De invoer van een lading visolie afkomstig uit West-Sahara |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat op of omstreeks 5 maart 2020 een tankerschip met de naam Oramalia in de haven van Rotterdam is aangekomen met een lading visolie, die volgens de papieren afkomstig is uit Laayoune in Marokko?
Op 6 maart 2020 is een tankerschip met de naam Oromalia in de haven van Rotterdam aangekomen. Vervolgens is het tankerschip Oromalia op 7 maart 2020 doorgevaren naar de haven van Amsterdam. De Douane kan vanwege haar geheimhoudingsplicht op basis van EU-douanewetgeving geen informatie verstrekken over de aangiften die zijn ingediend voor de lading op het desbetreffende schip (zie artikel 12 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie).
Klopt het dat de betreffende lading visolie in werkelijkheid afkomstig is uit Al Ajoen, de hoofdstad van West-Sahara? Indien u hier geen kennis van heeft, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is de betreffende lading van het tankerschip door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gecontroleerd? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, waarom is dit niet gebeurd, gelet op de taak van de NVWA om toe te zien op de juiste documentatie van het herkomstland?
Onrechtmatige economische activiteiten zijn uiteraard niet goed. Economische activiteiten in de Westelijke Sahara zijn echter niet per definitie onrechtmatig. Om die reden heeft het kabinet steun verleend aan de uitbreiding van de geografische reikwijdte van de handelsafspraken met Marokko in overeenstemming met internationaalrechtelijke randvoorwaarden en op voorwaarde dat relevante uitspraken van het EU-Hof worden geëerbiedigd. Zie ook de beantwoording van Kamervragen van het lid Diks over dit onderwerp d.d. 17 september 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 3217).
De NVWA maakt bij importcontrole gebruik van een door de Europese Commissie vastgestelde lijst van bedrijven die erkend zijn voor export van visserijproducten naar de EU. Deze lijst is gepubliceerd op de website van DG SANTE en bevat ook bedrijven in de Westelijke Sahara.1 Voor de NVWA is deze lijst leidend bij importcontrole. Wanneer uit de controle blijkt dat zendingen met visolie voldoen aan de EU-regelgeving die van toepassing is en de visolie geproduceerd is door bedrijven op de EU-lijst, worden deze toegelaten tot de EU.
Is er visolie afgeladen van het betreffende tankerschip in Nederland? Zo ja, welke herkomst is voor de lading geregistreerd? Wie is de afnemer en wat is de eindbestemming?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat in Europese regels is vastgelegd dat visolie voor menselijke consumptie voor de Europese markt alleen mag worden geproduceerd in een land dat op een goedgekeurde lijst staat, en dat West-Sahara ontbreekt op deze lijst? Maakt dit de invoer van visolie uit West-Sahara onwettig?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat, mede gelet op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie d.d. 21 december 2016 (C-104/16 P), anders omgegaan moet worden omgegaan met de invoer van producten uit Marokko en producten uit West-Sahara? Zo nee, kunt u beargumenteren waarom niet?
Op 21 december 2016 heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat het Associatieakkoord tussen de EU en Marokko en bijbehorende protocollen (import, oorsprongsregels) niet van toepassing zijn op de Westelijke Sahara (Zaak C-104/16 P). Dit had tot gevolg dat producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara niet meer onder verlaagde invoerrechten of nulrechten zoals afgesproken in het Associatieakkoord mochten worden geïmporteerd in de EU. In plaats daarvan vielen deze producten onder het algemene markttoegangsschema van de EU binnen de Wereldhandelsorganisatie.
Naar aanleiding van de Hofuitspraak hebben de Europese Commissie en Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) op basis van een door de Raad vastgesteld onderhandelingsmandaat met Marokko onderhandeld over uitbreiding van de geografische reikwijdte van de protocollen bij het Associatieakkoord tot de Westelijke Sahara.
De Europese Commissie en EDEO hebben zich daarbij ingezet om een brede groep vertegenwoordigers en belangenorganisaties, inclusief vertegenwoordigers van het Polisario Front, zo goed mogelijk te betrekken. Het overgrote deel van de geconsulteerde partijen heeft zijn visie gedeeld met de Europese Commissie. Enkele groepen, zoals de Sahrawi Association of Victims of Human Rights Violations, hebben daarvan afgezien. De uitkomsten van de consultaties zijn door de Europese Commissie verwerkt in een verslag.2 Het kabinet steunt de Commissie in de brede consultatie waarin meerdere partijen zijn gehoord en is van mening dat de Commissie en EDEO alle redelijke en haalbare stappen hebben ondernomen om de bevolking van de Westelijke Sahara adequaat te betrekken. De instemming van Polisario Front is daarbij niet doorslaggevend.
Uitbreiding van de geografische reikwijdte is op 19 juli 2019 in werking getreden nadat beide partijen hun goedkeuringsprocedures hadden doorlopen. Sindsdien kunnen producten van oorsprong uit de Westelijke Sahara weer onder dezelfde verlaagde invoerrechten of nulrechten worden geïmporteerd in de EU.
Uw Kamer is geïnformeerd over de inzet van de Europese Commissie en EDEO in dit kader en de Nederlandse positie ten aanzien van uitbreiding van de geografische reikwijdte van de protocollen via de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken van 16 juli 2018 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1895), in antwoorden van het kabinet op het schriftelijk overleg Raad Buitenlandse Zaken van 16 juli 2018 (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1896) en in de beantwoording van Kamervragen van het lid Diks over dit onderwerp d.d. 17 september 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 3217).
Welke stappen hebben de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) sinds de in vraag 6 genoemde uitspraak van het Europese Hof van Justitie ondernomen om overeenstemming te bereiken met het Front Polisario over de toepassing van handelsafspraken tussen de Europese Unie en Marokko in West-Sahara?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat een nieuwe uitspraak wordt verwacht van het Europese Hof van Justitie over West-Sahara, in het bijzonder over de naleving van haar eerdere uitspraak in 2016? Zo ja, wanneer wordt deze uitspraak precies verwacht? Kunt u de Kamer informeren over de consequenties van de uitspraak zodra deze er ligt?
Er zijn momenteel drie zaken bij het Gerecht van de Europese Unie aanhangig (T-279/19, T-344/19 en T356/19) waarin Front Polisario verzoekt om nietigverklaring van respectievelijk: 1) Besluit (EU) 2019/217 van de Raad van 28 januari 2019 betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en het Koninkrijk Marokko anderzijds; 2) Besluit (EU) 2019/441 van de Raad van 4 maart 2019 betreffende de sluiting van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij de overeenkomst; en 3) Verordening (EU) 2019/440 van de Raad van 29 november 2018 betreffende de verdeling van de vangstmogelijkheden in het kader van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko en het bijbehorende uitvoeringsprotocol.
Het is nog niet bekend wanneer het Gerecht uitspraak in deze zaken zal doen.
Kunt u instaan voor de betrouwbaarheid van de handelscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) tussen Nederland en West-Sahara? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dit kunt? Zo nee, hoe apprecieert u dit?
Het CBS baseert zich voor de in- en uitvoerstromen met landen en gebieden buiten de Europese Unie op beschikbare informatie uit gegevens van de Douane. Deze zijn ontleend aan de douaneaangiftes van bedrijven. Het valt niet te garanderen dat hiermee de handel tussen Nederland en de Westelijke Sahara volledig in kaart wordt gebracht.
Het kabinet hecht dan ook waarde aan de afspraken die de Europese Commissie en Marokko hebben gemaakt in het kader van uitbreiding van de geografische reikwijdte van de protocollen bij het Associatieakkoord tot de Westelijke Sahara over jaarlijkse informatie-uitwisseling via het associatiecomité.3 Dit om een beter beeld te krijgen van de economische ontwikkeling in de Westelijke Sahara en uitvoer van de Westelijke Sahara naar de EU. Deze informatie wordt gebruikt om het rapport van de Europese Commissie en EDEO over de economische ontwikkeling in het gebied te actualiseren.
Wordt de herkomst van producten uit de West-Sahara door de douane zorgvuldig geregistreerd, of is het risico aanwezig dat producten uit West-Sahara soms als afkomstig uit Marokko worden aangeduid?
Op grond van Europese douanewet- en regelgeving, wordt de marktdeelnemer die een aangifte bij de Douane indient om goederen in het vrije verkeer te brengen met toepassing van een preferentiële regeling, geacht de oorsprong van de goederen aan te geven en in het bezit te zijn van het daarvoor vereiste originele oorsprongsbewijs. Dit oorsprongsbewijs moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in het land van uitvoer. De Douane controleert risicogericht op de juistheid van de oorsprong van goederen. Dat geldt ook voor goederen die zijn aangegeven met als oorsprong Marokko. Ik zie derhalve geen aanleiding om de handelwijze van de Douane te laten onderzoeken.
Het is daarnaast aan het bedrijfsleven om de herkomst van producten juist en niet-misleidend weer te geven op het etiket van het betreffende goed. De NVWA is verantwoordelijk voor toezicht en de handhaving en doet dit op basis van staand interventiebeleid. Consumenten kunnen, indien zij vermoeden dat er sprake is van misleiding over de herkomst van een product, een klacht indienen bij de NVWA.
Bent u bereid de zorgvuldigheid van de registratie door de douane van producten afkomstig uit West-Sahara te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Toegang tot politieopleiding te krap afgesteld’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toegang tot politieopleiding te krap afgesteld» van 28 februari 2020?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat, gelet op de opdracht om de komende jaren 17.000 nieuwe agenten te werven en op te leiden zonder af te doen aan bestaande kwaliteitseisen van werving en opleiding, alle zeilen bijgezet zullen moeten worden om die instroom te realiseren? In hoeverre is er in dat kader ruimte voor creativiteit, proeftuinen en regelluwe trajecten? Welke initiatieven lopen er thans?
Ja, de politiecapaciteit staat onder druk. De vervanging van de uitstroom en de uitbreiding van de operationele sterkte vormt een stevige uitdaging. Dat vraagt om nieuwe collega’s die eerder inzetbaar zijn en daarom wordt de huidige basisopleiding vernieuwd. Er zijn hiervoor al meerdere maatregelen genomen. In 2018 is de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak met specifieke inzetbaarheid, geïntroduceerd. Deze ambtenaar kan, vanwege die specifieke inzetbaarheid, voor de uitoefening van zijn werkzaamheden volstaan met een kortere, specifieke politieopleiding. Daarnaast wordt er een nieuwe basispolitieopleiding ontwikkeld. Deze opleiding is korter dan de huidige opleiding. Dit zal leiden tot sneller inzetbare capaciteit, maar doet daarbij niet af aan de kwaliteit van de opleiding. Tot slot wordt de mogelijkheid verkend om het aantal instroommomenten bij de Politieacademie te verhogen. Ik kan u naar verwachting voor de zomer 2020 nader informeren over de uitkomsten van de vernieuwing van de basispolitieopleiding en de te nemen vervolgstappen.
Welke mogelijkheden zijn er voor kandidaat-agenten zonder een reguliere vooropleiding om (alsnog) toegang te krijgen tot de basispolitieopleiding? Is het in het artikel genoemde artikel 6, derde lid, van de Regeling Aanstellingseisen 2002 nog steeds een geldig artikel en wordt deze mogelijkheid in de praktijk daadwerkelijk benut? Is de Politieacademie ingericht op deze soort instroom? Kunt u uitleggen wat de zogenaamde 21+ toets inhoudt? Geldt die toets nog?
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Regeling aanstellingseisen politie 2002 kunnen kandidaten die niet voldoen aan de gestelde vooropleidingseisen een toelatingstoets afleggen. Het voornoemde artikel is nog steeds van kracht. In de praktijk blijkt dat er nagenoeg geen behoefte is aan de toelatingstoets, omdat geworven en geselecteerde aspiranten over een voldoende vooropleiding blijken te beschikken.
In het regulier onderwijs wordt er ook gebruik gemaakt van een dergelijke toelatingstoets: de 21+ toets. Dit is een toelatingsonderzoek op grond waarvan reguliere onderwijsinstellingen studenten zonder een mbo-niveau 4-, havo- of vwo-diploma kunnen vrijstellen van de vooropleidingseisen voor een hbo-studie. Dit is geregeld in artikel 7, negenentwintigste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In het toelatingsonderzoek wordt nagegaan of een kandidaat voldoende capaciteiten bezit, bijvoorbeeld wat betreft de Nederlandse taal, Engels en wiskunde, om aan een hbo-studie te beginnen. Deze toets is nog steeds van kracht.
Kunt u aangeven hoeveel kandidaten in 2019 via de «weg» van het derde lid in de basisopleiding zijn ingestroomd? Qua percentage, welk onderdeel maakt deze instroom uit van het geheel?
In de praktijk wordt er nauwelijks gebruikgemaakt van de mogelijkheid om via een toelatingstoets in te stromen bij de Politieacademie. In 2019 stroomden er geen kandidaten op deze wijze in. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het rapport «Evaluatie Pilot Initiële Instroom» van de Eenheid Amsterdam (december 2019)? Erkent u de aantoonbare resultaten van deze pilot, met name daar waar het gaat om succesvol werven van kandidaten die in eerste instantie onterecht uit het selectieproces waren gevallen, de zogenaamde «positieve missers»? Herkent u de in de conclusie verwoorde spanning tussen de eenheid Amsterdam en de landelijke dienst In-, Door- en Uitstroom (IDU)? Kunt u aangeven welke positieve, in de pilot benutte interventies door IDU als niet relevant werden beschouwd en waarom dat zo is?
De politie heeft mij laten weten dat het hier gaat over een conceptrapport dat nog niet afgerond is. Indien de resultaten van de pilot daar aanleiding toe geven, zal ik uw Kamer hierover informeren in het halfjaarbericht politie van eind dit jaar.
Bent u bekend met de «Beleidsregel overgangsbeleid loopbaanpad na afronding basispolitieopleiding allround politiemedewerker (MBO4)» (juni 2019)? Bent u bekend met artikel 2, onderdeel f (politiedienstjaren), van deze beleidsregel? Deelt u de opvatting dat de bepaling «indien er een onderbreking is geweest van langer dan zes maanden, dan tellen alleen de politiedienstjaren na deze onderbreking mee», een forse contra-indicatie is voor potentieel herintredende (ex)dienders om opnieuw bij de politie te gaan werken? Bent u bereid, gelet op de bestaande personeelskrapte, zo spoedig mogelijk deze beperking op te heffen dan wel substantieel te beperken?2
De Beleidsregel Overgangsbeleid Loopbaanpad na afronding basispolitieopleiding Allround Politiemedewerker (mbo4) is bedoeld voor personeel dat al in dienst van de politie is, niet voor herintreders.
De beleidsregel is gericht op zittend personeel dat in een vergelijkbare situatie verkeert als de aspiranten die vanaf 2021 instromen en waarvoor de Beleidsregel Loopbaanpad Basispolitieopleiding tot Allround Politiemedewerker (mbo4) zal gelden. Dit zittende personeel is nog niet terechtgekomen op de functie met het niveau waarvoor zij zijn geworven, geselecteerd en opgeleid (vergelijkbaar met mbo-niveau 4). Zij krijgen onder bepaalde voorwaarden de garantie dat zij alsnog worden geplaatst op een functie op dit niveau. De groep die onder het overgangsbeleid valt, is aanzienlijk. Bevordering van zittend personeel geschiedt daarom gefaseerd. Het aantal politiedienstjaren is hierbij bepalend voor het moment waarop zittend personeel bevorderd wordt.
Voor herintredende politiemensen geldt een aparte procedure. Zij moeten eerst een herintrederscursus volgen om weer bekwaam te worden om het vak van politiemedewerker te kunnen en mogen uitoefenen. Het gaat hierbij om maatwerktrajecten, waarbij rekening wordt gehouden met de termijn dat de politiemedewerker heeft gewerkt, de termijn dat hij of zij niet als politiemedewerker heeft gewerkt en welke werkervaring de herintreder meebrengt.
De registratie van kinderen die kort na geboorte zijn overleden maar waarvan geen akte van overlijden is opgemaakt |
|
Carla Dik-Faber (CU), Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat artsen in het verleden (onder andere in de jaren ’80) bij het binnen korte tijd na geboorte overlijden van een kind advies gaven geen aangifte te doen van geboorte en overlijden en dat ouders die dit advies volgden derhalve geen akte hebben van overlijden?
Tot 1 januari 1995 bepaalde de wet dat in geval van een levenloos geboren kind of een kind dat levend ter wereld was gekomen en overleed voordat de termijn voor het doen van geboorteaangifte was verstreken, uitsluitend een akte van levenloos geboren kind werd opgemaakt. Het was toen niet mogelijk om een akte van overlijden te laten opmaken voor kinderen die kort na de geboorte overleden.
Vanaf 1 januari 1995 werd onderscheid gemaakt tussen levenloos geboren kinderen en kinderen die kort na de geboorte overleden. In het laatstgenoemde geval werd voortaan zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden opgemaakt.
Er is navraag gedaan bij de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie (NVOG) over de handelwijze van artsen in de periode vóór 1 januari 1995. De NVOG heeft laten weten dat er voor kinderen die kort na de geboorte overleden geen richtlijn bestond en de NVOG geen concrete gevallen bekend zijn waarin het advies werd gegeven om geen aangifte te doen bij de burgerlijke stand.
Klopt het dat ouders in een dergelijke situatie wordt geadviseerd om de rechter te verzoeken het register van geboorte en overlijden aan te vullen met een geboorteakte en een overlijdensakte? Wat is de procedure die ouders vervolgens hiervoor moeten doorlopen?
De Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat
en de nationaliteit (hierna: de Commissie) heeft over dit onderwerp een Officiële Mededeling uitgebracht in 20171 die eind 2019 nog is aangevuld.2 Zij onderkent in haar advies dat zich de situatie kan voordoen dat er geen akte is opgemaakt nadat een kind levend ter wereld is gekomen, maar is overleden voor de aangifte van geboorte.
Voor dat geval stelt de Commissie dat een of beide ouders of de ambtenaar van de burgerlijke stand zich kan wenden tot de rechter voor het toevoegen van de ontbrekende akten aan de registers, overeenkomstig de procedure bedoeld in art. 1:24 lid 1 BW.
Klopt het dat ouders in zo’n geval wordt verteld dat zij hiertoe juridische bijstand van een advocaat moeten inschakelen? Klopt het tevens dat wanneer een ambtenaar van de burgerlijke stand van de betreffende gemeente de officier van justitie aanschrijft om deze te vragen de rechtbank te verzoeken aanvulling van de registers te gelasten, een dergelijk verzoek niet door het openbaar ministerie in behandeling wordt genomen?
Voor het indienen van een verzoek bij de rechtbank op grond van art. 1:24 lid 1 BW is de tussenkomst van een advocaat nodig. Navraag bij het Openbaar Ministerie heeft uitgewezen dat verzoeken van een ambtenaar van de burgerlijke stand aan de Officier van Justitie om ambtshalve een procedure ex art. 1:24 BW te voeren daar niet bekend zijn. In dit verband wordt opgemerkt dat een ambtenaar van de burgerlijke stand -naast het Openbaar Ministerie- bevoegd is om zelfstandig een zodanig verzoek aan de rechter te doen.
Ook hij wordt beschouwd als «belanghebbende» in de procedure ex art. 1:24 BW. Ons zijn enkele gevallen bekend waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand de betrokken ouders op deze wijze ten dienste is geweest.3
Ik begrijp dat, zij het dat in bepaalde gevallen een beroep op de rechtsbijstand mogelijk is.
Ik zal in overleg met de beroepsvereniging van ambtenaren van de burgerlijke stand, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB), in kaart brengen wat de omvang van de problematiek is en op basis daarvan nagaan of er aanleiding is om -aanvullend op de bestaande mogelijkheden- ouders nader tegemoet te komen. Ik verwacht Uw Kamer in de tweede helft van dit jaar over de uitkomsten te kunnen berichten binnen de reguliere halfjaarlijkse voortgangsrapportage van het wetgevingsprogramma personen- en familierecht.
Begrijpt u dat het inschakelen van een advocaat voor ouders een kostbare procedure is, terwijl wanneer er wel een overlijdensakte is opgemaakt dit proces zonder tussenkomst van een advocaat kan worden gevolgd?
Ik verwijs naar het antwoord op de vorige vraag.
Ziet u mogelijkheid het proces zodanig aan te passen dat ook registratie zonder tussenkomst van een advocaat mogelijk is, bijvoorbeeld middels de geschetste route via de ambtenaar van de burgerlijke stand en de officier van justitie? Zo nee, ziet u mogelijkheid om voor deze kleine groep te bezien hoe maatwerk kan worden getroffen wanneer het inschakelen van een advocaat om financiële redenen niet haalbaar blijkt?
Bij de eerste inschrijving van een persoon als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) worden op diens persoonslijst gegevens over de kinderen opgenomen. Er worden echter geen gegevens opgenomen over kinderen die al zijn overleden, zonder zelf ingeschreven te zijn geweest.
Zo worden mogelijk pijnlijke situaties voorkomen waarin een ouder verplicht is om bij de aangifte van verblijf en adres inlichtingen over overleden kinderen te verschaffen.
Sinds de inwerkingtreding van de wetswijziging van 3 februari 2019 in verband met het opnemen van gegevens over levenloos geboren kinderen, of omtrent wie een Nederlandse akte is opgemaakt waarin vermeld is dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven was (Stb. 2019, 3 en 32), heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties signalen ontvangen dat in de praktijk behoefte blijkt te zijn aan verdere uitbreiding van de mogelijkheden om deze kinderen in de BRP op te nemen.
Om daarin te voorzien wordt op dit moment gewerkt aan een wetsvoorstel dat onder meer voorziet in de mogelijkheid om op verzoek van de ouder die als ingezetene in de BRP is of wordt ingeschreven, op diens persoonslijst gegevens op te nemen over een kind dat levenloos is geboren of van wie een akte is opgemaakt die vermeldt dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven was. Hierbij is niet langer relevant of de ouder ten tijde van de geboorte van het kind als ingezetene of als niet-ingezetene was ingeschreven in de BRP.
Kan u voorts nader toelichten waarom een kind van in Nederland woonachtige ouders, die ten tijde van de geboorte van hun kind in het buitenland woonden, niet kan worden geregistreerd?
Het bericht ‘Universiteit Wageningen ontdekt nieuwe methode onkruidbestrijding spoorbermen’ |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR), waaruit is gebleken dat de Japanse duizendknoop bestreden kan worden met een innovatieve verhittingstechniek? Zo ja, kunt u toelichten hoe het staat met de proef van ProRail die is gestart in december vorig jaar waarbij gebruik wordt gemaakt van een proeftuin bij station Utrecht Zuilen?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde onderzoek.
In de proeftuin van ProRail langs het spoor in Utrecht wordt een zestal methoden beproefd, waaronder electricide, afdekken en wortelbehandeling met heet water. De techniek van de WUR is geen onderdeel van de proeftuin om de redenen die ik in het antwoord op de vragen 2 en 3 toelicht. Het praktische deel van de proeftuin is onlangs van start gegaan. Ik verwacht eind 2021 hier de resultaten van te ontvangen.
Daarnaast draagt ProRail bij aan het landelijke onderzoek naar biologische bestrijdingsmogelijkheden van duizendknopen en is ProRail nog met een aantal marktpartijen in gesprek over proeven op het gebied van niet-chemische onkruidbestrijding in meer algemene zin. Verder zoeken zij doorlopend actief naar nieuwe ontwikkelingen op het gebied van niet-chemische onkruidbestrijding, zodat hiermee eventueel ook proeven in de spooromgeving kunnen worden gedaan.
Ziet u mogelijkheden om deze techniek bij andere locaties toe te passen waar de plant voor problemen zorgt, zoals bijvoorbeeld langs wegen, bij funderingen en in natuurgebieden?
Gelukkig vinden steeds meer innovaties plaats om onkruid op een andere wijze te bestrijden dan met gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast wordt bij voorkeur ingezet op preventieve maatregelen om te voorkomen dat bestrijding nodig is.
De techniek die in het genoemde artikel is beschreven, is bedoeld voor grond die is ontgraven. Door het verhitten van deze grond in een installatie, worden daarin aanwezige wortelresten gedood met als bedoeling dat het grondverzet niet leidt tot verspreiding van de Japanse Duizendknoop. Het ontgraven van grond louter en alleen om de Japanse Duizendknoop te bestrijden, zou een zeer ingrijpende maatregel zijn, die alleen succesvol zal zijn als het lukt om alle aanwezige wortels volledig op te graven omdat die anders weer zullen uitgroeien. Voor bestrijding van de Japanse Duizendknoop op locaties waar de plant voor problemen zorgt, zoals bijvoorbeeld langs wegen, bij funderingen en in natuurgebieden zullen daarom waarschijnlijk eerder andere (in situ-) technieken in aanmerking komen.
Voor situaties langs het spoor gelden bovendien als voorwaarden dat een techniek gebaseerd op ontgraven uitsluitend kan worden toegepast als de stabiliteit van het spoor niet in gevaar wordt gebracht, het geen risico oplevert voor de vele kabels en leidingen langs het spoor en de toepassing van de methode veilig mogelijk is terwijl het treinverkeer doorgang vindt. Omdat deze techniek daarom praktisch niet toepasbaar is voor het reguliere beheer langs spoorbermen, maakt deze geen deel uit van de praktijkproeven in de proeftuin.
Om de Japanse Duizendknoop te bestrijden zonder de grond te ontgraven, zijn andere innovatieve technieken ontwikkeld. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van elektriciteit (elektricide) of het afdekken van een groeiplaats waardoor de wortels van de Japanse Duizendknoop in de bodem afsterven. Ik acht deze technieken kansrijk voor het bestrijden langs spoorbermen. Of deze daadwerkelijk bruikbaar zijn in de praktijk, zal onder andere moeten blijken uit de pilots die ProRail in uitvoering en voorbereiding heeft.
Ziet u kans om deze techniek in te zetten om andere bestrijdingstechnieken te vervangen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van glyfosaat?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om ProRail te vragen een inschatting te geven van het tijdpad waarop deze techniek breed kan worden gehanteerd, zodat geen chemische bestrijdingsmiddelen meer nodig zijn?
In mijn brief van 25 oktober 2019 (Kamerstuk 27 858, nr. 488) heb ik u geïnformeerd over het afbouwen van de uitzonderingen op het verbod op het professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw. Daarbij ben ik ook ingegaan op de inspanning van ProRail om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit te faseren. Wanneer de pilots die ProRail in uitvoering heeft succesvol zijn, zet ProRail in op een volledige uitfasering in 2025.
Het nieuws dat de politie extra auto’s aanschaft om de pakkans op snelheidsovertredingen te vergroten |
|
Lilian Helder (PVV), Roy van Aalst (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat de politie extra politieauto’s aanschaft omdat Nederlanders massaal aangeven de nieuwe maximumsnelheid te gaan negeren?1
Ja, zij het dat het gaat om een vervanging van bestaande voertuigen die reeds voorzien was in de budgetten2.
Deelt u de mening dat het handhaven van deze kansloze maatregel absoluut geen prioriteit heeft en dat deze nieuwe politieauto’s alleen worden aangeschaft om de burger nog meer geld uit de zak te kloppen?
Zoals bij uw Kamer bekend is verkeersveiligheid een belangrijk thema voor dit kabinet. Hierover zijn afspraken gemaakt in het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 en het Landelijk Actieplan Verkeersveiligheid 2019–2021. Handhaving is een belangrijk instrument in het verbeteren van de verkeersveiligheid. In het afgelopen jaar is het aantal staandehoudingen door de
politie in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) gestegen van ruim 400 duizend in 2018 naar ruim 530 duizend in 2019. De politie zal de bestaande werkwijzen rondom de handhaving van de verkeersvoorschriften voortzetten, ook na verlaging van de maximumsnelheid. De nieuwe politieauto’s waarover in het artikel wordt gesproken worden aangeschaft ter vervanging van politieauto’s voor mobiele radarcontroles. Deze vervanging was reeds voorzien in de budgetten van de politie. Het gaat dus niet om een extra investering. Het gebruik van deze politieauto’s zal ook geen inzet van extra politiecapaciteit vragen.
Kunt u vertellen hoeveel de aanschaf en de inzet van de 50 tot 100 onopvallende politieauto’s de belastingbetaler gaat kosten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u vertellen of de politie extra budget krijgt voor de nieuwe politieauto’s om zo deze kabinetsmaatregel te kunnen gaan handhaven, of kleedt de regering de politie nog verder uit?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het volstrekt schandalig is dat het kabinet-Rutte 3 direct extra politie inzet om de hardwerkende Nederlanders op de bon te gaan slingeren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitleggen waarom hier direct extra capaciteit kan worden vrijgemaakt maar zedenmisdrijven worden afgedaan met een foeigesprek?
Zie antwoord vraag 2.
Strengere regulering en betere certificering van zowel installateurs en installatiebedrijven met betrekking tot kleinschalige duurzame energie installaties |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen over branden met pelletkachels?1
Ja.
Kent u de brief die de Stichting Nederlandse Haarden- en Kachelbranche (NHK) naar u heeft gestuurd op dinsdag 25 februari 2020 over deze Kamervragen, waarin zij pleit voor strengere eisen vanuit de overheid aan de installatie van pelletkachels?
Ja.
Deelt u de analyse van NHK dat door het op de markt dumpen van goedkope toestellen van slechte kwaliteit en onjuiste installaties er problemen zijn veroorzaakt?
In het antwoord op vraag 4 van de eerdere vragen over branden bij pelletkachels (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1845) heb ik aangegeven dat de oorzaken van de problemen zowel kunnen liggen in het verkeerde gebruik van de pelletkachel als in een onjuiste installatie.
Vindt u het ook opvallend dat een branchevereniging zelf genoodzaakt is om te vragen om de subsidies voor pelletkachels te staken gezien de slechte regulering van pelletkachels?
Ik merk allereerst op dat de genoemde oproep in de brief van de NHK voor zover ik heb kunnen nagaan niet afkomstig was van de NHK zelf. Het bij mij bekende verzoek is verwoord in een op 8 maart 2018 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat gerichte brief van het Platform Houtrook en Gezondheid waarin de NHK als deelnemer actief is. In die brief vraagt het Platform aandacht voor het tegenstrijdige signaal dat de overheid af zou geven door enerzijds het luchtbeleid te richten op verbetering van de luchtkwaliteit en anderzijds pelletkachels te subsidiëren die indien zij een aardgasgestookte installatie vervangen bijdragen aan emissies van onder meer fijnstof. Het Platform vroeg in genoemde brief om deze tegenstrijdigheid te beëindigen. Deze oproep, die niets te maken had met de in de eerdere vragen genoemde brandveiligheid, is mede aanleiding geweest om conform de afspraken in het Klimaatakkoord specifiek aandacht te besteden aan de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de stimulering van biomassaketels en pelletkachels en het uiteindelijk op basis van deze evaluatie stoppen van de subsidie op deze technieken.
Verder teken ik hierbij aan dat de NHK zich niet uitsluitend richt op pelletkachels, maar op alle hout, pellets en gasgestookte haarden en kachels en dat de oproep om te stoppen met subsidie op pelletkachels niet werd gedeeld door andere brancheorganisaties zoals bijvoorbeeld de Nederlandse branchevereniging pelletkachel industrie (Nbpi).
Deelt u de mening dat het jammer is dat de overheid heeft verzaakt in regulering en handhaving rondom pelletkachels en dat alle aanbiedingen hieromtrent vanuit de branche zelf, zoals het opleiden van inspecteurs, zijn genegeerd door de overheid?
Nee, die mening deel ik niet. Rondom de vormgeving van de ISDE-regeling waarmee tot en met 2019 de aanschaf en installatie van pelletkachels is gesubsidieerd is gesproken met een aantal stakeholders waaronder de NHK, de Nbpi, branche organisaties inzake andere via de ISDE gestimuleerde technieken en de koepelorganisatie NVDE (Nederlandse Vereniging Duurzame Energie). Marktpartijen zijn door mijn ministerie diverse malen gevraagd om te komen tot een voorstel ten aanzien van de eisen van de installatie en installateur en alhoewel sommige partijen daarbij hun eigen specifieke kwaliteitsborging aandroegen, kwam het niet tot een breed gedragen en geaccepteerd voorstel.
Uiteindelijk is toen in de regeling bepaald dat pelletkachels moeten voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de norm EN 14785 en bijlage II, onderdeel 2, van Verordening (EU) 2015/1185. Daarnaast is in de regeling bepaald dat de subsidieaanvrager een bewijs moet overleggen dat de installatie voor de productie van duurzame energie is geïnstalleerd door een deskundige installateur. Deze eis geldt dus ook voor de pelletkachel. EZK heeft deze minimumeis opgenomen om de kwaliteit van de installatie en installateur te verbeteren, mede met de verwachting dat dit marktpartijen zou stimuleren om hun eigen certificaten op elkaar aan te laten sluiten. In afwachting daarvan heeft mijn ministerie bij de campagne «energie besparen doe je nu» speciaal aandacht gegeven aan installateurs die voldeden aan verdergaande eisen en deze zo te belonen voor hun inspanningen om kwaliteit te leveren.
Voor wat betreft de handhaving, RVO.nl heeft op basis van handhavingsbezoeken en controles verschillende subsidieaanvragen afgewezen of ingetrokken.
Deelt u de analyse dat op het gebied van duurzame energie steeds vaker door de sector zelf wordt aangedrongen op meer regulering en certificering vanuit de overheid?
Een aantal brancheorganisaties geeft inderdaad, mede naar aanleiding van de op 19 december 2019 aangenomen motie van het lid van der Lee over betere kwaliteitsborging van installateurs (Kamerstuk 32 813, nr. 438), aan dat zij over dit onderwerp in gesprek willen gaan. Daarbij is het niet zo dat alle brancheorganisaties aandringen op meer regulering en verplichte certificering vanuit de overheid. Overigens heeft mijn ministerie in gesprekken met de branche organisaties over de ISDE steeds aangegeven open te staan voor striktere eisen rondom de kwaliteitsborging, mits het draagvlak daarvoor breed was en zich niet beperkte tot één of enkele brancheorganisatie(s).
Deelt u de analyse dat betere certificering van installateurs en installatiebedrijven een oplossing is voor de brandproblemen met pelletkachels, de problemen rondom warmtepompen die soms slecht worden geïnstalleerd en de hogere verzekeringspremies als gevolg van slecht geïnstalleerde zonnepanelen?
Een kwalitatief goede installatie kan inderdaad een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkomen van de problemen zoals genoemd in vraag 7. Ter uitvoering van de in het antwoord bij vraag 6 genoemde motie en zoals aangekondigd in mijn antwoorden op de eerdere vragen over branden bij pelletkachels (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1845) zal ik daarover in gesprek gaan met de relevante brancheorganisaties. In de gesprekken zal ongetwijfeld ook worden gekeken naar (verplichte) certificering van installateurs en installatiebedrijven en mogelijke scherpere regulering vanuit de overheid. Ik zal de kamer daarover na afronding van die gesprekken nader informeren.
Deelt u de mening dat de energietransitie gebaat is bij strengere regulering en betere certificering omdat consumenten dan niet achteraf geconfronteerd worden met problemen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid zich in te spannen voor strengere regulering en betere certificering van zowel installateurs als installatiebedrijven met betrekking tot kleinschalige duurzame energie installaties?
Zie antwoord vraag 7.
De aangekondigde plannen van Israël om nederzettingen te bouwen in E1-gebied |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangekondigde plannen van Israël om nederzettingen te bouwen in E1-gebied?1
Ja.
Klopt het dat eerder gemaakte plannen om te bouwen in E1-gebied jarenlang bevroren zijn geweest?
Ja.
Herinnert u zich de uitspraken van uw ambtsvoorganger dat legalisering van buitenposten niet in gang is gezet «mede gezien de bezwaren die tegen de aanbevelingen werden geuit door bevriende landen»?2 Klopt het ook dat eerder voorgestelde plannen voor bouw in E1-gebied voorkomen zijn door internationale druk op Israël om deze bouw niet voort te zetten?
Het kabinet en de EU beschouwen nederzettingen als strijdig met internationaal recht en een obstakel voor vrede. Nederland en de EU spreken Israël aan op dit beleid en dringen aan op stoppen van verdere uitbreidingen. Internationale druk heeft in het verleden ertoe geleid dat plannen voor uitbreidingen in E1 en sommige andere gevoelige gebieden lange tijd niet werden doorgezet.
Herinnert u zich de uitspraken van uw ambtsvoorganger dat «de nederzettingen het grootste struikelblok aan Israëlische kant zijn om voortgang te boeken in het vredesproces» en dat «uitbreiding van nederzettingen [...] echt een groot probleem [is] bij het naderbij brengen van een tweestatenoplossing»?3 Bent u het nog steeds eens met deze opvatting? Zo nee, waarom niet?
Het Kwartet heeft in diens rapport van juli 2016 duidelijke aanbevelingen gedaan aan beide partijen over welke stappen zij zelf kunnen nemen, ook bij afwezigheid van onderhandelingen, om de grootste bedreigingen van de twee-statenoplossing tegen te gaan. Voor Israël is dat het nederzettingenbeleid en alles wat ermee samenhangt, zoals sloop van Palestijnse bezittingen. Zie ook de antwoorden op Kamervragen van het lid Sjoerdsma van 2 oktober 2019, (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 167).
Herinnert u zich de opvatting van uw ambtsvoorganger dat het beleid van nederzettingen «het perspectief op een tweestatenoplossing ondermijnt»?4 Bent u eens met de opvatting dat bouwen in E1-gebied de doodsteek zou zijn voor de tweestatenoplossing? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend streeft het kabinet naar de verwezenlijking van een twee-statenoplossing op basis van de grenzen van 1967: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig en internationaal erkend Israël, met Jeruzalem als toekomstige hoofdstad van beide staten. De realisatie van de genoemde bouwplannen in E1 en de andere recente aankondigingen in Oost-Jeruzalem (Givat Ha’matos en Har Homa) zou de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat op basis van deze uitgangspunten ernstig ondermijnen, omdat uitvoering ervan de contiguïteit tussen Oost-Jeruzalem en de rest van de Westelijke Jordaanoever belemmert. Zie ook de antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Baudet over nieuwe Nederlandse kritiek op het Israëlische woningbouwbeleid (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2114).
Herinnert u zich de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 10 december 2012, waarin de EU zich specifiek uitspreekt tegen plannen om in E1-gebied te bouwen omdat deze bouw de tweestatenoplossing zou ondermijnen?5
Ja.
Klopt het dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk destijds gedreigd hebben hun ambassadeurs terug te roepen indien Israël de bouw in E1-gebieden door zou zetten? Zijn er wederom dergelijke consequenties geuit?
Het kabinet kan niet voor andere landen spreken. Nederland heeft in reactie op de recente aankondigingen een gezamenlijke demarche met Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en andere landen uitgevoerd, om de bezwaren over de aankondigingen over te brengen. Zie ook de antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Baudet over nieuwe Nederlandse kritiek op het Israëlische woningbouwbeleid (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2114).
Welke gevolgen zal de geplande bouw van nederzettingen in E1-gebieden in Oost-Jeruzalem volgens u hebben voor de tweestatenoplossing?
Zie antwoord op vraag 5. Het zou de twee-statenoplossing ernstig belemmeren.
Heeft Israël gereageerd op de oproep van de EU en van Nederland om de geplande bouw van nederzettingen niet door te zetten?6 Zo ja, wat was deze reactie?
Het Israëlische nederzettingenbeleid is ondanks de bekende en herhaaldelijke internationale bezwaren niet veranderd.
Heeft u naast deze oproep verder nog actie ondernomen om de geplande bouw te voorkomen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Naast de demarche en de verklaringen heeft Nederland bij de Israëlische ambassadeur stevig aangedrongen op afzien van de uitvoering van de aangekondigde uitbreidingen. Tevens spreekt Nederland Israël aan op het nederzettingenbeleid in reguliere gesprekken en in multilaterale fora.
Klopt het volgens u dat de reactie van de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, de heer Borrell, op deze plannen duidelijk is, maar geen maatregelen of stappen aankondigt? Hoe apprecieert u dit?
De reactie van de Europese Hoge Vertegenwoordiger was duidelijk. De HV noemde geen specifieke maatregelen. De Europese Ministers van Buitenlandse Zaken zullen bij de komende Raad Buitenlandse Zaken een gezamenlijke inzet bespreken voor het Midden-Oosten Vredesproces, waar ook een reactie op de nederzettingenuitbreidingen onderdeel van is. Zie ook de Geannoteerde Agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 23 maart (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2133, d.d. 16 maart 2020).
Welke stappen bent u van plan te nemen nu Israël toch doorgaat met de bouw van deze nederzettingen, iets waar u zelf en ook de EU zich zo tegen uitgesproken hebben?
Het kabinet zal gezamenlijk met de Europese partners bespreken hoe de EU moet reageren op ontwikkelingen in het Midden-Oosten Vredesproces, waaronder het nederzettingenbeleid, de mogelijke annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever, het Amerikaanse vredesplan, en het uitblijven van Palestijnse verkiezingen. Het kabinet zet zich in voor een eensgezinde Europese aanpak en sluit geen van de instrumenten van het Europees buitenlands beleid op voorhand uit (zie ook antwoorden op Kamervragen van het lid Karabulut, d.d. 19 augustus 2019, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3609). Het kabinet wil niet verder vooruitlopen op deze discussie.
Bent u het ermee eens dat aan deze waarschuwing ook maatregelen gekoppeld zouden moeten worden? Bent u bereid maatregelen aan te kondigen indien Israël deze plannen tot uitvoering brengt?
Het kabinet is van mening dat er een adequate reactie moet komen die recht doet aan de Nederlandse en Europese inzet voor de twee-statenoplossing, internationaal recht en de ontwikkelingen op de grond, zoals verwoord in Raadsconclusies en eerdere verklaringen. Daarom heeft Nederland nu deelgenomen aan een demarche, naast de eigen verklaring en een van de Hoge Vertegenwoordiger van de EU. Bij volgende stappen zal het kabinet opnieuw afwegen welke stap of maatregel het meest geëigend is. Het kabinet wil hier niet op vooruitlopen.
Bent u bekend met de oproep van 50 voormalige Europese leiders aan u en uw collega-ministers van Buitenlandse Zaken van de EU over het vredesplan Midden-Oosten van de Verenigde Staten, die vanuit Nederland medeondertekend is door de heren Bert Koenders, Robert Serry en Jozias van Aartsen?7 Hoe apprecieert u deze oproep?
De oproep is naar de Hoge Vertegenwoordiger en alle Ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-Lidstaten gestuurd. De ondertekenaars van de brief spreken hun ernstige zorgen uit over de ontwikkelingen in het vredesproces en wijzen op de verschillen tussen het Amerikaanse initiatief en de internationale parameters. Het Kabinet deelt die ernstige zorgen. De twee-statenoplossing raakt steeds verder uit zicht en beide partijen stevenen af op een een-staat realiteit, zoals ook beschreven in de Kamerbrief over de uitvoering van de moties Van Helvert (Kamerstuk 35 300 V, nr. 24) en Voordewind (35 300 V, nr. 42), d.d. 26 november 2019.
Bent u het met de ondertekenaars van deze brief eens dat het plan ingaat tegen de parameters van het Midden-Oosten vredesproces, verschillende VN-resoluties en de meest fundamentele principes van internationaal recht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor een appreciatie van het Amerikaanse initiatief verwijst het kabinet u naar de Kamerbrief daaromtrent van 3 maart jongstleden.
Bent u het met de ondertekenaars van deze brief eens dat het plan eerder conflict verder aan zal wakkeren dan dat het vrede kan stimuleren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uiteindelijk moeten de partijen in onderhandelingen een oplossing bereiken, en volgens het kabinet is de enige manier om het conflict duurzaam op te lossen de twee-statenoplossing op basis van de grenzen van 1967, in lijn met de EU-parameters. De Amerikaanse plannen voorzien in een andere benadering dan die Israël en de PLO hebben ingezet met de Oslo-akkoorden en die door de VS, de EU en de rest van de internationale gemeenschap sindsdien is ondersteund, inclusief het Arabisch Vredesinitiatief van 2002. De Amerikaanse plannen wijken daarbij ver af van de Palestijnse beoogde oplossing, alsmede de internationale parameters.
Het kabinet is van mening dat het conflict dringend nieuwe impulsen nodig heeft en dat het initiatief van de VS gelegenheid biedt om tot een nieuwe inspanning te komen teneinde de voortdurende impasse te doorbreken.
Het kabinet roept alle partijen op om dit initiatief niet te gebruiken als rechtvaardiging voor stappen die de oplossing van het conflict moeilijker maken.
Bent u het met de ondertekenaars van deze brief eens dat het plan annexatie van grote en vitale delen van gebied toestaat en de bouw van illegale nederzettingen aanmoedigt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het plan zegt inderdaad dat Israël de Jordaanvallei en bestaande nederzettingen mag annexeren. Het kabinet is hier bezorgd over. Zie ook de Kamerbrief van 3 maart.
Bent u het met de ondertekenaars van deze brief eens dat de EU zich in moet spannen om het scenario als geschetst in het plan te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen stelt u voor dat de EU kan nemen om dit te voorkomen?
De EU zet zich in voor het behoud van de twee-statenoplossing op basis van de Europese en internationale parameters. De EU spreekt beide partijen aan op negatieve stappen en dringt aan op het zetten van positieve stappen. De EU trekt hierbij op met internationale partners, zoals Jordanië en Egypte. De EU voert ook een intensieve dialoog hierover met beide partijen, onder meer via de Europese Speciale Vertegenwoordiger voor het vredesproces.
De EU heeft in Raadsconclusies (voor het laatst 18 januari 2016) beide partijen een pakket van economische, politieke en veiligheidssteun toegezegd en een Speciaal Geprivilegieerd Partnerschap in geval van een definitief vredesakkoord, maar ook gewaarschuwd dat de toekomstige ontwikkeling van de relaties mede afhangt van hun inzet voor een duurzame vrede op basis van de twee-statenoplossing, wat ook in lijn is met de motie Servaes/Sjoerdsma Kamerstuk 23 432, nr. 413 d.d. 26 mei 2015.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek van het Levada Centrum onder de Russische bevolking naar de publieke opinie over Nederland en MH17 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Jeroen van Wijngaarden (VVD), Michiel van Nispen (SP), Stieneke van der Graaf (CU), Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van het Levada Centrum onder de Russische bevolking naar de publieke opinie over Nederland en MH17?1
Ja, het kabinet is bekend met het onderzoek van het Levada Centrum onder de Russische bevolking naar de publieke opinie over Nederland en MH17.
Bent u bekend met de resultaten van het onderzoek, waaruit blijkt dat een meerderheid van de Russische bevolking bereid is smartengeld te betalen indien vast komt te staan dat de «Russische zijde schuldig» is aan het neerhalen van MH17? Bent u er ook mee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat een groeiend gedeelte van de bevolking, nu tien procent, meent dat Russische vrijwilligers of zelfs de Russische krijgsmacht zelf schuldig is, ondanks de ontkenning van de eigen overheid?
Ja, het kabinet heeft kennis genomen van de door het Levada Centrum gepresenteerde resultaten onder de Russische bevolking naar de publieke opinie over Nederland en MH17.
Aangezien uit het onderzoek blijkt dat een kwart van de Russen het «moeilijk te zeggen» vindt wie achter het neerschieten van MH17 zit, bent u het ermee eens dat het belangrijk is dat de Russische bevolking toegang heeft tot de feiten, zodat zij eigenstandig een oordeel kunnen vellen op basis van objectieve informatie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het vanzelfsprekend van belang dat ook de Russische bevolking zoveel mogelijk toegang heeft tot feiten en objectieve informatie rond het strafproces MH17.
Het technisch onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, de gepresenteerde bevindingen van het JIT in 2016, 2018 en 2019 en alle overige relevante informatie met betrekking tot het strafproces is wereldwijd, ook in Rusland, in het Engels via het internet beschikbaar. Al deze informatie is ook via de website van de Nederlandse ambassade in Moskou terug te vinden.
Deelt u de opvatting dat het de voorkeur zou genieten als de Russische bevolking haar mening over gebeurtenissen kan bepalen door zelf kennis te nemen van informatie, en niet enkel op basis van verklaringen van (eigen of andere) overheden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u ook de opvatting dat het behulpzaam zou kunnen zijn als Russische burgers zelf het MH17-proces kunnen volgen, omdat dit een belangrijke bron van op feiten gebaseerde, door de rechter getoetste, informatie rond MH17 is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid via internet live Russische vertolking van het MH17-proces te faciliteren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer kan dit georganiseerd zijn?
Het strafproces MH17 vindt plaats volgens Nederlands strafprocesrecht. Binnen de mogelijkheden van de wet heeft de Rechtspraak, mede vanwege de brede en diverse internationale betrokkenheid, besloten om een livestream in te richten waardoor het MH17-proces wereldwijd en naast het Nederlands, ook in het Engels te volgen is. Dit is niet gebruikelijk bij rechtszaken en deze extra stap is door de Rechtspraak gezet om de transparantie van het proces en de internationale inbedding daarvan maximaal te waarborgen. Hiermee worden de nabestaanden van de 298 slachtoffers van 17 verschillende nationaliteiten, geïnteresseerden en media, wereldwijd zo goed mogelijk in de gelegenheid gesteld het proces te volgen. Het al dan niet streamen en vertalen van het MH17 strafproces is een aangelegenheid van de Rechtspraak.
Het digitale en televisie netwerk Current time (nastojasja vremja), dat wordt beheerd door Radio Free Europe/Radio Liberty, heeft de eerste zittingsdag van het proces middels een livestream in het Russisch vertaald, daarvan is een twee en half uur durende samenvatting terug te vinden op Youtube (https://www.currenttime.tv/a/mh-17-court/30471862.html). Deze organisatie heeft aangegeven de intentie te hebben toekomstige zittingen in het MH17-strafproces te willen blijven vertalen in het Russisch. Specifiek wordt momenteel het livestreamen van de volgende zitting van 8 juni as. gepland. Deze livestream zal via relevante communicatiekanalen actief onder de aandacht worden gebracht.
Daarnaast wordt in het kader van het bevorderen van betrouwbare informatievoorziening tevens bezien of het mogelijk is het resumé van elke zittingsdag in het Russisch te vertalen en te publiceren.
Het bericht ‘Grote verschillen tussen rechters bij beoordelen van fiscale zaken’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote verschillen tussen rechters bij beoordelen van fiscale zaken»?1
Ja.
Wat vindt u van het onderzoek waaruit naar voren komt dat belastingbetalers bij de ene rechtbank meer kans hebben om te winnen dan bij de andere?
In zijn antwoorden op vragen van het lid Groothuizen d.d. 27 maart jl.2 heeft de Minister voor Rechtsbescherming aangegeven ermee bekend te zijn dat Nederlandse gerechtelijke uitspraken met toepassing van kunstmatige intelligentie worden geanalyseerd. Daarbij is ook aan de berichtgeving over dit onderzoek van Deloitte gerefereerd. In dezelfde antwoorden is uiteengezet dat het percentage van het aantal gerechtelijke uitspraken in Nederland dat online wordt gepubliceerd tussen 2–3% ligt. Uit het artikel in het Financieel Dagblad van 5 maart jl. en uit navraag bij Deloitte3 volgt dat het onderzoek waaraan in de berichtgeving wordt gerefereerd heeft plaatsgevonden op basis van op rechtspraak.nl gepubliceerde zaken en derhalve op basis van een zeer gering deel van alle uitspraken. Daarnaast is niet duidelijk wanneer gesproken kan worden van het winnen van een zaak. Daarbij is onder meer relevant dat het voorkomt dat één van de partijen (alleen) op een voor die partij ondergeschikt punt in het gelijk wordt gesteld. Een beroep kan dan gegrond zijn, terwijl van het «winnen» van een zaak in de beleving van betrokkene in een dergelijk geval geen sprake zal zijn. Het voorgaande maakt dat de Minister voor Rechtsbescherming de conclusie, dat belastingbetalers bij de ene rechtbank meer kans hebben om te winnen dan bij de andere, niet op basis van de berichtgeving over dit onderzoek onderschrijft.
Wat zegt dit onderzoek en de uitkomst over de uniformiteit van regels en met name over de toepassing van regels?
Zie het antwoord op vraag 2. Overigens kunnen er diverse redenen zijn voor verschillen. Zo doet de rechtbank Noord-Holland de Douanezaken voor heel Nederland en doen zich in grensgebieden relatief veel zaken voor over de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
Kan uit het onderzoek worden afgeleid dat er een gebrek is aan rechtseenheid voor belastingbetalers? Zo nee, waarom niet?
Uit de berichtgeving over het onderzoek kan niet worden afgeleid dat er een gebrek is aan rechtseenheid. Zie het antwoord op vraag 2 en vraag 3. In aanvulling daarop kan worden opgemerkt dat regelgeving soms ruimte laat voor diverse interpretaties. Dat vindt zijn weerslag in de uitspraken van rechters en raadsheren.
Welke stappen heeft u gezet om rechtseenheid tussen rechtscolleges op het gebied van belastingrechtspraak te garanderen?
Zie het antwoord op vraag 4. De Minister voor Rechtsbescherming vindt rechtseenheid belangrijk. Onafhankelijkheid en maatwerk van rechters in rechtszaken is een groot goed. Tegelijkertijd mogen rechtzoekenden enige voorspelbaarheid verwachten in vergelijkbare zaken. Het is aan de Rechtspraak zelf om deze rechtseenheid te bewaken en daarbij in vonnissen goed te motiveren waarom bijvoorbeeld wordt afgeweken van eerdere jurisprudentie. Ontwikkelingen als de toepassing van kunstmatige intelligentie bieden de Rechtspraak nieuwe kansen en uitdagingen. De Minister voor Rechtsbescherming blijft hierover graag met de Rechtspraak in overleg.
Kunt u in gesprek gaan met de commissie rechtseenheid bestuursrecht om de rechtseenheid in belastingzaken te bevorderen?
De Minister voor Rechtsbescherming ziet op dit moment geen aanleiding om daarover het gesprek aan te gaan. Zie ook het antwoord op vraag 5. De Commissie rechtseenheid bestuursrecht is een informeel en intern regulier overleg tussen de vier hoogste rechtscolleges om op het gebied van het bestuurs(proces)recht de rechtseenheid tussen de vier hoogste bestuursrechters te bevorderen. Het gaat hier dus niet om rechtseenheid tussen lagere rechters. Gelet op het interne karakter van deze commissie is zij niet een gesprekspartner van de overheid. Voor wat betreft belastingzaken heeft de Hoge Raad als cassatierechter de taak om voor rechtseenheid zorg te dragen.
In hoeveel procent van de rechtszaken die belastingbetalers aanspannen wint de belastingbetaler (graag een uitsplitsing per gerechtelijke instantie en per belasting en over de afgelopen 10 jaar)?
Deze informatie is niet beschikbaar. Daarbij is onder meer relevant dat, zoals in het antwoord op vraag 2 reeds is aangegeven, het voorkomt dat één van de partijen (alleen) op een voor die partij ondergeschikt punt in het gelijk wordt gesteld. Een beroep kan dan gegrond zijn, terwijl van het «winnen» van een zaak in de beleving van betrokkene in een dergelijk geval geen sprake zal zijn. Mede gezien het voorgaande zou een antwoord op deze vraag diepgaand en arbeidsintensief jurisprudentieonderzoek vergen.4
Herinnert u zich het antwoord van uw voorganger op de vragen van het lid Lodders2: «... merk ik op dat de rechten van belastingbetalers in Nederland goed zijn geborgd. In Nederland is veel aandacht besteed aan een zorgvuldige vormgeving van de juridische relatie tussen belastinginspecteur en ontvanger aan de ene kant en belastingplichtigen aan de andere kant.»?
Ja.
Kunt u een verklaring geven voor het feit dat u aan de ene kant stelt dat de rechten van belastingbetalers goed zijn geborgd en aan de andere kant dit onderzoek bevestigt dat er wel degelijk grote verschillen zijn in de toepassing van de regels?
Zie het antwoord op vraag 2 en vraag 3.
En hoe duidt u de verschillende recente voorbeelden zoals de kinderopvangtoeslagproblematiek, het bijhouden van een niet toegestane zwarte lijst en het onterecht niet uitbetalen van invorderingsrente waarbij waar belastingbetalers en toeslagenontvangers onterecht zijn «vermalen» door de eigen overheid in relatie tot de positie van de belastingbetaler?
De in de vraag genoemde zaken zijn zeer pijnlijke voorbeelden van het handelen van de Belastingdienst. Het vertrouwen in de Belastingdienst wordt hierdoor geschaad. Het is de bedoeling om toe te werken naar een cultuur binnen de Belastingdienst waarbij dit soort signalen veel eerder met elkaar én met de buitenwereld worden gedeeld en dat kan worden besproken hoe tot een oplossing kan worden gekomen. In de brief van 11 januari jl. heeft de Minister van Financiën geschetst op welke gebieden er hiervoor interventies noodzakelijk zijn.6 Daarnaast is in de brief van 28 april jl. over de Fraude Signalering Voorziening7 aangekondigd dat de mogelijkheden worden onderzocht voor extern toezicht bij de Belastingdienst waar de genoemde voorbeelden aan de orde kunnen komen. In laatstgenoemde brief is voorts aangegeven dat het interne toezicht op twee manieren wordt versterkt. Allereerst doordat de Functionaris voor Gegevensbescherming meer slagkracht krijgt en daarnaast doordat de functie van de privacy-officer van de Belastingdienst wordt versterkt.
Hoe verklaart u het sinds 2013 afnemend aantal belastingbetalers dat een zaak wint bij de rechtbank in vergelijking met het eerder onder vraag 8 genoemde antwoord?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke stappen bent u voornemens te zetten om het voor de belastingbetaler inzichtelijker te maken wanneer procederen tegen de Belastingdienst wel zin heeft?
Het is niet mogelijk om in zijn algemeenheid de vraag te beantwoorden wanneer procederen tegen de Belastingdienst zin heeft, in de zin dat een belastingplichtige gelijk zal krijgen. Dat hangt namelijk altijd af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Welke EU-landen hebben reeds een handvest met de rechten van belastingplichtigen, een handvest dat belastingplichtigen meer duidelijkheid moet geven in de strijd tegen een soms log overheidsapparaat dat veel meer middelen ter beschikking heeft om de rechtszaak naar zich toe te trekken?
Als met de vraag wordt gedoeld op de door de Europese Unie (EU) opgestelde Europese code voor de belastingplichtige waarin een aantal kernbeginselen zijn geformuleerd en een overzicht wordt gegeven van de belangrijkste bestaande rechten en verplichtingen die van toepassing zijn op de relatie tussen de belastingplichtige en de belastingdienst en dat voor de EU-lidstaten als model kan dienen , kan ik aangeven dat ik geen overzicht heb van de EU-lidstaten die gebruikmaken van deze (niet-bindende) richtsnoeren. Nederland maakt hier niet gebruik van (zie ook het antwoord op vraag 14).
Deelt u de mening dat gezien de uitkomsten van het onderzoek van Deloitte en de schrijnende zaak rond de kinderopvangtoeslag, ook de Nederlandse belastingbetaler baat heeft bij een handvest met de rechten van belastingbetalers? Bent u alsnog bereid om een handvest voor de rechten van de belastingbetaler op te stellen zoals eerder gevraagd in schriftelijke vragen van het lid Lodders3? Zo nee, waarom niet?
Nee, met mijn voorganger ben ik namelijk van mening dat in Nederland reeds veel aandacht is besteed aan een zorgvuldige vormgeving van de juridische relatie tussen belastinginspecteur en ontvanger aan de ene kant en belastingplichtigen aan de andere kant en dat de rechten van belastingbetalers in Nederland goed zijn geborgd. Ik verwijs naar de beantwoording van vragen 2, 3, en 4 gesteld door het lid Lodders.11 Daar waar er een rechtstekort zou bestaan, is het zinvoller om een oplossing hiervoor te regelen bij of krachtens wet, dan om een handvest op te stellen dat slechts richtsnoeren bevat. In dit kader ben ik benieuwd met welke onderzoeksresultaten en aanbevelingen de Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken gaat komen. Deze adviescommissie richt zich op de vraag of vanuit het perspectief van burgers en kleine ondernemers de rechtsbescherming in belastingzaken in de praktijk als toereikend wordt ervaren en onderzoekt of er verbeteringsmogelijkheden zijn in de uitvoering daarvan. Overigens wordt tot slot opgemerkt dat de problematiek rondom de kinderopvangtoeslag losstaat van de rechtspositie van een belastingplichtige.
Deelt u de mening dat, zoals ook uit het artikel blijkt, er voldoende reden is tot vervolgonderzoek? Zo ja, bent u voornemens dit onderzoek te gaan uitvoeren en hoe wordt dit onderzoek vormgegeven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie ook onder meer het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Foute huisarts die nooit meer spreekuur mag houden, toch weer aan het werk’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Bruno Bruins (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Foute huisarts die nooit meer spreekuur mag houden, toch weer aan het werk»?1
Ja.
Kunt u toelichten of, en zo ja, hoe de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht houdt op zorgverleners die voor het leven geschorst zijn? Zo niet, hoe wordt voorkomen dat voor het leven geschorste zorgverleners alsnog in de zorg aan de slag gaan?
De IGJ houdt toezicht op de gezondheidszorg in Nederland. Wanneer een BIG-geregistreerde zorgverlener wordt doorgehaald in het BIG-register is het niet toegestaan dat hij of zij een wettelijk beschermde beroepstitel voert en zelfstandig voorbehouden handelingen verricht.
Doet hij of zij dit toch, dan is dit strafbaar. Als de IGJ een melding krijgt over een dergelijke situatie doet zij onderzoek naar de feiten en omstandigheden. Indien nodig treft zij maatregelen. Ook in deze casus wordt onderzoek gedaan.
Voor instellingen die van plan zijn om een zorgverlener aan te nemen geldt een vergewisplicht om te controleren of de nieuwe medewerker geschikt is om zorg te verlenen. Zij dienen hiervoor onderzoek te doen naar het arbeidsverleden van de sollicitant. Daarnaast zijn sommige zorginstellingen verplicht om een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) op te vragen.
Indien een BIG-geregistreerde zorgverlener wordt doorgehaald in het BIG-register dan raakt hij of zij de titel kwijt en mag het beroep niet langer onder die beschermde beroepstitel uitoefenen. Dat betekent echter niet dat de betrokken zorgverlener helemaal niet meer werkzaam mag zijn in de zorg. Dit geldt alleen wanneer een bevoegde instantie een algeheel verbod op werkzaamheden in de gezondheidszorg heeft opgelegd.
De ervaring is dat mensen zich hier over het algemeen goed aan houden en een onderzoek met terugwerkende kracht is dan ook niet zinvol. De IGJ zal altijd onderzoek doen als zij een melding ontvangt dat een geschorste zorgverlener voorbehouden handelingen uitvoert of ten onrechte een beroepstitel voert.
Kunt u toelichten of zorginstellingen met betrekking tot sollicitaties een database kunnen raadplegen met geschorste zorgverleners?
Iedereen kan het openbare online BIG-register raadplegen waarin is vermeld of een arts een bevoegdheidsbeperkende maatregel opgelegd heeft gekregen. Een zorginstelling kan in het kader van de vergewisplicht ook navraag doen bij eerdere werkgevers, het Waarschuwingsregister Zorg en Welzijn raadplegen en navraag doen bij de IGJ of de sollicitant een aantekening Wkkgz heeft.
Kunt u aangeven of de IGJ, aangezien zij stelt in geen tien jaar een melding te hebben gehad van een zorgverlener uit de eerstelijnszorg die ondanks een schrapping toch aan het werk gaat, met terugwerkende kracht gaat onderzoeken of dergelijke gevallen zich in het verleden wel hebben voorgedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of de IGJ wel meldingen heeft gehad van zorgverleners uit de tweede- of derdelijnszorg die ondanks schrapping toch aan het werk zijn gegaan?
De IGJ heeft geen meldingen gehad over zorgverleners werkzaam in ziekenhuizen of particuliere klinieken die zich niet hebben gehouden aan de opgelegde bevoegdheidsbeperkingen.
De Woondeal regio Arnhem-Nijmegen |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de afspraken binnen de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen?1
Ja.
Kunt u de afspraak van 50% sociale en middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen nader toelichten?
Uit woningmarktonderzoek is gebleken dat in de regio Arnhem-Nijmegen een tekort is aan betaalbare woningen. In de woondeal is daarom afgesproken om 50% van de zachte plancapaciteit te realiseren in het betaalbare segment (sociale- en middeldure huur en betaalbare koop tot de NHG-grens, conform landelijke definities).
Het kwantitatieve tekort is per gemeente verschillend maar in de gehele regio is er een kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod in de huursector, vooral in de verhouding tussen eengezinswoningen (overschot) en woningen voor kleinere huishoudens (tekort). Daarnaast is de concentratie van kwetsbare groepen in de sociale huursector verder toegenomen. De regio streeft naar inclusieve wijken. De bouw van middeldure woningen in de zwakke wijken en sociale woningen in de betere wijken zorgt voor meer differentiatie en een evenwichtigere wijkopbouw. De precieze behoefte aan en verdeling van sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen stemmen partijen regionaal af. Uitgangspunt is een evenwichtige en proportionele verdeling van het betaalbare segment over de regio.
Klopt het dat als 50% van de woningen sociale huurwoningen zijn, dat dan aan de bovenstaande afspraak is voldaan? Deelt u de mening dat dit niet wenselijk zou zijn?
Zoals hierboven beschreven gaat de afspraak over het type woningen dat partijen in de regio willen bijbouwen. Het gaat dus niet om een doelstelling voor de voorraad als geheel. Wat extra nodig is, is gebaseerd op onderzoek naar de behoefte en de reeds bestaande voorraad. De afspraak ziet bovendien toe op de betaalbare sector in de gehele breedte, dus zowel sociale en middenhuur als betaalbare koop (NHG-kostengrens).
Bent u bekend met het woningmarktonderzoek 2019 regio Arnhem-Nijmegen?2 Bent u bekend met bijlage I: «Accenten in de behoefteraming en factsheet Arnhem», waaruit blijkt dat er bijna uitsluitend behoefte is aan koopwoningen in Arnhem?
Ja. Dit onderzoek is ook bij de totstandkoming van de woondeal betrokken. In Arnhem zijn er tot 2030 zo'n 7500 extra woningen nodig, verspreid over alle categorieën.
Arnhem heeft verder een grote opgave in het oplossen van de mismatch in het woningaanbod, waarbij er in alle huursectoren een overschot is aan grote grondgebonden producten en een tekort is aan kleine producten voor een- en tweepersoonshuishoudens. De gemaakte afspraken in de woondeal zijn ook gericht op het oplossen van deze mismatch.
Herinnert u zich dat u in het algemeen overleg Woondeals op 29 januari 2020 heeft toegezegd dat er voldoende rekening wordt gehouden met de bouw van koopwoningen? Is deze toezegging vertaald naar afspraken in de woondeal? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja. Die toezegging is onder meer vertaald in de afspraak die u aanhaalt in vraag 2. Ongeveer de helft van de behoefte ligt in de betaalbare categorie, maar dat betekent dat ook ongeveer de helft van de behoefte daarboven ligt, waaronder in de koopsector.
Deelt u de mening dat gewaarborgd moet worden dat er voldoende betaalbare en overige koopwoningen worden gebouwd?
Ja, ik deel de mening dat er voldoende betaalbare en overige koopwoningen beschikbaar moeten komen. De afspraken in de woondeal reflecteren dit ook.
Uitbuiting van Uber-chauffeurs |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De Uber-chauffeur zit klem tussen leasecontract en bedrijfsdwang»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat Uber-chauffeurs met 40 eurocent per kilometer, en in sommige gevallen zelfs nog minder, nauwelijks rond kunnen komen? Ziet u ook dat Uber-chauffeurs niet de mogelijkheid hebben om te kunnen onderhandelen over de tarieven? Is hier dan wel sprake van ondernemerschap?
De criteria arbeid, loon en gezag afkomstig uit het Burgerlijk Wetboek bepalen of er sprake is van een dienstbetrekking. Indien sprake is van een dienstbetrekking wordt de werknemer beschermd door het arbeidsrecht. Daarmee zijn onder andere de Wet minimumloon en de regels rondom het ontslagrecht uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Wanneer men als zelfstandige werkt (en er dus geen sprake is van een dienstbetrekking), kan geen aanspraak gemaakt worden op de bescherming van het arbeidsrecht. Of in individuele gevallen zoals in de vraag wordt geschetst, sprake is van ondernemerschap, kan ik niet beoordelen, dat is aan de rechter. Hij toetst de omstandigheden van het geval die leiden tot deze kwalificatie.
Deelt u de mening dat Uber-chauffeurs zeker moeten kunnen zijn van een fatsoenlijk inkomen, zeggenschap over hun werk(tijden) en duidelijkheid over wanneer en waarom men uit het Uber-systeem gegooid kan worden?
Zie antwoord vraag 2.
Begrijpt u de onvrede onder de Uber-chauffeurs over de handelwijze van Uber naar hen toe?
Ik volg de signalen hierover in de media en heb uiteraard begrip voor de door hun benoemde onvrede, zonder daarmee een oordeel te geven over de situatie. Als partijen met elkaar van mening verschillen, kunnen ze in uiterste gevallen de rechter om een oordeel vragen.
Bent u bereid een vertegenwoordiging van de Uber-chauffeurs uit te nodigen, zodat u inzichtelijk krijgt tegen welke problemen zij dagelijks aanlopen?
Mijn ministerie heeft veel contacten met allerlei vertegenwoordigers en is altijd bereid om in gesprek te gaan indien een verzoek daarvoor wordt gedaan.
Hoe legt u de rechterlijk uitspraak, van februari 2019, uit waarin de rechter concludeerde dat, «het contract tussen de leasemaatschappij, Uber en de chauffeur kenmerken had van een arbeidsovereenkomst»?2 Deelt u de mening dat hier sprake is van een werkgever-werknemer relatie en dus het arbeidsrecht van toepassing dient te zijn? Is hier ook gewoonweg sprake van dat Uber-chauffeurs onder de CAO Taxi behoren te vallen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 uiteengezet bepalen feiten en omstandigheden of er sprake is van bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. De genoemde zaken zien op individuele gevallen, hierover kan ik geen uitspraak doen. Het is aan de rechter om, indien hier twijfel over bestaat, op een individueel niveau te beoordelen of een persoon werkzaam is in dienstbetrekking of dat deze persoon als zelfstandig ondernemer kwalificeert.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Franse Hof van Cassatie waarbij een Uber-chauffeur als werknemer wordt aangemerkt?3 Bent u bereid om na deze uitspraak van het Frans Hof van Cassatie specifiek te kijken naar de situatie van Nederlandse Uber-chauffeurs?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft de Belastingdienst naar zzp-constructies bij taxichauffeurs gekeken? Zo ja, wat is het oordeel van de Belastingdienst? Zo nee, waarom is dat nog niet gedaan?
Er wordt door de Belastingdienst niet specifiek doelgroepgericht naar zzp-constructies bij taxichauffeurs gekeken. Toezicht op de loonheffingen bij taxichauffeurs vindt in het midden- en kleinbedrijf risicogericht plaats. Bij grote taxibedrijven vindt individuele klantbehandeling plaats, waar toezicht op de loonheffingen onderdeel van kan zijn. De uitkomsten van de beoordelingen van arbeidsrelaties voor de loonheffingen worden niet landelijk bijgehouden op het niveau van een specifiek beroep zoals taxichauffeurs.
Staan taxiplatforms op de lijst van aangemerkte bedrijven/sectoren die mogelijk kwaadwillend optreden? Heeft de Belastingdienst een aparte afspraak gemaakt met Uber? Zo ja, is deze afspraak dan ook beschikbaar? Zo nee, waarom niet?
Er is geen lijst met aangemerkte bedrijven/sectoren die mogelijk kwaadwillend optreden. De Belastingdienst doet over individuele belastingplichtigen geen uitspraak op grond van zijn geheimhoudingsplicht (artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Dit geldt ook als het om Uber gaat.
Waarom hebben de grote steden nog steeds niet de mogelijkheid om zelf te kunnen bepalen hoeveel actieve (bel- en opstap-) taxi’s zij in hun stad wenselijk vinden? Heeft u dit überhaupt, ondanks eerdere verzoeken, al met de grote steden besproken?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 31 521, nr. 116), is onder onafhankelijk voorzitterschap en begeleid door het Gemeentelijk Netwerk voor Mobiliteit en Infrastructuur (GNMI) met gemeenten gesproken over de problemen op de taximarkt die gemeenten lokaal ervaren en de beschikbare instrumenten om daartegen op te treden. Om bijvoorbeeld problemen met betrekking tot overlast of openbare orde te voorkomen, kunnen gemeenten op grond van de Gemeentewet en de wegenverkeerswetgeving volumebeperkende maatregelen treffen, bijvoorbeeld door middel van slimme toegang. De Dienstenrichtlijn is niet van toepassing op diensten op het gebied van vervoer, zoals taxidiensten.
Bent u het ermee eens dat volumebeleid door gemeenten ervoor kan zorgen dat chauffeurs een fatsoenlijk salaris kunnen verdienen?
De inkomsten van individuele chauffeurs hangen af van veel verschillende factoren, waaronder de vraag of sprake is van loondienst of ondernemerschap. Een vorm van volumebeleid zal in beginsel geen gevolgen hebben voor de vraag naar taxivervoer, maar zal deze hooguit anders verdelen over de beschikbare taxichauffeurs. Een positief effect op het inkomen van de ene chauffeur zal in dat geval een negatief effect betekenen op het inkomen van een andere chauffeur.
Welke mogelijkheden hebben gemeenten om het aantal actieve taxi’s binnen de gemeentegrens te beperken, anders dan specifieke verkeerscirculatiemaatregelen? En hoe beoordeelt u het beperken van het aantal actieve taxi’s binnen de gemeentegrens in het licht van de Europese Dienstenrichtlijn?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het er verder mee eens dat handhaving op landelijke basiseisen voor taxi’s versterkt moet worden? Welke maatregelen zijn er wettelijk gezien mogelijk om de regels rond beltaxi’s te moderniseren?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op de naleving van de landelijke eisen voor taxivervoer uit de Wet personenvervoer 2000. Naast de reguliere controle op straat en implementatie van deskhandhaving, werkt de ILT aan methodes om (samen met andere diensten) risico gestuurd toezicht te houden. Zoals in de brief aan de Kamer van 27 maart jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 31 521, nr. 120) is aangegeven, wordt met de Minister van Justitie en Veiligheid, de ILT en een aantal gemeentes gesproken over een pilot waarin ook handhavers van die gemeenten een aantal bepalingen uit de Wp2000 kunnen gaan handhaven. Daarmee worden zowel de handhavingscapaciteit in absolute zin als de handhavingsbevoegdheid van gemeentelijke handhavers op de bestelmarkt vergroot. Zoals in de brief is aangegeven, is uitbreiding van de bevoegdheid tot lokale regulering alleen aan de orde als duidelijk is dat op de bestelmarkt kwaliteitsproblemen zijn en dat die niet binnen de bestaande (wettelijke) kaders kunnen worden opgelost. Er is nog niet gebleken van dergelijke problemen waarvoor dit het geval is.
Ondervertegenwoordiging van Nederlandse ambtenaren in Brussel |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in 2019 het aantal jonge Nederlandse ambtenaren bij de Europese Commissie 1,9% was, terwijl de gewenste bezettingsgraad 3,9% is? Kunt u dit uitsplitsen op de verschillende beleidsniveaus (starter, midden, topniveau)?1
De Commissie houdt een percentage aan van 3,9 procent voor de gewenste vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Commissie. De Commissie maakt hierin geen onderscheid tussen de verschillende beleidsniveaus (starter, midden, topniveau) maar hanteert de bandbreedtes AD5–8, alwaar de Nederlandse bezettingsgraad 1,9 procent is, en AD9–12, waar dat bij benadering 4 procent is. AD5–8 zijn echter niet alleen jonge ambtenaren. Europees ambtenaren kunnen zich doorgaans in 10 tot 12 jaar opwerken van AD5 naar AD8. Verder geldt dat van de Nederlanders die de afgelopen jaren een AD5-selectieprocedure hebben gehaald, 19 procent onder 25 jaar was, 75 procent tussen 25 en 35 jaar en 6 procent tussen 36 en 43 jaar. Het aantal Nederlandse managers binnen de Europese Commissie lag op 1 september 2018 bij benadering op 4 procent.
Verandert de gewenste bezettingsgraad bij de Europese Commissie na de Brexit?
Hierover heeft de Commissie nog geen uitsluitsel gegeven. Het ligt in de lijn der verwachting dat dit het geval is, aangezien bij de bepaling van de gewenste bezettingsgraad de Commissie onder meer uitgaat van het relatieve aandeel van een lidstaat in de EU-bevolking.
Hoe veel Nederlandse ambtenaren werken bij de andere Europese instellingen in Brussel? Wat is daar de gewenste bezettingsgraad en wat is de daadwerkelijke bezettingsgraad?
Volgens cijfers van de Commissie uit 2018 zijn er de volgende aantallen Nederlandse ambtenaren onder het AD-personeel met daarachter de percentages.
De gewenste bezettingsgraad is voor de Europese Commissie, het Secretariaat-Generaal van de Raad en het Comité van de Regio’s 3,9 procent. In de berekening hiervoor worden het aandeel in de EU-bevolking, de leden van het Europees parlement en stemmen in de Raad meegenomen. Voor andere instellingen die alleen naar het aandeel in de EU-bevolking kijken, is het streefcijfer 3,8 procent.
Klopt het dat het aantal Nederlandse ambtenaren bij de Europese Commissie al sinds ten minste 2008 dalende is?2 Kunt u toelichten hoe de bezetting er naar verwachting de komende jaren uit zal zien, gelet op de verwachte uitstroom vanwege de pensioenleeftijd?
Het klopt dat het aantal Nederlandse ambtenaren bij de Europese Commissie al sinds ten minste 2008 een dalende trend laat zien. Op 1 september 2018 waren 84 Nederlandse AD-ambtenaren ouder dan 58 jaar, oftewel 22 procent, terwijl de pensioenleeftijd voor EU-ambtenaren 66 jaar is. Het is een uitdaging om de volledige uitstroom op te vangen met instroom via de verschillende AD-selectieprocedures, mede omdat niet bekend is hoeveel AD-selectieprocedures zullen worden georganiseerd in de komende jaren en hoeveel nieuwe EU-ambtenaren daarmee worden geworven.
Wat is uw reactie op deze teleurstellende cijfers? Deelt u de mening dat het ambtenarenapparaat bij de Europese instellingen een afspiegeling dient te zijn van de verschillende lidstaten? Deelt u de mening dat het van belang is dat Nederland goed vertegenwoordigd is binnen de Europese instellingen, bijvoorbeeld vanwege opbouw van kennis en een Nederlands netwerk binnen de Europese instellingen?
Kortheidshalve verwijs ik u graag naar mijn brief van 6 maart 2020 (Kamerstuk 35 078, nr. 34) waarvan de verzending gekruist heeft met de inzending van uw vragen.
Op welke wijze stimuleert u Nederlandse ambtenaren en Nederlandse afgestudeerden te solliciteren bij een Europese instelling?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u uiteenzetten welke stappen er de afgelopen tien jaar gezet zijn om de dalende trend van Nederlanders werkzaam bij Europese instellingen te keren? Heeft dit beleid (waaronder bijvoorbeeld «WerkenBijdeEU») de gewenste resultaten opgeleverd? Zo ja, hoe verklaart u de blijvende dalende trend? Zo nee, wat gaat u anders doen?
Waar in het verleden voornamelijk werd gekeken naar de benoeming van Nederlanders op topniveau in de EU, ligt de focus nu op instroom en doorstroom van Nederlanders op alle niveaus, zoals toegelicht in mijn brief van 6 maart 2020 (Kamerstuk 35 078, nr. 34). Hierom richt WerkenbijdeEU zich op de communicatie aan relevante doelgroepen en begeleidt Nederlandse kandidaten in EU-selectieprocedures. De Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Europese Unie begeleidt Nederlandse EU-ambtenaren die door willen stromen. Zij houdt daarvoor goed zicht op vacatures op het niveau van afdelingshoofd en hoger en houdt intensief contact met Nederlandse EU-ambtenaren die daar interesse in tonen.
Verder lobbyt de Permanente Vertegenwoordiging voor maatregelen die de geografische disbalans aanpakken. Zij werkt daarvoor samen met de PV’s van andere ondervertegenwoordigde lidstaten als Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland en Zweden. De groep is in doorlopend contact met de HR-directeuren van de instellingen en het kabinet van Eurocommissaris Hahn. Ook vergadert deze groep lidstaten meermaals per jaar met het European Personnel Selection Office.
Het is nog te vroeg om de effecten van het huidige beleid te zien. Het kabinet monitort de effecten ervan en zal waar nodig bijsturen.
Kunt u aangeven wanneer de door u toegezegde beurzen om te studeren aan het Europacollege in Brugge, beschikbaar zullen zijn?3
Het kabinet spant zich in om met ingang van het collegejaar 2021–2022 beurzen beschikbaar te hebben voor Nederlandse studenten aan het Europacollege.
Wanneer zult u uitvoering geven aan uw toezegging gedaan tijdens het algemeen overleg Nederlandse belangenbehartiging in de Europese Unie van 3 oktober 2019 om schriftelijk terug te komen op de benoemingen van Nederlandse ambtenaren en daarvoor een plan te maken?
Kortheidshalve verwijs ik u graag naar mijn brief van 6 maart 2020 (Kamerstuk 35 078, nr. 34) waarvan de verzending gekruist heeft met de inzending van uw vragen. De brief gaat in op benoemingen van Nederlandse ambtenaren binnen de Europese Unie. Waar de laatste alinea specifiek ingaat op benoemingen op hoogambtelijk niveau, geeft de rest van de brief weer hoe het kabinet zich meer dan voorheen wil richten op de hele pijplijn. Alleen op deze manier kan Nederland op termijn zicht houden op Europese topfuncties. Zodoende is de Kamerbrief in zijn geheel een plan voor benoemingen van Nederlandse ambtenaren op het hoogste niveau.
Een uitspraak van de hoogste Franse rechter over platformorganisatie Uber |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoogste rechtscollege Frankrijk ziet chauffeurs van digitale taxidienst Uber als werknemers»?1
Ja
Wat is in uw ogen de kern van het arrest op basis waarvan de Franse rechter afweegt dat sprake is van een gezagsrelatie en de chauffeurs ondergeschikt zijn aan Uber?
Het Franse Hof van Cassatie heeft in haar arrest geoordeeld dat wanneer een chauffeur contact maakt met het digitale platform van Uber, dat er sprake is van een relatie van ondergeschiktheid. De chauffeur wordt in dat geval aangemerkt als werknemer. Voor zelfstandig ondernemerschap gaat op dat er een mogelijkheid moet zijn op een eigen klantenkring op te bouwen, dat er vrijheid moet zijn om eigen tarieven te bepalen en dat er vrijheid moet zijn om de voorwaarden te bepalen voor het verrichten van de diensten. Bij Uber-chauffeurs in Frankrijk is hiervan geen sprake. Daarmee heeft dit arrest gelijkenissen met het Nederlandse stelsel en de elementen die Nederlandse rechters meewegen bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. Hetzelfde geldt voor wetgeving in andere lidstaten. Toch kennen de wettelijke stelsels verschillen. Op grond van het Franse arbeidsrecht geldt bijvoorbeeld het rechtsvermoeden van zelfstandig ondernemerschap als de werkende in het Handelsregister staat ingeschreven, waar in het arrest ook naar verwezen wordt. En geldt in Frankrijk een verplichting voor zelfstandigen om zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. In het Verenigd Koninkrijk is naast werknemers en zelfstandigen, sprake van een derde categorie «workers». Deze verschillen maken het zeer lastig om Franse jurisprudentie en wetgeving in algemene zin te analyseren en meer specifiek in relatie tot EU-recht.
Daarnaast gaat op dat, zoals ook in mijn brief van d.d. 21 juni 20194 staat beschreven, dat verschillende rechters uiteenlopende uitspraken hebben gedaan, afhankelijk van de verschillende nationale omstandigheden en criteria. Ook de Sociaal-Economische Raad heeft geconstateerd dat de vraag of bestaande nationale arbeidswetgeving op platformwerkers van toepassing is, verschillend wordt beantwoord door rechters in verschillende EU-lidstaten.5 De ontwikkelingen in Frankrijk, in andere lidstaten, en op EU-niveau, zullen wij ten aanzien van de afbakening uiteraard blijven volgen. Bovendien gaat op dat de door uw benoemde uitspraak in relatie tot de Nederlandse situatie, ziet op individuele gevallen. Hierover kan in algemene zin geen uitspraak worden gedaan.
Ik deel de belangstelling van het lid Tielen voor Franse jurisprudentie en de ontwikkelingen omtrent de uitleg van het werknemersbegrip. De afbakening tussen werknemers en zelfstandigen heeft namelijk prioriteit voor het kabinet. Deze prioriteit wordt bovendien bevestigd door het advies van de Commissie Regulering van werk waarin verschillende maatregelen worden voorgesteld voor een hanteerbare en eigentijdse afbakening. Het kabinet acht het van belang dat zzp-ers om de juiste redenen kiezen voor het zzp-schap en dat er niet eigenlijk sprake is van een arbeidsrelatie. De Coronacrisis maakt extra duidelijk dat een groot deel van de zelfstandigen zich in een uiterst kwetsbare positie bevindt. Gebrekkige bescherming, onduidelijkheid over de kwalificatie van de arbeidsrelatie en onwenselijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden vragen onverminderd om een antwoord. Daarom werkt het kabinet op nationaal niveau aan maatregelen ten aanzien van het werken als zelfstandige, waarover de Kamer via de brief van 15 juni jl. is geïnformeerd, en zal na de zomer een kabinetsreactie volgen op het advies van de Commissie Regulering van werk.
Wat is in uw ogen de verhouding tussen enerzijds het Franse arrest en het eerdere arrest van het Hof van Jusititie van de Europese Unie (HvJ-EU) over Uber2 en een andere uitspraak van het HvJ-EU waarbij het platform AirBNB als informatiedienstverlener werd gekwalificeerd?3
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is de uitspraak van de Franse rechter gestoeld op uitsluitend Franse wetgeving en/of is hierbij ook de rechtspraktijk in andere (Europese) landen betrokken?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is de werkwijze van Uber onder Frans recht – waar de hoogste Franse rechter een uitspraak over gedaan heeft – vergelijkbaar met de situatie onder Nederlands recht? Kunt u hierbij aangeven welke relevante verschillen hiertussen zitten? Wat voor gevolgen kan deze uitspraak in Frankrijk hebben voor de Nederlandse Uber-chauffeurs?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze wordt jurisprudentie van nationale rechters en van het HvJ-EU meegenomen in gesprekken over Europese initiatieven op het gebied van platformwerk die in voorbereiding zijn?
In de op 14 januari 2020 uitgebrachte roadmap «Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities» kondigt de Europese Commissie aan om een top te organiseren over platformwerk. Doel is om prioritaire kwesties en mogelijke oplossingen te bespreken, waaronder bijvoorbeeld arbeidsstatus, arbeidsvoorwaarden en toegang tot sociale bescherming van platformwerkers. Naar verwachting zal er tijdens deze top ook aandacht worden besteed aan jurisprudentie van nationale rechters en het Hvj-EU.
Heeft u gesprekken met platformorganisaties over de wijze waarop zij in Nederland ruimte bieden aan onder andere chauffeurs om echt als zelfstandige te kunnen werken? Zo ja, wat is de uitkomst van die besprekingen? Zo nee, wat bent u wel van plan te doen voor meer duidelijkheid over de vrijheden en rechten van zelfstandige chauffeurs?
In algemene zin ervaren opdrachtgevers en hun opdrachtnemers op dit moment onvoldoende duidelijkheid in welke gevallen er sprake is van een dienstbetrekking. Het kabinet acht het van belang dat deze partijen, waaronder dus ook platformorganisaties en chauffeurs, meer duidelijkheid krijgen over de status van hun arbeidsrelatie. Daarom voert het kabinet – zoals eerder aangegeven6 – een breed gesprek met relevante veldpartijen over de wijze waarop wordt gewerkt en in hoeverre bepaalde werkwijzen zich al dan niet lenen om buiten dienstbetrekking te werken.
Daarnaast wordt op dit moment de webmodule verder uitgewerkt. Dit is een extra hulpmiddel om duidelijkheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen, zoals ook beschreven in mijn brief aan uw Kamer7. Over de webmodule is op 2 maart jl. een stakeholdersbijeenkomst geweest waarbij eenieder de gelegenheid heeft gekregen input te geven op dit instrument. Voorts is van belang dat een opdrachtgever nu al duidelijkheid kan hebben over de aard van de arbeidsrelatie, omdat bijvoorbeeld naar tevredenheid wordt gewerkt op
basis van een gepubliceerde (branche)modelovereenkomst. Naast het voorleggen van een overeenkomst kunnen partijen zich tevens tot de Belastingdienst wenden voor het reguliere vooroverleg. Voorts heeft de Belastingdienst zijn toezichtplan gepubliceerd waarin de sectorspecifieke benadering wordt toegelicht.8 Ik hoop u komende periode – middels een brief aan uw Kamer – verder te kunnen informeren over de uitwerking van de maatregelen die zien op het werken als zelfstandige.
Seksueel geweld tegen christelijke vrouwen |
|
Anne Kuik (CDA), Martijn van Helvert (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Christenvrouwen bestraft met seksueel geweld»?1
Ja, van beide heb ik kennis genomen.
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Gender specific religieus persecution report 2020» van Open Doors?2
Zie antwoord vraag 1.
Veroordeelt u het feit dat in de meeste landen op de Ranglijst Christenvervolging van Open Doors christelijke vrouwen doelgericht worden gestraft door middel van uitsluiting, seksueel geweld, gedwongen huwelijken of zelfs verkrachting?
Vervolging wegens een (van de meerderheid afwijkende) geloofs- of levensovertuiging vindt het kabinet onaanvaardbaar. Uitsluiting, seksueel geweld, gedwongen huwelijken en verkrachting zijn in algemene zin onacceptabel, dus ook als straf voor een specifieke groep zoals christelijke vrouwen.
Onderschrijft u de opmerking van auteur Helene Fisher dat vooral vrouwelijke slachtoffers een «onbeschrijfelijke mentale en fysieke mishandeling» ondergaan vanwege lidmaatschap van een minderheidsgeloof?
Het kabinet waardeert de benadering van de auteur. Zij probeert in kaart te brengen hoe mannen, vrouwen, jongens en meisjes, gezamenlijk en genderspecifiek, slachtoffer zijn van geweld in situaties van christenvervolging. Het kabinet deelt de conclusie dat «geen enkele groep gespaard blijft» en dat «in alle christelijke gemeenschappen het echter de vrouwen en meisjes zijn die in de meest moeilijke omstandigheden verkeren». Het zou echter goed zijn geweest die uitkomst te vergelijken met de situatie van alle vrouwen en meisjes in die specifieke context, inclusief degenen die deel uitmaken van de religieuze meerderheid. Hoe dan ook illustreert haar waarneming de noodzaak van onze inzet op versterking van de positie van vrouwen en meisjes in het algemeen. Dit met oog voor vrouwen en meisjes die op basis van godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook te maken hebben met extra geweld.
Hoe kan het Nederlandse buitenland- en ontwikkelingsbeleid bijdragen aan het mitigeren of oplossen van de in het Open Doors-rapport gesignaleerde top-5 van knelpunten voor zowel christelijke mannen en jongens als vrouwen en meisjes?3
Dit kan in de eerste plaats door het recht van de vrijheid van religie en levensovertuiging te blijven onderstrepen en steunen, zowel in bilateraal als in multilateraal verband. In de tweede plaats kan dat door te blijven inzetten op verbetering van de (maatschappelijke, dus ook religieuze) positie van vrouwen en meisjes. In de derde plaats door een combinatie van beide, zoals recentelijk nog geïllustreerd door het meest recente rapport van de Speciaal Rapporteur Vrijheid van Geloven en Levensovertuiging van de VN04 en het rapport «Promoting freedom of religion or belief and gender equality in the context of the sustainable development goals» opgesteld op verzoek van de Deense en Noorse ministeries van Buitenlandse Zaken 5. Voor maatschappelijke initiatieven op dit terrein staan middelen uit het Mensenrechtenfonds en middelen behorende bij het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld ter beschikking.
Hoe bevordert u internationaal de gelijkheid van vrouwen voor de wet, zodat daders van (seksueel) geweld niet onschendbaar zijn en hoe stimuleert u in dat licht dat wetgeving verdwijnt die schadelijke praktijken goedkeurt, toestaat of veroorzaakt en het verdedigen van eer accepteert als verdediging of verzachtende omstandigheid bij mensenrechtenschendingen?
Gelijke rechten voor vrouwen is een prioriteit van het Nederlands buitenlands en ontwikkelingsbeleid. Voor Nederland is van belang de positie van vrouwen zodanig te versterken dat zij ook zelf in staat zijn hun gelijkheid voor de wet af te dwingen. Zo stelt Nederland zich ten doel deelname van vrouwen aan (politieke) besluitvorming en vrouwelijk leiderschap te vergroten.
Bij onze inzet voor gelijke toegang tot recht, zonder discriminatie, hoort ook de aanpak van straffeloosheid zodat daders van geweld vervolgd worden. Hierbij is specifiek aandacht voor (seksueel) geweld tegen vrouwen.
Nederland investeert in rechtsstaatontwikkeling via onder andere UNDP, UN Women en (internationale) ngo’s. Eén van de doelen hierbij is verbetering van nationale wetgeving in lijn met internationale mensenrechtenstandaarden. UN Women zet zich met Nederlandse steun bijvoorbeeld in voor het bewust maken van vrouwen van hun rechten, inclusief het gebruik van rechtssystemen. Daarnaast draagt UN Women bij aan gender-sensitieve juridische hervormingen, om te zorgen dat iedereen toegang heeft tot recht en daders niet ongestraft blijven. Dit richt zich zowel op schadelijke praktijken in nationale wetgeving als in gewoonterecht. Ook richt UN Women zich op het versterken van transitional justice, door vrouwen bij het transitional justice proces te betrekken en specifiek aandacht te geven aan (seksueel) geweld tegen vrouwen. Tot slot worden er trainingen gegeven aan lokale, soms traditionele wetgevers, over mensenrechten, gender en gendergerelateerd geweld.
Hoe bevordert u dat internationale afspraken over het voorkomen van kindhuwelijken of gedwongen huwelijken beter worden nageleefd?
Nederland zet zich zowel politiek als via fondsen voor ontwikkelingssamenwerking (OS-fondsen) in om kindhuwelijken te voorkomen en gestalte te geven aan internationale afspraken hierover.
In 2017 en 2019 coördineerde Nederland de resolutie over kindhuwelijken in de VN Mensenrechtenraad, die beide gevallen met algemene stemmen werd aangenomen. Zowel in internationale fora als in bilaterale contacten verricht Nederland pleitbezorging op dit terrein.
Met OS-fondsen steunt Nederland concrete activiteiten om kindhuwelijken tegen te gaan:
Met name UNFPA/UNICEF en Girls not Brides hebben grote invloed in wereldwijde fora zoals de Mensenrechtenraad (MRR) en de Algemene Vergadering van de VN alwaar zij het bestrijden van kindhuwelijken op de agenda zetten en houden. Girls not Brides en UNFPA/UNICEF hebben in Zuidelijk Afrika modelwetgeving ontwikkeld die door deze landen kan worden aangenomen. Zo heeft Swaziland onlangs dergelijke wetgeving aangenomen.
Wilt u in VN-verband bepleiten dat de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal inzake seksueel geweld in conflictsituaties een onderzoek doet, met input van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst of geloof (VGG), om beter voorstellen te doen over inzicht te krijgen in hoe de dubbele kwetsbaarheid verminderd kan worden?
Ja, onder meer de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging zal overleg hebben met de speciaal vertegenwoordiger van de SGVN voor seksueel geweld in conflict en de speciale VN-rapporteur om dit onderwerp aan te kaarten, die zich overigens beiden bewust zijn van de problematiek van de dubbele kwetsbaarheid. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging zal hierbij gebruik maken van de bevindingen in het rapport van Open Doors en het hogergenoemde rapport van de Speciaal Rapporteur. De speciaal gezant van de SGVN kan met onderzoek beter inzicht krijgen in dubbele kwetsbaarheid of bepalen om dat op andere wijze te verkrijgen dan wel te adresseren.
Bent u bereid om in mensenrechtenprogramma’s meer aandacht en budget te reserveren voor hulpprogramma’s specifiek gericht op vrouwen die als lid van een minderheidsgeloof geconfronteerd worden met «onbeschrijfelijke mentale en fysieke mishandeling», ook van seksuele aard?
In het kader van de in 2017 ingezette intensivering van het Nederlandse buitenlands mensenrechtenbeleid gaat specifieke aandacht uit naar de vrijheid van religie en levensovertuiging, zowel beleidsmatig als financieel. Tevens spitst één van de zeven thema’s binnen het Power of Voices instrument (onderdeel van het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld), startend per januari 2021, zich toe op de vrijheid van religie en levensovertuiging. Tot slot zal, conform amendement van het Lid van der Staaij (kamerstuk 35 300 V, nr. 13), € 750.000 vanuit het Mensenrechtenfonds worden bijgedragen aan de financiering van psychische en geestelijke zorg aan geloofsvervolgden. Hierbij zal ook zorg worden geboden aan vrouwen van een religieuze minderheid.
De betrouwbaarheid en volledigheid van zelfonderzoek door eigen advocaten van bedrijven |
|
Maarten Groothuizen (D66), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel in FD over de zaak van de heer Clawer?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel in het Financieel Dagblad.
Wat zijn op dit moment de kaders van «zelfonderzoek» door eigen advocaten van bedrijven die ergens van verdacht of beschuldigd worden?
Het Openbaar Ministerie (OM) schrijft bedrijven geen specifiek kader voor zelfonderzoek voor. Zoals eerder aangegeven2 is de waarde die aan een dergelijk zelfstandig onderzoek wordt gehecht wel afhankelijk van de mate waarin deze onderzoeken voldoende diepgaand, volledig en juist zijn. Hiervoor dient het onderzoek inzichtelijk en toetsbaar te worden gepresenteerd. Bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) worden de door de verdachten aangeleverde onderzoeksresultaten daarop ook altijd gecontroleerd en door het OM vervolgens geverifieerd. Verder is en blijft het OM verantwoordelijk voor een strafrechtelijk onderzoek en beslist over het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden en over de vervolging. Voorts dienen, als (eigen) advocaten worden ingeschakeld voor zelfstandige onderzoeken, zij zich te houden aan de voor hen geldende beroeps- en gedragsregels, zoals onder andere neergelegd in de kernwaarden genoemd in artikel 10a van de Advocatenwet. Zo dienen zij bij het uitvoeren van het onderzoek voldoende onafhankelijkheid te betrachten ten opzichte van hun opdrachtgever. De naleving van deze regels wordt geborgd door het voor de beroepsgroep geldende tuchtrecht.
Wordt inmiddels bijgehouden in hoeveel strafrechtelijke onderzoeken zelfonderzoek wordt aangedragen en in hoeveel gevallen dit heeft geleid tot strafvermindering? Zo nee, waarom niet? Hoe kan dan zicht worden gehouden op eventueel onwenselijke effecten van deze manier van werken door het openbaar ministerie (OM)? Wat zijn de plannen van het OM op het gebied van het overlaten van feitenonderzoek aan advocaten van bedrijven zelf?
Het aantal strafrechtelijke onderzoekszaken waarbij zelfstandige onderzoeken zijn aangedragen en in hoeveel gevallen dit heeft geleid tot strafvermindering, worden niet als zodanig geregistreerd bij het OM. Leidend is het aantal strafrechtelijke onderzoeken, een zelfonderzoek wordt daarin meegenomen. Nu een zelfstandig onderzoek door de verdachte zelf altijd door de FIOD wordt gecontroleerd en door het OM wordt geverifieerd, wordt zicht gehouden op eventueel onwenselijke effecten.
Het OM wil in de toekomst vaker gebruik maken van onafhankelijk onderzoek door professionals, waaronder advocaten of (forensisch) accountants, die door verdachte bedrijven zelf zijn ingehuurd, waarbij voornoemde randvoorwaarden te allen tijde in acht dienen te worden genomen.
Erkent u dat er grote risico’s zitten aan dit soort zelfonderzoek, tenminste het risico dat de beschuldigde rechtspersoon zichzelf probeert vrij te pleiten middels onderzoek door eigen advocaten, waarbij mogelijk niet de volledige waarheid op tafel komt, doordat bijvoorbeeld geen adequate hoor en wederhoor plaatsvindt, en mogelijk zelfs de schuld in de schoenen van anderen geschoven kan worden?
De afweging om wel of niet (eigen) advocaten in te schakelen ten behoeve van een zelfstandig onderzoek is aan bedrijven zelf. Gelet op de eerder genoemde randvoorwaarden waaraan dergelijke onderzoeken door (eigen) advocaten dienen te voldoen, ben ik van mening dat de eventueel onwenselijke risico’s aan dit soort onderzoeken in voldoende mate worden gemitigeerd.
Ziet u ook dat, gelet op de omstandigheid dat advocaten een vertrouwensrelatie met hun cliënten hebben en dan ook per definitie partijdig zijn, dit op gespannen voet kan staan met waarheidsvinding, omdat bedrijven en hun bestuurders juist schadelijke publiciteit willen vermijden, en dat het dan ook onwenselijk is dat het OM fraudeonderzoek overlaat aan de te onderzoeken partij zelf? Zo nee, kunt u uitleggen waarom u dit wel wenselijk acht?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het niet opzienbarend dat juist de advocaten die in deze kwestie (1) bekritiseerd worden de aanjagers zijn van de ontwikkeling dat bedrijven juist vaker zelfonderzoek door eigen advocaten uit zouden moeten laten voeren?2
Dat het OM juist samen met de advocatuur de mogelijkheden beziet hoe vaker gebruik kan worden gemaakt van zelfstandige onderzoeken, waarbij voornoemde randvoorwaarden te allen tijde in acht dienen te worden genomen, vind ik in z’n algemeenheid een goede zaak. De bekritisering van de advocaten in deze kwestie is nu onderwerp van een lopende tuchtrechtelijke procedure. Het is aan de tuchtrechter om zich een oordeel te vormen over de vraag of de advocaten in strijd met het tuchtrecht hebben gehandeld.
Deelt u de mening dat in het geval een feitenonderzoek door de verdachte zelf deel uitmaakt van het dossier van het OM, de FIOD altijd moet verantwoorden op welke manier zij dit zelfonderzoek heeft gecontroleerd en op bruikbaarheid heeft beoordeeld? Zo ja, hoe gaat u dit formeel vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ja, voor het OM moet duidelijk zijn op welke manier de FIOD een zelfstandig onderzoek heeft gecontroleerd op voldoende diepgang, volledigheid en juistheid. Tussen de FIOD en het OM bestaan hierover goede werkafspraken.
Deelt u de mening dat, daar waar u in antwoord op eerdere vragen van de leden Groothuizen en Van Nispen leek te bevestigen dat, wanneer iemand meewerkt aan een onderzoek dit kan leiden tot strafvermindering, er een verschil zit tussen «meewerken aan een onderzoek» en zelf onderzoek doen en dat onderzoek dan aan het OM presenteren als de waarheid? Zo ja, kunt u verduidelijken of voor dat laatste ook strafvermindering bedongen kan worden en waarom u dat dan wenselijk acht?3
Ik ben van mening dat de mate en manier van «meewerken» kan verschillen. De hoogte van de strafeis van het OM voor een verdachte is daarom altijd afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval. Indien een verdachte meewerkt in een strafproces is dat een omstandigheid die door het OM in de regel positief wordt meegewogen bij het bepalen van de strafeis. Die afweging kan ook plaatsvinden bij een zelfstandig onderzoek zolang het onderzoek voldoende diepgang heeft en juist en volledig is. Wanneer een strafzaak aan de rechter wordt voorgelegd beslist de rechter over eventuele strafverminderende (of -verzwarende) omstandigheden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Algemeen Overleg financieel-economische criminaliteit?
Daaraan heb ik bij deze voldaan.
Het bericht ‘Nederland dankzij Belgen al twee jaar niet vertegenwoordigd in EIB-top’ |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland dankzij Belgen al twee jaar niet vertegenwoordigd in EIB-top»?1
Ja ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u een appreciatie geven van het feit dat de Europese Investeringsbank het al twee jaar zonder een vicepresident uit de Benelux moet stellen? Wat zijn de consequenties hiervan? Vindt u dit ook schadelijk voor Nederland?
Het is wat Nederland betreft onwenselijk dat er al meer dan twee jaar geen vicepresident namens de Benelux in het Management Comité van de Europese Investeringsbank (EIB) zetelt. Het Management Comité vormt volgens de statuten van de EIB (artikel 11.3)2 het dagelijks bestuur van de EIB en is verantwoordelijk voor het voorbereiden van beslissingen die door de Raad van bewind worden genomen en voor het toezien op de implementatie daarvan. Ook kan het Management Comité volgens de statuten van de EIB besluiten nemen over taken die door de Raad van bewind naar het Management Comité zijn gedelegeerd, waarbij de Raad van bewind toezicht houdt op de uitvoering van deze taken door het Management Comité (artikel 9.1). De praktische consequentie van het uitblijven van de benoeming van een Benelux vicepresident is dat er geen vicepresident namens de Benelux is die bij de vergaderingen van het Management Comité aanwezig is en meebeslist.
Alle EU landen, en dus ook Nederland, zijn vertegenwoordigd in de Raad van bewind omdat zij elk een lid benoemen. In de Raad van bewind worden alle uiteindelijke beslissingen genomen, zoals ook investeringsbeslissingen. Nederland kan hier dus wel over meebeslissen.
De EIB staat op het moment voor veel uitdagingen, zoals de implementatie van het nieuwe financieringsbeleid voor de energiesector (Energy Lending Policy), de nieuwe klimaatambitie, het versterken van het governance raamwerk van de bank en de impact van programma’s buiten de EU. Daarnaast zal de EIB Groep een grote rol vervullen in het opvangen van de negatieve economische gevolgen van de COVID-19 crisis. Onderdeel daarvan is het reeds gepresenteerde voorstel met als doel 40 miljard euro aan MKB-financiering te mobiliseren.3
Voor de Benelux, dus ook voor Nederland, is het uitblijven van een vicepresident niet wenselijk en daarom dringt het kabinet er al enige tijd bij België op aan dat er zo snel mogelijk een voordracht wordt gedaan.
Komen er nieuwe projecten in het geding doordat besluitvorming over de financiering langer duurt dan normaal?
Zoals hierboven uitgelegd, is het Management Comité verantwoordelijk voor het voorbereiden van beslissingen die door de Raad van bewind worden genomen en voor de taken die door de Raad van bewind aan het Management Comité zijn gedelegeerd. De Raad van bewind besluit over individuele projecten en garanties. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat besluitvorming over financieringen langer duurt dan normaal doordat het Management Comité geen voltallige bezetting heeft. Specifiek wat betreft activiteiten van de EIB Groep in Nederland kwam het totaal in 2019 uit op 2,8 miljard euro aan investeringen. Niet eerder verstrekte de EIB Groep zoveel financiering in Nederland. Voorbeelden van investeringen zijn leningen aan de RET (o.a. verduurzamen van de busvloot), een farmaceutisch bedrijf (innovatief onderzoek naar behandelen van kanker) en Isala ziekenhuizen (o.a. elektronisch patiëntendossier).
Heeft u contact gehad met oud-premier Michel of zijn opvolger over het vicepresidentschap? Wat is er tijdens deze gesprekken besproken?
Nederland kaart de vacante Benelux-stoel in het Management Comité van de EIB in bilaterale gesprekken op alle niveaus met België steeds aan. Tijdens deze gesprekken benadrukt Nederland steeds het belang van het zo snel mogelijk invullen van de vacante positie van vicepresident door België. Ik heb begrip voor de politieke situatie in België die een voordracht lastig maakt, maar natuurlijk ziet Nederland het liefst zo snel mogelijk deze positie gevuld.
Welke mogelijkheid ziet u om de invulling van het vicepresidentschap door een Benelux-kandidaat in te vullen, dan wel te versnellen? Onderschrijft u het belang hiervan ook?
Nederland en België wisselen volgens onderlinge afspraken de positie van vicepresident af. De Belgische termijn is op 1 januari 2018 ingegaan. Zoals eerder gezegd dringt het kabinet aan op het zo snel mogelijk voordragen van een vicepresident door België, maar de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij België. De Nederlandse termijn gaat op 1 januari 2024 in.
Bent u voornemens in gesprek te gaan met de EIB-top om invulling van het vicepresidentschap te versnellen? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een EU-toppositie zo lang onbezet blijft en dat continuïteit belangrijk is voor de Europese Investeringsbank dan wel Europa?
Volgens de statuten van de EIB (artikel 11.1) is de Raad van gouverneurs, op voordracht van de Raad van bewind, verantwoordelijk voor het benoemen van de president en vicepresidenten van de EIB. Er zijn geen manieren om dit proces voor het benoemen van een vicepresident te versnellen anders dan beschreven in de statuten. Ik ben het eens dat het inderdaad onwenselijk is dat deze positie tot op heden onbezet is en dat het belangrijk is dat de vacante stoel zo snel mogelijk wordt ingevuld.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat er aandacht is voor financiering van nieuwe projecten in Nederland en België? En dat een afgevaardigde uit de Benelux als vicepresident daarbij een belangrijke rol heeft?
De taak van de EIB is vastgelegd in het Verdrag van de Europese Unie, namelijk het bijdragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de EU door het verstrekken van leningen en garanties.4 Vanuit dat oogpunt is aandacht voor financieringen binnen en buiten de EU die hieraan bijdragen, waaronder ook investeringen in Nederland en België, belangrijk. Onderdeel van de recente governance hervormingen bij de EIB als gevolg van brexit is dat leden van het Management Comité sinds 1 februari 2020 niet langer verantwoordelijk zijn voor individuele projectonderhandelingen en de implementatie van projecten in eigen land of kiesgroep, maar alleen voor het onderhouden van institutionele relaties binnen de kiesgroep en het bijdragen aan business development (artikel 1.5 van de gedragscode Management Comité).5 Het is ook goed om in deze context te vermelden dat de EIB Groep een kantoor in Amsterdam heeft dat verantwoordelijk is voor het onderhouden van het contact en de samenwerking tussen de EIB Groep en publieke en private partners, en waar geïnteresseerden contact mee kunnen opnemen.
Kunt u aangeven welke stappen u de komende tijd gaat zetten om een afgevaardigde van de Benelux de positie van vicepresident te laten invullen?
Nederland zal de vacante Benelux-stoel in het Management Comité van de EIB aan blijven kaarten in bilaterale gesprekken met België en hierin het belang van een snelle voordracht benadrukken.
De bestedingen van gelden van het Nationaal Programma Groningen (NPG) |
|
Sandra Beckerman |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Kent u de nieuwste krant van de Groninger Bodem Beweging, waarin informatie staat over waar het geld van het Nationaal Programma Groningen naar toe gaat?1
Ja.
Op welke wijze wordt de toekomst van elke Groninger gewaarborgd, zoals het NPG haar doelstelling verwoord? Wat merken gedupeerde Groningers van de bestedingen van de 1.150 miljoen euro uit het NPG?
De gemeenteraden van de zeven gemeenten in het aardbevingsgebied en provinciale staten van de provincie Groningen hebben het programmakader Nationaal Programma Groningen (hierna: programmakader) vastgesteld. In dit kader zijn naast de doelstellingen en ambities van het programma ook 6 randvoorwaarden opgenomen waaraan projecten dienen te voldoen. Eén van deze randvoorwaarden is «toekomstbestendigheid». De investeringen van het Nationaal Programma Groningen beogen een structureel beter woon- en werkklimaat te bewerkstelligen.
Klopt het dat er al 75% van het geld bestemd is? Wie heeft de aanvragen voor al die miljoenen euro's ingediend? Waar zijn die gegevens te vinden? Aan welke voorwaarden moest een aanvraag voldoen zodat er geld toegekend wordt?
De financiële opbouw Nationaal Programma Groningen is vastgesteld door het bestuur van het Nationaal Programma Groningen en de zeven gemeenteraden en provinciale staten. Hiermee is de 1,15 miljard euro verdeeld over de verschillende onderdelen van het Nationaal Programma Groningen2. Voor grote delen hiervan moeten nog programma's en projecten ingediend worden, waarna de middelen daadwerkelijk bestemd worden. Tot nu toe zijn er projecten ingediend door de provincie Groningen, zeven gemeenten in het aardbevingsgebied en inwoners (via het loket leefbaarheid). Ook zijn er middelen toegekend aan specifieke doelstellingen, zoals het zorgvastgoedprogramma. Sinds vaststelling van het programmakader door de gemeenteraden en provinciale staten moeten aanvragen voldoen aan de 6 randvoorwaarden zoals deze gesteld zijn in het programmakader. Deze randvoorwaarden zijn: toekomstbestendigheid, participatie, samenhang, integraliteit, cofinanciering & proportionaliteit. Na indiening van een programma of project worden deze beoordeeld door een onafhankelijke beoordelingscommissie.
Het klopt naar onze informatie niet dat 75% van het geld al bestemd is, maar 23%. Deze middelen zijn nog niet geheel uitgegeven, maar het bestuur van het Nationaal Programma Groningen heeft toestemming gegeven om tot uitgave van dit deel van de middelen over te gaan. Het gaat hierbij zowel om concrete projecten alsook om programma's of regelingen, zoals bijvoorbeeld het loket leefbaarheid.
Hoeveel van de 1.150 euro miljoen gaat naar het «maken van plannen» en «het opstarten van projecten». Hoe profiteren gedupeerde Groningers daarvan, nu of in de toekomst?
Het doel van het Nationaal Programma Groningen is om de brede welvaart in het gebied structureel te verhogen, zoals gesteld is in het programmakader. We zetten ons gezamenlijk in om de overheadkosten van het Nationaal Programma Groningen zo klein mogelijk te maken, maar de toekomst van Groningen vergt ook goede plannen. Ik ben dan ook van mening dat de Groningers in de toekomst profiteren van het maken van zorgvuldige plannen en goed projectmanagement. Het is op dit moment nog niet mogelijk om al precies aan te geven hoeveel van de 1.150 euro miljoen gaat naar het «maken van plannen» of het «opstarten van projecten».
Hoe kan het dat de «verdwenen» 117,5 miljoen euro, al vóór de start van het NPG waren toegekend aan Wierden en Borgen, batch 1588 en de dialoogtafels? Wie heeft daar toestemming voor gegeven?
Deze toekenning van middelen is het gevolg van bestuurlijke afspraken tussen het Rijk en de regio die gemaakt zijn voor de formele start van Nationaal Programma Groningen op 11 maart 2019. Deze zijn bekrachtigd door de ondertekening van de bestuursovereenkomst en maken deel uit van de afspraken die zijn vastgelegd in «Een programma dat groeit» (i.e. toelichting bij de bestuursovereenkomst). Aan de genoemde projecten is overigens 75,1 miljoen euro toegekend, niet 117,5 miljoen.
Kunt u de kosten van 42,5 miljoen euro voor het NPG zelf overzichtelijk weergeven in een tabel, zodat duidelijk wordt waaraan dat specifiek is uitgegeven?
Met de financiële opbouw (zie antwoord vraag 3) is voor de duur van het Nationaal Programma Groningen 42,5 mln euro beschikbaar gesteld voor de programmakosten van het Nationaal Programma Groningen. Onlangs is de begroting van de programmakosten voor 2020 vastgesteld (Tabel 1) en gepubliceerd op de website van het Nationaal Programma Groningen. De programmakosten 2020 zijn gebaseerd op hetgeen dat nodig is voor het programma, niet op de raming uit de financiële opbouw. Zo wordt ruimte gelaten om eventueel in de toekomst het programma nader te ondersteunen.
Personeel Programmabureau en reservering werkgeversrisico
€ 1.153.000
Diensten van de Provincie (o.a. juridisch, inkoop, finance en control, ICT, huisvesting, p&o)
€ 729.000
Overige organisatiekosten (o.a. communicatie, webhosting, zaalhuur)
€ 105.000
Adviesdiensten en overige diensten (o.a. onafhankelijke evaluatie en monitoring, omgevingskwaliteitsteam, onafhankelijke beoordelingscommissie, bestuurskosten, projectversnellers, uitvoeringskosten regelingen bewonersinitaitieven)
€ 1.212.000
Onvoorziene kosten
€ 100.000
Subtotaal
€ 3.299.000
€ 206.000
Wie bepaalt precies de ambities om de leefbaarheid te vergroten in Groningen? Dus, wie bepaalt waar gedupeerde Groningers daadwerkelijk vooruitgaan als het om leefbaarheid gaat? Hoe worden de Groningers voor wie het geld bedoeld is, actief betrokken bij het proces?
Het bestuur van het Nationaal Programma Groningen besluit over de toekenning van projecten, waarbij het geadviseerd wordt door de onafhankelijke beoordelingscommissie die de projecten toetst aan het programmakader. Het verbeteren van de Brede Welvaart in Groningen is daarbij de hoofddoelstelling. Het bestuur bestaat uit overheden (de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de provincie Groningen en gemeenten in het aardbevingsgebied) en diverse maatschappelijke organisaties, waaronder het Groninger Gasberaad, de woningbouwcorporaties, kennisinstellingen en het bedrijfsleven. Daarnaast is er nog een onafhankelijke partij die het Nationaal Programma Groningen jaarlijks zal evalueren. Voor leefbaarheid zullen zij daarbij primair naar de indicator «leefbarometer» kijken, zoals deze opgesteld is door het CBS.
Groningers worden op verschillende manieren betrokken bij Nationaal Programma Groningen. Momenteel loopt de Toukomst-campagne, waarbij Groningers ideeën in kunnen dienen voor de toekomst van Groningen. Een deel van deze ideeën zal uitgevoerd worden en deze input zal bovendien gebruik worden voor het vormgeven van het Toekomstbeeld 2040. Daarnaast is participatie één van de randvoorwaarden waar projecten en programma's binnen het Nationaal Programma Groningen aan moeten voldoen.
Hoe wordt de 40 miljoen euro voor het zorgprogramma besteed? Wat merken de 10.000 mensen met gezondheidsproblemen daar van? Worden er laagdrempelige initiatieven bedacht waar mensen met gezondheidsproblemen terecht kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bijdrage van 40 miljoen euro van het Nationaal Programma Groningen voor het zorgprogramma is bedoeld als onderdeel van de uitvoering van de zorgvisie aardbevingsbestendige zorg. Voor de aanpak van gezondheidsproblemen hebben Regio en Rijk in overleg met GGD Groningen besloten extra te investeren in preventieve zorg (Kamerstuk 33 529, nr. 702). Aardbevingsgemeenten krijgen middelen om extra capaciteit in te zetten voor de sociale en emotionele ondersteuning van inwoners. Hiervoor is gezamenlijk 5.4 miljoen euro vrijgemaakt. Momenteel vindt overleg plaats tussen de gemeenten en GGD Groningen hoe deze middelen het beste kunnen worden ingezet. Ik volg dit proces. Eerder is bij het NPG-bestuur nadrukkelijk onder de aandacht gebracht de middelen uit het Nationaal Programma Groningen verder te betrekken bij het verbeteren van de gezondheidssituatie in het aardbevingsgebied. Daarnaast heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onlangs € 250.000 extra geïnvesteerd in geestelijke verzorging in het aardbevingsgebied.
Hoe verhoudt zich de New Energy Coalition tot het NPG? Hoeveel subsidies ontvangt deze coalitie uit het NPG voor onderzoek en welke projecten voeren ze daarvoor uit?
De New Energy Coalition en het Nationaal Programma Groningen hebben geen rechtstreekse relatie met elkaar. Wel is New Energy Coalition als partner betrokken bij enkele projecten die gehonoreerd zijn binnen het thematische programma, waarvoor de provincie Groningen verantwoordelijk voor is. Dit zijn de projecten «Chemport Innovation Centre», «Innovatiemotor Groene Energie en Chemie» en «Leergang oriëntatie Offshore wind». Bij geen van deze projecten heeft de New Energy Coalition rechtstreeks subsidie ontvangen van Nationaal Programma Groningen of de provincie Groningen.
Het kan toch niet waar zijn dat fossiele bedrijven die Groningen en Groningers slopen, grote winsten maken, geen belasting betalen in ons land, dan ook nog subsidies gaan krijgen vanuit het geld dat bedoeld is voor die gesloopte Groningers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie vraag 9.
Hoeveel geld hebben de onderwijsinstituten ontvangen vanuit het NPG? Zo ja, kunt u in een overzicht aangeven hoe dat geld is ingezet?
Onderwijsinstituten hebben nog niet rechtstreeks geld ontvangen vanuit Nationaal Programma Groningen. Wel zijn er projecten ingediend door gemeenten en/of provincie, waarbij onderwijsinstituten partners zijn. In het geval van de Rijksuniversiteit Groningen, de Hanzehogeschool Groningen en de MBO's in de provincie Groningen, gaat het daarbij om de volgende projecten: «Opleiden installateurs in de energietransitie», «Digitale Top Groningen», «leergang offshore wind», «Hive Mobility Centre», «Pilot natuurinclusieve landbouw Midwolder Bouwten», «EPI-kenniscentrum», «Klimaatbiënnale». Deze projecten hebben gezamenlijk een bijdrage vanuit het Nationaal Programma Groningen van afgerond 3,5 miljoen euro ontvangen. De projecten zijn in uitvoering, waardoor nog geen overzicht kan worden gegeven hoe het geld is ingezet.
Zijn er bedrijven die subsidieaanvragen hebben ingediend bij het NPG die betrekking hebben op de energietransitie? Zo ja, welke bedrijven en voor welke projecten? Hoeveel arbeidsplaatsen brengt dat voor Groningen met zich mee?
Er zijn geen bedrijven geweest die concrete subsidieaanvragen ingediend hebben bij het Nationaal Programma Groningen die betrekking hebben op de energietransitie. Wel zijn bedrijven betrokken als partners bij aanvragen die door gemeenten en/of provincie Groningen gedaan zijn.
Kunnen NPG-gelden direct of indirect terechtkomen bij Shell of projecten waarbij Shell betrokken is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Alle projecten binnen het Nationaal Programma Groningen moeten een positieve bijdrage leveren aan de vier ambities van het Nationaal Programma Groningen: Natuur en Klimaat, Werken en Leren, Leefbaarheid en Economie. Daarbij mogen ze geen negatief effect hebben op één van deze ambities. Daarnaast moeten ze voldoen aan de 6 randvoorwaarden zoals deze gesteld zijn in het programmakader, zoals beschreven bij vraag 3. Indien een indiener aan deze projecteisen voldoet kan worden besloten het project te honoreren.
Wilt u de vragen apart beantwoorden voor het komende algemeen overleg Mijnbouw/Groningen op 18 maart 2020?
Ja.
Geweld en seksuele intimidatie in de trein en op het spoor |
|
Nevin Özütok (GL), Suzanne Kröger (GL), Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Politie deelt video van man die geslachtsdeel laat zien in trein», «Ruim 200 meldingen seksuele intimidatie in ov» en «Seksuele intimidatie in het OV: de «treinrukker» is overal»?1
Ja.
Heeft u meer inzicht in het aantal incidenten van seksuele intimidatie in de trein en op het perron?
Zoals ik in antwoord op de Kamervragen van de leden Kuiken en Van den Hul (beiden PvdA)3 heb aangegeven, zijn er door de vervoerders in 2019 circa 200 incidenten geregistreerd met betrekking tot seksuele intimidatie. Het gaat hierbij om seksuele intimidatie in de breedste zin van het woord inclusief verbale intimidatie, schennispleging en aanranding. Wanneer er melding wordt gemaakt van seksuele intimidatie in het vervoer, zal de vervoerder het incident registreren en afhankelijk van de situatie, de politie inschakelen of op een andere manier opvolging geven aan het incident. Omdat incidenten niet altijd gemeld worden, of omdat de reiziger direct aangifte doet bij de politie, is het beeld bij de vervoerders mogelijk niet compleet. De politie heeft op dit moment geen aanvullende cijfers met betrekking tot seksuele intimidatie specifiek in de trein en op het perron.
Worden reizigers in de trein en op de stations voorgelicht over wat ze kunnen doen indien zij worden lastiggevallen? Is er advies aan reizigers? Wat zijn de instructies aan medewerkers om hier zo goed mogelijk mee om te gaan? Is er inzicht in welke situaties (avonden of alleen in een coupé) relatief tot de grootste incidenten leiden?
Er is geen specifiek advies op het gebied van seksuele intimidatie. Vervoerders en ProRail zetten zich wel actief in om ongewenst gedrag te voorkomen. Vervoerders werken daarbij nauw samen met de politie. In zijn algemeenheid informeren vervoerders reizigers in situaties die als onveilig worden beleefd. Zo kunnen reizigers die worden lastig gevallen dat melden via de informatie- en alarmzuilen op stations, de conducteurs en 112. NS richt zich daarnaast op verbeteringen
voor de reiziger, zoals nieuwe treinen met transparante zichtlijnen en camera’s. Daarnaast heeft NS onlangs een proef gehouden met het kunnen melden van incidenten (niet zijnde 112-meldingen) in de trein via een SMS/Whatsapp alert. Aan medewerkers worden geen specifieke instructies gegeven. Zij worden getraind om naar de situatie te handelen. Bij vervoerders is bekend welke situaties tot de grootste incidenten leiden. Dat wordt ook gedeeld met de politie. NS zet op risicolocaties en op late uren extra veiligheid- en servicemedewerkers in.
Is de NS bekend met de aanpak en het beleid van andere buitenlandse en internationale vervoerders met betrekking tot seksuele intimidatie in de trein en op het station, of is er op dit gebied sprake van samenwerking? Zo nee, waarom niet?
De NS werkt, onder andere op het gebied van veiligheid, nauw samen met buitenlandse en internationale vervoerders. Er vindt ook uitwisseling van kennis tussen vervoerders plaats. NS heeft hierin een voortrekkersrol, maar maakt ook gebruik van de «best practices» van andere vervoerders. Daarnaast is NS lid van het verbond van Europese railvervoerders en het samenwerkingsverband tussen railvervoerders en spoorwegpolitie met 32 leden uit 25 landen. In dit verband worden ontwikkelingen met betrekking tot het voorkomen van incidenten en handelingen bij incidenten – waaronder ook seksuele intimidatie – gevolgd, geïmplementeerd en ontwikkeld.
Gebruikt de NS de kennis en expertise van het landelijk coördinatie Centrum seksueel geweld om het beleid rondom seksuele intimidatie in de trein en op de stations te verbeteren? Werken zij samen met dit centrum om gedegen beleid rondom seksuele intimidatie op te stellen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen specifieke samenwerking tussen NS en het Centrum Seksueel Geweld. Als vervoerder heeft NS een belangrijke taak in het borgen van sociale veiligheid. NS werkt nauw samen met andere specialistische organisaties. De kennis van deze organisaties wordt verwerkt in trainingen van NS personeel (toezichthouders en Boa’s). Per situatie wordt een handelingsperspectief geboden. Het thema seksuele intimidatie komt geregeld aan de orde in deze trainingen. Het kennisniveau van de trainers en het eigen kennisinstituut (NS Leercentrum) is op peil. Daarnaast draag NS er zorg voor dat de laatste inzichten in de handelingsperspectieven voor het personeel verwerkt zijn. Voor de NS is hiermee de kennis voldoende gewaarborgd.
Het Centrum Seksueel Geweld biedt laagdrempelig multidisciplinaire hulp aan slachtoffers van seksueel geweld (aanranding en verkrachting. Ook bij de NS is het Centrum Seksueel Geweld goed bekend. Via een landelijk telefoonnummer en de recent gemoderniseerde website is hulp en kennis beschikbaar. Daarnaast is in november 2019 de overheidscampagne watkanmijhelpen.nl gestart die meerjarig aandacht zal vragen voor mensen die kort geleden seksueel geweld hebben meegemaakt. Ook is langs die weg breed bekend gemaakt welke organisaties slachtoffers welke hulp kunnen bieden.
Het gebruik van MANPADS in de Syrische provincie Idlib en de risico’s voor de burgerluchtvaart |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat onlangs meerdere militaire helikopters en vliegtuigen van de Syrische luchtmacht zijn neergehaald met behulp van Man-portable air-defense systems (MANPADS), draagbare luchtverdedigingssystemen?1
Ja.
Worden de MANPADS in kwestie ingezet door het Turkse leger of (ook) door islamitische strijdgroepen die gesteund worden door het Turkse leger?
Op sociale media zijn beelden te zien die de inzet van MANPADS tonen in Noordwest-Syrië. Deze wekken de indruk dat Turkse militairen – opererend in de directe nabijheid van oppositiestrijders – deze MANPADS bedienen en niet de strijders zelf. Het kabinet kan dit evenwel niet met zekerheid bevestigen.
Indien de MANPADS worden gebruikt door islamitische strijdgroepen, kunt u dan aangeven welke strijdgroepen het betreft? Betreft het groepen die internationaal als terreurorganisaties worden aangemerkt en op terrorismelijsten staan? Betreft het strijdgroepen die ook door Nederland zijn gesteund in het kader van het totaal mislukte NLA-programma in Syrië?
Zie antwoord op vraag 2. Beelden op sociale media en andere berichten lijken er daarnaast op te duiden dat de Turkse strijdkrachten primair optreden in samenhang met de zogeheten Syrian National Army (SNA), een koepelorganisatie van strijdgroepen waarmee Turkije al langere tijd samenwerkt, zoals in de operaties Euphrates Shield (tegen ISIS), Olive Branch en Spring Peace (beide tegen de Syrisch-Koerdische YPG).
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 32 623, nr. 229) doet het kabinet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland.
Bent u gezien de mogelijke proliferatie en de daaraan gekoppelde risico’s voor de burgerluchtvaart bereid, desnoods in NAVO-verband, bij Turkije navraag te doen naar wat hun beleid is ten aanzien van het gebruik van MANPADS in de Syrische provincie Idlib? Zo nee, waarom niet?
Het wel of niet inzetten van MANPADS door een land is een soevereine beslissing. Nederland heeft zijn zorgen over eventuele proliferatie van deze systemen in diplomatieke contacten met Turkije gedeeld. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat de (mogelijke) proliferatie van MANPADS onder islamitische strijdgroepen onaanvaardbare risico’s met zich kan meebrengen voor de burgerluchtvaart? Zo ja, bent u bereid het gebruik van MANPADS in de Syrische provincie Idlib tot op de bodem uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
MANPADS kunnen een gevaar vormen voor de burgerluchtvaart. Vanwege het beperkte bereik van MANPADS bestaat het gevaar vooral wanneer op geringe hoogte wordt gevlogen, bij voorbeeld bij het opstijgen of dalen van vliegtuigen. Nederlandse luchtvaartmaatschappijen vliegen, in overeenstemming met het advies van de European Aviation Safety Agency(EASA), noch op bestemmingen in Syrië noch, op grote hoogte, over Syrisch grondgebied. Daarbij delen Nederlandse luchtvaartmaatschappijen ook geen codeshare vluchten met luchtvaartmaatschappijen die wel over Syrië vliegen.
Aangezien er daarom geen dreiging uitgaat van de aanwezigheid van MANPADS in de Syrische provincie Idlib voor de Nederlandse burgerluchtvaart is er op dit moment geen noodzaak om hier als Nederland nader onderzoek naar te verrichten. Nederland is wel van mening dat proliferatie van MANPADS onder islamitische strijdgroepen een groot risico met zich mee zou kunnen brengen en heeft de Nederlandse zorgen over eventuele proliferatie van deze systemen ook in diplomatieke contacten met Turkije gedeeld.
Indien blijkt dat Turkije MANPADS heeft geleverd aan niet-statelijke islamitische strijdgroepen in Syrië, welke maatregelen gaat u dan treffen om verdere leveranties van MANPADS aan deze groepen te voorkomen? Welke rol kan de NAVO hierin spelen?
Zoals in het antwoord op vraag 2 gesteld, zijn op sociale media beelden te zien die de inzet van MANPADS tonen in Noordwest-Syrië. Deze wekken de indruk dat Turkse militairen – opererend in de directe nabijheid van oppositiestrijders – deze MANPADS bedienen en niet de strijders zelf. Hoewel het kabinet dit niet met zekerheid kan bevestigen, is er op dit moment geen aanleiding om van het tegendeel uit te gaan. Nederland heeft de Nederlandse zorgen over eventuele proliferatie van deze systemen in diplomatieke contacten met Turkije gedeeld, en ziet voorts geen aanleiding om deze kwestie ook in NAVO-verband te adresseren.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.