Sanering van ernstig vervuilde bodems in gemeente De Ronde Venen |
|
Carla Dik-Faber (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanwezigheid van ernstig met lood vervuilde bodems vanwege historische vervuiling in de gemeente De Ronde Venen en de gang van zaken rond de aanpak ervan?1 2 3
Ja.
Deelt u de mening dat in gebieden met meer dan 800 mg/kg lood de situatie dermate ernstig is dat snelle sanering van deze gronden nodig is?
De genoemde concentratie ligt boven de interventiewaarde voor lood. Bij overschrijding van de interventiewaarde kan sprake zijn van risico’s voor de mens en/of het ecosysteem. Het betreft een signaalwaarde, die aangeeft dat mogelijkerwijze maatregelen noodzakelijk zijn.
In het Convenant bodem en ondergrond 2016 – 2020, dat het Rijk heeft gesloten met provincies, gemeenten, waterschappen en het bedrijfsleven over de invulling van de saneringsopgave, is afgesproken hoe de bevoegde overheden worden geacht om te gaan met gebieden waarin sprake is van diffuse bodemverontreiniging met humane risico's. Concreet betekent dit dat bevoegde gezagen zorgen dat in een gebied met diffuse bodemverontreiniging waar mogelijk humane risico’s aan de orde zijn gebruiksadviezen worden opgesteld om de risico’s te minimaliseren. Indien deze risico’s niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht door het opvolgen van de gebruiksadviezen, dan zorgen de bevoegde gezagen dat deze risico’s zo spoedig mogelijk worden beheerst. Voor het definitief wegnemen van de risico’s wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke momenten zoals herontwikkeling. Het is aan het bevoegd gezag om op basis van voornoemde te bepalen welke maatregelen zij neemt. Dit hoeft dus niet per definitie een snelle sanering te zijn. Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 7 voor de beschrijving van de invulling hiervan door de gemeente Ronde Venen en Provincie Utrecht. Het is belangrijk om ten aanzien van de loodproblematiek gezamenlijk op te trekken als rijksoverheid met de bevoegde gezagen. Dit doen we in het kader van de landelijke werkgroep lood. Daarnaast worden ervaringen gedeeld in het kennisproject «Samenwerken onder de Omgevingswet – casus diffuus lood» onder het Uitvoeringsprogramma van het Bodemconvenant.
Hoe ziet u met betrekking tot de in de casus bedoelde bodembescherming de verantwoordelijkheid van Rijk, provincie respectievelijk gemeente?
Momenteel zijn de provincies en 29 grote gemeenten het bevoegde gezag voor het stellen van regels over de aanpak van historische verontreinigingen in de bodem, waar deze tot risico’s voor de gezondheid en het milieu leiden. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (voorzien in 2021) worden alle gemeenten het bevoegde gezag.
Gemeenten hebben op grond van het Besluit bodemkwaliteit al bevoegdheden op het gebied van toepassen van grond. Gemeenten hebben na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een rol uit te oefenen als bevoegd gezag voor de omgang met bodemverontreiniging en sanering van verontreinigde bodem en grondwater. 29 grotere gemeenten zijn nu al bevoegd gezag voor deze taak.
Dat laat onverlet dat de rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen goed moeten samenwerken om deze overheveling in goede banen te leiden. In het antwoord op vraag 2 is beschreven hoe dit momenteel vorm krijgt. Daarbij geldt dat gedurende de looptijd van het Convenant bodem en ondergrond middelen uit de Rijksbegroting beschikbaar zijn (i.e. tot 31/12/2020). Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de rijksoverheid betrokken blijven bij de problematiek van diffuus lood. De rijksoverheid, IPO, VNG en Unie van Waterschappen zijn met elkaar in gesprek over een mogelijk vervolg op de afspraken uit het Convenant bodem en ondergrond. De aanpak van diffuus lood en opkomende stoffen zijn onderwerpen die hierin mogelijk een plek kan krijgen.
Is de veronderstelling juist dat met name de provincie aan zet is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de overheveling van bodemtaken naar gemeenten bij de invoering van de Omgevingswet voor deze gemeenten?
Zie antwoord vraag 3.
Welke financiële instrumenten zijn vanuit het Rijk beschikbaar voor (bijdragen aan) bodemsanering?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in overleg te treden met betrokken gemeenten en provincies om ervoor te zorgen dat urgente saneringen, zoals in de gemeente Ronde Venen, op een goede manier uitgevoerd worden?
Mijn ministerie neemt deel aan een landelijke werkgroep diffuus lood, waarin met gemeenten en provincies wordt overlegd over de problematiek van diffuse verontreinigingen met lood in de bodem. Het is immers duidelijk dat deze problematiek ook gevolgen zal hebben voor een langere periode na ingang van de Omgevingswet, waarbij tevens geldt dat de huidige rollen en verantwoordelijkheden van betrokken partijen gaan veranderen.
De gemeente de Ronde Venen en de Provincie Utrecht hebben in een gesprek met mijn ministerie op 2 oktober jl. aangegeven dat zij in constructief overleg zijn over de aanpak van de risico’s van de aanwezigheid van lood in de bodem. De Provincie Utrecht heeft reeds in 2018 een kaart met aandachtsgebieden voor lood uitgebracht. Daarnaast heeft de Provincie Utrecht door de omgevingsdienst onderzoek laten uitvoeren naar het voorkomen van lood in de bodem op kinderspeelplaatsen. Vervolgens hebben de beheerders van kinderspeelplaatsen inrichtingsadviezen ontvangen om de blootstelling te verminderen, zo ook in de gemeente de Ronde Venen. Daar zijn inmiddels maatregelen genomen.
Verder heeft de Provincie Utrecht op 24 september jl. een handelingskader voor diffuus lood in de bodem vastgesteld. Op ambtelijk en bestuurlijk niveau zijn beide partijen, in een gezamenlijke taskforce met de omgevingsdiensten en de GGD, reeds in overleg om de opgave en maatregelen te verkennen. Daartoe laat de taskforce middels scenario’s onderzoeken welke mix van maatregelen mogelijk is om de problematiek te beheersen op de korte, middellange en lange termijn. Dit onderzoek bevindt zich in een afrondende fase.
De gemeente de Ronde Venen en de Provincie Utrecht hebben ondervonden dat het gezamenlijk optrekken werkt, maar wel tijd en capaciteit vergt. Ook is duidelijk geworden dat de gezamenlijke inzet de mogelijkheid geeft om tijdig op ontwikkelingen te anticiperen. Dit zijn waardevolle ervaringen die in de landelijke werkgroep diffuus lood worden gedeeld met andere gemeenten en provincies. Daarnaast worden deze ervaringen gedeeld in het kennisproject «Samenwerken onder de Omgevingswet – casus diffuus lood» onder het Uitvoeringsprogramma van het Bodemconvenant. Het delen van de ervaringen als deze fungeert als voorbeeld voor andere provincies en gemeenten.
Het actief tegenwerken van Zorginstituut Nederland, de NVvP en zorgverzekeraars van vergoedingen van taperingstrips |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de informatie die openbaar gemaakt is door verschillende Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB)-verzoeken waarover de Regenboog Apotheek bericht in haar presentatie?1
De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) regelt het recht op informatie van de overheid. De diverse verzoeken van Regenboog Apotheek zijn conform de Wob uitgevoerd. Voor mijn reactie op specifieke onderdelen van de Wob-stukken verwijs ik u graag naar mijn antwoorden op de vragen 2 t/m 13.
Wat vindt u ervan dat het Zorginstituut Nederland (het Zorginstituut) in mailwisselingen én reeds in 2016 stelde dat taperingstrips waarschijnlijk rationele farmacotherapie zijn, als in richtlijnen afbouwen wordt aanbevolen?
Dit is een uitspraak van een medewerker van het Zorginstituut in een interne e-mail. Het betreft hier geen officiële uitspraak van het Zorginstituut.
Wat vindt u ervan dat het Zorginstituut aanraadt om het over de boeg van doelmatigheid en afleveringsvorm te gooien, om zo de vraag van werkzaamheid/effectiviteit (en dus vergoedingen) te ontlopen?
Dit is wederom geen officiële uitspraak van het Zorginstituut. Daarnaast is doelmatigheid (meest economisch voor de zorgverzekering en de patiënt) een belangrijk element in de beoordeling van het criterium rationele farmacotherapie.
Wat vindt u ervan dat het Zorginstituut zich bewust afzijdig heeft gehouden en heeft gesteld dat ze niet aan zet is, om niet te hoeven bevestigen dat de taperingstrips rationele farmacotherapie betreffen?
Dat is conform de normale werkwijze. In de eerste plaats is het aan zorgverzekeraars om het pakket te duiden. In het geval van op recept bereide geneesmiddelen, zoals verwerkt in een taperingstrip, komen deze alleen voor vergoeding in aanmerking als er geen (nagenoeg) gelijkwaardig geregistreerd geneesmiddel voorhanden is en de behandeling is aan te merken als «rationele farmacotherapie».
De zorgverzekeraars zijn als eerste aan zet om uitspraken te doen over de vraag of bepaalde zorg voldoet aan «de stand van de wetenschap en praktijk» of – in het geval van taperingstrips – aan «rationele farmacotherapie».
De criteria hiervoor zijn:
In het geval van taperingstrips waren de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisatie en zorgverzekeraars het niet eens over de vergoeding van afbouwstrategieën. Het Zorginstituut heeft daarom het initiatief genomen om de afbouw van (specifieke) antidepressiva met behulp van taperingstrips inhoudelijk te beoordelen om vast te stellen of deze voor vergoeding in aanmerking kan komen. Inmiddels hebben de beroepsgroepen en patiëntenorganisatie een multidisciplinair document ontwikkeld over de afbouw van antidepressiva.
Zorgverzekeraars ondersteunen de voorgestelde aanpak. Omdat partijen het eens zijn over de vergoeding van afbouwmedicatie is er voor het Zorginstituut geen reden meer om een standpunt in te nemen over de vergoeding van de afbouw van antidepressiva.
Deelt u de mening dat het Zorginstituut haar boekje te buiten is gegaan door te suggereren dat de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) zich tegen de taperingstrips moet verweren?
U verwijst hierbij waarschijnlijk naar een interne e-mailwisseling tussen een aantal medewerkers van het Zorginstituut. Over de handelwijze van het Zorginstituut verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat het onverantwoordelijk is dat zorgverzekeraars stelden dat patiënten behandeld moesten worden met vloeibare suspensies, omdat het Multidisciplinair document «Afbouwen SSRI’s & SNRI’s» stelt dat, op basis van een document van de European Medicines Agency, het risico op doseerfouten bij het gebruik van een vloeibare toedieningsvorm groter is dan bij het gebruik van een vaste toedieningsvorm en dat bijgeleverde spuiten veelal niet geschikt zijn om dergelijke kleine volumes nauwkeurig genoeg af te meten?2 &3
Mij is niet bekend waar zorgverzekeraars dit stelden. Van Zorgverzekeraars Nederland begrijp ik dat bestaande vloeibare vormen een optie kunnen zijn als patiënten met de bestaande doseringen in tabletvorm niet uitkomen. Ook in de praktische toelichting van de KNMP bij het multidisciplinair document staat dat er voor het afbouwen van SSRI’s verschillende toedieningsvormen beschikbaar zijn (bijv. drank, druppels).4 Als bestaande vormen niet aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden van de patiënt, kan worden uitgeweken naar apotheekbereidingen. Het klopt dat het multidisciplinair document stelt dat het risico op doseerfouten bij het gebruik van een vloeibare toedieningsvorm groter is dan bij het gebruik van een vaste toedieningsvorm.
Deelt u de mening dat de restrictieve opvatting van tabel drie als «vaststaand schema» in plaats van als «voorbeeldschema» door de zorgverzekeraars in strijd is met het doel en de teneur van het Multidisciplinair document, dat het voorschrijven van afbouwmedicatie «maatwerk» dient te zijn en vatbaar moet zijn voor tussentijdse aanpassing?
Zorgverzekeraars vergoeden magistraal bereide afbouwmedicatie in individuele gevallen en alleen als het rationele farmacotherapie betreft. Zij nemen hierbij het multidisciplinaire document in acht. Tabel 3 wordt daarbij gezien als een door experts beredeneerd afbouwschema dat in voorkomende gevallen kan worden gebruikt5. In tabel 3 is, gegeven het gebrek aan onderzoek, door de opstellers van het document zo goed als mogelijk weergegeven wat een logische afbouw zou zijn. Ik begrijp van zorgverzekeraars dat zij de stappen die daarin worden genoemd, waar mogelijk via geregistreerde handelspreparaten, vergoeden. Tabel 3 vormt op zich geen belemmering voor maatwerk en tussentijdse aanpassing, maar voor de vergoeding vanuit de basisverzekering moet wel worden voldaan aan het criterium rationele farmacotherapie.
Wat vindt u van het feit dat veel psychiaters die zijn aangesloten bij de NVvP – behalve de directie – juist pleiten voor vergoeding van de taperingstrips?4 . Kunt u bevestigen dat er vanuit zorgverzekeraars geen onderzoeken met uw ministerie zijn gedeeld waaruit blijkt dat taperingstrips geen rationele farmacotherapie zijn?
Ik ga niet over opvattingen van individuele psychiaters. Bij het opstellen van het multidisciplinair document is de NVvP betrokken geweest. Ik ga ervan uit dat de input van de NVvP intern is afgestemd.
Erkent u dat het advies om taperingstrips niet te vergoeden op iets anders gestoeld is dan gezondheidsbelangen van patiënten of medische kennis van experts?
Het gaat erom dat werkzaamheid en effectiviteit van een middel (rationele farmacotherapie) moet blijken uit wetenschappelijke literatuur. Zilveren Kruis heeft destijds de aan haar aangeleverde literatuur bestudeerd en geconcludeerd dat uit de literatuur geen rationele farmacotherapie is gebleken. Zoals gemeld in mijn brief van 21 juni 2019 bestaat er verder geen rapport van het «onderzoek» van Zilveren Kruis.7 Ook heb ik geen andere onderzoeken van zorgverzekeraars ontvangen. Overigens, al zouden er onderzoeken met mij gedeeld zijn, positief of negatief, het is niet aan mij om deze te beoordelen. Ik heb geen rol in dit proces.
Deelt u de mening dat de symbiotische relatie tussen zorgverzekeraars en het Zorginstituut in deze casus de onafhankelijkheid van het Zorginstituut in gevaar brengt?
Ik heb geen reden aan te nemen dat opstellers van het multidisciplinair document niet handelen vanuit patiëntbelang. Het document, opgesteld door de beroepsgroep en patiënten, stelt dat er geen concrete aanbevelingen gedaan kunnen worden voor de manier van afbouwen, vanwege een gebrek aan wetenschappelijk bewijs. Het is aan verzekeraars of zij magistraal bereide afbouwmedicatie in individuele gevallen vergoeden. Het veld is nu aan zet, maar omdat ik het belangrijk vind dat onderzoek naar de manier van afbouwen op gang komt, organiseert het Instituut Verantwoord Medicijngebruik op mijn initiatief op 21 november 2019 een brede expertbijeenkomst rond dit thema.
Wat vindt u ervan dat dr. G. en prof. van O., die in maart 2017 op verzoek van het Zorginstituut de eerste bijeenkomst over afbouwmedicatie hadden georganiseerd, door het Zorginstituut werden uitgesloten van deelname aan de tweede bijeenkomst (scoping) in augustus, waardoor tegen de regels van het Zorginstituut zelf in, niet alle relevante vragen konden worden gesteld en beantwoord?5
Nee, ik heb geen redenen om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het Zorginstituut.
Deelt u de mening dat deze casus aantoont dat het Zorginstituut in dit dossier zich als niet onafhankelijke partij heeft opgesteld voor het beoordelen van de rechtmatigheid en doelmatigheid van vergoedingen? Zo nee, wat is dan uw oordeel?
Na de eerste bijeenkomst over afbouwmedicatie die werd georganiseerd door dr. G. en prof. van O., besloot het Zorginstituut een duiding te gaan doen, omdat betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisatie en zorgverzekeraars het niet eens waren over de vergoeding van afbouwstrategieën. Soms organiseert het Zorginstituut voorafgaand aan een duiding een scopingsbijeenkomst om van partijen te horen wat belangrijke overwegingen zijn in het traject.
In het geval van afbouwstrategieën bij antidepressiva heeft het Zorginstituut de beroepsgroepen (huisartsen, apothekers en psychiaters, vertegenwoordigd door NHG, KNMP en NVvP), de patiëntenorganisatie (MIND) en zorgverzekeraars uitgenodigd. Zij hebben hun afvaardiging aangewezen. Het is gebruikelijk dat de geneesmiddelenfabrikant/ontwikkelaar niet aanwezig is bij een dergelijke bijeenkomst. Wel heeft het Zorginstituut de ontwikkelaars van de taperingstrips, zoals dr. G. en prof. Van O., op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen rondom de scopingsbijeenkomst en vervolgbijeenkomst, en de ontwikkelaars van de taperingstrip de gelegenheid gegeven om een onderzoeksvoorstel in te dienen dat kon worden besproken met de stakeholders tijdens de scopingsbijeenkomst.
De registratie van levend geboren kinderen die voor het doen van geboorteaangifte reeds waren overleden |
|
Jan de Graaf (CDA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat in het verleden (onder andere in de jaren ’70) kinderen, die geboren werden, kort leefden en waarvan door omstandigheden (bijvoorbeeld geboorte op een feestdag) pas na het overlijden geboorteaangifte kon worden gedaan, niet werden opgenomen in het Persoonsregister en dat dit juridisch gezien een sluitende procedure was?
Het is hier van belang om te wijzen op het onderscheid tussen de burgerlijke stand en de bevolkingsregistratie. Tot 1 januari 1995 werd door de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van levenloos geboren kind opgemaakt als een kind kwam te overlijden voordat er geboorteaangifte was gedaan. Het kind kon op grond van deze akte echter niet worden opgenomen in de bevolkingsregistratie; dat was op grond van de toen geldende wetgeving niet toegestaan. Niettemin was registratie van het kind in de bevolkingsregistratie wel mogelijk als de rechtbank op verzoek van de ouders had gelast dat er door de ambtenaar van de burgerlijke stand aparte akten van geboorte en overlijden van het kind zouden worden opgemaakt (art. 1:52 lid 4 BW oud). In dat geval kon het kind wel worden opgenomen in de bevolkingsregistratie.
Sinds 1 januari 1995 is het niet meer nodig dat de ouders van een kind dat heeft geleefd, maar voor de geboorteaangifte is overleden, een verzoek richten aan de rechtbank als hiervoor bedoeld. Met betrekking tot deze kinderen worden door de ambtenaar van de burgerlijke stand direct aparte akten van geboorte en overlijden van het kind opgemaakt en vindt op grond daarvan opneming plaats van het kind in de bevolkingsregistratie (destijds GBA, nu BRP).
Is het waar dat deze kinderen met de wijziging van de Wet basisregistratie personen weliswaar bij de gemeente kunnen worden geregistreerd, maar dat zij enkel kunnen worden geregistreerd als levenloos geboren?
De situatie waar deze vraag op doelt, betreft de registratie van een kind dat in het verleden is geboren, maar waarvan nu de registratie in de BRP wordt verzocht. Indien het kind voor de invoering van de elektronische bevolkingsregistratie (de GBA) op 1 oktober 1994 is geboren en overleden kan het niet alsnog zelfstandig in de BRP worden opgenomen met een persoonslijst, waarop naast de geboortedatum ook de overlijdensdatum is vermeld. Die onmogelijkheid geldt overigens voor alle personen die voor 1 oktober 1994 zijn overleden, niet alleen voor kinderen als hier bedoeld. Dit heeft te maken met het stopzetten van de bijhouding van de bevolkingsregistratie zoals die tot dat moment werd gevoerd. Omdat omtrent het kind eerder echter wel een akte van levenloos geboren kind was opgemaakt, kunnen alsnog gegevens over het kind worden opgenomen op de persoonslijst van de ouders. Indien de ouders, op de wijze als uiteengezet in het antwoord op vraag 1, de akte van levenloos geboren kind hebben laten vervangen door een akte van geboorte en een akte van overlijden, kunnen vervolgens de gegevens omtrent de geboorte van het kind in de BRP worden opgenomen op de persoonslijst van de ouder die daarom verzoekt. Deze gegevens worden dan ontleend aan de geboorteakte waarin de eerdere akte van levenloos geboren kind is omgezet. De overlijdensdatum van het kind wordt niet op de persoonslijst van de ouder opgenomen. Dat geldt conform de systematiek van de BRP overigens voor iedere persoon die als gerelateerde op de persoonslijst van een ingeschrevene kan zijn vermeld (ouders, kinderen, gehuwden of geregistreerd partners).
Het voor de geboorteaangifte overleden kind staat als gevolg van deze procedure derhalve niet als levenloos geboren kind in de BRP geregistreerd. Dat blijkt ook uit de verwijzing naar het aktenummer dat als brondocument dient voor de vermelding van het gegeven over de geboorte van het kind op de persoonslijst van de ouder. Dat aktenummer heeft de codering van een reguliere geboorteakte en niet van een akte levenloos geboren kind.
Begrijpt u dat het voor ouders zeer pijnlijk is, wanneer hun kind korte tijd heeft geleefd maar het niet als zodanig in de Basisregistratie Personen kan worden opgenomen?
Ja, dat begrijp ik. Zoals in het antwoord op vraag 2 is vermeld, kan een kind, indien dit voor 1 oktober 1994 is geboren en overleden, helaas niet met een eigen persoonslijst in de BRP worden opgenomen. Door de registratie van het kind op de persoonslijst van de ouder, waarbij de geboortedatum wordt opgenomen en tevens wordt vermeld dat die datum is ontleend aan een reguliere geboorteakte, blijkt echter evengoed dat het kind heeft geleefd.
Welke mogelijkheden ziet u om ouders in staat te stellen in deze specifieke gevallen hun kind alsnog in de Basisregistratie Personen op te laten nemen als zijnde levend geboren en daarna overleden? Bent u bereid hiertoe met aanvullende instructies richting gemeenten en zo nodig met aanvullende wetgeving te komen?
Gegeven de systematiek die op 1 oktober 1994 is gekozen voor het registreren van personen die voor die datum al waren overleden, zie ik geen mogelijkheid om voor deze situatie ook de overlijdensdatum van het kind in de BRP op te nemen. Het zou een ingrijpende fundamentele wijziging betekenen van de opzet van de BRP. Omdat in de huidige situatie al uit de BRP blijkt dat het kind heeft geleefd, acht ik aanvullende instructies en wetgeving niet nodig.
Meer vaart maken met veiligheid Chemelot |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onderzoeksraad: Meer vaart maken met veiligheid Chemelot»?1
Ja.
Deelt u de mening dat omwonenden van Chemelot zeker moeten kunnen zijn dat zij veilig kunnen wonen?
Ja. Ik zet mij in voor een gezonde en veilige leefomgeving, die ook als zodanig wordt ervaren. Hierbij geldt ook dat omwonenden van de zes chemieclusters in Nederland, waar Chemelot er een van is, veilig moeten kunnen wonen. Landelijk geldt het basisbeschermingsniveau voor iedere omwonende, dus ook voor omwonenden van Chemelot. Over de beleidsaanpak van milieurisico’s (voorkomen, beheersen en betrekken) heb ik uw Kamer geïnformeerd met mijn brief van 5 juni 2018.2
Hoe komt het dat de aanbeveling, uit 2018, van de Onderzoeksraad voor Veiligheid door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de provincie nog niet zijn overgenomen? Neemt u deze aanbevelingen wel serieus?
De aanbevelingen van de Onderzoeksraad zijn voor mij zeer belangrijk en neem ik zeker serieus. Dit moge blijken uit mijn reactie aan de Onderzoeksraad van 19 december 2018, waarover ik de Kamer met mijn brief van 21 januari 20193 heb geïnformeerd. Mijn reactie aan de Onderzoeksraad heeft geleid tot gesprekken tussen het ministerie en de Onderzoeksraad over de acties die genomen worden en nog kunnen genomen worden om de veiligheid binnen en rond chemieclusters te versterken.
Deze acties heb ik samengevat in een tweede brief aan de Onderzoeksraad van 9 juli 2019 (zie bijlage). Daarbij gaat het onder meer om de inventarisatie van collectieve maatregelen die al door chemieclusters worden genomen om de veiligheid te versterken en het delen van de kennis daarover. Dit heeft plaatsgevonden binnen het programma Duurzame Veiligheid 2030. Daarnaast verandert het instrumentarium voor het omgaan met de veiligheid rond bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken met de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Zo schrijft de Omgevingswet overheden voor om omgevingsvisies op te stellen. In omgevingsvisies wordt aangegeven hoe met de beperkte beschikbare ruimte wordt omgegaan en potentieel conflicterende activiteiten, zoals industriële activiteit en wonen, ruimte houden. Ook biedt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) straks de bevoegdheid aan het bevoegd gezag om een chemiecluster als een risicogebied aan te wijzen in het omgevingsplan. Hierbinnen zijn kwetsbare en zeer kwetsbare objecten niet toegestaan maar kunnen risicovolle bedrijven zich wel ontplooien, zolang zij binnen de risicocontour van het gebied blijven. Daarmee kan voor de lange termijn enerzijds ruimte gereserveerd worden voor economisch belangrijke risicovolle activiteiten en anderzijds ruimte gereserveerd worden voor de veilige ontwikkeling van niet-risicovolle functies, in het bijzonder wonen.
Gaat u nu echt aan de slag om deze aanbevelingen over te nemen? Kunt u een termijn geven wanneer de aanbevelingen zijn overgenomen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik ook naar het antwoord op de vorige vraag en de brieven die ik naar de Onderzoeksraad heb gestuurd. In samenspraak met de Onderzoeksraad wil ik vaststellen wat concreet nodig is in de aanpassing van het wettelijk instrumentarium om de veiligheid in en rond chemieclusters te borgen.
Bent u bekend met de berichten «Belastingproblemen Nederlandse Amerikanen nog niet de wereld uit»1 en «Snel vraagt banken om meer coulance voor Amerikaanse Nederlanders»?2
Ja.
Is het juist dat naar aanleiding van uw brief van 17 september 2019 over fiscale moties en toezeggingen3 gesteld kan worden dat:
Ja, de regeling maakt het voor alle Nederlanders die ook de Amerikaanse nationaliteit bezitten mogelijk om zonder TIN en zonder dat aan de Amerikaanse aangifteverplichtingen is voldaan een zogenaamd «Certificate of Loss of Nationality» aan te vragen, ongeacht de omvang van het inkomen. Wanneer dit certificaat is verkregen zie ik daarbij geen reden waarom niet vrij kan worden gebankierd. Van belang is wel dat de Amerikaanse autoriteiten zich het recht zullen voorbehouden het «Certificate of Loss of Nationality» te herzien totdat aan de aangifteverplichtingen is voldaan.
Kunt u een toelichting geven op de fiscale inkeerregeling van de Amerikaanse belastingdienst voor Amerikaanse Nederlanders die van toepassing wordt nadat zij afstand hebben gedaan van hun Amerikaanse nationaliteit?
De recent door de IRS geïntroduceerde regeling houdt in dat er aangifte gedaan dient te worden voor het jaar van afstand van de Amerikaanse nationaliteit en de vijf voorafgaande jaren. Op dat moment kan de IRS besluiten de openstaande belastingschulden (inclusief eventuele rente en boete) kwijt te schelden. Er gelden wel voorwaarden om voor deze regeling in aanmerking te komen. Het vermogen mag maximaal USD 2 miljoen bedragen en de belastingschuld maximaal USD 25.000 voor de openstaande belastingjaren. Voor een nadere beschrijving verwijs ik naar mijn brief van 17 september jl.4
Deelt u de mening dat de fiscale inkeerregeling nog niet voldoende zekerheid biedt aan de duizenden Nederlandse Accidental Americans zonder TIN die nog steeds de zorg hebben na 12 oktober geen gebruik meer te kunnen maken van hun bankrekening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De recent door de IRS geïntroduceerde regeling biedt vereenvoudiging van de afstandsprocedure en van de aangifteplicht en is mijns inziens een goede stap voorwaarts. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 17 september jl. vind ik het, met het oog op de nieuwe regeling en de ruime overgangsregeling die de IRS hanteert, voorbarig als de banken overgaan tot het sluiten van rekeningen van rekeninghouders die (nog) geen TIN hebben verstrekt. Nederlandse inwoners die ook de Amerikaanse nationaliteit hebben, hebben nu namelijk ook de keuze om zonder TIN gebruik te maken van de procedure van het opzeggen van de Amerikaanse nationaliteit. Mijn advies richting Nederlanders die ook de Amerikaanse nationaliteit bezitten is wel om nu in actie te komen. Ik roep hen nogmaals op om ervoor te kiezen om of afstand te doen van hun Amerikaanse nationaliteit of om een TIN aan te vragen.
Kunt u reageren op het bericht van de Accidental Americans dat de voorgestelde procedure kostbaar is voor de mensen die te maken hebben met deze problematiek aangezien die kosten in de eerste plaats bestaan uit de fee van 2.350 dollar die men moet betalen om afstand te kunnen doen van de Amerikaanse nationaliteit en daarna de kosten komen die samenhangen hangen met de fiscale aangifteverplichtingen zoals het inhuren van een adviseur (wat zomaar kan oplopen tot 5.000 euro) om deze problematiek op te lossen en de eventuele Amerikaanse belastingen? Deelt u de mening dat dit een forse last is voor deze mensen? Zo nee, waarom niet?
De 2.350 dollar voor het opzeggen van het burgerschap is inderdaad een hoog bedrag en daarom zal ik blijven aandringen bij de Amerikanen op verlaging van deze kosten. Over de kosten van de Amerikaanse aangifte kan ik geen uitspraak doen aangezien dit per situatie verschilt en ik nog in gesprek ben met de IRS om de aangifte voor deze groep te vereenvoudigen. Daarnaast stel ik dit in Europees verband aan de orde en wordt ingezet op een gezamenlijke actie richting de VS op korte termijn. De IRS heeft op 10 oktober een voor iedereen toegankelijk webinar gehouden (dat ook terug te kijken is) met onder meer praktische informatie over het aangifteproces voor mensen die afstand willen doen van Amerikaans staatsburgerschap. Overigens is er reeds vernieuwde en duidelijkere informatie beschikbaar over de verplichtingen van Amerikaanse onderdanen die buiten de VS wonen.5
Welke stappen moeten er door een Nederlandse Accidental American worden gezet alvorens deze de Amerikaanse nationaliteit definitief heeft opgezegd? Wat is op dit moment de verwachte looptijd waarbinnen dit geregeld kan worden? Klopt het signaal dat de duur van de procedure om afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit sterk oploopt en voor de mensen tot nog meer onzekerheden en stress leidt?
Voor het afstand doen van de Amerikaanse nationaliteit moet men een zogenaamd «Certificate of Loss of Nationality» aanvragen bij het Amerikaanse consulaat. Vervolgens kan men met deze verklaring aangifte doen. Voor een uitgebreid overzicht van dit proces verwijs ik naar de website van de IRS: https://www.irs.gov/individuals/international-taxpayers/relief-procedures-for-certain-former-citizens.
Ik heb begrepen dat de verwachte doorlooptijd van deze procedure nu rond de 9 maanden is. Ik vind het uiteraard bezwaarlijk dat er lange wachttijden zijn en zal dit punt opnieuw aankaarten bij het Amerikaanse consulaat en de ambassade. Daarnaast hebben de banken met het consulaat afspraken gemaakt over een verklaring dat de procedure tot afstand doen is begonnen (zie ook mijn antwoord bij vraag 11, 13 en 14). Hierdoor wordt het voor de banken vroegtijdig duidelijk dat de procedure in gang is gezet.
Wat zijn de totale kosten als alle Nederlandse Accidental Americans met een spaarrekening van minder dan 50.000 dollar afstand willen doen van de Amerikaanse nationaliteit?
Deze informatie heb ik niet.
Welke stappen zet u om Accidental Americans met een spaarrekening met minder dan 50.000 dollar bewust te maken van de gevolgen van het hebben van de Amerikaanse nationaliteit en de mogelijkheid om te besluiten hier wel/niet afstand van te doen?
Ik heb in mijn brief van 17 september jl. een oproep gedaan aan alle mensen die dit treft om niet stil te zitten en een keuze te maken tussen afstand doen van hun Amerikaanse nationaliteit of een Amerikaanse TIN aanvragen. De verplichtingen die het gevolg zijn van het Amerikaanse burgerschap zijn echter in beginsel een Amerikaanse aangelegenheid. Het is daarom lastig voor de Nederlandse overheid om hierover te adviseren. We betrekken wel de belangenorganisaties voor Nederlanders die ook de Amerikaanse nationaliteit bezitten bij deze problematiek en blijven communiceren met de Amerikaanse overheid. Daarnaast wijzen de banken en de NVB hun klanten uiteraard ook op hun Amerikaanse Belastingplicht. De NVB geeft ook op haar website praktische informatie, net als de banken.6
Op welke manier zorgt u ervoor dat ook mensen die nu nog niet de gevolgen ervaren wel op de hoogte gebracht worden van de verplichtingen volgend uit de Foreign Account Tax Compliance Act en fiscale verplichtingen die het gevolg zijn van het Amerikaans burgerschap?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toelichten waarom banken de rekeningen van Nederlandse Accidental Americans niet mogen opzeggen ondanks het feit dat deze mensen geen TIN hebben zoals u aangaf in het radioprogramma «Reporter Radio»?4
Deze mensen kunnen in de procedure zitten om de Amerikaanse nationaliteit op te zeggen. Zij hoeven dan dus geen TIN te hebben. Deze rekeninghouders zonder TIN die hun Amerikaanse nationaliteit willen opzeggen hebben nog tot eind 2020 om een »Certificate of Loss of Nationality» te overleggen. Op basis van het overgangsrecht hoeven de banken namelijk pas in de gegevens over het jaar 2020 de TIN’s voor alle rekeningen van Amerikaanse onderdanen te delen. De uitwisseling van deze gegevens vindt plaats in september 2021. Daarnaast zijn Nederlandse banken verplicht om op grond van een geïmplementeerde Europese richtlijn klanten een basisbetaalrekening aan te bieden. Het enkel ontbreken van een TIN vormt voor de toepassing van deze wetgeving geen weigeringsgrond en kan daarmee geen aanleiding zijn om een basisbetaalrekening te weigeren of op te zeggen.
Hoe verklaart u het verschil in inzicht wat betreft het sluiten van bankrekeningen tussen u5 (sluiten rekeningen is voorbarig) en de reactie van de banken6 (we kunnen geen garanties geven)? Waar komt dit verschil vandaan en op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de inzichten overeenkomstig worden zodat er, samen met de banken, een definitieve oplossing gevonden kan worden voor de Nederlandse Accidental Americans?
Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat ik net zoals de banken van mening ben dat alle Nederlandse Accidental Americans in actie moeten komen. Zij hebben nu de keuze om een TIN aan te vragen of de afstandsprocedure op te starten.
Tegelijkertijd constateer ik dat de Amerikaanse autoriteiten met de banken meedenken en hen wel enige ruimte biedt in hun verplichting om gegevens van US persons aan te leveren. Banken vrezen tegen forse Amerikaanse sancties aan te lopen bij het niet voldoen aan deze verplichting. Ik begrijp dat banken sancties willen voorkomen en hiertoe hun eigen risico inschatting maken. Daarbij wil ik wel nogmaals benadrukken dat ik het voorbarig vind om rekeningen te sluiten of daarmee te dreigen omdat sancties op dit moment nog niet aan de orde zijn. Ik deel de analyse van de banken dan ook niet dat klanten voor het einde van het jaar actie moeten ondernemen om het sluiten van rekeningen te voorkomen. Dat baseer ik op de tijdlijn voor het voldoen aan de verplichting die door de IRS is gecommuniceerd en die ik verder heb beschreven in mijn brief van 17 september 2019. Volgens deze tijdlijn zou er pas in de zomer 2023, na afstemming met Nederland, sprake kunnen zijn van eventuele sancties, waarbij het opleggen van sancties achterwege zal blijven indien de banken zich (voldoende) hebben ingespannen om de missende TIN’s dan wel Certificates of Loss of Nationality te verkrijgen. Indien de IRS zich tegen die tijd op enig moment zorgen maakt over missende gegevens bij specifieke banken dan zal ik mij inspannen om te voorkomen dat er toch sancties opgelegd worden aan banken die zich voldoende hebben ingespannen. Ik heb mij dus hard gemaakt om voor de banken zoveel mogelijk duidelijkheid en zekerheid te verkrijgen. Zo heb ik van de IRS meer duidelijkheid gekregen over de procedures als toch nog van een aantal rekeninghouders gegevens ontbreken en wat er nog kan worden gedaan om dit te herstellen.10 Dit heb ik ook met de NVB besproken en ik blijf nauw contact onderhouden met de IRS hierover. In ons meest recente gesprek heeft de NVB daarbij aangegeven dat met het Amerikaanse consulaat een procedure is afgesproken om een verklaring uit te geven voor personen die de afstandsprocedure hebben opgestart. Ik sta hier positief tegenover omdat dit de banken de zekerheid biedt die zij nodig hebben.
Kunt u, gezien het feit dat u in uw brief van 17 september 20197 aangeeft het voorbarig te vinden dat banken overgaan tot het sluiten of schorsen van bankrekeningen per 1 oktober 2019, reageren op de volgende passage die deze leden hebben ontvangen uit een verweerschrift van een niet nader te noemen bank bij een zaak die momenteel bij het Klachteninstituut Financiele Dienstverlening (Kifid) in behandeling is en duidelijk laat zien dat banken zelf het sluiten van rekeningen op korte termijn goed mogelijk achten en niet «voorbarig»: Hoe verklaart u de op korte termijn dreigende opzegging van de bankrekening van deze individuele klant en begrijpt u dat dit leidt tot grote onzekerheid en stress, zeker omdat de verschillende berichtgeving niet eensluidend is?
Ik ga niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid herhaal ik het door mij eerder geschetste beeld dat Nederlandse financiële instellingen niet hoeven te vrezen voor onverwijld forse Amerikaanse sancties als gevolg van missende TIN’s. Daarnaast is het aan de toezichthouder, en eventueel het Kifid en/of de rechter, om te bepalen of banken al dan niet rechtmatig overgaan tot het sluiten van een bankrekening op basis van hun verplichtingen in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
U heeft aangegeven niet te kunnen spreken voor de banken, maar kunt u garanderen dat u er alles aan zult doen om ervoor te zorgen dat de Nederlandse Accidental Americans met een spaartegoed van minder dan omgerekend 50.000 dollar ook na 12 oktober nog terecht kunnen bij hun eigen rekening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om dit te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier staat u ook de Nederlandse banken bij om te voorkomen dat deze te maken krijgen met Amerikaanse sancties bij het verlenen van bancaire diensten aan Nederlandse Accidental Americans zonder TIN?
Zie antwoord vraag 11.
Welke rol hebben de Fransen gespeeld bij het tot stand komen van de overgangsregeling en zijn er nog andere Europese lidstaten die zich hiervoor hebben ingezet?
Frankrijk zet zich net als Nederland en een aantal andere landen (o.a. het VK, Duitsland, Spanje en België) in voor hun inwoners die ook de Amerikaanse nationaliteit bezitten. Deze landen hebben ieder hun eigen lijn met de Amerikaanse autoriteiten. Welke rol ieder afzonderlijk land precies heeft gespeeld en welke inspanningen precies de doorslag hebben gegeven is niet te bepalen. Naast de acties van ieder land afzonderlijk wordt in EU verband aangestuurd op een gezamenlijke actie richting de VS. Enkele jaren geleden (mei 2017) is een gezamenlijke brief van de EU-landen aan de VS gestuurd. Nederland heeft zich weer voor een gezamenlijke brief ingezet, deze zal binnenkort worden verstuurd.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Dit heb ik zoveel mogelijk gedaan. Ten behoeve van onderlinge samenhang zijn wel een aantal vragen gebundeld beantwoord.
De documentaire De schuldmachine |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de documentaire De schuldmachine?1
De documentaire De Schuldenmachine laat zien dat de maatregelen die we als kabinet nemen met de Brede Schuldenaanpak hard nodig zijn.
Deelt u de mening dat veel mensen met schulden in een vicieuze cirkel belanden vanwege torenhoge schulden, boetes, rentes en rentes op boetes? Hoe gaat u deze cirkel doorbreken?
Ik deel uw mening dat mensen in een vicieuze cirkel terecht kunnen komen, wanneer sprake is van een problematische schuldensituatie. Voor het doorbreken van de vicieuze cirkel is een combinatie van acties nodig. De drie actielijnen uit de Brede Schuldenaanpak zijn daar op gericht. Op het moment dat schuldhulpverlening is ingezet om tot een oplossing van de schulden te komen moet ook worden voorkomen dat bestaande schulden verder oplopen. In Actielijn 3 van de Brede Schuldenaanpak is aandacht voor de «stapeling» waar mensen met problematische schulden mee te maken krijgen. In de voortgangsbrief Brede Schuldenaanpak ga ik in op de acties van het kabinet om de negatieve gevolgen van stapeling te voorkomen.2 De Minister voor Rechtsbescherming zet in op het tijdelijk stopzetten van de invordering van verkeersboetes bij mensen die deze door schulden niet kunnen betalen: de noodstopprocedure. Ook wordt de huidige cumulatieregeling, neergelegd in artikel 6:96, zevende lid, van het Burgerlijk Wetboek aangepast om de ongewenste cumulatie van incassokosten aan te pakken. Dit wetsvoorstel wordt nog dit najaar in consultatie gebracht.
Hoe oordeelt u over de situatie van Elyvonne, die een schuldvordering kreeg op haar achttiende, omdat haar schoolboeken niet betaald zijn toen ze twaalf was? Deelt u de mening dat dit absurd is? Is het überhaupt legaal wat de schuldeiser hier doet?
Ik kan geen uitspraken doen over specifieke gevallen. In algemene zin kan ik zeggen dat ouders verantwoordelijk zijn voor de kosten van opvoeding en verzorging van minderjarige kinderen (artikel 1:404 BW). Ook als een minderjarig kind zelf boeken bestelt, dan nog blijft de ouder (wettelijk vertegenwoordiger) daarvoor aansprakelijk.
Wat kunt u doen om de situatie van Ricky te verbeteren, een jongen die al zeven jaar probeert om zijn leven op de rit te krijgen, maar daarin niet slaagt omdat hij geen inkomen en woonadres heeft?
Helaas zien we nog te veel jongeren met dit soort problematiek kampen. Met het Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren wil het kabinet samen met gemeenten hun situatie verbeteren.3 De gemeente zorgt immers voor een (post)adres, inkomen en andere hulpverlening. De pilotgemeenten van het actieprogramma passen de uitgangspunten van het programma direct in de praktijk toe. Het doel is dat voor het eind van 2021 alle (potentiële) dak- en thuisloze jongeren de hulp en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben.
Deelt u de mening dat het doorverkopen van schulden perverse effecten heeft, aangezien de opkoper (meestal een incassobureau) zich vervolgens ontpopt als meedogenloze schuldeiser? Wat onderneemt u tegen deze praktijken?
Het kabinet heeft conform toezegging in de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 8 februari 2019 nader onderzoek gedaan naar het fenomeen verkoop van vorderingen en in het bijzonder naar de problemen die worden ervaren bij inning van opgekochte vorderingen.4 Dit raakt direct aan de problemen zoals die in de documentaire worden geadresseerd. Aanleiding voor het onderzoek is de motie-De Lange c.s. In de motie wordt de regering gevraagd onderzoek te doen naar de mogelijkheid voor een schuldenaar om opgekochte vorderingen door incassobureaus terug te kopen voor het bedrag waarvoor de vordering is overgenomen van de oorspronkelijke schuldeiser. Bij brief van 27 juni 2019, bent u over het onderzoek geïnformeerd.5 U ontvangt van het kabinet in oktober het rapport met een beleidsreactie.
Het kabinet wil de kwaliteit van incassodienstverlening – ook als het gaat om de inning van verkochte vorderingen – vergroten. Een kwalitatief betere dienstverlening komt schuldenaren en schuldeisers ten goede. De Minister voor Rechtsbescherming heeft een wetsvoorstel in voorbereiding om de kwaliteit van de incassodienstverlening te verhogen en excessen bij de incasso actief tegen te gaan. De maatregelen gaan ook gelden voor de opkopers die incassodiensten verlenen. De Minister voor Rechtsbescherming streeft ernaar het wetsvoorstel dit najaar in consultatie te doen.
Deelt u de mening dat «de liberalisering van deurwaarders niet goed heeft uitgepakt»? Wat onderneemt u tegen deurwaarders die regels overtreden, zoals het dreigen met beslaglegging?
Gerechtsdeurwaarders zijn gebonden aan strenge wet- en tuchtrechtgeving. Als er sprake is van misstanden of overtredingen kan worden opgetreden en dat gebeurt ook.
Bij brief van 15 juli 2019 heeft Uw Kamer van de Minister voor Rechtsbescherming het advies ontvangen van de Commissie herijking ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Commissie Oskam) over het stelsel voor herijking tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. Een inhoudelijke reactie op het rapport «Tussen Ambt en Markt» zal de Minister voor Rechtsbescherming u in de loop van dit najaar sturen.
Wat vindt u ervan dat mensen die zes maanden geen zorgpremie hebben betaald, 130 procent moeten gaan betalen? Denkt u dat deze verhoging het probleem gaat oplossen? Zo nee, wat onderneemt u hiertegen?
De wanbetalersregeling geldt voor alle mensen en de dreiging (met name de opslag van 20% op de gemiddelde nominale premie) die van de regeling uitgaat, voorkomt bij een deel van de verzekerden een betalingsachterstand of het zet hen aan om actie te ondernemen. Deze conclusie wordt ook genoemd in de laatste evaluatie van de wanbetalersregeling afkomstig uit 2011.6 Voor een deel van de verzekerden met een betalingsachterstand werkt deze prikkel niet. Vaak door bredere schuldenproblematiek.
De laatste jaren zijn maatregelen getroffen om de uitstroom te bevorderen, zoals het direct uitstromen uit de wanbetalersregeling na het aangaan van een betalingsregeling, een uitstroomregeling voor bijstandsgerechtigden en wanbetalers die onder bewind staan, een actievere rol en meer coulance vanuit zorgverzekeraars en het afschaffen van de eindafrekening bij het CAK met eventuele openstaande bestuursrechtelijke premie. Het aantal wanbetalers is gedaald van 325.000 eind 2014 naar 215.000 nu. Op dit moment wordt de wanbetalersregeling opnieuw geëvalueerd. Uw Kamer ontvangt het evaluatierapport aan het einde van dit jaar van de Minister voor Medische Zorg en Sport.
Hoe oordeelt u over de stichting ONSbank, die hulpverlening biedt aan jongeren met schulden?2
Ik wil graag zeggen dat ik de betrokkenheid en bevlogenheid van de mensen van ONSbank, die in de documentaire te zien waren, bewonderenswaardig vind. (Vrijwilligers)organisaties als ONSbank kunnen een mooie aanvulling zijn op de gemeentelijke hulpverlening. De gemeente gaat immers over de integrale schuldhulpverlening aan haar inwoners.
De documentaire laat verder zien dat er voldoende aandacht moet zijn voor dienst- en hulpverlening die rekening houdt met de omstandigheden van de jongere met schulden. Hulpverlening moet naast de problematische schuldsituatie ook gericht zijn op (duurzame) gedragsverandering. Wij dragen daar onder andere aan bij door de subsidies aan het programma Schouders Eronder en aan het SchuldenlabNL.
Is het juist dat «het merendeel van de mensen met schulden wel wil, maar niet kan betalen»? Indien dit juist is, deelt u de mening dat de werkwijze van schuldeisers (waaronder de overheid zelf) dan fundamenteel hervormd moet worden, aangezien teveel mensen nodeloos in problemen komen?
Ik zie dat er nog te veel mensen problematische schulden hebben, maar ook dat er grote stappen worden gezet met de Brede Schuldenaanpak over de hele breedte van de schuldenproblematiek.
Elke schuld kent ten minste twee perspectieven: dat van de schuldenaar en dat van de schuldeiser. Ik vind het belangrijk dat het uitgangspunt is dat mensen hun schuld terugbetalen. Op het moment dat iemand niet meer kan betalen, kan er met een schuldregeling of zo nodig met de wettelijke schuldsanering een oplossing worden gevonden.
De Minister voor Rechtsbescherming heeft onderzoek laten doen naar het gebruik van betaalprofielen in zowel de publieke als private sector. Dit onderzoek is op 7 oktober aan uw Kamer aangeboden.8 De onderzoekers constateren dat het breder inzetten van betaalprofielen een belangrijke stap is in zowel resultaatgericht als maatschappelijk verantwoord innen van uitstaande vorderingen. Met behulp van een betaalprofiel kan beter geïdentificeerd worden op welke wijze een schuldenaar bejegend kan worden, bijvoorbeeld door financiële problemen te identificeren en daarmee te voorkomen dat zijn schulden door de inning onnodig oplopen.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg over armoede- en schuldenbeleid op 10 oktober aanstaande?
Ja.
Voorwaardelijke toelating van Spinraza tot het basispakket |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op eerdere schriftelijke vragen antwoordde u dat u tijdens het zomerreces meer inspanningen zou doen voor de voorwaardelijke toelating van het medicijn Spinraza tot het basispakket en dat de Kamer een voortgangsbrief zou ontvangen; hoe staat het hiermee?1
Met deze beantwoording informeer ik u over de voortgang van voorbereiding van het voorwaardelijke toelatingstraject van Spinraza. Ik zal separaat ook nog een brief aan de Tweede Kamer sturen met onderstaande update.
Als de eerste behandeling uiterlijk in januari 2020 begint, wanneer start dan uiterlijk de laatste patiënt met de behandeling?
Het Zorginstituut heeft mij geadviseerd over de voorwaardelijke toelating van Spinraza. Zoals eerder gesteld zijn de inspanningen van alle partijen erop gericht om 1 januari 2020 voor de eerste patiënten de behandeling op te kunnen starten. Dat geldt enerzijds voor Biogen, behandelcentrum en patiëntenorganisatie als het gaat om het opzetten, opstarten, uitvoeren van de behandelingen en het onderzoek en anderzijds voor VWS en het Zorginstituut als het gaat om de tijdige besluitvorming over de voorwaardelijke toelating van Spinraza.
Uit het advies van het Zorginstituut blijkt dat op basis van input van de partijen rekening wordt gehouden met een inclusieperiode van twee jaar. Het UMC Utrecht heeft aangegeven dat zij zich afgelopen periode inclusief de zomer zeer heeft ingespannen om de zorglogistiek met betrekking tot de extra patiëntenstroom op orde te krijgen. Het is van belang dat het logistieke proces zorgvuldig wordt uitgedacht zodat de zorgkwaliteit van andere patiëntengroepen niet ten koste gaat van de grote toestroom aan patiënten.
Deelt u de mening dat het onverantwoord is als de start van de behandeling wordt vertraagd of uitgesteld door onderhandelingen tussen ziekenhuizen en zorgverzekeraars over de kosten?
Ik vind het van belang dat de behandeling van deze patiënten zo snel mogelijk start. Hiervoor is het noodzakelijk om ook de financiële zaken goed te regelen. Partijen (Biogen, UMC Utrecht, en de patiëntenorganisatie) werken op dit moment aan de uitwerking van het convenant dat zich momenteel in de afrondende fase bevindt en medio november zal worden voltooid. De afspraken die daar in gemaakt worden zullen dan nog wel moeten landen in inkoopcontracten met zorgverzekeraars. Voor het zorg inkooptraject met zorgverzekeraars worden echter geen belemmeringen voorzien, omdat de financiële middelen t.b.v. voorwaardelijke toelatingstrajecten zoals te doen gebruikelijk aanvullend aan het MSZ-kader worden toegevoegd. Daarnaast maak ik nog financiële afspraken met Biogen over de geneesmiddelkosten voor de gehele onderzoeksperiode.
Bent u bereid om hardere deadlines te stellen zodat patiënten eerder kunnen beginnen? Zo ja, wanneer zal uiterlijk de laatste patiënt beginnen met de behandeling? Zo nee, waarom niet?
Hierboven heb ik aangegeven dat genoemde partijen gezamenlijk inzetten op het stapsgewijs starten van de behandelingen, waarbij ik heb aangegeven dat de inspanningen van partijen erop zijn gericht om 1 januari 2020 behandelingen voor de eerste patiënten op te kunnen starten. Zo snel als mogelijk zullen ook de andere patiënten worden geïncludeerd binnen de behandelcapaciteit van het UMC Utrecht.
Wat is uw boodschap aan patiënten met spinale musculaire atrofie (SMA) en hun naasten die maanden in onzekerheid zitten over de start van de behandeling terwijl het lichaam langzamerhand achteruit gaat?
Ik begrijp dat het uitermate zwaar is voor patiënten om in deze onzekerheid te zitten. Daarom span ik mij samen met de partijen tot het uiterste in om behandeling vanaf de start van de voorwaardelijke toelating zo spoedig mogelijk voor alle patiënten beschikbaar te maken. Zodra het convenant is afgerond en Spinraza als definitieve kandidaat wordt aangedragen voor Voorwaardelijke Toelating zal ik u conform de standaardprocedure nader informeren.
Het Brexit-ultimatum van de Franse president en de Finse minister-president |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het Brexit-ultimatum dat de Franse president Macron en de Finse Minister-President Rinne op 18 september 2019 hebben gesteld aan de Britse premier?1
Het kabinet heeft kennis genomen van mediaberichten over uitspraken van de Finse Minister-President Rinne en de Franse president Macron waarin zij hun zorgen zouden hebben geuit over het uitblijven van concrete Britse voorstellen. De afgelopen periode hebben Europese leiders er steeds op gewezen dat er voldoende tijd nodig is om eventuele voorstellen te bestuderen vóór de Europese Raad in Artikel 50 samenstelling (ER Artikel op 17 of 18 oktober a.s. teneinde tijdig vóór 31 oktober een akkoord te kunnen bereiken. Het kabinet deelt deze zorgen over het krappe tijdpad in aanloop naar de ER Artikel 50. De Europese Unie en Nederland staan open voor oplossingen van de Britse regering voor de Ierse grens die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord. Het is aan het VK om realistische en concrete voorstellen te presenteren om de huidige impasse te doorbreken. Gezien het feit dat de ER Artikel 50 op 17 of 18 oktober bijeenkomt en de onderhandelingstermijn van Artikel 50 VEU op 31 oktober 2019 verloopt, is het van groot belang dat het VK dit tijdig en zo snel mogelijk doet.
Is deze deadline van 30 september 2019 afgestemd met de Europese Raad van regeringsleiders? Zo nee, namens wie is dit ultimatum dan precies gesteld? Zo ja, wanneer heeft de Europese Raad dit standpunt bepaald?
Er is noch door de ER Artikel 50, noch door de Europese Commissie een EU-standpunt over een deadline ingenomen, anders dan die van 31 oktober zoals vastgelegd in het verlengingsbesluit van de ER Artikel 50 van afgelopen april. Een andere deadline kan niet het gevolg zijn van mogelijke uitspraken van individuele Europese leiders. Tegelijkertijd is het gezien de beperkt beschikbare tijd tot 31 oktober 2019 van groot belang dat het VK tijdig en zo snel mogelijk concrete en realistische voorstellen presenteert die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Hoe verhoudt dit ultimatum zich tot de Nederlandse inzet dat een no deal-Brexit voorkomen moet worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 1. De inzet van het kabinet blijft onverminderd gericht op een ordelijk vertrek van het VK uit de EU met een terugtrekkingsakkoord. Het terugtrekkingsakkoord is de beste – en thans enige – manier om een ordelijk vertrek van het VK uit de EU te realiseren. Ook Nederland dringt er bij het VK op aan om zo snel mogelijk concrete en realistische voorstellen te presenteren die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Vindt u het, ten aanzien van een ordentelijke Brexit, een strategische zet van deze landen om met dit ultimatum de druk op te voeren op het Verenigd Koninkrijk?
Zie het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat het lijkt alsof regeringsleiders de eenheid van de EU27 doorbreken door dit ultimatum aan te kondigen in plaats van de Brexitonderhandelaar, de heer Michel Barnier?
De ER Artikel 50 heeft consistent zijn volledige steun uitgesproken voor de heer Barnier en zijn team. De eenheid van de EU27 duurt onverminderd voort. Zie het antwoord op vraag 1.
Vindt u het gestelde ultimatum van president Macron net zo «inflammatory» (opruiend) als de wijze waarop hij op de informele Europese Top in Salzburg, 20 september 2018 het Chequers-voorstel van Theresa May naar de prullenbak verwees?2 3
Zie het antwoord op vraag 1 en 5. De EU27 heeft steeds de noodzaak onderstreept van concrete en realistische voorstellen teneinde voor 31 oktober a.s. nog een akkoord te kunnen bereiken. Gezien de beperkt beschikbare tijd tot 31 oktober 2019 is het van groot belang dat het VK tijdig en zo snel mogelijk concrete en realistische voorstellen presenteert die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord.
Deelt u de mening dat het zonde is – als na jaren inzet en onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk om de Brexit ordentelijk te laten verlopen – dit toch eindigt in een no deal-Brexit? Zo ja, wat kunt u doen om dit te voorkomen? Zo neen, kunt u uw antwoord toelichten?
Een no deal Brexit zal nooit de keuze van de EU en Nederland zijn en de inzet van het kabinet blijft dan ook onverminderd gericht op een ordelijk vertrek van het VK uit de EU met een terugtrekkingsakkoord. Het is aan het VK om realistische en concrete voorstellen die verenigbaar zijn met het terugtrekkingsakkoord te presenteren om de huidige impasse te doorbreken. De EU27 zal zulke voorstellen, als ze komen, in serieuze overweging nemen.
Kunt u deze vragen voor 30 september te beantwoorden?
Ja.
Samenwerking tussen scheepsbouwer Damen en de Nederlandse staat naar aanleiding interne memo’s op het gebied van een corruptieaffaire bij Damen |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de conclusie dat Damen in strijd heeft gehandeld met Nederlandse anti-corruptievoorschriften nu duidelijk is dat het bedrijf zeker in veertien gevallen «onjuiste en onvolledige informatie» heeft verstrekt over miljoenenbetalingen aan buitenlandse tussenpersonen?1
Omdat er nog sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek kan ik daar geen verdere uitspraken over doen.
Is het juist dat u tot nu toe van oordeel was dat Damen nieuwe garanties van Atradius Dutch State Business (DSB) mag aanvragen? Zo nee, wat was uw beleid?
Nadat Damen door de Wereldbank voor achttien maanden werd uitgesloten van aanbestedingen heeft de Staat een aantal maatregelen genomen. Zo werd Damen uitgesloten van de mogelijkheid om gebruik te maken van OS-financiering gedurende de disbarment periode van de Wereldbank en werd de toegang van Damen tot de exportkredietverzekering (ekv) tijdelijk opgeschort. Parallel aan deze maatregelen heeft ADSB een zorgvuldig onderzoek uitgevoerd naar de ekv-portefeuille van Damen waarbij aanvullende informatie door Damen werd aangeleverd. Hieruit bleek Damen in veertien gevallen onvoldoende of onjuiste informatie te hebben gegeven met betrekking tot betaalde agentencommissies. De staat heeft op basis van deze aanvullende informatie de veertien gevallen opnieuw beoordeeld. Dit heeft bij tien van de veertien transacties geleid tot het treffen van maatregelen door het recht op schadevergoeding te laten vervallen. Voorts heeft Damen onder toezicht van de Wereldbank een verbeterprogramma op het terrein van compliance doorgevoerd. Er was onder meer gebleken dat het interne compliance beleid van Damen onvoldoende tot alle medewerkers was doorgedrongen. Inmiddels zijn de interne maatregelen van Damen aangescherpt. Er is onder meer een nieuwe gedragscode opgesteld en het eigen personeel is getraind in het herkennen van verdachte situaties. De Wereldbank heeft Damen vervolgens van de uitsluitingslijst van de Wereldbank afgehaald. Ook de staat heeft, na afronding van het onderzoek naar de ekv-portefeuille van Damen en het treffen van de genoemde maatregelen, Damen weer toegelaten tot de ekv, zij het onder een regime van verscherpt toezicht. Dat betekent dat Damen bij ekv aanvragen extra informatie moet aanleveren over de mogelijke betrokkenheid van derden.
Deelt u de mening dat het gaat om systematisch gedrag om tussenpersonen te begunstigen om zaken te bespoedigen? Zo nee, wat is dan uw analyse?
Zolang het strafrechtelijk onderzoek loopt kan ik hierover geen mening geven.
Herinnert u zich uw antwoord op mijn vragen van 12 juli 2019 waarbij u meldt dat corruptie strafbaar is voor de Nederlandse wet?2
Ja.
Kunt u de Kamer een actueel overzicht geven van het aantal opdrachten waarvoor Damen ingeschreven is en kunt u aangeven hoe u de thans aangevraagde kredieten door Damen beoordeelt in het licht van de vaststelling dat corruptie strafbaar is?
Op dit moment lopen er zesentachtig polissen voor Damen en/of haar financiers. Deze zijn allemaal terug te vinden op de website van ADSB. Zoals bij vraag twee is aangegeven moet Damen bij elke nieuwe transactie uitgebreide informatie aanleveren over de betrokkenheid van derden.
Deelt u de opvatting dat bij de aanbesteding voor nieuwe onderzeeboten ook ervaringen met malversaties en/of corruptie een rol van weging moeten spelen?
Een lopend strafrechtelijk onderzoek en vermoedens van fraude en omkoping zijn geen grond voor uitsluiting van een aanbesteding. In de aanbestedingsregelgeving is bepaald dat (pas) een onherroepelijke veroordeling voor een strafrechtelijk delict als fraude of omkoping die is uitgesproken in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen door een partij van het verzoek tot deelneming of de inschrijving aan een aanbesteding, in beginsel leidt tot uitsluiting van die partij van de aanbesteding. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk veroordeeld zijn voor bijvoorbeeld fraude of omkoping. Hoewel de aanbesteding van de nieuwe onderzeeboten plaatsvindt op basis van artikel 346 VWEU en dus de aanbestedingsregelgeving formeel niet van toepassing is, is er geen aanleiding van dit beginsel af te wijken.
Bent u bereid Damen uit te sluiten van staatsgaranties van Atradius DSB? Zo nee, waarom niet?
Daar zie ik geen aanleiding toe. Verder verwijs ik naar de maatregelen die ik heb getroffen, als beschreven in de antwoorden op de vragen twee en vijf, die ik afdoende acht.
Het bericht 'Minister Wiebes over compensatie NAM: 'Voelt heel verkeerd, maar moet wel'' |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister Wiebes over compensatie NAM: «Voelt heel verkeerd, maar moet wel»»?1
Ja.
Waar is het bedrag van 90 miljoen euro op gebaseerd dat nu wordt uitgekeerd aan Shell en Exxon? Klopt het dat dit bedrag niet definitief is? Zo ja, wat is het totale bedrag dat u wilt uitkeren aan deze twee bedrijven?
Voor de veiligheid van de Groningers heb ik de verantwoordelijkheid om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel als mogelijk af te bouwen. Ik heb uw Kamer op 10 september jl. geïnformeerd over aanvullende afspraken met Shell en ExxonMobil over een gewijzigde inzet van gasopslag Norg. Daarmee kan de gaswinning, met behoud van de leveringszekerheid, het huidige gasjaar 2019/20 al beperkt blijven tot minder dan 12 miljard Nm3 en is er uitzicht op nul vanaf medio 2022. Daarmee geef ik invulling aan de motie Yesilgöz-Zegerius c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 626).
Het gebruik van Norg voor de minimalisering van de Groningenproductie leidt wel tot extra kosten, onder meer door de inkoop van hoogcalorisch gas en de gewijzigde inzet van gasopslag Norg als buffer voor het geproduceerde pseudo-Groningengas.
Tegelijkertijd is er met deze versnelde daling van de gaswinning sprake van een structurele en materiële afwijking van het basispad van 29 maart 2018. Hierdoor vallen de opbrengsten van het Groningenveld voor alle partijen beduidend lager uit. Op basis van het Akkoord op Hoofdlijnen heb ik een inspanningsverplichting om dan in overleg te treden met de betrokken partijen om de balans van de afspraken opnieuw te bezien.
Een voorlopig bedrag van netto 90 miljoen euro verzekert de inzet van gasopslag Norg voor het gasjaar 2019/2020 en biedt tegelijkertijd alle partijen nog de ruimte om de komende tijd te benutten om in samenwerking met de Minister van Financiën en externe adviseurs de consequenties van de inzet van Norg en ook de overige effecten van het eerder beëindigen van de gaswinning in kaart te brengen. Het bedrag van 90 miljoen euro netto is dus niet definitief.
Zonder financiële afspraken met Shell en Exxon op zeer korte termijn achtte ik het te onzeker dat ik de winning voor komend gasjaar onder de 12 miljard Nm3 vast kon stellen en tegelijkertijd te zorgen voor de leveringszekerheid. Daarom sta ik voor deze afspraak.
Op welke juridische gronden maakt u dit bedrag over?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 heb ik in het interim- akkoord aanvullende afspraken gemaakt om de gaswinning versneld te beperken.
In het artikel stelt u niet aan betalingen te kunnen ontkomen en dat deze noodzakelijk zijn wegens bestaande contracten; bent u bereid uw analyse naar de Kamer te sturen zodat de Kamer uw juridische redenering kan controleren?
Zonder financiële afspraken met Shell en Exxon op zeer korte termijn achtte ik het onmogelijk om de winning voor komend gasjaar onder de 12 bcm vast te stellen en tegelijkertijd te zorgen voor de leveringszekerheid. Vanzelfsprekend heb ik voorafgaand en tijdens de gesprekken over het interim--akkoord (intern en extern) juridisch advies ingewonnen. Ik ben graag bereid om uw Kamer nader te informeren in een vertrouwelijke briefing. Ik hecht aan deze vertrouwelijkheid omdat openbaarmaking de onderhandelingspositie van de Staat richting de totstandkoming van de definitieve afspraken (een addendum bij het Akkoord op Hoofdlijnen) kan schaden.
Daarnaast zal ik de Kamer ook regelmatig en tijdig informeren over de voortgang van de gesprekken over de afbouw van de gaswinning met Shell en Exxon, zoals mij verzocht is in de motie Mulder c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 686).
Is het niet zeer gebruikelijk om contracten aan te passen indien omstandigheden veranderen, zeker wanneer deze omstandigheden veranderd zijn als direct gevolg van het contract, zoals het geval is bij de aardbevingsproblematiek in Groningen?
Hierbij ga ik ervan uit dat u doelt op het Akkoord op Hoofdlijnen dat op 25 juni 2018 is gesloten (Kamerstuk 33 529, nr. 493). De inspanningsverplichting uit het Akkoord op Hoofdlijnen voorziet in de mogelijkheid om bij gewijzigde omstandigheden opnieuw om tafel te gaan en afspraken indien nodig te herzien. Het kabinet houdt zich aan die gemaakte afspraken als betrouwbare contractpartij.
Zou behoud van het huidige contract niet volkomen onethisch zijn, in strijd met de goede zeden en in strijd met hetgeen maatschappelijk betamelijk is?
Het Akkoord op Hoofdlijnen bevat belangrijke elementen voor een goede en zorgvuldige afbouw van de gaswinning in Groningen. Zo regelt het Akkoord op Hoofdlijnen verstrekkende garanties voor de kosten van schadeherstel en versterking, waarborgen voor de financiële robuustheid van de NAM en afspraken om de NAM zo snel mogelijk op afstand van inhoudelijke keuzes rond schadevergoeding en versterking te plaatsen. Daarbij is toen eveneens geregeld dat Shell en ExxonMobil afzien van hun claim op het niet gewonnen gas in de grond. Alle partijen spannen zich zo gezamenlijk in om de versnelde afbouw van de gaswinning mogelijk te maken.
In hoeverre speelt overmacht een rol, temeer omdat de gaswinning is verminderd omdat de veiligheid van Groningers onvoldoende geborgd is? Welke rol spelen de vernietigingen door de Raad van State van uw gaswinningsvergunningen?
De vraag of hier sprake is van overmacht is in dit verband niet relevant. Voor de veiligheid is het nodig dat de winning zo snel mogelijk naar 12 miljard Nm³ gaat. Dit kan ik niet eigenstandig doen omdat het naar beneden brengen van de winning alleen mogelijk is door de inzet van Norg voor de opslag van pseudo-Groningengas. Om een versnelde verlaging van de gaswinning mogelijk te maken moest ik daarom aanvullende afspraken maken. Zonder deze afspraken kon ik de leveringszekerheid niet waarborgen. De Raad van State heeft in zijn uitspraak bevestigd dat met beide van deze twee belangen (snelle afbouw en leveringszekerheid) rekening moet worden gehouden. Dit is wat ik in het interim--akkoord gedaan heb.
Hoe kan het zijn dat private bedrijven rechten ontlenen en gecompenseerd moeten worden als de veiligheid van Groningers daardoor in gevaar wordt gebracht en schade wordt toegebracht?
Met de aanvullende afspraken die in het interim- akkoord zijn vastgelegd wordt de versnelde afbouw van de gaswinning mogelijk. Zie in dit verband ook mijn antwoord op de vragen 2 en 7.
Heeft u een beroep gedaan op het geweten en het morele besef van Exxon en Shell om zonder dure en tijdrovende procedures en zonder afkoopsom samen te werken aan verminderde gaswinning en duurzame oplossingen voor de problematiek in Groningen? Zeker nadat zij met het eerder gesloten Akkoord op Hoofdlijnen (de deal) al de hoofdprijs binnensleepten met de nieuwe winst- en kostenverdeling?
Het is mijn verantwoordelijkheid om de gaswinning zo snel als mogelijk te minimaliseren. Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven heb ik daarom ik aanvullende afspraken gemaakt in het interim--akkoord. Ik doe binnen de mogelijkheden en verantwoordelijkheden die ik heb een voortdurend beroep op alle partijen om de gaswinning zo snel mogelijk omlaag te brengen.
Het bericht ‘Discriminatie en wangedrag bij politie Den Haag’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Discriminatie en wangedrag bij politie Den Haag»?1
Ja.
Zijn de problemen die naar voren worden gebracht bij u bekend en kunt u ze bevestigen?
Ik voer regelmatig overleg met de korpschef over de ontwikkelingen binnen de politieorganisatie. In dat overleg komen ook onderwerpen als discriminatie, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag aan bod. Waar nodig informeert de korpschef mij over zaken.
De politieorganisatie is een grote organisatie met 65.000 medewerkers die er naar streeft een veilige en inclusieve werkomgeving te realiseren en te behouden. Incidenten komen helaas voor, net als in iedere andere organisatie. Voor de korpsleiding staat echter voorop dat ongewenst gedrag wordt onderzocht en aangepakt.
Berichtgeving over misstanden bij de politie hebben effect op politiemedewerkers en de legitimiteit van de organisatie. Onderwerpen als discriminatie, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag dienen dan ook doorlopend de aandacht te krijgen. Dat is ook de blijvende inzet van de korpschef. In mijn brief van 3 september jl. aan uw Kamer heb ik het beleid van de korpschef beschreven om een veilige, diverse en inclusieve werkomgeving te realiseren en behouden.2
Deelt u de mening dat agenten en andere medewerkers van de politie die niets te maken hebben met deze mistanden óók last ondervinden van dergelijke berichtgeving en dat dit schadelijk kan zijn voor de geloofwaardigheid van de organisatie?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is er ondanks signalen van discriminatie, overmatig gebruik van geweld en een verziekte cultuur niet ingegrepen door de leidinggevende(n) van het desbetreffende bureau? Heeft u de leidinggevende(n) hierover gesproken? Zo ja welke verklaring gaven zij hiervoor? Zo niet, bent u dat alsnog van plan?
De korpschef heeft mij bevestigd dat meldingen over grensoverschrijdend en ontoelaatbaar gedrag in de organisatie worden opgepakt. Zoals ik u in mijn brieven van 9 oktober jl. en 15 oktober jl. heb geschreven is door het bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten begin 2019 een (oriënterend en later disciplinair) onderzoek gestart naar aanleiding van de meldingen over vermeende misstanden binnen een team van de politie-eenheid Den Haag. Daarnaast hebben de team- en sectorleiding gesprekken gevoerd met de medewerkers en zijn medewerkers geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek en de reeds genomen stappen.
Ik wacht de uitkomsten van de eerder genoemde trajecten bij de politie (zie mijn brieven van 9 en 15 oktober jl.) af. Daarbij heb ik uw Kamer in het Algemeen Overleg van 10 oktober jl. toegezegd met de korpschef in gesprek te gaan over de inzet voor de totstandkoming van een cultuurverandering bij de politie, evenals de registratie en opvolging van interne klachten en meldingen.
Hoe verklaart u het dat hoewel door verschillende agenten de problemen intern zijn aangekaart, hier geen maatregelen en verbeteringen op hebben gevolgd?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre zijn deze problemen uniek? Zijn bij u vergelijkbare problemen bekend bij andere bureaus in Den Haag, dan wel bij andere bureaus in andere steden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er binnen de politie organisatie geen veilige plek lijkt te zijn om met deze problemen terecht te kunnen en waar deze serieus worden genomen? Wat vindt u daarvan? Welke rol speelt de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) hierin?
Nee, die mening deel ik niet. De politieorganisatie heeft verschillende mogelijkheden voor het bespreekbaar maken van signalen, zoals het vertrouwenswerk, de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten, het Landelijk Meldpunt Misstanden en programma’s als de Kracht van het Verschil. Ook besluit de politie binnenkort over de regeling klachten grensoverschrijdende omgangsvormen voor formele klachten over deze specifieke ervaringen. Deze klachten worden onderzocht door de klachtencommissie grensoverschrijdende omgangsvormen. De klachtencommissie wordt per klacht samengesteld en bestaat uit interne medewerkers en externe personen met passende expertise.
Om te voorkomen dat collega’s vastlopen in de organisatie wordt bovendien een ombudsfunctonaris aangesteld binnen de organisatie. Deze functionaris heeft directe toegang tot de korpsleiding en is een aanvulling op de reeds bestaande voorzieningen.
Hoe komt het dat zowel de klokkenluider als bronnen tegen de NOS melding doen van discriminatie, overmatig gebruik van geweld en een verziekte cultuur bij de politie, terwijl de politiechef van de desbetreffende eenheid aangeeft «zich niet te herkennen in de signalen» en er binnen de eenheid «niets onder het tapijt wordt geveegd»? Hoe verklaart u dit?
Zie antwoord vraag 4.
Welk verband ziet u tussen deze problemen en de problemen die door de klokkenluider in zijn brief worden aangekaart?
Ik neem aan dat u met uw vraag doelt op de open brief van de heer Boers aan de korpschef, die ik in afschrift heb ontvangen. Op deze brief heeft de korpschef gereageerd. Daarnaast heb ik mij door de korpschef laten informeren over de manier waarop de gesprekken met de heer Boers zijn verlopen. Vooralsnog zie ik geen aanleiding om persoonlijk met de heer Boers in gesprek te gaan.
Bent u bereid samen met de korpschef in gesprek te gaan met de agenten op het desbetreffende bureau om de problemen te bespreken en te kijken welke oplossingen nodig zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u persoonlijk contact met de klokkenluider gezocht naar aanleiding van zijn brief?2
Zie antwoord vraag 9.
Wat gaat u doen met zijn aanbevelingen en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
De adviezen die de heer Boers geeft in zijn open brief passen in het beleid dat de korpschef voert op diversiteit, inclusie en omgangsvormen, waarover ik uw Kamer in mijn brief van 3 september jl. geïnformeerd heb4. In mijn reguliere overleggen met de korpschef spreek ik regelmatig over de ontwikkelingen op dit gebied. Ook de signalen van de heer Boers zijn in mijn overleggen met de korpschef aan de orde geweest. Mijn streven is om u hier in het halfjaarbericht politie in het voorjaar van 2020 nader over te informeren.
Heeft u de problemen die in deze brief naar voren komen besproken met de korpschef? Zo nee, wanneer gaat u dit doen? Wanneer gaat u de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek en de actiepunten die er uit volgen?
Zie antwoord vraag 12.
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen van het lid den Boer (D66) van 5 september 2019?3
Ja.
Hoe verhouden uw antwoorden «Voor ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag zoals intimidatie, discriminatie en pesten is binnen de politie geen plaats. De ervaringen van politiemedewerkers over de afhandeling van signalen en meldingen van grensoverschrijdend gedrag neem ik zeer serieus.», «De korpsleiding heeft mij verzekerd dat iedere melding van grensoverschrijdend gedrag door de politieorganisatie serieus wordt genomen», «De korpschef heeft mij verzekerd dat de politieorganisatie iedere melding van grensoverschrijdend gedrag serieus neemt en aanpakt», «Leidinggevenden vervullen een centrale rol in het realiseren van een veilige en inclusief werkklimaat» zich tot de berichten zoals gemeld door de NOS waarin juist zeer zorgelijke problemen rondom discriminatie, overmatig gebruik van geweld en een verziekte cultuur naar voren komen, wat bovendien zeker niet voor het eerst is?
Ik ben er van overtuigd dat de korpsleiding iedere melding van ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag serieus neemt. Bovenop het bestaande beleid en de genomen maatregel om een ombudsfunctionaris aan te stellen, zie ik op dit moment geen noodzaak om aan te dringen op extra maatregelen. In de antwoorden op vraag 12 en 13 heb ik aangegeven uw Kamer nader te infomeren in het halfjaarbericht in het voorjaar van 2020.
Deelt u de mening dat het hoog tijd is deze problematiek echt serieus te gaan aanpakken en de daarvoor benodigde maatregelen te treffen? Aan welke maatregelen denkt u? Wanneer kan de Kamer de eerste maatregelen verwachten?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor aanvang van het algemeen overleg Politie op 10 oktober 2019?
Ja, zij het dat dit uiteindelijk niet haalbaar is gebleken.
De berichten ‘Trein stilgezet vanwege vrouw met nikab, politie geeft weer geen boete’ en ‘Conducteur aan schandpaal door nikabfans’ |
|
Erik Ziengs (VVD), Dennis Wiersma (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Trein stilgezet vanwege vrouw met nikab, politie geeft weer geen boete»1 en «Conducteur aan schandpaal door nikabfans»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het handelen van de NS en politie bij dit incident?
Het is goed dat er wordt gehandeld op basis van de inschatting van professionals ter plaatse. Afstemming tussen de NS en politie is belangrijk nu het om een bewegend voertuig met een dienstregeling gaat. Dagelijks vervoert NS meer dan één miljoen reizigers. Het handelen of gedrag van een individuele reiziger kan tot vertraging leiden. Dit varieert van verwarde personen, suïcides, onwel wordingen tot noodremtrekkingen, overlastplegers en aanhoudingen. Politie-ondersteuning bij de trein vindt dagelijks plaats. Hierover vindt regulier overleg plaats tussen NS en politie. Slechts van een enkel geval wordt in de media melding gemaakt. Bij alle gevallen van de inzet van politie wordt gehandeld op basis van de inschatting van de situatie door de professionals. Zie verder ook antwoord 3.
Deelt u de mening dat deze vrouw met nikab in overtreding was op grond van de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding en dat op overtreding een boete staat? Hoe kan het dan dat de vrouw de trein niet wilde verlaten en alleen een mogelijke boete in het vooruitzicht gesteld zag voor het overtreden van de wet ID (identificatieplicht)?
Het dragen van gezichtsbedekkende kleding in het openbaar vervoer is niet toegestaan. Het is aan de medewerkers ter plaatse om de situatie in te schatten en de betrokkene aan te spreken op de geconstateerde overtreding van het verbod. Het is aan politie en Openbaar Ministerie om te bepalen welk strafrechtelijk vervolg aan een overtreding wordt gegeven. Het kabinet staat pal voor de medewerkers, die in de praktijk een afweging moeten maken.
Bij dit voorval hebben de medewerkers van de NS op basis van de met uw kamer eerder besproken afspraken gehandeld en de politie ingeschakeld. De politie heeft in lijn met het beleid van het Openbaar Ministerie en het handelingskader van de politie de praktijksituatie mede vanuit het oogpunt van de-escalatie ingeschat en daar haar handelen op afgestemd. Op grond van dit handelingskader wordt bij de weigering om gezichtsbedekkende kleding af te doen of voertuig of instelling te verlaten, in principe een proces-verbaal gemaakt. Hier wordt ruimte gelaten voor de professional om een afweging te maken, handhaving is daarbij de norm. Op basis van de ervaringen tot dusverre betrof het een uitzonderlijke situatie. De afwegingen die zijn gemaakt moeten in die context worden gezien.
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de conducteur? Hoe beoordeelt u verder de afhandeling van het incident, waarbij de vrouw werd aangeboden om mee te lopen naar een wachtruimte om te wachten op een vrouwelijke agent en vervolgens de afweging is gemaakt om geen boete uit te delen? Is deze handelwijze conform de richtlijnen?
Zie de beantwoording van vraag 3.
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat nikabfans van de actiegroep «Tegen Boerkaverbod» middels videobeelden op sociale media een hetze zijn gestart tegen de conducteur?
Voorop staat dat iedereen elkaar met respect behandelt; dit geldt te meer bij het optreden door handhavers, of het nu om conducteurs, boa’s of politiemensen gaat. Juist zij dienen hun werk veilig te kunnen doen. Zoals tijdens het debat van 26 september jl. is aangegeven maakt het kabinet zich zorgen over dit soort acties. Een medewerker die zijn werk doet aanvallen op social media met (geknipte) videobeelden, gaat over de grens van wat behoorlijk is heen. De privacy en veiligheid van betrokkenen is hierbij in het geding. Het is onacceptabel dat de privacy en veiligheid van werknemers met een publieke taak worden geschonden. Net als de NS staat het kabinet achter de werknemers en staat veilige publieke dienstverlening voorop.
In het algemeen kan het doen van uitspraken die iemand zijn goede naam aantasten, worden gekwalificeerd als belediging. Indien iemand met opzet wordt beschuldigd van iets, dan kan dat als smaad of laster worden aangemerkt. Het is in dat geval aan het bedrijf of de betrokken medewerker om aangifte te doen bij de politie en vervolgens aan het Openbaar Ministerie om te besluiten of zij tot vervolging overgaan. Het is uiteindelijk aan de rechter te beslissen of er een, en zo ja welk, strafbaar feit er is gepleegd. Geweld en agressie tegen werknemers met een publieke taak is onacceptabel. Tussen de politie en het Openbaar Ministerie bestaan afspraken met betrekking tot de opsporing en de vervolging ten aanzien van verdachten die agressie en/of geweld tegen werknemers met een publieke taak hebben gepleegd (ELA-afspraken). Het met prioriteit afhandelen van dergelijke zaken, de verhoogde strafeis en het voeren van een lik-op-stuk beleid zijn voorbeelden van enkele afspraken die gemaakt zijn.
Deelt u de mening dat dit diep triest is en dat dit soort nikabfans, of wie dan ook, met hun poten moeten afblijven van een conducteur die gewoon zijn werk doet en de wet uitvoert? Welke acties zijn genomen om deze mensen tot de orde te roepen? Welke juridische consequenties kunnen verbonden worden aan de laffe daad van de nikabfan, waarbij een conducteur met naam en toenaam op het internet belachelijk wordt gemaakt? Welke rol kan de politie spelen tegen deze actiegroep?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om deze conducteur een hart onder de riem te steken? Op welke wijze wordt de conducteur ondersteund en geholpen tijdens deze vreselijke toestand? Wat kunt u doen om al die conducteurs die op deze manier schrik wordt ingeboezemd, te helpen de wet uit de voeren? Bent u bereid met de NS in gesprek te gaan over het verbeteren van de (politie-)ondersteuning op het perron?
Zie ook het antwoord op vraag 5 en 6. Voorop staat dat werknemers met een publieke taak in de uitoefening van hun werkzaamheden gevrijwaard moeten blijven van geweld en agressie. Het is onacceptabel dat een conducteur, die zijn werk doet en de wet toepast, op zo een manier behandeld wordt. De politie heeft zoals in de afspraken tussen het OV en de politie is aangegeven gereageerd op het verzoek om assistentie.
De NS heeft direct na het incident laten weten dat de situatie onterecht persoonlijk is gemaakt. Verder heeft de NS de oproep geplaatst om haar personeel, ook op social media, met rust te laten. De NS betreurt het dat de identiteit van de conducteur in de openbaarheid is gekomen. De NS zorgt voor de ondersteuning van haar personeel en heeft aandacht voor deze situaties. Zij laat weten verder niet specifiek op de situatie van de conducteur in te willen gaan. Het kunnen uitvoeren van de personeelsinstructie in het openbaar vervoer staat ook voor de NS voorop.
Tussen het openbaar vervoer en de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is contact over dit soort situaties.
Wanneer bij een voorval de politie gevraagd wordt te komen, gebeurt dit ook. Dit is besproken in overleggen met het openbaar vervoer. De wijze en snelheid van de inzet wordt daarbij afgestemd met het openbaar vervoersbedrijf op basis van de praktijkbehoefte. NS heeft laten weten dat de ondersteuning van en de samenwerking met de politie in overeenstemming is met de wensen van de NS als het gaat om ondersteuning bij incidenten.
Zijn er afgelopen tijd nog andere incidenten geweest, waarbij boerka-dragers in strijd met de wet met de trein hebben gereisd, dan wel zijn aangesproken, dan wel zijn gevraagd de trein te verlaten?
De NS heeft desgevraagd aangegeven dat er sinds de inwerkingtreding van 1 augustus 2019 geen andere voorvallen met mensen die gezichtsbedekkende kleding droegen, bekend zijn bij de NS.
Welke acties onderneemt u richting de politie en handhaving, om ervoor te zorgen dat er voldoende ondersteuning is voor professionals in het OV en een overtreding ook daadwerkelijk tot een boete leidt?
De gemaakte afspraken met het openbaar vervoer en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie en de politie voldoen volgens de betrokken partijen. Bij het optreden is dit ook gebleken: bij een vraag om ondersteuning komt de politie ter plaatse. Met de afspraken wordt op dit moment ervaring opgedaan. Over de ervaring met de afspraken is er dit najaar overleg geweest tussen OV-NL, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Justitie en Veiligheid – inclusief politie en het Openbaar Ministerie – en het ministerie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Het bericht dat Amerikaanse diplomaten samenwerken met conservatieve staten om seksuele en reproductieve rechten in te perken |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trump Administration steps up war on reproductive rights»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de regering Trump bezig is om een coalitie te vormen met sociaal ultraconservatieve regeringen, van Brazilië tot Saudi-Arabië, met als doel te proberen seksuele en reproductieve rechten in te perken? Zo ja, kunt u toelichten wat u van deze coalitie verwacht tijdens de VN-top later deze maand?
De groeiende regressieve druk op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), onder andere door het opbrengen van tekstvoorstellen tot afzwakken of schrappen van verwijzingen naar SRGR in VN-teksten, geeft reden tot grote zorg. Het betreft hier immers verworven rechten, essentieel voor duurzame ontwikkeling en de 2030 Agenda, en onderdeel van de BHOS-nota «Investeren in Perspectief». Inperking van deze rechten zou onder meer kunnen betekenen dat minder mensen (in plaats van meer) toegang krijgen tot essentiële gezondheidsdiensten en -middelen (zoals moeder- en kindzorg, anticonceptie en HIV-testen en -behandeling); ontwikkeling raakt hierdoor achterop.
Op 23 september, en marge van de VN High Level Meeting on Universal Health Coverage (UHC), presenteerde Alex Azar, Secretary of the United States Department of Health and Human Services, een verklaring namens negentien landen. In deze verklaring maken deze landen onder meer bezwaar tegen SRGR in VN-documenten omdat dit in hun visie onder meer de rol van het gezin zou ondermijnen en abortus zou promoten.
Tijdens de Wereldgezondheidsassemblee van 20–28 mei jongstleden in Genève uitten de VS bezwaren tegen verwijzing naar SRGR in de – toen nog – draft tekst van de Politieke Verklaring over UHC. De VS distantieerden zich van deze paragraaf maar lieten uiteindelijk de resolutie met de draft Politieke Verklaring ongemoeid.
Het is voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes van essentieel belang vast te houden aan internationale afspraken. Nederland ziet de rechten van vrouwen en meisjes als een graadmeter voor rechten in het algemeen. Als deze rechten onder druk komen, volgen andere rechten ook. Daarnaast is toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg ook van belang voor kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen waaronder de LHBTI-gemeenschap. In de Politieke Verklaring van de UHC staat nu een sterke SRGR-paragraaf (artikel 68). Nederland heeft daar actief aan bijgedragen, onder meer door deelname aan coalities van landen die hiervoor samen hebben geijverd (groep van 43 landen tijdens de Wereldgezondheidsassemblee).
Tijdens de UN High-Level Meeting on UHC tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York op 23 september jongstleden sprak ik een door 58 lidstaten ondersteunde verklaring uit over behoud van SRGR. In de verklaring werd benadrukt dat SRGR een integraal onderdeel is van UHC en de SDG’s, dat het investeren in SRGR heeft bewezen haalbaar, kosteneffectief en kostenbesparend te zijn en dat gender gerelateerde barrières voor toegang tot UHC en het investeren in Comprehensive Sexuality Education (CSE) in UHC meer aandacht behoeven. Deze boodschap werd gedurende gehele AVVN-week herhaald door KNL delegatieleden, zo ook door de Minister President van Aruba en de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking bij een SheDecides evenement op 23 september.
Tijdens de door Kenia, Denemarken en het VN Bevolkingsfonds (UNFPA) georganiseerde top in Nairobi ter ere van het 25-jarig bestaan van het Actieprogramma van de Internationale Bevolkingsconferentie (ICPD) presenteerde ik op 12 november jongstleden namens Nederland samen met ministers uit Zuid-Afrika en Finland een verklaring namens 55 landen waarin steun wordt uitgesproken voor de ICPD, SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid. Tijdens de Top, die door zo’n 9.500 afgevaardigden uit ruim 170 landen werd bijgewoond, werd duidelijk dat de overgrote meerderheid van landen genoemde thema’s steunt. Een door de VS gepresenteerde verklaring langs lijnen van de verklaring van negentien landen rond de UHC, kon rekenen op ondersteuning door tien landen.
Nederland blijft zich bilateraal en in EU- en VN-kader samen met gelijkgezinde landen inzetten voor SRGR en vrouwenrechten en behoud van bestaande afspraken op dit gebied o.a. door vast te houden naar verwijzingen naar SRGR in VN-teksten.
Is het u bekend dat de Verenigde Staten eenzelfde tactiek hanteerde tijdens een grote conferentie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die in mei heeft plaatsgevonden? Zo ja, heeft Nederland zich hier destijds tegen uitgesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Maakt u zich ook zorgen over de gevolgen van deze samenwerking tussen de Verenigde Staten en sociaal conservatieve landen op de toegang tot goede reproductieve en seksuele zorg voor miljoenen vrouwen en meisjes? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u met uw ambtsgenoot in de Verenigde Staten gesproken over seksuele en reproductieve rechten? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog op korte termijn te doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland zal het belang van SRGR en de Nederlandse zorgen terzake blijven benadrukken bij de geëigende Amerikaanse autoriteiten. En marge van de International Conference on Mental Health and Psycho-Social Support bracht Plaatsvervangend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking dit op bij de Deputy Assistant Administrator van het United States Agency for International Development (USAID).
Zal Nederland tijdens de VN-top later deze maand seksuele en reproductieve rechten actief verdedigen en zich uitspreken tegen de pogingen van de coalitie onder leiding van de Verenigde Staten om reproductieve en seksuele rechten in te perken? Zo ja, heeft u hierover contact met Nederlandse bondgenoten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Nederland heeft zich tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties actief ingespannen voor SRGR en behoud van bestaande internationale afspraken op dit gebied. Zo heeft Nederland mede namens 58 landen een verklaring gepresenteerd waarin deze landen het belang bepleiten van SRGR in Universal Health Coverage (UHC) speciaal voor vrouwen, meisjes, adolescenten en gemarginaliseerde groepen mensen. De Politieke Verklaring over UHC bevat nu een sterke SRGR-paragraaf conform de 2030 Agenda en de Sustainable Development Goals (SDG’s). Nederland blijft zich bilateraal en in EU- en VN-kader inzetten voor vrouwenrechten en SRGR en behoud van bestaande afspraken op dit gebied o.a. door vast te houden naar verwijzingen naar SRGR in VN teksten.
De integratie van XS4ALL door KPN en de gevolgen voor de keuzevrijheid |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat KPN de organisatie XS4ALL volledig laat verdwijnen, ondanks een negatief advies van de ondernemingsraad (OR) en mogelijk negatieve bedrijfseconomische gevolgen?1
Ja.
Kunt u aangeven welke gevolgen het verdwijnen van het merk XS4ALL heeft voor de keuzevrijheid en of er internetaanbieders zijn die dezelfde kwaliteit dienstverlening aanbieden? Bent u bereid de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te vragen hiernaar een marktanalyse uit te voeren?
Het staat marktpartijen in Nederland vrij om specifieke dienstverlening te ontwikkelen en in de markt te zetten. Zij kunnen zich voor de levering daarvan wenden tot de infrastructuur aanbieders om toegang tot hun netwerken te verkrijgen. Die toegang wordt gereguleerd en zoals u weet is mijn beleid erop gericht om die gereguleerde toegangsmogelijkheden te verruimen. Ik heb vanzelfsprekend geen oordeel over de onderscheidende kwalitatieve kenmerken van specifieke dienstverlening. Het oordeel daarover is aan de consument.
Deelt u de mening dat het negatieve advies van de OR slechts een formaliteit is en geen invloed zal hebben op de beslissing van de besturen van XS4ALL en KPN? Zo nee, kunt u voorbeelden noemen waarin een negatief advies van werknemers heeft geleid tot een ander besluit in de bestuurskamers?
Ik heb geen mening over hoe de besturen van XS4ALL en KPN het advies van de Ondernemingsraad wegen; dat is besluitvorming die in de betreffende bestuurskamers ligt. Daarbij heb ik er het volste vertrouwen in dat de wijze waarop we in Nederland deze ondernemingsrechtelijke bevoegdheden hebben belegd, bij de uiteindelijke besluitvorming adequaat worden meegewogen. Overigens blijkt uit recent onderzoek dat in ruim vier op de tien gevallen (42,6%) de Ondernemingskamer in het voordeel van de personeelsvertegenwoordiging oordeelt.2
Hoe vaak heeft een OR met succes beroep aangetekend bij de rechter en hiermee een strategische beslissing van deze aard tegengehouden?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden hebben huidige abonnees van XS4ALL om hetzelfde niveau van dienstverlening en privacybescherming te krijgen? Bestaan er wettelijke belemmeringen, bijvoorbeeld op het gebied van niet-concurrentiële bedingen, voor werknemers en abonnees van XS4ALL om een nieuwe provider op te richten die hetzelfde niveau biedt?
Als consumenten behoefte hebben aan specifieke dienstverlening, dan geeft dat kansen aan marktpartijen om bij het verdwijnen daarvan in het gat te springen. Er bestaan (gereguleerde) toegangsmogelijkheden voor nieuwe marktpartijen die diensten leveren via de telecomnetwerken. In hoeverre eventuele niet-concurrentiële bedingen van werknemers dat in de weg staan, kan ik in deze niet beoordelen. Deze arbeidscontractuele bepalingen zijn, binnen algemene wettelijke regels, een nadrukkelijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer.
Het bericht ‘Eigen strenge declaratieregels UU weer opzij’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit Utrecht het niet meer noodzakelijk acht businessvluchten voor bestuurders vooraf en schriftelijk goed te laten keuren?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de collegevoorzitter van de Universiteit Utrecht vorig jaar 8.604,94 euro declareerde vanwege het vliegen met businessclass? Bent u van mening dat dit proportioneel is?
De Inspectie van het Onderwijs heeft in haar specifiek onderzoek naar de bestuurskosten van de voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Utrecht ook de kosten voor buitenlandse dienstreizen onderzocht. Ik heb dit rapport op 12 september aan de Kamer gestuurd. De Inspectie schrijft: «De voorzitter heeft in 2018 een aantal buitenlandse dienstreizen afgelegd. Voor de vier bestemmingen binnen Europa is in de economy-klasse gevlogen of per 1e klasse trein gereisd. Voor de twee intercontinentale bestemmingen zijn businessclasstickets geboekt. Deze kosten zijn in lijn met de interne afspraken van de UU en de declaratieregeling van de VSNU. Achteraf zijn de kosten ook goedgekeurd door de RvT.»
De Inspectie heeft hierbij geconcludeerd dat de gemaakte kosten vallen binnen de vigerende reglementen en daarmee rechtmatig zijn. Daarnaast heeft zij geconcludeerd dat de uitgaven functioneel en voldoende sober zijn geweest.
Op basis van het onderzoek concludeer ik dat deze kosten proportioneel zijn geweest.
Acht u het noodzakelijk voor onderwijsbestuurders om met belastinggeld businessclass te vliegen?
Onderwijsbestuurders dragen verantwoordelijkheid voor sobere en doelmatige besteding van alle publieke middelen die hen ter beschikking staan. Dat geldt ook voor bestuurskosten. Daarom is in 2012 al bepaald dat zij transparant moeten zijn over de declaraties van bestuurders. In 2017 is dit verder uitgewerkt in door de toezichthouders en bestuurders gedragen landelijke regels voor de hogescholen en universiteiten, die afgeleid zijn van de regels voor de rijksoverheid. In de regeling die voor universiteiten geldt is vastgelegd dat de leden van colleges van bestuur voor intercontinentale vluchten gebruik mogen maken van businessclass. Overigens sluit deze regeling aan op de regels die binnen de rijksoverheid worden gehanteerd, waarbij businessclass mag worden gevlogen bij een vliegtijd van meer dan zes uur.
Ik acht reizen per businessclass niet per definitie noodzakelijk, maar kan mij voorstellen dat er situaties zijn waarin een businessclassreis een goede oplossing is. Bijvoorbeeld wanneer verwacht wordt dat de bestuurder direct aansluitend op de heen- en/of terugreis werkzaamheden verricht.
Wat zijn de beweegredenen dat het bestuur van de Universiteit Utrecht afziet van de in 2017 afgestemde declaratieregels? Is de medezeggenschap bij dit besluit betrokken en hebben zij met ruime meerderheid met dit besluit ingestemd?
Tot en met 2017 ontbrak het aan een helder landelijk kader voor businessclassreizen. De Universiteit Utrecht heeft destijds de regel gehanteerd dat de raad van toezicht vooraf businessclassreizen beoordeelde. Met ingang van 1 januari 2018 hanteren alle universiteiten die aangesloten zijn bij de VSNU (alle universiteiten behalve de levensbeschouwelijke universiteiten) de «Declaratieregeling CvB-leden Nederlandse universiteiten». In de ogen van de raad van toezicht van de Universiteit Utrecht biedt de formulering in deze declaratieregeling voldoende helderheid over wanneer businessclass is geoorloofd. De voorzitter van de raad van toezicht accordeert achteraf alle facturen voor reis- en andere kosten. Bespreking in de medezeggenschap is niet aan de orde, aangezien college en raad van toezicht zich conformeren aan de landelijke regeling en daar niet van af wijken.
Zijn er meer onderwijsbestuurders die de afgelopen twee jaar een businessclassvlucht hebben gedeclareerd?
De inspectie zal eind 2019 een thematisch onderzoek naar de declaratieregelingen in het hbo en wo uitvoeren. De opbrengst van dit onderzoek is een beeld van de naleving van de landelijke declaratieregelingen voor hogescholen en universiteiten. Hieruit zal blijken hoe er wordt omgegaan met businessclassvluchten door bestuurders van hogescholen en universiteiten.
Wat vindt u van de suggestie van de Inspectie van het Onderwijs dat er mogelijk wetgeving wenselijk is om hoog declaratiegedrag tegen te gaan?
De inspectie zal eind 2019 een thematisch onderzoek naar de declaratieregelingen in het hbo en wo uitvoeren. Zoals ik eerder heb aangegeven, zal ik naar aanleiding van dat onderzoek bezien of nadere regelgeving nodig en wenselijk is. Mij is daartoe op voorhand geen suggestie van de Inspectie van het Onderwijs bekend.
Kunt u bovenstaande vragen (uitgebreid) beantwoorden ruimschoots voor de begrotingsbehandeling van OCW?
Ja.
Een spoortunnel naar Ameland |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Voor Rijkswaterstaat is een spoortunnel naar Ameland een serieuze optie»?1
Ja.
Wat zijn de redenen voor Rijkswaterstaat om een spoortunnel naar Ameland te overwegen? Hoe serieus is deze optie? In hoeverre krijgen bewoners van Ameland, Noardeast-Fryslân, de Waddenvereniging en andere natuurorganisaties zeggenschap over de bereikbaarheid van Ameland?
In de brieven van 19 december 20162en van 2 oktober 20173 heb ik, als aanvulling op de maatregelen die voor de korte termijn zijn en worden genomen, aangekondigd een lange termijn visie op te stellen voor de bereikbaarheid van Ameland na 2029. Dit in lijn met het advies uit het Open Plan Proces (OPP).
Het proces om tot een lange termijn visie te komen voor de periode na 2029 is gestart met een inventarisatie waarbij allerhande ideeën, ongeacht de haalbaarheid, op tafel konden worden gelegd. Bij dit proces zijn Rijkswaterstaat, provincie Fryslân, gemeente Ameland en gemeente Noardeast-Fryslân betrokken. Daarnaast worden experts, bewoners en vertegenwoordigers van onder andere Wagenborg Passagiersdiensten, de Coalitie Wadden Natuurlijk, consumentenplatform Waddenveren, ondernemersplatform Ameland en dorpsbelangen betrokken via deelname aan een adviesgroep of via bewonersavonden.
Door de betrokken partijen wordt momenteel gewerkt aan een eerste uitwerking van een drietal denkrichtingen waarvan de in het artikel genoemde tunnelverbinding de meest extreme is. Een andere denkrichting is het optimaliseren van de bestaande verbinding en het splitsen van vervoerstromen door op het tij te gaan varen met grote schepen voor auto’s en vrachtverkeer en daarnaast het frequenter inzetten van minder diepliggende schepen voor alleen personenvervoer. In de laatste denkrichting wordt de vertreklocatie van de veerboot verplaatst naar een locatie waar de vaargeul beter zou kunnen aansluiten op de natuurlijke geulen in het waddensysteem
Eind 2019 wordt mij de eerste uitwerking van de genoemde denkrichtingen aangeboden. Hierbij ontvang ik ook een standpunt van de betrokken regionale partijen. Pas dan neem ik samen met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een besluit over welke oplossingsrichtingen verder onderzocht worden op onder meer de haalbaarheid. Hierover zal ik u begin 2020 informeren. Op basis van het vervolgonderzoek kan naar verwachting in 2024 door het Rijk en de regio een besluit worden genomen over een voorkeursscenario.
Deelt u de mening dat een spoortunnel door een beschermd natuurgebied, dat bovendien op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat, zeer onwenselijk is? Deelt u de mening van de Waddenvereniging dat de plannen «vergezocht en niet reëel» zijn?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 2 aangeef bevindt het proces zich pas in de pre-verkenningsfase. Eind 2019 zal ik mede op basis van het regionale standpunt samen met de Staatssecretaris beslissen over welke oplossingsrichtingen verder onderzocht gaan worden. Wanneer het proces in de fase komt dat concrete alternatieven getoetst gaan worden op o.a. haalbaarheid, dan zal hierbij zowel de status van werelderfgoed als die van Natura2000 gebied uiteraard een belangrijke rol spelen.
Bent u bekend met de wens vanuit de Wadden om het aantal auto’s en vrachtauto’s op de eilanden terug te dringen? Bent u daarom sowieso van plan om aan de slag te gaan met een extra aparte en snellere verbinding, naast de veerverbinding voor auto’s en vrachtauto’s, voor voetgangers en fietsers naar Ameland?
De mate waarin de eilanden auto’s en vrachtauto’s toestaan, is een verantwoordelijkheid van de gemeenten. De verbindingen naar de eilanden passen zich daarop aan. Ik zie op basis van de huidige vervoersstromen geen noodzaak om, naast de bestaande sneldienst, een extra aparte en snelle verbinding voor voetgangers en fietsers te realiseren.
Bent u bereid om, gezamenlijk met de Waddengemeenten, gemeenten op het vasteland en de provincie Friesland, een onderzoek te starten naar een andere manier van bagageafhandeling en openbaar vervoer naar de veerhavens? Zou het creëren van een transferium in Friesland, waar geparkeerd en bagage gelabeld kan worden, een optie hiervoor kunnen zijn?
Gezien de fase waarin het proces zich bevindt is een dergelijk onderzoek nu niet aan de orde. Wanneer t.z.t. voor een bepaalde oplossingsrichting voor de lange termijn wordt gekozen, dan kan dat effect hebben op de bagageafhandeling en het openbaar vervoer naar de veerhavens. In het vervolgonderzoek dient dan ook hiernaar verder onderzoek te worden gedaan.
Het bericht ‘Minister Dekker kan teloorgang sociale advocatuur niets schelen; NOvA blijft weg uit topberaad’ |
|
Michiel van Nispen (SP), Niels van den Berge (GL), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Nederlandse Orde van Advocaten verder overleg zinloos vindt?1
Ik ken het bericht van de NOvA waarin zij schrijven niet meer deel te nemen aan het topberaad. Ik betreur de beslissing van de NOvA om weg te blijven uit het topberaad en ik heb aangegeven dat mijn deur altijd open staat. Ik geloof dat voor het gezamenlijk vinden van oplossingen het noodzakelijk is om in gesprek te blijven. Ik heb de NOvA uitgenodigd om op korte termijn weer in gesprek te gaan.
Wat vindt u ervan dat het vertrouwen in een goede uitkomst tot een dieptepunt is gedaald?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe heeft het zover kunnen komen en wat gaat u eraan doen?
Kort voor Prinsjesdag heeft de NOvA een brandbrief gestuurd over de acute nood bij de sociale advocatuur met daarin het verzoek om 25–30 mln. aan extra middelen (in de periode 2020–2024). Nu er op Prinsjesdag geen extra geld beschikbaar is gesteld voor de rechtsbijstand heeft de NOvA aangekondigd niet langer aan het topberaad deel te nemen. Het feit dat er in de rijksbegroting voor 2020 geen extra geld beschikbaar komt, is in lijn met het regeerakkoord dat stelt dat het stelsel binnen het budgettaire kader wordt herzien. Dat is ook het uitgangspunt geweest bij het opstellen van het uitvoeringsplan dat met de inbreng van verschillende partijen, waaronder de NOvA, tot stand is gekomen.
De veranderopgave is omvangrijk en ik vind het van groot belang om aandacht te geven aan de verhoudingen met en relatie tussen betrokken partijen. Naar aanleiding van de motie van lid van Dam c.s. is hier extra in geïnvesteerd.2 Zo heb ik Bureau Gateway gevraagd een review uit te voeren om op voorhand te bekijken of aan de randvoorwaarden voor een goede start van de herziening is voldaan.3 Bureau Gateway heeft geconcludeerd dat een heldere governancestructuur nodig is. Naar aanleiding hiervan is de rol van het topberaad bepaald. De NOvA heeft vanaf de start deel uit gemaakt van het topberaad.
Ik betreur de beslissing van de NOvA om nu uit het topberaad te stappen en hoop dat de NOvA ingaat op mijn eerder genoemde uitnodiging om ook in dat verband weer met elkaar in gesprek te gaan. Ik geloof in de kracht van samenwerking om te komen tot een nieuw stelsel en betere vergoedingen voor de advocatuur.
Het bericht dat gemeente Utrechtse Heuvelrug de marinierskazerne wil omvormen tot een groen dorp |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «gemeente vraagt Kamer om handhaving besluit marinierskazerne»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de roep van mariniers om de marinierskazerne open te houden prevaleert boven de klimaatplannen van de gemeente? Zo nee, waarom niet?
Defensie en de gemeente Utrechtse Heuvelrug houden elkaar op de hoogte van (wijzigingen in) de wederzijdse plannen. Op verzoek van Defensie heeft het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) sinds 2014 contact met de gemeente Utrechtse Heuvelrug en de provincie Utrecht over de ontwikkeling van het terrein in Doorn na het beoogde vertrek van de mariniers. Op basis van een intentieovereenkomst heeft het RVB een planproces met de gemeente en betrokken partijen opgestart dat – na uitgebreide participatie – heeft geleid tot een concept-ontwikkelkader voor het terrein. Er is met de gemeente afgesproken dat de Van Braam Houckgeestkazerne na de verhuizing van de Mariniers wordt overgedragen aan het Rijksvastgoedbedrijf of aan de dan bekende nieuwe eigenaar na een openbare verkoopprocedure.
Zoals ik u heb geïnformeerd in mijn brief van 6 juni jl. (Kamerstuk 33 358, nr. 12) zijn de bouwvoorbereidende werkzaamheden in Vlissingen in overleg met het Rijksvastgoedbedrijf opnieuw opgeschort, dit keer met één jaar. Dat komt enerzijds doordat de besluitvorming over het advies van de Tijdelijke Reorganisatie Medezeggenschapscommissie (TRMC) en CZSK nog plaatsvindt en het gesprek met de TRMC over deze besluitvorming nog zal volgen en anderzijds doordat de toezegging om geen onomkeerbare stappen te nemen, staat. Hierop volgend heeft het RVB in samenspraak met de gemeente Utrechtse Heuvelrug en de provincie Utrecht de werkzaamheden in Doorn ook opgeschort. Uiteraard blijven we in overleg met elkaar.
Bent u bereid de oproep van de gemeente te negeren en verder overleg hierover te staken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de oproep van de gemeente het zoveelste bewijs is dat gemeentebesturen tekortschieten in de zorg en waardering voor militairen en veteranen?
Nee. De zorg, erkenning en waardering voor militairen en veteranen is een verantwoordelijkheid van zowel de rijksoverheid als de decentrale overheden. Betrokkenheid van gemeentebesturen uit zich bijvoorbeeld in het organiseren van herdenkingen en de steun voor inloophuizen. Dat waardeer ik zeer. Daarbij zijn er uiteraard verschillen tussen gemeenten. Op 11 september heeft er een bijeenkomst plaatsgevonden bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) waarbij de Minister van Defensie heeft gesproken met burgemeesters en wethouders om te bezien waar we elkaar kunnen versterken. U bent hierover separaat geïnformeerd in de brief Veteranen en de rol van gemeenten bij inloophuizen (d.d. 15 oktober jl.).
De UN Climate Action Summit van 23 september |
|
Bart Snels (GL), Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat banken en verzekeraars op grote schaal investeren in bedrijven die schaliegas en plastic produceren?1
Ik ben bekend met het artikel van de NRC over dit onderwerp.
Kent u de oproep van 450 organisaties aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om klimaatverandering, de escalerende problematiek rondom plastic soep als gevolg van fossiele energie en in het bijzonder schaliegas aan te pakken en hier op de UN Climate Action Summit van 23 september 2019 aandacht aan te besteden?
Ja, de open brief aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 18 september 2019 is mij bekend.
Kunt u zich tijdens en na de UN Climate Action Summit actief inspannen om klimaatverandering en de escalerende problematiek rondom plasticvervuiling in onder meer oceanen als gevolg van fossiele energiewinning, in het bijzonder de sterk toenemende productie van schaliegas, tegen te gaan?
Samen met een veelheid aan partners heeft het Nederlandse kabinet een ambitieus nationaal klimaatakkoord uitgewerkt, waarin vergaande maatregelen ter reductie van CO2-uitstoot worden genomen.
Het kabinet heeft de UN Climate Action Summit gebruikt om ook andere landen te stimuleren ambitieuzere klimaatmaatregelen te nemen en zal dit continueren in het kader van de ingezette klimaatdiplomatie (Kamerstuk 31 793, nr. 189). Nederland steunt de oproep van de SG VN om de ontwikkeling van duurzame energie te stimuleren en het gebruik van fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen, in lijn met de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs en de Sustainable-Development-Goals-agenda. Nederland zet hier zowel in multilateraal verband als ook in de bilaterale samenwerking met landen op in, onder andere via het mobiliseren van groene investeringen en het uitfaseren van publieke financiële steun aan de exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas. De Nederlandse regering heeft besloten geen opsporingsvergunningen meer te verstrekken voor schaliegas. Ten slotte spant Nederland zich in om de milieudruk van plastics te verminderen en de circulariteit van plastics te bevorderen, o.a. via het Plastic Pact NL, de beleidsintensivering van marien zwerfvuil in het Programma van Maatregelen van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (15 december 2015), het beleidsprogramma microplastics (Kamerstuk 30 872, nr. 219) en de aanpak voor plastic zwerfafval in de rivieren (Kamerstuk 30 872, nr. 222).
Kunt u zich inspannen om banken en verzekeraars te stimuleren om hun energiebeleid aan te scherpen en schaliegaswinning en productie van (single use) plastics te ontmoedigen, tegen te gaan of uit te sluiten van financiering? Kunt u het gesprek hierover aan gaan met banken en verzekeraars en/of hier bijvoorbeeld een seminar of rondetafelgesprek over organiseren waarbij banken en verzekeraars, overheid, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen worden uitgenodigd?
Het is een goede zaak wanneer verzekeraars, banken en andere financiële instellingen open zijn over de milieu en klimaateffecten van hun investeringen, zodat hun klanten een gefundeerde keuze kunnen maken. Voor wat betreft klimaateffecten, met het klimaatcommitment hebben de ondertekenaars afgesproken om met actieplannen te komen om bij te dragen aan het Klimaatakkoord van Parijs en zij zullen daarover ook rapporteren, te beginnen in 2020. Daarnaast is het Platform voor Duurzame Financiering onder het voorzitterschap van DNB opgericht om dergelijke punten te bespreken, Deelnemers van dit platform bestaan o.a. uit overheid en financiële instellingen. Binnen dit overleg zal dit onderwerp worden besproken.
De video 'CBR belt politie voor vechtpartij en nu gaan we de mail van de directeur platleggen' |
|
Rutger Schonis (D66), Wytske de Pater-Postma (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de video «CBR belt politie voor vechtpartij en nu gaan we de mail van de directeur platleggen»?1
Ja.
Herkent u het beeld van de YouTube uitzending, waarin te zien is dat er nog steeds veel jongeren met sterk uiteenlopende medische achtergronden zoals Asperger en ADD door het CBR gekeurd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, álle jongeren die examen doen moeten volgens de wetgeving door CBR beoordeeld worden; niet alleen of zij rijvaardig zijn, maar ook of zij rijgeschikt zijn. Alle examenkandidaten dienen volgens de huidige wetgeving voor de aanvraag van een rijbewijs een verklaring van geschiktheid te hebben en een theoriecertificaat. Examenkandidaten die alle vragen op de gezondheidsverklaring van het CBR met «nee» beantwoorden, krijgen direct van CBR bericht dat ze rijgeschikt zijn. Kandidaten die een aandoening hebben en/of medicatie gebruiken waardoor zij mogelijk niet veilig kunnen rijden, worden door CBR doorverwezen naar een keurend arts of keurend medisch specialist voor controle. CBR kan hen ook vragen een rijtest te doen, zodat beoordeeld kan worden of iemand voldoende rijgeschikt is.
Kunt u al iets toelichten over uw eerdere toezegging waarin u zegt kritisch te kijken naar de lijst met aandoeningen uit de Regeling eisen geschiktheid 2000, kunt u daar al iets over toelichten richting de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer van 10 september jl.2 heb ik aangegeven de Gezondheidsraad gevraagd te hebben mee te denken over de lijst van aandoeningen. Dit alles uiteraard binnen de kaders van de Europese regelgeving. De Gezondheidsraad beraadt zich momenteel op mijn verzoek.
Bent u bereid om compensatie te leveren voor de groep jongeren die, zoals de uitzending toont door de langere wachttijden op medische keuringen hogere kosten maken voor onder andere rijlessen?
Zoals aangegeven in het plenaire debat van 11 september jl. informeer ik u voor de begrotingsbehandeling nader over mijn onderzoek naar de mogelijkheden voor compensatie van gemaakte kosten.
Kunt u aangeven of personen geen rijexamen kunnen doen of het rijbewijs na volbrengen van het rijexamen niet kunnen aanvragen omdat ze te lang moeten wachten op de medische keuring?
Exacte cijfers heb ik niet. Maar gelet op de problematiek van de lange doorlooptijden bij het CBR is dit mogelijk. Het CBR adviseert kandidaten daarom om bij het behalen van het theoriecertificaat gezondheidsverklaring in te dienen. Het CBR heeft geen zicht op wanneer in het traject van praktijkopleiding kandidaten dit ook daadwerkelijk doen. Wanneer kandidaten halverwege de opleiding of later het proces starten kan het inderdaad zijn dat ze al klaar zijn voor het praktijkexamen maar nog geen verklaring van geschiktheid hebben. Ze kunnen dan nog geen examen doen. Mocht het theoriecertificaat dreigen te verlopen dan worden kandidaten wel met prioriteit geholpen door het CBR.
Kunt u aangeven wat de achterliggende reden is dat een theorie-examen maar één jaar geldig is?
Het theoriecertificaat is een jaar en zes maanden geldig. De achterliggende reden is dat men kan beginnen met rijles op 16,5 jaar en op dat moment ook een theorie-examen kan aanvragen. Vanaf 17 jaar is een praktijkexamen mogelijk in het kader van 2ToDrive. De geldigheidsduur is gebaseerd op een periode die acceptabel is om voldoende kennis te bezitten om een rijopleiding te volgen en een praktijkexamen af te leggen. Beide examens zouden idealiter kort na elkaar moeten plaatsvonden. Voor C en D rijbewijzen is het theoriecertificaat 2 jaar geldig vanwege een mogelijke langere opleidingstijd.
Hoe kijkt u er tegenaan om deze termijn van geldigheid van het theorie-examen te verlengen zodat met name jongeren die buiten de termijn van één jaar slagen voor het rij-examen geen extra kosten kwijt zijn aan het opnieuw moeten doen van het theorie-examen?
Ik vind het vervelend dat examenkandidaten lang moeten wachten op hun verklaring van geschiktheid. Zoals ik uw Kamer heb gemeld in mijn brief van 10 september jl. zal de invoering van de administratieve verlenging voor 75-plussers het CBR meer ruimte geven om de overige groepen – onder wie examenkandidaten – tijdig te helpen. Het CBR geeft in de bijgevoegde prognose aan dat de doorlooptijden van deze groepen 4 maanden na invoering van deze regeling bij benadering gehalveerd zullen zijn. Een verlenging van de geldigheidsduur is gelet op de kennis van de verkeersregels in relatie tot beginnende bestuurder niet wenselijk.
Bent u reeds in gesprek geweest met de Nederlandse Vereniging voor Autisme? Kunt u toelichten tot welke acties dit heeft geleid?
Met de Nederlandse Vereniging voor Autisme is begin oktober 2019 overleg geweest. Zij hebben hun zorgen o.a. over de werking van het huidige stelsel daarin naar voren gebracht. Deze worden meegenomen in de contacten met de Gezondheidsraad en in het onderzoek naar de stelselherziening die de SWOV uitvoert.