Bezoekverboden aan niet-coronapatienten in Limburgse ziekenhuizen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat een aantal ziekenhuizen nog altijd een bezoekverbod hanteert voor niet-corona patiënten?
Sinds 2 juni zijn er geen bezoekverboden meer van kracht in Limburgse ziekenhuizen. Een aantal Limburgse ziekenhuizen hanteerde eerder wel een bezoekverbod. De ziekenhuizen hanteren nu bezoekregelingen. De ziekenhuizen wilden met een bezoekverbod voor non-covid patiënten verdere verspreiding van het coronavirus onder personeel en patiënten voorkomen. De prioriteit ligt in de ziekenhuizen bij de zorg voor de patiënten, die veilig moet zijn, en de zorgverleners, die veilig moeten kunnen werken. Ook in de ziekenhuizen moet de 1,5 meter afstand gerealiseerd kunnen worden, zeker gezien de kwetsbaarheid van patiënten juist bij niet corona-patiënten. Het kabinet stelt algemene richtlijnen vast met betrekking tot de omgang met het coronavirus. Afhankelijk van de ontwikkelingen is het aan de ziekenhuizen zelf wanneer en welke bezoekregelingen zij toepassen om de richtlijnen te kunnen volgen en daarmee ook de veiligheid te kunnen waarborgen voor patiënt en zorgverlener. Dit kan dus per ziekenhuis en per regio verschillen.
Klopt het dat in een aantal ziekenhuizen, waaronder het Zuyderland Medisch Centrum Heerlen en drie andere Limburgse ziekenhuizen, nog altijd sprake is van een bezoekverbod? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van de verschillende bezoekregelingen die op dit moment door de verschillende ziekenhuizen worden gehanteerd? In hoeveel ziekenhuizen is nog altijd een bezoekverbod van kracht?
De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) heeft laten weten dat er sinds 2 juni in Limburg geen ziekenhuizen meer zijn die een bezoekverbod hebben. Patiënten die opgenomen zijn in het Zuyderland Medisch Centrum, Sint Jansgasthuis, Laurentius ziekenhuis, VieCuri en MUMC mogen één keer per dag één bezoeker ontvangen. De ziekenhuizen geven allen aan dat een bezoekregeling niet vastgesteld is voor een vooraf bepaalde periode, maar afhankelijk is van de ontwikkelingen in het ziekenhuis.
Wat zijn de richtlijnen met betrekking tot ziekenhuisbezoek aan niet-coronapatienten?
Er zijn geen specifieke richtlijnen met betrekking tot ziekenhuisbezoek aan (niet-)coronapatiënten. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor het leveren van persoonsgerichte, veilige en verantwoorde zorg. De algemene maatregelen die het kabinet inzet, gelden voor iedereen in Nederland en worden door ziekenhuizen zelf vertaald naar het beleid van de ziekenhuizen. De uitwerking daarvan kan per situatie verschillend zijn en afhankelijk zijn van bouwtechnische aspecten (breedte van gangen, aantal patiënten op een kamer), personeelsaspecten (is er toezicht, begeleiding en handhaving nodig en is daarvoor capaciteit beschikbaar) en de druk op de zorg (aantal coronapatiënten en de mate waarin de reguliere zorg opgestart is).
Bent u ook van mening dat een bezoekverbod alleen in uiterste nood moet worden ingevoerd en zo snel mogelijk weer moet worden ingetrokken als de situatie dit toe laat?
Ik begrijp dat een bezoekverbod, zeker in de huidige situatie, veel impact heeft op patiënten en hun naasten. Patiënten moeten echter kunnen rekenen op veilige zorg en zijn veilige werkomstandigheden voor de zorgverleners essentieel. Een bezoekverbod of bezoekregeling om verdere verspreiding van het coronavirus onder personeel en patiënten te voorkomen en de veiligheid te kunnen waarborgen kan daarvoor door ziekenhuizen worden afgegeven. De Limburgse ziekenhuizen geven allen aan dat de bezoekregeling niet is vastgesteld voor een vooraf bepaalde periode, maar afhankelijk is van de ontwikkelingen in het ziekenhuis.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Mogelijke Chinese spionage bij Europese instellingen via de ambassade van Malta |
|
Vicky Maeijer (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Maltese ambassade in Brussel door China is gebruikt als «spy tower» om Europese instellingen mee te bespioneren?1 2
Ja, het kabinet is bekend met de aangehaalde berichtgeving.
In hoeverre klopt het dat China heeft betaald voor de verbouwing van de Maltese ambassade die pal naast het gebouw van de Europese Commissie in Brussel ligt?
In een persbericht van de Maltese overheid van 15 mei jl. wordt gesteld dat de verbouwing in 2007 door Malta zelf is betaald. Wel is er volgens het persbericht meubilair gedoneerd door China, waarbij volgens geldende veiligheidsprocedures zou zijn gehandeld. Ook zou het gebouw zowel interne als externe veiligheidskeuringen hebben doorstaan.
Beschikt u over informatie dat de ambassade inderdaad voor spionageactiviteiten is gebruikt en bent u bereid om de Belgische staat om opheldering te vragen?
In de jaarverslagen van de AIVD en MIVD wordt melding gemaakt van spionagedreiging vanuit statelijke actoren, welke inzicht proberen te krijgen in besluitvorming en deze proberen te beïnvloeden. Het kabinet acht het daarom van belang dat ook de EU waakzaam is op de aantasting van de integriteit en exclusiviteit van kennis en informatie.
Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over casuïstiek die het actuele kennisniveau en de modus operandi van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten raken.
Zijn bij de Europese Commissie en andere Europese instellingen gevallen bekend van vermoedelijke Chinese spionage, al dan niet via ambassades van EU-lidstaten?
Zie antwoord vraag 3.
Beschikt u over aanwijzingen dat de ambassade van Malta in Den Haag – die in de directe nabijheid van het Vredespaleis ligt – als «spy tower» wordt gebruikt om internationale instellingen in Nederland te bespioneren?
Het kabinet is alert op pogingen van statelijke actoren om op heimelijke of onwettige wijze inzicht te krijgen in besluitvorming en deze te beïnvloeden. Op basis van een integrale aanpak wordt voortdurend getoetst waar de nationale veiligheidsbelangen in het geding kunnen komen door statelijke actoren, en welke tegenmaatregelen noodzakelijk zijn.
Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over casuïstiek die het actuele kennisniveau en de modus operandi van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten raken.
Wat doet Nederland om te voorkomen dat China spionagepraktijken via ambassadenetwerken van kleine en/of makkelijk beïnvloedbare staten zoals Malta, opzet en uitvoert op Nederlandse grondgebied?
Het kabinet hanteert een integrale aanpak ten aanzien van statelijke dreigingen die bijvoorbeeld raken aan democratische processen, digitalisering, economische veiligheid, internationale vrede en veiligheid, krijgsmacht en sociale stabiliteit. De inzet op deze thema’s wordt onder verantwoordelijkheid van verschillende bewindspersonen vormgegeven. Perspectieven worden bijeengebracht om voortdurend te toetsen waar de nationale veiligheidsbelangen in het geding kunnen komen door statelijke actoren, en welke tegenmaatregelen noodzakelijk zijn. Informatie hierover staat onder andere in de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD, en in de Kamerbrief «Tegengaan statelijke dreigingen» van de Minister van Justitie en Veiligheid van 18 april 2019 (Kamerstuk 30 821, nr. 72).
Deelt u onze toenemende bezorgdheid over de wijze waarop China probeert (internationale) instellingen te infiltreren, te bespioneren en besluitvormingsprocessen op dubieuze wijze probeert te beïnvloeden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is alert op pogingen van statelijke actoren om op heimelijke of onwettige wijze inzicht te krijgen in besluitvorming en deze te beïnvloeden, en acht deze activiteiten volstrekt onwenselijk.
Iraniërs die dreigen met de vernietiging van historische Joodse graftombes |
|
Raymond de Roon (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de eerdere schriftelijke vragen over Iraniërs die dreigden met de vernietiging van de historische Joodse graftombe van Ester en Mordechai?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat, uitgerekend op de 72e verjaardag van de Joodse staat Israël, er brand is gesticht in de graftombe?2
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van onder andere de Amerikaanse gezant die strijdt tegen antisemitisme, deze laffe daad openlijk te veroordelen?
Nederland brengt met regelmaat zorgen over antisemitisme en antizionisme in Iran over in gesprekken met de Iraanse autoriteiten en zal dit blijven doen.
Staat u nog steeds achter uw eerdere bewoordingen dat de graftombe van Ester en Mordechai «adequaat wordt beschermd»? Zo ja, waar blijkt dit uit?
De graftombe van Ester en Mordechai staat geregistreerd als cultureel erfgoed bij de Iraanse Cultural Heritage and Tourism Organization. Dit betekent dat Iran in samenwerking met UNESCO zorg draagt voor het behoud van dit erfgoed.
Kunt u nagaan of de Iraanse autoriteiten serieus onderzoek hebben ingesteld naar de brandstichting om de daders in de kraag te vatten?
Na de brandstichting hebben de lokale autoriteiten in Hamadan aangegeven dat er een zaak is geopend om de toedracht van het incident te onderzoeken. De schade aan de graftombe lijkt gelukkig beperkt.
In hoeverre denkt u dat het gelijkstellen van Israël aan «kanker» of een «virus» en het onversneden antisemitisme dat ayatollah Khamenei uitdraagt in zijn tweet, bijdraagt aan het beschermen van de Joodse graftombe?3
De dreigende taal van de Opperste Leider ten aanzien van Israël is onacceptabel. Daarom heeft Hoge Vertegenwoordiger Borrell, mede op aandringen van Nederland, op 21 mei ook een heldere veroordeling van dergelijke praktijken uitgebracht. Echter staat dat los van de taak van de Iraanse regering en UNESCO om cultureel erfgoed, zoals de Joodse graftombe, te behouden.
Bent u nu wél bereid er bij Iran op aan te dringen dat de tombe behouden en beschermd dient te worden, voordat deze in zijn geheel wordt vernietigd?
Zie het antwoord op vragen 3 en 6.
Het bericht ‘cyberbeveiliger Fox-IT schorst drie directieleden’. |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cyberbeveiliger Fox-IT schorst drie directieleden»?1
Ja.
Kunt u nader ingaan op de situatie bij Fox-IT en de mogelijke gevolgen voor de dienstverlening aan de overheid op het gebied van cyberveiligheid en de versleuteling van staatsgeheimen?
De samenwerking tussen de overheid en Fox-IT is vooralsnog onveranderd, wel houden wij de situatie nauwlettend in de gaten. Er is regulier en goed contact tussen Fox-IT, Fox Crypto BV en de relevante overheidsonderdelen.
Toen Fox-IT in 2015 werd overgenomen door de Britse NCC-Group zijn er speciale afspraken gemaakt zodat de specialistische dienstverlening van Fox-IT voor de Nederlandse overheid niet in gevaar zou komen. Hierover is uw Kamer meermaals geïnformeerd2 Deze afspraken berusten op een aantal voorwaarden zoals het onderbrengen van alle crypto-gerelateerde opdrachten bij een apart bedrijfsonderdeel Fox Crypto BV en het scheiden van ICT-systemen van Fox Crypto BV en de andere onderdelen van Fox-IT. Zolang aan deze voorwaarden wordt voldaan, zien wij geen reden dat de versleuteling van staatsgeheimen, gebruikmakend van de producten van Fox Crypto, in gevaar komt.
Fox Crypto BV, waarbinnen beveiligingsproducten voor staatsgeheime informatie worden ontwikkeld, is een in Nederland ingeschreven BV. Voor zowel personen, materieel, informatie als de fysieke locatie is het VIRBI 2013 (Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie) onverkort van toepassing.
Deelt u de mening dat met name de cryptografische afdeling van Fox-IT van essentieel belang is voor de Nederlandse overheid?
Ja, het is essentieel dat de overheid toegang heeft tot hoogwaardige
cryptologische toepassingen. Fox Crypto BV. levert dergelijke toepassingen en is daarmee een belangrijke partner van en voor de rijksoverheid.
Ziet u risico’s in de ontstane situatie bij Fox-IT voor de doorgang van dergelijke cruciale diensten aan de overheid? Zo ja, welke stappen neemt u deze risico’s te ondervangen?
Het is essentieel dat de overheid toegang heeft en blijft houden tot hoogwaardige cryptologische toepassingen. Het vervaardigen van dergelijke producten vindt plaats in een uiterst kleine markt, met een beperkt aantal afnemers. De hiervoor benodigde kennis en techniek is slechts bij enkele gespecialiseerde bedrijven aanwezig. Vanuit de rijksoverheid wordt gewerkt aan de Nationale Cryptostrategie. Het uitvoeren daarvan moet dit risico verkleinen.
Religie en seksualiteit in een online lesmethode voor burgerschapsonderwijs in het mbo |
|
Niels van den Berge (GL), Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er ophef ontstaan is naar aanleiding van stereotyperende en generaliserende vragen over religie en seksualiteit in een online lesmethode voor burgerschapsonderwijs in het mbo?1
Ja, dat is mij bekend.
Bent u het met de mening eens dat burgerschapsonderwijs bij zou moeten dragen aan wederzijds begrip tussen jongeren met verschillende achtergronden en aan maatschappelijke samenhang? Bent u het met de mening eens dat lesmethodes burgerschapsonderwijs derhalve kritisch nadenken en eigen meningsvorming zouden moeten stimuleren?
Ik deel deze standpunten. Het is van belang dat studenten kritische denkvaardigheden ontwikkelen, zoals het perspectief van anderen in kunnen nemen en het kunnen nadenken over hoe eigen opvattingen, beslissingen en handelingen tot stand komen. Lesmethoden voor burgerschapsonderwijs moeten het kritisch nadenken en eigen meningsvorming stimuleren. In 2019 heb ik de kwalificatie-eisen voor burgerschap verduidelijkt en daarmee nog eens benadrukt dat het van groot belang is dat studenten leren omgaan met diversiteit, waaronder seksuele en genderdiversiteit. Met de extra middelen die ik beschikbaar heb gesteld voor de erkenning en herkenning van diversiteit, ondersteunt het Kennispunt MBO Burgerschap scholen hierbij. Via de website van het Kennispunt MBO Burgerschap, podcasts en verschillende themabijeenkomsten worden docenten geïnspireerd met kennis, vaardigheden en concreet lesmateriaal om met deze onderwerpen aan de slag te gaan.
Bent u het in algemene zin met de mening eens dat het doel van burgerschapsonderwijs niet is het uitdragen van gestandaardiseerde informatie en stereotypes, maar het dialogisch reflecteren waardoor kritisch denken wordt gestimuleerd?
Deze mening deel ik volledig met u. De kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap vormen de basis van het burgerschapsonderwijs. Deze eisen bevatten ook het leren reflecteren op eigen opvattingen en gedrag, het praten over vooroordelen en stereotypen. Het vormen van een eigen mening door dialoog over en verdieping in de opvattingen en visies van anderen over sociaal-culturele, religieuze en seksuele waarden staan hierin centraal en zijn van groot belang voor een volwaardige deelname aan de maatschappij.
Heeft u zicht op de manier(en) waarop lesmaterialen die gaan over belangrijke, maar ingewikkelde thema’s als seksuele diversiteit, identiteit, gender alsmede culturele en religieuze tradities, ontwikkeld worden?
Hiervoor zijn grofweg drie manieren. Als eerste zijn er op dit moment landelijk negen uitgevers die lesmethoden voor burgerschapsonderwijs in het mbo ontwikkelen. Deze lesmethoden worden doorgaans samen met docenten en deskundigen uit het veld ontwikkeld. Ten tweede zijn er veldorganisaties met deskundigen die lesmaterialen over specifieke thema’s ontwikkelen voor scholen, bijvoorbeeld voorlichtingsmateriaal en methodieken en trainingen op het gebied van seksualiteit, integriteit, discriminatie, radicalisering en polarisatie. Ten derde kunnen scholen ervoor kiezen om zelf hun lesmethoden vorm te geven.
Heeft u zicht op hoe lesmateriaal over deze thema’s bijdraagt aan de doelen van burgerschapsonderwijs?
Om goed in te kunnen spelen op de leeftijd, de achtergrondkenmerken en het onderwijsniveau van studenten, en omdat het burgerschapsonderwijs in het mbo sterk verweven is met de beroepspraktijk, kunnen scholen zelf kiezen hoe zij het burgerschapsonderwijs vormgeven en welke lesmethode gebruikt wordt voor het onderwijs, zolang maar wordt voldaan aan de wettelijke eisen die zijn gesteld aan dit onderwijs. De manieren waarop de lesmaterialen bijdragen aan de doelen van het burgerschapsonderwijs verschillen, maar hier is geen onderzoek naar gedaan.
Kunt u aangeven of er toezicht gehouden wordt op lesmethodes binnen het burgerschapsonderwijs? Zo ja, op welke manier?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. De inspectie heeft geen specifieke taak bij een algemene beoordeling van lesmateriaal of leermethoden, maar kijkt wel naar de deugdelijkheid van het gegeven onderwijs, inclusief gebruik van leermethoden.
Kunt u aangeven of er toezicht gehouden wordt op de inhoudelijke behandeling van maatschappelijk-sensitieve thema’s binnen het burgerschapsonderwijs? Zo ja, op welke manier?
Zie mijn antwoord op vraag 6. De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs en heeft daarbij als basis de kwalificatie-eisen, zoals die zijn geformuleerd. Voor zover de maatschappelijk gevoelige thema’s onderdeel uitmaken van deze eisen, zal de inspectie beoordelen of hier aandacht aan wordt besteed tijdens de lessen.
Bent u bereid om in gesprek met de VO-raad, MBO-raad, uitgevers van lesmethodes en (verenigingen voor) docenten maatschappijleer en burgerschapsonderwijs, te bevorderen dat deskundigen op het gebied van religieuze geletterdheid, culturele sensitiviteit, seksuele diversiteit en inclusie in de breedste zin van het woord, betrokken worden bij het ontwikkelen van lesmethodes maatschappijleer en burgerschapsonderwijs? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, worden docenten en andere deskundigen op dit moment al vaak betrokken bij de ontwikkeling van lesmethoden. Het is daarnaast aan de school zelf om te beslissen hoe het burgerschapsonderwijs wordt vormgegeven en welke lesmethode hierbij wordt gebruikt. Aangezien het ministerie geen rol heeft in de ontwikkeling van lesmateriaal, maar dit aan docenten, andere deskundigen en de markt wordt overgelaten, zie ik geen reden om in gesprek met betrokken partijen aan te dringen op (meer) betrokkenheid van de in de vraag genoemde deskundigen.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitkomsten van het recente onderzoek Burgerschapsonderwijs en het omgaan met verschil in morele opvattingen, hierin te betrekken?2
De uitkomsten van dit onderzoek benadrukken het belang van goede deskundigheid onder docenten burgerschap. In het kader van de professionalisering van docenten als actielijn vanuit de Burgerschapsagenda 2017–2021 en de recentelijk aangenomen motie Van den Berge/Rog, wordt momenteel met het Kennispunt MBO Burgerschap, de Werkplaats burgerschap en docenten samengewerkt om professionalisering onder docenten te bevorderen. Docenten worden daarnaast ondersteund door het Kennispunt MBO Burgerschap, en via de Werkplaats burgerschap wordt praktijkgericht onderzoek gedaan door mbo- en ho-instellingen naar goed burgerschapsonderwijs in relatie tot kritisch denken. Ten slotte biedt de Stichting School en Veiligheid trainingen aan voor docenten, gericht op professionalisering specifiek in het omgaan met botsende opvattingen in de klas, zoals Dialogen onder Druk en De fijne kneepjes van het vak (seksuele integriteit).
Het bericht dat er in Oekraïne honderden draagmoederbaby’s wachten tot ze opgehaald worden door hun wensouders |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u er kennis van genomen dat er in Oekraïne honderden draagmoederbaby’s wachten tot ze opgehaald worden door hun wensouders?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat baby’s op deze manier niet de noodzakelijke liefde en aandacht krijgen die juist in de eerste periode zo belangrijk zijn? Waarom worden deze baby’s niet (tijdelijk) opgevangen en verzorgd door hun eigen draagmoeder?
Een kind ontwikkelt doorgaans al in een vroeg stadium een band met zijn ouders of verzorgers. Het is dan ook van belang dat de kinderen vanaf hun geboorte worden verzorgd en opgevoed door hun (beoogde) ouders. Iedere breuk of grote verandering in de opvoeder-kindrelatie is een risicofactor voor de ontwikkeling van een kind.2 Ik vind het dan ook zorgelijk dat kinderen vanwege de corona-lockdown nu mogelijk niet of beperkt kunnen worden opgehaald door hun (beoogde) ouders zoals gemeld in het NOS bericht van 15 mei 2020 en de daarbij gepubliceerde video.3 In een nadien in het NRC verschenen artikel wordt toegelicht dat de door de NOS gepubliceerde video is gemaakt door een Oekraïense draagmoederkliniek en deels in scene is gezet om het probleem op de politieke agenda te krijgen.4 Sommige kinderen in de video waren al verenigd met hun ouders en voor het effect waren de vijftig baby’s bij elkaar in één kamer gezet, zo wordt in dit bericht vermeld. Desondanks is het voor ieder kind dat langere tijd niet met zijn verzorgers en opvoeders kan worden verenigd een persoonlijke tragedie, zeker als het zeer jonge kinderen betreft.
In Oekraïne is de draagmoeder vanaf de geboorte van het kind niet de juridische moeder van het kind. Zij heeft dan ook geen verantwoordelijkheid of zorgplicht voor het kind. Over het algemeen geldt dat draagmoeders een kind dragen en baren met de intentie het na de geboorte af te staan aan de (biologische) wensouder(s). Het is dan ook de vraag of de draagmoeders de baby’s (tijdelijk) kunnen en willen verzorgen en bovendien of dat van hen kan worden verlangd.
Welke mogelijkheden zijn er om vast te stellen of de betrokken vrouwen niet gedwongen worden om een kind voor een ander te dragen, terwijl ze hun kind liever zelf zouden willen houden?
Ik ben niet bekend met de beweegredenen van de draagmoeders van deze baby’s bij het besluit tot het vervullen van de rol van draagmoeder. Zowel de draagmoeders als de getoonde kinderen bevinden zich binnen de jurisdictie van Oekraïne en vallen daarom onder de Oekraïense wetgeving. Oekraïne is gebonden aan relevante internationale verdragen, waaronder het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).5 Verder is Oekraïne, net als Nederland, partij bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel. Het is niet aan mij of Nederland maar aan de Oekraïense autoriteiten om de feitelijke omstandigheden vast te stellen en waar relevant strafbare feiten te onderzoeken en te vervolgen.
Op dit moment heb ik een wetsontwerp in voorbereiding waarin een met waarborgen omklede regeling voor draagmoederschap wordt voorgesteld.6 Een wettelijke regeling geeft het kind de beste kans op zekerheid over wie zijn of haar ouders zijn, op kennis over de afstamming en op zekerheid omtrent naam en nationaliteit. Een regeling zal de draagmoeder in Nederland bescherming en waarborgen bieden. In dit wetsvoorstel worden tevens voorwaarden gesteld voor eenvoudige acceptatie in Nederland van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Eén van deze voorwaarden is dat er voor de draagmoeder, voor zover het ouderschap van de wensouders vóór de geboorte is ontstaan, na de geboorte een mogelijkheid heeft om een beroep te doen op de rechter om het ouderschap te betwisten. Door het stellen van onder meer deze voorwaarde worden wensouders die gebruik willen maken van een buitenlands draagmoederschapstraject gestimuleerd te kiezen voor een land waarin het traject voldoet aan bepaalde waarborgen.
Is er duidelijkheid over of de betrokken vrouwen wel écht vrijwillig ervoor gekozen hebben om op deze manier geld te verdienen? Is het risico niet erg groot dat er sprake is van mensenhandel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ermee bekend of er onder deze baby’s ook kinderen zijn die wachten op wensouders uit Nederland? Om hoeveel gevallen gaat het? Welke mogelijkheden zijn er om hiertegen strafrechtelijk of op een andere manier op te treden?
Er hebben zich in verband met deze baby’s geen wensouders bij de Nederlandse autoriteiten gemeld. In het aangehaalde bericht uit het NRC wordt genoemd dat de betreffende kliniek geen wensouders uit Nederland bedient. Zoals ik in antwoord op vragen 3 en 4 heb aangegeven is het aan Oekraïne om hiertegen al dan niet (strafrechtelijk) op te treden.
Is er in Oekraïne nog steeds sprake van dat kinderen die geboren worden uit draagmoeders meteen de naam krijgen van de ouders die het kind willen hebben?2 Wat zijn de gevolgen hiervan voor hun nationaliteit? Is er ook het risico van staatloosheid?
Uit de Oekraïense wet volgt dat de wensouders de juridische ouders zijn van het kind dat na hoogtechnologisch draagmoederschap ter wereld is gekomen.8 Voorts bepaalt de Oekraïense wet dat het kind de naam van een van de (wens)ouders krijgt.9 Het vaststellen van de achternaam heeft voor het kind geen nationaliteitsrechtelijke gevolgen. Het kind is staatloos tot het moment waarop het kind op grond van het nationale recht van de wensouders de nationaliteit aan hen kan ontlenen. In de gevallen waarin een Nederlandse wensvader met toestemming van de draagmoeder het kind in Nederland als ongeboren vrucht rechtsgeldig heeft erkend, heeft het kind bij geboorte de Nederlandse nationaliteit en is het derhalve niet staatloos.
Wordt in Nederland in het geval dat de geboorteplaats in Oekraïne is nog extra kritisch gekeken naar de afkomst en nationaliteit van het kind? Hoe wordt in de praktijk voorkomen dat kinderen tóch niet bekend zijn met hun ouders en afstamming of zelfs onder een andere naam opgenomen worden in de basisregistratie?
Een kind kan op basis van de gegevens in de geboorteakte waaronder de daarin vermelde naam ingeschreven worden in de Basisregistratie personen (Brp). Voor gemeenteambtenaren geldt het advies om extra aandacht te besteden aan een verzoek van in Nederland wonende (wens)ouders tot inschrijving van een kind in de Brp op basis van gegevens uit een buitenlandse geboorteakte zoals een geboorteakte uit Oekraïne. Zo kan de ambtenaar vragen naar de omstandigheden van de geboorte, hoe lang de ouders in Oekraïne zijn geweest en waarom het kind in Oekraïne is geboren.
Zoals genoemd in antwoord op vraag 6, is in de Oekraïense wet bepaald dat de wensouders de juridische ouders zijn van het kind dat na hoogtechnologisch draagmoederschap ter wereld is gekomen. De wensouders staan dan ook als ouders op de geboorteakte van het kind. In Nederland wordt een beslissing of akte waaruit de afstamming van het kind geboren uit een draagmoeder in het buitenland niet blijkt in beginsel niet van rechtswege erkend. De rechter zal dan de geboortegegevens van het kind vaststellen.
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met Oekraïne om deze vorm van commercialisering van het krijgen van kinderen en het inschrijven onder andere naam per direct te stoppen?
In Oekraïne vindt een maatschappelijke discussie plaats over draagmoederschap, mede aangewakkerd door de recente berichtgeving. De Oekraïense wetgeving omtrent draagmoederschap is een interne aangelegenheid van de Oekraïense autoriteiten. Ik zal mij daar niet in mengen. Wel wordt in internationaal verband binnen de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht gesproken over knelpunten en oplossingen rondom internationaal draagmoederschap. Zowel Nederland als Oekraïne zijn hier lid van. De Haagse Conferentie heeft in 2015 een expertgroep opgericht die werkt aan de ontwikkeling van een instrument op het terrein van afstamming/draagmoederschap. De expertgroep bespreekt onder meer de haalbaarheid van het treffen van internationale bepalingen voor de erkenning van ouderschap na draagmoederschap.10
Wilt u ervoor zorgdragen dat ook in Nederland op geen enkele wijze verdergaande mogelijkheden voor commercieel draagmoederschap komen en dat ook op geen enkele andere wijze medewerking verleend wordt aan deze praktijken?
In Nederland is beroeps- of bedrijfsmatige bemiddeling ter zake van draagmoederschap thans reeds verboden. In het genoemde wetsontwerp dat ik in voorbereiding heb is een (on)kostenvergoeding voor draagmoeders opgenomen waarbij het uitgangspunt is dat van kinderkoop geen sprake mag zijn en dat geldelijk gewin niet de drijfveer mag zijn voor de draagmoeder. Voorts stelt het wetsvoorstel evidente vormen van kinderkoop strafbaar, ook als een Nederlander zich hieraan in het buitenland schuldig maakt. Met deze maatregelen wil ik ongewenste praktijken rondom draagmoederschap voorkomen.
Is bekend hoe wijdverspreid deze praktijk in Oekraïne is en om hoeveel kinderen het gaat?
In het aangehaalde artikel uit het NRC noemt de directeur van de kliniek in Oekraïne dat er in Oekraïne jaarlijks 2.500 tot 3.000 kinderen worden geboren uit draagmoederschap voor buitenlandse ouders. Mijn ministerie beschikt niet over officiële cijfers hierover.
Is bekend in welke andere landen het ook mogelijk is om via draagmoederschap op een vergelijkbare manier kinderen te krijgen?
Draagmoederschap komt in diverse landen voor. Het verschilt per land en zelfs per staat of provincie óf en hoe draagmoederschap is gereguleerd. In sommige landen is draagmoederschap geheel verboden. Draagmoederschap in Georgië heeft overeenkomsten met de manier waarop dit in Oekraïne is geregeld. Hoe landen draagmoederschap hebben geregeld is vaak niet één op één met elkaar te vergelijken. Daarbij komt dat de standpunten en regels van de diverse landen omtrent draagmoederschap regelmatig wijzigen. Om die reden is niet eenvoudig vast te stellen in welke andere landen het mogelijk is op een vergelijkbare manier als in Oekraïne via draagmoederschap een kind te krijgen.
Is dit ook nog steeds mogelijk in India, Nepal, Cambodja, Thailand, Mexico en de Verenigde Staten en onder welke voorwaarden?3
Hieronder ga ik achtereenvolgens in op de mogelijkheden van draagmoederschap in de landen die worden genoemd in de vraagstelling.
India: vooralsnog is betaald draagmoederschap mogelijk. Om vervolgens met het kind uit India te kunnen vertrekken verlangt India een verklaring van de overheid van het land van de wensouders dat het kind de nationaliteit zal krijgen van dat land, of tenminste toestemming heeft om dat land binnen te komen. Nederland geeft dergelijke verklaringen niet af. Hierdoor is internationaal draagmoederschap vanuit India de facto afgesloten. India werkt aan een wet die strikte voorwaarden stelt, bijvoorbeeld dat de draagmoeder een naaste is van de wensouders. Deze wet, alhoewel in vergevorderd stadium, is nog niet in werking getreden.
Nepal: betaald draagmoederschap is in Nepal verboden na een uitspraak van het Hooggerechtshof in juli 2016. Draagmoederschap zonder vergoeding is toegestaan voor onvruchtbare getrouwde Nepalese paren, maar niet mogelijk voor alleenstaande mannen en vrouwen, transgenders en buitenlanders.
Cambodja: sinds 2016 is er in Cambodja een verbod op betaald draagmoederschap. Vrouwen die na het verbod al draagmoeder waren of werden kregen de keuze: een gevangenisstraf voor mensenhandel (soms oplopend tot vijftien jaar) of het kind verplicht opvoeden tot het achttien jaar is. Er zijn nu kinderen van bijvoorbeeld Australische ouders, die worden opgevoed door hun Cambodjaanse draagmoeder.
Thailand: sinds 2015 zijn in Thailand de regels voor draagmoederschap aangepast. Alleen getrouwde heterostellen, waarvan één van beiden Thais is, mogen via een draagmoeder een kind krijgen. Voorwaarde is wel dat de draagmoeder de zus is van één van de wensouders.
Mexico: in Mexico is betaald draagmoederschap momenteel – onder stringente voorwaarden – toegestaan in de deelstaten Tabasco en Sinaloa. In andere deelstaten is betaald draagmoederschap niet toegestaan.
Verenigde Staten: betaald draagmoederschap is mogelijk in verschillende staten in de VS. De aard van de betaling en voorwaarden voor draagmoederschap verschillen per staat.
Is commercieel draagmoederschap ook nog steeds mogelijk in Georgië?4 Klopt het ook dat het draagmoeders daar verboden is om het kind dat zij zelf ter wereld gebracht hebben te houden?5
Ja, betaald draagmoederschap is mogelijk in Georgië. Conform de Georgische gezondheidswetgeving komt na de geboorte van het kind uit draagmoederschap op de geboorteakte de naam van de wensmoeder te staan.14 De draagmoeder heeft daardoor geen juridisch zeggenschap over dit kind.
Welke inspanningen levert Nederland, ook in Europees en in internationaal verband, om te bereiken dat in al die landen waar commercieel draagmoederschap mogelijk is te komen tot een wettelijk verbod vanwege de noodzakelijke bescherming van (ongeboren) kinderen?
Het kabinet acht het van belang dat bestaande knelpunten rondom internationaal (betaald) draagmoederschap worden opgelost en rechtszekerheid kan worden geboden aan alle betrokkenen, in het bijzonder aan het kind. Mijn ministerie faciliteert dan ook de deelname van een Nederlandse expert in de expertgroep van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.15 Uit de verslagen van de expertgroep blijkt dat in de laatste bijeenkomst in het najaar van 2019 vooruitgang is geboekt met het opstellen van conceptbepalingen voor een nieuw verdrag dat gaat over de erkenning van buitenlandse gerechtelijke beslissingen over juridisch ouderschap. Ik juich deze ontwikkeling toe en zal de uitkomsten met een positieve grondhouding bezien.
Discriminatie en etnisch profileren in alle lagen van de overheid |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de Nationale ombudsman, die etnisch profileren in alle lagen van de overheid ziet?1
Ja.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat «iedereen (bij de overheid) barst van de vooronderstellingen en aannamen (en vooringenomenheid)»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies trekt u hieruit?
Mensen hebben helaas last van vooroordelen. In de wetenschap is beschreven hoe ons brein geneigd is de wereld om ons heen te categoriseren en daarmee te simplificeren.2 Dit kan leiden tot discriminatie en dat is ontoelaatbaar. Trainingen kunnen mensen bewust maken van hun eigen vooroordelen en stereotypen en zo discriminatie voorkomen. In de afgelopen jaren hebben ook medewerkers van ministeries en gemeenten dergelijke trainingen gevolgd bij het College voor de rechten van de mens.3 Ik zet in op verdere bevordering van dat bewustzijn bij de overheid, onder meer vanuit het strategisch personeelsbeleid Rijk 2025 waarin dit een belangrijk speerpunt is.
Deelt u de mening dat er binnen de overheid geen sprake mag zijn van institutionele vooringenomenheid, etnisch profileren, discriminatie en racisme?
Ja. Het is van groot belang om vooroordelen, bewust of onbewust, tegen te gaan omdat ze kunnen leiden tot discriminatie. De overheid heeft daarin een bijzondere verantwoordelijkheid, neergelegd in artikel 1 van de Grondwet.
Op welke manier gaat u dit zeker stellen, nu institutionele vooringenomenheid, etnisch profileren, discriminatie en racisme kennelijk zo wijd verbreid zijn binnen de overheid?
Er ligt bij alle lagen van de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid voor de voorkoming en bestrijding van discriminatie. De maatregelen uit het kabinetsbrede antidiscriminatiebeleid zijn mede gericht op de overheid zelf. Ten eerste is bewustwording over vooroordelen belangrijk. Zo vergroot het Kennisplatform Integratie & Samenleving, gefinancierd door het Ministerie van SZW, de bewustwording over vooroordelen en discriminatie bij beleidsmakers van gemeenten en andere overheidsinstellingen. Om vooroordelen bij de werving en selectie tegen te gaan worden trainingen ingekocht voor leden van selectie commissies om vooringenomenheid te voorkomen en selectie gesprekken te verbeteren. Naast deze preventieve maatregelen is het van groot belang om de norm, neergelegd in de gelijke behandelingswetgeving en ook in de privacywetgeving, nadrukkelijk onder de aandacht te brengen binnen de overheid en te vertalen naar de uitvoeringspraktijk. Dit doe ik bijvoorbeeld door te werken aan een vertaling van juridische anti-discriminatienormen naar ontwerpprincipes voor de ontwikkelaars van AI-systemen, die de ontwikkelaars helpen om non-discriminatienormen zo goed mogelijk te borgen in het ontwerp van AI. Tenslotte krijgt het voorkomen en bestrijden van discriminatie een plaats in het integriteitsbeleid binnen de overheid. Het tegengaan van misbruik van bevoegdheden, belangenverstrengeling en ongewenste omgangsvormen zoals discriminatie, maakt op grond van de Ambtenarenwet onderdeel uit van het integriteitsbeleid dat gericht is op het bevorderen van goed ambtelijk handelen. Van ambtenaren wordt verwacht dat zij op een respectvolle manier omgaan met anderen, zowel in hun contacten buiten als binnen de organisatie. Ambtenaren worden aangemoedigd elkaar aan te spreken op ongewenst gedrag en vermoedens van integriteitsschendingen te melden. Binnen het Rijk krijgt de positie van de melder de komende tijd extra aandacht. Ik verwacht de Tweede Kamer met een Kamerbrief voor het zomerreces nader hierover te kunnen informeren.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat het lerend vermogen van sommige overheidsorganisaties beperkt is en het voortschrijdend inzicht wel erg langzaam voortschrijdt? Klopt het dat het bijna altijd om monopolistische organisaties gaat, waarvoor de burger geen alternatief heeft?
Discriminatie is ontoelaatbaar en moet op alle mogelijke manieren voorkomen en bestreden worden. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 komen vooroordelen, bewust of onbewust, helaas bij alle mensen voor. Overheidsorganisaties hebben, vanwege hun specifieke rol in een democratische rechtsstaat, bij uitstek een verantwoordelijkheid om conform het gelijkheidsbeginsel te handelen. Het kabinet zet erop in om dit te bevorderen, onder meer met de acties toegelicht bij vraag 2.
Wanneer verwacht u dat het onderzoek van de Nationale ombudsman over etnisch profileren binnen de overheid zal worden afgerond? Is het waar dat er in korte tijd al 150 tot 200 meldingen hierover binnen gekomen zijn? Kunt u op dit onderzoek een kabinetsreactie schrijven met concrete actiepunten om etnisch profileren tegen te gaan?
De Nationale ombudsman doet een onderzoek naar hoe overheidsinstanties – waaronder de ombudsman zelf – om moeten gaan met klachten over etnisch profileren. De Nationale ombudsman verwacht het onderzoek in het najaar van 2020 af te ronden. In het kader van het onderzoek heeft de Nationale ombudsman tijdelijk een meldpunt geopend waarin burgers zijn gevraagd hun ervaringen met etnisch profileren te delen. Daarbij lag de focus op de vraag of burgers hierover een klacht hebben ingediend, en zo nee waarom niet, en zo ja, hoe zij dat hebben ervaren. Hierop zijn tussen de 150 en 200 reacties van burgers ontvangen.
Uiteraard zal ik het rapport na de openbaarmaking ervan bestuderen en bezien of het mij aanleiding geeft tot nadere vervolgacties.
Kunt u dit onderzoek zodanig verbreden dat het niet alleen gaat over afhandeling van klachten, maar ook naar het hele fenomeen etnisch profileren in al zijn facetten? Dus dat er ook gekeken wordt naar de oorzaken en mechanismes, die een rol spelen bij etnisch profileren? En hoe dit op een effectieve manier is tegen te gaan?
De focus van de Nationale ombudsman ligt bij dit onderzoek op de klachtbehandeling, omdat dat het expertisegebied is van de ombudsman. In zijn rapport zal de ombudsman ingaan op de manier waarop klachtbehandeling een rol kan spelen bij het tegengaan van etnisch profileren. Daarnaast zijn diverse instanties bezig met etnisch profileren (bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens). Ik verwacht dat lopende initiatieven, zoals die van de Nationale ombudsman en de Autoriteit Persoonsgegevens, meer inzicht zullen geven in een effectieve aanpak van etnisch profileren.
Zullen in dit onderzoek van de Nationale ombudsman ook de Belastingdienst, de politie, het UWV, het CBR, de SVB, de IND2 en de gemeenten meegenomen worden? Kunt u dit verzoek doen aan de Nationale ombudsman?
Voor het onderzoek van de Nationale ombudsman staan klachten centraal van burgers die het gevoel hebben dat zij er bij de opsporing of rechtshandhaving worden uitgepikt door een individuele ambtenaar vanwege hun etniciteit. Gelet op die definitie worden bij dit onderzoek de volgende overheidsinstanties betrokken: politie, KMar, UWV, SVB, Belastingdienst Douane en gemeenten.
Deelt u de mening van de Nationale ombudsman dat de politie er helaas in negatieve zin uitspringt wat betreft de vooringenomenheid? Klopt het dat dit zich met name uit in onterechte staandehoudingen en niet serieus omgaan met klachten?
In het artikel wordt een aantal overheidsorganisaties genoemd waarover klachten zijn als het gaat om institutionele vooringenomenheid. Ook wordt aangegeven dat er regelmatig klachten zijn over het optreden van de politie, hetgeen ook moet worden gerelateerd aan het feit dat de politie als frontlinie-organisatie van de overheid heel zichtbaar is.
De politie mag geen onderscheid maken tussen burgers zonder objectieve rechtvaardiging. De politie richt zich daarom – onder meer door middel van bewustwording via opleiding en trainingen – op professioneel controleren waarmee etnisch profileren wordt voorkomen. Met het oog hierop is het handelingskader proactief controleren ontwikkeld als richtsnoer voor een objectieve rechtvaardige selectie en goede bejegening.
Het voorkomen van etnisch profileren is van cruciaal belang voor de legitimiteit van het optreden van de politie, het maatschappelijk vertrouwen van eenieder in de politie en effectief politieoptreden5. De politie beschikt daarom ook over een toegankelijke en transparante klachtenprocedure waarin de onafhankelijke beoordeling van een klacht is geborgd. Uit de jaarcijfers van de politie blijkt dat van de 9677 ontvangen klachten in 2019, de politie 60 klachten ontving over etnisch profileren in de periode van januari 2019 tot april 2020.
Is het waar dat de klachtenprocedure bij de politie niet onafhankelijk is en bijna nooit leidt tot sancties tegen politieagenten? Kunt u er voor zorgen dat klachten over de politie worden behandeld door personen die onafhankelijk zijn van de politie? En dat deze klachten leiden tot echte sancties, en echte genoegdoening van personen, die zijn gedupeerd door de Politie?
De politie voert haar werk zo goed mogelijk uit. Vaak gaat dat goed, ook in lastige situaties. Maar soms gaat het niet goed. In die gevallen kan een burger binnen één jaar een klacht indienen bij de politie.
De klachtenprocedure van de politie vindt haar grondslag in de Algemene wet bestuursrecht. In de eerste fase van de procedure wordt allereerst bepaald of een klacht al dan niet ontvankelijk is. Wanneer een klacht in behandeling wordt genomen, wordt getracht om met de klager en betrokken politiemedewerker(s) in gesprek te gaan en de klacht naar tevredenheid op te lossen. Als de klager tevreden is stopt de klachtbehandeling. Indien dit niet lukt, heeft de klager de mogelijkheid de behandeling van de klacht voort te zetten in de tweede fase. De politiechef van de betreffende eenheid vraagt advies aan een onafhankelijke klachtencommissie. Die commissie bestaat uit mensen die niet bij de politie werken. De klachtencommissie start een eigen onderzoek. Onderdeel daarvan is het organiseren van een hoorzitting waarbij de klager en de politiemedewerker beiden een toelichting kunnen geven op het politieoptreden. De klachtencommissie levert na het onderzoek een advies aan bij de politiechef. De politiechef stuurt de klacht ook voor advies door naar de burgemeester en de hoofdofficier van justitie. Aan het eind van deze fase wordt door de politiechef een beslissing genomen over de klacht. Indien de klager het niet eens is met deze beslissing dan kan hij/zij zich wenden tot de Nationale ombudsman.
De klachtenprocedure van de politie is een zorgvuldig ingerichte procedure waarvan een onafhankelijke beoordeling van klachten onderdeel uitmaakt. De klachtenprocedure is gericht op het herstel van vertrouwen van de burger in de politie en op het leren van klachten. Het is niet gericht op sanctioneren. Een klacht kan wel aanleiding geven tot het uitvoeren van een disciplinair of strafrechtelijk onderzoek. Daaruit kunnen sancties volgen. De politie werkt voortdurend aan de verbetering van de klachtenprocedure.
In het kader van professionalisering van de klachtbehandeling is de politie in 2019 in samenwerking met de Nationale ombudsman een verbetertraject gestart. Via workshops worden beelden gedeeld over de huidige werking van de klachtbehandeling binnen de politie en hoe deze richting de burger kan worden verbeterd. Ook is er een werkgroep gestart die vakgerichte workshops voor alle klachtbehandelaars organiseert, zoals een workshop over het herkennen van lichaamstaal en een werkbezoek aan klachtafdelingen van andere organisaties. Medewerkers van eenheden zijn ook bij andere eenheden op bezoek gegaan, waarbij gesproken is over het procesmodel klachten, de eenduidigheid van werken én waarbij het leren van elkaar centraal stond.
Herinnert u zich de brief van Minister-President Rutte van 6 februari 2012 aan het Landelijk Platform Slavernijverleden? Klopt het dat daarin stond dat «... de overheid alle burgers en ingezetenen van ons land gelijk behandelt en niet discrimineert»? Hoe verhoudt dit zich tot de bevindingen van de Nationale ombudsman, die het tegenovergestelde zegt?
De overheid is gehouden aan artikel 1 van de Grondwet en dient allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Het is zeer onwenselijk als vooroordelen tot discriminatie leiden. Het is de opdracht van iedere overheidsorganisatie om dat te voorkomen en bestrijden. Daar is onze inzet op gericht. Het is goed dat de Nationale ombudsman dit vanuit zijn rol onder de aandacht brengt.
Bent u bereid om de strafbare feiten, zoals opgesomd in artikel 137c t/m 137g en 429quater van het Wetboek van Strafrecht expliciet strafbaar te stellen op grond van nationaliteit en taal? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van de strafbaarheid van discriminatie op grond van nationaliteit en taal. De huidige wetgeving beschermt dat belang. Eén van de opgenomen discriminatiegronden in de zogeheten antidiscriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht (de artikelen 137c-137g en 429quater), betreft «ras». De grond ras omvat, in overeenstemming met het VN Verdrag tegen rassendiscriminatie, kenmerken van fysieke, etnische, geografische, culturele, historische of godsdienstige aard. Dit wordt bevestigd door vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie o.a. Hoge Raad 13 juni 2000, NJ 2000, 513 en HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016: 510). Discriminatie van een persoon op grond van diens nationaliteit valt daar onder, evenals taal en burgerschap voor zover deze die afkomst markeren. Het kabinet ziet om deze reden geen aanleiding taal en nationaliteit als zelfstandige discriminatiegronden in de strafwetgeving op te nemen.
Bent u bereid om artikel 1 van de Grondwet met de gronden etniciteit en nationaliteit te verruimen? Zo nee, waarom niet?
Ook het begrip ras in artikel 1 van de Grondwet dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie ruim te worden uitgelegd en omvat onder meer: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming.6 Ik acht een verruiming van artikel 1 van de Grondwet dan ook niet noodzakelijk.
Bent u bereid om het brede antidiscriminatie- en racismebeleid grondig te evalueren, inclusief de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen? Zo nee, waarom niet?
Ik informeer uw Kamer elk jaar over de voortgang van de kabinetsaanpak van discriminatie, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs (BVOM) en Media en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze voortgang komt vervolgens aan de orde in algemene overleggen met de vaste Kamercommissie van Binnenlandse Zaken. Hiermee vindt er jaarlijks een grondige beoordeling plaats van het kabinetsbeleid tegen discriminatie en racisme. Overigens heb ik naar aanleiding van verschillende rapporten over de antidiscriminatievoorzieningen in mijn brief van 16 oktober 20197 mijn visie neergelegd over de versterking van antidiscriminatievoorzieningen.
Aanbestedingen van tolk- en vertaaldiensten |
|
Michiel van Nispen (SP), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging aan de Kamer om geen onomkeerbare stappen te zetten in de richting van het programma Tolken in de Toekomst?1
Ja, ik heb in afwachting van het advies van de parlementair advocaat geen onomkeerbare stappen gezet.
Hoe moet in het kader van de bovenstaande toezegging het openen van een voorinschrijving voor het nieuwe register voor tolken en vertalers worden bezien?2 Kunt u toelichten waarom hier volgens u geen sprake is van een onomkeerbare stap?
De voorinschrijving voor het nieuwe Register beëdigde tolken en vertalers is geen definitieve inschrijving en is bovendien nog niet gestart. Er is dus geen sprake van een onomkeerbare stap.
Hoe moet in het kader van de bovenstaande toezegging de online aankondiging van aanbestedingen door uw Ministerie van tolk- en vertaaldiensten worden bezien?3 Kunt u toelichten waarom hier volgens u geen sprake is van een onomkeerbare stap?
Voor een goed verloop van de aanbestedingen met een zo breed mogelijk aantal inschrijvers is het van belang alle potentiële geïnteresseerde marktpartijen in beeld te hebben. Om in contact te komen met deze partijen is in de afgelopen jaren vaker een dergelijke oproep gedaan. Zo’n bericht is geen onomkeerbare stap.
Door wie en wanneer is besloten de bovenstaande stappen te zetten?
De stappen genoemd in vraag 2 en 3 maken onderdeel uit van de voorbereiding op de implementatie van de nieuwe systematiek voor tolk- en vertaaldiensten en betreffen, zoals gezegd, geen onomkeerbare stappen. De stappen zijn onderdeel van het lopende transitietraject dat toewerkt naar de nieuwe systematiek voor tolk- en vertaaldiensten, waarover ik u onder meer in mijn brieven van 13 november 2018 en 5 april 2019 reeds heb geïnformeerd.4
Kunt u het beeld wegnemen dat u de aanbestedingen voortzet ondanks dat u eerder heeft aangegeven niets te zien in aanbestedingen van deze diensten4 en dat de parlementair advocaat heeft aangetoond dat de overheid er ook voor kan kiezen tolken en vertalers in dienst te nemen, of binnen de rijksoverheid de activiteiten voor het plannen en inzetten van tolken en vertalers te organiseren?5
Voor de duidelijkheid benadruk ik dat deze diensten voor een groot deel al worden aanbesteed. U hebt uit mijn reactie tijdens het AO tolken en vertalers op 19 februari 2020 kunnen opmaken dat ik geen nieuwe aanbestedingssystematiek zou introduceren als hier geen noodzaak toe zou zijn. Die noodzaak is er echter wel en heb ik toegelicht in mijn reactie op het advies van de parlementair advocaat, die u op 20 mei jl. ontvangen heeft.7 In de eerste plaats volgen we met het aanbesteden van tolk- en vertaaldiensten de Aanbestedingswet, die stelt dat ook op tolk- en vertaalopdrachten het reguliere aanbestedingsregime van toepassing is. Daarnaast kiezen we met de nieuwe systematiek voor een eenduidige marktbenadering en een betere grip op kwaliteit. Het is bovendien noodzakelijk om op korte termijn invulling te geven aan de verplichting de tolk- en vertaaldienstverlening aan te besteden. Uitstel van de aanbestedingen en implementatie van de systematiek brengt onzekerheden met zich mee voor de continuïteit van de dienstverlening van een aantal organisaties en voor de sector zelf. In de reactie op het advies van de parlementair advocaat heb ik uiteengezet dat en waarom het intern organiseren van tolk- en vertaaldiensten geen begaanbare weg is.
Wanneer kan de Kamer uw reactie op het rapport van de parlementair advocaat verwachten? Schetst u in uw reactie ook hoe de toekomst van tolk- en vertaaldiensten er uit komt te zien?
Mijn reactie op het advies van de parlementair advocaat heeft u ontvangen op 20 mei 2020 (zie vraag 5).
Voor een uitgebreide beschrijving van tolk- en vertaaldienstverlening en de waarborgen die voor de positie van de beroepsgroep zijn ingebouwd verwijs ik naar mijn brieven van 13 november 2018 en 5 april 2019 (zie vraag 4).
Waarom worden beslissingen genomen over de registertolken en registervertalers zonder die beroepsgroep hiervan in kennis te stellen of, beter nog, met de tolken en vertalers hierover in gesprek te gaan?
In de afgelopen jaren is er veel tijd en aandacht gegaan naar het betrekken van de beroepsgroep en de beroepsorganisaties. Het gaat dan niet alleen over de huidige Rbtv-tolken en -vertalers, maar ook de tolken die momenteel nog niet zijn opgenomen in het register en die wel veelvuldig ingezet worden bij rijksoverheidsorganisaties. De zorgen die daarbij naar voren zijn gebracht, zijn zorgvuldig meegenomen in de gewijzigde systematiek voor tolk- en vertaaldiensten. Ik realiseer me dat er nog steeds zorgen zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat met de invoering van de nieuwe systematiek voor tolk- en vertaaldiensten een sterke en noodzakelijke professionaliseringsslag wordt gemaakt en de zorgen van de beroepsgroep geadresseerd worden. Door het vormgeven van een goede en effectieve monitoring is de mogelijkheid gecreëerd om de praktijk van de nieuwe systematiek met elkaar te volgen.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk, uiterlijk binnen een week, beantwoorden?
Beantwoording van deze vragen was niet eerder mogelijk dan vandaag.
De waarschuwing van de Nationale Ombudsman het stroomstootwapen terughoudend te gebruiken |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ombudsman: gebruik stroomstootwapen terughoudend»?1
Ja.
Hoe duidt u het gegeven dat het stroomstootwapen is ingezet tegen een demente man van 73 en jongeman in een psychose?
De oproep van de Nationale ombudsman is in algemene zin al geldend voor ieder gebruik van deze of andere geweldsmiddelen. Daarnaast wordt gebruik van geweld door de politie achteraf altijd beoordeeld op rechtmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Zo ook bij de inzet van het stroomstootwapen.
Met het stroomstootwapen kan de politie, mits zorgvuldig ingezet, met minder geweld gevaarsituaties tot een goed einde brengen. Het zorgvuldig inzetten van het stroomstootwapen is uiteraard een belangrijk onderdeel van de opleiding en training die politieagenten doorlopen voordat zij over het stroomstootwapen mogen beschikken en dit indien noodzakelijk en in overeenstemming met de geweldsinstructie kunnen inzetten.
De politiechef van de eenheid Rotterdam heeft in reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman aangegeven dat de politie hier lering uit trekt. Ik ga verder niet in op specifieke casussen waarbij het stroomstootwapen is gebruikt.
Was u voorafgaand aan het advies van de Nationale ombudsman bekend met de klachten over de inzet van het stroomstootwapen in een GGZ-instelling? Zo ja, welke lessen zijn hieruit getrokken en welk gevolg heeft dit gehad voor het beleid rondom de inzet van het stroomstootwapen?
In het najaar van 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de GGZ een inspanningsverplichting heeft om eerst zelf een acute noodsituatie beheersbaar te maken. Bij de afspraken die de politie met de GGZ-sector heeft gemaakt gelden de volgende uitgangspunten. De GGZ-instelling doet pas een beroep op de politie indien zij er zelf niet in slaagt een situatie beheersbaar te houden of te maken. Om de juiste aanpak te kunnen bepalen, is de inzet verder dat een door de GGZ-instelling aangewezen functionaris de politie van relevante informatie voorziet, waaronder eventuele medische risico’s of gezondheidsrisico’s waar de politie in die specifieke (nood)situatie rekening mee moet houden. De agent weegt deze informatie mee bij het maken van de keuze voor het meest proportionele middel om de noodsituatie te beëindigen.2 Onder het huidige juridische kader – dat naar aanleiding van de pilots is aangescherpt – voldoet de inzet van het stroomstootwapen ten behoeve van medicijninname, of tegen verdachten die reeds geboeid of anderszins onder controle zijn, bijvoorbeeld in gesloten ruimtes waar ze geen gevaar vormen, niet aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste.3
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de motie van de leden Den Boer en Diertens over de toegezegde monitoring van de gezondheidseffecten van het stroomstootwapen onafhankelijk wetenschappelijk laten uitvoeren?2
Zoals ik in mijn brief van 30 januari 2020 aan de Tweede Kamer heb aangegeven, verwacht ik in het halfjaarbericht politie van komend najaar nader in te kunnen gaan op de opzet van dit onderzoek.5
In hoeverre is het mogelijk voor de politie om bij de inzet van het stroomstootwapen rekening te houden met gezondheidsklachten van burgers tegen wie het wapen wordt ingezet? Welke implicaties heeft dit voor de inperking van de inzet van het stroomstootwapen?
Tijdens de opleiding en training worden politieambtenaren bewust gemaakt van de risico’s bij het gebruik van de diverse vormen van geweld en het gebruik van geweldmiddelen. Dit geldt ook voor het gebruik van het stroomstootwapen. Daarbij wordt uitvoerig besproken wanneer in het kader van bekende dan wel zichtbare gezondheidsklachten, maar ook bij jonge kinderen, zichtbaar zwangere vrouwen, ouderen en zichtbaar zwakkere personen, het stroomstootwapen niet mag worden gebruikt indien met het gebruik van een minder ingrijpend geweldsmiddel kan worden volstaan of omdat het beoogde doel dit niet rechtvaardigt. De context van dat moment, zoals omgeving, gedrag van de verdachte, mogelijkheden van andere alternatieven waaronder afwachten en gebruik andere geweldsmiddelen, blijft hierbij altijd leidend.
Overigens is het stroomstootwapen op dit moment, anders dan ten behoeve van de pilotteams, uitsluitend rechtens toegekend aan ambtenaren die behoren tot een aanhoudings- en ondersteuningsteam.6 Door politieambtenaren bewust te maken van de risico’s leren zij situaties beter in te schatten en daar het gebruik van geweld en geweldmiddelen op af te stemmen. In de politieorganisatie en bij politieambtenaren is daarbij continu aandacht voor het leren van het gebruik van geweld.
Welke lichamelijke of mentale gezondheidsrisico’s voorziet u bij het op grote schaal inzetten van het stroomstootwapen?
Aan het gebruik van geweld zijn in zijn algemeenheid altijd risico’s op verwonding verbonden, dat geldt ook voor het stroomstootwapen. Eerder heb ik uw Kamer reeds het WODC rapport Gezondheidseffecten van blootstelling aan stroomstootwapens (Tasers) doen toekomen7. Uit dit rapport blijkt dat bij het gebruik van het stroomstootwapen potentieel drie soorten schade kunnen worden veroorzaakt. In de eerste plaats veroorzaken de darts kleine wondjes in de huid. In de tweede plaats zijn verwondingen denkbaar doordat de doelpersoon tijdelijk geen controle heeft over zijn spieren en daardoor ongelukkig ten val kan komen. In de derde plaats is schade voorstelbaar ten gevolge van de kortstondige stroompuls.
Op dit moment zijn die risico’s op verwonding niet zodanig dat het gebruik van het stroomstootwapen niet langer verantwoord zou zijn. Wel geeft het WODC aan dat meer wetenschappelijke onderzoek nodig is.
Ik heb daarom naar aanleiding van dit rapport besloten dat de bredere invoering bij de politie gepaard moet gaan met nader medisch wetenschappelijk onderzoek. Zoals in het antwoord op vraag 4 reeds is aangegeven, kom ik later dit jaar terug op de invulling van dit onderzoek.
Bent u bereid strengere richtlijnen op te stellen voor het gebruik van het stroomstootwapen alvorens het gebruik ervan uit te breiden naar 17.000 agenten?
Zoals ik in mijn brieven van 15 november 20188 en 15 november 20199 aan uw Kamer heb laten weten, zijn naar aanleiding van de pilots de inzetcriteria reeds aangescherpt.
Gaat u de training van politieagenten aanpassen op basis van het advies van de Nationale ombudsman? Klopt het dat de trainingsdagen met betrekking tot de inzet van het stroomstootwapen worden uitgebreid van twee naar drie? Hoeveel aspiranten krijgen deze training en in welk jaar? Wordt de training met enige regelmaat herhaald, bijvoorbeeld in het kader van de Integrale Beroepsvaardigheidstrainingen? Beschikt de Politieacademie over voldoende opleidingscapaciteit of wordt deze nader uitgebreid?3
De aandachtspunten uit de pilots, de evaluatie en de afspraken uit de handreiking tot samenwerking tussen ggz en politie zijn in de opleiding voor het stroomstootwapen opgenomen. De richtlijnen die de Nationale ombudsman meegeeft voor het stroomstootwapen onderschrijf ik. Ze komen overeen met de afspraken die ik eerder hierover met de politie heb gemaakt.
Zoals ik eerder in mijn brief van 15 november 2019 aan de Kamer heb gemeld, is de opleiding voor het stroomstootwapen uitgebreid van twee naar drie dagen11. Daarnaast heeft de korpschef bij mij aangegeven dat na invoering, het oefenen met- en jaarlijks certificeren voor het stroomstootwapen altijd onderdeel zal uitmaken van de reguliere Integrale Beroepsvaardigheids- Training (IBT), onafhankelijk van de daar thans voor geldende beschikbaar gestelde uren. Zonder geldige certificering mag een politieambtenaar dit geweldmiddel niet tijdens zijn dienst bij zich dragen noch gebruiken.
Het stroomstootwapen wordt uitgerold over 167 basisteams, gefaseerd over 5 jaar. Nadat de implementatie volledig is afgerond, wordt de training van het stroomstootwapen ook opgenomen in de initiële opleiding. Daarom blijft er jaarlijks een noodzaak om de nieuwe instroom, bij de reeds geïmplementeerde teams op te leiden. Bij het berekenen van de impact met deze werkwijze is rekening gehouden met de benodigde middelen en capaciteit.
Het bericht ‘NOS divibase: Staatsomroep heeft geheime wisselbokaal voor ‘divers profileren’ |
|
Zohair El Yassini (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NOS divibase: Staatsomroep heeft geheime wisselbokaal voor «Divers profileren»« en het feit dat de NOS tot afgelopen weekend iedere maand een «Divibokaal» uitreikte?1
Ja.
Wat waren de criteria om in aanmerking te komen voor de «Divibokaal» van de maand?
De redactie van de NOS heeft geprobeerd om invulling te geven aan zijn wettelijke taak om een zo breed en divers mogelijk publiek aan te spreken door een zo evenwichtig mogelijke weerspiegeling van de samenleving in zijn media-aanbod te realiseren. Een taak die tevens zijn beslag heeft gekregen in de prestatieafspraken die ik met de NPO heb afgesloten. Vanuit de redactie is in dat kader het idee geboren om een bokaal in het leven te roepen om op een structurele basis elkaar te stimuleren oog te hebben voor meer diversiteit in hun journalistieke producties. De bokaal werd door de redactie niet ingezet als officieel beleidsinstrument met concreet geformuleerde criteria, maar werd gehanteerd als een middel om de discussie op de redactie te kunnen voeren over de keuzes die de NOS maakt in zijn berichtgeving.
Op welke manier houdt de NOS een database bij met mensen op basis van hun geslacht of etniciteit? Worden mensen daarnaast ook geregistreerd op hun inhoudelijke kwaliteiten?
Het is de taak van de NOS om het Nederlandse publiek op een zo onafhankelijk mogelijke manier te informeren en in de berichtgeving de samenleving zo evenwichtig mogelijk te weerspiegelen. Daarbij past het in beeld brengen van een diversiteit aan bronnen die samen een afspiegeling vormen van de maatschappij. Om dit kunnen realiseren heeft de NOS ervoor gezorgd dat er een lijst is opgesteld van geschikte mensen die vanuit hun expertise én vanuit diverse achtergronden kunnen worden benaderd bij de verslaggeving. Volgens de NOS is de volgorde dat altijd vanuit de inhoud – en daarmee de expertise – het zoeken van meerdere bronnen begint en niet andersom.
De lijst met contacten is deels ontstaan vanuit gericht zoeken door de NOS-redactie via universiteiten, bedrijven, hogescholen, instellingen en organisaties en deels door gebruik te maken van reeds bestaande bronnen. Bij de zoektocht naar contacten heeft de NOS aan deze organisaties kenbaar gemaakt te willen komen tot een diverser expertbestand. De mensen die daarbij zijn genoemd zijn door de NOS telefonisch benaderd met de vraag of ze in voorkomende gevallen mogen worden benaderd voor onderwerpen in hun vakgebied of vanuit hun expertise.
Het is een gebruikelijke werkwijze binnen de journalistiek om een interne database van mogelijk te benaderen bronnen bij te houden voor het maken van een journalistiek item. De NOS heeft mij laten weten bij de opstelling van de Divibase ook te hebben gekeken naar de privacyaspecten en deze te hebben getoetst aan de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Ik vertrouw er op dat de NOS met het opstellen en hanteren van de database conform de AVG handelt, maar het is niet aan mij om hierover een oordeel te vellen. Dat is de taak van de Autoriteit Persoonsgegevens.
In hoeverre zijn mensen op de hoogte dat hun gegevens worden bijgehouden in de zogenaamde «divibase»? Is het bijhouden van een database met persoonlijke gegevens van mensen in strijd met de AVG?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de database van de NOS, waarbij geïnterviewde mensen worden gereduceerd tot hun geslacht of etniciteit?
De werkwijze van de NOS begint bij de inhoud, waarbij volgens de NOS vervolgens rekening wordt gehouden met een veelheid aan dimensies binnen diversiteit, niet alleen geslacht en etniciteit. Met het in beeld brengen van diverse bronnen en het vertellen van verschillende verhalen zet de NOS zich in om de kwaliteit van haar journalistiek media-aanbod te verbeteren. Over de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven kan en mag men van mening verschillen. Maar ik hecht eraan om het belang van diversiteit en de bijdrage die het levert aan de journalistieke kwaliteit niet ter discussie te stellen.
Op welke manier wordt er binnen de NOS gestuurd op diversiteit?
De NOS zegt haar diversiteitsbeleid te stoelen op het uitgangspunt dat iedere Nederlander recht heeft op een brede en evenwichtige nieuwsvoorziening. Daarin ziet de NOS voor zichzelf een belangrijke taak weggelegd die langs twee lijnen wordt vervuld. Ten eerste door diversiteit als onmisbaar onderdeel aan te merken van de kwaliteit van haar journalistieke producties. Daarnaast streeft de NOS ernaar om diversiteit ook in het eigen personeelsbeleid te realiseren.
Bent u van mening dat de diversiteitsquota leidt tot discriminatoire keuzes binnen de programmering van de NOS?
Voor zover ik begrepen heb, hanteert de NOS geen diversiteitsquota. Bovendien is het niet aan mij als Minister om een oordeel te vellen over journalistieke keuzen die media maken. De redactionele vrijheid die media genieten dient immers te worden gerespecteerd.
Zijn de gasten of geïnterviewden bij een item op de hoogte dat zij geselecteerd worden op hun afkomst in plaats van hun inhoudelijke kwaliteit? Zo ja, wat vinden zij hiervan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met de hoofdredacteur van de NOS eens dat het profileringsbeleid van de NOS «werkt» en «betekenis heeft»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De NOS spant zich in om een meer evenwichtige representatie te realiseren en probeert zo bij te dragen aan haar taak om kwalitatief hoogstaand journalistiek media-aanbod te verzorgen. In hoeverre de NOS daarin daadwerkelijk slaagt zal moeten blijken uit de verantwoording die de NOS aan haar publiek aflegt.
Bent u van mening dat het reduceren van mensen tot hun geslacht of etniciteit niet alleen kwetsend is, maar ronduit beledigend? Bent u ook van mening dat zeker bij een omroep uit het publieke bestel dit soort etniciteitslijsten niet bijgehouden dienen te worden, laat staan te worden gevierd? Zo ja, op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de NOS afstapt van dit soort etniciteitslijsten of diversiteits-bokalen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat het reduceren van mensen tot hun geslacht of etniciteit in geen enkele context wenselijk is. De publieke omroep is van en voor alle Nederlanders en heeft op grond hiervan de taak om alle groepen in de samenleving te bereiken en evenwichtig te weerspielen. Deze taakopdracht staat wat mij betreft niet ter discussie. De wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven is een zaak van omroepen zelf. Daarin past bemoeienis vanuit de overheid niet. Dat geldt ook voor de NOS. Ik twijfel niet aan de intenties van de NOS maar begrijp ook de gevoeligheid rondom dit thema. Dat blijkt ook uit de verschillende reacties. Het spreekt vanzelf dat de NOS haar doel en werkwijze toelicht, daarover met haar publiek in discussie gaat en daar waar nodig aanpast. Ik zie ook dat dit gebeurt. Inmiddels is de NOS met de Divibokaal gestopt.
Het bericht ‘Politie luidt noodklok over toename crystalmethlabs’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie luidt noodklok over toename crystalmethlabs»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel crystalmethlabs er dit jaar zijn opgerold? Zo ja, kunt u een overzicht geven van het aantal opgerolde crystalmethlabs, opgesplitst per jaar, vanaf 2017? Zo nee, waarom niet?
Over de periode 1 januari tot en met 8 juni 2020 zijn op dit moment acht opgerolde productielocaties geregistreerd waarin vermoedelijk productie van methamfetamine (crystal meth) plaatsvond. Het aantal productielocaties voor methamfetamine dat sinds 2017 is opgerold is in onderstaande tabel weergegeven.
Jaar
2017
2018
2019
2020
Opgerold
5
7
9
81
Kunt u aangeven waar de tot nu toe opgerolde crystalmethlabs zich in Nederland bevinden? Zo ja, in hoeverre is er sprake van geografische concentratie van dergelijke labs? Zo nee, waarom niet?
De politie geeft aan dat het inzichtelijk maken van de locaties waar productieplaatsen zijn opgerold het opsporingsbelang kan schaden. Ik kan daarom over de vindplaatsen geen uitspraak doen.
Kunt u aangeven hoe het aandeel inbeslaggenomen crystal meth zich verhoudt tot het totaal aantal in beslag genomen drugs? Zo ja, kunt u hiervan een overzicht geven, opgesplitst per jaar, vanaf 2017? Zo nee, waarom niet?
Een volledige registratie van de totale hoeveelheid in Nederland in beslag genomen drugs, onderverdeeld naar type drugs, is over de periode 2017 tot en met 2019 niet beschikbaar. In de van de politie ontvangen informatie zijn niet alle inbeslagnames van alle eenheden opgenomen. Over 2018 zijn alleen gegevens bekend van het Hit and Run Cargo Team (HARC) in de Rotterdamse haven en de Douane. Omdat deze gegevens op onderdelen een aanzienlijke onderschatting vormen van de totale hoeveelheid drugs die dat jaar in beslag zijn genomen, kan ten aanzien van de inbeslagnames in dat jaar geen voldoende representatief beeld worden geschetst. In onderstaande tabel zijn de drugssoorten vermeld die in de van de politie ontvangen gegevens over zowel 2017 als 2019 voorkomen en voldoende eenduidig zijn gedefinieerd om te kunnen worden vergeleken. De gegevens over deze jaren zijn inclusief de inbeslagnames door de Douane en de Koninklijke Marechaussee.
Uit deze cijfers blijkt dat het aandeel methamfetamine binnen de totale hoeveelheid inbeslagnemingen sinds 2017 is toegenomen. Cocaïne blijft verreweg het grootste deel vormen. Hierbij moet worden aangetekend dat voorzichtigheid geboden is bij het duiden van trends op grond van deze beperkte beschikbare data.
2017
2019
In beslag genomen
kg
kg
Amfetamine (speed)
122
475
Heroïne
1.110
1.326
Cocaïne
14.628
43.836
Methamfetamine / crystal meth
23
837
Ecstasy
1.249
599
Ketamine
1
19
Designerdrugs/NPS
5
Bronnen: «Drugs inbeslagnemingen uit het jaar 2017«, politie, Landelijke Eenheid, en «Informatierapport inbeslagname drugs 2019», politie, DLIO, mei 2020
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederland vanwege de goede infrastructuur, productiefaciliteiten en het milde strafklimaat als aantrekkelijke productiebasis voor crystal meth wordt gezien? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u en bent u bereid nog meer te nemen om Nederland minder aantrekkelijk te maken voor drugscriminelen? Zo nee, waarom niet?
De toename van het aantal aangetroffen productielocaties voor methamfetamine baart ook mij zorgen, en toont eens te meer de noodzaak om de georganiseerde ondermijnende criminaliteit krachtig te bestrijden. In mijn brief aan uw Kamer van 18 juni 2020 heb ik uw Kamer geïnformeerd op welke wijze het kabinet in de aanpak van de georganiseerde ondermijnende criminaliteit investeert.2 Van de daarin genoemde investeringen zal in het bijzonder de introductie van het Multidisciplinair Interventieteam (MIT) de risico’s voor drugscriminelen vergroten, en het daarmee voor hen Nederland onaantrekkelijker maken in Nederland actief te zijn. Ook zijn momenteel enkele wetswijzigingen in voorbereiding waarmee de handel in niet-geregistreerde precursoren (grondstoffen voor drugs) en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen kan worden aangepakt.
Over de aantrekkingskracht van Nederland op drugscriminelen kan in het algemeen het volgende worden opgemerkt. Aannemelijk is dat de factoren die Nederland aantrekkelijk maken voor bona fide ondernemers, zoals infrastructuur en financiële dienstverlening, ook door criminelen worden gewaardeerd. Ten aanzien van het strafklimaat heb ik uw Kamer in mijn brief van 3 februari jl. bericht dat Nederland in vergelijking tot andere landen in Noordwest-Europa geen bijzonder lage maximumstraffen kent.3 Over de overwegingen die voor drugscriminelen bepalend zijn voor de keuze hun waar in Nederland te produceren is vooralsnog weinig bekend. Om maatregelen te kunnen voorstellen die de aantrekkingskracht van Nederland op drugscriminelen verminderen is meer inzicht in deze overwegingen gewenst. In het kader van de kennisagenda van het brede offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit, waarover ik uw Kamer in de hiervoor genoemde brief heb geïnformeerd, ga ik na op welke wijze hier onderzoek naar kan worden gedaan. Ik zal uw Kamer daarover in het najaar nader informeren.
Is bij u meer bekend over de achtergrond van de opdrachtgevers van de crystalmethlabs? Zo ja, bestaat er enig verband tussen crystal meth opdrachtgevers en xtc opdrachtgevers? Zo nee, waarom is niet meer bekend over de achtergrond en lopen er überhaupt onderzoeken naar deze crystal meth opdrachtgevers?
Ik kan geen uitspraken doen over lopende onderzoeken. Wel kan worden gezegd dat bij enkele zaken is geconstateerd dat er naast de vermoedelijke productie van methamfetamine sprake was van handel in andere soorten illegale drugs. Daarnaast zijn er signalen op basis waarvan wordt vermoed dat bestaande synthetische drugsproducenten en handelaren (deels) overstappen naar de productie van methamfetamine.
De politie geeft aan aanwijzingen te hebben dat Nederlandse drugshandelaren met behulp van Mexicaanse drugskartels xtc-labs ombouwen tot labs waar crystal meth wordt gemaakt, herkent u dit beeld? Zo ja, welke concrete acties, zowel nationaal als internationaal, heeft u genomen en bent u van plan om te nemen om te voorkomen dat dat Mexicaanse drugskartels hun werkgebied in Nederland kunnen uitbreiden?
Zoals gemeld in antwoord op eerdere vragen van uw Kamer over methamfetamine werkt de politie nauw samen met buitenlandse opsporingsdiensten, zowel in Europees verband als daarbuiten.4 Buiten Europa onderhoudt de politie intensief contact met de Amerikaanse Drug Enforcement Agency (DEA), de Australian Federal Police (AFP) en Mexicaanse opsporingsdiensten. De politie geeft aan op dit moment geen concrete reden te hebben om aan te nemen dat Mexicaanse drugskartels hun werkterrein uitbreiden naar Nederland. Evenals ten tijde van de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen is het beeld dat Mexicaanse criminelen op verzoek en onder regie van Nederlandse criminele samenwerkingsverbanden (CSV’s) in uitvoerende rollen de productie ondersteunen. In het contact met de Mexicaanse opsporingsdiensten worden de ontwikkelingen op dat vlak gevolgd en signalen uitgewisseld.
Kan worden toegelicht welk deel van de productie van crystal meth is bestemd voor de Nederlandse afzetmarkt en welk deel is bestemd voor de buitenlandse markt? Zo nee, waarom niet?
Uit het in maart jl. door het Trimbos-Instituut gepubliceerde Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2019 (NDM 2019) blijkt dat het gebruik van methamfetamine in Nederland sporadisch is, en zich beperkt tot enkele groepen zoals mannen die seks hebben met mannen.5 Op basis daarvan kan worden aangenomen dat de in Nederland geproduceerde methamfetamine vrijwel volledig wordt geproduceerd voor de buitenlandse markt.
Zijn er signalen vanuit het buitenland over uit Nederland afkomstige crystal meth? Zo nee, bent u bereid om contact op te nemen met uw Europese collega’s om de Europese productielijnen en afzet van crystal meth meer in kaart te brengen en de Kamer hier op korte termijn nader over te informeren?
In enkele gevallen zijn vanuit het buitenland, zowel binnen Europa als overzees, signalen ontvangen over aangetroffen methamfetamine die uit Nederland afkomstig zou zijn. Omdat het lopende onderzoeken betreft kan de politie hierover geen specifieke informatie verstrekken. Vanwege het onderzoeksbelang kan ook geen gedetailleerde informatie over de productie- en afzetlijnen worden gegeven. Zoals ik uw Kamer heb medegedeeld in mijn brief over crystal meth van 10 september 2019 bevinden de gebruikers van methamfetamine zich vooral in Noord-Amerika, en in toenemende mate in Zuid- en Oost-Azië en Australië.6 De landen in deze regio’s vormen daarom een belangrijke eindbestemming voor in Nederland geproduceerde methamfetamine.
Indien uit het buitenland het signaal wordt ontvangen dat vermoedelijk in Nederland geproduceerde methamfetamine is aangetroffen, zet de politie waar mogelijk met het desbetreffende land in op joint targeting. Hieronder wordt verstaan: het maken van afspraken met de internationale partners over de (structurele) opbouw van een informatiepositie, die leidt tot een aanpak van de sleutelfiguren, vanuit een gedeeld belang en kijkend naar gezamenlijke (interventie-) mogelijkheden. Joint targeting leidt tot focus, samen met andere landen, op High Priority targets, met het doel hen in hun criminele handelen te frustreren en uit te schakelen en verkregen vermogen af te nemen.
Welke maatregelen zijn er reeds genomen tegen eigenaren die, in ruil voor geld, hun leegstaande schuren beschikbaar stellen voor crystalmethlabs? Bent u bereid maatregelen te nemen om deze eigenaren weerbaarder te maken tegen deze drugscriminelen?
Eigenaren die worden verdacht van een strafbaar feit met betrekking tot de productie of opslag van illegale drugs in hun schuur worden strafrechtelijk vervolgd. Daarnaast is de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd een pand te sluiten als dit wordt gebruikt voor de productie of opslag van illegale drugs. Deze bevoegdheid ziet ook op schuren en loodsen, en wordt in de praktijk ook toegepast. Behalve het aanpakken van eigenaren die zich inlaten met drugscriminelen wordt ook in preventie geïnvesteerd. Om te voorkomen dat drugscriminelen ongestoord hun gang kunnen gaan in leegstaande schuren en loodsen zijn meerdere initiatieven ontwikkeld. In Brabant heeft de Taskforce – RIEC Brabant-Zeeland het Project Agrarisch Buitengebied geïnitieerd, dat als doel heeft de maatschappelijke weerbaarheid in het agrarisch buitengebied te vergroten en barrières op te werpen tegen ondermijning. Naast controles van stallen en loodsen, wordt door het geven van voorlichting en het bieden van handelingsperspectief bijgedragen aan het vergroten van de weerbaarheid van agrariërs. Verder is in het kader van de Regiodeal Achterhoek het programma Vitaal Buitengebied ontwikkeld. Naast het vergroten van de weerbaarheid van eigenaren van leegstaande panden wordt in dit programma ook ingezet op de transformatie en sloop van leegstaande gebouwen en het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen voor boeren om hun erf vitaal te kunnen houden en goed te kunnen blijven leven in het buitengebied. Tot slot heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer in zijn brief over de wijkaanpak van 31 maart jl. geïnformeerd over het onderzoek dat door de ministeries van JenV en BZK is uitgevoerd naar de huur van panden voor criminele doeleinden («Panden met een luchtje»).7 In de voortgangsbrief ondermijning van komend najaar wordt uw Kamer nader over dit onderzoek geïnformeerd.
Hoe staat het met het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt om een groep van nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), ook wel designerdrugs genoemd, te verbieden? Hoe verhouden de actieve stoffen van crystal meth zich tot de groep NPS behorende tot dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel waarmee groepen nieuwe psychoactieve stoffen kunnen worden verboden is dit voorjaar door Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport via internet geconsulteerd. Partijen die belast zullen zijn met de uitvoering en handhaving van de voorgenomen wetswijziging zijn verzocht een uitvoeringstoets uit te brengen. De verwachting is dat alle reacties de komende weken ontvangen zullen zijn en verwerkt kunnen worden. Het streven is het wetsvoorstel dit najaar in procedure te brengen.
De verhouding van methamfetamine tot het wetsvoorstel kan als volgt worden toegelicht. De stofgroepen die voor een verbod worden beoogd zijn afgeleid van de chemische structuur van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan. Een van die stofgroepen (fenethylamines) omvat ook de chemische structuur van amfetamine. Dat betekent dat alle nieuwe aan amfetamine verwante stoffen verboden zullen zijn. Methamfetamine is een stof die tot de amfetamines behoort, wat betekent dat ook alle mogelijke varianten van methamfetamine automatisch verboden zullen zijn.
COA-personeel dat zich onveilig voelt door ‘Minderjarige’ criminele Noord-Afrikanen |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA-personeel voelt zich onveilig en luidt noodklok: «Minderjarige» criminele Noord-Afrikanen verstieren het?»1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gelukszoekers uit landen als Marokko en Algerije ons land onveiliger maken? Zo ja, hoe staat het met de inzet van het kabinet om deze mensen zo snel mogelijk te laten terugkeren naar het land van herkomst? Wanneer kan de Kamer de uitvoering van de motie-Becker c.s. over uitvoering van de regeerakkoordafspraken over migratieovereenkomsten (Kamerstuk 35 300 VI, nr. 37) verwachten met een SMART overzicht van alle maatregelen die genomen zijn en nog genomen kunnen worden om deze migratie tegen te houden en terugkeer af te dwingen?
Asielzoekers uit veilige landen van herkomst zijn oververtegenwoordigd in de groep overlastgevers. Vanzelfsprekend vind ik dit volstrekt onacceptabel. De terugkeer van criminele en overlastgevende vreemdelingen met een vertrekplicht heeft, complementair aan de strafrechtelijke afhandeling van dergelijke situaties, grote prioriteit. Zoals uw Kamer weet, bemoeilijken verschillende COVID-19 gerelateerde (reis)beperkingen op dit moment de terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen. Criminele en overlastgevende vreemdelingen vormen hier geen uitzondering op. Dit laat onverlet dat ik ook gedurende de COVID-19 maatregelen in de migratieketen ben blijven inzetten op de terugkeer van deze groep. Dat betekent dat inbewaringstelling van criminele en overlastgevende vreemdelingen door is gegaan en dat hun terugkeertraject is gestart of voortgezet. Ik informeer u voor het zomerreces over de uitvoering van de motie Becker c.s. Het kabinet zet onverminderd in op verbetering van de terugkeersamenwerking met relevante landen.
Worden inmiddels alle maatregelen die u eind vorig jaar aankondigde aangaande een strengere aanpak tegen overlastgevende asielzoekers reeds benut op en rond de Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)-locaties? Zo ja, hoe kan het dan dat de betreffende medewerkers zich nog steeds onveilig voelen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 18 december jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die ik inzet bij de aanpak van overlastgevende asielzoekers.2 Zo kunnen asielzoekers die dermate overlastgevend zijn dat zij op reguliere locaties belastend zijn voor medewerkers en medebewoners per 1 februari worden overgeplaatst naar de speciale Handhaving- en Toezichtlocatie in Hoogeveen. Ook is de Top X aanpak per 1 mei jl. landelijk ingevoerd. Voor meer informatie over de versoberde opvang van veilige landers verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 11. De eerste ervaringen met deze maatregelen zijn goed, maar er is meer tijd nodig voordat zij hun vruchten zullen afwerpen.
De maatregelen hebben als doel de overlast terug te dringen en een leefbare en veilige woon- en werkomgeving te borgen. Alhoewel de incidenten op COA-opvanglocaties vaak niet gericht zijn tegen COA-medewerkers, kunnen deze wel impact hebben op medewerkers. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin een COA-medewerker zich onveilig voelt.
Voldoet de uitrusting van het COA-personeel om zichzelf te beschermen tegen raddraaiers op een COA-locatie en welke extra maatregelen kunt u nemen om het COA-personeel in bescherming te nemen tegen agressie en geweld?
Veiligheid van COA-medewerkers heeft voor mij de hoogste prioriteit. Het COA biedt allerlei middelen en instrumenten die erop gericht zijn om goed om te kunnen gaan met diverse situaties. Zo biedt het COA alle medewerkers onder andere een intensieve training die is gericht op het de-escaleren van een conflictueuze situatie, vindt er regelmatig afstemming plaats met de wijkagent, is er een protocol agressie en geweld met onder andere richtlijnen hoe om te gaan met verschillende situaties en is er het maatregelenbeleid. In het geval dat een ernstig incident zich voordoet, zijn er aanvullende afspraken met de politie gemaakt met betrekking tot politie-inzet op de locatie. Binnen dit pakket is aanvullende beschermende uitrusting voor COA-medewerkers niet noodzakelijk gebleken.
Hoeveel asielzoekers die ernstige overlast veroorzaken zijn tot op heden ondergebracht in de door u aangekondigde Handhaving en Toezichtslocatie (HTL) in Hoogeveen?
Op 1 februari 2020 is de HTL geopend. Tussen 1 februari en 1 mei 2020 zijn 65 overlastgevers in de HTL geplaatst. In de HTL is plek voor maximaal 50 overlastgevende asielzoekers.
Worden er daarnaast ook overlastgevende asielzoekers op COA-locaties apart gezet in gesloten voorzieningen als zij zich schuldig maken aan overlast, geweld of diefstal? Zo ja, hoe vaak is dit gedaan?
De COA-opvanglocaties zijn open opvangvoorzieningen. Dat wil zeggen dat bewoners vrij zijn om in- en uit te lopen. Er bevinden zich geen gesloten voorzieningen op COA-opvanglocaties, ook niet voor overlastgevers. Indien er sprake is van crimineel gedrag zal aangifte worden gedaan bij de politie. Bij voldoende grond kan de rechter bepalen dat een asielzoeker, net als ieder andere inwoner van Nederland, in (voorlopige) hechtenis wordt genomen.
Indien een asielzoeker op een opvanglocatie dusdanig overlastgevend is dat hij of zij een gevaar vormt voor medewerkers en medebewoners kan deze persoon door het COA worden overgeplaatst naar de HTL. Overplaatsing naar de HTL gaat altijd gepaard met een vrijheidsbeperkende maatregel, waarmee het gebied waarin betrokkene zich mag bevinden wordt beperkt. De HTL is echter geen gesloten voorziening.
Hoeveel overlastgevende asielzoekers staan inmiddels op de Top-X lijst – de lijst waar de asielzoekers die de meeste overlast veroorzaken op worden gezet en waar vervolgens per overlastgever een individuele aanpak voor wordt gemaakt – en bereikt deze aanpak ook de asielzoekers die minder vaak overlast veroorzaken maar wel ontoelaatbaar gedrag vertonen?
Het aantal en de samenstelling van de groep asielzoekers die op de Top-x lijst staat verandert iedere maand. De Top X lijst bevat momenteel circa 330 unieke vreemdelingen. Na de data-gedreven selectie van asielzoekers op de landelijke lijst, wordt door lokale partijen uit de migratieketen bekeken welke personen op de lijst daadwerkelijk in aanmerking komen voor een individuele Top X aanpak en welke maatregelen er in dit kader worden opgelegd.
De Top-X aanpak bereikt ook asielzoekers die minder vaak overlast veroorzaken, maar wel ontoelaatbaar gedrag vertonen. Immers, een asielzoeker komt niet alleen op de Top-X lijst te staan wanneer hij of zij «veelpleger» is. Ook wanneer een asielzoeker voldoet aan andere criteria, komt hij of zij op de Top-X te staan, bijvoorbeeld wanneer een asielzoeker één of meerdere registraties van verdenkingen op zijn naam heeft staan van misdrijven met een grote impact en/of misdrijven tegen een ambtenaar met een publieke taak. Daarbij kunnen asielzoekers op de lijst komen te staan wanneer zij door COA-medewerkers worden aangedragen in verband met gedrag dat als overlastgevend wordt ervaren en waarbij sprake is van grote impact op medewerkers, medebewoners of de omgeving. Hiermee bereikt de Top-X lijst óók asielzoekers die minder vaak overlast veroorzaken.
Alhoewel er door betrokken partijen extra aandacht uitgaat naar de individuele aanpak van personen op de Top X lijst, wil ik graag benadrukken dat ook voor overlastgevers die niet op de Top X lijst staan, geldt dat hun gedrag natuurlijk niet wordt geaccepteerd en dat zij worden aangepakt volgens het brede palet aan maatregelen dat voorhanden is.
Is het juist dat de top-X lijst niet gedeeld mag worden met burgemeesters, onder andere vanwege de AVG, en bent u bereid te onderzoeken welke wijziging in regelgeving nodig is om dit alsnog wel te kunnen doen, zodat overlastgevende asielzoekers ook door het lokale gezag scherp in de gasten kunnen worden gehouden?
Onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) mogen persoonsgegevens niet zomaar gedeeld worden, ook niet binnen de overheid. Voor uitwisseling van persoonsgegevens binnen de migratieketen is reeds een wettelijke basis. Ik onderzoek of het onder bestaande wettelijke kaders (zoals de politie – en openbare orde wetgeving) eventueel mogelijk is om in het kader van de openbare orde en veiligheid bepaalde informatie van de migratieketen over personen op de Top X lijst te delen met de lokale gezagsdriehoek, bestaande uit de gemeente, de politie en het OM. Zo ja, dan zal worden bezien op welke manier. Zo nee, dan worden alternatieve oplossingen onderzocht, zoals bijvoorbeeld het afsluiten van convenanten. Hierbij ben ik gebonden aan het AVG uitgangspunt van dataminimalisatie. Dat houdt in dat met de lokale gezagsdriehoek enkel de voor hen noodzakelijke personen/gegevens gedeeld zullen worden.
Hebben de ketenmariniers voldoende middelen om deze asielzoekers aan te pakken en wordt er vanuit het ministerie geëvalueerd waar er knel- en verbeterpunten zitten?
De ketenmariniers maken gebruik van het brede palet aan maatregelen dat voorhanden is in de aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers. Over deze maatregelen heb ik uw Kamer bij brief geïnformeerd.3 Binnenkort publiceren de ketenmariniers een toolbox met een overzicht van deze maatregelen. Een evaluatie van de Top X aanpak zal plaatsvinden zodra er genoeg ervaring is opgedaan om knel- en verbeterpunten vast te stellen. Uiteraard bekijk ik daarnaast continu met betrokken partijen waar het beter kan.
Hoe kan het dat de burgemeester van Smallingerland de noodklok luidt terwijl u een arsenaal aan extra maatregelen heeft ingevoerd? Bent u bereid met hem in gesprek te gaan om te bezien wat lokaal meer gedaan kan worden om de problematiek aan te pakken en iets als de massale vechtpartij in asielzoekerscentrum (AZC) Drachten niet meer te laten voorkomen?
De gemeente Smallingerland kampt al langere tijd met overlast veroorzaakt door asielzoekers. Een heftig incident in azc Drachten was de directe aanleiding voor de burgemeester om de noodklok te luiden en hulp in te roepen van het ministerie. Er heeft reeds een goed gesprek plaatsgevonden tussen het ministerie en de burgemeester van Smallingerland om de lokale problematiek te bespreken. Daarbij heeft het ministerie haar hulp aangeboden. Naast de gemeente, het COA, Nidos, het OM en de politie, spelen ook de ketenmariniers een rol in de lokale aanpak. Er wordt alles aan gedaan om het aantal incidenten te verminderen. Echter, ondanks alle inspanningen die worden getroffen in de begeleiding van asielzoekers en de aanpak van overlastgevende asielzoekers kunnen incidenten zoals die in Drachten niet geheel voorkomen worden.
Hoe staat het met uw zoektocht naar een geschikte locatie voor separate opvang voor enkel en alleen asielzoekers uit veilige landen zodat zij niet langer anderen tot last kunnen zijn? Ziet u een mogelijkheid om ook een dergelijke aparte opvang, uiteraard sober en zoveel mogelijk gesloten, op te zetten voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’ers) uit veilige landen?
Een versoberde opvang voor personen wiens asielaanvraag wordt afgedaan in spoor 2 past bij de relatief korte tijd die deze groep, met een relatief kansarme asielaanvraag, in Nederland verblijft. Daarnaast helpt het apart opvangen van deze groep bij de beschikbaarheid voor de asielprocedure en het vertrekproces.
Voor de realisatie van een separate opvanglocatie is naast een geschikte locatie ook bestuurlijk draagvlak een randvoorwaarde. Op dit moment is deze combinatie nog steeds niet gevonden. Bij wijze van tussenoplossing is het COA in een vergevorderd stadium van voorbereiding om de opvang van deze doelgroep op een aantal bestaande locaties te versoberen en beter beheersbaar te maken. Het COA richt zich nu allereerst op het realiseren van deze tussenoplossing. Met de opgedane ervaring vanuit de tussenoplossing wordt bezien of in de toekomst kansen ontstaan voor een separate locatie voor deze doelgroep. Ik verwacht dat de versobering van de opvang van veilige landers wiens asielaanvraag wordt afgedaan in spoor 2 na het zomerreces is gerealiseerd. Op dat moment verwacht ik ook uw Kamer te kunnen informeren over de eerste ervaringen met deze tussenoplossing.
De aanpak van overlastgevende AMV’s heeft ook mijn aandacht. Op deze groep kan het COA verschillende maatregelen toepassen, zoals een locatieverbod of strafoverplaatsing. Als deze maatregelen geen of onvoldoende effect hebben, kan een AMV worden doorverwezen naar de Perspectief Opvang Nidos. In deze speciale opvangvorm wordt door middel van intensieve begeleiding gewerkt aan gedragsverbetering van overlastgevende AMV’s. Tevens zijn het COA en Nidos met mijn departement in gesprek over aanvullende maatregelen om de overlast van AMV’s te verminderen en zal bovendien de vierde ketenmarinier, die momenteel wordt geworven, zich specifiek richten op de aanpak van overlastgevende AMV’s. Ook over deze resultaten zal ik uw Kamer na de zomer informeren.
Hoe is het mogelijk dat overlastgevende asielzoekers zich kunnen verplaatsen door Nederland om, zoals uit het artikel blijkt, de opvang te gebruiken als basis om door het land te trekken op stroop- en rooftocht? Worden er bijvoorbeeld fietsen gefaciliteerd waarmee zij het terrein af kunnen en zijn er inmiddels nieuwe ontwikkelingen tussen de ketenmarinier en de vervoersmaatschappijen om reisverboden aan overlastgevende asielzoekers op te leggen? Hoe staat het in dit verband met de uitvoering van de motie Becker over een verbod op straatintimidatie (Kamerstuk 19 637, nr. 2483) om over te gaan tot openbaar vervoersverboden bij overlastgevers?
Mits zij hun verplichtingen -zoals de meldplicht- nakomen, zijn asielzoekers in afwachting van hun procedure vrij om zich door Nederland te verplaatsen. Zonder gegronde reden kan de overheid de vrijheid van een asielzoeker niet zomaar beperken of ontnemen. Dit is in lijn met internationale en nationale wet- en regelgeving, waar Nederland zich aan wil en dient te houden.
Het is geen COA-beleid om fietsen beschikbaar te stellen aan asielzoekers. In enkele gevallen wordt aan schoolgaande kinderen voor het vervoer naar school een fiets in bruikleen gegeven. Asielzoekers kunnen zelf een fiets kopen. Voor vervoersbewegingen gerelateerd aan het asielproces zoals een bezoek aan een advocaat wordt door het COA een OV-vervoersbewijs ter beschikking gesteld.
Zoals ik uw Kamer op 18 december jl. bij brief meldde, is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een handreiking opgesteld over de invoering van een verbod op straatintimidatie.4 Deze is actief verspreid onder de gemeenten. De motie van het lid Becker verzoekt verder om te verkennen of overlastgevende asielzoekers een reisverbod met het openbaar vervoer kunnen krijgen.5 Nog los van de uitvoeringsaspecten hiervan maakt de relevante privacywetgeving het delen van persoonsgegevens tussen de organisaties uit de migratieketen en de organisaties van het openbaar vervoer erg moeilijk.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat stemmen de aanpak van overlastgevende asielzoekers in het openbaar vervoer met elkaar af. Aandachtspunten zijn inzicht verkrijgen in de groep asielzoekers die overlast veroorzaken in het openbaar vervoer en de mogelijkheden daarbij voor het opleggen van een reisverbod. Over de mogelijkheden voor het inzetten van reisverboden lopen de gesprekken met openbaar vervoerders, het OM en vakbonden.
Wanneer wordt overgegaan tot het opleggen van een gebiedsgebod bij een overlastgevende asielzoeker? Zou dit in uw ogen sneller kunnen dan dat nu het geval is?
Indien een asielzoeker overlast veroorzaakt binnen de opvanglocatie, kan door de IND, de DT&V of door de AVIM aan betrokkene een vrijheidsbeperkende maatregel (gebiedsgebod) worden opgelegd. Hierbij stelt het COA een verslag op van de overlastgevende gedragingen, aan de hand waarvan wordt beoordeeld of deze zodanig ernstig zijn dat de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel gerechtvaardigd is.
Het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel vindt in de regel plaats kort nadat betrokkene overlastgevend gedrag heeft vertoond dat, al dan niet in samenhang bezien met eerder vertoond gedrag, diens verblijf op de opvanglocatie onhoudbaar maakt. De vrijheidsbeperkende maatregel, in het kader van overlastgevend gedrag, wordt in de regel opgelegd in combinatie met de aanzegging zich te melden in de HTL. Op werkdagen, uiteraard afhankelijk van het tijdstip, wordt de maatregel doorgaans opgelegd op de dag waarop de laatste grensoverschrijdende gedraging zich heeft voorgedaan. Binnen dit kader gebeurt het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel zo snel mogelijk en ik zie op dit moment geen aanleiding om dit te versnellen.
Daarnaast kan, indien dit is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening, ook een gebiedsverbod worden opgelegd door de burgermeester indien sprake is van overlastgevend gedrag buiten de opvanglocatie en/of de openbare orde in het geding is.
Welke extra maatregelen kunnen COA-locaties nemen om ervoor te zorgen dat asielzoekers niet met gestolen waar, volgens het artikel afkomstig uit winkels uit het hele land, de locatie op kunnen en dit vervolgens kunnen verkopen aan elkaar en asielzoekers meteen opgepakt worden als bemerkt wordt dat gestolen goederen in het bezit zijn?
Asielzoekers dienen zich net als een ieder in Nederland te houden aan de Nederlandse wet- en regelgeving. De begeleiding van het COA is gericht op het realiseren van een veilige en leefbare leef- en werkomgeving. Een onderdeel van de begeleiding van het COA is het regelmatig uitvoeren van kamercontroles. Indien er signalen zijn van crimineel gedrag is het COA-beleid om contact met de politie op te nemen. In overleg met de politie wordt dan bekeken wat een gepaste actie is.
Bent u bereid opnieuw contact te zoeken met het lokale gezag in gemeentes met COA-locaties om ervoor te zorgen dat de gemeentes zich voldoende gehoord voelen en serieuze gesprekspartners zijn als het gaat om het aanscherpen van maatregelen?
Ik ben continu in gesprek met gemeenten over ontwikkelingen op het migratiegebied, waaronder de aanpak van de overlast en de behoefte aan aanvullende opvangcapaciteit. De opvang van personen die in Nederland asiel aanvragen is immers een gezamenlijke opgave; het COA kan dit niet alleen. Ik ben gemeenten met een opvanglocatie dankbaar voor hun inspanningen en benadruk de urgentie voor extra opvangplekken voor asielzoekers. Uiteraard heeft ook het COA, in het kader van de reguliere bedrijfsvoering, met regelmaat contact met de betreffende gemeente om informatie te delen en indien nodig gezamenlijk actie te nemen op ontwikkelingen in die gemeente. Teneinde te voorkomen dat een groep overlastgevers het draagvlak voor de opvang van asielzoekers ondermijnt en de zoektocht naar extra opvanglocaties bemoeilijkt, zet ik de ketenmariniers in om gemeenten waar nodig te adviseren en assisteren.
Bent u bereid een meldpunt in uw ministerie te openen voor COA-medewerkers die zich onveilig voelen, zodat ook concrete gebeurtenissen aanleiding kunnen geven het beleid weer verder aan te scherpen?
COA-medewerkers kunnen op diverse manieren hun mening geven en hun gevoel van onveiligheid uiten en worden daartoe ook expliciet uitgenodigd. Dit kan rechtstreeks bij hun leidinggevende, bij de preventiemedewerkers, vertrouwenspersonen, het bureau veiligheid, het meldpunt integriteit, de bedrijfsarts of een bedrijfsmaatschappelijk werker. Het COA-bestuur benadrukt in contacten met medewerkers – in overleggen of tijdens werkbezoeken – het gesprek aan te willen gaan over het dagelijks werk, waaronder (on)veiligheid. Dit doet het bestuur actief met de ondernemingsraad maar ook in gesprekken met (een vertegenwoordiging van) medewerkers. Het COA en het departement onderhouden nauw contact over overlast op opvanglocaties. Ik zie dan ook geen noodzaak tot het openen van een meldpunt op het ministerie.
Het rapport ‘Uitgesproken’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Uitgesproken» en met de huidige situatie in de gemeente Westerveld dat er een convenant is gesloten?1 2 3
Ja.
Deelt u de mening dat het gezien de uitkomsten van het rapport «Uitgesproken» onwenselijk is dat het convenant is opgesteld zonder burgerparticipatie of partijen die burgers representeren?
Het heeft mijn voorkeur dat omwonenden en telers met elkaar in gesprek komen om op lokaal niveau bevredigende afspraken te maken. Het rapport «Uitgesproken» laat zien dat dat op sommige plaatsen goed mogelijk is, maar dat in andere plaatsen hiervoor nog een weg is te gaan. Het is aan de lokale overheden om daar de juiste balans en werkwijze in te vinden en stap voor stap het gesprek weer op gang te brengen. Ik ben blij dat de gemeente Westerveld dat heeft opgepakt. Daarmee is niet gezegd dat het convenant een eindpunt is, maar wel een stap in de goede richting. De gemeente heeft het beste inzicht in de lokale situatie en ik heb vertrouwen in de aanpak die zij kiest.
Deelt u de mening dat de geplande pilot van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen in Zuid-West Drenthe urgentie heeft gezien de huidige situatie?
Ja. Onder regie van de provincie Drenthe zijn bestuurlijke gesprekken gevoerd met de provincie Overijssel en de Vereniging Drentse Gemeenten (VDG) over de opzet van deze meerjarige pilot. Het Ministerie van LNV is bereid deze pilot te faciliteren.
Bent u bereid om in overleg met de overige overheden het starten van de LNV-pilot gewasbeschermingsmiddelen te bespoedigen?
Mijn inzet is om onder regie van de provincie Drenthe zo spoedig mogelijk tot een pilot te komen binnen de kaders van het Uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
Wat is de verwachting qua planning rondom het advies van de Gezondheidsraad, commissie gewasbescherming en omwonenden? Wordt de datum van 1 juni 2020 gehaald of is er door de huidige situatie (COVID-19) een alternatieve datum gepland?
De Gezondheidsraad heeft op 29 juni 2020 haar advies gepubliceerd. Voor een inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van de Gezondheidsraad verwijs ik naar de brief die ik op 30 juni 2020 samen met de Minister voor Medische Zorg aan uw Kamer heb gestuurd
Hoe ziet u deze situatie in het licht van uw «Kringlooplandbouwvisie: waardevol en verbonden»?
Zoals aangegeven vind ik het van belang om zo snel mogelijk te starten met een pilot binnen de kaders van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, een belangrijk onderdeel van mijn visie op kringlooplandbouw. De kern van de visie op gewasbescherming is weerbare planten en teeltsystemen, waarbij minder behoefte is aan gewasbeschermingsmiddelen en waarbij nagenoeg geen emissie plaatsvindt. Met deze pilot wil ik een positieve impuls geven aan de ontstane situatie.
Vleermuizen en vogels die slachtoffer worden van lijmbanden. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Langzame dood voor vleermuizen en vogels door nieuwe aanpak van eikenprocessierups: «Deze idiotie moet stoppen»» en «De man van de vastgeplakte specht heeft zijn les geleerd: «Ik heb hem veertje voor veertje zelf losgemaakt»»?1 2
Ja.
Wat vindt u ervan dat vogels en vleermuizen het slachtoffer worden van het gebruik van lijmbanden en plakstrips?
Dat vogels en vleermuizen slachtoffer worden van het gebruik van lijmbanden en plakstrips vind ik betreurenswaardig.
Vormen lijmbanden en lijmstrips toegestane bestrijdingsmiddelen tegen de eikenprocessierups?
Het gebruik van lijmbanden, lijmstrips en andere vangmiddelen met lijm zijn op grond van de Wet natuurbescherming buitenhuis verboden en mogen derhalve niet gebruikt worden ter bestrijding van de eikenprocessierups. Van dit verbod kunnen provincies ontheffing verlenen.
Kunt u bevestigen dat het gebruik van lijmbanden niet bijdraagt aan het streven om populaties van andere soorten dan de soort die bestreden wordt in hun natuurlijke verspreidingsgebied in gunstige staat van instandhouding te laten voorbestaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u nagaan hoeveel wettelijk beschermde soorten gedood zijn door lijmbanden?
Dat kan ik bevestigen. Navraag bij de provincies wijst uit dat er, behalve de in de media vermelde voorbeelden, geen gegevens beschikbaar zijn van wettelijke beschermde soorten die gedood zijn door lijmbanden of andere vangmiddelen met lijm.
Is het juist dat het gebruik van lijmstrips om dieren te vangen of te doden verboden is zonder ontheffing van de provincie, zoals dat ook het geval is voor lijmplankjes? Zo ja, welke provincies hebben een ontheffing voor het gebruik van lijmbanden en lijmstrips in de open lucht verleend en op basis van welke afwegingen zijn deze ontheffingen verleend?3
Dit is juist, zie ook het antwoord op vraag 2. Navraag wijst uit dat er sinds de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (1 januari 2017) geen ontheffingen zijn afgegeven door provincies voor het gebruik van lijmbanden ter bestrijding van de eikenprocessierups.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om te voorkomen dat lijmstrips en lijmbanden worden gebruikt?
Ik heb de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) gevraagd om in hun voorlichting naar burgers en bedrijven te wijzen op het verbod tot het gebruik van lijmbanden, lijmstrips en andere vangmiddelen met lijm ter bestrijding van de eikenprocessierups. Genoemde instanties hebben daar inmiddels ook al uitvoering aan gegeven.
Ook het Kennisplatform Processierups verschaft informatie en voorlichting over bestrijdingsmogelijkheden tegen de eikenprocessierups, www.processierups.nu
Bent u bereid om handhavend op te treden tegen het gebruik van lijmstrips en lijmbanden?
Op het verbod tot gebruik van lijmbanden e.d. buitenhuis wordt toegezien door de provincies, en in voorkomende gevallen de Omgevingsdiensten voor hen. Indien nodig treden zij handhavend op.
Het bericht dat garnalenvissers meer mogen vissen in Natura-2000-gebieden |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Garnalenvissers mogen veel meer vissen in Natura-2000-gebieden»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de bedoeling is van het vastleggen van visuren in de Natuurbeschermingswet (NB-wet)vergunning?
De visuren zijn vastgelegd als inkadering van de getoetste feitelijke omvang van visserij in de Natura 2000-gebieden ten tijde van de vergunningverlening. Deze vastlegging van hetgeen getoetst is, is een vast gegeven in elke willekeurige Wnb-vergunning: een afwijking ervan geeft aanleiding tot een nieuwe beoordeling. Vastlegging ervan geeft een instrument om, waar noodzakelijk, handhavend te kunnen optreden: hetgeen niet in overeenstemming is met de vergunning, is immers in principe niet toegestaan vanuit de Wet natuurbescherming.
Klopt het dat het doel van de maatregel is om de inzet van de garnalenvloot in Natura 2000-gebieden op een bepaald niveau te bevriezen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is dan het niveau waarop de inzet wordt bevroren?
Nee, dat is niet het doel. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 gaat het hier om het in een vergunningvoorschrift vastleggen van de getoetste visserij. Het is niet bedoeld om deze visserij op een bepaald niveau te bevriezen. Wanneer de garnalenvissers ervoor zouden kiezen om, met een juiste en volledige ecologische onderbouwing, meer visuren dan de nu vergunde aantallen aan te vragen, dan kan dat niet zonder enige onderbouwing geweigerd worden. Dat is ook niet de insteek van de vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming; wanneer een vergunningaanvrager met een voldoende juiste en actuele ecologische onderbouwing zijn activiteit wil verruimen, dan is het aan mijn ministerie om op basis van die onderbouwing te bezien of die verruiming inderdaad toelaatbaar zou kunnen zijn.
Wat voor (soort) berekeningsfouten zijn er bij het verlenen van de vergunning gemaakt en waarom worden deze als «softwarefouten» gekarakteriseerd?
Bij het vaststellen van de initiële visuren voor het ijkjaar 2015 is met een, voor de zuidelijke Natura 2000-gebieden, te lage vissnelheid gerekend. Daarnaast bleek, naderhand, in deze initiële berekeningen sprake van ontbrekende data doordat onder andere de gebruikte software ten onrechte bepaalde (omgenummerde2) vaartuigen niet meenam in de berekeningen.
Meer specifiek en technisch: middels de software werd een zogenaamde «vesselgroup» aangemaakt van te vergunnen (en tijdens de monitoring: vergunde) vaartuigen. Daarin zat een zogenoemde «bug» waardoor er data van meer vaartuigen in de berekening meekwamen dan de daadwerkelijk te vergunnen respectievelijk vergunde vloot van vaartuigen. Ook werden in sommige gevallen tussentijds omgenummerde vaartuigen (als gevolg van overdrachten) door de «bug» dan weer wel en dan weer niet meegenomen. Daarmee werden er ook dus meer c.q. juist minder visuren in de berekeningen meegenomen dan feitelijk in de praktijk gerealiseerd werden. Tot slot zijn er bij de initiële berekening te veel visuren meegenomen omdat in eerste instantie ook het varen op 0 knopen werd meegeteld als «visactiviteit».
Kunt u inzage geven in de foute en in de correcte berekeningswijze?
Een deel van deze vraag heb ik reeds beantwoord in mijn reactie op vraag 4. Aanvullend daarop: de correcte berekeningswijze ligt erin vervat dat de door WMR gebruikte software de geschetste eerdere «bug» en de uitwerking daarvan op de data en opvolgende berekeningen, ondervangt.
Klopt het dat vanuit de visserij in een veel eerder stadium is aangegeven dat de vergunde uren zo veel afweken van de feitelijke situatie dat de uitkomsten van de berekeningen die aan de vergunningverlening ten grondslag lagen, eenvoudigweg niet konden kloppen?
Die signalen heeft de sector inderdaad eind oktober 2018 formeel aangegeven (na eerder op informeel niveau hierover signalen af te hebben gegeven), maar op dat moment waren er onvoldoende concrete gegevens om de berekeningen vanuit de NVWA in twijfel te trekken; de sector kon haar standpunt niet met cijfers onderbouwen. De sector kondigde in een formeel schrijven aan hierop haar eigen onderzoek in te zetten met inzet van Wageningen Economic Research. In diezelfde periode gaf Rijkswaterstaat soortgelijke signalen af voor wat betreft het Natura 2000-gebied Voordelta.
Wat is er concreet met deze signalen vanuit de visserij gedaan?
Op basis van het signaal vanuit RWS (die hierop de in haar opdracht uitgevoerde berekeningen en cijfers afkomstig van Wageningen Economic Research kon aanleveren) is aan de NVWA gevraagd de data nauwkeurig nogmaals na te lopen. Hieruit is een herberekening en volgend daarop een formele wijziging van de vergunde visuren voortgekomen (21 december 2018). Reeds per brief van 15 november 2018 is aan de sector gemeld dat de aangekondigde acties op het handhavende vlak, onmiddellijk opgeschort werden.
Hoe ziet u de praktische uitvoering van deze regelgeving in de richting van individuele vissers, die een collectief aangevraagde, maar individueel toegekende NB-wet vergunning hebben ontvangen?
In de inhoudelijke overwegingen bij de vergunning is hierover opgemerkt dat elk van de individuele vissers vergunninghouder is en zij als groep van totale vergunninghouders daarop aangesproken zullen worden. Wanneer er dus bijvoorbeeld in 2020 te veel visuren worden gerealiseerd in het Natura 2000-gebied Waddenzee dan zal de werking van de vergunning opgeschort worden voor dat specifieke Natura 2000-gebied. Hierbij merk ik nog op dat binnen de garnalenvisserijvloot er vergunninghouders zijn die veel (in een bepaald Natura 2000-gebied) op garnalen vissen en vergunninghouders die amper (in een bepaald Natura 2000-gebied) op garnalen vissen. Sommige van de vergunninghouders mogen ook op platvis vissen en schakelen daar naar toe over wanneer de prijzen goed zijn. Ook merk ik op dat er voor de meeste garnalenvissers voldoende uitwijkmogelijkheden naar elders, binnen en buiten de Natura 2000-gebieden, zijn om verder te vissen. Voor de vissers die die mogelijkheid niet hebben, is het een verantwoordelijkheid van de vertegenwoordigende koepelorganisaties om hier in een kalenderjaar en met de monitoringsresultaten in de hand, gericht op te sturen zodat voor die specifieke vissers er voldoende visruimte in een gegeven jaar blijft.
Het gaat dus om het collectieve beeld van vissen. Wat de ene visser aan visuren «laat liggen», kan door de andere visser weer benut worden.
Verder merk ik nog op dat er ook voor gekozen kan worden de vereiste Wnb-vergunning op individuele basis aan te vragen. Dit betekent dat elke individuele visser voor specifieke Natura 2000-gebieden (of delen daarvan) een vergunning zal moeten aanvragen, daarbij een volledige en juiste ecologische onderbouwing zal moeten aanleveren en ook voor het eigen bedrijf een specifiek aantal visuren zal moeten aanvragen. Voor een langjarige Wnb-vergunning bedragen de leges € 3.500 per vergunningaanvraag. Ook de financiering van het laten opstellen van een individuele passende beoordeling ligt dan bij de individuele visser.
Hoe zouden vissers het maximum aan visuren in hun individuele visplannen moeten verwerken?
Omdat de Wnb-vergunningen collectief vanuit de sector zijn aangevraagd, wordt er vanuit die vergunningverlening niet gewerkt met individuele visplannen. Wel maken individuele vissers in hun eigen bedrijfsorganisatie individueel een jaarplanning. Wanneer in een lopend jaar al vroeg behoorlijke aantallen visuren worden gerealiseerd in een bepaald Natura 2000-gebied, dan zal de huidige monitoring van WMR dit snel detecteren. Deze monitoring start qua output in de maand mei. Deze monitoringsresultaten zullen ook structureel met de vertegenwoordigende koepelorganisaties gedeeld worden. Zij kunnen daarop hun acties inrichten en de betrokken vissers hierop informeren. Wat de mogelijke handelingsopties voor deze vertegenwoordigers (en daarmee ook de vissers) zijn, heb ik in mijn antwoord op vraag 8 aangegeven.
Hoe kunnen individuele vissers zich überhaupt aan deze regels met betrekking tot het maximumaantal visuren houden als zij niet weten wat het maximumaantal visuren precies voor hen op individuele basis betekent?
Ik verwijs hier naar mijn antwoord op vraag 9.
In hoeverre kan dit ertoe leiden dat individuele vissers een «incentive» hebben om zo veel mogelijk visuren te verbruiken teneinde niet achter het net te vissen op het moment dat het collectief toegekende aantal visuren is bereikt? Deelt u de mening dat dit een ongewenst effect zou zijn van deze regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik heb over die «incentive» al kort iets opgemerkt in mijn antwoord op vraag 8: het is met name aan de vertegenwoordigende koepelorganisaties om ten aanzien van die, zeker aanwezige, incentive zo sturend mogelijk om te gaan, bijvoorbeeld door te werken met een collectief visplan voor een specifiek Natura 2000-gebied. Op die wijze kan geborgd worden dat met name vissers die geen uitwijkmogelijkheid naar elders hebben, voldoende ruimte houden om hun visserij uit te kunnen oefenen.
Wanneer in een lopend jaar er in de eerste maanden fors gevist wordt door vissers dan zal de monitoring hierop dit ook tijdig signaleren. Het is dan aan de vertegenwoordigde koepelorganisaties om hun handelingsopties te benoemen en daarin een keuze te maken. Wanneer er actie vanuit die zijde achterwege blijft, zal handhavend opgetreden worden zodra het maximale aantal vergunde visuren met 10% overschreden wordt. Concreet betekent dit dat er in de betreffende Natura 2000-gebieden niet meer gevist mag worden tot en met 31 december van dat specifieke jaar.
Hoe zal de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) deze in de ogen van individuele vissers niet uitvoerbare regel ten opzichte van die individuele vissers gaan handhaven?
Ik verwijs hier mede naar mijn antwoord op vraag 11: ingeval van overschrijdingen zal de werking van de vergunning voor het betreffende Natura 2000-gebied opgeschort worden: elke opvolgende garnalenvisserij zal dan met het passend wettelijk handhavend instrumentarium worden geadresseerd.
De garnalensector zelf heeft de keuze gemaakt voor een collectieve vergunningaanvraag en daarmee ook om als collectief van vissers gehandhaafd te worden op de vergunde visuren. Het is aan de sector om hierin eventueel een andere afweging te maken en individuele garnalenvissers elk een individuele vergunning op grond van de Wnb te laten aanvragen.
Het Openbaar Vervoer |
|
Lisa Westerveld (GL), Wim-Jan Renkema (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het openbaar vervoer (OV) een publieke dienst is en dat we moeten zorgen dat deze voor mensen zoveel mogelijk bereikbaar blijft?
Ik vind het belangrijk dat iedereen die is aangewezen op het openbaar vervoer daar gebruik van kan maken. Daarom zet ik samen met de sector alles op alles om er voor te zorgen dat juist de mensen die aangewezen zijn op het OV ook onder de huidige omstandigheden op een veilige en verantwoorde manier met het OV kunnen reizen.
Deelt u de mening dat de term «pretreiziger» geen recht doet aan al die mensen die er voor kiezen om van het OV gebruik te maken, omdat ze geen auto hebben en/of omdat ze bewust kiezen voor de milieuvriendelijkste vorm van vervoer?
Zoals u weet ben ik groot liefhebber en voorstander van het reizen met het openbaar vervoer. Door de COVID-19 maatregelen was de capaciteit in het OV in de periode vóór 1 juni helaas zeer beperkt. Sinds 1 juni rijdt de NS met een maximale inzet van materieel en personeel en een zo normaal mogelijke dienstregeling. Samen met de alle partijen in de OV-sector doe ik er alles aan om het OV beschikbaar te houden voor de mensen die hier op aangewezen zijn.
Is bij het vaststellen van het OV-protocol vooral gekeken naar de belangen van de OV-bedrijven, forenzen en werkgevers of naar de belangen van iedereen in het OV?
Het protocol is een gezamenlijk document dat door alle vervoerders, concessie-verlenende overheden, ProRail, in aanwezigheid van reizigersorganisatie Rover en de vakbonden, in het Nationaal OV Beraad (NOVB) is vastgesteld. Het protocol maakt stapsgewijs meer mobiliteit weer mogelijk, waarbij veiligheid en gezondheid van het OV-personeel en de reiziger voorop staat. Alle belangen zijn hierbij meegewogen.
Zijn behalve werkgevers, vakbonden en reizigersorganisaties ook vertegenwoordigers van studenten en mensen met een beperking betrokken bij het maken van de afspraken over het OV? En zijn de studentenbonden betrokken bij de afspraken over collegetijden?
Vanaf 1 juni rijdt NS met een maximale inzet van materieel en personeel een zo normaal mogelijke dienstregeling en is ook de NS reisassistentie weer volledig beschikbaar. Daarmee kunnen alle reizigers met een auditieve, visuele en motorische beperking weer gebruik maken van de gebruikelijke NS reisassistentie, dus ook reizigers met een hand bewogen rolstoel die op de brug of op de plank een duwtje nodig hebben om in de trein te komen.
Hoe toegankelijkheid verder wordt gewaarborgd voor deze groep is onderwerp van gesprek in de werkgroep OV-protocol. In samenspraak met belangenbehartigers van mensen met een beperking bekijkt die werkgroep welke impact het protocol heeft op het reizen van mensen met een beperking in het OV en of eventueel aanvullende maatregelen nodig zijn om de toegankelijkheid van het OV op peil te houden. Mijn inzet hierbij is dat wordt uitgegaan van gelijkwaardigheid in de uitvoering van de maatregelen van het OV-protocol en dat het voorzieningenniveau voor mensen met een beperking zo veel mogelijk terug gaat naar het niveau van voor de crisis. Hoe dit uitgewerkt wordt, zal ik aan uw Kamer laten weten in de brief die ik heb toegezegd bij het notaoverleg openbaar vervoer, infrastructuur en corona van 28 mei jongstleden.
Wordt de spreiding van studenten in het OV bereikt middels gespreide aanvangstijden van onderwijsinstellingen of met beperkingen van de OV-studentenkaart?
De spreiding wordt bereikt door middel van gespreide aanvangs- en eindtijden van de onderwijsactiviteiten. Verder blijft ook voor studenten de algemene oproep om zo veel mogelijk te lopen of gebruik te maken van de fiets en drukte te vermijden.
Hoe ziet de begeleiding eruit van reizigers met een beperking? Krijgen zij dezelfde extra service als gebruikelijk? Hoe verhouden afstandsregels zich tot deze mensen? Mogen hulpmiddelen zoals rolstoelen, looprekjes, aangepaste fietsen enzovoort wel mee?
Omwille van de veiligheid van medewerkers in het OV waren tijdelijk maatregelen nodig waardoor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van het OV werden beperkt. In het OV-protocol dat ik op 14 mei heb vastgesteld1, is opgenomen dat dit protocol voor iedere reiziger van toepassing is, dus ook de reiziger met een beperking. Voor deze laatste doelgroep wordt in overleg met vervoerders en belangenbehartigers van mensen met een beperking goed vinger aan de pols gehouden en waar nodig zullen aanvullende maatregelen worden genomen om de toegankelijkheid van het OV te borgen.
NS Reisassistentie is per 1 juni weer volledig beschikbaar, dus ook als dit betekent dat iemand met een hulpmiddel hulp nodig heeft om in of uit de trein te komen. Voor vervoer door NS geldt voorts dat alle hulpmiddelen voor mensen met een beperking die voorheen mee mochten in de treinen van NS ook nu mee mogen in de NS-treinen. Ook fietsen die door mensen met een beperking worden gebruikt als hulpmiddel mogen nog steeds mee in de treinen van NS.
Als er, om in- en uitstappen te versimpelen, geen fietsen meer mee mogen in de trein, kan dan de OV-fiets standaard worden toegevoegd als reisproduct voor alle OV-chipkaart-houders? Is het mogelijk om af te spreken dat OV-fietsen tijdelijk ook op een ander station mogen worden ingeleverd?
Het huren van een OV-fiets kan altijd door iedereen op de persoonlijke OV-chipkaart worden toegevoegd (middels eenmalige registratie op het persoonlijke OV-chip account). Mensen kunnen op bijna 300 locaties maximaal twee fietsen huren per account. Het inleveren van fietsen bij een ander station dan waar die fiets is gehuurd is mogelijk, maar hier zijn wel kosten aan verbonden (€ 10 per keer). Aan het terugbrengen van fietsen naar hun oorspronkelijke locatie zijn namelijk ook voor NS kosten verbonden, is logistiek complex en vraagt capaciteit. De inzet is er momenteel op gericht om alle fietsenstallingen weer te openen, inclusief de servicepunten. Met de vervoerders is afgesproken om lopende de maand juni te evalueren, en te kijken of en wanneer het weer mogelijk zou kunnen worden om de fiets in de trein mee te nemen.
Is er gekeken naar de inzet van touringcars en andere vervoersmiddelen om het reguliere OV te ontlasten? Welke andere manieren ziet u om de capaciteit in het OV te vergroten?
In samenwerking tussen vervoerders, ProRail, concessieverleners, reizigersorganisaties en vakbonden is het OV protocol opgesteld om maatregelen in de OV sector vast te leggen. Hierin is afgesproken dat vervoerders met de maximale inzet van materieel en personeel streven naar een zo normaal mogelijke dienstregeling per 1 juni. Met maatwerkoplossingen zorgen vervoerders ervoor dat vraag en capaciteit maximaal op elkaar aansluiten. Indien nodig maken vervoerders hier ook gebruik van de inzet van andere touringcars om de capaciteit te vergroten.
Welke maatregelen wilt u nemen om het gebruik van de (elektrische) fiets te stimuleren om het OV te ontlasten?
De belangrijkste maatregel om het OV te ontlasten is het inzetten op spreiding. Door goed te spreiden wordt piekdrukte voorkomen en kunnen er door de dag heen meer mensen op een veilige manier van het OV gebruik maken.
Ten aanzien van de (elektrische) fiets zet ik het huidige fietsbeleid voort, gericht op meer mensen op de fiets naar het werk. Daarnaast maak ik afspraken met onderwijsinstellingen om het OV te ontlasten. Ik heb dit al gedaan voor de onderwijssectoren die (nu en binnenkort) open zijn: leerlingen komen zoveel mogelijk te voet of op de fiets naar school. Met VNO-NCW en MKB-Nederland ben ik in gesprek over spreiden van drukte op (lokale) wegen naar diverse bestemmingen zoals horeca. Fietsstimulering maakt onderdeel uit van deze gesprekken. In communicatie-uitingen vanuit het Rijk wordt zoveel mogelijk gestuurd op lopen en fietsen.
Klopt het, dat op dit moment mensen met een beperking maar zeer beperkt ondersteuning krijgen via Reisassistentie? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Op welke manier wordt de toegankelijkheid van het OV voor mensen met een beperking gewaarborgd? Wanneer komen er aanvullende afspraken binnen het OV protocol zodat het openbaar vervoer voor iedereen toegankelijk blijft?
Zie antwoord vraag 4.
De ramp die biomassa heet |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De ecologische ramp achter biomassa – Hoe in Estland de biodiversiteit wordt geofferd op het altaar van ons klimaatbeleid»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er ten behoeve van uw eigen klimaatwaanzin in onder andere Estland bossen compleet worden kaalgekapt om vervolgens in Nederlandse biomassacentrales te verbranden? Doet het u wat of vindt u het allemaal wel prima?
Ik herken het beeld niet dat hele bossen gekapt worden voor de productie van houtpellets die in Nederland worden gebruikt. Alle houtpellets die in Nederland met subsidie worden gebruikt, moeten voldoen aan strenge duurzaamheidscriteria. Bedrijven worden gecontroleerd of zij de duurzaamheidscriteria ook naleven. Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat er in Nederland biomassa met subsidie gebruikt wordt die niet aan de duurzaamheidscriteria voldoet.
Wanneer gaat u – samen met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat onlangs nog een wegkijkend rapport over biomassa publiceerde – naar bijvoorbeeld Estland om daar te aanschouwen welke vernietigende gevolgen uw klimaathysterie heeft?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het doel van klimaatbeleid, waaronder biomassa, nog altijd CO2-reductie is? Hoe kunt u dan fanatiek voorstander van biomassa zijn, waarbij netto méér CO2 uit de schoorsteen komt dan bij kolen en gas?2 Deelt u de conclusie dat uw klimaatbeleid van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt?
Biomassa kan klimaatneutraal zijn als concept van een kringloop waar in de groeifase CO2 uit de lucht wordt opgenomen, waarna diezelfde hoeveelheid CO2 weer vrijkomt bij de energieopwekking. Het uitgangspunt van het kabinet is dat alleen duurzame biomassa werkelijk bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering.
Hoe kunt u, met uw volle verstand, het vernietigen en verbranden van bossen «duurzaam» en «klimaatneutraal» noemen? Deelt u de conclusie dat biomassa en de rest van de klimaatgekte één grote rampzalige, geldverslindende farce is?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kunt u het in ’s hemelsnaam een goed idee vinden om de komende jaren maar liefst 14 miljard euro aan subsidies beschikbaar te stellen voor de waanzin die biomassa heet? Deelt u de conclusie dat deze klimaatsubsidies de «houtkoorts» juist hebben aangewakkerd?
Nee, ik deel deze conclusie niet. De subsidies zorgen er juist voor dat houtstromen die voorheen achterbleven in het bos, en bij verrotting tot CO2-uitstoot leidden, nu nuttig benut worden.
Hoe kan het dat het kabinet enerzijds, vanwege een niet-bestaand stikstofprobleem, miljarden beschikbaar stelt voor «natuurherstel en -behoud», terwijl datzelfde kabinet elders ter wereld met vele miljarden bossen compleet laat kaalkappen omdat dat goed zou zijn voor het klimaat?
Het is van groot belang dat er in Nederland en wereldwijd meer bos kan groeien. Dat is nodig voor de biodiversiteit, natuurbehoud en het tegengaan van klimaatverandering. Dat kan samengaan met het gebruik van houtige biomassa voor energietoepassingen en de circulaire economie, zolang er sprake is van duurzame biomassa en ingezet wordt op zo beperkt en hoogwaardig mogelijk gebruik. Daar richt het kabinet zich op.
Deelt u de mening dat de klimaatellende met de dag weerzinwekkender en geldverslindender wordt? Bent u ertoe bereid onmiddellijk volledig te stoppen met biomassa en elke andere vorm van klimaatbeleid en hier geen cent meer aan uit te geven?
Nee, ik deel deze mening niet en ik ben hier niet toe bereid.
De aankoop van vijf miljoen afgekeurde mondkapjes |
|
Lilian Marijnissen (SP), Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «ruim vijf miljoen door overheid aangekochte mondkapjes afgekeurd»?1
Op dit moment staan de fabrieken, ook de betrouwbare partners, onder flinke druk om met stoom en kokend water de medische mondmaskers te produceren voor de gehele wereldmarkt, en kunnen daardoor in enkele gevallen niet voldoen aan de door ons gestelde (en afgesproken) kwaliteitseisen. Gezien de extreem gestegen mondiale vraag en zeer verhoogde productie om in deze vraag te kunnen voorzien, is dit een gegeven waar de komende tijd rekening mee wordt gehouden door het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH).
Ondanks de kwaliteitschecks die het LCH al voorafgaand aan de aankoop van medische mondmaskers doet, komt het voor dat leveringen van medische mondmaskers bij de laatste kwaliteitscontrole (door het RIVM), bij aankomst in Nederland, niet aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. Het LCH levert deze maskers dan ook niet uit aan de zorg. Ik vind het namelijk van groot belang om onze hulpverleners de juiste materialen en daarmee de juiste bescherming te bieden. Belangrijk daarbij op te merken is dat het LCH momenteel voldoende goedgekeurde medische mondmaskers beschikbaar heeft om in de huidige vraag van de zorg te voorzien.
Kunt u het aantal van vijf miljoen afgekeurde maskers uitsplitsen naar type maskers? Gaat het bij de afgekeurde maskers om FFP-mondmaskers of juist om chirurgische maskers? Hoe ligt deze verhouding financieel en procentueel per productcategorie mondmasker ten opzichte van het totaal aantal geleverde stuks in Vianen?
De betreffende vijf miljoen afgekeurde mondmaskers betreft vooral, maar niet uitsluitend, FFP2/KN95-mondmaskers en een kleiner deel chirurgische mondmaskers (brondata van 12 mei jl.). Aangezien de verhouding financieel en procentueel per productcategorie dagelijks bij nieuwe aanvoer wijzigt, kan ik u geen verhoudingen hierover geven.
Wat zijn de financiële gevolgen van de aankoop van deze voor de zorg ongeschikte maskers? Welk deel van de kosten is vooralsnog niet verhaalbaar op de leveranciers? Hoe hoog is het financiële risico voor uw ministerie?
Het LCH betaalt, in de regel, vooraf een gedeelte van de koopsom aan, maar voor een deel van de aankopen is vooraf geen financiële verplichting aangegaan. Bij de bestellingen, waarvan een gedeelte is aanbetaald, hangt de definitieve betaling af van of de geleverde beschermingsmiddelen voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Indien de geleverde beschermingsmiddelen worden afgekeurd, wordt de restsom niet betaald, of, wanneer vooraf geen financiële verplichting is aangegaan, in zijn geheel niet betaald. Mocht blijken dat een eerste levering niet voldoet, dan kunnen daarnaast de vervolgleveringen worden gestopt.
Door het LCH worden algemene inkoopvoorwaarden gehanteerd. In deze voorwaarden staat dat materialen moeten voldoen aan de juiste specificaties. Als dat bij levering niet het geval blijkt, kan en zal in de meeste gevallen een beroep worden gedaan op deze voorwaarden en een creditnota worden gevraagd. Of dat in alle gevallen succesvol is, moet nog blijken (en kan lang duren). Het is dan ook niet mogelijk om daar nu een indicatie van te geven.
Er is door het LCH geen «recall»-verzekering afgesloten. Dit soort verzekeringen gaan over het terughalen van producten bij de eindgebruiker. Doordat is gekozen om de producten op verschillende momenten te controleren op kwaliteit, voordat deze worden uitgeleverd aan de zorg, is een dergelijke verzekering niet doelmatig. Met deze handelwijze wordt namelijk zo goed mogelijk voorkomen dat producten weer moeten worden teruggehaald uit de zorg na uitlevering door het LCH.
Aangezien er nog steeds bestellingen door het LCH worden gedaan en beschermingsmiddelen binnenkomen, valt op dit moment over het financiële risico dat het ministerie loopt nog niets te zeggen.
Heeft het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH) gebruik gemaakt van «recall»-verzekeringen om de risico’s op de aankoop van producten die niet aan de kwaliteitsnormen voldoen te kunnen terugzenden? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
In welke mate zijn aangekochte maskers in China onderzocht op kwaliteit? Is overwogen om hiervoor testapparatuur in China te plaatsen zodat producten op kwaliteit getest konden worden voordat ze naar Nederland kwamen?
De producten die het LCH uitlevert, worden op drie momenten gecontroleerd op kwaliteit:
Voorafgaand aan aankoop zijn de certificaten van het product opgevraagd. Als de certificaten niet in orde zijn, wordt niet aangekocht.
In de fabrieken in Azië wordt de kwaliteit via een visuele inspectie van de producten beoordeeld.
Bij binnenkomst in Nederland wordt de kwaliteit van het product beoordeeld door een onafhankelijk kwaliteitsteam van het RIVM in een zogenaamde teststraat.
Daarmee doet het LCH er alles aan om de zorg van goede beschermingsmiddelen te voorzien. Regelmatig wordt de wijze van kwaliteitscontrole tegen het licht gehouden, waarbij ook wordt gekeken naar de mogelijkheden van aanvullende kwaliteitsmeting in het land van aankoop.
Wat gaat met de vijf miljoen maskers gebeuren die afgekeurd zijn voor de zorg? Zijn deze vernietigd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een deel van de afgekeurde maskers is teruggestuurd aan de leveranciers. Voor de gedeeltelijk afgekeurde maskers wordt gekeken of deze nog op andere plekken in de zorg bruikbaar zijn. Doordat op het masker zelf een beschermingsniveau vermeld staat waar het masker na controle niet aan blijkt te voldoen, is het van belang dat zorgvuldig wordt gekeken onder welke voorwaarden en voor welke handelingen gebruik wel mogelijk kan zijn. Als deze maskers bij gebruikers komen die niet weten dat het om afgekeurde maskers gaat kan dit verwarring opleveren. Momenteel wordt onderzocht of en zo ja waar de afgekeurde maskers (elders) kunnen worden gebruikt; op dit moment zijn deze maskers daardoor nog niet uitgeleverd.
Zijn de 3,9 miljoen gedeeltelijk afgekeurde maskers – die nog op voorraad zijn en die niet bruikbaar zijn voor de zorg op afdelingen met coronapatiënten – elders nog wel bruikbaar? Bieden deze afgekeurde maskers – daar waar het FFP-maskers betreft – alsnog meer bescherming dan een chirurgisch mondmasker?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus op woensdag 20 mei?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat studenten drie maanden collegegeld terugkrijgen bij vertraging afstuderen |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Welke reden ziet u om aan te nemen dat studenten die niet in het jaar van afstuderen zitten en studievertraging oplopen dit nog kunnen inhalen? Zijn hierover afspraken gemaakt met de instellingen in het hoger onderwijs? Op welke wijze gaan instellingen in het hoger onderwijs hiervoor gecompenseerd worden?1
Alle onderwijsinstellingen in het mbo en ho werken hard aan het voorkomen van studievertraging voor studenten. Studenten die niet in het laatste jaar van hun studie zitten kunnen tijdens hun studie nog eventuele vakken inhalen. Instellingen spannen zich in om ervoor te zorgen dat studenten zo weinig mogelijk achterstand oplopen of deze tijdens de studie kunnen inlopen. Laatstejaars studenten met vertraging kunnen dat niet omdat zij in het laatste jaar zitten. In het hoger onderwijs loopt het meeste onderwijs gewoon (digitaal) door. Zowel de student als de instelling heeft baat bij zo min mogelijk studievertraging. Toch zal dit voor sommige studenten niet geheel te voorkomen zijn en geldt voor hen dat zij hun studievertraging op een later moment dienen in te halen. Voor hen geldt dat de oplossing meer ligt in het bieden van meer tijd om die studievertraging binnen een redelijke termijn in te halen. Hier zijn in het kader van het servicedocument ho afspraken over gemaakt. Zo geven instellingen eerstejaarsstudenten die door de coronamaatregelen studievertraging oplopen en als gevolg daarvan de norm van het bindend studieadvies (bsa) in het studiejaar 2019–2020 niet halen, de mogelijkheid de bsa-norm te halen in het volgende studiejaar. Ook kunnen studenten in het hoger onderwijs erop rekenen dat coulance wordt betracht wanneer zij door corona niet binnen de diplomatermijn kunnen afstuderen. Normaliter wordt de hele prestatiebeursschuld omgezet in een lening (alle ontvangen basisbeurs, aanvullende beurs en de reisvoorziening) als een student niet binnen 10 jaar na aanvang van de studiefinanciering afstudeert. Dit is opgelost door de diplomatermijn ter verlengen met coulance/hardheidsclausule. Voor studenten die de overstap willen maken van het hbo naar het wo, of van bachelor naar master, maar door het COVID-19 virus niet op tijd aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen kunnen voldoen, zijn ook afspraken gemaakt met instellingen. Deze studenten kunnen doorstromen naar de vervolgopleiding onder de voorwaarde dat zij binnen een redelijke termijn alsnog voldoen aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen. Onderwijsinstellingen worden voor deze inspanningen niet gecompenseerd.
Waarom is in dit steunpakket geen compensatie opgenomen voor de instellingen in het hoger onderwijs?
In het compensatiepakket zoals beschreven in de brief van 15 mei jl. is een subsidieregeling aangekondigd voor het inhalen van onderwijsachterstanden voor groepen kwetsbare kinderen en studenten. Doordat de coronacrisis kan leiden tot verergering van de kansenongelijkheid en daarmee tot verlies aan menselijk kapitaal, heeft het kabinet extra aandacht voor deze kwetsbare groepen. Omdat deze groepen meer voorkomen in het po, vo en mbo is ervoor gekozen om het compensatiepakket daarop te richten.
Deelt u de mening dat het juist dankzij een geweldige inspanning van de docenten in het hoger onderwijs is, dat er nog zoveel onderwijs doorgang kan vinden? Kunt u dit toelichten?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat juist door inspanning van alle leraren en docenten het onderwijs zo veel mogelijk doorgang kan vinden. Ook voor het hoger onderwijs is dat zeker waar. In alle sectoren gaat het onderwijs zo veel mogelijk digitaal door. Ik waardeer de inzet van al die leraren en docenten dan ook zeer.
Bent u zich ervan bewust dat deze omslag naar digitale onderwijsvormen ook kosten met zich meebrengt? Zo ja, hoe worden deze gecompenseerd?
Het is logisch dat er kosten zullen zijn voor digitale onderwijsvormen. Dat neemt niet weg dat deze omslag in het hoger onderwijs voor een deel al was voorzien. De investeringen hierin zouden waarschijnlijk later in de toekomst zijn gedaan en zijn nu naar voren gehaald. Dat betekent dat dit jaar een deel van de (bestemmings)reserves kan worden ingezet dat anders later werd ingezet. Tevens staan tegenover dit soort meerkosten ook minderkosten voor instellingen door minder gebruik van gebouwen.
Op welke manier worden instellingen vergoed voor de extra kosten die zij maken om de studievertraging, waarvoor studenten nu terecht gecompenseerd worden, met extra onderwijsinspanningen in te lopen?
Zie eerdere antwoorden op vraag 1, 2 en 4.
Op welke manier wordt er publieke verantwoordelijkheid genomen voor de vertraging die onderzoekers oplopen? Deelt u de mening dat hun positie als gevolg van de coronacrisis benard is en dat dit ook overheidssteun rechtvaardigt?
Ik ben me er van bewust dat de huidige situatie veel vraagt van wetenschappers. Ik neem deze signalen dan ook zeer serieus. Samen met de publieke kennispartners (NWO, KNAW, VSNU, VH en NFU) houdt OCW de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Doel is om geen onderzoekers tussen wal en schip te laten vallen. Er worden door de samenwerkende publieke kennispartners verschillende stappen gezet om onderzoeksvertraging waar mogelijk op te vangen of beoordeling aan te passen, ook in het licht van het nieuwe erkennen en waarderen. Daarnaast is NWO begonnen met het openbaar maken van calls die in de toekomst gepubliceerd worden. Dit geeft onderzoekers meer tijd om aanvragen voor te bereiden en hun planning daarop aan te passen. Nieuwe sluitingsdata van gepauzeerde calls worden ruim van tevoren gepubliceerd. Ook wordt gekeken of er mogelijkheden zijn om onderzoekers verlenging te bieden indien ze die nodig hebben om hun onderzoek af te ronden.
We kijken daarnaast naar mogelijkheden om het onderzoekswerk te hervatten binnen de kaders van de coronamaatregelen. Ik verwijs u daarvoor graag naar het servicedocument dat wij regelmatig uitbrengen en het protocol «Herstart Universiteiten». Alle bovenstaande maatregelen zijn er op gericht om onderzoekers zo veel mogelijk te ondersteunen in deze bijzondere omstandigheden.
Daarnaast investeert het kabinet in totaal € 47,5 miljoen – via de ministeries van VWS, OCW en EZK en wetenschapsfinanciers ZonMw en NWO en de topsector LSH – in coronagerelateerd onderzoek. Tot slot span ik mij in Europa in om binnen de financiële middelen van Horizon 2020 de continuïteit voor onderzoeksprojecten te borgen. Dat betreft een case by case benadering, geen generieke maatregelen.
Welke financiële consequenties heeft de meer kleinschalige inrichting, zoals die de komende tijd te verwachten is als gevolg van de coronamaatregelen, op de instellingen in het hoger onderwijs? Bent u bereid deze consequenties op te vangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat de anderhalvemetersamenleving consequenties zal hebben. Welke financiële impact dat heeft is niet bekend. Deze kosten hangen ook af van hoelang de crisis duurt en wanneer de coronamaatregelen versoepeld kunnen worden. Voor het hoger onderwijs zijn op dit moment de Vereniging Hogescholen en VSNU nog bezig met een inventarisatie van de kosten voor de korte en middellange termijn. Dit kan inzichtelijk maken tegen welke kosten instellingen aanlopen. Hogescholen en universiteiten zijn grotendeels publiek bekostigde instellingen. Er zijn op dit moment geen acute liquiditeitsproblemen.
De uitwerking van de digitale ondersteuning van bron- en contactonderzoek. |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de organisatie Bits of Freedom heeft bedankt voor deelname aan de begeleidingscommissie die de overheid gaat adviseren bij het uitwerken van corona-apps?1
Ja. Overigens had ik niet Bits of Freedom zelf maar de coalitie «Veilig tegen Corona» gepolst of ze bereid waren deel te nemen.
Wat is uw reactie op de kritiek van Bits of Freedom dat fundamentele vragen over de doelstelling nog onbeantwoord zijn?
In mijn brief van 20 mei 2020 heb ik aangegeven dat het Programma van Eisen van de GGD aan mij is aangeboden en door mij gepubliceerd.
Wat is uw reactie op de kritiek van Bits of Freedom dat het kabinet weinig heeft gedaan met de punten die werden aangedragen door het initiatief «Veilig tegen Corona»?
In mijn brief van 15 april 2020 heb ik reeds aangegeven dat er uitgangspunten zijn die niet ter discussie staan en die ondermeer door de coalitie «veiligtegencorona.nl» en een grote coalitie van wetenschappers zijn ingebracht. Deze uitgangspunten zijn gedurende de gehele ontwikkeling van CoronaMelder blijven staan.
Klopt het dat het door de GGD opgestelde programma van eisen voor digitale ondersteuning niet openbaar is? Wanneer heeft de GGD dat programma van eisen afgerond? Bent u bereid om dit programma van eisen met de Kamer te delen?
Nee, dit klopt niet. Het programma is op 19 mei 2020 aan mij aangeboden en op die dag door mij gepubliceerd.
Klopt het dat het kabinet al had besloten om in te zetten op een corona-app die gebruik zal maken van bluetooth- technologie? Op basis waarvan is dat besluit genomen? Hoe verhoudt dit besluit zich tot de twijfels over de geschiktheid van bluetooth-technologie die zijn geuit door verschillende experts tijdens het rondetafelgesprek Corona-app van 22 april jl. in de Tweede Kamer?2
Nee, dit klopt niet. De verwachting is dat anonieme digitale contactopsporing kan bijdragen aan het bestrijden van Covid19. Hiervoor moet eerdere nabijheid kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een besmet persoon. Bepalend hierbij is niet of de precieze afstand kan worden gemeten, maar of nabijheid voldoende kan worden vastgesteld om epidemiologisch van waarde te zijn. Na onderzoek is gebleken dat het Apple en Google framework – dat is gebaseerd op Bluetooth – hiervoor geschikt is. Zie ook mijn brief van 17 augustus 2020.
Zijn andere alternatieven voor digitale ondersteuning van contactonderzoek, zoals het gebruik van tokens met UltraWideBand technologie, of apps die zijn gebaseerd op het scannen van QR-codes, onderzocht? Zo ja, wat was de uitkomst van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om alternatieven voor een app op bluetooth-basis alsnog nadrukkelijk te onderzoeken?
In eerste instantie is gekeken naar bluetooth-technologie vanuit de aansluiting op het Apple en Google framework (zie hierboven bij antwoord 5). Dit framework bleek goed aan te passen op de wensen en eisen ten aan zien van de app.
Op welke wijze is de groep van zes externe experts samengesteld die de overheid helpt bij de daadwerkelijke ontwikkeling van de corona-app? Deelt u de mening van Bits of Freedom dat deze groep weinig divers is?
Per fase is bekeken welke expertise nodig is in de ontwikkeling. Deze expertise is ingevuld met kennis van binnen en buiten de overheid waarbij is gekeken naar de «best and brightest» die tijdens de appathon al meekeken en middels de open source community reeds een bijdrage leverden. De groep experts is gedurende het traject in diversiteit van expertise verder toegenomen en ook weer afgebouwd als de specifieke expertise niet meer nodig was. Op het hoogtepunt van de ontwikkeling telde het bouwteam circa 50 leden.
Op welke wijze wordt de begeleidingscommissie samengesteld? Hoe groot zal de commissie worden en welke disciplines zullen erin vertegenwoordigd zijn?
Zie mijn brief van 20 mei 2020.