De informatie die de regering gaf over de CAF-11 zaak aan de Nationale ombudsman |
|
Renske Leijten (SP), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Nationale ombudsman bezwaar over het niet heropenen van het onderzoek naar CAF-11 (kinderopvangtoeslag) afwees met de volgende redenering: «De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) heeft in zijn brief van 14 mei 2018 vermeld dat in 2014 in totaal 235 vraagouders kinderopvang afnamen via gastouderbureau Dadim te Eindhoven. U spreekt dit tegen: volgens u leverde dit gastouderbureau in 2014 slechts aan 157 vraagouders kinderopvang. U zegt hiervoor sterk bewijs te hebben. Wij hebben dit punt voorgelegd aan Toeslagen en gevraagd of zij zeker zijn van het aantal van 235. Toeslagen heeft ons verzekerd dat de genoemde 235 vraagouders in 2014 allen cliënten waren van gastouderbureau Dadim»?1
Ja.
Klopt het dat Toeslagen de Nationale ombudsman meegedeeld heeft dat de genoemde 235 ouders allen cliënten waren van gastouderbureau Dadim in het jaar 2014?
In de brief aan de Nationale ombudsman (hierna: NO) van 14 mei 2018 is het volgende medegedeeld:
«Het aantal ouders dat in 2014 gebruik maakte van opvang door een gastouder die bemiddeld werd door het betrokken gastouderbureau bedroeg 235. De lopende toeslagen van deze 235 ouders zijn in 2014 gestopt.»2
Herinnert u zich dat u op 28 juni jl. de Kamer het volgende warrige antwoord stuurde, waaruit volstrekt helder is dat in 2014 niet alle 235 vraagouders bij Dadim waren aangesloten: «[Vraag] In de evaluatie CAF Hawaii wordt melding gemaakt van 317 betrokken BSN’s, waarvan bij 248 de toeslag is stopgezet. Hoe verklaart u het verschil tussen de 302 ouders en de 235 stopzettingen die u noemt in uw brief van 11 juni? [Antwoord] In de loop van de behandeling zijn de aantallen vraagouders en stopzettingen steeds beter in beeld gebracht. Uiteindelijk zijn 302 vraagouders in de populatie betrokken, waarvan 235 ouders in 2014 kinderopvangtoeslag hadden. De andere 67 ouders hadden op dat moment geen kinderopvangtoeslag, maar wel in de jaren 2012 en/of 2013. Zoals eerder is aangegeven is de adviescommissie uitvoering toeslagen gevraagd om alle individuele dossiers van vraagouders voor te bereiden voor een nadere beoordeling. [Vraag] Wilt u alsnog de vragen 17, 18, 19 en 20 van de commissie Financiën beantwoorden die zijn gesteld over de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2019 over zijn toezeggingen en op 11 juni 2019 zijn beantwoord? Meer precies: kunt u aangeven welke vraagouder aan welke gastouder en welk gastouderbureau waren gekoppeld, zodat duidelijk wordt hoe per bureau de bezwaar- en beroepsprocedures zij verlopen? [Antwoord] De onderzoekspopulatie bestaat uit 302 vraagouders. Daarvan was een groot deel aangesloten bij het betrokken gastouderbureau in 2012 en/of 2013 en/of 2014. Een andere groep bij dit gastouderbureau aangesloten vraagouders was eerder aangesloten bij een ander gastouderbureau. De overige ouders zijn niet overgegaan naar het betrokken gastouderbureau of hadden opvang op dezelfde locatie als het betrokken gastouderbureau. De bezwaar- en beroepsprocedures hebben betrekking op de vraagouders, niet op de gastouders of het gastouderbureau. Zoals eerder is aangegeven is de adviescommissie gevraagd om alle individuele dossiers van vraagouders voor te bereiden voor een nadere beoordeling»?2
Ja, ik herinner mij deze antwoorden.
Hoeveel van de 235 vraagouders bij wie de kinderopvangtoeslag is stopgezet in 2014, hadden in 2014 kinderopvang via het bureau Dadim?
Op 28 juni heb ik aangegeven dat de aantallen vraagouders en stopzettingen steeds beter in beeld gebracht worden.4 Ik heb toen geschreven dat uiteindelijk 302 vraagouders in de populatie zijn betrokken, waarvan een groot deel was aangesloten bij het betrokken gastouderbureau in 2012 en/of 2013 en/of 2014. Ook heb ik aangegeven dat 235 vraagouders uit de populatie in 2014 kinderopvangtoeslag ontvingen. Van deze ouders zijn de voorschotten kinderopvangtoeslag stopgezet. Over deze nuancering is overigens contact geweest met de NO. Die gaf aan dat precieze aantal vraagouders in het jaar 2014 geen invloed heeft op de uitkomsten van zijn onderzoek (zie ook vraag 5).
Toeslagen heeft mij desgevraagd laten weten dat circa 200 van deze 235 vraagouders waren aangesloten bij het betrokken gastouderbureau.
Klopt het dat de ombudsman op basis van foutieve informatie van de Belastingdienst/Toeslagen dit onderzoek gesloten heeft?
Nee, dat klopt niet. De Nationale ombudsman concludeert in de brief aan het advocatencollectief dat het precieze aantal vraagouders in het jaar 2014 geen invloed heeft op de uitkomsten van zijn onderzoek («Ik ben van mening dat het precieze aantal vraagouders in het jaar 2014 geen invloed heeft op de uitkomsten van mijn onderzoek») of de conclusies van het onderzoek («Voor de conclusies van het onderzoek is het niet van essentieel belang of er 157 of 235 vraagouders (of een aantal daar tussenin) zijn getroffen.»).
Op welke wijze heeft u de ombudsman verteld dat u hem onjuiste informatie verschaft heeft?
Mijn medewerkers en ik proberen de NO altijd zo zorgvuldig mogelijk te informeren. Er is in de samenstelling van deze groep afgelopen jaar steeds meer inzicht gekomen. Hierover is uw Kamer bijvoorbeeld geïnformeerd bij brief van 28 juni jl.5 In die tijd is ook bovenstaande nuancering aan de NO toegelicht. De NO heeft daarbij aangeven dat dit voor de conclusie van zijn onderzoek geen verschil maakt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Uw vragen zijn één voor één en tezamen met andere Kamervragen over CAF-zaken beantwoord.
De hernieuwde stijging van de postzegelprijs |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) dat de tariefruimte voor PostNL met 16,4% wordt verruimd en dat de postzegelprijs hiermee boven de € 1 uit mag komen?1
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) berekent jaarlijks vóór 1 september op grond van artikel 14b, eerste lid, van de Postregeling 2009 de tariefruimte voor de universele postdienst (UPD) voor het komende kalenderjaar. In dezelfde regeling is vastgelegd dat de ACM bij deze berekening rekening houdt met inflatie, volumeontwikkeling en eventueel gerealiseerd overrendement in geval dat meer dan 10% was (bijlage 3, onderdeel C). Deze regels moeten enerzijds zorgen voor de betaalbaarheid van de UPD door consumenten en bedrijven niet teveel te laten betalen voor de postbezorging. Anderzijds moet ook de continuïteit van de UPD geborgd worden door te zorgen dat PostNL de UPD rendabel kan uitvoeren.
In dit geval heeft de ACM berekend dat de tariefruimte voor de UPD voor 2020 16,4% hoger ligt dan de tariefruimte voor 2019. De verhoogde tariefruimte is te verklaren door aanhoudende daling van het aantal poststukken. In 2018 bedroeg de volumedaling van de enkelstuks UPD-diensten 18,1% ten opzichte van 2017. Deze krimp in combinatie met de schaalvoordelen die kenmerkend zijn voor deze markt en gelijkblijvende kwaliteitseisen voor de UPD zorgen voor toenemende kosten per stuk. Het is uiteindelijk aan PostNL om te besluiten binnen de kaders van de Postregeling in welke mate zij gebruik maakt van de tariefruimte en te bepalen wat de postzegelprijs in 2020 wordt.
Deelt u de constatering dat sinds de liberalisering van de postmarkt in 2009 een permanente stijging van de postzegelprijs plaatsvond die ten koste gaat van de betaalbaarheid voor burgers, die in veel gevallen afhankelijk zijn van de postbezorging?
Nederland heeft het afgelopen decennium kunnen profiteren van de dynamiek die de liberalisering van de postmarkt in 2009 tot stand heeft gebracht. Dankzij de invoering van concurrentie heeft PostNL zich weten te transformeren van een verlieslatend staatsbedrijf naar een efficiënte logistieke dienstverlener. Postdiensten in Nederland hebben een hoge kwaliteit en een – vergeleken met andere Europese landen – gemiddelde prijs, ondanks het feit dat de krimp in Nederland sneller gaat dan in de meeste andere EU-lidstaten. Grote verzenders profiteren van keuzevrijheid en een uitstekend prijs-kwaliteitniveau. Deze factoren hebben bijgedragen aan efficiënte dienstverlening en het behoud van de waarde die post had en heeft in de samenleving. Kostenbesparingen behaald onder druk van concurrentie hebben via het kostentoerekeningssysteem ook tot kostenbesparingen voor de UPD-gebruiker geleid, omdat UPD-post en zakelijke post gebruik maken van hetzelfde netwerk.
De stijging in de postzegelprijs is dan ook niet het resultaat van de liberalisering, maar is te verklaren door een aanhoudende en sterke daling van het aantal poststukken. Deze krimp is een op zichzelf staande ontwikkeling als gevolg van digitalisering.
Hoeveel mensen zijn voor contact op langere afstand, in het bijzonder met overheidsinstanties, afhankelijk van postbezorging?
De mate waarin post bijdraagt aan sociale inclusie is moeilijk uit te drukken in cijfers. Het kabinet ziet dat post belangrijk is voor sociale inclusie. Uit onderzoek blijkt dat 2,5 miljoen Nederlanders het moeilijk vinden om met digitale apparaten om te gaan2. Ook hebben 1,2 miljoen mensen nog nooit internet gebruikt3. Het kabinet wil daarom dat de keuzemogelijkheid om per post met de overheid te communiceren behouden blijft en de universele postdienst op het platteland en in krimpregio’s op het huidige kwaliteitsniveau blijft.4 Ik houd de ontwikkelingen op de postmarkt nauwlettend in de gaten om te zorgen dat post deze functie kan blijven vervullen. Ik ben voornemens om later dit jaar een wijzigingsvoorstel voor de Postwet bij de Tweede Kamer in te dienen om dit ook voor de langere termijn te borgen (Kamerstuk 29 502, nr. 158).
Hoe verhoudt de stijging van de postzegelprijs sinds 2009 zich tot de prijsontwikkeling in de zakelijke postbezorging en hoe groot was de gemiddelde prijsstijging in de zakelijke postbezorging in 2018?
De prijs van enkelstuks UPD-post is hoger dan de prijs die grote zakelijke gebruikers betalen voor de diensten van postvervoerders. De gemiddelde opbrengst per stuk zakelijke post was in 2018 € 0,38. De gemiddelde opbrengst per stuk consumentenpost (de postzegelprijs) was € 0,89 in 2018. De prijs van 48- uurs en 72-uurs zakelijke post is niet goed vergelijkbaar met de prijs van 24-uurs consumentenpost. Het verschil in prijs tussen 24-uurs en de langzamere 48-uurs en 72-uurs (partijen)post wordt onder andere veroorzaakt door volumekortingen als gevolg van de sterke positie die zakelijke afnemers, zoals banken of verzekeraars, bij de contract- en tariefonderhandelingen met postvervoerders hebben. Ook de verschillen in de collectie en sortering en de verschillende mogelijkheden om post te plannen spelen hierin een rol, dat maakt de verwerking van deze post goedkoper. Als 24-uurs consumentenpost wordt afgezet tegen 24-uurs zakelijke post is het tariefverschil aanzienlijk kleiner.
Wordt bij de berekening van de tariefruimte voor de universele postdienst (UPD) rekening gehouden met de ontwikkelingen in de zakelijke postbezorging? Zo nee, waarom wordt de UPD als onafhankelijk gezien terwijl de bezorging veelal via dezelfde kanalen gaat?
De totale tariefruimte bestaat uit de basistariefruimte en de aanvullende tariefruimte. Bij het bepalen van de aanvullende tariefruimte houdt ACM rekening met inflatie, volumeontwikkeling van enkelstuks UPD-diensten en eventueel gerealiseerd overrendement op de UPD-diensten. In de basistariefruimte worden ook de kosten van het netwerk van PostNL meegenomen. In antwoord op vraag 4 heb ik de verschillen tussen UPD-poststukken en zakelijke poststukken toegelicht. Door deze verschillen worden deze poststukken onafhankelijk van elkaar gezien. Wel delen beide stromen hetzelfde netwerk. De efficiëntie die hierdoor ontstaat ten aanzien van de verwerking en bezorging komen uiteindelijk ook ten goede aan de UPD tarieven.
Gaat de consolidatie van de postsector door de aanstaande overname van Sandd door PostNL aanleiding vormen voor de ACM om de tariefruimte te herzien?
ACM dient op basis van de Postregeling 2009 jaarlijks uiterlijk op 1 september de aanvullende tariefruimte voor het komende kalenderjaar te bepalen. Met de publicatie van het Besluit tariefruimte universele postdienst 2020 heeft ACM aan deze verplichting voldaan. Ik kan nog niet vooruitlopen over mogelijke consolidatie. Uiteraard zal ik in elk scenario bezien welke effecten ontwikkelingen in de markt hebben en of dit aanleiding vormt om actie te ondernemen.
Deelt u de mening dat een verdere stijging van de postzegelprijzen tot een nog sterkere daling van de postvolumes gaat leiden en dat het voortbestaan van de postbezorging voor burgers hiermee in gevaar wordt gebracht?
Zoals in antwoord op vraag 1 en 2 aangegeven is de verhoogde tariefruimte met de systematiek die we kennen een direct gevolg van de autonome krimp van volumes. Het is goed voorstelbaar dat de prijsontwikkeling die de postzegel de afgelopen tien jaar heeft doorgemaakt zich bij ongewijzigd beleid en aanhoudende krimp de komende tien jaar nog een keer voordoet. Om dit te voorkomen en de betaalbaarheid en beschikbaarheid van de UPD te borgen heb ik vorig jaar ook een beleid- en wetgevingsagenda voor de postmarkt naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 29 502, nr. 158). Het wijzigingsvoorstel voor de Postwet dat ik later dit jaar wil aanbieden is een belangrijke uitwerking van deze agenda en moet dit scenario mede helpen voorkomen.
Is de aanstaande consolidatie in de postsector, die effectief een private monopolist creëert, voor u aanleiding om de liberalisering in de postsector terug te draaien, die in het overgrote deel van de Europese landen nooit heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom verkiest u een slechts gedeeltelijk gereguleerde monopolist boven een sterkere overheidsinmenging?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de afgelopen jaren uitvoerig onderzoek gedaan naar de verschillende opties om de UPD betaalbaar en beschikbaar te houden. Naar aanleiding van deze analyse zijn verschillende opties onderzocht hoe met deze tendens omgegaan kan worden. Het deels terugdraaien van de liberalisering («deprivatisering») is hierbij ook als optie meegenomen.5 Daaruit bleek dat deprivatisering weinig zou opleveren, in tegendeel zelfs.
Op 4 april 2019 heeft de ACM een vergunningsaanvraag ontvangen van PostNL om Sandd over te nemen. ACM heeft op 5 september jl. haar besluit gepresenteerd inzake deze voorgenomen overname. Zij heeft besloten geen vergunning te verlenen voor de overname van Sandd door PostNL. Als reactie op dit besluit heb ik van PostNL een aanvraag ontvangen in het kader van artikel 47 van de Mededingingswet. Op dit moment bestudeer ik deze aanvraag en het besluit van ACM. Hier zal ik op korte termijn, en uiterlijk binnen de wettelijk gestelde termijn van 12 weken, een besluit over nemen.
De stalbrand in Niawier, waarbij 42.000 kippen zijn omgekomen. |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «42.000 kippen omgekomen in Niawier: grote brand bij pluimveebedrijf»?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Zijn er kippen die levend uit de afgebrande stallen hebben weten te ontsnappen? Zo ja, wat is er met deze dieren gebeurd en hoe is de zorgplicht ingevuld?
Nee, tot mijn spijt zijn er geen kippen levend uit de afgebrande stallen gekomen.
Erkent u dat de houderijsystemen voor kippen, die onder uw verantwoordelijkheid zijn toegestaan, bestaan uit stallen waaruit dieren in de praktijk onmogelijk kunnen ontsnappen als er brand uitbreekt?
De stalsystemen in de pluimveehouderij voldoen aan de wettelijke eisen voor stallen. Daarnaast worden aanvullende maatregelen genomen om de kans op een brand te verkleinen. Zo heeft de pluimveesector verplichte elektrakeuringen opgenomen in hun ketenkwaliteitssysteem. Dat is een belangrijke preventieve maatregel, aangezien veel stalbranden ontstaan door problemen met elektriciteit en kortsluiting. Daarnaast zijn we met partijen in gesprek over aanvullende mogelijkheden om de kans op stalbranden te beperken.
Hoeveel kippen zitten er momenteel nog in de derde schuur die op het nippertje werd behoed voor de brand?
Volgens de gegevens in het Identificatie en Registratiesysteem (I&R) zijn op 30 maart 2018 ongeveer 30.000 legkippen in stal 3 geplaatst. Het actuele aantal is onbekend, want bij pluimvee wordt uitval niet in I&R geregistreerd.
Voor hoeveel dieren had dit bedrijf een vergunning?
Voor hoeveel dieren het bedrijf een vergunning had, is mij niet bekend. De afgifte van omgevingsvergunningen valt onder de bevoegdheid van de desbetreffende gemeente. Wel wordt de aan- en afvoer van levende dieren in het I&R-systeem gemeld.
Was de bezetting van dit bedrijf op het moment van de brand op maximaal niveau?
Nee, op het moment van de brand was geen sprake van een maximale productiecapaciteit van de stal conform Europese richtlijn 2002/4.
Wat was het bouwjaar van de afgebrande stallen?
Er is mij geen bouwjaar van de afgebrande stallen bekend, dit wordt bij de gemeente vastgelegd. De datum van ingebruikname van de drie stallen is wel bekend en deze is 1 oktober 2010.
Bent u van mening dat er sprake was van toereikende brandpreventie in de stallen? Zo ja, waaruit bestond die?
In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat de belangrijkste oorzaken van stalbranden problemen met elektriciteit en kortsluiting zijn. Om die reden is de elektrakeuring opgenomen in de kwaliteitssystemen van onder andere de pluimveesector. Op het getroffen bedrijf in Niawier heeft deze elektrakeuring plaatsgevonden. Hierbij zijn geen gebreken geconstateerd.
Welke onderzoeken zijn er bij u bekend over wat kippen doormaken tijdens een stalbrand?
Er is mij geen wetenschappelijke literatuur bekend waarin wordt beschreven wat kippen doormaken tijdens een stalbrand.
Deelt u de mening dat het levend verbranden van duizenden dieren onacceptabel is? Zo ja, erkent u dat dit tot nu toe op geen enkele wijze blijkt uit het kabinetsbeleid?
Een stalbrand is voor de dieren, voor de veehouder, diens familie, hulpverleners en omwonenden een dramatische gebeurtenis. Ik vind het dan ook vreselijk als er een stalbrand plaatsvindt waarbij dieren omkomen. Dierlijke slachtoffers bij stalbranden moeten zo veel als mogelijk voorkomen worden. In het Actieplan brandveilige veestallen 2018 – 2022 werkt de overheid samen met de Dierenbescherming, het Verbond van Verzekeraars, Brandweer Nederland, de Producentenorganisatie Varkenshouderij en LTO aan het terugdringen van het aantal stalbranden en het aantal dierlijke slachtoffers. De belangrijkste oorzaken van stalbranden worden momenteel aangepakt. Zo hebben inmiddels alle varkens- en kalverstallen, die aangesloten zijn bij een kwaliteitssysteem, een elektrakeuring gehad. Vóór 2020 zijn ook alle pluimveebedrijven gekeurd. Meer dan negentig procent van de primaire bedrijven zijn aangesloten bij deze systemen en worden op deze wijze gekeurd. Vanuit het actieplan wordt naast preventieve maatregelen ook gewerkt aan schade-beperkende maatregelen, waaronder brand- en rookdetectiesystemen. In mijn brief van 14 januari 2019 (Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 71) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de huidige maatregelen. Ondanks deze maatregelen komen er veel dieren om bij stalbranden. Om die reden heb ik onlangs de partners van het actieplan bijeengeroepen om te kijken welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om het aantal stalbranden en het aantal dierlijke slachtoffers nog verder terug te brengen. Ook dierenbelangenorganisaties, zoals Eyes on Animals, Wakker Dier en externe deskundigen op het gebied van brandveiligheid heb ik bijeen geroepen om ideeën met ons te delen. Alle ideeën worden de komende tijd in de stuur- en werkgroep van het actieplan besproken en uitgewerkt. Hierna kan het huidige actieplan uitgebreid worden met aanvullende maatregelen. Op deze manier moeten we er samen voor blijven zorgen dat de kans op een stalbrand – en daarmee dierlijke slachtoffers – verder omlaag blijft gaan.
Hoeveel dieren moeten er nog omkomen in stalbranden voordat het kabinet maatregelen gaat nemen voor brandpreventie in stallen?
Ik verwijs uw Kamer hiervoor graag naar het antwoord op vraag 10.
Welke concrete voornemens heeft dit kabinet om tot wetgeving te komen op het gebied van brandpreventie in stallen?
Ik verwijs uw Kamer hiervoor naar het antwoord op vraag 10.
Op welke wijze gaat u de Kamer informeren over de ontwikkelingen in het onderzoek naar de oorzaak van deze stalbrand in Niawier?
Uit het brandweeronderzoek is tot op heden geen directe oorzaak naar voren gekomen. Wel is brandstichting uitgesloten. Er is dan ook een reële kans dat de oorzaak van deze brand niet wordt achterhaald.
De vrijlating van een gevaarlijk persoon uit de Woenselse Poort |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op 30 juli jl. uit de tbs-kliniek de Woenselde Poort een gestoorde man, door de rechter veroordeeld voor stalking en mishandeling, is vrijgelaten wegens het niet-meewerken aan zijn behandeling? Zo nee, waarom niet?
Het past mij niet om op deze individuele casus nader in te gaan. Overigens is bij navraag gebleken dat op 30 juli jl. uit de tbs-kliniek de Woenselse Poort niemand is vrijgelaten wegens het niet-meewerken aan zijn behandeling.
Klopt het dat de Reclassering recent bij een zitting heeft aangeven dat het recidiveniveau van deze persoon aanzienlijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze persoon op te sporen, op te pakken en alsnog vast te zetten zolang blijkt dat hij gevaarlijk is, desnoods op civielrechtelijke titel? Zo nee, waarom niet?
Ook hier past het mij niet om op deze individuele casus nader in te gaan.
Bent u bekend met de trieste afloop van Sarah Papenheim, Humeyra en Laura Korsman? Zo ja, deelt u de mening dat de maatschappij beschermd moet worden tegen gevaarlijke personen om meer onschuldige slachtoffers te voorkomen en dat u voor dit beleid verantwoordelijk bent? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid deel ik de mening dat de samenleving beschermd moet worden tegen personen die een gevaar vormen voor anderen. Veiligheid van de maatschappij staat voor mij voorop. Naast het reguliere optreden van de politie, het Openbaar Ministerie en alle andere betrokken die een bijdrage leveren aan de bescherming van onze samenleving heb ik nadere maatregelen getroffen ter bescherming van de maatschappij. Ik ga hieronder in op enkele (reeds genomen) maatregelen.
Door fysieke vrijheidsbeneming is de samenleving voor bepaalde tijd beschermd tegen de persoon die tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Daarnaast is het uitgangspunt dat bij de uitvoering van een gevangenisstraf meteen na binnenkomst in een gevangenis gewerkt wordt aan een veilige terugkeer in de samenleving. Mijn wetsvoorstel straffen en beschermen, dat op dit moment voorligt bij de Eerste Kamer, sluit hier goed bij aan. Hiermee wordt onder andere de termijn voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) teruggebracht tot maximaal twee jaar voor het einde van de straf en worden vrijheden op basis van een individuele toets op grond van het gedrag van de gedetineerde, risico’s op herhaling en de belangen van slachtoffers verleend.
Sinds begin 2018 kan bij zeden- en zware geweldsdelicten de zelfstandige toezichtmaatregel van de Wet Langdurig Toezicht worden opgelegd. Dit is een maatregel die de strafrechter tegelijkertijd met de gevangenisstraf kan opleggen als stok achter de deur.
Tot slot zet ik in op goede continuïteit van zorg. Indien iemand na afloop van een strafrechtelijke titel nog behandeling nodig heeft dan is dat mogelijk. Met de inwerkingtreding van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) krijgt de strafrechter per 1 januari 2020 er een belangrijk wettelijk instrument bij. De strafrechter krijgt dan de bevoegdheid om zelf verplichte zorg op grond van de Wvggz op te leggen.
die met het strafrecht in aanraking komen. Daarmee zijn belangrijke stappen gezet om de veiligheid van de samenleving te verbeteren.
Welke maatregelen gaat u nemen om de maatschappij in het algemeen en de familie in het bijzonder, die ernstig bedreigd wordt door deze gestoorde man, te beschermen (voor het te laat is)?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer gaat u minimumstraffen invoeren zodat dit soort gevaarlijke personen niet langer vrij rondlopen na een gevangenisstraf van slechts enkele maanden?
Het stelsel van minimumstraffen vereist dat alle mogelijke vormen waarin een strafbaar feit zich kan voordoen, wettelijk moeten worden omschreven. Voor al die vormen moet dan een minimum- en een maximumstraf worden bepaald, inclusief strafverzachtende omstandigheden. Ons Wetboek van Strafrecht kent algemene omschrijvingen van strafbaarstellingen, die voor zowel het lichtste als het zwaarste delictscenario kunnen worden benut. De rechter heeft een ruime straftoemetingsvrijheid en kan steeds per individueel geval maatwerk leveren en een passende straf opleggen. Dat doet de strafrechter naar mijn mening uiterst consciëntieus en professioneel. Ik zie dan ook geen aanleiding om dat stelsel compleet anders in te richten en de rechterlijke straftoemetingsvrijheid met behulp van minimumstraffen te beperken.
De Augustusraming van het CPB |
|
Léonie Sazias (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA), Gerrit-Jan van Otterloo (50PLUS), Henk Krol (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie van de Augustusraming van het Centraal Planbureau (CPB) en bent u ook bekend met het Centraal Economisch Plan (CEP) van maart jl., de raming voor 2019 en 20201 2?
Ja.
Erkent u dat de voorspelde koopkrachtverbetering van gepensioneerden voor 2019 met bijna 40% naar beneden is bijgesteld en voor 2020 met 33% ten opzichte van de raming in maart van dit jaar?
Het CPB publiceert periodiek een actualisatie van haar koopkrachtraming. Hierin worden de op dat moment meest recent beschikbare verwachtingen omtrent de ontwikkeling van bijvoorbeeld de contractlonen, de inflatie en de indexatie van pensioenuitkeringen meegenomen. Bij de Augustusraming zijn inzichten tot medio juli in de ramingen verwerkt. In de CEP-publicatie raamde het CPB de mediane3 koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden voor 2019 op 1,6%. Bij de cMEV-raming in augustus is deze raming bijgesteld tot 1,0%. Tussen het CEP en de cMEV is de raming van de inflatie (van 2,3% naar 2,6%) naar boven bijgesteld, wat de koopkrachtontwikkeling voor alle huishoudgroepen beperkt. Daarnaast heeft de dalende rentestand een sterker drukkend effect op de geraamde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden, omdat deze groep meer vermogen heeft dan de groep niet-gepensioneerden.
Voor 2020 is de raming van de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden bijgesteld van 0,9% bij CEP naar 0,6% bij cMEV. Ook hier wordt het verschil deels verklaard door de dalende rentestand. Daarnaast heeft het CPB in de cMEV technische aannames verwerkt om het lastenkader te sluiten, in voorbereiding op definitieve besluitvorming door het kabinet bij de augustusbesluitvorming. In zowel 2019 als 2020 worden de aanvullende pensioenen naar verwachting nauwelijks geïndexeerd.
Wat is de reden dat de voorspelde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden in 2019 en 2020 zo fors naar beneden wordt bijgesteld, óók in verhouding tot werkenden en uitkeringsgerechtigden?
Zie antwoord vraag 2.
Is er in deze cijfers al rekening gehouden met (onaanvaardbare) pensioenkortingen in 2019 en/of 2020?
In de Augustusraming van het CPB zijn inzichten tot en met medio juli 2019 verwerkt. Hierbij is ook verwerkt of pensioenfondsen, op basis van de dekkingsgraden medio juli, de pensioenuitkeringen zouden kunnen indexeren of zouden moeten afstempelen. Voor het al dan niet indexeren van of afstempelen op pensioenuitkeringen in 2020 is de dekkingsgraad ultimo 2019 doorslaggevend.
Waarom is in de Augustusraming het percentage van de populatie dat erop vooruitgaat niet meer opgenomen in de tabel van de koopkrachtontwikkeling, terwijl dit bij het CEP in maart jl. nog wel zichtbaar was?
Vanaf de cMEV-raming en de SZW-begroting 2020 is de koopkrachtpresentatie gewijzigd. In een toelichting bij de cMEV geeft het CPB aan4 dat gekozen is voor een nieuwe presentatie ter vermijding van misverstanden. Het percentage huishoudens met een positieve of negatieve koopkrachtontwikkeling is geschrapt uit de boxplot. De koopkrachtwaarden van het 25e en 75e percentiel worden nu met een expliciet cijfer in de boxplot weergegeven, ter illustratie van de spreiding rond de mediane koopkrachtontwikkeling. Hiermee wordt meer nuance bij het mediane koopkrachtbeeld beoogd. Het aandeel huishoudens met een positieve en negatieve koopkrachtontwikkeling kon ten onrechte gezien worden als een voorspelling van hoeveel mensen er het komende jaar op voor- of achteruitgaan, terwijl deze cijfers hier onvoldoende voor geschikt zijn. Er wordt immers gerekend met gemiddelden omtrent de ontwikkeling van de lonen, pensioen en de inflatie, terwijl in de praktijk het ene huishouden bijvoorbeeld een lagere loonontwikkeling heeft dan het gemiddelde, en het andere een hogere. Daarnaast is bij de precieze hoogte van de koopkrachtontwikkeling sprake van onzekerheid die onlosmakelijk verbonden is aan het maken van een raming. Ten slotte wordt in de boxplot een raming van de statische koopkrachtontwikkeling weergegeven, waarbij geen rekening wordt gehouden met de effecten van wijzigingen in persoonlijke omstandigheden, zoals trouwen, kinderen krijgen, baanverlies of het maken van promotie. De koopkrachtplaatjes zijn dan ook bedoeld om de effecten van beleid in beeld te brengen, maar zijn niet geschikt om de ontwikkeling van het geld in de eigen portemonnee mee te voorspellen.
Om de gewijzigde koopkrachtpresentatie te illustreren heeft het CPB bij de Augustusraming de koopkrachtraming voor 2019 ook in de stijl van het CEP gepubliceerd.5
Bent u bereid om het Centraal Planbureau vandaag nog te vragen om in een addendum op de Augustusraming de gevraagde percentages alsnog toe te voegen aan de tabel van de koopkrachtontwikkeling?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe groot is de meevaller op de rente-uitgaven van de overheid sinds het opstellen van de Miljoenennota 2019 en hoeveel sinds het opstellen van de Miljoenennota 2018?
Sinds de start van deze kabinetsperiode zijn de rente-uitgaven aan staatsschuld onder het deelplafond Rijksbegroting geplaatst. Hierdoor leveren meevallers op deze rente-uitgaven ruimte op onder het deelplafond Rijksbegroting, die kunnen worden aangewend voor tegenvallers onder dit plafond. Voor het begrotingsjaar 2018 gaat dit om een bedrag van 170 miljoen euro sinds Startnota (zie ook FJR 20186). In de meest recente Voorjaarsnota wordt een meevaller van 170 miljoen euro op de plafondrelevante rente-uitgaven voorzien voor het lopende begrotingsjaar 2019. Het effect van de augustusraming van het CPB wordt momenteel doorgerekend en gepubliceerd op Prinsjesdag. De meevallers op de plafondrelevante rente zorgen voor budgettaire ruimte die deel uitmaakt van de integrale besluitvorming.
Bent u bereid om de meevaller op de rentelasten van de Staat zo snel mogelijk door te geven aan de grootste groep slachtoffers van rentedaling, namelijk de gepensioneerden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
De gevaarlijke situatie na spontaan springen van ramen bij ministeries Rijnstraat 8 |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Glazen blunderministerie verliest nu ook zijn ramen»?1
Ja.
Sinds wanneer is bij u bekend dat de ruiten springen bij hoge windkracht? Wanneer heeft u de Kamer en de bewoners van de Rijnstraat 8 hierover geïnformeerd? Wanneer heeft u maatregelen genomen en welke?
De veiligheid in en rondom Rijnstraat 8 is een verantwoordelijkheid die is neergelegd bij het consortium PoortCentraal, verantwoordelijk voor zowel de bouw als de exploitatie van Rijnstraat 8. Het Rijksvastgoedbedrijf spreekt als eigenaar en opdrachtgever het consortium aan als deze veiligheid in het geding is. Dit is ook gebeurd na de barsten in de eerste ruit in het atrium aan de noordzijde van Rijnstraat 8. Na de derde en vierde ruitbreuk (24 en 26 juli) is door het Rijksvastgoedbedrijf op 29 juli jl. bij PoortCentraal een zogeheten «Melding van een Beschikbaarheidsgebrek» gedaan, waarmee het consortium aansprakelijk wordt gesteld voor het ontstane gebrek. Daarnaast heeft het RVB op 29 juli jl. een gespecialiseerd onafhankelijk adviesbureau gevraagd onderzoek te doen naar de mogelijke oorzaken van de glasbreuk en vooral de risico’s die daarmee gepaard gaan. Het onderzoek is op 31 juli jl. uitgevoerd. Sinds 2 augustus jl. ben ik op basis van de strekking van de notitie van dit adviesbureau op de hoogte gebracht dat onzuiverheden in het glas de meest waarschijnlijke oorzaak van de glasbreuk zijn. In de notitie staat verder dat een gebarsten ruit kan blijven zitten totdat deze door wind zwaarder wordt belast. Harde wind kan ook het ontstaan van glasbreuk in de hand werken en kan er mogelijk voor zorgen dat al gebarsten ruiten uit elkaar en naar beneden vallen. Dit laatste was aanleiding voor het Rijksvastgoedbedrijf om het consortium aan te sporen tot actie en in gezamenlijkheid met de gemeente Den Haag (verantwoordelijk voor de openbare ruimte) uit voorzorg maatregelen te nemen. Daarbij is windkracht 7 en hoger gedefinieerd als grens waarbij maatregelen worden genomen.
Sinds het uitkomen van de notitie (2 augustus jl.) wordt er elke twee uur door het consortium een inspectieronde gelopen om te zien of er nieuwe ruitschade is opgetreden. Door PoortCentraal is, in overleg met het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Den Haag, een calamiteitenplan opgesteld voor windkracht 7 of hoger. Centraal hierin staat de afsluiting van de onderdoorgang als tijdelijke voorzorgsmaatregel. Over de uitgang van de Koningstunnel is een overkapping gebouwd voor de veiligheid van het gemotoriseerde verkeer, ook bij windkracht 7 en hoger. Verder wordt onderzocht welke andere tijdelijke en vervolgens permanente maatregelen genomen kunnen worden om de veiligheidsrisico’s en eventuele hinder te beperken en de situatie te verhelpen.
De bewoners van Rijnstraat 8 zijn en worden via de pandapp regelmatig geïnformeerd over de gebarsten ruiten. De gebarsten buitenruiten zijn inmiddels verwijderd. In november worden deze vervangen. Op 9 augustus jl. zijn onder meer de bewoners geïnformeerd over het tijdelijk afsluiten van de onderdoorgang van Rijnstraat 8 voor maximale veiligheid, omdat die dag voor het eerst harde wind werd verwacht. Uw Kamer is niet separaat geïnformeerd.
Hoeveel schade en overlast is er inmiddels voor ondernemers en stadsbezoekers? Hoeveel dagen is de weg al gestremd geweest? Wordt de schade voor ondernemers gecompenseerd?
De toegang tot de onderdoorgang van Rijnstraat 8 voor fietsers en voetgangers is aan de noordzijde zevenmaal afgesloten geweest vanwege de verwachte windsnelheden. Dat was van vrijdagavond 9 augustus 22.00 uur tot zondagochtend 11 augustus 09.00 uur, zaterdagochtend 17 augustus van 02.00 uur tot 08.00 uur, woensdag 11 september van 14.00 uur tot 17.00 uur, donderdag 26 september van 14.00 uur tot 20.00 uur, vrijdag 27 september van 18.00 uur tot 24.00 uur, zaterdag 28 september van 11.00 uur tot 23.00 uur en van zondag 29 september 08.00 uur tot maandag 30 september 06.45 uur.
Dit gaf overlast voor fietsers en voetgangers omdat zij via een bewegwijzerde route om het gebouw werden geleid. De afspraak met de door PoortCentraal ingehuurde verkeersregelaars is dat de toegang van de onderdoorgang naar de winkels vanaf de stadzijde bereikbaar blijft. De bloemenkiosk is dan niet bereikbaar. Eventuele financiële schade die dit heeft veroorzaakt, wordt nog geïnventariseerd en onderzocht. Dit is een aangelegenheid van het eerdergenoemde PoortCentraal.
Hoe verklaart u dat de Rijnstraat 8 niet bestand is tegen hoge temperaturen in de zomer, lage temperaturen in de winter, en harde windkracht en hoge windsnelheden? Is aan alle relevante bouwregelgeving voldaan en zo ja, op welke wijze zou de regelgeving moeten worden aangepast om de veiligheid van dergelijke gebouwen in de toekomst te garanderen?
Elk bouwwerk dat wordt aanbesteed, dus ook Rijnstraat 8, moet uiteraard voldoen aan de voorschriften uit het Bouwbesluit. Dit staat ook in de uitvraag die het Rijksvastgoedbedrijf bij het consortium PoortCentraal heeft neergelegd. Daarin zijn ook criteria opgenomen over de weersomstandigheden die een pand moet kunnen weerstaan. Het consortium is ervoor verantwoordelijk dat aan de regelgeving wordt voldaan en dat de uitgevraagde kwaliteit wordt geleverd. Het heeft daarvoor een speciaal kwaliteitsmanagementsysteem.
Daarnaast zijn door een extern bureau, de gemeente Den Haag en het Rijksvastgoedbedrijf voor de oplevering van Rijnstraat 8 controles uitgevoerd op de grootste risico’s. Dergelijke controles zijn standaard
bij de contractvorm zoals toegepast bij Rijnstraat 8 waar de risico’s grotendeels bij een consortium zijn neergelegd. Om te voldoen aan de geldende NEN-norm moeten de ruiten aan de noordzijde van de atria een zogeheten hittetest hebben ondergaan, waardoor ze bestand moeten zijn tegen extreme weersomstandigheden. Hiervoor zijn de bijbehorende documenten afgegeven. Een dergelijke test is erop gericht glasplaten met onzuiverheden te elimineren. Toch kan het voorkomen dat een enkele glasplaat door deze test komt, ook al bevat het dit soort onzuiverheden. Het is nog niet duidelijk waarom er in Rijnstraat 8 meer ruiten zijn gebarsten dan volgens de normen en certificaten en de foutenmarge verwacht had mogen worden. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de precieze oorzaak is en of deze situatie te voorkomen was geweest. PoortCentraal verwacht half oktober een eerste concept van het onderzoek dat zij heeft opgedragen.
Vindt u dat bij het ontwerp en de bouw van de Rijnstraat voldoende oog is geweest voor de functionaliteit van het gebouw? Zo ja, hoe verklaart u de gebreken? Zo nee, hoe wordt de functionaliteit in de toekomst geborgd?
Ja, bij het ontwerp en de bouw van Rijnstraat 8 is er voldoende oog geweest voor de functionaliteit van het gebouw als rijksverzamelkantoor. Niettemin is de beleving van een deel van de bewoners niet positief. Waar de inrichting van het gebouw als belemmerend werd ervaren voor de functionaliteit (drukte, donkere lifthallen, ongemakkelijk meubilair en dergelijke) zijn maatregelen genomen om dit te verbeteren. Voor gebreken die belemmerend zijn of als zodanig worden ervaren, zoals de breedplaatvloeren en de ruiten, wordt gezocht naar passende oplossingen.
Deelt u de mening dat ambtenaren zeker moeten zijn van een veilige werkomgeving? Heeft u overleg met uw collega’s van Infrastructuur en Waterstaat en Buitenlandse Zaken welke impact de onveiligheid van de Rijnstraat 8 heeft op haar bewoners?
Ik deel de mening dat ambtenaren zeker moeten zijn van een veilige werkomgeving. Rijnstraat 8 is, met inachtneming van een aantal gebruiksbeperkingen als gevolg van de breedplaatvloeren, veilig te gebruiken. Indien er desondanks risico’s worden vastgesteld, zal het Rijksvastgoedbedrijf het consortium hierop aanspreken en maatregelen laten nemen. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Kunt u een overzicht geven van de vele mogelijk gevaarlijke situaties die aan het licht zijn gekomen sinds ingebruikname van Rijnstraat 8, zowel voor publiek als ambtenaren, en welke maatregelen zijn genomen om die tegen te gaan?
Sinds de ingebruikname zijn er drie risicovolle situaties geweest, waarover uw Kamer al eerder is geïnformeerd:
De onderdoorgang Rijnstraat 8 bleek na oplevering te glad na regen, waardoor voetgangers konden uitglijden. Inmiddels is de onderdoorgang opnieuw aangelegd met klinkers, opgeruwde stoepdelen en verbeterde afwatering;
De treden van de designtrappen hebben een opstaand randje en een leuning die onvoldoende grip gaf waardoor gebruikers mogelijk kunnen struikelen, wat in enkele gevallen ook is gebeurd. De eerste trappen zijn inmiddels aangepast. Op 14 oktober 2019 zullen alle trappen aangepast zijn;
Rijnstraat 8 heeft breedplaatvloeren. Uit voorzorg geldt voor het nieuwe aangebouwde deel als algemene beheersmaatregel dat de vloerbelasting niet mag toenemen. Specifiek voor Rijnstraat 8 geldt dat onder meer in dat wordt geadviseerd geen bijeenkomsten van 30 personen of meer op de werkverdiepingen te organiseren en geen extra gewicht toe te voegen in de vorm van stapels printpapier, extra kasten, enz. Voor enkele ruimten geldt een separate gebruiksbeperking. Door floormanagers wordt hier voor de zekerheid op toegezien. Hiermee is, in afwachting van herstelmaatregelen, een veilig gebruik gewaarborgd.
Bent u bereid een groot onderzoek te gelasten naar de veiligheid van Rijnstraat 8 om te voorkomen dat verdere gebreken onveilige situaties veroorzaken voor ambtenaren en publiek? Zo nee, waarom niet?
In juni 2019 is een Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) rapport van het gebouw opgeleverd, waarbij (potentieel) risicovolle situaties in beeld zijn gebracht.
Dit heeft geresulteerd in een concept Plan van Aanpak. Een werkgroep met alle bewoners beoordeelt het Plan van Aanpak op noodzakelijkheid, haalbaarheid en kijkt kritisch naar de prioritering. Met de uitvoering is begonnen. Zo zijn bijvoorbeeld de verzamelplaatsen voor minder zelfredzame medewerkers bij ontruimingen beter aangegeven. Rijnstraat 8 heeft verder een monitorsysteem waarbij gebreken kunnen worden gemeld. Als een gemeld gebrek te maken heeft met veiligheid wordt er zo snel mogelijk actie ondernomen. Het kan voorkomen dat eerst tijdelijke maatregelen worden genomen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het afsluiten van de designtrappen, in afwachting van een definitieve oplossing.
Hoe hoog zijn de kosten inmiddels opgelopen door de vele gebreken van Rijnstraat 8?
Er zijn maatregelen genomen ter verbetering van de functionaliteit, zoals het verven van de lift en de aanschaf van ander meubilair. De kosten voor aanpassingen die verder gaan dan contractueel afgesproken, bijvoorbeeld het verven van de liftkernen, zijn voor rekening van het Rijk en bedragen tot op heden ongeveer 600.000 euro (exclusief BTW). De overige kosten die vallen binnen de verantwoordelijkheid van het consortium, zoals het veiliger maken van de trappen, komen volledig voor rekening van het consortium. Daar heeft het Rijk geen inzicht in.
Het bericht ‘Bij provincie heeft integriteit geen prioriteit’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bij provincie heeft integriteit geen prioriteit»?1
Ja.
Is het waar dat alleen de provincie Noord-Holland een wettelijk verplicht integriteitsjaarverslag heeft uitgebracht?
In artikel 125quater, onderdeel d, van de Ambtenarenwet is sinds 2006 de verplichting geregeld voor provincies om in overleg met provinciale staten vast te stellen op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde integriteitsbeleid (alsmede over de naleving van de gedragscode voor goed ambtelijk handelen). De wet vereist niet dat dit in de vorm van een (schriftelijk) integriteitsjaarverslag gebeurt. De vorm waarin gedeputeerde staten van provincies jaarlijks verantwoording afleggen, spreken zij af met provinciale staten.
Van het Interprovinciaal Overleg (IPO) heb ik begrepen dat gedeputeerde staten in alle provincies hierover afspraken hebben gemaakt met provinciale staten en verantwoording afleggen aan hen en daarmee dus voldoen aan de genoemde wettelijke verplichting. De vorm waarin verantwoording wordt afgelegd, verschilt: schriftelijk of mondeling, in de vorm van een separaat integriteitsverslag of bijvoorbeeld als onderdeel van een jaarverslag van de commissaris van de Koning, een sociaal jaarverslag, een financieel jaarverslag of andere jaarstukken.
Na inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, die is voorzien per 1 januari 2020, zal de wettelijke verplichting iets anders komen te luiden. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Ambtenarenwet 2017 zijn overheidswerkgevers (waaronder provincies) dan verplicht om jaarlijks een verantwoording met betrekking tot de uitvoering van het gevoerde integriteitsbeleid openbaar te maken. Anders dan nu moet de verantwoording dan dus openbaar worden gemaakt, maar ook dan is niet vereist dat dit in de vorm van een afzonderlijk integriteitsjaarverslag gebeurt. Het kan ook een onderdeel zijn van een reeds bestaande financiële verantwoording, zoals het financieel jaarverslag. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft mij verzekerd dat provincies zich van deze aanstaande wetswijziging bewust zijn.
Wat is uw reactie op het bericht dat de overige elf provincies dit niet hebben gedaan? Wat is uw reactie op het feit dat de provincie Limburg, waarvan onlangs bleek dat er integriteitsproblemen zijn, ook geen integriteitsverslag heeft opgesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de opgegeven reden dat geen integriteitsjaarverslag is opgesteld omdat er geen integriteitsschendingen zouden zijn vastgesteld? Bent u van mening dat dit geen legitieme reden is?
Zoals ik in het antwoord op de vragen 2 en 3 heb toegelicht, is in artikel 125quater, onderdeel d, van de Ambtenarenwet de verplichting geregeld voor provincies om in overleg met provinciale staten vast te stellen op welke wijze jaarlijks verantwoording wordt afgelegd over het gevoerde integriteitsbeleid (alsmede over de naleving van de gedragscode voor goed ambtelijk handelen). Eenzelfde verplichting geldt voor het Rijk, gemeenten en waterschappen. Verantwoording over de naleving van deze wettelijke verplichting moet worden afgelegd aan het geëigende politieke orgaan; in het geval van provincies zijn dat provinciale staten. Ook indien er in een bepaald jaar geen integriteitsschendingen zijn vastgesteld, ligt het naar mijn mening in de rede dat op de gebruikelijke wijze verantwoording wordt afgelegd. Het gevoerde integriteitsbeleid omvat immers meer dan een overzicht van vastgestelde integriteitsschendingen. Maar het is aan provinciale staten van de betreffende provincie(s) om hierover afspraken te maken met het provinciebestuur en dat bestuur aan te spreken indien het de afspraken over de wijze van jaarlijks verantwoording afleggen niet nakomt.
Onderschrijft u de teleurstellende conclusie in het artikel dat bij provincies integriteitsbeleid geen prioriteit lijkt te hebben? Zo nee, waaruit blijkt dat dit wel het geval is?
Nee, deze conclusie onderschrijf ik niet. Uit navraag via het Interprovinciaal Overleg (IPO) blijkt dat provincies veel aandacht schenken aan integriteit. Dit blijkt onder andere uit de volgende activiteiten.
Sinds vele jaren organiseert het IPO, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW) en het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP) de dag en nacht van de integriteit (voor respectievelijk bestuurders en ambtenaren). In 2019 is de provincie Noord-Brabant daarbij gastheer van de nacht van de integriteit. Het IPO fungeert als kennismakelaar voor de afzonderlijke provincies.
Vele provincies hebben afgelopen jaren een integriteitscoördinator aangesteld en hebben gedragscodes integriteit vastgesteld. Integriteit is een vast onderdeel van introductieprogramma’s voor nieuwe medewerkers en van het algemene opleidingsaanbod voor alle medewerkers. Er zijn e-learning modules ontwikkeld over integriteit en er worden dilemmatrainingen georganiseerd. Er is veel energie gestoken in het werven en opleiden van vertrouwenspersonen en de capaciteit hiervan is uitgebreid. Provincies beschikken veelal over beleids- en actieplannen integriteit. Er is gerichte aandacht voor «kwetsbare functies». Nieuwe medewerkers leggen de eed of belofte af, externe medewerkers moeten verplicht een (vernieuwde) integriteitsverklaring ondertekenen. Er worden periodieke integriteitsonderzoeken uitgevoerd. Ook worden de nevenwerkzaamheden van medewerkers vanaf schaal 14 gepubliceerd.
Hoe ziet u uw eigen rol als het gaat om integriteitsbeleid bij provincies?
Primair is het integriteitsbeleid van provincies een verantwoordelijkheid van de provincies zelf. Provinciale staten zijn het geëigende democratisch gekozen orgaan om (de uitvoering van) het integriteitsbeleid van provincies te controleren en gedeputeerde staten ter verantwoording te roepen als zij daartoe aanleiding zien. Zoals ik in het antwoord op de vragen 2 en 3 heb toegelicht, geldt er geen wettelijke verplichting voor provincies om verantwoording af te leggen in de vorm van een integriteitsjaarverslag.
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik een coördinerende rol. In dat kader wordt in opdracht van mijn ministerie eens in de drie jaar gemonitord (middels een enquête onder medewerkers) hoe onder andere het ethisch niveau van handelen zich in het openbaar bestuur ontwikkelt. Dit is voor het laatst gebeurd in 2016 (rapport Monitor integriteit en veiligheid openbaar bestuur van I&O research van november 2016, zie https://kennisopenbaarbestuur.nl/rapporten-publicaties/monitor-integriteit-en-veiligheid-openbaar-bestuur-2016/).
Recent heeft het CBS deze enquête als onderdeel van een grotere enquête naar het functioneren van overheidsorganisaties uitgevoerd (het WERK-onderzoek).
Daarmee kunnen we zien of er tekortkomingen zijn in een specifieke sector, ook in relatieve zin (in vergelijking met andere sectoren). De resultaten verwacht ik dit najaar te ontvangen.
Verder hebben we naast Vensters voor bedrijfsvoering (een benchmarkinstrument dat jaarlijks door zo’n 100 organisaties uit het openbaar bestuur wordt gebruikt) sinds kort ook het instrument «Vensters voor integriteit» beschikbaar gesteld, zie www.vensters.net. Met dat instrument ondersteunen we topmanagers en bestuurders van organisaties in het openbaar bestuur bij het snel in kaart brengen van risico’s in hun organisatie ten aanzien van integriteit en reiken we concrete handelingsperspectieven aan bij geconstateerde risico’s. Dit instrument is door mijn ministerie ontwikkeld in samenwerking met andere organisaties, zoals ICTU, VNG, IPO en UvW. Hiermee bied ik vanuit mijn coördinerende rol ondersteuning aan overheidsorganisaties, met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid en de verantwoordelijkheid van de koepels zoals het IPO.
Vanuit mijn ondersteunende rol bied ik overheidsorganisaties ook informatie over het thema integriteit (zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/kwaliteit-en-integriteit-overheidsinstanties).
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat alle provincies wél een integriteitsjaarverslag opstellen? Op welke termijn moeten ze dit gedaan hebben?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u inmiddels het gevraagde ambtsbericht van de Gouverneur van Limburg ontvangen over het schenden van integriteitsregels dat u tijdens mijn mondelinge vraag naar aanleiding van de berichtgeving in de NRC van 27 juni2 over dit onderwerp hebt toegezegd? Zo ja, wat is uw reactie hierop en kunt u de Kamer hierover informeren? Welke acties worden in Limburg ondernomen? Zo nee, wanneer verwacht u dit ambtsbericht?
Op 3 juli 2019 heb ik een ambtsbericht gevraagd aan de commissaris van de Koning in de provincie Limburg. Het ambtsbericht heb ik op 24 juli 2019 ontvangen. Ik zal uw Kamer over de inhoud van het ambtsbericht informeren in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Özütok (GroenLinks) en Kuiken (PvdA) over het bericht «Limburg absolute koploper in verstrekken betaalde klussen aan oud-politici» (ingezonden 3 juli 2019).
Het bericht ‘Gedode Albanees Lato had eigen leger in Gelders dorp’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gedode Albanees Lato had eigen leger in Gelders Dorp»?1
Ja.
In hoeverre klopt de berichtgeving De Telegraaf van 2 augustus 2019? Klopt het dat Festim Lato een privéleger had op Nederlands grondgebied?
Ik ben ermee bekend dat er personen rondliepen in legerkledij, niet zijnde uitgerust als militairen. Van een leger in opbouw is mij geen informatie bekend geworden. De door de krant opgenomen kwalificatie «privéleger» onderschrijf ik niet.
Kunt u aangeven of het klopt dat meerdere overheidsinstanties op de hoogte waren van de activiteiten van Lato maar desalniettemin verzuimd hebben in te grijpen? Zo ja, hoe kan dat?
Op basis van signalen uit de buurt heeft de politie regelmatig de woning gecontroleerd. De wijkagent heeft vanaf het eerste signaal nauw contact onderhouden met omwonenden en tevens met de heer Lato zelf. Naar aanleiding van de geconstateerde activiteiten hield de politie het adres nauwlettend in de gaten. Bij een melding over vermeende aanwezigheid van wapens heeft de politie ingegrepen. Bij een doorzoeking in de woning door de politie zijn twee handvuurwapens en een nep vuurwapen aangetroffen en in beslag genomen. Deze (nep-) wapens zijn vernietigd.
Hoe is het mogelijk dat Lato een privéleger had gestationeerd op Nederlands grondgebied terwijl in de Wet op de weerkorpsen een expliciet verbod op privélegers staat? Hoe kunt u dat verklaren? Is er door het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan naar dit privéleger en het expliciete verbod daarop? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. Gelet op het feit dat er geen verdenking van een privéleger was, is er voor het Openbaar Ministerie geen aanleiding geweest om een onderzoek op te starten.
Kunt u aangeven in hoeverre buurtbewoners of andere personen gevaar hebben gelopen door de aanwezigheid van dit privéleger? Wat heeft u gedaan om deze buurtbewoners of andere personen tegemoet te komen?
Terwijl als gezegd van een leger in opbouw mij geen informatie bekend is geworden, heeft de politie bij vermoeden van gevaar ingegrepen. Op basis van de regelmatige woningcontroles destijds is geen gevaarzetting voor de omgeving geconstateerd. Op meldingen van strafbare feiten is door de politie onderzoek gedaan en aangedragen bij het OM. Er zijn drie mensen aangehouden op verdenking van verboden vuurwapenbezit, maar het betrof niet de inmiddels overleden heer Lato. De zaak is uiteindelijk geëindigd met een sepot wegens onrechtmatig verkregen bewijs. Bovendien waren er geen aanknopingspunten dat de aangetroffen wapens toebehoorden aan de aangehouden personen.
Klopt het dat meerdere buurtbewoners, na het doodschieten van Festim Lato, hun verhaal bij de politie hadden willen en kunnen doen, maar de politie daar geen behoefte aan had? Klopt het dat de politie daarmee -mogelijk essentiële- ooggetuigenverslagen links heeft laten liggen? Zo ja, waarom heeft de politie dat gedaan?
Nee. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat, indien de berichtgeving klopt, dit een totaal onacceptabele situatie was? Hoe gaat u waarborgen dat de overheid in de toekomst wel tijdig zal ingrijpen bij zulke situaties? Hoe schat u de kans in dat een dergelijke situatie zich nogmaals voordoet?
De berichtgeving klopte niet. Ik deel de mening dat het een onacceptabele situatie zou zijn indien iemand er een (bewapend) privéleger op zou nahouden. Door politie en het OM wordt prioriteit gegeven aan de opsporing en vervolging van wapenbezit. Op concrete signalen wordt op zo kort mogelijke termijn geacteerd.
Het bericht ‘Emoties lopen hoog op tijdens ontruiming van recreatiewoning’ |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Emoties lopen hoog op tijdens ontruiming van recreatiewoning»1 en de bizarre strijd van de gemeente Zeewolde tegen permanente bewoning op vakantiepark «Buitenplaats Horsterwold»?
Ja.
Deelt u de mening dat het te absurd voor woorden is dat de gemeente Zeewolde aan bungaloweigenaren dwangsommen (oplopend tot € 75.000) oplegt, vanwege het niet-betalen zelfs beslag legt op hun AOW, hen bovendien eigenhandig uit de bungalows gooit en vervolgens de sloten van de deuren vervangt – enkel en alleen omdat de eigenaren naar het oordeel van de gemeente «te lang» in hun eigen bungalow verblijven?
Het beleid ten aanzien van ruimtelijke ordening en gebruik van recreatiewoningen is gedecentraliseerd. Of recreatiewoningen permanent bewoond mogen worden wordt dus lokaal vastgesteld. Zo bepaalt het gemeentelijke bestemmingsplan de gebruiksmogelijkheden van gronden en bebouwing. De handhaving van overtredingen van ruimtelijke ordeningsregelgeving betreft een discretionaire bevoegdheid waar de gemeente zelf invulling aan geeft.
Indien de gemeente onterecht handhavend optreedt kan de bewoner bezwaar maken bij de gemeente of het handhavingsbesluit aanvechten bij de rechter. Daarnaast hebben bewoners, als zij vinden dat de gemeente hen onheus heeft bejegend, de mogelijkheid om bij de gemeente een klacht in te dienen over de wijze waarop de gemeente zich jegens hen heeft gedragen.
Bent u ertoe bereid direct in te grijpen en de bungaloweigenaren – die ten einde raad zijn – tegen deze losgeslagen gemeente in bescherming te nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Op basis waarvan zijn gemeenteambtenaren bevoegd de sloten van andermans voordeur te vervangen? Deelt u de mening dat deze ambtenaren met hun vingers van andermans spullen moeten afblijven en wat zinvoller met hun tijd zouden moeten omgaan?
De bevoegdheden voor de toezichthouder staan in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 5.13 van de Awb bepaalt dat een toezichthouder slechts gebruik maakt van zijn bevoegdheden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak nodig is.
Zoals hiervoor aangegeven kan de bewoner indien de gemeente onterecht handhavend optreedt bezwaar maken bij de gemeente of het handhavingsbesluit aanvechten bij de rechter of een klacht indienen over de wijze waarop de gemeente zich jegens hen heeft gedragen.
Deelt u de mening dat het bizar is dat de gemeente Zeewolde op permanente bewoning controleert aan de hand van: een auto op de oprit, gemaaid gras, schone ramen en verse bloemen op tafel? Deelt u de mening dat dit een allesbehalve deugdelijke manier van controleren is? Hoe kunnen benadeelde bungaloweigenaren zich hiertegen weren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kan het dat de eigenaren slechts een beperkt aantal weken per jaar in hun eigen bungalow mogen recreëren, terwijl Poolse arbeidsmigranten op hetzelfde vakantiepark in soortgelijke bungalows wél mogen wonen?
Het bestemmingsplan bepaalt onder andere welk gebruik van de bungalows wel en niet is toegestaan. Uit navraag bij de gemeente blijkt dat permanente bewoning niet is toegestaan en dat dit ook geldt voor permanente bewoning door arbeidsmigranten.
Deelt u de mening dat de gemeente Zeewolde de bungaloweigenaren niet langer als crimineel dient te behandelen en zich eens met zinvolle zaken moet bezighouden, zoals het keihard aanpakken van échte criminaliteit en overlast door arbeidsmigranten op nota bene hetzelfde vakantiepark? Gaat u hiervoor zorgen?
De gemeente kiest haar eigen prioriteiten binnen het handhavingsbeleid. Uiteraard heeft de bestrijding van criminaliteit (in samenwerking met Openbaar Ministerie en de politie) daar een prominente plek in.
Deelt u de mening dat eigenaren zélf moeten kunnen bepalen hoe lang en hoe vaak zij in hun eigen, door henzelf gekochte en betaalde bungalow verblijven? Bent u ertoe bereid dit op alle vakantieparken mogelijk te maken?
Eigenaren mogen zelf bepalen hoe zij hun eigendom gebruiken, mits dit voldoet aan landelijke en lokale wet- en regelgeving.
Het beleid ten aanzien van ruimtelijke ordening en gebruik van recreatiewoningen is gedecentraliseerd. Dit vergt maatwerk op decentraal niveau van gemeenten en provincies. In algemene zin kan ik aangeven dat het van verschillende factoren afhangt of een recreatiepark geschikt is voor permanente bewoning. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de kwaliteit van de woningen, het niveau van de algemene voorzieningen, bereikbaarheid en de rol die het recreatiepark speelt of kan spelen in de toeristische sector in de regio. Het is uiteindelijk een lokale afweging op basis van deze factoren en een goede ruimtelijke ordening of een recreatiepark gebruikt kan worden voor permanente bewoning.
Het bericht dat Schiphol deals sluit met omliggende gemeenten |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Buurgemeenten maken snel nieuwe afspraken met Schiphol», waaruit blijkt dat Schiphol samen met een paar gemeenten al afspraken aan het maken is over het terugdringen van geluids- en milieuhinder?1
In de kabinetsbrief van 5 juli2 over de ontwikkeling van Schiphol op de middellange termijn zijn de ambities neergezet over het kunnen verdienen van groei door aantoonbare hinderbeperking met aanvullende maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarin is ook aangegeven dat ik met betrokken partijen in gesprek ga over deze aanpak. Ook worden het komende half jaar de onafhankelijke veiligheidsanalyses uitgevoerd. Schiphol is gevraagd om samen met andere partijen uit de sector en de omgeving te werken aan een uitvoeringsplan hinderreductie en om een voorstel uit te werken voor een Omgevingsfonds. Het kan zijn dat voorstellen die door Schiphol met de gemeenten worden besproken input zijn hiervoor.
Als het gehele pakket gereed is zal ik hierover besluiten en zal ik dat voorleggen aan uw Kamer. Er is geen sprake van «wie het eerst komt wie het eerst maalt», of van «achter het net vissen bij het terugdringen van milieu en geluidshinder».
Ik vind het een goede zaak dat Schiphol, ook los van bovenstaande uitwerkingen, in gesprek is met haar buren over het terugdringen van de hinder van de luchthaven. Mijn ministerie is niet betrokken bij toezeggingen die Schiphol in dat kader al dan niet doet aan de gemeenten in de omgeving. Ik kan derhalve geen oordeel geven over de juridische houdbaarheid van betreffende afspraken.
Dit najaar zal ik uw Kamer nader informeren over de ontwikkeling van Schiphol op de middellange termijn inclusief het uitvoeringsplan hinderreductie en omgevingsfonds.
Wat vindt u van de verdeel- en heersstrategie die Schiphol lijkt te willen voeren?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er al gemeenten die nu afspraken hebben gemaakt? Zo ja, wat zijn deze afspraken dan?
Zie antwoord vraag 1.
Is het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat betrokken bij deze gesprekken? Zo ja, welke waarde hebben de gesprekken dan die u na de zomer gaat voeren met de omliggende gemeenten? Zo nee, wat is juridische houdbaarheid van de afspraken dan die gemeenten nu gemaakt hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u garanderen dat gemeenten die niet voortijdig zijn begonnen met het voeren van gesprekken nu niet «achter het net» vissen bij het terugdringen van geluids- en milieuhinder?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg Luchtvaart van 11 september aanstaande beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er grote verschillen zijn in financiële steun die scholieren krijgen voor digitale middelen |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat er grote verschillen zijn in de financiële steun die scholieren krijgen voor digitale leermiddelen die op steeds meer scholen gebruikt worden?1
Scholen ontvangen via de lumpsum bekostiging voor exploitatie, waaronder ict-voorzieningen. Scholen zijn vrij om deze lumpsum naar eigen inzicht te besteden. Het is de verantwoordelijkheid van scholen om hierbij scherpe en doelmatige keuzes te maken. Wanneer scholen vanuit hun visie op de inrichting van het onderwijs van mening zijn dat een laptop of tablet noodzakelijk is voor het leerproces, en ouders kunnen deze niet zelf aanschaffen, dan dienen scholen hierin te voorzien.
Acht u het wenselijk dat scholen een bepaald type laptop voorschrijven dat hun leerlingen aan moeten schaffen, zoals chromebooks van honderden euro’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
Scholen mogen aan ouders vragen om een bepaald type laptop of tablet aan te schaffen, maar mogen dit niet van ouders eisen. Scholen zijn verplicht om te vermelden dat dit vrijwillig is. Wanneer scholen vanuit hun visie op de inrichting van het onderwijs van mening zijn dat een laptop of tablet noodzakelijk is voor het leerproces, en ouders kunnen deze niet zelf aanschaffen, dan dienen scholen hierin te voorzien.
Mogen scholen eisen stellen aan de digitale leermiddelen die hun leerlingen moeten aanschaffen? Zo ja, welke eisen mogen scholen stellen? Zo nee, bent u bereid met scholen in gesprek te gaan om dit een halt toe te roepen?
Digitale leermiddelen, zoals licenties voor digitaal lesmateriaal dat voor een specifiek schooljaar wordt voorgeschreven, zijn net als papieren schoolboeken voor rekening van de school. Scholen ontvangen hiervoor bekostiging op basis van artikel 6e van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij mogen hiervoor geen kosten in rekening brengen bij ouders. Wanneer scholen dit wel doen, kan daarvan melding gemaakt worden bij de Inspectie van het Onderwijs. Als het gaat over scholen die eisen stellen aan laptops of tablets die leerlingen moeten aanschaffen verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u van de uitspraken van de woordvoerder van de vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs (VO-raad) in het artikel van het AD dat de overheid digitalisering in het onderwijs stimuleert, maar er de financiële middelen niet voor vrijmaakt en dat de overheid digitale leermiddelen zou moeten betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u zich ervan bewust dat het voor scholen vaak niet mogelijk is om digitale leermiddelen voor hun leerlingen aan te schaffen, aangezien de bekostiging van scholen daarvoor niet toereikend is? Hoe verhoudt dit zich tot de wettelijke verplichting die scholen hebben om digitale leermiddelen aan te schaffen, indien deze noodzakelijk zijn voor het leerproces?
Digitale leermiddelen moeten door de school worden betaald. Hiervoor ontvangen scholen bekostiging van de overheid. Door mijn reeds toegezegde onderzoek naar de doelmatigheid en toereikendheid van de bekostiging verwacht ik meer inzicht te kunnen bieden in de toereikendheid van de bekostiging ten aanzien van digitalisering. In maart 2020 wordt uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek.
Wat vindt u van de uitspraak van de woordvoerder van ouderorganisatie Ouders & Onderwijs dat vergoedingen via Stichting Leergeld of een gemeente geen oplossingen zijn voor het probleem, maar symptoombestrijding van een school die nalaat het goede te doen, ten koste van ouders en leerlingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord op vraag 4.
Wat vindt u ervan dat de kosten voor digitale leermiddelen nu op het bordje van ouders komen te liggen in de vorm van vrijwillige en soms zelfs verplichte ouderbijdragen, ongeacht ontoereikende bekostiging van scholen en/of het uitgavenpatroon van scholen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord op vraag 1.
Bent u het ermee eens dat de digitalisering van het onderwijs de tweedeling in onze samenleving tussen financieel draagkrachtige gezinnen en gezinnen die dat minder tot niet zijn, pijnlijk blootlegt? Wat vindt u hiervan?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat alle kinderen mee kunnen doen met digitalisering op school, ongeacht de dikte van de portemonnee van hun ouders?
Wanneer scholen kiezen voor de inzet van digitale leermiddelen in het onderwijs, moeten zij er voor zorgen dat iedere leerling hier gebruik van kan maken. Op het moment dat scholen een laptop of tablet voor het leerproces noodzakelijk achten, dienen scholen hierin zelf te voorzien als ouders deze niet zelf kunnen of willen aanschaffen.
Het bericht 'Rijksvastgoedbedrijf biedt 825 hectare pachtgrond aan' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) 825 hectare grond voor geliberaliseerde pacht gaat aanbieden?1 Zo ja, waarom is er gekozen voor deze pachtvorm? Zo nee, wat voor soort pacht wordt er aangeboden?
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) biedt momenteel, via een openbare inschrijving, 42 kavels aan met een totale oppervlakte van 825 hectare grond. Alle kavels worden uitgegeven door middel van een geliberaliseerde pachtovereenkomst met een looptijd van twee tot maximaal zes jaar. Dit is conform het huidige beleid.
Daarnaast zal het RVB een deel van de niet-strategische agrarische gronden van de Staat in erfpacht uitgeven via een openbare inschrijving, zoals ik uw Kamer op 12 oktober 2018 reeds heb medegedeeld (Kamerstuk 24 490, nr. 25). De voorbereiding hiervoor is gestart. De eerste erfpachtcontracten zullen begin 2020 worden afgesloten.
Welke voorwaarden worden gesteld aan de pachter omtrent de bodemkwaliteit, de biodiversiteit en het klimaat?
Voor de gronden, die het RVB in geliberaliseerde pacht uitgeeft dan wel in erfpacht zal gaan uitgeven, worden voorschriften opgenomen in het pachtcontract, zoals een specifiek bouwplan. Daarnaast schrijft het RVB ook een analyse van de bodemkwaliteit voor, zowel aan het begin van de contractperiode als aan het einde. Bij erfpachtcontracten zal ook een tussentijdse inventarisatie van de bodemkwaliteit mogelijk worden. Met deze maatregelen beoogt het RVB een duurzaam gebruik van de grond te borgen.
Bij de herziening van het pachtstelsel speelt duurzaam bodembeheer een sleutelrol zoals aangegeven in de brief van de Minister van LNV aan uw Kamer van 23 mei 2018 (Kamerstuk 30 015, nr. 54). Zo wordt bezien hoe de uitgangspunten van duurzaam bodembeheer kunnen worden verankerd in het beleid voor uitgifte van rijksgronden door het RVB. Het RVB is daarnaast met brancheorganisaties en wetenschappelijke instanties in gesprek of de systematiek van uitgifte verder verbeterd kan worden. De verwachting is dat begin 2020 de eerste uitkomsten kunnen worden gepresenteerd.
Op welke manier gaat het RVB toezicht houden op de verpachte grond met het oog op de bodemkwaliteit, de biodiversiteit en de invloed van maatregelen op het klimaat?
Het RVB is privaatrechtelijk beheerder van de grond van de Staat en neemt in die hoedanigheid in de diverse pachtcontracten bepalingen op waaraan de pachter moet voldoen (zie ook mijn antwoord op vraag 2). De agrarische bedrijfsvoering dient verder te voldoen aan de relevante geldende wet- en regelgeving, het RVB ziet hierop toe. Indien het RVB constateert dat geldende wet- en regelgeving en/of de bepalingen in het specifieke pachtcontract niet worden nageleefd, wordt de betreffende partij in gebreke gesteld en wordt privaatrechtelijk gehandhaafd.
Hoe wordt de biodiversiteitsmonitor en de data uit de publiek-private samenwerking (PPS) Beter Bodembeheer meegenomen in de kwaliteitsbeoordeling?
De biodiversiteitsmonitor en de data uit de publiek-private samenwerking (PPS) Beter Bodembeheer zijn nieuwe ontwikkelingen die nog niet zijn meegenomen in de huidige kwaliteitsbeoordeling van het RVB. Het RVB is op dit moment een traject gestart (zie ook mijn antwoord op vraag 2) om de systematiek van uitgifte van de agrarische grond te verbeteren. Bezien zal worden of en wanneer de biodiversiteitsmonitor en de data uit de publiek-private samenwerking (PPS) Beter Bodembeheer ver genoeg ontwikkeld zijn om te worden meegenomen in de kwaliteitsbeoordeling.
In hoeverre past geliberaliseerde pacht binnen uw voornemen om kringlooplandbouw en bodemkwaliteit binnen het pachtbeleid te plaatsen?
Zoals aangegeven in de brief van de Minister van LNV van 23 mei 2018 aan uw Kamer (Kamerstuk 30 015, nr. 54) spelen kringlooplandbouw en bodemkwaliteit een rol in de herziening van het pachtstelsel, ook in het licht van de klimaatopgave. In de regel streeft de Minister van LNV het uitgeven van langlopende contracten na. Indien geliberaliseerde pachtcontracten toch worden uitgegeven, worden voorschriften opgenomen in het pachtcontract (zie ook het antwoord op vraag 2).
Op welke manier draagt deze geliberaliseerde pacht bij aan uw voornemen om met langdurige pacht de bodemgesteldheid te verbeteren, ook in het licht van de klimaatopgave?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Nieuwe inzichten in effect van neonicotinoïden op nuttige insecten’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe inzichten in effect van neonicotinoïden op nuttige insecten»?1
Ja.
Kunt u inzicht geven in hoeverre de uitkomsten van dit onderzoek de advisering van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beïnvloeden en welk advies er aan de European Food Safety Authority (EFSA) gegeven gaat worden?
Deze publicatie handelt over de blootstelling aan de neonicotinoïden imidacloprid en thiamethoxam van enkele nuttige insecten (sluipwespen en zweefvliegen) via honingdauw. Deze insecten vallen in de risicobeoordeling van stoffen onder de categorie niet-doelwit arthropoden. De beoordeling van blootstelling van niet-doelwit arthropoden is momenteel gebaseerd op contactblootstelling aan de werkzame stof en niet op basis van het eten van honingdauw. Deze publicatie is dan ook van waarde om blootstelling van niet-doelwit arthropoden via honingdauw inzichtelijk te krijgen en in de toekomst mee te wegen.
Ook in het (nog niet vastgestelde) EFSA-bijenrichtsnoer wordt de blootstellingsroute via honingdauw nog niet meegenomen. Het Ctgb voert overigens bij de middelbeoordeling wél een risicobeoordeling uit voor de blootstelling van honingbijen aan honingdauw.
Het Ctgb heeft mij inmiddels toegezegd om op basis van deze publicatie er bij EFSA op aan te dringen om de blootstellingsroute via honingdauw op te nemen in beide beoordelingskaders, dus zowel in het beoordelingskader van niet-doelwit arthropoden als in het EFSA-bijenrichtsnoer. Het Ctgb heeft begin dit jaar, samen met andere lidstaten, bij de Europese Commissie al aangedrongen op een spoedige herziening van het beoordelingskader voor niet-doelwit arthropoden.
Kunt u inzicht geven in hoe het Ctgb rekening houdt met nieuw wetenschappelijk onderzoek dat nieuwe inzichten geeft in de toelating van bestrijdingsmiddelen?
Bij de Europese beoordeling van werkzame stoffen door lidstaten en EFSA wordt alle beschikbare wetenschappelijke informatie meegewogen. Wanneer een wetenschappelijk artikel wordt gepubliceerd wordt dit, indien relevant, meegenomen binnen de eerstvolgende (her)beoordeling van een werkzame stof. Indien uit de inhoud van het betreffende artikel blijkt dat een bestaand middel niet meer veilig voor mens, dier of milieu kan worden toegepast, dan kan het Ctgb direct ingrijpen in de betreffende toelating. Omdat het gebruik van de onderzochte neonicotinoïden in 2018 reeds drastisch is ingeperkt (Kamerstuk 27 878, nr. 421) tot gebruik enkel in kassen, acht het Ctgb een nadere herbeoordeling van deze neonicotinoïden niet nodig.
Onderschrijft u de conclusie van Wageningen University & Research (WUR) dat deze belangrijke studie opnieuw onderstreept dat «nieuwe gewasbeschermingsstrategieën ontwikkeld moeten worden die niet afhankelijk zijn van breedwerkende insecticiden zoals neonicotinoïden»?
Zoals in mijn visie gewasbescherming 2030 beschreven (Kamerstuk 27 858, nr. 449) moet er een omslag komen binnen de gewasbescherming door het centraal stellen van weerbare planten en teeltsystemen, waarbij de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen wordt verminderd. Door middel van een duurzame productie met weerbare planten en teeltsystemen krijgen ziekten en plagen veel minder kans en wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk voorkomen.
Bent u bereid om op korte termijn het Ctgb de opdracht te geven ook de blootstelling aan neonicotinoïden via honingdauw in hun risicobeoordelingen mee te laten nemen en u ook sterk te maken om deze blootstelling via honingdauw op te laten nemen in de risicobeoordeling van de EFSA? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid het Ctgb en de EFSA te vragen naar een herbeoordeling van de op dit moment in Europa toegelaten neonicotinoïden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3
Kunt u terugblikken op de Nederlandse inzet rond de invoering van het (inmiddels uitgeklede) bijenrichtsnoer in de context van deze nieuwe bevindingen?
Ik heb uw Kamer meerdere malen geïnformeerd over mijn inzet op het EFSA-bijenrichtsnoer (Kamerstuk 27 858, nrs. 446, 451 en 479). Deze publicatie laat zien dat de blootstellingsroute via honingdauw relevant is. Ik ben dan ook blij dat het Ctgb op basis van deze publicatie bij EFSA zal aandringen op het opnemen van deze blootstellingsroute in het bijenrichtsnoer.
Het bericht dat AZ aan een ramp is ontsnapt |
|
Daniel Koerhuis (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «AZ aan een ramp ontsnapt»?1
Ja.
Welke stappen gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Op dit moment is nog onduidelijk wat de oorzaak is geweest van het instorten van het dak van het AZ-stadion. Dit moeten de onderzoeken van Royal Haskoning/DHV (hierna Haskoning) en de Onderzoeksraad voor veiligheid (hierna Onderzoeksraad)uitwijzen. Zodra er meer bekend is, zal ik mij beraden op mogelijke stappen.
Wat is het tijdspad van het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid? Bent u bereid om de uitkomsten mee te nemen in de bovenstaande stappen?
Het tijdspad is aan de Onderzoeksraad. Zodra het rapport door de Onderzoeksraad is aangeboden, zal ik uw Kamer een reactie hierop sturen.
Bent u bereid om per direct een landelijke inventarisatie te starten naar mogelijk gevaarlijke dakconstructies op alle stadions, deze bij te houden, en naar de Kamer te sturen? Bent u bereid om in deze inventarisatie ook alle soortgelijke gevaarlijke dakconstructies op andere gebouwen mee te nemen? En bent u bereid om in deze inventarisatie alle gebouwen die gebouwd zijn door hoofdaannemer Midreth mee te nemen?
Op dit moment is nog onduidelijk wat de oorzaak is geweest van het instorten van het dak van het AZ-stadion. Dit moeten de onderzoeken van Haskoning en de Onderzoeksraad uitwijzen. Zodra er meer bekend is, zal ik mij beraden of er landelijke actie nodig is bij andere bouwwerken.
Deelt u de mening dat er passende maatregelen getroffen moeten worden bij dakconstructies waar twijfel is over de dakconstructie en daarmee de veiligheid in stadions en/of andere gebouwen?
Dakconstructies van gebouwen moeten voldoen aan de constructieve veiligheidseisen van het Bouwbesluit. Het is aan gebouweigenaren te zorgen dat hieraan wordt voldaan en aan gemeente hierop toezicht te houden. Op dit moment is nog onduidelijk wat de oorzaak is geweest van het instorten van het dak van het AZ-stadion. Dit moeten de onderzoeken van Haskoning en de Onderzoeksraad uitwijzen. Hierna kan pas worden bepaald of er ook problemen bij andere gebouwen zijn te verwachten en of vervolgens maatregelen moeten worden genomen. In het geval dat een gebouweigenaar echter nu al gerede twijfel heeft of zijn dakconstructie voldoet of als sprake is ongerustheid bij de gebruikers van het gebouw, ligt het in de rede dat hij maatregelen neemt.
Hoe vaak moeten dakconstructies op gebouwen zoals stadions nu gecontroleerd worden en wie is daarvoor verantwoordelijk? Bent u bereid om naar aanleiding van het bericht dit weekend dat toezicht te verscherpen? Zo ja, hoe gaat u dat verscherpte toezicht vormgeven?
Vanuit de bouwregelgeving is er geen verplichting om periodiek de dakconstructies op gebouwen te controleren. De bouwregelgeving kent wel een algemene zorgplicht voor gebouweigenaren om te zorgen dat hun gebouw bij voortduur aan de voorschriften van Bouwbesluit voldoet. Het is aan gebouweigenaren om hier zelf invulling aan te geven. De gemeente is het bevoegd gezag als het gaat om toezicht op bestaande bouwwerken. De wijze waarop een gemeente dit invult, kan zij zelf beleidsmatig invullen. Burgemeester en Wethouders leggen hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Op dit moment is nog onduidelijk wat de oorzaak is geweest van het instorten van het dak van het AZ-stadion. Dit moeten de onderzoeken van Haskoning en de Onderzoeksraad uitwijzen. Hierna kan pas worden bezien welke maatregelen nodig zijn.
Bent u bereid om gemeenten die daaraan behoefte hebben te ondersteunen met expertise vanuit het ministerie bij het borgen van de veiligheid van hun stadions?
Mijn beeld is dat de gemeenten (of de betreffende omgevingsdiensten) in het algemeen voldoende deskundig personeel hebben of dat zij externe expertise inhuren. Dit is ook hun taak als bevoegd gezag. Ondersteuning vanuit de rijksoverheid is daarom niet nodig. Afhankelijk van de uitkomsten van Haskoning en de Onderzoeksraad zal ik nader bezien welke maatregelen vanuit de rijksoverheid nodig zijn.
Bent u bereid om naar aanleiding van het bericht dit weekend en de eerdere instorting van de parkeergarage in Eindhoven te overwegen om bij invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, de wet éérst te laten gelden voor de grotere en complexere bouwwerken in de gevolgklassen 2 en 3 zoals bijvoorbeeld stadions, en daarna pas voor bouwwerken in gevolgklasse 1 zoals bijvoorbeeld woningen, in plaats van in omgekeerde volgorde zoals nu is voorgenomen?
In de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen is op verzoek van de Tweede Kamer opgenomen dat bij de start de woningen (gevolgklasse 1) als eerste onder het stelsel zullen worden gebracht. Reden voor de Tweede Kamer om hierom te vragen was, dat bij de invoering en complexe overgang naar een nieuw stelsel zich bij deze categorie minder risico’s voor zullen doen dan bij complexere bouwwerken. Tijdens het debat met de Eerste Kamer over de Wet heb ik aangegeven, dat ik het wenselijk vind om ook via proefprojecten ervaringen op te doen met bouwwerken in gevolgklassen 2 en 3. Dit omdat zich juist in deze gevolgklassen de laatste tijd een aantal incidenten heeft voorgedaan.
Inmiddels hebben verschillende partijen, waaronder het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen periode proefprojecten voor gevolgklassen 2 en 3 georganiseerd. Met de VNG bezie ik hoe nog meer proefprojecten in deze gevolgklassen kunnen plaatsvinden, zodat zo snel mogelijk na een succesvolle invoering van gevolgklasse 1 ook gevolgklassen 2 en 3 onder de werking van het nieuwe stelsel kunnen worden gebracht. Gemeenten maken overigens onder het huidige stelsel juist bij complexere bouwwerken al regelmatig gebruik van private partijen om de bouwkwaliteit te borgen. Dit omdat de noodzakelijke expertise voor het beoordelen van dergelijke bouwwerken niet bij alle gemeenten aanwezig is.
Daarbij is van belang dat met inwerkingtreding van de wet de verantwoordelijkheidsverdeling voor de bouwkwaliteit wordt aangescherpt. Vanaf dat moment is een aannemer aansprakelijk voor alle gebreken voor zover die aan hem zijn toe te rekenen, ook in de complexere bouwwerken onder gevolgklassen 2 en 3. Op basis van reeds uitgevoerde proefprojecten mag verwacht worden dat dit bouwbedrijven ertoe zal aanzetten dat zij hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van door hen uitgevoerde bouwprojecten scherper zullen invullen, door onder andere hun eigen interne kwaliteitscontroles op orde te brengen. In de voorbereiding op de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen zal ik hier aandacht aan besteden, waarbij ik ook de gevolgklassen 2 en 3 zal betrekken.
Het ongevraagd ontvangen van seksueel getinte afbeeldingen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Waarom vrouwen ongevraagd dickpics krijgen (en mannen ermee wegkomen)» en kent u de site «Pak de dickpics strafrechtelijk aan»?1 en 2
Ja.
Deelt u de mening dat het ongevraagd aan iemand anders sturen van zogenaamde «dickpics» strafbaar kan zijn op grond van onder andere artikel 240 lid 2 van het wetboek van Strafrecht en dat daartegen aangifte mogelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet?
In artikel 240 lid 2 Sr. is het strafbaar gesteld om een afbeelding of voorwerp dat aanstotelijk is voor de eerbaarheid aan iemand, anders dan op diens verzoek, toe te zenden. Onder aanstotelijk voor de eerbaarheid wordt volstaan de in Nederland heersende zeden, de opvattingen van een belangrijke meerderheid van de Nederlandse bevolking.
Op grond van welke andere strafbare bepalingen kan het versturen van dickpics eventueel strafbaar zijn?
Wanneer een dergelijke afbeelding naar een zestienminner wordt verstuurd kan sprake zijn van strafbaarheid. Art. 240a Sr stelt nl. strafbaar het zenden van een schadelijke afbeelding naar iemand die de leeftijd van zestien nog niet heeft bereikt.
Wanneer de verzender van een dergelijke afbeelding de leeftijd van achttien nog niet heeft bereikt, kan o.a. sprake zijn van het vervaardigen en verspreiden van kinderpornografie als bedoeld in art. 240b Sr.
Hoeveel aangiftes zijn er het afgelopen jaar gedaan vanwege het ongevraagd toesturen van dickpics of andere afbeeldingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid?
Het ongevraagd toesturen van seksueel getinte afbeeldingen naar volwassenen, die aanstootgevend zijn voor de eerbaarheid van personen (zoals dergelijke afbeelding) wordt bij de politie niet als zodanig bijgehouden.
Deelt u de mening dat het ontmoedigend werkt voor het doen van aangifte en dat het delict onbestraft zal blijven als de politie geen onderzoek zal gaan doen naar een aangifte van één enkele dickpic, zoals gesteld door een woordvoerder van de politie in het genoemde bericht? Zo ja, waarom deelt u die mening en wat vindt u van de uitspraak van die woordvoerder? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Iedere melding van een zedendelict wordt serieus genomen en behoeft maatwerk waarbij in de behandeling ervan onderscheid wordt gemaakt of er sprake is van acuut gevaar voor herhaling of wanneer er zogeheten vluchtige sporen bij een slachtoffer veiliggesteld kunnen worden. Ook misbruikzaken waarbij kinderen of mensen met een verstandelijke beperking slachtoffer zijn, krijgen altijd voorrang. In prioritering van opsporingszaken kan het voorkomen dat een zaak waarbij sprake is van aanstoot voor de eerbaarheid een lagere prioriteit krijgt dan een acute (kinder)misbruikzaak. Hierbij speelt de beoordeling van het OM een grote rol.
Deelt u de mening dat aangiftes wegens het ongevraagd toezenden van afbeeldingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid serieus genomen moeten worden en wel zouden moeten kunnen leiden tot onderzoek en eventueel vervolging? Zo ja, waarom, hoe verhoudt zich dat tot de uitspraak van de woordvoerder van de politie en hoe gaat u zorgen dat dergelijke aangiftes wel serieus genomen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het zandprobleem op de Markerwaarddijk |
|
Helma Lodders (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Markerwaarddijk tot zondagmiddag dicht» en «Maatregelen tegen zandoverlast op Markerwaarddijk»?1 2
Ja, deze artikelen zijn mij bekend.
Wat vindt u ervan dat de Markerwaarddijk, de verbindingsweg tussen Flevoland en Noord-Holland, al meerdere keren is afgesloten voor het wegverkeer en de laatste keer zelfs enkele dagen vanwege de zandverschuivingen?
Dit is erg vervelend. Rijkswaterstaat doet haar uiterste best om de wegafsluitingen, als gevolg van zandverstuivingen, zo snel mogelijk tot de verleden tijd te laten behoren. Er wordt nu een extra laag grond op de zandige oevers aangebracht om zandverstuiving tegen te gaan. Naar verwachting is dit in oktober afgerond.
Kunt u toelichten waarom er bij de dijkversterking gewerkt is met het aanbrengen van zand, terwijl Rijkswaterstaat dit als mogelijk grootste risico zag? Wat is de meerwaarde van zand op ecologisch, natuurlijk en economisch vlak?
Van Enkhuizen tot aan Trintelhaven, halverwege de dijk, is er sprake van versterking door middel van zandige oevers. Van Trintelhaven tot aan Lelystad wordt de dijk op traditionele wijze versterkt met breuksteen en gietasfalt.
Er is om verschillende redenen voor een versterking met zand op het eerstgenoemde deel gekozen. De voordelen wogen daarbij op tegen het risico op zandverstuiving. Om dit risico tegen te gaan zijn beheersmaatregelen getroffen en middelen gereserveerd voor eventuele aanvullende beheersmaatregelen. Deze aanvullende maatregelen zijn helaas nodig gebleken.
De redenen om voor een versterking met zand op het eerstgenoemde deel te kiezen, waren:
Met name argumenten a) en e) werden gewaardeerd door stakeholders uit de omgeving, zoals de Provincie Flevoland en Natuurmonumenten.
Welke alternatieven (in plaats van zand of combinatie met zand) zijn overwogen bij de dijkversterking?
Er zijn drie opties onderzocht om de Houtribdijk te versterken:
Deelt u de mening dat bij dit soort projecten de meest geschikte alternatieven gekozen dienen te worden waarbij er rekening gehouden wordt met de omstandigheden zoals in dit geval bijvoorbeeld de aanwezigheid van wind, het belang van de verbindingsweg tussen Flevoland en Noord-Holland en de kosten die zich voordoen bij calamiteiten zoals in dit geval het schoonmaken van de weg. Hoe is de afweging hierin gemaakt?
Ik deel de mening dat het meest geschikte alternatief gekozen dient te worden, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden. Deze afweging is gemaakt in de milieueffectrapportage waarbij de verschillende alternatieven zijn beoordeeld op de milieueffecten.
Welke argumenten ten grondslag liggen aan de keuze om optie 1 (deels zand, deels steen) te verkiezen boven optie 2 (geheel steen) heb ik beantwoord in mijn antwoord op vraag 3. Dat is gekozen voor optie 1 ten opzichte van optie 3 (geheel zand) is een gevolg van de waterdiepte op het traject Trintelhaven – Lelystad. Voor het in zijn geheel uitvoeren van een versterking van de Houtribdijk met zandige oevers zou veel meer zand benodigd zijn, omdat de waterdiepte op het traject Trintelhaven – Lelystad groter is. Een zandige versterking zou daarom hier veel duurder zijn dan een versterking met breuksteen en gietasfalt.
Welke economische gevolgen heeft de wegafsluiting voor de regio?
De economische gevolgen van de wegafsluiting voor de regio zijn mij niet bekend.
Elke ongeplande wegafsluiting is er één te veel, vanwege de hinder die daarbij komt kijken zoals omrijden of het moeten wachten om de oversteek te maken. Rijkswaterstaat spant zich in om de overlast bij zandverstuivingen zoveel mogelijk te beperken. Zo worden in overleg met wegbeheerder Provincie Flevoland zo snel mogelijk veegmachines ingezet.
Rijkswaterstaat heeft zich ook gedurende de looptijd van de dijkversterking ingespannen om de bereikbaarheid maximaal te houden. Zo is er geen enkele geplande afsluiting van de N307 voorzien ten behoeve van de realisatie van het project. Ook heeft Rijkswaterstaat degenen die gebruik maakten van het fietspad op de Houtribdijk gefaciliteerd door een pendelbus in te stellen en door delen van het fietspad zo snel mogelijk weer open te stellen wanneer dit kon. Sinds eind juni van dit jaar is het fietspad weer volledig open gesteld.
Kunt u aangeven hoe u ervoor gaat zorgen dat de wegafsluitingen verleden tijd gaan zijn? Wanneer worden deze maatregelen uitgevoerd? Zijn deze maatregelen afdoende en heeft daar onderzoek naar plaatsgevonden?
Na het opspuiten van het zand voor de zandige oevers zijn er beheersmaatregelen tegen zandverstuiving ingezet. Deze beheersmaatregelen hebben echter niet afdoende gewerkt. Daarom is Rijkswaterstaat overgegaan op een extra beheersmaatregel: het aanbrengen van een extra laag grond op de zandige oevers. Het aanbrengen van de laag grond is gestart in juni van dit jaar en zal naar verwachting zijn afgerond in oktober. Deze laag houdt het zand op zijn plek.
Tot nog toe blijkt uit de praktijk dat het aanbrengen van de laag grond effectief is: op de delen waar grond is aangebracht, heeft met de recente storm geen verstuiving plaatsgevonden. Tot de tijd dat de laag grond is aangebracht over de gehele oppervlakte van de zandige oevers, blijft het risico voortbestaan dat zandverstuiving wederom plaatsvindt. Daarmee blijft er ook een kans bestaan dat wegbeheerder Provincie Flevoland bij extreme weersomstandigheden de keuze moet maken om de weg af te sluiten uit veiligheidsoverwegingen.
Op termijn zal reeds ingezaaid gras de functie van het tegengaan van zandverstuiving overnemen van de laag grond.
De gevolgen van lachgasgebruik voor het klimaat |
|
William Moorlag (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Milieudefensie waarschuwt lachgasgebruikers: denk aan het klimaat»?1
Ja.
Zijn de gevolgen van lachgasgebruik op het klimaat bekend bij gebruikers?
Besef over de gevolgen van oneigenlijk lachgasgebruik op het klimaat komt niet direct terug in de risicoperceptie van gebruikers.2 Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een handreiking gemaakt om gemeenten, preventieprofessionals en ouders te ondersteunen in hun preventieaanpak van oneigenlijk lachgasgebruik. De handreiking besteedt wel aandacht aan milieuschade (met name door rondslingerende lachgaspatronen) maar niet in het bijzonder aan de gevolgen van lachgasgebruik op het klimaat.3
Kunt u een inschatting maken van de hoeveelheid lachgaspatronen die het afgelopen jaar voor consumptie is gebruikt? En kunt u een inschatting maken van de impact die het gebruik van lachgas hiermee heeft gehad op het klimaat?
De uitstoot van 1 kilogram lachgas (N20) is vergelijkbaar met de uitstoot van circa 298 kilogram4 CO2. Lachgas is dus een krachtiger broeikasgas dan CO2. Omdat de uitgestoten hoeveelheden van lachgas kleiner zijn dan die van CO2is de bijdrage van lachgas aan de totale uitstoot van broeikasgassen echter beperkt5.
Eén lachgaspatroon bevat gemiddeld 8 gram lachgas. De uitstoot van één lachgaspatroon staat daarmee ongeveer gelijk aan de uitstoot van 2,38 kilogram CO2. Uitgaande van gemiddeld recreatief gebruik (2–5 patronen per maand over de periode van een jaar6) is de totale uitstoot ongeveer 85 kilogram CO2 per persoon op jaarbasis. Op basis van deze berekening zou de bijdrage van oneigenlijk lachgasgebruik aan de ecologische voetafdruk per individu reëel zijn: deze is te vergelijken met de uitstoot die wordt vermeden als uitsluitend ledlampen in huis worden gebruikt.
Uitgaande van cijfers van het Trimbos Instituut7 bestaat de groep mensen die lachgas op maandelijkse basis oneigenlijk gebruikt uit ca. 70.000 mensen. Op jaarbasis zou hun gezamenlijke uitstoot uitkomen op ca. 0,06 megaton CO2-equivalenten. Bij het maken van deze inschatting is geen rekening gehouden met het oneigenlijke gebruik van lachgas uit gasflessen en is nadrukkelijk gewerkt met gemiddelden. Hierbij moet worden benadrukt dat de bijdrage van het oneigenlijk lachgasgebruik aan de totale emissies van Nederland, ook als de precieze uitstoot hoger uitvalt, verhoudingsgewijs beperkt is.
Bent u van plan om het gebruik van lachgas voor consumptie in te perken c.q. te ontmoedigen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het oneigenlijke gebruik van lachgas heeft de aandacht van het kabinet. Door de toename van oneigenlijk lachgasgebruik is het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs om een risicobeoordeling van lachgas gevraagd. De risicobeoordeling wordt in november dit jaar verwacht en vormt de grondslag voor eventueel te treffen landelijke gezondheidsmaatregelen. In afwachting van het advies worden door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport diverse beleidsopties bekeken zodat wanneer de beoordeling definitief is, snel passende landelijke maatregelen kunnen worden getroffen. Hoewel het stijgende gebruik van lachgas kan leiden tot een verhoogde uitstoot van broeikasgassen, is dit probleem op basis van nu beschikbare gegevens beperkt (zie antwoord op vraag 3) en daarom voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat geen reden voor specifieke inzet binnen het klimaatbeleid.
Bent u bereid om de invloed van lachgasgebruik op het klimaat bij jongeren en gebruikers onder de aandacht te brengen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen voor 3 september 2019 beantwoorden?
Ja.
De positie van de nieuwe voorzitter van de OVV |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of bij het besluit over de benoeming van een nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) in april binnen het kabinet bekend was dat deze ook kandidaat was voor een functie bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF)?
Op het moment van het besluit over de benoeming van een nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) in april 2019 was er nog geen sprake van een vacature voor de positie van directeur van het Internationaal Monetair Fonds (IMF).
Vindt u het goed voor het aanzien van de OVV dat een net benoemde voorzitter ook in de race blijkt voor een andere topfunctie?
De voorzitter was en is zeer geschikt. Het feit dat er een internationale functie op een voor Nederland strategische positie beschikbaar kwam, doet daaraan, noch aan zijn positie bij de OVV, niets af.
Deelt u de opvatting dat deze poging tot benoeming bij het IMF van de kort daarvoor benoemde voorzitter van de OVV afbreuk doet aan zijn positie bij deze onafhankelijke onderzoeksraad? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De toename van het gebruik van lachgas in het verkeer |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toename lachgas-incidenten in verkeer: ballonnetje moet kunnen, zegt bestuurder»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de ruimschootse verdubbeling van het aantal verkeersincidenten waar lachgas in het spel was, zeer zorgwekkend is?
Deze sterke toename vind ik inderdaad zorgwekkend. Lachgas geeft een kortdurende, soms sterke roes, en een tintelend en ontspannen gevoel. Ook kunnen symptomen als duizeligheid, verwardheid, en desoriëntatie optreden. Nog los van de vraag hoe schadelijk gebruik is voor de gezondheid, gaan lachgasgebruik en deelname aan het verkeer niet samen.
Bent u bereid om maatregelen te nemen die de kennis over de invloed van lachgas op de rijvaardigheid bevorderen en jongeren waarschuwen, aangezien uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van de jongeren denkt dat lachgas de rijstijl niet beïnvloedt? Zo ja, welke? Kunt u een toelichting geven?
Het is juist dat bijna de helft van de jongeren, die de vragen van de enquête van TeamAlert en de NOS heeft beantwoord, aangeeft dat dit hun rijstijl niet beïnvloedt. De enquête was specifiek gericht op jongeren die lachgas gebruiken in het verkeer en daarmee is het niet representatief voor alle jongeren. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft het Trimbos-instituut in 2018 gevraagd een handreiking op te stellen met als doel gemeenten, handhavers en preventieprofessionals bij te staan in de aanpak van onder andere gebruik van lachgas.2 In de handreiking wordt specifiek aandacht besteed aan het risico dat de lachgasroes kan na-ijlen. Omdat lachgasgebruik doorgaans maar een korte roes geeft staan veel gebruikers er niet bij stil dat effecten langer kunnen aanhouden en daardoor ook invloed kunnen hebben op deelname aan het verkeer.
Ook hebben Veilig Verkeer Nederland en sociale media aandacht besteed aan de gevaren van lachgas in het verkeer. TeamAlert, die zich specifiek op jongeren richt, gaat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat campagne voeren. Dit jaar worden er focusgroepen georganiseerd om meer inzicht te krijgen in de belevingswereld van jongeren over lachgas en hun motieven. Dit is nodig om een effectieve campagne te kunnen ontwikkelen. Begin 2020 zal de campagne ontwikkeld worden, medio 2020 wordt de campagne gevoerd.
De toename van oneigenlijk lachgas gebruik is aanleiding geweest om het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs om een risicobeoordeling te vragen. De beoordeling wordt dit najaar verwacht en vormt de grondslag om te bezien welke landelijke maatregelen noodzakelijk zijn. In afwachting van de beoordeling worden alle mogelijke beleidsopties bekeken, zodat na de risicobeoordeling snel passend kan worden gehandeld. In het najaar zal ik samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid uw Kamer hierover nader berichten.
Hebben de gesprekken met onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en gemeenten, die u heeft genoemd in antwoord op eerdere schriftelijke vragen, inmiddels plaatsgevonden om te bezien of er meer mogelijkheden nodig zijn om de verkoop van lachgas en het gebruik te verminderen? Zo ja, wat hebben deze gesprekken opgeleverd? Kunt u een toelichting geven?2
Op 20 augustus jl. heeft een bijeenkomst met een aantal gemeenten plaatsgevonden om te inventariseren welke problemen gemeenten in het kader van het oneigenlijk gebruik van lachgas ervaren en wat zij hiertegen ondernemen. Naast zorgen over de gezondheidsrisico’s van het oneigenlijk gebruik van lachgas, is sprake van overlast en zijn er bij burgers gevoelens van onveiligheid. Uit het overleg bleek dat verschillende gemeenten naar aanleiding daarvan aan hun Algemene Plaatselijke Verordening (APV) bepalingen hebben toegevoegd die als instrument dienen om de aantasting van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu als gevolg van de verkoop of het gebruik van lachgas aan te kunnen pakken. Daarnaast bevatten de meeste APV's, naar voorbeeld van de model-APV van de VNG, verschillende meer algemene bepalingen ter voorkoming van hinder en overlast. Deze zijn óók van toepassing bij hinder en overlast die samenhangt met het gebruik van lachgas. Bij evenementen waarvoor een vergunningplicht geldt, kan de gemeente daarnaast als een voorschrift een «verbod op verkoop van lachgas» in de vergunning opnemen met als motivering het voorkomen van hinder en overlast. Ook gaven gemeenten aan dat de voorlichtingsmaterialen die door het Trimbos-instituut in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend zijn en worden gebruikt. De bijeenkomst is een eerste stap om de ervaren problematiek in kaart te brengen en best-practices met elkaar te delen. Bovendien zal het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in ieder geval nadat de risicobeoordeling van het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs beschikbaar is, initiatief nemen voor vervolg overleg.
Kunt u deze vragen voor 3 september 2019 beantwoorden?
Nee, dit is niet mogelijk gebleken omdat nadere afstemming nodig was.
Branden in Aramese dorpen in Turkije |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Christelijke dorpen in Turkije geteisterd door brand»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat de afgelopen weken diverse branden schade hebben aangericht in Aramese dorpen in de Turkse provincie Mardin die worden bevolkt door Oosterse christenen, en dat ook het eeuwenoude Mor Hananyoklooster werd getroffen?
De branden hebben schade aangericht aan de omgeving van Aramese, gemengde Aramees/Koerdische en Koerdische dorpen in de regio. De branden hebben de dorpen zelf niet bereikt. De rook van de branden is wel tot in de dorpen gekomen. Hetzelfde geldt voor het Mor Hananyo (of Deyrulzaferan) klooster: de landerijen eromheen zijn voor een groot deel afgebrand, maar de branden hebben het klooster zelf niet bereikt.
Beaamt u dat deze branden onderdeel lijken te zijn van systematische benadeling van, of aanvallen op Turkse christenen door middel van onder meer brandstichting, berovingen en dreigingen, waarbij Turkse autoriteiten niet altijd ingrijpen?
De ambassade in Ankara onderhoudt nauw contact met de Aramese gemeenschap en NGO’s die zich bezighouden met de rechten van minderheden in Turkije. Ook over deze branden is contact geweest met de Aramese gemeenschap enerzijds en de lokale Turkse autoriteiten anderzijds. Bovendien heeft Nederland dit onderwerp op hoog niveau onder de aandacht gebracht bij het Turkse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hieruit is de indruk ontstaan dat de autoriteiten zich hebben ingezet voor de bestrijding van de branden, en dat de bestrijding van de branden in deze regio niet substantieel lijkt af te wijken van hoe bosbranden in andere regio’s van Turkije in de afgelopen weken zijn bestreden.
In hoeverre is hier sprake van verwijtbare nalatigheid van Turkse autoriteiten, ook bijvoorbeeld inzake het onderhoud van elektriciteitsinfrastructuur in of rond deze dorpen?
De staat van de infrastructuur in en rond deze dorpen is vergelijkbaar met die in en rond andere plaatsen in het zuidoosten van Turkije.
Indien dit er sprake is van nalatigheid, veroordeelt u dit, en bent u bereid de negatieve gevolgen van de branden en andere bedreigingen aan te kaarten bij de Turkse overheid, juist gezien de van oudsher gemarginaliseerde positie van (Aramese) christenen in Turkije?
Mij is niet gebleken dat er sprake is van op de (Aramese) christenen gerichte nalatigheid. De positie van (Aramese) christenen wordt door Nederland met regelmaat aan de orde gesteld in contacten met de Turkse autoriteiten, als genoemd laatstelijk op hoog niveau naar aanleiding van de genoemde branden.