarde hebben?
Er zijn EU-landen, bijvoorbeeld Duitsland en Oostenrijk, waar het niet ongewoon is om het 500 eurobiljet te gebruiken in het legale circuit. Bijvoorbeeld voor het aanschaffen van dure producten of om te sparen zonder afhankelijk te zijn van het bankwezen en girale geldstromen. In dergelijke landen hebben partijen in onder andere de detail- en groothandel, als ook consumenten die het 500 eurobiljet gebruiken, nog belang bij de circulatie ervan. Sinds 26 april 2019 zijn ook Duitsland en Oostenrijk gestopt met de uitgifte van het 500 eurobiljet. In Amerika geldt hetzelfde beleid als in de EU ten aanzien van hoge coupures; zij worden niet langer geproduceerd, maar gelden nog steeds als wettig betaalmiddel. Een ander land waar grote coupures nog gehanteerd worden is Zwitserland. Daar bestaat het CHF 1000-biljet (omgerekend bij de huidige koers ongeveer 900 euro7) dat nog steeds opgenomen kan worden en als betaalmiddel geldt.
Bent u, nu u aan het criminele gebruik van 500 eurobiljetten zelf iets kunt doen, anders dan aan de witwasproblemen bij ING die moeten worden opgelost, bereid de oproep van de witwaspolitie te volgen en zo criminelen het leven moeilijker te maken?
Zie antwoord vraag 2.
De VPRO-serie ‘Uitgewoond’ |
|
Simon Geleijnse (50PLUS) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de VPRO-serie «Uitgewoond» over ouderen van verzorgingshuis De Drie Hoven in Slotervaart, die moeten verhuizen omdat het verzorgingshuis niet is te transformeren tot een modern verpleeghuis?1 2
Ja.
Wat is uw mening over de wijze waarop gedwongen (tijdelijke) verhuizing plaatsvindt van groepen ouderen die woonachtig zijn in een verpleeg- of verzorgingshuis?
Navraag leert dat in het geval van De Drie Hoven het gebouw in een dusdanige staat verkeert dat het niet langer verantwoord is om er verpleeghuiszorg te leveren. Er is met alle bewoners die het betreft gesproken en bezien hoe hun wensen met betrekking tot de noodzakelijke verhuizing te realiseren zijn. De IGJ heeft zich op de hoogte gesteld van de wijze waarop De Drie Hoven de verhuizing heeft vormgegeven. Ook het zorgkantoor is in gesprek met De Drie Hoven over de verhuizing. De constatering was dat De Drie Hoven de juiste stappen heeft gezet. Dit neemt evenwel niet weg dat verhuizen voor bewoners een zeer ingrijpende gebeurtenis kan zijn, die daarom zeer zorgvuldig uitgevoerd moet worden.
Roept de uitzending bij u het beeld op van gewenste liefdevolle bejegening, compassie voor betrokken ouderen en zorgvuldige begeleiding en uitvoering van het gehele verhuisproces? Vindt u dat sprake is van correcte, veilige en persoonsgerichte zorg? Kunt u uw antwoorden motiveren?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre ziet u op dit alles toe en heeft u hier in het concrete geval van verhuizing vanuit De Drie Hoven of andere verzorgingshuizen op toegezien?
De IGJ houdt toezicht op de zorgsector, waaronder de verpleeghuizen. Dat doet de IGJ risicogestuurd en themagewijs. Daarnaast bezoekt de inspectie in een periode van vier jaar alle verpleeghuisorganisaties. Bij De Drie Hoven heeft de IGJ zich op de hoogte gesteld van de wijze waarop de verhuizing is vormgegeven en geen reden gezien om daarop in te grijpen.
Zijn er regels en richtlijnen voor het (al of niet tijdelijk) verplicht verhuizen van groepen ouderen, voor wat betreft vereiste minimale informatievoorziening rond de verhuizing, veiligheid van het bestaande wooncomplex, tijdpad en duur van het verhuizingstraject, het betrekken hierbij van familie, verzorgenden en mantelzorgers, de werkwijze van verlaten huidige woonvoorziening, en de wijze van aankomst en gewenning in de nieuwe woonvoorziening? Kunt u uw antwoord toelichten?
De norm voor goede zorg is persoonsgerichte zorg. Dat wil zeggen dat voor alle bewoners van verpleeghuizen er gemotiveerde, deskundige en voldoende zorgverleners zijn om zich in hen te verdiepen en hen de zorg te bieden die bij hen past. Voor bewoners van verpleeghuizen kan een verhuizing bijzonder ingrijpend zijn en daarom dient die zeer zorgvuldig uitgevoerd te worden. Een goede zorgaanbieder dient zich maximaal in te spannen om de verschillende wensen van de bewoners te accommoderen zodat de overlast tot het minimale beperkt wordt. Immers, een verhuizing voor een bewoner met een somatische achtergrond is heel anders dan voor iemand met dementie. Ook hier is de norm persoonsgerichte zorg. Ik heb geen aanwijzingen dat de vereisten uit het kwaliteitskader onvoldoende handvatten bieden voor situaties rondom een verhuizing.
Bent u bereid – als deze richtlijnen en regels voor verhuizing niet bestaan – in overleg met de sector globale minimale vereisten te formuleren voor (al of niet tijdelijke) verhuizing van groepen bewoners van verzorgings- en verpleeghuizen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid na te gaan hoe voormalige bewoners van verzorgingshuizen de verhuizing naar een andere woonvoorziening ervaren en doorstaan hebben? Zo nee, waarom niet?3
Ik heb navraag gedaan bij de Academische Werkplaats ouderenzorg Zuid-Limburg. Deze geeft aan dat er enig onderzoek naar dit onderwerp is gedaan. In het algemeen blijkt dat een verhuizing naar een andere locatie stressvol is voor bewoners, met name wanneer familie en bewoners weinig controle ervaren over de situatie en wanneer bewoners onvrijwillig in een ander geografisch gebied worden geplaatst, verwijderd van het sociale netwerk. Ook blijkt dat er geen aantoonbare negatieve effecten zijn op langere termijn na een verhuizing naar een fysieke locatie die beter aangepast is aan de wensen en behoeften van bewoners. Er zijn aanwijzingen dat het welbevinden van bewoners (rekening houdend met de aanpassingstijd) kan verbeteren wanneer de nieuwe zorgomgeving meer aangepast is aan de wensen en behoeften van bewoners. Tegelijk geldt dat het onderzoek hier nog onvolledig is. Om de kennisbasis hieromtrent te vergroten ben ik bereid om naar dit onderwerp nader onderzoek te laten doen. Met een uitbreiding van de kennis kunnen zorgaanbieders beter inspelen op wat ouderen willen en nodig hebben indien een verhuizing nodig is.
Is het aantal (nieuwe) psychosomatische aandoeningen en sterfgevallen (per jaar) in Nederland aan te geven in de periode van bekendmaking van verplichte verhuizing, tot zes maanden na het plaatsvinden van de feitelijke de verhuizing?
Er is mij geen systematische registratie bekend van het aantal (nieuwe) psychosomatische aandoeningen en sterfgevallen (per jaar) in Nederland in de periode van bekendmaking van verplichte verhuizing, tot zes maanden na het plaatsvinden van de feitelijke de verhuizing. Dit aantal is derhalve niet aan te geven.
Kunt u zo volledig mogelijk inzicht geven in leeftijd en technische staat van bestaande verzorgings- en verpleeghuizen in Nederland, en in hoeverre sluiting of renovatie met gedwongen (tijdelijk) vertrek verwacht wordt, ofwel gepland is? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het debat over de verpleeghuizen van 20 februari 2019 heb ik toegezegd om hiernaar onderzoek te zullen doen en de Tweede Kamer voor het eind van het jaar hierover te berichten.
Wat is uw mening over de stelling «als een verhuizing noodzakelijk is, moet er gepoogd worden om zoveel mogelijk een hele groep of afdeling volledig te verhuizen naar eenzelfde andere locatie»?
In mijn antwoord op vraag 5 en 6 heb ik aangegeven dat persoonsgerichte zorg de norm is. Een zorgaanbieder dient zich maximaal in te spannen om de wensen van de bewoners te accommoderen zodat de overlast tot het minimale beperkt wordt. Hiertoe behoort ook de afweging rondom het verhuizen van een gehele groep of afdeling naar een andere locatie.
Kunt u de verwachte vraag naar verzorgings- en verpleegplaatsen in de ouderenzorg schetsen tot en met 2040? In hoeverre sluiten aanbod en ontwikkelplannen van residentiële zorgvoorzieningen hierbij aan? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 heb ik tijdens debat over de verpleeghuizen van 20 februari 2019 toegezegd om hiernaar onderzoek te zullen doen en de Tweede Kamer voor het eind van het jaar hierover te berichten.
Het mislukken van de bijeenkomst van de Arctische Raad |
|
Sven Koopmans (VVD), André Bosman (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichtgeving over het mislukken van de bijeenkomst van de Arctische Raad in het Finse Rovaniemi?1
Ja, ik heb vernomen dat het niet is gelukt een Ministerial Declaration aan te nemen.
Klopt het dat het de eerste keer sinds diens oprichting is dat de Raad niet in staat is om een gezamenlijke verklaring te produceren? Deelt u de zorgen hieromtrent, temeer gezien het toenemende belang van goede samenwerking en stabiliteit rondom de arctische regio?
Ja, het was de eerste keer sinds de oprichting van de Arctische Raad in 1996 dat na een ministeriële bijeenkomst van de Arctische Raad, die eens in de twee jaar plaatsvindt, geen Ministerial Declaration is ondertekend. In plaats hiervan hebben de acht ministers van Buitenlandse Zaken van de Arctische landen een Joint Ministerial Statement getekend, en heeft de Finse Minister van Buitenlandse zaken een Chair’s statement uitgebracht.
Het kabinet hecht sterk aan samenwerking en stabiliteit in en rondom de Arctische regio. Het kabinet zal zijn waarnemerschap in de Arctische Raad blijven benutten om goede onderlinge samenwerking tussen de leden te bepleiten, als ook goede samenwerking van (de leden van) de Arctische Raad met de waarnemers, inclusief Nederland, en andere belanghebbenden.
Wie was of waren namens Nederland aanwezig bij de bijeenkomst van de Arctische Raad?
Bij de afgelopen Arctische Raad van 7 mei jl. werd Nederland vertegenwoordigd door de Nederlandse Arctisch Ambassadeur en de senior beleidsmedewerker Polaire Zaken, beiden werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hoe beoordeelt u de volgende passage uit de in Rovaniemi gehouden toespraak van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken: «[T]he region has become an arena for power and for competition. And the eight Arctic states must adapt to this new future. In its first two decades, the Arctic Council has had the luxury of focusing almost exclusively on scientific collaboration, on cultural matters, on environmental research – all important themes, very important, and we should continue to do those. But no longer do we have that luxury of the next hundred years. We’re entering a new age of strategic engagement in the Arctic, complete with new threats to the Arctic and its real estate, and to all of our interests in that region»?2 Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet?
De beantwoording van deze vraag zal worden meegenomen in de Kamerbrief met de actualisering van de Nederlandse Polaire Strategie 2016–2020 (Kamerstuk 34 300 V, nr. 58) op het gebied van veiligheid in de Arctische regio. Tijdens het notaoverleg Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie op 15 mei 2018 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd om u hierover in 2019 te informeren. Deze brief zult u komende zomer ontvangen.
Hoe beoordeelt u daarnaast de felle kritiek die de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken in zijn toespraak uitte in de richting van de Chinese rol in de arctische regio, bijvoorbeeld over diens toegenomen militaire aanwezigheid en agressie in de regio? Hoe beoordeelt u daarnaast zijn zorgen over de mogelijk door China aan te richten ecologische vernieling?3
Zie antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u tot slot de in de toespraak geuite zorgen van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken over de Russische claim over de internationale wateren van de Noordelijke Zeeroute, inclusief de Russische ambitie om deze te verbinden met de Chinese maritieme zijderoute? Deelt u zijn analyse dat de Russische wens dat andere landen toestemming moeten vragen aan de Russische autoriteiten om de route te mogen gebruiken illegaal is? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord op vraag 4.
Kunt u zich herinneren dat u op eerdere Kamervragen over de Russische ambities omtrent de Noordelijke Zeeroute het volgende antwoordde: «De precieze inhoud en reikwijdte van de (mogelijk voorgenomen) maatregel is niet bekend. Om die reden is het ook niet mogelijk om aan te geven hoe een dergelijk voorstel zich tot het internationaal recht van de zee zou verhouden»?5 Zijn de precieze inhoud en reikwijdte van de voorgenomen maatregel inmiddels wel bekend? Zo ja, hoe ver strekken deze? Wat is uw beoordeling hiervan?
Nee, de precieze inhoud en reikwijdte van de voorgenomen maatregel is nog niet bekend. Voor het overige zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat de Amerikaanse delegatie moeite had met de nadruk die de diverse aanwezigen wilden leggen op klimaatverandering in plaats van op onveiligheid? Deelt u de mening dat het van groot belang is om beide uitdagingen te adresseren en de Nederlandse inbreng in de Raad dient te bestaan uit aandacht voor ontwikkelingen op militair, economisch en ecologisch terrein?
In zijn toespraak, de dag voor de Arctische Raad, wees de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Pompeo op het belang om naast wetenschappelijke samenwerking, cultuur en milieu ook aandacht te hebben voor veiligheid in de Arctische context. Voor het overige verwijs ik naar antwoord 4.
Bent u bekend met het artikel «The Arctic Shipping Route No One’s Talking About»?6 Zo ja, deelt u de analyse dat vooral China zich op dit moment voorbereidt op het – als gevolg van het smelten van de noordelijke poolkap – vrijkomen van de Transpolaire Zeeroute en andere landen zich onvoldoende voorbereiden op deze realiteit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u bereid in internationaal verband het vrijkomen van de Transpolaire Zeeroute aan de orde te stellen, in het bijzonder de geopolitieke gevolgen ervan, en de mogelijk in EU- en NAVO-verband te nemen maatregelen te betrekken bij de nieuwe Arctische strategie?
Ja.
Ongerustheid over een grote militaire oefenzone |
|
Cem Laçin , Suzanne Kröger (GL), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ongerust over grote militaire oefenzone. Wat zijn de gevolgen voor Friesland»?1
Ja, wij zijn bekend met het artikel. De gevolgen van een militair oefengebied voor Friesland hangen af van de afmetingen en invulling van dat gebied. Zoals u bent geïnformeerd in de Startbeslissing Luchtruimherziening van 18 april jl. (Kamerstuk 31 936, nr. 590), is de verdere invulling van dit gebied onderdeel van de nu gestarte verkenningsfase van het programma luchtruimherziening. Die fase mondt uit in de door het Kabinet te nemen Voorkeursbeslissing in 2020.
Wat is de precieze rolverdeling tussen de provinciale geluidshindercommissie en de betrokken ministeries inzake de Startbeslissing voor het programma Luchtruimherziening, waarin a) het uitgangspunt is losgelaten dat er geen interferentie met Schiphol-verkeer mag zijn, b) staat dat er standaard gebruik gemaakt mag worden van luchtruim dat primair is ingericht voor de afhandeling van militair verkeer en c) waar het inpassen van een militair oefengebied in het noorden van Nederland deel van uitmaakt?
De Commissie Overleg & Voorlichting Milieu (COVM) is een adviescommissie van de Minister van Defensie. De commissie is ingesteld op grond van de Wet luchtvaart en heeft twee belangrijke taken: overleg en voorlichting over milieu (doorgaans geluid) rondom de militaire luchthavens. De COVM Leeuwarden is in het programma Luchtruimherziening een overlegtafel met maatschappelijke stakeholders die worden betrokken in het participatieproces. Concreet betekent dit dat:
Wat is de precieze verdeling in beslissingsbevoegdheid tussen de provinciale geluidshindercommissie en de betrokken ministeries in deze verandering?
De beslissingsbevoegdheid over het programma Luchtruimherziening ligt bij de rijksoverheid, bij de verantwoordelijke bewindspersonen van het Ministerie van IenW en het Ministerie van Defensie. De COVM Leeuwarden wordt betrokken in het maatschappelijke participatieproces van het programma. In de huidige fase van het programma, de Verkenningsfase, hebben maatschappelijke stakeholders een adviserende rol. Dit is nader gespecificeerd in Hoofdstuk 6 – Participatie van de Startbeslissing Luchtruimherziening (Kamerstuk 31 936, nr. 595). Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens de geest van de aangenomen motie-Van Raan c.s. over hinder als criterium breder te definiëren dan alleen geluidshinder, reeds toe te passen bij de besluitvorming inzake deze verandering die tijdens de totstandkoming van de luchtvaartnota wordt gemaakt?2 Zo nee, zijn er zaken die u iets in de weg staan om gebruik te maken van hetgeen in deze motie staat vermeld? Indien u wel gebruik mag maken van hetgeen in deze motie staat vermeld, waarom doet u dat dan niet?
Als onderdeel van de onderzoeksfase van de luchtruimherziening is een aantal perspectieven voor het toekomstig luchtruim ontwikkeld, waaronder een perspectief dat zich richt op het minimaliseren van geluid en een perspectief gericht op het minimaliseren van de uitstoot van CO2 en (ultra)fijnstof. Deze perspectieven worden betrokken bij het opstellen van varianten ten behoeve van de Voorkeursbeslissing in 2020. Het kunnen invullen van de grondwettelijke taken door Defensie blijft daarbij leidend. Voor de Luchtruimherziening wordt een Plan-MER procedure doorlopen. Dat proces start met het opstellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Daarin wordt ook het beoordelingskader voor de luchtruimherziening bepaald, waaronder ook geluid en emissies. Over de NRD zal een participatieproces worden opgezet en er zal ruimte worden geboden voor het indienen van zienswijzen.
Het pleidooi in de motie voor een breder hinderbegrip wordt betrokken bij het opstellen van de nieuwe Luchtvaartnota waarin het civiele luchtvaartbeleid wordt vastgelegd. Tot die tijd geldt het vigerende beleid.
Wie zijn precies de betrokken vergunningverleners alvorens het militaire oefengebied zoals beschreven in het artikel wordt gerealiseerd? Kunt u per noodzakelijke vergunning aangeven welke vergunning het betreft en wie de vergunningverlener is?
De militaire luchtverkeersdienstverlening is gecertificeerd door de Militaire Luchtvaartautoriteit (MLA). Een aanpassing van oefengebieden en bijbehorende procedures is een wijziging die binnen de voorwaarden van deze certificering mogelijk is. De belangrijkste voorwaarde voor een dergelijke wijziging is het opstellen van een door de Militaire Luchtvaartautoriteit goed te keuren veiligheidsstudie. Daarnaast doorlopen luchtruimwijzigingen een formeel vaststellingsproces waar consultatie van belanghebbenden onderdeel van uitmaakt. Het traject voor participatie en consultatie wordt binnen het programma Luchtruimherziening vormgegeven (zie ook het antwoord op vraag3.
Is hier sprake van uitbreiding van het bestaande militaire oefengebied en/of intensivering daarvan?3 Kunt u in alle gevallen waarin sprake is van een intensivering de aantallen weergeven uitgezet tegen de tijd? Kunt u in alle gevallen waarin sprake is van een uitbreiding van het bestaande militaire oefengebied op de kaart aangeven wat de eerste gedachten zijn, inclusief de aantallen uitgezet tegen de tijd?
Vanwege onder andere de komst van de F-35 heeft Defensie behoefte aan nieuwe oefenmogelijkheden. Hierbij gaat het in veel gevallen om een toegenomen afstand tussen de aan de oefening deelnemende luchtvaartuigen, waardoor er behoefte is aan een groter aaneengesloten oefengebied dan nu beschikbaar is. Het betreft in mindere mate oefeningen met meer luchtvaartuigen op hetzelfde moment, hetgeen intensiever luchtruimgebruik zou betekenen. De intensiteit waarmee wordt gevlogen is daarbij sterk afhankelijk van keuzes op het gebied van operationele gereedstelling en de bijbehorende vlieguren. Het is te vroeg in het nog te doorlopen ontwerpproces om al duidelijkheid te geven over de positionering van het oefengebied en de gevolgen hiervan voor het luchtruimgebruik.
In het geval van uitbreiding en/of intensivering, hoe verhoudt zich dat tot het beschermingsregime van de Waddenzee?4
Het is te vroeg in het ontwerpproces om al duidelijkheid te geven over de positionering van het oefengebied en, als gevolg daarvan, in welke mate het militair oefengebied in het noorden boven zee zal liggen. Het vigerende beleid ten aanzien van de vlieghoogte boven de Waddenzee (minimaal 1.500 voet) wordt integraal betrokken in het ontwerpproces van het oefengebied.
Aan welke inspraakkaders (waaronder, maar niet beperkt tot de indiening van zienswijzen) is de verandering onderhevig? Kunt u hiervan een volledig overzicht geven?
In hoofdstuk 6 van de Startbeslissing hebben wij uiteengezet welke stakeholders worden betrokken en op welke wijze dat zal gebeuren. Daarmee is in de voorbije onderzoeksfase van het programma luchtruimherziening reeds een start gemaakt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogeheten participatieladder waarin meerdere niveaus van participatie worden onderscheiden. De mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op onder meer de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en de Plan-MER is een belangrijk onderdeel van deze aanpak, maar zeker niet de enige. Op meerdere momenten in de verkenningsfase worden stakeholders gericht uitgenodigd om mee te denken en mee te doen.
Aan welke toetsingskaders is de verandering onderhevig? Kunt u hiervan een volledig overzicht geven?
Zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de Startbeslissing wordt in de verkenningsfase van de luchtruimherziening een integraal beoordelingskader uitgewerkt om varianten tegen elkaar af te wegen. Het beoordelingskader wordt gebruikt voor de selectie van kansrijke varianten en is nodig bij het trechteren tot de voorkeursvariant. Het beoordelingskader is onderdeel van de NRD. Deze wordt opgesteld met inbreng van onafhankelijke expertise van buiten en in afstemming met de Commissie MER.
Is de voorgenomen verandering van het militaire oefengebied (hetzij intensiveren, hetzij uitbreiden, hetzij beiden) een noodzakelijke voorwaarde om Lelystad Airport te kunnen openen in 2021 of kan Lelystad Airport openen zonder dat deze verandering wordt doorgevoerd? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
Nee, de huidige luchtruimindeling en de voor Lelystad Airport ontwikkelde routes voldoen aan alle voorwaarden om Lelystad Airport in 2020 open te stellen voor groothandelsverkeer met een maximum van 10.000 vliegbewegingen. Om zoveel mogelijk ongehinderd doorklimmen vanaf Lelystad Airport mogelijk te maken (conform de motie Amhaouch/Dijkstra 35 000 XII, nr. 66) kan vanaf de winter van 2021/2022 standaard gebruik gemaakt worden van luchtruim dat primair is ingericht voor de afhandeling van militair verkeer. Hierbij geldt enkel een hoogtebeperking voor het Lelystad verkeer op die momenten dat het binnen dit luchtruim gelegen oefengebied nodig is voor militair gebruik. Dit heeft geen effect op de afhandeling van militair verkeer in dat luchtruim.
Vanwege onder andere de komst van de F-35 heeft Defensie wel behoefte aan nieuwe oefenmogelijkheden waarvoor een groter aaneengesloten oefengebied nodig is. Tegelijkertijd is herinrichting van het oosten en zuidoosten van het Nederlandse luchtruim nodig om voldoende capaciteit voor de civiele luchtvaart te kunnen accommoderen en de ontsluiting voor het civiele verkeer van en naar Nederlandse luchthavens (Schiphol, Eindhoven Airport, Lelystad) te verbeteren. Vanwege deze ontwikkelingen hebben wij gekozen voor een uitbreiding van de oefengebieden in het noorden om de veranderende behoefte van Defensie aan luchtruim te kunnen accommoderen.
Sluit u uit dat aan het einde van de besluitvorming over deze verandering dieren zullen worden opgeschrikt, verjaagd of gedood? Zo nee, gaat u gedurende het besluitvormingsproces alvast een (indicatieve) lijst opstellen? Zo nee, waarom niet?
Het is op dit moment te vroeg om de gevolgen van een militair oefengebied in het noorden van het Nederlandse luchtruim te kunnen aangeven. Die gevolgen worden inzichtelijk gedurende het te doorlopen ontwerpproces tijdens de verkenningsfase. Dat omvat ook de eventuele gevolgen voor de flora en fauna. De op te stellen Plan-MER zal op alle relevante onderwerpen nader zicht bieden en dient als onderbouwing van de besluitvorming over de Voorkeursbeslissing in 2020.
Op welke manier vindt u het, in een tijd waarin duidelijk geworden is dat elke extra ton CO2 die vermeden kan worden steeds zwaarder meetelt in het leefbaar houden van de planeet, nog verantwoord de opening van een vliegveld te faciliteren en deze extra tonnen voornamelijk in te zetten voor pret- en pleziervluchten?
In 2012 heeft het Kabinet besloten om Lelystad Airport te ontwikkelen teneinde op deze wijze bij te dragen aan het ontlasten van Schiphol wat betreft het niet mainport-gebonden verkeer. Dit laat onverlet dat de luchtvaart een bijdrage moet leveren aan de doelstellingen van het klimaatbeleid. Over het klimaatbeleid voor de civiele luchtvaart bent u op 27 maart jl. geïnformeerd en heeft u ook in het AO van 4 april jl. gedebatteerd. Duurzaamheid vormt ook een belangrijk thema in de nieuwe luchtvaartnota.
Op welke manier sluit u met de huidige kennis van zaken uit dat over het huidige luchtvaartbeleid later geen aansprakelijkheidsvragen worden gesteld met betrekking tot het bewust meewerken aan de grootschalige destructie van de leefomgeving?
De luchtruimherziening doorloopt een zorgvuldig proces geënt op de MIRT-aanpak. Stap voor stap wordt gewerkt aan de contouren van een nieuw luchtruim met inbreng en afweging van alle relevante expertise. Onderdeel van dit proces is het opstellen van varianten zodat de verschillende opties voor herziening en de te maken afwegingen open op tafel komen. Daartoe wordt onder meer een Plan-MER opgesteld die de daarbij behorende procedure zal doorlopen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De aanpak van mestfraude |
|
Antoinette Laan-Geselschap (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het aanpakken van de mestfraude een van uw prioriteiten is?
Ja, het aanpakken van mestfraude is een prioriteit van het kabinet.
Kunt u een overzicht geven van de instanties (bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), politie, brancheorganisaties en/of andere) waar mensen een melding kunnen doen als zij een vermoeden hebben dat de mestregels worden overtreden?
Het melden van mestfraude kan bij diverse meldpunten in Nederland gedaan worden. Burgers kunnen een melding doen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), de NVWA, de Waterschappen, de politie, omgevingsdiensten en gemeenten en diverse andere meldpunten zoals Meld Misdaad Anoniem, Milieu Klachten Centrale, Samen Sterk in Brabant. Gemeenten kunnen gebruik maken van de BuitenBeterApp, waar burgers verdachte zaken in het buitengebied kunnen melden. Meldingen van mestfraude worden zoveel mogelijk doorverwezen naar de NVWA.
Wat zijn de procedures bij het aannemen van deze meldingen bij de verschillende instanties onder vraag 2?
Overheidsdiensten hebben elk een eigen verantwoordelijkheid voor het toezicht op wet- en regelgeving en hebben procedures ingericht om alle meldingen zorgvuldig te beoordelen. Het ligt voor de hand dat klachten over mestfraude gemeld worden of terechtkomen bij de NVWA, RVO.nl en de politie. Ik ga hieronder verder in op die procedures.
Alle fraudesignalen die telefonisch, schriftelijk of via het digitale formulier «melden mogelijke fraude» bij RVO.nl binnenkomen worden geregistreerd. Bij de melder wordt gecheckt of de wet- en regelgeving juist is geïnterpreteerd. RVO.nl doet onderzoek naar de melding en er zijn meerdere uitkomsten na een melding van vermoedelijke (mest)fraude mogelijk. Indien duidelijk sprake is van het vermoeden van (mest)fraude wordt aangifte gedaan bij het Openbare Ministerie. Het kan ook zijn dat de melding voor nader onderzoek wordt doorgezet naar de NVWA. Door RVO.nl wordt daarnaast getoetst of een bestuursrechtelijke sanctie mogelijk is.
Een fraudesignaal dat binnenkomt via het 0900-nummer van de NVWA (0900–0388) of via het meldingsformulier op de website, komt standaard terecht bij het Klantcontactcentrum (KCC). Het KCC beoordeelt/classificeert (urgentiebepaling) en registreert de meldingen, zodat het vervolgtraject kan worden ingezet. Deze meldingen worden vervolgens doorgezet naar een inspectieteam. Daar wordt een afweging gemaakt op basis van verschillende wegingsfactoren of opvolging wordt gegeven aan de gedane melding. In geval niet-anoniem de melding is gedaan, is de afspraak dat er terugkoppeling aan de melder plaatsvindt wat er met de melding wordt/is gedaan. Er komen bij de supervisors van het KCC ook meldingen binnen via meld misdaad anoniem in een aparte webapplicatie. Deze meldingen worden beoordeeld en geclassificeerd. Meldingen die niet worden doorgezet worden afgedaan via de webapplicatie. De overige meldingen worden door de supervisors doorgezet naar het KCC waarna registratie in het Mos-systeem plaatsvindt, zodat het vervolgtraject kan worden ingezet.
Wil iemand melden, maar absoluut anoniem blijven dan kan dit bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD) van de NVWA. Dit team werkt met informanten wiens identiteit te allen tijde wordt afgeschermd. Hun anonimiteit is van belang, omdat het verregaande consequenties kan hebben wanneer hun identiteit bekend wordt. Denk bijvoorbeeld aan ontslag, bedreiging of erger. Wanneer iemand contact opneemt met het TCI, is het van belang dat dit niet met anderen wordt besproken. Anders kan volledige anonimiteit niet worden gegarandeerd. Het TCI koppelt om dezelfde reden nooit terug wat er met een melding wordt gedaan. Overigens zal het TCI altijd beoordelen of een anonimiteit van de melding echt noodzakelijk is.
De Inlichtingen en Opsporingsdienst (IOD) van de NVWA ontvangt naast meldingen van bedrijven en burgers ook informatie van eigen inspecteurs, anonieme informatie via het TCI, van andere opsporingsdiensten, van overheidsinstanties en Europese Onderzoek bevelen van andere landen.
Binnen Gebiedsgericht handhaven en bij bepaalde risicogericht geselecteerde ondernemingen wordt door de NVWA al nauw samengewerkt met andere toezichtpartners om zo de slagkracht en effectiviteit te vergroten.
Bij de politie kan er, net als bij andere zaken, door alle burgers melding worden gedaan van mestfraude via de website van de politie.
Bij vermoedens en signalen van mestfraude wordt er altijd contact gezocht door de politie met de NVWA en/of het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Bij constateringen van het overtreden van de mestregels omtrent het uitrijden van mest of opslag van mest maakt de politie processen-verbaal op.
Is er een instantie die alle meldingen (van andere instanties) verzamelt, zodat een totaaloverzicht ontstaat? Zo ja, welke? Zo nee, waarom is dit niet geregeld en bent u van plan dit te gaan regelen? Zo nee, hoe rijmt u dit met de prioriteit die u geeft aan de aanpak van mestfraude?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 valt af te leiden kunnen diverse instanties meldingen ontvangen. Er is geen instantie die alle meldingen, ook van alle andere instanties, verzamelt.
De diverse instanties werken wel met elkaar samen aan de aanpak van (mest)fraude vanuit de Versterkte Handhavingsstrategie Mest.
Zo zijn er uit signalen / meldingen gezamenlijke controles uitgevoerd. Door de samenwerkende instanties wordt ingezet op het waar mogelijk delen van informatie, binnen de kader van onder meer de privacy wetgeving. Binnengekomen signalen bij de NVWA worden periodiek besproken met het Functioneel Parket.
Kunt u een overzicht (graag per instantie per maand over de afgelopen twee jaar) geven van het aantal meldingen/aangiften inzake (vermoedens) van mestfraude in Zuidoost-Brabant bij de verschillende instanties?
De NVWA-IOD heeft in de periode medio 2017 t/m mei 2019 in totaal 34 signalen in relatie tot mest(fraude) vastgelegd. Daarvan hebben er 20 betrekking op de provincie Brabant, met name het zuidoostelijk gedeelte. Deze signalen zijn vrijwel geheel afkomstig van de TCI en eigen NVWA-inspectie.
Bij de politie wordt mestfraude als zodanig niet geregistreerd maar wel strafrechtelijke feiten, zoals valsheid in geschrifte of oplichting. Een overzicht van het aantal meldingen van mestfraude bij de politie is dus niet te geven.
RVO.nl heeft in de periode medio 2017 tot heden 25 meldingen van mogelijke mestfraude vastgelegd.
Wordt een melding te allen tijde geregistreerd, ook als er geen capaciteit is om een controle ter plaatse te doen? Zo nee, waarom niet?
Alle meldingen die binnenkomen via de geëigende kanalen (zie het antwoord op vraag 3) worden te allen tijde geregistreerd. Het kan ook voorkomen dat meldingen langs andere wegen binnenkomen, zoals via sociale media, signalen uit het veld of anonieme brieven. Ook bij dergelijke meldingen is het uitgangspunt dat deze worden geregistreerd, maar ik kan niet met stelligheid zeggen dat dit altijd is gebeurd.
Is het u bekend dat iemand die het 0900-nummer van de NVWA belt met een vermoeden van fraude, niet serieus genomen wordt aangezien deze meldingen niet geregistreerd worden en er verschillende verklaringen worden gegeven waarom de melding niet opgenomen wordt?
Mocht het zo zijn dat een melder het gevoel heeft niet serieus te zijn genomen, dan betreur ik dat ten zeerste. Fraude is verborgen en signalen/meldingen zijn hard nodig om mestfraude aan te kunnen pakken. Meldingen die bij de NVWA binnenkomen via de geëigende kanalen worden geregistreerd, ik verwijs uw Kamer ook naar mijn antwoorden op de vragen 3 en 6.
Vindt u het acceptabel dat een vermoeden van fraude niet geregistreerd wordt?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat mensen die hun nek uitsteken om vermoedens van fraude te melden door deze behandeling zich niet aangespoord voelen om een volgende keer een dergelijke melding te doen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 7.
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van de leden Lodders en Aukje de Vries1 waarin u bevestigd heeft dat u het positief vindt dat mensen die overtredingen van de Meststoffenwet zien in hun omgeving dit ook melden?
Ja. Dit vind ik nog steeds positief.
Kunt u aangeven welke stappen u na het verkregen signaal in 2018 (via de media en schriftelijke vragen) heeft gezet om te beoordelen of het proces van melden, het opnemen van melding/aangifte en het beoordelen van deze meldingen adequaat plaatsvindt?
Het proces van afhandeling van meldingen is destijds beoordeeld en waar nodig aangepast, wat heeft geleid tot het proces zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 3. Signalen/meldingen die via de geëigende kanalen binnenkomen worden geregistreerd en doorgeleid naar het inspectieteam. Daar wordt de melding beoordeeld en vindt de weging plaats hoe de verdere afhandeling plaatsvindt. Er kan echter niet met betrekking tot elke onderzoekswaardige melding een opsporingsverzoek worden gestart.
Kunt u aangeven waarom deze meldingen niet geregistreerd worden en waarom er bijvoorbeeld niet steekproefgewijs grondmonsters genomen worden op percelen waar één of meerdere meldingen over binnenkomen?
Zoals hierboven aangegeven hecht ik groot belang aan meldingen die duiden van mestfraude. Daarom worden meldingen die via de geëigende kanalen binnenkomen geregistreerd, beoordeeld en waar nodig gedeeld met andere instanties. Dit heeft in de praktijk geleid tot gezamenlijk met andere instanties uitgevoerde controles.
Het (al dan niet steekproefsgewijs) nemen van grondmonsters wordt door de NVWA niet als instrument gehanteerd in de aanpak van mestfraude. Dat heeft twee redenen. Ten eerste verstaat de NVWA onder het illegaal uitrijden van mest het uitrijden buiten de toegestane periodes of ten tijde van sneeuw en vorst. Het gaat dan dus om het moment van uitrijden en grondmonsters leveren geen bewijs dat op een verkeerd moment mest is uitgereden.
Ten tweede kan het gaan om overbemesting. Ook daarvoor leveren grondmonsters geen sluitend bewijs. Er is de laatste tientallen jaren veel fosfaat en stikstof opgehoopt in de Nederlandse landbouwgronden door hoge bemesting. Fosfaat is weinig mobiel in de bodem. Overtreding van de meststoffenwetgeving door meer fosfaatbemesting dan is toegestaan, kan alleen aangetoond worden in een bodemanalyse als het fosfaatgehalte extreem hoog is. Het teveel bemesten met stikstof kan aangetoond worden in de hoeveelheid minerale stikstof die in de bodem na de oogst aanwezig is. Er zijn echter meer factoren die van invloed zijn op de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem, zoals het weer. In een jaar, zoals vorig jaar, met relatief lage opbrengsten en weinig nitraatuitspoeling zal er ook veel minerale stikstof in de bodem aanwezig zijn. Kortom, veel minerale stikstof in de bodem na de oogst hoeft niet te betekenen dat de meststoffenwetgeving is overtreden. Als een perceel elk jaar een heel hoog gehalte aan minerale stikstof heeft dan kan dit een indicatie zijn voor te hoge bemesting maar een sluitend bewijs is het zeker niet.
Hoeveel grondmonsters heeft de NVWA de afgelopen twee jaar genomen bij percelen waarvan vermoed wordt dat er mestfraude (illegaal uitrijden van mest) plaatsvindt?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u in overleg met uw collega’s in België over de aanpak van mestfraude en het tegengaan van (illegale) transporten over de weg/grens? Zo ja, welke acties zijn op basis van dit overleg in gang gezet?
Tussen de Vlaamse en Nederlandse controleautoriteiten is regelmatig contact. Zoals beschreven in het «Memorandum van overeenstemming» (dit is een interne afspraak tussen de NVWA met de Vlaamse mestbank) vindt uitwisseling van gegevens plaats over grensoverschrijdende transporten (importen en exporten) van dierlijke meststoffen. Door het delen van deze gegevens op basis van dit memorandum krijgen de bevoegde autoriteiten zicht op de transporten en daarmee op de afnemers en gebruikers van de meststoffen. Deze data-uitwisseling biedt inzicht om gericht onderzoeken te starten. Ook op dit vlak is er op operationeel niveau afstemming met de Vlaamse mestbank.
Op importen uit België naar Nederland worden analyses uitgevoerd. RVO.nl onderneemt actie als wordt geconstateerd dat Belgische bedrijven hun grensoverschrijdende afvoer wel hebben geregistreerd in het Belgische Mestafzetdocumentenregister, die niet terug te vinden zijn in het Nederlandse vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM) register.
Ter illustratie: in 2018 is een analyse uitgevoerd van de importen uit België naar Nederland. Er waren circa 70 Belgische bedrijven (grensboeren) die wel afvoer naar Nederland in het kader van grensoverschrijdend vervoer hadden geregistreerd in het Belgische Mestafzetdocumentenregister, maar niet waren terug te vinden in het Nederlandse vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM) register. Deze circa 70 adressen zijn naar aanleiding van het operationeel overleg aan RVO.nl overgedragen. Van RVO.nl hebben al deze bedrijven op 1 maart 2019 een brief ontvangen om alsnog de VDM’s met betrekking tot 2018 voor 15 maart 2019 in te zenden en de VDM’s voortaan binnen 10 werkdagen te doen. Hierop kwam veel respons en werd aangegeven dat men hieraan wilde voldoen. Met betrekking tot de groep die niets van zich heeft laten horen wordt door RVO.nl het opleggen van een boete overwogen, als een van de opties om de nog ontbrekende cijfers te krijgen.
Is er inmiddels een gezamenlijke aanpak mestfraude met België? Zo ja, hoe ziet deze eruit?
Zie antwoord vraag 14.
Herinnert u zich dat u eind 2018 heeft aangegeven dat er 63 keer proces-verbaal is opgemaakt door de NVWA en deze doorgeleid zijn naar het openbaar ministerie?2
Ja. In de versterkte handhavingsstrategie Mest is gemeld dat in 2017 door de NVWA 63 processen-verbaal naar het OM zijn gestuurd.
Kunt u aangeven wat de status is van deze 63 zaken, bij hoeveel zaken er vervolging heeft plaatsgevonden en kunt u hierop een uitgebreide toelichting geven?
Het OM heeft van de 63 processen-verbaal die in 2017 op grond van een verdenking van overtreding van de meststoffenwet door de NVWA zijn ingestuurd, er nog 20 in behandeling. Van de uitstroom – 43 zaken – is in 56 procent van de zaken een schuldigverklaring uitgesproken door de rechtbank in eerste aanleg. 12 procent van de zaken is geseponeerd, 23 procent van de zaken is afgedaan met een OM-transactie en 9 procent van de zaken is gevoegd bij een al lopend strafrechtelijk onderzoek.
Woonvormen voor dementerenden |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Woningcorporaties willen regie bij familie dementerenden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het creëren van seniorenwoningen momenteel van belang is vanwege het tekort aan gepaste woonvormen voor senioren, dat door de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO) wordt geschat op 80.000?2
Met de Woonagenda (BZK) en het Programma Langer thuis (VWS) wordt gewerkt aan meer aanbod van woningen, waaronder voor ouderen, en dat ouderen conform hun wensen kunnen (blijven) wonen. Gemeenten worden gestimuleerd om de opgave met betrekking tot wonen en zorg voor ouderen in beeld te brengen en een plan te maken om er voor te zorgen dat mensen niet ongeschikt komen te wonen. Daarnaast wordt ingezet op een toename van het aantal nieuwe woonvormen. Hiertoe is er onder meer een kennisprogramma samen met de G40 om gemeenten te helpen om de opgave in beeld te brengen en te kijken welke voorzieningen in een wijk nodig zijn, is er een ondersteuningsteam om gemeenten te helpen, een stimuleringsregeling wonen en zorg om bewonersinitiatieven en sociale ondernemers te helpen bij de financiering van hun initiatief en een kennisprogramma dat helpt bij mogelijke problemen bij het opzetten van nieuwe wooninitiatieven. Daarnaast zijn tien gemeenten gestart met een pilot logeerzorg om mantelzorgers te ontlasten. Door logeerzorg kunnen ouderen die thuis zorg krijgen van bijvoorbeeld een partner tijdelijk in een zorginstelling «logeren» zodat de mantelzorger even op adem kan komen. Hierdoor is de zorg voor hun naaste beter vol te houden. Zodat de oudere zo lang mogelijk met een goede kwaliteit van leven thuis kan wonen.
Welke stappen worden momenteel genomen om het aantal woningen voor senioren te laten stijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de initiatieven zoals beschreven in de Aedes Vernieuwingsagenda Wonen en Zorg te stimuleren?3 Zo ja, hoe?
Vanuit het programma Langer thuis zijn er diverse mogelijkheden voor ondersteuning.4 Afhankelijk van de vormgeving van de initiatieven kunnen de in de Vernieuwingsagenda genoemde initiatieven hier ook voor in aanmerking komen.
Bent u bereid lessen te trekken uit hoe buitenlandse overheden (bijvoorbeeld Duitsland) gepaste woonvormen verzorgen voor dementerenden en deze toe te passen? Zo neen, waarom niet?
Ik ben altijd bereid te leren van voorbeelden uit binnen- en buitenland. Het is wel zo dat de overheid de totstandkoming hiervan niet zelf ter hand neemt.
Zijn deze signalen voldoende aanleiding om (minder vrijblijvende) afspraken te maken met gemeenten ter stimulering van gepaste woonvormen voor senioren?
De opgave die er is op de woningmarkt en de vergrijzing zijn aanleiding geweest voor de Woonagenda en het Programma Langer thuis. Binnen de Woonagenda en het programma Langer thuis wordt al uitgebreid samengewerkt met corporaties en gemeenten aan deze opgave.
Het laten verkrotten van panden |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een rijksmonument in Sluis al sinds 1992 aan het verkrotten is, terwijl de gemeente Sluis het pand voor woningen wil gebruiken en deze wens nu moet opgeven?1 Wat is uw reactie daarop?
Ik ben op de hoogte van deze casus. Uiteraard betreur ik de situatie rondom het betreffende rijksmonument. Overigens heeft de gemeente Sluis mij laten weten zich alsnog te beraden op mogelijkheden tot handhaving.
Hoe is het mogelijk dat een particuliere eigenaar, speculant of projectontwikkelaar jaar in jaar uit ermee wegkomt om dwangsommen niet te betalen, een gemeente en buurtbewoners dwars te zitten, gemeenten op kosten te jagen en rijksmonumenten te laten verkrotten, zoals in Sluis en Wassenaar?2 3 4
Er zijn diverse (juridische) mogelijkheden die gemeenten tot hun beschikking hebben om verkrotting van panden en braak liggen van percelen tegen te gaan. Deze geef ik onder vraag 5 weer. Het is uiteindelijk een gemeentelijke afweging om te besluiten of, en zo ja, hoe deze mogelijkheden worden benut. Het rijk heeft in dezen geen bevoegdheid.
Bent u ervan op de hoogte dat deze projectontwikkelaar, of «krottenkoning», in verschillende gemeenten in het land plekken – van percelen tot een manege – heeft laten verslonzen, gemeenten tegenwerkt en op kosten jaagt via zijn bedrijven? Kunt u antwoord toelichten?5 6 7
Ik ben bekend met de berichtgeving die u aanhaalt. Zie verder mijn antwoord onder 2.
Hoeveel euro aan gemeenschapsgeld is inmiddels de afgelopen vijftien jaren betaald aan bedrijven van de «krottenkoning» en hoeveel dwangsommen en boetes zijn de afgelopen vijftien jaar niet betaald door deze bedrijven? Hoe kan deze spiraal worden doorbroken?8
Over de door u gevraagde gegevens beschik ik niet. Het betreft hier zeer lastig te achterhalen informatie. Op uw vraag hoe een negatieve spiraal in gevallen van verkrotting kan worden doorbroken bestaat geen eenduidig antwoord. Er zijn echter voorbeelden, zoals in de gemeente De Ronde Venen, die aantonen dat handhavend optreden wel degelijk mogelijk is. De aanpak van de gemeente de Ronde Venen wordt beschreven in Erfgoedmagazine nr. 3 van dit jaar.
Ter ondersteuning van de gemeentelijke handhavingsbevoegdheid heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Handreiking Instandhoudingsplicht Rijksmonumenten ontwikkeld, met daarin een stappenplan voor de preventie van verwaarlozing en de handhaving van de instandhoudingsplicht.9 De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft verder in haar jaarplan 2019–2020 opgenomen dat er onderzoek zal worden gedaan naar de wijze waarop de strafrechtelijke handhaving van de monumentenregelgeving in de praktijk werkt.10
Welke mogelijkheden zijn er op landelijk en lokaal niveau om te voorkomen dat panden verkrotten of percelen braak blijven liggen, en welke mogelijkheden zijn er om in te grijpen, wanneer het toch gebeurt, en een einde maken aan de verkrotting? Welke mogelijkheden heeft u benut in de casussen in Leiden, Sluis, Wassenaar en Noordwijk? Kunt u antwoord toelichten?
Verkrotting van monumenten komt gelukkig weinig voor en het overgrote deel van de rijksmonumenten staat er redelijk tot goed bij. Het overgrote deel van de eigenaren is trots op hun bezit en investeert daar ook in. Ik ondersteun dat van harte. Ik draag daar aan bij met instandhoudings- en restauratiesubsidies, met leningen via het Restauratiefonds en -via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed- met kennis en advies. Provincies en gemeenten bevorderen met vergelijkbare instrumenten dat eigenaren en gebruikers van monumenten goed voor de monumenten zorgen.
In sommige gevallen blijft onderhoud aan monumenten achterwege. In veel situaties is dan een eigenaar alsnog door de overheid tot instandhouding te bewegen. In uitzonderlijke gevallen lukt dat niet. Dan staat gemeenten een aantal instrumenten ter beschikking.
Bij panden die in slechte staat verkeren kan de gemeente handhavend optreden wegens overtreding van de Woningwet. Daartoe kan een gemeente verschillende instrumenten inzetten:
In aanvulling op de mogelijkheden die de Woningwet biedt, geldt voor rijksmonumenten dat het op basis van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) verboden is om zonder vergunning een rijksmonument te gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Verder kent de Erfgoedwet sinds 2016 een instandhoudingsplicht voor eigenaren van rijksmonumenten, hetgeen een verbod inhoudt om een rijksmonument onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
De gemeente heeft dus op basis van de wet verschillende middelen om een overtreding ongedaan te maken. Deze instrumenten zijn gericht op het herstellen van de rechtmatige situatie, dus het herstellen en onderhouden van gebouwen, percelen of een rijksmonument.
Naast instrumenten gericht op herstel, kan bij herhaaldelijke overtredingen van de Woningwet een bestuurlijke boete worden opgelegd en kan op grond van de Wet op de economische delicten strafrechtelijke handhaving aan de orde komen.
Verwaarlozing van een gemeentelijk of rijksmonument is ook een economisch delict, waarvan aangifte kan worden gedaan. Omdat het bij het strafrecht gaat om het straffen van de overtreder en niet om herstel van het monument, ligt het voor de hand om, waar mogelijk, eerst de bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden volledig te benutten.
De mogelijkheden tot herstel op landelijk niveau zijn indirect. Het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten is voor de meeste instrumenten het bevoegd gezag. Dit betekent dat de gemeente de bevoegdheid heeft om handhavend op te treden bij overtreding en om dwangsommen te innen. De provincie komt in het kader van interbestuurlijk toezicht in beeld. De ministers van BZK en OCW zijn systeemverantwoordelijk.
Wanneer kan overgegaan worden tot onteigening van percelen of panden als er in tijden van woningnood grond braak blijft liggen en panden verkrotten of wanneer beloften niet worden nagekomen? Vindt u de huidige wet- en regelgeving hiertoe voldoende of bent u bereid tot een aanscherping om er voor te zorgen dat zich herhalende patronen kunnen worden gestopt?
Op basis van de Erfgoedwet hebben eigenaren een instandhoudingsplicht voor hun rijksmonumenten. Onteigening van percelen of panden, waaronder rijksmonumenten, is onder meer mogelijk ter uitvoering van een vastgesteld bestemmingsplan of een plan van werkzaamheden voor het opheffen van ernstig achterstallig onderhoud in het belang van de volkshuisvesting. Voor dit laatste moet wel eerst een handhavingstraject op basis van de Woningwet worden gevolgd.
Met het instrumentarium in de Woningwet, de bepalingen over rijksmonumenten in de Wabo en de Erfgoedwet, de mogelijkheden om te bestraffen en in het uiterste geval de inzet van de onteigeningswet, ben ik van mening dat gemeenten voldoende mogelijkheden hebben om herhalende patronen te stoppen. Het is daarbij wel van groot belang dat gemeentes niet te lang wachten met handhaven.
Hoe verhoudt het eigendomsrecht zich tot de plicht om zorg te dragen voor rijksmonumenten? Is het mogelijk om in geval van verwaarlozing van monumenten (gemeentelijk dan wel rijksmonumenten) (eerder) over te gaan tot onteigening, zodat monumenten beter beschermd worden? Bent u bereid hiervoor wet- en regelgeving aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
De dreigementen van de Iraanse president in relatie tot de nucleaire deal |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Iran to take steps to reduce its commitment to landmark nuclear deal»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de door de Iraanse president aangekondigde stappen, in het bijzonder de stappen met betrekking tot Iraans hoogverrijkt uranium?
Het kabinet maakt zich zorgen over de recente uitspraken van de Iraanse president Rouhani, waarin hij aangeeft dat Iran zich niet meer gebonden voelt aan de in het Joint Comprehensive Plan Of Action (JCPOA) gestelde limieten voor de opslag van zwaar water en verrijkt uranium in het land. Dat betekent echter niet automatisch dat Iran deze limieten op dit moment ook daadwerkelijk overschrijdt.
Het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) is de enige, volledig onafhankelijke partij die het mandaat heeft het Iraanse nucleaire programma te controleren en verifiëren ten opzichte van de afspraken die zijn gemaakt. Zolang het IAEA geen Iraanse schending van het nucleaire akkoord rapporteert, zullen Nederland en de EU de nucleaire deal blijven steunen. Tot nu toe zijn er geen aanwijzingen dat Iran zich niet aan de afspraken houdt.
De EU wijst het door Iran gestelde ultimatum van 60 dagen voor effectieve verlichting van de Amerikaanse sancties af. Ook het kabinet is van mening dat het stellen van dergelijke ultimatums uiterst onbehulpzaam is en sluit zich aan bij de verklaring2 van Hoge Vertegenwoordiger Mogherini, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Zie ook het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 13 mei jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2010).
Kunt u toelichten hoe de stappen zich verhouden tot de afspraken in het Joint Comprehensive Plan of Action, ook wel bekend als de «nucleaire deal» met Iran, en in het bijzonder tot de doelstelling om de ontwikkeling van een Iraanse atoombom zo veel als mogelijk te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de Iraanse autoriteiten het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken direct geïnformeerd of heeft Nederland het Iraanse voornemen vernomen via de pers dan wel via bondgenoten? Bent u, indien Nederland direct is geïnformeerd, van plan om op de Iraanse mededeling te reageren? Zo ja, hoe?
Nederland is geen partij bij het Joint Comprehensive Plan of Action en is daarom ook niet direct op de hoogte gesteld van de Iraanse voornemens. Wel is Nederland op vrijdag 10 mei hoogambtelijk door de Iraanse ambassadeur in Den Haag geïnformeerd over de aankondiging van president Rouhani. In het antwoord heeft Nederland duidelijk gemaakt dat Nederland de Iraanse uitspraken uiterst onbehulpzaam vindt en heeft Nederland het Iraanse ultimatum verworpen. Nederland heeft ook gezegd dat de EU het JCPOA blijft steunen zolang Iran zich aan de afspraken houdt. Uiteraard heeft Nederland Iran opgeroepen zich aan de afspraken van het JCPOA te houden.
Bent u bereid alle mogelijke drukmiddelen aan te wenden om te helpen voorkomen dat Iran een kernwapenstaat wordt? Hoe beoordeelt u hierbij de positie van de Verenigde Staten?
Nederland acht het van groot belang dat voorkomen wordt dat Iran kernwapens ontwikkelt. Het JCPOA is de beste manier om dat te doen, op basis van strikte verificatie door het IAEA. Het kabinet blijft zich constructief-kritisch opstellen richting Iran. Zolang Iran zich aan de afspraken onder het nucleaire akkoord houdt, zal Nederland de deal blijven steunen. In het nucleaire akkoord staat opgenomen dat als Iran zich niet aan de afspraken houdt, de sancties van de Verenigde Naties opnieuw in werking treden. Dat is nu niet aan de orde.
Voorts is – zoals bekend – het kabinet teleurgesteld over de Amerikaanse terugtrekking uit het JCPOA en de daarmee gepaard gaande eenzijdige herinvoering van sancties door de Verenigde Staten. Inhoudelijk hebben de VS en de EU dezelfde zorgen als het gaat over Iran: het nucleaire programma, de rol die Iran speelt in landen als Syrië, Irak, Libanon en Jemen, het ballistische raketprogramma en de schending van mensenrechten in Iran.
Nederland steunt de oprichting van INSTEX, dat is bedoeld als instrument om legitieme handel met Iran mogelijk te houden in het licht van de extraterritoriale werking van de VS sancties (die door de EU niet wordt erkend). Nederland staat daarbij wel op het standpunt dat hierbij realisme op zijn plaats is, het handelsvolume van Europese bedrijven met de VS is nu eenmaal vele malen groter dan dat met Iran.
Bent u voornemens de Iraanse actie te bespreken tijdens de Raad Buitenlandse Zaken? Zo ja, bent u bereid de Kamer, voor zover mogelijk, over de uitkomsten te informeren?
Het bericht dat Sea-Watch weer uit mag varen. |
|
Roy van Aalst (PVV), Emiel van Dijk (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Mark Harbers (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin is bepaald dat het schip Sea-Watch weer uit mag varen?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het u niet lukt om schepen van non-gouvermentele organisaties (ngo's) die illegale migratie faciliteren aan wal te houden, terwijl dit andere landen, zoals Italië en Panama, wel lukt?
De regelgeving met betrekking tot de registratie van zeeschepen verschilt van staat tot staat en daardoor verschillen ook de handelingsperspectieven van staat tot staat. Het Nederlandse handelingsperspectief wordt bepaald door de Nederlandse wet- en regelgeving en de rechter heeft voor wat betreft de Sea-Watch 3 recent een oordeel uitgesproken over de toepassing daarvan.
De regeling voor schepen die stelselmatig drenkelingen aan boord nemen2 beschrijft aan welke veiligheids- en bemanningseisen deze schepen moeten voldoen. Het doel van de regeling is om de veiligheid van de (mensen aan boord van de) deze schepen te borgen. Tot voor kort hoefden dit soort schepen aan vrijwel geen veiligheids- en bemanningseisen te voldoen, omdat zij als pleziervaartuigen geregistreerd staan. Met de regeling is hier verandering in gekomen.
Het doel van de Nederlandse regelgeving is, evenals de regelgeving voor schepen die stelselmatig drenkelingen aan boord nemen, niet om ngo’s het werken onmogelijk te maken, maar om de veiligheid van de schepen en de mensen aan boord zo goed mogelijk te borgen.
Deelt u de mening dat deze mensensmokkelaars een gigantisch risico voor de Nederlandse samenleving zijn, gezien alle potentiële terroristen die ze oppikken en in Europa aan land brengen?
Het kabinet onderschrijft uiteraard de internationale verplichtingen om mensenlevens op zee te redden. Daarbij is het echter wel zaak dat dergelijke operaties niet bijdragen aan het in stand houden of bevorderen van criminele activiteiten van mensensmokkelaars die mensenlevens op het spel zetten. Ook om die reden is het niet vanzelfsprekend dat deze acties altijd uitmonden in ontscheping in de EU. Conform de conclusies van de Europese Raad van juni 2018 moet ook ontscheping in een veilige haven elders in de landen rond de Middellandse Zee tot de mogelijkheden behoren. Bij de eventuele ontscheping van personen in de EU vereist het belang van de veiligheid van de Unie en daarmee Nederland, dat, zorgvuldige, adequate veiligheidsonderzoeken worden uitgevoerd, zoals bij alle aankomsten aan de buitengrenzen het geval dient te zijn. In dit kader zijn in de EU ook stappen gezet om te zorgen dat controles aan de buitengrenzen en informatiesystemen worden versterkt en dat informatie beter wordt uitgewisseld tussen de verantwoordelijke autoriteiten en organisaties in de lidstaten.
Wat gaat u doen om dit mensensmokkelschip onmiddellijk aan de ketting te leggen en over te gaan tot een asielstop?
Op basis van hetgeen mij bekend is, is er op dit moment geen aanleiding voor de Nederlandse overheid om de Sea-Watch 3 vast te houden. Wel heb ik eerder een beroep gedaan op Sea Watch om pas weer uit te varen als het schip en de bemanning voldoen aan de veiligheidseisen die zijn gesteld in de regeling. Desondanks is het schip recentelijk toch uitgevaren en had het wederom dicht onder de Libische kust een grote groep drenkelingen aan boord genomen. Daarop volgend zijn in Lampedusa gezinnen met kinderen en gewonde personen ontscheept (in totaal 18 personen). Het Italiaanse OM heeft zondag 19 mei opdracht gegeven tot de inbeslagname van het schip. Vervolgens is het schip (onder begeleiding van de Italiaanse opsporingsdienst Guardia di Finanza) de haven binnengevaren, waar de resterende 47 migranten aan land zijn gegaan, en is het schip in beslag is genomen. Het schip ligt op dit moment in de haven van Licata (Sicilië).
Ten aanzien van de door u voorgestelde asielstop, verwijs ik u naar de eerdere beantwoording van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van vergelijkbare verzoeken of oproepen. Het kabinet hecht aan een zorgvuldig asielbeleid dat bescherming biedt aan degenen die dat nodig hebben. Hetgeen u voorstelt zou in strijd zijn met de internationale en verdragsrechtelijke verplichting tot het in behandeling nemen van een asielaanvraag. Het kabinet treft verder gerichte maatregelen als wordt geconstateerd dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het asielrecht door personen die evident geen bescherming nodig hebben.
Het bericht ‘Top politieschool moet weg wegens gebrek aan chemie’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Top politieschool moet weg wegens gebrek aan chemie»?1
Ja.
Op welke wijze bent u in gesprek geweest met de korpsleiding van de politie en de top van de Politieacademie om deze problemen aan te kaarten en aan te pakken? Waarom heeft u besloten uiteindelijk op deze wijze te handelen?
Na het publiceren van het rapport van ABDTOPConsult «Samen werken aan goed politieonderwijs en -onderzoek'2 heeft de directeur van de Politieacademie zelf mijn departement geïnformeerd over problemen binnen het directieteam van de Politieacademie. In overleg met de directeur van de Politieacademie en de korpsleiding is besloten ABDTOPConsult te vragen een snelle analyse hiernaar uit te voeren en te adviseren over te nemen stappen. Naar aanleiding van deze analyse hebben mijn ministerie, de korpsleiding en de directie van de Politieacademie overleg gevoerd. Naar aanleiding van dat overleg heeft de directeur van de Politieacademie besloten zijn aanstellingstermijn niet te verlengen en te blijven tot er een opvolger is. Tot die tijd blijft hij in functie.
Het hoofd bedrijfsvoering van de Politieacademie, waarvoor de korpsleiding verantwoordelijkheid draagt voor benoeming en ontslag, heeft na overleg, met de korpsleiding haar taken neergelegd. Het hoofd bedrijfsvoering is inmiddels opgevolgd door een interim hoofd bedrijfsvoering.
Bij de selectie van het nieuwe hoofd Bedrijfsvoering en de nieuwe directeur van de PA zal de teamsamenstelling uitdrukkelijk worden meegewogen. De ondernemingsraad van de Politieacademie en de overige leden van het managementteam van de Politieacademie zullen bij het opstellen van het profiel en de selectie worden betrokken.
Kunt u nader toelichten wat wordt bedoeld met onvoldoende chemie tussen de betrokken bestuurders? Hoe gaat u zorgen dat tussen de nieuwe bestuurders wel voldoende chemie bestaat?
Zie antwoord vraag 2.
Is al duidelijk wie het werk gaat overnemen van de bestuurders die nu moeten vertrekken? Per wanneer starten de nieuwe bestuurders? Worden opnieuw twee bestuurders aangesteld of meerdere? Wat is uw overweging daarbij? Wordt een sollicitatieprocedure gestart? Zo ja, worden de posities ook extern opengesteld?
Er is een interim hoofd bedrijfsvoering benoemd met ruime ervaring binnen de politie, zowel in de operatiën als in de bedrijfsvoering. Hij is medio juni met zijn werkzaamheden gestart en zal deze functie tot eind 2019 vervullen.
De directeur van de Politieacademie zal zijn functie blijven vervullen tot zijn opvolger is aangetreden. In de komende periode wordt, samen met de ABD, de wervingsprocedure gestart voor de functie van directeur. Bij deze procedure worden ook externe kandidaten meegenomen. De verwachting is dat voor het einde van het jaar in opvolging van de directeur kan worden voorzien.
Er worden geen extra bestuursleden aangesteld. De wet gaat uit van een directeur en een plaatsvervanger. Vanuit de politie is daar een hoofd bedrijfsvoering aan toegevoegd. Ik zie geen noodzaak om hier verandering in aan te brengen.
Hoe wordt gezorgd dat de aspirant-agenten van de Politieacademie zo min mogelijk hinder ervaren van deze bestuurderswisseling?
Om de continuïteit van de besturing van de Politieacademie te borgen blijft de directeur in functie totdat in zijn opvolging is voorzien.
Welke veranderingen verwacht u op korte en middellange termijn naar aanleiding van deze bestuurderswisseling? Hoe gaat u specifiek zorgen (in samenwerking met de korpsleiding) dat «de onder druk staande belastbaarheid en veiligheid van collega’s», waar in een anonieme brief over wordt gesproken, wordt verbeterd?
Ik verwacht dat de verbetermaatregelen naar aanleiding van het rapport «Samen werken aan goed politieonderwijs en -onderzoek» en de veranderingen bij de top van de Politieacademie zullen leiden tot een meer integrale besturing en aansturing van de Politieacademie.
Docenten van de locatie Amsterdam van de Politieacademie hebben een brief gestuurd aan de korpsleiding. Naar aanleiding daarvan heeft de directeur van de Politieacademie gesprekken gevoerd met de docenten van al de zes opleidingslocaties. Uit deze gesprekken is naar voren gekomen dat de werkdruk bij de docenten vanwege de verhoogde instroom hoog is. Aan de verdeling van de docenten over de verschillende opleidingslocaties van de Politieacademie liggen ratio’s ten grondslag. De directie van de Politieacademie zal bekijken of de huidige ratio’s nog voldoen of dat zij bijgesteld moeten worden. Eveneens worden, in samenspraak met de docenten, de mogelijkheden bekeken om meer balans aan te brengen in het curriculum van de Allround Politiemedewerker.
Om de groei van de instroom van aspiranten op te vangen, hebben mijn ministerie, de korpsleiding en de Politieacademie afgesproken dat er extra docenten komen. De Politieacademie krijgt er 2 miljoen euro, oplopend naar structureel 16 miljoen euro in 2022, extra bij zodat zij extra docenten kan aannemen en de huisvesting eind 2019 uit kan breiden met een tijdelijke extra locatie in Leusden. Het is de bedoeling om in 2020 besluitvorming te laten plaatsvinden over een permanente zevende locatie.
In hoeverre is op dit moment sprake van een achterstand in het aantal agenten dat in de opleiding zit, gelet op de uitstroom van de komende jaren? Zo ja, hoe zorgt u dat deze achterstand zoveel mogelijk wordt ingelopen?
Er is mij op dit moment niet bekend dat er sprake zou zijn van een achterstand van het aantal agenten dat in de opleiding zit, gelet op de uitstroom van de komende jaren. De werving van hoger opgeleide specialisten zoals personeel met cyber en digitale expertise, is in de huidige krappe arbeidsmarkt een uitdaging.
Bent u van mening dat de opleidingen op de Politieacademie voldoende aantrekkelijk zijn om de komende zeven jaar 17.000 nieuwe agenten te werven? Ziet u nog ruimte voor verbeteringen? Zo ja, welke en hoe gaat u deze bewerkstelligen? Hoe voorkomt u daarbij een verlies aan kwaliteitsniveau van de aspirant-agenten, bijvoorbeeld betreffende het opleidingsniveau?
De instroom van aspiranten was in 2018 fors hoger dan in 2017. De interesse voor de opleidingen van de Politieacademie is en blijft hoog. Ik ga er van uit dat de opleidingen van de Politieacademie voldoende aantrekkelijk zijn en de komende jaren zullen blijven. Het is helder dat een verhoogde instroom van aspirant agenten niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de opleidingen. Bij de werving en selectie van de nieuwe agenten worden de eisen die aan de aspiranten gesteld gehandhaafd. Voor de verhoogde instroom van aspiranten is extra geld ter beschikking gesteld voor het uitbreiden van het aantal docenten en het uitbreiden van de opleidingslocaties. Daarnaast zal de Politieacademie de komende jaren nader invulling geven aan een flexibel onderwijsconcept. Aan het kwaliteitsniveau van de politiemensen worden geen concessies gedaan.
Wanneer kan de Politieacademie de eerste extra docenten verwachten? Hoeveel extra studenten kan de Politieacademie hierdoor ontvangen, per wanneer en op welke locaties?
Omdat de instroom al in 2018 verhoogd is zijn er eind 2017 25 extra docenten aangetrokken. Vanaf 2018 is gestart met de werving van nog eens 25 fte extra docenten en enkele ondersteuners die vanaf 2019 worden ingezet ten behoeve van de grotere instroom van studenten. In 2019 start de werving van 32 fte docenten en enkele ondersteuners voor 2020. Het gaat voor het grootste gedeelte om docenten met een politieachtergrond. Deze worden aangevuld met reguliere docenten voor de algemene vakken (Beroepstaalvaardigheid, Engels en/of Sociale Vaardigheden). Om de verhoogde instroom van aspiranten op te vangen komen er in de jaren 2018–2024 in totaal circa 150 docenten bij. Docenten en overige medewerkers zijn in principe op alle locaties van de Politieacademie inzetbaar. Eind 2019 zal de Politieacademie een tijdelijke locatie in Leusden betrekken.
De aanbesteding van zware berging |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de openbare aanbesteding van zware bergingswerkzaamheden op Nederlandse hoofdwegen door Rijkswaterstaat, waarmee de dienst afstapt van de gebruikelijke onderhandse gunning?1 2
Ja, ik ben bekend met deze aanbesteding.
Is de veronderstelling juist dat op dit moment 39 bedrijven met 59 uitrijlocaties zijn gecontracteerd voor zware berging en dat dit met de nieuwe tenderregeling teruggebracht zou moeten worden naar 17 percelen cq. bedrijven, met minimaal twee uitrijlocaties per perceel?
Op dit moment heeft Rijkswaterstaat met 38 bedrijven een contract met 56 actieve uitrijlocaties. Het klopt dat Rijkswaterstaat met de huidige aanbesteding toewerkt naar een situatie met 17 percelen met minimaal twee uitrijlocaties per perceel. Dit betekent trouwens niet dat er in de nieuwe situatie slechts één bedrijf per perceel actief zal zijn: bedrijven kunnen per perceel zelfstandig inschrijven, maar ook als combinatie of in een structuur met hoofd- en onderaannemers.
Is de veronderstelling juist dat aangestuurd wordt op het verkorten van aanrijtijden?
Het aandeel files als gevolg van incidenten en ongevallen neemt al enkele jaren toe. Er is mij veel aan gelegen om hier verandering in aan te brengen. Het verkorten van de afhandeltijd bij het wegslepen van gestrande vrachtauto’s is daarvoor belangrijk. Naast het verkorten van de afhandeltijd wordt in de aanbesteding ook gekeken naar andere kwaliteitscriteria, zoals de inzet van duurzame voertuigen door de berger.
Houden bergingsbedrijven voldoende ruimte om zware bergingsvoertuigen in te zetten voor activiteiten voor derden, zoals het nu het geval is?
De aard van bergingswerkzaamheden is dat het aantal bergingen en het tijdstip waarop deze plaats moeten vinden niet gepland kunnen worden. Dit is zowel in de huidige als in de nieuwe situatie het geval. Met het oog hierop en de specifieke bedrijfsvoeringen van opdrachtnemers is het niet goed mogelijk om te zeggen hoeveel ruimte bedrijven hebben en houden voor overige werkzaamheden. Bergingswerk in het kader van Incident Management is overigens een beperkt onderdeel van het totale werkpakket van bergingsbedrijven.
Hoeveel grote voertuigen die op enigerlei wijze strandden op Nederlandse hoofdwegen zijn afgelopen jaar afgesleept door gecontracteerde bergingsbedrijven respectievelijk door niet-gecontracteerde bedrijven?
In 2018 zijn er 2078 vrachtauto’s met pech en 901 vrachtauto’s die betrokken waren bij een ongeval weggesleept door een gecontracteerde berger. Ik heb geen zicht op het aantal versleepte voertuigen door niet-gecontracteerde bedrijven. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Hoe waardeert u het feit dat vrachtauto’s met pech steeds vaker afgesleept worden door bandenbedrijven en truckdealers, waarbij waarschuwingsvoertuigen van Rijkswaterstaat ingeschakeld worden op kosten van Rijkswaterstaat, terwijl bergingsbedrijven deze beveiliging op eigen kosten moeten regelen?
Het is mij niet bekend dat er steeds meer voertuigen buiten gecontracteerde bergers om zouden worden weggesleept. Een gestrande vrachtauto die een gevaar vormt voor de veiligheid en de doorstroming belemmert, wordt altijd door een gecontracteerde berger verplaatst. Rijkswaterstaat zorgt hierbij voor beveiliging. Transporteurs schakelen veelal zelf pechhulp in na een stranding van een vrachtauto; dat is ook toegestaan. Bovag en Vaco kunnen ter plaatse pechhulp verlenen aan gestrande voertuigen, mits de omstandigheden dat toelaten. Met de Bovag en Vaco zijn afspraken gemaakt over het veilig werken langs de weg. Bandenbedrijven en truckdealers mogen dus niet zelf voertuigen wegslepen zodra die voertuigen de veiligheid in gevaar brengen of de doorstroming belemmeren. Inzet van Rijkswaterstaat bij het afhandelen van een incident op de weg wordt altijd betaald door Rijkswaterstaat zelf.
Kunt u een inschatting geven van de kostprijs van 24/7-beschikbaarheid van zware bergingsvoertuigen met drie bergingsspecialisten voor incidentenmanagement met ongeveer 5% bezettingsgraad en de hoge opleidings- en certificeringseisen?
De kostprijs varieert per bedrijf, afhankelijk van de bedrijfsgrootte en -activiteiten, de locatie en andere variabelen als overhead. Daar heb ik geen inzage in.
Rijkswaterstaat vergoedt overigens een groot deel van de certificeringskosten van een gecontracteerd bedrijf. Dit doet Rijkswaterstaat juist om deze kosten voor ieder bedrijf gelijk te houden.
Deelt u de verwachting dat het op deze wijze omschakelen van onderhandse gunning naar een openbare aanbesteding, de daaraan gekoppelde inzet op het verlagen van het aantal te contracteren bergingsbedrijven en de aanscherping van de eisen en het ontbreken van een vergoeding voor de 24/7-beschikbaarheid, zal leiden tot een prijzenslag in de sector met tariefstellingen onder de kostprijs? Deelt u ook de verwachting dat dit zal leiden tot situaties waarin het contract niet uitgevoerd kan worden, met op de middellange termijn zeker negatieve gevolgen voor de inzet van zware bergingsvoertuigen ten behoeve van snelle afhandeling van file-veroorzakende incidenten?
Er zijn vele private opdrachtgevers in deze markt actief. Het bergingswerk in het kader van Incident Management maakt maar een relatief klein deel uit van de totale werkzaamheden van de bergingsbedrijven. Het is aan de markt om een juiste berekening te maken van de kostprijs en inschrijftarieven. Bij de gunning wordt niet alleen gekeken naar de prijs, ook de kwaliteit speelt een belangrijke rol. Daarmee wordt inschrijven met hogere kwaliteit beloond en gestimuleerd. Zoals ik in antwoord 2 al aangaf, kunnen bedrijven in combinatie inschrijven of in een structuur met hoofd- en onderaannemers. Ook bij de uitvoering van het contract kan samengewerkt worden met andere bedrijven. Ik verwacht dan ook niet dat er een prijzenslag in de sector ontstaat of dat het contract niet uitgevoerd kan worden. Als het gecontracteerde bedrijf bijvoorbeeld zelf niet kan uitrijden, kan hij een ander bedrijf inschakelen dat namens hem de berging uitvoert.
Deelt u de verwachting dat het inkorten van de aanrijtijden zal leiden tot onveilige situaties buiten de Randstad als gevolg van irreële aanrijtijden?
Die verwachting deel ik niet omdat er ruimte is om onderling samen te werken. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Bent u bereid de voorgestelde tenderregeling en de opgenomen voorwaarden te heroverwegen, mede op basis van de uitkomsten van de lopende marktconsultatie en de ondermijning van de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van zware berging te voorkomen?
De marktconsultatie is uitgevoerd. Wijzigingen als gevolg van inzichten die Rijkswaterstaat heeft opgedaan tijdens de marktconsultatie worden al doorgevoerd in de aanbesteding en contractstukken. Er is in mijn ogen geen sprake van ondermijning van beschikbaarheid en betrouwbaarheid van zware berging. Heroverweging van de tenderregeling is daarom niet aan de orde.
Bent u bereid de optie van een bodemprijs op basis van kostprijsonderzoek daarbij mee te nemen?
Nee. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 7 heb aangegeven is het niet mogelijk om een uniforme minimale kostprijs voor de gehele sector te berekenen door de grote verscheidenheid aan bergingsbedrijven. De aanbesteding is dusdanig ingericht dat inschrijvers beloond worden voor een kwalitatief goede aanbieding, waarbij nadrukkelijk ruimte is voor een gezonde winstmarge. Ik overweeg daarom ook niet om een bodemprijs in te stellen.
De situatie op het Archimedes-instituut van de Hogeschool Utrecht |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De puzzel is soms erg complex bij Instituut Archimedes»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Is het waar dat de meerderheid van de (leraren)opleidingen bij het Instituut Archimedes onrendabel is door beperkte studenteninstroom? Is het naar uw mening wenselijk dat onderwijsinstellingen financieel nadeel hebben van het aanbieden van lerarenopleidingen in een tijd van lerarentekort?
De overheid bekostigt hogescholen en universiteiten en bekostigt niet per opleiding. Juist om hogescholen die een publieke taak hebben de ruimte te geven hun primaire opdracht – opleiden voor de brede verscheidenheid aan beroepen op de arbeidsmarkt – goed uit te voeren is de bekostiging van hogescholen zo ingericht dat colleges van bestuur zelf beleidsmatige keuzes kunnen maken bij de allocatie van de beschikbare middelen. Vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid bieden hogescholen zowel opleidingen aan die veel studenten trekken, als opleidingen die minder studenten trekken, maar wel opleiden voor maatschappelijk relevante beroepen zoals de lerarenopleidingen.
Zoals aangekondigd in mijn reactie op het Advies «Wissels om» van de Adviescommissie bekostiging hoger onderwijs en onderzoek zal ik een kostenonderzoek laten uitvoeren waarin ik ook aandacht zal hebben voor de kosten van kleine opleidingen, zorg- en lerarenopleidingen.
Klopt het volgens u dat het beëindigen van het «blended learning»-programma Maestro Kompas heeft geleid tot tekorten van het Instituut Archimedes? Zo ja, hoe valt dit te verklaren, aangezien dergelijke subsidies niet bedoeld zijn om de instituutsbegroting rond te krijgen? Hoeveel docenten zijn er opgeleid in het programma Maestro Kompas en hoeveel heeft dit project in totaal gekost?
Het college van bestuur meldt dat er geen verband is tussen het beëindigen van Maestro Kompas en tekorten bij het Instituut Archimedes. Er is wel een indirect negatief effect door het vervallen van het schaalvoordeel dat in de uitvoering van Maestro Kompas ten gunste kwam aan Instituut Archimedes. Het produceren van een «blended learning» omgeving in het kader van Maestro Kompas bracht als voordeel mee dat deze omgeving ook toegepast wordt in het Instituut Archimedes.
Het project Maestro Kompas liep van 2012 tot 2017, onder verantwoordelijkheid van de Open Universiteit. Met het project was een totaal subsidiebedrag van ruim 8 mln. gemoeid. Ongeveer 1,5 mln daarvan werd besteed aan de inzet van expertise vanuit de Hogeschool Utrecht. Het doel van Maestro Kompas was te komen tot een regionale opleidings- en professionaliseringsinfrastructuur voor Caribisch Nederland.
Met Maestro Kompas hebben alle docenten die op 10-10-2011 nog onbevoegd lesgaven op Caribisch Nederland de kans gekregen alsnog, om niet, hun bevoegdheid te halen. Daarvan is goed gebruik gemaakt. Ook zijn er onderwijsassistenten op Sint Eustatius geschoold tot bevoegd docent po, zijn grotere sommen geld voor de scholen beschikbaar gekomen om te professionaliseren en is een traject opgezet om te komen tot één gezamenlijke aanpak van het opleiden van leraren op de Cariben.
Is het waar dat het Instituut Archimedes meedoet met de pilot flexibilisering?2 Zo ja, kunt u duidelijk maken welke (deeltijd)opleidingen van het Instituut Archimedes vanaf welk moment meedoen aan deze pilot? Kunt u duidelijk maken of deze opleidingen voldoen aan de voorwaarden voor de pilot flexibilisering en daar ook vanaf het moment van deelname aan hebben voldaan?
Ja, deeltijdse lerarenopleidingen van Instituut Archimedes nemen inderdaad deel aan de pilot flexibilisering (het experiment leeruitkomsten). Het gaat om in totaal 14 opleidingen. De deeltijdse Tweedegraads lerarenopleidingen Wiskunde, Nederlands en Engelsen nemen sinds september 2017 deel. De deeltijdse Tweedegraads lerarenopleidingen Frans, Duits, Spaans, Omgangskunde, Gezondheidszorg, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Natuurkunde, Techniek, Scheikunde en Biologie nemen sinds 2018 deel aan het experiment.
De Hogeschool Utrecht heeft toestemming gekregen voor deelname aan het experiment leeruitkomsten met deze en andere opleidingen, op grond van een positief advies van NVAO en inspectie naar aanleiding van de door de Hogeschool Utrecht ingediende aanvraag voor deelname. Op grond van de uitgewerkte plannen was het oordeel dat voldaan werd aan de gestelde voorwaarden.
Met alle instellingen die deelnemen aan het experiment leeruitkomsten worden zogeheten «vinger-aan-de-pols-ontwikkelingsgesprekken» gevoerd door de projectgroep flexibilisering van OCW, NVAO en inspectie. Naar aanleiding van de gesprekken dit studiejaar met Hogeschool Utrecht zijn vragen gesteld over de implementatie van het flexibele onderwijsconcept op basis van leeruitkomsten bij de deeltijdse lerarenopleidingen. Dat heeft ertoe geleid dat aanvullende informatie is opgevraagd bij het Instituut Archimedes betreffende definitieve studiegidsen 2019–2020. Het proces voor instemming loopt op dit moment nog en zal voor 1 juli a.s. worden afgerond, wanneer de gemeenschappelijke opleidingscommissie vóór deze datum instemt.
Mede naar aanleiding van de «vinger-aan-de-pols-ontwikkelingsgesprekken» en de jaarcyclus heeft het college van bestuur in februari 2019 opdracht gegeven om een interne kwaliteitsaudit te laten plaatsvinden bij de flexibele deeltijd opleidingen van Instituut Archimedes over de inhoudelijke voortgang van deze opleidingen. De rapportage hierover is gepland in najaar 2019.
Is het waar dat de medezeggenschap binnen het Instituut Archimedes al verschillende malen geen instemming heeft verleend aan de organisatieplannen rondom de pilot flexibilisering? Is het waar dat deze zaak een van de redenen was voor het opzeggen van het vertrouwen van de medezeggenschap in de directie vorig jaar?
De Instituutsraad (IR) heeft in 2017 de beleidsnotitie «Gepersonaliseerd leren» goedgekeurd. In deze notitie ligt de basis voor de vernieuwing van de programma’s van de opleidingen. Vervolgens heeft de Instituutsraad gedurende twee achtereenvolgende jaren (2017–2018 en 2018–2019) niet ingestemd met de uitwerking van de beleidsnotitie. Inmiddels wordt in goed overleg met de Instituutsraad verder gewerkt aan de vernieuwing van de opleidingen.
Advisering over de uitwerking van de pilot flexibilisering is voorbehouden aan de Hogeschoolraad (HSR); de Instituutsraad heeft hier geen rol.
Conform de AMvB is de HSR in de gelegenheid gesteld over de inrichting van het experiment te adviseren. De HSR heeft op 28 oktober 2016 positief geadviseerd over de inrichting van het experiment.
Instemming op de studiegidsen – waarin de programma’s van de opleidingen worden vastgelegd – was belegd bij de Gemeenschappelijke opleidingscommissie. De Gemeenschappelijke Opleidingscommissie van Instituut Archimedes heeft ingestemd met de studiegidsen van afgelopen studiejaren, i.c. 2017–2018 en 2018–2019. De studiegids voor het studiejaar 2019–2020 ligt op dit moment ter instemming voor bij de Gemeenschappelijke opleidingscommissie van het instituut. Voor uiterlijk 1 juli 2019 wordt de Gemeenschappelijke opleidingscommissie geacht een oordeel over de studiegids te geven.
Op verzoek van de directeur van Instituut Archimedes heeft het college van bestuur een bemiddeling gedaan naar aanleiding van het niet instemmen door de Instituutsraad op de begroting 2019 en het managementplan 2019 van het instituut. In deze bemiddeling zijn afspraken gemaakt over begroting en managementplan die geleid hebben tot instemming door de Instituutsraad. Ook zijn er aanvullende afspraken gemaakt die erop gericht zijn om de basis van samenwerking te versterken. Het college van bestuur heeft mij verzekerd dat zij zich regelmatig laat informeren over de samenwerking door het voeren van gesprekken met direct betrokkenen.
Hoeveel middelen heeft het Instituut Archimedes tot nu toe in het kader van de pilot flexibilisering ontvangen? Zijn deze middelen besteed conform de voorwaarden van het ministerie?
De Hogeschool Utrecht heeft in 2017 in het kader van de tweede tranche van de subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen een subsidie toegekend gekregen van 2 mln. euro, voor de periode tot en met 2020. De totale projectbegroting bedraagt ruim 6,3 mln.; de Hogeschool investeert dus 4,3 mln. eigen middelen. In de jaren 2017 en 2018 is in totaal ruim 1,1 mln. euro aan subsidievoorschotten overgemaakt naar de Hogeschool Utrecht. Het college van bestuur geeft aan dat van dit bedrag in 2017 en 2018 in totaal € 350.000 naar het Instituut Archimedes is gegaan voor de ontwikkelactiviteiten bij de betreffende deeltijdse lerarenopleidingen.
De verantwoording loopt via de jaarrekening van Hogeschool Utrecht en wordt gecontroleerd door de accountant. Na afronding van de werkzaamheden in het kader van dit subsidieproject vindt in 2021 de subsidievaststelling plaats op basis van de eindverantwoording door de Hogeschool Utrecht. Op dat moment vindt ook een beoordeling door DUS-I (DUO) plaats of de middelen zijn besteed aan activiteiten die op grond van de regeling subsidiabel zijn.
Deelt u de mening dat het Instituut Archimedes als grootste docentenopleiding van Nederland (zo’n 3.500 studenten) een bijzondere waarde heeft, zeker in tijden van oplopende lerarentekorten? Deelt u de mening dat wanneer er zorgelijke signalen zijn, dit extra betrokkenheid van de Minister vraagt?
Ik ben het met u eens dat het Instituut Archimedes, net als de andere lerarenopleidingen, een belangrijke functie te vervullen hebben bij het tegengaan van het lerarentekort. Over de aanpak van de lerarentekorten trekken de Minister voor basis- en voortgezet onderwijs en media en ik intensief samen op. Dat doen we onder andere aan de bestuurlijke tafel lerarentekort waar vertegenwoordigers van scholen en lerarenopleidingen elkaar treffen. Verder voer ik afzonderlijk (periodiek) overleg met de Vereniging Hogescholen over de rol van de lerarenopleidingen bij het oplossen van de problemen op de onderwijsarbeidsmarkt en de vraag hoe ik de lerarenopleidingen daarbij kan ondersteunen.
Deelt u de mening dat het erop lijkt dat het Instituut Archimedes herhaaldelijk gebruikt maakt van tijdelijke projectsubsidies om structurele tekorten op te vangen en dat dit onwenselijk is?
Het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht heeft mij verzekerd dat instituten binnen de instelling, inclusief Instituut Archimedes, bekostiging ontvangen gebaseerd op studentenaantallen en de opdracht het onderwijs naar behoren uit te voeren binnen deze bekostiging.
Instituut Archimedes heeft de afgelopen jaren daarnaast actief andere financieringsbronnen ingezet – deels door middel van daartoe verkregen subsidies, en door middel van inkomsten uit contractonderwijs – om kwaliteitsverbeteringen en innovatie te realiseren. De daarmee gepaard gaande schaal- en efficiency voordelen zijn het indirecte gevolg van deze projecten; het stelt Instituut Archimedes in staat om te innoveren en te verbeteren tegen lagere kosten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het bestuur van de Hogeschool Utrecht over de situatie op het Instituut Archimedes, zowel waar het gaat om eventuele bekostigingsproblemen als de moeizame verhoudingen tussen het instituutsbestuur en de medezeggenschap?
Wanneer daar aanleiding toe is ben ik te allen tijde bereid in gesprek te gaan met de Hogeschool Utrecht.
Naar aanleiding van deze schriftelijke vragen heb ik reeds contact opgenomen met de voorzitter van het college van bestuur.
Bent u bereid om met specifieke maatregelen te komen voor het probleem van kleine docentenopleidingen die een relatief hoge maatschappelijke waarde hebben maar door hun beperkte omvang voor onderwijsinstellingen niet rendabel zijn?
Zoals gemeld in mijn antwoord op vraag 7 ben ik op regelmatige basis in gesprek met lerarenopleidingen en/of hun vertegenwoordigers over de aanpak van het lerarentekort en over de vraag wat de opleidingen nodig hebben hun rol daarbij goed te vervullen. Ook zal ik, zoals vermeld in mijn antwoord op vraag 2, in het kostenonderzoek als vervolg op het advies van de commissie Van Rijn in het bijzonder aandacht hebben voor de kosten van kleine opleidingen, zorg- en lerarenopleidingen.
Beschut werk |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rapport: Besluit arbeidsdeskundige UWV komt vaak uit de lucht vallen»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja. Binnen UWV worden periodiek kwaliteitsonderzoeken verricht als onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Dit geeft in mijn ogen blijk van een professionele taakopvatting. De resultaten van de periodieke kwaliteitsonderzoeken leiden tot aanpassingen in de uitvoering zoals ik hieronder bij vraag 2 aangeef. Voor mijn opvatting over dit soort onderzoeken in het kader van het sociaal-medisch handelen verwijs ik ook naar de brief van de Minister van SZW van 16 april 2019 (Kamerstuk 26 6448, nr. 621) en de antwoorden op eerdere vragen van het lid Jasper van Dijk, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 2848
Hoe gaat u borgen dat mensen met een arbeidsbeperking op een betere beoordeling van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) kunnen rekenen?
Eerder is gesteld dat de kwaliteit van het handelen van de arbeidsdeskundige in de periode van de onderzoeken niet voldeed aan de interne norm die UWV hanteert. Dat is een punt van zorg. Er kan echter niet geconcludeerd worden dat een tekortschietende kwaliteit van de advisering ook altijd betekent dat het advies beschut werk niet klopt. UWV heeft inmiddels meerdere maatregelen getroffen, met aanpassingen en verbetering van de interne opleiding tot arbeidsdeskundige als belangrijkste. Intercollegiaal overleg, dossieranalyse en -besprekingen zijn andere maatregelen die UWV treft. Gevallen waarbij UWV constateert dat de kwaliteit te kort schoot en waarbij dat mogelijk van invloed is geweest op de inhoud van het advies beschut werk, worden opnieuw bekeken.
Welke actie gaat u ondernemen naar aanleiding van de constatering dat de arbeidsdeskundige zich te weinig verdiept in wat de belemmeringen zijn die de arbeidsbeperkte tegenkomt?
In de onderzoeksfase Beeldvorming wordt in het rapport geconstateerd dat het participatieprobleem van de persoon waarover geadviseerd wordt, niet altijd goed wordt onderzocht dan wel verwoord, bijvoorbeeld doordat relevante bronnen niet worden betrokken of er onvoldoende wordt doorgevraagd. Dergelijke tekortkomingen kunnen naar mijn mening goed ondervangen worden door de kwaliteitsmaatregelen die UWV inmiddels getroffen heeft.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de definities van permanent toezicht en intensieve begeleiding niet meer verkeerd worden gehanteerd?
Ook dit zijn punten die ondervangen kunnen worden door de genomen kwaliteitsmaatregelen. Ik zal hierover met UWV verder in contact treden in het kader van de evaluatie van beschut werk en de Kamer daar eind dit jaar nader over informeren.
Bent u bereid een onafhankelijke bezwaarcommissie in te stellen nu wederom blijkt dat beoordelingen niet altijd even zorgvuldig zijn?
Iedereen heeft de mogelijkheid om tegen een overheidsbeslissing in bezwaar en beroep te gaan. Bij de behandeling van een bezwaarzaak moet een bestuursorgaan volgens de Algemene wet bestuursrecht bepaalde waarborgen in acht nemen om een zekere mate van onafhankelijkheid te borgen. Zo is een vereiste dat een beslissing op bezwaar wordt genomen op een hiërarchisch hoger niveau dan de primaire beslissing en mag de voorzitter van de hoorzitting niet zijn betrokken bij de primaire beslissing. Bij beroep is de rechter uiteraard geheel onafhankelijk. UWV voldoet daarmee aan de normen voor een deugdelijke rechtsbescherming. Ik zie geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen.
Kunt u het betreffende rapport naar de Kamer sturen zonder dat de aanbevelingen zwart zijn gemaakt?
In antwoord op de vragen van het lid Jasper van Dijk over eerdere berichtgeving in de media over de kwaliteit van personeel van UWV, heb ik aangegeven alle rapporten over kwaliteitsonderzoeken die door dagblad Trouw bij UWV zijn opgevraagd op grond van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur, ter vertrouwelijke inzage te leggen bij uw Kamer, zonder dat informatie daaruit onleesbaar is gemaakt. Het onderzoek waarnaar in de onderhavige vragenset wordt gerefereerd, maakt daar onderdeel van uit en is dus al ter vertrouwelijke inzage bij uw Kamer bekend.
Een Brits rapport inzake geloofsvervolging waarin grote zorgen worden geuit over de wereldwijde christenvervolging |
|
Martijn van Helvert (CDA), Joël Voordewind (CU), Pieter Omtzigt (CDA), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Christian persecution «at near genocide levels» van BBC naar aanleiding van het rapport opgesteld in opdracht van de Britse Minister van Buitenlandse Zaken Jeremy Hunt?1
Ja.
Kunt u uw reactie op dit rapport van Philip Mounstephen in een brief aan de Kamer doen toekomen, samen met de antwoorden op deze vragen? Kunt u reageren op de conclusies van het interimrapport?
De reactie van het kabinet op het tussentijdse rapport van Philip Mountstephen, opgesteld voor het Britse Foreign and Commonwealth Office, ontvangt u met de antwoorden op deze vragen.
De heer Mountstephen concludeert dat, enkele meer positieve ontwikkelingen daargelaten, er wereldwijd sprake is van toenemende schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging, en van discriminatie en geweld jegens christenen in het bijzonder. De opsteller stelt voorts onder verwijzing naar artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens dat implementatie in plaats van vernieuwing van het bestaande mensenrechtenraamwerk de grootste uitdaging vormt. Deze conclusie deelt het kabinet.
Zoals in het geactualiseerde mensenrechtenbeleid (Kamerstuk 32 735, nr. 198) opgenomen zet Nederland zich in voor universele mensenrechten, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het recht op vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de zes prioriteiten van het buitenlandse mensenrechtenbeleid van Nederland. Nederland zet zich in, en zal zich blijven inzetten, voor naleving van de Universele Verklaring, met inbegrip van artikel 18. Conform de moties Voordewind c.s. (Kamerstuk 33 694, nr. 13 en 34 775 V, nr. 29) intensiveert Nederland deze inzet de komende jaren, zoals nader uitgewerkt in mijn brief aan uw Kamer van 30 oktober jl. (Kamerstuk 32 735, nr. 227).
Herkent u de uitspraak van uw Britse collega dat politieke correctheid heeft bijgedragen aan het relativeren van wereldwijde christenvervolging?
Deze uitspraak is aan mijn Britse collega; het kabinet doet daar geen uitspraak over. Dit kabinet zet zich in zijn mensenrechtenbeleid in het bijzonder in voor kwetsbare groepen zoals christenen.
In welke mate herkent u de constatering van uw Britse collega dat «in sommige regio's het niveau en de aard van vervolging aantoonbaar dicht in de buurt komt van het voldoen aan de internationale definitie van genocide, volgens die van de VN»?
De bevinding door Philip Mountstephen in het rapport dat in sommige regio’s de schaal en aard van vervolging misschien wel in de buurt komen van het voldoen aan de internationale definitie van genocide, zoals aangenomen door de VN, is zorgelijk. Het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide, dat het kabinet onderschrijft, verplicht de staten die partij zijn bij het verdrag om genocide te voorkomen en te bestraffen. De verplichting om genocide te voorkomen houdt in dat een staat alle maatregelen moet nemen die redelijkerwijs beschikbaar zijn om genocide zo veel mogelijk te voorkomen. Deze verplichting richt zich primair op de territoriale staat – de staat waar de misdrijven worden gepleegd – maar is niet territoriaal begrensd. De reikwijdte van de verplichting om te voorkomen voor andere staten hangt af van hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op mogelijke plegers van genocide. De verplichting om genocide te bestraffen houdt in dat staten genocide strafbaar moeten stellen en verdachten op hun eigen grondgebied moeten vervolgen. In Nederland is de Wet internationale misdrijven van toepassing, op basis waarvan verdachten van genocide kunnen worden vervolgd indien het OM daartoe besluit. Op basis van deze wet geldt universele rechtsmacht voor deze misdrijven.
Welke conclusie moet getrokken worden uit bovenstaande constatering aan de ene zijde en aan de andere zijde artikel 1 uit het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide, aangenomen in de Algemene Vergadering van de VN op 1 december 1948, waarin staat dat alle ondertekende leden genocide moeten voorkomen en bestraffen?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft het kabinet het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide nog steeds? Welke actie neemt Nederland, bijvoorbeeld als gevolg van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide, tegen christenvervolging?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre is het kabinet bereid om de vervolging omwille van geloof hard tegen te gaan?
Nederland zet zich samen met gelijkgezinde landen ervoor in dat mensenrechtenschendingen ook via sancties kunnen worden aangepakt. Zowel in VN- als EU-verband is in verschillende geografisch afgebakende sanctieregimes een criterium voor ernstige mensenrechtenschendingen opgenomen, waar ook schendingen tegen religieuze minderheden onder geschaard kunnen worden. Deze regimes bieden de mogelijkheid voor persoonsgerichte sancties, in beginsel ook jegens hen die hiervoor politieke verantwoordelijkheid dragen.
Daarnaast pleit het kabinet zoals bekend voor een EU-mensenrechtensanctieregime waarmee wereldwijd persoonsgerichte sancties tegen mensenrechtenschenders kunnen worden ingesteld. Ook ernstige mensenrechtenschendingen ten opzichte van religieuze minderheden zouden onder de reikwijdte van dit sanctieregime kunnen vallen. Uw kamer zal periodiek via de gebruikelijke weg over de voortgang van de discussies in EU-verband over dit sanctieregime geïnformeerd blijven worden.
Wanneer wordt de nieuwe Speciaal Gezant voor Vrijheid van Geloof en Levensovertuiging in Nederland aangesteld en krijgt deze dezelfde status als de Ambassadeur voor de Rechten van de Mens?
Gezien het belang dat het kabinet en uw Kamer hechten aan vrijheid van religie en levensovertuiging is de positie voor een Speciaal Gezant voor dit thema gecreëerd. Het streven is dat de Gezant in de zomer van 2019 aantreedt. De gezant krijgt niet de titel van ambassadeur. De Mensenrechtenambassadeur is het boegbeeld van het buitenlandse mensenrechtenbeleid van Nederland, waarbinnen de vrijheid van religie en levensovertuiging één van de zes prioriteiten is. Ook zij zal daarom aandacht aan vrijheid van religie en levensovertuiging blijven besteden in haar werk. Vanzelfsprekend zullen de Speciaal Gezant en de Mensenrechtenambassadeur nauw samenwerken.
In hoeverre is het kabinet bereid om samen met andere landen deze vervolging tegen te gaan met sancties tegen landen die christenen vervolgen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre kunnen persoonlijke sancties worden ingezet tegen leiders in landen die christenen vervolgen?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre bent u bereid om, samen met de Kamer, en samen met andere landen een «artikel 18 Top» te organiseren, waarbij geen politieke correctheid voorop staat, maar de wens om vervolgde christenen en andere gelovigen te helpen en vervolging te voorkomen?
Gezien het belang dat Nederland hecht aan het recht op vrijheid van religie en levensovertuiging, zoals onder meer neergelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en het voornemen van het kabinet om de inzet hierop te intensiveren, heb ik besloten om op 18 november 2019 een internationale conferentie te organiseren in Nederland over de bestrijding van religieuze intolerantie. Deze conferentie zal plaatsvinden in het kader van het «Istanboel Proces»: het mechanisme voor dialoog over de toepassing van resolutie 16/18 van de VN-Mensenrechtenraad over dit onderwerp. Met deze conferentie geeft Nederland een vervolg en hernieuwde energie aan dit proces. In lijn met de aanbeveling van de VN Speciaal Rapporteur voor vrijheid van religie en levensovertuiging, Dr. Ahmed Shaheed, zal de bijeenkomst qua thema en deelnemersveld gericht zijn op dialoog en een praktijkgerichte uitwisseling van best practices.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap meer actie moet ondernemen dan tot nu toe werd gedaan, omdat de vervolging van christenen in de wereld verergert in plaats van afneemt?
Zie antwoord vraag 11.
Welke rol ziet u hierin voor Nederland weggelegd als land dat de stad van vrede en recht herbergt?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid om het thema religieuze intolerantie, godsdienstvrijheid en christenvervolging te agenderen voor een speciale sessie van de Raad Buitenlandse Zaken en daar een voorstel te doen voor een gezamenlijke strategie richting landen die religieuze minderheden vervolgen?
Ook binnen de EU heeft de vrijheid van religie en levensovertuiging de aandacht. Nederland zet zoals bekend in op versterking en verlenging van het mandaat van de EU Speciaal Gezant voor dit thema. Het kabinet is voorts bereid zich in te spannen om in Raadskader op een opportuun moment het onderwerp vrijheid van religie en levensovertuiging op te brengen.
Leerlingen op basisscholen in achterstandswijken die massaal kampen met problemen bij taal en leren, concentratieproblemen en ouders die hun kinderen vaak niet kunnen helpen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kloppen de bevindingen van het onderzoek van onderzoeksbureau MWM2 dat volgens bijna 90 procent van de leerkrachten kinderen in armoedige wijken vaak een taalachterstand hebben, terwijl dit in reguliere wijken bij nog geen kwart van de leerlingen zo is, en volgens bijna driekwart van het onderwijzend personeel leerlingen in achterstandswijken concentratieproblemen hebben, terwijl dit in andere wijken ongeveer de helft is?1
Ik herken het signaal dat er scholen in wijken met armoedeproblematiek zijn waar veel achterstandenproblematiek speelt, waar taalachterstanden en concentratieproblemen onderdeel van zijn. Het bevorderen van kansengelijkheid in het onderwijs is ook een van de prioriteiten van dit kabinet.3 In het onderwijsachterstandenbeleid voor basisscholen maak ik zelf geen onderscheid tussen wijken, omdat het meetellen van buurtkenmerken niet zorgt voor een significant betere voorspelling voor het risico van een kind op een onderwijsachterstand. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat vooral gezinskenmerken en één schoolkenmerk een significante rol spelen in het voorspellen van het risico van een kind op een onderwijsachterstand.4 In wijken met veel achterstandenproblematiek zullen over het algemeen meer kinderen naar school gaan met een groter risico op een onderwijsachterstand, doordat bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de ouders hier gemiddeld meestal lager is. Hierdoor ontvangen scholen in deze wijken meer onderwijsachterstandenbudget.
De exacte cijfers die in het onderzoek worden genoemd zijn mij niet zodanig bekend en deze zijn ook lastig te verifiëren. Het onderzoek kent maar een beperkt aantal respondenten en de persoonlijke beleving van de respondenten staat centraal. Ook hebben de respondenten zelf aangegeven of hun school in een «achterstandswijk» gevestigd is of niet. Op basis van deze resultaten kan ik niet goed inschatten of de bevindingen generiek van toepassing zijn op de situatie op alle scholen. Ik ken ook scholen in wijken met achterstandenproblematiek die het heel goed doen. Ik verwacht dus dat de bevindingen uit het onderzoek niet één-op-één toepasbaar zijn op alle scholen in deze wijken. Dit neemt niet weg dat ik, zoals eerder aangegeven, het signaal herken dat deze problematiek op sommige scholen speelt.
Wat betekenen deze omstandigheden voor de kansengelijkheid voor de kinderen in achterstandswijken?
De omstandigheden zoals die in het onderzoek worden beschreven zijn voor wat betreft kansengelijkheid voor kinderen in wijken met achterstandenproblematiek uiteraard niet positief. Dit kabinet staat voor een inclusieve samenleving waarin iedereen mee kan doen en iedereen een eerlijke kans heeft om iets van haar of zijn leven te maken. Om de kansengelijkheid in het onderwijs te bevorderen voer ik hier samen met Minister van Engelshoven in alle onderwijssectoren actief beleid op, zoals we hebben omschreven in onze brief «Bevorderen van kansengelijkheid in het onderwijs» van 13 maart jongstleden.5 Daarnaast sluiten we met de Gelijke Kansen Alliantie aan op bestaande of nieuwe lokale initiatieven. Via de Gelijke Kansen Alliantie sta ik in contact met het Jeugdeducatiefonds, een van de opdrachtgevers van dit onderzoek, met name gericht op de aanpak van (kinder)armoede die we samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontwikkelen. Ook ondersteunen we basisscholen met problematiek rond onderwijsachterstanden financieel met de onderwijsachterstandsmiddelen. Jaarlijks ontvangen basisscholen circa € 290 miljoen en gemeenten € 490 miljoen aan onderwijsachterstandsmiddelen.
Ik zie echter ook dat sommige scholen, vaak scholen in wijken met veel problematiek, kampen met een opeenstapeling van uitdagingen, zoals veel achterstandsleerlingen, een tekort aan personeel en/of ziekteverzuim, veiligheidsproblematiek in de school, financiële krapte en verouderde gebouwen. Niet alleen de rijksoverheid, maar ook gemeenten hebben hier een rol in, in elk geval op het gebied van huisvesting. Op dit moment onderzoek ik samen met DUO en de Inspectie van het Onderwijs wanneer er op een school sprake is van een opeenstapeling van problemen. Tegelijk besef ik dat er scholen zijn in een vergelijkbare situatie waar de opeenstapeling van problematiek niet lijkt te spelen.
Hoe beoordeelt u de roep van leerkrachten in achterstandswijken die kleinere klassen, meer ondersteunend personeel en meer geld van de overheid willen?
Ik ken scholen in wijken met achterstandenproblematiek die heel goed onderwijs bieden en bijvoorbeeld zelfs het predicaat «excellent» hebben gekregen. Het is niet per definitie zo dat op alle scholen met leerlingen met achterstandenproblematiek een tekort aan personeel of budget wordt ervaren. Dit neemt niet weg dat ik zie dat er veel gevraagd wordt van leraren op scholen met veel achterstandenproblematiek. Zoals in het antwoord op vraag 2 is beschreven, bestaat er juist voor scholen met onderwijsachterstandenproblematiek het onderwijsachterstandenbeleid. Hiervoor krijgen basisscholen en gemeenten met achterstandenproblematiek extra geld om achterstanden onder hun leerlingen en peuters te bestrijden.
Tevens wordt er dit jaar een programma opgesteld en uitgevoerd, waarvan kennisverspreiding een belangrijk onderdeel is. Vanuit dit programma zullen basisscholen de komende jaren worden ondersteund bij de ontwikkeling en inzet van effectieve interventies om onderwijsachterstanden te bestrijden. De bestaande kennis over effectieve interventies wordt beter toegankelijk gemaakt voor basisscholen en samen met onderzoekers worden interventies (door)ontwikkeld. Scholen die niet aan in het programma deelnemen, maar voor wie de informatie wel relevant is, zullen actief worden benaderd, zodat zoveel mogelijk kinderen met een onderwijsachterstand hiervan profiteren.
Voor goed onderwijs zijn natuurlijk voldoende en goede leraren nodig. Het lerarentekort is ongelijk verdeeld en baart mij zorgen.6 We ondersteunen scholen en gemeenten in de aanpak van het lerarentekort, onder meer door middel van een uitkering aan de G4 via het gemeentefonds. Schoolbesturen en lerarenopleidingen kunnen subsidie aanvragen voor de specifieke aanpak van het lerarentekort in hun regio. Indien nodig kunnen zij specifieke maatregelen treffen voor scholen met een complexe leerlingenpopulatie.
Daarnaast wordt de subsidie voor het vrijroosteren van leraren verlengd. Deze subsidie is bedoeld voor de professionalisering van leraren en het gericht ondersteunen van achterstandsleerlingen. Met de subsidie kunnen leraren twee jaar gedeeltelijk vrij worden geroosterd voor deelname aan coachingsactiviteiten en voor intensieve begeleiding van leerlingen.
Welke consequenties verbindt u aan de situatie die zonder wijziging van beleid, nu dreigt te ontstaan voor de betrokken kinderen?
Zoals eerder beschreven herken ik de situatie van de leerlingen op sommige basisscholen in wijken met een grote armoedeproblematiek. Ik voer al actief beleid om basisscholen met onderwijsachterstandenproblematiek te ondersteunen. In de bovenstaande antwoorden heb ik daarvoor concrete voorbeelden gegeven.
Het bericht 'Ter Apel wil van opvangcentrum af wil, tenzij er meer politie komt' |
|
Bente Becker (VVD), Antoinette Laan-Geselschap (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mark Harbers (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ter Apel wil van opvangcentrum af, tenzij er meer politie komt»?1
Ja.
Klopt het dat de gemeente Westerwolde heeft aangegeven het contract met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) te willen opzeggen vanwege het grote aantal overlastgevende asielzoekers in de gemeente, tenzij er meer politiecapaciteit komt?
De gemeenteraad van Westerwolde heeft op 24 april jl. een motie aangenomen waarin wordt gevraagd het mogelijk te maken een politiebureau in Ter Apel onderdeel te maken van de overeenkomst met het COA.
Heeft u begrip voor het feit dat men in de gemeente vanwege de grote negatieve impact op de veiligheid door overlastgevende asielzoekers behoefte heeft aan voldoende politie-inzet en erkent u dat het een probleem is dat dit door inwoners momenteel niet zo wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
Deze signalen zijn mij bekend en hier hebben de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik aandacht voor. Zo heeft de voormalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid recent twee bezoeken aan Ter Apel gebracht, waarbij hij heeft gesproken met onder meer inwoners en ondernemers. Onder andere naar aanleiding van deze gesprekken zijn door het kabinet ook verschillende maatregelen genomen om overlast waar mogelijk tegen te gaan. De voormalig Staatssecretaris heeft uw Kamer per brief over deze maatregelen geïnformeerd op 17 april.2
Kunt u inzicht verschaffen in de ontwikkeling van de criminaliteitscijfers van de gemeente Westerwolde sinds de komst van de centrale ontvangstlocatie in Ter Apel?
Sinds 1996 kent Ter Apel diverse locaties, waaronder een centrale ontvangstlocatie. Sinds 1996 is er veel veranderd in de wijze van registreren, en heeft er een gemeentelijke herindeling plaats gevonden. Het op een betekenisvolle wijze inzicht geven in de ontwikkeling van de criminaliteitscijfers over de periode sinds 1996 voor de gemeente Westerwolde is daardoor niet mogelijk. Wel kan ik u verwijzen naar openbare gegevens van de politie, waar de geregistreerde misdrijven in de gemeente Westerwolde tussen 2012 en 2018 te vinden zijn.3
Klopt het dat, ondanks het feit dat u heeft aangegeven dat de bevoegdheid over politie-inzet bij de regio ligt, in de overeenkomst tussen het COA en de gemeente een passage is opgenomen over voldoende politiecapaciteit? Zo ja, wat waren de afspraken precies en wat is de betrokkenheid van de nationale politie hierbij geweest?
In de Bestuursovereenkomst tussen het COA en de gemeente Vlagtwedde (nu Westerwolde) is een passage opgenomen over de politie-inzet. Deze passage uit de Bestuursovereenkomst is bekrachtigd door de politie in een afzonderlijk convenant. De Bestuursovereenkomst en het convenant zijn opgesteld in 2010, in de tijd van het regionale politiebestel. De afspraken over de politie-inzet zijn:
Kunt u aangeven of en op welke wijze vervolgens rekening is gehouden met het asielzoekerscentrum Ter Apel in de verdeling van de politiecapaciteit over de regio’s? Heeft de regio Noord-Nederland met de komst van de centrale ontvangstlocatie of bij de recente verdeling binnen de nationale politie extra middelen of inzet toegewezen gekregen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In het regionale bestel zijn aan het toenmalige regiokorps Groningen middelen toegekend in verband met de taken van de vreemdelingenpolitie in het aanmeldcentrum in Ter Apel. Daarnaast zijn toen aan de regio’s middelen toegekend voor andere taken van de vreemdelingenpolitie in verband met de aanwezigheid van opvangcentra in het werkgebied, en voor het handhaven van de openbare orde. Een deel daarvan was bestemd voor ordehandhaving door de afdeling vreemdelingenpolitie. Het andere deel was bestemd voor ordehandhaving door andere onderdelen van de politie. Bij de totstandkoming van de Nationale Politie is de met deze middelen gemoeide capaciteit toegedeeld aan de eenheid Noord-Nederland van het nationale korps.
De eenheid Noord-Nederland krijgt net als de andere eenheden een deel van de extra capaciteit voortkomend uit de regeerakkoord-middelen. Dit betreft een formatieuitbreiding van 82,5 fte.4 Een deel hiervan wordt ingezet in het basisteam dat de gemeente Westerwolde in zijn werkgebied heeft. In het Halfjaarbericht informeer ik u nader over hoe de eenheid in afstemming met het lokaal gezag deze extra capaciteit precies inzet.
Bent u bereid vanuit uw verantwoordelijkheid voor de nationale politie met de gemeente Westerwolde en de regioburgemeesters om de tafel te gaan over de vraag hoe binnen de prioritering van de nationale politie rekening kan worden gehouden met de impact die het landelijke aanmeldcentrum in ter Apel heeft op de lokale en regionale veiligheid? Zo ja, kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Door mij wordt de operationele sterkte over de eenheden verdeeld. Zaken met betrekking tot de lokale veiligheid en verdeling van de sterkte binnen de eenheid worden eerst en vooral in de lokale driehoek en binnen de betrokken regio besproken. Dat is in dit geval ook gebeurd.
Zoals ik uw Kamer ook in het AO Politie op 4 juni jl. heb gemeld, heb ik desalniettemin op korte termijn een aparte afspraak met de regioburgemeester Noord-Nederland en de burgemeester van Westerwolde om over deze problematiek te spreken.
Daarnaast zijn er andere momenten, zoals het LOVP, waarbij de regioburgemeesters, OM, politie en ik kunnen spreken over onderwerpen als deze.
Hierover merk ik nog het volgende op. In het AO Politie van 4 juni jl. heb ik uw Kamer toegezegd in deze beantwoording ook terug te komen op de bijstandssystematiek zoals opgenomen in de Politiewet 2012.
Wanneer er in een bepaalde gemeente tijdelijk meer politiecapaciteit nodig is, zijn er zowel binnen de eenheid als tussen eenheden van de politie mogelijkheden om bijstand in te roepen. Waar nodig kan de regioburgemeester hier een bemiddelende rol tussen de gezagsdragers binnen een eenheid vervullen. Wanneer het gaat om bijstandsverlening tussen eenheden richt het gezag een daartoe strekkend verzoek tot de korpschef. Als over dit verzoek geen overeenstemming kan worden bereikt, kan de burgemeester of hoofdofficier van justitie zich wenden tot de Minister. Deze kan de korpschef een aanwijzing geven. Deze werkwijze is in grote lijnen vergelijkbaar met de werkwijze in het vroegere regionale politiebestel.
Hoe verhoudt de inzet van politie in de regio zich tot het recente nieuws dat een beveiligingsbedrijf wordt ingezet om kaartjes te gaan verkopen voor de proef met een asielbus aan overlastgevende asielzoekers?2 Onder welke verantwoordelijkheid valt de beveiliging en hoe wordt deze beveiliging gefinancierd? Kunt u erop aandringen dat de prijs van de kaartjes in elk geval kostendekkend zal zijn voor de kosten van de beveiliging? Zo nee, waarom niet?
De pilot met de pendelbus tussen het aanmeldcentrum Ter Apel en treinstation Emmen heeft als doel de overlast op de reguliere buslijn 73 te verminderen. Voor de uitvoering van deze pilot is gezocht naar een partij om de kaarten te verkopen. Daarbij is een beveiligingsbedrijf door de betrokken regionale busvervoerder Qbuzz gevraagd deze taak op zich te nemen. De inzet van de beveiliging ten behoeve van de kaartverkoop staat los van de inzet van de politie in de regio. Over de voortgang van de pilot wordt goed afgestemd tussen de betrokken partijen op lokaal niveau, waaronder ook de politie.
De kaartverkoop door beveiligers op het COA terrein valt onder verantwoordelijkheid van de regionale busvervoerder Qbuzz. Uitgangspunt is dat de kosten van beveiligers die worden ingehuurd voor de kaartverkoop worden gefinancierd vanuit de opbrengsten van de kaartverkoop. Voor het toezicht rondom de locatie voor de kaartverkoop en de buslijn wordt de reguliere beveiliging van het COA ingezet. Hiermee zijn geen extra kosten gemoeid. De resultaten van de pilot worden door Qbuzz en het COA gemonitord, waarin ook het kostenaspect wordt betrokken. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zal u voor het zomerreces nader informeren over de pilot, waarin tevens de aangenomen motie inzake het niet belonen van slecht gedrag met gratis busvervoer wordt meegenomen.
Vluchtelingenkinderen op straat door verkeerde registratie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitzending van het programma Argos over minderjarige vluchtelingen uit Eritrea die in Nederland op straat belanden door een verkeerde leeftijdsregistratie in Italië?1 Wat is uw oordeel daarover?
Ja. Het betreft hier vreemdelingen die stellen minderjarig te zijn, maar daartoe geen documenten kunnen overleggen en waarbij twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid, mede vanwege een registratie van meerderjarigheid in een andere lidstaat van de EU. Na een schouw en eventueel overig onderzoek kan de registratie in een andere lidstaat de doorslag geven tot het aannemen van meerderjarigheid. De stelling dat de registratie in Italië verkeerd is, moet door de vreemdeling dan ook nader worden onderbouwd. Dit beleid is op 29 april 2019 door de Afdeling in rechtmatigheid bevestigd (201901525/1/V3).
In beginsel heeft iedere vreemdeling die in Nederland een asielaanvraag doet, gedurende de asielprocedure recht op opvang. Als tijdens de behandeling van een asielaanvraag blijkt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, blijft dit recht onverminderd van toepassing totdat overdracht naar de andere lidstaat heeft plaatsgevonden. Een registratie in een andere lidstaat heeft dus niet tot gevolg dat een vreemdeling op straat belandt.
Erkent u dat de registratie van de leeftijd om allerlei redenen onjuist kan zijn, bijvoorbeeld door hoge werkdruk, onbekendheid met het systeem of omdat de politie geen zin heeft op zoek te gaan naar de juiste instanties?
Nederland gaat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit van een juiste registratie van de leeftijd in een andere lidstaat. Indien een vreemdeling stelt dat die registratie onjuist is verlopen, kan hij dit voorleggen in een rechterlijke procedure. De stelling dat de leeftijdsregistratie in Italië niet op orde is dan wel in zijn geval niet zorgvuldig is geweest, moet de vreemdeling onderbouwen. Daarbij mag de IND verwachten dat hij in Italië heeft aangekaart dat zijn leeftijd niet correct is geregistreerd.
Waarom besluit de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) een kind als meerderjarig te beschouwen als de schouw daarover geen zekerheid biedt?2
Bij aanmelding van een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) die zijn gestelde minderjarigheid niet kan aantonen met bewijsmiddelen, wordt een schouw uitgevoerd door drie medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenzaken en Identificatie Mensenhandel (AVIM) van de politie (dan wel de Kmar) en de IND. De AVIM/Kmar en de IND schouwen onafhankelijk en gescheiden van elkaar. De uitkomst van de schouw maakt onderdeel uit van de leeftijdsbepaling door de IND en heeft invloed op de wijze waarop de IND omgaat met een registratie als meerderjarige in een andere lidstaat. Ook doet de IND onderzoek naar de wijze waarop de registratie van meerderjarige in de andere lidstaat tot stand is gekomen. Dat kan zijn op basis van eigen verklaringen van de vreemdeling, een door de lidstaat uitgevoerd leeftijdsonderzoek of authentieke, identificerende documenten.
Als de schouw uitwijst dat er sprake is van evidente minderjarigheid, gaat de IND uit van de opgegeven minderjarige leeftijd in Nederland, tenzij de meerderjarigheid in de andere lidstaat voortvloeit uit authentieke en identificerende documenten of een leeftijdsonderzoek. Echter, als de schouw uitwijst dat er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid, neemt de IND op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de in een andere lidstaat geregistreerde leeftijd aan, ook wanneer hieruit meerderjarigheid blijkt. Het is dan aan de vreemdeling zelf om de gestelde minderjarigheid middels authentieke en identificerende documenten dan wel een leeftijdsonderzoek aan te tonen. Deze werkwijze wordt ondersteund door jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2017 (201604688/1/V3 en 20 maart 2017 (201608167/1/V3)).
Zou in het geval van mogelijke minderjarigheid niet altijd het voordeel van de twijfel moeten worden toegepast? Zo nee, waarom loopt u bewust het risico dat minderjarigen als meerderjarig worden aangemerkt met alle gevolgen van dien?
Wanneer er na de schouw door AVIM (dan wel de Kmar) en de IND twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid en de vreemdeling in Nederland niet kan onderbouwen dat hij/zij minderjarig is, wordt overige informatie onderzocht. Dat kan de Eurodac registratie in een andere lidstaat zijn. De bestaande twijfel wordt in dat geval – in het nadeel van de asielzoeker – weggenomen als de vreemdeling in een andere lidstaat als meerderjarige staat geregistreerd. De basis hiervoor is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook kan sprake zijn van een EU-VIS registratie, waar originele identificerende documenten aan ten grondslag liggen. In dat geval wordt uitgegaan van de leeftijd zoals voortvloeit uit de registratie in EU-VIS. Als er geen Eurodac/EU-VIS informatie beschikbaar is en uit onderzoek ook anderszins niet blijkt van een registratie als meerderjarige in een andere lidstaat, kan de IND de mogelijkheid aanbieden van een leeftijdsonderzoek. Als de resultaten van dit leeftijdsonderzoek niet eenduidig zijn, krijgt de vreemdeling het voordeel van de twijfel en wordt de gestelde minderjarigheid van de vreemdeling gevolgd. Hiermee is in een zorgvuldige procedure voorzien.
Bent u bereid de werkwijze zodanig aan te passen dat indien de schouw tot twijfel leidt op zijn minst nader onderzoek naar de leeftijd wordt gedaan?
Dat is al de staande praktijk. De IND doet bij twijfel nader onderzoek naar eventuele informatie die in andere lidstaten bekend is. Daarbij wordt ook betrokken op welke wijze de in de andere lidstaat geregistreerde leeftijd tot stand is gekomen. Wanneer hieruit niet naar voren komt dat de vreemdeling als minderjarig dient te worden aangemerkt, dan vertrouwt de IND op een zorgvuldig tot stand gekomen registratie in de andere lidstaat. Het is dan aan de vreemdeling om de gestelde minderjarigheid middels authentieke en identificerende documenten dan wel een leeftijdsonderzoek aan te tonen.
Deelt u de mening van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel dat het goed zou zijn als deze groep kinderen wordt meegenomen in uw onderzoek naar de duizend minderjarigen die met onbekende bestemming zijn vertrokken?
De vreemdelingen waarover in het programma Argos wordt gesproken, worden op basis van de hierboven beschreven onderbouwing beschouwd en aangemerkt als meerderjarigen. Ik zie dan ook geen aanleiding om ze mee te nemen in de analyse naar het vertrek met onbekende bestemming van minderjarigen.
De arresten van het Hof van Justitie |
|
Bart Snels (GL) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de arresten van het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ EU) van 26 februari 2019 in de Deense zaken over vennootschappen met een doorstroomfunctie voor rente en dividenden?1
Ja.
Accepteert u de beslissing van het HvJ EU dat een EU-lidstaat, waaronder Nederland, verplicht is om aan belastingplichtigen de fiscale voordelen te weigeren die voortvloeien uit de toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn 90/435, indien sprake is van misbruik in de zin van het algemene Unierechtelijke misbruikverbod?
Ja.
Hoeveel van de circa 15.000 Nederlandse brievenbusmaatschappijen zullen, naar uw verwachting, na deze arresten worden geconfronteerd met bronheffingen op rente, royalty’s en dividendbetalingen die zij ontvangen van vennootschappen die zijn gevestigd in andere EU-lidstaten?
Indien misbruik wordt gemaakt van het Nederlandse internationaal georiënteerde belastingstelsel om bronbelasting in andere EU-lidstaten te ontwijken, kunnen deze andere EU-lidstaten dit bestrijden op basis van deze en eerdere jurisprudentie van het HvJ EU. In hoeverre andere EU-lidstaten dit al deden dan wel als gevolg van de recente jurisprudentie gaan doen, is mij niet bekend. Ik kan dus niet aangeven wat de gevolgen zijn voor Nederlandse maatschappijen met betrekking tot de buitenlandse bronbelasting op de door hen ontvangen rente-, royalty- en dividendbetalingen van vennootschappen gevestigd in andere EU-lidstaten.
Onderschrijft u dat sprake is van misbruik van de Moeder-dochterrichtlijn 90/435 in de zin van het algemene Unierechtelijke misbruikverbod, indien (a) het de bedoeling van belastingplichtigen is om voordeel uit de richtlijn te krijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat belastingvoordeel ontstaat en waarbij (b) uit het geheel van objectieve omstandigheden blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de richtlijn opgelegde voorwaarden het door de richtlijn beoogde doel niet wordt bereikt?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het HvJ EU in de Deense zaken concrete aanwijzingen heeft gegeven op basis waarvan een concernstructuur kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie, in het bijzonder in de gevallen waarin aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap is toegevoegd om de belastingheffing over rente, royalty’s en dividenden te ontwijken?
Het HvJ EU heeft aan de Deense rechters inderdaad aanwijzingen verstrekt voor de vraag met welke feiten en omstandigheden rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of sprake is van misbruik in de bij hen aanhangige zaken. Hierbij is ook van belang dat belanghebbenden de gelegenheid krijgen tegenbewijs te leveren. Het HvJ EU geeft hiermee opnieuw een nadere invulling aan het misbruikbegrip. In tegenstelling tot de conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) hanteert het HvJ EU hierbij een meer materiële benadering. Het kabinet bestudeert deze arresten grondig, maar stelt in ieder geval nu al vast dat de nationale bevoegdheid om misbruik te bestrijden zeker niet onbegrensd is. Hoewel het HvJ EU in de genoemde arresten met een reeks aanwijzingen het misbruikbegrip weliswaar nader heeft ingevuld, betekent dit niet dat na de arresten precies duidelijk is in welke situatie er op basis van het EU-recht wel en wanneer er geen sprake is van misbruik.
Klopt het dat het HvJ EU onder andere de volgende concrete aanwijzingen heeft gegeven om vast te stellen dat een concernstructuur een kunstmatige constructie is en dat een vennootschap een doorstroomvennootschap is:
Ja, binnen het kader van de betreffende zaken voor het HvJ EU, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat het HvJ EU vervolgens heeft geoordeeld dat de in vraag 6 opgesomde aanwijzingen (dat er sprake is van een kunstmatige constructie), kunnen worden versterkt door het feit dat complexe financiële transacties samenvallen met, of ongeveer in dezelfde periode vallen, als de inwerkingtreding van belangrijke nieuwe lokale belastingwetgeving van een EU-lidstaat?8
Ja.
Deelt u de mening dat de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 van toepassing kan zijn, hoewel één of meerdere door het HvJ EU geformuleerde aanwijzingen zich voordoen dat er sprake is van een misbruiksituatie die bestreden moet worden, en dat die aanwijzingen tevens tot de conclusie kunnen leiden dat er daadwerkelijk sprake is van misbruik? Vindt u ook dat dit bij uitstek het geval kan zijn indien een belang in een in Nederland gevestigde vennootschap wordt gehouden door een, bijvoorbeeld in Luxemburg of in Ierland gevestigde, zogenoemde schakelende tussenhoudster die geacht wordt te zijn opgezet op grond van zakelijke redenen die economische realiteit weerspiegelen louter en alleen omdat die tussenhoudster voldoet aan de substance-eisen van artikel 1bis Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965, waaronder het ter beschikking hebben van een kantoor voor ten minste 24 maanden en een bedrag aan loonkosten van ten minste 100.000 euro?
Zoals in mijn antwoord op vraag 5 is aangegeven, zijn de mogelijkheden die Nederland heeft om misbruik te bestrijden niet onbeperkt en worden mede begrensd door het EU-recht. Bovendien ziet het kabinet een overlap tussen de aanwijzingen van het HvJ EU en de huidige substance-eisen. Op basis daarvan acht ik het nog steeds goed verdedigbaar dat de huidige Nederlandse antimisbruikbepalingen op hoofdlijnen in overeenstemming zijn met de arresten van 26 februari 2019. Toch lijken de arresten aanleiding te geven tot een aanpassing in de bestaande vormgeving van de antimisbruikbepalingen in de vennootschaps- en dividendbelasting. Omdat niet is uit te sluiten dat in een situatie waarin is voldaan aan de substance-eisen – beoordeeld naar alle feiten en omstandigheden – toch sprake kan zijn van misbruik zoals uiteengezet in de arresten. Om meer duidelijkheid te krijgen over de invulling van het misbruikbegrip zal waar nodig de Belastingdienst uitgesproken gevallen aan de rechter voorleggen.
Bent u het ermee eens dat het Nederlandse lijstje met substance-voorwaarden een te simpele duiding is van de economische realiteit? Bent het er ook mee eens dat ook als een in het buitenland gevestigde vennootschap een materiële onderneming drijft, dat wil zeggen een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die met een winstoogmerk deelneemt aan het economische verkeer, sprake kan zijn van een misbruiksituatie, bijvoorbeeld in de gevallen waarin een verband ontbreekt tussen de materiële onderneming en de ontvangen dividenden (vergelijk het ontbreken van operationele functionaliteit in voorbeeld 4 in uw brief van 23 april 2019 over de vernieuwde rulingpraktijk)9?
Nee. In hoofdlijnen zijn de Nederlandse substance-eisen naar de huidige inzichten een goede indicator voor misbruik. Belangrijk hierbij is om op te merken dat het, naast een aantal objectieve eisen, moet gaan om relevante substance. Zo moet de loonsomeis van minimaal € 100.000 een vergoeding vormen voor de relevante werkzaamheden. In het geval van de dividendbelasting betreft dit een vergoeding die verband houdt met het houden van een deelneming en het vervullen van een schakelfunctie. De salariskosten die samenhangen met andere werkzaamheden worden hierbij dus niet in aanmerking genomen. In de gevallen waarin een verband ontbreekt tussen een materiële onderneming en de ontvangen dividenden zal hier in de regel niet aan zijn voldaan.
Kunt u concreet bevestigen dat in het onderhands meegezonden voorbeeld, dat voortborduurt op de gegeven voorbeelden in de memorie van toelichting bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling, Stb. 2017, 520, één of meerdere door het HvJ EU geformuleerde aanwijzingen zich zouden kunnen voordoen van een misbruiksituatie die bestreden moet worden?10
In het in de vraagstelling geschetste voorbeeld is sprake van de volgende structuur. In Chili wordt een materiële onderneming gedreven. Tussen Nederland en Chili is geen belastingverdrag van toepassing. In Luxemburg is een tussenhoudster gevestigd. De relevante substance, waaronder kantoorruimte en personeel, heeft de Luxemburgse tussenhoudster ingekocht bij een trustkantoor.
Zoals opgemerkt in de memorie van toelichting bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling wordt in een dergelijk voorbeeld geacht sprake te zijn van een ontgaansmotief omdat op een rechtstreekse uitkering aan Chili dividendbelasting zou zijn ingehouden.11 De inhoudingsvrijstelling geldt immers alleen nationaal alsmede richting EU/EER-landen en verdragslanden. Dit betekent dat voor toepassing van de subjectieve toets sprake is van een ontgaansmotief, zodat vervolgens de objectieve toets moet worden toegepast. Dit betekent onder de huidige wetgeving dat de inhoudingsvrijstelling van toepassing is indien de tussenhoudster in Luxemburg voldoet aan het vereiste van relevante substance.
In het in de vraagstelling geschetste voorbeeld kunnen zich een of meerdere van de door het HvJ EU geformuleerde aanwijzingen voor misbruik voordoen. Of aan de criteria voor relevante substance wordt voldaan, zal overigens ook van geval tot geval worden beoordeeld. Dit is namelijk eveneens sterk afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Indien er enkel gebruik wordt gemaakt van een trustkantoor zal naar alle waarschijnlijkheid niet aan de substance-eisen worden voldaan.12 Criteria voor relevante substance betreffen namelijk bijvoorbeeld ook eisen aan de bestuursleden en een loonsomeis. Bestuursleden dienen te beschikken over de benodigde professionele kennis om hun taken naar behoren uit te voeren en bij het loonsomcriterium gaat het niet slechts om de kwantitatieve eis van € 100.000 aan loonkosten. De tussenhoudster moet bij het uitoefenen van de werkzaamheden gebruikmaken van eigen, ter beschikking gesteld of ingehuurd personeel, dat bovendien de benodigde professionele kennis moet bezitten om de werkzaamheden uit te voeren.
Kunt u bevestigen dat het oordeel van het HvJ EU in de Deense zaken betekent dat belastingplichtigen zich (ook) niet kunnen beroepen op een door Nederland afgesloten belastingverdrag met een andere EU/EER-lidstaat in het geval waarin sprake is van misbruik en die situatie valt binnen de reikwijdte van een fiscale EU-richtlijn, zoals de Moeder-dochterrichtlijn 90/435 valt?11
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Kort samengevat betekenen de Deense zaken dat lidstaten de verplichting hebben misbruik van de voordelen volgend uit EU-recht (inclusief de fiscale richtlijnen) te bestrijden. Naar mijn mening volgt daar niet uit dat belastingplichtigen zich niet meer kunnen beroepen op (vergelijkbare) voordelen uit een bilateraal belastingverdrag.
Klopt het dat het Nederlandse standpunt recent nog inhield dat een beroep op een belastingverdrag in een misbruiksituatie wel mogelijk is indien dat belastingverdrag (nog) niet voorziet in een (algemene) anti-misbruikbepaling, zoals de Principal Purpose Test (PPT) van het multilaterale OESO-instrument?12
Jurisprudentie van de Hoge Raad wijst er naar mijn mening inderdaad op dat een beroep op nationale misbruikregels niet eenvoudig mogelijk is onder verdragen waarin niet een antimisbruikbepaling is opgenomen. Met de Nederlandse keuzes onder het Multilaterale Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving is er op ingezet dat in alle Nederlandse verdragen een zogenoemde Principal Purpose Test is opgenomen.15 Daarmee zou dit op termijn nog slechts een theoretische kwestie zijn.
Kunt u concreet bevestigen dat in het bij vraag 10 gegeven voorbeeld, indien sprake is van misbruik, niet kan worden teruggevallen op artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van het belastingverdrag Nederland – Luxemburg, dat Nederland slechts toestaat een bronheffing te heffen van (slechts) 2,5%? Kunt u bevestigen dat u in misbruiksituaties zal overgaan tot heffing van dividendbelasting van de resterende 12,5% (15% dividendbelasting -/- 2,5% verdragspercentage), ook al is de Luxemburgse tussenhoudster de «uiteindelijk gerechtigde» tot de dividenden in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1994, nr. 28 638, BNB 1994/217?
Zoals uit mijn antwoord op de vragen 11 en 12 blijkt, kan ik dat niet bevestigen.
Kunt u bevestigen dat het begrip «uiteindelijk gerechtigde» voor de toepassing van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en de door Nederland afgesloten belastingverdragen moet worden uitgelegd volgens het meest recente commentaar op het OESO-modelverdrag, zoals het HvJ EU ook doet in de Deense zaken? Kunt u bevestigen dat die uitleg strenger is voor belastingplichtigen dan de uitleg die de Hoge Raad nog koos in zijn arrest van 6 april 1994, nr. 28 638, BNB 1994/217?
De uitleg van het begrip «uiteindelijk gerechtigde» in de door Nederland afgesloten verdragen moet, voor zover de bepalingen gelijkluidend zijn aan die in het OESO-Modelverdrag, inderdaad uitgelegd worden zoals beschreven in het commentaar bij dat verdrag.
Ook voor de toepassing van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting wordt het – in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 genoemde – begrip «uiteindelijk gerechtigde» door de Belastingdienst uitgelegd en toegepast conform het (meest recente) commentaar op het OESO-Modelverdrag. Daarnaast wordt een opbrengstgerechtigde die voldoet aan voorwaarden in artikel 4, zevende lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 in ieder geval niet aangemerkt als uiteindelijk gerechtigde. Genoemd zevende lid ziet op het tegengaan van dividendstripping.
De strekking van de formulering in het OESO-commentaar is naar mijn mening zodanig vergelijkbaar met de formulering van de Hoge Raad in de genoemde arresten dat de conclusie niet kan worden getrokken dat de «OESO-uitleg» strenger is dan die van de Hoge Raad.
Klopt het dat belastingplichtigen zich niet rechtsgeldig op een belastingruling kunnen beroepen indien sprake is van misbruik zoals bedoeld in de Deense zaken? Bent u bereid om reeds afgegeven belastingrulings waarin de toepassing van de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt bevestigd vanwege het voldoen aan de substance-eisen van art. 1bis Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 (alsnog) integraal te toetsen aan de door het HvJ EU gegeven misbruikaanwijzingen? Kunt u daarbij extra aandacht besteden aan belastingrulings die zijn afgegeven met het oog op de inwerkingtreding van de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling (Stb. 2017, 520) per 1 januari 2018 vanwege het feit dat HvJ EU heeft beslist dat het samenvallen van financiële transacties met, of ongeveer in dezelfde periode, als de inwerkingtreding van belangrijke nieuwe belastingwetgeving een versterkte aanwijzing is dat sprake is van misbruik?
In rulings wordt zekerheid vooraf gegeven over te toepassing van de op dat moment geldende wet- en regelgeving, waaronder ook antimisbruikbepalingen. Als sprake is van een misbruiksituatie wordt geen ruling gesloten. Daarnaast vervalt een ruling wanneer er een voor die ruling relevante wijziging is van de wet- en regelgeving. Dat is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst. Of sprake is van een relevante wetswijziging hangt in een aantal situaties nauw samen met de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Rulings die zijn afgegeven in situaties waarin voldaan is aan de substance-eisen, maar die onder de nieuwe wetgeving kwalificeren als misbruik, zullen in beginsel per de beoogde datum van inwerkingtreding van de wetswijziging, 1 januari 2020, van rechtswege vervallen. In die gevallen bewerkstelligt de wetswijziging namelijk dat dit misbruik voortaan kan worden bestreden als de Belastingdienst dit misbruik aannemelijk maakt. Indien na de voorgestelde wetswijziging bij een afgegeven ruling geen sprake is van misbruik is er geen relevante wetswijziging en vervalt de ruling daarmee niet van rechtswege. Ik verwacht echter niet dat er veel vaker met succes het standpunt kan worden ingenomen dat sprake is van misbruik. Dit rechtvaardigt eerbiedigende werking voor de resterende looptijd van de afgegeven rulings. Daarom bevestig ik dat belastingplichtigen vertrouwen aan lopende rulings kunnen blijven ontlenen tot het moment dat de Belastingdienst aan de belastingplichtige te kennen heeft gegeven dat de ruling vervalt. Dit past bij de aard van de wetswijziging waarbij de verruiming van het misbruikbegrip gepaard gaat met een bewijslast die zal rusten bij de Belastingdienst. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een relevante wetswijziging zullen lopende rulings die gebaseerd zijn op de huidige misbruikbepalingen worden herbeoordeeld waarbij risicogericht te werk zal worden gegaan. Hierbij zal de Belastingdienst zich richten op uitgesproken gevallen. Het voorgaande geldt ook voor rulings die zijn afgegeven na de inwerkingtreding per 1 januari 2018 van de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling. Voorts gaat per 1 juli aanstaande het beleid dat ziet op de vernieuwde rulingpraktijk in. Hierdoor worden strengere eisen gesteld aan de afgifte van rulings. Bij de afgifte van nieuwe rulings zullen de aanwijzingen uit de arresten van 26 februari 2019 worden meegenomen in de beoordeling of een ruling kan worden afgegeven.
Bent u zich ervan bewust dat het toepassen van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting enkel vanwege het voldoen aan de substance-eisen een risico inhoudt op het verlenen van staatssteun?13 Bent u bereid om in voorkomende gevallen een naheffingsaanslag dividendbelasting op te leggen of over te gaan tot terugvordering van het belastingvoordeel op grond van artikel 7 van de Wet terugvordering staatssteun?
Het staat niet vast dat het toepassen van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting tot een selectief voordeel leidt dat als staatssteun kwalificeert. Daardoor kan ook geen sprake zijn van terugvordering of opleggen van naheffingsaanslagen dividendbelasting.
Kunt u bevestigen dat de aanwijzingen die het HvJ EU in de Deense zaken heeft gegeven voor het bestaan van misbruik zowel gelden voor de uitleg van de nationale antimisbruikbepaling van artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965 als voor de Nederlandse uitleg van de PPT die, bijvoorbeeld via het multilaterale OESO-instrument, is opgenomen in belastingverdragen die Nederland heeft afgesloten met andere landen dan EU/EER-lidstaten?
Bevestigd kan worden dat de door het HvJ EU gegeven aanwijzingen in de Deense zaken relevant zijn voor de uitleg van artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de dividendbelasting 1965.
De tekst van de PPT is, zoals de vraag aangeeft, tot stand gekomen in overleg tussen OESO-lidstaten. Het oordeel over de uitleg van de PPT-bepaling in bilaterale verdragen is voorbehouden aan de nationale rechter aan wie daaromtrent een zaak wordt voorgelegd. Deze rechters zijn bij die uitleg niet gebonden aan een uitspraak van het HvJ EU. Uiteraard kunnen uitspraken van het HvJ EU wel invloed hebben op de uitleg.
Kunt u bevestigen dat u onverminderd hecht aan de tijdens de parlementaire behandeling van de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperaties en uitbreiding inhoudingsvrijstelling uitgedragen wens tot het creëren van uniform beleid, waarbij de nationale antimisbruikbepaling in lijn is met de antimisbruikbepaling op Europees niveau en de antimisbruikbepaling in belastingverdragen?14
Ja, voor de praktijk blijft het naar mijn mening van onverminderd belang dat onder nationaal recht, Europees recht en onder verdragen dezelfde criteria voor misbruik worden aangelegd.
Kunt u bevestigen dat een uniforme toepassing van de genoemde antimisbruikbepalingen ook volgt uit het arrest HvJ EU 17 juli 1997, C-28/95 (Leur-Bloem)? Kunt u concreet bevestigen dat als de tussenhoudster in het in vraag 10 gegeven voorbeeld in Singapore zou zijn gevestigd (in plaats van in Luxemburg), Nederland niet langer standaard afziet van de heffing van dividendbelasting indien in Singapore is voldaan aan het lijstje met substance-vereisten van artikel 1bis Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965?
De jurisprudentie van het HvJ EU geeft naar mijn mening geen uitsluitsel over de vraag in hoeverre de Unierechtelijke plicht van de lidstaten om de voordelen van een fiscale richtlijn, zoals bijvoorbeeld de EU-Moeder-dochterrichtlijn of de EU-Interest- en royaltyrichtlijn, te weigeren ingeval sprake is van fraude of misbruik, ook doorwerkt naar situaties met een derde land. Dit laat onverlet dat er ik er beleidsmatig voor kies om de – hiervoor beschreven en in het op Prinsjesdag in te dienen wetsvoorstel voor de introductie van een bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties op te nemen – aanpassing in de bestaande vormgeving van de antimisbruikbepalingen in de vennootschaps- en dividendbelasting ook te laten doorwerken naar situaties met derde landen. Op een tussenhoudster is dus altijd dezelfde nationale regelgeving van toepassing, ongeacht of deze is gevestigd in Singapore of Luxemburg.
Kunt u bevestigen dat de toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling op dividenden ontvangen van een EU-dochtervennootschap moet worden aangemerkt als de toekenning van een voordeel van de Moeder-dochterrichtlijn 90/435? Bent u van mening dat het oordeel van het HvJ EU in de Deense zaken ook gevolgen kan hebben voor de toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling? Vallen er volgens u misbruiksituaties te onderkennen waarvan het HvJ EU mogelijk vindt dat die bestreden moeten worden door de EU-lidstaat van de moedervennootschap?
In de arresten van 26 februari 2019 geeft het HvJ EU in de sfeer van de directe belastingen invulling aan het Unierechtelijke beginsel van het verbod op rechtsmisbruik. In de gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16 past het HvJ EU dit Unierechtelijke beginsel toe in twee zaken die betrekking hebben op de vrijstelling van bronbelasting over winsten die door een dochtervennootschap aan haar moedervennootschap worden uitgekeerd. Deze vrijstelling volgt uit artikel 5 van de EU-Moeder-dochterrichtlijn. Naast de vrijstelling van bronbelasting, volgt uit artikel 4 van de EU-Moeder-dochterrichtlijn ook dat de lidstaat van de moedervennootschap, onder voorwaarden, een vrijstelling of verrekening moet toepassen op de uitgekeerde winsten die een moedervennootschap van haar dochtervennootschap ontvangt. In Nederland worden dergelijke deelnemingsdividenden in beginsel vrijgesteld door toepassing van de deelnemingsvrijstelling. In tegenstelling tot de vrijstelling van bronbelasting, heeft het HvJ EU zich in de arresten van 26 februari 2019 niet uitgelaten over de toepassing van het Unierechtelijke beginsel van het verbod op rechtsmisbruik op de vrijstelling van uitgekeerde winsten. Of, en zo ja in hoeverre, aan deze recente arresten conclusies kunnen worden verbonden voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling volgt derhalve niet direct uit deze arresten. Ik ben deze vraag op dit moment nader aan het bestuderen en wellicht vergt dit nadere jurisprudentie. Daarnaast ben ik voornemens dit te betrekken in het aangekondigde onderzoek naar de deelnemingsvrijstelling18.
Klopt het dat Denemarken al in 2010 aan de bel heeft getrokken in de Europese Gedragscodegroep inzake schadelijke belastingconcurrentie om een oplossing te vinden voor het probleem dat haar bronheffingen werden omzeild met behulp van doorstroomvennootschappen in andere EU-lidstaten, waaronder in Nederland?
In het verleden is in de Gedragscodegroep de discussie gevoerd over «outbound payments», waarbij werd bezien hoe er een gelijk speelveld gecreëerd kon worden ten aanzien van interest- en royaltybetalingen vanuit de Europese Unie aan landen buiten de EU. De oplossing die toen werd voorgesteld was een EU brede bronheffing op outbound payments.
Klopt het dat Nederland als enige EU-lidstaat het bestaan van dit zogenoemde Europese «reversed gatekeeper»-probleem toen heeft ontkend en ook nadien niet heeft willen meewerken aan een gecoördineerde oplossing?
De oplossing van een EU brede bronheffing stuitte op weerstand onder de lidstaten (waaronder Nederland) omdat dit een inbreuk zou betekenen op het nationale fiscale beleid richting derde landen.
Bent u bereid om alsnog constructief mee te werken aan een oplossing van dit probleem in de gedragscodegroep, bijvoorbeeld door middel van een coördinatie van substance-vereisten?
Wat betreft het aanpakken van doorstroomvennootschappen zijn er sinds de publicatie van Addressing Base Erosion & Profit Shifting (BEPS) in de EU grote stappen gemaakt op het gebied van bescherming van de belastinggrondslag en in de sfeer van uitwisseling van fiscale informatie. Nederland heeft daarbovenop een slag gemaakt om een nadere invulling te geven aan substance-eisen. Ik zie geen probleem deze discussie ook in de EU te gaan houden.
Bent u het ermee eens dat de arresten van het HvJ EU in de Deense zaken ertoe nopen om de voorgenomen bronbelasting op rente en royalty’s niet te beperken tot rente- en royaltybetalingen aan vennootschappen die zijn gevestigd buiten de EU/EER, maar ook in te voeren voor rente- en royaltybetalingen aan vennootschappen die zijn gevestigd in andere EU/EER-lidstaten voor zover sprake is van misbruik?
Zoals ook aangegeven in de Fiscale beleidsagenda 2019 zal bij de vormgeving van de aangekondigde bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties per 1 januari 2021 uiteraard ook rekening worden gehouden met deze recente arresten van het HvJ EU.19 Dit betekent dat ook bronbelasting zal zijn verschuldigd door een tussenschakel, gevestigd in of buiten de EU/EER, indien – kort gezegd – (1) die tussenschakel is gerechtigd tot de rente- of royaltybetaling met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan en (2) er sprake is van kunstmatige constructie of transactie.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.