Het bericht dat de SSH& voortaan haar kamers zal verhuren door middel van loting |
|
Frank Futselaar , Sandra Beckerman |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Studentenvakbond Akku woedend over nieuwe lotingsysteem SSH&»?1
Er is zowel met de SSH& als de studentenvakbond Akku contact geweest over deze situatie. Naar ik begrijp wil de SSH& over gaan op een systeem van loting, omdat zij met hun huidige toewijzingsregels zien dat maar een bepaalde groep studenten een kamer bij de SSH& weet te bemachtigen. De SSH& heeft namelijk voorrangsregels voor specifieke groepen, zoals eerstejaars met een lange reistijd. Door een systeem van loting te introduceren willen zij aankomende studenten en studenten die voorheen (lang) op de wachtlijst stonden een grotere kans geven om op kamers te gaan.
Akku op haar beurt geeft aan dat deze beleidsaanpassing ten onrechte niet met hen is besproken. Zij zijn van mening dat maatregelen met majeure gevolgen voor de huisvesting van studenten, zoals deze aanpassing van het toewijzingsbeleid, ten minste in het lokale overleg studentenhuisvesting besproken hadden moeten worden.
In het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting hebben partijen afgesproken dat lokale partijen samen op structurele basis aan tafel zitten om vraag en aanbod in beeld te brengen en te bekijken wat nodig is om – nu en in de toekomst – te voldoen aan de onderling afgestemde behoefte. Het is in eerste instantie aan lokale partijen zelf om het lokale overleg vorm en inhoud te geven, maar ik acht het passend dat partijen open en transparant met elkaar communiceren. Niet alleen over vraag en aanbod, maar ook over belangrijke (beleids)voornemens of op stapel staande acties en met gevoel voor de vertrouwelijkheid van bepaalde zaken.
Bent u van mening dat hier de afspraak uit het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, te weten dat onderwijsinstellingen, gemeenten, studentenbonden en huisvesters zo vaak als nodig met elkaar overleggen, niet nagekomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 toegelicht worden de afspraken uit het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting nagekomen. In het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting hebben partijen afgesproken dat lokale partijen samen op structurele basis aan tafel zitten om vraag en aanbod in beeld te brengen en te bekijken wat nodig is om -nu en in de toekomst- te voldoen aan de onderling afgestemde behoefte. In Nijmegen is dit lokaal overleg opgestart: het Breed Overleg Studentenhuisvesting, waar de gemeente, huisvesters, onderwijsinstellingen en verschillende studentenvertegenwoordigers spreken over het in evenwicht brengen van vraag en aanbod van studentenhuisvesting.
Het is aan lokale partijen zelf om dit overleg vorm en inhoud te geven. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, acht ik het wel wenselijk dat partijen in het genoemde lokale overleg niet alleen over vraag en aanbod overleggen, maar ook over belangrijke (beleids-)voornemens of op stapel staande acties en met gevoel voor de vertrouwelijkheid van bepaalde zaken.
Heeft u de conclusies ontvangen van het lokaal overleg over de studentenhuisvesting in Nijmegen? Zo ja, is het voornemen van de SSH& om met loting te gaan werken terug te vinden in de conclusies?
De concept-conclusies van het lokaal overleg heb ik ingezien en daar kan ik niet uit opmaken dat er gesproken is over het voornemen van de SSH& om met loting te gaan werken.
Bent u van mening dat een dergelijke grote beleidswijziging in overleg met studenten moet plaatsvinden? Kunt u dit toelichten?
Op basis van de Wet op het overleg huurder verhuurder is een verhuurder verplicht om de betrokken bewonerscommissie en de betrokken huurdersorganisatie te informeren over wijzigingen in het toewijzings- en verhuurderbeleid. De SSH& heeft over zijn voornemen tot een lotingsysteem overleg gevoerd met hun huurdersorganisatie (de SPH). De SPH heeft ingestemd met het systeem van loting. Verder heeft SSH& dit voornemen gedeeld met de gemeente en ook de onderwijsinstellingen. Zoals eerder aangegeven is het in eerste instantie aan de SSH& zelf om dergelijke beleidswijzigingen ook in het eerder genoemde lokale overleg te bespreken en vind ik dit ook gepast en wenselijk. Inmiddels zijn de SSH& en Akku met elkaar in overleg over de invoering van het systeem van loting en word ik geïnformeerd over de uitkomsten.
Op welke wijze zijn studenten geconsulteerd bij deze beslissing? Bent u van mening dat deze regeling ingetrokken moet worden indien blijkt dat studenten niet betrokken zijn geweest bij deze beslissing?
Zie antwoord vraag 4.
Welke inspanning moeten gemeenten, onderwijsinstellingen en huisvesters leveren om lokale studentenbonden te betrekken bij beleidswijzigingen van huisvesters?
In Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting is afgesproken dat er een lokaal overleg komt waar ook studentenbonden in zijn vertegenwoordigd. Zodoende ga ik er van uit dat, voor zover het nog niet is gebeurd, lokale partijen de betreffende studentenbonden uitnodigen bij dit lokale overleg. Vanuit het Rijk zullen we vinger aan de pols houden. Mochten er signalen komen dat studentenbonden niet betrokken zijn bij het lokale overleg, dan zullen betreffende partijen daar op aangesproken worden.
Vindt u het rechtvaardig dat studenten die korter dan vier jaar ingeschreven staan, hun opgebouwde rechten verliezen en voor niets 30 euro hebben betaald?
De inschrijfkosten van het «oude» systeem waren 20 euro in plaats van de genoemde 30 euro. Het nieuwe systeem is gratis voor woningzoekenden. Juist omdat de SSH& geen garantie kan bieden op een kamer, vindt de SSH& het niet terecht om geld te vragen voor de toegang tot het aanbodsysteem.
Er is door SSH& voorzien in een overgangsregeling. Deze overgangsregeling geldt voor woningzoekenden met een inschrijfduur van vier jaar of langer. Deze groep heeft gedurende 12 maanden toegang tot de loting van zelfstandige woningen. Deze overgangsregeling is besproken met de huurdersvereniging en zij hebben hiermee ingestemd. Daarmee ben ik van mening dat de SSH& er op voorhand voldoende zorg voor heeft gedragen om tot een gedegen overgangsregeling te komen.
Woonruimte voor (economisch) daklozen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal daklozen in Nederland verdubbeld: «Iedereen kan dakloos worden»?1
Ja.
In welke mate ziet u dakloosheid als een woonvraagstuk?
Dakloosheid kenmerkt zich door het ontbreken van huisvesting. De onderliggende redenen dat mensen dakloos worden zijn echter heel divers en de verschillende oorzaken hangen ook vaak met elkaar samen. Bekend is dat dak- en thuislozen heel vaak een eenpersoonshuishouden vormen, vaak man zijn, en in toenemende mate jong zijn en een niet-westerse achtergrond hebben. Ook blijkt dak- en thuisloosheid vaak samen te hangen met de aanwezigheid van GGZ-problematiek. Daarnaast zien we dat mensen dak- of thuisloos blijven door het ontbreken van geschikte huisvesting. Het oplossen van dakloosheid vraagt om een woning of woonplek en in veel gevallen is ook behandeling en/ of begeleiding nodig, bijvoorbeeld bij het op orde brengen van schulden of bij het op zoek gaan naar werk.
Bent u ermee bekend dat het niet meer alleen om daklozen met een complexe zorgvraag gaat, maar ook om economische daklozen (daklozen die geen zorgvraag hebben maar op straat staan met of zonder baan)? Kunt u aangeven om welke verdeling het ongeveer gaat?
Ja, ik ben bekend met het feit dat er ook mensen zijn die vanwege economische redenen dakloos worden. Het CBS2 heeft onderzoek gedaan naar de achtergrondkenmerken van dak- en thuislozen. Uit het CBS- onderzoek blijkt niet dat er de afgelopen jaren een toename is van het aantal dak- en thuislozen die vanuit een relatief goede sociaaleconomische situatie plotseling of binnen een relatief kort tijdsbestek afglijden richting dakloosheid.
Van de mensen die tussen 2010–2017 in de CBS-daklozenregistraties instroomden werkte 7 procent en ontving ruim driekwart een sociale voorziening. Van het totaal aantal in de CBS-daklozenregistraties ingestroomde daklozen was het merendeel vijf jaar voorafgaand aan hun dakloosheid ook niet werkzaam (26% van hen had destijds een baan). Bij 4 procent van de nieuwe daklozen heeft het jaar voorafgaand aan hun dakloosheid een echtscheiding plaatsgevonden. De voorgeschiedenis van dakloze mensen die in 2017 en 2018 in de CBS-daklozenregistraties instroomden kenmerkt zich dus niet meer dan in de jaren daarvoor door life-events als een scherpe inkomensdaling, baanverlies of recente scheidingen.
In welke mate denkt u dat gebrek aan betaalbaarheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van woonruimte leiden tot toename van het aantal daklozen?
De krapte op de woningmarkt is van invloed op de snelheid waarmee mensen die na bijvoorbeeld een relatiebreuk woonruimte zoeken, er in slagen een volgende woonplek te vinden. Ook geven gemeenten aan dat een tekort aan woonruimte de uitstroom van mensen uit de maatschappelijke opvang ernstig belemmert.
In hoeverre gebrek aan betaalbaarheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van woonruimte leidt tot een toename van het aantal daklozen is door het CBS niet onderzocht. Zoals reeds aangegeven gaat dak- en thuisloosheid vaak gepaard met diverse met elkaar samenlopende oorzaken.
In welke mate heeft u zicht op de brede groep die problemen heeft met huisvesting? Wat is het risico op dakloosheid voor deze mensen?
Naar schatting van Platform31 is ongeveer tien procent van de Nederlandse bevolking spoedzoeker3. Hoewel een deel van de spoedzoekers voldoende (financiële) mogelijkheden heeft om een voorlopig geschikte oplossing te vinden, geldt voor de meeste spoedzoekers het tegenovergestelde. Zij beschikken niet over voldoende geld, een voldoende groot sociaal netwerk of genoeg inschrijfduur met behulp waarvan op korte termijn een woning kan worden betrokken. De ontwikkelingen op de (huur)woningmarkt (schaarste en een dalende mutatiegraad, huishoudensverdunning) maken het hen niet makkelijker. Het aantal sociale huurwoningen dat met voorrang wordt toegewezen (aan mensen met urgentie of via directe bemiddeling) neemt juist toe, waardoor de kansen voor spoedzoekers die niet in deze categorie vallen kleiner worden4.
Van de woningzoekenden verwacht 30 procent in een onhoudbare situatie terecht te komen, zoals bijvoorbeeld dak- of thuisloosheid, als ze niet binnen drie maanden een woning vindt.5
Met de stimuleringsaanpak Flexwonen zet ik in op de totstandkoming van meer tijdelijke en flexibele woningen op korte termijn voor deze doelgroep. Lokaal verschilt de samenstelling en omvang van de groep spoedzoekers enorm. Als onderdeel van de stimuleringsaanpak Flexwonen organiseert RVO voor het Rijk de regionale versnellingskamers Flexwonen, waarin regio’s op gestructureerde wijze stap voor stap toewerken naar een haalbaar en gedragen flexwonenconcept.
Om meer zicht te krijgen op de regionale opgave om specifiek het aantal dak- en thuislozen terug te dringen heeft het kabinet de centrumgemeenten gevraagd deze in kaart te brengen. Dit is een essentiële tussenstap richting een overkoepelend plan van aanpak van de Staatssecretaris van VWS om dak- en thuisloosheid terug te dringen. Uw Kamer wordt hier – conform motie van de leden Westerveld en Regterschot6 – voor het reces in april over geïnformeerd.
Deelt u de mening dat eenieder recht heeft op huisvesting?
Artikel 22, tweede lid, van de Grondwet bevat het recht op huisvesting. Daarin is bepaald dat de overheid zich dient in te spannen voor de bevordering van voldoende woongelegenheid. Deze inspanningsverplichting ziet niet alleen op het aantal woningen maar ook op het volume, de kwaliteit, de veiligheid en de gezondheid daarvan. In diverse wet- en regelgeving zoals de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de Huisvestingswet 2014 zijn deze elementen van het recht op huisvesting nader uitgewerkt.
Ziet u dat er voor de groep economisch daklozen specifiek beleid nodig is en dat deze groep, meer nog dan daklozen met ook andere problematiek, primair behoefte heeft aan een woning? Deelt u de mening dat bij de hulp aan deze groep het realiseren van woonruimte dan ook het primaire uitgangspunt behoort te zijn?
Voor (vrijwel) alle dak- en thuislozen geldt dat zij behoefte hebben aan een passende woonplek, met in meer of mindere mate begeleiding. De stimuleringsaanpak Flexwonen richt zicht onder meer op voldoende passende woonplekken voor daklozen die primair behoefte hebben aan een woning. Daarnaast zal ik conform de motie Dik-Faber/Ronnes7 in het overkoepelende plan voor het terugdringen van dak- en thuisloosheid van het kabinet, ingaan op dak- en thuislozen met primair een woonbehoefte.
Kent u de aanbevelingen die de Nationale ombudsman Reinier van Zutphen in maart 2019 deed aan gemeenten, om te voorkomen dat daklozen niet in de Basisregistratie Personen (BRP) staan ingeschreven, dat er goede ondersteuning en begeleiding moet zijn om verder afglijden te voorkomen en dat er passende oplossingen nodig zijn op de woningmarkt? Kunt u hier op reflecteren en aangeven wat ermee gebeurd is?
De aanbevelingen die de Nationale ombudsman aan gemeenten heeft gedaan zijn mij bekend en onderschrijf ik. Het Ministerie van BZK heeft in dit verband begin 2017 en eind 2018, landelijke workshops georganiseerd voor gemeenten om specifiek de aandacht te vestigen op de circulaire BRP en briefadres. In vervolg hierop is een stappenplan ontwikkeld ten behoeve van de uitvoering bij gemeenten, om situaties die maatwerk vragen beter te kunnen beoordelen. Een en ander moet ertoe leiden dat betrokken personen sneller op een briefadres worden ingeschreven. Daarbij moet ook voor gemeenten duidelijk zijn dat zij daklozen niet direct of indirect mogen «doorsturen» naar andere gemeenten, voor een sluitende aanpak is het van belang dat elke gemeente hierin verantwoordelijkheid neemt. De Minister van BZK heeft in het voorjaar van 2019 een brief aan gemeenten gestuurd om aandacht te vragen voor de problematiek en in bijzonder de verplichting om in te schrijven. In deze brief is ook aandacht gevraagd voor de samenwerking tussen burgerzaken en sociaal domein.
Ten aanzien van ondersteuning en begeleiding voor daklozen om verder afglijden te voorkomen en het belang van passende oplossingen op de woningmarkt verwijs ik u graag naar de eerder genoemde brief die de Staatssecretaris van VWS, SZW en ik namens het kabinet op 6 december 2019 aan uw Kamer stuurden met daarin de extra maatregelen die het kabinet op korte termijn neemt om het creëren van extra woonruimten met begeleiding te stimuleren8. De Staatssecretaris van VWS heeft alle centrumgemeenten gevraagd in kaart te brengen wat op regionaal niveau de opgave is. Dit is een tussenstap richting een overkoepelend plan van het kabinet om dak- en thuisloosheid terug te dringen.
Kan het kabinet bij haar acties om dakloosheid terug te dringen ook voor de groep economisch daklozen extra maatregelen treffen zoals door Van Zutphen is aangegeven? Zo ja, hoe wilt u dit vormgeven? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Ja. Voor deze groep heb ik onder meer met de stimuleringsaanpak Flexwonen reeds verschillende maatregelen genomen. In de uitvraag die aan centrumgemeenten is gedaan om tot een overkoepelend plan ten aanzien van het tegengaan van dak- en thuislozen te komen, vraagt het kabinet ook aandacht voor daklozen met primair een huisvestingsvraag. In dat kader bezie ik met gemeenten welke maatregelen wij aanvullend kunnen nemen om dakloosheid wegens een tekort aan huisvesting te voorkomen en om deze mensen van een dak boven hun hoofd te voorzien. In het overkoepelend plan van het kabinet kom ik terug op hoe ik invulling geef aan de motie van de leden Dik-Faber en Ronnes die vraagt om een huisvestingsstrategie juist voor deze groep daklozen.
Wat zijn voor woningcorporaties en marktpartijen momenteel de grootste obstakels om met woonoplossingen te komen voor economisch daklozen? Welke mogelijkheden ziet u om deze obstakels weg te nemen?
De ervaren obstakels van woningcorporaties en marktpartijen zijn divers van aard, en verschillen op lokaal niveau. Om het woningaanbod te vergroten en woningbouw te versnellen heb ik samen met verschillende stakeholders al veel stappen gezet. Denk bijvoorbeeld aan de Nationale Woonagenda, de woondeals, de woningbouwimpuls van € 1 miljard, de Transformatiefaciliteit en de korting op de verhuurderheffing van € 1 miljard. De corporatiesector als geheel blijkt over voldoende leenruimte te beschikken om extra te kunnen investeren, bovenop de ruim € 40 miljard die voor de komende vijf jaar in de boeken staat. Naar aanleiding van de motie Ronnes (TK 35 000 VII, nr. 52) en het Klimaatakkoord wordt in kaart gebracht hoe maatschappelijke opgaven en middelen zich tot elkaar verhouden op de middellange en lange termijn. Bij dit onderzoek zijn onder meer het Rijk, WSW en Aedes direct betrokken. Ik verwacht de uitkomsten voor de zomer naar uw Kamer te sturen. De Crisis- en herstelwet is bovendien aangepast en uitgebreid om procedures van woningbouwplannen de vereenvoudigen en versnellen. Daarnaast kunnen verhuurders per 2 januari 2020 gebruik maken van de vrijstelling in de verhuurderheffing voor de bouw van tijdelijke en flexibele woningen. Hiermee kunnen snel extra woningen worden gerealiseerd voor groepen zoals (economisch) dak- en thuislozen.
In de Kamerbrief over de stimuleringsaanpak Flexwonen9 schets ik welke maatregelen ik met de aanpak tref om factoren die de totstandkoming van flexwoningen belemmeren weg te nemen.
De stikstofproblematiek heeft in verschillende delen van het land een groot effect op de woningbouw. Er zijn al mogelijkheden om een vergunning aan te vragen en daar wordt op verschillende plekken ook gebruik van gemaakt. Het kabinet werkt echter hard aan oplossingen om de vergunningverlening nog verder op gang te helpen.
Wat doet u aan het structurele tekort van woningen? Welke extra acties onderneemt u nu het aantal nieuwbouwvergunningen verder afneemt, onder meer door de stikstofcrisis? Hoe zorgt u er voor dat er in samenwerking met VWS en gemeenten voldoende woonruimte is voor economisch daklozen?
Zie antwoord vraag 10.
Welke mogelijkheden ziet u om als (tijdelijke) noodoplossing voor deze groep een uitzondering op de kostendelersnorm te regelen als onderdeel van genoemde aanpak?
De Staatssecretaris van SZW ziet geen aanleiding om in wet- en regelgeving een categoriale uitzondering te introduceren voor dak- en thuislozen. Als het gaat om de inkomensvoorzieningen op grond van de Participatiewet kunnen gemeenten aan de hand van individuele feiten en omstandigheden beoordelen of het toepassen van individueel maatwerk aan de orde is. Gemeenten kunnen dus geen categoriale uitzonderingen maken, bijvoorbeeld voor de kostendelersnorm, maar zij kunnen wel gebruik maken van de mogelijkheden voor individueel maatwerk die de wet biedt. Om gemeenten daarin te faciliteren, zal het Rijk met VNG en Divosa nagaan op welke manieren gemeenten aan individueel maatwerk een invulling geven opdat gemeenten hun ervaringen met elkaar kunnen delen.
Welke mogelijkheden ziet u om als (tijdelijke) noodoplossing gebouwen van overheden, al dan niet in pilotvorm, samen met corporaties te transformeren tot woonruimte bij leegstand?
Met Skills in de Stad, een initiatief van het Rijkvastgoedbedrijf en de Rijksbouwmeester, waarbij in een aantal pilotgemeenten rijks- of publiek vastgoed wordt ingezet om woonplekken te bieden voor kwetsbare jongeren, zet het kabinet in op het gebruik van Rijksvastgoed voor woonruimte.
Het Ministerie van VWS en het Ministerie van BZK stimuleren samen met gemeenten en betrokken partijen bredere toepassing van goede initiatieven voor wonen met begeleiding, zonder dat hiervoor nieuwbouw gepleegd hoeft te worden. Daarbij wordt ook in kaart gebracht in hoeverre gebouwen van overheden (zowel rijksvastgoed als ander publiek vastgoed) getransformeerd kunnen worden tot woonruimte, conform de motie van Dik-Faber10. Met de vrijstelling in de verhuurderheffing wordt zowel de realisatie van tijdelijke en flexibele woningen gestimuleerd, zowel in nieuwbouw als voor verbouw van bestaand vastgoed met een niet-woonfunctie.
Welke mogelijkheden ziet u om als (tijdelijke) noodoplossing de aangekondigde stimulans van flexwoningen specifiek in te zetten om in huisvesting van deze groep te voorzien?
Flexwonen biedt zeker een oplossing voor mensen die snel huisvesting nodig hebben. Juist omdat ook locaties zonder een woon-bestemming kunnen worden benut, biedt flexwonen een optie om snel extra woonruimte te creëren. Gemeenten kunnen er voor kiezen om de flexwoningen in te zetten voor de huisvesting van zowel (ex) dak- en thuislozen, als voor andere groepen spoedzoekers op de woningmarkt. Het Rijk wijst (centrum)gemeenten actief op de mogelijkheden voor Flexwonen. Om de bouw van flexwoningen verder te stimuleren heeft het Rijk de provincies een financiële bijdrage gegeven, kunnen gemeenten zich aanmelden voor versnellingskamers Flexwonen en staat per 2 januari 2020 een vrijstelling in de verhuurdersheffing voor de bouw van tijdelijke en flexibele woningen open.
Welke (tijdelijke) oplossingen kan de crisis- en herstelwet bieden bij de huisvestingsproblematiek van economisch daklozen?
Via de recent aangepaste Crisis- en herstelwet (Chw) kan voor 15 jaar in plaats van 10 jaar met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure tijdelijk worden afgeweken van het bestemmingsplan. Daarmee wordt het gemakkelijker de exploitatietermijn van tijdelijke en flexibele woningen rendabel te krijgen. De Chw loopt vooruit op de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet kunnen in het omgevingsplan zonder maximale tijdsduur tijdelijke regels voor activiteiten worden gesteld. Daarmee is op termijn ook een structurele oplossing voorzien voor een rendabele exploitatietermijn.
Welke huisvestingsstrategie gaat u samen met woningcorporaties en gemeenten ontwikkelen om te komen tot een structurele aanpak van de huisvestingsproblematiek van economisch daklozen? Worden hierin ook de verschillende verantwoordelijkheden en te treffen maatregelen voor Rijk, gemeenten en woningcorporaties uiteengezet?
In het overkoepelende plan van het kabinet voor het terugdringen van dak- en thuisloosheid zal ik tevens ingaan op mijn aanpak ten aanzien van daklozen die primair een huisvestingsbehoefte hebben, zonder aanvullende problematiek. Er zijn op dit gebied al positieve ontwikkelingen. Zo is Aedes, de koepelorganisatie van de woningcorporaties, voornemens om – in samenwerking met andere partijen als gemeenten – de komende jaren naar verwachting jaarlijks 10.000 flexwoningen te realiseren, waar ook de doelgroep dak- en thuislozen gebruik van kan maken.
Het speciaal onderwijs dat de massale toestroom van leerlingen niet aankan |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Wat klopt er van het beeld dat naar voren komt uit een enquête van het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs (LECSO) dat nu 18% van de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en 14% van de scholen voor speciaal basisonderwijs kampt met wachtlijsten, en zo’n 29% van de scholen voor speciaal basisonderwijs binnenkort een wachtlijst verwacht?1
Ik heb geen informatie beschikbaar van het precieze aantal kinderen dat op een wachtlijst voor het speciaal basis onderwijs (sbo) en (voortgezet) speciaal onderwijs (v)so staat. Hierover wordt, zoals bij u bekend, geen landelijke informatie bijgehouden. Lesco geeft aan dat het om ruim 250 leerlingen gaat op het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs samen. Of dat meer dan andere jaren is en hoe lang deze leerlingen op een wachtlijst staan, is niet bekend. Wachtlijsten zijn niet nieuw en de ene regio en/of school heeft er meer mee te maken dan andere regio’s en/of scholen. De meeste scholen kennen vaste instroommomenten. Sommige leerlingen moeten daarom een korte tijd wachten tot dat ze kunnen instromen. Dat is om onrust in de klas te voorkomen. Uiteraard moet deze periode niet te lang duren. Ik neem de signalen serieus en wil daarom met Lesco verder praten. Ik heb daarom Lesco uitgenodigd voor een gesprek.
Voor hoeveel kinderen betekenen deze wachtlijsten dat zij noodgedwongen zonder de juiste begeleiding in het reguliere onderwijs terechtkomen en voor hoeveel kinderen betekent dit dat zij, in het ergste geval, thuis komen te zitten?
Ik heb geen informatie over het aantal kinderen er op een wachtlijst staat of de gevolgen er van. Hierover wordt geen landelijke informatie bijgehouden. Het feit dat kinderen op een wachtlijst van het sbo of so staan, wil niet zeggen dat zij thuis zitten of, als zij op het regulier onderwijs zitten, geen extra ondersteuning krijgen. Zoals gezegd, soms moeten leerlingen een korte tijd wachten tot dat ze kunnen instromen in het sbo of (v)so. Overigens kennen de scholen voor leerlingen met een visuele, auditieve en/of communicatieve beperking geen wachtlijsten.
Wijt u de situatie die nu ontstaat, aan doorschuifgedrag vanuit het reguliere onderwijs, zoals LECSO doet? Of speelt het lerarentekort, dat het gehele funderende onderwijs teistert, een rol van betekenis wanneer scholen signaleren dat zij een kind niet de begeleiding kunnen bieden die het nodig heeft?
Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor het ontstaan van wachtlijsten.
De toestroom kan zijn toegenomen, waardoor vanwege de kleinere klassen in het sbo en so de leerlingen niet direct geplaatst kunnen worden. In het sbo komt de lichte stijging met name door de instroom vanuit het regulier basisonderwijs, gevolgd door de instroom van jonge leerlingen die direct naar het sbo gaan. De lichte stijging in het so van het afgelopen jaar wordt vooral veroorzaakt leerlingen die rechtstreeks naar het so gaan. In het vso was afgelopen jaar sprake van een afname van de instroom. Mogelijk zou de recente vermeende stijging van de instroom in het sbo, die we nog niet met de cijfers kunnen bevestigen, te maken kunnen hebben met het lerarentekort in het regulier onderwijs. We gaan hierover aldus in gesprek.
Wat klopt er van het beeld dat sommige scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs een toename van het leerlingenaantal zien van soms wel 10%, terwijl deze scholen het vaak met minder geld moeten doen, maar ze ook moeilijk aan voldoende gekwalificeerd personeel kunnen komen?
De groei van het sbo en so is regionaal erg divers. Gebieden met groei en afname van het sbo en so zijn verspreid over het land en laten geen duidelijk patroon op de kaart van Nederland zien. Scholen met een groeiend aantal leerlingen hoeven het niet met minder geld te doen. Het onderwijs wordt per leerling bekostigd, dus het budget stijgt mee. Voor de leerlingen die bij hen staan ingeschreven ontvangen zij rechtstreeks van DUO de bijbehorende bekostiging.
Ook het speciaal onderwijs heeft last van het lerarentekort. Ik kan geen uitspraak doen of dit meer speelt bij scholen met een groeiend aantal leerlingen.
Deelt u de mening dat de situatie dwingt tot investeringen in oplossingen voor het lerarentekort, ook in het speciaal onderwijs, opdat de kinderen in het speciaal onderwijs zeker kunnen zijn van een goede leraar en een veilige klas? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke maatregelen gaat u deze mening in een meerjarenperspectief vertalen?
Ja, daarom loopt de aanpak van de tekorten in het (v)so mee in de brede aanpak van het lerarentekort langs de zes lijnen. Ook kan het (v)so meedoen in de regionale aanpak, waarbinnen ruimte is om specifiek voor groepen scholen activiteiten in te plannen. In aanvulling hierop hebben de PO-Raad en OCW in drie regio’s gesprekken georganiseerd met alle betrokkenen (scholen, besturen, opleidingen en gemeenten). Doel van deze bijeenkomsten was het inventariseren van knelpunten en oplossingsrichtingen. Op basis van de resultaten worden vervolgacties gepland. In de brief over het lerarentekort in december wordt u hier nader over geïnformeerd. Tot slot, met het op 1 november jl. afgesloten convenant aanpak lerarentekort stelt het kabinet extra geld beschikbaar voor het onderwijs, komt werkdrukgeld eerder beschikbaar én wordt geld anders ingezet op de OCW-begroting. Onderdeel hiervan is dat er structureel € 16,5 mln. beschikbaar wordt gesteld voor de beloning van leraren die les geven in het diplomagerichte deel van het vso. Een deel van het eerder beschikbaar gestelde werkdrukgeld zal expliciet gereserveerd worden voor het (v)so.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het aanstaande debat over de rijksbegroting voor OCW van 2020?
Ja.
Het bericht dat de Indiase regering de speciale status van het gebied Kashmir schrapt |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pakistaanse premier bang voor etnische zuiveringen na opheffing autonomie Kashmir»?1
Ja.
Kunt u nader aangeven hoe de aard van de repressie er uitziet? Welke maatregelen heeft de Indiase regering genomen tegen de lokale bevolking?
De Indiase regering heeft rondom de opheffing van de autonome status van Kashmir op 5 augustus jl. een aantal preventieve maatregelen genomen. Deze omvatten in eerste instantie onder meer beperking van telecomverbindingen, verbod op samenscholing, sluiting van openbare gebouwen en preventieve aanhoudingen en huisarresten. Inmiddels zijn in grote delen van Kashmir de telefoonverbindingen hersteld, gebouwen weer geopend en het merendeel van arrestanten vrijgelaten. Toegang tot het internet is echter nog altijd beperkt.
Met wie heeft u gesproken om u te informeren over de feiten inzake de situatie in Kashmir?
Het kabinet volgt de situatie nauwgezet. De ambassades in Islamabad en New Delhi onderhouden een breed netwerk om zich te informeren over de situatie in Kashmir.
Wat heeft de Nederlandse overheid precies ondernomen nadat de maatregel van kracht ging?
Ik spreek regelmatig met mijn ambtgenoten van Pakistan en India. In deze contacten zijn zorgen over de situatie overgebracht en heb ik aangegeven dat alleen een vreedzame bilaterale dialoog tussen India en Pakistan kan leiden tot een duurzame oplossing voor de situatie in Kashmir. Ook op hoogambtelijk niveau en in EU-verband worden de Nederlandse zorgen over de situatie geuit.
Zijn er Nederlandse staatsburgers in dat gebied? Zo ja, lopen deze Nederlandse staatsburgers gevaar?
Er staan geen Nederlanders geregistreerd in het informatiesysteem van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is bekend dat een zeer beperkt aantal Nederlanders in Srinagar verblijft. Vanwege de onduidelijke situatie en het niet goed functionerende communicatienetwerk, wordt aan Nederlanders afgeraden naar Kashmir te reizen.
Klopt het dat de nieuwe maatregel betekent dat hindoes zich voortaan vrij mogen vestigen in Jammu en Kashmir, het door India bestuurde gedeelte van het betwiste gebied?
Sinds 31 oktober 2019 is het gebied formeel opgedeeld in twee unie territoria: (1) Jammu & Kashmir en (2) Ladakh. Deze unie territoria vallen onder het centrale gezag. Alle Indiërs kunnen zich sindsdien zonder beperkingen vestigen in deze gebieden. Voorheen gold er voor de deelstaat Jammu en Kashmir een uitzondering en gaf de Indiase Grondwet het recht aan de deelstaat om permanente bewoners aan te wijzen. Nu valt iedereen onder hetzelfde federale recht.
Klopt het dat direct na de aankondiging van de maatregel, die na de ondertekening van een decreet direct van kracht werd, er protesten uitbraken?
In Jammu en Kashmir zijn sinds jaren meer veiligheidstroepen gestationeerd vanwege de Line of Control en de aanhoudende onrust. Sinds de maatregel van kracht is, is de controle verscherpt en zijn meer troepennaar de regio gestuurd. Er is weer toegang tot het telefonienetwerk, internet is nog beperkt. De Indiase regering heeft aangegeven dat de preventieve maatregelen die zijn genomen om de rust te bewaren van tijdelijke aard zijn. Op 15 november is in New Delhi de vaste parlementaire commissie voor binnenlandse zaken bijeengekomen om inzicht te krijgen in het aantal aanhoudingen en huisarresten. Er is gesproken over de stappen die de regering neemt om de situatie in Kashmir te normaliseren. Arrestanten worden geleidelijk vrijgelaten. De arrestanten die worden vastgehouden op grond van de Public Safety Act (PSA) kunnen hun detentie aanvechten.
Klopt het dat internet en telefonie worden geblokkeerd en duizenden manschappen op de been zijn om de orde te handhaven?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat in de afgelopen maanden honderden mensen zijn opgepakt, onder wie politici, hoogleraren, zakenlieden en activisten?
Zie antwoord vraag 7.
Is het intrekken van artikel 370 van de Indiase Grondwet in strijd met het internationale recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft onvoldoende inzicht in deze complexe situatie om een oordeel te kunnen vellen over de vraag of het besluit van de Indiase regering in strijd met het internationaal recht is. Het is aan de Indiase regering om te onderbouwen dat het besluit in overeenstemming met het internationaal recht is en dat de mensenrechten van de bevolking Kashmir zullen worden gerespecteerd. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3 en 4 volgt het kabinet de situatie nauwgezet en heeft de Minister van Buitenlandse Zaken zijn zorgen over de situatie aan de Indiase autoriteiten overgebracht.
Deelt u de mening dat het besluit van de Indiase regering een schending van het internationale recht is? Zo ja, bent u bereid om dit bij de Verenigde Naties aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening van de Pakistaanse premier dat etnische zuiveringen plaats zullen vinden in Kashmir nu India de speciale status van het gebied gaat schrappen? Zo ja, deelt u de mening dat dit op het hoogste niveau moet worden bestreden?
Er is mij geen informatie bekend die erop wijst dat er een etnische zuivering plaats zou vinden in Kashmir.
Deelt u de mening van critici dat de maatregel vooral bedoeld is om Kashmir te de-islamiseren doordat hindoes nu massaal naar de regio kunnen trekken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het ongepast om hierover te speculeren.
Welke concrete acties gaat u ondernemen om de veiligheid van de moslims in Kashmir veilig te stellen, nu de speciale status van het gebied is geschrapt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 volgt het kabinet de situatie nauwgezet. Ik heb mijn zorgen over de situatie aan de Indiase autoriteiten overgebracht en ook EU vertegenwoordigers hebben deze zorgen geuit.
Bent u bekend met het bericht «India stelt in delen van regio Kashmir een avondklok in»?2
De avondklok is niet meer van kracht. Het is mij niet bekend welke straffen de Indiase autoriteiten stellen op het negeren van de avondklok in de regio Kashmir.
Wat is de laatste stand van zaken in verband met de invoering van de avondklok?
Zie antwoord vraag 15.
Welke straffen stelt de Indiase regering op het negeren van de avondklok?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat Indiase soldaten de traditionele Muharram-processie probeerden te stoppen, wat tot opstootjes onder de inwoners van Kashmir leidde? Zo ja, deelt u de mening dat het onwenselijk is als soldaten een godsdienstige plechtigheid verstoren?
De Muharram-processie in Kashmir heeft sinds 1990 niet meer plaatsgevonden nadat er toen grote onrust uitbrak in de vallei. De autoriteiten hebben sindsdien de processie om veiligheidsredenen verboden. In andere deelstaten van India wordt de Muharram-processie wel toegestaan.
Klopt het dat de soldaten traangas en rubberkogels inzetten tegen de moslims in Kashmir? Zo ja, bent u bereid om dit te veroordelen?
De berichtgeving uit Kashmir is beperkt en het is niet mogelijk alle berichten te verifiëren. Er zijn aantijgingen dat er traangas en rubberkogels tegen de bevolking zijn ingezet. Deze aantijgingen zijn reden tot zorg en zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 heb ik mijn zorgen over verdere escalatie van de situatie in Kashmir aan India overgebracht.
Bent u bereid om al deze vragen afzonderlijk en uitgebreid te beantwoorden?
De vragen zijn zo goed mogelijk beantwoord.
De daling van de meldingen van mensenhandel vanwege een onjuiste interpretatie van de privacywetgeving |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving in Trouw van 24 oktober 2019 over de daling van het aantal meldingen van mensenhandel als gevolg van misvattingen over de privacywetgeving?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de analyse dat meldingen van mensenhandel achterwege blijven vanwege een onjuiste interpretatie van de privacywetgeving? Deelt u de opvatting dat toestemming niet de enige grondslag is om gegevens te delen maar dat dit ook noodzakelijk kan zijn voor de behartiging van gerechtvaardigde belangen, zoals het in kaart brengen van de omvang van mensenhandel?3
Op 18 oktober jl. heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: de Rapporteur) zijn Slachtoffermonitor Mensenhandel 2014–2018 uitgebracht. Hierin schetst hij inderdaad een zorgwekkend beeld over de daling van het geregistreerde aantal slachtoffers gedurende de afgelopen jaren.
Door de komst van de AVG in mei 2018 is er meer aandacht gekomen voor de naleving van privacyregels. Dit heeft er mogelijk aan bijgedragen dat het aantal meldingen van slachtoffers bij CoMensha ten behoeve van registratie is gedaald.
Het klopt dat de daling van het aantal geregistreerde slachtoffers niet alleen een gevolg is geweest van een mogelijke verkeerde interpretatie van de privacywet. De afgelopen jaren is reeds een trend geconstateerd met betrekking tot een daling van het aantal meldingen van slachtoffers. Dit had onder andere te maken met de druk op de capaciteit van de betrokken partners. Andere thema’s, zoals de vluchtelingenstroom en terrorisme, vergden extra inzet. Daarnaast heeft ook de reorganisatie bij de politie een rol gespeeld, doordat er tijdelijk minder mensenhandel-experts beschikbaar waren (Kamerstuk 28 638, nr. 161). Deze trend is geadresseerd in het programma Samen tegen Mensenhandel (Kamerstuk 28 638, nr. 164, pagina 38). Hierin is ook opgenomen dat de opsporing van mensenhandel efficiënter en effectiever moet worden om de pakkans te vergroten. Hiertoe is een breed palet aan maatregelen aangekondigd in het programma. Daarnaast zijn hierover afspraken gemaakt in de Veiligheidsagenda 2019–2022. Het thema informatiedeling komt tevens aan bod in de voortgangsbrief over het programma Samen tegen Mensenhandel, die uw Kamer op 13 november 2019 ontvangen heeft (Kamerstuk 28 638, nr. 176).
Voldoende zicht op aard en omvang is van belang voor het monitoren van de effecten van het programma Samen tegen Mensenhandel. Hierin wordt onder andere aangeven dat daarom komend jaar een traject gestart zal worden waarin, in samenspraak met wetenschappers en relevante stakeholders, per doelstelling uit het programma meetbare indicatoren worden benoemd. Vervolgens zal onderzocht worden welke data beschikbaar dan wel nodig zijn om iets over deze indicator te kunnen zeggen. Op basis van de analyse zal bezien worden welke aanvullende stappen nodig zijn om de benodigde data te ontsluiten.
In het programma Samen tegen Mensenhandel is tevens aangekondigd dat het komende jaar een tweede schatting naar het totaal aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel uitgevoerd zal worden. Om inzicht te krijgen in de daadwerkelijke omvang van mensenhandel hebben onder andere UNODC en de Rapporteur in 2017 een eerste schatting gepubliceerd van het aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel in Nederland. Een tweede schatting helpt bij het ontwaren van eventuele trends in het aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel. De tweede schatting zal gebaseerd zijn op de cijfers van de jaren 2016, 2017 en 2018.
In aanvulling hierop werkt het Kabinet momenteel aan een beleidsreactie op de Slachtoffermonitor Mensenhandel waarin op de verschillende aanbevelingen van de Rapporteur wordt ingegaan. Gegeven de complexiteit van de problematiek rondom de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de uiteenlopende meningen over de wijze waarop deze in relatie tot de registratie van slachtoffers mensenhandel geïnterpreteerd moet worden, vereist het opstellen van deze reactie meer tijd. Ik streef ernaar uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2020 te informeren, zoals tevens aangegeven in de voortgangsbrief.
Verder verwijs ik u naar mijn recente brief van 19 november 2019 over dit onderwerp (Kamerstuk 28 638, nr. 177).
Waren deze signalen u al eerder bekend? Zo ja, wanneer dan, en welke acties heeft u toen ondernomen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is er op dit belangrijke gebied na al die tijd nog steeds sprake van een grijs gebied, dat niet voor eenieder duidelijk is welke gegevens gedeeld mogen worden en welke niet? Welke stappen gaat u ondernemen om de misvattingen over de privacywetgeving in ieder geval op dit punt weg te nemen?
Naast de privacyvraagstukken die spelen bij de melding van slachtoffers bij CoMensha ten behoeve van registratie, speelt ook een ander privacyvraagstuk een rol bij de aanpak van mensenhandel. Zoals gemeld in de voortgangsbrief kan mensenhandel alleen effectief bestreden worden als op alle niveaus en tussen alle partners intensief wordt samengewerkt. Het delen van informatie is daarbij onontbeerlijk. Veel partners ervaren echter belemmeringen bij het delen van informatie. Enerzijds heeft dit te maken met beperkingen die vanuit privacywetgeving (de AVG) gelden aangezien voor het delen van bijzondere persoonsgegevens strenge regels gelden. Anderzijds heeft dit vaak te maken met onduidelijkheid over wat er wel en niet gedeeld mag worden. Dit kan voor handelingsverlegenheid zorgen. In het kader van het programma is daarom een projectleider aangesteld die onderzoekt op welke wijze en onder welke voorwaarden ketenpartners informatie met elkaar kunnen delen. Zodra de resultaten hiervan bekend zijn zal uw Kamer hierover nader geïnformeerd worden.
Waarom is in de begroting vanaf 2020 structureel € 200.000 minder beschikbaar voor het coördinatiecentrum Comensha ten opzichte van 2019, terwijl de aanpak van mensenhandel toch prioriteit heeft? Welke gevolgen zal dit hebben voor de aanpak en het melden van mensenhandel?
CoMensha ontvangt vanuit het Ministerie van JenV een gebundelde subsidie waaraan ook de ministeries van VWS en SZW een bijdrage leveren. De basissubsidie, ten behoeve van onder andere de helpdesk, COSM coördinatie en de opvang van grote groepen slachtoffers, is daarbij altijd toegekend. De basissubsidie betrof een bedrag van € 1.584.589,– voor 2018 en een bedrag van € 1.574.318,– voor 2019. Het Rijk is niet voornemens af te wijken van de voorgaande jaren. Van een structurele vermindering op de begroting is dan ook geen sprake. Het departement heeft reeds de subsidieaanvraag van CoMensha ontvangen. Ook voor 2020 wordt gewerkt aan een gebundelde subsidietoekenning. JenV gaat in overleg met de andere ministeries de reeks voor de komende jaren vastleggen. Hierover worden binnenkort gesprekken gevoerd.
Wat is uw reactie op de constatering dat niet alleen de interpretatie van de privacywet, maar zeker ook onvoldoende prioritering bij de opsporingsdiensten veroorzaakt dat minder vaak melding wordt gemaakt van mensenhandel?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van het voornemen van de nationale politie de arrestantencomplexen van de politiebureaus in Deventer, Doetinchem, Ede en Tiel te sluiten?1
Ja.
Bent u bekend met de zorgen van de burgemeesters in de regio Oost-Nederland aangaande de nadelige gevolgen van een dergelijke sluiting van arrestantencomplexen voor onder andere de beschikbare politiecapaciteit, aangezien agenten soms meer dan een uur onderweg zullen zijn om een arrestant naar een arrestantencel te brengen? Erkent u dat hierdoor te weinig politiecapaciteit in de regio beschikbaar zal zijn?
Ik ben bekend met deze en andere zorgen van een aantal burgemeesters in de regio Oost-Nederland. De eenheidsleiding van Oost-Nederland heeft in afstemming met haar gezag een extern onderzoeksbureau opdracht gegeven om met inachtneming van de strategische doelen van de politie (waaronder een effectieve arrestantenzorg en een efficiënte bedrijfsvoering) een toekomstbestendige arrestantenzorg in de eenheid te onderzoeken. Hierbij zijn ook de zorgen van de burgemeesters in beeld gebracht. De komende tijd werkt de politie, in afstemming met medewerkers en het lokale gezag, aan een duurzame oplossing.
Hoe verhoudt dit zich tot de aangenomen Kamermotie Van Toorenburg/Kooiman waarin expliciet werd opgeroepen de korpsleiding opdracht te geven niet over te gaan tot sluiting van het cellencomplex in Deventer?2
Deze motie is verworpen.
Kunt u aangeven hoe het besluitvormingsproces rondom een besluit, zoals het onderhavige besluit tot sluiting van de arrestantencomplexen van diverse politiebureaus, plaatsvindt?
Het is aan de politie om binnen het gestelde financiële kader te bepalen hoe zij haar huisvesting het beste kan inrichten en voorgenomen wijzigingen hierin af te stemmen met het betrokken gezag.
Deelt u de waarneming dat een besluit, als het besluit tot sluiting van de arrestantencomplexen van de politiebureaus van Deventer, Doetinchem, Ede en Tiel genomen wordt door de nationale politie, de lokale bestuurders pas in het eindstadium van de besluitvorming betrokken worden?
Bij het nemen van een besluit door de politie over mogelijke sluiting van een arrestantencomplex worden altijd de lokale bestuurders meegenomen. Ook in dit geval is het lokale gezag op meerdere momenten nauw betrokken geweest.
Waar eindigt de verantwoordelijkheid van de politie voor de eigen bedrijfsvoering en waar begint het gezag op de openbare orde en veiligheid van de burgemeester? Hoe is bij dergelijke besluiten de beslisbevoegdheid tussen politie enerzijds en lokale besturen anderzijds verdeeld?
De politie is verantwoordelijk voor de eigen bedrijfsvoering en mag zelfstandig over bedrijfsvoeringstaken besluiten. Daarbij spelen overwegingen van doeltreffendheid en doelmatigheid alsook overwegingen over kwaliteit van het politiewerk en de kwaliteit van de dienstverlening een rol. Het is goed gebruik bij de politie dat zij het gezag in de lokale driehoeken en de andere bestuurlijke overleggen in Oost-Nederland vroegtijdig meeneemt in de geplande besluiten met betrekking tot de bedrijfsvoering. Op die manier kunnen de reacties voorafgaand aan de besluitvorming worden meegenomen bij de afwegingen.
Bent u op de hoogte van de mogelijke nadelige gevolgen van een dergelijke sluiting vanwege de te verwachten extra reistijd van rechercheurs, advocaten, hulpverleners en forensisch artsen?
Ja.
In hoeverre is in de besluitvormingsprocedure omtrent de voorgenomen sluiting van arrestantencomplexen onderzoek gedaan naar de mogelijke nadelige gevolgen van dit besluit? In hoeverre zijn hierbij mogelijke alternatieve oplossingen voor de problematiek rond de arrestantencellen afgewogen?
Een extern onderzoeksbureau heeft meerdere toekomstscenario’s aangereikt. Aan de hand van verschillende criteria zijn deze scenario’s gewogen. Momenteel worden impactanalyses uitgevoerd naar het voorkeurscenario van de politie.
Bent u bereid te zoeken naar een oplossing die ervoor zorgt dat de basispolitiezorg in de hele regio Oost-Nederland op orde blijft?
Het is aan de politie en het lokale gezag om er bij voorgenomen wijzigingen ten aanzien van de bedrijfsvoering voor te zorgen dat de basispolitiezorg op orde blijft.
Bent u op de hoogte van alternatieven voor de sluiting van de arrestantencomplexen zoals de oplossing van een arrestantencomplex «light» in Deventer, waar gewerkt wordt met beperktere openingstijden en minder personeel? Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om dit alternatief niet slechts als tijdelijke oplossing tot de sluiting van de arrestantencomplexen in 2022, maar ook op permanente basis mogelijk te maken?
Daar ben ik van op de hoogte. Het genoemde alternatief was een van de mogelijke toekomstvarianten. Gelet op alle criteria en na in- en externe consultatie heeft de politie niet het voornemen om op structurele basis op deze manier te gaan werken.
Bent u op de hoogte van mogelijke alternatieven voor het voorgestelde arrestantenvervoer, zoals het arrestantenvervoer opgezet door het politieteam Maas en Leijgraaf, actief in de driehoek tussen Boxmeer, Cuijk en Uden? Hoe denkt u over het genoemde alternatief?
In algemene zin ga ik ervan uit dat de politie-eenheid verschillende alternatieven meeneemt in het onderzoek waarbij de overwegingen die ik heb genoemd in het antwoord op vraag 6 een rol spelen. Het gezag wordt in dit proces meegenomen.
Bent u bekend met de oproep van de burgemeesters van de Achterhoek om een aparte vervoerdienst op te richten om het arrestantenvervoer uit te voeren? Hoe denkt u over deze oproep?
De politie-eenheid Oost-Nederland spant zich in om teams die nadelige effecten ondervinden zo ruim mogelijke ondersteuning te bieden. Een vervoersdienst is daarbij een van de opties die meegenomen wordt in de impactanalyse per locatie.
Bent u bereid om in te gaan op verschillende mogelijkheden om een aparte arrestantenvervoersdienst gestalte te geven, zoals een vervoersdienst vormgegeven naar het idee van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen of de optie om de werkzaamheden van de DV&O uit te breiden met het arrestantenvervoer?
De politie-eenheid Oost-Nederland heeft reeds gekeken naar het door derden overnemen van het arrestantenvervoer. Landelijk wordt de zogenoemde «business case rechtbankvervoer» al enige tijd door DV&O door middel van een landelijke pilot uitgevoerd. Over een definitieve invoering hiervan is besluitvorming aanstaande. Andere alternatieven uit de landelijke business case zijn op korte termijn niet voorzien. Wel is de afspraak gemaakt tussen politie en DV&O om daar waar samenwerking haalbaar is en efficiencywinst oplevert, dit wordt onderzocht.
Bent u bereid om samen met politie en lokale bestuurders naar genoemde en andere mogelijkheden te kijken om sluiting van de arrestantencomplexen van de politiebureaus in Deventer, Doetinchem, Ede en Tiel te voorkomen en de Kamer hierover te informeren?
Het is aan de politie om binnen het gestelde financiële kader te bepalen hoe zij de bedrijfsvoering het beste kan inrichten en voorgenomen wijzigingen hierin af te stemmen met het betrokken lokale gezag.
Een Zwartboek naar aanleiding van erbarmelijke omstandigheden voor arbeidsmigranten |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het zwartboek «Wonen achter een hek» dat onlangs door de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) aan de burgemeester van Nieuwkoop is aangeboden?1
Arbeidsmigranten vervullen een belangrijke rol binnen onze economie en zijn essentieel voor de continuïteit in specifieke sectoren. Het is van belang dat deze mensen op een goede en kwalitatieve manier worden gehuisvest. Situaties zoals geschetst in het Zwartboek vind ik dan ook onwenselijk.
Deelt u de mening dat de erbarmelijke woonomstandigheden voor arbeidsmigranten (geen verwarming, geen privacy, schimmel, vies keukengerei, omheind zijn door hekken, ratten onder het chalet, geen ruimte voor spullen, geen tv of wasmachine) zo snel mogelijk moeten worden aangepakt?2
Ik deel de mening dat de verhuurder in samenspraak met het betrokken uitzendbureau als huurder en de gemeente de klachten over de woonomstandigheden dient op te lossen.
Hoe denkt u de grip op woonlocaties zoals deze aan de Oostkanaalweg in Ter Aar te kunnen vergroten, zodat bewoners over fatsoenlijke woonomstandigheden kunnen beschikken in plaats van te moeten leven als dieren?
Door de economische groei is het aantal arbeidsmigranten toegenomen. Tegelijkertijd is er krapte op de woningmarkt, waardoor het lastig is om geschikte woonruimte te vinden. Hoe de huisvesting van arbeidsmigranten binnen een regio het beste past qua verdeling en in welke woonvormen deze kan worden gerealiseerd, moet op regionaal en lokaal niveau worden bepaald. Gemeenten, werkgevers en huisvesters moeten daarbij samen zoeken naar passende en goede oplossingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
Heeft uitzendbureau en tevens verhuurder Axidus het Stichting Normering Flexwonen (SNF)-keurmerk voor het bungalowpark aan de Oostkanaalweg?
De verhuurder van het vakantiepark is SNF-gecertificeerd. In dit kader vinden dan ook controles plaats. SNF neemt dit soort signalen ook mee in hun (extra) controles in het kader van een keurmerk.
Exploiteert uitzendbureau Axidus nog andere woonlocaties? Zo ja, welke? Hoeveel bewoners verblijven op deze locaties?
Dit is mij niet bekend. Axidus huurt in dit geval woonruimte. Of Axidus ook nog andere woonlocaties huurt is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat een huurprijs van € 400 per persoon absoluut onaanvaardbaar is? Wat kunnen bewoners hiertegen ondernemen? Wat onderneemt u hiertegen?
Iedereen heeft recht op degelijke huisvesting tegen een redelijke prijs, ook als zij slechts tijdelijk in Nederland verblijven. Om tegen te gaan dat huisvesting een verdienmodel wordt is sinds 1 januari 2017 het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon van kracht. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op. Er mag voor huisvesting maximaal 25% ingehouden worden op het wettelijk minimumloon onder strikte voorwaarden, waaronder dat voldaan moet worden aan de kwaliteitseisen die zijn overeengekomen in de cao. Het minimumloon is het minimumloon dat voor de werknemer geldt. Bij een werknemer die parttime werkt, mag slechts 25% van het minimumloon dat bij die parttimefunctie geldt worden ingehouden.
Bij een geschil over de huur, kan de huurder naar de huurcommissie stappen als de huurprijs naar zijn mening niet voldoet aan de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en onderliggende regelgeving. Een geschil kan anders worden voorgelegd aan de burgerlijk rechter. Hierbij kunnen organisaties als de NGO FairWork ondersteuning bieden. Mijn collega voor Milieu en Wonen zet in op goed verhuurderschap3. Praktijken waarbij de huur niet in verhouding is tot de kwaliteit, oppervlakte en voorzieningen van de woonruimte passen hier niet in. Voldoende en kwalitatief goede huisvesting vormt ook onderdeel van de integrale aanpak misstanden arbeidsmigranten waarover ik u voor het einde van het jaar zal informeren.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het uitzendbureau een dubbele pet op heeft, omdat het zowel huisbaas als werkgever is? Wat onderneemt u om deze afhankelijkheidsrelatie te doorbreken?
Werkgevers helpen werknemers in veel gevallen bij het vinden van kwalitatieve huisvesting wanneer zij hen naar Nederland halen om hier te werken. Dat kan gaan om een bemiddelende rol, maar ook door het realiseren van huisvesting of hier met gemeenten en andere partijen afspraken over te maken. Dit heeft voordelen voor werknemers die hier voor korte tijd verblijven. De afhankelijkheidsrelatie kan er echter ook toe leiden dat bij het verlies van werk direct ook de huisvesting kan wegvallen. Dit is onwenselijk. Het is dan ook één van de punten die ik bespreek met onder meer werkgevers en werknemersorganisaties en gemeenten en provincies in het kader van de integrale aanpak misstanden arbeidsmigratie waar ik u voor het einde van het jaar over informeer.
Hoe oordeelt u over de houding van de burgemeester in dit filmpje van de FNV? Deelt u de mening dat een burgemeester veel meer actie zou moeten ondernemen tegen de middeleeuwse toestanden in zijn gemeente?3
Ik vind het goed dat de burgemeester zelf kennis heeft genomen van de woonsituatie van de betreffende arbeidsmigranten. De gemeente is hier immers aan zet om samen met werkgevers en huisvesters te zoeken naar passende en goede oplossingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het is in eerste instantie ook aan de gemeente om controles op de huisvesting van arbeidsmigranten uit te voeren. Dit gaat om controles in het kader van bouw- en woningtoezicht en op voorwaarden in afgegeven vergunningen. Als er sprake is van SNF-certificering voor de betreffende huisvesting, kan ook bij SNF een klacht worden ingediend. SNF kan de klachten en signalen meenemen in hun (extra) controles in het kader van het keurmerk. Een klacht bij SNF kan ook in het Pools worden ingediend.
Er vinden nu gesprekken plaats met de betrokken ministeries, gemeenten, sociale partners en andere belanghebbenden over onder meer goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Voor het einde van het jaar zal uw Kamer worden geïnformeerd over de integrale aanpak van de misstanden rondom arbeidsmigranten.
Bent u bereid om de misstanden in het zwartboek (schimmel, onverwachte controles, overbewoning, problemen met de verwarming, kapotte wasmachines en afwezigheid van kluisjes) daadkrachtig op te pakken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Zorgorganisatie DeSeizoenen die de gedragscode voor de zorg schendt |
|
Maarten Hijink (SP), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de berichtgeving met betrekking tot zorgorganisatie DeSeizoenen die de gedragscode voor de zorg schendt?1 2 3
Ik vind het onwenselijk als zorgaanbieders de governancecode zorg schenden. Het is goed dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna inspectie), al dan niet in samenwerking met de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna NZa), scherp is op constructies in de zorg waarbij sprake is van (schijn van) belangenverstrengeling, dat zij de betreffende zorgaanbieder daarop vervolgens aanspreekt en hierover ook publiekelijk rapporteert zodat andere zorgaanbieders daarvan kunnen leren.
Hoe oordeelt u over de functies van de twee directeuren van DeSeizoenen die ook directeur zijn van facilitair bedrijf Care Shared Services B.V., dat door DeSeizoenen wordt ingehuurd voor onder andere ICT-diensten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Care Shared Services BV (CSS) en DeSeizoenen BV (hierna DeSeizoenen) maken beiden deel uit van de WW Zorg Groep BV. De WW Zorg Groep BV (hierna WW Zorg Groep) is als holding 100% aandeelhouder van beide BV’s. In de periode 2016–2017 was de financieel directeur van DeSeizoenen tevens bestuurder van CSS en medeaandeelhouder van de holding WW Zorg Groep. De algemeen directeur van DeSeizoenen maakte tevens deel uit van de directie van CSS.
De inspectie oordeelt dat door deze invulling van posities sprake is van een (schijn van) belangenverstrengeling als bedoeld in de governancecodes 2010 en 2017. DeSeizoenen heeft aan de inspectie laten weten dat zij voor het einde van dit jaar een definitief besluit neemt over de wijze waarop de bestuursstructuur (personele unie) van DeSeizoenen en Care Shared wordt aangepast. De Seizoenen heeft aangegeven de maatregelen in de loop van het volgend jaar te effectueren, zodat is voldaan aan de uitgangspunten zoals beschreven in de governancecode zorg 2017.
Ik vind het van belang dat (de schijn van) belangenverstrengeling bij zorgaanbieders wordt vermeden. Daarmee ontstaat namelijk het risico dat de maatschappelijke doelstelling ondergeschikt wordt gemaakt aan zakelijke of privébelangen van individuen binnen die organisatie.
Hoe oordeelt u over de voormalig directeur van DeSeizoenen die naast directeur van DeSeizoenen ook directeur was van Care Shared Services B.V. en ook nog eens aandeelhouder was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het acceptabel dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), door de gebrekkige administratie van DeSeizoenen, niet kan controleren of er geld via DeSeizoenen is doorgesluisd naar Care Shared Services B.V.?
De Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) schrijft voor dat alle toegelaten zorgaanbieders een ordelijke en controleerbare bedrijfsvoering waarborgen waarbij inkomsten en uitgaven herleidbaar zijn naar bron en bestemming. Een van de conclusies van het onderzoek van de inspectie was dat DeSeizoenen in de periode 2016 t/m 2017 op het onderdeel transacties met verbonden partijen niet transparant is geweest over de bedragen die DeSeizoenen voor de dienstverlening van CSS diende te betalen.
De inspectie constateerde echter ook dat DeSeizoenen na die periode op dit vlak de nodige verbeteringen heeft doorgevoerd. Voorts heeft DeSeizoenen in haar jaarrekening 2018 expliciet een beschrijving opgenomen van de transacties met CSS. Daarnaast is relevant dat de inspectie op dit moment geen aanwijzingen heeft dat zorggelden als winst of dividend zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders.
Wat vindt u van de constatering van de IGJ dat DeSeizoenen commerciële risico’s genomen heeft met zorggeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het onwenselijk als een zorgaanbieder commerciële risico’s neemt met zorggeld. Geld dat bedoeld is voor de zorg moet daadwerkelijk worden besteed aan zorg. In onze brieven van 9 juli en 17 oktober jl. hebben mijn VWS-collega’s en ik aangegeven welke maatregelen wij nemen om dat te bevorderen.4 Uw Kamer ontvangt nog deze maand een brief waarin wij nader ingaan op de uitwerking van deze maatregelen.
Kunt u nader laten onderzoeken wat de rol is van ondernemers Loek Winter en zijn drie compagnons binnen DeSeizoenen en wat hun rol is geweest als het gaat om de gewekte schijn van belangenverstrengeling? Zo neen, waarom niet?
De inspectie heeft nu onderzoek gedaan naar goed bestuur inclusief de (schijn van) belangenverstrengeling bij DeSeizoenen in relatie tot de dienstenconstructie. De inspectie wacht op dit moment de beschikking af van de Ondernemingskamer Amsterdam in de zaak die de Centrale Cliëntenraad van DeSeizoenen heeft
aangespannen tegen de bestuurders in relatie tot de vastgoedconstructie van DeSeizoenen. Na kennisname van de uitspraak zal de inspectie bezien of er aanleiding is tot nader onderzoek.
De Ondernemingskamer, de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit hebben onderzoek gedaan naar de handelwijze van de top van DeSeizoenen. Acht u aanvullend onderzoek nodig? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wat de rol van de Raad van Commissarissen is geweest op de fouten die zijn gemaakt met de aankoop van vastgoed, dubbele petten, gebrekkige administratie en de schijn van belangenverstrengeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Eén van de conclusies van het onderzoek van de inspectie is dat de Raad van Commissarissen niet goed toezicht hield op de in het rapport genoemde transacties met verbonden rechtspersonen. Zo bleken afspraken tussen de bedrijven niet vastgelegd in contracten waaronder ook de lening van ruim 9 ton van DeSeizoenen aan CCS.
In algemene zin dienen interne toezichthouders situaties waar sprake is van de schijn van belangenverstrengeling te signaleren en er op toe te zien dat de risico’s die daaruit voortvloeien worden vermeden. Het is daarbij belangrijk dat zij tijdig en volledig worden geïnformeerd door de betrokken bestuurder. Anders kan de interne toezichthouder zijn rol niet vervullen. Anderzijds dienen interne toezichthouders proactief en alert te zijn op signalen die er op duiden dat bestuurders bedoeld of onbedoeld informatie achter houden die voor de interne toezichthouder relevant is.
Denkt u dat invoering van de nieuwe Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) toereikend zal zijn om dit soort constructies en belangenconflicten te voorkomen of denkt u dat aanvullende maatregelen nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De maatschappelijke doelstelling van een zorgaanbieder mag nooit ondergeschikt worden gemaakt aan zakelijke of privébelangen van individuen binnen die organisatie. Met de Wtza zetten wij een stap om dit beter te kunnen waarborgen. In onze brieven van 9 juli en 17 oktober jl. hebben mijn VWS-collega’s en ik aangegeven welke maatregelen wij nog meer nemen op dat vlak. Uw Kamer ontvangt nog deze maand een brief waarin wij nader ingaan op de uitwerking van deze maatregelen.
Financiële overschotten op de Najaarsnota |
|
Lodewijk Asscher (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat het overschot van de overheid halverwege 2019 bijna 14 miljard euro bedraagt?1
Ja.
Hoe rijmt u dit financiële overschot met de grote tekorten die er zijn bij de politie, in de zorg en in het onderwijs? Deelt u de mening dat zo’n groot overschot onwenselijk is als het Rijk tegelijkertijd de mensen tekortdoet die zulk belangrijk werk doen voor ons allemaal?
Het EMU-overschot voor het jaar 2019 zoals dat is geraamd in de Miljoenennota 2020 bedraagt 10,8 miljard euro. Dit overschot is hoofdzakelijk het gevolg van incidentele conjuncturele meevallers aan de inkomstenkant. In diezelfde Miljoenennota wordt voor de jaren 2021 en verder een tekort geraamd. Net als vorige kabinetten voert dit kabinet een trendmatig begrotingsbeleid. Dit betekent dat meevallers veroorzaakt door hogere belastingopbrengsten, de staatsschuld verlagen. En omgekeerd, als het minder goed gaat met de economie waardoor er minder belasting binnenkomt en er meer geld nodig is voor uitkeringen, het kabinet de staatsschuld kan laten oplopen waardoor het niet meteen hoeft te bezuinigen.
Daarbij deel ik de mening niet dat het Rijk de mensen bij de politie, in de zorg en in het onderwijs tekort doet. In het Regeerakkoord en bij de daaropvolgende budgettaire besluitvormingsmomenten heeft dit kabinet miljarden euro’s extra beschikbaar gesteld voor onder meer de politie, de zorg en het onderwijs. Zo tellen de maatregelen uit het regeerakkoord op tot 9 miljard hogere uitgaven in 2020 en 8 miljard euro in 2021. Daarnaast is in de Miljoenennota 2020 aangekondigd dat er volgend jaar naast extra middelen voor het klimaatakkoord, defensie en het toekomstbestendig pensioenstelsel ook 134 miljoen extra beschikbaar is voor de asiel- en migratieketen, 300 miljoen beschikbaar voor gemeenten om uitgaven in de jeugdzorg tijdelijk op te vangen, 41 miljoen voor bèta- en techniekopleidingen en 61 miljoen voor het aanbrengen van balans in de financiën van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie. Daarbij ging het in de meeste gevallen om structureel geld, waarmee dus onder meer salarissen kunnen worden betaald. Het overschot waar de vraag over gaat is zoals bekend eenmalig geld.
Hoe verhoudt dit financiële overschot zich tot de uitspraak van de premier dat hij «moet kiezen in schaarste»?2 Hoe legt u het mensen in de publieke sector uit dat er 14 miljard euro over is terwijl zij te lijden hebben onder te weinig salaris, te veel werkdruk en te weinig collega’s?
Zie antwoord op vraag 2.
Zijn er voornemens om (een deel van) het financiële overschot in te zetten voor het onderwijs, de zorg of de politie, bijvoorbeeld bij de Najaarsnota? Zo ja, deelt u de mening dat de mensen in de publieke sector behoefte hebben aan structureel extra middelen? Zo nee, waarom kiest dit kabinet voor geld afstorten in de staatsschuld als er zulke tekorten zijn bij de mensen die zulk belangrijk werk doen voor ons allemaal?
Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 18 en 19 september jongstleden is door de Minister-President aan de Kamer toegezegd te verkennen of extra incidentele middelen beschikbaar gesteld kunnen worden voor het onderwijs en voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Inmiddels heeft het kabinet besloten om een deel van de onderuitputting van 2019 uit te geven aan maatschappelijke prioriteiten als onderwijs, ondermijning, de stikstofproblematiek, de rechtsbijstand en veiligheid en beschermen. In de Najaarsnota 2019 wordt het parlement verder geïnformeerd over het budgettaire beeld voor 2019. De Najaarsnota wordt uiterlijk op 1 december aan het parlement gezonden.
Klopt het dat er ten opzichte van de Miljoenennota 2019 3,3 miljard euro onderbesteding in 2019 en 2,3 miljard onderbesteding in 2020 wordt doorgeschoven naar de jaren 2022–2024? Hoe kan het dat dit kabinet pronkt met extra investeringen terwijl u minder uitgeeft dan beloofd? Deelt u de mening dat de miljarden onderbesteding moeten worden gebruikt voor wat er nu nodig is in de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat er ten opzichte van de Miljoenennota 2019 in de Miljoenennota 2020 sprake is van lagere uitgaven onder het uitgavenplafond. Ten opzichte van de Miljoenennota 2019 zijn de geraamde uitgaven onder het uitgavenplafond afgenomen met respectievelijk 3,7 en 2 miljard euro in de jaren 2019 en 2020. In de Miljoenennota 2020 is aangegeven dat de in het Regeerakkoord begrote ambitieuze investeringsplanning naar verwachting in zowel 2019 als in 2020 niet allemaal worden gerealiseerd volgens de in het Regeerakkoord opgenomen planning. Hiervoor is het kasritme van deze investeringsmiddelen aangepast. Daarbij zijn middelen geschoven uit de jaren 2019–2020 naar latere jaren. Dit gold met name voor de investeringsmiddelen voor infrastructuur en Defensie.
Dit komt ten eerste doordat het tijd kost om grote investeringen in infrastructuur en defensie op te starten, omdat dergelijke investeringsplannen zorgvuldig dienen te worden vormgegeven. Kasuitgaven zijn pas aan de orde als projecten gerealiseerd worden. Ten tweede maakt krapte in de markt, mede als gevolg van de economische conjunctuur, het lastig om projecten versneld uit te voeren. Deze middelen zullen in latere jaren alsnog tot besteding komen. Daarom heeft het kabinet de niet-bestede middelen in 2019 en 2020 via een plafondcorrectie doorgeschoven naar latere jaren. Op deze manier blijven de middelen behouden en blijven de ambities uit het regeerakkoord voor infrastructuur en defensie onverkort overeind.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk – in ieder geval voor de Najaarsnota 2019 – beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat vrouwen meer kans hebben om bij een auto-ongeluk te overlijden |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vrouwen hebben 73 procent meer kans om te overlijden bij een ongeluk»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitkomsten van het Amerikaanse onderzoek van National Highway Traffic Safety Administration (NHTSA)?
Ja.
Hebben de conclusies van het onderzoek ook betrekking op de Nederlandse situatie? Hebben Nederlandse vrouwen 73 procent meer kans om tijdens een auto-ongeluk dodelijk gewond te raken?
Het onderzoek is gebaseerd op ongevalscijfers uit de Verenigde Staten. Dat de conclusies één op één toepasbaar zijn voor de Nederlandse situatie kan op basis van dit enkele Amerikaanse onderzoek niet worden gezegd. Op basis van het onderzoek dat wordt aangehaald meldt de Universiteit van Virginia dat gordel-dragende vrouwen in de Verenigde Staten 73% meer kans hebben om ernstig gewond te raken bij een frontale aanrijding in vergelijking met mannen. Het verschil in risico is het grootste voor de onderste ledematen. Op basis van dit bericht leggen diverse media een verband met het gebruik van crashtestdummies. De onderzoekers van de Universiteit van Virginia leggen een dergelijk verband niet. Zij wijzen juist als mogelijke oorzaak naar biomechanische factoren zoals die bijvoorbeeld in de botstructuur zijn gelegen. Dit is echter niet onderzocht.
Voor het overige wijs ik u ook op de beantwoording van Kamervragen van de leden Schonis en Bergkamp (beiden D66)2 25 april jongstleden. Hierin heb ik het volgende geschreven. Van alle rijbewijsbezitters is ongeveer 45.5% vrouw. Grofweg een kwart van de autododen is vrouw. In de statistieken van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) staat nadere informatie over risico’s en doden per reizigerskilometer. Relevant is in dit verband hoeveel kilometers vrouwen afleggen in auto’s vergeleken met mannen. Mannen rijden beduidend meer kilometers dan vrouwen. Het overlijdensrisico voor mannen in een auto ten gevolge van een verkeersongeval is mede daarom ongeveer 60% hoger dan voor vrouwen. Het risico op letsel voor jonge mannen (18–24 jaar) is 5 keer zo hoog als het letselrisico voor jonge vrouwen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vrouwen meer kans hebben om dodelijk gewond te raken tijdens een auto-ongeluk? En bent u het eens met de stelling dat de veiligheidsstructuur van auto’s op zowel mannelijke als vrouwelijke lichamen moet worden afgesteld?
Ja, waarbij het belangrijk is om ook goed vast te stellen wat de oorzaak daarvan is zoals ik ook in antwoord op vraag 3 heb geschreven. Auto’s moeten veilig zijn voor alle bestuurders en passagiers, zowel mannelijke als vrouwelijke.
Bent u het eens met de stelling dat middels crashtests zo snel mogelijk ook de veiligheid van vrouwelijke bestuurders en passagiers moet worden onderzocht? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De verplichte testen met de huidige dummy zijn zeer representatief voor zowel «gemiddelde» mannen als «gemiddelde» vrouwen. Vanzelfsprekend is niet iedereen gemiddeld. Daarom wordt al in verschillende testen (waaronder bijvoorbeeld door Euro NCAP) ook gebruik gemaakt van een dummy die een kleiner persoon representeert om ervoor te zorgen dat bij de testen ook hiermee rekening wordt gehouden.
Gaat u hierover met de industrie in gesprek om aan te dringen op een aanpassing van de crashtests?
Vanuit Nederland is de RDW betrokken bij de wetgeving en testen rondom de toelating van voertuigen en bij de Nederlandse inbreng rondom de ontwikkeling van dummies. Daarbij wordt, zoals hierboven aangegeven, al rekening gehouden met vrouwelijke bestuurders.
Bent u bereid om extra veiligheidseisen, gericht op vrouwelijke bestuurders en passagiers, op te leggen?
Zie antwoord vraag 6.
Beleggingen in wapenproducerende bedrijven die exporteren naar Turkije |
|
Sadet Karabulut |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
Heeft uw besluit tot een gedeeltelijk wapenembargo tegen Turkije vanwege de acties van het Turkse leger in het grensgebied met Syrië consequenties voor de leningen en beleggingen, ter waarde van 631 miljoen euro, van de Nederlandse banken ING, ABN Amro en Van Lanschot aan of in elf bedrijven die de afgelopen jaren wapens hebben geleverd aan Turkije?1 Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?2
Het kabinet heeft in reactie op de inval van Turkije in Syrië het Nederlandse wapenexportcontrolebeleid aangepast. De behandeling van vergunningen voor de export van militaire goederen naar Turkije is per 11 oktober 2019 opgeschort. U bent hierover op 15 oktober 2019 schriftelijk nader geïnformeerd (Kamerstuk 32 623, nr. 273). Deze aanscherping van het wapenexportcontrolebeleid heeft directe werking voor bedrijven die militaire goederen exporteren naar Turkije. Het heeft geen directe werking voor Nederlandse banken en daarmee geen directe consequenties voor de leningen en beleggingen van de genoemde Nederlandse banken aan of in bedrijven die de afgelopen jaren wapens hebben geleverd aan Turkije.
Hebben naar uw opvatting genoemde banken in hun jaarverslagen, mensenrechtenrapportages, websites of andere publieke bronnen aangegeven dat men druk zal uitoefenen op deze bedrijven om hiermee te stoppen, dan wel investeringen in deze bedrijven te beëindigen? Zo nee, deelt u dan de mening dat de Nederlandse regering in het licht van de opschorting van wapenexportvergunningen een taak heeft?
Banken en investeerders maken hun eigen afweging of zij beleggen in of financiering verlenen aan de defensie-industrie, met in achtneming van het verbod om te investeren in ondernemingen die clustermunitie of cruciale onderdelen daarvan produceren, verkopen of distribueren. Zoals aangegeven in antwoord op vragen van de Leden Karabulut en Alkaya d.d. 24 juli 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3527), verwacht het kabinet van Nederlandse banken dat zij, conform de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (hierna: OESO-richtlijnen), voor hun investeringen in de defensie-industrie de risico’s op mensenrechtenschendingen in kaart brengen, hun invloed aanwenden om deze risico’s te voorkomen of aan te pakken, en hierover verantwoording afleggen.
De naleving van de UNGP’s en OESO-richtlijnen is een individuele verantwoordelijkheid van de banken en zij bepalen zelf, in dialoog met hun stakeholders, hoe zij hun beleid ten aanzien van de defensie-industrie vormgeven en toepassen. Het kabinet heeft dan ook geen analyse gemaakt van de jaarverslagen, mensenrechtenrapportages, websites of andere publieke bronnen van genoemde banken. In het IMVO-convenant van de bancaire sector zijn afspraken vastgelegd over de naleving van deze richtlijnen en principes door de banken. ING, Van Lanschot en ABN AMRO zijn alle drie bij dit convenant aangesloten. In november start de evaluatie van de IMVO-convenanten en de presentatie van de hoofdlijnen van het IMVO-beleid is voorzien voor de behandeling van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2021.
Hebt u inmiddels een themakader bereikt met de partijen die met het bankenconvenant werken? Kunt u aangeven wanneer u dit aan de Kamer kunt sturen?3
Ieder convenant kent een andere aanpak, die in samenspraak tussen de convenantspartijen is opgesteld. Het bankenconvenant werkt – anders dan het verzekeringsconvenant – niet met themakaders.
Het themakader over investeren in wapens en wapenhandel conform de OESO-richtlijnen en de UNGP’s wordt ontwikkeld door de partijen bij het IMVO-convenant van de verzekeringssector, zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van Karabulut en Alkaya van 24 juli 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3527). De partijen hebben dit kader nog niet afgerond. Zodra dit het geval is dan wordt het themakader gepubliceerd op de website van dit IMVO-convenant beheerd door de SER.
Wilt u, ondanks het feit dat u aangaf dat in het lopende convenant voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO-convenant) met de banken geen ruimte meer is voor aanvullende afspraken, in het licht van de actualiteit alsnog met de banken in gesprek gaan over deze investeringen zoals u ook, met kennelijk resultaat, hebt gedaan met de levensverzekeraars?
Met het Verbond van Verzekeraars is op 20 februari 2019 gesproken over hoe verzekeraars omgaan met investeringsbeslissingen met betrekking tot controversiële wapens en controversiële wapenhandel binnen het IMVO-convenant voor verzekeraars. Daarbij is ook aangegeven dat het aan verzekeraars zelf is om te bepalen in welke bedrijven zij investeren.
Dat geldt ook voor banken. Banken maken hun eigen afweging of zij beleggen in of financiering verlenen aan de defensie-industrie. De actualiteit van de aanscherping van het wapenexportcontrolebeleid heeft geen directe werking op de beleggingen van banken.
Zodra de partijen bij het IMVO-convenant van de verzekeringssector het themakader over investeren in wapens en wapenhandel gereed hebben, kan de overheid als partij bij dit convenant het kader delen in een gesprek met de bancaire sector.
Het bericht ‘Lesmethodes seksuele voorlichting onder de loep’ |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Lesmethodes seksuele voorlichting onder de loep»?1
Ja.
Bent u van mening dat er op dit moment sprake is van een breed genoeg aanbod van erkende interventies met betrekking tot seksuele gezondheid? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u aangeven welke acties u onderneemt om het aanbod te verbreden?
Ten behoeve van het Stimuleringsprogramma seksuele en relationele vorming in het onderwijs, dat ik u onlangs toestuurde (Kamerstukken 32 279, nr. 132), heeft het RIVM een overzicht gemaakt van alle erkende interventies op het gebied van seksuele gezondheid. Op dit moment zijn er ruim 36 erkende interventies beschikbaar. Partijen (onder andere de onderwijsraden, GGD GHOR en Rutgers) hebben tijdens het opstellen van het stimuleringsplan onderwijs aangegeven dat het basisaanbod van interventies voldoende is. Uit de behoefteninventarisatie van het RIVM kwam wel naar voren dat scholen vooral behoefte hebben aan bekendheid van het aanbod van interventies. Docenten en scholen weten niet altijd wat er mogelijk is qua interventies op dit moment.
Daarnaast geven partijen aan dat vooral maatwerk per doelgroep op bepaalde scholen belangrijk is. Het basisaanbod van interventies dat er al is, zou dan vooral via specifieke trainingen aan docenten kunnen worden aangeboden voor een speciale doelgroep. In mijn brief «Voortgangrapportage Zevenpuntenplan Onbedoelde (tiener) zwangerschappen» (Kamerstukken 32 279, nr. 132) die ik 12 december jongstleden aan uw Kamer stuurde, geef ik aan dit ook te willen stimuleren via de mogelijkheid voor scholen om facultatief dergelijke trainingen in te kopen van het stimuleringsbudget. Ik verwijs u voor nadere toelichting op dit onderdeel naar deze brief. Veel docenten spitsen de interventie overigens nu al toe op hun doelgroep, zoals bijvoorbeeld het speciaal onderwijs. Daarvoor hoeven niet nieuwe interventies te worden ontwikkeld.
In bovengenoemde brief heb ik ook aangegeven dat het aanbod van lespakketten zich op een markt begeeft. Daarom is het voor de overheid niet wenselijk hierin specifieke aanbieders / lespakketten te stimuleren in verband met staatssteunregels. Wel is het mogelijk om binnen het programma van ZonMW bestaande interventies door te ontwikkelen (voor bijvoorbeeld een specifieke hoogrisicogroep) en deze in de lokale praktijk toe te passen en te toetsen of het werkt. Ook zijn er mogelijkheden voor onderzoek naar de ontwikkeling van interventies. Deze kunnen specifiek gericht zijn op een of meer hoogrisicogroepen. Hiervoor heeft ZonMW medio oktober 2019 een subsidieoproep uitgezet.
Tot slot geef ik het RIVM volgend jaar opnieuw budget, zodat aanbieders van interventies die in aanmerking willen komen voor een erkenning van hun interventie via het Centrum Gezond Leven hiervoor financiering kunnen krijgen en daardoor gestimuleerd worden het erkenningsproces te doorlopen.
Is inmiddels al meer duidelijkheid over het onderzoek naar de subsidiering van educatie en voorlichting met betrekking tot seksuele gezondheid? Heeft de staatssteuntoets ertoe geleid dat er instellingen zijn die in 2020 (deels) niet meer worden gefinancierd vanuit subsidie door het Rijk?
VWS heeft de subsidiëring van educatie en voorlichting met betrekking tot seksuele gezondheid getoetst op eventuele staatsteun elementen. Ik kan echter nog geen mededelingen doen over de exacte uitkomsten ervan, omdat eerst de betreffende organisaties op de hoogte gebracht worden. Maar zoals ik hierboven al schreef, is het voor de overheid niet wenselijk specifieke aanbieders / lespakketten te stimuleren in verband met staatssteunregels. Dit betekent in de praktijk dat instellingen gefinancierd blijven. Tegelijkertijd vindt wel afbouw plaats op specifieke onderdelen in verband met staatssteun.
Hoe wordt gewaarborgd dat de subsidie die aan instellingen wordt verstrekt ten behoeve van seksuele gezondheid ook daadwerkelijk aan dit doel wordt besteed, aangezien uit de evaluatie van Rutgers door KWINK groep (2017) bleek dat de grens tussen seksuele gezondheid en aanpalende onderwerpen niet objectief is vast te stellen?2
Het rapport dat u aanhaalt, gaf de aanbeveling om in de verantwoording over de besteding van de subsidie de nadruk te verleggen van het meten op het niveau van activiteiten naar het meten van doelbereik (of een slimme combinatie van beide). Dit vereist dat Rutgers haar doelen operationaliseert en – zoveel mogelijk- meetbaar maakt. Deze aanbeveling is overgenomen.
Hoe verhoudt de stelling in het Subsidiekader RIVM-CIb 2018 dat het subsidieprogramma een open karakter heeft waarin ook andere organisaties een instellings- of projectsubsidie kunnen aanvragen, zich tot de voorwaarde dat de aanvrager de rol van kenniscentrum moet vervullen en als zodanig erkend moet zijn?3 Welke voorwaarden gelden voor de erkenning en waarom is het logisch dat alle aanbieders de status van kenniscentrum moeten hebben?
Voor alle subsidieaanvragen gelden de subsidievoorwaarden zoals opgenomen in de kaderregeling VWS-subsidies. Als een organisatie een aanvraag indient die voldoet aan die voorwaarden en die binnen vigerend beleid past en er voldoende budget is, dan zal de aanvraag worden goedgekeurd.
De stelling dat het subsidiekader een open karakter heeft verwijst naar het feit dat iedere organisatie een subsidie kan aanvragen. De subsidieverlening beperkt zich dus niet tot de organisaties die nu al gedurende langere tijd subsidie ontvangen. De voorwaarde van het zijn van kenniscentrum heeft vooral betrekking op het feit dat partijen die subsidie aanvragen activiteiten ontplooien die in samenhang met ander aanbod worden ontwikkeld en waarbij de partijen actief aan kennisdeling doen. Dit is dus een van de elementen waarop getoetst wordt, net zoals bijvoorbeeld de toets op staatssteun.
Heeft u conform de toezegging in uw brief (4 juli jl.) inmiddels onderzocht welke verbeteringen kunnen worden doorgevoerd in het beoordelingstraject van lesmethoden op het gebied van seksuele gezondheid in het kader van Gezonde School? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan de betrokkenheid van Rutgers bij de erkenning van dergelijke lesmethoden, aangezien medewerkers van Rutgers op dit moment kunnen oordelen over aanvragen van eventuele concurrenten?4
In de Kamerbrief van 4 juli jl. (Kamerstukken 32 279, nr. 402) heb ik aangegeven dat ik in kaart wil brengen of er verbeterslagen mogelijk zijn in het beoordelingstraject van het RIVM rondom erkenningen van lespakketten. Ik zal u over de resultaten van dit onderzoek in het voorjaar 2020 informeren.
Er zijn twee trajecten rondom lesmethoden en de Gezonde School:
Vanuit het RIVM bestaat een erkenningstraject, waarbij diverse onafhankelijke erkenningscommissies de effectiviteit, kwaliteit en uitvoerbaarheid van onder andere leefstijlinterventies beoordelen. De commissie jeugdgezondheidszorg en gezondheidsbevordering voor de jeugd van het RIVM is verantwoordelijk voor de erkenning van lespakketten op het gebied van seksuele gezondheid.
De interventies worden beoordeeld door professionals uit het veld (Goed beschreven) of door erkenningscommissies waarvan de leden afkomstig zijn uit wetenschap, beleid en praktijk (Goed onderbouwd en Effectief). Deze interventies worden vervolgens opgenomen in de databanken van het RIVM, Kenniscentrum Sport, Nederlands Jeugdinstituut en van Movisie.
In een van de erkenningscommissies zit een medewerker van Rutgers als vertegenwoordiger van kennisinstituut en deskundige op het terrein van Seksuele Gezondheid.
De beoordeling van de vignetten Gezonde School gebeurt door de partners van Gezonde School (https://www.gezondeschool.nl/over-ons/overzicht-partners-gezonde-school). Rutgers is één van de partners van de Gezonde School.
De expertise van Rutgers als kennisinstituut voor seksuele gezondheid bij die beoordeling voor het vignet is relevant omdat Rutgers de kennis heeft om te beoordelen of de thema’s van de Gezonde School zijn geborgd in het schoolbeleid.
Dit leidt niet tot belangenverstrengeling, zoals ik ook al in mijn brief van 4 juli jl. (Kamerstukken 32 279, nr. 402) heb aangegeven.
Waarom is het nodig dat een thema-instituut zoals Rutgers deel uitmaakt van de commissie die de aanvraag van een vignet Gezonde School toetst, indien dit een louter technische beoordeling lijkt te zijn, zoals blijkt uit uw brief (4 juli jl.)? Indien het géén louter technische beoordeling betreft, deelt u dan de mening dat het wenselijk is reeds vóór de evaluatie van Gezonde School door ZonMW in 2023 maatregelen te treffen?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u toelichten wat de noodzaak is van het aanstellen van de coördinator Gezonde School, indien het beleid is dat scholen zo laagdrempelig mogelijk gebruik moeten kunnen maken van interventies op het gebied van seksuele gezondheid? Waarom beperkt u zich bij het verstrekken van subsidie niet tot de vereiste van het gebruik van een erkende interventie?
Ik verwijs hierbij naar mijn brief van 12 december jongstleden (Kamerstukken 32 279, nr. 132). Ik kies voor het verplichte onderdeel van de Gezonde School coördinator, omdat uit de behoefteninventarisatie die het RIVM heeft gedaan onder scholen blijkt hoe belangrijk de rol van deze coördinator is om het thema beter in te bedden in de cultuur van de scholen. De veldpartijen die betrokken zijn bij het opstellen van het stimuleringsplan staan hierachter en hebben dit zelf voorgesteld. Ook het gebruik van een erkende interventie vind ik belangrijk. Deze lijn is nu al gebruikelijk bij de Gezonde School en ondersteun ik daarom van harte.
De vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor het jaar 2020 |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u ons een overzicht verstrekken van het aantal leraren en overig onderwijspersoneel dat een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering ontvangt, onderverdeeld naar de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs?
Primair onderwijs
2017
2018
Aantal WW
6.085
4.772
Aantal aansluitende uitkering
3.597
4.288
Uitgaven WW
128,1
115,5
Uitgaven Bovenwettelijk1
103
134
Bron: UWV/BZK, WW plus en Participatiefonds.
inclusief uitgaven aan aanvulling op de WW en Ziektewet, loonsuppletie bij volledige werkhervatting in een lager betaalde baan en premies voor pensioen en arbeidsongeschiktheid.
Voortgezet onderwijs
2017
2018
Aantal WW
2.435
2.202
Aantal aansluitende uitkering
1.225
1.294
Uitgaven WW
52,6
52,5
Uitgaven Bovenwettelijk1
40,3
44,8
Bron: UWV/BZK, WW plus en DUO.
inclusief uitgaven aan aanvulling op de WW en Ziektewet, loonsuppletie bij volledige werkhervatting in een lager betaalde baan en premies voor pensioen en arbeidsongeschiktheid.
Middelbaar beroepsonderwijs
2017
2018
Aantal WW
1.111
926
Aantal aansluitende uitkering
370
367
Uitgaven WW
16,8
16,0
Uitgaven Bovenwettelijk1
11,3
11,1
Bron: UWV/BZK, MBO-Raad en WW plus.
inclusief uitgaven aan aanvulling op de WW en Ziektewet, loonsuppletie bij volledige werkhervatting in een lager betaalde baan en premies voor pensioen.
Kunt u ons een overzicht verstrekken van de totale som geld die gemoeid is met de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, onderverdeeld naar de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u ons op hoofdlijnen de aard van de bovenwettelijke werkloosheidsrechten schetsen, onderverdeeld naar de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs?
Hieronder is schematisch de maximale duur van de wettelijke en bovenwettelijke werkloosheidsregeling weergegeven inclusief de aansluiting op de AOW. De WW uitkering is, net als in de meeste sectoren, volledig bovenwettelijk gerepareerd in de cao’s van de weergegeven onderwijssectoren. De duur van de WW uitkering, de gerepareerde WW, en de aansluitende uitkering is gerelateerd aan het arbeidsverleden.
De WW wordt bovenwettelijk aangevuld. De hoogte van de uitkering betreft de eerste 6 maanden van de werkloosheid 75% en daarna 70% van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag (laatstgenoten salaris).
Tijdens de aansluitende uitkering bedraagt de hoogte van de uitkering 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag (voor po en vo ligt deze grondslag rond het maximum van schaal LD, voor het mbo bij het maximum van schaal LC).
De extra aansluitende uitkering, bedoeld om reeds lopende uitkeringen te overbruggen in verband met de stijging van de AOW leeftijd, kent een verlaagde berekeningsgrondslag naar 186% van het wettelijk minimumloon (WML). In het primair onderwijs bedraagt de hoogte van de extra aansluitende uitkering 65% van deze verlaagde berekeningsgrondslag en in vo en mbo 70%.
sector
openbaar
bijzonder
Aansluiting op AOW
po
WW+ ASU: 12 jaar vanaf 55 jr.1
38 maanden WW + max. 34 maanden ASU (vanaf 1–1- 2020, daarvoor: 38 maanden)
WW + ASU: 8 jaar voor AOW leeftijd (referte 12 jr.) (vanaf 1-1-2020, daarvoor: 10 jaar)
vo
WW+ ASU: 12 jaar vanaf 55 jr.1
38 maanden WW + max. 34 maanden ASU
WW + ASU: 10jaar voor AOW leeftijd (referte 15 jr.)
mbo
38 maanden WW + max. 34 maanden ASU
WW + ASU: 10 jaar voor AOW leeftijd (referte 15 jr.)
onderscheid openbaar en bijzonder vervalt in 2020. Vanaf dat moment geldt de regeling die onder «bijzonder» onderwijs vermeld staat.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van OCW beantwoorden?
Ja.
De onderschatting van economische groei |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «ING: economische groei stelselmatig onderschat»?1
Ja.
Deelt u de analyse van de ING-economen dat de huidige berekeningen van het bruto binnenlands product (bbp) tekortschieten, onder meer door digitalisering en het onvoldoende corrigeren van prijzen voor kwaliteitsverbeteringen? Zo ja waarom, zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse van de ING-economen deels. Het meten van het bbp is in de loop van de tijd inderdaad uitdagender geworden door ontwikkelingen zoals globalisering, verdienstelijking en digitalisering. Het is echter voorbarig om hier conclusies aan te verbinden. Eerst is hier nog meer onderzoek naar nodig. Er lopen momenteel een aantal trajecten die kijken naar deze ontwikkelingen.
De huidige methodiek achter het bbp berust op EU-wetgeving (European System of National and Regional Accounts (ESA 2010), EU verordening 540/2013). De voorschriften die uit deze wetgeving volgen bepalen welke economische activiteiten worden meegenomen in de berekening van het bbp en hoe ze zijn gedefinieerd.
De voorschriften worden met enige regelmaat aangepast als nieuwe economische feiten en ontwikkelingen die hierom vragen. Gegeven het brede internationale gebruik van het bbp is het nodig om veranderingen van de voorschriften in internationaal verband vast te stellen. Momenteel wordt er in VN-verband gewerkt aan een herziening van de richtlijnen voor het samenstellen van de nationale rekeningen en daarmee ook het bbp. In dat kader vinden onder meer discussies plaats over de ontwikkelingen die ook in het ING-rapport worden geschetst. Het CBS participeert actief in deze discussies. Te zijner tijd zullen de gewijzigde richtlijnen omgezet worden in EU-wetgeving in het Europees systeem van rekeningen. De gewijzigde voorschriften kunnen dan leiden tot revisie van de bbp-cijfers en andere variabelen.
Op welke wijze houden het kabinet en bureaus als het Centraal Planbureau op dit moment al rekening met de factoren die bij zouden dragen aan de onderschatting van de Nederlandse economische groei?
Het kabinet en het Centraal Planbureau baseren zich op macro-economische cijfers zoals deze worden gepubliceerd door het CBS. Het CBS neemt actief deel aan discussies rondom de herziening van de nationale rekeningen en het bbp. Het thema «onderschatting van de economische groei» wordt daar besproken. Eventuele gewijzigde voorschriften die hieruit voortvloeien kunnen uiteindelijk leiden tot revisie van de bbp-cijfers. Dan wordt ook duidelijk of en in hoeverre de economische groei is onderschat.
Bent u in staat en bereid om de onderschatting van de Nederlandse economische groei – op basis van de genoemde inzichten – ook in kwantitatieve zin aan te geven?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan om ook in formele zin een traject te starten dat de onderschatting van de economische groei zo gering mogelijk maakt?
Het CBS voert doorlopend onderzoek uit om de berekeningen van het bbp te verbeteren. Met betrekking tot digitalisering loopt het programma «adequaat meten van de economie». Enkele relevante projecten binnen dit programma betreffen de meting van de platformeconomie, de rol van data als immateriële activa en de meting van gratis diensten. Ook wordt actief geparticipeerd in internationale discussies over mogelijke aanpassing van de voorschriften om zo de veranderende economische werkelijkheid beter te beschrijven. Gezien deze lopende trajecten, acht ik het niet nodig om in formele zin een nieuw traject te starten.
Kunt u ook aangeven of en zo ja, welke overheidsuitgaven aangepast dienen te worden als een correctie van de huidige wijze van berekening van het Nederlandse bbp daadwerkelijk tot een hoger groeicijfer zou leiden?
Het is op voorhand lastig te benoemen welke overheidsuitgaven aangepast dienen te worden als een correctie van de huidige wijze van berekening van het Nederlands bbp tot een hoger groeicijfer leidt.
Het niet exporteren van kernafval naar COVRA maar naar Rusland |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de hal in Nieuwdorp speciaal voor kernafval van URENCO gebouwd is? Zo ja, wie heeft de kosten betaald voor de bouw van deze hal?1
Ja, het klopt dat er bij COVRA in Nieuwdorp twee speciale gebouwen zijn gebouwd voor de opslag van verarmd uranium van URENCO Nederland. URENCO Nederland heeft de bouw van beide gebouwen gefinancierd.
Klopt het dat URENCO onder grote druk ruim tien jaar geleden is gestopt met exporteren van verarmd uranium? Zo ja, wat was de reden dat ze hier toentertijd mee stopten en wat is de reden dat ze hier nu weer mee willen beginnen?
Zoals ook in februari 2016 aan de Tweede Kamer gemeld2, is URENCO Nederland in 2009 gestopt met de export van verarmd uranium naar Russische verrijkingsfabrieken. URENCO Nederland heeft bevestigd op dit moment geen plannen te hebben om deze export te hervatten. De specifieke commerciële en bedrijfseconomische overwegingen die hieraan ten grondslag liggen zijn voor rekening van de onderneming zelf.
Hoeveel ton verarmd uranium produceert URENCO jaarlijks, hoeveel daarvan willen ze naar Rusland exporteren en exporteert Urenco ook nog verarmd uranium naar andere landen?
De hoeveelheid verarmd uranium die URENCO Nederland produceert en hoeveel daarvan wordt geëxporteerd is bedrijfsvertrouwelijke informatie en wordt daarom niet openbaar gemaakt. Euratom en de Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA) voeren controle uit op de splijtstofboekhouding, en daarmee ook op de omvang van de aan- en afvoerstromen van splijtstoffen.
URENCO Nederland heeft een vervoersvergunning voor het transport van verarmd UF6 naar bevoegde ontvangers in een aantal landen waaronder de Russische Federatie. Deze vergunning borgt de transportveiligheid. Van de transportroute naar Rusland wordt momenteel geen gebruik gemaakt. Naast een transportvergunning is voor elke export buiten de EU een exportvergunning nodig, te verlenen door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Over individuele exportvergunningen, waaronder die van URENCO Nederland, worden – gezien de bedrijfsgevoeligheid van deze informatie – geen uitspraken gedaan.
Welke definities/normen bestaan er voor verarmd uranium dat nog bruikbaar is als grondstof en wanneer er sprake is van afval, waar zijn deze definities/normen vastgelegd, gelden deze normen alleen voor Nederland en wie houdt hier toezicht op?
Volgens de Nederlandse wet- en regelgeving3 kan verarmd uranium als afvalstof worden aangemerkt, indien voor deze stof geen gebruik of product- of materiaalhergebruik is voorzien. Dit is in lijn met de definitie van radioactieve afvalstoffen van Euratom en het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA).
De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) is belast met het toezicht en handhaving op het gebied van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming, waaronder radioactief afval.
Wat doet Rusland met het verarmd uranium dat van URENCO komt?
Zoals in de brief van 4 februari 2016 gemeld, heeft verarmd uranium zowel civiele als militaire toepassingen. Bij een toekomstige export buiten de EU is een exportvergunning nodig. Deze wordt alleen verstrekt nadat het land in kwestie
voorafgaand aan het verstrekken van de uitvoervergunning formele overheidsgaranties heeft verstrekt omtrent civiele eindgebruik. Eén van die garanties is dat het verarmd uranium onder safeguards van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) komt te staan. Het (Nederlandse) materiaal staat dus onder toezicht van het IAEA en blijft ook altijd onder toezicht van het IAEA staan.
Het bericht dat een Chinees bedrijf een aanbesteding voor het aanleggen van een metrolijn in Stockholm heeft gewonnen |
|
Arne Weverling (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Stockholm criticised for awarding «impossible» metro contract to Chinese bidder»?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat Chinese staatsbedrijven onder de kostprijs kunnen inschrijven op Europese publieke projecten en daarmee Europese bedrijven uit de markt drukken?
Het kabinet acht het van groot belang dat er op de Europese interne markt eerlijke concurrentie kan plaatsvinden tussen bedrijven om overheidsaanbestedingen. De Europese aanbestedingsrichtlijnen bieden mogelijkheden om deze problematiek te adresseren. Deze richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012. Op basis van artikel 2.116 van deze wet moeten aanbestedende diensten bij een inschrijving die abnormaal laag lijkt, nader onderzoek doen door de betreffende onderneming te vragen om uitleg over hoe de prijs tot stand is gekomen. Wanneer een inschrijver het lage niveau van de voorgestelde prijs niet goed kan onderbouwen met bewijsmateriaal, kan de aanbestedende dienst deze inschrijving ter zijde leggen. Abnormaal lage inschrijvingen als gevolg van niet-naleving van verplichtingen op het gebied van milieu, sociaal en arbeidsrecht moeten zelfs door de aanbestedende dienst ter zijde worden gelegd. Dit geldt voor alle inschrijvingen, ongeacht het land van herkomst van de inschrijver. Dit draagt bij aan een gelijk speelveld voor ondernemers. Een andere manier om voor een gelijker speelveld te zorgen, is door het stellen van kwalitatieve gunningscriteria, zoals milieucriteria. Bovendien hoeven Nederlandse – en andere Europese – aanbestedende diensten geen inschrijvingen toe te laten uit landen die niet zijn aangesloten bij de Government Procurement Agreement (GPA) onder de WTO, zoals China. In het geval van de Stockholmse metro is blijkbaar besloten dergelijke inschrijvingen, vrijwillig, wel toe te laten.
De Europese Commissie heeft daarnaast medio 2019 de mededeling «Richtsnoeren voor de deelname van inschrijvers en goederen uit derde landen aan de aanbestedingsmarkt van de EU (COM (2019) 5494) uitgebracht, waarin zij verduidelijkt welke mogelijkheden lidstaten Europeesrechtelijk gezien nu al hebben om een gelijker speelveld op die markt te bevorderen. Onder antwoord 4 gaat het kabinet nader in op de problematiek van oneerlijke concurrentievoordelen door staatssteun.
Deelt u de mening dat het vanuit het oogpunt van het nastreven van een gelijk speelveld niet houdbaar is dat Chinese bedrijven gemakkelijk aanbestedingen in Europa kunnen winnen, terwijl aanbestedingen in China voor Europese bedrijven in feite niet toegankelijk zijn?
Het kabinet deelt die mening en heeft daarom de positie ingenomen dat, gezien de veranderde geopolitieke omstandigheden, het van belang is dat er een EU-instrument komt dat voor EU-bedrijven meer wederkerigheid op markten voor overheidsopdrachten in derde landen bewerkstelligt. Dit belang wordt ook breder in de EU gedeeld. Om die reden zijn de besprekingen over het voorstel van de Europese Commissie over een Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten (IIO/IPI2) hervat. Dat voorstel heeft als doel om derde landen ertoe te bewegen de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement (GPA)) van de WTO te ondertekenen of om een bilaterale handelsovereenkomsten met de EU af te sluiten waarin afspraken over toegang tot de markten voor overheidsopdrachten worden gemaakt. Wanneer dat niet lukt, kan de Commissie besluiten tot het opleggen van een prijsopslag op aanbiedingen uit een derde land.
Het kabinet zet zich voor aanpassingen van het Commissievoorstel in. Deze moeten er met name toe leiden dat het voorstel effectiever wordt, dat deze de Lidstaten mogelijkheden blijft bieden om restrictieve maatregelen te treffen volgens de ruimte die de aanbestedingsrichtlijnen bieden en dat administratieve lasten van bedrijfsleven en aanbestedende instanties zo laag mogelijk blijven. Zie voor meer details over de Nederlandse inzet het antwoord op de motie Sjoerdsma/Van Helvert (motie 35 207, nr. 15; Kamerbrief «Reactie op moties Koopmans c.s. en Sjoerdsma/Van Helvert over een brede internationale coalitie voor een gelijk speelveld met China respectievelijk een effectief internationaal aanbestedingsinstrument» van 6 december 2019).
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om door middel van het verbieden van buitenlandse staatssteun bij aanbestedingen in Europees verband oneerlijke concurrentievoordelen voor buitenlandse staatsbedrijven tegen te gaan?
De Europese staatssteunregels zorgen ervoor dat ondernemingen niet zonder meer financieel ondersteund of bevoordeeld kunnen worden door overheden. Op basis van de Aanbestedingswet 2012 kan een aanbestedende dienst een inschrijving afwijzen van een onderneming die staatssteun heeft gekregen, wanneer de staatssteun in strijd is met de Europese staatssteunregels. Deze regels zien echter op staatssteun van EU-lidstaten en gelden niet voor overheidsondersteuning door derde landen.
Het IPI heeft als doel om wederkerigheid te bewerkstelligen en niet om tegen verboden staatssteun op te treden. Het kabinet zet momenteel in op een non-discriminatoir instrument gericht op het bevorderen van een gelijk speelveld om dit probleem wel te adresseren (zie Kamerbrief «Kabinetsinzet voor het realiseren van een gelijk speelveld op de Europese interne markt voor alle ondernemingen (level playing field instrument)» van 2 december 2019). Het idee is om via aanpassing van de Europese mededingingswetgeving handhavingsmaatregelen te kunnen treffen indien een onderneming – ongeacht diens nationaliteit – de mededinging op de interne markt verstoort of dreigt te verstoren door vormen van overheidsondersteuning die niet reeds getroffen worden door de thans geldende EU-kaders op het gebied van staatssteun en overheidsondernemingen.
Kunt u aangeven wat uw inzet op Europees niveau is om in algemene zin het probleem van het gebrek aan wederkerigheid bij openbare aanbestedingen voor Europese bedrijven in China te verhelpen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Glucosesensoren |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Kassa over glucosesensoren gezien?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Current Eligibility Requirements for CGM coverage are Harmful, Costly and Unjustified» uit Diabetes Technology and Therapeutics?2
Ja.
Bent u bereid om het Zorginstituut Nederland te vragen opnieuw onderzoek te doen naar de vergoeding van Continu Glucose Monitoring (CGM)-sensoren? Zo ja, wanneer zult u dat doen? Zo nee, waarom niet?
De Flash Glucose Monitoring (FGM) en rt-CGM (real time Continouos Glucose Monitoring) wordt al enige tijd voorgeschreven en vergoed voor alle patiënten die daarvoor in aanmerking komen. De keuze voor FGM of rt-CGM wordt door de behandelend medisch specialist op basis van de bestaande indicatie en in samenspraak met de patiënt gemaakt. Op basis van eenvoudig waar het kan, ingewikkeld waar nodig, wordt eerst gekeken of FGM technologie voldoet of dat CGM medisch noodzakelijk is.
Ik heb eerder dit jaar het Zorginstituut gevraagd of zij onderzoek naar de effectiviteit van rt-CGM wilden meenemen in het onderzoek naar FGM.3 Het Zorginstituut heeft toen aangegeven dat uitbreiding van het onderzoek een vertraging kan opleveren. Dat vind ik onwenselijk, zoals ik u al eerder schreef in mijn brief van 11 juli 2019. Ik was ook in afwachting van de kwaliteitsstandaard van de Ronde Tafel Diabetes. De Nederlandse Diabetesfederatie (NDF) is initiatiefnemer en verwacht voor einde van dit jaar deze kwaliteitsstandaard af te ronden. In de Ronde Tafel wordt onder andere gesproken over de positie van CGM. Niet alleen in verband met de duiding die op dit moment al plaatsvindt voor FGM maar ook in relatie tot de kwaliteitscriteria voor rt-CGM/FGM. Met behulp van de kwaliteitsstandaard en de kwaliteitscriteria voor FGM en rt-CGM gebruik, kan bepaald worden of er nog patiëntengroepen resteren die niet uitkomen met de verschillende hulpmiddelen.
Ik had graag de kwaliteitsstandaard van de Ronde Tafel en de duiding van het Zorginstituut over FGM afgewacht voordat ik het Zorginstituut vraag om onderzoek te doen naar de bredere vergoeding van CGM. Op 5 november zijn twee moties4 aangenomen waarin – onder andere – wordt verzocht om het Zorginstituut alsnog te vragen een apart onderzoek te doen naar een mogelijke bredere vergoeding van CGM. Conform de moties zal ik het Zorginstituut een dergelijke vraag voorleggen.
Bent u bereid om deze vragen voor het algemeen overleg E-health/Slimme zorg van 7 november aanstaande te beantwoorden?
Ik heb de reguliere termijn aangehouden voor beantwoording van de vragen.
Het bericht dat er duizenden nieuwe opvangplekken nodig zijn voor asielzoekers |
|
Jasper van Dijk |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Duizenden nieuwe opvangplekken nodig voor asielzoekers»?1
Het artikel gaat in op een aantal actualiteiten die spelen binnen de migratieketen en waar overleg over wordt gevoerd met provincie en gemeenten. In zoverre herken ik de berichtgeving. De hogere bezetting vanaf het derde kwartaal 2019 en de meest recente Meerjaren Productie Prognose (MPP) nopen tot voorbereiding op capaciteitsuitbreiding bij het COA. Zoals gebruikelijk vindt hierbij overleg plaats tussen ketenpartners, andere ministeries en provincies en gemeenten alvorens definitieve keuzes te maken.
Hoe verklaart u dit zwabberbeleid, aangezien er vorig jaar nog asielzoekerscentra (AZC’s) werden gesloten?
Omgaan met groei en krimp is van alle tijden, aantallen laten zich lastig voorspellen. Op basis van de bezetting destijds, de prognoses van dat moment en de financieringssystematiek is destijds besloten om capaciteit af te bouwen.
Erkent u dat de huidige tekorten waren voorkomen met voldoende reservecapaciteit? Zo ja, waarom heeft u het SP-voorstel daaromtrent niet overgenomen?2
Het aanhouden van leegstaande reservecapaciteit brengt veel kosten met zich mee. Er moet dus een balans worden gevonden tussen flexibiliteit in de opvang en beheersing van de kosten voor opvang. Momenteel wordt, in het kader van het Programma Flexibilisering Asielketen, ingezet op de ontwikkeling van flexibele opvangvormen die voor meerdere groepen en functies inzetbaar zijn, zodat tegen beperkte kosten flexibele capaciteit kan worden aangehouden.
Bent u alsnog bereid om voor reservecapaciteit te zorgen? Zo nee, hoe voorkomt u dat het zwabberbeleid blijft voortduren?
Er wordt altijd getracht een bepaalde mate van extra (frictie-)capaciteit aan te houden om verschuivingen op te vangen. Het COA heeft hiervoor een handelingsperspectief opgesteld: op basis van de verwachte bezetting zal worden bezien hoe het beste kan worden ingespeeld op mogelijke knelpunten en wat voor rol reservecapaciteit kan spelen.
Daarnaast worden in het kader van het Programma Flexibilisering Asielketen flexibele opvangvormen ontwikkeld waarmee verschillende doelgroepen en functies op opvanglocaties kunnen worden ondergebracht. Op deze manier kan op doelmatige wijze flexibele opvangcapaciteit worden aangehouden.
Tevens worden in het kader van dit programma samen met gemeenten en provincies bestuurlijke afspraken uitgewerkt over het organiseren van flexibele capaciteit en de manier van op- en afschalen van capaciteit.
Hoeveel opvangplekken worden bezet gehouden omdat statushouders in afwachting zijn van een sociale huurwoning?
Op peildatum 1 oktober jl. verbleven er 5.450 vergunninghouders in de opvang.
Wat is op dit moment de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning?
Over de wacht en zoektijden voor een sociale huurwoningen heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer geïnformeerd in het rapport Stand van de woonruimteverdeling, dat als bijlage bij de Staat van de Volkshuisvesting 2019 (Kamerstukken 32 847, nr. 520) is meegezonden.
In dit rapport wordt een onderscheid gemaakt tussen de tijd vanaf inschrijving als woningzoekende tot toewijzing van een woning (wachttijd) en de tijd vanaf de eerste zoekactie tot toewijzing (zoektijd). De zoektijd is korter dan de wachttijd omdat burgers zich kunnen inschrijven uit voorzorg, waarbij zij bijvoorbeeld buiten de sociale huursector een woning vinden, of door samenwonen zelf geen acute vraag meer hebben maar nog wel op de wachtlijst staan en daarnaast om inschrijfduur op te bouwen terwijl nog geen acute verhuiswens aanwezig is.
De gemeente is verantwoordelijk voor het huisvesten van vergunninghouders conform de halfjaarlijkse taakstelling. Veelal wordt op basis van prestatieafspraken met corporaties gezocht naar een passende woning voor de gezinssituatie. Het tijdig huisvesten van statushouders is voor een snelle en betere integratie van belang. Ook worden daarmee de maatschappelijke kosten die met de opvang van asielzoekers gepaard gaat, beperkt gehouden.
Hoeveel sociale huurwoningen hadden corporaties sinds 2013 kunnen bijbouwen als er geen verhuurderheffing was ingevoerd?
De financiële ruimte van de corporatiesector is in de afgelopen jaren geen knelpunt geweest voor de bouw van extra sociale huurwoningen. De indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties 2019 (IBW2019) laat voor nieuwbouw een bestedingsruimte zien van € 28,8 miljard, bovenop de al voorgenomen investeringen. Vorig jaar (IBW2018) was deze extra bestedingsruimte € 16,2 miljard.
De geschatte afdracht aan verhuurderheffing in de periode 2013–2018 in € mln. was:
47
1.173
1.283
1.403
1.497
1.657
7.060
Uitgaande van een gemiddeld investeringsbedrag van ca. € 160.000 hadden hiervoor ongeveer 40 à 45.000 sociale huurwoningen kunnen worden gebouwd.
Als tevens rekening wordt gehouden met indirecte effecten van nieuwbouwinvesteringen op de leenruimte van corporaties dan loopt de ruimte voor extra investeringen op tot in totaal ca. € 10,65 miljard. Dit komt overeen met ruim 65.000 sociale huurwoningen.
(Bij deze berekening is verondersteld dat de verhuurderheffing vanaf 2019 weer op het begrote niveau ligt.)
Bent u het ermee eens dat rijke en arme gemeenten gelijkelijk verantwoordelijk zijn voor de opvang van asielzoekers en vluchtelingen – zoals voorgesteld in het SP-plan «Een eerlijker verdeling van vluchtelingen over Nederland»?
Ik heb kennisgenomen van dit voorstel. Echter, COA voert intensief overleg met gemeenten om waar nodig locaties te verkrijgen danwel te verlengen. Gemeenten kunnen op basis van de inkomenspositie van individuele burgers niet gedwongen worden een COA-locatie te realiseren. Gemeenten ontvangen financiering van het Rijk via het Gemeentefonds op basis van bepaalde kenmerken zoals inwonersaantal, aantal niet- ingezetene etc. Daarnaast is het Faciliteitenbesluit van toepassing als er sprake is van een COA-locatie. Zie ook het antwoord bij vraag 9.
Deelt u de mening dat de aanbevelingen uit het bovengenoemde SP-plan inzake de verdeling van vluchtelingen cruciaal zijn om het draagvlak voor asielopvang te behouden? Bent u bereid de aanbevelingen over te nemen?
In het kader van het Programma Flexibilisering Asielketen worden verschillende stappen gezet om de flexibele opvangcapaciteit te verruimen en daarbij ook het draagvlak voor opvang zo veel mogelijk te borgen. Zoals eerder aangegeven worden er flexibele opvangvormen ontwikkeld die voor verschillende groepen bewoners en functies (zoals andere woningzoekenden in de gemeente) kunnen worden ingezet. Zo hoeven er bij fluctuaties minder snel locaties te worden geopend of gesloten. Ook bieden deze vormen kansen voor ontmoetingen tussen bewoners, integratie en borging van draagvlak. De uitwerking hiervan zal onderdeel uitmaken van bestuurlijke afspraken tussen gemeenten, provincies en het Rijk. Bij deze afspraken worden ook de door u genoemde voorstellen betrokken.
Hoe lang moet een asielzoeker gemiddeld wachten voordat zijn aanvraag in behandeling wordt genomen? Bent u bereid meer te investeren in personeel zodat aanvragen sneller worden behandeld?
Op dit moment is de IND (nog) niet in staat om de wachttijden uit de systemen te halen. De IND is bezig om betrouwbare cijfers over de Rust en voorbereidingstijd (RVT) te kunnen genereren. Wel is het mogelijk om aan te geven hoelang aanvragers op moment van beslissing in procedure hebben gezeten. Tot en met augustus 2019 is dat voor spoor 1: 14 weken, spoor 2: 4 weken, voor spoor 4 AA: 28 weken en voor spoor 4 VA is dat 46 weken.
De IND is voornemens om in aanvulling op reeds gedane uitbreiding vanaf oktober 2019 tot en met eind 2020 nog 800 fte te werven en op te leiden. Een groot deel hiervan zal worden ingezet op de afdoening van spoor 4 zaken. Daarnaast zullen ook medewerkers ingezet worden op andere processen waarbij een stijging is te zien van aantal procedures (nareis, onbepaalde tijd en naturalisatie) en op overige ondersteunende taken. Met de genoemde 800 fte zit de IND aan het maximale absorptievermogen van de organisatie. Een grotere investering zal ten kosten gaan van de productie in het primair proces. U bent hierover nader geïnformeerd per brief3.
Hoe voorkomt u dat gemeenten weigeren om opvang aan te bieden vanwege overlastgevende en/of criminele asielzoekers? Deelt u de mening dat de veiligheid van personeel en omwonenden voorop staat en dat er dus voldoende moet worden geïnvesteerd in bewaking en beveiliging?
Zowel op politiek niveau als op ambtelijk niveau voeren het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het COA gesprekken met provincies en gemeenten om in gezamenlijk overleg geschikte opvanglocaties te realiseren.
Ik deel de mening dat de veiligheid van personeel en omwonenden van opvanglocaties voorop staat. De gebouwen van het COA voldoen aan de veiligheidseisen passend bij de doelgroep waarvoor het COA is ingericht.
Helaas hebben we te kampen met een groep overlastgevende en/of criminele asielzoekers die het maatschappelijk draagvlak aantast en het daarmee verpest voor de groep asielzoekers die bescherming nodig heeft.
De aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers heeft dan ook mijn hoogste prioriteit.
Hiertoe heb ik de nodige maatregelen getroffen, waarover ik uw Kamer meerdere malen per brief heb geïnformeerd (Kamerstuk 19 637/33 042, nr. 2391; Kamerstuk 19 637, nr. 2446, 19 637, nr. 2455, 19 637, nr. 2478 en 19 637, nr. 2510).
Daarnaast zijn er op steeds meer opvanglocaties aanvullende afspraken met gemeenten en politie gemaakt om veiligheid op en buiten de locatie te borgen.
Deze maatregelen moeten zorgen voor een vermindering van de overlast en een groei van het maatschappelijk draagvlak voor de opvang van asielzoekers.
Bent u bereid de vragen te beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid op 7 november 2019?
De vragen zijn na de het algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid aan uw Kamer verstuurd.
Door de Nederlandse Ontwikkelingsbank FMO gefinancierde misstanden |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend de berichten dat de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingssamenwerking (FMO) landroof, moord en andere misstanden financiert1, belastingontwijking faciliteert2, en voor lokale bevolkingen niet transparante arbitragesystemen invoert?3
Ja.
Wat vindt u van dergelijke misstanden?
Elke misstand binnen projecten van FMO is er één te veel en ik betreur de incidenten die zijn voorgekomen ten zeerste. Signalen rondom deze misstanden nam en neem ik zeer serieus en kaart ik ook aan bij FMO. De in het artikel genoemde projecten zijn bekend bij het kabinet en zijn onderdeel van de dialoog met FMO. In het geval van ernstige incidenten dringt het kabinet aan op onafhankelijk onderzoek. Ook wordt van FMO zelf verwacht dat zij haar beleid blijft evalueren en het beleid verbetert waar nodig.
Sinds wanneer is het bij u bekend dat FMO landroof en andere misstanden financiert?
FMO is een belangrijke partner in de uitvoering van het Nederlandse OS-beleid. Het doel van FMO is het financieren van projecten met duurzame economische impact in vaak complexe gebieden waar vrijwel geen andere (markt)partijen actief zijn. FMO hanteert hierbij internationale geldende voorwaarden. De risico’s die voortkomen uit de activiteiten van FMO worden zoveel mogelijk gemitigeerd.
Als beleidsverantwoordelijk ministerie zien mijn medewerkers toe op de maatschappelijke missie van FMO. Zij zijn hiervoor doorlopend in dialoog met FMO over haar beleid, bijvoorbeeld tijdens het beleidsoverleg tussen het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en FMO en het regulier overleg over issue-management. Zeker in het geval van de staatsfondsen – die FMO namens het kabinet beheert ten behoeve van specifieke ontwikkelingsdoelstellingen – is deze dialoog zeer intensief. Tijdens deze gesprekken worden mijn medewerkers geïnformeerd over (vermeende) misstanden binnen de projecten van FMO.
Bent u als grootste aandeelhouder van FMO gewezen op deze misstanden? Zo ja, welke verbetering en concrete maatregelen heeft FMO beloofd? Zo nee, welke stappen gaat FMO nu ondernemen?
Het aandeelhouderschap, inclusief de daarbij horende rechten en plichten, wordt vervuld door de Minister van Financiën. Vanwege het belang voor het uitvoeren van het OS-beleid van het kabinet, is mijn ministerie beleidsverantwoordelijk voor FMO. Zoals het antwoord op vraag 3 aangeeft, zijn mijn medewerkers op verschillende manieren in doorlopend overleg met FMO en worden zij geïnformeerd over (vermeende) misstanden. De zeven projecten die worden beschreven in het artikel zijn dan ook bekend bij het kabinet en zijn veelal ook eerder aan de orde gekomen in uw Kamer.
In het verleden zijn naar aanleiding van vermeende misstanden verschillende rapporten opgeleverd door onafhankelijke onderzoekers. Hieruit is naar voren gekomen dat in het verleden op onderdelen onvoldoende onderzoek is gedaan door FMO of andere financiers waarmee FMO heeft samengewerkt. Mede naar aanleiding hiervan is het beleid van FMO in de afgelopen jaren verder aangescherpt. Zo heeft FMO, in overleg met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en mijn medewerkers haar duurzaamheidsbeleid in 2017 verder verbeterd, onder andere op het gebied van landrechten. Ook heeft FMO in 2017 een disclosure policy opgesteld waarbij nieuwe investeringen vóór contractering worden gepubliceerd. Daarmee worden stakeholders in de gelegenheid gesteld reacties te geven op voorgenomen financieringen.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de misstanden bij FMO, zoals landroof, het schenden van de rechten van inheemse bevolkingsgroepen en het meewerken aan belastingontwijking?
Ik hecht grote waarde aan het regelmatig evalueren van FMO en haar beleid, het erop toezien dat alle relevante principes en standaarden worden nageleefd en te komen tot aanbevelingen voor verbeteringen. Deze evaluaties vinden in principe elke vijf jaar plaats en worden in opdracht van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking door een onafhankelijke partij uitgevoerd.
Dit voorjaar zijn de voorbereidingen gestart voor de volgende reguliere evaluatie. De evaluatie heeft betrekking op de periode 2013 – 2018 en zal naar verwachting in het tweede kwartaal van 2020 worden opgeleverd. In deze evaluatie wordt ook de naleving van IMVO-standaarden onderzocht. Naast deze evaluaties worden ook de verschillende fondsen die FMO namens de overheid beheert periodiek geëvalueerd door een onafhankelijke partij.
Geeft FMO de bij hun bekende misstanden aan bij de lokale autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er aantoonbare misstanden worden geconstateerd, kan hier door de klant, FMO en/of andere belanghebbenden lokaal aangifte van worden gedaan. Het is vervolgens aan de lokale autoriteiten om, naar aanleiding van een aangifte, over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Gezien de complexe lokale situatie, waar betrouwbare onafhankelijke rechtspraak soms ontbreekt, wordt er helaas niet altijd overgegaan tot vervolging. Mijn medewerkers gaan op dit punt het gesprek verder aan met FMO om te kijken of er aanleiding is het beleid op dit vlak verder te verscherpen.
Kunt u de Kamer een lijst met bedrijven, gefinancierd door FMO, die land van inheemse bevolkingsgroepen hebben onteigend, toesturen? Zo nee, wat is uw voorstel zodat de Kamer dit zelf kan controleren?
FMO houdt intensief in de gaten bij welke projecten zich mogelijk problemen voordoen. Hierbij kost het vaak tijd om alle feiten boven tafel te krijgen. Het is doorgaans niet in het belang van het lopende onderzoek om informatie hierover te delen met externe partijen. Bovendien betreft het vaak bedrijfsvertrouwelijke informatie. Deze informatie wordt wel op confidentiële basis gedeeld met mijn medewerkers tijdens het doorlopende overleg dat zij hebben met FMO. Daarnaast heeft FMO mij toegezegd in hun jaarverslag meer transparantie te geven over de risico’s van hun investeringen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het beleid van FMO in de afgelopen jaren verder aangescherpt. Ik zie erop toe dat het aangescherpte beleid wordt nageleefd en dat het uiterste wordt gedaan om misstanden in de toekomst te voorkomen. U kunt mij aanspreken op deze verantwoordelijkheid. Via de website van FMO4 is het mogelijk om de bestaande projecten van FMO en de staatsfondsen te bekijken. Daarnaast heeft u de mogelijkheid om de lijst met publicaties van mogelijke nieuwe investeringen te raadplegen via de website van FMO.
Bent u bereid zelf harde maatregelen te treffen en om samen met het Global Legal Action Network (GLAN) inheemse bevolking hun grondrechten terug te helpen verkrijgen van bedrijven die met steun van FMO land onteigend hebben? Zo nee, waarom niet?
De Staat heeft FMO de expliciete opdracht gegeven om investeringen te doen in ontwikkelingslanden, waaronder in fragiele staten, die de markt laat liggen omdat zij deze als te risicovol beschouwt. In deze gebieden, en met name in fragiele staten, is het veelal gecompliceerd te achterhalen hoe landrechten zijn vastgesteld en verkregen. Ondanks deze complexiteit is het noodzakelijk dat FMO uitgebreid onderzoek doet naar landrechten voordat zij een investeringsbeslissing maakt. FMO heeft mij geïnformeerd dat een bezoek aan het mogelijke project, waar FMO in gesprek gaat met alle relevante stakeholders, hier onderdeel van is. Bovendien wordt vaak een beroep gedaan op een externe adviseur, die de situatie ter plaatse beter kent dan FMO. Deze adviseur stelt een onafhankelijk rapport op met geïdentificeerde risico’s en actiepunten voor verbetering. Deze, en andere actiepunten, worden opgenomen in een Environmental & Social Action Plan (ESAP), dat samen met de klant wordt opgesteld als onderdeel van de financieringsovereenkomst.
Mocht achteraf blijken dat dit onderzoek tekort heeft geschoten, dan dient er een oplossing gezocht te worden met behulp van een onafhankelijke partij. FMO heeft hiervoor, samen met de Duitse en Franse ontwikkelingsbanken, een onafhankelijk klachtenmechanisme geïmplementeerd om aan belanghebbenden, waaronder lokale gemeenschappen, de mogelijkheid te bieden een klacht in te dienen over projecten die door deze ontwikkelingsbanken worden gefinancierd. Het mechanisme wordt geleid door een panel van onafhankelijke internationale experts.
Bent u van mening dat richting de topman van een ontwikkelingsbank gepaste maatregelen genomen dienen te worden als hij zware mensenrechtenschendingen zoals het laten vermoorden van opponenten van bouwprojecten, landonteigening van inheemse volken, en onderbetaling van werknemers afdoet als «het is niet realistisch om te denken dat er nooit iets misgaat.»?4 Zo nee, hoe rijmt u deze uitspraken met de doelen van FMO? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Laat duidelijk zijn dat elke misstand binnen projecten van FMO er één te veel is en ik betreur de incidenten die zijn voorgekomen dan ook ten zeerste. FMO is actief in gebieden met een zeer complexe context, waar andere banken niet, of in beperkte mate, opereren. Juist in deze gebieden kan FMO een rol spelen om duurzame economische impact te genereren. Inherent verbonden aan dit mandaat is dat incidenten, zoals het niet geheel of tijdig uitvoeren van de gemaakte afspraken op het gebied van sociaal en milieutechnisch gebied, niet helemaal voorkomen kunnen worden. Dit is waar de aangehaalde uitspraak over ging, niet over het verband dat in de vraag wordt gesuggereerd. Uiteraard moeten alle investeringen onder internationaal geldende voorwaarden tot stand komen en risico’s zoveel als mogelijk gemitigeerd. De onderneming is hiervoor verantwoordelijk en ik heb van de Raad van Commissarissen begrepen dat zij hierop toeziet en alle vertrouwen heeft in de Raad van Bestuur. Het beleid ten aanzien van deze risico’s is ook een vast onderdeel van onze beleidsdialoog met FMO.
Deelt u de mening van emeritus hoogleraar ontwikkelingsstudies Paul Hoebink die aangeeft dat de problemen bij FMO voorkomen uit het feit bankiers bij FMO aan de knoppen zitten en slechts geïnteresseerd zijn in het rendement op investeringen, in plaats van in de maatschappelijke en planeetbrede verantwoordelijkheid van een ontwikkelingsbank?5 Zo nee, wat is uw analyse?
Ik herken mij niet in de uitspraak dat bij FMO bankiers aan de knoppen zitten die slechts geïnteresseerd zijn in het rendement op investeringen. FMO is een ontwikkelingsbank met een duidelijk gedefinieerde maatschappelijke missie. Deze missie is onder andere verankerd in de overeenkomst tussen de Staat en FMO uit 1998 en in de oprichtingswet van FMO. Pas als aantoonbaar wordt gemaakt hoe een investering zal bijdragen aan deze missie, zal FMO kijken naar het financiële aspect. Het rendement dat gehaald wordt gaat dus altijd in samenspel met het bijdragen aan de ontwikkelingsdoelen die FMO nastreeft.
Naast het eigen kapitaal beheert FMO namens de Staat een aantal fondsen die specifiek zijn gericht op het bijdragen aan ontwikkelingsdoelen, hierin komt de maatschappelijke missie nog sterker tot uitdrukking. De Raad van Commissarissen houdt toezicht op FMO, waaronder het naleven van haar maatschappelijke missie. Ik heb er vertrouwen in dat de onderneming op de juiste wijze invulling geeft aan de maatschappelijke missie.
Bent u bereid om uw positie als grootaandeelhouder in te zetten om het bestuur van FMO minder als reguliere investeringsbank vorm te geven, en meer als een ontwikkelingsbank met een maatschappelijk en planeetbrede verantwoordelijkheid? Zo ja, hoe wilt u dit doen? Zo niet, waarom niet?
Het aandeelhouderschap, inclusief de daarbij horende rechten en plichten, wordt vervuld door de Minister van Financiën. Vanwege het belang voor het uitvoeren van het OS-beleid van het kabinet, is mijn ministerie beleidsverantwoordelijk voor FMO. Als beleidsverantwoordelijk ministerie zie ik toe op de maatschappelijke missie van FMO, die sterk verankerd is in de werkwijze binnen FMO en in alle investeringsbeslissingen die zij zelfstandig maakt. Mogelijke investeringen moeten aantoonbaar bijdragen aan de SDG’s en laten zien hoe de impact wordt gerealiseerd. Bovendien is deze verantwoordelijkheid geborgd in de Overeenkomst tussen de Staat en FMO uit 1998, waarin onder andere aanvullende afspraken staan over de ontwikkelingsdoelstellingen van FMO.
FMO’s Raad van Commissarissen houdt toezicht op de organisatie, inclusief het nastreven van haar maatschappelijke missie. Ik heb vertrouwen in het toezicht van de Raad van Commissarissen op FMO en in de Raad van Bestuur om de strategie van FMO op een goede wijze te implementeren.
Bent u bekend met het doel van FMO om te investeren in voedselzekerheid voor een groeiende wereldbevolking, met steeds minder natuurlijke hulpbronnen?6 Onderschrijft u dat om deze doelstellingen te realiseren er een eiwittransitie van dierlijke naar plantaardige eiwitten plaats moet vinden, zoals onder andere de Wageningen University & Research7 en het IPPC8 ook stellen? Zo nee, waarom niet?
Een hoge mate van voedselzekerheid en voedselveiligheid is van groot belang voor de groeiende wereldbevolking. Om op de langere termijn voedselzekerheid te bieden aan de groeiende wereldbevolking, streeft FMO naar een goede balans tussen de consumptie van plantaardig voedsel en dierlijke producten. FMO werkt daarom nauw samen met de Universiteit van Wageningen en de Wereld Voedselorganisatie (FAO) om mede invulling te kunnen geven aan deze balans.
Voedselveiligheid en het reduceren van verspilling in ontwikkelingslanden is met name een belangrijk punt voor FMO. In ontwikkelingslanden gaat naar schatting meer dan dertig procent van voedsel verloren voordat het voedsel bij de consument terecht komt. Tegen die achtergrond richt FMO zich onder andere op de verbetering van productieprocessen van bedrijven die produceren voor de lokale markt en op betere opslag en distributie.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in een reactie op een open brief van de Nederlandse Vereniging voor Veganisme de kabinetsvisie op het gebied van de plantaardige voedselvoorziening verwoord. Hierin is onder andere te lezen dat de Minister de komende tijd zal werken aan een Nationale Eiwitstrategie om de productie van plantaardige eiwitten en benutting van eiwitten uit reststromen en andere bronnen te vergroten.
Erkent u in dat licht dat het contraproductief en tegenstrijdig is met de eigen doelstelling van FMO om te investeren in grootschalige vee-industrie? Zo nee, op welke manier kunt u de grootschalige investering rechtvaardigen?
FMO richt zich niet primair op grootschalige veebedrijven. De investeringen van FMO richten zich op de verbetering van voedselveiligheid, efficiëntie en beter gebruik van hulpbronnen, juist omdat er steeds minder hulpbronnen beschikbaar zijn om meer mensen te voeden. FMO streeft met haar investeringen ook naar een goede balans tussen het gebruik van plantaardig voedsel en dierlijke producten, daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat in ontwikkelingslanden de toegang tot voldoende proteïnen vaak een uitdaging is. De eiwittransitie ziet er in ontwikkelingslanden daardoor anders uit dan in Nederland. FMO financiert daarom wel in de vleesverwerkende industrie. Daarbij werkt FMO intensief samen met klanten om de milieu en sociale impact te verbeteren, onder andere op het gebied van dierenwelzijn, de voedselkwaliteit te verbeteren en hogere voedselveiligheid te bewerkstelligen.
Klopt het dat FMO in 2016 een lening van 15 miljoen euro aan Astarta Kiev heeft verstrekt, een Oekraïens agrarisch bedrijf dat per jaar miljoenen omzet, onder meer door het gebruik van 27.000 melkkoeien? Klopt het dat dit bedrijf al eerder een lening van 50 miljoen euro van de Europese Investeringsbank (EIB) heeft gekregen?9
Astarta Kiev betreft een gemengd bedrijf, waar ook melkkoeien onderdeel van uitmaken. Kenmerk van het bedrijf is dat het werkt volgens een circulair productieproces, waar bijvoorbeeld bijproducten uit de gewassenteelt worden gebruikt voor veevoer en voor de bemesting van het land. In Oekraïne is er momenteel minder aanbod dan er vraag is naar verse melk van goede kwaliteit. De desbetreffende klant van FMO is er dan ook op gericht om voor de lokale markt veilige melk te produceren en de zelfvoorziening van Oekraïne op dit gebied te vergroten.
FMO heeft in 2016 een lening verstrekt aan Astarta in Kiev, specifiek voor de uitbreiding van een van hun suikerfabrieken. De EIB heeft in 2017 een lening van EUR 36,2 miljoen uitgegeven aan Astarta Kiev Groep voor de bouw en renovatie van faciliteiten voor de opslag van graan en suiker. Deze lening omvat ook de financiering van de R&D-activiteiten van Astarta met betrekking tot de software voor het landbouwbeheer. De lening verving een eerdere lening die niet was uitgekeerd. Zowel de huidige lening als de eerdere, geannuleerde lening omvatten geen financiering aan het veehouderij segment van Astarta.
Kunt u zich voorstellen dat het voor Nederlandse boeren oneerlijk aanvoelt als er Nederlands belastinggeld wordt geïnvesteerd in Oekraïense concurrenten, die via het Associatieverdrag ook nog eens een versoepelde toegang tot de Europese markt hebben gekregen? Zo nee, wat is dan uw uitleg aan Nederlandse boeren over deze gang van zaken?
Het kabinet streeft naar een gelijk speelveld tussen de Europese en Oekraïense agrarische sector middels het Associatieakkoord. Zoals eerder aangegeven in antwoorden op Kamervragen van het lid Van Raan (PvdD) en Lodders en Haga11, moeten alle naar de EU geëxporteerde producten voldoen aan Europese eisen op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid en etikettering. In het Associatieakkoord tussen de Europese Unie en Oekraïne is afgesproken dat Oekraïne zich zal inspannen om zijn wetgeving in overeenstemming te brengen met die van de EU, ook op het terrein van dierenwelzijn en diergezondheid.
De financieringen van FMO in de Oekraïense agrarische sector passen binnen de maatschappelijke missie van FMO. De investeringen in Oekraïne dragen bijvoorbeeld bij aan het verbeteren van afvalwatersystemen, zodat er minder water nodig is bij productieprocessen of aan het verbeteren van opslagfaciliteiten. Dergelijke investeringen worden niet aangeboden door private partijen, onder andere vanwege de huidige macro-economische situatie in Oekraïne en het verslechterde investeringsklimaat.
Kunt u een lijst met veeteeltbedrijven gevestigd in landen met vrijhandel- of associatieakkoorden met de Europese Unie die gefinancierd zijn door de Nederlandse belastingbetaler via FMO, de EIB, de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD), of andere internationale financiële instellingen naar de Kamer sturen? Zo nee, wat is uw voorstel zodat de Kamer dit zelf kan controleren?
FMO heeft in 2015 één bedrijf in de veeteeltsector in een land met vrijhandel- of associatieakkoorden met de Europese Unie direct gefinancierd, met een totale projectwaarde van EUR 6,5 miljoen. De EIB heeft geen lopende directe financieringen aan projecten in de veeteeltsector in de desbetreffende landen, maar drie projecten waarbij bedrijven worden gefinancierd die daarnaast ook actief zijn in deze sector. De EBRD heeft één project gefinancierd ter waarde van EUR 20 miljoen in de periode van 2018 tot en met september 2019 in de veeteeltsector in de desbetreffende landen. De Wereldbank heeft in deze landen 39 actieve projecten in de veeteeltsector, met een totale projectwaarde van USD 1,3 miljard. In het kader van klantenbescherming kan geen lijst met veeteeltbedrijven gedeeld worden met de Kamer.
Daarnaast geldt voor een aantal financiële instellingen dat zij financiering aan agrarische bedrijven voor (vaak kleinere) investeringen aanbieden via indirecte leningen door financiële intermediairs. Of en hoeveel veeteeltbedrijven met dat type middelen zijn bereikt, is niet eenduidig te beantwoorden, aangezien veeteelt geen aparte classificatiecategorie is voor de banken en het om een groot aantal transacties per jaar gaat.
Nederland is slechts één van de meerdere donoren van de EIB, EBRD en de Wereldbank; slechts een deel van de financiële middelen van deze instellingen is afkomstig van de Nederlandse bijdrage.
Meer informatie over de gefinancierde projecten is te vinden op de websites van FMO12, de EIB13 en de European Bank for Reconstruction and Development14 en de Wereldbank15.
Welke stappen gaat u als grootaandeelhouder richting FMO ondernemen om te zorgen dat de eiwittransitie bij FMO een van de kernelementen van hun investeringsstrategie wordt?
Het aandeelhouderschap, inclusief de daarbij horende rechten en plichten, wordt vervuld door de Minister van Financiën. Vanwege het belang voor het uitvoeren van het OS-beleid van het kabinet, is mijn ministerie beleidsverantwoordelijk voor FMO. Zoals ik in het antwoord op vraag 11 aangeef zien mijn medewerkers toe op de algemene maatschappelijke missie van FMO. FMO geeft invulling aan deze missie door investeringen te doen die bijdragen aan voedselzekerheid en voedselveiligheid. In dit kader streeft FMO naar een goede balans tussen de consumptie van plantaardig voedsel en dierlijke producten. Mijn medewerkers zien er op toe dat FMO zich houdt aan de internationaal geldende voorwaarden, onder andere op het gebied van dierenwelzijn.
Het rapport 'Politiek en Sociale Media Manipulatie' |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Steunt u het onderverdelen van nieuwsmedia in de categorieën «vuilnis» versus «mainstream»?1 Zo ja, waarom?
Zo nee, neemt u dan afstand van dit onderzoek?
Bent u van mening dat de staat een gevaarlijk pad richting censuur bewandelt als het onderzoek laat doen waarin in dergelijke bewoordingen onderscheid tussen media wordt gemaakt?
Bent u het ermee eens dat het waarheidsgehalte van de sectie over «trollen» in twijfel getrokken moet worden nu blijkt dat het rapport in ieder geval één echte gebruiker – met een mening die de auteurs onwelgevallig is – als «verdacht» of «nep-achtig» heeft weggezet, terwijl deze gebruiker simpelweg zijn mening gaf?2
Vindt u het geven van een mening die tegen de mainstream indruist maar geheel binnen de kaders van de Nederlandse wet valt «verdacht»? Zo nee, bent u van mening dat het nooit meer mag voorkomen dat auteurs zich in een van overheidswege gefinancierd document in dergelijke termen uitlaten over Nederlanders die volledig binnen de kaders van de wet hun mening geven?
In het rapport stellen de onderzoekers: «Generally, the junk news sites, of which hyperpartisan sites are the largest constituent, can be characterized as right-wing, anti-immigrant, anti-EU (...).» (Rogers & Niederer 2019, 59)3; bent u het eens met deze stelling – dat «vuilnis»-nieuws zich met name ter rechterzijde van het politieke spectrum zou bevinden? Zo ja, hoe verklaart u dat? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat dit rapport bepaalde nieuwsmedia als vuilnis bestempelt, maar dat bewegingen en individuen in dit rapport tegelijkertijd in diskrediet worden gebracht als ze de objectiviteit van de gevestigde media in twijfel trekken, zoals uit de passage «Designating a news organization as fake (...) however, has a darker history, associated with authoritarian regimes or populist bombast diminishing the reputation of «elite media», blijkt?4 Bent u van mening dat het bevragen van de objectiviteit van gevestigde media een «donkere geschiedenis» heeft? Zo ja, welke «donkere geschiedenis» dan? Zo nee, waarom niet?
Hoe past uw eigen waarschuwen voor «fake news» in deze al dan niet «donkere» geschiedenis?
Een sterke en pluriforme mediasector is – even als een mediawijze bevolking – een groot goed in een democratische samenleving, ook bij het tegengaan van de verspreiding van desinformatie. Nederland kent een kwalitatief sterke en pluriforme nieuwsvoorziening. Het kabinet ondersteunt deze onder meer via het publieke mediabestel en de Samenwerkingsagenda Nederlandse Mediasector. Daarnaast wordt innovatie in de sector ondersteund door het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek.
Bent u het ermee eens dat een pluriform media-aanbod essentieel is in een democratie, en dat alternatieve, kritische media hier een belangrijke bijdrage in leveren?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u garanderen dat u in de toekomst geen maatregelen treft die de journalistieke vrijheid of de verspreiding van als «vuilnis» betitelde media in dit rapport beperken, zowel online als offline? Op welke wijze kunt u die garanties gestand doen?
Bij de uitgangspunten van beleid staan de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting (artikel 19 VN-Verdrag inzake burger- en politieke rechten, artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 7 Grondwet) voorop, zoals ook gemeld aan uw Kamer in onder andere de brief van 18 oktober. Eventuele maatregelen dienen deze vrijheden niet onrechtmatig te beperken, het uitgangspunt van dit juridisch kader is dat preventieve censuur ontoelaatbaar is. Het kabinet is voorstander van het bevorderen van meer transparantie over de herkomst van informatie en behoud van een pluriform medialandschap.
Waarom is dit onderzoek, dat betrekking heeft op Nederlandstalige inhoud, in het Engels uitgevoerd?
De hoofdonderzoeker is van oorsprong Engelstalig. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is akkoord gegaan met het opstellen van het rapport in het Engels, dit is voor het ministerie een uitzondering. Er is een uitgebreide Nederlandse samenvatting aan het rapport toegevoegd. Zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken op 31 oktober jl. zal het gehele rapport ook in het Nederlands gepubliceerd worden.
Is dit rapport in de ministerraad besproken, en welke conclusies zijn daar getrokken?
De ministerraad heeft op 18 oktober ingestemd met verzending van de brief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie aan de Tweede Kamer. Hiermee is ook voldaan aan de toezegging om de brief voor de begrotingsbehandeling naar de Tweede Kamer te sturen.
Wat is de status van dit rapport, en trekt u er beleidsconsequenties uit? Zo ja, welke?
Het rapport is gepubliceerd als wetenschappelijk onderzoek. Bevindingen van de onderzoekers ondersteunen dat de aard van de dreiging in Nederland nu beperkt is. Daarom zet het kabinet in op preventieve acties, zoals ook is aangegeven in de Kamerbrief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie.7
Hoeveel geld heeft het ministerie aan dit onderzoek uitgegeven?
Het onderzoek heeft € 136.623,52 gekost.
Zult u na verschijnen van dit rapport nu voortaan niet meer suggereren dat Rusland of andere vreemde mogendheden in onze verkiezingen proberen te interfereren als daarvoor geen hard bewijs is? Gaat u excuses maken voor eerdere beschuldigingen?
De Minister van BZK heeft uw Kamer voor het zomerreces al gemeld geen aanwijzingen te hebben dat er bij onze provinciale staten en Europees parlementsverkiezingen door statelijke actoren grootschalig desinformatie is verspreid.8 Wel is blijvende waakzaamheid geboden die verder reikt dan de context van verkiezingen, nu desinformatie zich ook bij actuele maatschappelijke discussies of economische aangelegenheden kan voordoen.
Zoals ik ook schreef in de Kamerbrief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie9constateert de AIVD dat er sprake is van voortdurende (online) beïnvloedingsactiviteiten op sociale media vanuit Rusland. De Russische Federatie beschikt hiertoe over steeds meer geavanceerde technische capaciteiten en IT-systemen. De invloed van de online beïnvloedingsactiviteiten op het publiek-maatschappelijke debat in Nederland is waarschijnlijk niet significant. De AIVD heeft al eerder gemeld dat uit Rusland, met beperkt effect, pogingen zijn gedaan tot online beïnvloeding in het Nederlands op sociale media.
Heeft de rijksoverheid contact gehad met techgiganten als Facebook en Google over het tonen of niet tonen van bepaalde inhoud aan gebruikers in Nederland? Zo ja, over welke types inhoud ging dit, wanneer vonden deze gesprekken plaats, wat was de aard van deze gesprekken en welke conclusies zijn daaruit getrokken?
In de contacten die mijn ministerie heeft gehad met de internetdiensten over de uitvoering van de gedragscode desinformatie worden geen afspraken gemaakt over het wel of niet tonen van informatie. Met het uitvoeren van de Europese gedragscode tegen desinformatie hebben enkele internetdiensten al goede stappen gezet in het verbeteren van transparantie op hun platforms. Maar verbetering is nodig. Daarnaast is de gedragscode niet ondertekend door alle internetdiensten die politieke advertenties plaatsen en mogelijk een verspreidingsbron vormen voor desinformatie. Gezien het belang van transparantie op deze platforms en de wens om burgers online meer middelen te geven om informatie op waarde te kunnen schatten, vindt het kabinet het opportuun om transparantie van deze platforms te kunnen afdwingen, en wil het de invulling hiervan de komende periode nader verkennen.
Kunt u garanderen dat de overheid geen invloed probeert uit te oefenen op het algoritme van techgiganten om zo te beïnvloeden welke politiek beladen berichten of websites gebruikers wel of niet te zien krijgen? Zo nee, hoe beziet u dit in het licht van de democratische rechtsstaat, de pluriformiteit van de media en de vrijheid van meningsuiting?
De overheid oefent geen invloed uit op de techbedrijven om via hun algoritmes bepaalde politieke meningen te bevoordelen of te benadelen. Algoritmes van de techbedrijven zijn hun (intellectueel) eigendom. Zij bepalen zelf hoe ze hun algoritmes vormgeven.
Op diverse onderwerpen werkt de overheid samen met de techbedrijven. Bijvoorbeeld werken aan de bestrijding van strafbare feiten zoals de verspreiding van kinderporno. Techbedrijven hebben zich via de Europese gedragscode inzake illegale content gecommitteerd om strafbare content zoveel mogelijk tegen te gaan op hun platform.
Welke media ontvangen geld van de overheid, en hoeveel per medium?
Landelijke en regionale publieke omroepen worden door het Rijk gefinancierd uit de Mediabegroting. Lokale publieke omroepen worden gefinancierd uit het Gemeentefonds. In de mediabegroting10 vindt u een toelichting bij inkomsten en uitgaven; in de begroting van de NPO is een verdeling opgenomen van de totale kosten per zender en per genre. Zowel de NPO als de publieke omroepen publiceren daarnaast hun jaarverslagen.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.