De garantstelling voor sprekers De Balie |
|
Bram van Ojik (GL), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een garantstelling eist voor Turkse en Sri Lankese gastsprekers bij Debatcentrum De Balie?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Ik ben met het bericht bekend. Ik kan evenwel niet op de individuele casus ingaan, ook om redenen van bescherming van persoonsgegevens. In algemene zin kan ik melden dat een aanvrager van een Schengenvisum voor kort verblijf op grond van EU-wetgeving – de zgn. Visumcode – over voldoende middelen moet beschikken voor de reis en het verblijf naar het Schengengebied. Dit kan ook worden ondervangen met een financiële garantstelling van de uitnodigende partij.
Wat is de reden om een garantstelling te verlangen? Herinnert u zich uw afdoening van de motie-Buitenweg2, waarin u heeft benadrukt dat een vrij maatschappelijk debat moet kunnen worden gevoerd en indien nodig beschermd? Zo ja, deelt u de mening dat een dergelijke garantstelling een vrij maatschappelijk debat hindert? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het bovenstaande antwoord mag blijken, is het niet vereist om een garantverklaring te overleggen als de visumaanvrager kan aantonen zelf de kosten voor de reis en het verblijf te kunnen voldoen in relatie tot de beoogde verblijfsduur. Het staat een persoon of organisatie in Nederland in alle gevallen vrij om zich al dan niet garant te stellen. De motie Buitenweg, die ziet op o.m. beveiliging van evenementen, vormt mijns inziens geen grondslag voor niet-nakoming van de EU-wetgeving op het gebied van Schengenvisa voor kort verblijf.
Bent u bereid af te zien van het stellen van een garantie-eis als het gaat om door debatcentra uitgenodigde opinievormers en activisten? Zo nee, waarom niet?
Het vereiste op grond van EU-wetgeving voor Schengenvisa voor kort verblijf – dat een visumaanvrager in zijn of haar reis- en verblijfskosten kan voorzien, eventueel aan de hand van een garantverklaring – staat los van de door u geschetste aard van het voorgenomen bezoek. Ook in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een persoon naar Nederland komt onder de voorwaarden van het Shelter City programma, wordt erop toegezien dat de reis, accommodatie en kosten voor levensonderhoud zijn geborgd.
Welke andere mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat de garantstelling een rol speelt bij de beslissingen van Debatcentrum De Balie (en eventuele andere centra) over welk maatschappelijk debat dringend gevoerd moet worden?
Hiervoor verwijs ik u naar de bovenstaande antwoorden.
Bemoeienis van het ministerie van Justitie en Veiligheid met het proces Wilders |
|
Michiel van Nispen (SP), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Op basis van welke wettelijke grondslag worden punten ten aanzien van mogelijk door de verdediging te voeren verweren «meegegeven» aan het openbaar ministerie (OM)?1
Welke punten met betrekking tot mogelijke verweren werden door de desbetreffende ambtenaar aan het OM «meegegeven»? Bent u bereid deze met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij ingaan op de redenen om verweren die blijkbaar door het OM niet waren opgenomen in het ambtsbericht niet met de Kamer te delen?
In hoeverre kan uit het ambtelijk «meedenken» over verweren worden afgeleid dat (ambtenaren van) het departement uitging(en) van vervolging, dan wel daar een voorkeur voor hadden?
Waarom is niet eerder aan de Kamer gemeld dat ambtenaren meedachten over de inhoud van een (eventuele) strafzaak? Hoe beoordeelt u dat? Deelt u de mening dat u op de hoogte had kunnen zijn van deze e-mailwisseling?
Hoe beoordeelt u dit «meedenken» in het licht van uw eerdere antwoord op Kamervragen dat u zich «als Minister van Justitie en Veiligheid niet [mengt] in de behandeling van individuele strafzaken»?
Hoe beoordeelt u dit «meedenken» in het licht van de onafhankelijke magistratelijke rol van het OM?
Wat is de reden dat ambtenaren van het departement een juridische analyse maken over het door het OM opgestelde ambtsbericht? Welke toegevoegde waarde heeft een dergelijke analyse? Bent u bereid deze analyse met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij ingaan op de redenen om de analyse die blijkbaar door het OM niet was opgenomen in het ambtsbericht niet met de kamer te delen?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1 tot en met 6. Voorts verwijs ik u naar mijn brief van 10 september jl. waarbij ik uw Kamer de documenten heb doen toekomen welke, ten behoeve van de procedure bij het Hof, door het OM aan mij zijn verzocht en welke zijn toegevoegd aan het strafdossier.
Het bericht dat de Coöperatie Laatste Wil een handleiding online heeft gezet waarmee het mogelijk is om een leven te beëindigen |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Coöperatie Laatste Wil (CLW) een handleiding online heeft gezet waarin namen worden genoemd van chemische stoffen waarmee het mogelijk is om een leven te beëindigen?1
Ja.
Wat is uw reactie op het plaatsen van een dergelijke handleiding door de CLW?
De inzet van dit kabinet is om het aantal suïcides terug te dringen. Daarnaast zijn chemische stoffen, waaronder middel X, niet bedoeld of geschikt om op een menswaardige wijze een einde aan het leven te maken. Ik acht het dan ook zeer onwenselijk dat een dergelijke handleiding verspreid wordt en maak me zorgen over de gevolgen daarvan.
Deelt u de mening dat het naïef is van de CLW om te veronderstellen dat een dergelijke handleiding niet buiten de kring van de eigen leden bekend zal worden, en dat daarom te verwachten is dat kennis van het «middel X» ook breder verspreid zal worden?
Het is allerminst uitgesloten dat een dergelijke handleiding verder zal worden verspreid.
Bent u bereid om met de CLW in gesprek te gaan om hen ervan te doordringen hoe ongewenst het verspreiden van een dergelijke handleiding is?
De CLW treedt op als belangenbehartiger voor de groep mensen die regie willen voeren over hun levenseinde. Zoals eerder aangegeven in brieven aan uw Kamer en de beantwoording van Kamervragen, maakt het kabinet zich zorgen over de wijze waarop de CLW dit doet. In eerdere gesprekken tussen medewerkers van het Ministerie van VWS en de CLW is het standpunt van het kabinet reeds helder overgebracht. De CLW lijkt echter gemotiveerd om voor het bereiken van haar doelstelling de grenzen van de wet op te zoeken.
Bent u van mening dat het plaatsen van deze handleiding mogelijkerwijs als een overtreding van artikel 294 Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd zou kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Een ieder die een ander behulpzaam is bij zelfdoding is strafbaar. Dit staat in artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de jurisprudentie wordt aangenomen dat daarvoor meer nodig is dan het verschaffen van algemene informatie. Het geven van gerichte instructies om zelfdoding te vergemakkelijken is wel strafbaar. Of er sprake is van hulp bij zelfdoding hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Het is aan het Openbaar Ministerie (hierna: OM) om te beslissen een eventueel onderzoek in gang te zetten naar de vraag in hoeverre sprake is van strafbare handelingen. De weging en waardering van deze omstandigheden is aan de rechter.
Herinnert u zich dat de regering in een eerdere instantie een nadere analyse heeft laten uitvoeren naar het handelen van de CLW, omdat dit handelen mogelijk strafbaar zou zijn?2
Het is niet de regering die een nadere analyse naar het handelen van de CLW heeft laten uitvoeren. Het OM heeft de CLW gevolgd sinds september 2017 toen bekend werd dat ze een zelfdodingsmiddel, aangeduid als middel X, ter beschikking wilde stellen aan haar leden. Toen in maart 2018 bekend werd dat inkopers het middel daadwerkelijk zouden gaan bestellen, is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart. Het OM heeft de ontwikkelingen een periode gemonitord en geconcludeerd dat in die periode niet is gebleken dat de CLW zich schuldig heeft gemaakt aan hulp bij zelfdoding of dat er anderszins sprake was van strafbare feiten. Het OM heeft in juli 2018 besloten het onderzoek te sluiten.
Bent u bereid het College van Procureurs-Generaal te verzoeken om opnieuw te verkennen of er aanknopingspunten zijn voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek naar het handelen van de CLW? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft laten weten bekend te zijn met de recente ontwikkelingen. Het OM maakt een eigenstandige, onafhankelijke afweging over het al dan niet starten van een strafrechtelijk onderzoek. Over de uitkomst van deze afweging in de onderhavige kwestie zal mijn ambtgenoot van Justitie en Veiligheid uw Kamer informeren wanneer het OM hierin een afweging heeft gemaakt. Dat is nu nog niet het geval.
Het afbranden van monument Haarendael |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Enorme brand verandert historisch landgoed Haarendael in ruïne: oorzaak nog onbekend?1
Ja.
Deelt u de zorg dat er een grote brand was bij een landgoed met zo’n grote historische betekenis?
Ja, die zorgen deel ik. Het complex Haarendaal is van betekenis als onderdeel van ons cultureel erfgoed en om die reden zijn verschillende delen van dit complex aangewezen als rijksmonument.
Kunt u enig inzicht bieden in de oorzaak van de brand? Zo nee, bent u bereid daarover in contact te treden met het bestuur van de provincie en de gemeente?
Onderzoek van de politie en de brandweer zal moeten uitwijzen wat de oorzaak van brand is. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft contact met de gemeente Haaren en de Provincie Noord-Brabant. De RCE heeft daags na de brand het pand bezocht samen met een ambtenaar van de gemeente Haaren. Op maandag 9 september zijn bouwkundige specialisten van de dienst opnieuw ter plekke geweest met een ambtenaar van de gemeente. De RCE zal de betrokken partijen ondersteunen met (specialistische) kennis en expertise bij het vervolg.
Klopt het dat de eigenaar van het historische monument geen doeltreffende maatregelen heeft genomen om het te beschermen? Deelt u de mening dat dit wel had gemoeten?
Het pand stond leeg. Navraag bij de gemeente Haaren, het bevoegd gezag in dezen, heeft geleerd dat de eigenaar in gesprek was met de gemeente over een nieuwe bestemming en anti-kraak bewoning. Inmiddels is een vergunning verleend voor anti-kraakbewoning in enkele van de omliggende gebouwen.
In het algemeen adviseert de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bij leegstand van monumentale gebouwen om maatregelen te nemen. Dit gebeurt bij voorkeur in de vorm van anti-kraakbewoning of anders in de vorm van bijvoorbeeld bewaking en het afsluiten van een terrein met hekken. Het voordeel van anti-kraakbewoning is dat deze preventief werkt tegen vandalisme en omdat de anti-kraakwachten ook lekkages of andere bouwkundige gebreken die vervolgschade veroorzaken kunnen signaleren.
Kent u het bericht «Op de barricaden voor landgoed Haarendael»?2
Ja.
Klopt het dat al lange tijd geen onderhoud is gepleegd? Is het mogelijk dat de brand mede hierdoor heeft kunnen ontstaan?
Ja, er is lange tijd geen onderhoud aan het pand gepleegd. Technisch onderzoek naar de oorzaak van de brand wordt nog uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zullen moeten worden afgewacht.
Kunt u reageren op de berichtgeving dat het onderhoud niet is gepleegd om de prijs te laten dalen?
Ik beschik niet over feiten die aanleiding geven dit te veronderstellen.
Deelt u de mening dat monumentaal erfgoed belangrijk is voor gemeenschappen en het karakter van een regio en vindt u ook dat het onwenselijk is als langdurig geen onderhoud wordt gepleegd aan historische monumenten?
De betekenis van erfgoed voor onze samenleving is evident. Het is niet voor niets de ondertitel van de beleidsbrief Erfgoed Telt.
Het langdurig onthouden van onderhoud aan een monument kan leiden tot ernstige schade, verlies van monumentale waarden en steeds hogere herstelkosten. Dit alles is onwenselijk. De beste manier om erfgoed in stand te houden is regelmatig onderhoud en passend gebruik. De wet- en regelgeving en de subsidieregelingen voor instandhouding van monumenten beogen daarom ook juist het stimuleren van regelmatig onderhoud en passend gebruik.
Het bericht ‘Deelautoproject botst op taaie Woningwet’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Deelautoproject botst op taaie Woningwet» (2 september 2019, De Limburger)?
Ja.
Deelt u de mening dat duurzame initiatieven, zoals dit deelautoproject, gestimuleerd moeten worden door de overheid? Zo ja, op welke wijze steunt u dergelijke energieprojecten met veel maatschappelijke voordelen? Zo nee, waarom niet?
Er wordt in Nederland op verscheidene plaatsen geëxperimenteerd met elektrische deelauto’s waarbij de accu’s met behulp van slimme laadinfrastructuur helpen bij het balanceren van het elektriciteitsnetwerk. Het project DeeldeZon is hier een mooi voorbeeld van. Het kabinet juicht dergelijke initiatieven toe omdat ze bijdragen aan het verduurzamen van mobiliteit en de energievoorziening, zoals afgesproken in het klimaatakkoord. Elektrisch autodelen kan een belangrijke versneller zijn voor de introductie van elektrisch autorijden en draagt daarnaast bij aan de verbetering van de luchtkwaliteit en de vermindering van ruimtedruk. Om de opgedane ervaringen bijeen te brengen en te verspreiden heeft het rijk samen met het bedrijfsleven en gemeenten in 2018 de Citydeal Elektrische Deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling ondertekend. Ook worden belemmeringen uit de praktijk in kaart gebracht waar vervolgens een oplossing voor wordt gezocht om zo projecten zoals DeeldeZon te stimuleren en te faciliteren.
Daarnaast worden innovatieve toepassingen van elektrisch vervoer gecombineerd met een slimme laadinfrastructuur die meerwaarde kan bieden voor het energiesysteem ondersteund via subsidies vanuit de Topsector energie- en de regeling Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatieregeling.
Erkent u dat de huidige regels in de Woningwet de ontwikkeling van dit deelautoproject en samenwerking met woningbouwcorporaties kan belemmeren? Zo ja, waar knellen de regels nu? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit woningcorporaties oordeelt over specifieke casuïstiek maar in algemene zin kan ik stellen dat de Woningwet de mogelijkheid biedt voor woningcorporaties om samen te werken met partijen die dergelijke initiatieven willen aanbieden. Uitgangspunt daarbij is dat een woningcorporatie activiteiten onderneemt op het gebied van de volkshuisvesting. Het is corporaties toegestaan om zonnepanelen op daken van haar gebouwen te plaatsen en de opgewekte stroom aan de bewoners te leveren.
Ook staat de Woningwet corporaties toe om door middel van een recht van opstal daken in gebruik te geven aan derden. Zo kunnen er zonnepanelen op een dak worden gelegd waarvan de stroom wordt gebruikt voor bijvoorbeeld laadpalen van een derde aanbieder. Als de corporatie deelnemer is van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW), dan heeft de corporatie doorgaans vooraf goedkeuring nodig van het WSW voor het geven van een recht van opstal. Dit goedkeuringsvereiste vloeit voort uit privaatrechtelijke afspraken tussen woningcorporaties en het WSW.
Bent u bereid om de regels zo nodig aan te passen zodat woningbouwcorporaties overtollige zonnestroom naar deelauto’s mogen sturen en deelauto’s op hun beurt terug aan de huurwoningen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en welke termijn?
In februari heb ik naar aanleiding van de evaluatie van de Woningwet mijn beleidsvoornemens naar de Kamer gestuurd.1 Daarin is aangekondigd dat corporaties dezelfde verduurzamingsmogelijkheden van gebouwen krijgen als andere vastgoedeigenaren, zolang de activiteiten verband houden met de volkshuisvestelijke kerntaken van de corporatie. Activiteiten die primair gericht zijn op het enkel leveren en/of produceren van energie aan derden vallen daar buiten. Er is geen voornemen om het werkdomein van corporaties op te rekken naar het primair leveren energiediensten aan derden. Daarmee zouden woningcorporaties een taak als energieleverancier c.q. -producent krijgen. Daar zijn andere partijen in gespecialiseerd. Deze partijen zijn beter in staat om de risico’s die samenhangen met dergelijke initiatieven in te schatten en te beheersen. Ook zouden corporaties dan met staatssteun (geborgde financiering) die zij ontvangen ten behoeve van volkshuisvestelijke taken als energieproducent in concurrentie treden met reguliere energiepartijen. Wel ben ik bereid om bij de uitwerking van het beleidsvoornemen te bezien hoe de mogelijkheden voor corporaties om met dergelijk initiatieven samen te werken verder kunnen worden vergroot, binnen de grenzen van staatssteun en adequate risicobeheersing voor het maatschappelijk vermogen van corporaties.
Bent u in gesprek met woningbouwcorporaties om dergelijke duurzame innovaties waarmee de energierekening voor sociale huurders omlaag gebracht kan worden, verder te verkennen? Zo nee, waarom niet?
Corporaties spelen een belangrijke rol in de noodzakelijke verduurzaming van de gebouwde omgeving. Door het isoleren van hun woningen en het plaatsen van zonnepanelen krijgen huurders een lagere energierekening en dragen corporaties bij aan zowel de verduurzaming als aan lagere energielasten van de huurder. Met de sector ben ik gesprek om te bezien hoe corporaties hier zo goed mogelijk invulling aan kunnen geven. Uitgangspunt is dat corporaties een bijdrage kunnen leveren aan de verduurzaming vanuit hun volkshuisvestelijke taak. Corporaties kunnen hun gebouwen en daken ook ter beschikking stellen, bijvoorbeeld met een recht van opstal, waarbij de corporatie een vergoeding krijgt van de partij die de energiedienst voor eigen rekening en risico levert. Op deze manier kan de corporatie bijdragen aan het totstandkomen van diensten die buiten het domein van de volkshuisvesting zijn, waarbij de risico’s bij de partij liggen die deze het beste kan dragen.
Op welke wijze ondersteunt u de ontwikkeling van elektrische (deel) auto’s?
Zoals gesteld bij vraag 2, ondersteunt het Rijk het gebruik van elektrische deelauto’s via de Citydeal Elektrische deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling. Ook via de Greendeal autodelen 2 wordt het gebruik van elektrische deelauto’s gestimuleerd. Vooral voor mensen die zich geen elektrische auto kunnen veroorloven is de elektrische deelauto een uitkomst vanwege de (aanzienlijk) lagere kosten in gebruik in vergelijk met het aanschaffen van een eigen elektrische auto. Het doel van de greendeal autodelen is 100.000 deelauto’s in Nederland en 700.000 deelautogebruikers tegen het eind van 2021.
In het Klimaatakkoord zijn voor de sector mobiliteit een breed pakket aan afspraken opgenomen ter ondersteuning van de transitie naar elektrisch vervoer. Binnen dat pakket zijn met gemeenten, provincies, brancheorganisaties en het bedrijfsleven specifieke maatregelen overeengekomen om elektrische deelauto’s te stimuleren, zoals afspraken over aanduiding, gebruik van bedrijfsauto’s door burgers buiten kantooruren en een campagne.
Bent u verdere initiatieven aan het verkennen dan wel ondersteunen, waarbij accu’s van elektrische auto’s kunnen functioneren als energieopslag? Zo ja, kunt u de ontwikkelingen daarin toelichten? Zo nee, waarom niet?
Naast de genoemde initiatieven in de antwoorden op vraag 2 is besloten om 5 miljoen euro uit de Klimaatenvelop 2019 te besteden aan de realisatie van «slimme laadpleinen» voor elektrische auto’s. Dit jaar starten in diverse gemeenten in Nederland in totaal 45 projecten voor laadpleinen waar slim wordt omgegaan met de beschikbare netcapaciteit en groene stroom en waarbij het terug leveren van stroom aan het elektriciteitsnet mogelijk is (vehicle-to-grid, V2G). De elektrische auto wordt zo benut om nog meer CO2 te besparen en investeringen in netcapaciteit te reduceren.
In deze projecten zullen gemeenten, laadpuntexploitanten, netbeheerders en kenniscentra samenwerken aan de doorontwikkeling van slimme laadconcepten, V2G-technieken en gebruikerstoepassingen. In meerdere projecten wordt de koppeling met deelauto’s en duurzaam opgewekte energie gelegd. De lessen uit de projecten zullen breed worden verspreid ter bevordering van de markt voor slimme laadinfrastructuur.
Het bericht dat straaljagers van Defensie zonder vergunning boven het Wad vliegen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Botsende belangen boven het beschermde wad: Defensie vliegt er al jaren zonder natuurvergunning?»1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat er, ondanks toezeggingen door uw ambtsvoorgangers, nog altijd zonder natuurvergunning met straaljagers boven het Wad gevlogen wordt?
De vergunningaanvragen betreffen verschillende categorieën van militaire vliegactiviteiten en een variëteit aan beschermde Natura 2000-gebieden. Omdat regulier militair vliegverkeer op basis van de Wet luchtvaart is gebonden aan een minimum vlieghoogte (zie ook het antwoord op vraag 4) en van het laagvliegen door helikopters de meest verstorende effecten werden verwacht, is destijds besloten eerst voor het laagvliegen door helikopters een vergunning aan te vragen. Die vergunning is in 2012 door de Staatssecretaris van Economische Zaken verleend aan de Minister van Defensie (Kamerstuk 33 400 X, nr. 6). Na een bezwaar- en beroepsprocedure is het vergunningtraject voor de helikopterlaagvlieggebieden met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak voltooid op 17 september 2014.
Na de voltooiing van deze vergunningprocedure voor de helikopterlaagvlieggebieden kon worden aangevangen met de vergunningaanvraag voor de overige militaire vliegactiviteiten boven of nabij Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder die voor de militaire vliegactiviteiten boven of nabij het Natura 2000-gebied de Waddenzee. Deze vergunningaanvraag is momenteel in voorbereiding. In maart 2018 is door het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een, in opdracht van het Ministerie van Defensie opgestelde, voortoets voor verschillende categorieën militaire vliegactiviteiten akkoord bevonden. Het Ministerie van Defensie heeft op basis van de uitkomsten van deze voortoets aan een onderzoeksbureau opdracht gegeven om vervolgonderzoek uit te voeren. Met de uitkomsten van deze effectenanalyse vraagt het Ministerie van Defensie in het eerste kwartaal van 2020 voor de verschillende activiteiten een vergunning aan bij het Ministerie van LNV.
Kunt u aangeven om hoeveel vlieguren en om welke gebieden het precies gaat? Kunt u ook aangeven op welke hoogte gevlogen wordt?
De overlast voor mens en natuur wordt zoveel mogelijk beperkt door hier in de naderingsroutes en de vlieghoogte rekening mee te houden. De oefenlocatie De Vliehors wordt bijvoorbeeld zoveel mogelijk via de Noordzee benaderd, wat de overlast verminderd. Bovendien is, nadat de omgeving hierover contact had opgenomen met Defensie, de vliegroute boven Ameland aangepast (zie ook het antwoord op vraag 7). De minimum vlieghoogte (Wet Luchtvaart) in Nederland bedraagt 1.200 voet (ongeveer 365 meter) voor jachtvliegtuigen. Boven de Waddenzee is de vlieghoogte hoger, namelijk 1.500 voet (ongeveer 450 meter). Deze vlieghoogte komt overeen met de minimum vlieghoogte boven de Waddenzee voor civiel luchtverkeer. In het Natura 2000-beheerplan Waddenzee 2016–2022 wordt geconcludeerd dat de reguliere luchtvaart, die boven de gestelde minimum vlieghoogte blijft, geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen. In een door een onderzoeksbureau uitgevoerde voortoets voor verschillende categorieën militaire vliegactiviteiten is geconcludeerd dat voor militaire vliegactiviteiten op reguliere vlieghoogten geen verdere beoordeling en daarmee geen vergunningaanvraag nodig is. Het lopende onderzoek naar effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, dat ten grondslag zal liggen aan de bij onder vraag 2 genoemde vergunningaanvraag voor de militaire vliegactiviteiten, moet uitwijzen of aanvullende maatregelen nodig zijn in die delen van het luchtruim waar op lagere hoogten wordt gevlogen, bijvoorbeeld in naderingsgebieden van de militaire luchthavens, schietrange De Vliehors, of helikopterlandingsplaatsen.
Voor de militaire vliegactiviteiten die momenteel in het vervolgonderzoek zijn betrokken, gaat het om eenenvijftig verschillende Natura 2000-gebieden. Het aantal vlieguren en de vlieghoogten boven deze gebieden zijn per militaire vliegactiviteit gedocumenteerd en worden betrokken in het onderzoek. Het ontwerpbesluit op de aanvraag zal met toepassing van de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage worden gelegd, waardoor een ieder een zienswijze kan geven op het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, waaronder de onderzoeksrapporten.
Kunt u aangeven wat momenteel gedaan wordt om overlast te beperken en om verstoring van natuur en dieren te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of er in het verleden onafhankelijk onderzoek is uitgevoerd naar de effecten van de vliegoefeningen op de natuur en de dieren? Zo ja, wat waren daarvan de bevindingen en welke conclusies zijn eruit getrokken? Zo nee, bent u bereid alsnog een dergelijk onderzoek in te stellen? Zo ja, hoe zal dit worden vormgegeven?
Sinds de jaren 80 zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van civiele en/of militaire vliegactiviteiten op de natuur en de dieren. Het onderzoeksbureau dat het thans lopende onderzoek uitvoert, betrekt hierbij de conclusies uit relevant voorgaand onderzoek.
Is het juist dat het aantal vliegbewegingen dit voorjaar vanaf de vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Waddenzee en de Noordzee, met 350 procent gegroeid is naar 23 overvliegende straaljagers per dag? Kunt u de redenen voor deze toename toelichten?
Tussen mei en eind juli dit jaar vonden gemiddeld 23 vliegbewegingen met jachtvliegtuigen per dag plaats vanaf vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Wadden- en Noordzee. Dit in verband met een Fighter Weapons Instructor Training (FWIT), een oefening die vrijwel jaarlijks plaatsvindt. Dit is een training waarbij het operationele F-16 squadron op Vliegbasis Leeuwarden de opleiding tot wapeninstructeur organiseert voor de beste F-16-vliegers van verschillende Europese landen. De ligging van Vliegbasis Leeuwarden ten opzichte van de oefengebieden is bij deze opleiding van belang. Zonder een dergelijke oefening zijn er gemiddeld 3 vliegbewegingen per dag.
Waarom is ervoor gekozen deze vliegbewegingen om te leiden tussen Ameland en Schiermonnikoog door, recht boven de Engelsmanplaat? Is daarbij rekening gehouden met het effect op de natuur en in het wild levende dieren, zoals de vogels en zeehonden?
Naar aanleiding van klachten van een provinciale vereniging voor natuurbescherming, mede namens vele toeristen die verbleven op Ameland, is er voor gekozen om Ameland te ontzien door een andere vliegroute te hanteren. Hierdoor is dichter langs de Engelsmanplaat gevlogen. De gehanteerde vlieghoogte was hierbij boven de 1.500 voet (ongeveer 450 meter). Zie ook antwoord op vraag 4.
Klopt het dat natuurorganisaties een jaar geleden al bij Defensie aanklopten met het verzoek te voldoen aan de Wet natuurbescherming en een vergunning te regelen?
Bij de totstandkoming van de vergunningaanvraag voor de militaire vliegactiviteiten consulteert Defensie een klankbordgroep van natuurorganisaties. Dit overleg acht ik waardevol en draagt bij aan de totstandkoming van de onderzoeken die nodig zijn voor de vergunningaanvraag. Daarbij wordt ook gesproken over de planning en voortgang.
Vindt u het wenselijk dat natuurorganisaties u eraan moeten herinneren zich aan de wet te houden, tien jaar nadat de toenmalige Staatssecretaris van Defensie toezegde de natuurvergunning in orde te maken? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Welke stappen heeft Defensie gezet om de in vraag 9 genoemde toezegging om te zetten in beleid? Kunt u een tijdsoverzicht geven van deze stappen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze vergunning zo snel mogelijk in orde te maken?
Ja.
Bent u bereid het recente onderzoek door de universiteit Leiden te betrekken bij de natuurtoets die nodig is voor de vergunning?2
De natuurtoets wordt opgesteld door een onafhankelijk onderzoeksbureau. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid dergelijke oefeningen boven de Wadden geheel op te schorten in het belang van het beschermen van de kwetsbare natuur?
Dit is niet nodig, zie ook het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Concurrentiebeding wordt vaak oneigenlijk gebruikt’. |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Concurrentiebeding wordt vaak oneigenlijk gebruikt»?1
Ja.
Wat is het aandeel contracten waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen?
In 2015 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van het concurrentiebeding in arbeidsovereenkomsten. 19% van de ondervraagde werknemers gaf toen aan een concurrentiebeding te hebben. Er is geen direct vergelijkbaar onderzoek bekend, maar het aandeel nieuwe contracten met een concurrentiebeding kan voor 2018 worden benaderd voor vaste en tijdelijke contracten. Hieronder valt het concurrentiebeding, maar bijvoorbeeld ook een relatiebeding.
In de rest van beantwoording wordt de term «concurrentiebeding» gebruikt.
Per contractvorm is gekeken naar het aandeel mensen dat in de enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS aangeeft korter dan een half jaar geleden gestart te zijn met een nieuwe baan, waarbij een concurrentiebeding is opgenomen in het arbeidscontract. Een eerste verkenning laat zien dat van het deel van deze groep werknemers met een vast contract 19 procent een concurrentiebeding heeft opgenomen in zijn of haar arbeidscontract. Van de mensen met een tijdelijk contract is dat 16 procent. Voor beide groepen geldt dat rond een kwart van de mensen niet weet of er sprake is van een concurrentiebeding in hun arbeidscontract.
Wat is het aandeel contracten voor bepaalde tijd waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het bekend hoe vaak werkgevers zich beroepen op deze bepaling in het contract?
Dat is niet bekend. Het opnemen van een concurrentiebeding zegt inderdaad nog niets over in hoeveel gevallen een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding. Dit is in beginsel een zaak tussen werkgever en werknemer. Indien een werkgever een beroep doet op het concurrentiebeding, kan het zijn dat de werknemer dit accepteert. Deze gevallen worden dus niet openbaar. Dit is ook het geval als werkgever en werknemer besluiten een mogelijk geschil hierover te schikken. Er zijn alleen cijfers over het aantal rechtszaken, maar dit geeft geen volledig beeld van het aantal gevallen waarin werkgevers het concurrentiebeding inroepen.
Deelt u het beeld van VNO-NCW dat rechters nu al vaak een vergoeding toekennen? In hoeveel van de gevallen vragen werknemers om een dergelijke vergoeding?
Hier zijn geen recente cijfers over bekend. Uit onderzoek uit 2011 blijkt dat er in de periode tussen 2000 en 2010 92 gepubliceerde uitspraken zijn aangetroffen waarin een vergoeding wordt verzocht door werknemers. In 15 procent van de gevallen werd ook daadwerkelijk een vergoeding toegekend aan de werknemer. Er is geen recent onderzoek bekend waarin is onderzocht of dit in recente jaren anders is.
Op welke manier wordt het criterium van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen bij het opnemen van een non-concurrentiebeding bij een contract voor bepaalde tijd gewogen? Kan dat bijvoorbeeld worden gelezen als «weinig gespecialiseerde technici beschikbaar»?
De werkgever dient in het beding zelf te motiveren welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen.2 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een werkgever per geval dient te motiveren welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen een concurrentiebeding vereisen. Daardoor kan volgens de Hoge Raad geen algemene uitspraak worden gedaan over welke zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen aan de orde moeten zijn om een dergelijk beding te rechtvaardigen. Dit verschilt dus van geval tot geval. Er is nog geen uitvoerig onderzoek gedaan hoe rechters deze belangen in de praktijk wegen. In lagere rechtspraak is wel aangegeven dat krapte op de arbeidsmarkt geen onderdeel uitmaakt van het met een concurrentiebeding rechtens te beschermen belang van de werkgever. Dit betekent dat de rechter krapte niet meeweegt in zijn afweging, en ook niet honoreert als zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.3 In hoeverre dit algemeen geaccepteerd is in de rechtspraktijk is niet bekend.
Hoe vaak wordt er in contracten voor bepaalde tijd toch een non-concurrentiebeding opgenomen, als er eigenlijk geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn?
Dit is niet bekend. De inhoud van arbeidsovereenkomsten is niet bekend, en veel conflicten over bedingen worden geschikt. Er is dus geen totaalbeeld. In de evaluatie van de Wet werk en zekerheid is aandacht voor de motivatie van het opnemen van een concurrentiebeding in een contract voor bepaalde tijd. Of deze motivatie geldt als zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen wordt per geval beoordeeld door de rechter, zoals omschreven in het antwoord op vraag 6.
Bent u het eens met de analyse uit het artikel dat de huidige krapte op de arbeidsmarkt ervoor zorgt dat werkgevers zich vaker beroepen op het non-concurrentiebeding?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het niet bekend hoe vaak werkgevers zich beroepen op het concurrentiebeding en ook niet op welke gronden zij zich beroepen. Er is dus ook geen beeld van de samenhang daarvan met arbeidsmarktkrapte. Zo is niet bekend of werkgevers zich vanwege arbeidsmarktkrapte vaker beroepen op het concurrentiebeding. De krapte op de arbeidsmarkt geldt in de rechtspraak in ieder geval op zichzelf niet als te beschermen belang van de werkgever (zie ook het antwoord op vraag 6).
Heeft het non-concurrentiebeding ook structureel een negatief effect op het aantal baanwisselingen?
Het concurrentiebeding beperkt het recht van de werknemer op vrijheid van arbeidskeuze. Het is mogelijk dat werknemers omwille van het concurrentiebeding in hun contract minder vaak beslissen om van baan te wisselen. Het is niet bekend in hoeverre werknemers in de praktijk ook daadwerkelijk deze afweging maken en de arbeidsmobiliteit wordt beperkt door het concurrentiebeding. Uit onderzoek van CentERdata uit 2015 blijkt dat bijna de helft van de werknemers niet weet of zijn werkgever hem aan het concurrentiebeding gaat houden bij het vinden van ander werk. Ruim 20 procent denkt dat dit wel het geval zal zijn. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat ongeveer 13 procent van de ondervraagde werkenden denkt dat het concurrentiebeding (enige) hinder zal opleveren bij het vinden van een nieuwe baan. Van de groep werknemers die korter dan vijf jaar bij de huidige werkgever werkt en in de vorige functie te maken had met een concurrentiebeding geeft 11 procent aan (enige) hinder te hebben ervaren bij het vinden van een nieuwe baan. Het is niet bekend of dit in de afgelopen 5 jaar is veranderd.
Zou het meenemen van klanten naar een nieuwe werkgever ook als onrechtmatige daad kunnen worden gezien, waardoor de huidige wetgeving de werkgever al bescherming biedt?
Bij het ontbreken van een relatie- of concurrentiebeding is de werknemer in beginsel na dienstverband vrij om dit te doen. Dit kan natuurlijk anders zijn als er al tijdens het dienstverband concurrerende activiteiten worden ontplooid.4 Ook hebben rechters geoordeeld dat een werknemer een onrechtmatige daad tegen zijn werkgever begaat door het kopiëren van de database van kandidaten van een uitzendbureau en deze mee te nemen naar de nieuwe werkgever, of door bedrijfsgeheimen (prijsstellingen) mee te nemen naar de nieuwe werkgever.5 In zoverre beschermt de huidige wet werkgevers al tegen het onrechtmatig handelen van (ex-)werknemers. Dat betekent overigens niet dat in alle gevallen waarbij klanten wisselen van bedrijf doordat een werknemer overgaat naar een andere werkgever, er sprake is van een onrechtmatige daad.
Uiteraard kan een relatiebeding worden opgenomen in plaats van een concurrentiebeding, dat minder vergaande gevolgen heeft voor de werknemer, maar de werkgever wel beschermt tegen het meenemen van klanten. Een relatiebeding valt overigens onder dezelfde wettelijke bescherming als het concurrentiebeding.6
Wat vindt u van het idee om werknemers financieel te vergoeden bij het opnemen van een concurrentiebeding? Zou dit mogelijk kunnen helpen om het aantal contracten met een concurrentiebeding terug te dringen?
Naar aanleiding van de motie van u en het lid Gijs van Dijk die is aangenomen bij de begrotingsbehandeling SZW zal ik onderzoek doen naar de wenselijkheid van het stellen van nadere voorwaarden aan het gebruik van het concurrentiebeding. Hierbij zal ik ook een verplichte vergoeding overwegen.
Nederlandse betrokkenheid bij een cyberaanval tegen Iran |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onthullingen over Nederlandse betrokkenheid bij een cyberaanval op Iran, de zogenaamde Stuxnet aanval?1 Kunt u toelichten hoe deze betrokkenheid er precies uitzag? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichten. De publicaties zijn voor rekening van de betreffende journalist. De AIVD heeft in aanloop naar publicatie van het boek van dhr. Modderkolk beoordeeld of met publicatie van het boek eventuele staatsgeheimen zouden worden prijsgegeven en of personen door publicatie van het boek in gevaar zouden kunnen worden gebracht.
Gezien de aard van het werk en de werkwijze van de AIVD en vanwege de wettelijke plicht tot bescherming van bronnen, kan ik niet inhoudelijk reageren op vermeende betrokkenheid van Nederland. In voorkomende gevallen dat de Kamer geïnformeerd dient te worden, zal dit via de geëigende kanalen worden gedaan.
Kunt u toelichten hoe de besluitvorming is verlopen die heeft geleid tot de Nederlandse betrokkenheid bij deze cyberaanval? Wanneer werd precies waartoe besloten?
Zie antwoord op vraag 1.
Is de Nederlandse betrokkenheid op enig moment gemeld aan de Tweede Kamer? Zo ja, wanneer en hoe is dat gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1.
Waarom heeft Nederland de VS en Israël bij deze cyberaanval op Iran geholpen?
Zie antwoord op vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van de mate van controle van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) op het nucleaire programma van Iran ten tijde van de cyberaanval in 2007? Stond de faciliteit in Natanz, waar de aanval op is uitgevoerd, toen onder controle van de IAEA?
Het nucleaire programma van Iran stond in 2007 onder controle van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA). In 2007 was het toezicht geregeld via het «Comprehensive Safeguards Agreement» (CSA). Met het CSA moest Iran aan het IAEA aangeven welke nucleair-gerelateerde activiteiten Iran uitvoerde en hoeveel nucleair materiaal in Iran aanwezig was. Vervolgens kon het IAEA middels inspecties en monitoring verifiëren of de door Iran aangeleverde informatie klopte. Daarmee stond de nucleaire faciliteit bij Natanz ook onder scherp toezicht van het Agentschap.
Hoe verhoudt de Stuxnet aanval zich tot het internationaal recht? Klopt het dat deze cyberaanval waarschijnlijk haaks staat op de regels zoals vastgelegd in het zogenaamde Tallinn Manual, zoals de opstellers van dit handboek hebben geconstateerd?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor de visie van het kabinet op de manier waarop het internationaal recht wordt toegepast in het cyberdomein verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 5 juli jl. (Kamerstuk 33 694, nr. 47). De juridische kwalificatie van individuele incidenten of scenario’s vereist een zorgvuldige beoordeling van alle relevante omstandigheden van het geval. In dat licht en in het licht van de beantwoording van vraag 1, ziet het kabinet ervan af om een uitspraak te doen over de juridische kwalificatie van deze specifieke casus.
Is (intern) juridisch advies aangevraagd vanwege deze cyberaanval op Iran? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit met de Kamer te delen?
Zie antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de Stuxnet aanval ook in landen buiten Iran veel schade heeft aangericht? Kan daarvan een beeld geschetst worden?
Zie antwoord op vraag 1.
Hoe heeft Iran gereageerd op deze cyberaanval en op het bekend worden dat Nederland erbij betrokken was?
Het Iraanse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederland mondeling vragen gesteld over de betreffende publicatie. Daarop is geantwoord dat de publicaties voor rekening komen van de betreffende journalist.
Bent u het ermee eens dat de Stuxnet aanval door andere landen is opgevat als een soort vrijbrief om zelf ook cyberaanvallen uit te voeren?3 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1.
De situatie op Curaçao |
|
Antje Diertens (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de nieuwe Procedure voor bescherming op grond van artikel 3 EVRM van Curaçao? Is de Procedure afdoende bekend bij relevante overheidsbeambten en bij de mensen die potentieel aanspraak kunnen maken op deze procedure? Zo nee, welke stappen zouden moeten worden gezet om deze situatie te verbeteren? Bent u bereid daarbij te helpen?
In mijn brief van 27 september jl.1 aan de leden van de Eerste Kamer heb ik laten weten dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid dit voorjaar op verzoek van Curaçao de aanvraagprocedure om bescherming op basis van artikel 3 EVRM heeft doorgenomen. De Curaçaose autoriteiten zijn vervolgens voorzien van advies. De aanvraagprocedure is daarop deze zomer aangepast en door de Raad van Ministers van Curaçao aangenomen en online gepubliceerd. De aanvraagprocedure voldoet daarmee aan de internationale vereisten waar Curaçao aan is gehouden. De Curaçaose autoriteiten hebben laten weten dat de nieuwe procedure ook is verstuurd naar alle gemachtigden en advocaten die zich met betreffende zaken bezighouden. Het document wordt nog vertaald, aangezien het document momenteel alleen in het Nederlands beschikbaar is. Als onderdeel van de ondersteuning die Nederland binnen de vreemdelingenketen levert, zijn ook middelen gereserveerd voor meer bekendmaking en vertaling van dit beleid.
Hoeveel verzoeken tot bescherming op basis van deze procedure zijn er tot op heden ingediend? Hoeveel verzoeken zijn reeds afgehandeld, met welk resultaat?
Zoals gemeld in mijn brief van 27 september jl.2 aan de leden van de Eerste Kamer, hebben de autoriteiten van Curaçao medegedeeld dat momenteel 16 aanvragen om bescherming op basis van artikel 3 EVRM in behandeling zijn. Rond de 30 aanvragen zijn na het indienen weer ingetrokken. De Curaçaose autoriteiten laten weten dat verschillende migranten een beroep doen op artikel 3 EVRM, na in bewaring te zijn gesteld, met de hoop hierdoor vrijgelaten te worden. Wanneer dit niet meteen het geval is, geven ze de voorkeur om naar Venezuela terug te gaan en trekken hun verzoek in.
Welke steun geeft Nederland met betrekking tot de implementatie van deze beschermingsprocedure? Geeft Nederland hulp en ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van trainingen, bij de uitvoering van deze procedure? Zo nee, is het kabinet voornemens dat te gaan doen?
Bij brief van 6 september jl.3 heeft uw Kamer een nader overzicht gekregen van de ondersteuning die door Nederland wordt geleverd in relatie tot de uitdagingen die Aruba en Curaçao ondervinden als gevolg van de situatie in Venezuela. Nederland levert technische bijstand ten behoeve van de implementatie van de beschermingsprocedure op basis van artikel 3 EVRM door het geven van opleidingen en trainingen voor lokaal personeel door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarnaast wordt waar mogelijk ook ondersteuning geleverd voor het wegwerken van eventuele achterstanden.
Hoe beoordeelt u de capaciteiten van de overheid op Curaçao, de advocatuur en de rechtspraak om op een goede manier invulling te geven aan de procedure? Hoe beoordeelt u de reële mogelijkheid voor effectieve rechtsbescherming op grond van deze procedure in het licht van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens?
In de beschermingsprocedure op basis van artikel 3 EVRM is aangegeven dat migranten tegen deze beslissing – binnen de termijnen en de wijze zoals vastgesteld in de Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) – bezwaar kunnen maken dan wel beroep kunnen instellen. De rechtsmiddelen worden in de beschikking vermeld. Het is primair aan het land Curaçao om erop toe te zien dat op goede wijze invulling wordt gegeven aan de procedure en zorg te dragen voor het bestaan van effectieve rechtsmiddelen en de daarbij benodigde capaciteit.
Hoe beoordeelt u de omstandigheden in de zogenaamde vreemdelingenbarakken waar mensen 23 uur per dag vastzitten in een groepsverblijf? Voldoen deze omstandigheden aan de (internationale) regels en normen voor wat betreft (vreemdelingen)detentie? Zo nee, hoe kijkt u dan aan tegen de waarborgfunctie van het Koninkrijk?
Bij brief van 6 september jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over de ondersteuning die door Nederland wordt geleverd in het kader van de verbetermaatregelen voor de vreemdelingenbewaring op Curaçao. Naar aanleiding van een verzoek om ondersteuning heb ik samen met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid eind 2018 een financiële bijdrage geleverd van 132.000 euro voor de verbouwing en verbetering van het mannenblok in de vreemdelingenbewaring van het Sentro di Detenshon i Korekshon Kòrsou (SDKK). Curaçao heeft aangegeven dat deze verbetermaatregelen op korte termijn worden afgerond. Curaçao heeft Nederland daarnaast verzocht om aanvullende ondersteuning te leveren op het terrein van vreemdelingenbewaring. In dit kader heeft Nederland 2 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de realisatie van de uitbreiding van de vreemdelingenbewaring bij het SDKK. De focus bij de verbouwing en uitbreiding wordt gelegd op het verbeteren van de materiele randvoorwaarden voor het regime van vreemdelingenbewaring in lijn met de internationale verplichtingen. De Dienst Justitiële Inrichtingen en het Rijksvastgoedbedrijf bieden expertise en verrichten adviserende werkzaamheden, voorafgaand aan en tijdens de fase van implementatie.
Hoe beoordeelt u de voortgang met betrekking tot de reconstructie van de vreemdelingenbarakken? Deelt u de mening dat het noodzakelijk is meer tempo te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om hierbij te helpen?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat vertegenwoordigers van het Venezolaanse consulaat toegang hebben tot de vreemdelingenbarakken? Is het waar dat een lid van de Venezolaanse veiligheidsdienst toegang heeft tot de vreemdelingenbarakken? Klopt het dat betreffende persoon eerst geen diplomatieke status had en deze alsnog heeft verkregen? Waarom heeft Nederland daarin bewilligd? Hoe beoordeelt u de berichten dat deze vertegenwoordigers druk uitoefenen op Venezolaanse migranten om « vrijwillig» terug te keren? Hoe beoordeelt u dergelijke druk tegen de achtergrond van het verbod op non-refoulement? Indien u van oordeel bent dat deze druk mogelijk op gespannen voet staat met het recht, hoe beziet u dat in het licht van de waarborgfunctie van het Koninkrijk? Hoe beoordeelt u het gegeven dat migranten zonder verblijfsrecht die vastzitten in de vreemdelingenbarakken in eerste instantie zelf hun ticket moeten betalen? Ziet u het risico dat mensen hierdoor onredelijk lang vast blijven zitten? Zo nee, waarom niet? Welke rol ziet u voor organisaties als de International Organization for Migration (IOM) om hierbij te helpen? Bent u bereid hierover met Curaçao in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Op grond van het Weens verdrag inzake consulaire betrekkingen hebben enkel consulaire ambtenaren het recht om te communiceren met een onderdaan van hun land en, indien de onderdaan daarom vraagt, deze te bezoeken wanneer die wordt vastgehouden. Dit valt binnen de reguliere functies van een consulaat. Er zijn geen aanwijzingen dat de Venezolaanse veiligheidsdiensten de barakken bezocht hebben. Een lid van de consulaire staf heeft bezoeken gebracht aan de barakken. Deze persoon was weliswaar geen consulair ambtenaar van het Venezolaanse consulaat, maar wel aangemeld als lid van de consulaire missie. De autoriteiten op Curaçao hebben deze persoon verzocht de vreemdelingenbarakken niet meer te betreden.
De berichten dat vertegenwoordigers van Venezuela druk uitoefenen op Venezolaanse migranten om terug te keren zijn bekend. Er zijn echter geen bewijzen dat er druk is uitgeoefend op Venezolanen. De Curaçaose autoriteiten hebben laten weten dat de geboden mogelijkheid tot terugkeer had te maken met een door Venezuela aangeboden gratis vlucht «Vuelta a la patria», waarvan Venezolanen op vrijwillige basis gebruik konden maken. Er zijn ook Venezolanen die geen gebruik hebben gemaakt van deze mogelijkheid. De Curaçaose autoriteiten laten weten dat de Venezolanen die een beroep hadden gedaan op de beschermingsprocedure op basis van artikel 3 EVRM niet zijn benaderd.
Daar waar het gaat om de procedure tot terugkeer melden de Curaçaose autoriteiten dat mede door de grenssluiting door Venezuela, men thans langer vast zit dan gebruikelijk. Ook melden zij dat de migranten zonder verblijfsrecht die hun eigen ticket kunnen betalen dit zelf kopen. In het kader van het Nederlandse terugkeerbeleid is het ook een uitgangspunt dat migranten zelf verantwoordelijk zijn voor de kosten van hun terugkeer. De betaling van de tickets door de autoriteiten van Curaçao als een migrant onvoldoende middelen heeft, heeft als gevolg dat de financiële middelen die het land heeft voor de terugkeer minder worden. Dit kan weer mogelijke gevolgen hebben voor de daadwerkelijke terugkeer van migranten. Curaçao is reeds in gesprek met IOM om te bezien wat IOM zou kunnen betekenen voor Curaçao.
Hoe beoordeelt u de situatie van illegaal op Curaçao verblijvende Venezolanen? Deelt u de mening dat deze mensen kwetsbaar zijn voor uitbuiting en voldoende medische zorg niet altijd voorhanden is? Wat kunt u doen om hierbij verlichting te bieden? Kan het COA een rol spelen in advisering over de opvang van mensen die aanspraak maken dan wel recht hebben op bescherming? Zo ja, bent u bereid hiertoe stappen te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het illegaal verblijven in een derde land brengt risico’s met zich mee, dit geldt niet alleen voor personen van Venezolaanse nationaliteit. Dit betreft niet alleen gezondheidsrisico’s, maar ook veiligheidsrisico’s. Daarnaast bestaat het risico dat kwetsbare groepen illegalen in een uitbuitingssituatie terecht kunnen komen. In de brief van 6 september jl.4 is uw Kamer geïnformeerd dat Nederland op verzoek van Curaçao zal ondersteunen bij de inrichting van de opvang van kwetsbare groepen migranten. In dit verband zal het COA Curaçao adviseren ten behoeve van de inrichting van de opvang.
Bent u bekend met signalen dat een deel van de Venezolaanse migranten op Curaçao is besmet met HIV? Klopt het dat medicijnverstrekking aan deze mensen (in de praktijk) wordt geweigerd? Zijn er voor de mensen voldoende medicijnen beschikbaar? Wat zijn de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid in het hele Koninkrijk? Indien u niet op de hoogte bent van deze berichten, bent u dan bereid deze te (laten) onderzoeken?
Na overleg tussen de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Minister van Volksgezondheid van Curaçao, mevrouw Camelia-Römer, kan ik u als volgt berichten. We zijn bekend met de signalen dat een deel van de Venezolaanse migranten op Curaçao besmet is met HIV. HIV komt wereldwijd bij een deel van de bevolking voor. Naar ik begrijp zijn er circa 5 HIV positieve Venezolaanse ongedocumenteerden bekend in het Sehos. Daarnaast geeft Minister Römer aan dat het Sehos onlangs een intern protocol heeft gecommuniceerd waarin expliciet is opgenomen dat alle HIV-patiënten, dus ook ongedocumenteerden, volgens de algemene regels worden behandeld. Behandeling van HIV voorkomt doorontwikkeling tot AIDS en vermindert transmissierisico voor anderen, wat een volksgezondheidsrisico voorkomt. Naast het Sehos biedt de stichting Salú pa Tur voor gereduceerd tarief zorg aan ongedocumenteerden. Bij deze stichting zijn zo’n 8 HIV positieve ongedocumenteerde Venezolanen bekend. De Staatssecretaris van VWS heeft laten weten het net als zijn collega op Curaçao belangrijk te vinden dat alle personen met HIV passende zorg krijgen, dus ook ongedocumenteerde Venezolanen. Daarom beziet de Staatssecretaris van VWS samen met zijn collega op welke wijze in (technische) ondersteuning kan worden voorzien voor de Stichting Salú pa Tur.
Hoe beoordeelt u de algemene veiligheidssituatie op Curaçao?
Rechtshandhaving betreft een autonome aangelegenheid van de landen binnen het Koninkrijk. De beoordeling van de veiligheidssituatie is derhalve aan de landen zelf, in dit geval Curaçao. Curaçao (en Aruba) heeft aangegeven uitdagingen te ondervinden als gevolg van de situatie in Venezuela, ook op het terrein van veiligheid en rechtshandhaving. Het kabinet heeft daarom in samenspraak met Curaçao (en Aruba) als onderdeel van de te leveren ondersteuning in het kader van Venezuela ook gekeken hoe op deze terreinen aanvullende ondersteuning geboden kan worden. Daarnaast zet het kabinet al langere tijd in op samenwerking met de landen waar het aankomt op de aanpak van grensoverschrijdende en ondermijnende criminaliteit in de regio. Criminaliteit heeft – meer dan voorheen – een grensoverschrijdend karakter. Daardoor zijn de opsporingsdiensten genoodzaakt tot meer regionale en internationale samenwerking ten aanzien van onder andere de inzet van capaciteit en specialismen. Dit staat centraal in de nieuwe visie op (versterkte) recherchesamenwerking, waarover uw Kamer door de Minister van JenV en mij is geïnformeerd.5 In regionaal verband wordt daarnaast samengewerkt om de zee- en luchtgrenzen in het Caribische deel van het Koninkrijk te versterken via het baseline-initiatief waarover uw Kamer bij brief6 van 30 september jl. nader is geïnformeerd in het kader van de periodieke rapportage rechtshandhaving naar aanleiding van het Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO).
Hoe beoordeelt u de impact van de veiligheidssituatie op Curaçao op Nederland, onder meer tegen de achtergrond van de talrijke verbindingen tussen Curaçao en Nederland?
Het Caribisch deel van het Koninkrijk heeft onder andere te kampen met grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder de doorvoer van contrabande. Dit beschouw ik als zeer zorgelijk. Ook burgemeester Aboutaleb van Rotterdam heeft recentelijk nog aangegeven dit als zorgelijk te beschouwen, gezien de talrijke verbindingen tussen Curaçao en Nederland. Zoals de Minister van JenV en ik uw Kamer in de brief van 30 september jl. informeerden, wordt er in opdracht van het JVO in een Koninkrijksbreed samenwerkingsverband, middels het zogeheten implementatieteam baselines, gewerkt aan het versterken van de zee- en luchtgrenzen in het Caribische deel van het Koninkrijk (Kamerstukken II 2018/19, 35 300IV, nr.9). Het implementatieteam baselines is een voorbeeld van hoe er regionaal op het niveau van de uitvoerende diensten wordt samengewerkt om kennis te delen en gezamenlijk stappen te zetten. Tot slot merk ik op dat de veiligheidsproblemen op Curaçao als gevolg van de situatie in Venezuela vooral drukken op het land zelf. Om die reden investeert het kabinet op een tal van fronten in de aanpak van deze criminaliteit in de regio, bijvoorbeeld door de inzet van het Recherchesamenwerkingsteam (RST), de flexpool KMar en de Kustwacht voor het Caribisch gebied.
Welke controlemaatregelen worden genomen op het personen- en goederenverkeer tussen Curaçao en Nederland? Hoe zit dat tussen Nederland en de andere eilanden?
De Douane is verantwoordelijk voor het toezicht op het goederenverkeer dat de EU-buitengrens overschrijdt. Omdat het douanegebied van de Unie alleen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa omvat (artikel 4 van de Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie) valt het goederenverkeer vanuit Curaçao bij aankomst in Nederland en bij vertrek vanuit Nederland naar Curaçao onder douanetoezicht van de Nederlandse Douane. Hetzelfde geldt voor het goederenverkeer met de andere eilanden. Het douanetoezicht vindt plaats op de goederen in het maritieme en het luchtverkeer, zowel ten aanzien van de goederen in het personenverkeer als het handelsverkeer. Dit douanetoezicht vindt informatiegericht en risico-gestuurd plaats. De Douane zet verschillende soorten handhavingsinterventies in, zoals fysieke controle, en maakt gebruik van hulpmiddelen zoals speurhonden en scans. Op commerciële vluchten afkomstig uit Curaçao, Aruba, Bonaire en Sint Maarten voert de Douane – vanwege een sterk verhoogd risico op drugssmokkel – het door de Minister van JenV ingestelde zogenaamde «100%-controleregime» uit. De Koninklijke Marechaussee is verantwoordelijk voor het personenverkeer.
Bij het personenverkeer geldt dat personen die via Nederland het Schengengebied in- of uitreizen zijn onderworpen aan grenscontroles op grond van de Schengengrenscode (SGC). De eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden (zowel Curaçao, Aruba, Sint Maarten, als de BES eilanden) vallen niet onder het Schengenacquis. Personen die van of naar de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden reizen naar of vanuit een van de Schengenlanden (waaronder Nederland), passeren daarmee een Schengenbuitengrens en zijn onderworpen aan grenscontroles op grond van de Schengengrenscode. Voor personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen (EU, EER, Zwitserland) en derdelanders behelst dit een systematische controle die bestaat uit de verificatie van de identiteit en de nationaliteit en van de echtheid en de geldigheid van het reisdocument en het raadplegen van de relevante databanken (Schengeninformatiesysteem (SISII), Interpol Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) en het Opsporingsregister (OPS). Voor derdelanders geldt daarnaast ook de grondige controle die onder andere bestaat uit toetsing op het doel, duur en middelen van bestaan van het beoogde verblijf en, waar van toepassing, de controle van het visum.
Welke integrale veiligheidsvisie hanteert u bij het vorm geven van uw beleid met betrekking tot Curaçao?
De vormgeving van het beleid ten aanzien van Curaçao is gericht op samenwerking met het autonome land Curaçao. Op basis van samenwerkingsregelingen en Rijkswetten ondersteunt Nederland de rechtshandhavingsketen. Bij die samenwerking en ondersteuning zijn de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting van artikel 1 van hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties (verder: beleidsdoorlichting) leidend.7 Zo is inzet gericht op lokaal eigenaarschap, wordt er maatwerk per (ei)land geleverd en krijgt problematiek die om een lange adem vraagt een aanpak die daarbij past. Deze uitgangspunten vormen ook een rode draad bij bijvoorbeeld de ondersteuning die in het kader van Venezuela wordt verleend. Daarnaast geeft het grensoverschrijdende en ondermijnende karakter van criminaliteit in de regio aanleiding om te investeren in goede informatie-uitwisseling en gezamenlijke inzet op transnationale georganiseerde criminaliteit.
Hoe beoordeelt u de controle op de grenzen van Curaçao door de politie en de kustwacht? Deelt u het oordeel van ervaringsdeskundigen dat de grenzen rondom de Caribische koninkrijksdelen zo lek als een mandje zijn als het gaat om wapen- en drugssmokkel? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer weet valt de politie van Curaçao onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao waar ik niet in kan treden. Ten aanzien van de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied (hierna: Kustwacht) kan ik u het volgende melden. De Kustwacht monitort met een walradarsysteem en andere middelen en sensoren 24/7 het maritieme omgevingsbeeld rondom de eilanden. Ook zijn er bootteams beschikbaar op de steunpunten Curaçao en Aruba. Dit laat onverlet dat de Caribische Koninkrijksdelen meer dan 900 kilometer kuststrook kennen, die door middel van technische hulpmiddelen beveiligd moet worden. Dat is nooit 100 procent waterdicht; er blijft altijd sprake van een zekere mate van blinde vlekken. Eerder dit jaar is aan de Kamer gemeld dat Defensie extra ondersteuning aan de Kustwacht heeft geleverd om deze blinde vlekken te dichten. Dit gebeurt onder meer door de inzet van de Curaçaose en Arubaanse militie ter aanvulling van de Kustwachters in de bootteams.8 Aanvullend hierop zijn door het kabinet bij Voorjaarsnota 2019 middelen vrijgemaakt voor de versterking van de maritieme grenzen. Zoals gemeld bij brief van 6 september jl. zal de Kustwacht onder meer overgaan tot de aanschaf van mobiele walradars, camera’s en drones ter ondersteuning van Aruba, Bonaire en Curaçao.9 Voor de langere termijn is de Kustwacht bezig met het vervangen van de waldetectiecapaciteit op de Benedenwindse Eilanden, de doorontwikkeling van informatie-gestuurd politieoptreden en het vervangingstraject van de luchtverkenningscapaciteit. Over het Jaarplan 2019 van de Kustwacht is de Kamer op 21 januari jl. door de Minister van Defensie uitgebreid geïnformeerd.10 Daarnaast vervult het Ministerie van Defensie een belangrijke rol in het tegengaan van wapen- en drugssmokkel. Het stationsschip in het Caribisch Gebied wordt daarbij ingezet voor zowel Defensie- als Kustwachttaken, in overleg met het Ministerie van Defensie en afhankelijk van de ontwikkelingen zoals grensoverschrijdende criminaliteit. Met het stationsschip worden ook anti-smokkel operaties uitgevoerd. De Verenigde Staten en Frankrijk zijn hierbij de belangrijkste internationale partners. Daarnaast vervult de Commandant Zeemacht in het Caribisch gebied zijn taak als Commander Task Group 4.4, een ondercommandant van de Amerikaanse Joint Interagency Task Force South voor drugsbestrijding in de regio.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat in de praktijk geen 24 uurs-controle door de kustwacht bestaat? Welke risico’s brengt dat met zich mee? Wat gaat u doen om deze risico’s te mitigeren?
Zoals in vraag 14 aangegeven, monitort de Kustwacht 24/7 het maritieme omgevingsbeeld rondom de eilanden. In de uitvoering van Kustwachttaken moet onderscheid gemaakt worden tussen Search and Rescue (SAR) taken en overige taken van de Kustwacht. De Kustwacht is 24/7 beschikbaar voor de coördinatie van SAR-taken. Wanneer er mensen in nood of direct levensgevaar verkeren is de Kustwacht op basis van internationale regelgeving verplicht om zelf in actie te komen of de coördinatie van een reddingsactie te verzorgen. In enkele gevallen komt de Kustwacht niet zelf in actie, maar kan dit efficiënter en/of effectiever aan een ander worden overgelaten, bijvoorbeeld aan een schip wat in de buurt vaart. Voor wat betreft de overige taken van de Kustwacht, zie het antwoord op vraag 14.
Hoeveel drugstransporten van en naar Curaçao zijn in de jaren 2017, 2018 en 2019 onderschept? Om hoeveel kilogram gaat het telkens, en om welke drugs?
Op basis van de mij beschikbare cijfers van de Kustwacht, kan ik u het volgende melden. De Kustwacht heeft in 2017 van en naar Curaçao vier drugstransporten onderschept met bijna 90 kilo verdovende middelen aan boord, bestaande uit hasj (grootste deel), marihuana, cocaïne en hennep. In 2018 heeft de Kustwacht van en naar Curaçao vijf drugstransporten onderschept met ruim 960 kg drugs aan boord, bestaande uit cocaïne (overgrote deel) en marihuana. Dit jaar (peildatum 9 september jl.) heeft de Kustwacht van en naar Curaçao in totaal tien drugstransporten onderschept met in totaal bijna 1.900 kilo verdovende middelen en 1070 XTC pillen aan boord. Naast de XTC pillen bestond de lading uit cocaïne (overgrote deel), marihuana, hennep en MDMA.
Hoeveel gesmokkelde wapens van en naar Curaçao zijn in de jaren 2017, 2018 en 2019 onderschept? Om welke typen wapens gaat het?
Op basis van de mij beschikbare cijfers van de Kustwacht, kan ik u het volgende melden. In 2017 heeft de Kustwacht van en naar Curaçao in totaal zestien wapens onderschept (14 handvuurwapens en 2 handgranaten). In 2018 zijn er door de Kustwacht van en naar Curaçao in totaal dertien wapens onderschept (12 handvuurwapens en 1 zogenaamde karabijn converter). Dit jaar (peildatum 9 september jl.) zijn van en naar Curaçao in totaal zeven wapens onderschept, waarbij het in alle 7 gevallen handvuurwapens betrof.
Hoeveel gesmokkelde drugs en wapens zijn in de jaren 2017, 2018 en 2019 onderschept tussen Curaçao en Nederland? Hoe zit dit met betrekking tot de andere eilanden? Welke kosten zijn gemoeid met controles op personen en goederen vanuit Curaçao en de andere eilanden? Deelt u de mening dat het effectiever is contrabande aan de «zuidgrens» van het koninkrijk tegen te houden, dan in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In de jaren 2017, 2018 en 2019 zijn in Nederland door de Douane en de KMar bij de controle van de goederenstroom via lucht- en zeevracht, alsmede luchtpassagiers uit Curaçao respectievelijk 166, 288 en 144 gevallen van drugs onderschept met een totaalgewicht van 1.265,3 kg. Uit Aruba zijn respectievelijk 24, 45 en 17 gevallen van drugs onderschept (27,5 kg, 51,6 kg en 14,8 kg), uit Bonaire zijn respectievelijk 9, 7 en 2 gevallen onderschept (8,8 kg, 66,5 kg en 1,6 kg) en uit Sint Maarten zijn respectievelijk 3, 11 en 1 gevallen onderschept (1 kg, 8,6 kg en 0,3 kg). Daarnaast meldt de Douane 8 wapens in 2017, 4 wapens in 2018 en 4 wapens in 2019 te hebben onderschept vanuit de eilanden. Uit de totale kosten van controle, opsporing, vervolging en detentie valt niet toe te delen welk deel Curaçao of andere eilanden betreft. Het kabinet herkent de problematiek van smokkel en deelt de mening dat het effectiever is om contrabande aan de «zuidgrens» van het Koninkrijk tegen te houden dan in Nederland. Om deze reden wordt er in het Caribisch gebied geïnvesteerd in versterkte samenwerking aan de zuidgrens, bijvoorbeeld in het Recherchesamenwerkingsteam (RST), de Kustwacht voor het Caribisch gebied, politie-liaisons in bron- en doorvoerlanden en de samenwerking met (politie)diensten in de regio.
Hoe beoordeelt u berichten over de aanwezigheid van participanten/sympathisanten van de Colombiaanse beweging ELN op Curaçao? Wat is het potentiele effect van hun aanwezigheid op Curaçao en/of Nederland?
Voor zover mij bekend heeft de guerrillabeweging ELN geen aanwezigheid op Curaçao.
Kunt u inmiddels duidelijkheid geven over het bedrag van 23 miljoen euro dat u in de voorjaarsnota heef gereserveerd voor bijstand aan Curaçao en Aruba? Waar komt dit geld precies vandaan? Waarvoor gaat u het inzetten?
In de brief van 6 september jl. is uw Kamer geïnformeerd over de besteding van de 23,8 miljoen euro die het kabinet bij Voorjaarsnota heeft vrijgemaakt voor enerzijds de respons op de bijstandsverzoeken van Aruba en Curaçao en anderzijds maatregelen in het kader van crisisbeheersing in de regio.11 In nauwe afstemming met Aruba en Curaçao is een samenhangend pakket aan ondersteuningsmaatregelen uitgewerkt dat in het komende jaar in gezamenlijkheid uitgevoerd zal worden. In het ondersteuningspakket is onder meer aandacht voor de versterking van de maritieme grenzen en het optimaliseren van de vreemdelingenketen, maar ook voor diverse sociaal-maatschappelijke projecten op het gebied van onderwijs, opvang van kwetsbare groepen, gezondheidszorg en bejegening van migranten.
Toezicht op crowdfundingplatforms zoals Dream or Donate. |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerdere vragen over het crowdfundingplatform Dream or Donate?1
Ja.
Vindt u nu, nadat Dream or Donate onbereikbaar werd en een nog onbekend bedrag aan donaties verdwenen lijkt te zijn, nog steeds dat er voldoende toezicht is geweest op dit platform? Had u dit niet kunnen voorkomen door beter toezicht te houden?2
Het kabinet vindt het erg vervelend voor donateurs en initiatiefnemers dat zij in onzekerheid hebben verkeerd over wat er met hun donaties was gebeurd, nadat de website offline ging. Positief is dat een aantal gedupeerden begin en eind september alsnog is uitbetaald. Verder is het in dergelijke situaties aan de politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen en te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit (bijv. fraude of oplichting).3
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen van het lid Alkaya van 5 februari 2019, vindt het kabinet dat het toezicht afdoende is geregeld.4 Crowdfunding door middel van doneren of het ondersteunen van een project tegen een (niet-financiële) tegenprestatie (sponsoring of «reward based») valt, voor zover de initiatiefnemer een consument is, onder het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt. In geval van mogelijke fraude of oplichting is de strafrechtketen aan zet.
Aan welke eisen moeten crowdfundingplatforms op het gebied van commercie, dat wil zeggen zogenaamde loan based en/of equity based crowdfunding, voldoen waar andere platforms zoals Dream or Donate nog steeds niet aan hoeven te voldoen?
Bij crowdfunding door uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening, maakt de geldgever aanspraak op een financiële tegenprestatie in de vorm van aflossing, rente of dividend. In deze gevallen verricht het platform bemiddelende werkzaamheden ten aanzien van het verwerven van financiële instrumenten (effecten en obligaties) en het aantrekken van opvorderbaar geld van het publiek (onderhandse leningen). Het toezicht van de AFM vloeit voort uit de aard van deze activiteiten. Die aard – namelijk investeren met als doel het behalen van rendement met behulp van een bemiddelend platform – verschilt fundamenteel van de aard van crowdfunding door middel van donatie. Bij deze laatste vorm doet de geldgever moedwillig afstand van zijn of haar geld met het oogmerk een bepaald doel te ondersteunen.
Crowdfunding door middel van donatie is daarom vergelijkbaar met doneren aan meer traditionele charitatieve instellingen, bijvoorbeeld via een collectebus. Op deze activiteit is er eveneens geen toezicht van de AFM, noch is daar aanleiding voor. Voor doneren aan charitatieve instellingen geldt voor het kabinet zelfregulering als uitgangspunt. De sector heeft hier ook initiatief genomen (zie het antwoord op vraag 4 hieronder) en verkent momenteel wat nodig is voor deze specifieke vorm van doneren.
Deelt u de mening dat burgers erop moeten kunnen rekenen dat ook donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden, en dus dat hierop toegezien moet worden zoals dat bij crowdfunding gericht op commercie wél gebeurt?
Ja, het kabinet deelt de mening van uw Kamer dat burgers erop moeten kunnen rekenen dat donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden. Evenals bij donaties aan meer traditionele charitatieve instellingen is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector zelf om deze zekerheid aan consumenten te bieden. Een manier waarop de platformen dat kunnen doen, is door te garanderen dat financieringsstromen van donaties buiten de platformen om verlopen (bijvoorbeeld via een Stichting Derdengelden). Aansluiten bij de erkenningsregeling van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), die het Ministerie van Justitie en Veiligheid middels een structurele jaarlijkse bijdrage ondersteunt vanuit zijn coördinerende rol inzake filantropie, is op basis van de criteria en de aard van crowdfunding echter niet goed mogelijk. Betrokken bedrijven, Nederland Filantropieland (NLFL) en het CBF verkennen momenteel wat nodig is, zodat het publiek ook gerust kan geven via crowdfundingplatformen.5 Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een gedragscode. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en acht, mede in het licht van deze ontwikkeling, aanvullende overheidsmaatregelen niet nodig.
Bent u bereid om websites als Dream or Donate vergunningsplichtig te maken en toezicht door de Autoriteit Financiële Markten te laten plaatsvinden op alle crowdfundingplatforms, ongeacht of deze platforms een tussenpersoon zijn bij het aangaan van leningen of het doen van donaties? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken hoe beter toezicht op crowdfundingplatforms dan wel georganiseerd kan worden?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 reeds naar voren komt, verschillen crowdfunding door middel van donatie enerzijds en crowdfunding in onderhandse leningen en effecten anderzijds fundamenteel van elkaar. Hierdoor acht het kabinet het niet passend of wenselijk om crowdfunding door middel van donatie onder het toezicht van de AFM te brengen. Voor het tweede deel van uw vraag wordt verwezen naar de beantwoording op vraag 4.
Welke mogelijkheden hebben slachtoffers van Dream or Donate op dit moment naast een civielrechtelijke procedure tegen de eigenaar?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen en vast te stellen of er sprake is van een strafbaar feit. De politie heeft gebruikers van het platform opgeroepen om aangifte te doen wanneer zij vermoeden dat ze mogelijk zijn opgelicht. Daarnaast staat gebruikers – zoals gebruikelijk in dit soort contractuele relaties – de civielrechtelijke weg open, bijvoorbeeld met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding vanwege wanprestatie.
De lobby van multinationals die al decennia helpen de politieke agenda te formuleren |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel van Follow the Money over de lobby van multinationals die met clubs en subcommissies de politiek beïnvloedden?1 Wat is hierop uw reactie?
Ja. Het bewuste artikel gaat over belangbehartiging vanuit het bedrijfsleven, specifiek vanuit ABDUP. ABDUP is een informeel overlegorgaan van AkzoNobel, Shell, DSM, Unilever en Philips. Op gezette tijden komen deze bedrijven in informele setting bijeen over thema’s waar deze multinationals mee te maken hebben. ABDUP nodigt soms gasten uit om hier aan bij te dragen.
Belangenbehartiging is een instrument waar alle maatschappelijke actoren zich van bedienen. Ik beschouw een dialoog tussen de overheid en maatschappelijke organisaties, belangenorganisaties en bedrijven als waardevol. Het kabinet hecht aan persoonlijk, open en vertrouwelijk contact met al deze partijen om beleidsopties te verkennen en de kwaliteit van wetgeving te verbeteren. Het kan inzicht geven in standpunten, argumenten en belangen, of draagvlak creëren voor beleid. Voor de kwaliteit van ons werk is het van groot belang om signalen van de buitenwereld te ontvangen en mee te wegen in beleidsvorming. Het kabinet maakt ten allen tijde haar eigen afwegingen en keuzes, waar het kabinet verantwoordelijk voor gehouden kan worden.
Zijn er nu ook nog subcommissies actief? Zo ja, hoeveel, welke en op welke beleidsterreinen zijn zij actief? Zo nee, waarom niet?
ABDUP staat los van de rijksoverheid. Ik heb geen zicht op eventuele subcommissies die vanuit ABDUP actief zijn.
Kunt u in een tijdlijn weergeven hoe vaak er overleg plaats heeft gevonden tussen de ABDUB-bedrijven, PHAUSD en/of de subcommissies? Hoe vaak zijn daar kabinetsleden bij aanwezig geweest? Hoe vaak zijn daar hoge ambtenaren bij aanwezig geweest?
Ik beschouw een open dialoog tussen de overheid en maatschappelijke organisaties, belangenorganisaties en bedrijven als waardevol. Daarom is het ook belangrijk om transparant te zijn over dergelijke contacten. Zo is er doorgaans in wetgevingsvoorstellen een lobbyparagraaf opgenomen dat verslag doet van de internetconsultatie en andere contacten met externen, inclusief een reactie en inzage in de belangenafweging op hoofdlijnen. Per dossier is er dus in de regel goede transparantie over met wie er contact is geweest. Echter, er is geen totaaloverzicht per maatschappelijke organisatie, belangenorganisatie of bedrijf over de contacten met alle verschillende ambtenaren. Voor de volledigheid merk ik op dat de overheid geen lid is van ABDUP en ik dus ook geen tijdlijn kan construeren van overleg dat in dit verband heeft plaatsgevonden.
Zoals ook blijkt uit de documenten die zijn verstrekt in het kader van recente Wob-verzoeken over ABDUP waren tussen eind 2010 en heden de volgende bewindspersonen voor gedachtewisseling te gast bij een ABDUP-overleg, waarbij geen hoge ambtenaren aanwezig waren:
Op 14 februari 2011: Minister president Mark Rutte over onderwerpen als vestigingsklimaat; positie van Nederland in de wereld; concurrentiepositie.
Op 24 november 2011: Minister van Economische Zaken Maxime Verhagen over de macro-economische situatie in Nederland; Europa; en het Topsectorenbeleid.
Op 23 november 2015: Minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem over Europa; de concurrentiepositie van Nederland in Europa/wereld; de Nederlandse groeiagenda; en de rol van de industrie in de Nederlandse economie.
PHAUSD was een overlegorgaan tussen de bedrijven Philips, Hoogovens, Akzo, Unilever, Shell en DSM met de ambtelijke top van het toenmalige DG Industrie van het Ministerie van Economische Zaken. Voor zover nog na te gaan vond dit overleg in de jaren negentig circa vier keer per jaar plaats en dateert het laatste overleg van 2002.
Kunt u tevens weergeven in die tijdlijn welke ministeries daarbij betrokken waren? Welke beleidsterreinen? Wat was het doel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid toe te geven dat de afschaffing van de dividendbelasting wel degelijk door de «Nederlandsche industrieën met groote internationale belangen» aanhangig is gemaakt? Zo nee, hoeveel boeken en/of artikelen zijn er nog nodig om dat wel toe te geven?
Zoals aangegeven op vraag 1 hoort het bij het werk van ambtenaren op ministeries om signalen van de buitenwereld te ontvangen en te wegen. Verschillende Nederlandse (beursgenoteerde) bedrijven dragen al jaren uit dat de dividendbelasting een maatregel is waar zij last van hebben in vergelijking met buitenlandse concurrenten. Dit dateert van ver voor de recente discussie over dit onderwerp. Zo is dit onderwerp uitgebreid besproken op 26 juni 2008 in een hoorzitting/rondetafelgesprek voor de vaste commissie van Financiën.2
Over welke belastingmaatregelen lobbyde ABDUP nog meer?
De ABDUP is een informeel samenkomen tussen AkzoNobel, Shell, DSM, Unilever en Philips waar allerhande onderwerpen besproken kunnen worden. Uit mijn antwoord op vraag 3 blijkt dat tussen eind 2010 en heden drie maal een bewindspersoon genodigd was. Daar zijn geen notulen van, dus kan ik deze vraag niet beantwoorden. Daarnaast is het van belang dat partijen vrijuit en in vertrouwen met de overheid kunnen spreken. Ook wordt in deze informele overleggen bedrijfsvertrouwelijke informatie gewisseld. Het is het niet aan mij om ingebrachte punten uit dergelijke overleggen naar buiten te brengen.
Duurt het honoreren van de Wob-verzoeken van Follow the Money zo lang omdat u niet wilt dat deze lobby, naast de openlijke lobby, bekend wordt?
Mijn ministerie streeft ernaar om elk Wob-verzoek binnen de wettelijke termijn af te handelen. De herkomst of het doel van de vraag noch de uitkomst ervan heeft invloed op de doorlooptijd van behandeling. Het overschrijden van de termijn kan in algemene zin wel veroorzaakt worden door bijvoorbeeld de omvang of complexiteit van een Wob-verzoek, het opvragen van zienswijze van derden, of het groeiend aantal Wob-verzoeken dat mijn organisatie te verwerken krijgt. Daar hebben we dan contact over met de verzoeker.
Bij welke milieumaatregelen kwam PHAUSD in opstand? Wanneer? Welke wetgeving is veranderd door de lobby van PHAUSD?
Ook in het verleden onderhielden ambtenaren bij het maken van beleid goed contact met de buitenwereld, waaronder met genoemde en andere bedrijven. Deze gang van zaken betekent niet dat er sprake was van ongewenste invloed op beleidvorming en wetgeving. Bovendien gold ook destijds dat het kabinet te allen tijde haar eigen afwegingen en keuzes maakt en hiervoor verantwoordelijk gehouden kan worden.
Welke politieke projecten komen naast het Innovatieplatform en Jet-Net voort uit de lobby van deze clubs?
Ik herken me niet in de bewering dat het ontstaan van het Innovatieplatform, Jet-Net of andere projecten toe te schrijven zijn aan belangenbehartiging vanuit het ABDUP-overleg.
Hoeveel publiek geld is er in dit soort projecten gestoken?
Zie antwoord vraag 9.
Lobbyen deze clubs ook bij provinciale en gemeentebesturen?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden aangezien ik geen zicht heb op de agenda en activiteiten van ABDUP.
Een falend warmtepompsysteem in Duindorp |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wijk in de kou door falend warmtepompsysteem»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij nog experimentele energiebronnen waarbij er geen alternatief is, niet de bewoners, huurders noch woningeigenaren, in het geval het experiment problemen vertoont voor de ontstane kosten zouden moeten opdraaien? Zo ja, waarom en wie zou de kosten dan wel moeten dragen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat gebruikers die zijn aangesloten op een warmtenet, en voor hun warmtevoorziening afhankelijk zijn van een monopoloïde warmteleverancier, beschermd moeten worden. Ook experimentele energiebronnen vallen hieronder. In de Warmtewet is hiervoor een aantal beschermende bepalingen opgenomen en is ook voorzien in de mogelijkheid om eventuele geschillen laagdrempelig voor te leggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. Daarnaast heeft een gebonden gebruiker van warmte de mogelijkheid om de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te vragen om handhavend op te treden ingeval van een (vermeende) overtreding van de bepalingen van de Warmtewet.
In het geval van levering van warmte door een verhuurder aan zijn huurder bevat het huurrecht gelijksoortige bepalingen.
Het is aan de geschillencommissie of – ingeval van huur – de Huurcommissie en uiteindelijk aan de rechter om uitspraken te doen over dergelijke conflicten en in samenhang daarmee de vraag wie verantwoordelijk is voor kosten. Het is niet aan mij om me te mengen in dit soort conflicten.
Deelt u de mening dat het draagvlak voor de overgang naar duurzame energie voor de verwarming van huizen afneemt als blijkt dat de nieuwe energiebron slecht werkt en bovendien duurder is dan conventionele verwarming? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor het draagvlak is het belangrijk dat warmtelevering vanuit een warmtenet zo ongestoord mogelijk plaatsvindt en dat burgers gemiddeld gesproken niet duurder uit zijn dan bij verwarming van hun huis op basis van aardgas. Daarom bevat de Warmtewet zowel bepalingen over de maximumprijs – met een koppeling met de prijs van aardgas – als over de compensatie in geval van storing en onderbreking van de warmtelevering. Omdat de koppeling tussen de aardgasprijs en de warmteprijs op langere termijn minder voor de hand ligt, wordt in het kader van de Warmtewet 2.0. gekeken naar een passend alternatief.
Deelt u de opvatting dat het gewenst is dat er bewoners moeten worden behoed voor nadeel die ontstaat omdat nieuwe innovatieve, alternatieve energiesystemen niet volgens verwachting functioneren, om teleurstellingen te voorkomen en het draagvlak voor deze systemen te behouden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u dat bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kunnen bewoners die aangesloten zijn bij de genoemde pilot in Duindorp doen om ervoor te zorgen dat zij wel een betrouwbare en betaalbare verwarming krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Wie is verantwoordelijk voor het vaststellen wat de oorzaak van de storingen is en het oplossen daarvan?
Als het gaat om problemen met de warmtelevering, dan is de warmteleverancier verantwoordelijk voor het vaststellen en het oplossen van storingen.
Bent u bereid om uw invloed aan te wenden en voorzieningen te treffen om te bewerkstelligen dat er een billijke oplossing wordt gecreëerd voor de bewoners die kampen met complicaties en kosten die hun oorzaak vinden in het warmtenet? Zo ja, wat gaat u concreet doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Voorziet de Warmtewet in compensatie van de schade voor bewoners indien de schade aan de warmtepomp zelf door externe factoren wordt veroorzaakt? Zo ja, op welke wijze voorziet die wet daarin? Zo nee, waarom niet en bent u van mening dat de wet daarop moet worden aangepast?
De Warmtewet bevat geen expliciete bepalingen over compensatie bij schade aan apparaten, zoals in dit geval de warmtepomp. De algemene verplichting in de Warmtewet om te voorzien in een betrouwbare en kwalitatief goede levering biedt naar mijn mening voldoende waarborgen. Ik zie daarom geen reden tot aanpassing van de wet op dit punt.
Oefenvluchten van Defensie boven het Waddengebied zonder hiervoor via een natuurvergunning afspraken te hebben gemaakt |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door Defensie gehouden oefenvluchten boven het Waddengebied?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het kan dat de verstoringen de afgelopen tijd met 350% zijn toegenomen?2
Tussen mei en eind juli dit jaar vonden gemiddeld 23 vliegbewegingen met jachtvliegtuigen per dag plaats vanaf vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Wadden- en Noordzee. Dit in verband met een Fighter Weapons Instructor Training (FWIT), een oefening die jaarlijks plaatsvindt. Zonder een dergelijke oefening zijn er gemiddeld drie vliegbewegingen per dag.
Kunt u aangeven of sprake is van een natuurvergunning? Zo ja, op welke wijze is de bescherming van de natuur in deze vergunning geregeld?
De vergunningaanvragen betreffen verschillende categorieën van militaire vliegactiviteiten en een variëteit aan beschermde Natura 2000-gebieden. Destijds is besloten eerst voor helikopterlaagvlieggebieden een vergunning aan te vragen, omdat regulier militair vliegverkeer op basis van de Wet luchtvaart is gebonden aan een minimum vlieghoogte en van het laagvliegen door helikopters werden de meest verstorende effecten verwacht. Die vergunning is in 2012 door de Staatssecretaris van Economische Zaken verleend aan de Minister van Defensie (Kamerstuk 33 400 X, nr. 6). Na een bezwaar- en beroepsprocedure is het vergunningtraject voor de helikopterlaagvlieggebieden met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak voltooid op 17 september 2014.
De vergunningaanvraag voor de overige militaire vliegactiviteiten boven of nabij Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder die voor de militaire vliegactiviteiten boven of nabij het Natura 2000-gebied de Waddenzee, is in voorbereiding. In maart 2018 is door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een, in opdracht van het Ministerie van Defensie opgestelde, voortoets voor verschillende categorieën militaire vliegactiviteiten akkoord bevonden.
Op basis van de voortoets is geen verdere beoordeling en daarmee geen vergunningaanvraag nodig voor militaire vliegactiviteiten voor zover die op reguliere vlieghoogten plaatsvinden, zoals het geval is bij de betreffende vliegbewegingen vanaf vliegbasis Leeuwarden naar de oefengebieden boven de Wadden- en Noordzee.
Dit komt overeen met het Natura 2000-beheerplan Waddenzee 2016–2022, waarin wordt geconcludeerd dat reguliere luchtvaart boven de minimum vlieghoogte geen effect op de instandhoudingsdoelstellingen heeft.
Het Ministerie van Defensie heeft op basis van de uitkomsten van deze voortoets aan een onderzoeksbureau opdracht gegeven om vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek richt zich op de effecten van overig militair luchtverkeer boven of nabij Natura 2000-gebied voor zover dat op een lagere hoogte dan de reguliere vlieghoogte plaatsvindt. Met de uitkomsten van deze effectenanalyse vraagt het Ministerie van Defensie in het eerste kwartaal van 2020 voor de verschillende activiteiten een vergunning aan bij het Ministerie van LNV.
Samenvattend:
Voor helikopterlaagvliegen is een vergunning verleend.
Gewone militaire vliegactiviteiten boven de reguliere wettelijke minimumhoogte zijn getoetst en niet vergunningplichtig gebleken.
Voor overig militair luchtverkeer (niet vallend onder a. en b.) boven of nabij Natura 2000-gebied is een vergunningaanvraag in voorbereiding.
Kunt u aangeven of er via deze vergunning afspraken worden gemaakt met de natuurbeschermende en natuurbeherende organisaties in dit gebied?
Bij de totstandkoming van de vergunningaanvraag voor de militaire vliegactiviteiten consulteert Defensie een klankbordgroep van natuurorganisaties. Daarbij wordt ook gesproken over de planning en voortgang.
Het ontwerpbesluit op de aanvraag zal met toepassing van de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage worden gelegd, waardoor een ieder een zienswijze kan geven op het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, waaronder de onderzoeksrapporten.
Kunt u aangeven waarom deze kwestie, waarop toenmalig SP-Kamerlid Krista van Velzen al in 2008 de toezegging kreeg dat Defensie zich zou gaan houden aan de regels met betrekking tot natuurgebieden, nog steeds niet is geregeld?3
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om in overleg met de Minister van Defensie ervoor te zorgen dat deze kwestie wordt opgelost en er via een natuurvergunning een adequate bescherming komt van de betreffende natuurgebieden?
Ja.
Bent u bereid om hierbij ook de natuurbeschermende organisaties te betrekken?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Het bericht 'Donatiewebsite plotseling offline: tienduizenden euro’s verdwenen' |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht 'Donatiewebsite plotseling offline: tienduizenden euro’s verdwenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederlanders veilig online zaken met elkaar moeten kunnen doen en dat het aan de overheid is om hiertoe de juiste voorwaarden te scheppen, spelregels af te spreken en toezicht te houden?
Ja, het kabinet deelt de mening dat Nederlanders veilig online zaken met elkaar moeten kunnen doen. Dit is ook een van de speerpunten van de Consumentenagenda van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.2 Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om de juiste voorwaarden te scheppen voor een gezond ondernemersklimaat en consumenten te beschermen waar dat nodig is.
Is bekend hoeveel websites als «Dream or Donate» er in Nederland actief zijn?
Bij de beantwoording van deze vraag, wordt er vanuit gegaan dat uw leden met «websites als Dream or Donate» doelen op crowfundingwebsites die zich richten op donaties of het ondersteunen van een project tegen een niet-financiële tegenprestatie (sponsoring of «reward-based»).
Het is niet exact bekend hoeveel dergelijke platforms er in Nederland actief zijn. De meest complete bron hiervoor is www.crowdfundingcijfers.nl. Hieruit blijkt dat er in 2018 in totaal voor 329 mln. euro gecrowdfund is in Nederland. Hiervan bestond minder dan 10% uit donaties en rewards (resp. 14 en 18 mln. euro). Deze statistiek is samengesteld op basis van de gegevens van 49 bedrijven, maar deze richten zich voor het merendeel op leningen.
Hoe is op dit moment de controle op dit type crownfundingplatformen georganiseerd? Welke wet- en regelgeving is hier van toepassing?
Crowdfunding door middel van doneren of het ondersteunen van een project tegen een (niet-financiële) tegenprestatie (sponsoring of «reward based») valt, voor zover de initiatiefnemer een consument is, onder het toezicht van de ACM. Dit houdt in dat bijvoorbeeld het verbod op oneerlijke handelspraktijken van toepassing is, maar ook dat het bedrijf gebonden is aan transparantie-eisen over zijn aanbod. Tot slot is de strafrechtketen het sluitstuk van de toepasselijke wet- en regelgeving indien sprake is van strafbare feiten.
Vindt u dat voor crowdfundingplatformen op het gebied van doneren dezelfde regels zouden moeten gelden als voor crowdfundingplatformen gericht op beleggingen en investeringen, zoals vermelding in een register, een vergunning- of ontheffingsplicht en controle door de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Bij crowdfunding door uitgifte van effecten, zoals aandelen of obligaties en crowdfunding door het uitschrijven van een onderhandse lening maakt de geldgever aanspraak op een financiële tegenprestatie in de vorm van aflossing, rente of dividend. In deze gevallen verricht het platform bemiddelende werkzaamheden ten aanzien van het verwerven van financiële instrumenten (effecten en obligaties) en het aantrekken van opvorderbaar geld van het publiek (onderhandse leningen). Het toezicht van de AFM vloeit voort uit de aard van deze activiteiten. Die aard – namelijk investeren met als doel het behalen van rendement met behulp van een bemiddelend platform – verschilt fundamenteel van de aard van crowdfunding door middel van donatie. Bij deze laatste vorm doet de geldgever moedwillig afstand van zijn of haar geld met het oogpunt een bepaald doel te ondersteunen.
Crowdfunding door middel van donatie is daarom vergelijkbaar met doneren aan meer traditionele charitatieve instellingen, bijvoorbeeld via een collectebus. Op deze activiteit is er eveneens geen toezicht van de AFM, noch is daar aanleiding voor. Voor doneren aan charitatieve instellingen geldt voor het kabinet zelfregulering als uitgangspunt.
Bent u bereid de huidige wet- en regelgeving ten aanzien van crowdfundingplatformen tegen het licht te houden om situaties als bij «Dream or Donate» in de toekomst te voorkomen?
Zoals het kabinet aangeeft in de beantwoording op de vragen van het lid Alkaya (SP), die uw Kamer gelijktijdig toekomt, moeten burgers erop kunnen rekenen dat donaties via crowdfunding op een degelijke manier behandeld worden. Evenals bij donaties aan meer traditionele charitatieve instellingen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector zelf om deze zekerheid aan consumenten te bieden. Aansluiten bij de erkenningsregeling van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), die het Ministerie van Justitie en Veiligheid middels een structurele jaarlijkse bijdrage ondersteunt vanuit zijn coördinerende rol inzake filantropie, is op basis van de criteria en de aard van crowdfunding echter niet goed mogelijk. Betrokken bedrijven, Nederland Filantropieland (NLFL) en het CBF verkennen momenteel wat nodig is zodat het publiek ook gerust kan geven via crowdfundingplatformen.3 Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een gedragscode. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en acht, mede in het licht van deze ontwikkeling, aanvullende overheidsmaatregelen niet nodig.
Is hier volgens u nog een aanvullende rol weggelegd voor het keurmerk van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), ook voor wat betreft online crowdfunding voor goede doelen?
Het CBF is een stichting die toezicht houdt op de Erkende Goede Doelen. De kennis en expertise van het CBF is zeer relevant in dit kader. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 verkent CBF momenteel samen met NLFL en partijen uit de sector de mogelijkheid tot het ontwikkelen van een gedragscode.
Het verslag van een schriftelijk overleg over het chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CVS). |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op constatering van de Gezondheidsraad, die geen reden ziet voor toepassing van graduele oefentherapie bij Myalgische Encefalomyelitis/Chronischevermoeidheidssyndroom (ME/CVS) en vindt dat gedragstherapie niet als enige behandelingsoptie aangeboden moet worden? Bent u van plan de betrokken partijen actief op deze conclusie te wijzen? Welke behandelingen zijn er voor ME/CVS-patiënten die gedragstherapie of graduele oefentherapie niet als optie zien? Deelt u de mening dat dit aanbod zeer beperkt is?1
Het is aan de betrokken zorgprofessionals om te bepalen welke behandeling geschikt is, en dit kan van geval tot geval verschillen. In mijn reactie op het advies van de Gezondheidsraad heb ik reeds aangegeven dat de behandeling moet passen bij de patiënt en heb ik zorgverleners opgeroepen om deze aandoening serieus te nemen.
Wat is uw reactie op de conclusie van de Gezondheidsraad dat verbetering van de zorg voor patiënten met ME/CVS urgent is en zo snel mogelijk moet plaatsvinden?
Ik deel de urgentie. Tegelijkertijd moet ik hierbij wel realistisch zijn over de tijd die gemoeid zal zijn met het onderzoeksprogramma dat de Gezondheidsraad adviseert op te starten. Om die reden is het belangrijk dat zorgverleners, in afwachting van nieuwe inzichten uit dat onderzoek, ook alert blijven op ontwikkelingen, waaronder in het buitenland, om de zorg voor patiënten waar mogelijk te verbeteren.
Bent u van mening dat het afwachten van de resultaten van de onderzoeken die wellicht gaan plaatsvinden binnen het onderzoeksprogramma eer doet aan deze urgentie en snelheid?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ertoe bereid naast budget voor een eventueel onderzoeksprogramma ook budget vrij te maken voor directe disseminatie van de (internationale) biomedische kennis die er al over de ziekte ME bestaat, en zo ja, hoe denkt u dat vorm te geven?
In het plan van aanpak dat ZonMw op mijn verzoek op dit moment met de patiëntenorganisaties voorbereidt, wordt onder andere aandacht besteed aan kennisverspreiding van (onder andere) internationale wetenschap en een communicatietraject gericht op het omvormen van bestaande opvattingen omtrent ME/CVS. Besluitvorming over het vrijmaken van middelen op de begroting van VWS en het beschikbaar stellen hiervan aan Zonmw, is aan de orde als het plan van aanpak beschikbaar is.
Erkent u ME als ziekte conform de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)-classificatie, waaraan Nederland zich als lidstaat van de WHO dient te houden?
Ik sluit mij aan bij de Gezondheidsraad die concludeert dat ME/CVS een ernstige chronische ziekte is die het functioneren en de kwaliteit van leven van mensen die eraan lijden substantieel beperkt. De International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD) van de WHO heeft een belangrijke functie bij het standaardiseren en vergelijkbaar maken van gerapporteerde doodsoorzaken en morbiditeit in en tussen landen. Wat als ziekte wordt bestempeld binnen de ICD is een dynamisch proces en het resultaat van input die de internationale experts aan de WHO leveren. De WHO heeft het chronisch vermoeidheidssyndroom in de ICD11 opgenomen onder nummer 8E49 «Postviral fatigue syndrom». Het erkennen van ziekten is in zijn algemeenheid geen overheidstaak. Van het expliciet van overheidswege overnemen van de diagnosen uit de ICD is gelet daarop ook geen sprake.
Wat vindt u ervan dat beroepsgroepen zich tegen een advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS keren en in een enkel geval het advies zelfs expliciet naast zich neer leggen? Gaat u hier iets aan doen?
Wanneer mij signalen bereiken dat de beroepsgroepen waarmee ik samenwerk het advies negeren, zal ik ze hierop aanspreken. Overigens heb ik daar nog geen concrete aanwijzingen voor. Het Ministerie van SZW heeft naar aanleiding van de uitspraken van de voorzitter van de NVVG (verzekeringsartsen) in de media contact gezocht met het UWV. De richtlijn van de NVVG stelt dat cognitieve gedragstherapie altijd wordt aangeboden aan en besproken met mensen met ME/CVS. Wanneer iemand om moverende redenen en in overleg met de reguliere behandelaar echter afziet van cognitieve gedragstherapie, dan is dit geen reden om aanspraak op sociale zekerheid aan cliënt te onthouden.
Bent u ertoe bereid in gesprek te gaan met wetenschappelijke verenigingen om aan te dringen op een zo spoedig mogelijke herziening of aanpassing van de behandelaanbevelingen uit de richtlijn CVS? Zo ja, wanneer gaan deze gesprekken plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Ik zie ten principale geen rol voor de overheid om zich inhoudelijk te mengen in de inhoud van richtlijnen. Aandringen op een revisie in deze zou impliceren dat VWS één richting kiest in een kwestie die professioneel controversieel is. Er bestaat immers grote verdeeldheid over de behandelaanbevelingen. Ook de commissie van de Gezondheidsraad heeft hierover geen unaniem advies kunnen geven. Sommige beroepsgroepen stellen bovendien dat de Gezondheidsraad ook geen nieuwe wetenschappelijke informatie gepresenteerd heeft. Ik ben er verder wel van overtuigd dat iedere beroepsgroep de discussie over ME/CVS scherp op het netvlies heeft staan. Onder deze omstandigheden zie ik ook geen aanleiding tot het voeren van agenderende gesprekken.
Is het correct dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zelfstandig een onderwerp op de Meerjarenagenda van het Zorginstituut Nederland kan plaatsen als het gaat om het ontwikkelen van kwaliteitsproducten? Zo ja, waarom kiest u hier niet voor als het gaat om het herzien van de richtlijn voor ME/CVS?2
Het Ministerie van VWS kan niet zelfstandig een onderwerp op de Meerjarenagenda plaatsen. Het Ministerie van VWS kan net als betrokken veldpartijen het Zorginstituut verzoeken om een onderwerp op de Meerjarenagenda te zetten. De Raad van Bestuur van het Zorginstituut neemt het besluit om dit wel of niet te doen. Dit gebeurt na advies van de Kwaliteitsraad, een adviescommissie die is verbonden aan het Zorginstituut.
Om de richtlijn voor ME/CVS te herzien is nieuwe informatie nodig en daarvoor wordt op advies van de Gezondheidsraad een onderzoeksprogramma gestart. Richtlijnen en kwaliteitsstandaarden zijn van de veldpartijen zelf. Het heeft daarom de voorkeur dat veldpartijen zelf een herziene kwaliteitsstandaard aan het Zorginstituut aanbieden en indien nodig het Zorginstituut verzoeken om deze op de Meerjarenagenda te plaatsen als ze er zelf niet uitkomen.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne op basis van het advies van de Gezondheidsraad over ME/CVS te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat een verkeerde registratie door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) grote gevolgen kan hebben voor het vervolgtraject, zoals het bepalen van een uitkering, de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid of de te ontvangen therapie?
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij geïnformeerd dat de registratie geen doorslaggevende rol heeft. Verzekeringsartsen bij het UWV onderzoeken welke functionele mogelijkheden iemand heeft, gegeven zijn klachten en beperkingen die op hun beurt zijn terug te voeren naar de achterliggende ziekte of gebrek. De door de behandelend arts gestelde diagnose ME/CVS sec is onvoldoende voor het kunnen vaststellen van de functionele mogelijkheden van betrokkene. De verzekeringsarts van het UWV stelt de functionele mogelijkheden vast, gegeven de geconstateerde beperkingen die op hun beurt het gevolg zijn van ziekte of gebrek. De diagnose die de behandelend arts heeft vastgesteld of het feit dat de cliënt wel of geen behandeling ondergaat is dus niet bepalend voor de vaststelling van de functionele mogelijkheden op het moment van de beoordeling en heeft dus geen gevolgen voor het bepalen van de uitkering.
Wat is uw oordeel over het aantal registraties op code N690 door het UWV in vergelijking met de incidentie van ME/CVS? Bent u van mening dat cliënten met ME/CVS correct geregistreerd worden door het UWV? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat een correcte registratie van ME/CVS verhoogd wordt?
Zoals aangegeven in mijn reactie op vraag 10 is de registratie niet van doorslaggevend belang in het bepalen van het recht op een uitkering.
Heeft u inmiddels het advies van de Gezondheidsraad en de signalen dat patiënten niet altijd de zorg krijgen die ze nodig hebben onder aandacht gebracht bij de gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dit is verlopen? Is er specifiek aandacht besteed aan de leerplichtambtenaren in relatie tot ME/CVS? Zo ja, op welke wijze?
In het Gemeentenieuws van 28 augustus 2019 van het Ministerie van SZW is het advies dat de Gezondheidsraad 19 maart 2019 heeft uitgebracht over ME/CVS onder de aandacht gebracht. Ik zal er in aansluiting hierop voor zorgen dat de gemeenten ook in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gewezen op het advies en gevraagd worden hiermee rekening te houden bij het uitvoeren van hun taken. Ik ga ervan uit dat de gemeenten dit vervolgens verspreiden onder alle ambtenaren die deze kennis moeten hebben, ook de leerplichtambtenaren.
Is er volgens u voldoende kennis bij zorgverleners, zoals huisartsen en specialisten, met betrekking tot diagnostisch onderzoek en behandeling bij ME/CVS? Zo nee, hoe verwacht u op korte termijn voldoende kennis te organiseren zonder bijvoorbeeld een polikliniek of expertisecentrum?
Ik heb geen signalen dat de beschikbare wetenschappelijke kennis rond ME/CVS niet op het netvlies van behandelaars staat. Dat die kennis verdiept kan worden beschouw ik als een gegeven en dat is de reden waarom in ZonMw gevraagd heb te werken aan onderzoeksagenda.
Bent u ertoe bereid in gesprek te gaan met de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de Universitair Medisch Centra (UMC’s) en de patiëntenorganisaties over hoe zij de specialistische zorg voor ME/CVS-patiënten kunnen verbeteren en hoe zij aankijken tegen het oprichten van poliklinieken?
In mijn reactie van 20 juni 2019 op de Commissiebrief van uw Kamer inzake SO Reactie op het advies van de Gezondheidsraad over ME-CVS heb ik al aangegeven bereid te zijn de komende periode in mijn gesprekken met de NFU na te gaan of er rond ME/CVS ontwikkelingen zijn die aandacht vragen. Daarbij heb ik eveneens aangegeven dat het oprichten van poliklinieken met name aan de orde zal zijn als bezoek aan zo’n polikliniek een noodzakelijke voorwaarde is om de best mogelijke zorg op basis van de huidige inzichten te ontvangen. Het advies van de Gezondheidsraad biedt daarvoor wat betreft behandeling thans geen aanknopingspunten. Ik verwacht wel dat umc’s een rol kunnen vervullen in het onderzoek naar ME/CVS, maar dat hoeft niet noodzakelijkerwijs via het inrichten van poliklinieken. Bezoek aan een polikliniek is geen noodzakelijke voorwaarde om de best mogelijke zorg op basis van de huidige inzichten te ontvangen.
Verder heeft er in juli van dit jaar een gesprek plaatsgevonden tussen de NFU en de patiëntenorganisaties, te weten Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid, ME/CVS Stichting, en ME/cvs Vereniging. In het gesprek heeft de NFU aangegeven bereid te zijn in contact te blijven en probleempunten en wensen voor te leggen aan de bestuurders.
Bent u van mening dat ME/CVS opgenomen dient te worden op de Chronische aandoeningenlijst fysiotherapie als het gaat om vergoeding van fysiotherapie?
Voor opname van een behandeling met fysio-/oefentherapie gericht op een bepaalde chronische aandoening in het verzekerde pakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is in ieder geval noodzakelijk dat zo’n behandeling bewezen effectief is. Bovendien dient het Zorginstituut te adviseren over het al dan niet opnemen in het basispakket. Dit is noodzakelijk omdat de aanspraak op fysio-/oefentherapie voor langdurige of chronische aandoeningen gesloten is geformuleerd. Dit houdt in dat de categorieën aandoeningen waarvoor langdurige fysio-/oefentherapie ten laste van de Zvw wordt vergoed, zijn omschreven in de bijlage bij het Besluit zorgverzekering (Bzv).
De Gezondheidsraad geeft in zijn advies met betrekking tot Graded Exercise Therapy (GET) aan «geen reden te zien om de toepassing van GET in Nederland aan te bevelen». ik maak hieruit op dat de Gezondheidsraad onvoldoende aanwijzingen ziet voor bewijs van de werkzaamheid van oefentherapie bij ME/CVS. Ik zie dan ook geen reden om het Zorginstituut thans om een advies te vragen over het opnemen van ME/CVS op de bijlage van het Bzv. Opname van ME/CVS op de bijlage van het Bzv is daarom niet aan de orde.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het nader in te plannen plenair verslag van een schriftelijk overleg (VSO) over dit onderwerp?
Ja.
De Wet modernisering Kleineondernemersregeling (KOR) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een update geven van de implementatie van de Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR)? Klopt het dat de implementatie per 1 januari 2020 van kracht zal worden? Zo nee, waarom niet?
De Wet modernisering kleineondernemersregeling (KOR) treedt in werking per 1 januari 2020. Ondernemers kunnen zich sinds 1 juni 2019 reeds aanmelden voor toepassing van de nieuwe KOR.
Op welke manier brengt u de omschakeling van de oude naar de nieuwe KOR onder de aandacht van de kleine ondernemer? Hoe waarborgt u dat voor alle kleine ondernemers duidelijk is wat er zal veranderen op 1 januari 2020? Welke stappen zijn hiertoe gezet?
Per 1 juni van dit jaar kunnen ondernemers zich aanmelden voor de nieuwe KOR en is de informatie over de nieuwe KOR inclusief een keuzehulp opgenomen op de website van de belastingdienst (www.belastingdienst.nl). Op het Forum Fiscaal Dienstverleners is een nieuwsbericht inclusief vlog met een uitleg over de nieuwe regeling geplaatst. Ondernemers die onder de oude KOR zijn ontheven van btw- en administratieve verplichtingen zijn per brief geïnformeerd over de nieuwe KOR en wat deze voor hen gaat betekenen.
Medio september start de publiekscampagne met commercials en (pers)berichten op radio en televisie, Google en Bing Search. De Belastingdienst zal dan ook berichten over de nieuwe KOR plaatsen op sociale media. Parallel daaraan is er overleg met de belangrijkste stakeholders (zoals de Kamer van Koophandel, de zonnepaneelbranche, ZZP-Nederland, fiscaal dienstverleners softwareleveranciers). Zij worden voorzien van communicatiemiddelen voor hun achterban. Verder zal de Belastingdienst tijdens de Intermediairdagen dit najaar de nodige aandacht besteden aan de nieuwe KOR.
Is uw verwachting dat 68.000 ondernemers die geen gebruik kunnen maken van de huidige KOR, wel gebruik zullen en kunnen maken van de nieuwe KOR, nog accuraat? Waarop is dit aantal gebaseerd? Klopt het dat dit aantal bovenop de 230.000 kleine ondernemers komt die per eind 2017 onder de KOR vielen?1
De groep gebruikers van de nieuwe KOR bestaat allereerst uit ondernemers die niet ontheven zijn van administratieve verplichtingen en gebruik maken van de huidige KOR (101.000 op basis van gegevens 2017) en uit ondernemers die niet ontheven zijn en geen gebruik (kunnen) maken van de huidige KOR (68.000 op basis van gegevens 2017). De omvang van beide groepen is bepaald aan de hand van individuele gegevens (omzet en btw) en een inschatting van welk deel geen gebruik gaat maken van de nieuwe KOR, b.v. omdat sprake is van levering van prestaties aan aftrekgerechtigde ondernemers (B2B). De verwachting is dat beide groepen op het moment van invoering van de nieuwe KOR in omvang toegenomen zullen zijn, evenredig met de groei van het aantal btw-plichtigen vanaf 2017.
Daarbovenop komt de groep van kleine ondernemers die ontheven is van administratieve verplichtingen (230.000 per eind 2017). Van deze groep is aangenomen dat zij gebruik gaat maken van de nieuwe KOR. In 2018 is deze groep aanzienlijk gegroeid door een toename van het aantal zonnepaneelhouders. Ook in 2019 wordt een aanzienlijke toename van deze groep verwacht.
Klopt het dat alle ondernemers die aan de criteria van de «oude KOR» voldoen ook per direct aan de criteria van de «nieuwe KOR» voldoen? Kunnen er gevallen zijn waarbij een ondernemer die onder de «oude KOR» valt niet voldoet aan de criteria van de «nieuwe KOR»? Om welk soort ondernemers gaat dit en in welke branches zijn zij actief? Kunt u toelichten waardoor niet alle kleine ondernemers onder de nieuwe KOR vallen? Op welke manier worden ondernemers hierover geïnformeerd?
Niet alle ondernemers die onder de oude KOR vallen voldoen per direct aan de nieuwe KOR. De oude KOR kent een btw-afdrachtdrempel en de nieuwe KOR kent een omzetdrempel. Het is mogelijk dat een ondernemer na aftrek van voorbelasting onder de afdrachtsdrempel van de oude KOR blijft, terwijl zijn omzet boven de omzetdrempel van de nieuwe KOR van € 20.000 ligt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij ondernemers die veel goederen exporteren tegen het btw-tarief van 0% of ondernemers met veel voorbelasting.
In beginsel dient iedere ondernemer zelf na te gaan op basis van zijn toekomstverwachtingen of hij aan de voorwaarden voor de nieuwe KOR voldoet en of hij zich voor deze facultatieve regeling wil aanmelden. Wel is het zo dat ondernemers die zich onder de oude KOR hebben aangemeld voor ontheffing van administratieve verplichtingen op basis van het geboden overgangsrecht automatisch worden overgezet naar de nieuwe KOR. Indien een dergelijke ondernemer in 2020 verwacht niet te voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe KOR, bijvoorbeeld vanwege een verwachte hogere omzet dan de omzetgrens van € 20.000, moet de ondernemer zelf een verzoek doen om uitreiking van aangiften als bedoeld in artikel 6 AWR.
Voor de toepassing van de oude KOR en de nieuwe KOR is niet relevant in welke branche de betreffende ondernemer werkzaam is. Daarvoor is alleen van belang wat de omvang is van de verschuldigde btw onderscheidenlijk de behaalde omzet.
Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ 29 juli 2019, C-388/18, de zaak «B» (Chiffre d’affaires du revendeur de véhicules d’occasion))?2
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van het Hof van Justitie waarin een ondernemer zijn omzet moet berekenen op basis van alle gedane betalingen/transacties en niet op basis van winstmarges?
Het HvJEU heeft een arrest gewezen waar wordt ingegaan op de vraag welke omzetgrens in het kader van de kleineondernemersregeling (KOR) geldt bij ondernemers die tevens de zogenoemde margeregeling door wederverkopers toepassen. Hiermee geeft het Hof een uitleg aan de Btw-richtlijn 2006. Deze uitleg geldt voor alle lidstaten, waardoor ook Nederland gehouden is deze uitleg te volgen. Op deze manier ontstaat er geen verschil in btw-behandeling tussen lidstaten.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van het Europese Hof van Justitie voor de Nederlandse invulling van de KOR en welke gevolgen heeft dat voor het aantal kleine ondernemers die hierdoor geen gebruik kunnen maken van de KOR?
Het arrest noopt niet tot aanpassing van de Wet OB 1968. Wel is het noodzakelijk dat het nieuwe artikel 24 Uitvoeringsbeschikking OB 1968, zoals dat in werking zou treden per 1 januari 2020, wordt ingetrokken. Op die manier wordt geregeld dat ondernemers die btw berekenen over de winstmarge, voor toepassing van de nieuwe KOR niet slechts de belaste marge maar de totaal ontvangen bedragen in aanmerking moeten nemen. Als deze ondernemers een hogere omzet hebben dan € 20.000, kunnen zij de nieuwe KOR niet toepassen.
Op basis van welk scenario in relatie tot de genoemde uitspraak is de € 20.000 tot stand gekomen: winstmarge of ontvangen betalingen als jaaromzet? Indien winstmarge, welke implicaties heeft de uitkomst van dit arrest voor de nieuwe KOR?
Bij het ramen van het aantal ondernemers dat gebruik gaat maken van de nieuwe KOR is uitgegaan van de in de aangifte vermelde btw. Voor degenen die gebruik maken van de margeregeling betekent dit dat als omzet de belaste winstmarge is genomen.
Kunt u een overzicht geven van de gehanteerde drempels (in de KOR-regeling) in andere Europese lidstaten? Klopt het dat de drempel in Nederland in vergelijking met andere Europese lidstaten lager ligt? Zo ja, waarom heeft u gekozen voor de drempel van € 20.000 en niet voor een hogere drempel die meer in overeenstemming is met andere EU-lidstaten?
Het kabinet heeft gekozen voor een omzetgrens van € 20.000 per kalenderjaar. De Btw-richtlijn 2006 voorziet in een lagere omzetgrens van € 5.000. Voor een verhoging van de omzetdrempel is daarom een derogatieverzoek ingediend bij de Europese Commissie.
Met de wettelijk vastgestelde omzetgrens van € 20.000 is de wijziging van de KOR budgetneutraal. Dat betekent dat de kosten voor de schatkist van de nieuwe KOR naar verwachting even hoog zijn als de kosten van de oude KOR. Door deze omzetgrens wordt de nieuwe KOR toegespitst op de beoogde doelgroep, namelijk (startende) ondernemers met een beperkte omzet. Deze beoogde doelgroep is ook de groep ondernemers, waarvoor het reguliere btw-proces en de toepassing van de huidige KOR in de praktijk complex is. De omzetgrens is daarnaast gekozen op een niveau dat mogelijke concurrentieverstoring met ondernemers in de belaste sfeer beperkt is.
De gemiddelde omzetgrens, exclusief het Verenigd Koninkrijk, is € 26.000. In België geldt een omzetgrens van € 25.000, in Luxemburg van € 30.000, in Denemarken van DKK 50.000 (ongeveer € 6.700, in Duitsland van € 17.500, in Oostenrijk van € 30.000 en in Verenigd Koninkrijk van £ 83.000 (ongeveer € 95.000).
Deelt u de mening dat de uitspraak van het Hof van Justitie maakt dat er minder ondernemers zijn die gebruik kunnen maken van de KOR na implementatie van de Wet modernisering kleineondernemersregeling en de uitspraak van het Hof van Justitie? Zo ja, wat gaat u eraan doen om te zorgen dat een grotere groep ondernemers onder de nieuwe KOR valt? Zo nee, waarom niet?
Ondernemers die de margeregeling voor wederverkopers of de reisbureauregeling toepassen en een omzet hebben van meer dan € 20.000 zullen de nieuwe KOR niet kunnen toepassen. Daarom zullen minder ondernemers die btw berekenen over hun belaste marge de nieuwe KOR kunnen toepassen. De uitspraak van het HvJEU geeft mij op dit moment geen aanleiding om de geldende omzetgrens, die geldt voor alle ondernemers, te verhogen.
Deelt u de mening dat de KOR een belangrijke meerwaarde vormt voor kleine ondernemers omdat op die manier de administratieve lasten voor deze ondernemers beperkt wordt?
Ja, het doel van de nieuwe KOR is een vereenvoudigde vrijstellingsregeling voor kleine ondernemers, ongeacht de rechtsvorm, om daarmee hun administratieve lasten te verlichten. De modernisering van de KOR levert een flinke vereenvoudiging van het fiscale stelsel en de uitvoering daarvan op.
Bent u bereid om de voorgestelde drempel in relatie tot de uitspraak van het Hof van Justitie te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Het arrest van het HvJEU geeft mij geen aanleiding de drempel van € 20.000, die immers geldt voor alle ondernemers die aanspraak maken op de KOR, te wijzigen. Wel wijs ik erop dat bij de behandeling van het wetsvoorstel door mij is toegezegd dat de nieuwe KOR zal worden geëvalueerd. Bij die evaluatie wil ik kijken naar het aantal meldingen voor toepassing van de nieuwe KOR en het soort ondernemer dat kiest voor toepassing van de nieuwe KOR, zodat een beter beeld wordt gekregen van het daadwerkelijke gebruik van de aangepaste regeling. Mocht de evaluatie daar aanleiding voor geven, dan kan de omzetgrens, zo nodig na het verkrijgen van een derogatie, worden bijgesteld.
Klopt het dat de nieuwe regeling consequenties heeft voor de facturen naar klanten, bijvoorbeeld in geval van lopende contracten of bij vervallen van de KOR als een ondernemer rond de drempel van € 20.000 euro zit of bij het leveren van vrijgestelde diensten? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het argument dat de nieuwe regeling tot minder administratieve verplichtingen zal leiden?
Zolang er aan de KOR-voorwaarden wordt voldaan, is de ondernemer vrijgesteld van btw en de daaraan verbonden administratieve verplichtingen. Overschrijding van de omzetdrempel betekent een omslag naar btw-plicht en desbetreffende administratieve verplichtingen. Het is dan ook van belang dat de ondernemer van tevoren een zo goed mogelijke inschatting maakt van zijn verwachte jaaromzet. Hier zit uiteraard een onzekere factor aan en het kan gebeuren dat de ondernemer in de loop van een kalenderjaar onverwachts toch een dusdanig hoge omzet genereert dat hij boven de omzetgrens komt. Mede daarom is ervoor gekozen om bij een eventuele overschrijding van de omzetgrens de vrijstelling niet met terugwerkende kracht te laten vervallen. Dit in tegenstelling tot de oude KOR, die bij overschrijding gedurende het jaar kan leiden tot correcties van de reeds genoten vermindering in eerdere kwartaalaangiften voor dat jaar. Wordt gedurende een jaar de omzetgrens van de nieuwe KOR overschreden, dan heeft dat tot gevolg dat alle leveringen en diensten die worden verricht na die overschrijding en de omzetgrensoverschrijdende handeling zelf niet langer onder de vrijstelling vallen. Van de ondernemer wordt gevraagd dit goed te monitoren en hij zou hier voor lopende contracten op voorhand rekening mee kunnen houden door bijvoorbeeld prijsafspraken exclusief eventueel verschuldigde btw te maken.
Kunt u toelichten of het btw-nummer op de factuur vervalt aangezien in de nieuwe regeling een kleine ondernemer vrijgesteld is van btw? Wat zijn de gevolgen hiervan in de praktijk omdat in deze situatie de rekening niet voldoet aan de factuurvereisten (en daarmee verwarring en twijfel over ondernemerschap)? In hoeverre heeft dit consequenties of leidt dit tot verwarring over de status van de arbeidsrelatie?
De factuurvereisten voor de btw dienen de heffing van btw. Ingeval van toepassing van de nieuwe KOR is er geen btw verschuldigd en is de ondernemer niet gehouden aan vermelding van een geldig btw-nummer op zijn facturen. Dit geldt overigens ook al voor ondernemers die onder de oude KOR hebben gekozen voor ontheffing van administratieve verplichtingen. Toepassing van de nieuwe KOR is alleen aan de orde als voor de btw sprake is van ondernemerschap. Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de hieraan ten grondslag liggende Btw-richtlijn. De beoordeling van ondernemerschap voor de btw en toepassing van de nieuwe KOR zijn niet van invloed op andere, al dan niet fiscale regelgeving.
Kunt u de vragen één voor één en vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Nederlandse hulp aan gevangenen in buitenland berust op willekeur’ |
|
Bram van Ojik (GL), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Michiel van Nispen (SP), Joël Voordewind (CU), Martijn van Helvert (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de NOS-berichten «Nederlandse hulp aan gevangenen in buitenland berust op willekeur» en «Grapperhaus: kwestie-Van Laarhoven uitzonderlijk»?1
Ik ben bekend met deze berichten.
Kunt u bevestigen dat dhr. Singh, net als dhr. Van Laarhoven, in de vijf jaar voorafgaand aan zijn arrestatie niet op enig moment in Nederland heeft gewoond?
Ik kan geen uitspraken doen over lopende zaken en individuele gevallen.
Klopt het dat dit bindingscriterium van vijf jaar pas na de arrestatie van de dhr. Singh in werking is getreden? Zo nee, waarom niet?
Een WOTS-verzoek zal altijd worden behandeld naar de op dat moment geldende regelgeving. Daarbij wordt niet gekeken naar de regelgeving op het moment van arrestatie of veroordeling.
Kan naar aanleiding van het overleg van de Minister van Justitie en Veiligheid met de Thaise premier en de Thaise Minister van Justitie over de kwestie-Van Laarhoven worden aangenomen dat het bindingscriterium van vijf jaar is losgelaten of dat dit bindingscriterium in ieder geval niet een dusdanig harde eis is waar niet van kan worden afgeweken?2 Kunt U de Kamer op de hoogte stellen van de nieuwe criteria voor overplaatsing van gedetineerden in het buitenland?
De veronderstelling dat in de casus van Van Laarhoven niet vast wordt gehouden aan de bestaande criteria is onjuist. Ook voor de heer Van Laarhoven zal worden getoetst aan de bestaande criteria, zoals deze onder meer volgen uit het beleidskader inzake de overdracht van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen aan Nederland. In dit beleidskader wordt toegelicht welke gedetineerden in aanmerking komen voor overbrenging naar Nederland, of anders gezegd aan welke voorwaarden moet worden voldaan om naar Nederland te kunnen worden overgebracht.
Wat maakt de zaak van dhr. Van Laarhoven uitzonderlijk?
Tijdens het Kamerdebat van 25 april jl. heeft de Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer verteld dat hij zich de situatie van dhr. Van Laarhoven en zijn partner zeer aantrekt. Dit doet hij onder andere omdat hier sprake is van een uitzonderlijke zaak, waarin de Nationale ombudsman concludeerde dat het overheidshandelen, in dit geval het handelen van de politie, het Openbaar Ministerie, en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, onzorgvuldig is geweest. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft toen ook aangegeven dat hij zich zal inspannen om de kans op onzorgvuldig handelen in de toekomst verder te verkleinen, én om te bezien welke mogelijkheden er zijn om dhr. Van Laarhoven en zijn partner naar Nederland over te brengen.
Deelt u de mening dat de zaak-Jaitsen Singh ook als uitzonderlijk kan worden aangemerkt vanwege de bedenkelijke rechtsgang, zoals het feit dat de Amerikaanse officier van justitie belast met de zaak zelf werd veroordeeld wegens het arrangeren van belastend bewijs?
Uw Kamer is uitvoerig geïnformeerd over de situatie van de heer Singh.4 In antwoorden op Kamervragen is gemeld dat de Nederlandse overheid niet kan treden in de rechtsgang van andere landen.5 Tevens is hierbij nog relevant te vermelden dat de Nationale ombudsman in het kader van een door de advocaat van de heer Singh ingediende klacht over de vermeende fouten heeft geoordeeld dat hij de nadere motivering van de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie gezien de normen van behoorlijkheid voldoende acht.
Deelt u de mening dat de zaak-Jaitsen Singh ook als uitzonderlijk kan worden aangemerkt vanwege het verwijt van de Volkskrant dat de Nederlandse overheid jarenlang grote steken heeft laten vallen ten aanzien van dhr. Singh?3
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete inspanningen heeft u tot nu toe verricht om dhr. Singh naar Nederland te halen?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van uw Kamer van 21 juli 2017 heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden waarbij alle beschikbare informatie, waaronder de informatie van het consulaat-generaal in San Francisco zorgvuldig is getoetst.6 In de onderzoeksfase is op verschillende momenten discussie gevoerd over de vraag of de heer Singh op humanitaire gronden naar Nederland zou kunnen worden overgebracht. Zoals ook is aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen is na toetsing aan de geldende regelgeving de conclusie getrokken dat het VOGP en de WOTS geen basis bood voor overbrenging, ook niet op humanitaire gronden.
Verder heeft Nederland diplomatieke inspanningen verricht door meermaals de verzoeken van de advocaat van de heer Singh om vervroegde vrijlating in het kader van parole en gratie bij de Amerikaanse autoriteiten actief te ondersteunen.
Deze verzoeken hebben niet tot een voor de heer Singh positief resultaat geleid.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken het verzoek in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) van dhr. Singh faciliteert?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) verleent consulaire bijstand aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland. Aan de hand van de JenV-brochure over de WOTS informeert BZ Nederlandse gedetineerden in het buitenland in algemene zin over deze wet. Daar waar dit nodig en wenselijk is, kan BZ ook eventueel zorgen voor doorgeleiding van stukken. Tot zover reikt de betrokkenheid van BZ bij een verzoek in het kader van de WOTS.
Heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid het WOTS-verzoek van dhr. Singh inmiddels onder ogen gekregen? Zo ja, hoe heeft het ministerie dit verzoek beoordeeld? Klopt het dat de Verenigde Staten geen WOTS-procedure opstart indien Nederland een WOTS-verzoek afkeurt?
Zoals is vermeld in antwoorden op eerdere Kamervragen hebben de Amerikaanse autoriteiten nooit een officieel verzoek tot overdracht van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis van de heer Singh gedaan. Wel hebben de Verenigde Staten bij brief van 3 maart 2015 informatie gevraagd aan Nederland met het oog op een mogelijke procedure op grond van de WOTS. Belangrijke vragen waren onder meer op welke wijze de in de Verenigde Staten opgelegde straf tenuitvoergelegd zou worden in Nederland en of Nederland – op het moment dat een WOTS-verzoek zou worden gedaan de straf om- of voort zou zetten.
Zoals eveneens is vermeld in voornoemde antwoorden heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie deze vragen bij brief van 23 juli 2015 beantwoord. Kort samengevat werd in deze brief uiteengezet dat het VOGP in het geval van de heer Singh geen basis bood voor overdracht van het strafvonnis omdat7 de binding van de heer Singh met de Nederlandse samenleving als onvoldoende werd beoordeeld en er8 na overdracht geen strafrestant meer zou resteren om te executeren. Deze conclusie is – zoals gezegd – getrokken na zorgvuldige toetsing van alle beschikbare informatie – waaronder die van het Nederlandse consulaat-generaal te San Francisco – aan de geldende regelgeving en het geldende beleid.
Hoe heeft u de brieven van dhr. Singh en zijn advocaat beoordeeld en beantwoord?
Ik vind het niet passend om daarover uitspraken te doen, nu het gaat om correspondentie tussen de heer Singh en diens advocaat en mij.
Bent u bereid om ook een serieuze inspanning te leveren voor de uitzonderlijke zaak van dhr. Singh en de Amerikanen te vragen een officieel verzoek om overbrenging in te dienen?
Wanneer een buitenlandse strafprocedure is afgerond, is het aan de gedetineerde, om bij de betreffende autoriteiten in het land van detentie kenbaar te maken in aanmerking te willen komen voor strafoverdracht op basis van een daartoe strekkend verdrag (zoals bijvoorbeeld het VOGP). Indien dit het geval is, kan – afhankelijk van het geldende verdrag – het land van veroordeling, dan wel het land van gewenste tenuitvoerlegging de procedure starten om tot overdracht van het vonnis te komen. Deze mogelijkheid en procedure op grond van de WOTS gelden ook voor de heer Singh. Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 10 hebben de Amerikaanse autoriteiten nooit een officieel verzoek gedaan tot overdracht van de tenuitvoerlegging van het strafvonnis van de heer Singh.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De beantwoording van de vragen 6 en 7 is gezamenlijk geschied, omdat het antwoord op beide vragen gelijkluidend is. Voorts zijn deze vragen beantwoord zo snel als mogelijk was.
Het bericht dat een kwart van de ggz-instelling 2018 afsloten met rode cijfers |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kwart ggz-instellingen in het rood»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht en van het rapport van Intrakoop en Verstegen dat in het bericht wordt genoemd.
Kunt u toelichten waarom een deel van de verleende zorg door ggz-instellingen niet wordt vergoed door gemeenten en verzekeraars? Bent u van mening dat deze gang van zaken gewenst is?
Verzekeraars, gemeenten en zorgaanbieders maken afspraken met elkaar over de te leveren zorg en de betalingen die daarbij horen. Die afspraken worden vastgelegd in contracten die zij met elkaar sluiten. Het is daarbij onder meer van belang dat partijen een goede inschatting maken van de verwachte zorgvraag en tijdig overgaan tot aanvullende afspraken als dat nodig is (het zogenoemde bijcontracteren).
In het Hoofdlijnenakkoord GGZ 2019–2022 zijn afspraken gemaakt over het verbeteren van het proces van bijcontractering tussen zorgverzekeraars en aanbieders. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zal in de volgende monitor contractering GGZ, die begin 2020 wordt verwacht, aandacht besteden aan dat proces van bijcontracteren. In de monitor contractering GGZ van mei 2019 signaleerde de NZa nog ruimte voor verbetering. Overigens houdt de NZa daarnaast regulier toezicht op het nakomen van de zorgplicht van zorgverzekeraars.
Mocht er bij de contractering overigens een conflict ontstaan tussen een zorgaanbieder en een verzekeraar of gemeente, dan kunnen partijen dat aan de rechter voorleggen. Voor de afspraken tussen verzekeraars en zorgaanbieders geldt dat als partijen de indruk hebben dat de afspraken niet nagekomen worden, zij daarvoor ook terecht kunnen bij een onafhankelijke instantie: de geschillencommissie zorgcontractering.
Deelt u het inzicht dat het genoemde gebrek aan arbeidskrachten niet zal worden verholpen door het feit dat geleverde zorg niet wordt vergoed en zelfs in toenemende mate de situatie in de ggz verslechterd?
Het gebrek aan arbeidskrachten is in eerste instantie een capaciteitsprobleem. Het gaat erom mensen voor de ggz te werven en bestaand personeel te behouden. Dit is een forse uitdaging voor de betrokken partijen.
GGZ Nederland zet daartoe met haar arbeidsmarktagenda in op investeringen in strategische personeelsplanning, aantrekkelijk werkgeverschap en behoud van personeel.
VWS ondersteunt de sector via het bekostigen van opleidingsplaatsen op basis van de ramingen door het Capaciteitsorgaan. Dat orgaan berekent het aantal benodigde opleidingsplekken voor ggz-beroepen. Daarmee komen er voldoende opleidingsplaatsen beschikbaar om aan de verwachte vraag naar ggz-personeel te kunnen voldoen. Daarnaast zet VWS met het actieprogramma «Werken in de Zorg» breed in op de beschikbaarheid van voldoende, goed toegerust en tevreden personeel. Daarvoor wordt onder meer op het opleidingsinstrument SectorplanPlus ingezet. Dit is met name gericht op nieuwe (zij-)instroom en we verbreden het voor het komende vierde tijdvak naar de inzet op behoud van personeel.
Deelt u de mening dat deze ontwikkelingen die leiden tot een afname in investeringen in bijvoorbeeld vastgoed en onderhoud bijdragen aan een onhoudbare situatie in de toekomst?
Als geleverde zorg niet wordt vergoed kan dat, afhankelijk van de context en omstandigheden, tot financiële problemen bij ggz-aanbieders leiden.
Dat kan invloed hebben op de financiële mogelijkheden van die zorgaanbieders om te investeren in bijvoorbeeld personeelsbeleid of (onderhoud van) vastgoed. In mijn antwoord op vraag 6 ga ik verder in op de ontwikkeling van de financiële positie van ggz-instellingen
Acht u het aannemelijk dat deze ontwikkelingen zullen leiden tot een perverse prikkel met als gevolg dat ggz-instellingen de afweging zullen maken iemand wel of niet te behandelen gebaseerd op hoe duur de zorg is die diegene nodig heeft? Zo nee, waarop baseert u dat vertrouwen?
Ik acht dit niet aannemelijk. Verzekeraars en gemeenten hebben ook ten aanzien van dure cliënten een zorgplicht. Het is aan zorgverzekeraars, gemeenten en ggz-aanbieders om afspraken te maken die voorkomen dat patiënten die langer of intensiever zorg nodig hebben, worden geweerd, enkel omdat de zorg voor hen relatief duur is. Voor de afspraken tussen verzekeraars en aanbieders geldt dat de bekostiging van de ggz hierbij geen belemmerende factor vormt. De huidige bekostiging is grotendeels gebaseerd op tarieven per klasse van behandelminuten. Hoe hoger de klasse, des te hoger het tarief. Gemiddeld zijn de jaarlijks door de NZa vastgestelde tarieven kostendekkend.
Dit laat onverlet dat de kosten die een zorgaanbieder maakt onder specifieke omstandigheden hoger kunnen zijn dan de vergoeding die ontvangen wordt, bijvoorbeeld als een zorgaanbieder meer zorg verleent bovenop hetgeen contractueel is afgesproken met een verzekeraar (bijvoorbeeld via een omzetplafond). In zo’n situatie ontstaat er bij die zorgaanbieder (tenzij contractafspraken dat verhinderen) een prikkel om een patiëntenstop in te voeren. De behandeling van patiënten met zowel een lichte als met een zware zorgvraag is dan verliesgevend voor die zorgaanbieder. Zorgverzekeraars moeten dan uit hoofde van hun zorgplicht passende zorg voor al deze patiënten regelen. Dat kan bij dezelfde zorgaanbieder (door bij te contracteren) of door hun verzekerden naar een andere zorgaanbieder te bemiddelen.
Kunt u uitleggen waardoor het nettoresultaat van ggz-instelling daalde met maar liefst 65% terwijl het aantal cliënten met 11% steeg en de gemiddelde kosten per cliënt stegen met 3,9%? Maakt u zich zorgen over deze ontwikkeling? Zo ja, welke stappen bent u van plan te zetten in reactie hierop?
De belangrijkste factoren die volgens het rapport van Intrakoop en Verstegen de negatieve ontwikkeling van het gemiddelde financiële resultaat in de ggz in 2018 verklaren, zijn de stijging van kosten van de inzet van personeel (en in het bijzonder de stijging van de kosten van «personeel niet in loondienst») en het feit dat ggz-instellingen door gemaakte contractafspraken niet alle geleverde zorg vergoed krijgen. Als deze negatieve ontwikkeling zich onverkort zou voortzetten, zou dat inderdaad reden zijn tot zorg.
In het Hoofdlijnenakkoord GGZ 2019–2022 zijn afspraken gemaakt die aangrijpen op deze factoren. Zo zijn in het Hoofdlijnenakkoord maatregelen afgesproken om arbeidsmarktknelpunten aan te pakken en om het proces rond verzoeken tot bijcontracteren beter te laten verlopen (zie ook mijn antwoorden op de vragen 2 en 3).
Over de uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord vindt periodiek overleg plaats met partijen in de ggz. Eventuele knelpunten bij de uitvoering, kunnen daar worden besproken.
Uit de analyse van Intrakoop en Verstegen blijkt dat het jaar 2018 vooral voor grotere ggz-instellingen een financieel moeilijk jaar is geweest. Uit de jaarrekeningen van enkele grote ggz-instellingen die over 2018 verlies leden, blijkt dat zij inmiddels over 2019 betere afspraken met verzekeraars en/of gemeenten hebben gemaakt dan verwacht en dat zij mede hierdoor over 2019 betere financiële resultaten verwachten. We zullen moeten afwachten hoe de financiële resultaten in de ggz zich in 2019 uiteindelijk zullen ontwikkelen. Ik blijf dat aandachtig volgen, maar vooralsnog stemmen dit soort signalen mij hoopvol.
Omdat zorgaanbieders, verzekeraars en gemeenten voldoende ruimte hebben om passende vergoedingsafspraken te maken en gelet op de afspraken in het Hoofdlijnenakkoord, heb ik het vertrouwen dat de ggz-sector genoeg instrumenten in handen heeft om de neerwaartse ontwikkeling wat betreft het financieel resultaat van ggz-aanbieders te kunnen keren.
Het bericht dat vogels doof en agressief worden van vliegvelden |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vogels rondom vliegvelden mogelijk doof en agressief»1 en het bijbehorende onderzoek «Aircraft sound exposure leads to song frequency decline and elevated aggression in wild chiffchaffs»?2
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat, naast de veiligheidsrisico’s door de verhoogde kans op botsingen met vliegtuigen, ook niet langer kan worden uitgesloten dat de gezondheid van vogels ernstig wordt aangetast door de aanwezigheid van vliegvelden op de manier zoals in het genoemde onderzoek beschreven staat? Zo nee, waarom niet?
Omdat het onderzoek beperkt is, is grootschalige gezondheidsschade niet aangetoond. De onderzoekers van het in vraag 1 genoemde onderzoek, geven dit in hun publicatie zelf ook aan: «However, a direct impact of intermittent, high–level aircraft noise on birds» behaviour living close to a runway has not been studied in detail.».
Deelt u de mening dat het niet acceptabel is dat vogels op deze manier grootschalige gezondheidsschade oplopen door toedoen van de luchtvaart? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze gaat de nu verkregen kennis alsnog onderdeel uitmaken van het afwegingskader waarbinnen, conform de motie Van Raan/Kröger (Kamerstuk 31 936, nr. 600), grenswaarden zullen worden opgesteld voor de luchtvaart?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 en 3 toont het onderzoek geen grootschalige gezondheidsschade aan. De resultaten van het onderzoek zullen daarom niet betrokken worden bij op te stellen beleid en milieueffectrapportages. Bij milieueffectrapportages in relatie tot de ontwikkeling van luchthavens wordt overigens altijd getoetst op de gevolgen voor beschermde flora en fauna.
Op welke wijze gaat de nu verkregen kennis alsnog onderdeel uitmaken van de milieueffectrapportages (MER) die ten grondslag liggen aan de luchthavenbesluiten van alle Nederlandse luchthavens?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat de nu verkregen kennis alsnog onderdeel uitmaken van het afwegingskader waarbinnen u tot het besluit gekomen bent dat Schiphol zou kunnen groeien, terwijl krimp nodig is om de luchtvaart binnen de grenzen van klimaat, leefomgeving en veiligheid van mens en dier te brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze gaat de nu verkregen kennis alsnog onderdeel uitmaken van het afwegingskader waarbinnen u beslissingen zal nemen over de verdere ontwikkeling van het aantal vliegbewegingen op Schiphol?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat een besluit over het openen van Lelystad Airport voor groot commercieel vliegverkeer niet genomen kan worden voordat een zo volledig mogelijk beeld bestaat over de gezondheidsschade voor mens en dier rondom de luchthaven? Zo nee, waarom niet?
Voor Lelystad Airport is de leefkwaliteit van de vogels uitvoerig onderzocht. Conform het Aldersadvies uit 2014 is de vlieghoogte boven Natura 2000 gebieden minimaal 3000 voet. Op deze wijze wordt voorkomen dat er verstoring van beschermde vogels door groot luchtverkeer aan de randen van de Flevopolder en in de aangrenzende Natura 2000-gebieden zal plaatsvinden. Daarnaast zijn de routes zo gekozen dat niet over de Oostvaardersplassen wordt gevlogen.
In het MER zijn de mogelijke effecten op de natuur in beeld gebracht, net zoals dat voor de andere milieuaspecten is gebeurd. Hierbij is zowel gekeken naar Natura 2000 gebieden als de Ecologische Hoofdstructuur en stiltegebieden. De conclusie uit dat onderzoek is dat er geen vernietiging van natuur- of leefgebied plaatsvindt; er vindt geen verdroging of vernatting plaats en de uitbreiding veroorzaakt geen barrière-werking. Daarnaast zal er geen sprake zijn van achteruitgang van de ongereptheid en natuurlijkheid van de stiltegebieden.
Het is niet mogelijk de resultaten van het onderzoek «Aircraft sound exposure leads to song frequency decline and elevated aggression in wild chiffchaffs» een op een te vertalen op de situatie van Lelystad Airport. Zoals bij de beantwoording van de vragen 2 en 3 al is aangegeven, is het betreffende onderzoek beperkt. Uit het MER Lelystad Airport, Deel 4G: Deelonderzoek Beschermde planten & dieren blijkt dat het aantal voorkomende vogelsoorten in het landbouwgebied in de omgeving van Lelystad Airport zeer beperkt is en dat de invloed van het vliegverkeer op dit gebied alsmede de natuurgebieden in de omgeving voldoende is onderzocht.
Gelet op het bovenstaande zie ik geen reden tot het wijzigen van de reeds uitgevoerde MER. Het MER voldoet aan de huidige wet- en regelgeving en is getoetst door de Commissie voor de m.e.r.
Erkent u dat het openen van Lelystad Airport, pal naast vogelrijke natuurgebieden, gezondheidsschade zal opleveren voor de aldaar aanwezige vogels op de manier die in het genoemde onderzoek beschreven staat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u uitsluiten dat de vele vogels rondom Lelystad Airport gezondheidsschade oplopen door de opening van dit vliegveld op de manier die in dit onderzoek beschreven staat? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is deze kennis meegenomen in de geactualiseerde MER Lelystad Airport?
Zie antwoord vraag 8.
Indien deze kennis daarin niet is meegenomen, deelt u dan de mening dat de geactualiseerde MER Lelystad Airport nu niet langer compleet is zonder dat deze kennis over doofheid en toenemende agressie bij vogels rond vliegvelden wordt meegenomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u van mening dat de geactualiseerde MER Lelystad Airport opnieuw geactualiseerd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Indien u de geactualiseerde MER Lelystad Airport niet opnieuw laat actualiseren, hoe gaat u dan borgen dat deze kennis over doofheid en toenemende agressie bij vogels rond vliegvelden alsnog wordt meegenomen in de besluitvorming rond Lelystad Airport?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 4 t/m 7 geeft dit onderzoek geen aanleiding om resultaten te betrekken bij nieuw beleid of op te stellen milieueffectrapportages. Derhalve is een heroverweging van het besluit om Lelystad Airport te openen voor 45.000 vliegtuigbewegingen niet aan de orde.
Bent u bereid om deze of andere onderzoekers de opdracht te geven om de potentiële gezondheidsschade voor vogels rond Lelystad Airport te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om deze of andere onderzoekers de opdracht te geven om deze studie uit te breiden naar andere diersoorten en luchthavens in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Deelt u de mening dat het niet openen van Lelystad Airport een zege zou zijn voor de gezondheid van de vogels rondom Lelystad Airport? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Erkent u dat het niet openen van Lelystad Airport een betere vorm van natuurbescherming zou zijn dan het wel openen van Lelystad Airport? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Het ontbreken van informatie op verpakkingen t.b.v. recycling |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van Natuur & Milieu «Duurzaamheid verpakkingen in de supermarkt»?1
Ja.
Deelt u de algehele conclusie dat de afvalstroom van verpakkingen in Nederland onnodig groot en complex is, waardoor sortering en recycling onnodig ingewikkeld, duur of zelfs onmogelijk wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik streef naar een circulaire verpakkingsketen waarbij het niet enkel om recycling gaat, maar waarbij het proces begint met een circulair ontwerp van de verpakking zodat deze aan het einde van de keten weer gerecycled en teruggebracht kan worden in de keten.
In het kader van de producentenverantwoordelijkheid heeft het bedrijfsleven per 1 januari 2019 tariefdifferentiatie ingevoerd. De verwachting is dat deze maatregel de recyclebaarheid van verpakkingen zal verbeteren.
In dit kader zijn er ook afspraken gemaakt in het Plastic Pact, enerzijds om minder plastic te gebruiken en anderzijds om de verpakkingen zodanig te ontwerpen zodat deze gerecycled kunnen worden. Daarnaast zie ik dat de producenten in de tweede ronde van de brancheverduurzamingsplannen werken aan structurele verduurzaming van de verpakkingsketen.
Als het gaat om recycling, wordt 78% van alle verpakkingen in Nederland gerecycled.
Dat neemt niet weg dat veel consumentenverpakkingen door combinatie van verschillende materialen en de toevoeging van additieven complex is. Dit bemoeilijkt hoogwaardige recycling en hergebruik van deze verpakkingen. Die conclusies uit het rapport deel ik. Op alle onderdelen van de keten moeten stappen gezet worden zodat er geen onnodig materiaal wordt gebruikt en dat consumentenverpakkingen minder complex en goed recyclebaar worden.
Wat vindt u ervan dat vooral de recycling van kunststof verpakkingen achterblijft? Deelt u de mening dat het gescheiden inzamelen van de helft van de plastic verpakkingen en het recyclen van de helft daarvan onvoldoende resultaten zijn?
De voorstelling dat in Nederland slechts de helft van de helft van de verpakkingen wordt gerecycled, is incorrect en volgt ook niet uit het rapport.
In Nederland wordt 50% van de kunststof verpakkingen gerecycled. Daarmee loopt Nederland in Europa op kop. Ik wil de wettelijke recyclingdoelstelling zoals die is opgenomen in het verpakkingenbesluit verder verhogen. Daarbij dien ik rekening te houden met de verbeterde meetmethode zoals die volgt uit de EU-richtlijn. Ik zal uw Kamer daar binnenkort over informeren.
Hoe verhouden deze resultaten zich tot het door u afgesloten Plastic Pact?
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 wordt in Nederland 50% van de kunststof verpakkingen gerecycled. In het pact heb ik afgesproken dat dat in 2025 70% moet zijn, conform de verbeterde meetmethode zoals die volgt uit de EU-richtlijnen. Hier hebben de koplopers zich aan gecommitteerd. Momenteel wordt geïnvesteerd in de uitbreiding van de sorteer- en (mechanische en chemische) recyclingcapaciteit voor kunststoffen in Nederland. Daarnaast wil ik de wettelijke recyclingdoelstelling in het verpakkingenbesluit verhogen. Daarmee zorg ik ervoor dat de doelen voor alle producenten ambitieus zijn. Binnenkort informeer ik uw Kamer over de recycledoelen voor verpakkingen.
Deelt u de conclusie dat de grote hoeveelheid verschillende soorten materialen in verpakkingen het voor consumenten moeilijker maakt om bij te dragen aan de circulaire economie? Deelt u de conclusie dat er een ontsnappingsclausule in de wet zit, waardoor esthetische eisen van de fabrikant (marketing) kunnen leiden tot onduurzame verpakkingen (alhoewel dit volgens de vragenstellers geen tegenstelling hoeft te zijn)?
Ik zie dat bedrijven hun verpakkingen willen verduurzamen en minder plastic willen gebruiken. Alleen pakt deze ontwikkeling niet altijd positief uit. In hun inzet om het gebruik van plastic terug te dringen, gebruiken bedrijven combinatieverpakkingen van verschillende materialen, die in de praktijk recycling verder bemoeilijken.
Om die reden is er in het Plastic Pact afgesproken dat plastic producerende bedrijven onderzoek doen naar innovatieve plastic monomaterialen die de juiste eigenschappen hebben en moeilijk recycleerbare plastic- en combinatieverpakkingen kunnen vervangen.
Wat betreft de tweede vraag, dienen producenten voor de verduurzaming van verpakkingen iedere keer per specifiek product een brede afweging te maken op basis van de aard en functionaliteit van het product en de verpakking. De wettelijke essentiële eisen verplichten producenten dit te doen.
Ik deel de visie dat deze eisen nog te veel ruimte laten. Deze eisen dienen op EU-niveau te worden aangescherpt en dat is nu ook aan de orde. De Europese Commissie is momenteel bezig met een onderzoek naar de effectiviteit van deze eisen om vervolgens te kijken hoe deze aangescherpt kunnen worden. Dit is ook het juiste niveau voor de aanscherping. Nederland is voorstander van de aanscherping en zet zich daarvoor in.
Deelt u de conclusie dat door incomplete, onduidelijke of ontbrekende instructies slechts iets meer dan de helft (55%) van de verpakkingen een voor de consument toereikende aanduiding heeft in welke afvalbak een bepaalde verpakking moet?
Ik heb geen onderzoek gedaan naar instructies op verpakkingen, maar heb geen reden om aan de cijfers van Natuur en Milieu te twijfelen. In mijn ogen heeft Natuur en Milieu een gedegen onderzoek gedaan.
Ik streef ernaar dat afvalscheiding voor de burger eenvoudig en begrijpelijk wordt. In ongeveer 80% van de gemeenten met bronscheiding wordt verpakkingsafval nu via PMD ingezameld. Ik wil dat de combinatie van PMD-inzameling voor bronscheidende gemeenten het algemene uitgangspunt wordt en om dit te bereiken werk ik hiervoor samen met de VNG en het verpakkende bedrijfsleven. Als PMD-inzameling de standaard is, hoeven consumenten ook niet uitgebreid geïnstrueerd te worden. Alle verpakkingen, mits leeg, horen dan in de PMD-bak/zak. De enige uitzonderingen hierop zijn glas en oud-papier, stromen waarvan de consument al decennia gewend is ze te scheiden.
Wat vindt u ervan dat een aanzienlijk deel van de verpakkingen (9–22% plus verpakkingen die door bijvoorbeeld een etiket niet recyclebaar zijn) helemaal niet recyclebaar zijn?
Ik wil toe naar een situatie waarin alle verpakkingen recyclebaar zijn. Daarvoor zijn de producentenverantwoordelijkheid en de tariefdifferentiatie belangrijke instrumenten. In het Plastic Pact heb ik 100% recyclebaarheid in 2025 afgesproken. Het percentage uit dit Natuur en Milieurapport is lager dat het percentage dat uit een eerdere studie van de Wageningen Universiteit naar voren is gekomen. Daar werd gesproken over 28% niet recyclebare-verpakkingen.
Kunt u aangeven in welke mate bedrijven doen wat er beloofd wordt in de brancheverduurzamingsplannen (uit de Raamovereenkomst Verpakkingen)? Welke mogelijkheden ziet u om deze plannen effectiever te maken? Is het algemeen verbindend verklaren van deze plannen bijvoorbeeld een manier om ze effectiever te maken?
Ik heb geen mogelijkheid ze algemeen verbindend te verklaren, omdat een branche niet een erkende entiteit is in het Besluit beheer verpakkingen. Als onderdeel van het wettelijke kader, werk ik wel aan het aanscherpen van de essentiële eisen op EU-niveau zodat de inspectie hier beter op kan handhaven.
De brancheverduurzamingsplannen bevatten daarnaast de ambities van het bedrijfsleven zelf, deze worden door het Kennisinstituut Duurzaam Verpakken gemonitord.
Herinnert u zich uw toezegging bij het debat over de begroting van het ministerie Infrastructuur en Waterstaat 2019 om met het bedrijfsleven in gesprek te (blijven) gaan over de recyclebaarheid van verpakkingen en eenduidige informatie voor de consument? Wat hebben deze gesprekken opgeleverd?
Er is sindsdien onder andere het Plastic Pact NL afgesloten. Dit is het rechtstreekse gevolg van de bedoelde gesprekken.
Bent u van plan u in te zetten voor hogere Europese doelstellingen? Zo nee, waarom niet?
De Europese recyclingdoelstellingen voor 2025 en 2030 zijn één jaar geleden vastgesteld. Ik wil als het gaat om de Nederlandse doelstellingen ambitie tonen en de koploperspositie van Nederland binnen de EU behouden. Daarnaast pleit ik waar mogelijk voor het aanscherpen van Europees beleid. Ik zal uw Kamer op korte termijn informeren over de recyclingdoelstellingen voor verpakkingen.
Bent u van plan – vooruitlopend op het Europese traject – de Nederlandse wetgeving («Essentiële Eisen») aan te passen, waardoor producenten altijd een uniform afvalscheidingslogo opnemen op de verpakking en stoppen met onnodige verpakkingen en verpakkingen bestaande uit meerdere materialen? Zo nee, waarom niet?
De essentiële eisen zijn opgenomen in EU-regelgeving en dienen op Europees niveau te worden aangepast. Daarvoor is een traject gestart. Wat betreft het afvalscheidingslogo, het verminderen van verpakkingen en het vereenvoudigen van verpakkingen, verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 5, 6 en 7.